Instantie: Officier van Justitie, 1 februari 1988

Instantie

Officier van Justitie

Samenvatting


X. heeft zich willen voegen in de strafzaak tegen Z., en/of Y. Tevens
wordt gevraagd om van een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis de
advocate van X. bericht te sturen

De zaak tegen Z. wordt geseponeerd, en daarvan wordt niets aan de
advocate meegedeeld. Ook is haar niets meegedeeld van de zittingsdatum van
de strafzaak tegen Y

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Raad van Beroep Amsterdam, 31 januari 1988

Instantie

Raad van Beroep Amsterdam

Samenvatting


Klaagster, geboren in Suriname, is gehuwd geweest met C. Dat huwelijk
is op 21 juli 1971 door echtscheiding ontbonden. In 1975 is klaagster naar
Nederland gekomen. Haar is in 1979, ingaande 1 oktober 1976, een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend op basis van volledige
arbeidsongeschiktheid

Op 6 december 1982 is C., de ex-man, overleden. Klaagster heeft een
aanvraag om weduwenpensioen bij verweerder sub 2 ingediend. Bij voor beroep
vatbare beslissing d.d. 20 mei 1983 heeft verweerder sub 2 aan klaagster een
weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) toegekend met
ingang van 1 december 1982. Namens klaagster is beroep ingesteld tegen die
beslissing. Verzocht is de AWW te doen vervallen

Bij voor beroep vatbare beslissing d.d. 24 mei 1983 heeft verwee
rder sub 1 aan klaagster medegedeeld dat de AAW-uitkering met ingang van 1
december 1982 werd ingetrokken omdat klaagster vanaf die datum aanspraak had
op een weduwenpensioen. Namens klaagster is ook tegen die beslissing beroep
ingesteld. Betoogd is dat door de toekenning van het AWW-pensioen onder
intrekking van de AAW-uitkering klaagster er zowel netto als bruto in inkomen
op achteruit is gegaan, alsook dat er sprake is van beslissingen die in strijd
zijn met de discriminatieverboden die zijn vervat in respectievelijk het
BuPo-verdrag, de derde EG- richtlijn en het Verdrag van Rome

De Raad is van oordeel dat het wettelijk voorschrift volgens welke een
arbeidsongeschikte vrouw wel haar arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest
indien haar (ex) echtgenoot overlijdt, terwijl dit niet het geval is voor een
man die zich in dezelfde situatie bevindt, onmiskenbaar een ongelijke
behandeling van man en vrouw inhoudt. Naar het oordeel van de Raad is er
dan ook sprake van discriminatie die is verboden door zowel de EG-richtlijn
als het BuPo-verdrag. De Raad meent dat ten tijde van de bestreden
beslissing en van het beroep rechtstreeks beroep op artikel 26 BuPo-verdrag
mogelijk was

Daarom kan de bestreden beslissing niet in stand blijven

Tegen de beslissing betreffende het weduwenpensioen heeft klaagster geen
grieven aangevoerd en de Raad ziet ook geen redenen waarom die beslissing niet
in stand kan blijven

Bijgevoegd is een aanvullend beroepschrift van het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor voor de Centrale Raad van Beroep

Volledige tekst

Rechters

Mr. H.E. Bockwinkel-Rutgers, als voorzitter, H.G.S. Flierman en F.Cornet, als leden

Instantie: Inspecteur der Belastingen, 26 januari 1988

Instantie

Inspecteur der Belastingen

Samenvatting


Mevrouw die door de belasting als samenwonend werd aangemerkt en in
tariefgroep I zou vallen dient een bezwaarschrift in. Mevrouw had een
mondelinge kostgangersovereenkomst afgesloten met de hoofdbewoner van de
woning. Het bezwaarschrift is inmiddels gehonoreerd: ‘overwegende dat aan
het bezwaar kan worden tegemoetgekomen;’, gevolgd door gewijzigde cijfers

Aan deze uitspraak ging geen nader feitelijk onderzoek ter plekke
vooraf, ook werd niet om de bewuste overeenkomst verzocht

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Verzoekschrift aan de kantonrechter Amsterdam, 22 januari 1988

Instantie

Verzoekschrift aan de kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Eiseres vordert primair veroordeling van de Stichting bij vonnis
uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan eiseres van de somma van ƒ
52.285,46 terzake van te weinig afgedragen premies AOW/AWW, vermeerdert met de
wettelijke rente vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift, en
subsidiair veroordeling van de Stichting tot voldoening aan de belastingdienst
van de premies AOW/AWW, die gedurende de periode 1973-1984 te weinig voor
eiseres zijn afgedragen, tot een totaal bedrag van ƒ 52.285,46, welke
voldoening moet geschieden binnen een week na de betekening van het in deze te
wijzen vonnis, bij gebreke waarvan de Stichting aan eiseres een dwangsom zal
verbeuren groot ƒ 1.000,– voor iedere dag, dat de Stichting in gebreke is
aan deze subsidiaire veroordeling te voldoen; kostens rechtens

