Instantie: Kantonrechter Gouda, 7 januari 1988

Instantie

Kantonrechter Gouda

Samenvatting


Twee jaar lang tewerkgestelde oproepkracht heeft recht op doorbetaling
van loon ook al wordt zij niet meer opgeroepen

De feiten

In september 1986 wordt werkneemster V in dienst genomen door werkgever
K op zogenaamde oproepbasis. Het oproepcontract werd schriftelijk tussen
partijen vastgelegd

Feitelijk verrichtte werkneemster vervolgens werk voor werkgever
gedurende twee dagen per week, op door werkgever aangegeven tijden en in
ondergeschiktheid aan hem

Eind september 1987 laat werkgever aan werkneemster weten dat er geen
werk meer beschikbaar is en zij derhalve niet langer meer te werk gesteld zal
worden

Werkneemster is van mening dat er een arbeidsovereenkomst tussen
partijen bestaat en dat zij recht heeft op doorbetaling van loon nu werkgever
inmiddels nieuwe werknemers in dienst heeft genomen, zij het op een andere
afdeling

Werkgever ontkent het bestaan van een arbeidsovereenkomst

De rechter overwoog

In dit geval is wel sprake van een arbeidsovereenkomst nu werknemer
regelmatig gedurende twee dagen (voornamelijk dinsdag en donderdag) voor
werkgever heeft gewerkt en aan hem ondergeschikt was

Dat betekent dat werkneemster recht heeft op doorbetaling van loon,
zolang de arbeidsverhouding niet op rechtsgeldige wijze is geeeindigd
(bijvoorbeeld via de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau)

Nu werkneemster zich voor het verrichten van arbeid beschikbaar heeft
gehouden, dient werkgever aan werkneemster haar loon door te betalen ongeacht
of hij al dan niet arbeid voor werkneemster beschikbaar heeft. Dit geldt
echter pas vanaf december 1987 nu werkneemster pas in die maand haar verzoek
heeft gedaan. Werkgever wordt niet opgedragen werkneemster tot het werk toe
te laten nu tussen partijen een ‘los’ dienstverband is afgesproken, waarbij
het werk in beginsel op afroep dient te worden verricht

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 6 januari 1988

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De Raad van Arbeid te Amersfoort heeft de heer H. kennis gegeven van
zijn beslissing dat gedaagde over het tweede en derde kwartaal 1985 geen recht
op kinderbijslag heeft voor het kind A., geboren op 29 mei 1963, en wel omdat
eiser A. niet als een pleegkind van gedaagde beschouwt. Het betrokken kind
is 21 jaar en een broer van de echtgenote van H. Hij is op een vergunning
om te studeren naar Nederland gekomen. De relatie pleegouder-pleegkind kan
in dergelijke gevallen doorgaans niet meer ontstaan

De raad van beroep heeft deze beslissing vernietigd

De centrale raad van beroep heeft de beslissing van de raad van beroep
vernietigd

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 5 januari 1988

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


AAW. Directe werking art. 26 BuPo vanaf het tijdstip, waarop naar de
kennelijke bedoeling van de wetgever de AAW-wetgeving met dat artikel in
overeenstemming is gebracht, te weten 1 januari 1980

Vrouw met AAW-uitkering van 80 procent trad op 19 mei 1980 in het
huwelijk. De bedrijfsvereniging beeindigde met ingang van die datum haar
uitkering, op grond van de Wet invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen
en vrouwen, waarin volgens de Raad ongelijke behandeling werd gehandhaafd
(art. IV, derde lid en art. VI, eerste lid)

Pleitnotities in deze zaak zijn ook aanwezig

Volledige tekst

Rechters

Mrs. R.A.F. de Guasco (voorzitter), P.A.W. Hermans en A.Rothuizen-Geerts

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 1 januari 1988

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Afgedwongen erkenning

Man en vrouw woonden samen tijdens geboorte van het kind. Inmiddels
wonen zij apart. Moeder is voogdes, vader heeft het kind niet erkend. Het
kind verblijft ieder weekend bij de vader. Na verbreking van de samenwoning
wilde vader alsnog erkennen. Op 4 februari 1988 heeft de Rechtbank te Arnhem
(rekestnr. 2441/1987) het verzoek van de man de ambtenaar van de Burgerlijke
Stand het register aan te laten vullen met de erkenning, toegewezen

Volledige tekst

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

1. De vrouw is, primair, van mening dat het verzoek van de man
niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten onrechte heeft de Rechtbank de
op dit punt aangevoerde argumenten gepasseerd

a. De door de man gevolgde procedure is niet bedoeld om iemand een
andere status te geven, dan hij/zij door geboorte heeft verworven. Dit heeft
de Hoge Raad met zoveel woorden overwogen in HR 11 mei 1950. NJ 1950, 430.
Het ging in dat geval om de betwisting van een erkenning via de procedure ex
art. 29 lid 2 BW (vordering om de akte van erkenning door te halen). In dat
geval verklaarde de Rechtbank de verzoeker niet ontvankelijk. Omdat de
procedure hiervoor niet bedoeld was. In die zaak speelde bij de beslissing van
de Hoge Raad een rol, dat er een bijzondere rechtsgang bestond ten opzichte
van de in art. 29 geregelde rechtsgang

In deze zaak bestaat de mogelijkheid op grond van onrechtmatige daad en
misbruik van bevoegdheid (art. 3.7.7.14 NBW), eventueel in kort geding, de
moeder te dwingen haar toestemming te geven, omdat de vrouw deze toestemming
naar de mening van de man zonder belang weigert

Een dergelijke rechtsgang is, in tegenstelling tot de rechtsgang op
grond van art. 29 boek 1 BW, in overstemming met het stelsel en de opbouw van
het Nederlandse recht. Erkenning is immers een rechtshandeling. De man zou
in rechte kunnen vorderen, dat de weigering van de moeder ongedaan gemaakt
wordt en dat de rechter de vrouw beveelt als nog mee te werken aan de
totstandkoming van een rechtsgeldige erkenning

De vrouw tekent hierbij uitdrukkelijk aan, dat in het geval een
dergelijke procedure gevolgd zou worden, er beslist geen sprake zou zijn van
onrechtmatigheid of misbruik van bevoegdheid en dat een dergelijke vordering
van de man zou moeten worden afgewezen (voor argumentatie zie hieronder),
maar dat is een inhoudelijk verweer. De man zou in zo’n geval wel ontvankelijk
zijn

b. De bedoeling van art. 29 boek 1 BW is, dat aanvulling/verbetering van
de registers gelast kan worden, als een akte ontbreekt, die ingevolge
wettelijke voorschriften wel in een register van de Burgerlijke Stand
aanwezig had moeten zijn. Als de vrouw de Rechtbank goed begrijpt, is deze van
mening, dat art. 8 en art. 14 van het EVRM in dit geval de ambtenaar va On de
Burgerlijke Stand gebieden het voorschrift van art. 224 boek 1 opzij te
zetten en een rechtsgeldige akte van erkenning op te maken

Tussen de interpretatie die in de beschikking, waartegen appel, die door
de rechtbank gegeven wordt van art. 8 en art. 14 van het EVRM en van de
interpretatie van deze artikelen door het Europese Hof en de Europese
Commissie, is echter een groot verschil, zoals in het hierna volgende zal
worden betoogd

De Nederlandse wetgever, met name art 2245 boek 1 BW, is niet
onverenigbaar met het Verdrag, zoals dat door het Europese Hof en de
Europese Commissie wordt geinterpreteerd. De artt. 8 en 14 worden door de
Rechtbank te ruim uitgelegd. De rechter mag verdragsrecht niet ruimer
uitleggen dan volkenrechtelijk strikt noodzakelijk is, wanneer hij/zij dat
recht als toets voor een wet in formele zin hanteert. (Zie hierover E.A.
Alkema, noot bij NJ 1986, 588, pag. 2214/2215). Ook J. de Boer, noot onder HR
15 mei 1987, 12 juli 1987, RvdW 1987, 115 in: NJCM, die stelt (pag. 532), dat
de rechter slechts dan de door de wetgever gekozen weg niet behoort te
volgen, als deze niet voldoet aan de minimum-eisen, die naar zijn oordeel het
EVRM stelt. Er is dus geen sprake van het ontbreken van een akte, die
ingevolge wettelijke voorschriften wel in een register van de Burgerlijke
Stand aanwezig zou moeten zijn. Er is geen akte, omdat er geen akte opgemaakt
kan worden zonder toestemming van de moeder. En de moeder geeft de
toestemming niet. Art. 224 lid 1 aanhef en sub 1d boek 1 BW schept terecht
een vetorecht voor de moeder, welke niet door een rechterlijke beslissing
opzij kan worden gezet. Op de verhouding tussen art. 224 boek 1 BW en artt. 8
en 14 EVRM wordt hieronder nog teruggekomen

