Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 10 december 1987

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


In december 1986 publiceerde kardinaal Simonis een artikel over
feministische theologie. Daarin rukt hij allerlei citaten uit zijn verband
en verklaart hij op amateuristische wijze waarom de man de eerste in de
schepping is. Een organisatie van feministische theologen wil de kardinaal
tot de orde roepen door middel van een kort geding

Beslissing Rechtenvrouw: accoord. De rooms katholieke kerk heeft
altijd sterk bijgedragen aan een negatief beeld van vrouwen. Het is
wenselijk dat vrouwen daartegen in verzet komen

Afloop: de feministische theologen organisatie is zowel bij de rechtbank
als bij het hof niet-ontvankelijk verklaard. Er is afgezien van het
instellen van cassatie

Jaarverslag 1987 no. 38

Volledige tekst

1. Procesverloop

1.1 De president van de rechtbank te Utrecht heeft in kort geding bij op
5 maart 1987 onder rolnummer KG 73/87 uitgesproken vonnis, gewezen tussen
appellanten sub 1 en 2 en de geintimeerden, appellanten sub 1 en 2
niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen

1.2 Appellanten sub 1 en 2 – Mary Daly en het LIO – zijn bij exploit van
18 maart 1987 van genoemd vonnis in hoger beroep gekomen. Bij een
incidentele conclusie heeft het LIO verzocht zich in zijn hoedanigheid van
procesgevolmachtigde van de Academische Uitgeverij Amersfoort B.V. als
gevoegde partij te mogen scharen aan de zijde van Mary Daly en het LIO. Bij
een memorie hebben de appellanten onder overlegging van enige stukken grieven
tegen het vonnis aangevoerd en – hun eis vermeerderend – het hof verzocht het
vonnis waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest voor
zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Geintimeerde sub 1 te verbieden zich in de toekomst bij het in het
openbaar uitdragen van zijn visie, zowel schriftelijk als mondeling,
beledigend en/of kwetsend en/of denigrerend en/of discriminerend over vrouwen
en/of feministen en/of feministisch theologische auteurs uit te laten;

2. Geintimeerde sub 1 te veroordelen binnen twee dagen na de betekening
van dit vonnis aan de dagbladen: De Volkskrant, Trouw, Het Parool, NRC
Handelsblad, Telegraaf, Algemeen Dagblad en aan alle tijdschriften, waarin
het artikel “Enige beschouwingen rond de feministische theologie” voor het
eerst verschenen in de Nederlandstalige uitgave van het Internationaal
Katholiek Tijdschrift Commando verschenen is, aan te bieden ter plaatsing op
een in het oog lopende plaats is de eerstvolgende editie en op zijn kosten
een advertentie van de navolgende inhoud:

“Ik heb op onjuiste wijze geciteerd uit de werken van feministisch
theologische auteurs in mijn artikel “Enige beschouwingen rond de
feministische theologie” voor het eerst verschenen in het decembernummer 1986
van de Nederlandstalige uitgave van het Internationaal Katholiek Tijdschrift
Communio. Ik heb daarmee geen recht gedaan aan deze auteurs en het
gedachtengoed dat zij voorstaan. Ik heb daarnaast in dit artikel
discriminerende conclusies getrokken ten aanzien van de positie en
kwaliteiten van vrouwen in kerk en samenleving, waardoor schade is ontstaan.
Een en ander is komen vast te staan middels een arrest van het Gerechtshof te
Amsterdam d.d. ……..”

3 Geintimeerden te gebieden de verspreiding van het artikel “Enige
beschouwingen rond de feministische theologie”, voor het eerst verschenen in
het decembernummer 1986 van de Nederlandstalige uitgave van het
Internationaal Katholiek Tijdschrift Communio te beeindigen of te doen
beeindigen met ingang van de datum van betekening van het in deze te wijzen
arrest

4. Geintimeerden te gebieden de nog in omloop zijnde exemplaren van het
artikel “Enige beschouwingen rond de feministische theologie”, voor het eerst
verschenen in het decembernummer van de Nederlandstalige uitgave van het
Internationaal Katholiek Tijdschrift Communio uit de handel te nemen of te
doen nemen

5. Geintimeerden te gebieden in de na de datum van betekening van het in
deze te wijzen arrest eerstverschijnende aflevering van alle tijdschriften,
periodieken, dagbladen en andere schriftelijke uitgaven, waarin het onder 3.
en 4. genoemde artikel “Enige beschouwingen rond de feministische theologie”
verschenen is, een overzicht te (doen) plaatsen van alle in dit artikel
aangehaalde citaten van feministische theologen, met vermelding van de bronnen
waaruit deze citaten afkomstig zijn en de namen van de auteurs, die het
betreffende werk geschreven hebben en dit overzicht te doen voorafgaan door
de opmerking, dat het niet correct is geweest in het genoemde artikel noch de
bronnen noch de namen van de auteurs van de citaten te vermelden

6. Te bepalen dat geintimeerden bij niet nakoming van het onder 1. 2. 3.
4. en 5. gevorderde gebod een dwangsom zullen verbeuren van ƒ 100.000,= voor
iedere dag, dat zij in gebreke blijven aan de onder 1. 2. 3. 4. en 5. te
geven geboden te voldoen

7. Geintimeerden te veroordelen in de kosten van deze procedure in beide
instanties

De appellanten hebben bij akte nog enige gegevens verstrekt met
betrekking tot de bij memorie overgelegde produkties

1.3 Bij memorie van antwoord hebben de geintimeerden zich, onder
bestrijding van de opgeworpen grieven, ten aanzien van de verzochte voeging
en ten aanzien van de vermeerdering van eis gerefereerd tot bekrachtiging van
het vonnis, met veroordeling van appellanten in de kosten. Tevens hebben zij
enige stukken in het geding gebracht

1.4 Bij akte hebben de appellanten zich over de door geintimeerden
geproduceerde stukken uitgelaten

1.5 Vervolgens is de zaak mondeling toegelicht. Aan de zijde van
appellanten is het woord door Mrs. I. van Westerlaak en J. van Etten,
respectievelijk advocaat te Nijmegen en te Arnhem, alsmede door J.E.L.
Imbens-Fransen, feministisch theologisch auteur te Eindhoven, daartoe door het
LIO gemachtigd. Aan de zijde van geintimeerde sub 1 – kardinaal Simonis – is
het woord gevoerd door Mr. H. Pasman, advocaat te Utrecht en aan de zijde van
geintimeerden sub 2 en 3 door Mr. W. Hendrickx, advocaat te Antwerpen, Belgie.
Bij gelegenheid van de pleidooien is appellanten akte verleend van de
aanvulling van hun eis, alsmede van het in het geding brengen van enige
stukken. Ten slotte zijn alle stukken van het geding in beide instanties –
waaronder van de zijde van appellanten en van kardinaal Simonis pleitnotities
in hoger beroep – aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest

Grieven

De grieven kunnen worden weergegeven als volgt:

Grief 1

Ten onrechte heeft de president onder “de vaststaande feiten” overwogen
dat kardinaal Simonis in zijn artikel “Enige beschouwingen rond de
feministische theologie” een beeld van de feministische theologie heeft
geschetst en zijn standpunt en/of dat van de Rooms-Katholieke kerk met
betrekking tot die theologie heeft kenbaar gemaakt

