Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 30 oktober 1987

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Y. was gehuwd met X. Ze zijn gescheiden in 1982 en op dezelfde datum is
X. failliet verklaard. In 1981 waren huwelijkse voorwaarden aangegaan,
inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap. Onverdeeld werden gehouden
de rechten op drie polissen van levensverzekeringen. Y. vordert van de
curator de helft van de afkoopsom van de polissen. De curator beroept zich
op art. 61 FW. De HR verwerpt zijn beroep. Het Hof is er terecht van
uitgegaan dat een vrije gemeenschap die is ontstaan door ontbinding van een
tevoren aanwezige huwelijks gemeenschap, geen huwelijkse gemeenschap is als
bedoeld in de artt. 61 lid 1 en 63 FW. Y. heeft terecht de helft van de
afkoopsom gekregen

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Snijders, Van den Blink, De Groot, Haak, Roelvink

Instantie: De Kroon, 28 oktober 1987

Instantie

De Kroon

Samenvatting


Het college voor de verlening van bijstand te X heeft op 15 juli 1983
naar aanleiding van de door A op 17 maart 1983 ingediende aanvraag om bijstand
ingevolge de RWW in de kosten van levensonderhoud afwijzend beschikt,
aangezien de betrokkene onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt om tot een
juiste beoordeling van de aanvraag te komen

A. heeft op 23 maart 1983 de aan dit geschil ten grondslag liggende
aanvraag om uitkering ingevolge de RWW ingediend, nadat hij op 1 september
1982 de maximum-uitkeringstermijn ingevolge de WWV had bereikt. Bij de
aanvraag bleek dat A. op 28 september 1982 een overeenkomst van dading heeft
gesloten met een verzekeringsmaatschappij ter zake van schade ten gevolge van
een hem in 1977 overkomen ongeval. Het resultaat van deze overeenkomst is
dat aan A. een bedrag van ƒ 2.000,– (tweeduizend gulden) aan materiele
schadevergoeding is toegekend en een bedrag van ƒ 46.000,–
(zesenveertigduizend gulden) ter vergoeding van verminderde arbeidscapaciteit
en immateriele schade

Burgemeester en Wethouders hebben in bezwaar besloten aan de betrokkene
met ingang van 1 april 1984 de gevraagde uitkering ingevolge de RWW toe te
kennen. zij hebben hiertoe overwogen, dat een bedrag van ƒ 33.600,–
(drieduizendenzeshonderd gulden) buiten beschouwing diende te worden gelaten

Gedeputeerde Staten zijn blijkens het bestreden besluit in het geval van
A. van oordeel dat het bedrag van ƒ 46.000,– (zesenveertigduizend gulden)
in zijn geheel als smartegeld buiten beschouwing moet worden gelaten, zulks
mede gelet op de geringe hoogte hiervan in verhouding tot het leed dat de
betrokkene heeft ondergaan en nog zal ondergaan. De Kroon is het hier niet
helemaal mee eens en vernietigt in zoverre het Besluit van GS (aangezien een
bedrag van ƒ 14.400,– (veertienduizendenvierhonderd) niet buiten
beschouwing had mogen worden gelaten), dat op de aan A. met ingang van 23
maart 1983 toegekende uitkering ingevolge de RWW gedurende een periode van zes
maanden, te rekenen vanaf 23 maart 1983, een verlaging van 10% van de voor hem
geldende norm wordt toegepast. Dus de Kroon is van mening dat het
aanvaardbaar is om tot een redelijke grens voorbij te zien aan een vermogen
dat uit hoofde van smartegeld is verkregen

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Hoge Raad, 23 oktober 1987

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Ook al zijn partijen in een convenant bewust afgeweken van de wettelijke
maatstaven – draagkracht en behoefte – dan nog kan wijziging van het
convenant worden verzocht op grond van art. 1:401 BW. Bij de vaststelling
van het nieuwe alimentatiebedrag is de rechter echter gebonden aan de
bedoeling van partijen toen zij het convenant sloten.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 19 september 1985 ter griffie van de Arrondissementsrechtbank
te ‘s-Hertogenbosch ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot
cassatie – verder te noemen de vrouw – de Rechtbank verzocht het vonnis
d.d. 15 augustus 1980 c.q. de overeenkomst d.d. juni 1980 te wijzigen
zodanig, dat verweerder in cassatie – verder te noemen de man – met ingang
van 1 januari 1983 voor het levensonderhoud van de vrouw moet betalen een
bedrag van ƒ 4.000,= per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel
een zodanig bedrag met ingang van zodanige datum als de Rechtbank in goede
justitie zal vermenen te behoren. Nadat de man tegen dat verzoek verweer
had gevoerd, heeft de Rechtbank bij beschikking van 26 februari 1986 het
verzoek afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep
ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Bij beschikking van 16
oktober 1986 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt
daarvan deel uit. De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt
tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de
zaak naar een ander Hof ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Partijen hebben op de voet van art. 1:158 BW bij overeenkomst bepaald
in hoeverre na de echtscheiding de man tegenover de vrouw tot een
uitkering tot haar levensonderhoud zal zijn gehouden. Het Hof overweegt
(rechtsoverweging 11) dat partijen bij het aangaan van deze overeenkomst
“niet de intentie hebben gehad de wettelijke maatstaven in acht te nemen”.
Aldus brengt het Hof tot uitdrukking dat partijen bewust van de wettelijke
maatstaven zijn afgeweken. Deze vaststelling is in cassatie niet
bestreden, zodat van de juistheid ervan moet worden uitgegaan. Voorts moet
er in cassatie van worden uitgegaan dat bij de overeenkomst een beding als
bedoeld in art. 159 lid 1 niet is gemaakt.

