Instantie: Rechtbank Breda, 18 september 1987

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Eiseres is veroordeeld tot het betalen van alimentatie. Gedaagde
heeft beslag gelegd. Eiseres vordert opheffing hiervan en restitutie van
een onrechtmatig ingehouden bedrag. Art. 1638g BW laat een beslagvrije voet
gelden volgens het Besluit Landelijke Normering. Daarbij is geen rekening
gehouden met een partner met eigen inkomen. Eiseres wil dat de beslagvrije
voet voor een gehuwde toegepast wordt. Deze vordering wordt afgewezen.
Omdat de echtgenoot voldoende inkomsten heeft om in eigen onderhoud te
voorzien is m.b.t. eiseres de belastingvrije voet voor een alleenstaande van
toepassing

Volledige tekst

Rechters

Mr. Mendlik

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 18 september 1987

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Partijen zijn gehuwd, maar wonen reeds geruime tijd niet meer samen.
Gedaagde heeft eiseres meerdere malen mishandeld en haar onder dreiging
met een vuurwapen gedwongen tot niet door haar gewenste seksuele
handelingen. De rechtbank wijst de vordering tot immateriele
schadevergoeding van ƒ 35.000,= toe.

Volledige tekst

Overwegende ten aanzien van het verloop van het geding

Eiseres heeft bij conclusie van eis overeenkomstig de inhoud van het
exploit van dagvaarding, waarbij een stuk is betekend, gevorderd dat het
de rechtbank moge behagen om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
voorzover de wet zulks toelaat:

1. Gedaagde te veroordelen om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van
kwijting te betalen een schadevergoeding van ƒ 35.000,= vermeerderd met
de wettelijke rente vanaf de dag van de betekening van deze dagvaarding
tot aan de dag van de algehele voldoening, subsidiair gedaagde te
veroordelen tot betaling aan eisers tegen behoorlijk bewijs van kwijting
van een schadevergoeding, welke de rechtbank in goede justitie zal
vermenen te behoren; 2. Gedaagde te verbieden -op straffe van verbeurte
van een dwangsom ten behoeve van eiseres van ƒ 5.000,= bij iedere
overtreding- om anders dan via zijn raadsman contact op te nemen met
eiseres, alsmede gedaagde te verbieden -op straffe van een gelijke
dwangsom ten behoeve van eiseres van ƒ 5.000,= voor iedere overtreding-
om zich te begeven binnen een straal van 250 meter van het woonhuis van
eiseres aan de …straat te Rotterdam; 3. Gedaagde te veroordelen in de
kosten van dit geding, een bedrag aan salaris voor de procureur van
eiseres daaronder begrepen.

Gedaagde heeft voor antwoord geconcludeerd dat het de rechtbank behage bij
vonnis eiseres in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren, althans
haar deze als ongegrond en onbewezen te ontzeggen, kosten rechtens.

Eiseres heeft onder overlegging van producties gerepliceerd, waarna
gedaagde heeft gedupliceerd.

Partijen hebben ten slotte de stukken ter beslissing overgelegd.

Overwegende ten aanzien van het recht.

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of niet
genoegzaam gemotiveerd weersproken en voorts op grond van de in zoverre
niet betwiste inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partijen
ten processe het volgende vast: a. Partijen zijn gehuwd, maar wonen reeds
geruime tijd niet meer samen; b. In de nacht van 2 op 3 januari 1985 heeft
gedaagde eiseres mishandeld. Door deze mishandeling is eisers zo ernstig
gewond geraakt, dat zij gedurende langere tijd in het ziekenhuis opgenomen
is geweest. Ten gevolge van deze mishandeling heeft eiseres, die toen
reeds een paar maanden in verwachting was, tevens een miskraam gekregen;
c. Gedaagde heeft eiseres bij herhaling met een vuurwapen met de dood
bedreigd. Hij heeft haar onder bedreiging met een vuurwapen tevens bij
herhaling gedwongen tot het verrichten en dulden van door haar niet
gewenste seksuele handelingen; d. Op 4 oktober 1986 heeft er tussen
partijen op verzoek van eiseres een gesprek plaatsgevonden. Bij deze
gelegenheid heeft gedaagde eiseres wederom mishandeld. Ook bij eerdere
pogingen van eiseres om tot een dialoog te komen, heeft gedaagde eiseres
mishandeld; e. Door de door gedaagde gepleegde mishandelingen en
bedreigingen met de dood is eiseres geestelijk zo van slag geraakt, dat
zij zich niet meer kan concentreren. Zij kan de slaap niet meer vatten en
wordt -voorzover zij al enige tijd kan slapen- bij herhaling van angst
wakker. Eiseres kan niet meer op gewone wijze functioneren. Veel van haar
belangen worden thans door een maatschappelijk werkster behartigd: zij is
daartoe zelf niet meer in staat. Eiseres is afgekeurd voor werkzaamheden
in loondienst. Vroeger was zij een zeer gewaardeerd administratief
medewerkster bij Unilever.