2. Subsidiair is de vrouw van mening, dat het verzoek van de man als
ongegrond en ongerechtvaardigd behoort te worden afgewezen

ten aanzien van de gronden

Ten onrechte overweegt de Rechtbank onder punt 9 op pag. 4 en 5 van de
bestreden beslissing, dat er wel voldoende grond is om het verzoek van de man
toe te wijzen. De vrouw bestrijdt de gehele redenering van de Rechtbank en
voert daartegen het volgende aan:

De redenering van de Rechtbank berust op twee pijlers:

a. Art. 8 en art. 14 van het EVRM scheppen een ‘family life’ voor de
ongehuwde, niet met de vrouw samenwonende verwekker, met het kind waar het
recht op erkenning – tegen de wil van de moeder onder valt

Het gevolg daarvan is het ontstaan van uitgebreide juridisch-technische
familierechtelijke betrekkingen

b. Afweging van de belangen van het ‘family life’ van de man met het
kind en het ‘family life’van de vrouw met het kind, behoort in het voordeel
van de man uit te vallen

De kwestie onder a. betreft het vraagstuk van de interpretatie van art.
8 en art. 14 EVRM, de kwestie onder b. is een vraag die door de botsing van
grondrechten wordt opgeroepen

Ad a.

De Rechtbank legt aan de bestreden beschikking een interpretatie van art
8 en art 14 van de Europese Conventie ten grondslag, die niet overeenstemt
met de interpretatie die het Europese Hof en de Europese Commissie geven aan
die bepalingen. Ten onrechte overweegt de Rechtbank:

‘In het licht van het “family life” van de man kan zij (=de vrouw die de
toestemming voor erkenning weigert)(…) niet volstaan met een enkel beroep
op art. 224 lid aanhef en sub d boek 1 BW. Dit artikel en ook het
voorontwerp ‘Herziening van het afstammingsrecht’ houden helemaal geen
rekening met het “family life” van de man in een situatie als de onderhavige’.
‘Door haar toestemming te weigeren, blokkeert de vrouw in feite het “family
life” van de vader met het kind. (…) In dit verband mag het bezwaar van de
vrouw, dat de man deze stap tot erkenning wil gebruiken als opstap naar meer
gezag van de man en deling in de ouderlijke macht niet ten voordele van de
vrouw worden meegewogen’

Immers het recht op erkenning naar Nederlandse recht en op het van
rechtswege ontstaan van familierechtelijke betrekkingen naar Nederlands
recht, behoort niet tot het “family life” in de zin van de artt. 8 en 14
EVRM, zoals dat door het Europese Hof en de Europese Commissie wordt
uitgelegd, zoals dat hierna, door middel van uitspraken zal worden toegelicht

Om duidelijk te krijgen wat de man en het kind nu eigenlijk verwerven,
indien hij op basis van art. 8 en 14 EVRM een recht op erkenning en het van
rechtswege onstaan van familierechtelijke betrekkingen zou kunnen claimen,
somt de Rechtbank in de bestreden beschikking een rij consequenties op

Ten onrechte verbindt de Rechtbank daaraan de conclusie dat de belangen
van de man geschaad dreigen te worden als de vrouw geen toestemming tot
erkenning verleent

De gevolgen van erkenning zoals de Rechtbank die opsomt zullen in het
navolgende een voor een besproken worden en er zal aangegeven worden wat in
deze concreto voor de situatie van deze vrouw en man betekenen

1.Een van de gevolgen van erkenning is geslachtsnaamverandering voor de
erkende kinderen (art. 5 lid 2 boek 1 BW)

Juist ten aanzien van dit gevolg heeft de vrouw grote bezwaren, die
deels praktisch van aard zijn, deels juridisch van aard en deels van
principiele aard

a. Praktische bezwaren

Op dit moment is er een achternaam in het gezin van de vrouw. Via
naamswijziging heeft het kind dezelfde achternaam als de vrouw. Als Y. het
kind erkent komen er weer twee achternamen in het gezin. Dit is uiterst
onpraktisch. Als klein voorbeeld kan het aannemen van de telefoon genoemd
worden, dat tot een aantal misverstanden kan leiden

Een wezenlijk punt is dat de vrouw graag de eenheid binnen haar gezin
ook in de achternaam zoveel mogelijk tot uitdrukking wil brengen. Zij heeft
daartoe reeds een poging ondernomen door naamswijziging aan te vragen voor
het kind. Dit is inmiddels gebeurd. Als nu door de erkenning toch weer een
andere naam in het gezin zou komen is deze hele procedure zinloos geweest en
is haar streven in dit opzicht mislukt

b. Principiele bezwaren

– Belang van de kinderen

Een fundamenteler bezwaar is het feit dat zij van mening is dat het
belang van de kinderen niet gediend is met naamswijziging

Door erkenning krijgen kinderen opeens een andere naam. Een naam die ze
moeten leren zien als de hunne, terwijl ze die, hoe klein ze nog zijn, niet
als de hunne ervaren

De vrouw vindt het van belang dat de kinderen weten wie hun vader is en
dat ze hem ook van nabij leren kennen. Om deze reden heeft ze altijd loyaal
meegewerkt aan een omgangsregeling

De vrouw heeft aangetoond dat zij er belang bij heeft dat de kinderen
niet erkend worden door de man, niet omdat ze de afstamming zou willen
verdoezelen of geheim houden maar vanwege praktische en principiele bezwaren.
Door deze uitspraak wordt het beginsel van gelijkheid van man en vrouw
geschonden. Immers, zij laat de belangen van de man zwaarder wegen dan die van
de vrouw, terwijl de gronden daarvoor niet voldoende steekhoudend zijn

Even zo goed als de man het op prijs kan stellen dat kinderen zijn
achternaam dragen, is het voor vrouwen ook belangrijk dat kinderen haar
achternaam dragen

– Gevaarlijke rechtspraak

De vrouw vreest dat door deze beschikking de ontwikkeling van de
rechtspraak een gevaarlijke richting uitgaat. Naar haar mening opent zij de
weg voor louche praktijken en gesjoemel met kinderen. Indien de toestemming
van de moeder geen absoluut vereiste meer is voor erkenning, is de juridische
mogelijkheid geschapen voor bij voorbeeld de volgende situatie. Stel: een
kinderloos echtpaar wil dolgraag een kind. De gebruikelijke wegen hiertoe
zijn uitgeput. Dan zou de man een ongehuwde vrouw kunnen zoeken, haar zwanger
maken en haar kind tegen haar wil in kunnen erkennen. Zodra hij erkend heeft
kan hij de omgang verzoeken en ten slotte de voogdij. De moeder is inmiddels
door dit gedoe flink overstuur geraakt, zodat de rechter die op dit voogdij
-verzoek moet beslissen tot de conclusie komt dat de opvoedingssituatie bij
de erkenner beter is dan bij de moeder. Gevolg: de moeder is haar kind kwijt.
De manoeuvre wordt nog gemakkelijker als de toekomstige erkenner een
minderjarige moeder opzoekt, die immers niet tot de voogdij bevoegd is

Dit mag een gechargeerd voorbeeld zijn en het zal ook niet alle dagen
voorkomen, echt onwaarschijnlijk is het niet

De vrouw zou dit een desastreuze ontwikkeling vinden. Zij wil haar
verontrusting daarover uitspreken en een waarschuwend woord laten horen

c. juridische bezwaren

Ten onrechte betitelt de Rechtbank de verandering van geslachtsnaam bij
erkenning tot geslachtsnaamswijziging. De verkrijging van een andere
geslachtsnaam door erkenning kan juridisch gekwalificeerd worden als
geslachtsnaamverkrijging. Door de erkenning verkrijgt het kind de achternaam
van de vader. De belangrijkste waarborg waarmee deze procedure omgeven is, is
dat de moeder voor de erkenning haar toestemming moet geven. Aan het feit dat
het kind daarmee een andere geslachtsnaam krijgt wordt stilzwijgend
voorbijgegaan. Dit staat niet in verhouding tot de waarborgen waarmee de
geslachtsnaamswijziging is omgeven

