Instantie: Raad van State, 4 februari 1987

Instantie

Raad van State

Samenvatting


Vrouw heeft geslachtsnaamwijziging aangevraagd voor haar twee kinderen
Zij is al tien jaar gescheiden. Naamswijziging is geweigerd door de
staatssecretaris van justitie, omdat men aanneemt dat de vrouw nu zij
samenwoont met haar nieuwe partner, onmogelijk alleen voor de opvoeding heeft
zorggedragen (een richtlijn die gehanteerd wordt door justitie). Daarnaast
stelt de staat letterlijk: “dat het voor een kind dat door een man en een
vrouw tezamen wordt opgevoed, primair in zijn belang is de geslachtsnaam van
de man te dragen, zodat het voor de buitenwereld als zijn wettig kind
doorgaat. “

BESLISSING RECHTENVROUW: justitie geeft duidelijk blijk van haar gez
insdenken, als zij een vrouw die beweert haar kind alleen op te voeden, niet
gelooft, zuiver op grond van het feit dat zij samenwoont. Daarnaast
hanteert justitie een discriminerende norm bij de geslachtsnaamwijziging

AFLOOP: procedure bij de Raad van State is gewonnen. De
staatssecretaris moet zijn besluit intrekken wegens strijd met de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur en de nieuwe richtlijnen

Jaarverslag 1984 no. 7, 1986 no. 33

Volledige tekst

Bij besluit van 23 mei 1984 heeft verweerder het verzoek van appellante
om wijziging van de geslachtsnaam van haar minderjarige kinderen in H.
afgewezen

Verweerder heeft dit besluit doen steunen op de volgende overwegingen:

dat bij beslissing op verzoeken om naamswijziging bepaalde richtlijnen
worden gevolgd (gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 9 mei 1980,
no. 89); dat ingevolge deze richtlijnen aan een minderjarig wettig kind in
zijn belang de geslachtsnaam van de moeder kan worden verleend indien het
huwelijk van de ouders is ontbonden en vervolgens de moeder het kind ten
minste vijf jaar alleen heeft opgevoed en wijziging van deze situatie niet
aannemelijk is;

dat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat de ouders van de
betrokken minderjarigen op 21 maart 1975 van echt zijn gescheiden;

dat gesteld kan worden dat verzoekster haar kinderen vanaf die datum –
in de zin van de richtlijnen – verder alleen is gaan opvoeden;

dat uit het ingestelde onderzoek tevens is gebleken dat verzoekster
gedurende ongeveer 2 1/2 jaar in een bestendige relatie samenleeft met K. .;

dat het, gelet op deze samenwoning, onaannemelijk is dat de heer K. geen
enkele rol in de opvoeding van de kinderen van verzoekster speelt, zodat
derhalve van opvoeding door de moeder alleen geen sprake kan zijn;

dat het verzoek mitsdien niet aan de richtlijnen voor
geslachtsnaamswijziging voldoet;

dat bovendien gebleken is dat de vader van de kinderen bezwaar heeft
tegen inwilligen van het verzoek;

dat uit het advies van de Raad voor de Kinderbescherming te Utrecht
blijkt dat de raad van mening is dat niet kan worden gesteld dat er
bijzondere omstandigheden te melden zijn op grond waarvan van de bestaande
richtlijnen zou moeten worden afgeweken;

dat het verzoek voorts niet voor inwilliging in aanmerking kan komen, in
de eerste plaats omdat een naamswijziging moet aansluiten op een bestendige
gezinssituatie van de moeder, in de tweede plaats omdat er in de algemeen van
kan worden uitgegaan dat het voor een kind dat door een man en een vrouw te
zamen wordt opgevoed primair in zijn belang is de geslachtsnaam van de man te
dragen omdat het voor de buitenwereld als zijn wettig kind doorgaat en in de
derde plaats met het oog op het beginsel van behoorlijk bestuur dat vordert
dat er in gelijke gevallen gelijke beslissingen worden gegeven;

dat weliswaar in bijzondere gevallen van de richtlijnen kan worden
afgeweken;

dat hiertoe, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding bestaat;

dat de wens van de kinderen, de naam van de moeder te willen verkrijgen
genoegzaam bekend is;

dat die wens echter niet doorslaggevend kan zijn;

dat, indien dit wel het geval zou zijn, nagenoeg onbeperkte
naamswijziging mogelijk zou zijn en dit is in strijd met de beginselen van
het wettelijke namenrecht

Tegen dit besluit heeft appellante bij schrijven van 20 juni 1984,
blijkens poststempel bij de Staatsbedrijf der P.T.T. ontvangen op 21 juni
1984, beroep op grond van de Wet administratieve rechtspraak
overheidsbeschikkingen ingesteld bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van
State

Appellante heeft haar beroep bij schrijven van 12 november 1984 als
volgt gemotiveerd:

Ten onrechte heeft de staatssecretaris het verzoek om naamswijziging ten
behoeve van L. en E. afgewezen, op grond van het feit dat appellante sedert 2
1/2 jaar bestendig samenleeft met K

Ten onrechte heeft de staatssecretaris bovendien het verzoek afgewezen,
omdat gebleken is dat de vader van de kinderen bezwaar heeft tegen
inwilliging van het verzoek

Ten onrechte stelt de staatssecretaris dat het onaannemelijk is, dat K.
geen enkele rol in de opvoeding van de kinderen van appellante speelt, zodat
geen sprake kan zijn van opvoeding door de moeder alleen

Ten onrechte stelt de staatssecretaris dat in casu uit een advies van de
Raad voor de Kinderbescherming zou blijken, dat niet kan worden gesteld dat
zich in casu bijzondere omstandigheden voordoen

De Raad heeft zich in casu beperkt tot het geven van enige conclusies en
geen advies uitgebracht. Ten onrechte stelt de staatssecretaris derhalve dat
een advies is uitgebracht. Dit advies had in ieder geval uitgebracht moeten
worden, waarna ongetwijfeld gebleken zou zijn dat in casu sprake is van
bijzondere omstandigheden, welke een afwijking van de richtlijnen
rechtvaardigen

Nu de staatssecretaris zijn beslissing heeft genomen zonder daarbij het
advies van de Raad te betrekken casu quo zonder te onderzoeken of in casu
sprake was van een bijzondere omstandigheid, heeft hij een besluit genomen
dat niet gedragen wordt door een deugdelijke, voor betrokkene kenbare
motivering

Ten onrechte stelt de staatssecretaris dat een naamswijziging moet
aansluiten op een bestendige gezinssituatie van de moeder en dat het primair
in het belang van de kinderen is de geslachtsnaam van de man te dragen

Door deze stellingname is de beslissing van de Staatssecretaris van
Justitie in strijd met artikel 26 van het voor Nederland directe werking
hebben Verdrag van New York, 1966, inzake burgerrechten en politieke rechten

Door immers de naamswijziging van de kinderen afhankelijk te stellen van
de leefsituatie waarin dezen en de moeder zich thans bevinden en het “gezin”
centraal te stellen, wordt appellante gediscrimineerd als vrouw. Ter
bepaling of een kind de naam van een man krijgt, wordt immers niet naar de
nieuwe gezinssituatie gekeken. Het ministerie gaat ervan uit dat het voor een
kind primair in zijn/haar belang is de geslachtsnaam van de man te dragen

Met een dergelijk beleidsuitgangspunt discrimineert het ministerie
vrouwen. Bovendien is dit beleid in tegenspraak met het aangezegde
voorontwerp Naamrecht (in de Justitiebegroting 1984) waarin het ook mogelijk
moet worden dat kinderen de naam van hun moeder krijgen

De maatschappelijke normen zijn in deze tijd zo in beweging, dat men
thans niet meer kan beweren dat het in het belang van het kind is de naam van
de vader te dragen

Dat de vrouw door de vigerende richtlijnen van het Ministerie van
Justitie wordt gediscrimineerd, moge tevens blijken uit het feit dat zij vijf
jaren alleen voor haar kinderen gezorgd moet hebben, doch een man – met wie
ze gehuwd is – al na een jaar kan verzoeken de kinderen zijn naam te geven

Tijdens het onderzoek in opdracht van het Ministerie van Justitie is
niet onderzocht of de heer K. zich met de opvoeding der kinderen bezighoudt,
danwel hiertoe bereid is. Ten onrechte is geen rekening gehouden met het
feit dat appellante vanaf het moment dat zij duurzaam gescheiden leefde van
haar ex-man (mei 1973) alleen (zonder mannelijke partner dan ook) 100%
verantwoordelijkheid wenste te nemen voor de opvoeding van haar kinderen

Appellante heeft weliswaar een relatie met de heer K., doch wenste met
hem geen gezin te vormen. De staatssecretaris gaat er bij zijn beslissing
ten onrechte van uit dat de vrouw kiest voor een traditionele gezinsvorm,
wanneer zij met de man in een huis woont. Appellante heeft bewust geen gezin
met de heer K. willen vormen. Reden hiervoor is dat zij haar moederschap als
een bijzonder serieuze volle dagtaak beschouwt en de verantwoordelijkheid
voor haar kinderen niet wenst te delen met een man, die full-time werkt (die
daardoor niet eens de tijd heeft voor opvoeding en verzorging) en die omdat
hij achteneenhalf jaar jonger dan zijzelf is andere prioriteiten in zijn leven
heeft

Ten overvloede zij opgemerkt dat de kinderen de heer K. niet als
(stief)vader casu quo opvoeder beschouwen. Hij is alleen een man met wie hun
moeder een relatie heeft

De staatssecretaris heeft zijn beslissing dan ook na een onjuiste
belangenafweging genomen, casu quo heeft een beslissing genomen die in strijd
is met de zorgvuldigheid

De kinderen hebben dermate weinig contact met hun vader, dat de
staatssecretaris bij afweging van de betrokken belangen het veto van de vader
in casu niet in aanmerking had mogen nemen

Het afgelopen half jaar hebben de kinderen hun vader slechts eenmaal
ontmoet. Van enige band, welke de naamswijziging in de weg zou staan, is wat
hun betreft geen sprake

De heer V. heeft inmiddels uit een tweede huwelijk een derde kind en zal
derhalve – wanneer het beroep van appellante gegrond wordt verklaard – in
ieder geval nog een kind hebben dat zijn naam draagt

Bovendien is het verzoek tot naamswijziging mede gebaseerd op de
uitdrukkelijke wens van de beide kinderen, die op een leeftijd zijn dat zij
heel goed weten wat zij willen (17 en 14 jaar)

Het meisje E. verkeert – doordat zij nog steeds V. heet – in een
identiteitscrisis. Zij gebruikt – sinds zij de MAVO bezoekt – al
tweeeneenhalf jaar de naam van haar moeder, omdat zij geen enkele emotionele
binding met de naam “V.” voelt

Het beroepschrift van appellante is met toepassing van artikel 11,
eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen aan
de Minister van Justitie toegezonden met uitnodigingen om binnen veertien
dagen schriftelijk te verklaren of dit beroepschrift als bezwaarschrift zal
worden aangemerkt en als zodanig in behandeling zal worden genomen.
Verweerder heeft naar aanleiding daarvan medegedeeld dat aan die uitnodiging
geen gevolg zal worden gegeven

Desgevraagd heeft verweerder op 5 juni 1985 een verweerschrift ingediend

Het geschil is op 13 november 1986 behandeld in een openbare vergadering
van de Afdeling, waarin appellante en verweerder, bij, monde van hun
vertegenwoordigers, hun standpunten nader hebben uiteengezet

