Elise Ketelaars; “Opting-in in de relaxbranche, een legitieme oplossing?” in Recht der Werkelijkheid 2015-1

Elise Ketelaars deed voor haar masterstudie internationaal recht in Utrecht onderzoek naar de (verplichte) toepassing van Opting-in in de relaxbranche. Ze onderzocht de beleving van veertien sekswerkers van de opting-in regeling in de zomer van 2013. Haar onderzoek werpt een ander licht op de voor sekswerkers in de relaxbranche verplichte opting-in dan de officiële evaluatie van de belastingdienst die in het najaar van 2014 werd gepubliceerd. In het artikel in het tijdschrift Recht der Werkelijkheid beoogt ze de vraag te beantwoorden of de onderhandelingen, voornamelijk tussen (belastingadviseurs van) exploitanten van relaxbedrijven en de belastingdienst, op legitieme wijze zijn gevoerd.

Het artikel in PDF: RdW_2015_1_Ketelaars

VVR Reactie Internetconsultatie voorstel Wet Regulering Sekswerk

VVR reactie op consultatieversie wetsvoorstel regulering sekswerk (PDF)

Aan de staatssecretaris van justitie en veiligheid

Geachte mevrouw Broekers- Knol,
Hieronder vindt u samenvatting van de reactie van de VVR op het concept wetsvoorstel Wet Regulering Sekswerk, waarvoor u een internetconsultatie hebt geopend (de gehele reactie is in PDF bijgevoegd – zie hierboven).

Samenvattend vindt de VVR dat

  1. de doelstellingen van dit wetsvoorstel onderling tegenstrijdig zijn;
  2. goede en objectieve wetsevaluatie daardoor onmogelijk is;
  3. het te introduceren vergunningenstelsel, (landelijke) registratie en strafbaarstellingen leiden tot een zichtbare schone (schijn)bovenwereld en onzichtbare (vuile) onderwereld;
  4. het vereiste van zelfredzaamheid (ter verkrijging van een vergunning) niet in een redelijke verhouding staat tot het doel en dat dit vereiste evenmin noodzakelijk is;
  5. landelijke registratie strijdig is met Privacywetgeving /AVG;
  6. de nuloptie kan leiden tot vergroting van de illegale sector en is strijdig met harmonisering van gemeentebeleid;
  7. het pooierverbod te breed geformuleerd is en kan leiden tot het gedwongen zijn te opereren met de criminele partijen;
  8. er vele juridische en praktische haken en ogen aan dit wetsvoorstel kleven.

De VVR kan dan ook niet anders concluderen dat dit wetsvoorstel niet voldoet aan de eisen die aan wetgeving moeten worden gesteld.

De VVR raadt u aan in samenspraak met sekswerkers en hun organisaties wetgeving te ontwerpen waarmee een werkelijke verbetering van de sociale en rechtspositie van prostituees samen gaat met gerichte aanpak van mensenhandel en misstanden.

VVR-Nieuwsbrief 1 december 2019

13 december: Informatiebijeenkomst partneralimentatie
Vanaf januari 2020 wordt de Wet Herziening Partneralimentatie van kracht. Deze wet verkort de duur van de partneralimentatie. Op 13 december lichten VVR-bestuurslid en familierechtadvocaat mr. drs. Ariane Hendriks en familierechtadvocaat mr. drs. Ingrid Vledder de nieuwe wet toe. Wat verandert er en voor wie? Waar moeten familierecht advocaten en andere juridische hulpverleners rekening mee houden? Welke effecten zal deze wet hebben voor alimentatiegerechtigden? Geïnteresseerden kunnen zich aanmelden voor deze bijeenkomst via de website van Vrouw en Recht. De bijeenkomst vindt plaats vanaf 15:00 in café de Pont in Amsterdam en is gratis toegankelijk voor VVR-leden. Advocaten krijgen 2 PO-punten bij deelname.