2. Door erkenning krijgt man ten aanzien van art. 35 lid 1 boek 1 BW
niet meer recht dan hij nu heeft. Zowel de erkenner als de toeziend voogd
moet toestemming geven voor het huwelijk

3. Ten onrechte haalt de Rechtbank vervolgens art 41 lid 1 boek 1 BW
aan. Dit artikel verbiedt het huwelijk tussen verwanten. I.c. bestaat er geen
twijfel over dat de man de biologische vader is van de kinderen

4. Ook het volgende artikel dat de Rechtbank aanhaalt: art. 51 boek 1
BW, is ten onrechte

5. Vervolgens haalt de Rechtbank ten onrechte art. 69 lid 1 sub a boek 1
BW aan waardoor de belangen van de man geschaad zouden worden

6. Volgens de beschikking is een ander gevolg van erkenning de (mede-)
uitoefening van de ouderlijk macht:

art. 288 lid 1 boek 1 BW

Door de snelle ontwikkeling in de rechtspraak heeft ook de biologische
vader/niet-erkenner toegang tot de rechter met een verzoek tot het treffen van
zowel een omgangsregeling HR 22-2-1985 , NJ 1986, 3 als tot het verzoek tot
de gezamenlijke ouderlijke macht, Rb. Amsterdam 4-5-1987, NJ 1987, 842

Alleen ten aanzien van het recht om de voogdij te verzoeken, zonder dat
deze is opengevallen, heeft de biologische vader/niet-erkenner geen
bijzondere toegang tot de rechter

Echter zodra de voogdij opengevallen is, bij voorbeeld omdat de vrouw
overleden is, kan de man wel de rechter verzoeken met de voogdij te worden
belast

Overigens is de vrouw bereid om een testamentaire bepaling te maken
waarbij ze de man benoemt tot testamentair voogd, zodat daarmee aan dit
bezwaar van de man tegemoet gekomen is

Als de man de kinderen zou erkennen is de vrouw bang dat dit de weg zou
vrijmaken tot het starten van gerechtelijke procedures tot verkrijging van de
voogdij. De vrouw zou zich daar zeer tegen verzetten. Dat dit gevaar van
wellicht nodeloze procedures niet geheel denkbeeldig is heeft de man
verklaard tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek

Deze procedures leiden tot rechtsonzekerheid en verstoring van de
gemoedsrust van zowel de vrouw als van de kinderen, die maar moeten afwachten
wat er gebeurt

7. Dan komen de artt. 392 t/m 395a en art. 404 boek aan de orde. Deze
artikelen bepalen wie gehouden zijn tot betaling van de kosten van verzorging
en opvoeding, levensonderhoud en studie. De biologische vader/niet-erkenner
kan nu echter ook tot betaling gedwongen worden. Dit kan wanneer de vrouw een
vaderschapsactie instelt. Krachtens de artt. 394 jo 404 BW is hij evengoed
onderhoudsplichtig. Het verschil met de vader die wel familierechtelijk
betrekkingen heeft met een kind, de verjaringstermijn van 5 jaar, staat
hierbij niet aan de plicht in de weg. De man is immers vanaf de geboorte voor
zijn verwekkerschap uitgekomen, hetgeen conform art. 2019 BW de verjaring
stuit. Indien de man toch wenst bij te dragen zal de vrouw dat zeer op prijs
stellen

Bij het niet uitkomen voor het verwekkerschap binnen 5 jaar is het
juridisch fundament van een eventuele bijdrage in de dagelijkse kosten van
verzorging en opvoeding te beschouwen als een natuurlijke verbintenis van de
biologische vader en staat ook niets hem in de weg deze bijdrage aan de vrouw
uit te keren

8. Ten slotte komen de artt. 897, 899 en 961 BW ter sprake

Deze artikelen regelen het recht van de kinderen op de nalatenschap en
het wettelijk erfdeel van hun ouders. Dit recht kan ook door erkenning worden
gevestigd. De man zowel als de vrouw kan via testamentaire bepalingen
vastleggen wie hun erfgenamen zijn. Bij de mondelinge behandeling van het
verzoek in eerste instantie heeft de vrouw hiertoe haar medewerking reeds
toegezegd. Als de man deze kinderen aanmerkt als zijn pleegkinderen, geldt
voor de successierechten hetzelfde tarief als voor erkende kinderen

Bovendien heeft een natuurlijk kind krachtens art. 406 lid 5 boek 1 BW
recht op het wettelijk erfdeel van zijn biologische vader

Dit argument is dus ook geen reden om te veronderstellen dat de belangen
van de man door de weigering van de vrouw in te stemmen met de erkenning,
geschaad zijn

De bovenstaande bespreking van de gevolgen van erkenning maakt duidelijk
dat in het Nederlands recht maar enkele werkelijk relevante verschillen zijn
tussen de positie van de verwekker/niet-erkenner en de vader die wel erkend
heeft -de tweede heeft recht op het vragen van voogdijwijziging (=meer
mogelijkheden tot machtsuitoefening), de eerste niet -. Het kind van de twee
krijgt de geslachtsnaam van de erkenner

Dit zijn de enige reele punten waarop de man ongelijke behandeling zou
kunnen claimen. Echter, volgens de jurisprudentie en de literatuur is gezag
geen noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan van ‘family life’

De afgelopen jaren hebben zich herhaaldelijk vaders bij de Europese
Commissie gemeld met de klacht, dat door de nationale autoriteiten inbreuk
wordt gemaakt op hun ‘family life’ door de moeder na echtscheiding ‘care and
custody’ (=zorg en gezag) te geven

(Het hierna volgende is een bespreking van deze zaken van N. Holtrust en
I. de Hondt. Het Marckx-arresteffect, Nemesis mei/juni 1986, pag. 98 e.v.) De
beslissingen van de Commissie in deze casus houden steeds in, dat het ‘family
life’ tussen ouders en kinderen na (echt)scheiding blijft bestaan, ook tussen
het kind en de ouder die niet met het gezag is bekleed. Met andere woorden
(de mogelijkheid tot het verwerven van) gezag is geen noodzakelijke
voorwaarde voor het bestaan van ‘family life’. Het opdragen van gezag en zorg
aan een ouder is, volgens de Commissie, een onvermijdelijke inbreuk op het
‘family life’ van de andere ouder

Een rechtvaardigingsgrond na echtscheiding acht de Commissie bij
voorbeeld het feit, dat na echtscheiding een kind deel uitmaakt van twee
‘family life’ relaties, waarbij de relatie waar het kind feitelijk toe
behoort, een grotere mate van eerbiediging verdient dan de relatie waartoe het
kind feitelijk niet behoort. Tot zover het artikel in Nemesis

Zie ook Nemesis 1988 nr. 3 over het verschil in behandeling tussen een
ongehuwde vader en een gescheiden vader respectievelijk een ongehuwde vader
en een ongehuwde moeder

Op de zitting in eerste aanleg is reeds verwezen naar de uitspraak van
de Europese Commissie nr. 9034/80, geciteerd in Nemesis 1986 nr. 4, pag. 168,
waaruit blijkt dat het geen eis van het ‘family life’ in de zin van het EVRM
is, dat een vader een rechtsbetrekking met het kind moet kunnen vestigen.
Ook uit wel gepubliceerde uitspraken blijkt, dat art. 14 (in verband met art.
8) van het EVRM geen recht op gelijke behandeling schept, dat verder gaat dan
recht van de vader op een feitelijke band met het kind:

Europese Hof voor de Rechten van de Mens, 28 november 1984, NJ 1986 nr.
4. Het betrof een gevolg van ontkenning van kinderen, waarbij de man zich
beklaagde over het feit, dat de tijdslimiet voor ontkenning voor hem korter
was dan die voor de vrouw

Noot 11 onder deze uitspraak (EAAL) constateert instemmend een
‘weloverwogen terughoudendheid van dit Hof ten aanzien van de eigen wetgeving
der verdragsstaten’. Zie voorts HR 12 juni 1987, RvdW 1987, 136 en HR 8
januari 1988 RvdW 1988, 11. Beide uitspraken in de zin als hierboven betoogd