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Rechtbank Den Haag, 21 januari 1988

Instantie

Rechtbank Den Haag

Samenvatting


Verzoek gedaan om studiefinanciering van de meerderjarige zoon te laten
innen door de moeder door middel van een ontbindende voorwaarde. In de
beschikking omtrent voorlopige voorzieningen is dit niet geaccepteerd

Volledige tekst

Rechters

Mr. J.E. Doek

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 20 januari 1988

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Uitgekeerd bedrag ingevolge de Wet Uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers is een uitkering met een periodiek
karakter. Onderhavige toeslag is niet bedoeld voor specifieke voorzieningen; derhalve inkomsten uit arbeid

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Hoge Raad, 8 januari 1988

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Bij voogdijwijziging geldt als maatstaf het belang van de kinderen, ook
als de verblijfplaats van de moeder en de kinderen onbekend is.

Uit de relatie van de niet met elkaar gehuwde ouders zijn drie kinderen
geboren in respectievelijk 1979, 1980 en 1986. De eerste twee kinderen zijn
door de vader erkend, het derde kind wilde hij aanvankelijk niet erkennen. De
moeder verlaat de gemeenschappelijke woning in juli 1988. De vader dient op 10
augustus een verzoek tot voogdijwijziging in en op 8 november 1988 een verzoek
tot een omgangsregeling en in december 1988 een verzoek om het jongste kind te
erkennen. De raad voor de kinderbescherming brengt in maart 1989 een rapport
uit, waaruit blijkt dat de moeder de kinderen goed verzorgt maar dat zij
contact tussen vader en de kinderen verhindert. Op 2 oktober 1989 willigt de
rechtbank het verzoek van de vader om het jongste kind te mogen erkennen in en
op 4 oktober 1989 stelt de rechtbank een omgangsregeling vast. De vader heeft
zijn eerste verzoek tot voogdijwijziging inmiddels ingetrokken maar dient op 5
december 1989 opnieuw een verzoek tot voogdijwijziging bij de kantonrechter
in. Volgens de rijksinspectie van de bevolkingsregisters is de moeder op 15
maar 1990 afgevoerd van het persoonsregister van de gemeente A en met
onbekende bestemming met haar kinderen vertrokken, zodat de opdracht van de
kantonrechter aan de raad voor de kinderbescherming om (opnieuw) een onderzoek
in te stellen niet mogelijk is. Op 7 september 1990 wijst de kantonrechter het
voogdijwijzigingsverzoek af. De rechtbank bekrachtigt de beschikking van de
kantonrechter.

Volledige tekst

De Rechtbank

(…)

V. heeft als grief tegen de beschikking van de kantonrechter van 7
september 1990 aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte overwogen heeft
dat de houding van M. niet zonder meer tot de gevraagde voogdijwijziging moet
leiden, nu er immers geen enkel zicht op zou zijn hoe deze gezagswijziging op
de kinderen zou uitwerken.

V. heeft aangegeven dat het niet in het belang van voornoemde
minderjarigen is dat zij bij M, de moeder, verblijven, stellende dat M.
periodiek psychotisch is en sinds maart 1989 geen bekende woonplaats meer
heeft. M. heeft zich niet gehouden aan de door de rechtbank te Rotterdam op 23
maart 1989 vastgestelde proefomgangsregeling.

V. stelt bereid en in staat te zijn de verzorging van de kinderen op
zich te nemen. V. wil, zodra en in het geval hij met de voogdij belast wordt,
zich tot de politie wenden teneinde de verblijfplaats van de kinderen te
achterhalen.

De raad voor de kinderbescherming te A. heeft ter zitting verklaard dat
uit het door de raad op 2 maart 1989 uitgebrachte rapport gebleken is dat M.
de kinderen goed verzorgde. Het is de raad toen niet gebleken dat M.
psychotisch was. De raad stelt dat er geen aanleiding bestaat te
veronderstellen dat M. de kinderen thans slecht verzorgt, terwijl wel in het
algemeen aangenomen mag worden dat het niet juist is de kinderen eensklaps
zonder voorbereiding bij de verzorgende ouder weg te halen. De raad handhaaft
ô

op 16 mei 1990 bij brief aan de kantonrecht te A. uitgebrachte advies.

De door V. opgeworpen grief faalt. Toewijzing van zijn verzoek verandert
op dit moment niets aan de situatie van de kinderen, terwijl die toewijzing
onverwachte en mogelijk ongewilde gevolgen in de toekomst met zich kan
brengen. Derhalve is onvoldoende komen vast te staan dat de verzochte
gezagswijziging in het belang van de kinderen is (…).