VVR-jaarcongres ‘meeroudergezag’: “Verbannen naar de achterbank”
Het VVR-jaarcongres op 10 oktober ging dit jaar over het advies van de Staatscommissie Herijking ouderschap en de kabinetsreactie op dit advies van dit jaar. Eén van de panelleden was familierechtadvocaat Nicoline Grijmans, die zich met haar advocatenkantoor gespecialiseerd heeft in ‘roze ouderschap’.
“Hoe zit het met Erik?” Dat is de vraag die Grijmans steevast aan haar wensouder-cliënten stelt. “Hè, Erik? Wie is dat?” Grijmans tegen de draagmoeder: “Erik is de man die jij over zes maanden tegen komt en waar je dan smoorverliefd op wordt.” Op deze manier probeert de familierechtadvocaat haar cliënten – bijvoorbeeld een mannenstel en een draagmoeder – een reality check voor de houden. Als de wensouders het ‘probleem Erik’ eenmaal getackeld hebben, is Grijmans voorstander van het zo stevig mogelijk verankeren van het meerouderschap.
Wettelijk zijn er nu maar twee ouders met gezag: volgens Grijmans heb je in een meeroudergezin dus altijd ‘voorbankouders’ en ‘achterbankouders’. Binnen de wettelijke mogelijkheden probeert de familierechtadvocaat het meeroudergezin zo goed mogelijk te verankeren. Vanuit haar familierechtervaring is Nicoline Grijmans geen voorstander van het ‘deelgezag’ dat door het kabinet geïntroduceerd werd in reactie op het advies van de Staatscommissie Herijking ouderschap. Grijmans: “De deelgezagregeling verslechtert de positie van ‘achterbankouders’ op verschillende manieren. Zo mag een deelgezagouder geen opvoedbeslissingen nemen en kan deze niet de wettelijke vertegenwoordiger van het kind zijn. De deelgezagouder krijgt bij belangrijke beslissingen slechts een informatie- en consultatierecht, maar géén beslisrecht. Het gaat dan om schoolbeslissingen, financiële beslissingen, medische beslissingen, psychologische onderzoeken, sport, vaccinaties etc. Bij alle dagelijkse beslissingen heeft de voorbankouder een veto. Dit kan ook niet door een rechter worden getoetst.” Allemaal punten die lijnrecht tegenover het advies van de Staatscommissie Herijking Ouderschap ingaan. Nicoline Grijmans is dan ook blij met de aandacht van de VVR voor dit onderwerp. “Het gaat me aan het hart. Meeroudergezinnen bestáán gewoon en dus verdient deze samenlevingsvorm een volwaardige meerouderschapsregeling. Ik vind het heel belangrijk om de rechten van kinderen en ouders goed vast te leggen om de liefdevolle opvoeding ook juridisch te ondersteunen en te realiseren.”
Andere panelleden deelden de kritiek op het concept van deelgezag, maar waren het op andere punten niet met Grijmans eens. In het verslag dat binnenkort op de website staat kunt u een en ander nalezen.

Seks zonder instemming
Afgelopen zomer organiseerde de VVR met medewerking van Amnesty International een bijeenkomst over het aangekondigde wetsvoorstel ‘seks zonder instemming’. In het verslag dat VVR-bestuurslid Luna Vollebregt hiervan maakte staat onder meer te lezen dat het hebben van een ’two-crimes’-model (waarbij naast verkrachting ‘seks zonder instemming’ een aparte categorie in het wetboek van Strafrecht is met elk een verschillende strafmaat) niet aan de internationale mensenrechtenregelgeving voldoet: seks tegen de wil ís immers hetzelfde als verkrachting. Het hanteren van twee verschillende titels voor één en hetzelfde misdrijf zal onderschatting van verkrachting in de hand werken.
De VVR-werkgroep Geweld tegen vrouwen zal een VVR-standpunt t.b.v. de komende internetconsultatie voorbereiden en blijven waken voor het ’two-crimes’-model. Meedenken in de werkgroep hierover? Neem dan contact op via de website.

Onderzoek naar jurisprudentie over seksueel geweld
Naar aanleiding van bovenstaande heeft het VVR-bestuur besloten om uit het VVR-CLWI-fonds een onderzoek te financieren over (eventuele) ontwikkelingen in jurisprudentie aangaande seksueel geweld in ons land de afgelopen vijf of tien jaar. Een uitvraag zal binnenkort gaan circuleren. Wie mee wil denken, belangstelling heeft of onderzoekers kent wordt ook van harte uitgenodigd contact op te nemen met de werkgroep geweld tegen vrouwen.