In rechte:

Het onderhavige beroep is ingesteld voor 1 januari 1987, zodat hierop,
gelet op artikel X van het Wet van 18 december 1986, Stb. 668, moet worden
beslist met inachtneming van de bepalingen van de Wet op de Raad van State
zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van eerstgenoemde wet op 1
januari 1987

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het burgerlijk Wetboek kan de
geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek of op verzoek van zijn
wettelijke vertegenwoordiger bij Koninklijk besluit worden gewijzigd

Bij Koninklijk besluit van 9 december 1969 tot vaststelling van een
algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van evengenoemd artikellid, dat
kan worden aangehaald als “Regelen betreffende verzoeken tot naamswijziging
en tot naamsvaststelling”, is de Minister van Justitie belast met de
voorbereidende behandeling van een verzoek om geslachtsnaamswijziging. Hij is
daarbij tevens gemachtigd om zulk een verzoek af te wijzen, indien hij meent
dat het niet voor inwilliging in aanmerking komt

De Staatssecretaris van Justitie heeft bij zijn beschikking van 3
december 1976, laatstelijk gewijzigd bij zijn op 1 juni 1980 in werking
getreden beschikking van 24 april 1980 (Stcrt. 1980, 89), vastgesteld de
“Richtlijnen voor geslachtsnaamswijziging 1976” (hierna te noemen: de
Richtlijnen)

In de Richtlijnen heeft verweerder bekend gemaakt in welke gevallen naar
zijn mening in het algemeen voor wijziging van een geslachtsnaam aanleiding
zal kunnen bestaan

In de Richtlijnen is onder meer voorzien in de mogelijkheid van
wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarig wettig kind in die van
zijn moeder, indien het huwelijk van de ouders is ontbonden en vervolgens de
moeder gedurende vijf jaar het kind alleen heeft opgevoed en wijziging van
deze situatie niet aannemelijk is

Voorts is in de Richtlijnen bepaald dat onder meer de vader van het kind
op het verzoek om naamswijziging wordt gehoord

Het verzoek wordt afgewezen, indien de vader bezwaar heeft tegen de
naamswijziging, omdat hij van mening is dat zijn kinderen zijn geslachtsnaam
behoren te dragen. Aan het bezwaar van de vader kan worden voorbijgegaan
indien:

a. tussen de vader en het kind geen of nagenoeg geen contact bestaat; of

b. het kind, de leeftijd van 12 jaar bereikt hebbende en bekend zijnde
met zijn afstamming, zelf de naamswijziging wenst; of

c. het bezwaar niet opweegt tegen het belang van het kind bij de
naamswijziging

Verweerder heeft zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt
gesteld dat het verzoek van appellante niet voldoet aan het bepaalde in de
Richtlijnen. In dit verband heeft hij erop gewezen dat appellante haar
kinderen niet alleen opvoedt, aangezien zij reeds ongeveer tweeeneenhalf jaar
samenleeft in een bestendige relatie met K. en het, gelet op deze samenwoning,
onaannemelijk is dat K. geen enkele rol speelt in de opvoeding van L. en E.,
de kinderen van appellante

Naar het oordeel van de Afdeling kan niet staande worden gehouden dat
verweerder zich, gezien de voorhanden gegevens, ten onrechte op het standpunt
heeft gesteld dat niet aan de Richtlijnen is voldaan. De omstandigheid dat
aannemelijk is dat appellante een overwegende verantwoordelijkheid draagt in
de opvoeding van haar kinderen doet daar niet aan af. Voorts dient de
Afdeling na te gaan of verweerder het verzoek in afwijking van de Richtlijnen
voor inwilliging in aanmerking had behoren te brengen

Anders dan verweerder bij zijn bestreden besluit heeft overwogen moet,
zoals de Afdeling reeds eerder als haar oordeel te kennen heeft gegeven,
worden ontkend dat er in het algemeen van zou kunnen worden uitgegaan dat het
voor een kind dat door een man en een vrouw te zamen wordt opgevoed primair
in zijn belang zou zijn de geslachtsnaam van de man te dragen. In ieder geval
kan, naar door de Afdeling met name inzake no. R02.83.3109 is uitgesproken,
ten betoge dat dit wel zo zou zijn in de tegenwoordige omstandigheden niet
langer gewicht worden toegekend aan het feit dat het kind alsdan voor de
buitenwereld doorgaat als het wettig kind van de man

Evenmin kan worden volgehouden de zienswijze van verweerder dat
afwijzing van verzoeken als het onderhavige door het gelijkheidsbeginsel zou
worden gevorderd. Dit beginsel strekt zich immers niet zo ver uit dat het
verweerder de vrijheid ontneemt om als gevolg van een individuele beoordeling
van de bijzondere omstandigheden van een geval te besluiten om van de
Richtlijnen af te wijken

Terwijl, zoals hiervoor is overwogen, bij de huidige stand van zaken nog
maar nauwelijks gewicht kan worden toegekend aan de door verweerder bedoelde
schijn van wettigheid, is dit naar het oordeel van de Afdeling anders wat
betreft de door hem verlangde aansluiting op een bestendige gezinssituatie.
In de Richtlijnen komt in dit verband de opvatting tot uitdrukking dat in het
belang van de betrokken minderjarigen, voor zoveel doenlijk, dient te worden
gestreefd naar eenheid van naamvoering binnen een gezinsverband

Vast staat dat in het gezin van appellante drie geslachtsnamen bestaan.
Een beperking van dit aantal moet naar het oordeel van de Afdeling in
beginsel in het in de Richtlijnen centraal gestelde belang van de
minderjarigen worden geacht. Aangezien appellante heeft verklaard niet
voornemens te zijn met K. in het huwelijk te treden, ligt wijziging van de
geslachtsnaam van de betrokken minderjarigen in die van K. niet voor de hand

Aansluiting op de bestendige gezinssituatie zou naar het oordeel van de
Afdeling dan ook het best kunnen worden verkregen door inwilliging van het
onderhavige verzoek

Voorts acht de Afdeling nog van belang dat blijkens het te dezen
voorhanden zijnde rapport van de Raad voor de Kinderbescherming te Utrecht
van 23 februari 1984 de kinderen van appellante behoorlijk in staat zijn te
beoordelen of de gevraagde naamswijziging in hun belang is alsmede dat niet
in geschil is dat deze kinderen – beiden ten tijde van het bestreden besluit
ouder dan 12 jaar – zelf naamswijziging wensen. Verder is niet zonder
gewicht dat, naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt,
tussen de kinderen van appellante en hun vader slechts een gering contact –
anders dan de financiele verzorging – bestaat

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de door
verweerder gehanteerde overwegingen het bestreden besluit niet kunnen dragen.
In verband hiermee moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit is
genomen in strijd met het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van
behoorlijk bestuur dat een beschikking moet kunnen worden gedragen door een
deugdelijke, daaraan ten grondslag gelegde motivering

Het bestreden besluit dient mitsdien te worden vernietigd op de grond,
genoemd in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet
administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen

Overigens merkt de Afdeling nog op dat zij in de gegeven omstandigheden
geen aanleiding ziet zich uit te spreken omtrent hetgeen appellante overigens
nog heeft aangevoerd. Daarbij heeft zij mede in aanmerking genomen dat
verweerder ter zitting te kennen heeft gegeven zijn beleid inmiddels in
zoverre te hebben gewijzigd dat hij thans bereid is om in gevallen als die van
appellante, waarin de moeder gedurende een periode van vijf jaar onmiddellijk
na het beeindigen van het huwelijk haar kinderen alleen heeft opgevoed, een
bijzonder geval aanwezig te achten op grond waarvan kan worden afgeweken van
de Richtlijnen

Uitspraak:

De Raad van State, Afdeling rechtspraak;

Gezien de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen en de
Wet op de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 23
mei 1984, no. N.M. 824/640;

II. gelast dat het door appellante ten behoeve van de Staat gestorte
recht wordt terugbetaald

Rechters

Mr. P.J. Boukema, voorzitter, mr. M.D. van Wolferen, plaatsvervangendlid, en mr. J.G. Steenbeek, lid i.b.d., in tegenwoordigheid van mr. B.M. vanDun, ambtenaar van Staat

Instantie: Kantonrechter Rotterdam, 3 februari 1987

Instantie

Kantonrechter Rotterdam

Samenvatting


Zie voor deze zaak ook President Rechtbank Rotterdam 5 december 1986. In de
onderhavige procedure worden twee getuigen gehoord. Het betreft twee
ondergeschikten van X. De kantonrechter concludeert als volgt: Ook al staan
de beschreven handtastelijkheden civiel-rechtelijk niet onomstotelijk vast,
er is toch voldoende grond om aan te nemen dat ze gepasseerd zijn. Getuige C
heeft het gepasseerde niet serieus genomen, ze vond het wel onjuist, maar dat
heeft haar goede relatie met verweerder niet geschaad. Ze was zelf ook
vrijmoedig in haar gedrag tegenover X. Getuige A heeft de meeste
`handtastelijkheden’ niet serieus genomen. Na verzet harerzijds tegen de
overige toenaderingen heeft verweerder die niet doorgezet. De kantonrechter
is op grond van een en ander van oordeel dat hetgeen gepasseerd is tussen X
en de beide vrouwelijke medewerkers in de verhouding van chef tegenover
ondergeschikten, niet toelaatbaar is. De gevraagde ontbinding wordt echter
geweigerd. Daarbij wordt in beschouwing genomen het gedrag van X in de
voorafgaande jaren, het feit dat er geen aanleiding is geweest om terzake
eerder een waarschuwing te geven, de wijze van beleving door de beide
medewerksters, en het feit dat verzoekster gelet op de aard van haar bedrijf,
meerdere mogelijkheden tot plaatsing van X heeft. Tenslotte overweegt de
kantonrechter ten overvloede dat het met aan zekerheid grenzende
waarschijnlijkheid is aan te nemen dat de rechter bij herhaling van deze
feiten een dan gevraagde ontbinding zal toewijzen.

Volledige tekst

Motivering

1. Verweerder is sinds 18 december 1972 bij verzoekster in dienst.
Laatstelijk als kantoorbeheerder. Zijn salaris bedroeg laatstelijk ƒ 3670,18
bruto per maand. Zijn leeftijd is 47 jaar.

2. Verzoekster wenst het dienstverband met verweerder beëindigd te zien,
omdat deze bij herhaling om vergaande mate handtastelijk is gewest jegens op
zijn kantoor werkzame ondergeschikte medewerksters.

3. Op grond hiervan is verweerder op 6 november 1986 door verzoekster
geschorst.

4. Verweerder heeft hierop een kort geding aangespannen, waarop verzoekster
is veroordeeld om verweerder binnen 14 dagen na betekening van het gewezen
vonnis ‘ergens in het bedrijf te Rotterdam in staat te stellen arbeid te
verrichten’.