2. Eiseres baseert haar vordering op de vaststaande feiten. Zij stelt
tevens, dat zij met zeer grote regelmaat door gedaagde is mishandeld en
dat zij zich bij herhaling na een mishandeling onder doktersbehandeling
heeft moeten stellen. Zij stelt, dat zij ten gevolge van het onrechtmatig
handelen van gedaagde schade heeft geleden en dat zij recht heeft op
smartegeld. Ex aeqou et bono dient een en ander volgens eiseres
vastgesteld te worden op ƒ 35.000,=. Bij conclusie van eis heeft eiseres
voorts gesteld, dat zij nog steeds door gedaagde wordt bedreigd en dat zij
om die reden belang heeft bij een verbod als door haar sub 2 gevorderd.
Nadat gedaagde bij conclusie van antwoord heeft betwist, dat hij gedaagde
nog steeds bedreigt, heeft eiseres deze stelling bij conclusie van repliek
niet langer gehandhaafd. Bij conclusie van repliek heeft eiseres echter
gesteld, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverweging 1 onder d is
vastgesteld, dat contacten tussen partijen slechts plaats dienen te vinden
met haar toestemming en dat derhalve aan gedaagde verboden dient te worden
om zich zonder voorafgaande toestemming van eiseres binnen een straal van
250 meter van haar woning te begeven.

3. Gedaagde betwist, dat hij eiseres met zeer grote regelmaat heeft
mishandeld. Hij betwist echter niet gemotiveerd, dat hij eiseres in ieder
geval meer dan eens heeft mishandeld.

4. Gedaagde heeft aanvankelijk betwist, dat hij eiseres herhaaldelijk
heeft bedreigd, maar dat verweer heeft hij bij conclusie van dupliek niet
langer gehandhaafd.

5. Bij conclusie van antwoord heeft gedaagde voorts betwist, dat eiseres
schade heeft geleden als door haar gevorderd. Hij heeft betwist enig
bedrag aan haar verschuldigd te zijn.

6. Het in rechtsoverweging 5 genoemde verweer wordt als onvoldoende
gemotiveerd verworpen. Gelet op de vaststaande feiten kan immers niet
volgehouden worden, dat eiseres ten gevolge van het optreden van gedaagde
geen lichamelijk en geestelijk leed heeft ondervonden. Daarvan uitgaande
valt niet in te zien waarom eiseres geen aanspraak zou kunnen maken op
toekenning van een smartegeld. Voor de bepaling van de omvang van het
smartegeld kan voorts in het midden blijven of gedaagde eiseres met zeer
grote regelmaat heeft mishandeld, zoals door eiseres is gesteld en door
gedaagde is betwist. Immers de vaststaande feiten, meer in het bijzonder
de in rechtsoverweging 1 onder b, c en e vastgestelde feiten
rechtvaardigen reeds de toewijzing van een smartegeld als door eiseres
gevorderd. Het eerste onderdeel van de vordering van eiseres ligt mitsdien
voor toewijzing gereed.

7. Het tweede onderdeel van de vordering van eiseres zal echter worden
afgewezen. Voor toewijzing van dit onderdeel van de vordering van eiseres
zou toch minst genomen vast moeten staan, dat gedaagde het initiatief
neemt om rechtstreeks met eiseres in contact te treden, dan wel zich
zonder haar toestemming in de omgeving van haar woning ophoudt. Dat zulks
het geval zou zijn, is zelfs door eiseres niet gesteld. In tegendeel, uit
hetgeen eiseres bij conclusie van repliek heeft gesteld, vloeit veeleer
voort, dat het eiseres is die, op grond van haar geloofsovertuiging,
initiatieven ontplooit om met gedaagde in contact te treden.

8. Gedaagde zal als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij
worden veroordeeld in de proceskosten.

Rechtdoende

Veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting
te betalen een schadevergoeding van ƒ 35.000,= (vijfendertig duizend
gulden), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding
tot aan die der algehele voldoening.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het anders of meer gevorderde.

Veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van
eiseres gevallen, welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot als
volgt: -f 300,= voor in debet gesteld deel van het vastrecht; -f 87,60
voor door deurwaarder L. Glimmerveen te Schiedam in debet gestelde
exploitkosten; -f 1.600,= wegens salaris voor de procureur, welke kosten
rechtstreeks aan de griffier van deze rechtbank dienen te worden voldaan,
alsmede op ƒ 100,= voor het ten laste van de procureur gebrachte, voor
zijn partij verschuldigde, deel van het vast recht, eveneens rechtstreeks
aan deze te voldoen.

Rechters

Mrs Van den Ende-Wiefkers, Van Gool, Den Os-Brand

Instantie: Rechtbank Utrecht, 31 augustus 1987

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


De Rechtbank heeft in het kader van de voorlopige voorzieningen het
gezag over de kinderen gegeven aan eiser, de vader. Gedaagde, de moeder,
heeft de kinderen naar het buitenland gebracht. De Rechtbank veroordeelt
gedaagde tot kenbaar maken van de verblijfplaats van de kinderen, tot afgifte
van paspoorten, het doen afgeven van de kinderen aan eiser etcetera. Het
vonnis is uitvoerbaar bij lijfsdwang, gedaagde kan in gijzeling gesteld worden
en moet de reiskosten van de kinderen betalen