De Nederlands wetgever heeft bij de totstandkoming van art. 224 moeder
en kind willen beschermen tegen gedrongen vaderschap. Dit is weliswaar een
bepaling uit de oude doos, maar ook in het Voorontwerp Afstammingsrecht 1981
zegt de wetgever in de Memorie van Toelichting, pag. 16: ‘Naar mijn oordeel
moet het niet mogelijk zijn, dat een man een kind erkent tegen de wens van de
moeder. Het is vanuit de positie van de moeder niet aanvaardbaar, dat een man
zich tegen haar wil in een rechtsverhouding tot het kind brengt. Het vestigen
van een rechtsbetrekking van de man tot het kind vereist een vrije
toestemming van de moeder en deze man’

Over het Voorontwerp is discussie ontstaan. Er zijn zowel schrijvers die
de toestemming van de moeder in strijd vinden met art. 8, als schrijvers die
ä
niet vinden. Het is niet aan de rechter om deze knoop nu door te hakken,
dit blijft het primaat van de wetgever

Daar komt bij, dat als een man het recht zou hebben (op grond van art.
14 juncto art. 8 EVRM) om tegen de wil van de moeder het kind te erkennen, op
grond van datzelfde gelijkheidsbeginsel/family life etc., de moeder het recht
zou moeten hebben het kind te laten erkennen zonder de toestemming van de
man. Tegen dit laatste nu keren zich in ieder geval veschillende schrijvers.
Zie bij voorbeeld Asser-De Ruiter, personen en familierecht 1984 deel 1, pag.
120. ‘Hoe dit ook zij, bij vonnis opgelegde familierechtelijke betrekkingen
kunnen mijns inziens moeilijk bijdragen tot het levensgeluk van een kind’

Mr. P. Vlaardingerbroek, Staatprocedure en erkenning, FJR 1986, pag. 124
e.v. Een eenoudergezin waar een goede affectieve relatie bestaat tussen de
ouder en de kinderen, lijkt mij een beter klimaat voor een harmonische
ontplooiing van het kind dan een gedwongen vaderschap’

De vrouw kan dus wel terecht een beroep op art. 224 boek 1 BW doen en
blokkeert met haar weigering toestemming te geven niet het ‘family life’ van
de man met het kind

Ad b.

De kwestie van de botsing van grondrechten

Het recht op ‘family life’ van de ongehuwde vader botst met het recht op
‘family life’ van de ongehuwde moder en het kind. De vrouw bestrijdt hetgeen
de Rechtbank op dit vlak overweegt onder punt 9 pag. 5 van de bestreden
beschikking

Wat haar argumenten omtrent het prevaleren van haar belangen betreft,
verwijst de vrouw naar hetgeen hierboven en in eerste aanleg is aangevoerd op
het punt van de belangen bij geslachtsnaamgelijkheid van moeder en kind en
naar hetgeen hierboven is vermeld omtrent de in het kader van art. 8 en art.
14 EVRM voorgaande belangen van de (ongehuwde) moeder en kind ten opzichte
van de belangen van de vader op het vlak van gezag en zorg

Er is niemand in deze zaak, die de vader het recht op en feitelijke band
en goede relatie met het kind wil ontzeggen, zeker de vrouw niet; het is
echter onge rechtvaardigd en ongegrond aan die rechten op een mooie
verstandhouding ook het recht op erkenning en de in Nederland daarbij van
rechtswege intredende gevolgen vast te knopen

Rechters

onbekend

Instantie: Raad van Beroep Amsterdam, 29 december 1987

Instantie

Raad van Beroep Amsterdam

Samenvatting


WAO. AAW. Minimumdagloon. De Raad van Beroep komt tot de
conclusie dat het systeem van kostwinnerstoeslagen niet verenigbaar is met de
Derde EG-richtlijn. Diezelfde onverenigbaarheid betreft ook de wet van 29
december 1982 (WAO) en de daarbij behorende uitvoeringsmaatregelen, waarbij
van een volledig sekse-neutraal systeem van bescherming van uitkeringsrechten
op het niveau van het bestaansminimum is overgegaan op het slechtere
beschermingssysteem van de AAW. Uitzonderingsbepalingen dienen strikt te
worden geinterpreteerd. De Raad vroeg in deze zaak een prejudiciele
beslissing aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap. Arrest Hof
van Justitie op 11 juni 1987. De Raad houdt 23 december 1984 als
ingangsdatum voor de rechtstreekse werking van de EG-richtlijn

Met Conclusie van Advocaat-Generaal

Volledige tekst

Rechters

Voorzitter Mr. F.P. Zwart

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 29 december 1987

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Het verzoek tot een hogere inschaling kon, ondanks positief advies van de
Commissie gelijke behandeling bij de arbeid in de burgerlijke openbare
dienst, in redelijkheid worden geweigerd, omdat de functie van eiseres met
de rang van hoofdverpleegkundige adequaat was gehonoreerd en de functie
van de maatman anders was.

Volledige tekst

I. ontstaan en loop van het geding

Namens eiseres is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift (met bijlage)
aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen tussen
partijen door het Ambtenarengerecht te Haarlem op 1 mei 1986 onder nr. AW
1985/53 gegeven uitspraak.

Van de kant van gedaagde is van contra-memorie (met vier bijlagen)
gediend. Nadien is van die zijde verder nog een brief (met twee bijlagen)
ontvangen in reactie op een verzoek van ’s Raads fungerend president.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van 8 december 1987. Aldaar is
eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door mr P.J. Koeslag, juridisch
medewerker van de CFO (CNV-bond voor Overheid, Gezondheid, Welzijn en
Sociale Werkvoorziening) te ‘s-Gravenhage. Voor gedaagde is ter
terechtzitting opgetreden L.H. Mekel, stafmedewerker rechtspositie bij het
Medisch Centrum Alkmaar.

II Motivering

Onder verwijzing mede naar de in rubriek 3 van de aangevallen uitspraak
gegeven uiteenzetting vermeldt de Raad eerst de volgende feiten en
omstandigheden.

Ten tijde in dit geding van belang was eiseres werkzaam als hoofd van de
operatiekamer locatie Noord van het Medisch Centrum Alkmaar (verder te
noemen: MCA), en wel in de rang van hoofdverpleegkundige. Hoofd van de
operatiekamer locatie Zuid van het MCA was haar mannelijke collega J. van
den Berg. Deze collega is met ingang van 1 januari 1979 bevorderd tot
hoofdverpleegkundige A, van welk feit eiseres pas in oktober 1982 kennis
kreeg. Zij heeft toen -door het indienen van een daartoe bestemd
formulier- om dezelfde bevordering verzocht. Op dat verzoek is, eerst
mondeling en vervolgens in de periode februari/mei 1983 ook schriftelijk,
afwijzend gereageerd, het laatst bij brief van gedaagde d.d. 27 mei 1983,
luidende als volgt: “In antwoord op uw -aangetekende- brief van 30 april
j.l. deel ik u mede geen aanleiding te zien af te wijken van het door de
heer Hoogervorst ingenomen afwijzend standpunt terzake uw verzoek om
bevordering naar een hogere rang. De in de brieven van 15 februari en 25
april j.l. gegeven toelichting spreekt voor zich en wordt door mij
onderschreven.”

Bij brief van 8 juni 1983 heeft eiseres vervolgens een klacht ingediend
bij de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid
in de burgerlijke openbare dienst (hierna: de Commissie), omdat naar haar
mening sprake was van ongelijke behandeling van haar en haar voornoemde
collega. De commissie heeft bij advies van 16 april 1984 geconcludeerd tot
het oordeel dat het MCA “in strijd met artikel 1, lid 1 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare
dienst onderscheid maakt in de beloning tussen verzoekster en de
mannelijke collega met wie zij zich vergelijkt.”

Onder verwijzing naar het advies van de Commissie heeft eiseres bij brief
d.d. 19 februari 1985 opnieuw verzocht haar in te schalen in de rang van
hoofdverpleegkundige A welke haar meerbedoelde collega van 1 januari 1979
tot 1 september 1984 had. Gedaagde heeft bij het thans in geding zijnde
besluit het eerder ingenomen, afwijzende standpunt met betrekking tot de
door eiseres gewenste bevordering gehandhaafd, onder verwijzing naar onder
meer zijn brief aan de Commissie d.d. 7 september 1984 waarin hij een
gemotiveerde reactie geeft op het advies van de Commissie.