Hoge Raad

3. Beoordeling van het middel

De rechtsklacht van het middel faalt, omdat de rechtbank bij de
beoordeling van dit verzoek tot wijziging van de voogdij op de voet van art.
288 leden 1 en 3 BW terecht tot maatstaf heeft genomen of inwilliging van het
verzoek in het belang van de kinderen wenselijk is. Dit wordt niet anders
doordat de verblijfplaats van de kinderen en de moeder, naar moet worden
aangenomen op grond van aan de moeder toe te rekenen omstandigheden, onbekend
is en als gevolg daarvan een onderzoek van de raad voor de kinderbescherming
niet kon plaatsvinden. Ook de motiveringsklacht faalt, omdat het oordeel van
de rechtbank dat inwilliging van het verzoek niet in het belang van de
kinderen wenselijk is, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd is.

4. Beslissing: de Hoge Raad verwerpt het beroep (…).

Nora Holtrust/Ineke de Hondt

1. Wanneer een man en een vrouw met elkaar trouwen, dan zijn zij zich er
meestal van bewust dat wanneer er een kind wordt geboren, de vrouw (juridisch)
moeder wordt en de man (juridisch) vader. Of er nu wel of niet is overlegd en
of het kind nu gewenst is of niet, zij weten – zonder nu exact de wet te
kennen – dat zij de zorg, de financiele verantwoordelijkheid en het ouderlijk
gezag over het kind hebben. Zij zijn niet alleen ieder jegens hun kinderen
verantwoordelijk; het huwelijk brengt ook mee dat zij onderling
verantwoordelijk zijn voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen. Al dan
niet in overleg zullen zij vervolgens de taken in verband met de zorg voor het
kind verdelen. Deze verdeling kan varieren van een traditionele gezinssituatie
met een vrouw die volledig voor het huishouden, de kinderen en haar man zorgt
terwijl de man het geld binnen brengt tot ouders die samen de zorg voor het
gezinsinkomen en het kind delen. Tot 1985 gaf de wet aan de gehuwde vader een
voorkeurspositie ten aanzien van de ouderlijke macht; vanaf die tijd hebben
gehuwde ouders gezamenlijke ouderlijke macht.

2. Wanneer ouders gaan scheiden zijn stilzwijgende ‘afspraken’ over de
kinderen niet langer voldoende. Er zal nu overleg gepleegd moeten worden wie
voor de kinderen blijft/gaat zorgen en op welke wijze in de financiele
situatie van de kinderen voorzien zal gaan worden. Het laatste woord is
daarbij uiteindelijk aan de rechter, die op grond van art. 1:161 beslist hoe
de juridische situatie van de kinderen zal worden geregeld. Feitelijk kunnen
de kinderen bij een van de ouders blijven wonen en een omgangsregeling met de
andere ouder hebben of zij kunnen beurtelings bij een van de ouders wonen.
Juridisch gezien kan een van de ouders voogd en de andere ouder tot toeziend
voogd worden benoemd of de ouders kunnen de ouderlijke macht die tijdens het
huwelijk bestond (sinds mei 1984) gezamenlijk voortzetten.

Bij het voortzetten van de gezamenlijke ouderlijke macht worden er geen
eisen aan de ouders gesteld ten aanzien van het feitelijk delen van de zorg,
noch in de zin van dagelijkse zorg, noch in de zin van financiele zorg. Dat is
aan de ene kant vreemd: waarom zou een ouder ouderlijke macht behouden als hij
niet – of althans nauwelijks – voor het kind zorgt. Aan de andere kant is het
begrijpelijk: ook binnen huwelijk hoeft de feitelijke situatie de juridische
situatie niet te dekken. Nu is het tijdens een huwelijk – ervan uitgaand dat
de ouders onder een dak wonen – ook moeilijk een scheidslijn te trekken
wanneer er nog wel en wanneer er geen sprake (meer) is van het delen van de
ouderlijke verantwoordelijkheden c.q. op welk moment de weegschaal van de zorg
definitief doorslaat naar een van de ouders.

Behalve de regeling ten aanzien van kinderen, moeten ouders die gaan
scheiden ook onderling hun zaken regelen. Afhankelijk van hoe het
huwelijksregime er uit ziet, zal het vermogen verdeeld moeten worden, moeten
er afspraken gemaakt worden over alimentatie en huisvesting, enzovoort.

3. Tot 1901 stond een buiten huwelijk geboren kind onder het gezag van
de vader, wanneer het door de vader was erkend en anders onder het gezag van
de moeder, mits ook zij het kind had erkend. In 1901 werd voor buiten huwelijk
geboren kinderen ingevoerd, dat de ouder die het kind het eerst erkende, de
voogdij kreeg. Aangezien de moeder het in de hand had om haar kind het eerst
te erkennen, kon zij er voor zorgen de voogdij te krijgen. De minister
verdedigde dit met de opmerking ‘dat de betrekking van de moeder tot het kind
veel inniger is dan die van den vader, en de kinderen in den regel bij de
moeder zullen inwonen’ (Asser-Wiarda, 1957, p. 670). Sinds 1947 is de
erkenning voor (de meeste) moeders afgeschaft en krijgen vrouwen die ongehuwd
moeder worden van rechtswege het gezag over hun kind, tenzij zij onbevoegd
(lees minderjarig) zijn tot het gezag.

