Instantie: Hoge Raad, 11 maart 1988

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Verzoek van grootouders tot het vaststellen van een omgangsregeling
Cassatietermijn. Niet-ontvankelijkheid

Het gaat in deze zaak om een op art. 8 Verdrag tot bescherming van de re
chten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gabaseerd verzoek van de
grootouders tot het vaststellen van een omgangsregeling met twee van hun
kleinkinderen. Voor zulk een verzoek gelden dezelfde procedureregels als
voor een verzoek aan de kinderrechter tot het treffen van een beschikking als
bedoeld in art. 1:161 lid 5 of art. 1:170 lid 4 BW (HR 22 febr. 1985, NJ 1986
nr. 3), met inbegrip van de uit art. 910 lid 4 en art. 426 lid 2 Rv.
voortvloeiende termijnen van drie, resp. zes weken voor het instellen van
hoger beroep, resp. beroep in cassatie. Nu de beschikking van het hof is
uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 1987 en het verzoekschrift
waarbij de grootouders beroep in cassatie hebben ingesteld, ter griffie van de
HR is binnengekomen op 31 juli 1987 – derhalve na het verstrijken van de
cassatietermijn van zes weken – moeten de grootouders in hun beroep
niet-ontvankelijk worden verklaard

De niet-ontvankelijkheid van het principaal beroep wegens het
overschrijden van de cassatietermijn brengt mee dat ook het incidenteel
cassatieberoep niet-ontvankelijk is

(Geen volledige stukken aanwezig)

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Ras, Van den Blink, De Groot, Bloembergen, Boekman; A-G Moltmaker

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 10 maart 1988

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Vrouw verricht
werkzaamheden ten behoeve van haar man die fysiotherapiepraktijk heeft.
Onder vermogensrechtelijke baten die ten behoeve van andere echtgenoot worden
aangewend, moet ook arbeid worden verstaan. Recht op vergoeding bij
ontbinding huwelijk

Volledige tekst

(…)

4.1. Voor het oordeel over de grieven is het volgende van belang

4.2 Partijen zijn op 11 juli 1969 te Haarlem getrouwd op huwelijkse
voorwaarden, die voor zover thans van belang het volgende inhouden:

“Art. 1. Er zal tussen de echtgenoten generlei gemeenschap van
goederen, hoe ook genaamd, bestaan

Art. 2. De goederen die de echtgenoten ten huwelijk aanbrengen of
staande huwelijk verkrijgen, alsmede de schulden welke door hen voor of
staande huwelijk zijn of worden aangegaan en mede alles wat verkregen wordt in
de plaats van zaken of ter belegging van gelden, zullen alzo eigen aan en voor
rekening blijven van degene wie zij toebehoren, aankomen of betreffen; wanneer
baten aan een der echtgenoten toekomende, mochten zijn aangewend ten behoeve
van de andere echtgenoot, dan moet bij de ontbinding van het huwelijk, of
steeds zodra de ander dit wenst, de bevoordeelde echtgenoot of echtgenote de
waarde, welke aan het vermogen van de andere echtgenoot is onttrokken, aan
laatstgenoemde vergoeden

(…) Art. 5. De kosten der huishouding en van het onderhoud en de
opvoeding van de kinderen, die uit het huwelijk geboren mochten worden, zijn
voor rekening van de man. Mocht niettemin in voormelde kosten door de vrouw
uit privmiddelen vrijwillig zijn bijgedragen, dan kan dit niet door haar
worden teruggevorderd. “

4.3. De Rechtbank heeft voorts onbestreden vastgesteld:

De bedoeling die bij partijen voorzat met het overeenkomen van he
t in de huwelijkse voorwaarden vervatte huwelijksgoederenrechtelijke regime
van uitsluiting van iedere gemeenschap was, dat aldus door wie van hen dan ook
te verwerven vermogen op naam van de vrouw zou kunnen worden gesteld, om dit
te beschermen tegen financile risico’s, verbonden aan de praktijkuitoefening
van de man

Deze bedoeling is tijdens het huwelijk van partijen niet verwezenlijkt,
zonder dat daar een concrete aanleiding of reden voor bestond

4.4. Op 2 oktober 1971 is de man begonnen met de uitoefening van een
fysiotherapiepraktijk. Vanaf dat moment tot aan het moment waarop partijen
feitelijk uit elkaar gingen, heeft de vrouw ten behoeve van die praktijk
regelmatig doch met wisselende frequentie werkzaamheden verricht. Partijen
hebben de feitelijke samenleving verbroken in juni 1981 (de man) dan wel eind
mei 1982 (de vrouw). De werkzaamheden van de vrouw in de praktijk van de
man namen toen ook een einde. Het echtscheidingsvonnis is op 1 augustus
1985 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Haarlem

4.5. De vrouw stelt primair dat zij in de vorm van de door haar in de
praktijk van de man verrichte werkzaamheden aan haar toekomende baten in de
zin van art. 2 huwelijkse voorwaarden, te weten haar arbeid en vlijt, ten
behoeve van de man heeft aangewend, zodat zij thans recht heeft op vergoeding
van de waarde daarvan

4.6. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Onder het aanwenden
van aan de vrouw toekomende baten ten behoeve van de man als bedoeld in art. 2
huwelijkse voorwaarden dient naar redelijkheid en billijkheid begrepen te
worden het verrichten van arbeid als door de vrouw – in de mate waarin dat nu
al door de Rechtbank is vastgesteld – is geschied. Ook indien ervan
uitgegaan zou worden dat zulks niet (rechtstreeks) uit art. 2 kan worden
afgeleid moet, nu in voormeld art. 2 vergoedingsrechten worden toegekend voor
over en weer door de echtelieden ter beschikking gestelde priv
vermogensbestanddelen, op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid
dit rechtsgevolg worden verbonden aan de overeengekomen huwelijkse
voorwaarden

4.7. Voormeld oordeel van het Hof vindt zijn grond met name in de
volgende feiten en omstandigheden

– Het gaat hier om een door de goede trouw beheerste regeling door
(aanstaande) echtgenoten getroffen aangaande de vermogensrechtelijke gevolgen
van hun huwelijk

– De door de Rechtbank in rechtsoverweging 5 onder a en b genoemde
feiten en omstandigheden zijnde:

a. het aanwenden van arbeid en vlijt ten behoeve van een ander dient in
het algemeen te gelden als opoffering van een immaterieel
vermogensbestanddeel. Nu in genoemd artikel van de huwelijkse voorwaarden
de gevolgen van het over en weer door echtelieden ter beschikking stellen van
priv vermogensbestanddelen wordt geregeld, dient deze door de vrouw verrichte
arbeid te worden aangemerkt als het aanwenden van baten in de zin van bedoelde
bepaling ten behoeve van de man en

b. de aard van de door de vrouw verrichte werkzaamheden en de
vaststaande omvang daarvan, in samenhang bezien, vertonen het beeld van een op
deelneming aan het economisch verkeer gericht, de beslotenheid van gezin en
huwelijksrelatie te buiten gaand pakket van arbeidsprestaties. Daaraan kan
– ter verduidelijking – nog toegevoegd worden dat het bij de prestaties van de
vrouw gaat om op geld waardeerbare prestaties