Volledige tekst

Rechters

Mr. Schepen

Instantie: Gedeputeerde Staten Flevoland, 25 augustus 1987

Instantie

Gedeputeerde Staten Flevoland

Samenvatting


Gelet op de Kroonjurisprudentie zijn B en W niet bereid tot
bijstandsverlening aan dit gezin, waarvan de echtgenoot gedurende twee maanden
de militaire dienstplicht in Turkije vervult. Alleen in overleg tussen de
Nederlandse en de vreemde mogendheid dient volgens GS een oplossing voor dit
probleem gevonden te worden. Thans wordt echter een oplossing voor dit
probleem gevonden in het kader van toepassing van de ABW, hetgeen tot gevolg
heeft dat een richtige uitvoering van de wet gefrustreerd wordt en de
individuele burger de dupe wordt van een probleem, dat alleen in overleg
tussen twee mogendheden opgelost kan worden. De huidige Kroonjurisprudentie
leidt er immers toe dat aan een burger die in zodanige omstandigheden verkeert
of dreigt te geraken, dat hij/zij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand wordt geweigerd,
hetgeen in strijd is met de bedoeling van de ABW. B en W hadden dan ook de
gevraagde bijstand dienen te verstrekken

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 12 augustus 1987

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Alimentatiebijdragen die de vader ten behoeve van zijn zoon betaalt
spelen voor de studiebijdrage geen rol

Volledige tekst

Rechters

Mr. Punt

Instantie: Rechtbank Roermond, 30 juli 1987

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Toewijzing van de vordering tot het in de macht van eiseres brengen van
de depotgelden onder de notaris, waarop eiseres conservatoir beslag heeft
gelegd, zou de paritas creditorum op onoirbare wijze doorbreken, behalve voor
wat betreft de proceskosten waarvoor gedaagde veroordeeld is. Met
betrekking tot de last tot betaling van alimentatiebedragen past
terughoudendheid omdat gedaagde wijziging hiervan heeft gevraagd met
terugwerkende kracht. Wel wordt een last aan de notaris gegeven om bedragen
voor kinderalimentatie in depot te geven aan de Raad voor de
Kinderbescherming

Volledige tekst

Rechters

Mr. Wind

Instantie: Kantonrechter Heerlen, 24 juli 1987

Instantie

Kantonrechter Heerlen

Samenvatting


Door een onzorgvuldig uitgevoerde pilcontrole wordt de zwangerschap van
de vrouw niet opgemerkt. Bij ontdekking is de zwangerschap reeds zo ver
gevorderd, dat in Nederland geen abortus meer mogelijk is, maar alleen nog kan
plaatsvinden in Engeland, tegen de nodige kosten. De vrouw vordert
vergoeding van deze kosten van de arts wegens onzorgvuldig handelen. In een
kantongerechtsprocedure worden de wederzijdse deskundigen niet geaccepteerd
De rechter zal waarschijnlijk drie dure deskundigen voorstellen.
Rechtenvrouw wordt gevraagd voor een deel van deze kosten garant te staan

BESLISSING RECHTENVROUW: accoord. De medische aansprakelijkheid voor
fouten die voortvloeien uit de vaak laatdunkende houding van artsen tegenover
vrouwen, dient te worden aangescherpt. AFLOOP: De kantonrechter heeft de
vordering afgewezen en heeft de abortus een overeenkomst zonder geoorloofde
oorzaak genoemd, nu deze in de 26e week van de zwangerschap plaatsvond. Aan
de schuldvraag en de hoogte van de schadevergoeding is hij niet toegekomen
De vrouw stelde hoger beroep in, maar heeft dit weer ingetrokken omdat
zij niet opgewassen was tegen de daarmee gepaard gaande emoties

Jaarverslag Rechtenvrouw 1987 no. 35, 1988 no. 39

Volledige tekst

Ten aanzien van de feiten

Verwijzend naar de inhoud van voormeld tussenvonnis d.d. 17 oktober
1986, waarbij een comparitie van partijen werd bevolen

Overwegende, dat partijen hierna ter voldoening aan bepaalde in voormeld
tussenvonnis ter terechtzitting van 11 februari 1987 hebben verklaard
overeenkomstig hetgeen is vervat in de bijlage E, welke aan de minuut van het
audientieblad is gehecht, waarvan inhoud geacht moet worden hier te zijn
herhaald en ingelast;

Overwegende, dat partijen hierna over en weer hebben geconcludeerd
overeenkomstig hetgeen is vervat in de bijlage F tot en met H, welke aan de
minuut van het audientieblad zijn gehecht, waarvan de inhoud geacht moet
worden hier te zijn herhaald en ingelast;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat de eiseres van gedaagde vordert een bedrag aan
materiele en immateriele schade terzake van een aan gedaagde als huisarts
verweten verzuim, daar hij op 18 juni 1985 – toen eiseres zich bij hem
vervoegde voor een door eiseres zogenoemde pilcontrole -, nagelaten zou
hebben, – toen daarvoor redenen waren gevonden in de omstandigheid dat de
baarmoeder van eiseres groot en gespannen was -, verder onderzoek in te
stellen naar de vraag of eiseres al dan niet zwanger was en vervolgens dat
eiseres zwanger was gedurende 14 weken en zij vervolgens toen de vrucht reeds
24 tot 26 weken oud was in Engeland een abortus heeft doen plegen;

Overwegende, dat gedaagde ieder verzuim betwist en zulks ook ten
processe in geen enkel opzicht is vastgesteld;