4. In 1981 merkt A-G Franx op: ‘Er zijn in onze wetgeving aanwijzingen
dat de moeder van een natuurlijk kind in bepaalde opzichten een
voorkeurspositie heeft ten opzichte van de vader’ (RVR 1992, nr. 25). Waaruit
bestaat die ‘voorkeurspositie’ dan wel? De ongehuwde vrouw die een kind krijgt
heeft twee mogelijkheden: of zij gaat – al dan niet met vreugde – voor het
kind zorgen en krijgt als juridisch instrument daarbij de voogdij of zij ziet
er om wat voor reden dan ook geen gat in om voor haar kind te zorgen en staat
het kind ter adoptie af. In dat laatste geval worden alle banden tussen haar
en het kind definitief en onherroepelijk doorgesneden.

De ervaring heeft geleerd dat 99% van de moeders die zich voor het
bovenstaande dilemma zien geplaatst, kiezen voor de zorg voor het kind. Het
feit dat ongehuwde (meerderjarige) moeders van rechtswege de voogdij over een
kind krijgen is dus niet vanwege het feit dat de moeder een voorkeurspositie
heeft ten opzichte van de vader maar vanwege het feit dat er iemand voor een
kind moet zorgen en aangezien die iemand meestal de moeder is, krijgt zij ook
de voogdij.

Het aantal buiten huwelijk geboren kinderen is de laatste jaren
aanmerkelijk toegenomen. De feitelijke situatie waarin deze kinderen opgroeien
kan, – evenals dat bij binnen huwelijk geboren kinderen het geval is –
aanzienlijk van elkaar verschillen. De moeder kan helemaal alleen voor het
kind zorgen, feitelijk en financieel; de vader kan alleen financieel iets voor
de kinderen bijdragen tot aan een situatie die in feite nauwelijks verschilt
met een huwelijk, met uitzondering van het ‘boterbriefje’. Binnen huwelijk is
het moeilijk voor vrouwen – als zij dat willen – om een gedeelte van de zorg
voor de kinderen feitelijk van de vader af te dwingen. Slechts in theorie is
daar een juridische constructie voor: immers ouders zijn jegens elkaar
verantwoordelijk voor de kinderen. Buiten huwelijk heeft de moeder daarvoor
helemaal geen juridisch wapen in handen – zelfs niet in theorie -. Zij kan
alleen de financiele verantwoordelijkheid van de vader afdwingen.

De samenwoning tussen twee ongehuwden is wettelijk niet geregeld evenmin
als de beeindiging van de samenwoning. Ook in de situatie dat de relatie
traditioneel was heeft de vrouw geen recht op alimentatie, geen recht op een
deel van de vermogensvermeerdering van de man, geen erfrecht of recht op AWW.
Die rechten ontleent zij uitsluitend aan een huwelijk. Zij had echter een noch
over de kinderen en de alimentatie hoefde niet gestreden te worden. De vader
kon aan de kantonrechter wel verzoeken om hem tot voogd te benoemen, maar als
de moeder al de voogdes was, werd dit verzoek slechts ingewilligd ‘indien de
kantonrechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt’ (art. 288 lid
3).

5. In het kader van de gelijkstelling van wettige en onwettige kinderen
blijft de niet gehuwde moeders de ‘echtscheidingsstrijd’ over de kinderen
sinds 1981 niet langer bespaard.

Bij kinderen van niet gehuwde ouders dient volgens de Hoge Raad – net
zoals bij gescheiden ouders – een afweging van de kwaliteit van de behartiging
van de belangen van het kind plaats te vinden. Daarbij moet wel rekening
gehouden worden met de mogelijke nadelen die voor het kind verbonden kunnen
zijn aan het enkele feit van een verandering van de voogdij (RVR 1992, nr.
25).

De mogelijkheid om een voogdijwijzigingsverzoek in te dienen blijft
volgens Hoge Raad 12 juni 1987, RVR 1992, nr. 26 beperkt tot de vader die met
het kind in familierechtelijke betrekkingen staat: de man dus die het kind
heeft erkend. De biologische vader – ook niet in het geval hij toeziend voogd
is – komt een verzoek tot voogdijwijziging niet toe. Daarbij moet wel bedacht
worden dat de moeder de erkenning niet altijd meer kan verhinderen (zie RVR
1992, nr. 26).

In RVR 1992, nr. 27 probeert eveneens een vader/erkenner en tevens
toeziend voogd de voogdij van de moeder-vooges over te nemen. De erkenner en
de moeder hebben aanvankelijk samen voor het kind gezorgd; volgens de vader in
goed overleg; volgens de moeder liet het overleg te wensen over. Op een
gegeven moment verhuist de moeder waardoor het delen van de zorg – al dan niet
in goed overleg – feitelijk niet langer mogelijk is. De vader wil nu de
voogdij maar zowel de kantonrechter als de rechtbank wijzen het verzoek af. De
rechtbank overweegt dat: ‘In het onderhavige geval, waarin de moeder voogdes
is, dient niet te worden afgewogen wie van de ouders het best de voogdij kan
uitoefenen, maar dient te worden bezien of inwilliging van het verzoek van de
vader in het belang van het kind wenselijk is’. De vader gaat van deze
uitspraak in cassatie omdat de rechtbank art. 1:288 lid 3 BW heeft toegepast,
welk wetsartikel volgens de vader ten onrechte aan de moeder een voorsprong
geeft. De rechtbank had volgens de vader uit moeten gaan van een blanco
situatie, dus alsof de voogdij open stond.

