Instantie: Rechtbank Amsterdam, 9 april 1988

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


X. eist als moeder van dochter S. voor haar dochter ƒ 5.000,– en voor
haar zelf ƒ 9.500,– als schadevergoeding wegens door de minderjarige Q.
(zoon van de gedagvaarde Z., als wettelijk vertegenwoordiger) gepleegde
ontucht met haar dochter

Het staat vast dat de minderjarige zoon Q., toen 16 jaar, in de periode
maart/april 1984 met de dochter van eiseres X. seksuele handelingen heeft
gepleegd

De rechtbank acht schadevergoeding (materiele en immateriele) voor de
moeder niet op zijn plaats gezien artikel 1407 BW. De vordering wegens
immateriele schadevergoeding voor haar dochter wordt toegewezen. Immers van
algemene bekendheid moet worden aangenomen dat de met de dochter gepleegde
ontucht voor haar psychisch leed met zich heeft meegebracht. Gelet op de
leeftijd van de dader ten tijde van de gepleegde handelingen en omdat geen
omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat het aan S.
toegebrachte psychische leed uitzonderlijk groot is, stelt de rechtbank
bedoelde immateriele schade naar redelijkheid vast op ƒ 2.500,–
(twaalfhonderd gulden)

Volledige tekst

Rechters

Mrs R. Orobio de Castro, A.J. Beukenhorst en W.M. van den Bergh

Instantie: Hoge Raad, 8 april 1988

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Afgedwongen erkenning. Toestemming van moeder voor erkenning door de
vader geen absoluut vereiste meer. Art. 8 EVRM. In deze verdragsbepaling
ligt besloten dat de biologische vader en zijn kind in beginsel er over en
weer aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als
familierechtelijke rechtsbetrekking. In beginsel kan aan de vader de
mogelijkheid van erkenning niet worden onthouden

De toestemming van de moeder kan onder bepaalde omstandigheden worden
vervangen door een rechterlijke uitspraak

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Snijders, Martens, Van den Blink, De Groot en Hermans

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 8 april 1988

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Afgedwongen erkenning. Toestemming van moeder voor erkenning door de vader
geen absoluut vereiste meer. In deze verdragsbepaling ligt besloten dat
de biologische vader en zijn kind in beginsel er over en weer aanspraak
op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke
rechtsbetrekking. In beginsel kan aan de vader de mogelijkheid van
erkenning niet worden onthouden De toestemming van de moeder kan onder
bepaalde omstandigheden worden vervangen door een rechterlijke uitspraak

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instantie Op 13 maart 1986 heeft verzoeker tot
cassatie – hierna aan te duiden als: de man – zich gewend tot de Rechtbank
te Alkmaar met het verzoek aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van
de gemeente Hoorn te gelasten een akte van erkenning op te maken, waarbij
de man het op 20 juli 1984 te Hoorn uit A.J.E. geboren natuurlijk kind
C.F. erkent en deze akte op te nemen in de daartoe bestemde registers.
Nadat verweerster in cassatie – hierna aan te duiden als: de vrouw – tegen
dat verzoek verweer had gevoerd, en nadat de Officier van Justitie in het
arrondissement Alkmaar tot afwijzing van het verzoek had geconcludeerd,
heeft de Rechtbank bij beschikking van 8 januari 1987 de man niet
ontvankelijk verklaard. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep
ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij beschikking van 1 juni
1987 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank met verbetering van
gronden bekrachtigd. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking
gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de man
beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking
gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van de Advocaat-Generaal
Moltmaker strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot
verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof ter verdere behandeling
en beslissing.

3. Beoordeling van het middel 3.1 In dit stadium van het geding moet in
cassatie, ten dele bij wege van veronderstelling, worden uitgegaan van het
volgende: (i) partijen hebben omstreeks 1983 een relatie met elkaar gehad
die ongeveer twee jaar heeft geduurd; (ii) uit deze relatie is op 20 juli
1984 te Hoorn een kind geboren; (iii) de man staat – en stond reeds ten
tijde van het indienen van het verzoekschrift waarmede hij dit geding
heeft ingeleid – tot dit kind in een als “gezinsleven” (vie
familiale/family life) in de zin van art. 8 EVRM aan te merken betrekking;
(iv) de man heeft het kind reeds direct na de geboorte willen erkennen,
maar de vrouw heeft steeds geweigerd haar daartoe de, ingevolge art.
1:224, eerste lid, aanhef en onder d, BW vereiste toestemming te verlenen;
(v) de man heeft niettemin op 10 februari 1986 de ambtenaar van de
burgerlijke stand te Hoorn verzocht een akte van erkenning op te maken,
doch deze heeft dat geweigerd omdat de daartoe vereiste voorafgaande
schriftelijke toestemming van de vrouw ontbrak; (vi) in dit geding heeft
de man verzocht de ambtenaar van de burgerlijke stand te Hoorn te gelasten
de door de man gewenste akte van erkenning van het kind op te maken en
deze akte op te nemen in de daartoe bestemde registers; (vii) in dit
verzoek hebben rechtbank en Hof de man niet ontvankelijk verklaard,
waarbij voor het Hof beslissend was dat in een geval als het onderhavige,
naar zijn oordeel, aansluiting moet worden gezocht bij art. 1:226 BW,
zodat de man dit geding niet bij verzoekschrift had behoren in te leiden.

3.2 Het middel dat zich tegen evenvermelde motivering van het Hof keert,
berust op de opvatting dat naar huidig Nederlands recht de ambtenaar van
de burgerlijke stand, indien de moeder de voor erkenning van haar
natuurlijk kind vereiste toestemming niet geeft, niet onder alle
omstandigheden mag weigeren zijn medewerking te verlenen aan het opmaken
en op de voet van art. 25 van het Besluit Burgerlijke Stand in de
registers vermelden van een akte van erkenning van dat kind, want dat die
toestemming onder bepaalde voorwaarden kan worden vervangen door een
rechterlijke uitspraak waarbij een verzoek als het onderhavige wordt
toegewezen. Die opvatting is juist.