Grief 2

Ten onrechte heeft de president geoordeeld dat Mary Daly niet
ontvankelijk is in haar vorderingen

Grief 2.1

Ten onrechte heeft de president de ontvankelijkheid van Mary Daly niet
aangenomen op grond van de in de Auteurswet 1912 neergelegde
persoonlijkheidsrechten

Grief 2.2

Ten onrechte heeft de president overwogen dat, voor zover het in casu
gaat om de rechten van andere (feministische theologische) auteurs, niet valt
in te zien op welke grond Maru Daly gerechtigd zou zijn te dier zake
geintimeerden in rechte te betrekken

Grief 2.3

Ten onrechte heeft de president overwogen dat wat betreft de andere
grondslagen voor haar vordering (te weten, kort gezegd, onrechtmatige daad
en/of discriminatie) volstrekt niet duidelijk is geworden waarom Mary Daly,
die op een afstand van duizenden kilometers van Nederland woont, zozeer
betrokken zou zijn bij de Nederlandse rechtssfeer dat zij een (spoedeisend)
belang bij de thans door haar gevraagde voorzieningen heeft

Grief 3

Ten onrechte heeft de president overwogen dat het LIO in alle onderdelen
van zijn vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard

Grief 3.1

Ten onrechte heeft de president de niet-ontvankelijkheid van het LIO
gebaseerd op zijn overweging dat voorshands onvoldoende aannemelijk is
geworden dat aan het LIO de auteursrechten op de Nederlandse vertaling van
het boek van Mary Daly zijn overgedragen

Grief 3.2

Ten onrechte heeft president overwogen dat, zou het LIO wel
auteursrechten hebben op de vertaling, ook voor het LIO geldt hetgeen in
onderdeel 3.3 van het vonnis is vermeld

Grief 3.3

Ten onrechte heeft de president overwogen dat het LIO evenmin gerechtigd
is om bij wijze van groepsaktie tegen geintimeerden te ageren

Grief 3.3.1

Ten onrechte heeft de president overwogen dat vaststaat dat een groot
deel van de in Nederland wonende feministisch theologische auteurs en/of
aanhangsters van de feministische theologie zich hebben verenigd in de
Interuniversitaire werkgroep feminisme en theologie (IWFT) en dat, indien
enige groep van personen zou kunnen worden beschouwd als representatief voor
de aanhangsters van de feministische theologie in Nederland, het die
werkgroep zou zijn en dat die evenwel uitdrukkelijk heeft afgezien van het
voeren van enige procedure voor de burgerlijke rechter over de onderhavige
kwestie

Grief 3.3.2

Ten onrechte heeft de president overwogen dat het LIO zou zijn opgericht
op 19 september 1986, maar dat enig bewijs daarvan ontbreekt

Grief 3.3.3

Ten onrechte heeft de president overwogen dat niet vaststaat of het LIO
leden heeft en zo ja, wie dat zijn, en dat het LIO de identiteit van de leden
niet bekend heeft willen maken

Grief 3.3.4

Ten onrechte heeft de president overwogen dat het voorgaande tot de
conclusie leidt dat het LIO in geen enkel opzicht representatief geacht kan
worden voor de feministisch theologische auteurs en/of aanhangers van de
feministische theologie, zodat reeds daarom het LIO in zijn vordering
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard

3. Feiten waarvan het hof uitgaat

3.1 Behoudens voor zover de eerste grief daar tegen opkomt is overweging
2.1 van het vonnis in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof – met
dat voorbehoud – van het daarin vermelde uitgaat

3.2 Voorts is in hoger beroep tussen partijen komen vast te staan dat
het auteursrecht met betrekking tot de Nederlandse vertaling van het boek van
Mary Daly “Beyond God the Father” thans berust bij de Academische Uitgeverij
Amersfoort B.V. en dat deze uitgeverij het LIO heeft gemachtigd ter
handhaving van die rechten in en buiten recht op te treden

4. Beoordeling

4.1 Het verzoek van het LIO om zich als gevolmachtigde van de
Academische Uitgeverij Amersfoort B.V. te mogen voegen aan de zijde van de
appellanten sub 1 en 2 – met betrekking tot welk verzoek geintimeerden zich
hebben gerefereerd aan het oordeel van het hof – is toewijsbaar nu het LIO
daarbij belang heeft

4.2 Geintimeerden hebben zich eveneens aan het oordeel van het hof
gerefereerd ten aanzien van de vermeerdering van eis van appellanten. Gelet
op artikel 134 Rv zal het hof daarom op de vermeerderde eis recht doen

4.3 De eerste grief van appellanten faalt. De vaststelling door de
president dat kardinaal Simonis in het gewraakte artikel van zijn hand “een
beeld” van de feministische theologie heeft geschetst is geheel juist en
impliceert niet dat die schets daarvan een juist beeld geeft. Overigens richt
de grief zich tegen een overweging van de president die de beslissing niet
draagt, zodat de grief reeds om die reden vergeefs is voorgedragen

4.4 De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de president dat
Mary Daly in alle onderdelen van haar vordering niet-ontvankelijk dient te
worden verklaard. De grief faalt voor zover ze betrekking heeft op de
rechten van andere (feministisch theologische) auteurs. Uitgangspunt in ons
recht is immers dat men slechts op grond van een eigen recht kan ageren. Er
zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die in het onderhavige geval
tot een andere beslissing nopen. De goede naam van de feministische
theologie in haar geheel is niet een eigen recht van Mary Daly in bedoelde
zin

4.5 Voor het overige is de grief gegrond voor zover de vordering zich
richt tegen kardinaal Simonis. Mary Daly heeft immers niet alleen gesteld
dat Kardinaal Simonis zonder bronvermelding uit haar werk heeft geciteerd,
doch tevens dat hij door zijn wijze van citeren inbreuk op haar
persoonlijkheidsrechten heeft gemaakt en onrechtmatig jegens haar heeft
gehandeld. Indien het gestelde juist wordt bevonden heeft Mary Daly recht en
voldoende (spoedeisend) belang om daartegen op te treden, zodat zij in haar
vordering in zoverre kan worden ontvangen. De omstandigheid dat zij op grote
afstand van Nederland woont doet daaraan niet af

4.6 Het gestelde geeft echter onvoldoende grond voor een actie tegen de
geintimeerde sub 2 en 3. De enkele omstandigheid dat zij het blad “Communio”
uitgeven waarin het gewraakte artikel is verschenen, is daartoe niet
voldoende. Een eigen verantwoordelijkheid, onafhankelijkheid van Kardinaal
Simonis, van deze geintimeerden voor de inhoud of verspreiding van het artikel
is gesteld noch aannemelijk geworden

4.7 De gedeeltelijke gegrondbevinding van de tweede grief leidt zonder
meer nog niet tot toewijzing van de vorderingen van Mary Daly

Terecht heeft de president overwogen dat Mary Daly bij haar vordering
strekkende tot vermelding van de bronnen waaruit Kardinaal Simonis citaten
van haar hand heeft geput geen redelijk belang meer heeft nu de Kardinaal
zich daartoe reeds voor het uitbrengen van de inleidende dagvaarding bereid
had verklaard en daaraan ook gevolg heeft gegeven. In het midden kan daarom
blijven of deze vordering Mary Daly nog toekomt na het overdragen van de
auteursrechten op de Nederlandse vertaling van haar boek