De A-G gaat in zoverre met de vader mee, dat ook hij van mening is dat
bij een verzoek tot voogdijwijziging een ‘open beoordeling’ moet plaatsvinden
en vergelijkt de bovenstaande casus met de situatie dat de ouders de
ouderlijke macht gezamenlijk uitoefenden. Daarbij kan de continuering van de
bestaande situatie, als zijnde in het belang van het kind, wel worden
meegewogen maar de A-G mist een afweging van de rechtbank of in het belang van
het kind de voogdij wellicht beter bij de vader kon berusten. De A-G
concludeert tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot
verwijzing van de zaak naar het hof.

De Hoge Raad interpreteert de uitspraak van de rechtbank iets anders. In
de eerste plaats heeft de rechtbank slechts tot uitdrukking willen brengen,
dat de ouderlijke macht niet van rechtswege aan de vader toekomt. In de tweede
plaats moeten weliswaar de mogelijkheden die ieder van de ouders aan het kind
kunnen bieden worden afgewogen maar daarbij moet rekening gehouden worden met
de mogelijke nadelen voor het kind wanneer wijziging van het gezag tevens een
wijziging in zijn feitelijke leefsituatie zou betekenen. De uitspraak van de
Hoge Raad uit 1988 verschilt minimaal met die uit 1981. Toch lijkt de Hoge
Raad in de laatste uitspraak iets meer oog te hebben voor het feit dat
art.1:288 lid 3 BW niet voor niets uitgaat van de situatie dat ongehuwde
moeders van rechtswege het gezag over kinderen hebben.

6. Hoe bedreigend intussen deze voogdijwijzigingsverzoeken voor moeders
zijn, blijkt wel heel duidelijk uit RVR 1992, nr. 28. De moeder die erkenning
van het derde kind door de vader weigert omdat zij bang is voor
voogdijwijziging en wanneer het weigeren van haar toestemming door de
rechtbank overruled wordt, met haar kinderen onderduikt.

De vader probeert inderdaad, nadat hij het derde kind via de rechter
heeft erkend, voogdij-wijziging te krijgen en voert ondermeer aan dat de
moeder psychotisch is. Uit een eerder advies van de raad voor de
kinderbescherming blijkt dat de moeder de kinderen goed verzorgt en dat zij
niet psychotisch is, waarop de kantonrechter het verzoek van de vader om
voogdijwijziging afwijst. De moeder is dan inmiddels ondergedoken. De
rechtbank bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter en meent dat
toewijzing van het verzoek aan de feitelijke situatie niets verandert, terwijl
toewijzing van de voogdij aan de vader ‘onverwachte en mogelijk ongewilde
gevolgen in de toekomst met zich kan brengen. Derhalve is onvoldoende komen
vast te staan dat de verzochte gezagswijziging in het belang van de kinderen
is’. Ook A-G Moltmaker vindt voogdijwijziging een paardemiddel, wanneer een
ouder zich op zodanige wijze gedraagt dat de wijze van opvoeding en verzorging
niet door derden, zoals de raad voor de kinderbescherming, kan worden
gecontroleerd. Tegelijkertijd echter wijst de A-G de vader op de mogelijkheid
van ‘een minder vergaande oplossing’ om een ondertoezichtstelling van de
kinderen te verzoeken. Dan zou een gezinsvoogd kunnen worden benoemd die in
contact kan proberen te komen met de moeder en de kinderen, welk contact voor
de moeder wellicht minder belastend is dan het contact met de vader.

Het is dieptreurig dat moeders zich zo in het nauw gedreven kunnen
voelen dat zij soms zelfs overgaan tot paardemiddelen als onderduiken, omdat
de Hoge Raad in 1981 (RVR 1992, nr. 25) bedacht heeft dat de opvoeding van
kinderen door ongehuwde moeders afgewogen moet worden tegen de opvoeding door
een vader enkel en alleen vanwege het feit dat vader om wat voor reden dan ook
het gezin niet meer ‘compleet’ maakt.