4.8. De man heeft nog betoogd dat het nooit de bedoeling is geweest dat
de vrouw een beloning voor haar werkzaamheden zou ontvangen. Hij stelt dat
die werkzaamheden door haar zijn verricht in het kader van een overeenkomst
tot dienstverlening om niet

4.9. Dit betoog gaat niet op. Uit hetgeen partijen ter comparitie in
eerste aanleg hebben verklaard blijkt dat de man voor de administratie van de
praktijk geen tijd had en dat het in de praktijk zo gegroeid is, dat de vrouw
die administratie voor haar rekening nam, dat de man daar ook op is gaan
rekenen en tenslotte dat de vrouw die administratieve werkzaamheden met veel
plezier verricht heeft. De vraag of de vrouw al dan niet recht had op een
beloning is eenvoudig niet aan de orde geweest. Wel heeft de man, zoals
door de Rechtbank is vastgesteld, in verband met de door de vrouw verrichte
werkzaamheden gedurende een aantal opeenvolgende jaren bij zijn aangifte
inkomstenbelasting een gedeelte van de in de praktijk behaalde winst aan de
vrouw toegerekend, hetgeen door de fiscus is geaccepteerd

Een en ander brengt mee dat niets eraan in de weg staat, ook de goede
trouw niet, dat de vrouw na de ontbinding van het huwelijk alsnog op grond van
art. 2 van de overeengekomen huwelijkse voorwaarden aanspraak maakt op
vergoeding van de waarde van de door haar verrichte werkzaamheden tijdens het
huwelijk. Ook het feit dat haar alimentatievordering is afgewezen staat
daarin niet in de weg, nu het bij een alimentatievordering gaat om een
uitkering tot levensonderhoud en in het onderhavige geding om een
vermogensrechtelijke aanspraak. Tenslotte staat ook het tijdsverloop na het
feitelijk verbreken van de samenleving daaraan niet in de weg, nu zoals ook de
Rechtbank terecht heeft overwogen, art. 2 huwelijkse voorwaarden aan de vrouw
expliciet het recht geeft om vergoeding van de waarde van de door haar ten
behoeve van de man aangewende baten pas bij ontbinding van het huwelijk te
vorderen

4.10. Al het voorgaande brengt mee dat Grief I faalt

4.11. De Rechtbank heeft – kort gezegd – geoordeeld dat de vrouw recht
heeft op vergoeding van de door haar verrichte werkzaamheden voor zover die
hebben bijgedragen tot vermogensopbouw bij de man. Dit oordeel is juist
zoals uit het tot hiertoe overwogene volgt

Anders dan de man stelt is dus voor het slagen van de vordering van de
vrouw niet vereist dat de vrouw zou moeten aantonen dat indien zij niet bij de
man in de praktijk zou hebben gewerkt zij elders betaald werk zou hebben
verricht van een omvang en tegen gelijke beloning, welke haar in staat had
gesteld enig vermogen te vormen

4.12. De man heeft voorts als verweer tegen de vordering van de vrouw
aangevoerd, dat hij heeft aangeboden de administratieve werkzaamheden van de
vrouw over te nemen en dat, indien hij zulks gedaan zou hebben, dit niet ten
koste van zijn “earning capacity” gegaan zou zijn. Hij zou dan, naar zijn
zeggen, gestopt zijn met de vele cursussen die hij volgde en minder aan
bestuurlijke activiteiten hebben deelgenomen

4.13. Dit verweer stuit reeds af op het feit dat het er in dit geding om
gaat om vast te stellen in hoeverre de vrouw met de door haar verrichte
werkzaamheden feitelijk heeft bijgedragen tot vermogensopbouw bij de man.
Daarvoor is niet van belang of de man wellicht de werkzaamheden van de vrouw
had kunnen overnemen zonder verlies van “earning capacity”. Beslissend is
de feitelijke situatie en niet een hypothetische situatie die zich in feite
niet heeft voorgedaan

4.14. Overigens heeft de vrouw op goede gronden bestreden dat de man
haar werkzaamheden had kunnen overnemen zonder verlies van “earning capacity”
Volgens zijn eigen verklaring ter comparitie in eerste aanleg werkte de
man van ’s morgens 8.00 uur tot ’s avonds 22.00 uur en op zaterdag tot een uur
of twee. Vanaf medio 1974 werkte hij van 8.00 uur tot 18.00 uur ’s avonds
Tevens verklaart hij ter comparitie “dat hij in cijfers geen held is”
De vrouw heeft bij memorie van antwoord onbestreden gesteld dat de man
niet in staat was de administratie te doen gezien zijn weinig zakelijke
instelling. Een en ander leidt tot de slotsom dat in redelijkheid niet
aangenomen kan worden dat de man met instandhouding van zijn “earning
capacity” de administratieve werkzaamheden van de vrouw had kunnen overnemen
Bovendien moet ervan uitgegaan worden dat ook het volgen van cursussen en
het deelnemen aan bestuursactiviteiten heeft bijgedragen aan zijn “earning
capacity”

4.15. Hetgeen onder 4.11 – 4.14 is overwogen brengt mee dat Grief II
faalt

Rechters

Mrs Herrmann, Willems-Morsink, Chorus

Instantie: Hof van Justitie tweede kamer, 8 maart 1988

Instantie

Hof van Justitie tweede kamer

Samenvatting


WWV. Richtlijn 79/7. Prejudiciele vragen over geleidelijke
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid. Het is de lidstaten niet
toegestaan in de nationale uitvoeringsmaatregelen overgangsbepalingen op te
nemen op grond waarvan een kostwinnersvereiste ook na 23 december 1984 blijft
gelden voor de gehuwde vrouw die voor die datum werkloos is geworden. Een
lid-staat die na het verstrijken van de in de Richtlijn gestelde termijn
uitvoeringsmaatregelen vaststelt, kan daaraan terugwerkende kracht verlenen
tot de datum waarop die termijn verstreek, mits hij rekening houdt met alle
rechten die sinds die termijn voor particulieren zijn ontstaan

