26 mei 2011 – Nog steeds geen uitspraak over loondoorbetaling aan alfahulp

Nog steeds geen uitspraak over loondoorbetaling aan alfahulp

26 mei 2011

Vol verwachting belde advocaat Mac Vijn naar de rechtbank Harderwijk – de timing leek zo mooi, want op de ochtend van 25 mei was de hoorzitting over de rechtspositie van deeltijd huishoudelijk personeel. Ze kreeg helaas de mededeling dat er nog geen vonnis was in de zaak over de loondoorbetaling van de zieke alfahulp. In juni 2011 ligt de zaak al twee jaar bij de kantonrechter! Het proefproces over de loondoorbetaling van de zieke alfahulp wordt gefinancierd door Proefproecessenfonds Clara Wichmann. In de klankbordgroep participeren de VVR (met Eva Cremers en Leontine Bijleveld) en de Stichting Alphatrots, naast het Proefprocessenfonds.

Position Paper Berend Raap, St.Alphatrots

Bijdrage Stichting Alphatrots aan rondetafelgesprek rechtspositie deeltijd huishoudelijk personeel

In beginsel zou de regeling dienstverlening aan huis (DAH) uitstekend kunnen werken en op bepaalde fronten doet het dat ook. Voor een bepaalde doelgroep is het aantrekkelijk om onder de bepalingen van de regeling werkzaamheden te verrichten. Met name voor de hulp bij het huishouden Wmo (in de toekomst ook voor begeleiding Wmo) komt er door de regeling een potentieel aan arbeidskrachten beschikbaar dat in een regulier dienstverband niet beschikbaar zouden zijn. Berekening van het NIBUD in opdracht van Alphatrots hebben aangetoond dat de alphahulp netto aanzienlijk meer verdient dan de vergelijkbare medewerker in loondienst. Een ieder zou op basis van eerlijke en volledige informatie de afweging moeten kunnen maken om al dan niet onder de DAH te willen werken, zich bewust van het feit dat daarmee bepaalde rechten worden opgegeven.
MAAR:
1). Informatievoorziening over rechten en plichten binnen de DAH is zwaar onvoldoende. Er is absoluut geen sprake van duidelijke en juiste informatie op basis waarvan een afgewogen keuze gemaakt kan worden. De informatie op de website van SZW is formeel en niet praktisch en eenduidig. Een groot aantal ‘wat als’ vragen en antwoorden zou al veel duidelijkheid kunnen scheppen.
2). Omdat alphahulpen bewust afstand doen van bepaalde rechten wordt vaak maar voor het gemak aangenomen dat ze daarmee van alle rechten afstand hebben gedaan. Zelfs de rechten die ze wel hebben worden hen maar al te vaak ontnomen.
a. Bij vakantie of ziekenhuisopname van de werkgever ontvangt de hulp zelden salaris. Dit is in strijd met BW 7:628.
b. Wettelijke opzegtermijnen conform BW 7:672 die kunnen oplopen tot maximaal 4 maanden worden niet of nauwelijks nageleefd.
Alphahulpen werken vanuit een gemeentelijk Wmo PGB voor een budgethouder (werkgever). De meeste gemeenten hebben geen enkele boodschap aan de wettelijke verplichtingen die de werkgever heeft jegens de alphahulp. De verordeningen en besluiten zijn vooral gebaseerd op werkbaarheid voor de gemeente en niet op wettelijke bepalingen. Als de werkgever geen budget ontvangt van de gemeente voor het nakomen van zijn wettelijke verplichtingen betaalt die op zijn beurt ook de alphahulp niet. De pijn wordt doorgeschoven tot die bij de alphahulp ligt. Stichting Alphatrots dreigt in financiële problemen te komen omdat namens cliënten wel de verplichtingen jegens alphahulpen worden nagekomen maar we dit van gemeenten niet gecompenseerd krijgen.
Gemeenten Tilburg en Breda hebben vanuit bezuinigingsoogpunt zelfs weloverwogen. en bewust de keuze gemaakt om met de alfacheque de wettelijke arbeidsrechtelijke bepalingen terzijde te schuiven: “niet gewerkt, geen salaris” is hun motto. (dit blijkt uit antwoorden van de respectievelijke helpdesks van deze gemeenten)
Als Alphatrots deze zaken bij gemeenten aankaart worden we op z’n best aangehoord. Men verwijst naar de standaardcontracten van de SVB die ook niet conform het BW zijn. De SVB reageert, na een eerste standaardantwoord, niet op vragen van Alphatrots. Per Saldo, in dezen de vereniging van werkgevers, wordt sinds jaar en dag gesubsidieerd door de rijksoverheid waar de belangenbehartiger van de werknemers (Stichting Alphatrots) het volledig zonder subsidies moet stellen. Voor de alphahulpen is dit een onevenwichtige situatie.
NODIG IS:
1). Een duidelijke stellingname van de minister over de toepasbaarheid van BW boek 7 artikelen 628, 672 en 675 en een stellingnamen over het in acht nemen van artikel 672 in geval van overlijden (BW7:675).
2). Het samenvatten van deze rechten van de alphahulp in een duidelijke brochure en/of website
3). Een duidelijke stellingname van de staatsecretaris VWS over het al dan niet voldoen aan de compensatieplicht Wmo indien gemeenten besluiten om het nakomen van deze wettelijke verplichtingen niet binnen het PGB aan de burger te compenseren.
4). Organisatiesubsidie voor Stichting Alphatrots voor het kunnen blijven signaleren en aankaarten van knelpunten.