Overwegende, dat Wij een onderzoek daarnaar niet behoren in te stellen,
nu in ieder geval de vordering behoort te worden afgewezen en wel nu de
meergenoemde abortus is gedaan zonder medische indicatie en Wij op die grond
de daaraan verbonden kosten en schade niet als onmiddellijk en dadelijk
aanmerken van de beweerdelijke en overigens niet vastgestelde wanprestatie van
de gedaagde, zodat de vordering op die grond reeds moet worden afgewezen en
vervolgens ook omdat de overeenkomst dat abortus van een vrucht van 24 weken
tot 26 weken zonder enige medische indicatie zodanig in strijd is met de
nederlandse rechtsorde, dat deze overeenkomst er een is aangegaan uit een
ongeoorloofde oorzaak, in strijd met de openbare orde en goede zeden;

Overwegende, dat Wij de vordering dan behoren af te wijzen, met
veroordeling van de eiseres in de kosten voorzover aan de zijde van gedaagde
gevallen;

Rechtdoende, wijzen de vordering van de hand, veroordelen eiseres in de
kosten van het geding, deze aan de zijde van de gedaagde gevallen en tot op
heden begroot op ƒ 300,– zijnde het salaris voor de gemachtigden van
gedaagde

Rechters

Mr. J.J.M.G. Tacken, kantonrechter

Instantie: Kantonrechter Haarlem, 20 juli 1987

Instantie

Kantonrechter Haarlem

Samenvatting


Naar aanleiding van klachten over het functioneren van P vraagt Digros een
ontslagvergunning aan, welke echter moet worden ingetrokken omdat P lid is
van de ondernemingsraad. P wordt daarna alsnog op staande voet ontslagen
nadat zich een incident met een vrouwelijke collega heeft voorgedaan. Volgens
de kantonrechter staat het vast dat P zich jegens een vrouwelijke collega een
zekere intimiteit heeft veroorloofd door haar een kus te geven. Wanneer een
werkneemster daar niet van gediend is, is zulks op te vatten als een
ongewenste intimiteit. Het hoeft geen betoog dat niemand zich ongewenste
intimiteiten hoeft te laten welgevallen en dat een werkneemster aan wie iets
dergelijks overkomt zich terecht bij haar werkgever beklaagt. P stelt evenwel
dat de gewraakte gebeurtenis zich heeft afgespeeld in de gemoedelijke sfeer
waarin betrokkenen met elkaar omgingen. De vraag die volgens de kantonrechter
in dit geding beantwoording behoeft is, of, indien komt vast te staan dat het
hier om een ongewenste intimiteit is gegaan, zulk ontslag op staande voet
rechtvaardigde. De kantonrechter is van oordeel dat zulks ontkennend dient te
worden beantwoord. Zonder de ongewenstheid van de gedragingen als de
onderwerpelijke te willen bagatelliseren, is de onderhavige gebeurtenis,
indien zij tegen de zin van de betrokken werkneemster zou hebben plaatsgehad,
niet van dien aard dat zij een ontslag op staande voet rechtvaardigde, al zou
een ernstige waarschuwing zondermeer op zijn plaats zijn geweest. Digros
heeft er op gewezen dat P al eerder was betrapt op onbehoorlijk gedrag jegens
vrouwen. Zij doelt op de wat vunzige grapjes die P zich tegenover klanten
gepermitteerd zou hebben. In zoverre Digros hiermee wilde betogen dat P een
gewaarschuwd man was, wijst de kantonrechter dit betoog van de hand.
Ongepaste grappen zouden weliswaar niet meer van deze tijd behoren te zijn,
maar zij worden ten enenmale gemaakt en zijn kennelijk nog lang niet een
uitgeroeid fenomeen. Daarmee zij niet gezegd dat een werkgever dergelijke
grappen van een werknemer
behoort te accepteren, zeker niet als zij jegens klanten zijn gericht:
in het kader van een algehele functioneringsbeoordeling kunnen dergelijke
hebbelijkheden wel degelijk aan de orde komen.
De rechter beveelt Digros P weer toe te laten op het werk en hem op de
kandidatenlijst voor de ondernemingsraad te zetten.

Volledige tekst

(…)

In de hoofdzaak

1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel
onvoldoende weersproken het volgende vast.
De eisende partij, hierna te noemen P, is sedert 27 juni 1980 als zuivelschef
in dienst van gedaagde, hierna te noemen Digros.
P geniet een salaris ad (gemiddeld) ƒ 2950 per vier weken, hetgeen neerkomt
op (gemiddeld) ƒ 1900 netto.
De vakantietoeslag bedraagt 8%; daarnaast ontvang P ƒ 216,25 per vier weken
aan reiskosten en ƒ 30 netto onkostenvergoeding per vier weken. Hij heeft
recht op 24 vakantiedagen per jaar en een aantal ATV-dagen. P is lid van de
ondernemingsraad. Het afgelopen jaar is P diverse malen overgeplaatst c.q.
heeft hij een functiewijziging moeten ondergaan. Op 17 juni werd P door
Digros aangeschreven over zijn functioneren.
P heeft er toen in bewilligd dat hij te werk werd gesteld in de parkeergarage
van Digros te Leiden. Op 2 december 1986 schreef Digros aan P dat de
uitvoering van de desbetreffende werkzaamheden klachten opleverde en dat zij
een ontslagvergunning aan de directeur van het GAB zou vragen.
Op 12 januari 1987 werd inderdaad een ontslagvergunning gevraagd, welke later
werd ingetrokken in verband met het lidmaatschap van P van de
ondernemingsraad. Op 20 mei 1987 werd P op staande voet ontslagen. Als
dringende reden werd opgegeven dat gebleken was dat P een van de vrouwelijke
medewerkers van Digrozou hebben lastiggevallen.
P heeft direct de nietigheid van het ontslag ingeroepen.