3.3 Voor een man en voor het kind waarvan hij de biologische vader is en
tot hetwelk hij in een als vie familiale/family life in de zin van art.
8 lid 1 EVRM aan te merken relatie staat, ligt in deze verdragsbepaling
besloten dat zij in beginsel over en weer aanspraak erop hebben dat hun
relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke rechtsbetrekking. Dit
brengt, wanneer wordt uitgegaan van een stelsel als dat van de artt. 1:221
en 222 BW, mee dat aan een zodanige vader in beginsel de mogelijkheid van
erkenning van het kind niet kan worden onthouden. Wel kan het in een
democratische samenleving nodig zijn deze mogelijkheid in te perken, onder
meer ter bescherming van de rechten van de andere bij het vestigen van
familierechtelijke betrekkingen onmiddellijk betrokkenen, het kind en zijn
moeder. Of zulks het geval is en tot welke beperkingen afweging van de
betrokken rechten leidt, staat in de eerste plaats ter beoordeling van de
wetgever. Blijkens een bericht in de Nederlandse Staatscourant van 14 juli
1986 (nr. 132) en de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 2.2 is
nieuwe wetgeving terzake in een vergevorderd stadium van voorbereiding.
In verband daarmede meent de Hoge Raad zich thans ervan te moeten
onthouden ten gronde in te gaan op de vraag welke beperkingen van de
mogelijkheid tot erkenning verenigbaar zijn met art. 8 EVRM. In afwachting
van die wetgeving moet evenwel worden aangenomen dat met die
verdragsbepaling in elk geval niet valt te verenigen dat de mogelijkheid
tot erkennen wordt beperkt door een niet voor rechterlijke toetsing
vatbaar vetorecht van de moeder van het kind. Een redelijke, met art. 8
EVRM rekening houdende uitleg van het huidige recht brengt daarom mede
dat, ook al weigert de moeder de daartoe vereiste toestemming, langs de
onder 3.2 bedoelde weg toch een rechtsgeldige erkenning tot stand kan
komen wanneer de weigering van de moeder om toestemming tot erkenning te
verlenen slechts kan worden opgevat als misbruik van de bevoegdheid die
in art. 1:224 lid 1, aanhef en onder d, besloten ligt.

3.4 Wat nu betreft de door het middel aan de orde gestelde vraag welke
procesgang moet worden gevolgd ter verkrijging van een uitspraak als
bedoeld onder 3.2, is de Hoge Raad, anders dan het Hof, van oordeel dat
de man daartoe terecht de weg van art. 1:29 BW heeft gekozen. Volgens art.
1:223 onder b, wordt een akte van erkenning opgemaakt door de ambtenaar
van de burgerlijke stand, in welke bepaling ligt besloten dat die
ambtenaar terzake in beginsel een ministerieplicht heeft. Bij een
dergelijke plicht past dat degene te wiens behoeve die plicht in het leven
is geroepen, wanneer de betrokken ambtenaar zijn ministerie weigert,
terzake de tussenkomst van de rechter kan inroepen. Nu art. 1:29 BW voor
inroepen van rechterlijke tussenkomst terzake van andere verrichtingen van
de ambtenaar van de burgerlijke stand de verzoekschriftprocedure
voorschrijft, ligt het in de rede dat ook bij weigering om een akte van
erkenning op te maken en in te schrijven belanghebbenden daartegen op de
voet van deze bepaling kunnen opkomen bij verzoekschrift. Omdat de
onderhavige verzoekschriftprocedure wordt beheerst door de twaalfde titel
van Boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, biedt zij
voldoende waarborgen dat terdege rekening wordt gehouden zowel met de
belangen van de – als belanghebbende in de zin van art. 429f Rv aan te
merken – moeder wier weigering grond geeft voor die van de ambtenaar, als
met de daarmede niet noodzakelijk parallel lopende belangen van het kind.
Wat deze laatste belangen betreft verdient bovendien opmerking dat, gezien
de aard van de onderwerpelijke rechtspleging, moet worden aangenomen dat
de bepalingen van de zevende titel van het derde boek van Rv die in het
bijzonder strekken ter bescherming van de belangen van de minderjarige,
te dezen van overeenkomstige toepassing zijn. Het gaat daarbij met name
om de artt. 902a en 902b Rv en de daarmede samenhangende bepalingen.

3.5 Uit het voorgaande volgt dat het middel terecht is voorgedragen en dat
de beschikking van het Hof moet worden vernietigd.

4. Beslissing: de Hoge Raad vernietigt de beschikking van het Hof te
Amsterdam van 1 juni 1987; verwijst het geding naar dat Hof ter verdere
behandeling en beslissing (zie RVR 1992, nr. 4).

Rechters

Mrs. Snijders, Martens, Van den Blink, De Groot en Hermans

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 22 maart 1988

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


Eisers vorderen primair herstel van de dienstbetrekking tussen partijen
Zij stellen daartoe dat hun ontslag onredelijk is omdat bij het ontslag
ten gevolge van de reorganisatie het ancienniteitsbeginsel niet is gehanteerd,
maar dat er een test heeft plaatsgevonden. Deze test was ondeugdelijk omdat
onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheid, dat eisers allochtonen
zijn. Indirect gevolg van hantering van de test is dat eisers zijn
gediscrimineerd

Verweer van gedaagde is dat de test wel deugdelijk is

Volgens de kantonrechter kan de gedaagde in redelijkheid tot de
beslissing komen een test te doen afleggen. Door extern te laten
rapporteren heeft gedaagde de nodige zorgvuldigheid in acht genomen.
Gedaagde had echter het onderhavige gevolg moeten incalculeren, zij had de
gevolgen voor de werknemers, zeker de werknemers met zeer lange diensttijd, in
grotere mate dienen op te vangen. Daardoor heeft zij ten opzichte van een
aantal van de eisers kennelijk onredelijk gehandeld door ontslag te geven
zonder een verdergaande regeling te treffen. Het betreft hier die
werknemers, die, indien de ancienniteitsregel zou zijn toegepast, in dienst
zouden zijn gebleven. Deze eisers wordt een schadevergoeding toegekend

Volledige tekst

Rechters

Mr. D. Runia, kantonrechter

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 22 maart 1988

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de
Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 4 juni 1985 – de verdachte ter zake
van 1a. en 1c telkens opleverende: “medeplegen van verkrachting”, 1b. en 1d.
telkens opleverende: “medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid”
en 2., 3. en 4. “diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen
gepleegd” veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden
voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren

Cassatiemiddelen: 1. Het recht is geschonden en/of er zijn vormen
verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt

In het bijzonder zijn de artt. 273 Sv., 415 Sv., 500f Sv. en art. 20 Wet
RO geschonden, doordat het Hof ten onrechte, blijkens de processen-verbaal
terechtzitting van 12 september 1986, de zitting van 12 september 1986 en 12
december 1986, de zitting van 12 september 1986 in het openbaar gehouden heeft
en de zitting van 12 december 1986 achter gesloten deuren gehouden heeft

2. Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet
naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn artt. 350, 359 en 415
Sv. geschonden doordat het bewezenverklaarde in het bijzonder de bedreiging
met geweld niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans
het Hof daaraan een onjuiste met de Wet strijdige betekenis heeft toegekend
De bewezenverklaring is mitsdien niet voldoende met redenen omkleed

Hoge Raad:

Uit het proces-verbaal blijkt dat de verdachte op de dag van de daarin
bedoelde terechtzitting nog niet meerderjarig was volgens het bepaalde in art.
1:233 BW, zoals dat toen luidde, terwijl noch uit dat proces-verbaal, noch uit
het bestreden arrest valt op te maken dat er medeverdachten waren die
meerderjarig waren overeenkomstig evenbedoelde bepaling of die terechtstonden
op verdenking van een door hen na het bereiken van de leeftijd van achttien
jaren begaan strafbaar feit. Het Hof heeft mitsdien gehandeld in strijd met
het bepaalde bij art. 500f Sv. zoals dat toen luidde, welke bepaling ingevolge
art. 503 SV. van overeenkomstige toepassing is in hoger beroep. In
aanmerking genomen:

a. dat op de terechtzitting van 12 september 1986 de verdachte niet is
verschenen en verstek tegen hem is verleend;

b. dat op evengenoemde zitting geen onderzoek is verricht;

c. dat de verdachte op 12 september 1986 reeds negentien jaren oud was;

d. dat de gehele terechtzitting van 12 december 1986 is gehouden met
gesloten deuren;

behoeft zulks evenwel in het onderhavige geval niet tot vernietiging te
leiden

Het Hof heeft zonder miskenning van art. 242 Sr. – het bewezenverklaarde
uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden. Immers van bedreiging met geweld kan
ook sprake zijn – gelijk het Hof in zijn overweging onder 4.3 heeft weergeven
– indien de dader een dermate dreigende situatie heeft gecreeerd, dat de vrees
van het slachtoffer voor geweld van de zijde van verdachte gerechtvaardigd is

De Hoge Raad verwerpt het beroep

Volledige tekst

Rechters

Vice-president Van der Ven als voorzitter en de raadsheren Mout,Beekhuis, Keijzer en Govaerts

Instantie: Raad van Beroep Den Bosch, 21 maart 1988

Instantie

Raad van Beroep Den Bosch

Samenvatting


Aan klaagster is met ingang van 1 april 1962 een invaliditeitsrente
ingevolge de Invaliditeitswet (IW) alsmede een toeslag ingevolge de Wet tot
aanvulling van renten krachtens de IW en de Kinderbijslagwet voor
rentetrekkers toegekend

Met ingang van 5 januari 1984 is klaagster duurzaam gescheiden van haar
echtgenoot gaan leven. In verband hiermede heeft zij verweerder op 19
november 1984 verzocht haar een uitkering ingevolge de AAW te verlenen.
Verweerder heeft geweigerd klaagster een uitkering krachtens de AAW toe te
kennen

Klaagster heeft tegen de bestreden beslissing, voor zover daarbij is
verstaan dat haar geen uitkering ingevolge de AAW toekomt, beroep bij de Raad
doen instellen

De Raad ziet geen reden om voor uitkeringen als de AAW artikel 26 van
het BuPo-verdrag vanaf 1 januari 1980 rechtstreekse werking te ontzeggen. De
Raad verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing

Volledige tekst

Rechters

Mw. Mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns (voorzitter), D.J. Coehoorn enJ.M.G.M. Hekkens als leden

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 18 maart 1988

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Verhaal Algemene Bijstandswet (ABW)

Geen gebondenheid van verhaalsrechter aan op nihilbeding berustende
uitspraak van alimentatierechter. Motivering van oordeel of en in hoeverre
de financiele omstandigheden van degene op wie verhaal wordt uitgeoefend,
verhaal van de verleende en nog te verlenen bijstand toelaten

De volledige tekst is niet opgenomen.

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Martens, Hermans, Haak, Roelvink, Broekman; A-G Van Soest

Instantie: , 17 maart 1988

Instantie

Samenvatting


Klaagster had als onherroepelijk veroordeelde langgestrafte gedetineerde tot twee keer toe verzocht in aanmerking te komen voor bezoek zonder toezicht Beide verzoeken werden afgewezen, laatstelijk op 9 oktober 1987, aangezien zij nog verbleef in het intern als huis van bewaring aangewezen deel van ‘De Singel’ en nog niet was geplaatst in een der gevangenispaviljoens

Het tegen deze afwijzing gerichte beklag verklaarde de beklagcommissie gegrond. Zij meent dat in redelijkheid niet had mogen worden besloten tot afwijzing van klaagsters verzoek haar bezoek zonder toezicht te verlenen, alleen op grond van haar verblijf op paviljoen 1

In de schriftelijke toelichting op het beroep alsmede ter zitting van de beroepscommissie verklaarde appelllant onder meer dat de afwijzing van het verzoek van klaagster, verblijvend op paviljoen 1, was gebaseerd op de ministeriele circulaire inzake bezoek zonder toezicht (Zie echter inmiddels de circulaire van 4 januari 1988, PI 1988, 13)

De beroepscommissie overweegt dat de penitentiaire inrichting voor vrouwen ‘De Singel’ te Amsterdam door de minister van Justitie, gehoord de sectie gevangeniswezen van de Centrale Raad, is aangewezen als huis van bewaring voor vrouwen en als gevangenis en rijkswerkinrichting voor vrouwen Deze aanwijzing betrof de inrichting in haar geheel, inclusief alle daarin te onderscheiden paviljoens

Zij overweegt voorts dat bij circulaire d.d. 24 november 1983, nummer 1316/383, de staatssecretaris heeft bepaald dat per 1 november 1983 een regeling ‘Bezoek zonder toezicht’ wordt ingevoerd ten behoeve van de gedetineerden in de gevangenissen voor langgestraften, onder wie de vrouwelijke gedetineerden die verblijven in de paviljoens 4 en 5 van de
penitentiaire inrichting voor vrouwen ‘De Singel’ te Amsterdam. Dit betekent naar haar oordeel dat alle langgestrafte vrouwen die verblijven in ‘De Singel’, gelet op de dubbele bestemming van de inrichting, in principe voor toepassing van de in deze circulaire geregelde mogelijkheid van bezoek zonder toezicht in aanmerking komen. Door deze circulaire wordt een toestand in het leven geroepen, waarbij alle mannelijke gedetineerden die onherroepelijk zijn veroordeeld tot een lange gevangenisstraf en een plaats hebben gevonden in een gevangenis voor langgestraften recht hebben op zogenaamd bezoek zonder toezicht, doch waarbij er ten aanzien van vrouwen met een zelfde veroordeling, opgenomen in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen
‘De Singel’, een inrichting met onder meer de bestemming gevangenis voor langgestrafte vrouwen, onderscheid wordt gemaakt naar rato van het paviljoen, waar zij zijn geplaatst. Hierdoor is een extra criterium voor langgestrafte vrouwen in het leven geroepen dat voor langgestrafte mannen niet bestaat.
Zulks is in strijd met het beginsel, omschreven in artikel 14 Europees Verdrag, alsmede in artikel 26 van het Verdrag van New York inzake de Burgerrechten en de politieke rechten, volgens hetwelk aan mannen en vrouwen in gelijke omstandigheden gelijke rechten toekomen.