Position Paper VVR

Position Paper Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR)

t.b.v. rondetafelgesprek SZW d.d. 25 mei 2011 om 11 uur

1). De VVR schreef de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 29 maart j.l. een brief over de reactie van minister Kamp op ‘Een baan als alle andere?! De rechtspositie van deeltijd huishoudelijk personeel ‘ en de petitie van de VVR en FNV Bondgenoten over de problematische sociale uitsluiting van deeltijd huishoudelijk personeel. De VVR ging onder meer in op:

  • het ontbreken van een inhoudelijke reactie, bijvoorbeeld op de legitimatie van de informele setting van persoonlijke dienstverlening door de regeling Dienstverlening aan Huis;
  • de redenen waarom de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering voor de werknemersverzekeringen geen oplossing biedt;
  • het reïntegratiebelemmerende effect van de onmogelijkheid van herleving van WW-rechten na zes maanden voor wie als deeltijd huishoudelijk personeel aan de slag zou willen gaan.
    De VVR verwijst kortheidshalve voor nadere uitleg over deze punten naar genoemde brief.

2). Ook ging de VVR in de brief in op de strijdigheid met internationale verdragen. In aanvulling op hetgeen al in ‘Een baan als alle andere?!’is betoogd, wijst de VVR op de Concluding Observations van het Comité voor Economische en Sociale Rechten, zoals gepubliceerd op 19 november 2010.1) Para 17 luidt:
17 The Committee is concerned that in all the constituent countries of the State party, domestic workers do not enjoy the same protection as other workers and are in a disadvantaged position in that their employees do not contribute to the payment of their health insurance and pensions, as do employers in other sectors (art. 7, 9).
The Committee calls on the State party to adopt remedial measures, legislatieve or otherwise, to bring the rights and benefits accorded to domestic workers in line with those afforded to other workers, particularly in terms of social security benefits.

De regering heeft – zonder succes – geprobeerd het Comité voor Economische en Sociale Rechten er van te overtuigen dat ‘(…) domestic workers enjoy sufficient protection under current legislation (…)’.2) Naar het oordeel van het toezichthoudend Comité strookt de uitzonderingspositie van deeltijd huishoudelijk personeel niet met het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten.

Al eerder had het CEDAW-Comité zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten over de strijdigheid met het VN-Vrouwenverdrag.3). Het demissionaire kabinet reageerde in het zomerreces 2010 met een herhaalde uiteenzetting over de regeling Dienstverlening aan Huis en stelde “dat huishoudelijk personeel thans in voldoende mate aanspraak kan maken op de sociale zekerheid en andere voorzieningen, ook al is deze aanspraak niet gelijk aan die van reguliere werknemers”.4) Het huidige kabinet liet onlangs in Hoofdlijnen emancipatiebeleid 2011-2015 weten daaraan niets toe te voegen te hebben.5)

De VVR wijst er op dat deze opstelling internationaal-rechtelijk ongepast is. Concluding Observations van toezichthoudende Comité’s van mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties mogen niet op deze wijze ter zijde geschoven worden: het is geen peer-review met ‘pick & choose’ naar believen! Als partij bij deze VN-mensenrechtenverdragen, en zeker na ratificatie dient Nederland de uitleg van de toezichthoudende organen zeer serieus te nemen en de aanbevelingen op te volgen.
Het kabinet zal om die reden moeten erkennen dat de regeling Dienstverlening aan Huis moet worden aangepast. Dit geldt ook voor de leden van het parlement.

Eindnoten

-1). E/C.12/NDL/CO4-5. Op 11 mei 2011 stelden de leden Spekman en Timmermans schriftelijke vragen aan minister Kamp over deze concluding observations. De leden gingen daarbij onder andere in op enige andere paragrafen van de concluding observations.(2011Z09695)

-2). E/C.12/NLD/Q/4-5/Add.1

-3). Zie Een baan als alle andere?! p. 150/151

-4). Kamerstukken II 2009/2010, 30420 nr. 154

-5). Kamerstukken II 2010/2011, 27017 nr. 74

Position Paper Margriet Kraamwinkel, FNV Bondgenoten

Position Paper FNV Bondgenoten

Rondetafelgesprek Vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid 25 mei 2011

Geef huishoudelijk werker wat ze verdient!

FNV Bondgenoten vertegenwoordigt huishoudelijk werkers, vooral vrouwen, die met werk in de particuliere huishouding hun brood verdinen. Met de campagne Gewoon Goed Werk vragen wij om goede arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden voor alle werkenden in Nederland, ook voor de huishoudelijk werkers. Want ook huishoudelijk werk is gewoon werk. We beargumenteren dat als volgt.