Volledige tekst

Rechters

O. Due, kamerpresident, K. Bahlmann en T.F. O’Higgins, rechters,advocaat-generaal: G.F. Mancini

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 1 maart 1988

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Ten onrechte is door de president in kort geding de Raad veroordeeld tot
incasso over te gaan van de vordering van de vrouw met betrekking tot de
achterstallige alimentatiebijdragen voor de kinderen N., over de periode
september 1980 tot 1 november 1985, waarbij de president ten onrechte is
voorbijgegaan aan door de Raad aangevoerde argumenten op grond waarvan de Raad
weigert de achterstallige alimentatiebijdragen te incasseren. Met name is
onjuist dat de president uit het feit dat op grond van de jurisprudentie
alleen de Raad executiemaatregelen kan nemen, concludeert dat de Raad i.c.
incassomaatregelen moet nemen

Volgens het hof is de Raad in beginsel verplicht tot executie over te
gaan, ook in geval de alimentatie volgens afspraak aan een ander wordt
betaald. Wel heeft de Raad een zekere beleidsvrijheid ten aanzien van de
hantering van die verplichting; zo kan de Raad van executie afzien wanneer de
alimentatieplichtige geen verhaal biedt. Naar ’s hofs voorlopige oordeel
staat het de Raad in het onderhavige geval, ondanks zijn beleidsvrijheid, niet
vrij af te zien van executie van de betalingsachterstand

Uit de zinsnede van de brief (d.d. 13 maart 1973) van de Raad dat de
Raad geen verantwoording voor de incasso op zich kan nemen van een in
rechtstreekse betaling ontstane achterstand, kan niet zonder meer een
weigering om te incasseren worden gelezen

Raad heeft inningsplicht

Volledige tekst

OVERWEGENDE:

Het geding in hoger beroep:

Appellant in het principale beroep, geintimeerde in het voorwaardelijke
incidentele beroep, – verder ook te noemen de raad – is bij exploit van 5
januari 1987 in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis met gelijktijdige
dagvaarding van geintimeerde in het principale beroep, appellante in het
voorwaardelijke incidentele beroep – verder ook te noemen de vrouw – voor dit
hof

Bij memorie van grieven is na te melden ontwikkeld en is geconcludeerd
dat het hof het vonnis van de president van de rechtbank te Zwolle van 22
december 1986 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vrouw alsnog
niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, haar althans haar
vordering zal ontzeggen met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide
instantien

Bij memorie van antwoord in het principale beroep, tevens houdend
memorie van grieven in het voorwaardelijke incidentele beroep, is het
principale beroep verweer gevoerd met conclusie dat het hof het vonnis door
de president van de rechtbank te Zwolle op 22 december 1986 tussen partijen
gewezen zal bekrachtigen, al dan niet met verbetering van gronden;

in het voorwaardelijke incidentele beroep is geconcludeerd dat het hof
voormeld vonnis zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, de raad zal
veroordelen tot cessie van zijn incassorecht ter zake van de achterstand in
de betalingen, die Jacques Schmitz – verder te noemen Schmitz – opliep in de
periode van augustus 1980 tot en met oktober 1985 ten bedrage van ƒ
9.205,28;

in het principale en incidentele beroep is geconcludeerd tot
veroordeling van de raad in de kosten van beide instantien, subsidiair tot
compensatie van de kosten gezien de aard van het geschil

Bij memorie van antwoord in het incidentele beroep heeft de raad verweer
gevoerd met conclusie

– in het principale beroep: tot persistit;

– in het voorwaardelijk incidentele beroep: dat het hof dat zal
verwerpen met bekrachtiging van het vonnis door de president van de rechtbank
te Zwolle in kort geding op 22 december 1986 tussen de raad als gedaagde en
de vrouw als eiseres ten aanzien van de primaire vordering uitgesproken, al
dan niet met verbetering van gronden, met veroordeling van de vrouw in de
kosten van beide instantien

Daarna heeft de vrouw twee aktes ter rolle verzocht en de raad een

Vervolgens hebben partijen de stukken – waaronder de notities van de
beide advocaten d.d. 4 januari 1988 – aan het hof overgelegd voor het wijzen
van arrest

De grief in het principale beroep:

(1). De grief luidt als volgt:

Ten onrechte is door de president in kort geding de raad veroordeeld tot
incasso over te gaan van de vordering van de vrouw met betrekking tot de
achterstallige alimentatiebijdragen voor de kinderen Niers, over de periode
september 1980 tot 1 november 1985, waarbij de president ten onrechte is
voorbijgegaan aan door de raad aangevoerde argumenten op grond waarvan de raad
weigert de achterstallige alimentatiebijdragen te incasseren

Met name is onjuist dat de president uit het feit dat op grond van de
jurisprudentie alleen de raad executiemaatregelen kan nemen, concludeert dat
de raad i.c. incassomaatregelen moet nemen. De raad beoogt met deze grief
het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof te onderwerpen

De grief in het voorwaardelijke incidentele beroep:

(2) De grief luidt als volgt:

Ten onrechte heeft de president de vordering van de vrouw tot het geven
van een bevel aan de raad tot cessie van het executierecht aan haar niet
toegewezen

De vaststaande feiten:

(3) Tegen de door de president vastgestelde feiten in het vonnis waarvan
beroep zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof daarvan ook in hoger
beroep uitgaat

De beoordeling van de grief in het principale beroep:

(4) Uit het bepaalde in artikel 239 eerste lid, Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek en de omstandigheid dat de raad bij de aanvang van de zaak
bemoeienis heeft gehad met onder meer de vaststelling van de alimentatie ten
behoeve van de kinderen Niers, vloeit voort dat de raad bevoegd is ten
behoeve van deze kinderen op te treden

(5) Op grond van de jurisprudentie met betrekking tot artikel 408 Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek is de raad als enige bevoegd de door de rechter
vastgestelde alimentatie ten behoeve van de minderjarigen te executeren, ook
indien er een achterstand in de betalingsverplichting van de
alimentatieplichtige is ontstaan

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de raad in beginsel verplicht is
tot executie over te gaan, ook ingeval de alimentatie volgens afspraak aan
een ander dan de raad wordt betaald. Wel heeft de raad een zekere
beleidsvrijheid ten aanzien van de hantering van die verplichting; zo kan de
raad van executie afzien wanneer de alimentatieplichtige geen verhaal biedt

(6) De raad baseert in het onderhavige geval echter zijn weigering om
tot executie van de betalingsachterstand over te gaan op zijn brief van 13
maart 1973 aan de vrouw en het daarop ontvangen antwoord, alsmede op de
omstandigheid dat de omvang van de betalingsachterstand moeilijk zou zijn te
berekenen, terwijl de raad er tenslotte op wijst dat Schmitz heeft aangevoerd,
dat door hem een andere regeling met de vrouw is getroffen met betrekking tot
de door Schmitz te betalen bijdrage voor de minderjarigen Niers

(7) Dit laatste aspect laat het hof buiten beschouwing nu de raad geen
grief heeft aangevoerd tegen de vaststelling van de president dat – kort
weergegeven – het niet aannemelijk is geworden dat een andere regeling is
overeengekomen, nog afgezien van het feit dat de afspraak, zoals door Schmitz
gesteld, op zich niet duidelijk is