Dit brengt met zich dat de betreffende circulaire onverbindend is voor zover betreft het ten aanzien van langgestrafte vrouwen in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen ‘De Singel’ door die circulaire in het leven geroepen extra criterium. Hieraan doet de bevoegdheid van de directeur de gedetineerden in groepen in te delen met verschillend regime niet toe of af.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en de beschikking van de beklagcommissie wordt bekrachtigd.

De volledige tekst is niet opgenomen

Volledige tekst

De volledige tekst is niet opgenomen.

Rechters

Koeleman, Geurts, Halbertsma; Cusell-te Gussinklo, secr

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 17 maart 1988

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


De vrouw is met een mes bedreigd en vervolgens aangerand. Circa
dertig vrouwen hebben aangifte gedaan tegen deze man, die ’s avonds vanaf het
Leidseplein zijn slachtoffers achtervolgde en hen aanrandde/verkrachtte in de
buurt van hun huis. De man is inmiddels veroordeeld tot een gevangenisstraf
van vier jaar. De vrouw wil, eventueel samen met een aantal van de andere
slachtoffers, in kort geding een stadsverbod en schadevergoeding vorderen
Daarnaast eist zij dat de dader een informatiegebod krijgt opgelegd, nu
zij door justitie niet is geinformeerd over het verloop van de strafzaak en
ook niet zal horen of en wanneer de dader op vrije voeten zal komen

Beslissing Rechtenvrouw: accoord. Het mogelijk maken van het laten
opleggen van een informatiegebod aan de dader, in verband met het tekort
schieten van het OM op dit gebied, is in het belang van meerdere vrouwen

Afloop: Uiteindelijk spanden vier vrouwen een kort geding aan. De
president van de rechtbank wees het stadsverbod en het informatiegebod af
Er bestond, volgens de rechter, op het moment van het geding geen
spoedeisend belang voor een stadsverbod. Een informatiegebod kon niet
worden toegewezen omdat dit een inbreuk op de privacy van de dader zou
betekenen. Wel werd aan elk van de eiseressen een immateriele
schadevergoeding van F 2.500,- toegekend

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Ter terechtzitting van 4 maart 1988 hebben eiseressen gesteld en
gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding,
met dien verstande dat zij ten aanzien van de begrenzing van het door eiseres
onder 3. subsidiair gevorderde straatverbod de in het petitum voorkomende
woorden “de Overtoom” -zonder bezwaar daartegen van gedaagde- hebben gewijzigd
in “de Haringvlietstraat”

Gedaagde heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de
gevraagde voorziening

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van weerszijden
pleitnotities en produkties van de zijde van eiseressen, overgelegd ter
verkrijging van vonnis

GRONDEN VAN DE BESLISSING:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten en
omstandigheden:

a. Gedaagde is bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van de
rechtbank te Amsterdam van 2 december 1987 terzake van overtreding van
artikel 247 jo. 57 Wetboek van Strafrecht onder meer veroordeeld tot een
gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest en
voorwaardelijk ter beschikking van de regering gesteld met een proeftijd van
twee jaar met de bijzondere voorwaarde zich te stellen onder toezicht en
leiding en zich te gedragen naar de aanwijzingen van de ARV te Amsterdam en
het Gooi, zolang die instelling dit nodig acht

b. Een van de tenlastgelegde en bewezen verklaarde zaken betrof de
aanranding van eiseres onder 1. welke in de nacht van 9 maart 1987 had
plaatsgevonden bij haar woning onder bedreiging van een mes

c. Eiseres onder 2. is op 26 april 1987 te omstreeks 05.00 uur onder
bedreiging van een mes bij haar woning door gedaagde verkracht. Eiseres
onder 3. is op 30 januari 1986 te omstreeks 03.00 uur onder dezelfde
omstandigheden aangerand door gedaagde, terwijl hij eiseres onder 4. in de
nacht van 10 september 1985 eveneens bij haar huis onder bedreiging van een
mes heeft aangerand

d. Gedaagde heeft na zijn aanhouding verklaard in de periode van januari
1985 tot 9 juli 1987 vrouwen te hebben verkracht dan wel aangerand, waarbij
hij hun telkens ’s nachts naar hun woning was gevolgd en aldaar onder
bedreiging van een mes seksueel had benaderd

2. Eiseressen vorderen thans ten eerste een straatverbod, primair voor
nagenoeg geheel Amsterdam, subsidiar voor de direkte woonomgeving van
eiseressen, een en ander op straffe van een dwangsom en met machtiging van de
sterke arm

Zij stellen daarbij belang te hebben omdat gedaagde, mede gelet op de
hem opgelegde, naar hun oordeel korte, vrijheidsstraf en op het gebrek aan
gegeven informatie omtrent het verloop van de strafzaak van de zijde van
justitie, gedurende twee jaar na betekening van het te wijzen vonnis zijn
slachtoffers uit de weg dient te gaan

Dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdragingen ten
opzichte van hen, dat er een reele kans is dat hij zich na vrijlating wederom
aan dergelijk gedrag schuldig zal maken en dat hij onvoldoende gemotiveerd is
voor hulpverlening – en van de hulpverlening ook niet veel valt te verwachten
– en dat eiseressen in ieder geval de zekerheid moeten hebben dat zij zich
gedurende langere tijd veilig kunnen voelen

3. Uitgaande van de ambtshalve bij het Openbaar Ministerie ingewonnen
informatie moet er vooralsnog van uit worden gegaan dat gedaagde op 9 maart
1990 vervroegd in vrijheid gesteld zal worden en dat hij tot die tijd
gedetineerd is. Een op te leggen straatverbod zou derhalve op dat tijdstip
pas effectief kunnen zijn

Thans valt niet te voorzien of zich over twee jaar omstandigheden zullen
voordoen welke een straatverbod zouden kunnen rechtvaardigen. Eiseressen
zouden immers verhuisd kunnen zijn, zoals een hunner reeds gedaan heeft. Ook
zou gedaagde zich inmiddels elders hebben kunnen vestigen en aldus een minder
direkte dreiging voor eiseressen opleveren

Op dit moment bestaat er mitsdien geen spoedeisend belang voor het
gevraagde straatverbod

4. Vervolgens vorderen eiseressen elk een voorschot op de door hen
geleden immateriele schade, welke in totaal begroot wordt op een bedrag
tussen de ƒ 20,000,– en ƒ 50,000,–, stellende dat zich bij elk van hen
psychische klachten hebben geopenbaard tengevolge van de onrechtmatige
gedragingen van gedaagde