2. P heeft zijn vordering gebaseerd op de arbeidsovereenkomst tussen
partijen: hij stelt dat het ontslag nietig is, nu dit is ingegeven door de
wens van Digros om zich hoe dan ook van hem te ontdoen. De gebeurtenis die
thans door Digros is aangegrepen kan niet anders gezien worden dan als de
bekende stok om de hond te slaan. Wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan
tussen P en de bewuste medewerker is het geven van een kus aan haar nadat zij
de arm om hem had heen geslagen. De desbetreffende gebeurtenis moet gezien
worden in het kader van de gemoedelijke sfeer waarin betrokkenen met elkaar
omgingen en kunnen geen dringende redenen opleveren voor ontslag op staande
voet. P stelt dat hij zich beschikbaar houdt om de bedongen arbeid te
verrichten en vordert doorbetaling van het loon c.a. tot aan de dag waarop de
arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd.

3. Digros is het standpunt toegedaan dat het gedrag van P jegens de
medewerkster, die zich ongewenste intimiteiten moet laten welgevallen, in
haar bedrijf niet acceptabel is en wel degelijk een dringende reden oplevert
voor ontslag op staande voet. Zij tekent daarbij aan dat later is gebleken
dat P zich intimiteiten veroorloofde jegens andere medewerksters, zij het
minder vergaand dan in het geval dat heeft geleid tot het onderhavige
ontslag. Digros stelt dat zij naar behoren met P heeft afgerekend en dat zij
niets meer aan hem verschuldigd is.

In het incident

4. P stelt dat hij belang erbij heeft dat door de Kantonrechter hangende deze
procedure voorlopige voorzieningen worden getroffen: hij voert daartoe aan
dat hij met zijn lopende verplichtingen op korte termijn in
betalingsmoeilijkheden dreigt te geraken en dat ondanks herhaalde sommatie
Digros weigert om hem op de verkiezingslijst te plaatsen voor de binnenkort
te houden ondernemingsraad-verkiezingen. Hij vordert dat hij in het kader van
de voorlopige voorzieningen weer wordt toegelaten tot zijn werkzaamheden als
zuivelchef onder doorbetaling van het volledige loon c.a. en dat hij alsnog
op de kandidatenlijst voor de ondernemingsraadverkiezingen wordt geplaatst,
zulks onder verbeurte van een dwangsom voor iedere dag dat Digros nalatig zal
zijn om aan een en ander te voldoen.

5. Digros heeft zich verweerd tegen de voorlopige voorzieningen: zij meent
dat in dit stadium van de procedure het treffen van de gevraagde
voorzieningen niet op zijn plaats is, nu de aan P verweten gedragingen van
dien aard zijn dat zij, indien zij komen vast te staan, ongetwijfeld een
dringende reden als bedoeld in artikel 1639p BW opleveren. Naar de mening van
Digros dient zulks in de bodemprocedure uitgemaakt te worden.

6. Bij de beantwoording van de vraag of als dan niet voorlopige voorzieningen
getroffen moeten worden, dient allereerst na gegaan te worden of in de
bodemprocedure de gedragingen van P jegens zijn collega op zichzelf als
redengevend beschouwd moeten worden voor een ontslag met onmiddellijke ingang.

7. Het staat wel vast dat P zich jegens een vrouwelijke werknemer die hier
verder niet met naam genoemd hoeft te worden, een zekere intimiteit
veroorloofd heeft door haar een kus te geven. Wanneer een werkneemster daar
niet van gediend is, is zulks op te vatten als een ongewenste intimiteit. Het
behoeft geen betoog dat niemand zich ongewenste intimiteiten hoeft te laten
welgevallen en dat een werkneemster, aan wie iets dergelijks overkomt, zich
terecht bij haar werkgever beklaagt.