3.2 Het systeem van art. 159 leden 1 en 2 in verbinding met art. 401 lid
1 moet aldus worden begrepen dat, indien een beding als bedoeld in art.
159 lid 1 niet is gemaakt (of een zodanig beding ingevolge lid 2 van dat
artikel is vervallen), art. 401 lid 1 toepasselijk is, in dier voege dat
in een geval waarin partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke
maatstaven, de rechter slechts tot een wijziging van de overeenkomst
betreffende levensonderhoud zal mogen overgaan, indien de verzoeker stelt
en de rechter aannemelijk oordeelt dat na het tot stand komen van de
overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt
dat de wederpartij, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden,
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde
instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Gezien de aan
echtgenoten toekomende vrijheid de financiele gevolgen van hun
echtscheiding zelf te regelen, zal de rechter zowel bij zijn oordeel of
aan deze voorwaarde is voldaan als, zo dit het geval is, bij de
uitoefening van zijn bevoegdheid tot wijziging van de omtrent het
levensonderhoud getroffen regeling, terughoudendheid moeten betrachten.

Dit brengt mee dat hij bij een eventuele wijziging van de uitkering tot
levensonderhoud zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij wat partijen
bij hun overeenkomst voor ogen stond, waarbij hij mede zal dienen te
letten op het verband dat kan zijn beoogd tussen de regeling betreffende
het levensonderhoud en eventuele door partijen getroffen regelingen van
andere aard.

3.3 Uit het vorenstaande volgt dat de opvatting van het Hof dat, nu
partijen bij het aangaan van de onderhavige overeenkomst bewust zijn
afgeweken van de wettelijke maatstaven, die overeenkomst ‘nimmer’ door de
rechter op de voet van art. 401 lid 1 kan worden gewijzigd, onjuist is.
In zoverre is middel 1 gegrond. Het middel faalt echter voor zover het
uitgaat van een ruimere toepassingsmogelijkheid van genoemde bepaling dan
hierboven uiteengezet.

3.4 Middel II faalt. Uit ’s Hofs vaststelling dat partijen bij het aangaan
van de onderhavige overeenkomst bewust zijn afgeweken van de wettelijke
maatstaven, vloeit voort dat het derde lid van art. 401 in dit geval geen
toepassing kan vinden ( …)

4. Beslissing: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het Hof
‘s-Hertogenbosch van 16 oktober 1986; verwijst de zaak ter verdere
behandeling naar het Hof te Arnhem; compenseert de kosten van het beroep
in cassatie, in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Ras, Van den Blink, Hermans, Haak, Boekman; A- G Moltmaker

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 16 oktober 1987

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


A. is sinds 1962 in dienst van de Stichting en krijgt ontslag in 1981
Zij maakt aanspraak op wachtgeld op grond van art. 39 CAO Dagverblijven
en Tehuizen voor Gehandicapten. In de CAO staat dat er recht is op
wachtgeld als er sprake is van ontslag wegens onbekwaamheid die ‘niet aan zijn
schuld of toedoen te wijten is’. De Stichting is van mening dat er wel
sprake is van toedoen en schuld omdat A. fouten maakte. De Hoge Raad is van
mening dat dit in het algemeen niet juist is en verwerpt het beroep van de
Stichting tegen de uitspraak van de Rechtbank dat A. recht heeft op wachtgeld.

De volledige tekst is niet opgenomen.