4.8 Voor zover de vordering van Mary Daly gestoeld is op de beweerde
schending door Kardinaal Simonis van de in artikel 25 van de Auteurswet 1912
neergelegde persoonlijkheidsrechten geldt het volgende

4.9 Het persoonlijkheidsrecht van de maker van een werk om zich tegen
wijzigingen in zijn werk te verzetten is, zoals uit artikel 25 van genoemde
wet blijkt, niet absoluut. Hij kan zich tegen een wijziging in het werk
verzetten “tenzij deze wijziging van zodanige aard is, dat het verzet zou
zijn in strijd met de redelijkheid” en hij kan zich verzetten tegen elke
misvorming, verminking of andere aantasting van het werk “welke nadeel zou
kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in
deze hoedanigheid”

4.10 Vast staat dat kardinaal Simonis in zijn artikel “Enige
beschouwingen rond de feministische theologie” enkele citaten heeft
weergegeven uit de Nederlandse vertaling van het boek van Mary Daly “Beyond
God the father”. Niet aannemelijk is geworden dat de wijze van citeren door
de kardinaal zodanig is geweest dat Mary Daly zich daartegen kan verzetten op
grond van het aangehaalde artikel 25. Het hof neemt daarbij in aanmerking
dat de kardinaal de citaten zonder bronvermelding heeft gegeven. Leken op
het gebied van de feministische theologie zullen de citaten daarom niet licht
toeschrijven aan Mary Daly, terwijl kenners van het werk van Mary Daly ook op
de hoogte zullen zijn van de contekst waaruit deze geput zijn. Overigens is
het boek van Mary Daly niet aan het hof overgelegd zodat ook om die reden
moeilijk beoordeeld kan worden of de wijze van citeren door de kardinaal haar
werk geweld aandoet

4.11 Het hof neem daarbij voorts in aanmerking dat het artikel van de
kardinaal kennelijk niet als doel heeft het werk van Mary Daly te bespreken,
terwijl het evenmin “het artikel” over de feministische theologie pretendeert
te zijn. Dat blijkt al uit de bescheiden titel van het artikel en uit de
opmerking van de kardinaal dat zijn beschouwingen (slechts) waarnemingen zijn
van iemand die de pastorale zorg vervult en dat deze waarnemingen met de
daarbij gevoegde bedenkingen geen laatste woord willen zijn. Dat beperkte
kader van het artikel brengt dan ook mee dat de klacht van Mary Daly dat het
geschetste beeld van de feministische theologie onvolledig is niet tot
toewijzing van haar vordering kan leiden

4.12 Het door Mary Daly aangevoerde is voorts onvoldoende om de
conclusie te rechtvaardigen dat kardinaal Simonis door zijn wijze van citeren
of door de inhoud van zijn artikel in het algemeen onrechtmatig jegens haar
heeft gehandeld dan wel het discriminatieverbod heeft overtreden

4.13 De derde grief keert zich tegen de overweging van de president dat
het LIO in alle onderdelen van zijn vorderingen niet-ontvankelijk verklaard
dient te worden

4.14 Voor zover de grief betrekking heeft op het optreden van het LIO in
hoger beroep als procesgemachtigde van de Academische Uitgeverij Amersfoort
B.V. faalt ze. Voor de auteursrechthebbende geldt immers, zoals onder 4.7
overwogen, dat deze bij een veroordeling tot vermelding van de bronnen geen
belang meer heeft nu de kardinaal zich daartoe al bereid had verklaard. Aan
de uitgeverij komt voorts niet de vordering op grond van schending van de
persoonlijkheidsrechten van de maker toe

4.15 De grief faalt eveneens voor zover deze betrekking heeft op het
optreden van het LIO voor zich. In het midden kan blijven of het LIO ten
tijde van de publikatie van het gewraakte artikel al was opgericht, nu enige
representativiteit van het LIO niet aannemelijk is geworden. Uit de bij
pleidooi in hoger beroep overgelegde accountantsverklaring blijkt dat op de
ledenlijst van het LIO 41 namen voorkomen. Bij memorie van grieven heeft het
LIO aangevoerd dat zich onder de bij het LIO aangeslotenen (waartoe toen ook
nog de begunstigers werden gerekend) 6 docenten feministische theologie en 5
auteurs over specifiek feministische theologische onderwerpen bevonden.
Voorts is aangevoerd dat ook Mary Daly lid is van het LIO, zodat het
lidmaatschap kennelijk niet beperkt is tot Nederlandse feministische
theologen. Een en ander brengt met zich mee dat het LIO niet kan worden
ontvangen in de vordering die strekt ter behartiging van de belangen van de
feministische theologen. De enkele omschrijving in de statuten van het doel
van de vereniging is immers – ook het LIO gaat daarvan uit onvoldoende om
haar bevoegd te maken om in rechte op te treden ter bescherming van het
statutaire doel. Daarnaast is in ieder geval vereist dat de vereniging
aannemelijk maakt dat zij enigermate reprensentatief is voor de groep die zij
stelt te vertegenwoordigen. In versterkte mate geldt het overwogene ten
aanzien van de bestrijding van de vrouwendiscriminatie, hetgeen het LIO in
hoger beroep nog ten grondslag heeft gelegd aan zijn vorderingen

4.16 Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom

5. Slotsom

5.1 Het LIO als gevolmachtigde van de Academische Uitgeverij Amersfoort
B.V. wordt in het geding toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van
appellanten. In die hoedanigheid wordt het LIO niet-ontvankelijk verklaard
in zijn vorderingen

5.2 Het beroepen vonnis wordt vernietigd voor zover daarbij Mary Daly
niet-ontvankelijk is verklaard in haar vorderingen tegen kardinaal Simonis.
De door haar gevraagde voorzieningen worden geweigerd

5.3 Voor het overige wordt het beroepen vonnis bekrachtigd

5.4 Appellanten dienen te worden verwezen in de kosten van het hoger
beroep. Voor een hogere dan de gebruikelijke kostenveroordeling, zoals door
geintimeerden gevraagd, acht het hof geen termen aanwezig

6. Beslissing

Het hof:

in het incident:

Laat het LIO als gevolmachtigde van de Academische Uitgeverij Amersfoort
B.V. als gevoegde partij toe aan de zijde van de appellanten sub 1 en 2

in de hoofdzaak:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend voor zover
daarbij Mary Daly niet-ontvankelijk is verklaard in haar vorderingen tegen
Kardinaal Simonis, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

Weigert de door Mary Daly tegen Kardinaal Simonis gevraagde
voorzieningen

Bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige

Verklaart het LIO in de hoedanigheid van gevolmachtigde van de
Academische Uitgeverij Amersfoort B.V. niet-ontvankelijk in zijn vorderingen

Verwijst de appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep, aan
de zijde van de geintimeerden tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 3.850,–
(drieduizend achthonderd vijftig gulden)