8. In dit stadium van de procedure is nog niet met zekerheid vast te stellen
of de gedraging die P zich veroorloofd heeft, als een ongewenst intimiteit
moet worden beschouwd. P stelt dat de gewraakte gebeurtenis zich heeft
afgespeeld in het kader van de gemoedelijke sfeer waarin de betrokkenen met
elkaar omgingen. De vraag die thans beantwoording behoeft is, of indien komt
vast te staan dat het hier om een ongewenste intimiteit is gegaan, zulks een
ontslag op staande voet rechtvaardigde.
De Kantonrechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden
beantwoord. Zonder de ongewenstheid van gedragingen als de onderwerpelijke te
bagatelliseren, is de onderhavige gebeurtenis, indien zij tegen de zin van de
betrokken werkneemster zou hebben plaatsgehad, niet van dien aard zijn dat
zij een ontslag op staande voet rechtvaardigde, al zou een ernstige
waarschuwing zonder meer op haar plaats zijn geweest.
9. Digros heeft er in dit verban op gewezen dat P als eens eerder was betrapt
op onbehoorlijk gedrag jegens vrouwen. Zij bedoelt de wat vunzige grapjes die
P zich tegenover klanten gepermitteerd zou hebben .In het ontslagverzoek aan
de directeur van het GAB was reeds daarvan gewag gemaakt. Voorzover Digros
heeft beoogd hiermee te stellen dat P derhalve een gewaarschuwd man was, om
welke reden zij de gedraging jegens de betrokken medewerkster niet hoefde te
accepteren, wijst de Kantonrechter dit betoog van de hand. Ongepaste grappen
zouden weliswaar niet meer van deze tijd behoren te zijn, maar zij worden ten
enenmale gemaakt en zijn kennelijk nog lang niet een uitgeroeid fenomeen.
Daarmee zij nog niet gezegd dat een werkgever dergelijke grappen van een
werknemer behoort te accepteren, zeker niet als zij jegens de klanten gericht
zijn: in het kader van een algehele functioneringsbeoordeling kunnen
dergelijke hebbelijkheden wel degelijk aan de orde komen. Dat is in casu in
zoverre gebeurd dat Digros P tegenover de directeur van de GAB
‘praatzucht’ heeft verweten, daarbij wijzend op twee incidenten, waarvan er
een naar onweersproken is gebleven zich al lang geleden heeft voorgedaan.
Deze ‘praatzucht’ bezien in samenhang met de thans aan P verweten gedraging
die tot het ontslag op staande voet heeft geleid zal in de bodemprocedure
niet leiden tot het oordeel dat een dringende reden voor het aangevochten
ontslag aanwezig is geweest.

10. Digros heeft niet weersproken dat P belang heeft bij het treffen van
voorlopige voorzieningen. Gelet op het vorenoverwogene komt de kantonrechter
dan ook tot het oordeel dat de daartoe strekkende vordering in beginsel
toewijsbaar is.
Echter is hangende de procedure gebleken dat P laatstelijk niet werkzaam was
als afdelingschef zuivel: de Kantonrechter begrijpt dat hij op het moment van
ontslag in de flessenafdeling werkzaam was. Met het oog daarop zal het dictum
op de wijze als hierna geformuleerd worden. Ook de gevraagde plaatsing op de
kandidatenlijst voor de ondernemingsraadsverkiezingen kan worden toegewezen,
nu naar alle waarschijnlijkheid het ontslag het ontslag op staande voet
nietig is en niet weersproken dat P deel uitmaakt van die raad. De hoogte van
de gevorderde dwangsom komt de Kantonrechter redelijk voor. Digros dient de
kosten van het incident voor haar rekening te nemen.

Rechtdoende
In het incident

Beveelt Digros om P weer toe te laten tot zijn werkzaamheden hetzij als
zuivelchef hetzij als sorteerder op de flessenafdeling, zulks onder betaling
van zijn volledige loon c.a. binnen 24 uur vanaf het tijdstip van betekening
van dit vonnis;
Beveelt Digros om P op de kandidatenlijst te plaatsen voor de
ondernemingsraadverkiezingen binnen 24 uur vanaf het tijdstip van de
betekening van dit vonnis;
Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
Bepaalt dat Digros een dwangsom van ƒ 250 per dag zal verbeuren voor elke dag
of gedeelte daarvan dat zij nalatig zal zijn om aan de bovenstaande bevelen
te voldoen;
Veroordeelt Digros in de kosten van het incident.

Rechters

Mr. M.A.J. Tabingh Suermondt-Oostvogel

Instantie: Hof van Justitie EG, 9 juli 1987

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Er zijn drie prejudiciele vragen gesteld betreffende de uitlegging van
artikel 10, lid 1, van verordening nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze
van toepassing van verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de
sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun
gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen

De “Insurance Officer” heeft aan B.L. Burchell, verzoekster in het
hoofdgeding geweigerd kinderbijslag toe te kennen voor haar twee kinderen ten
laste. Verzoekster is uit de echt gescheiden en zonder beroep; zij woont
met haar twee kinderen in Groot- Brittannie, terwijl haar gewezen echtgenoot
in Nederland woont en aldaar in loondienst werkzaam is

Toen zij in 1980 verzocht om kinderbijslag, voldeed verzoekster aan alle
in de Engelse wet gestelde voorwaarden. Tegelijkertijd ontving haar gewezen
echtgenoot in Nederland voor dezelfde tijdvakken kinderbijslag ten behoeve van
dezelfde kinderen

Blijkens het dossier kende noch de Britse, noch de Nederlandse wetgeving
voor de periode waarvoor verzoekster aanspraak maakt op uitkeringen, een
anticumulatievoorschrift voor situaties als die waarover het hier gaat

De “Insurance Officer” was van mening dat verzoeksters recht op
kinderbijslag voor deze kinderen in het Verenigd Koninkrijk (aan welk recht
geen voorwaarden inzake verzekering of arbeid zijn gesteld) was geschorst
ingevolge artikel 10, lid 1, sub a, eerste volzin, van verordening nr. 574/72,
aangezien verzoekster, omdat zij geen beroepswerkzaamheden uitoefende, geen
beroep kon doen op de uitzondering van artikel 10, lid 1, sub a, tweede
volzin