5. Verweerder is sedertien tewerkgesteld als medewerker van de afdeling
verkoop en advies van verzoekster te Rotterdam.

6. Getuige A. verklaarde, kort samengevat:
6.1 Ik werk bij verzoekster vanaf 2 januari 1986.
6.2 Verweerder raakte mij steeds onnodig aan.
6.3 Hij streelde mijn wimpers.
6.4 Als ik, meer dan eens, gebakjes moest halen, probeerde hij bij terugkeer,
van de gelegenheid gebruik te maken om mij te kussen.
6.5 Op een vrijdag heeft verweerder mijn armen achter mijn rug vastgehouden
zodat ik niet los kon komen. Nadat ik ging gillen, liet hij mij pas los.
6.6 Op een andere vrijdag vroeg hij mij, toen wij met z’n tweeën op het
kantoor waren, opnieuw om een kusje. Ik ben toen de keuken ingevlucht en heb
gegild dat ik dat niet wilde. Hij hield daarna op.
6.7 In augustus 1996 heb ik de chef van verweerder telefonisch gevraagd mij
op een ander kantoor te plaatsen. Ik heb toen niets over de toenaderingen
gezegd.
6.8 Ik heb veel spanningen door een en ander gekregen en ben daardoor enige
dagen ziek thuis gebleven. Ik heb geen arts geraadpleegd.
6.9 Pas op 23 oktober 1986 vond een gesprek plaats met de chef van
verweerder, verweerder en enige anderen.
6.10 Ik ben overgeplaatst naar een ander kantoor.
6.11 Ik heb de toenaderingen in de vorm van kussen niet serieus genomen en
gedacht die man is gek. De beide voorvallen op een vrijdag heb ik wel serieus
genomen.

7. Getuige C. verklaarde, kort samengevat:
7.1 Vanaf augustus 1981 heb ik op het kantoor van verweerder gewerkt.
7.2 In de zomer van 1981 ging verweerder naast mij op zijn hurken zitten
achter de balie, toen ik een klant aan het helpen was, hij stak toen zijn
hand onder mijn T-shirt en voelde aan mijn buik.
7.3 Sindsdien probeerde hij mij steeds te kussen, hetgeen meestal lukte.
7.4 Als ik gebakjes moest halen, duwde hij mijn volle handen achteruit en
drukte zijn lichaam tegen het mijne.
7.5 Overigens had ik een zeer goede relatie met verweerder en diens
echtgenote.
7.6 In augustus 1986 heb ik ontslag genomen, omdat ik een baby verwachtte
(van mijn echtgenoot).
7.7 Toen ik wegging, heb ik samen met een collega een trui voor verweerder
gebreid.
7.8 Nadat mijn baby geboren was, is verweerder bij mij op bezoek geweest, ik
heb toen in zijn bijzijn het kind de borst gegeven.
7.9 Ik heb nooit iets van het voorgevallene verteld, totdat mij er eind
oktober 1986 naar gevraagd werd.
7.10 Ik heb een en ander vijf jaar lang geaccepteerd, omdat ik bang was om
dit te melden aan de chefs van verweerder.
7.11 Ik heb mijn echtgenoot nooit iets over een en ander verteld.

8. Verweerder ontkent de gestelde handtastelijkheden. Hij stelt dat er een
goede sfeer was op het kantoor, de medewerksters kusten hem bij allerlei
gelegenheden. De medewerksters zijn pas met hun beschuldigingen gekomen toen
hij strenger werd op de door hen ingediende declaraties, die niet deugden.
Verweerder heeft gedurende mijn dienstbetrekking bij verzoekster nog met ca.
30 andere vrouwelijke medewerksters gewerkt, daarmee is nooit iets
voorgevallen en er zijn ook geen klachten geweest.

9. De kantonrechter overweegt met betrekking tot het voorgaande:
9.1 De beide onder ede afgelegde verklaringen worden door verweerder betwist.
De beide getuigen spreken slechts voor zichzelf.
9.2. Getuige C. heeft vijf jaar lang de omstreden handelingen geaccepteerd en
heeft zelfs na haar vrijwillig ontslag hiervan geen melding gemaakt bij de
chefs van verweerder.
9.3 Getuige C heeft bij haar afscheid een trui gebreid voor verweerder.
9.4 Getuige C geeft haar baby de borst in het bijzijn van verweerder.
9.5 Getuige C heeft nooit iets van het voorgevallene aan haar echtgenoot
verteld.
9.6 Getuige C verklaart dat zij overigens een zeer goede relatie had met
verweerder en diens echtgenote.
9.7 Getuige A belt in augustus 1986 met de chef van verweerder, maar wacht
overigens rustig tot 23 oktober 1986 zonder feiten te melden.
9.8 Getuige A heeft de toenaderingen in de vorm van kussen – het overgrote
deel van de ‘handtastelijkheden’ – niet serieus genomen.
9.9 Verweerder heeft in zijn loopbaan, zonder klachten op dit gebeid, nog met
30 andere vrouwelijke medewerkers gewerkt.

10. Deze overwegingen leiden tot de volgende conclusies:
10.1 Ook al staan de beschreven handtastelijkheden civiel-rechtelijk niet
onomstotelijk vast, er is toch voldoende grond om aan te nemen dat ze
gepasseerd zijn.
10.2 Getuige C heeft het gepasseerde niet ernstig serieus genomen, ze vond
het wel onjuist, maar dat heeft haar goede relatie met verweerder niet
geschaad. Ze was zelf ook vrijmoedig in haar gedrag tegenover verweerder.
10.3 Getuige A heeft de meeste ‘handtastelijkheden’ niet serieus genomen. Na
verzet harerzijds tegen de overige toenaderingen heeft verweerder die niet
doorgezet.

11. De kantonrechter is op grond van een en ander van oordeel dat hetgeen
gepasseerd is tussen verweerder en de beide vrouwelijke medewerksters, in de
verhouding van chef tegenover ondergeschikten, niet toelaatbaar is. Met
betrekking tot de gevraagde ontbinding van de arbeidsovereenkomst is de
kantonrechter echter van oordeel dat deze geweigerd dient te worden. Hij
neemt hierbij mede in beschouwing het gedrag van verweerder in de
voorafgaande jaren, het feit dat er geen aanleiding is geweest terzake eerder
een waarschuwing te geven, de wijze van beleving door de beide medewerksters,
en omdat verzoekster, gelet op de aard van haar bedrijf (spaarbank), meerdere
mogelijkheden tot plaatsing van verweerder heeft.
12. De kantonrechter overweegt ten overvloede dat het met aan zekerheid
grenzende waarschijnlijkheid is aan te nemen, dat de rechter bij herhaling
van deze feiten een dan gevraagde ontbinding zal toewijzen.

Rechters

Mr A.J.E. Beekes

Instantie: Rechtbank Groningen, 28 januari 1987

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


Vrouw wordt al anderhalf jaar bedreigd door de familie van haar turkse
vriend, omdat de familie tegen hun omgang is. De vrouw, die gescheiden is
en twee kleine kinderen heeft, is inmiddels naar een opvanghuis gevlucht.
De vrouw vordert in kort geding een telefoon- en stadsverbod

BESLISSING RECHTENVROUW: accoord, omdat juist vrouwen vaak het
slachtoffer zullen zijn van dit soort intimidatie. Het is belangrijk
daartegen in verweer te komen

AFLOOP: ter zitting beloofde de vriend geen contact meer met de vrouw te
zullen zoeken, zodat de eer van de familie gered zou zijn en de vader en
broers af zullen zien van verdere intimidatie en dreiging met moord op de
vrouw en haar kinderen. De rechtbank wees het stadsverbod af, maar stemde
wel in met een straatverbod, alsmede een telefoonverbod. De vrouw legde
zich neer bij het vonnis

Jaarverslag 1986 no. 19, 1987 no. 24

Volledige tekst

1. Vaststaande feiten

Eiseres heeft vanaf december 1984 een relatie gehad met de meerderjarige
zoon van gedaagden M., die bij gedaagden inwoont. Gedaagen en de
minderjarige broers A. en B., die allen de turkse nationaliteit bezitten,
hebben deze relatie niet kunnen gedogen en M. de vriendschap met eiseres
verboden, omdat de omgang van M. met eiseres, een gescheiden vrouw met twee
kinderen, niet strookt met de familie-eer

In verband met deze relatie hebben zich bij het woonhuis van eiseres op
verschillende tijdstippen herhaaldelijk confrontaties voorgedaan tussen
eiseres enerzijds en gedaagden en hun familie anderzijds, waarbij jegens
eiseres en haar omgeving bedreigingen zijn geuit, terwijl door gedaagden ook
telefonisch dreigende taal tegen eiseres is gesproken

Tengevolge van deze bedreigingen heeft eiseres op 23 september 1986 haar
woning verlaten en haar intrek genomen in het Toevluchtoord te Groningen,
vanwaar zij enige tijd later is vertrokken naar een geheim adres in het
westen van het land, waar zij thans nog verblijft

2. De stellingen van eiseres

Eiseres is maandenlang overdag, ’s avonds en ook ’s nachts door
gedaagden en hun minderjarige zoons telefonisch lastig gevallen, zij is door
hen bedreigd met de dood, waarbij ondermeer is gezegd, dat eerst haar
kinderen zouden worden vermoord en vervolgens zijzelf, terwijl gedaagde sub 1
haar heeft gezegd, dat het probleem van de relatie is opgelost, als er doden
zijn gevallen

Niet alleen eiseres is door gedaagden lastig gevallen en bedreigd, maar
ook haar twee minderjarige kinderen van 3 1/2 en 6 jaar, alsmede haar beide
buurvrouwen

Ook zijn A. en B. bij de school van een van de kinderen van eiseres
geweest

Zij is overspannen geraakt van de situatie en daarom naar een geheim
opvangadres gevlucht, terwijl gedaagden doorgaan met naar haar te zoeken.
Zij komen nog geregeld bij haar woning en vallen haar buurvrouwen lastig

Gedaagden handelen aldus onrechtmatig jegens eiseres en dreigen ook in
de toekomst door te gaan met hun onrechtmatige gedrag. Op grond hiervan
heeft eiseres een vordering ingesteld tegen gedaagden, tevens gedagvaard in
hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van A. en B., om

a. ieder van gedaagden te verbieden eiseres telefonisch lastig te vallen

b. ieder van gedaagden te verbieden om gedurende twee jaar na betekening
van dit vonnis de gemeente Stadskanaal – te weten Stadskanaal en Musselkanaal
– te betreden of zich daar te bevinden, een en ander op verbeurte van een
dwangsom en met machtiging om de sterke arm in te schakelen bij overtreding
van het verbod onder b.