Nieuw VVR-bestuurslid: Ariane Hendriks
Op 10 oktober is tijdens de ALV van de Vereniging voor Vrouw en Recht Ariane Hendriks als nieuw bestuurslid geïnstalleerd. Ariane is advocaat gespecialiseerd in personen- en familierecht en zal ook binnen de vereniging aandacht besteden aan haar rechtsgebieden. Het familierecht staat volgens Hendriks sterk onder druk vanwege de korting op gesubsidieerde rechtsbijstand. “Ik ben daar absoluut niet optimistisch over. Ik ben ooit begonnen als 100% sociaal advocaat, maar inmiddels doe ik zeker voor de helft commerciële zaken. Ons kantoor (Van Kempen CS Advocaten) doet nog wel toevoegingszaken, bijvoorbeeld als er huiselijk geweld speelt, maar qua betaling is het eigenlijk liefdadigheid. Veel kantoren stoppen met de sociale advocatuur, zeker waar het familierecht betreft.” Ariane Hendriks rekent het voor: voor een echtscheidingszaak ontvangt de advocaat tien punten, wat voor tien declarabele uren staat. In werkelijkheid is er bijna geen echtscheidingszaak die een advocaat in minder dan 20 uur kan afronden, “En dan hebben we het nog niet over de extreme vechtscheidingen.”
Volgens Hendriks draait minister Sander Dekker van Rechtsbescherming de sociale advocatuur langzaam maar zeker de nek om. “Eenmaal kapot gemaakt, dan komt er ruimte voor iets nieuws. Dan kunnen de verzekeraars de markt overnemen.” Extra wrang is het volgens haar dat vrouwen disproportioneel veel last van deze ontmanteling van de sociale advocatuur zullen hebben. “In echtscheidingen zijn het vaak de vrouwen die op toevoegingsbasis procederen. Deze vrouwen kunnen straks nergens meer terecht.” Of deze kwestie nog oplosbaar is, dat betwijfelt Ariane Hendriks, “Maar ik blijf er ook in het bestuur van de Vereniging voor Vrouw en Recht zeker aandacht voor vragen.”

Strijd tegen het afhankelijk verblijfsrecht in hogere versnelling
Op 28 oktober vond onder de vlag van het VN-vrouwennetwerk een bijeenkomst over afhankelijk verblijfsrecht plaats. Naast Petra Snelders, voorzitter van het VN-vrouwennetwerk, hield ook VVR-voorzitter Leontine Bijleveld hield een plenaire inleiding.
Al veertig jaar wordt er vanuit vrouwenorganisatie gestreden tegen het ‘afhankelijk verblijfsrecht’. Petra Snelders geeft aan dat er vaak alleen bescherming voor deze vrouwen is, op het moment dat ze met geweld te maken krijgen. En dan nog zijn ze aangewezen op de medewerking van de hulpverlening en de beoordeling op ‘schrijnendheid’ door politie en justitie. “Wat we willen is dat het beleid gericht is om te voorkómen dat deze vrouwen juist vanwege hun juridische afhankelijkheid in een gewelddadige situatie terecht komen.”
Leontine Bijleveld schetste de internationale juridische context: “In principe zijn alle ondertekende verdragen bindend, dus ook het VN-Vrouwenverdrag.” De weg om via het CEDAW-comité je recht te halen in een situatie van afhankelijk verblijfsrecht, is echter een lange, vertelt Bijleveld. “Vrouwen kunnen zich op het VN-vrouwenverdrag beroepen en een klacht indienen bij het CEDAW-comité. Voorwaarde daarvoor is wel dat eerst de hele Nederlandse rechtsgang moet zijn doorlopen. En zelfs áls bij het CEDAW gelijk wordt gehaald, is dat nog geen garantie dat de Nederlandse overheid het meteen gaat uitvoeren. Dat hebben we ook gezien bij de uitkering voor zwangere zelfstandigen.”
Het verslag van de bijeenkomst kunt u hier nalezen en de voorbereidende notitie “Wat zeggen internationale verdragen over onafhankelijke verblijfsvergunningen voor vrouwen?” van Vera Naaijkens is hier te raadplegen.

Toegang tot recht in het machinetijdperk
Ter gelegenheid van het afscheid van VVR-lid Mies Westerveld als leerstoelhouder Sociale rechtshulp aan de UvA, werd op 22 november een symposium georganiseerd over ‘Toegang tot recht in transitie’. Het symposium stond in het teken van het feit dat sociale rechtshulp en toegang tot recht geen rustig bezit zijn. Thema’s als het belang van civiele rechtspraak, de toekomst van de sociale rechtshulp en de potentie en risico’s van AI voor de toegang tot recht passeerden de revue. De thema’s werden door SCP-directeur Kim Putters in een breder maatschappelijk kader geplaatst.
Mies Westerveld schetste zelf een toekomstbeeld van Nederland in 2035. “Nederland is van het gas af, de veestapel is met een derde teruggebracht en een online ‘rechtwijzer’ geeft aan waar mensen juridisch staan en of er in hun situatie juridische stappen mogelijk zijn.” Wat betreft de rechtsbijstand is Westerveld somber: “Marktwerking zal ten koste gaan van de zwaksten in de samenleving. Tegelijkertijd zal machinale geschilbeslechting zijn intrede doen.” In hoger beroep zal volgens Westerveld ook in 2035 een menselijke rechter onontbeerlijk zijn, maar zonder kennis van technologie zul je in de toekomst geen rechter kunnen worden.”
Mies Westerveld werd aan het einde van het symposium geëerd met een liber amicorum onder de titel ‘Toegang tot recht. Beschouwingen aangeboden aan Mies Westerveld’.