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Ras, Martens, Hermans, Bloembergen, Boekman

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 9 oktober 1987

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Eiseres vordert in Kort Geding dat de President van de Rechtbank de
Gemeente zal veroordelen tot het instellen van een nieuw onderzoek naar een al
dan niet bestaande samenlevingssituatie, die beeindiging van een
bijstandsuitkering zou moeten rechtvaardigen. De vordering wordt ook in
hoger beroep en cassatie afgewezen omdat het onderzoek ook had kunnen worden
gevraagd in het kader van de voorlopige voorzieningen op grond van de ABW, de
Wet RvS dan wel de wet Arob

Volledige tekst

Rechters

Mrs Martens, Van den Blink, Bloembergen, Roelvink, Boekman

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 6 oktober 1987

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Bijdrage van de vader ingevolge de wettelijke onderhoudsplicht krachtens
BW gesteld op nihil; krachtens de Wet Studiefinanciering is wel een bijdrage
ten laste van de vader vastgesteld. Verhouding tussen die beide. Toepassing
van de hardheidsclausule van art. 131 WSF stuit af op de gepubliceerde
beleidsregels. Van een werkelijke tegenstrijdigheid hoeft geen sprake te
zijn omdat niet altijd sprake is van een onderzoek naar draagkracht of dit
onderzoek zijn betekenis verloren kan hebben. Eiseres wil een voorschot van
gedaagde tot op het bezwaarschrift in hoogste instantie is beslist. Deze
voorziening wordt geweigerd

Volledige tekst

Rechters

Mr. Wijnholt

Instantie: Europese Commissie, 5 oktober 1987

Instantie

Europese Commissie

Samenvatting


Polygame gezinshereniging. Gezinshereniging tussen vader en zoon uit
tweede echtgenote. Beleid van de Nederlandse overheid om gezinshereniging
slechts toe te staan met een echtgenoot en de uit deze relatie geboren
kinderen. Nu de zoon zesentwintig jaar oud is, vader en zoon gedurende
veertien jaar niet samenwoonden, en de klagers niet financieel van elkaar
afhankelijk zijn, is geen sprake van gezinsleven in de zin van artikel 8
Europees Verdrag. Evenmin doet zich een schending van artikel 14 voor.
Het Nederlandse gezinsherenigingsbeleid zou bepaalde vragen kunnen doen rijzen
met betrekking tot minderjarige kinderen die zijn geboren uit een andere
echtgenote dan die waaraan gezinshereniging is toegestaan. In casu doet
zich echter geen probleem voor nu de zoon zesentwintig jaar oud is

Artikel 8 EVRM en artikel 14 EVRM

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Hoge Raad, 25 september 1987

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Vordering tot ontkenning vaderschap. Lijdelijkheid van de rechter;
ambtshalve aanvullen van rechtsgronden

Conclusie OM: mede over internationaal privaatrecht (toepasselijk recht
op betrekkingen tussen ouders en wettige kinderen; favor; belang-criterium) en
over vrijheid van de rechter om ook wanneer de vordering niet wordt bestreden,
bewijs op te dragen (anticiperen op nieuw bewijsrecht)

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Snijders, Martens, Bloembergen, Roelvink, Boekman, A-G Franx

Instantie: Hoge Raad, 25 september 1987

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Eiser tot cassatie gaat in beroep omdat zijn vordering tot ontkenning
van het vaderschap door het Hof niet ontvankelijk is verklaard. De moeder
van het kind heeft tijdens het proces gezegd dat eiser niet de vader is.
Het kind is 8 maanden na het huwelijk geboren. De Hoge Raad verwerpt het
beroep op grond van art. 1:200, 201 en 203 BW.. Aannemelijk moet gemaakt
worden dat de man niet de vader van het kind kan zijn, dat is onvoldoende het
geval. Een vordering tot ontkenning van het vaderschap kan alleen slagen
als zij tijdig is ingediend en op voldoende feiten is gegrond dit in verband
met art. 1:197 BW

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Snijders, Martens, Bloembergen, Roelvink, Boekman

Instantie: Hoge Raad, 25 september 1987

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


De vrouw, X, verzet zich tegen het oordeel van Rechtbank en Hof dat zij
niet gerechtigd is het verweer te voeren van art. 1:152 BW, dat inhoudt dat de
ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de man
Het Hof heeft als reden aangevoerd dat partijen, na een huwelijkse
samenleving van slechts twee jaar, inmiddels meer dan zes jaar gescheiden
leven, van enig verlangen naar herstel van de samenwoning is niet gebleken en
uit het verweer van de vrouw volgt dat zij de formele huwelijksband in stand
wil houden uit financiele overwegingen. De vrouw heeft aangevoerd dat de
man haar ernstig heeft mishandeld. De Hoge Raad is van mening dat het Hof
niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, het oordeel is niet
onduidelijk of onbegrijpelijk. De Hoge Raad verwerpt het beroep

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Ras, Martens, Hermans, Bloembergen, Boekman