Rechters

Mrs. Witteman, Schrage en Yland-van Veen

Instantie: President rechtbank Rotterdam, 5 december 1987

Instantie

President rechtbank Rotterdam

Samenvatting


De Spaarbank stelt dat X (als enige man in een betrekkelijk klein kantoortje)
is geschorst als gevolg van handtastelijkheden en irriterend en demotiverend
gedrag die tot gevolg hadden dat een van de vrouwelijke medewerksters van
haar werk is weggelopen en overplaatsing heeft gevraagd, waarop ook de andere
collega overplaatsing heeft gevraagd. In deze verzoeken heeft de Spaarbank
bewilligd.
Doorslaggevend is volgens de president in kort geding dat van de verweten
feiten niet veel met de vereiste stelligheid is komen vast te staan en dat
wat is komen vast te staan best een ernstige waarschuwing rechtvaardigt, maar
niet, en zonder echte waarschuwing vooraf, deze schorsing. De president heeft
ter zitting van X het beeld gekregen van iemand die met verschillende vrouwen
met wie hij in de loop der jaren samenwerkte een verschillend evenwicht vond,
waarin soms een smakeloze en een enkele keer ook wel een ongepaste
vrijmoedigheid niet geheel uitbleef. De eerstgenoemde collega heeft niet zelf
last gehad van wat modieus heet `ongewenste intimiteiten’ en heeft dergelijk
gedrag ten aanzien van anderen ook niet zelf waargenomen; zij weet alleen van
horen zeggen dat er zich incidenten zouden hebben voorgedaan.
De Spaarbank heeft volgens de president gelijk dat zij de klachten van de
vrouwen ernstig neemt en tot overplaatsing van deze vrouwen overgaat; de
vrouwen hebben zo te zien invoelbare redenen om overplaatsing te wensen; maar
wat is komen vast te staan omtrent het gedrag van X levert, hoezeer dat
gedrag ook geen schoonheidsprijs verdient, geen zo ernstig vergrijp op dat
het een schorsing rechtvaardigt. Daarbij wordt voor alle duidelijkheid nog
uitdrukkelijk overwogen dat dit gedrag niet zodanig was dat elke vrouw daar
aanstoot aan zou nemen of daar ziek of overspannen van zou worden: dat bleek
ook in het verleden (in een geval waarin een andere medewerkster wel in staat
was de grappen van X te pareren). De eis is toegewezen. Tewerkstelling
geboden, op straffe van een dwangsom van ƒ 300 per dag.

Volledige tekst

Overwegende
Ten aanzien van het recht

De vraag in deze procedure is of de Spaarbank X. op feitelijk goede gronden
en juridisch deugdelijke wijze heeft geschorst (met behoud van salaris) of
niet. De feitelijke gronden (deels in van de Spaarbank zelf afkomstige
formulering) als volgt worden samengevat:
dat X. (die als enige man met betrekkelijk klein kantoortje van de Spaarbank
in Z. beheerde en daarbij als regel twee vrouwelijke personeelsleden onder
zich had, somtijds echter slechts een) door zijn wijze van optreden
veroorzaakt heeft dat mevrouw B. (een van de twee personeelsleden) overstuur
van haar werk is weggelopen om overplaatsing te vragen, dat mevrouw A. (het
ander laatstelijk in dat kantoortje werkzame personeelslid) heeft aangegeven
dat de oorzaak van de spanningen mede of vooral lag in de handtastelijkheden
van X., en dat beide vrouwen hebben geklaagd dat zij ernstig gedemotiveerd
werden door het denigrerend gedrag van X.; dat ook mevrouw A. niet bestand
was tegen samenwerking met X. en overplaatsing heeft gevraagd en gekregen.
De verwijten zijn aldus:
– handtastelijkheden en een irriterend, demotiverend gedrag.
Naar Ons voorlopig oordeel zijn die verwijten, voorzover ze juist zijn, tegen
de achtergrond van het vaststaande feit dat X. ongeveer 14 jaar ter plaatse
werkte en nooit eerder concreet soortgelijke klachten heeft veroorzaakt,
onvoldoende om – in afwachting van een normale ontslagprocedure, die is
ingezet en op het resultaat waarvan deze beslissing in genen dele wil
prejudiciëren – het vrij krasse middel van schorsing te rechtvaardigen.
(Zijdelings is aangestipt, dat X. niet lang geleden zelf overspannen is
geweest en nadien niet meer ‘de oude’ was: dat werkt naar twee kanten, als
het juist is; aan de ene kant kan het – veronderstellenderwijs even
aangenomen – feit dat X. veranderd is tot het oordeel leiden dat dus het
vroeger ‘goed’ gedrag niet meer sterk meetelt aan de andere kant moet bij de
beoordeling van het gedrag van X. mede worden betrokken dat zijn gedrag
geredelijk door ziekte in de hand is gewerkt en aldus minder zwaar moet
worden aangerekend. Wij laten dit aspect verder geheel buiten beschouwing).
Doorslaggevend voor genoemd voorlopig oordeel is, dat van de verweten feiten
eigenlijk niet heel veel met de vereiste stelligheid is komen vast te staan
en dat wat is komen vast te staan best een ernstige waarschuwing
rechtvaardigt, maar niet, ineens en zonder echte waarschuwing vooraf, deze
schorsing. Wij hebben van X. ter zitting het beeld gekregen (en achten dat
ook wel met de in kort geding vereiste stelligheid bewezen) van iemand die
allerminst een soort satire was – aanzetten tot dat verwijt klinken in de
stukken van de Spaarbank door – maar die met verschillende vrouwen met wie
hij in de loop der laatste jaren samenwerkte een verschillend evenwicht vond,
waarin soms een smakeloze en een enkele keer ook wel een ongepaste
vrijmoedigheid niet geheel uitbleef.
Met de nog niet genoemde medewerkster mevrouw C. (die eerder om andere
redenen in beste verstandhouding vertrok) werd incidenteel misplaatst grappig
omgegaan; die kon echter goed pareren en heeft niet tot naar buiten toe
merkbare spanningen geleid. Ten aanzien van mevrouw A. maakte X. meer avances
dan juist geacht kan worden – mevrouw A. bezat niet de gave die avances met
een welgekozen woord te pareren – maar hij hield toch zodanige maat, dat het
bezwaarlijk in de categorie ernstig vergrijp kan worden geplaatst waarin de
Spaarbank het ter rechtvaardiging van de schorsing wil plaatsen. Mevrouw B.
heeft zelf geen last gehad van wat modieus heet ‘ongewenste intimiteiten’ en
heeft dergelijk gedrag ten aanzien van anderen, met name mevrouw A. ook niet
zelf waargenomen; zij weet er alleen van van horen-zeggen.
Het demotiverend gedrag van X., schamper rondlopend en voortdurend afgevend
op bazen, ondergeschikten en klanten wordt nogal breed uitgemeten. Het zal er
allicht zijn geweest. Maar opmerkelijk is toch in dit verband dat terwijl
gezegd wordt dat X. ook in bijzijn van klanten de Spaarbank negatief
bejegende, niemand van de klanten voorzover bekend, ooit terzake zelf de
(directie van de) Spaarbank benaderd heeft, of een relatie met de Spaarbank
onder opgave van die reden beëindigd heeft.
De Spaarbank heeft gelijk dat zij de klachten van de vrouw ernstig neemt en
tot overplaatsing van die vrouwen overgaat; de vrouwen hebben zo te zien heel
invoelbare redenen om overplaatsing te wensen; maar wat is komen vast te
staan omtrent het gedrag van X. levert, hoezeer dat gedrag ook geen
schoonheidsprijs verdient, geen zo ernstig vergrijp op, dat het een schorsing
rechtvaardigt. Daarbij wordt voor alle duidelijkheid nog uitdrukkelijk
overwogen dat dit gedrag niet zodanig was dat elke vrouw daar aanstoot aan
zou nemen of daar ziek of overspannen van zou worden: dat bleek ook in het
verleden.
Nu, aldus, de feitelijke gronden waarop de schorsing berust, voor zover die
genoegzaam zijn komen vast te staan, onvoldoende zijn om die schorsing (in de
stukken: non-actief stelling) te rechtvaardigen, behoeven de overige
stellingen van X. (dat de schorsing ook juridisch-technisch verkeerd
aangepakt is) geen bespreking.
Natuurlijk is een herplaatsing na wat gebeurd is niet gemakkelijk, en een
herplaatsing in het kantoor Z., zoals gevorderd, komt onverstandig voor. Wij
zullen, bij wijze van voorziening – meer kan een kort geding niet inhouden –
de Spaarbank gelasten de non-actiefstelling op te heffen op straffe ener
dwangsom van ƒ 300 per dag, zulks ingaande 14 dagen na betekening van dit
vonnis en met een maximum van ƒ 60.000. Twee dagen, zoals gevorderd, lijkt te
kort, een afkoelingsperiode, die ook kan dienen voor het vinden van een
passende andere, eventueel tijdelijke, functie voor X. is geïndiceerd.