Wetgevers leven regels rond oproepkrachten niet na
De rechtspositie van oproepkrachten komt steeds verder onder druk te staan, ook onder de nieuwe Wet Arbeidsmarkt in Balans die in 2020 ingaat. Dat betoogt VVR-erelid Eva Cremers-Hartman in een ingezonden artikel dat onlangs in de Volkskrant verscheen. “Het oproepcontract is de afgelopen vijftien jaar steeds populairder geworden. Oproepkrachten zijn werknemers die vooraf niet weten hoeveel uren ze wekelijks of maandelijks zullen werken. Ze krijgen alleen loon als ze feitelijk werken. Uit tellingen van het CBS blijkt dat het inmiddels gaat om ruim 940.00 personen. Dat is 10,5% van de totale werkzame beroepsbevolking.”
De kwaliteit van het oproepwerk wordt echter steeds slechter, betoogt Cremers. Met het oog op deze situatie werden in de Wet Werk en Zekerheid de mogelijkheden tot oproepcontracten ingeperkt, maar dat had echter niet het beoogde effect. Het aantal contracten steeg juist. Eva Cremers: “De enige conclusie hieruit is dat veel werkgevers de wet niet naleven en oproepcontracten afsluiten die in strijd zijn met de stringente wettelijke beperkingen. Opmerkelijk genoeg is dit voortdurend verzwegen in de halfjaarlijkse evaluaties van de Wet Werk en Zekerheid. Kennelijk knijpt de regering een oogje dicht voor deze wetsontduiking.” Vandaar dat Cremers ook sterke twijfels heeft bij de nieuwe Wet Arbeidsmarkt in Balans die beschermende bepalingen voor oproepwerknemers inhoudt. “De regering neemt als uitgangspunt dat werkgevers zich in beginsel aan hun wettelijke verplichtingen zullen houden. Dit is een absurde zienswijze die voorbij gaat aan de erkend zwakke positie van werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt.”
Het hele artikel van Eva Cremers is hier te lezen.
Op de laatste bijeenkomst van de werkgroep Sociaal en Europees Recht zette Pauline de Casparis de wetswijzigingen in een presentatie op een rij.

Hof van Justitie EU over vaststelling indirecte discriminatie op grond van geslacht – 3 oktober 2019, zaak C-274 (Schuch-Ghannadan)

Op 3 oktober 2019 verscheen een arrest waarin het Hof van Justitie EU zich (opnieuw) uitspreekt over de vaststelling van indirecte discriminatie op grond van geslacht. Een Oostenrijkse rechtbank had prejudiciële vragen gesteld betreffende een Nationale wettelijke regeling die voor arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd voor deeltijdwerkers een langere maximumduur vaststelt dan voor voltijdwerkers.

Eva Cremers schreef een noot (JAR 2019/275):

HvJ EU 3 oktober 2019, zaak C-274/18 (Schuch-Ghannadan)

In geval van discriminatie op grond van de verboden persoonsgebonden discriminatiegronden geldt de Unierechtelijke regel van de verschuiving van de bewijslast. Degene die zich door de schending van het gelijkheidsbeginsel benadeeld acht, voert feiten aan die discriminatie kunnen doen vermoeden. Vervolgens kan de verwerende partij bewijzen dat het discriminatieverbod niet is geschonden (art.19 lid 1 Recastrichtlijn 2006/54/EG voor de grond geslacht).

Volgens vaste rechtspraak is de beoordeling van de feiten voorbehouden aan de nationale rechter. Deze zal rekening moeten houden met het doel van de bewijsregels als het bewijs van discriminatie in het geding is. Dit doel is dat eenieder die zich benadeeld acht door de niet-toepassing van het discriminatieverbod de mogelijkheid moet hebben zijn aanspraken in rechte op een doeltreffende manier te kunnen doen gelden (arresten Kelly en Meister JAR 2012/152 en 153, m. nt. E. Cremers-Hartman).

Twee prejudiciële vragen in dit arrest betreffen het bewijs van indirecte discriminatie. De eerste vraag gaat over de manier waarop indirecte discriminatie op grond van geslacht kan worden vastgesteld. De tweede vraag betreft de feiten die de benadeelde werkneemster moet overleggen om het vermoeden van indirecte discriminatie te vestigen.

Vaststelling indirecte discriminatie op grond van geslacht

Het concept van indirecte discriminatie is door het HvJ EU ontwikkeld in een reeks van arresten die vooral de ongelijke behandeling van deeltijders betreffen. Hierbij dienen zich meerdere bewijsrechtelijke problemen aan waarvan de oplossing in de loop der tijd is uitgekristalliseerd. In het onderhavige arrest geeft het Hof een overzicht van de betekenis van vier belangrijke arresten (punt 44 t/m 50) inzake indirecte seksediscriminatie. Zie voor deze rechtspraak ook Burri & Veldman, in: F.J.L. Pennings & S.S.M. Peters (hoofdred.), Europees arbeidsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 160 -161.