Het voorgaande in aanmerking genomen moet de Raad concluderen, dat het
bestreden besluit het karakter draagt van een weigering om terug te komen
op een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit, te weten
de in de hiervoor weergegeven brief van 27 mei 1983 vervatte, als
definitief aan te merken weigering eiseres overeenkomstig haar wens net
als haar collega v.d. B te bevorderen tot hoofdverpleegkundige A. Dit
karakter van het bestreden besluit leidt ertoe, dat de Raad bij de
toetsing ervan terughoudendheid in acht moeten nemen, dat wil zeggen, dat
hij zich moet beperken tot de beantwoording van de vraag, of kan worden
gezegd dat gedaagde bij afweging van de betrokken belangen niet in
redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen dan wel dat het besluit
anderszins in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel of een algemeen
beginsel van behoorlijk bestuur.

De Raad heeft geen gronden kunnen vinden voor het oordeel dat het
bestreden besluit deze terughoudende toetsing niet kan doorstaan. Hij komt
derhalve evenals de eerste rechter -zij het langs andere weg- tot de
slotsom dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Hij volstaat met
hiertoe nader het volgende te overwegen. De Raad heeft moeten vaststellen,
dat hetgeen van de kant van gedaagde in de loop van de tijd te berde is
gebracht over de beweegredenen welke destijds tot de bevordering van v.d.
B hebben geleid, niet in alle opzichten consistent is. De Raad heeft
echter geen termen kunnen vinden voor onjuist te houden hetgeen met name
ook uit eerdergenoemd schrijven van 7 september 1984 naar voren komt,
namelijk dat de aanleiding tot de bevordering van v.d. B is gevonden in
de omstandigheid dat hij op grond van daartoe bij hem – meer dan bij
eiseres – aanwezig geachte kwaliteiten werd betrokken bij de toen in gang
zijnde voorbereiding van de integratie van de beide operatiekamers van het
MCA, met daarbij de gedachte dat hij te zijner tijd het hoofd van de te
vormen geintegreerde eenheid zou worden. Dit rechtvaardigt de conclusie,
dat de positie van v.d. B – die sinds 1 september 1984 intussen in een
hogere rang hoofd is geworden van de geintegreerde operatiekamers en
anesthesie-afdelingen van de beide locaties van het MCA – reeds in 1979
een (wat) andere was dan die van eiseres en dat in zoverre van gelijkheid
van functies niet meer kon worden gesproken.

De Raad ziet evenmin grond om voor onjuist te houden het – door eiseres
in wezen ook niet bestreden – standpunt van gedaagde, dat de functie van
hoofd operatiekamer locatie Noord op zichzelf in het licht van de
beloningsstructuur bij het MCA met de rang van hoofdverpleegkundige
adequaat gehonoreerd was. Dit een en ander in aanmerking genomen kan de
Raad niet tot de conclusie komen dat gedaagde niet in redelijkheid heeft
kunnen weigeren om terug te komen op zijn eerdere afwijzing van eiseresses
bevorderingsverzoek; al kan de Raad zich goed voorstellen dat de
opstelling van de kant van de directie in bepaalde stadia van deze
aangelegenheid door eiseres als uiterst onbevredigend moet zijn ervaren
( …).

Beslissing: de Centrale Raad van Beroep, bevestigt de aangevallen
uitspraak ( …).

Rechters

Mrs. Kloos, Bekker en van den Brink

Instantie: Rechtbank Arnhem, 24 december 1987

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Zwangerschap. Ontslag tijdens proeftijd. Vergoeding – immateriele –
schade. Vrouw treedt op 13 augustus 1984 als logopediste in dienst van de
Roeland-school. Op diezelfde datum meldt zij aan het schoolhoofd dat zij
drie maanden zwanger is. Op 30 augustus beslist de werkgever de
arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd te doen eindigen. De kantonrechter
Nijmegen -vonnissen 27 september 1985 en 25 juli 1986, rolnr. 192/85-
oordeelt dat art. 1637ij BW van toepassing is en dat de Roelantstichting
schadeplichtig is: te weten ruim ƒ 11.000,– (elfduizend gulen)
schadevergoeding – minus de uitkering – en ƒ 13.000,– (dertienduizend
gulden) immateriele schadevergoeding. De rechtbank bekrachtigt deze vonnissen

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar
de inhoud van bovengenoemde vonnissen van de kantonrechter

De Roelantstichting is bij vermeld exploit tijdig van genoemde vonnissen
in hoger beroep gekomen. Zij heeft bij memorie van grieven vier grieven tegen
deze vonnissen ontwikkeld, concluderend dat de rechtbank deze vonnissen zal
vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij vonnis S. in haar vordering niet
ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze vordering zal ontzeggen met
veroordeling van S. in de kosten van het geding in beide instanties

S. heeft vervolgens bij memorie van antwoord de stellingen van de
Roelantstichting bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de beroepen
vonnissen met veroordeling van de Roelantstichting in de kosten van de
procedure in beide instanties

Partijen hebben tenslotte de stukken, waaronder die van de eerste
aanleg, overgelegd voor het wijzen van vonnis. De inhoud van alle vermelde
stukken geldt als hier ingelast

2. De grieven

a. Het gaat in dit geding om de vraag of de Roelantstichting op 30
augustus 1984 S., die sinds 1 augustus 1984 bij haar in dienst was, terecht
heeft ontslagen op grond van S.’s zwangerschap althans haar in verband
daarmee te verwachten vrij langdurige afwezigheid. De Roelantstichting
baseert haar bevoegdheid tot dit ontslag op de omstandigheid dat dit viel
binnen de tussen partijen overeengekomen proeftijd

De kantonrechter heeft tegen de betwisting daarvan door S.’s aangenomen
dat partijen inderdaad rechtsgeldig een proeftijd zijn overeengekomen, maar
overeenkomstig S.’s stelling beslist dat ook tijdens die proeftijd het
ontslag op deze grond niet geoorloofd was

Het hoger beroep van de Roelantstichting is tegen deze laatste
beslissing gericht. In haar memorie van antwoord heeft S. laten blijken het
wel met die beslissing eens te zijn, maar niet met de overweging van de
kantonrechter dat een proeftijd was overeengekomen. Zij heeft echter niet met
zoveel woorden incidenteel hoger beroep ingesteld en zij concludeert tot be
vestiging van beide vonnissen “zo nodig onder verbetering/aanvulling van de
gronden”. De rechtbank begrijpt het standpunt van S. nu zo dat zij haar
bezwaren tegen de overwegingen van de kantonrechter alleen voorwaardelijk aan
de orde bedoelt te stellen, namelijk alleen ingeval de rechtbank de vonnissen
van de kantonrechter op enige grief van de Roelantstichting zou willen
vernietigen. Nu dat geval, zoals hierna zal blijken, zich niet voordoet, komt
de rechtbank niet toe aan beoordeling van de bezwaren van S. tegen de
overwegingen van de kantonrechter en zal de rechtbank er in het vervolg van
uitgaan dat een proeftijdbeding deel uitmaakt van de tussen partijen gesloten
arbeidsovereenkomst

b. De grieven van de Roelantstichting luiden als volgt:

Grief I:

Ten onrechte heeft de kantonrechter het bepaalde in het eerste lid van
artikel 1637ij BW van toepassing geacht op beeindiging van de
arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd

Grief II:

Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat de Roelantstichting
bij het beeindigen van de arbeidsovereenkomst met S. onderscheid heeft
gemaakt tussen mannen en vrouwen als bedoeld in artikel 1637ij BW

Grief III:

De kantonrechter heeft ten onrechte gemeend dat, indien artikel 1637ij
BW in casu van toepassing zou zijn – quod non – voor een afweging tussen het
belang van S. bij het niet maken van het gewraakte onderscheid tussen mannen
en vrouwen en het belang van de Roelant stichting bij het veilig stellen van
een ongestoord verloop van het schooljaar (gezien de aard van de kinderen, het
soort van de school en de aard van het vak, logopedie) geen plaats is

Grief IV:

Ten onrechte heeft de kantonrechter de Roelantstichting schadeplichtig
geoordeeld