De economische waarde die het vertegenwoordigt

Veel huishoudens kunnen niet zonder het werk dat door huishoudelijk werkers gedaan wordt. De werker is onmisbaar, krijgt zo nu en dan wat extra’s toegestopt en we vertrouwen haar onze kinderen en de sleutels van ons huis zonder meer toe. Zeker in een gezin met kinderen waar beide ouders betaalde arbeid verrichten is hun werk noodakelijk. Het werk dat vrouwen in de particuliere huishouding doen, maakt een grotere arbeidsparticipatie van zowel mannen als vrouwen mogelijk en vertegenwoordigt daarmee een grote economische waarde.
De huishoudelijk werkers voorzien in hun levensonderhoud met hun werk. Het brengt brood op de plank en maakt het mogelijk de huur te betalen. Ook in dat opzicht vertegenwoordigt het een economische waarde.
Dat het huishoudelijk werk een economische waarde vertegenwoordigt blijkt ook uit de brief die de werkgeversvereniging in de schoonmaaksector OSB aan uw Commissie zond. Zij zouden graag mogelijkheden hebben om de markt voor persoonlijke dienstverlening te ontwikkelen en zien daarin kansen voor de ontwikkeling van formele werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

De Regeling dienstverlening aan huis

Het werk van huishoudelijk werkers wordt echter niet gewaardeerd. Veel huishoudelijk werk wordt nu ‘zwart’ gedaan. Als de betrokkenen dat niet willen, dan belanden ze niet in het officiële, formele witte circuit van betaalde arbeid maar in een grijs circuit: de Regeling dienstverlening aan huis, die vandaag in de Commissie aan de orde is.
De Regeling dienstverlening aan huis bepaalt dat niet de volledige bescherming van het arbeidsecht van toepassing is op deze schoonmaaksters. Zij hebben wel recht op het minimumloon en op vakantiebijslag, maar betalen geen belasting en premies en zijn niet verzekerd voor werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Ziekte moet slechts zes weken worden doorbetaald.

De regering rechtvaardigt de Regeling dienstverlening aan huis als volgt: werken in de particuliere huishouding gebeurt nu vaak zwart maar zou toch ook een opstapje kunnen zijn naar ‘echt betaald werk’. Met de Regeling zorgen we er voor dat het werk aantrekkelijker wordt zodat via het grijze circuit van de Regeling vrouwen doorstromen naar ‘echt werk’ bijv. voor een schoonmaakbedrijf. Dat echte werk zien we in de statistieken terug als een stijgend arbeidsparticipatie van vrouwen. Werk in de zin van de Regeling is in de statistieken niet eens de moeite van het vermelden waard.

De Regeling is echter geen opstapje naar wit werk in de formele sector. Immers, alle voordelen van zwart werk worden teniet gedaan (je wordt gekort op je uitkering bijv.) terwijl de beloning omlaag gaat. Dan blijf je liever zwart werken. En ook de schoonmaaksector geeft aan dat juist door de afschaffing van de Regeling werk in de formele sector geschapen wordt.

Internationaal perspectief

In verschillende Europese landen is het werk van huishoudelijk werkers al wel geformaliseerd. Voorbeelden zijn België, Frankrijk, Spanje, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland. Zweden kent bijv. een systeem van belastingaftrek waarmee het in dienst hebben van een witte huishoudelijk werker gefinancierd wordt. Inspiratie om de positie van deze vrouwen te verbeteren kan dus dichtbij worden opgedaan.
De Internationale Arbeidsorganisatie ILO erkent het werk in de particuliere huishouding wèl als echt werk. In juni wordt er in Genève verder gesproken over een Verdrag over de rechtspositie van de huishoudelijk werkers, in ILO termen domestic workers.

Werknemers en werkgevers in de schoonmaaksector – die weten waar ze over praten – zouden graag zien dat schoonmaken bij particulieren onder de vleugels van de cao gebeurt. Zodat de betrokken werkers een fatsoenlijk loon verdienen en bijv. ook pensioen kunnen opbouwen. Zij vinden schoonmaakwerk beslist echt werk en willen er graag gewoon goed werk van maken.

Als we serieus werk willen maken van de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen – zowel van schoonmaaksters als van die andere vrouwen in tweeverdienersgezinnen – dan is een goede regeling van de spilfunctie van huishoudelijk werkers noodzakelijk. Dan is een regeling die strijdig is met het internationaal recht wegens vrouwendiscriminatie onacceptabel. Dan moet de Regeling dienstverlening aan huis afgeschaft worden en moet het ILO Verdrag van harte gesteund worden. Dan moet erkend worden dat werk in de particuliere huishouding echt werk is dat echt beloond èn echt verzekerd moet worden, net zoals al het andere echte werk.

Position Paper Annie Wigger, advocaat

Position Paper Ronde Tafelgesprek rechtspositie huishoudelijk personeel 25 mei 2011

Annie Wigger

Waar gebeurd!