In antwoord op de prejudiciele vragen heeft het Hof voor recht verklaard
dat artikel 10, lid 1, sub a, eerste zin van verordening nr. 574/72 is van
toepassing wanneer krachtens artikel 73 van verordening nr. 1408/71
kinderbijslag verschuldigd is voor een kind dat als gezinslid van een der
rechthebbenden onder de personele werkingssfeer van de gemeenschapsregeling
inzake de sociale zekerheid van werknemers valt; daarbij is niet van belang of
de andere rechthebbende, aan wie voor hetzelfde kind eveneens kinderbijslag
verschuldigd is, ook zelf binnen die werkingssfeer valt

En dat artikel 10, lid 1, sub a, eerste zin, van verordening nr. 574/72
is niet van toepassing wanneer een prestatie enkel krachtens de nationale
wettelijke regeling en niet krachtens artikel 73 van verordening nr. 1408/71
verschuldigd is

Volledige tekst

Rechters

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 9 juli 1987

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Regeling arbeidsduurverkorting in het onderwijs stelt extra voorwaarden
aan part-timers om voor arbeidsduurverkorting in aanmerking te komen. Is
deze regeling indirect discriminerend?

Volledige tekst

Ontstaan en loop van het geding

Bij deurwaardersexploit van 10 februari 1986 hebben principaal appellanten
de Staat in kort geding gedagvaard voor de President van de
Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage. De vordering strekte ertoe de
Staat te bevelen de regeling tot arbeidsduurverkorting (afgekort: ADV) in
het onderwijs (Min. Circulaire C 85011 DI/AB 85-15 d.d. 30 mei 1985) in
te trekken, althans buiten werking te stellen, en schadevergoeding toe te
kennen aan appellanten sub 1, met veroordeling van de Staat in de kosten
van het geding.

De Staat heeft deze vorderingen bestreden tijdens het kort geding in
eerste aanleg d.d. 14 februari 1986, waarbij door beide partijen nog
diverse producties werden overgelegd. Bij vonnis van 21 februari 1986
heeft de President van de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage de
gevraagde voorzieningen geweigerd en appellanten veroordeeld in de kosten
van het geding. Appellanten zijn bij exploit d.d. 4 maart 1986 (tijdig)
in hoger beroep gekomen en hebben bij Memorie van Grieven twee grieven
tegen het vonnis aangevoerd, onder overlegging van drie producties. De
Staat heeft deze grieven bestreden bij Memorie van Antwoord, waarbij
tevens incidenteel appel werd ingesteld en een aantal producties werd
overgelegd. Nadat appellanten het incidenteel appel nog in een Memorie van
Antwoord hadden bestreden hebben partijen de zaak door hun procureurs doen
bepleiten voor het Hof op 1 juni 1987, bij welke gelegenheid door de Staat
nog een akte werd genomen. Daarna hebben partijen onder overlegging van
de procesdossiers van beide instanties -inclusief de pleitnota’s- arrest
gevraagd.

Beoordeling van de zaak in hoger beroep

1. De Staat klaagt in zijn incidentele grief (die de verste strekking
heeft en daarom eerst behandeld zal worden), dat de president ten onrechte
heeft geoordeeld, dat de Staat met de per 1 augustus 1985 ingevoerde
ADV-maatregelen een in beginsel ongeoorloofd onderscheid tussen mannen en
vrouwen heeft gemaakt als bedoeld in art. 1637ij BW en art. 1 Wet Gelijke
Behandeling van Mannen en Vrouwen in Openbare Diensten (Stb. 1980, 384).
Deze grief richt zich tegen rechtsoverweging 3 van het bestreden vonnis,
waar de president heeft overwogen dat door de ADV-maatregelen met name
vrouwen werden benadeeld, omdat part-timers van de voordelen van de
ADV-regeling zijn uitgesloten, en zich juist onder die part-timers veel
vrouwelijke leerkrachten bevinden.

2. Bij de beoordeling van deze grief stelt het Hof voorop, dat voor het
antwoord op de vraag of door de Staat ‘onrechtmatig’ wordt gehandeld
(grondslag van de eis bij inleidende dagvaarding sub 5) het
maatregelen-pakket in zijn totaliteit bezien moet worden, waarbij – naast
de inhoud van de regeling – mede rekening moet worden gehouden met de
wijze van totstandkoming (vooraf) en de effecten van de regeling
(achteraf). Niet aanvaardbaar is het de regeling in een aantal
afzonderlijke facetten te ontbinden en die vervolgens geisoleerd te
beschouwen, het gaat om de toetsing van het totaal-beleid.