5. Op grond van hetgeen hiervoor onder 1. als uitgangspunt is genomen is
voorshands aannemelijk geworden dat de gebeurtenissen tot ernstige psychische
schade bij de slachtoffers van gedaagde hebben geleid, met name gelet op het
feit dat deze plaats gevonden in de nacht, eiseressen door de stad zijn
gevolgd tot aan hun huis en aldaar door gedaagde onder bedreiging van een mes
sekseel zijn misbruikt. Dergelijke onrechtmatige gedragingen rechtvaardigen
dan ook een financiele genoegdoening op korte termijn, welke ertoe zou kunnen
bijdragen dat eiseressen het gebeuren sneller kunnen verwerken, doordat zij
door het toe te kennen voorschot bijvoorbeeld in staat zouden kunnen worden
gesteld enige tijd uit de thans voor hen zo bedreigend overkomende
woonomgeving weg te gaan dan wel aan hun nieuwe woonomgeving te gewennen

6. Eiseressen hebben bij toewijzing van een voorschot een spoedeisend
belang nu zij met dit voorschot beter in staat zullen zijn het geleden leed
te verwerken dan wanneer zij de eerste betaling pas na afloop van een
langdurige bodemprocedure zouden ontvangen

Gelet op de omstandigheid dat gedaagde thans geen inkomsten geniet en
hij deze gedurende de komende twee jaar in redelijkheid vanuit zijn detentie
niet zal kunnen verwerven, terwijl aan de andere kant eiseressen juist, wordt
het voorschot in redelijkheid beperkt tot ƒ 2.500,– voor elk van eiseressen

7. Tenslotte vorderen eiseressen gedaagde te gebieden hun advocaat
schriftelijk te informeren over de datum van invrijheidstelling, van ieder
proefverlof en van zijn plaats van vestiging na detentie

Deze informatie stellen zij nodig te hebben teneinde het straatverbod te
kunnen executeren en teneinde de bij hen levende onrust -niet te weten
wanneer gedaagde vrijkomt- weg te nemen, hetgeen eveneens een bijdrage kan
leveren aan hun verwerkingsproces

8. Uitgangspunt dient te zijn dat ook aan een persoon die voor zijn
vergrijpen strafrechtelijk en civielrechtelijk aansprakelijk is gesteld,
ingevolge het bepaalde in artikel 8 EVRM, waaraan ambtshalve de gevraagde
voorziening dient te worden getoetst, een recht op eerbiediging van zijn
persoonlijke levenssfeer, kortweg “privacy”, toekomt en dat toewijzing van het
gevraagde informatiegebod daarop inbreuk maakt

De rechtsgrond welke eiseressen, naar Wij aannemen, ten grondslag leggen
aan deze vordering, is gelegen in het feit dat gedaagde onrechtmatig jegens
hen heeft gehandeld en een informatiegebod volgens hen, naast een
schadevergoeding in geld, evenals een straatverbod een passende vorm van
schadevergoeding in natura is

9. De rechtvaardiging van een dergelijke inbreuk op de privacy van
gedaagde zou gelegen kunnen zijn in de omstandigheid dat er sprake is van een
reele dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen jegens eiseressen danwel
in de zekerheid dat eiseressen gedurende een bepaalde periode voor gedaagdes
nabijheid gevrijwaard te zijn, althans daarvoor gewaarschuwd worden, hetgeen
aan herstel van het geestelijk letsel zal kunnen bijdragen

Indien men de door gedaagde gehanteerde werkwijze bij de door hem
bekende verkrachtingen en aanrandingen echter beziet, valt op dat gedaagde
willekeurige vrouwen vanuit het centrum van de stad tot aan hun huis heeft
gevolgd om deze aldaar op de bovenomschreven wijze seksueel te misbruiken

Daarom is het niet aannemelijk dat juist eiseressen bij vrijlating van
gedaagde wederom het slachtoffer van door gedaagde gepleegd seksueel geweld
zullen worden

Aan dit oordeel dat het gevraagde informatiegebod feitelijk niet
geschikt is om als passende vorm van schadevergoeding gedaagdes
bovenomschreven grondrecht in te perken, kan niet afdoen dat het verlangen
van eiseressen om over gedaagdes verblijf geinformeerd te blijven op Ons een
authentieke indruk heeft gemaakt

10. Op grond van het voorgaande dient het informatiegebod -naast een toe
te kennen voorschot op de immateriele schadevergoeding die gedaagde ten
gronde zal blijken verschuldigd te zijn – evenals het straatverbod te worden
geweigerd

Gedaagde dient, nu hij voor het merendeel in het ongelijk gesteld is, in
de kosten van het geding te worden veroordeeld

BESLISSING:

1. Veroordeelt gedaagde aan elk van eiseressen een bedrag van ƒ
2.500,– (tweeduizendvijfhonderdgulden) te voldoen

2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

3. Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding tot aan deze
uitspraak aan de zijde van eiseressen begroot en als volgt te voldoen aan
eiseressen:

– ƒ 62,50 wegens de bij hen gevallen kosten van vastrecht, aan de
griffier van deze rechtbank:

– ƒ 187,50 wegens het overige vastrecht,

– ƒ 71,80 wegens het exploitkosten en

– ƒ 700,– wegens procureurssalaris

4. Wijst het meer of anders gevorderde af

Rechters

Mr. G.W.M. Bodewes, vice-president

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 15 maart 1988

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Het Hof acht VTV (Vrouwen tegen Verkrachting) niet-ontvankelijk in haar
vordering tegen de Hoofdofficier. Het Hof acht VTV in haar vordering tegen
de Staat wel ontvankelijk

Het Hof is met de president van oordeel, dat het wegzenden van
verdachten door het Openbaar Ministerie ondanks een rechterlijk bevel tot
gevangenneming respectievelijk gevangenhouding, op de door de president
aangegeven gronden in strijd is met de wet. Nu de wet, met name artikel 69
Sv., uitdrukkelijk de mogelijkheid geeft tot opheffing van voorlopige
hechtenis door tussenkomst van de rechter, op vordering van de Officier van
Justitie, is het Openbaar Ministerie ook naar het oordeel van het Hof gehouden
een dergelijke opheffing – ook indien naar de mening van het Openbaar
Ministerie noodzakelijk is wegens een tekort aan celruimte – slechts na te
streven langs de door de wet aangegeven weg. In zoverre zal de Staat dan
ook geen beroep openstaan op het bestaan van een overmachtssituatie ter
disculpatie van het wegzendbeleid buiten deze door de wet gegeven weg om