(8) Naar ’s hofs voorlopige oordeel staat het de raad in het onderhavige
geval, ondanks zijn beleidsvrijheid, niet vrij af te zien van executie van de
betalingsachterstand

a. De raad heeft geen toezending van de betalingsbewijzen verlangd ter
controle, zoals in de memorie van Toelichting op artikel 408 Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek wordt verlangd in geval van rechtstreekse betaling aan de
vrouw, staat vermeld. De stelling van de raad dat inzicht in de omvang van
de betalingsachterstand ontbreekt, kan dan ook niet aan de vrouw worden
tegengeworpen

b. In het onderhavige geval is de achterstand in betaling eenvoudig te
berekenen, nu de afspraak waarop Schmitz zich beroept buiten beschouwing kan
worden gelaten en geen verschil van mening bestaat over de feitelijke door
Schmitz betaalde bedragen

c. De brief van de raad van 13 maart 1973 is niet zonder meer duidelijk,
met name behoeft in de zinsnede dat de raad geen verantwoording voor de
incasso op zich kan nemen van een in rechtstreekse betaling ontstane
achterstand, niet zonder meer een weigering om te incasseren te worden
gelezen, doch kan evenzeer worden gelezen, dat de raad (slechts)
verantwoordelijkheid afwijst voor niet incasseerbaar blijkende achterstand

d. De raad heeft nog aansluiting willen zoeken bij aankomend recht,
ontwerp van wet nummer 19242 (herziening scheidingsprocesrecht). Volgens het
ontwerpartikel 408 wordt de bijdrage voor minderjarigen rechtstreeks, buiten
de raad om, betaald, doch kan op verzoek van ieder der partijen een
betalingsverplichting aan die ingevolge die regeling aan de raad verschuldigd
zijn doch tevens wordt aan de betalingsgerechtigde een eigen recht tot het
nemen van executiemaatregelen verleend. Hieruit volgt dat het systeem van
het wetsontwerp zo wezenlijk verschilt van het huidige systeem, dat er in het
onderhavige geval geen ruimte is voor anticipatie op de nieuwe regeling

De grief van de raad wordt dan ook vergeten

(9) Het incidentele beroep dat slechts is ingesteld op voorwaarde dat
het principale beroep slaagt, behoeft derhalve geen behandeling

(10) Voor het verzoek van de raad om, indien het principale beroep niet
slaagt wel een uitspraak te geven ten aanzien van de mogelijkheid van cessie
van het incassorecht van alimentatie ten behoeve van de kinderen, is in het
kader van een kort geding procedure geen plaats

(11) Het bewijsaanbod van de raad zal worden gepasseerd nu voor een
bewijsvoering in dit kort geding geen plaats is

Slotsom:

(12) Gelet op het vorenoverwoge dient het vonnis waarvan beroep te
worden bekrachtigd

De raad zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het
hoger beroep van de vrouw moeten dragen

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding:

Bekrachtigd het vonnis waarvan beroep

Veroordeelt de raad in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van
de vrouw gevallen en tot op heden begroot op f.2650.– te voldoen aan de
griffier van dit hof door overschrijving op postgirorekening 935462 ten name
van de gerechten in het arrondissement Arnhem

Rechters

Mr. van Julsingha, president, mrs Spoor en Bierman, raadsheren

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 26 februari 1988

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


Gemeente wenst de kosten van bijstand, die zij verstrekt aan A.C.v.d. H.
ten behoeve van de op 27 maart 1987 geboren minderjarige T.D. F., welke
minderjarige door verweerder is erkend, op verweerder te verhalen

Het kind verblijft de ene helft van de week bij zijn moeder en de andere
helft van de week bij verweerder. Het kind is door de verweerder erkend
Verweerder woont niet samen met de moeder van de minderjarige

Verweerder moet volgens de kantonrechter een bijdrage betalen die
bepaald wordt door zijn draagkracht, en er kan niet meer verhaald worden dan
de werkelijk voor de minderjarige gemaakte kosten. Kantonrechter bepaalt de
draagkracht van verweerder

Volledige tekst

Rechters

Mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen

Instantie: Rechtbank Maastricht, 25 februari 1988

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


Twee vrouwen werden ontslagen als cursusleidster ten gevolge van
reorganisatie. Zij waren aangenomen op voorrangsplaatsen voor vrouwen en de
enige vrouwen werkzaam bij de stichting voor vormingswerk. De cursussen
worden vrijwel alleen door meisjes gevolgd. Ontslag vond plaats omdat zij
als laatsten werden aangenomen

AFLOOP: In een kantongerechtsprocedure werd de prejudiciele vraag aan
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voorgelegd, in hoeverre het
gebruik van het ancienniteitsbeginsel bij ontslag discriminerend is voor
vrouwen. De vrouwen verloren de kantongerechtsprocedure. Zij stelden
vervolgens hoger beroep in, met steun van Rechtenvrouw. Ook in hoger beroep
werd de zaak verloren. Na een negatief cassatie-advies wordt dossier
gesloten

Jaarverslag 1984 no.11, 1985 no.13, 1986 no.43, 1987 no.2, 1988 no. 2

Volledige tekst

1. De eerste aanleg

Bij zijn vonnis van 10 mei 1985 heeft de Kantonrechter te Sittard het
navolgende overwogen en beslist:

Overwogende ten aanzien van het recht:

In verband met de aard van het geschil achten Wij geen termen aanwezig
de door eiseressen genoemde prejudiciele vraag voor te leggen aan het
Europese Hof, temeer nu uit de overgelegde zienswijze van de Commissie blijkt
dat deze van oordeel is, dat in casu van discriminatie geen sprake is;

ten processe is komen vast te staan, dat eiseres S. op 1 mei 1980 voor
onbepaalde tijd in dienst is getreden bij gedaagde, terwijl eiseres O. op 1
juli 1982 in dienst is getreden; beide eiseressen zijn bij brieven van 29
februari 1984 per 30 april 1984 ontslagen op grond van economische redenen,
voor welk ontslag door de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau
toestemming was verleend;

eiseressen hebben aangevoerd, dat in de loop van de behandeling bij de
directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau is gebleken, dat de economische
noodzaak, op grond waarvan de ontslagvergunning is gegeven, niet aanwezig
was, nu een vacature is ontstaan en deze door gedaagde niet is opgevuld;

door gedaagde is aangetoond, dat, ondanks het niet opvullen van bedoelde
vacature, de economische noodzaak is blijven bestaan, met welke zienswijze
Wij Ons geheel kunnen verenigen; Wij kunnen hieraan nog toevoegen, dat het
aan het beleid van het bestuur van een instelling of een stichting moet
worden overgelaten om te beoordelen of in een bepaalde situatie de economische
omstandigheden van dien aard zijn, dat al of niet een ontstane vacature wordt
opgevuld;