Het Hof stelt voorop dat het indirect discriminerende effect van een maatregel vast komt te staan als sprake is van een ‘bijzondere benadeling’ van personen van het ene geslacht in vergelijking met personen van het andere geslacht. Het bestaan van een bijzonder nadeel kan met name worden vastgesteld door te bewijzen dat de omstreden regeling een aanzienlijk groter aantal personen van het ene dan wel het andere geslacht treft.

In de loop der tijd heeft het Hof meerdere aanwijzingen gegeven die de nationale rechter in de oordeelsvorming moet betrekken. Indirecte discriminatie kan met inbegrip van statistische gegevens worden aangetoond. Met betrekking tot deze statistische gegevens moet de rechter alle werknemers in aanmerking nemen die onderworpen zijn aan de nationale regeling waarin de ongelijke behandeling haar oorzaak vindt. De beste vergelijkingsmethode is hierbij om binnen deze groep werknemers de respectieve percentages mannelijke werknemers die wel of juist niet door de betrokken regeling worden getroffen te vergelijken met dezelfde verhoudingen onder vrouwelijke werknemers. Dit wordt aangeduid als de relatieve vergelijkingsmethode.

De nationale rechter moet ook beoordelen of de overgelegde statistische gegevens betrekking hebben op een voldoende groot aantal personen, of er niet zuiver toevallige of conjuncturele verschijnselen tot uitdrukking komen en of ze in het algemeen significant lijken.

Aldus kan op basis van statische gegevens, en in voorkomend geval andere relevante feiten,  de conclusie worden getrokken dat de omstreden regeling vrouwen in het bijzonder benadeelt, hetgeen in strijd is met het verbod van indirect sekseonderscheid, tenzij hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.

Uit de hier gecursiveerde bewoordingen blijkt dat het Hof de mogelijkheid openlaat om met behulp van andere feiten indirecte discriminatie vast te stellen. Ook de Rasrichtlijn en Kaderrichtlijn bepalen in de preambules dat indirecte discriminatie op “enigerlei wijze, ook op basis van statistische gegevens” kan worden aangetoond. De achterliggende reden is dat statistisch materiaal voor bepaalde gronden of situaties niet voorhanden is. Er moet ruimte zijn om een vermoeden van indirecte discriminatie aan te nemen op grond van feiten van algemene bekendheid of algemene kwalitatieve onderzoeksgegevens (Burri & Veldman a.w, p. 160).

Feiten die de benadeelde persoon moet overleggen

De volgende vraag is welke feiten de benadeelde persoon moet overleggen om het vermoeden van indirecte discriminatie aan te tonen. Het Hof geeft aan dat daartoe eerst moet worden gepreciseerd hoe en met welke middelen een benadeelde persoon een kennelijke discriminatie kan aantonen als statistische gegevens of andere bewijsmiddelen met betrekking tot alle werknemers die onder de omstreden wettelijke regeling vallen, niet beschikbaar of moeilijk toegankelijk zijn voor deze persoon.

Verzoekster heeft volstaan met het overleggen van algemene statistische gegevens over de Oostenrijkse arbeidsmarkt waaruit blijkt dat aanzienlijk meer vrouwen dan mannen in deeltijd werkzaam zijn. Hieruit zou blijken dat vrouwen worden gediscrimineerd door de wettelijke regeling die deeltijders benadeelt. Volgens het Hof – en ook de AG in diens conclusie –  is in dit geval het overleggen van die gegevens voldoende voor de benadeelde persoon. De verwezenlijking van de door de richtlijn nagestreefde doelstelling kan namelijk in gevaar worden gebracht als relevante informatie of statistische gegevens ontoegankelijk is. Het Hof verwijst in dit verband naar overwegingen uit het arrest Kelly.

Vanwege de noodzaak de nuttige werking van art. 19 lid 1 te waarborgen, moet deze bepaling zo worden uitgelegd dat een werknemer die zich door indirecte discriminatie op grond van geslacht benadeeld acht, een kennelijke discriminatie kan staven op basis van algemene statistische gegevens over de arbeidsmarkt in de betrokken lidstaat. Van verzoekster kan niet worden verwacht dat zij nauwkeurige gegevens over de relevante groep werknemers overlegt, omdat dergelijke gegevens moeilijk toegankelijk of zelfs niet beschikbaar zijn.