3. Ten aanzien van de wijze van totstandkoming van de Min. Circulaire d.d.
30 mei 1985 is van belang, dat daarover ampel overleg heeft plaatsgevonden
met vier centrales van overheids- en onderwijspersoneel, waarna de
Minister van Onderwijs en Wetenschappen op 3 mei 1985 met drie van die
centrales (nl. de CMHA, de ACOP en de CCOOP) tot een akkoord is gekomen.
De Minister van Binnenlandse Zaken heeft geen bezwaar gemaakt tegen het
pakket maatregelen, terwijl ook het kabinet zich daarmee akkoord heeft
verklaard; tenslotte is de ADV-regeling in het onderwijs onderwerp geweest
van uitvoerige besprekingen in de Vaste Commissie voor Onderwijs en
Wetenschappen uit de Tweede Kamer, die in vergaderingen op 6 juni en 29
augustus 1985 aan de diverse voorstellen haar goedkeuring heeft gehecht.
Blijkens vraag 29 in het vooroverleg (brief van de Minister van Onderwijs
en Wetenschappen d.d. 4 juni 1985) is daarbij de vraag of de regeling niet
‘vrouw-onvriendelijk’ was uitdrukkelijk aan de orde geweest. Deze wijze
van totstandkoming is geheel correct en rechtmatig geweest, en appellanten
klagen daarover dan ook niet. Dat een aanmerkelijke benadeling van vrouwen
(als door appellanten gesteld) aan al de bovengenoemde organisaties en
overheidsorganen ongemerkt voorbij zou zijn gegaan is niet aannemelijk,
en nog minder, dat een dergelijke benadeling ooit zou zijn goedgekeurd.
De wijze van totstandkoming vormt daarom een indicatie, dat het
ADV-pakket-1985 geen ernstige benadeling of achterstelling van vrouwen met
zich mee bracht.

4. Voor wat betreft de inhoud van de ADV-maatregelen kan aan appellantes
worden toegegeven, dat de uitsluiting van de ADV-voordelen (part-timers
tot 54 jaar met minder dan 4/5 weektaak en part-timers boven 54 jaar met
minder dan een halve weektaak profiteren daarvan niet) op zichzelf een
voor vrouwen ongunstig effect heeft, omdat het juist vrouwen zijn die in
het onderwijs part-timefuncties vervullen. Van de 81 750 bij het onderwijs
werkzame vrouwen komen er 41 850 in aanmerking voor ADV, ofwel 51,2%,
terwijl dit percentage voor mannen rond 85% bedraagt (volgens de door de
president in rechtsoverweging 3 vermelde cijfers, waarvan partijen ook in
appel zijn uitgegaan). In de hierna in rechtsoverweging 5 te bespreken
‘IVA’-cijfers-1986 (Tabel VI) is die verhouding becijferd op (gemiddeld)
29% voor vrouwen en 71% voor mannen. Deze verhouding moet uit een oogpunt
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen als een minpunt worden
aangemerkt.

5. Ten aanzien van de door partijen uitvoerig besproken effecten-achteraf
van de ADV-maatregel is van belang dat ten aanzien van de ‘herbezetting’
van de door de ADV vrijgekomen uren (welk werkgelegenheids-aspect een
belangrijk doel van de regeling vormde) inmiddels ook cijfers beschikbaar
zijn. Blijkens een onderzoek, ingesteld door het ‘IVA’-Instituut voor
Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek van de Katholieke Universiteit Brabant
(gedateerd november 1986) werden de vrijgekomen uren in het voortgezet
onderwijs voor 40% door vrouwen herbezet, in het speciaal onderwijs voor
70%, en in het basisonderwijs voor 78%. Uit deze cijfers blijkt, dat de
ADV-maatregel een voor vrouwen gunstig effect heeft ten aanzien van de
werkgelegenheid (ook voor part-timers), hetgeen de in rechtsoverweging 4
beschreven nadelen van de maatregel weer compenseert.

6. Een ander effect-achteraf van de ADV-maatregel betreft de nieuwe met
de ADV samenhangende VUT-regeling d.d. 14 mei 1985, die – om tegemoet te
komen aan de moeilijke positie van oudere docenten in het onderwijs, een
tweede belangrijk doel van de ADV-regeling – thans inhoudt dat men reeds
op 59- (in plaats van 61-)jarige leeftijd vervroegd kan uittreden. Voor
deze nieuwe VUT-regeling komen ook part-timers in aanmerking, en ook dit
facet van de nieuwe ADV-regeling kan niet als nadelig voor vrouwelijke
leerkrachten worden beschouwd.

7. Beschouwt men de ADV-regeling in haar totaliteit, tegen de achtergrond
van de nagestreefde doelstellingen en de verdere omstandigheden van het
geval, dan is hier naar het oordeel van het Hof sprake van een regeling,
waaraan weliswaar voor sommige vrouwen nadelige effecten kleven, maar die
anderzijds voor andere vrouwen juist weer voordelen met zich brengt,
zodanig dat deze effecten elkaar in evenwicht houden. Mede gelet op de
wijze van totstandkoming van deze regeling en de ratio tot schepping van
werkgelegenheid en tot bescherming van oudere leerkrachten kan dan ook
naar het voorlopig oordeel van het Hof niet worden gezegd dat de Staat
zich met de bestreden ADV-regeling schuldig heeft gemaakt aan een
onrechtmatige daad als bedoeld in art. 1401 BW of ‘een in beginsel
ongeoorloofd onderscheid tussen mannen en vrouwen als bedoeld in art.
1637ij BW’. Daaruit volgt dat de eerste incidentele grief van de Staat
gegrond is (met name daar waar geklaagd wordt dat de president verzuimd
heeft de ADV-regeling in haar geheel op onrechtmatigheid te toetsen). (
…). Rechtdoende in hoger beroep in kort geding: bekrachtigt het
bestreden vonnis van de President van de Arrondissementsrechtbank te
‘s-Gravenhage d.d. 21 februari 1986.

Rechters

Mrs. Kok, Van Schellen en Erdman