uit de in casu overgelegde cijfers is gebleken, dat de zogenaamde
reserve die het bestuur heeft gekregen door het niet opvullen van de
opengevallen vacature, dermate klein is dat de economische noodzaak wel
degelijk is blijven bestaan;

uit de ten processe gewisselde stukken is gebleken, dat bij het ontslag
van eiseressen het ancienniteitsbeginsel als vermeld in de op de
rechtsverhouding van partijen van toepassing zijnde C.A.O. is toegepast; door
eiseressen is nu wel aangevoerd, dat hierdoor indirekte diskriminatie heeft
plaatsgehad, doch Wij delen dit standpunt niet nu in het geheel niet is
gebleken, dat eiseressen ontslag is verleend omdat zij van het vrouwelijk
geslacht zijn, doch enkel en alleen omdat zij – gezien voormeld beginsel –
voor ontslag in aanmerking kwamen; indien gedaagde van dit beginsel zou zijn
afgeweken zou zij in strijd hebben gehandeld met de betreffende C.A.O. en
zouden de mannelijke werknemers, die dan wel voor ontslag in aanmerking
gekomen zouden zijn, met een beroep op deze C.A.O. het ontslag hebben kunnen
aanvechten; ofschoon de mogelijkheid niet is uitgesloten dat door het ontslag
van eiseressen alle vrouwen uit de kursusstaf zijn verdwenen, dient het aan
het beleid van het bestuur te worden overgelaten om te beoordelen op welke
wijze en of de kursusstaf, doordat hierin geen vrouwen meer zitting hebben,
nog op adequate wijze zal kunnen functioneren;

omdat Wij dan ook van oordeel zijn dat eiseressen terecht door gedaagde
zijn ontslagen en gedaagde bij dit ontslag niet in strijd heeft gehandeld met
enig wettelijk voorschrift, kunnen de door eiseressen ingestelde vorderingen
niet worden toegewezen en zullen zij als de in het ongelijk gestelde partij
de kosten van deze procedure moeten dragen; daarom zal als volgt worden
beslist;

RECHTDOENDE:

Ontzeggen eiseressen hun vorderingen

Veroordelen hen in de proceskosten, deze tot de uitspraak van dit vonnis
aan de zijde van gedaagde door Ons begroot op ƒ 1.000,– voor salaris van
haar gemachtigde

2. Het geding in hoger beroep

Van dat vonnis bij eerder genoemd exploit in hoger beroep gekomen,
hebben appellanten, hierna ook te noemen: “O. en S.”, grieven voorgedragen en
geconcludeerd:

“dat de Rechtbank het vonnis van de Edelachtbare heer Kantonrechter te
Sittard op 10 mei 1985 onder rolnummer 1160/84 tussen partijen gewezen zal
vernietigen en opnieuw rechtdoende, thans geintimeerde, primair zal
veroordelen tot betaling van het achterstallige loon en vakantiegeld van O. en
S. en doorbetaling hiervan, totdat de dienstbetrekking op wettige wijze zal
zijn beeindigd, omdat het gegeven ontslag aan O. en S. nietig is, immers in
strijd met artikel 1637ij lid 5 van het Burgerlijk Wetboek

Het loon zal moeten worden vermeerderd met de vertragingsrente ex
artikel 1638 q van het Burgerlijk Wetboek en vanaf de datum van de indiening
van het inleidende verzoekschrift met de wettelijke rente ex artikel 1286 van
het Burgerlijk Wetboek;

subsidiair geintimeerde zal veroordelen tot het betalen van
schadevergoeding aan O. en S., gelijk aan het loon vanaf de ontslagdatum tot
aan de datum dat de arbeidsovereenkomsten op regelmatige wijze beeindigd
hadden kunnen worden op grond van de omstandigheid dat de gegeven ontslagen
kennelijk onredelijk zijn en/of op grond van artikel 1639o van het Burgerlijk
Wetboek en/of op grond van wanprestatie aan de zijde van geintimeerde

Met veroordeling van geintimeerde in de kosten van beide instantien .”

Bij memorie van grieven hebben O. en S. tevens de Rechtbank verzocht de
navolgende prejudiciele vraag voor te leggen aan het Europese Hof van
Justitie:

Verbiedt het in artikel 5 EG-Richtlijn 76/207 neergelegde
diskriminatieverbod in het algemeen het hanteren van het
ancienniteitsbeginsel bij ontslag? Zo nee, verbiedt het bovengenoemde
diskriminatieverbod onder bepaalde omstandigheden het hanteren van het
ancienniteitsbeginsel bij dit ontslag? Zo ja, onder welke omstandigheden?

Toepassing op onderhavige casus:

Dient als uitgangspunt voor een onderzoek, of het ancienniteitsbeginsel
in strijd is met het diskriminatieverbod, te worden genomen het effekt van
het ancienniteitsbeginsel binnen de welzijnssektor in zijn geheel, of dient
hierbij te worden uitgegaan van de hogere funkties binnen de welzijnssektor
respectievelijk het vormingswerk

Daarop antwoordend heeft geintimeerde, hierna ook te noemen: “Wormdael”,
die grieven bestreden en geconcludeerd tot afwijzing casu quo ontzegging van
de vordering van O. en S. met veroordeling van O. en S. in de kosten van
beide instanties

Tenslotte hebben partijen haar stellingen bij pleidooi mondeling nader
toegelicht en daarna de stukken overgelegd voor vonnis

De uitspraak van dat vonnis is nader bepaald op heden

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven luiden:

GRIEF 1

Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen:

“In verband met de aard van het geschil achten Wij geen termen aanwezig
de door eiseressen genoemde prejudiciele vraag voor te leggen aan het
Europese Hof, temeer nu uit de overgelegde zienswijze van de Commissie blijkt
dat deze van oordeel is, dat in casu van discriminatie geen sprake is;”

GRIEF II

Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen:

“door gedaagde is aangetoond, dat, ondanks het niet opvullen van
bedoelde vacature, de economische noodzaak is blijven bestaan, met welke
zienswijze Wij Ons geheel kunnen verenigen; Wij kunnen hieraan nog toevoegen,
dat het aan het beleid van het bestuur van een instelling of een stichting
moet worden overgelaten om te beoordelen of in een bepaalde situatie de
economische omstandigheden van dien aard zijn, dat al of niet een ontstane
vacature wordt opgevuld;”

GRIEF III

Ten onrechte heeft Kantonrechter overwogen:

“uit de ten processe gewisselde stukken is gebleken, dat bij het ontslag
van eiseressen het ancienniteitsbeginsel als vermeld in de op de
rechtsverhouding van partijen van toepassing zijnde CAO is toegepast; door
eiseressen is nu wel aangevoerd, dat hierdoor indirekte diskriminatie heeft
plaatsgehad, doch Wij delen dit standpunt niet nu in het geheel niet is
gebleken, dat eiseressen ontslag is verleend omdat zij van het vrouwelijk
geslacht zijn, doch enkel en alleen omdat zij – gezien voormeld beginsel –
voor ontslag in aanmerking komen; indien gedaagde van dit beginsel zou zijn
afgeweken, zou zij in strijd hebben gehandeld met de betreffende CAO en
zouden de mannelijke werknemers die dan wel voor ontslag in aanmerking
gekomen zouden zijn, met een beroep op deze CAO het ontslag hebben kunnen
aanvechten;”

GRIEF IV

Ten onrechte heeft Kantonrechter overwogen:

“Omdat Wij dan ook van oordeel zijn dat eiseressen terecht door gedaagde
zijn ontslagen en gedaagde bij dit ontslag niet in strijd heeft gehandeld met
enig wettelijk voorschrift, kunnen de door eiseressen ingestelde vorderingen
niet worden toegewezen en zullen zij als de in het ongelijk gestelde partij
de kosten van deze procedure moeten dragen;”

4. Beoordeling

Grief I en het verzoek tot het doen stellen van pre-judiciele vragen aan
het Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschappen

Door O. en S. is aan de Kantonrechter verzocht een pre-judiciele vraag
voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Economische
Gemeenschappen

Een als onder 2. vermeld, nagenoeg gelijkluidend verzoek, is thans aan
de Rechtbank gedaan

Doel van dat verzoek is door het Hof te doen vaststellen of hantering
van een ancienniteitscriterium voor de bepaling van een ontslagvolgorde – al
dan niet onder bepaalde, door verzoekers aangegeven omstandigheden – in
strijd is met hetgeen is bepaald in artikel 5 van de richtlijn van de Raad
van de Europese Economische Gemeenschappen van 9 februari 1976, genummerd
76/207

Voor een pre-judiciele vraag aan het Hof is alleen dan plaats indien een
beslissing ten aanzien van de voorgelegde vraag noodzakelijk geacht kan
worden voor het te wijzen vonnis

Door het Hof is in de zaak genummerd 152/84, gedateerd 26 februari 1986,
beslist dat de litigieuze richtlijn geen verplichtingen aan particulieren
oplegt zodat bepalingen van die richtlijn niet tegenover particulieren kunnen
worden ingeroepen. Zulks brengt mede dat in casu alleen dan nog aanleiding
bestaat voor het stellen van pre-judiciele vragen indien beantwoording van die
vragen in het belang kan worden geacht van een eenvormig uitleg casu quo
toepassing van de op grond van die richtlijn in het nationale recht
geimplementeerde regels, in casu de bepalingen van de Wet Gelijke Behandeling
Mannen en Vrouwen en het artikel 1637 ij van het Burgerlijk Wetboek

Nu de door O. en S. ter pre-judiciele beslissing door het Hof
voorgedragen kwesties voornamelijk betrekking hebben op de uitleg van het
begrip “indirecte discriminatie” en de praktische uitleg daarvan ten aanzien
van de onderhavige casus, acht de Rechtbank het voorleggen daarvan aan het
Hof niet opportuun nu in eerdere uitspraken het Hof het begrip “indirecte
discriminatie op grond van geslacht” reeds voldoende heeft aangeduid en
praktische uitleg daarvan ten aanzien van de onderhavige casus – gelet ook op
de uitspraak van het Hof van 31 maart 1981, in de zaak genummerd 96/80 inzake
gelijke beloning van mannen en vrouwen – tot het terrein van de nationale
rechter dient te worden gerekend

De bestreden overwegingen van de Kantonrechter zijn derhalve niet
onbegrijpelijk of onjuist zodat grief I dient te worden verworpen. De
rechtbank zal de door O. en S. ter beslissing voorgedragen kwesties niet
voorleggen aan het Hof van Justitie van de Europese Economische
Gemeenschappen

Grief II

Deze grief stelt twee vragen aan de orde, te weten:

1. kon de Kantonrechter oordelen dat, ondanks de beeindiging van het
dienstverband tussen Wormdael en de heer H., er desalniettemin sprake was van
door Wormdael voor het ontslag van O. en S. aangevoerde economische noodzaak
en

2. heeft een bestuur van een stichting of instelling de vrijheid te
beoordelen of onder bepaalde omstandigheden, de economische situatie
betreffende, een door beeindiging van een dienstverband met een van haar
werknemers vrijgekomen funktie opnieuw dient te worden bezet?

Door O. en S. is slechts met betrekking tot hun primaire vordering in
eerste aanleg het verwijt, dat op het moment van hun ontslag, economische
noodzaak daartoe ontbrak, naar voren gebracht

Niettemin zijn de bestreden overwegingen van de Kantonrechter kennelijk
wel gebezigd in het kader van de toetsing of het ontslag, zoals door O. en S.
aan hun subidiaire vordering ten grondslag is gelegd, kennelijk onredelijk is
als bedoeld in artikel 1639s van het Burgerlijk Wetboek

Naar het oordeel van de Rechtbank behoort toetsing van
beleidsbeslissingen van een werkgever om via andere dan de in een
reorganisatie begrepen ontslagen, verdere saneringen in de arbeidsorganisatie
te effectueren, in het algemeen niet tot de taak van de rechter

De onder 2. aan de orde gestelde vraag dient derhalve positief te worden
beantwoord

Door Wormdael is aangevoerd dat in haar begroting van 1984 slechts een
bedrag van ƒ 22.500,– (in de begroting werkelijk gesteld op ƒ 22.356,–)
is voorzien ten dienste van bestrijding van de kosten verbonden met salaris-
en wachtgeldverplichtingen ten aanzien van de af te vloeien werknemers doch
dat, mede als gevolg van de vertraging in de ontslag-procedures van O. en S.,
die kosten inmiddels waren opgelopen tot ƒ 78.465,– en dus dat bedrag
ruimschoots overtroffen zodat, ondanks de loonkosten besparing in verband met
het ontslag van de heer H. van ƒ 68.277,– (over 1984) slechts een positief
saldo resteerde van ƒ 12.312,–

Door Wormdael is voorts aangevoerd dat door het ontbreken van reserves
een financieel beleid gevoerd diende te worden waarbij geen tekorten optreden
en dat als gevolg van en en ander herbezetting van de vierde staffunktie niet
mogelijk was casu quo er tot ontslag van O. en S. nog immer op economische
gronden aanleiding bestond