Rechters

Mrs. Snijders, Bloembergen, Roelvink, Davids en Heemskerk; A-G Moltmaker

Instantie: President rechtbank Amsterdam, 7 januari 1988

Instantie

President rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Ouders van M. willen dat hun dochter niet herkenbaar op de T.V.
verschijnt in de documentaire “Gezocht: lieve vader en moeder”. Deze
documentaire gaat over seksuele mishandeling van kinderen in de gezinsfeer en
bevat een aantal interviews met slachtoffers daarvan, naast enkele
gedramatiseerde scenes

Zij baseren deze vordering op de stelling dat zij, althans de moeder van
M., door uitzending van de documentaire op de televisie, die ze als een
inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer beschouwen, omdat ook hun familieleden
en kennissen aldus van de “beschuldigingen” van M. aan het adres van haar
moeder kunnen kennisnemen, in hun eer en goede naam worden aangetast hetgeen
jegens hen onrechtmatig is

De moeder van M. wordt in de documentaire zo al niet van een
deelnemingsvorm aan een strafbaar feit (medeplichtigheid door het geven van
gelegenheid) dan toch in ieder geval beschuldigd van het willens en wetens
toelaten van een strafbaar feit, dat zij (wellicht) had kunnen verhinderen
In de betreffende scene speelt M., die hierbij herkenbaar in beeld komt,
de gebeurtenissen in haar leven die er toe hebben geleid dat zij in een
opvanghuis is terechtgekomen, te weten dat zij meermalen seksueel is misbruikt
door een buurman, waarbij haar moeder een of meermalen aanwezig is geweest
zonder in te grijpen

De gevolgen van het bekend worden hiervan in de kring rond de moeder van
M. mogen gevoeglijk als zeer stigmatiserend worden aangemerkt.
Hiertegenover staat evenwel het evidente belang van de oorspronkelijk
gedaagden bij openbaarmaking van de als bijzonder ernstig aan te merken
misstand

Een criterium is voorts de mate waarin de verdenkingen steun vonden in
het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal

Het wordt de gedaagden verboden om filmbeelden van de documentaire te
vertonen of te doen vertonen, waarin M. herkenbaar voorkomt

Volledige tekst

Rechters

Mr. B.J. Asscher

Instantie: President van de Rechtbank te Amsterdam, 7 januari 1988

Instantie

President van de Rechtbank te Amsterdam

Samenvatting


X. is in oktober 1982 als directiesecretaresse in dienst getreden bij
Stadsherstel. Van 24 augustus 1987 tot 16 november 1987 is X.
arbeidsongeschikt geweest ten gevolge van klachten die op overspannenheid
duiden. Zij heeft zich, na vier halve dagen gewerkt te hebben, opnieuw ziek
gemeld. Er blijkt sprake geweest te zijn van ongewenste intimiteiten op het
werk door de directeur van Stadsherstel. X. is, nadat haar advocaat een brief
gestuurd heeft naar Stadsherstel, op staande voet ontslagen.
X. vordert dat Stadsherstel wordt veroordeeld haar tot haar werkzaamheden toe
te laten alsmede tot doorbetaling van haar salaris, daartoe stellende dat het
gegeven ontslag op staande voet nietig is wegens het ontbreken van een
dringende reden.
De president veroordeelt Stadsherstel maandelijks, te rekenen vanaf 1
december 1987, aan X. te voldoen het haar toekomende maandsalaris totdat de
arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd of tot zoveel eerder de
kantonrechter hetzij bij eindvonnis, hetzij bij voorlopige voorziening
hierover zal hebben beslist.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Ter terechtzitting van 23 december 1987 heeft eiseres (verder x) gesteld en
gevorderd overeenkomstig de in de fotokopie aan dit vonnis gehechte
dagvaarding.
Gedaagde (hierna Stadsherstel) heeft verweer gevoerd met conclusie tot
weigering van de gevraagde voorziening.
De heer Y directeur van Stadsherstel en ter zitting aanwezig, is als
informant gehoord; hiervan is geen proces-verbaal opgemaakt.
Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van weerszijden
pleitaantekeningen en produkties, overgelegd voor vonnis wijziging.

GRONDEN VAN DE BESLISSING:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden:
a. X is in oktober 1982 als directiesecretaresse in dienst getreden bij
Stadsherstel tegen een brutoloon van thans ƒ 3.000 per maand alsmede een
jaarlijkse gratificatie in de maand december.

b. In de periode 24 augustus 1987 tot 16 november 1987 is X arbeidsongeschikt
geweest ten gevolge van klachten die op overspannenheid duiden. Na in de week
van 16 november 1987 vier halve dagen te hebben gewerkt, heeft X zich opnieuw
ziek gemeld. Zij ontvangt thans een Ziektewet uitkering, die 70% van haar
salaris bedraagt. De verwachting is dat zij per 6 januari 1988 arbeidsgeschikt
zal worden verklaard.

c. Uit een schriftelijke verklaring d.d. 17 december 1987 van drs C.B. ter
Brake, psycholoog bij het RIAGG te Amsterdam, blijkt dat X in maart 1986
tijdens therapie-zittingen melding heeft gemaakt van ongewenste intimiteiten
op het werk door de directeur van Stadsherstel.

d. In een brief van 17 december 1987 verklaart R. Bergman, stafmedewerkster
van de Stichting Handen Thuis dat zowel op 28 oktober 1986 als op 8 september
1987 telefonisch contact heeft gezocht met deStichting in verband met de
ongewenste intimiteiten door de directeur van Stadherstel.