Rechtdoende in kort geding

Bevelen gedaagde, de Spaarbank, binnen 14 (veertien) dagen na betekening van
dit vonnis de non-actief stelling van X. te beëindigen en hem ergens in het
bedrijf te Rotterdam in staat te stellen arbeid te verrichten.
Veroordelen gedaagde om, bij niet-voldoening aan dit vonnis, ten titel van
dwangsom, aan eiser, X., ƒ 300 per werkdag te betalen, met een maximum van ƒ
60.000.
Verklaren dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Wijzen meer of anders gevorderde af.
Veroordelen gedaagde in de kosten van dit kort geding aan de zijde van eiser
bepaald op ƒ 309,10 aan verschotten en op ƒ 1.000 aan salaris voor de
procureur.

Rechters

Mr C.H.B. Boot

Instantie: Hoge Raad, 4 december 1987

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Uit de aard en omvang van de werkzaamheden van de vrouw voor het bedrijf
van haar man, die toename van het vermogen van de man tot gevolg heeft
gehad terwijl de vrouw een onevenredig lage beloning voor haar
werkzaamheden heeft genoten, kan voor de man een natuurlijke verbintenis
voortvloeien de vrouw een vergoeding uit te keren of ten behoeve van haar
een voorziening te treffen. Het aflossen van een hypothecaire schuld door
de man waardoor de vrouw eigenares wordt van een onbelast pand, kan een
vorm van voldoening aan die natuurlijke verbintenis zijn.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie – verder te noemen de man – heeft bij exploot van
4 februari 1984 eiseres tot cassatie – verder te noemen de vrouw –
gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en betaling door de vrouw van een
bedrag ad ƒ 283.700,=, met rente, gevorderd. Nadat de vrouw tegen die
vordering verweer had gevoerd, en voorwaardelijk een vordering in
reconventie had ingesteld die in cassatie niet aan de orde is, heeft de
Rechtbank bij tussenvonnis van 5 februari 1985 onder meer overwogen dat
de man een vordering tot terugbetaling op de vrouw toekomt van een bedrag
ad ƒ 237.600,= en voorts een inlichtingencomparitie gelast. Tegen dit
vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te
‘s-Hertogenbosch. Bij arrest van 24 januari 1986 heeft het Hof het beroep
verworpen en de zaak verwezen naar de Rechtbank ter verdere berechting en
afdoening. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel
uit. De man is in cassatie niet verschenen. De zaak is voor de vrouw
toegelicht door haar advocaat De conclusie van de Advocaat-Generaal
Biegman-Hartogh strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot
verwijzing van de zaak naar een ander aangrenzend Hof ter verdere
behandeling.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen zijn in 1965 gehuwd
met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. De vrouw heeft
tijdens het huwelijk, tot in 1981, gewerkt in een kledingbedrijf, dat
toebehoorde aan haar schoonvader totdat deze het in juni 1969 overdroeg
aan de man, en dat in 1971 is ingebracht in een besloten vennootschap
waarvan de man enig aandeelhouder en directeur is. Aan de vrouw is voor
haar werkzaamheden in het bedrijf een salaris toegekend dat niet aan haar
zelf is uitgekeerd doch in de rekening-courant tussen het bedrijf en de
man ten gunste van de man werd geboekt. De vrouw stelt dat zij zich, naast
haar taak van verzorging van het gezin, zeer intensief voor het bedrijf
heeft ingezet en dat het voor haar werkzaamheden vastgestelde salaris veel
te laag was in verhouding tot haar werkelijke – mede leidinggevende – rol
in het bedrijf. In 1979 heeft de vrouw een appartementsrecht betreffende
een verhuurde winkelruimte gekocht en in eigendom verkregen; de koopprijs
en de transport en notariskosten bedroegen gezamenlijk ƒ 237.600,=. Dit
bedrag heeft de vrouw gefinancierd door middel van een hypothecaire
geldlening bij een bank.

De man heeft deze lening in de loop der jaren geheel afgelost. De vrouw
heeft in 1983 een rechtsvordering tot echtscheiding tegen de man
ingesteld. Daarna heeft de man het onderhavige geding aangespannen, waarin
hij onder meer van de vrouw betaling van voormelde som vordert. De vrouw
neemt het standpunt in dat de aflossingen door de man moeten worden
aangemerkt als voldoening zijnerzijds van een natuurlijke verbintenis
jegens de vrouw. Daartoe voert zij aan dat de man door middel van de
aflossingen op de lening, waardoor de vrouw de onbelaste eigendom van het
appartementsrecht verwierf, een voorziening voor haar heeft getroffen en
wel enerzijds “omdat van haar zijde door haar arbeid het vermogen van de
man was toegenomen”, anderzijds “voor haar verzorging in het geval de man
zou komen te overlijden” (citaten uit punt 9 van de in prima ingediende
conclusie van antwoord in conventie). Het Hof heeft, evenals de Rechtbank,
dit standpunt van de vrouw verworpen. Het cassatiemiddel bestrijdt de
desbetreffende overwegingen van het Hof.