In het arrest is hiermee de kous af en wordt niet ingegaan op een mogelijk vervolg in de procedure bij de nationale rechter. In dit geval is het vermoeden van discriminatie dus gevestigd met behulp van algemene arbeidsmarktgegevens. Daarmee wordt in de nationale procedure de bewijslast verschoven naar de werkgever als verwerende partij. Alvorens aan de vraag toe te komen of mogelijk sprake is van een objectieve rechtvaardiging van indirect discriminerend handelen, krijgt de verwerende partij eerst de gelegenheid om te bewijzen dat geen sprake is van indirecte seksediscriminatie. Mocht de werkgever wel over de statistische informatie beschikken die voldoet aan de eisen van statistische bewijslevering die het Hof in het arrest heeft uiteengezet, is het niet uitgesloten dat het vermoeden van discriminatie daarmee kan worden weerlegd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat zeggen internationale verdragen over onafhankelijke verblijfsvergunningen voor vrouwen?

In opdracht van het Netwerk VN-Vrouwenverdrag deed Vera Naaijkens onderzoek over het belang van een onafhankelijke verblijfsvergunning in internationale verdragen en wetgeving. De VVR trad graag als mede-uitgever op. Hieronder vindt u de publicatie:

Onderzoek onafhankelijk verblijfsrecht vrouwen

Het onderzoek wordt gebruikt op een bijeenkomst van het Netwerk in samenwerking met met de Landelijke Werkgroep Mudawannah, Marokkaanse Vrouwen Vereniging Nederland (MVVN), de Nederlandse Vrouwenraad (NVR), Nisa4Nisa en TIYE International een bijeenkomst over afhankelijk verblijfsrecht van vrouwen op 28 oktober 2019.

Strafbaarstelling seks zonder instemming. Verslag van de expertmeeting op 15 juli 2019

Van deze goed bezochte bijeenkomst ten kantore van Amnesty International in Amsterdam heeft Luna Vollebregt een omvattend verslag gemaakt.
U vindt dat hier: Strafbaarstelling seks zonder instemming-verslag bijeenkomst juli 2019.

De presentatie van Anna Błuś, als onderzoeker werkzaam op het Internationaal Secretariaat van bij Amnesty International in Londen, vindt u hier: AnnaBlus_Amsterdam_15Jul19 .

Nieuwsbrief september 2019

10 oktober: Jaarcongres VVR over meerouderschap
Het jaarlijkse congres van de Vereniging Vrouw en Recht heeft dit jaar als thema meerouderschap en meerpersoonsgezag. Recent liet het kabinet weten het advies van de Staatscommissie Herijking ouderschap niet over te nemen, maar te kiezen voor deelgezag voor meerouders. Alle reden om deze voorstellen te confronteren met de rechtspraktijk. Aan het woord komen onder meer Wilma Eusman (familierechtadvocaat en lid van de Staatscommissie), Liesbeth Groenhuijsen (pedagoge die veel betrokken wordt bij echtscheidingen waarbij de belangen van kinderen in het geding zijn), Nicoline Grijmans (familierechtadvocaat gespecialiseerd in roze ouderschap) en Ariane Hendriks (familierechtadvocaat). Het congres wordt voorgezeten door Prof. Lies Punselie (Hoogleraar Familierecht, in het bijzonder jeugdrecht  Universiteit Leiden). De middag wordt afgesloten met een gezellig buffet bij Junilokaal in Den Haag. Graag ontmoeten wij u allen op 10 oktober! Aanvang 15 uur (inloop vanaf 14.45 uur). Aanmelden kan via de website van de VVR, waar meer informatie te vinden is.

16de Algemene Ledenvergadering
Voorafgaande aan het congres vindt de 16de ALV plaats. Aanvang 13.15 uur – 14.30 uur. Voor wie zich aanmeldt zijn er broodjes en (karne)melk. De ALV stukken staan op het ledengedeelte van de website. Ze worden ook digitaal toegestuurd naar de leden.

Recente jurisprudentie
Regelmatig wordt op de website van de VVR interessante jurisprudentie geplaatst. Recent onder meer over de ontbinding van een arbeidsovereenkomst met een PGB-zorgverlener en over ‘freelancers’ die tóch in dienst bleken van een thuiszorginstelling. Deze zaken worden aangedragen door VVR-leden. Komt u ook interessante uitspraken tegen? Stuurt dan even een linkje met de betreffende uitspraak naar de webredactie dan plaatsen wij het op de website.

Vrouw en Recht gaat wobben
Mac Vijn en Leontine Bijleveld hebben voor de VVR een WOB-verzoek ingediend om alle ontwikkelingen rondom de ‘zwangere zelfstandige en CEDAW’ te gaan documenteren. De Vereniging voor Vrouw en Recht wil de historie rondom de ‘zwangere zelfstandige’ vastleggen in een publicatie. Binnenkort meer hierover op de website.