e. Ook bij de controlerend geneesheer van het GAK heeft X, blijkens
schriftelijke rapportage, respectievelijk op 14 en 18 september 1987 melding
gemaakt van ongewenste intimiteiten door haar chef.

f. Ongeveer anderhalf jaar geleden heeft Y een schouderklopje ter
‘aanmoediging’ gegeven waarop door X zeer heftig is gereageerd.

g. Op 23 november 1987 schreef de advocaat van X Stadsherstel, t.a.v. Y, een
brief met de volgende inhoud:

Tot mij wendde zich mevrouw X inzake het volgende. Cliënte is reeds 5 jaar
bij u in dienst en heeft zich altijd enorm ingezet voor het bedrijf. Onlangs
heeft u haar te kennen gegeven dat zij maar een andere baan moest zoeken omdat
zij al vaker overspannen zou zijn geweest.
Cliënte moet thans bemerken dat haar het werken door het onthouden van
noodzakelijke informatie op uw bedrijf feitelijk steeds moeilijker wordt
gemaakt. Tevens heeft Cliënte de afgelopen anderhalf jaar moeten bemerken dat
u – nadat Cliënte niet wenste in te gaan op uw avances, welke zij als
ongewenste intimiteiten heeft ervaren – haar steeds meer nare klussen liet
opknappen.

Cliënte lijdt schade door de thans ontstane situatie. Zij is slechts bereid
haar medewerking te verlenen aan ontslag onder de volgende condities:
– Stadsherstel betaalt Cliënte gedurende 11/2 salaris door, gedurende welke
periode Cliënte kan uitzien naar een andere baan. Na afloop van deze 11/2
jaar zal Cliënte door een formeel verweer meewerken aan haar ontslag via de
toestemming van de directeur van de GAB;
– Cliënte ontvangt een bedrag van ƒ 10.000 van Stadsherstel wegens de door
haar geleden immateriële schade,
pensioen verbreking en de door haar geleden ongewenste intimiteiten:
– De door Cliënte niet genoten vakantiedagen over ’86 en ’87, te weten 28
dagen totaal, worden aan haar uitbetaald.

h. Zijdends Stadsherstel werd hierop door haar advocaat bij brief van 24
november 1987 gereageerd. Voor zover te dezen van belang luidt deze brief als
volgt:
Deze beschuldigingen worden door de directeur van de Cliënte zeer hoog
opgenomen, zeker nu u zich niet alleen jegens uw advocate, maar ook tegen een
drietal werknemers van Cliënte in dergelijke zin over de heer Y hebben
uitgelaten, terwijl van avances, noch van ongewenste intimiteiten van de
zijde van de heer Y jegens u ooit sprake is geweest.

De directeur van Cliënte voelt zich door uw handelswijze, althans uw onjuiste
uitlatingen, dermate gegriefd dat mij verzocht is u ontslag op staande voet
namens Cliënte aan te zeggen hetwelk ik bij deze doe. Onder deze
omstandigheden kan van uw werkgever redelijkerwijs niet gevergd worden de
dienstbetrekking te laten voortduren.

i. X heeft tijdig tegen het ontslag op staande voet geprotesteerd en zich
voor haar werk beschikbaar gehouden zodra zij weer arbeidsgeschikt is.

j. Het salaris van X is tot en met de maand november 1997 aan haar voldaan.

k. Stadsherstel heeft een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter te Amsterdam ingediend.

2. X vordert in dit geding -kort samengevat- dat Stadsherstel wordt
veroordeeld haar tot haar werkzaamheden toe te laten alsmede tot doorbetaling
van haar salaris, daartoe stellende dat het gegeven ontslag op staande voet
nietig is wegens het ontbreken van een dringende reden.

3. Stadsherstel heeft onder verwijzing naar hetgeen in de brief van 24
november 1987 (hiervoor onder 1.h. vermeld) aangevoerd dat het ontslag op
staande voet terecht is gegeven.

4. Vooropgesteld moet worden dat de kantonrechter, indien zou blijken dat de
aan Y verweten gedragingen niet hebben plaatsgevonden, hoogstwaarschijnlijk
van oordeel zal zijn dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, nu Y
de beschuldigingen aan het adres van Y ook tegen andere werknemers van
Stadsherstel heeft geuit.
Derhalve moet in dit geding de vraag worden beantwoord of het waarschijnlijk
is dat een en ander zich heeft voorgedaan zoals X stelt. In dat geval immers
kan niet worden gezegd dat het op staande voet gegeven ontslag, waarvan de
dringende reden alleen is gelegen in het feit dat X mededelingen die niet op
waarheid berusten heeft gedaan, terecht is gegeven.

5. Allereerst wordt opgemerkt dat geen waarde kan worden gehecht aan de door
Stadsherstel overgelegde brief d.d. 7 september 1987 van de buurvrouw van X,
nu uit deze brief geen gevolgtrekkingen kunnen worden gemaakt ten aanzien van
het waarheidsgehalte van X relaas.