3. De stellingen van gedaagden

Zij ontkennen, dat bedreigingen zijn geuit aan het adres van de kinderen
van eiseres en dat zij de school van die kinderen hebben bezocht

Ook ontkent gedaagde sub 1, dat hij heeft gezegd, dat het probleem van
de relatie eerst zou zijn opgelost, als er doden zouden zijn gevallen

Gedaagden erkennen, dat eiseres de confrontaties, die bij haar woning
hebben plaatsgevonden, niet behoeft te dulden

Zij verzetten zich echter tegen toewijzing van de vordering, omdat
daartoe vereist is, dat er sprake moet zijn van een reele dreiging van
toekomstig onrechtmatig handelen, hetgeen hier niet het geval is

Het handelen van gedaagden wordt veroorzaakt door de relatie tussen
eiseres en hun zoon M.. Zowel eiseres als hun zoon hebben schriftelijk
verklaard geen contact meer met elkaar te zullen zoeken, waarmee de oorzaak
van het conflict is komen te vervallen en niet gevreesd behoeft te worden
voor herhaling

Daarnaast dient een afweging van belangen plaats te vinden, waarbij van
belang is, dat alle confrontaties, op twee na, hebben plaatsgevonden rond de
woning van eiseres, en gedaagden en hun gezin voor hun sociale contacten zijn
aangewezen op Stadskanaal, waar het jongerenuitgaanscentrum van de regio voor
Turkse jongeren staat, alsmede het ziekenhuis, waar beide gedaagden onder
behandeling zijn, de sportschool van A. en mogelijk de toekomstige school van

Onder deze omstandigheden is bij afweging van alle belangen geen plaats
voor een zo ingrijpend straatverbod als door eiseres verzocht

4. Beoordeling van het geschil

Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd staat vast, dat
gedaagden en hun zonen A. en B. zich jegens eiseres in ernstige mate
onrechtmatig hebben gedragen

Weliswaar hebben gedaagde enkele van de bij dagvaarding opgesomde
gedragingen bestreden, maar uit de niet of onvoldoende betwiste stellingen
blijkt voldoende, dat jegens eiseres zowel telefonisch als mondeling door
gedaagden en hun zonen vele bedreigingen zijn geuit, zelfs gericht tegen het
leven van eiseres

Hoezeer ook de relatie tussen eiseres en de zoon van gedaagden in strijd
is met het Turkse cultuurpatroon, dit betekent niet, dat het gedaagden hier
te lande vrijstaat eiseres op grond van die relatie te bedreigen en lastig te
vallen op een wijze, zoals zij dit hebben gedaan

Dit onrechtmatig gedrag is echter niet voldoende om toewijzing van de
vordering te rechtvaardigen, aangezien daartoe is vereist, dat er een reeel
gevaar bestaat voor toekomstig onrechtmatig handelen tegenover eiseres

Gedaagden hebben weliswaar te kennen gegeven, dat zij eiseres niet meer
zullen lastig vallen, zolang zij en hun zoon M. wederzijds geen contact meer
zoeken, maar door gedaagden is niet weersproken, dat zij in december 1986 en
omstreeks de jaarwisseling 1986/1987 bij de woning van eiseres zijn geweest,
terwijl eiseres toen al geruime tijd op een geheim adres in het westen van het
land verbleef

Hieruit moet worden afgeleid, dat onrechtmatig handelen door gedaagden
jegens eiseres niet zonder meer onaannemelijk moet worden geacht, temeer nu
eiseres niet kan voorkomen, dat de zoon van gedaagen contact met haar zou
zoeken, in welk geval gedaagden zich niet zullen houden aan hun toezegging om
eiseres met rust te laten

Onder deze omstandigheden en an afweging van de wederzijdse belangen en
het recht van gedaagden op persoonlijke vrijheid en op vrije verplaatsing, is
eiseresses vordering in beginsel toewijsbaar, zij het dat gedaagden terecht
de omvang van het gevraagde straatverbod bestrijden, gelet op de door hen
aangegeven plaatsen, waar zij regelmatig (moeten) vertoeven en de ligging van
de woning van eiseres, waar, zoals gedaagden onweersproken hebben gesteld,
zich vrijwel alle incidenten hebben voorgedaan

De vordering zal mitsdien worden toegewezen, zoals in het dictum te
vermelden, waarbij de duur van het straatverbod zal worden bepaald op zes
maanden

De uitslag van het geding, mede gelet op de gebleken omstandigheden,
geeft aanleiding de kosten te compenseren, in dier voege, dat elke partij
haar eigen kosten draagt

Beslissing

De president, rechtdoende in kort geding, verbiedt ieder van gedaagden
om eiseres telefonisch lastig te vallen; verbiedt ieder van gedaagden om
gedurende zes maanden na betekening van dit vonnis zich te bevinden in het
gedeelte van de gemeente Stadskanaal, dat wordt begrensd door de
Drouwenerstraat, de Hoofdkade, de Brugkade en de spoorlijn

Veroordeelt gedaagden tot betaling van een dwangsom van ƒ 500,– voor
elke overtreding van de hiervoor gegeven verboden en machtigt eiseres de hulp
in te roepen van de sterke arm voor elke keer, dat gedaagden het
laatstgenoemde verbod overtreden

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

Compenseert de kosten van het geding in dier voege, dat elke partij haar
eigen kosten draagt

Rechters

Mr. J.A. van Riessen

Instantie: President van de Rechtbank Amsterdam in kort geding, 22 januari 1987

Instantie

President van de Rechtbank Amsterdam in kort geding

Samenvatting


Vrouw is drie jaar geleden verkracht, maar begint dat nu pas te
verwerken. Met het oog op deze verwerkingsperiode wil zij alsnog een
straat-, bel- en aanspreekverbod

BESLISSING RECHTENVROUW: accoord. Veel vrouwen hebben een lange
periode nodig om seksueel geweld te verwerken. Het moet mogelijk zijn ook na
enige tijd een straatverbod te krijgen

AFLOOP: de rechtbank heeft de gevraagde verboden toegewezen

Jaarverslag 1986 no. 18

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Ter terechtzitting van 13 januari 1987 heeft eiseres, nadat tegen
gedaagde verstek was verleend, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in
fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Vervolgens heeft zij stukken,
waaronder diverse produkties, voor vonniswijzing overgelegd

GRONDEN VAN DE BESLISSING:

De vordering komt niet onrechtmatig of ongegrond voor en is derhalve
toewijsbaar als volgt

De voor het verbod gevraagde termijn van twee jaren komt Ons redelijk
voor, met name gelet op de akkoordverklaring daarmee, blijkend uit de brief
d.d. 19 december 1986 van gedaagdes raadsman mr. F. Panholzer aan de
raadsvrouwe van eiseres

BESLISSING BIJ VERSTEK:

1. Verbiedt gedaagde gedurende twee jaren na de betekening van dit
vonnis:

a. zich te bevinden op het Holendrechtplein te Amsterdam alsmede op de
Maarsenhof te Amsterdam en op het wandel/fietspad dat vanaf de Maarsenhof
naar het Holendrechtplein loopt, zoals aangegeven op de in fotokopie aan dit
vonnis gehechte plattegrond;

b. zich te bevinden op het wandel/fietspad gelegen tussen de Maarsenhof
en het Gezondsheidscentrum Holendrecht, welk is gelegen aan de Nieuwlandhof
te Amsterdam, zoals aangegeven op de in fotokopie aan dit vonnis gehechte
plattegrond;

c. eiseres aan te spreken en/of op te bellen, een en ander met
machtiging op eiseres om de hiervoor onder a en b vermelde verboden zonodig
te handhaven met behulp van de sterke arm

2. Bepaalt dat gedaagde een dwangsom verbeurt van ƒ 500,– voor iedere
overtreding van een van de onder a, a, b, en c vermelde verboden

3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

4. Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot aan deze
uitspraak aan de zijde van eiseres begroot en te voldoen als volgt:

– aan eiseres: ƒ 62,50 als vergoeding voor door haar verschuldigd
vastrecht, en

– aan de griffier van deze rechtbank: ƒ 187,50 aan het overige
vastrecht, ƒ 90,65 aan exploitkosten en ƒ 700,– aan procureurssalaris

Rechters

Mr. E.W. de Kruijff

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 16 januari 1987

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Door een bijstandmaatschappelijk werker is een negatief gekleurd rapport
opgemaakt over een vrouw die een aanvraag deed voor extra bijstand in verband
met ziektekosten. Zij eiste verwijdering van de negatieve opmerkingen

BESLISSING RECHTENVROUW: vooral vrouwen zijn op bijstand aangewezen
Voorkomen moet worden dat individuele opvattingen van degene die de
bijstandsaanvragen behandelt, meewegen bij huidige en toekomstige
beslissingen. Recht op inzake en herziening van gegevens moet veiliggesteld
worden

AFLOOP: de rechter in kort geding meende dat de gewraakte passages
inderdaad verwijderd moesten worden. De gemeente was bereid die te
schrappen indien de rechter dat gewenst achtte. De eis van de vrouw werd
hiermee ingewilligd

Jaarverslag 1987 no. 30

Volledige tekst

Overwegende ten aanzien van de feiten:

D heeft ter terechtzitting van 16 januari 1987 doen concluderen van eis
overeenkomstig de dagvaarding, van welk stuk een copie aan de minuut van dit
vonnis is gehecht

De gemeente heeft doen concluderen voor antwoord

De raadslieden van partijen hebben – de raadsman van de gemeente onder
overlegging van een produktie – een nadere toelichting gegeven, waarna de
stukken zijn overgelegd voor het wijzen van vonnis, waarvan de uitspraak in
aansluiting op de behandeling is gegeven

Overwegende ten aanzien van het recht:

D. heeft bezwaar tegen een gedeelte van de inhoud van een door de
gemeente – naar aanleiding van een aanvraag van D. voor een uitkering wegens
bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan – over D. opgemaakt rapport

De gemeente heeft geweigerd de gegevens waar D. bezwaar tegen heeft te
verwijderen

D. heeft daarop dit kort geding aangespannen

Ter zitting is gebleken dat partijen het alsnog eens zijn geworden over
de wijze waarop het persoonsdossier van D. gecorrigeerd dient te worden

De gemeente stelt zich echter op het standpunt dat zij zonder een
veroordelend vonnis daartoe, niet kan meewerken aan het corrigeren van een
persoonsdossier. Daarom zal de president als volgt recht doen:

Rechtdoende in kort geding:

Veroordeelt de gemeente het rapport in het persoonsdossier van D. te
wijzigen als aangegeven op het aan dit vonnis bevestigde formulier, verklaart
dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; ontzegt D. het meer of anders
gevraagde

Compenseert de kosten van deze procedure des, dat iedere partij de hare
draagt

Rechters

Mr. F.J.M. Nivard

Instantie: Hoge Raad, 16 januari 1987

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Een overeenkomst tussen partners is beslissend voor het bestaan van enige
gemeenschap van goederen tussen de samenlevende partners.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding voorafgaande aan zijn arrest van 6
december 1985, NJ 1986, 196, verwijst de Hoge Raad naar dit arrest. Bij
dit arrest heeft de Hoge Raad B ontvankelijk verklaard in haar
cassatieberoep en de zaak verwezen naar de terechtzitting ten einde
partijen in de gelegenheid te stellen ten principale voort te procederen.

2. Het geding in cassatie

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van
de Advocaat-Generaal Franx strekt tot vernietiging van het bestreden
arrest een tot verwijzing van de zaak naar een ander Hof.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Deze zaak betreft een vordering van S c.s., ouders en enige
erfgenamen van S jr. die op 22 oktober 1981 is overleden, tegen B die –
in haar lezing gedurende ruim drie jaar, in de lezing van S c.s. gedurende
twee en een half jaar – tot aan zijn overlijden met S jr. heeft
samengewoond. De vordering strekte tot afgifte van een aantal goederen
welke aan S jr. toebehoorden en zich onder B bevonden alsmede tot afgifte
van een bedrag van ƒ 8900,-, dat B als gemachtigde van S jr. – zij het na
zijn overlijden – van zijn girorekening had opgenomen. De rechtbank heeft
de vordering toegewezen voor wat betreft de goederen maar afgewezen voor
wat betreft het geldbedrag, op de grond dat dit bedrag alsnog ‘in de
gemeenschappelijke huishoudkas is ingebracht ter bestrijding van reeds
gemaakte kosten’; de gedingkosten heeft de rechtbank gecompenseerd. Tegen
dit vonnis hebben S c.s. appel ingesteld voor zover hun vorderingen zijn
afgewezen en de gedingkosten zijn gecompenseerd. Het hof heeft, met
vernietiging in zoverre van het vonnis van de rechtbank, B veroordeeld tot
betaling aan S c.s. van genoemd bedrag van ƒ 8900,- en haar tevens
veroordeeld in de kosten van beide instanties.