Vrouw 55 jaar, alleenstaand, 30 jaar in het onderwijs gewerkt. Krijgt onverhoopt ontslag. Komt vanwege haar leeftijd niet meer aan de slag in het onderwijs. Ontvangt een WW-uitkering. Zij zoekt passend werk en kan dit niet vinden. Zij stuit op een advertentie “Nanny gevraagd” en via een Nanny bureau gaat zij aan de slag voor drie dagen per week. Zij is noch door het Nanny bureau noch door het UWV geïnformeerd over het feit dat het zogenaamde “onverzekerde” arbeid betreft omdat het op minder dan vier dagen in de particuliere huishouding is. Zij was ook niet op de hoogte van de mogelijkheid van vrijwillige verzekering. Het werk geeft haar enorm veel voldoening. Haar pedagogische kwaliteiten komen tot zijn recht en zij heeft het trotse gevoel niet geheel afhankelijk te zijn van een werkloosheidsuitkering.
Haar inkomsten worden gekort op de WW-uitkering. Na een jaar moet ze tot haar spijt de werkzaamheden beëindigen vanwege verhuizing van het gezin. De vrouw meldt zich bij het UWV voor volledige hervatting van haar WW-uitkering en krijgt dan te horen dat haar recht op uitkering over de drie dagen is komen te vervallen nu zij langer dan 6 maanden deze werkzaamheden heeft verricht. Weg de gedurende vele jaren opgebouwde aanspraken op een werkloosheidsuitkering.
Op de eerste plaats toont dit voorbeeld aan dat er geen redelijke rechtvaardiging om deze arbeid in de particuliere huishouding uit te sluiten van de verplichte verzekering.
Op de tweede plaats laat dit voorbeeld zien dat de redenering van de Minister van SZW dat er geen aanleiding is om terug te komen op de keuze om alleen volksvertegenwoordigers en zelfstandigen in aanmerking te laten komen voor een langere herlevingstermijn in de WW niet valide is.
Het gaat niet om vrouwen die een zakcentje bijverdienen om de vakantie te betalen. Het gaat om vrouwen die zelfstandig willen voorzien in hun bestaan. Het argument om de herlevingstermijn beperkt te houden tot 6 maanden is volgens de wetsgeschiedenis ingegeven door het feit dat de “band met de arbeidsmarkt” niet verloren mag gaan, zoals het geval is wanneer je langdurig op vakantie bent, of in detentie verblijft. Maar om deze situatie nu gelijk te stellen met het feit dat je in een bepaalde periode – juist om de band met de arbeidsmarkt te behouden – de handen uit de mouwen steekt door in de particuliere huishouding aan het werk te gaan, gaat toch een stap te ver.
Vooral voor vrouwen (en ouderen) die werkloos raken en vanwege de economische situatie – zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid – weinig perspectief hebben op een passende functie voor verzekerde arbeid op korte termijn – kan het (tijdelijk) werkzaam zijn, bijvoorbeeld als pgb-er een goede passende vervulling zijn. In plaats van thuis op de bank aan de slag!
In een sterk vergrijzende samenleving zal de behoefte aan hulp in de huishouding en particulier zorg alleen nog maar toenemen. Laat het dan ook volwaardig beschermde arbeid worden.
De verantwoordelijkheid om zelf te voorzien in inkomen wordt gestimuleerd en dit behoort niet te worden afgestraft door verlies van mogelijk gedurende lange tijd opgebouwde rechten waarvoor premie is betaald!

Position Paper Mac Vijn, advocaat

Position paper t.b.v. ronde tafel gesprek SZW 25 mei 2011 te 11.00 uur

Ondergetekende treedt op als advocaat van een alfahulp die geen loon heeft betaald gekregen bij ziekte.

Cliënte, H., heeft in februari 2007 gesolliciteerd op een vacature voor alfahulpen waarmee de Thuiszorginstelling adverteerde in de plaatselijke krant. H. is nadat zij een sollicitatiegesprek heeft gehad door de Thuiszorginstelling als alfahulp bij cliënten geplaatst. Eerst waren dit nog enkele cliënten maar in juni/juli 2007 werkte zij nagenoeg fulltime. In het jaar 2008 heeft H. 26,5 uur per week gewerkt tegen een beloning van € 12,20 bruto per uur. De vakantierechten (toeslag en verlof) zijn bij deze beloning inbegrepen. De inkomensafhankelijke bijdrage ZVW moest H. zelf uit het brutoloon voldoen.
H. is van 18 december 2008 tot en met 30 januari 2009 niet in staat geweest haar werkzaamheden te verrichten omdat zij haar pols had gebroken. Nadien is zij op advies van haar behandelend arts nog slechts gedeeltelijk werkzaam geweest. Vanaf 2 februari 2009 tot midden 2009 is zij alleen in de middag gedurende 14,5 uur per week werkzaam geweest.
H. heeft haar arbeidsongeschiktheid onmiddellijk aan de Thuiszorginstelling doorgegeven. Deze heeft haar echter geen loon tijdens ziekte doorbetaald.
Cliënte is gescheiden en woonde met haar dochter. Zij hebben de kerstdagen met geleend geld moeten doorkomen. Er was voor haar geen vangnet beschikbaar.
In de procedure spelen de volgende rechtsvragen:

  • 1) Is er sprake van een arbeidsovereenkomst tussen de Thuiszorginstelling en H. nu er sprake is van een gezagsverhouding, een verplichting de arbeid persoonlijk te verrichten en er loon betaald werd;
  • 2) Indien er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen H. en de Thuiszorginstelling, zoals door die laatste wordt gesteld, wie moet dan de zes weken loon tijdens ziekte ex artikel 7:629 lid 3 BW doorbetalen?
    De Thuiszorginstelling die op grond van de kassiersfunctie het loon altijd aan H. heeft betaald en in de contracten met de gemeente de verplichting tot het leveren van thuiszorg is aangegaan en in die contracten in moet staan voor de werknemers die zij daarvoor inzet of
  • 3) Moet H. haar recht op zes weken loonbetaling tijdens ziekte bij haar individuele cliënten halen zoals de Thuiszorginstelling beweert.