3. De feiten

Voorzover in hoger beroep van belang staat tussen partijen het volgende
vast:

a. Op 1 augustus 1984 is S. voor de tijd van 1 jaar in dienst van de
Roelantstichting getreden als logopediste voor 10,6 uur per week tegen een
salaris van ƒ 792,15 netto per maand

b. In de eerste helft van april 1984 hebben tussen partijen besprekingen
p laatsgevonden over het aangaan van deze arbeidsovereenkomst hetgeen ertoe
heeft geleid dat de Roelantstichting bij brief van 18 april 1984 aan S. heeft
bericht dat zij met ingang van 1 augustus 1984 was aangesteld in
bovenvermelde functie

c. In deze brief wordt niet vermeld dat bij haar indiensttreding een
proef tijd zou gelden, evenmin is haar dat gedurende besprekingen
uitdrukkelijk gezegd

d. Op 13 augustus 1984 is S. met haar werkzaamheden voor de
Roelantstichting begonnen. Op dezelfde datum heeft zij aan het hoofd van de
Roelant-school waar zij werkte medegedeeld dat zij toen 3 maanden zwanger was

e. Op 29 augustus 1984 is haar de benoemingsakte bij de
arbeidsovereenkomst met haar werkgeefster ter tekening voorgelegd, waarin
stond dat een proeftijd van 2 maanden gold. S. heeft dit stuk toen
ondertekend

f. Het bestuur van de Roelantstichting heeft op 30 augustus 1984 dit
stuk getekend. Tevens heeft zij op dezelfde dag met gebruikmaking van de
mogelijkheid die het proeftijdbeding bood besloten de arbeidsovereenkomst met
S. met ingang van 5 september 1984 te doen eindigen. Daartoe heeft zij op 30
augustus 1984 een akte van ontslag ondertekend, aan welk ontslagbesluit aldus
uitvoering is gegeven

4. De beoordeling van de grieven

ten aanzien van grief I

a. Met betrekking tot grief I overweegt de rechtbank dat ook gedurende
de proeftijd de arbeidsverhouding van de werkgever en de werknemer op een
normale arbeidsovereenkomst steunt

b. Daarnaast valt de toepasselijkheid van artikel 1637ij BW gedurende de
proeftijd uit de tekst van deze bepaling af te leiden nu daarin sprake is van
een verboden onderscheid reeds bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst.
Naar het oordeel van de rechtbank is het ongerijmd om wat in deze geldt bij
het aangaan van de arbeidsovereenkomst niet meer van toepassing te achten
gedurende een periode van 2 maanden na de aanvang van de contractperiode

c. De kantonrechter heeft derhalve juist overwogen dat artikel 1637ij BW
onder meer verbiedt onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen bij de
“beeindiging” van de arbeidsovereenkomst en dat onder een dergelijke
beeindiging ook valt het “doen eindigen” van artikel 1639n BW

d. De kantonrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat artikel 1637ij
BW in casu van toepassing is, zodat grief I faalt

ten aanzien van grief II

e. Met betrekking tot grief II gaat de Roelantstichting er vanuit dat
zij zich bij het beeindigen van de arbeidsovereenkomst slechts heeft laten
leiden door de voorzienbare afwezigheid van S. over een vrij lange periode
gedurende het schooljaar 1984/1985. Er zou daarom geen sprake zijn geweest
van een door haar gemaakt onderscheid tussen mannen en vrouwen als bedoeld in
artikel 1637ij BW

f. Volgens de Roelantstichting hanteert de kantonrechter een onjuiste
maatstaf door te overwegen dat onderscheid tussen mannen en vrouwen wordt
gemaakt indien er rechtstreeks verband is tussen de beeindiging van de
dienstbetrekking en de zwangerschap van de werknemer. De Roelantstichting
geeft echter niet aan waarom die overweging onjuist zou zijn en de rechtbank
kan dat ook niet inzien; zij acht de door de kantonrechter gehanteerde
maatstaf juist

Voorts betwist de Roelantstichting dat er in dit geval een rechtstreeks
verband zou zijn tussen de beeindiging van de arbeidsverhouding en de
zwangerschap van S. (al ontkent zij niet dat die zwangerschap een rol heeft
gespeeld), nu niet die zwangerschap maar de voorzienbare afwezigheid de
doorslag gaf. Die voorzienbare afwezigheid is echter naar het oordeel van de
rechtbank het onvermijdelijke en directe gevolg van de zwangerschap, in die
mate dat er inderdaad een rechtstreeks verband tussen die zwangerschap en de
beeindiging van de dienstbetrekking moet worden aangenomen

Aan het betoog van de Roelantstichting dat zij in een door haar genoemd
voorbeeld van voorzienbare afwezigheid van een mannelijke werknemer wegens
(militaire) herhalingsoefeningen niet anders zou hebben gehandeld kon de
kantonrechter voorbij gaan, omdat hem niet dat voorbeeld doch de onderhavige
kwestie als geschil ter beoordeling was voorgelegd. Bovendien is in dat
voorbeeld de oorzaak van de afwezigheid van heel andere aard en houdt die in
veel mindere mate rechtstreeks verband met het geslacht van de werknemer

Grief II faalt derhalve eveneens

Ten aanzien van grief III

h. Ook grief III, inhoudende dat de kantonrechter bij de toepassing van
artikel 1637ij BW ten onrechte de belangen van partijen niet tegen elkaar
heeft afgewogen, slaagt niet

i. De essentie van artikel 1637ij BW is het discriminatieverbod voor de
werkgever. De vraag of er al dan niet sprake is van discriminatie kan alleen
worden beoordeeld door te zien op gedragingen van de werkgever in het
betrokken geval. De achterliggende belangen van hetzij de werkgever hetzij de
werknemer zijn voor dat oordeel in beginsel niet van belang

j. Een afweging als bedoeld door de Roelantstichting kan er bovendien
toe leiden dat het discriminatieverbod onder omstandigheden illusoir wordt en
dat kan gelet op de sancties waarmee deze regeling is omgeven niet de
bedoeling van de wetgever zijn geweest

ten aanzien van grief IV

k. Ten aanzien van grief IV waarin wordt aangevoerd dat de kantonrechter
ten onrechte de Roelantstichting schadeplichtig heeft geoordeeld overweegt de
rechtbank dat de kantonrechter er terecht van is uitgegaan dat onder de
gegeven omstandigheden de beeindiging van de arbeidsovereenkomst niet als een
nietig, maar als een geldig ontslag moet worden beschouwd, maar dat de
Roelantstichting aldus heeft gehandeld in strijd met haar verplichtingen als
een goed werkgever. Nu de wet geen bijzondere sanctie op overtreding van het
verbod in deze omstandigheden geeft, dient zo’n sanctie te worden gezocht in
de algemene regels betreffende de wanprestatie, maar zoveel mogelijk in
aansluiting op de bijzondere regels die het arbeidsovereenkomstenrecht voor
vergelijkbare gevallen kent

l. Daarvan uitgaande acht de rechtbank de beslissing van de
kantonrechter juist dat de Roelantstichting aan S. de schade dient te
vergoeden die deze tengevolge van haar handelwijze lijdt. De Roelantstichting
voert daartegen aan dat de regeling van de wijzen waarop de dienstbetrekking
eindigt en van de gevolgen van niet regelmatige wijze van beeindiging in de
artikelen 1639e tot en met 1639x BW uitputtend is, maar voorzover zij daarmee
wil betogen dat die regeling in de weg staat aan het toekennen van
schadevergoeding in een geval als dit vindt haar opvatting geen steun in het
recht

m. Wat de hoogte van de schadevergoeding betreft heeft de kantonrechter
zich kennelijk enerzijds laten leiden door artikel 1639r BW en naar analogie
van deze bepaling een bedrag toegekend wegens het verlies van inkomen dat S.
tengevolge van de handelwijze van de Roelantstichting lijdt

Anderzijds heeft de kantonrechter op de voet van artikel 1637w BW
daarnaast een bedrag voor vergoeding van onstoffelijke schade toegekend