3.2. Indien juist mocht blijken hetgeen de vrouw omtrent aard en omvang
van haar werkzaamheden voor het bedrijf, de toename van het vermogen van
de man als gevolg daarvan en de onevenredig lage beloning van haar
werkzaamheden heeft gesteld, kan hieruit voor de man een – als natuurlijke
verbintenis aan te merken dringende morele verplichting voortvloeien om
aan de vrouw een vergoeding uit te keren of te haren behoeve een
voorziening te treffen. De Hoge Raad begrijpt de rechtsoverwegingen 2.2.
en 2.3. van het Hof aldus dat het Hof daarin van een andere
rechtsopvatting is uitgegaan. Voor zover de onderdelen 1a en 1b zich
daartegen keren zijn zij gegrond. Voor zover het Hof aan het slot van
rechtsoverweging 2.3. tot uitdrukking zou hebben willen brengen dat aan
een natuurlijke verbintenis als de vorenbedoelde niet zou kunnen worden
voldaan door ‘voormelde prestatie’ – waarmede het Hof bedoelt de in
rechtsoverweging 2.2. omschreven prestatie, zijnde ‘het door de man
betalen (in de loop der jaren) van voormelde som, waardoor de vrouw
eigenares werd van een onbelast pand en daaruit revenuen trok’ – is het
evenzeer uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Niet valt in te zien
waarom een natuurlijke verbintenis als de vorenbedoelde niet op deze wijze
zou kunnen worden voldaan. Onderdeel 1b is ook in zoverre gegrond.

3.3. Ook onderdeel 2 wordt terecht voorgedragen. In de door het onderdeel
bestreden rechtsoverweging 2.4. miskent het Hof vooreerst dat een
dringende morele verplichting van de man om naar de mate van het mogelijke
te zorgen voor het onderhoud van de vrouw na zijn eventueel
vooroverlijden, niet alleen kan worden nagekomen bij uiterste
wilsbeschikking maar ook bij handeling onder de levenden. In de tweede
plaats gaat het Hof in die overweging ten onrechte ervan uit dat de tot
nakoming van bedoelde verplichting strekkende voorziening niet kan worden
getroffen in de vorm en met de gevolgen als in ’s Hofs rechtsoverweging
2.2. omschreven.

3.4. Onderdeel 3 treft eveneens doel. De stukken van het geding, in het
bijzonder de onder 3.1. gedeeltelijk aangehaalde passage in de conclusie
van antwoord in conventie, laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat
de vrouw het door haar gestelde bestaan van een natuurlijke verbintenis
van de man mede heeft gebaseerd op de combinatie van de door haar in dat
verband aangevoerde omstandigheden.

3.5. Uit het voorgaande volgt dat ’s Hofs arrest niet in stand kan
blijven. Onderdeel 4 behoeft geen afzonderlijke behandeling. Verwijzing
van de zaak moet volgen.

4. Beslissing: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof te
‘s-Hertogenbosch van 24 januari 1986; verwijst de zaak naar het Hof te
Arnhem ter verdere behandeling en beslissing; compenseert de kosten van
het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Ras, De Groot, Hermans, Bloembergen, Roelvink; A-G Biegman-Hartogh

Instantie: Hoge Raad, 4 december 1987

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Na echtscheiding heeft de vrouw geen recht op overdracht van een deel van
het vermogen in plaats van alimentatie. De onderlinge verzorgingsplicht
van echtgenoten tijdens huwelijk wordt na echtscheiding eventueel omgezet
in een verplichting tot periodieke uitkering van alimentatie.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie – verder te noemen de man – heeft bij exploot van
23 november 1983 eiseres tot cassatie – verder te noemen de vrouw –
gedagvaard voor de Rechtbank te Haarlem en gevorderd echtscheiding,
subsidiair scheiding van tafel en bed. De vrouw heeft zich gerefereerd
voor wat betreft de gevorderde echtscheiding en heeft harerzijds een
vordering in reconventie ingesteld, welke vordering – met inbegrip van de
later bij akte gedane uitbreiding – zakelijk weergegeven luidde: a.
echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed, b. voortgezet
gebruik van de echtelijke woning en c. – primair: eigendomsoverdracht door
de man aan de vrouw van een of meer aan de man toebehorende
horeca-gelegenheden te Bloemendaal en Zandvoort, zulks binnen tien dagen
na inschrijving van het echtscheidingsvonnis, – subsidiair: betaling op
grond van art. 1: 81 BW van de somma van ƒ 500.000,-, – meer subsidiair:
‘economische overdracht’ van een of meer van de aan de man toebehorende
horeca-gelegenheden te Bloemendaal en Zandvoort, zulks binnen tien dagen
na inschrijving van het echtscheidingsvonnis, – uiterst subsidiair:
betaling van ƒ 10.000,- per maand, ten titel van levensonderhoud.

Nadat de man tegen de vorderingen sub b en sub c verweer had gevoerd,
heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 22 januari 1985 overwogen dat de
sub c vermelde primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van
de vrouw niet voor toewijzing vatbaar zijn en heeft vervolgens i.v.m. de
uiterst subsidiaire vordering een comparitie van partijen gelast tot het
verstrekken van inlichtingen over de draagkracht van de man en de behoefte
van de vrouw. Tegen dit vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij
het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 14 april 1986 heeft het Hof
het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd en de zaak ter verdere afdoening
verwezen naar de Rechtbank te Haarlem. Het arrest van het Hof is aan dit
arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel
uit. De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is
voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de
Advocaat-Generaal Franx strekt tot verwerping van het beroep.

3.Beoordeling van het middel

Met de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vordering sub c) maakt
de vrouw aanspraak op overdracht van een deel van het vermogen van de man
in de plaats van een periodieke uitkering tot levensonderhoud. Het middel
betoogt dat zodanige vordering in het kader van een
echtscheidingsprocedure in beginsel toewijsbaar is wanneer zij tot
strekking heeft een der echtgenoten na echtscheiding de mogelijkheid te
geven in het eigen levensonderhoud te voorzien en tot uitgangspunt heeft
dat de in art. 1:81 BW neergelegde verzorgingsplicht die echtgenoten
jegens elkander hebben in verband met de echtscheiding wordt omgezet in
een recht op (een gedeelte van) het tijdens het huwelijk door de
inspanningen van beide echtgenoten opgebouwde vermogen, dan wel op een
uitkering in de plaats daarvan. Dat betoog vindt geen steun in het recht.

Met juistheid overweegt het Hof dat uit de wetsgeschiedenis van art. 92a,
met name uit het in zijn arrest aangeduide deel van de Memorie van
Toelichting, blijkt dat voor de in art. 81 genoemde verplichting elkander
in materieel opzicht het nodige te verschaffen na scheiding van tafel en
bed en ook na echtscheiding, een (eventuele) verplichting tot het betalen
van een uitkering tot levensonderhoud in de plaats treedt, welke thans is
neergelegd in art. 157 lid 1 en lid 2. Of een zodanige verplichting
bestaat, moet worden beoordeeld aan de hand van de na de scheiding
ontstane situatie, terwijl zij voorts leidt tot een in beginsel voor
wijziging vatbare uitkering, waarvan de omvang telkens naar de
omstandigheden moet worden bepaald. Daarmee strookt niet dat een recht zou
bestaan op vermogensoverdracht als door het middel voorgestaan. Het middel
faalt derhalve.

4. Beslissing: De Hoge Raad verwerpt het beroep; compenseert de kosten van
het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Ras, Snijders, Hermans, Bloembergen, Roelvink; A-G Franx

Instantie: Hof van Justitie EG, 3 december 1987

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Prejudiciele beslissing. Gelijke behandeling mannen en vrouwen. Verplichte bijdrage aan weduwenpensioenfonds. Art. 119 EEG-verdrag, richtlijn 75/117.