Namens cliënte wordt het standpunt onder 1) ingenomen en wordt subsidiair het standpunt onder 2) ingenomen.

Mw. Mr. M.A.C. Vijn
Bosch Advocaten, Amsterdam

Position Paper Bert Doek, Raad voor Werk en Inkomen

Position paper RWI ten behoeve van het rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over de rechtspositie van deeltijd huishoudelijk personeel op 25 mei 2011

Inleiding

Begin 2006 heeft de RWI op verzoek van de Tweede Kamer het advies ‘Huis houden op de markt’ uitgebracht. Dit advies is gericht op het ontwikkelen van een formele markt voor persoonlijke dienstverlening. Eind 2006 volgde een vervolgadvies met ondersteunende onderzoeksrapporten. Onder persoonlijke dienstverlening verstaat de RWI huishoudelijke activiteiten zoals schoonmaakwerkzaamheden, eenvoudige klusjes en eenvoudig tuinonderhoud.
De RWI heeft geconstateerd dat de behoefte om binnen particuliere huishoudens deze werkzaamheden uit te besteden, groot is en sterk groeit. De vraag, maar ook het aanbod, richt zich op dit moment vrijwel volledig op de informele markt.

Huidige situatie

De bestaande regeling ‘dienstverlening aan huis’ ontslaat de particuliere werkgever van de verplichting om loonbelasting en sociale premies in te houden en af te dragen aan de belastingdienst. Hoewel de dienstverleners het loon wel bij de fiscus moeten aangeven, gebeurt dat in de praktijk eigenlijk nooit. Behalve dat er dus feitelijk ‘zwart’ wordt gewerkt, worden door de betreffende werknemers ook geen sociale zekerheids- en pensioenrechten opgebouwd. Mede daardoor ligt de prijs op de informele markt veel lager dan de prijs die geldt op de formele markt. Dit verschil in prijs maakt het voor het bedrijfsleven vrijwel onmogelijk zich op de markt voor persoonlijke dienstverlening te begeven en daardoor is het voor huishoudelijke hulpen vrijwel onmogelijk om op basis van een goede rechtspositie het werk te verrichten.

Noodzaak voor verandering

Het stimuleren van een toegankelijke en transparante markt voor persoonlijke dienstverlening, waarop werknemers verzekerd zijn van een goede rechtspositie, zorgt voor nieuwe reguliere werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Deze werkgelegenheid is een voorwaarde om de arbeidsparticipatie te laten toenemen:

  • het biedt arbeidsperspectief voor werkzoekenden met lage opleiding
  • de beschikbaarheid van betaalbaar huishoudelijk personeel biedt met name middelbaar en hoger opgeleiden de mogelijkheid om meer uren te werken.
    Het ontbreken van een toegankelijke ‘bedrijvenmarkt’ voor persoonlijke dienstverlening belemmert ook huishoudelijke hulpen om van de informele markt door te stromen naar de reguliere arbeidsmarkt.

Ook is een goed functionerende markt voor persoonlijke dienstverlening van belang voor zorgvragers die in het kader van de WMO een beroep doen op huishoudelijk hulp en daarvoor een PGB inzetten.

Inhoud RWI adviezen

De RWI-voorstellen beogen, rekening houdend met de bestaande situatie, de vraagkant te beïnvloeden. Voor particulieren moet het voortaan mogelijk worden om een huishoudelijke hulp in te schakelen die als volwaardige werknemer in dienst is van een bedrijf. Daarmee wordt voor zowel de vraag- als de aanbodkant de ‘witte bedrijvenmarkt’ in concurrentie gebracht met de zwarte/grijze markt.

De RWI stelt een duaal fiscaal regime voor. Dit regime kent een belastingvrije en een belaste variant.
In de belastingvrije variant is het mogelijk om tot een bedrag van 500 euro per maand belasting- en premievrij in en om het huis eenvoudige werkzaamheden te laten verrichten. De opdrachtgever maakt één op één afspraken met de opdrachtnemer over de voorwaarden waaronder het werk wordt gedaan.
In de belaste variant kan de opdrachtgever de dienstverlener via een bedrijf inhuren. De dienstverlener is een volwaardige werknemer die gewoon onder een CAO valt, belasting- en premieplichtig is en sociale zekerheidsrechten en eventueel ook pensioen opbouwt. De particuliere opdrachtgever kan de kosten die gepaard gaan met inhuur fiscaal verrekenen. Door de aftrekbaarheid van de kosten wordt het aantrekkelijker voor de particulier om de persoonlijke diensten bij een bedrijf af te nemen.

Met de voorstellen van de RWI ontstaat er meer werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt (meer werk voor laagopgeleiden) en neemt ook de arbeidsparticipatie aan de bovenkant van de arbeidsmarkt toe (meer hoogopgeleiden op de arbeidsmarkt). Daarmee dragen deze voorstellen bij aan de noodzakelijke vergroting van de arbeidsparticipatie.