Standbeeld voor Corry Tendeloo!
Corry Tendeloo moet bekender worden. Zij was degene die in de jaren ’50 een einde maakte aan het feit dat vrouwen in overheidsdienst automatisch werden ontslagen als ze in het huwelijk traden. En Tendeloo droeg eraan bij dat het burgerlijk wetboek getrouwde vrouwen niet langer bestempelde als handelingsonbekwaam. Diverse organisaties waaronder Atria, Opzij, WomenInc, maar ook bladen zoals Vogue, Elle en Cosmopolitan willen meer aandacht voor deze relatief onbekende feministe. En dus kwam er een petitie waarin opgeroepen wordt om deze belangrijke voorvechtster van gelijkheid tussen man en vrouw met een standbeeld te eren. Ook de VVR heeft de petitie onderschreven. Met 12.673 ondertekeningen moet de petitie toch zeker wel resulteren in een prachtig standbeeld!

Oproepen
– De werkgroep asiel- en migratierecht heeft onder leiding van Tomris Mustafezade dit jaar nieuwe wind in de zeilen gekregen. Interesse in deze thematiek? Neem dan vooral contact op met de voorzitter van de werkgroep.
– Ook de werkgroep geweld tegen vrouwen heeft naar aanleiding van de bijeenkomst  over strafbaarstelling van seks zonder instemming nieuwe enthousiaste leden gekregen. Ook interesse om in deze werkgroep mee te draaien? Neem dan contact op via het mailadres van de werkgroep.
– De werkgroep sociaal en Europees recht organiseert jaarlijks ongeveer twee bijeenkomsten waarvoor sprekers op het terrein van sociaal en Europees recht worden uitgenodigd. De trekker van deze werkgroep, Anja Eleveld, zoekt geïnteresseerde VVR-leden die mee willen denken en doen om ook komend jaar weer boeiende bijeenkomsten te kunnen organiseren. Interesse? Neem contact op: werkgroep sociaal en Europees recht.
– Tot slot zoekt ook het bestuur van de VVR nog uitbreiding. Denkt u graag mee over het jaarcongres, over wobben en over andere zaken? Neem dan contact op met Leontine Bijleveld via Voorzitter VVR.

Wob verzoek aan Ministerie SZW over CEDAW zaak zwangerschapsuitkering zelfstandigen

Op 9 september 2019 heeft de VVR het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzocht informatie/documenten te verstrekken over het dossier aangaande CEDAW’s Communication No. 36/2012 in de periode 14 februari 2014 tot 17 februari 2015.
Ook over de periode 23 september 2016 tot 7 maart 2018 is een afschrift van alle correspondentie gevraagd.
De motivatie voor de tijdvakken is opgenomen in het Wob-verzoek 9 september 2019.

Op 2 maart 2020 verstuurde het Ministerie van Sociale Zaken de eerste deelbeschikking met als bijlage Nota’s voor de Minister in willekeurige volgorde:
Bijlage+Besluit+Wob-verzoek+betreffende+het+oordeel+van+het+Commitee+of+the+Elimination+of+Discrimination+against+Women+(CEDAW)+in+de+zaak+Elisabeth+de+Blok+et+al.+V.+Nederland

Na een bezwaarschrift van de VVR is op 20 juli 2020 met een beslissing op bezwaar één extra nota voor de Minister verkregen, een cruciale, namelijk de eerste ambtelijke nota (d.d.27 september 2017) naar aanleiding van de tussenuitspraak van de CRvB:Verzonden brief Beslissing op bezwaar.
De VVR heeft besloten geen verder beroep aan te tekenen, tegen de grotendeels afwijzende beslissing op bezwaar..

De overige delen:
2. Documenten in de periode van 14 februari 2014 tot 17 februari 2015
3. Documenten in de periode 23 september 2016 tot 7 maart 2018
zijn ondanks herhaalde toezeggingen oktober 2021 nog niet ontvangen.

Oorspronkelijke versie opinieartikel Eva Cremers d.d. 28 augustus 2019

Ook nieuwe wet helpt oproepkracht niet verder

Het oproepcontract is de afgelopen vijftien jaar steeds populairder geworden. Oproepkrachten zijn werknemers die vooraf niet weten hoeveel uren ze wekelijks of maandelijks zullen werken. Ze krijgen alleen loon als ze feitelijk werken. In de horeca, de detail- en groothandel en de zorgsector wordt veel met oproepcontracten gewerkt.

Sinds 2003 is het aantal werknemers met een oproepcontract gestaag toegenomen. In dat jaar was sprake van 443.000 oproepkrachten. Uit tellingen van het CBS blijkt dat het inmiddels gaat om ruim 940.00 personen. Dat is 10,5% van de totale werkzame beroepsbevolking.