De rechter zal aldus in zijn beslissingen omtrent opheffing van
voorlopige hechtenis niet alleen gewichtige redenen van maatschappelijke
veiligheid en de gezondheid of veiligheid van personen (waaronder ook die van
slachtoffers van seksueel geweld kunnen zijn begrepen) maar ook een
eventueel –
ondanks in redelijkheid van de Staat te vergen maatregelen tot opheffing
daarvan en tot efficient gebruik van de bestaande celruimte – nog bestaand
cellentekort in zijn overwegingen mede kunnen en moeten betrekken

Volledige tekst

Het geding in hoger beroep:

Appellante – verder ook: VTV – heeft bij exploit van 22 december 1986
met gelijktijdige dagvaarding van geintimeerde – verder ook: De Staat en de
Hoofdofficier – bij dit hof beroep ingesteld tegen genoemd vonnis, waarbij
VTV niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering tegen de Hoofdofficier,
en haar vordering tegen de Staat is afgewezen

VTV heeft bij memorie van grieven een zevental grieven tegen het vonnis
aangevoerd, en geconcludeerd het vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende
in een arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Geintimeerden te gebieden ingeval in strafzaken tegen verdachten van
verkrachting, aanranding en de bijzondere strafbepalingen van deze misdrijven
de bevoegdheid gegeven in artikel 69 lid 3 Wetboek van Strafvordering wordt
gehanteerd, daadwerkelijk een vordering strekkende tot opheffing of schorsing
van de voorlopige hechtenis in te dienen

2. Geintimeerden te veroordelen tot betaling van een dwangsom van ƒ
100.000,– voor iedere keer dat zij in gebreke blijven aan het onder 1. te
geven verbod te voldoen

3. Geintimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties

Geintimeerde hebben bij memorie van antwoord terzake verweer gevoerd en
hunnerzijds incidenteel beroep ingesteld onder aanvoering van twee grieven,
en geconcludeerd in het principaal beroep tot bekrachtiging – onder
verbetering van gronden – van het vonnis en in het incidenteel appel tot
vernieting van het vonnis en tot alsnog niet-ontvankelijk verklaren van VTV in
haar vorderingen, in beide gevallen met veroordeling van VTV in de kosten

VTV heeft bij memorie van antwoord in het incidenteel beroep verweer
gevoerd en geconcludeerd in het principaal appel tot persistit en in het
incidenteel beroep tot bekrachtiging van het vonnis, zonodig met verbetering
van gronden, alles met veroordeling van geintimeerden in de kosten

Vervolgens hebben partijen onder overlegging der stukken arrest gevraagd

De grieven:

In de grieven, door VTV in het principaal beroep tegen het vonnis
ontwikkeld, worden de volgende overwegingen van de president bestreden:

Grief 1:

“In verband met een landelijk tekort aan cellen, kunnen niet alle
verdachten ten aanzien van wie de rechtbank de gevangenhouding heeft bevolen
of heeft verlengd, ook daadwerkelijk in een Huis van Bewaring worden
geplaatst of vastgehouden. Zulks heeft ertoe geleid, dat het Openbaar
Ministerie verdachten in vrijheid stelt .”

Grief 2:

“Na zijn (verdachte’s) vrijlating heeft hij zowel schriftelijk als
telefonisch contact met slachtoffer gezocht, overigens klaarblijkelijk wel
met goede bedoelingen .”

Grief 3:

“Als orgaan van de Staat bezit de Hoofdofficier in deze hoedanigheid
geen rechtspersoonlijkheid, zodat hij in het algemeen niet in rechte kan
worden betrokken. Weliswaar zijn uitzonderingen op dit beginsel mogelijk,
maar een zodanige uitzondering doet zich hier (lees:niet) voor

VTV zal daarom in haar vordering tegen de Hoofdofficier niet
ontvankelijk worden verklaard .”

Grief 4:

“Het overige gevorderde is evenmin toewijsbaar. De vorderingen zijn
zeer verstrekkend en laten geen enkele ruimte voor een genuanceerde
beoordeling van elk afzonderlijk geval. Zulks zou een ingrijpen zonder meer
in het beleid van het Openbaar Ministerie betekenen zulks terwijl in het
algemeen slechts ruimte is voor een marginale toetsing

Het Openbaar Ministerie dient zijn bevoegdheden te kunnen gebruiken
rekening houdend met de specifieke omstandigheden van elk concreet geval.
Daarin past geen gebod of verbod dat dat geen enkele ruimte laat voor een
individuele beoordeling. Daarin past evenmin dat bepaalde categorieen van
verdachten van die individuele beoordeling uitgezonderd zouden worden. De
gevorderde voorzieningen zullen daarom worden geweigerd .”

Grief 5:

“Het cellentekort in de Huizen van Bewaring heeft ertoe geleid, dat een
aantal van de zich in voorlopige hechtenis bevindende verdachten hun
voorarrest, althans een deel daarvan, in een politieburo moeten doorbrengen
.”

Grief 6:

“Dat het Openbaar Ministerie (…) in een situatie is komen te verkeren,
waarin het (…) een aantal verdachten ten aanzien van wie de rechtbank de
voorlopige hechtenis heeft bevolen, vanwege plaatsgebrek in de Huizen van
Bewaring moet wegzenden. Het is ook juist, dat het Openbaar Ministerie, door
deze omstandigheden gedwongen, ernaar streeft om de wel beschikbare celruimte
te gebruiken voor de meest ernstige gevallen en met het oog daarop een
wegzendbeleid met prioriteiten heeft vastgesteld .”

Grief 7:

“Deze wettelijke norm is echter niet geschreven ten behoeve van
slachtoffers van delicten in het algemeen, noch voor de categorie
slachtoffers waarvoor eiseres opkomt. Bovendien kan de vordering niet worden
toegewezen op grond van het onder 8 overwogene .”

De grieven, in het incidenteel beroep door geintimeerden tegen het
vonnis ontwikkeld, hebben de volgende zakelijke inhoud:

Grief 1:

De president heeft ten onrechte VTV ontvankelijk geacht in haar
vordering tegen de staat

Grief 2:

De president heeft ten onrechte overwogen dat het wegzendbeleid in
strijd is met de wet en op basis daarvan is proceskosten gecompenseerd

De vaststaande feiten:

1. VTV heeft haar grieven 1 en 2 gericht tegen de daarin aangevochten
overwegingen van de president (zie hierboven) over hetgeen feitelijk
vaststaat

2. Nu overigens geen grieven tegen de feitelijke vaststellingen door de
president in rechtsoverweging 1 van zijn vonnis zijn aangevoerd, zal het hof
voor het overige van de aldus vastgestelde feiten uitgaan