3.2. Uitgangspunt is voor het Hof geweest dat S c.s. als de wettelijke
erfgenamen van S jr. in beginsel gerechtigd zijn tot de ten name van S jr.
staande girorekening ’tenzij zou komen vast te staan dat ( …) B hierop
rechten zou kunnen doen gelden’ (rechtsoverweging 4.2.). Het betoog van
B dat zij op het van de girorekening opgenomen bedrag rechten kon doen
gelden omdat tussen S jr. en haar ‘een gemeenschap’ bestond ‘ook al zijn
er afzonderlijke bank- c.q. girorekeningen’ (rechtsoverweging 4.3.), heeft
het Hof verworpen ‘reeds hierom’ omdat ‘zij en S jr. ieder bepaalde
uitgaven voor hun rekening namen – S jr. de huur, de
electriciteitsrekening en de kosten van autoverzekering en ANWB en B de
lopende huishoudelijke kosten zodat in casu van een gemeenschap niet kan
worden gesproken’ (rechtsoverweging 4.4.). Dit laatste heeft het Hof in
rechtsoverweging 4.9., in het kader van zijn verwerping van het subsidiair
beroep van B op de redelijkheid en billijkheid, opnieuw weergegeven in
zijn oordeel dat ‘partijen weliswaar samenwoonden, doch gescheiden
rekeningen hadden en ieder een bepaald deel van de kosten, aan de
samenleving voor hen verbonden, voor hun rekening namen en het resterende
dus kennelijk niet gemeenschappelijk was’.

3.3. De klacht van onderdeel 2 (onderdeel 1 bevat slechts een inleiding)
dat het Hof aldus oordelend een onjuiste maatstaf heeft aangelegd is
gegrond. Weliswaar is het Hof terecht voorbijgegaan aan de stelling van
B dat reeds de samenleving als zodanig tezamen met het gezamenlijk dragen
van de kosten van die samenleving – door B als een ‘economische eenheid’
aangeduid – tot een vermoeden van gemeenschap zou moeten leiden, maar het
Hof heeft miskend dat voor het antwoord op de vraag of tussen samenlevende
partners enige gemeenschap van goederen bestaat, beslissend is wat zij
dienaangaande – uitdrukkelijk of stilzwijgend – zijn overeengekomen. De
enkele omstandigheid dat B en S aparte rekeningen hadden en ieder van hun
gezamenlijke kosten bepaalde uitgaven voor hun rekening namen, staat er
niet aan in de weg dat krachtens een overeenkomst als hiervoor bedoeld
tussen hen gemeenschap van een of meer vermogensbestanddelen kan hebben
bestaan en sluit niet uit dat zij als deelgenoten tezamen gerechtigd
kunnen zijn geweest tot het tegoed op de rekening ten name van een van
beiden, in dit geval S jr. Ook klaagt het onderdeel er terecht over dat
dit oordeel niet begrijpelijk is in het licht van de stellingen van B.

Haar betoog komt er immers op neer dat tengevolge van de verdeling van de
uitgaven, waarbij B de lopende huishoudelijke kosten betaalde, S jr. op
zijn rekeningen geld overhield dat hij spaarde voor beide partners en dit
betoog kan niet anders worden gelezen dan als een beroep op een
uitdrukkelijk of stilzwijgende overeenkomst die tussen S jr. en haar heeft
bestaan en die inhield dat het spaargeld gemeenschappelijk was. De
subonderdelen a., b., c., en e. zijn derhalve gegrond. Subonderdeel d.
mist feitelijke grondslag, omdat het Hof – anders dan dit subonderdeel
veronderstelt – er niet van uit is gegaan dat de spaarrekening
gemeenschappelijk was.

3.4. Onderdeel 3 treft eveneens doel. ’s Hofs beslissing om op grond dat
B van het saldo van die spaarrekening afstand had gedaan voorbij te gaan
aan het betoog van B dat de spaarrekening ten name van S jr. kon worden
gevormd dank zij hun beider inkomen, is niet begrijpelijk in het licht van
de stellingen van B. Zij had immers gesteld dat tussen haar en S jr. een
gemeenschap bestond waartoe zowel de spaarrekening als de girorekening
behoorde en dat die gemeenschap door haar met S c.s. is gescheiden en
gedeeld in dier voege dat zij afstand deed van het saldo van de
spaarrekening en S c.s. afstand deden van het tegoed op de girorekening.
In het kader van die stellingen bleef – ondanks het feit dat zij afstand
had gedaan van de spaarrekening – het betoog dat ook de spaarrekening uit
beider inkomen was gevormd van belang als ondersteuning van de stelling
dat zij, uit hoofde van de gemeenschap die tussen haar en S jr. had
bestaan, tot het tegoed op de girorekening gerechtigd was.

3.5 Onderdeel 4 kan niet slagen voor zover het opkomt tegen een aan de
feitelijke rechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken. De
motiveringsklacht van dit onderdeel is evenwel gegrond; niet begrijpelijk
is hoe het Hof in de stellingen van B omtrent de door haar tijdens de
ziekte van S jr. gemaakte kosten een beroep op een tegenvordering heeft
kunnen lezen.

3.6 Onderdeel 5 faalt. ’s Hofs door dit onderdeel bestreden verwerping van
het beroep van B op de redelijkheid en de billijkheid is zozeer verwerven
met zijn waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval dat het
in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst.

3.7 Onderdeel 6 tenslotte faalt eveneens. Compensatie van gedingkosten in
feitelijke instanties is alleen mogelijk in de in art. 56 lid 1 Rv.
genoemde gevallen.

3.8. Het voorgaande brengt mee dat ’s Hofs arrest niet in stand kan
blijven. Na verwijzing zal alsnog moeten worden onderzocht of er tussen
B en S jr. een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst bestond
krachtens welke de saldi van de ten name van S jr. staande girorekening
en spaarrekening aan hen beiden te zamen toebehoorden.

4. Beslissing: de Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof te Amsterdam
van 23 november 1984; verwijst de zaak naar het Hof te ‘s-Gravenhage ter
verdere behandeling en beslissing; veroordeelt S c.s. in de kosten van het
geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van B begroot op
ƒ 2.407,60, op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de griffier.

Rechters

Mrs. Snijders, Van den Blink, De Groot, Hermans, Boekman; A-G Franx

Instantie: Raad van Beroep ‘s-Hertogenbosch, 13 januari 1987

Instantie

Raad van Beroep ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


De bedrijfsvereniging heeft t.a.v. klaagster het volgende beslist:

“Intrekking AAW-uitkering

U ontvangt een AAW-uitkering. Met ingang van 1 juni 1986 is u een
weduwenpensioen op grond van de AWW toegekend. In de AAW is bepaald, dat
weduwen die een weduwenpensioen op grond van de AWW ontvangen, geen aanspraak
hebben op een AAW-uitkering. Wij beeindigen daarom ingaande 1 juni 1986 uw
AAW-uitkering

Artikelen

Deze beslissing berust op de artikelen 32, 79 en 80 van de AAW

Tegen deze beslissing is beroep ingesteld waarbij aan de raad is
verzocht, primair artikel 32 lid 1 aanhef en onder b van de AAW i.c. buiten
toepassing te laten en de bestreden beslissing te vernietigen; subsidiair
artikel 32 lid 1 aanhef en onder b van de AAW te lezen alsof het een
aftrekbepaling is, in die zin dat mw. D. naast haar AWW-pensioen nog een
aanvulling krachtens de AAW krijgt, en derhalve de bestreden beslissing te
vernietigen

De Raad moet nagaan of in het voorkomende geval de bepalingen van de
Nederlandse sociale zekerheidswetgeving verenigbaar zijn met bepalingen van de
EEG-Richtlijn 79/7 van 19 december 1978 (betreffende de geleidelijke
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid)

Uit artikel 4, lid 1, junctis de artikelen 5 en 8 (lid 1) van de
richtlijn blijkt dat thans geen nationaal-rechtelijke bepalingen op het gebied
van de sociale zekerheid meer zijn toegestaan welke een discriminatie naar
geslacht inhouden. Naar het oordeel van de raad houdt artikel 32 lid 1,
aanhef en onder b, van de AAW een dergelijke discriminatie, omdat deze
bepaling in het voorkomend geval als effect heeft dat uitsluitend vrouwen er
in inkomen op achteruit gaan. Voor dit onderscheid acht de raad geen
rechtvaardiging aanwezig. De raad is dan ook van oordeel dat artikel 32,
lid 1, aanhef en onder b, van de AAW sedert 23 december 1984 strijdig is met
het supranationale EEG-recht en daarom buiten toepassing dient te blijven
Mitsdien berust de bestreden beslissing op een onjuiste grond en komt zij
voor vernietiging in aanmerking

Volledige tekst

Rechters

Mr. J.W.H. Renneberg, als voorzitter, A.J. Auwens en mr. B.R.A.M. vanBaal, leden

Instantie: Hoge Raad, 13 januari 1987

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Het Hof heeft rekwirant in appel veroordeeld voor het plegen van ontucht
met zijn minderjarig kind en met iemand beneden de zestien jaar ontuchtige
handelingen plegen tot gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. Er zijn
twee middelen van cassatie aangevoerd. Het eerste middel voert aan dat het
Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen niet heeft kunnen afleiden dat het krabben
over de billen een noodwendig oneerbaar en ontuchtig karakter droeg. Het
tweede middel betoogt dat er sprake is van een hogere straf dan gevorderd in
verband met de bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd. Dit had
gemotiveerd moeten worden. Het beroep wordt verworpen. Er is toereikend
bewijs van opzettelijk ontuchtig handelen conform art. 247 Sr. Voor verdere
toetsing is in cassatie geen plaats. Art. 359 lid 7 Sv. is niet van
toepassing als de rechter in het kader van een voorwaardelijke veroordeling
een bijzondere voorwaarde stelt

Volledige tekst

Rechters

Mrs. van der Ven, Jeukens, Mout

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 10 januari 1987

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


De vrouw eist verdeling van de opgebouwde pensioenvoorziening. De
Rechtbank overweegt dat bij het onderhavige deelgenootschap het tijdens
huwelijk door de man opgebouwd pensioen voor verrekening in aanmerking dient
te komen, bij de afwikkeling van het tussen partijen bestaande
deelgenootschap

Volledige tekst

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende dat blijkens de stukken partijen op. juni 1961 te Rotterdam
met elkaar zijn gehuwd, uit welk huwelijk een thans nog minderjarig kind is
geboren

Overwegende dat de man bij conclusie van eis overeenkomstig de
dagvaarding, stellende dat beide partijen de Nederlandse nationaliteit
bezitten, heeft gevorderd bij vonnis tussen partijen de echtscheiding
subsidiair de scheiding van tafel en bed uit te spreken

Overwegende dat de zaak ingevolge het bepaalde in artikel 818, laatste
lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wederom ter rolle is
afgeroepen

Overwegende dat daarna de vrouw onder overlegging van een aantal
producties in conventie voor antwoord heeft geconcludeerd tot referte ten
aanzien van de gevorderde echtscheiding, waarbij de vrouw een vordering heeft
ingesteld inhoudende:

– dat de man wordt veroordeeld om in het levensonderhoud van de vrouw
bij te dragen met een bedrag van ƒ 7.000,– per maand bij vooruitbetaling te
voldoen;

– dat de man wordt veroordeeld om aan de vrouw gegevens te verstrekken
en bescheiden over te leggen waaruit onder meer het inkomen en de opbouw van
het vermogen van de man alsmede het door de man beheerde vermogen van de vrouw
blijkt;

waarna de vrouw in reconventie heeft gevorderd:

– voor recht te verklaren dat pensioenverrekening dient plaats te
vinden;

– dat de man wordt veroordeeld om aan de vrouw gegevens en bescheiden
over te leggen waaruit de hoogte van het opgebouwde pensioen blijkt

Een en ander voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

Overwegende dat de man daarop in conventie voor repliek heeft
geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot echtscheiding, waarbij hem
akte is verleend van een wijziging van eis inhoudende dat de plaats van
huwelijkssluiting is gewijzigd in Bergschenhoek, en voorts tot afwijzing van
de vordering van de vrouw tot levensonderhoud voorzover een bedrag van ƒ
1.464,– te boven gaande en tot afwijzing van de vordering van de vrouw tot
het verkrijgen van gegevens omtrent de opbouw van het vermogen van de man
alsmede het beweerdelijk door hem beheerde vermogen van de vrouw, en in
reconventie voor antwoord tot afwijzing van de vorderingen

De man heeft daarbij een aantal stukken in het geding gebracht

Overwegende dat de vrouw vervolgens in conventie voor dupliek heeft
geconcludeerd tot persistit waarbij zij haar vordering tot het verkrijgen van
gegevens alsvolgt heeft gespecificeerd, dat de man wordt veroordeeld om aan de
vrouw over te leggen:

a. zijn aangifte Inkomstenbelasting 1984/Vermogensbelasting 1985 met
bijlagen

b. zijn aangifte Inkomstenbelasting 1985/Vermogensbelasting 1986 met
bijlagen

c. de aangiften Vermogensbelasting voor V. B.V. voor 1984 en 1985

d. een gespecifieerde door een registeraccountant gewaarmerkte opgave
van zijn vermogen per 1 januari 1985 en per 1 januari 1986, voorzover dit
vermogen niet blijkt uit de aangiften Vermogensbelasting per die data

e. alle gegevens die de man nog in zijn bezit heeft met betrekking tot
het vermogen van de vrouw

en alsvolgt heeft vermeerderd:

een en ander binnen vier weken na het ten deze te wijzen vonnis en op
straffe van een dwangsom van ƒ 100,– voor iedere dag dat de heer V. in
gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

dat zij in reconventie voor repliek heeft geconcludeerd tot persistit,
waarbij zij haar vordering met betrekking tot het verstrekken van gegevens
heeft gespecificeerd als volgt:

dat de man wordt veroordeelt om aan de vrouw over te leggen:

a. een door bewijzen gestaafde opgave van alle bestaande
pensioenrechten;

b. een door bewijzen gestaafde opgave van de pensioenaanspraken die te
zijnen behoeve bestonden per datum van huwelijkssluiting

en als volgt heeft vermeerderd:

een en ander binnen vier weken na het ten deze te wijzen vonnis en op
straffe van een dwangsom van ƒ 100,– voor iedere dag dat de man in gebreke
blijft aan deze veroordeling te voldoen

Een en ander voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

De vrouw heeft hierbij wederom een aantal stukken in het geding
gebracht

Overwegende dat de man vervolgens onder overlegging van producties in
reconventie voor dupliek heeft geconcludeerd tot persistit, en dat hem akte is
verleend van een vermeerdering van eis in conventie luidende:

dat de vrouw wordt bevolen binnen twee maanden na inschrijving van het
ten deze te wijzen echtscheidingsvonnis in de daartoe bestemde registers mede
te werken aan een religieuze scheiding, voor te leggen aan en uit te spreken
door een rabbijn danwel door het Opperrabbinaat van Nederland, onder verbeurte
van een dwangsom van ƒ 100,– per dag of gedeeltelijk van een dat dat de vrouw
in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen

Overwegende dat daarna de vrouw ter rolle akte is verleend van een op
schrift gestelde verklaring, waarbij zij de stellingen van de man betwist

Overwegende dat partijen tenslotte vonnis hebben gevraagd

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

in conventie:

de echtscheiding:

De man heeft aan zijn vordering tot echtscheiding ten grondslag gelegd,
dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, hetgeen door de vrouw
niet is weersproken, zodat zulks ten processe vast staat en derhalve de
vordering tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar is

de alimentatie:

Uit de stukken en hetgeen partijen hebben gesteld blijkt het volgende:

– De echtelijke woning kan ieder moment verkocht worden. Dit zal
aanzienlijke gevolgen hebben voor de draagkracht van de man en de behoefte van
de vrouw. Deze gevolgen zijn thans nog niet te overzien

– De situatie van de kinderen van partijen is onduidelijk, met name wa
t betreft hun financiele behoeften en hoe de ouders zich voorstellen in de
toekomst daarin te voorzien

– Nadere gegevens dienen door de man te worden verstrekt op de volgende
punten:

. aangifte Inkomstenbelasting 1985/Vermogensbelasting 1986 met
bijlagen;

. jaarstukken van V. Nederland B.V. 1985 en zo mogelijk eerste half jaar
1986;

. periodieke uitkering van ƒ 53.300,– per jaar: voor welk doel
verstrekt en over welke periode reeds ontvangen?

. inkomsten uit vermogen;

. lijfrenteverzekering: wanneer gesloten en waarom?

. waarop hebben de door de man genoemde giften betrekking?

. thans betaalt de man de ziektekosten verzekering voor hemzelf en zijn
gezin; wat is de bedoeling in de toekomst?

. bewijs van huur en eventuele andere woonkosten?

– Nadere gegevens dienen door de vrouw te worden verstrekt op de
volgende punten:

. aangifte Inkomstenbelasting 1985/Vermogensbelasting 1986 met
bijlagen;

. inkomsten uit vermogen;

. premie ziektenkostenverzekering

. andere vaste lasten

Uit voornoemde omstandigheden vloeit voort, dat de Rechtbank thans nog
geen beslissing kan nemen. Een comparitie van partijen zal worden gelast
teneinde op de genoemde punten inlichtingen te verkrijgen en te vernemen wat
de vooruitzichten ten aanzien van de verkoop van de echtelijke woning en
kosten voor de kinderen zijn

het verstrekken van gegevens omtrent de vermogens van partijen:

De man heeft deze vordering weersproken met het argument, dat hij pas
verplicht is deze inlichtingen te verstrekken nadat het huwelijk is ontbonden
en de vermogensrechtelijke afwikkeling tussen partijen aan de orde komt

De vrouw heeft daartegen aangevoerd, dat tussen partijen een
deelgenootschap is overeengekomen en dat zulks betekent dat zal worden
afgerekend als ware er een huwelijksgoederengemeenschap, zodat de bij
huwelijksgoederengemeenschap geldende informatieplicht tijdens het huwelijk
ook hier van toepassing is, terwijl ook vermogensrechtelijke geschillen reeds
in een echtscheidingsprocedure aan de orde kunnen worden gesteld

Daargelaten of tussen partijen zou moeten worden afgerekend als ware er
een huwelijksgoederengemeenschap, in ieder geval staat vast dat tussen hen een
deelgenootschap is overeengekomen – zulks blijkt uit de overgelegde akte van
huwelijksvoorwaarden en wordt ook niet weersproken – waarop krachtens artikel
129 boek I van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn de artikelen 132 tot
en met 145 van dat wetboek voorzover daarvan door partijen niet uitdrukkelijk
of naar de aard van de bedingen is afgeweken. Niet is gesteld of gebleken
dat van artikel 133 lid 2 zou zijn afgeweken terwijl zulks ook niet blijkt uit
de aard van de tussen partijen geldende bedingen

Op deze grond is de Rechtbank van oordeel dat partijen tegenover elkaar
verplicht kunnen worden tot het verstrekken van inlichtingen als gevraagd –
voorzover zulks naast de hierboven in het kader van de alimentatie door de
Rechtbank reeds verlange inlichtingen nog van belang is – zodat de vordering
voor toewijzing vatbaar is

Nu de man tot nog toe heeft geweigerd inlichtingen te verstrekken op
grond van een verdedigbaar juridisch standpunt ziet de Rechtbank geen
aanleiding thans reeds een dwangsom op te leggen

medewerking aan een religieuze scheiding

Nu een dergelijke vordering naar Nederlands recht niet als op de wet
gegrond kan worden beschouwd en de man voor deze vordering in het geheel geen
gronden heeft aangevoerd, dient hij daarin niet ontvankelijk te worden
verklaard

in reconventie:

pensioenverrekening

De vrouw vordert een verklaring voor recht, dat tussen partijen
pensioenverrekening dient plaats te vinden

Aan deze vordering heeft zij de volgende stellingen ten grondslag
gelegd:

1. primair: partijen zijn overeengekomen bij huwelijkse voorwaarden, dat
na het einde van het huwelijk ieder van hen de deling van beider
vermogensvermeerdering kan vorderen. Sinds het arrest van de Hoge Raad van
27 november 1981 staat vast dat de opbouw van pensioen een vermeerdering van
het vermogen is. Naar analogie van dit arrest – verder te noemen “het
pensioenarrest” – dient het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde
pensioen voor verrekening in aanmerking te komen

2. subsidiair: partijen zijn bij huwelijkse voorwaarden een
deelgenootschap overeengekomen, vergelijkbaar met het wettelijk
deelgenootschap, waarop de bepalingen van artikel 132 en volgende van het
Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn voorzover daarvan niet uitdrukkelijk of
naar de aard der bedingen is afgeweken. Tegen de achtergrond van het
pensioenarrest dient het door de man gedurende het huwelijk opgebouwde
pensioen verrekend te worden, mede op grond van artikel 141 van het Burgerlijk
Wetboek

Daartoe voert de vrouw voorts het volgende aan:

– Aan het deelgenootschap ligt dezelfde ratio ten grondslag als aan de
gemeenschap van goederen, namelijk de meestal niet verdienende vrouw laten
meeprofiteren van de vermogensstijging van de meestal alleen-verdienende man

– Dezelfde argumenten, die in het pensioenarrest hebben geleid tot de
beslissing dat bij gemeenschap van goederen pensioenen moeten worden
verrekend, gelden dan ook evenzeer bij een deelgenootschap

– Daaraan doet niet af, dat bij gemeenschap van goederen de
pensioenpremies meestal worden betaald ten laste van de gemeenschap en bij het
deelgenootschap uit privevermogen, waarvan de stijging na afloop van het
huwelijk moet worden gedeeld;

in beide gevallen vindt door premiebetaling een vermogensvermindering
plaats, die gelijkelijk ten laste van beide deelgenoten komt. Het uit
premiebetaling voortkomende voordeel dient dan ook door beiden gelijkelijk te
worden genoten

– Dat de waarde van het pensioen bij aanvang van het huwelijk niet is
vermeld op de in artikel 142 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde staat is geen
beletsel voor verrekening, omdat deze waarde gemakkelijk achteraf is vast te
stellen

De man heeft hiertegen het volgende verweer gevoerd:

a. De vordering behoort in een zwarighedenprocedure en niet in een
echtscheidingsprocedure te worden ingesteld

b. Het pensioenarrest geldt uitsluitend voor gemeenschap van goederen

Uit dit arrest blijkt niet dat pensioenopbouw een vermeerdering van
vermogen is, doch uitsluitend, dat in geval van gemeenschap van goederen een
ouderdomspensioen bij de verdeling moet worden betrokken, voorzover er geen
aanleiding bestaat dit anders te behandelen

c. Een van de hoofdredenen voor pensioenverrekening bij gemeenschap van
goederen ligt in de financiering ten laste van die gemeenschap