Door O. en S. is hiertegen ingebracht, dat indien hun dienstverband tot
20 uur per week zou zijn teruggebracht, daarmee op jaarbasis ƒ 69.800,– zou
zijn gemoeid zodat van de bespaarde loonsom van de heer H. ad ƒ 95.141,–
een jaarlijkse besparing van ongeveer ƒ 25.000,– zou hebben geresteerd,
waarmee het door Wormdael gestelde tekort van ƒ 55.000,– over het boekjaar
1984, in twee jaar teniet gedaan had kunnen worden

In overweging genomen dat niet of althans onvoldoende gemotiveerd
bestreden is, derhalve als ten processe vaststaand is aan te nemen, het feit
dat Wormdael niet over reserves beschikt en dat tengevolge daarvan in 1984 de
uitgaven de inkomsten niet mochten overtreffen, is naar het oordeel van de
Rechtbank door Wormdael voldoende aannemelijk gemaakt dat economische noodzaak
tot het ontslag is blijven bestaan, ook na beeindiging van het dienstverband
met de heer H. en is het door O. en S. gestelde, noch in het kader van het
bij artikel 1637 ij lid 5 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde, noch in het
kader van het bij artikel 1639o van het Burgerlijk Wetboek bepaalde voldoende
feitelijk geadstrueerd

De onder 1 aan de orde gestelde vraag dient derhalve eveneens positief
te worden beantwoord

De bestreden overwegingen van de Kantonrechter zijn derhalve niet
onbegrijpelijke of onjuist zodat grief II dient te worden verworpen

Grief III

Deze grief is te herleiden tot de klacht, dat de Kantonrechter,
overwegende dat niet is gebleken dat aan O. en S. ontslag is verleend omdat
zij van het vrouwelijk geslacht zijn, van oordeel is dat in casu geen sprake
is van indirecte discriminatie in de zin van het bepaalde bij artikel 1637ij
lid 1 van het Burgerlijk Wetboek juncto artikel 1 van de wet Gelijke
Behandeling Mannen en Vrouwen casu quo artikel 5 van de richtlijn genummerd
76/207 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschappen

Door O. en S. is gesteld dat deze overweging van de Kantonrechter
onjuist is omdat voor het aannemen van indirekte discriminatie in de zin van
voormelde bepalingen onnodig is dat juist O. en S. zijn ontslagen omdat zij
van het vrouwelijk geslacht zijn doch dat reeds voldoende is dat hantering
van een bepaald criterium – in casu een ancienniteitscriterium – volgens welke
de ontslagvolgorde is bepaalde tot gevolg heeft dat meer vrouwen dan mannen
worden ontslagen en dat geen objectieve redenen zijn aan te voeren die
hantering van dat criterium rechtvaardigen

Voorts is door O. en S. aangevoerd dat in casu van indirekte
discriminatie sprake is nu hantering van het in de CAO-Welzijnswerk vigerende
ancienniteitscriterium ten gevolge heeft dat meer vrouwen dan mannen worden
ontslagen en een objectieve rechtvaardiging voor hantering van dat criterium
ontbreekt

Door Wormdael is bestreden dat het gehanteerde selectiecriterium
indirect discrimineert

Zij stelt daartoe dat geenszins vast staat dat door hantering van dat
criterium meer vrouwen dan mannen voor ontslag in aanmerking komen terwijl
bovendien objectieve redenen hantering van dat criterium rechtvaardigen

De Rechtbank is van oordeel dat in casu hantering van het
ancienniteitscriterium door Wormdael als een der criteria voor bepaling van
de ontslagvolgorde is gerechtvaardigd

Dit oordeel is gegrond op twee overwegingen

Enerzijds de overweging dat kan worden geconstateerd dat het
ancienniteitscriterium een historisch gegroeide en in het arbeidsrecht in het
algemeen – onder zekere aanvulling van en correctie door andere criteria –
als zijnde redelijk, aanvaarde voorrangsregeling is ingeval van meerdere
ontslagen tegelijkertijd, terwijl het criterium recht doet aan
gerechtvaardigde verwachtingen en voorts de bepaling van de ontslagvolgorde
objectief toetsbaar maakt en aldus een bijdrage levert aan de rechtszekerheid
van de alsdan voor ontslag in aanmerking komende werknemers

Anderzijds de overweging dat in casu – naar als ten processe vaststaat
moet worden aangenomen – door de in het Welzijnswerk vigerende CAO het
ancienniteitscriterium wordt voorgeschreven ingeval van meerdere ontslagen
tegelijkertijd zodat op grond van het bepaalde in artikel 1639s lid 2 sub 4E
van het Burgerlijk Wetboek dat criterium door Wormdael diende te worden
gehanteerd, nu immers ten processe niet is gebleken van het bestaan van
gronden die naar het oordeel van de Rechtbank dermate zwaarwegend zijn dat
deze tot een afwijking van dat criterium noodzaken

Aldus kan buiten beschouwing blijven de vraag of hantering van het
onderhavige ancienniteitscriterium inderdaad tot gevolg heeft dat meer
vrouwen dan mannen in aanmerking komen voor ontslag nu immers, ook in het
geval die vraag positief kan worden beantwoord, niettemin moet worden
aangenomen dat in casu van indirecte discriminatie op grond van geslacht – dat
wil zeggen dat O. en S. via toepassing van het ancienniteitscriterium als
eerste voor ontslag in aanmerking zijn gekomen omdat zij van het vrouwelijk
geslacht zijn – geen sprake is

De bestreden overwegingen van de Kantonrechter zijn derhalve niet
onbegrijpelijk of onjuist zodat grief III daarom dient te worden verworpen

Grief IV

Gelijk door de Kantonrechter in de aangevallen overweging is beslist, is
ook de Rechtbank van oordeel dat Wormdael niet heeft gehandeld in strijd met
enig wettelijk voorschrift zodat – voorzover althans het rechterlijk oordeel
zich te dien aanzien kan uitstrekken – eveneens moet worden geconstateerd dat
O. en S. – zoals door de Kantonrechter overwogen – “terecht” ontslagen zijn

Aldus is de overweging van de Kantonrechter dat de door O. en S.
ingestelde vorderingen niet kunnen worden toegewezen en zij, als in het
ongelijk gestelde partij, de kosten van de procedure moeten dragen, niet
onbegrijpelijk of onjuist zodat grief IV dient te worden verworpen

De Rechtbank zal, nu geen van de door O. en S. voorgedragen grieven
gegrond kunnen worden verklaard, het bestreden vonnis van de Kantonrechter te
Sittard van 10 mei 1985 bekrachtigen, zowel ten aanzien van de ontzegging van
de vorderingen aan O. en S. als ten aanzien van de veroordeling van O. en S.
in de kosten van de procedure in eerste aanleg

Als in het ongelijk gestelde partij, zal de Rechtbank O. en S. bovendien
veroordelen in de kosten van dit hoger beroep

5. UITSPRAAK:

De Rechtbank bekrachtigt het vonnis van de Kantonrechter te Sittard op
10 mei 1985 tussen partijen gewezen;