Beide onderdelen van de toegekende schadevergoeding passen in de
hiervoor aan het slot van rechtsoverweging 4 k aangegeven opzet. Ten aanzien
van de onstoffelijke schade voegt de rechtbank daar nog het volgende aan
toe. Weliswaar is onder het huidige recht betwist of voor vergoeding daarvan
bij wanprestatie in het algemeen plaats is, maar onder het N.B.W. zal zo’n
vergoeding wel toegekend kunnen worden. Bovendien past die toekenning nu in
ieder geval in het recht betreffende de arbeidsovereenkomst gezien het door
de kantonrechter aangehaalde art. 1637w BW

n. Door aldus te beslissen is de kantonrechter niet buiten de
rechtsstrijd tussen partijen getreden. Immers S. heeft bij inleidend
verzoekschrift een zodanige vergoeding als de kantonrechter redelijk en
billijk oordeelt verzocht. Ook valt uit de stellingen van S. in de procedure
in eerste instantie voldoende af te leiden dat zij tevens aanspraak wenst te
maken op vergoeding van door haar gestelde onstoffelijke schade. De
omstandigheid dat – zoals de kantonrechter heeft vastgesteld – de gronding
van de diverse door S. gestelde schaden veelal onvoldoende is doet daaraan
niet af. Dit temeer nu uit het proces-verbaal van de op 21 februari 1986
gehouden comparitie van partijen blijkt dat partijen zich omtrent de bepaling
der schadevergoeding toen hebben gerefereerd aan het oordeel van de
kantonrechter

o. Van verjaring ingevolge het bepaalde in artikel 1639u BW, zoals door
de Roelantstichting gesteld, is in dit geval geen sprake. De in dit artikel
bedoelde verjaringstermijn is aldus te verstaan dat men zich tot de rechter
dient te wenden binnen 6 maanden na de dag waarop de dienstbetrekking is
beeindigd. In het – tijdig ingediende – inleidende verzoekschrift bij de
kantonrechter maakt S. reeds aanspraak op schadevergoeding

p. De door de kantonrechter vastgestelde bedragen aan schadevergoeding
en vergoeding voor onstoffelijk schade acht de rechtbank niet bovenmatig

q. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat S. voordat zij bij de
Roelantstichting in dienst trad een vaste aanstelling had bij een andere
school en als gevolg van dit ontslag door haar nieuwe werkgeefster
(tengevolge van haar zwangerschap) verminderde kansen had om weer in het
arbeidsproces te worden opgenomen met alle gevolgen van dien

Tevens wordt in aanmerking genomen de wijze waarop dit ontslag is
gegeven; namelijk door haar aanvankelijk in april 1984 zonder enig
voorbehoud mede te delen dat zij per 1 augustus 1984 was benoemd, haar daarna
medio augustus 1984 nadat zij haar werkgever van haar zwangerschap mededeling
had gedaan een gewijzigde overeenkomst met een proeftijdbeding voor te leggen
en op dezelfde dag dat deze gewijzigde overeenkomst werd gesloten van dit
proeftijdbeding gebruik te maken door haar ontslag te verlenen

r. Uit het voorgaande volgt dat ook de laatste grief geen doel treft. De
bestreden vonnissen van de kantonrechter moeten derhalve worden bekrachtigd.
De Roelantstichting zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten
van het hoger beroep worden veroordeeld

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende in hoger beroep,

1. Bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter te Nijmegen op 27
september 1985 en 25 juli 1986 onder rolnummer 192/85 tussen partijen gewezen

2. Veroordeelt de Roelantstichting in de kosten van de procedure in
hoger beroep, aan de zijde van Severijnen begroot op ƒ 1.180,-, waarvan op
de voet van artikel 57b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ƒ 930,-
wegens salaris procureur en ƒ 187,50 wegens in de bet gesteld griffierecht te
voldoen aan de griffier van deze rechtbank en het resterende bedrag aan
griffierecht van ƒ 62,50 aan de procureur van Severijnen

Rechters

Mrs. A.G. Pos, B.N. Crol en H.L.C. Hermans

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 18 december 1987

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


De vrouw verzoekt ten laste van de man een uitkering tot haar
levensonderhoud vast te stellen, aangezien de man thans in staat is de
gevraagde bijdrage te betalen

De vrouw is voor haar leeftijd aangewezen op een ABW-uitkering

De man stelt dat de vrouw geen bijdrage behoeft omdat zij een voor hem
grievende relatie met een andere man had en heeft. Dit is door de vrouw
gemotiveerd betwist. Voorts voert de man aan dat de vrouw gebruik kan maken
van het aanbod van de man om haar ƒ 100.000,– (honderdduizend gulden) te
betalen in het kader van de scheiding en deling van het vermogen. Hieraan
zitten voor de vrouw teveel bewarende voorwaarden. De man heeft geen inzage
willen geven in zijn financien

De rechtbank beslist dat de man aan de vrouw tot haar levensonderhoud
ƒ 2.500,– (vijfentwintighonderd gulden) per maand moet uitkeren

Volledige tekst

Rechters

Mr. A.D. Reiling

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 december 1987

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Wederpartij deelt verzoekster naar aanleiding van haar sollicitatie
schriftelijk mede, dat de bij hem bestaande vacature voor ambtenaar
beroepszaken, gezien de samenstelling van de afdeling, vervuld diende te
worden door een man. Er werken op de afdeling in deze juridische functie
in totaal 6 mensen, waarvan 2 mannen. De vacature is ontstaan door het
vertrek van de 2 mannen. De Commissie oordeelt dat de mogelijkheid tot
voorkeursbehandeling ingevolge art. 5 WGB niet tot doel heeft binnen een
bepaalde organisatie dan wel een bepaalde afdeling een strikt gelijke
getalsmatige verhouding tussen mannen en vrouwen te bewerkstelligen. Bij
functies voor juristen kan niet gesproken worden van een
achterstandssituatie van mannen. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. De aanvraag.

1.1. Op 10 september 1987 heeft mevrouw X. uit … verder te noemen
aanvraagster, de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid, verder te noemen de Commissie, verzocht haar zienswijze
kenbaar te maken ten aanzien van de vraag of door het
GAK-disctrictskantoor Haarlem, verder te noemen werkgever, ten nadele
van aanvraagster hetzij onmiddellijk, het middellijk onderscheid is
gemaakt tussen mannen en vrouwen dan wel onderscheid tussen gehuwden en
ongehuwden als bedoeld in de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (Stb. 1980, nr. 86) (WGB).

1.2. Aanvraagster had gesolliciteerd naar de functie van jurist bij de
afdeling beroepszaken van het GAK Amsterdam. Hiervoor kwam zij niet in
aanmerking, doch haar sollicitatiebrief werd doorgezonden naar de
werkgever.

Enige tijd later ontving aanvraagster een brief van werkgever waarin hij
meedeelde dat de bij hem bestaande vacature voor beambte beroepszaken
(m/v), gezien de toenmalige samenstelling van de afdeling, vervuld
diende te gaan worden door een man.

Telefonische navraag bij werkgever leerde aanvraagster het volgende:

Op de desbetreffende afdeling werkten 6 mensen op 5 formatieplaatsen : 2
mannen en 1 vrouw full-time en 2 vrouwen part-time. Het hoofd van de
afdeling (een vrouw) werkte full-time.

Doordat de 2 mannen wegens promotie vertrokken, onstonden twee
vacatures.

Voorts vernam aanvraagster dat de man-vrouw-verhouding bij werkgever
circa 60%-40% is, met een oververtegenwoordiging van vrouwen in de
lagere en een ondervertegenwoordiging van vrouwen in hogere functies.

1.3. De aangeboden functie op academisch niveau behoort tot de hogere
functieniveau’s. Het kan volgens aanvraagster niet de bedoeling zijn de
WGB zo toe te passen dat een overtegenwoordiging van vrouwen op een
afdeling, die wat functieniveau betreft behoort tot een categorie
functies, waar vrouwen nog veruit in de minderheid zijn, mag worden
gehanteerd als argument om in het geheel geen vrouwen in de
selectieprocedure te betrekken.

2. Het onderzoek

2.1. De Commissie heeft het verzoek van aanvraagster in behandeling
genomen en ter zake een onderzoek ingesteld teneinde na te gaan of ten
nadele van aanvraagster onderscheid is gemaakt als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2.2. Artikel 3, eerste lid, WGB luidt:

Het is niet toegelaten in de advertentie waarin een betrekking
aangeboden wordt of bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen,
hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk bijvoorbeeld door verwijzing naar
de echtelijke staat of de gezinsomstandigheden.

Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing in die gevallen
waarin het geslacht bepalend is.

2.3. Werkgever heeft met betrekking tot de aanvraag schriftelijk
inlichtingen verstrekt op 5 oktober 1987.

Dit was voor aanvraagster geen aanleiding voor een nadere reactie.

Werkgever heeft tenslotte desgevraagd op 13 november 1987 aanvullende
informatie verstrekt.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunt
nader mondeling uiteen te zetten in een openbare Commissievergadering.

De Commissie heeft de aanvraag besproken in de vergadering van 10
december 1987.

3. Resultaten van het onderzoek

3.1. Werkgever deelt mee een voorkeur te hebben gehad voor een
mannelijke kandidaat, aangezien er op de desbetreffende afdeling sprake
was van een bezetting door 4 vrouwen en twee mannen, met dien verstande
dat deze twee mannen vertrokken naar hogere functies.