Het Hof heeft voor recht verklaard:

Artikel 119 EEG-Verdrag, gelezen in samenhang met richtlijn nr. 75/117 van de Raad, verzet zich er niet tegen, dat de werkgever, ofschoon hij aan mannelijke en vrouwelijke werknemers hetzelfde bruto-loon betaalt, uitsluitend in het geval van mannelijke werknemers, ook indien ongehuwd, een inhouding van 1,5% van het bruto-loon betaalt, uitsluitend in het geval van mannelijke werknemers, ook indien ongehuwd, een inhouding van 1,5% van het bruto-loon toepast als bijdrage voor de vorming van een fonds voor weduwenpensioenen, dat voorzien is in het kader van een algemene bedrijfsregeling die in de plaats komt van een wettelijke regeling van sociale zekerheid.

Richtlijn nr. 76/207 van de Raad verzet zich er niet tegen, dat de werkgever, ofschoon hij aan mannelijke en vrouwelijke werknemers het zelfde bruto-loon betaalt, uitsluitend in het geval van mannelijke werknemers, ook indien ongehuwd, een inhouding van 1,5% van het bruto-loon toepast als bijdrage voor de vorming van een fonds voor weduwenpensioenen, dat voorzien is in het kader van een algemene bedrijfsregeling die in de plaats komt van een wettelijke regeling van sociale zekerheid.

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Kantonrechter Schiedam, 1 december 1987

Instantie

Kantonrechter Schiedam

Samenvatting


Ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van art. 1639w BW. Nadat
een eerdere ontbindingsuitspraak van de Kantonrechter Schiedam door de
Rechtbank te Rotterdam wegens verzuim van essentiele vormen is
vernietigd ontbindt de Kantonrechter -na nieuw verzoek daartoe- de
arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding. Partijen waren
bij wijze van experiment met elkaar overeengekomen dat werkneemster haar
baby zou meenemen naar kantoor. Beide partijen zijn van oordeel dat het
experiment niet is geslaagd. Werkgever mag van werkneemster verlangen
dat zij zonder baby op kantoor verschijnt om te werken. Verstoorde
arbeidsverhouding is volledig te wijten aan werkneemster.
Ontbinding zonder toekenning vergoeding.

Volledige tekst

1. Gezien het op 27 oktober 1987 ter griffie ontvangen
verzoekschrift met vier producties. Daarin verzoekt requestrante de
tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden te verklaren
wegens gewichtige redenen en te bepalen, dat de arbeidsovereenkomst
eindigt op 1 november 1987 althans op zodanige datum als Wij in goede
justitie zullen vermenen te behoren.

2. Gezien Onze beschikking de dato 28 oktober 1987. Daarin hebben Wij
partijen bevolen te verschijnen ter zitting van woensdag, 25 november
1987 des namiddags te 15.30 uur, teneinde op het verzoek te worden
gehoord.

3. Gezien het verweerschrift van gerequestreerde, binnengekomen ter
griffie op 16 november 1987. Daarvan luidt de slotconclusie, in geval
van ontbinding, aan gerequestreerde ten laste van requestrante een
vergoeding in de zin van artikel 1639w lid 8 BW toe te kennen, met
veroordeling van requestrante in de kosten van dit geding, waaronder
begrepen een bedrag aan salaris voor gerequestreerdes gemachtigde.

4. Gehoord ter voornoemde terechtzitting de directrice van A., S., en
haar gemachtigde Mr. H.C. Lenaerts, alsmede de gemachtigde van V., mr.
B.G. Kroon.

5. Gezien op verzoek van partijen het volledige procesdossier van de bij
dit Kantongerecht tussen hen gevoerde procedure onder rep.nummer
209/1987.

OVERWEGEN ALS VOLGT:

1. Wij beschouwen woordelijk herhaald en ingelast alle hierboven
genoemde dingtalen, en -mede op verzoek van partijen- al hetgeen zij in
de procedure onder rep.nummer 209/1987 hebben aangevoerd.

2. In rechte staat vast, dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst
bestaat. Gerequestreerde werkt sedert 13 juni 1977 bij requestrante. Tot
1 oktober 1986 was gerequestreerde als statutair directeur verbonden aan
requestrante. Nadien als werkneemster op part-time-basis. Het
overeengekomen maandsalaris bedraagt thans ƒ 1.835,- bruto, te
vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een vergoeding van ƒ 100,- netto
per maand.

3. Voorzover thans van belang, komen de stellingen van requestrante
onder meer neer op de omstandigheid, dat er sprake is van een volstrekt
verstoorde arbeidsverhouding. Requestrante meent, dat dit een gewichtige
reden is om de dienstbetrekking tussen hen te beeindigen tegen het
tijdstip, vermeld in de eerste feitelijke overweging.

4. Gerequestreerde heeft in haar verweerschrift aangevoerd, dat de door
haar daarin genoemde feiten en omstandigheden overigens niet een
zodanige verandering in de omstandigheden opleveren, welke van dien aard
zijn, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte
tijd behoort te eindigen, doch dat daaruit wel blijkt van een dusdanige
verstoorde relatie, dat van een vruchtbare voortzetting daarvan in
redelijkheid geen sprake kan zijn.

5. Bij de mondelinge behandeling van deze zaak is genoegzaam gebleken,
dat de noodzakelijke vertrouwensbasis tussen partijen niet meer bestaat.
Voortzetting van de dienstbetrekking van gerequestreerde bij
requestrante is dus niet meer zinvol.

6. De hierboven door Ons geconstateerde en volledig aan V. te wijten
verstoorde arbeidsverhouding, levert een zodanige gewichtige reden op,
dat deze de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, zonder
betaling van een vergoeding door requestrante aan gerequestreerde. De
gronden daarvoor staan vermeld in de zevende rechtsoverweging.

7.1. Naar onze mening is de huidige stand van zaken volledig en
uitsluitend te wijten aan V. Een werkneemster, die vroeger als
directrice is werkzaam geweest, moet toch begrijpen, dat in een sfeer
waar gewerkt moet worden -als slechts wordt beschikt over twee, door een
bijna altijd openstaande deur gescheiden, ruimten- in principe (helaas)
geen plaats is voor een baby.

7.2. Het is voor een trotse moeder natuurlijk wel gezellig, vertederend
en aangenaam in aanwezigheid van haar baby te werken, maar dat heeft dan
vanzelfsprekend tot gevolg, dat haar arbeidsproductiviteit en die van de
andere werkneemsters nimmer optimaal kan zijn.

7.3. Het siert V. dat zij, gezien haar leeftijd, de baby zelf wil
verzorgen en opvoeden. Maar dan dient zij -en alleen zij- de
consequenties daarvan te dragen. Niet haar werkgeefster.

7.4. Met betrekking tot A. staat vast, dat zij van de arbeidskracht van
V. ten kantore -zonder baby- gaarne gebruik wil maken.

7.5. Indien V. niet wenst, dat haar kind tijdens de kantooruren in een
creche verblijft en door derden wordt opgevoed en verzorgd -welk
standpunt van V. Ons uit pedagogische en menselijke overwegingen zeer
begrijpelijk voorkomt -moet zij wel inzien, dat haar niets anders te
doen staat dan, hetzij, de arbeidsovereenkomst beeindigen, hetzij arbeid
verrichten op kantoor van A. zonder baby.