6. De hiervoor onder 4. geformuleerde vraag moet in het licht van de thans
bekende feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd
-voorhands- bevestigd worden beantwoord. Daarbij is met name van belang de
persoon van X en de gedetailleerdheid van haar verklaring, een en ander zoals
ter zitting is gebleken. Doorslaggevend is echter de omstandigheid dat zij
reeds in een vroegtijdig stadium, te weten begin 1986, en sindsdien
herhaaldelijk bij diverse instanties en personen, zoals het RIAGG, de
Stichting Handen Thuis, het GAK en haar huisarts melding heeft gemaakt van de
ongewenste intimiteiten. Voor zover voornoemde instanties in hun verklaringen
omtrent hetgeen X hen heeft verteld in detail treden, valt op dat zij – X –
de aan Y verweten gedragingen telkens op dezelfde wijze beschrijft en heeft
beschreven.
Het is niet aannemelijk dat X dergelijke gebeurtenissen- waarvoor zij bij
verschillende gelegenheden zo gedetailleerd en standvastig heeft verklaard-
heeft verzonnen.

7. Tevens verdient opmerking dat Y erkent dat zich anderhalf jaar geleden een
incident tussen hem en X heeft voorgedaan en voorts dat hij niet heeft
betwist dat hij X te pas en onpas buiten werktijden thuis opbelde, waarvan
toch moet worden gesteld dat dit buiten het gebruikelijke patroon
werkgever/werknemer valt; dit geldt evenzeer voor de poging van Y om buiten
medeweten van X via haar buurvrouw de naam van haar huisarts te achterhalen,
nadat X eerder informatie hieromtrent had geweigerd.

8. Nu op grond van het vorenoverwogenen valt aan te nemen dat de
kantonrechter het gegeven ontslag op staande voet nietig zal achten, dient de
gevraagde voorziening, voor zover strekkende tot doorbetaling van loon –
waarbij X spoedeisend belang heeft – te worden getroffen, en wel vanaf 1
december 1987 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn
geëindigd.

9. De vordering tot tewerkstelling wordt evenwel niet toegewezen, nu
voldoende aannemelijk is geworden dat de arbeidsrelatie tussen X en Y door
hetgeen is voorgevallen zozeer is verstoord dat er – mede gelet op de
omstandigheid dat Stadsherstel een klein bedrijf is en terugkeer van X aldaar
grote spanningen niet alleen tussen haar en Y doch ook voor de overige
werknemers, met zich mee zal brengen – een gerede kans bestaat dat de
kantonrechter op deze grond de arbeidsovereenkomst zal ontbinden.
Voor een voor deze kleine werkgemeenschap zozeer ingrijpende maatregel als
tewerkstelling van X, die aldus beschouwd niet anders dan van korte duur kan
zijn, bestaat in dit kort geding dan ook geen aanleiding.

10. Een en ander leidt tot de volgende beslissing.
Stadsherstel wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij belast
met de kosten van dit geding.

BESLISSING

1. Veroordeelt Stadsherstel maandelijks, te rekenen vanaf 1 december 1987,
aan X te voldoen het haar toekomende bruto maandsalaris ad ƒ 3.000. te
vermeerderen met de overeengekomen emolumenten en onder toepassing van de
wettelijke inhoudingen, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn
geëindigd of tot zoveel eerder de kantonrechter hetzij bij eindvonnis, hetzij
bij voorlopige voorziening hierover zal hebben beslist.
2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad
3. Veroordeelt Stadsherstel in de kosten van dit geding, tot heden aan de
zijde van X begroot en als volgt te voldoen:
– aan X:
ƒ 62,50 aan de bij haar gevallen kosten van vastrecht, en
– aan de griffier van deze rechtbank:
ƒ 187,50 aan het overige vastrecht,
ƒ 53,75 aan exploitkosten en
ƒ 700 aan salaris procureur.
4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. J.M. Vrakking, vice-president

Instantie: Raad van State, 7 januari 1988

Instantie

Raad van State

Samenvatting


Het betreft een vrouw van dertig jaar, die ten tijde van vertrek
ouderlijk gezin op basis van gezinshereniging al getrouwd was

In april 1987 is zij gescheiden, en de kinderen zijn aan haar ex-man
toegewezen. Zij wilde zich voegen bij haar familie in Nederland omdat zij
de situatie psychisch niet aankon. Dit laatste kon worden aangetoond door
een medische verklaring die vrij summier was, maar ook doordat kennissen van
de familie afgelopen zomer bij haar in Turkije waren geweest en ter zitting
verslag konden doen van de toestand van kliente

De voorzitter van de Afdeling rechtspraak treft de voorlopige
voorziening dat verzoekster wordt behandeld als ware zij in het bezit van een
machtiging tot voorlopig verblijf

Volledige tekst

Rechters

Mr. P.J. Boukema, waarnemend voorzitter