3. Ten aanzien van grief 1 van VTV- diene het volgende:

Het hof acht deze grief niet gegrond

Het is een feit van algemene bekendheid, dat de feitelijke situatie in
Nederland thans zo is, dat in verband met een landelijk tekort aan cellen
niet alle verdachten, ten aanzien van wie de rechter de voorlopige hechtenis
heeft bevolen of het verlengd, ook daadwerkelijk in een huis van bewaring
kunnen worden geplaatst of vastgehouden

De vaststelling daarvan, (los van enig oordeel over oorzaak en
mogelijkheden tot opheffing daarvan, en de over vraag, of het aanwezige
cellenbestand zo efficient mogelijk wordt benut) door de president is juist.
Eveneens is juist, dat de president heeft vastgesteld, dat het cellentekort
ertoe heeft geleid, dat het Openbaar Ministerie verdachten in vrijheid stelt
(zulks los van enig oordeel over de juistheid van vrijheid van bepaalde
verdachten om die reden)

4. Het hof acht grief 2 van VTV gegrond

Het is het hof niet duidelijk, waar de president uit heeft kunnen
afleiden, dat zou vaststaan, dat de betrokken verdachte “klaarblijkelijk wel
met goede bedoelingen” contact zou hebben gezocht

Deze grief betreft echter niet een de beslissing van de president
dragende overweging, dus de gegrondbevinding van de grief kan niet leiden tot
een ander oordeel dan dat van de president

Beoordeling van het geschil in het principaal en incidenteel beroep:

5. De ontvankelijkheid van VTV in haar vordering tegen de Hoofdofficier:

De president heeft VTV in haar vordering tegen de Hoofdofficier
niet-ontvankelijk verklaard, welke beslissing door VTV in haar grief 3 wordt
bestreden

6. Het hof acht de beslissing van de president juist

Zulks zowel op de door de president in rechtsoverweging 4 van zijn
vonnis aangegeven grond, (dat de Hoofdofficier in zijn ambtelijke
hoedanigheid een orgaan is van de Staat, terzake van het onderwerp in geschil
ook als zodanig is opgetreden en deswege niet zelf in rechte kan worden
betrokken) als ook op de door geintimeerden aangevoerde grond, dat geen
civielrechtelijke vordering kan worden ingesteld tegen een natuurlijk persoon
door deze niet als persoon, doch slechts in zijn ambtelijke hoedanigheid in
rechte te betrekken;

zulks wordt niet anders, indien een vordering wordt ingesteld tegen de
betrokkene terzake van ambtelijke verrichtingen

Grief 3 van VTV wordt verworpen

7. De ontvankelijkheid van VTV in haar vordering tegen de Staat:

De beslissing van de president VTV in haar vordering tegen de Staat
ontvankelijk te achten wordt door de Staat in haar eerste grief in het
incidenteel appel aangevochten

8. Het hof acht – met de president – VTV in haar bedoeld vordering
ontvankelijk

VTV stelt zich blijkens haar statuten de behartiging van belangen zoals
in dit geding aan de orde, van slachtoffers van seksueel geweld ten doel

Deze belangen, die vaak gemeenschappelijk van aard zijn en gelijksoortig
voor slachtoffers van seksueel geweld, lenen zich veelal beter voor gebundelde
en gemeenschappelijke behartiging dan door middel van individuele maatregelen.
Bij gebreke van de mogelijkheid van gemeenschappelijk belangenbehartiging
zou een efficiente rechtsbescherming wezenlijk kunnen worden bemoeilijkt.
Door de specifieke aard van seksueel geweld en de daardoor bij de slachtoffers
in het leven geroepen gevolgen – ook in vergelijking met geweldmisdrijven in
het algemeen – kan het belang van deze slachtoffers ten zeerste zijn gediend
door generieke steun en bundeling bij hun belangenbehartiging

De behartiging van die belangen, zoals nagestreefd in de onderhavige
procedure, kan – mede – worden beschouwd als een eigen belang van VTV, ter
realisering van haar statutaire doelstellingen. Bovendien dient als een
eigen belang van VTV – en een algemeen belang – te worden beschouwd, dan ten
behoeve van slachtoffers en eventuele toekomstige slachtoffers van seksueel
geweld zoveel mogelijk eenvormigheid, duidelijkheid en bekendheid wordt
nagestreefd ten aanzien van het door de Staat en het Openbaar Ministerie
gevoerde beleid jegens seksueel geweld, ondermeer met betrekking tot de
bewegingsvrijheid van verdachten, beperking van (materiele en immateriele)
schade en van angst en onzekerheid van slachtoffers

Civielrechtelijke procedures als de onderhavige kunnen geeigende
middelen zijn ter bereiking van dit doel

Er behoeft in een geval als het onderhavige naar het voorlopig oordeel
van het hof ook geen vrees te bestaan, dat ten gevolge van de
gemeenschappelijke belangenbehartiging doeleinden worden nagestreefd, die
door bepaalde betrokkenen niet zouden worden gewenst of niet mede als hun
belangen zouden worden beschouwd

Voorts acht het hof van belang, dat er gemeenschappelijke belangen van
slachtoffers van seksueel geweld bestaan, die kunnen worden behartigd, zonder
dat daarbij steeds mede individuele belangen getoetst behoeven te worden

9. De ten deze door de VTV behartigende belangen behoren tot de soort,
die valt onder de bescherming, die artikel 1401 Burgerlijk Wetboek bedoelt te
gebieden

10. Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel, dat de
president VTV terecht ontvankelijk heeft geoordeeld in haar vordering tegen
de Staat

Ten aanzien van de wijziging van eis van VTV in beroep:

11. VTV heeft haar vordering bij memorie van grieven gewijzigd in die
zin, dat zij haar vorderingen in eerste instanties heeft ingetrokken, en
thans – naast kostenveroordeling – van het hof uitsluitend vraagt, met
vernietiging van het vonnis, de Staat te gebieden, ingeval in strafzaken tegen
verdachten van verkrachting, aanranding en de bijzondere strafbepalingen van
deze misdrijven, de bevoegdheid gegeven in artikel 69 lid 3 Wetboek van
Strafvordering wordt gehanteerd ook daadwerkelijk een vordering tot opheffing
of schorsing van de voorlopige hechtenis in te dienen, op straffe ener
dwangsom

12. Deze gewijzigde vordering impliceert, dat VTV in beroep aan het hof
uitsluiten nog voorlegt – anders dan aan de president in eerste instantie –
een beoordeling van die gevallen, waarin het Openbaar Ministerie de in
artikel 69 lid 3 Wetboek van Strafvordering aan haar verleende bevoegdheden
hanteert, en aan het hof vraagt in die gevallen dan tevens te gebieden
daadwerkelijk daarbij een vordering tot opheffing of schorsing van voorlopige
hechtenis aan de rechter te vragen

13. Artikel 69 lid 3 Wetboek van Strafvordering luidt:

“In afwachting van de beslissing van de rechtbank op een verzoek, een
voordracht of een vordering tot het opheffen van een bevel tot gevangenneming
of gevangenhouding, kan de officier van justitie de invrijheidstelling van de
verdachte gelasten. Beslist de rechtbank afwijzend, dan wordt het bevel
onverwijld verder ten uitvoer gelegd .”