Het totale advies ‘Huis houden op de markt’ is te downloaden via www.rwi.nl

Position Paper Sjoukje Botman

Stimuleer de professionalisering van de markt van huishoudelijk werk.

Position paper voor rondetafelgesprek rechtspositie deeltijd huishoudelijk personeel
Sjoukje Botman, sociologe, gepromoveerd op: Gewoon Schoonmaken. De troebele arbeidsrelaties in betaald huishoudelijk werk aan de UVA.

Op basis van mijn promotieonderzoek pleit ik voor meer zakelijkheid op de markt van huishoudelijke diensten. De Regeling Dienstverlening aan huis draagt daar op dit moment onvoldoende aan bij. Uit mijn onderzoek blijkt het volgende:

De Regeling DAH is niet bekend
In de praktijk is de regeling DAH bij geen van de particuliere werkgevers in mijn onderzoek bekend. Zij menen dat het ‘zwart’ is wanneer zij contant een schoonmaakster betalen. Particuliere werkgevers zijn niet op de hoogte van hun rechten en ook niet van hun plichten zoals het betalen van vakantiegeld en doorbetalen bij ziekte. Al in 2008 bracht het CDA aan de orde dat de regeling te weinig bekend is en de verschafte informatie te summier, dat de rechten en plichten van beide partijen onduidelijk zijn en dat de regeling als zodanig geen enkele stimulans biedt om wit te werken (CDA 2008). Werkgevers in mijn onderzoek zouden het wel goed willen regelen maar weten niet hoe. Er is veel terrein te winnen op het vlak van voorlichting. De regeling biedt vooralsnog niet de voorgestane helderheid en eenvoud.

Er is behoefte aan flexibiliteit EN zekerheid
De Regeling DAH doet een poging tot het flexibiliseren van de markt, maar wentelt die flexibiliteit uitsluitend af op de werknemer. Uit mijn onderzoek blijkt dat zowel particuliere werkgevers als huishoudelijk werkers behoefte hebben aan flexibiliteit in het aangaan van een arbeidsrelatie. Echter, beide partijen zijn ook voor een basispakket aan sociale zekerheid en verzekeringen. Een combinatie van flexibiliteit en zekerheid zou te prefereren zijn, deze biedt de huidige regeling niet. Een dergelijke combinatie wordt op dit moment alleen geboden door enkele bemiddelingsbedrijven die dit basispakket inkopen voor de huishoudelijk werkers. Een verbinding tussen zekerheid in de arbeids-voorwaarden enerzijds en flexibiliteit anderzijds, past binnen Europese beleidslijnen van flexicurity in arbeidsintensieve sectoren (Houwing, 2010).

De regeling DAH wordt niet gebruikt door de doelgroep.
Doel van de Regeling DAH is flexibiliteit voor particulieren, maar de regeling wordt juist door particulieren niet gebruikt, deze is immers nauwelijks bekend. Wel wordt de regeling gebruikt door bedrijven. Omdat de Regeling DAH daar oorspronkelijk niet voor bedoeld is, stimuleert de regeling niet alleen bonafide bedrijven, maar ook malafide bedrijven. Er is op dit moment een wildgroei aan bemiddelingsbedrijven die gebruik maken van de ruimte die de regeling DAH hen biedt, zonder dat de overheid zicht heeft op de effecten daarvan. Bonafide bedrijven, die flexibiliteit voor zowel vraag als aanbod willen combineren met zekerheid krijgen op deze manier geen eerlijke kans op de markt.

De Regeling DAH bevestigt de lage status van het werk
Door betaald huishoudelijk werk niet te beschouwen als reguliere arbeid waar reguliere werknemersverzekeringen op van toepassing zijn, bevestigt de regeling het slechte imago van betaald huishoudelijk werk. Ook door betaald huishoudelijk werk te zien als ‘opstapje naar echt betaald werk’. De term persoonlijke dienstverlening is tevens misleidend. Deze verhult dat het bij betaald huishoudelijk werk om werk gaat en pretendeert dat de arbeidsrelaties uitsluitend persoonlijk zijn.
De regeling meldt dat ‘het gaat om activiteiten die een particulier in beginsel zelf pleegt te verrichten’. Het idee dat iedereen huishoudelijk werk kan verrichten is onjuist en achterhaald. Het is inmiddels een vak, waar sommigen veel beter in zijn dan anderen. Door de lage status van het werk te bevestigen stimuleert de regeling helemaal niet tot het aan het werk gaan in deze sector.
Scholing zou dat wel doen. Het bedrijf ‘Mijn Werkster’ is inmiddels begonnen met een pilot op het gebied van scholing genaamd ‘MijnWerkster academy’. Er is behoefte aan meer onderzoek naar dergelijke mogelijkheden tot professionalisering van deze sector, bijvoorbeeld door te kijken naar Engeland en Denemarken waar men opleidingen en keurmerken voor de sector van huishoudelijke diensten kent.

Literatuur

CDA (2008) Persoonlijke dienstverlening. Den Haag, 2 augustus 2008.