7.6. Als V. slechts met baby ten kantore wil werken, mag en kan zij haar
werkgeefster niet verwijten, dat deze, na een van de zijde van de
werkgeefster onverplicht en welwillend, maar mislukt
experiment-met-de-baby-op-kantoor, van V. als werkneemster verlangt, dat
zij zonder baby op kantoor verschijnt om te werken, of anders het
dienstverband beeindigt.

7.7. Het standpunt van A., dat zij niet wil, dat V. voor A. thuiswerk
gaat verrichten, is op grond van efficiency en organisatie niet
onbegrijpelijk, en zelfs redelijk. Het halsstarrig volhouden van V. om
thuis wel te mogen werken, is in het licht van de mening van A. bezien,
dus uiterst onredelijk.

8. Het verzoek wordt aan requestrante toegewezen. Derhalve wordt
gerequestreerde als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de
proceskosten.

9. Mitsdien kan onmiddellijk recht worden gedaan, zoals hieronder
vermeld.

BESCHIKKEN ALS VOLGT:

1. Verklaren de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden,
zulks met ingang van 2 december 1987.

2. Verwijzen gerequestreerde in de kosten van dit geding, aan de zijde
van requestrante begroot op ƒ 1.300,–, waaronder begrepen ƒ 1.200,–
aan salaris voor haar gemachtigde.

Rechters

mr. F.H. Piket

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 27 november 1987

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


De man verzoekt om de verplichting tot kinderalimentatie voor zover deze
betrekking heeft op de een van de drie minderjarige kinderen (Z.) nader vast
te stellen op nihil. Immers Z. ontvangt thans de maximale
studiefinanciering

De vrouw bestrijdt dat de maximale studiefinanciering de kosten van
levensonderhoud dekt. Mocht de alimentatie van Z. op nihil gesteld worden
dan wil zij de bijdrage voor de andere twee kinderen verhoogd zien

De Rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat een
minderjarige onderhoudsgerechtigde het maximale bedrag aan studiefinanciering
ontvangt en aan de onderhoudsplichtige geen bijdrage is opgelegd, op zichzelf
niet de conclusie kan rechtvaardigen dat de minderjarige geen behoefte heeft
aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding zoals bedoeld in
artikel 397 Boek 1 BW. In casu wordt de kinderalimentatie van Z. op nihil
gesteld. Voor de twee minderjarige kinderen A. en B. wordt de
kinderalimentatie verhoogd

Volledige tekst

Rechters

Mr. A.D. Reiling

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 27 november 1987

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


De man is thans verschuldigd een bijdrage in de kosten van de verzorging
en opvoeding van ƒ 150,– per maand exclusief wettelijke indexering, ten
behoeve van de twee minderjarige kinderen. Het verzoek van de man strekt
ertoe deze verplichting ingaande 1 december 1986 nader vast te stellen op
nihil. De man voert als gronden voor het verzoek aan dat de bijdrage niet
meer aan de wettelijke maatstaven voldoet wegens wijziging in de draagkracht

Het gezin van de man bestaat uit hemzelf, zijn huidige partner en drie,
uit een eerder huwelijk van laatstgenoemde geboren minderjarige kinderen.
Het netto maandinkomen bedraagt ongeveer ƒ 2.100,–. Verder zijn er geen
inkomsten

Het gezin van de vrouw bestaat uit haarzelf en de hiervoor genoemde uit
het huwelijk met de man geboren minderjarige kinderen

De rechtbank is van oordeel dat bij de man sedert 1 december 1986 de
draagkracht ontbreekt om enige bijdrage ten behoeve van voornoemde
minderjarigen te voldoen

Volledige tekst

Rechters

Mr. A.D. Reiling

Instantie: Raad van Beroep Amsterdam, 24 november 1987

Instantie

Raad van Beroep Amsterdam

Samenvatting


Klaagster heeft terzake van de op 24 juli 1982 ingetreden werkloosheid
op 13 augustus van dat jaar een uitkering ingevolge de WWV aangevraagd. Bij
primaire beslissing van 21 maart 1983 heeft verweerder deze aanvragen
afgewezen omdat klaagster geen kostwinster is in de zin van artikel 13, lid 1
sub L WWV

In beroep is aangevoerd dat klaagster in aanmerking komt voor een
WWV-uitkering omdat als zij een man zou zijn geweest, en dus niet onder art.
13 lid 1 sub 1 van de WWV zou vallen, zij in aanmerking zou zijn gekomen voor
een uitkering

De Raad heeft in een aantal recente gedingen uitgesproken dat de
bepaling van art. 13 eerste lid sub L WWV in strijd is met het op grond van
art. 26 BuPo-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie op grond van
geslacht. De Raad is van mening dat in klaagsters geval, waarin de
werkloosheid is ingetreden in juli 1982, een overgangstermijn – zo deze al zou
kunnen gelden – reeds lang was verstreken, zodat klaagster voor het geldend
maken van haar aanspraak op WWV-uitkering de verdragsbepaling rechtstreeks kan
inroepen

Namens klaagster is ter terechtzitting betoogd dat de bestreden
beslissing tevens in strijd moet worden geacht met het discriminatieverbod in
artikel 4, lid 1 van de EG-richtlijn 79/7 van 19 december 1978. Nu een
beroep op art. 4 van de richtlijn in casu voor klaagster leidt tot een
ongunstiger resultaat dan onverkorte toepassing van art. 26 van het
BuPo-Verdrag en voorts de bestreden beslissing dateert van voor 23 december
1984, zal de Raad klaagsters beroep op de derde EG-richtlijn passeren

Het beroep wordt gegrond verklaard

Volledige tekst

Rechters

Mr. M. de Rooij, als voorzitter, mr. J.C.M. Oudshoorn en G.N. Oudejans,leden

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 24 november 1987

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Beroep in belang der wet inzake weduwnaarspensioen. Met de uitspraak
van 11 juni 1987, nr. AWW 1986/447 oordeelde de Raad van Beroep te Rotterdam
dat een weduwnaar op grond van de AWW overeenkomstig de voorwaarden zoals die
voor weduwen gelden, recht op pensioen/uitkering heeft. Tegen deze
uitspraak werd zowel door de Raad van Arbeid te Middelburg als door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (in het belang der wet) hoger
beroep ingesteld

In casu moet de vraag worden beantwoord of een minister na het
verstrijken van de hoger beroepstermijn bevoegd is hoger beroep in het belang
der wet in te stellen, ook wanneer door (een van de) partijen als bedoeld in
art. 145 der Beroepswet hoger beroep is ingesteld. Aard en strekking van
het bepaalde in art. 43 der Beroepswet brengen mede dat hoger beroep in het
belang der wet slechts kan worden ingesteld nadat de hoger beroepstermijn is
verstreken zonder dat een der partijen als bedoeld in art. 145 der wet hoger
beroep heeft ingesteld, dan wel, indien zulk een hoger beroep wel is
ingesteld, nadat door de Raad op dat hoger beroep is beslist

De voorzitter van de Centrale Raad van Beroep verklaarde het namens
eiser ingestelde hoger beroep in het belang der wet niet- ontvankelijk

Volledige tekst

Rechters