14. Artikel 69 Wetboek van Strafvordering heeft geen betrekking op
schorsing van voorlopige hechtenis. De vordering van VTV is, voor zover deze
betrekking heeft op het indienen van een vordering tot schorsing van
voorlopige hechtenis, om die reden dan ook niet toewijsbaar

15. De bepaling van artikel 69 lid 3 Wetboek van Strafvordering houdt
in, dat de officier van justitie, nadat hij een vordering tot opheffing van
een bevel tot gevangenneming of – houding bij de rechter heeft ingediend, in
afwachting van de beslissing daarop (reeds) de invrijheidstelling van een
verdachte kan gelasten

De bevoegdheid zulks te doen op basis van genoemd wetsartikel wordt de
officier van justitie derhalve uitsluitend verleend, ingeval hij een
vordering als bedoeld bij de rechtbank heeft ingediend

Anders gezegd: indien de officier van justitie een dergelijke vordering
niet heeft ingediend, verleent artikel 69 lid 3 Wetboek van Strafvordering
hem geen bevoegdheid tot invrijheidstelling van een verdachte

16. De vordering van VTV is in dit licht niet begrijpelijk

17. De Staat heeft zowel in eerste als in tweede instantie ook steeds
gesteld, dat het door VTV aangevochten wegzendbeleid niet door haar gebaseerd
is op enige bevoegdheid op grond van meergenoemd wetsartikel

18. De Staat baseert – zeer kort weergegeven – haar wegzendbeleid immers
uitsluitend op een voor haar tengevolge van het thans bestaande cellentekort
gerezen overmachtssituatie, (daarbij erkennend, dat dit wegzendbeleid niet op
enige haar wettelijke toekomende bevoegdheid berust), die het wegzenden van
verdachten ondanks een gerechtelijk bevel tot gevangenneming of
gevangenhouding uit voorlopige hechtenis disculpeert

19. Het hof kan in het kader van deze procedure op basis van de
vordering van VTV in beroep dan ook niet treden in een beoordeling van de
vraag, in hoeverre voor de Staat thans sprake is van een het wegzendbeleid
rechtvaardigende overmachtssituatie, nu de beslissing op deze vordering niet
van een dergelijk oordeel afhankelijk is

Zulks geheel afgezien van de vraag, in hoeverre een dergelijke
beoordeling in een kort geding als het onderhavige – dat zich in beginsel
niet leent voor nader diepgaand feitelijk onderzoek naar, ondermeer, de in
redelijkheid van de Staat te vergen maatregelen tot opheffing van het
bestaande cellentekort of voor beoordeling van toegepast wegzendbeleid in
bepaalde individuele gevallen – overigens mogelijk moet worden geacht

20. De vordering van VTV komt derhalve niet voor toewijzing in
aanmerking

21. Het hof voegt daaraan toe de voorziening, zoals door VTV gevraagd,
voorshands ook geen passende voorziening in dit kort geding te achten, nu
deze uitsluitend betrekking heeft op seksuele geweldsmisdrijven en alleen op
het arrondissement Arnhem, en het geven van een dergelijke voorziening dus
licht rechtsongelijkheid ten gevolge zal kunnen hebben

22. Grief 4 van VTV is gericht tegen de motivering van de president voor
de voor deze gegeven beslissing op een vordering in eerste instantie die
thans in beroep niet meer aan de orde is, en behoeft derhalve thans geen
bespreking meer

23. De grieven 5, 6 en 7 van VTV bestrijden overwegingen van de
president die de beslissing op de vordering van VTV niet dragen. Deze
grieven kunnen derhalve ook niet leiden tot vernietiging van de beslissing,
waarvan beroep

24. Ook grief 2 in het incidenteel beroep bestrijdt door de president
ten overvloede gegeven overwegingen. Mede omdat de Staat in deze grief de
desbetreffende overwegingen uitdrukkelijk ter discussie stelt, overweegt het
hof daaromtrent – met betrekking tot de onderhavige vordering dus eveneens
ten overvloede – het volgende

25. Het hof ziet geen reden zich te distancieren van de beschouwingen
van de president in zijn rechtsoverwegingen 9 t/m 14. Het hof is, in
tegendeel, met de president van oordeel, dat het wegzenden van verdachten
door het Openbaar Ministerie ondanks een rechterlijke bevel tot gevangenneming
respectievelijk gevangenhouding, op de door de president aangegeven gronden in
strijd is met de wet

Nu de wet, met name artikel 69 Wetboek van Strafvordering, uitdrukkelijk
de mogelijkheid geeft tot opheffing -van voorlopige hechtenis door
tussenkomst van de rechter, op vordering van de officier van justitie, is het
Openbaar Ministerie ook naar het oordeel van het hof gehouden een dergelijke
opheffing – ook indien deze naar de mening van het Openbare Ministerie
noodzakelijk is wegens een tekort aan celruimte – slechts na te streven langs
de door de wet aangegeven weg. In zoverre zal de Staat dan ook geen beroep
openstaan op het bestaan van een overmachtssituatie ter disculpatie van het
wegzendbeleid buiten deze door de wet gegeven weg om

De rechter zal aldus in zijn beslissingen omtrent opheffing van
voorlopige hechtenis niet alleen gewichtige redenen van maatschappelijke
veiligheid en de gezondheid of veiligheid van personen (waaronder ook die van
slachtoffers van seksueel geweld kunnen zijn begrepen) maar ook een eventueel
– ondanks in redelijkheid van de Staat te vergen maatregelen tot opheffing
daarvan en tot efficient gebruik van de bestaande celruimte – nog bestaand
cellentekort in zijn overwegingen mede kunnen en moeten betrekken

26. Nu geen der grieven in het principaal en het incidenteel beroep kan
leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, zal het hof dat
bekrachtiging en VTV in het principaal beroep en de Staat in het incidenteel
beroep, als de in het ongelijk gestelde partijen, veroordelen in de
proceskosten in beroep

Rechtdoende in kort geding in hoger beroep:

In het principaal en het incidenteel beroep:

Bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, veroordeelt VTV in de kosten van
het principaal beroep, tot heden aan de zijde van geintimeerden begroot op ƒ
1450,–, veroordeelt de Staat in de kosten van het incidenteel beroep, tot
heden aan de zijde van VTV begroot op ƒ 600,–

Rechters

Mrs Spoor, raadsheer, als voorzitter, Balkema en Bierman, raadsheren