Botman, S. (2010) Gewoon Schoonmaken. De troebele arbeidsrelaties in betaald huishoudelijk werk, Amsterdam, UvA proefschrift

Houwing, H. (2010) A Dutch approach to flexicurity? Negotiated change in the organization of temporary work. Amsterdam, UvA proefschrift.

Position Paper Sarah van Walsum

Geef migranten in thuiszorg en huishoudelijke dienstverlening de ruimte

Position paper voor rondetafelgesprek rechtspositie deeltijd huishoudelijk personeel, 25 mei 2011

Sarah van Walsum, UHD migratierecht, Vrije Universiteit Amsterdam

  • Het huidige Nederlandse kabinet staat voor de opdracht de kosten in de zorg te beperken. De laatste tijd wordt in dat verband gerefereerd naar het “Duitse model”. Daarbij wordt vooral verwezen naar de rol die familie in Duitsland zou spelen bij het verstrekken van onbetaalde zorg. Wat de Nederlandse voorstanders van dit Duitse model er niet bij vertellen, is dat dit zorgmodel – net als het Italiaanse – in toenemende mate leunt op zorg geboden door inwonende migranten. Ook in Duitsland zijn vrouwen immers buitenshuis gaan werken, en moeten zij zorgtaken uitbesteden. Anders dan Italië, voorziet Duitsland echter niet in een toelatingsregeling voor migranten werkzaam in de thuiszorg en huishoudelijke dienstverlening. Deze worden daar slechts oogluikend gedoogd. Het Duitse model dat door Nederlandse bewindslieden wordt omarmd, draait dus op de arbeid van ongedocumenteerde inwonende migranten.
  • Een alternatief model
    Gelukkig zijn er voorbeelden die laten zien dat werk in de thuiszorg en de huishoudelijke dienstverlening ook anders kan worden geregeld, zoals in de Amerikaanse stad Los Angeles. Net als in Nederland, gaat het systeem daar uit van uit-huis werkende zorgverleners, die op part-time basis voor meerdere zorgontvangers werken. Maar er zijn ook verschillen. Het grootste verschil met Nederland is dat in Los Angeles de thuiszorg en huishoudelijke dienstverlening sterk is georganiseerd, zowel aan de kant van de werknemers – via de vakbond – als aan die van de werkgevers – via onder andere patiëntenorganisaties. Hierdoor is het mogelijk gebleken om op zeer creatieve wijze in te spelen op de specifieke kenmerken van deze sector, zoals: werknemers die geïsoleerd van elkaar werken; het werken voor meerdere werkgevers tegelijk; het werken in de privésfeer; arbeidsverhoudingen die complex zijn door hun persoonlijk karakter – welk versterkt kan worden door de zorgafhankelijkheid van een werkgever, enz.
    Een voorbeeld van deze vernieuwende aanpak is de manier waarop werknemers beschermd worden tegen de gevolgen van ontslag. Dit gebeurt niet via een werkloosheidsverzekering; er worden dan ook geen premies betaald. In plaats daarvan, krijgen zowel werkgevers als werknemers, via hun respectievelijke organisaties, toegang tot een “digitale marktplaats”. Voor maximaal bereik, omvat dit bestand banen in zowel de thuiszorg als de huishoudelijke dienstverlening, en uit zowel de gesubsidieerde als de niet gesubsidieerde sectoren. Door het brede aanbod kunnen werknemers na het beëindigen van één part-time dienstverband altijd snel aan een nieuwe komen; werkgevers hoeven niet lang zonder thuiszorg of –hulp te blijven.
  • Alles staat en valt met de vrijheid van alle werknemers om zich te organiseren
    Een dergelijk systeem kan niet van boven worden gereguleerd. Het kan hooguit worden gefaciliteerd. Alles staat of valt namelijk bij een goede organisatie van zowel werkgevers als werknemers. Daarvoor is van groot belang dat alle werknemers in de sector, dus ook de migranten:
  • zich vrij kunnen bewegen en deel kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer in Nederland;
  • niet uitsluitend als inwonend hulp aan de slag kunnen, maar (ook) op zichzelf kunnen wonen en in meerdere huishoudens op part-time basis kunnen werken;
  • steeds de vrijheid hebben om van werkgever(s) te veranderen.
    Een goede regeling van thuiszorg en huishoudelijke dienstverlening in Nederland wordt pas mogelijk als het Nederlandse vreemdelingenrecht migranten in die sector de vrijheid biedt om daaraan bij te kunnen dragen. Daarmee is de strijd nog niet gewonnen; die kan wel worden gevoerd.

Literatuur:
– Cranford, Cynthia (in druk): Toward Particularism with Security: Immigration, Race and the Organization of Personal Support Services in Los Angeles. In: Giles, Hoerder, Preston & Romero (eds.) Global Migration Systems of Domestic and Care Workers.
– Delp, Linda and Katie Quan (2002): “Homecare Worker Organizing in California: An Analysis of a Successful Strategy”, Labour Studies Journal 27(1): 1-23.
– Gavanas, Anna (2010): Who cleans the welfare state? Migration, informalization, social exclusion and domestic wervices in Stockholm. Stockholm: Institute for Futures Studies
– Lutz, Helma (2008): Vom Weltmarkt in den Privathaushalt. Die neuen Dienstmädchen im Zeitalter der Globalisierung (tweede editie) . Leverkusen Opladen: Barbara Budrich.
– Walsum, Sarah van (2011): Regulating Migrant Domestic Work in the Netherlands: Opportunities and Pitfalls, in Canadian Journal of Women and the Law (23) 1, p. 141-165.