Intussen wordt de kwaliteit van het oproepwerk slechter. TNO heeft in 2019 vastgesteld dat oproepkrachten harder en sneller moeten werken dan vaste werknemers, aanzienlijk vaker in ploegendiensten werken en fysiek zwaarder belast worden. Ook lopen deze werknemers in toenemende mate het risico hun baan te verliezen

De wetgever heeft oog voor de positie van oproepkrachten. De legale mogelijkheden om een oproepcontract te sluiten, zijn drastisch ingeperkt met de invoering van de Wet Werk en Zekerheid in januari 2015. Sindsdien kan alleen voor de eerste zes maanden van een arbeidsovereenkomst op basis van een oproepcontract worden gewerkt. Daarna is dit alleen onder twee voorwaarden mogelijk: 1. de cao moet vermelden voor welke functies het oproepcontract is toegestaan; 2 de werkzaamheden in die functies moeten incidenteel van aard zijn. Hiervan afwijken ten nadele van de werknemer is in strijd met de wet en maakt het contract nietig.

Deze regeling heeft niet het beoogde gevolg gehad. Het aantal oproepcontracten is juist gestegen. De ruimte die de wet laat voor oproepcontracten, is bij lange na niet voldoende om het stijgende aantal te herbergen. De enige conclusie hieruit is dat veel werkgevers de wet niet naleven en oproepcontracten afsluiten die in strijd zijn met de stringente wettelijke beperkingen. Opmerkelijk genoeg is dit voortdurend verzwegen in de halfjaarlijkse evaluaties van de Wet Werk en Zekerheid. Kennelijk knijpt de regering een oogje dicht voor deze wetsontduiking.

Met de Wet Arbeidsmarkt in Balans voorziet de huidige regering evenwel in nieuwe beschermende bepalingen voor oproepwerknemers. Deze bepalingen dienen als aanvulling op de juist genoemde – maar genegeerde – restrictieve wetgeving. De onderlinge verhouding tussen werkgever en werknemer wordt gereguleerd met nieuwe verplichtingen voor de werkgever. Met ingang van januari 2020 moet de werkgever de oproep om te komen werken vier dagen tevoren doen. Als de werkgever die oproep wijzigt of intrekt, moet hij de oproepkracht wel het loon betalen dat overeenkomt met de oorspronkelijk oproep. Verder moet de werkgever de oproepkracht een aanbod met vaste arbeidsomvang doen als het contract twaalf maanden heeft geduurd. Dit aanbod moet ten minste gelijk zijn aan de gemiddelde omvang van die twaalf eerste maanden. Bij nalatigheid van de werkgever heeft de oproepkracht recht op loon over die gemiddelde arbeidsomvang, ook als niet gewerkt is.

Op het eerste gezicht is de nieuwe regeling een sympathiek gebaar naar de oproepkracht. Het probleem is echter dat de wettelijke regeling uit 2015 – met de restricties voor het sluiten van een oproepcontract – klaarblijkelijk wordt ontdoken, en er geen maatregelen worden getroffen om naleving van de bestaande beperkingen te bevorderen. Sterker nog: tijdens de parlementaire behandeling van de Wet Arbeidsmarkt in Balans is het gebrek aan handhaving van de bestaande regelgeving helemaal niet aan de orde gesteld. Niet door de regering, niet door de volksvertegenwoordiging en evenmin door de arbeidsrechtelijke deskundigen die tijdens de parlementaire behandeling zijn gehoord.

De Raad van State betwijfelt of werkgevers de nieuwe beschermende bepalingen zullen toepassen, omdat ze een categorie werknemers betreffen met een zeer kwetsbare en afhankelijke positie. De regering stelde hier tegenover dat het in het arbeidsrecht gebruikelijk is dat de werknemer met zijn werkgever in gesprek gaat over het toekennen van rechten. De regering neemt daarbij als uitgangspunt dat werkgevers zich in beginsel aan hun wettelijke verplichtingen zullen houden. Dit is een absurde zienswijze die voorbij gaat aan de erkend zwakke positie van werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

Er komt dus aanvullende regelgeving die niet te handhaven is, voor arbeidscontracten die de bestaande regels ontduiken. Deze stapeling van lekke maatregelen is een groot probleem voor de rechtsbescherming van werknemers. De handhaving van deze wetgeving kan blijkbaar niet aan werkgevers en werknemers worden overgelaten. De wetgever moet zorg dragen voor een deugdelijke publiekrechtelijke handhaving door de Inspectiedienst SZW. Minister Koolmees moet hiervoor – in samenspraak met de volksvertegenwoordiging – een plan op tafel leggen voordat de Wet Arbeidsmarkt in Balans in werking treedt.

Eva Cremers-Hartman, zelfstandig arbeidsrechtelijk onderzoeker en publicist te Leiden

28 augustus 2019