De Rechtbank veroordeelt O. en S. in de kosten van deze procedure in
hoger beroep, aan de zijde van Wormdael gerezen, deze kosten tot aan deze
uitspraak begroot op ƒ 2.110,–

Rechters

Mrs. Eliens, vice-president, Seelen en Huurman-van Asten, rechters

Instantie: Raad van Beroep Amsterdam, 23 februari 1988

Instantie

Raad van Beroep Amsterdam

Samenvatting


AAW. Intrekking AAW-uitkering vrouw met ingang datum huwelijk, 24
juli 1982. Voorafgaand aan de AAW-uitkering ontving zij uitkering ingevolge
de Algemene Bijstandswet. Op 6 mei 1982 verzoekt de vrouw de
bedrijfsvereniging terug te komen op de intrekkingsbeslissing. Zij wordt in
verzoek ontvankelijk verklaard. De Raad van Beroep Amsterdam beschouwt het
feit dat pas na het verstrijken van de beroepstermijn in een soortgelijke zaak
– bevestigd door Centrale Raad van Beroep 5 januari 1988, Rechtspraak Nemesis
nr. 2 – als een nieuw feit, c.q. een zwaarwegend argument om op de vorige
beslissing terug te komen

Volledige tekst

Rechters

Voorzitter Mw. mr. H.W. Bockwinkel-Rutgers

Instantie: Raad van Beroep Utrecht, 22 februari 1988

Instantie

Raad van Beroep Utrecht

Samenvatting


WWV. Werkloosheid ingetreden voor 23 december 1984, te weten 1
augustus 1984. Discriminatie op grond van geslacht in strijd met art. 26
BuPo-verdrag. In afwijking van de Centrale Raad van Beroep 5 januari 1988,
gepubliceerd in Nemesis 1988 nr. 1 – Rechtspraak Nemesis nr. 2 – is de Raad
van oordeel dat art. 26 BuPo zich in beginsel vanaf 11 maart 1979 – datum van
in werking treding – voor directe werking toepassing leent

Volledige tekst

Rechters

Voorzitter mw. mr. A.H. Bauerlei-Hetebrij

Instantie: Raad van State afdeling bestuursrechtspraak, 18 februari 1988

Instantie

Raad van State afdeling bestuursrechtspraak

Samenvatting


Toepassing van artikel 107 Wet op de Raad van State
(schorsing/voorlopige voorziening) wordt verzocht ten aanzien van het besluit
van verweerders van 18 december 1987, waarbij zij aan mevrouw M. Alberda-van
Schie te Leiden op grond van artikel 5 van het Besluit vestiging en
praktijkomvang huisartsen (Stb. 1985, 574) vergunning hebben verleend zich als
huisarts in de gemeente Leiden te vestigen

Niet in geschil is dat op basis van de in het Vestigingsbesluit gegeven
normering in de gemeente Leiden ruimte aanwezig is voor de vestiging van een
nieuwe huisarts. Verzoekers zijn evenwel van mening dat het verweerders
niet vrij staat bij het verlenen van een vestigingsvergunning aan andere dan
getalsmatige criteria doorslaggevende betekenis te hechten. Verweerders
hadden naar hun mening dan ook niet anders kunnen doen dan de vergunning te
verlenen aan verzoeker E. Baart, die als eerste op de door de commissie
opgestelde voordracht was geplaatst, in plaats van aan mevrouw M. Alberda-van
Schie, die als tweede op deze voordracht was geplaatst. Deze mening wordt
door de Raad niet gedeeld

Verweerders streven ernaar binnen de gemeente Leiden 30% van de
capaciteit per waarneemgroep door vrouwelijke huisartsen te laten vervullen
Dit uitgangspunt is in de advertentie, waarin kandidaten voor de
betrokken vestigingsplaats worden opgeroepen, tot uiting gebracht, zodat ook
verzoekers hiervan op de hoogte konden zijn. Naar Ons oordeel is een
dergelijk beleid, waarbij bij voldoende geschiktheid aan vrouwelijke
kandidaten de voorkeur wordt gegeven, wat er verder ook zij van het streven
naar een bezettingsgraad van vrouwelijke artsen van 30%, niet onaanvaardbaar
te achten. Wij nemen daarbij in aanmerking dat in de betrokken
waarneemgroep slechts ongeveer 6% van de capaciteit door vrouwelijke
huisartsen wordt ingenomen

Uit voorgaande blijkt dat zowel verzoeker E. Baart als
vergunninghoudster voldoen aan de door verweerders opgestelde profielschets
Ook de commissie is blijkens de toelichting op haar voordracht deze
mening toegedaan. Nu derhalve beide kandidaten de geschiktheid voor de
onderhavige vacature bezitten is naar het oordeel van de Raad in het nastreven
van vorengenoemd beleidsdoel een voldoende rechtvaardiging gelegen om in het
onderhavige geval van de volgorde van de voordracht van de commissie af te
wijken

Gezien het vorenstaande meent de Raad dat het nadeel dat verzoeker bij
de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit lijdt niet onevenredig
is in verhouding tot het met een zodanige uitvoering te dienen belang

Volledige tekst

Rechters

Mr. P.J.G. Kapteyn, voorzitter

Instantie: Gerechtshof Den Haag, 17 februari 1988

Instantie

Gerechtshof Den Haag

Samenvatting


Appellanten hebben geintimeerde voor de president van de
arrondissemtensrechtbank te Den Haag in kort geding gedagvaard en hebben
gevorderd dat de Staat wordt bevolen de inschaling van de ex-hoofden van
kleuterscholen in te trekken, althans deze inschaling buiten werking te
stellen en eiseressen in te schalen op dezelfde wijze als haar mannelijke
collega’s en subsidiair de Staat te bevelen de inschaling van ex-hoofden van
kleuterscholen in overeenstemming te brengen met de wetsartikelen inzake
gelijke behandeling

De president heeft bij vonnis van 18 juli 1986 het gevorderde afgewezen

In hoger beroep hebben appellanten hun vordering vermeerderd, dat ten
aanzien van A. c.s. artikel B2 van het Besluit overgangsmaatregelen
basisonderwijs 1985 buiten werking wordt gesteld – en gewijzigd

Het hof is van mening dat verschil in leidinggevende ervaring een
objective rechtvaardigingsgrond is en dat onvoldoende is gebleken van een
ongerechtvaardigd onderscheid tussen mannen en vrouwen in de zin van artikel
1637ij van het BW respectievelijk artikel 1 van de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst als door A. c.s. gesteld,
zodat reeds om die reden het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd en
de vorderingen voorzover in hoger beroep vermeerderd en gewijzigd dienen te
worden afgewezen

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Van Deth, vice-president, Jonkers, raadsheer, en Ellis,raadsheer-plaatsvervanger