Uiteindelijk zijn twee mannen aangenomen.

3.2. In de interne advertentie werd gevraagd om een “beambte
beroepszaken m/v” zonder dat de voorkeur voor een man werd uitgesproken.

3.3. Een van de functie-eisen was een universitaire opleiding Nederlands
Recht, dan wel opleiding en ervaring op daarmee gelijk te stellen
niveau.

3.4. Desgevraagd deelt werkgever mee dat de bezetting 4 vrouwen/2 mannen
betrekking heeft op de juridische functie, n.l.:
-leider beroepszaken: vrouw
-beambten beroepszaken: 3 vrouwen en 2 mannen.
De administratie van de afdeling wordt verzorgd door 3 vrouwen.

4. Overwegingen van de Commissie

4.1. Op de bepaling van artikel 3 lid 1, WGB dat geen onderscheid mag
worden gemaakt tussen mannen en vrouwen bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking zijn slechts twee
uitzonderingen mogelijk:

1) Indien het geslacht bepalend is (art. 3, lid 1, WGB laatste zin);

2) Indien het gemaakte onderscheid beoogt personen van een bepaald
geslacht in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke
ongelijkheden op te heffen (art. 5, WGB).

4.2. De Commissie is van mening dat de eerste uitzondering in casu niet
van toepassing is, terwijl daarop ook geen beroep is gedaan.

4.3. In relatie tot de tweede uizondering merkt de Commissie het
volgende op.

Uitgangspunt van de WGB is het zo veel mogelijk uitbannen van
onderscheid tussen mannen en vrouwen; het geslacht mag in principe geen
rol spelen.

De mogelijkheid tot voorkeursbehandeling is gecreeerd om een
“achterstand” van personen van een bepaald geslacht (met name vrouwen)
(sneller) ongedaan te maken.

De mogelijkheid tot voorkeursbehandeling heeft niet tot doel in een
bepaalde organisatie dan wel binnen een bepaalde afdeling een strikte
gelijke getalsmatige verhouding tussen mannen en vrouwen te
bewerkstelligen.

4.4. Bij functies voor juristen kan niet gesproken worden van een
achterstandssituatie van mannen, zij het dat bij werkgever mannen in de
onderhavige functie (toevallig) wel getalsmatig in de minderheid zijn.

Om die reden is het naar de mening van de Commissie gezien de bedoeling
van de uitzonderingsmogelijkheid niet toegestaan bij de wervings- en
selectieprocedure een voorkeursbehandeling voor mannen toe te passen en
vrouwen vrijwel of geheel uit te sluiten als potentiele kandidaten.

5. Oordeel van de Commissie

5.1. De Commissie komt op grond van hetgeen in de vorige paragrafen is
vermeld tot het oordeel dat werkgever bij de onderhavige vacature een
voorkeursbehandeling toepaste voor mannen en daarmee een onderscheid
maakte tussen mannen en vrouwen.

De Commissie is van mening dat hoewel er bij werkgever minder (zelfs
geen) mannen dan vrouwen werkzaam zijn in de juridische functie van
beambte beroepszaken de toegepaste voorkeursbehandeling, waarbij vrouwen
vrijwel of geheel werden uitgesloten als potentiele kandidaten, niet is
toegestaan, gelet op de bedoeling van artikel 5, WGB, aangezien bij
functies voor juristen niet gesproken kan worden van een
achterstandssituatie van mannen.

5.2. De Commissie heeft vastgesteld dat door werkgever ten nadele van
aanvraagster onderscheid is gemaakt als bedoeld in artikel 3 van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

5.3. Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen heeft de Commissie haar zienswijze kenbaar gemaakt aan
aanvraagster en werkgever.

5.4. Aldus vastgesteld te ‘s-Gravenhage op 17 december 1987

Rechters

mr. J.A. van den IJssel, voorzitter; drs. M.J.M. van Randwijck-vande Poll, secretaris

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 10 december 1987

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Ongewenste intimiteiten. Ontbinding arbeidsovereenkomst.
Aanvulling loon. Schadevergoeding voor de gevolgen van de vernederende
behandeling ƒ 15.000,– (vijftienduizend gulden). Getuigen van verweerder
zijn bij hem in loondienst en kunnen niet als geheel onafhankelijk worden
beschouwd

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Bij tussenbeslissing van 4 september 1987 werd verzoekster opgedragen te
bewijzen, dat verweerder haar met ongewenste intimiteiten heeft lastig
gevallen en heeft aangerand

Daarop heeft verzoekster als getuigen laten horen V., B.,
hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam, en haar moeder. De
rechercheur B. legde bij zijn verhoort over een fotokopie van het in de
strafzaak tegen verweerder – betreffende “feitelijke aanranding van de
eerbaarheid”, op aangifte van verzoekster – opgemaakt proces-verbaal. Deze
fotokopie is aan het proces-verbaal gehecht

In tegenverhoor liet verweerder als getuigen horen de bij hem in dienst
zijnde B.K., de kok J. en een voormalige werknemer: eeT.

Gronden van de beslissing

Uit de verklaringen, die zijn afgelegd door de getuigen V., B., M, (de
moeder van verzoekster) – in onderling verband en samenhang bezien – en uit
de door de politie genoteerde verklaring van A.K., alsmede de van deze
laatste afkomstige brief, die door verzoekster is overgelegd, valt het
verlangde bewijs van de ongewenste intimiteiten in voldoende mate af te
leiden

Het door verzoekster genoemde voorval waarbij verweerder haar, terwijl
zij zich op het aanrecht in de keuken van het restaurant bevindt, tegen haar
wil in haar kruis grijpt, wordt bevestigd door de verklaring van de getuige
V. voorzover het om een poging daartoe ging. Deze getuige heeft immers
waargenomen dat verweerder zijn handen onder verzoeksters rok schoof en deze
naar haar kruis toe bewoog. Na verzet van verzoekster ging verweerder weg.
De getuige verklaart voorts dat verzoekster met opzet een maillot droeg om te
verhinderen dat verweerder zijn doel zou bereiken

Deze verklaringen en stukken worden niet ontzenuwd door de verklaringen
van de in tegenverhoor gehoorde getuigen. Dat geen van deze getuigen
handtastelijkheden heeft waargenomen betekent niet dat zij niet hebben
plaatsgevonden: een en ander kan immers voorgevallen zijn op momenten waarop
de getuigen niet aanwezig waren

Overigens dienen in elk geval de verklaringen van twee van de drie
getuigen van verweerder (B.K. en J.) met bijzondere voorzichtigheid te worden
beschouwd; deze getuigen zijn in loondienst van verweerder en kunnen dan ook
niet als geheel onafhankelijk worden beschouwd

Het verweer, dat de getuige V. niet meer dan twee dagen heeft gewerkt,
is bestreden door verzoekster. Verweerder heeft geen bewijs geleverd van
deze omstreden stelling, zodat zij niet vaststaat

Het aldus bewezen gedrag van verweerder moet als zeer vernederend ten
opzichte van verzoekster worden beschouwd. Dit alles vormt voldoende reden
tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

Aan verzoekster zal een vergoeding worden toegekend ter tegemoetkoming
in de gevolgen die de vernederende behandeling voor haar heeft gehad. Het
door verzoekster gevraagde bedrag van ƒ 15.000.– komt in dit verband
billijk voor

Ook is toewijsbaar de gevraagde aanvulling op het loon, zij het dat
deze, gelet op verzoeksters jeugdige leeftijd (23) en haar kansen op een
dienstverband elders, beperkt zal worden tot 1 april 1988 en ook behoort te
gelden voor het geval verzoeksters elders werk mocht vinden maar een lager
salaris zou gaan verdienen

Beslissing:

I. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 januari 1988

Aan verzoekster wordt een vergoeding toegekend ten laste van verweerder
ten bedrage van ƒ 15.000,–

Aan verzoekster wordt voorts een vergoeding toegekend ten laste van
verweerder gelijk aan het verschil tussen het laatstgenoten salaris en de
haar toekomende netto sociale uitkering dan wel een elders te verdienen lager
netto salaris, een en ander tot uiterlijk 1 april 1988

Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoedingen

Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, tot deze
uitspraak aan de zijde van de wederpartij begroot op ƒ 1.350,– als salaris
gemachtigde, te betalen aan de Griffier van het Kantongerecht

III. Het onder I. gestelde geldt niet indien het verzoek wordt
ingetrokken uiterlijk op 30 december 1987

Rechters

Mr. J.P. Fokker