Dit geldt niet bij financiering uit een privevermogen

d. Artikel 81 van het Burgerlijk Wetboek verplicht een echtgenoot niet
tot het opbouwen van pensioen. Omdat nu juist iedere gemeenschap van
goederen is uitgesloten is het onjuist, dat de vrouw ten gevolge van
pensioenopbouw door de man tekort zou zijn gekomen

e. Het pensioen staat niet vermeld op de in artikel 142 van het
Burgerlijk Wetboek bedoelde staat. De aanvangswaarde staat derhalve niet
vast, zodat daarmee een vermogensstijging niet is bewezen

De Rechtbank overweegt hieromtrent alsvolgt:

De man heeft het onder a. bedoelde verweer, na gemotiveerde betwisting
door de vrouw niet uitdrukkelijk gehandhaafd

Bovendien staat het instituut van de zwarighedenprocedure er niet aan in
de weg, dat bij een echtscheidingsprocedure, vooruitlopend op de
vermogensrechtelijke afwikkeling tussen partijen, om proceseconomische
redenen, alvast bepaalde beslissingen van principiele aard worden genomen, die
niet de eigenlijke verdeling van wat daarvoor in aanmerking komt betreffen,
maar wel de verwezenlijking daarvan kunnen vergemakkelijken, bijvoorbeeld door
als in het onderhavige geval te beslissen over de omvang van hetgeen voor
verdeling in aanmerking komt

Dit verweer wordt derhalve verworpen

Het onderscheid tussen de primaire en subsidiaire stellingen van de
vrouw is de Rechtbank niet duidelijk, nu immers beide stellingen naar haar
oordeel neerkomen op dezelfde kernvraag die partijen verdeeld houdt: komt een
tijdens het huwelijk opgebouwd pensioen bij het tussen hen geldende
huwelijksgoederenregime als bestanddeel van vermogensvermeerdering voor
verrekening in aanmerking?

Hiervoor in conventie is reeds vastgesteld, dat krachtens
huwelijksvoorwaarden tussen partijen een deelgenootschap geldt, waarop in
beginsel de bepalingen van artikel 132 tot en met 145 van het Burgerlijk
Wetboek van toepassing zijn

De vraag is dus of bij een dergelijk deelgenootschap tijdens het
huwelijk opgebouwd pensioen in de verrekening van de vermogensvermeerdering
moet worden betrokken

Uit het pensioenarrest blijkt in ieder geval dat pensioenaanspraken zijn
te beschouwen als vermogen

De gronden voor pensioenverrekening zoals neergelegd in het
pensioenarrest zijn als volgt samen te vatten:

– pensioenrecht is uit maatschappelijk oogpunt bestemd om te voorzien in
de behoeften van beide echtgenoten;

– pensioenopbouw moet in beginsel worden gezien als het resultaat van
een gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten, voortvloeiend uit de
zorg die zij jegens elkaar verschuldigd zijn;

– deze gemeenschappelijke inspanning is gelegen in de vaak in het
huwelijk bestaande taakverdeling, waarbij de man het inkomen verdient en de
vrouw hem door haar zorg voor het huishouden en de kinderen daartoe mede in
staat stelt en

– in de gehele of gedeeltelijke financiering van het pensioen uit de
gemeenschap van goederen

De eerste drie genoemde gronden komen voort uit een bepaalde
maatschappelijke opvatting over wezen en doel van pensioenvoorzieningen van
getrouwde mensen. Zij zijn niet ontleend aan de juridische kenmerken van
een huwelijksgoederenregime

Daarom valt niet in te zien, waarom deze gronden niet evenzeer als bij
de gemeenschap van goederen zouden gelden bij een deelgenootschap als het
onderhavige

Ten aanzien van de laatste grond geldt, dat bij het deelgenootschap de
financiering van het pensioen geschiedt ten laste van een mogelijke
vermogensvermeerdering waarin de andere deelgenoot voor de helft zou zijn
gerechtigd. Deze situatie vertoont zoveel gelijkenis met financiering ten
laste van een goederengemeenschap waarin de ander voor de helft is gerechtigd,
dat ook deze grond bij het deelgenootschap analoog van kracht is. Daar komt
nog bij dat het gewicht van deze grond in de totale afweging afneemt naarmate
het gewicht van genoemde zorgplicht van de echtgenoten jegens elkaar toeneemt
op grond van bijvoorbeeld de duur van het huwelijk, de leeftijd van de vrouw

De man kan worden toegegeven dat deze zorgplicht hem op zichzelf niet
verplicht tot pensioenopbouw. Zij kan echter wel bijdragen tot de
verplichting om, indien penioen is opgebouwd, de vrouw daarin te laten delen

De omstandigheid, dat het pensioen niet is vermeld op de in artikel 142
van het Burgerlijk Wetboek bedoelde staat, brengt niet mee dat daarom geen
verrekening zou kunnen plaats vinden

Het betekent alleen, dat de aanvangswaarde niet vaststaat. Tenslotte
wijst de vrouw terecht op artikel 141 van het Burgerlijk Wetboek, waarin is
bepaald, dat goederen die bij een gemeenschap van goederen niet voor verdeling
in aanmerking zouden komen, ook bij de berekening van de waarde van het
stamvermogen en het eindvermogen bij een deelgenootschap buiten beschouwing
blijven

Blijkens de wetgeschiedenis van dit artikel was het de bedoeling om op
grond van artikel 94 lid 3 verknochte goederen in ieder geval buiten het
deelgenootschap te houden, waarbij onder andere aan pensioenen werd gedacht,
die toen nog algemeen werden beschouwd als verknocht aan de rechthebbende
echtgenoot. Namens de regering werd als strekking van het wettelijk
deelgenootschap naar voren gebracht dat zoveel mogelijk hetzelfde financiele
eindresultaat wordt bereikt als bij gemeenschap van goederen met uitzondering
van de aangebrachte of door erfenis of schenking verkregen kapitalen

Tegen deze achtergrond en in het licht van het pensioenarrest waarbij de
verknochtheid van pensioenen werd verworpen, is het onaannemelijk dat deze dan
toch nog bij een deelgenootschap buiten beschouwing zouden moeten blijven

Op grond van voorgaande overwegingen is de Rechtbank van oordeel dat ook
bij het onderhavige deelgenootschap het tijdens het huwelijk door de man
opgebouwd pensioen voor verrekening in aanmerking dient te komen, zodat de
vordering zal worden toegewezen

het verstrekken van pensioengegevens

Op grond van hetgeen hiervoor in conventie reeds is overwogen over het
verstrekken van gegevens en hetgeen in reconventie is overwogen over de
pensioenverrekening ligt het voor de hand dat de verplichting op grond van
artikel 133 lid 2 zich ook uitstrekt tot de pensioengegevens van de man, zodat
ook deze vordering voor toewijzing vatbaar is

Op dezelfde gronden als ten aanzien van de in conventie gevorderde
dwangsom reeds overwogen is ook hier voor een dergelijke maatregel thans geen
aanleiding

voorts in conventie

De Rechtbank zal de uitspraak omtrent de hoofdvordering tot
echtscheiding aanhouden totdat ook over de bijvordering tot levensonderhoud
kan worden beslist

RECHTDOENDE:

in conventie:

Veroordeelt de man om aan de vrouw binnen vier weken na heden te
verstrekken:

a. zijn aangifte Inkomstenbelasting 1984/Vermogensbelasting 1985 met
bijlagen

b. zijn aangifte Inkomstenbelasting 1985/Vermogensbelasting 1986 met
bijlagen

c. de aangiften Vermogensbelasting voor V. B.V. voor 1984 en 1985

d. een gespecificeerde door een registeraccountant gewaarmerkte opgave
van zijn vermogen per 1 januari 1985 en per 1 januari 1986, voorzover dit
vermogen niet blijkt uit de aangiften Vermogensbelasting per die data

e. alle gegevens die de man nog in zijn bezit heeft met betrekking tot
het vermogen van de vrouw

Verklaart dit vonnis op dit punt uitvoerbaar bij voorraad

Wijst af de gevorderde dwangsom

Alvorens verder te beslissen:

Gelast partijen vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het
gebouw van deze Rechtbank aan de Noordsingel 117 te Rotterdam vor het lid van
deze Rechtbank, mr. J.W. Heyman, die te dezer zake tot rechter-commissaris
wordt benoemd op vrijdag 21 november 1986 te 9.30 uur tot het verstrekken van
inlichtingen

in reconventie:

Verklaart voor recht dat pensioenverrekening dient plaats te vinden bij
de afwikkeling van het tussen partijen bestaande deelgenootschap

Veroordeelt de man om aan de vrouw binnen vier weken na heden te
verstrekken:

a. een door bewijzen gestaafde opgave van alle bestaande
pensioenrechten;

b. een door bewijzen gestaafde opgave van de pensioenaanspraken die te
zijnen behoeve bestonden per datum van huwelijkssluiting

Verklaart dit vonnis op dit punt uitvoerbaar bij voorraad

Wijst af de gevorderde dwangsom

Rechters

mr. Van Heuven Goedhart, president, mrs. Heyman en Simonis rechters

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 9 januari 1987

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Vrouw spande procedure aan tegen haar buurman, tevens adjunctdirecteur
van de Sociale Dienst. De buurman spioneerde het priveleven van de vrouw en
stuurde vervolgens interne memo’s rond bij de Sociale Dienst, wat tot
stopzetting van haar uitkering leidde

AFLOOP: Een kort geding in 1984 werd gewonnen; in het door de
tegenpartij ingestelde hoger beroep werd de vrouw in het ongelijk gesteld
De vrouw is met ondersteuning van Rechtenvrouw naar de Hoge Raad gegaan
Deze meende dat de adjunctdirecteur de privacy van de vrouw wel
geschonden heeft. Echter in bijzondere omstandigheden is het
gerechtvaardigd. De Hoge Raad vindt dat de lagere rechter nader moet
onderzoeken of de vergaande inbreuk op de privacy opweegt tegen het belang van
controle in verband met het recht op bijstand. Het nader onderzoek loopt
nog bij het Hof

Jaarverslag 1984 no. 5, 1986 no. 32, 1987 no. 31

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie – verder te noemen G. – heeft bij exploot van 26
april 1984 verweerder in cassatie – verder te noemen K. – in k.g. gedagvaard
voor de President van de Rb. te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, K. te
verbieden over het gedrag van G. en over haar relaties aantekeningen bij te
houden en daaromtrent aan derden enige mededeling mondeling dan wel
schriftelijk te doen op verbeurte van een dwangsom van ƒ 10.000,– voor
iedere keer dat K. dit verbod overtreedt

Nadat K. tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de President bij
vonnis van 10 mei 1984 (AB 1984, 436) de vordering, voor zover in cassatie
van belang, toegewezen

Tegen dit vonnis heeft K. hoger beroep ingesteld bij het Hof te
Amsterdam. Bij arrest van 13 december 1984 heeft het hof het vonnis van de
President vernietigd en de vordering alsnog afgewezen

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft G. beroep in cassatie ingesteld

De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel
uit

K. heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep

De zaak is voor G. toegelicht door mr. D.S.C. Hes en voor K. door zijn
advocaat. Bij die gelegenheid zijn van de zijde van G. bij een “conclusie
van repliek” aangeduid stuk twee produkties overgelegd

De conclusie van de A-G Leijten strekt tot vernietiging van het
bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof

Bij brief van 6 oktober 1986 heeft de advocaat van K. zich op de voet
van artikel 328 lid 2 Rv tot de HR gewend met verzoek -kort samengevat – dat
de passages van voormelde conclusie waar volgens die brief op die produkties
wordt voortgebouwd, door de HR buiten beschouwing zullen worden gelaten