Position Paper Eva Cremers

Position paper Eva Cremers-Hartman, auteur ‘Een baan als alle andere?!’

t.b.v. rondetafelgesprek SZW d.d. 25 mei 2011 om 10 uur

  • Werknemers in Nederland hebben aanspraak op de bescherming van het sociaal recht. Fundamentele uitgangspunten zijn: ongelijkheidscompensatie en bescherming tegen inkomensderving als gevolg van het intreden van risico’s als ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. De bescherming van het sociaal recht is noodzakelijk omdat de bestaanszekerheid van werknemers in het geding is. Die noodzaak geldt ook voor werknemers die persoonlijke zorg en/of huishoudelijk werk verrichten bij een particuliere werkgever thuis op minder dan vier dagen (hierna: ‘deeltijd huishoudelijk personeel’).
    De wetgever kan alleen bij hoge uitzondering ten nadele van bepaalde werknemers afwijken van de fundamentele uitgangspunten van het sociaal recht. Voorwaarde is dat hiervoor een bijzondere rechtvaardiging bestaat. Die bijzondere rechtvaardiging is ook nodig vanwege de internationale verplichtingen die Nederland heeft. In dit verband is het van belang dat deeltijd huishoudelijk personeel voor ten minste 95 procent uit vrouwen bestaat. Benadeling van deze werknemers is indirecte discriminatie op grond van geslacht en dit is in strijd met het EU-recht behoudens een objectieve rechtvaardigingsgrond.
  • Is de uitzonderingspositie van deeltijd huishoudelijk personeel met de toepassing van de Regeling dienstverlening aan huis gerechtvaardigd?
    Nee, in ‘Een baan als alle andere?!’ is toegelicht dat de door diverse kabinetten gebruikte argumenten de objectieve rechtvaardigingstoets niet kunnen doorstaan (p. 171-181). Die argumenten zijn geen legitieme doelstellingen van sociaal beleid. Er worden algemene, generaliserende uitspraken gedaan over deze werknemers en over hun werkgevers, zonder een feitelijke onderbouwing. In de reactie van de Minister van SZW op ‘Een baan als alle andere?!’ gebeurt hetzelfde: ‘zonder de Regeling dienstverlening aan huis zal sprake zijn van een vlucht naar zwart werk’, ‘bij deeltijd huishoudelijk personeel prevaleert werkgelegenheid boven inkomensbescherming’. Deze stellingen worden niet beargumenteerd. Bovendien zou je met behulp van de laatste stelling alle werknemers iedere rechtsbescherming kunnen ontzeggen. Uit de reactie van minister Kamp blijkt ook dat hij de belangen van de particuliere werkgevers zwaar laat wegen terwijl hij het uitgangspunt van ongelijkheidscompensatie van het sociaal recht daarbij niet betrekt.
  • De uitzonderingspositie van deeltijd huishoudelijk personeel is onhoudbaar en daarom is een alternatieve regeling noodzakelijk. Die nieuwe regeling kan uit meerdere samenhangende onderdelen bestaan om recht te doen aan de wensen van deze werknemers en van hun werkgevers, zo is de conclusie in ‘Een baan als alle andere?!’ (p. 179, 180 en p. 189-195). Daar zijn diverse alternatieven voor de Regeling dienstverlening aan huis genoemd. De heer Kamp heeft afwijzend op deze voorstellen gereageerd. Een systeem van dienstencheques is bijvoorbeeld van de hand gewezen omdat dit in België veel te duur zou blijken te zijn. Een dergelijk systeem kan echter ook op een andere, veel minder zwaar gesubsidieerde manier worden uitgevoerd. Die optie is buiten beschouwing gelaten. Het is wenselijk om in de Tweede Kamer het debat over ‘Huis houden op de markt’ te heropenen en de bevindingen over de rechtspositie van het deeltijd huishoudelijk personeel en de voorgestelde alternatieven daarbij nadrukkelijk te betrekken.
  • In 1995 heeft het Hof van Justitie van de EU in twee arresten algemene, generaliserende argumenten om kleine deeltijders rechtsbescherming te onthouden, geaccepteerd. In latere jurisprudentie is het Hof op die stellingname teruggekomen (‘Een baan als alle andere?!’ , p. 159-170). In de reactie van de Minister van SZW is die ontwikkeling niet betrokken. Het standpunt dat EU-lidstaten zoveel vrijheid hebben bij het sociaal beleid dat dit gebaseerd kan zijn op algemene generalisaties, is evenwel een achterhaald standpunt. Ook de uitspraak van de CRvB uit 1996 waarnaar de Minister verwijst, is overruled door de latere jurisprudentie van het Hof.
  • Er is geen bijzondere rechtvaardiging voor de uitzonderingspositie van deeltijd huishoudelijk personeel. De regeling is in strijd met het EU-recht en ook met diverse andere internationale verplichtingen zoals uitdrukkelijk is overwogen door toezichthoudende organen bij VN-verdragen.