3. Beoordeling van het verzoek van K.; gedaan in de brief van diens
advocaat van 6 oktober 1986

De in deze brief bedoelde, bij pleidooi overgelegde produkties bevatten
gegevens van feitelijke aard en kunnen derhalve, nu zij in de feitelijke
instanties niet in het geding waren, voor de beoordeling van de zaak in
cassatie geen rol spelen. Hetzelfde geldt voor hetgeen in de conclusie van
het OM als weerslag van deze produkties zou kunnen worden beschouwd

4. Beoordeling van de middelen

4.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan:

a. G., een gescheiden vrouw met drie minderjarige kinderen, ontving
sedert december 1977 een – aanvullende – uitkering op grond van de ABW

Deze uitkering is door B en W van de gemeente Edam-Volendam bij
beschikking van 11 oktober met ingang van 1 november 1983 ingetrokken met als
motivering:”In Uw situatie met de heer E. moet aangenomen worden dat er
sprake is van een samenwoning onder omstandigheden, die in
financieel-economisch opzicht niet wezenlijk verschillen van die van een

in, als bedoeld in artikel 5 ABW”

In de door G. tegen deze beslissing aangespannen administratieve
procedure is zij, in beroep, bij besluit van GS van Noord-Holland van 17
april 1984 in het gelijk gesteld, waarna de uitkering van bijstand met
terugwerkende kracht is hervat

b. Tijdens de voormelde administratie procedure heeft G. op 19 januari
1984 inzage gekregen in het, ingevolge artikel 7 Administratieve Regelen
Bijstand 1977, door de GSD omtrent haar aangelegde persoonsdossier. Hierin
trof zij ondermeer de volgende stukken:

– een intern memo, gedateerd 3 april 1978, van K. adjunct-directeur van
de GSd gericht aan een sociaal ambtenaar van de buitendienst, met de volgende
inhoud: “Ontvangt periodieke bijstand in alg. bestaanskosten. Reeds enige
weken is bij mw. G. een ongeveer 45-jarige man in huis, die er ook slaapt.
Gaarne heronderzoek, of dit kostganger of “bijslaap” is. Zij heeft zelf geen
kostganger op haar ink. br. vermeld”;

– een intern memo, gedateerd 9 januari 1979, eveneens van K. en gericht
aan dezelfde sociaal ambtenaar, luidend:

“In april 1978 is mijnerzijds reeds per memo melding gemaakt van de
aanwezigheid van een plm. 45-jarige man, die vrij regelmatig bij mw. G. “over
de vloer” komt. Ook de nacht wordt ten huize van haar doorgebracht, hetgeen
aan de voor de deur staande auto is te zien

Het betreft de heer E., leraar aan de LTS te Edam, een gescheiden man

Zij loopt reeds enkele maanden gearmd met deze man over straat. M.i. is
er sprake van een vaste relatie. Gaarne onderzoek in hoeverre dit van
invloed op de bijstandsverlening is”;

– een vijftal hercontrolerapporten, respectievelijk van 10 mei 1978, 25
maart 1979, 12 maart 1980, 2 april 1981 en 27 september 1983. In dit laatste
rapport wordt geconcludeerd:

“Mede op grond van informatie van de heer K. heeft er alle schijn van
dat deze gezinssituatie als bedoeld in artikel 5 ABW. In dit geval dient de
bijstand te worden beeindigd met ingang van 1 november 1983″

Alle andere voorgaande rapporten leidden tot het advies de
bijstandsuitkering onverminderd te continueren

c. G. heeft vervolgens in kort geding gevorderd dat aan K. een verbod
zal worden opgelegd om over haar gedrag en over haar relaties aantekeningen
bij te houden en daaromtrent aan derden enige mondelinge of schriftelijke
mededeling te doen. Zij heeft haar vordering, zoals deze door het hof
kennelijk is opgevat, onder meer hierop gegrond – kort samengevat – dat zij
met E. geen economische eenheid vormt, doch slechts een LAT-relatie heeft;
dat K. onrechtmatig heeft gehandeld door ernstig inbreuk te maken op haar
privacy dat K. haar buurman is, maar tevens adjunct-directeur van de GSD; dat
hij aldus grote formele of informele invloed kon uitoefenen; dat zij zich door
K. bespied voelde, nadat haar bekend was geworden dat de gebruikte gegevens
door hem verzameld waren; dat zij door het optreden van K. materiele en
immateriele schade geleden

d. Voor wat betreft de in de feitelijke instanties vastgestelde feiten
is voorts van belang dat blijkens r.o. 4 van de President en r.o.5 van het
hof het gebeuren zich aldus laat samenvatten dat K. in de periode april 1978
tot oktober 1983: 1. “met een zekere regelmaat” constateringen heeft gedaan
“omtrent het prive-leven” van G. en 2. de aldus verzamelde gegevens heeft
doorgegeven aan de GSD. Voorts is het hof er kennelijk van uitgegaan dat K.
op eigen initiatief (her)onderzoek “als wenselijk naar voren heeft gebracht”,
zij het dat hij dat niet – zoals de President geoordeeld – heeft “gelast”

Bij dit een en ander verdient nog aantekening dat President en hof zich
bij hun voormelde oordelen niet alleen hebben gebaseerd op hetgeen hiervoor
onder b is weergegeven maar ook op het besluit van GS van 17 april 1984 en de
brief van B en W aan de voorzitter van GS van 8 november 1983, waarin dezen
hun standpunt toelichten door onder meer te wijzen op “de ontwikkelingen in
het verloop van de relatie” en op “het feit dat een collega en
adjunct-directeur bij de GSD Edam-Volendam al vanaf 1978 gesignaleerd heeft
dat iedere avond vanaf acht a negen uur de auto van de heer E. voor de woning
van mw. G. staat en dat beiden naar buiten zich gedragen als man en vrouw o.m
doordat zij gearmd over straat gaan, tenminste de weekeinden met elkaar
doorbrengen en op vakantie gaan”

e. Nadat de President de vordering van G. voor zover hier van belang,
had toegewezen, heeft het hof dit vonnis vernietigd en de gevraagde
voorziening alsnog geweigerd. De gronden waarop het hof deze weigering heeft
gebaseerd laten zich als volgt samenvatten:

1. Anders dan de President had aangenomen, heeft K. zoals in ’s hofs
zevende r.o wordt geoordeeld, niet als ambtenaar in strijd gehandeld met het
beginsel van gelijke behandeling van de burgers in gelijke gevallen

2. K. heeft, zoals het hof in zijn r.o. 8-10 heeft onderzocht, ook als
burger niet onrechtmatig gehandeld, nu het naar ’s hofs oordeel – behoudens
hier niet ter zake doende uitzonderingen – in beginsel aan ieder vrij staat
om hetgeen hem bekend is door te geven aan anderen, terwijl hetgeen door G.
is gesteld, ook voor wat betreft de wijze van verzamelen, niet voldoende is om
een inbreuk op te leveren op haar persoonlijke levenssfeer of op haar
privacy, waaraan het hof nog heeft toegevoegd dat niet aannemelijk is
geworden dat de verstrekte gegevens onjuist waren en zij ook niet als onnodig
grievend kunnen worden beschouwd

4.2 Het eerste middel richt zich tegen ’s hofs voormelde oordeel omtrent
de schending van het gelijkheidsbeginsel door K. als ambtenaar Het middel
wordt tevergeefs voorgesteld

Het hof is kennelijk ervan uitgegaan dat K. die chef van de binnendienst
was en noch was belast met controle, noch met de beoordeling van de
opportuniteit van (her-)onderzoek, bij het verzamelen en het verstrekken van
de gegevens niet als ambtenaar heeft gehandeld maar als burger en dat er ook
van andere derden wel gegevens bij de GSD kwamen. Voorts heeft het hof
geoordeeld dat niet is gesteld of aannemelijk geworden dat het door G.
gestelde steeds dieper gaande onderzoek naar de relatie van haar en haar
vriend, of de in haar geval verrichte halfjaarlijkse onderzoeken achterwege
zijn gebleven in de gevallen waarin niet een ambtenaar als K. doch een andere
derde gegevens heeft doorgegeven en een verzoek om onderzoek heeft gedaan
zoals K. heeft gedaan

Voor zover het middel deze uitgangspunten van het hof miskent, mist het
feitelijke grondslag. Voor het overige faalt het, nu ’s hofs oordeel dat K.
niet als ambtenaar het gelijkheidsbeginsel geschonden heeft, in het licht van
de gedingstukken geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, niet
onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoefde. Op de vraag in
hoeverre bij de beoordeling van de gedragingen van K. als burger mede van
betekenis kan zijn dat hij tevens ambtenaar was, wordt onder 4.7 teruggekomen

4.3 Het tweede middel richt zich tegen ’s hofs r.o. 8-10 betreffende de
gedragingen van K. als burger

In het middel ligt o.m. de klacht besloten dat het hof heeft miskend dat
de gedragingen van K. zoals deze hiervoor onder 4.1 sub b en d zijn
weergegeven, in beginsel een inbreuk opleveren op het recht op eerbiediging
van de persoonlijke levenssfeer van G. – of in de bewoordingen van art. 8
EVRM:het recht op eerbiediging van haar prive-leven – en derhalve in beginsel
onrechtmatig zijn. Deze klacht treft doel

4.4 Vooropgesteld moet worden dat, ook voor de periode waarin zich de
feiten van de onderhavige zaak hebben afgespeeld, een recht op eerbiediging
van de persoonlijke levenssfeer moet worden aanvaard, dat aansluit bij
vergelijkbare ontwikkelingen in andere landen en dat naar zijn inhoud mede
wordt bepaald door art. 8 EVRM, waarvan moet worden aangenomen, dat het ook
werking heeft tussen de burgers onderling. Een inbreuk op dit recht levert
in beginsel een onrechtmatige daad op in de zin van art. 1401 BW

Wat de begrenzing van het recht op eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer betreft, zijn voor de onderhavige zaak mede van belang de
gedachten die daarover zijn te vinden in de Memorie van Toelichting op het
artikel dat het in 1983 tot stand gekomen, maar nog niet in werking getreden
art. 10 Gr.w heeft geleid (Bijl. Hand. II. 1975-1976- 13 872, p.40 e.v.)

Dit artikel bouwt immers voort op voordien reeds bestaande opvattingen
en blijkens zijn voorgeschiedenis ook op voormeld art. 8. In de eerste
plaats wordt er in die memorie – in overeenstemming met wat elders wordt
aangenomen – op gewezen dat voormeld recht zich niet ruimtelijk laat
begrenzen bijv. tot het huis waarin men leeft en dat inbreuk op dit recht door
het vastleggen en doorgeven van gegevens, verkregen door gewone zintuiglijke
waarnemingen, niet uitgesloten is

Voorts wordt in die memorie aandacht gevraagd voor enige ruim
geformuleerde uitspraken omtrent het recht op privacy van de Raadgevende
Vergaderingen van de Raad van Europa (“het recht zijn eigen leven te leiden
met zo weinig mogelijk inmenging van buitenaf) en in de Memorie van
Toelichting bij wetsontwerp 9419 (Bijl.Hand. II 1967-1968, stuk nr. 3)inzake
bescherming tegen het met een technisch hulpmiddel afluisteren en opnemen van
gesprekken (onder persoonlijke levenssfeer is te verstaan: “de reeks
situaties waarin de mens … onbevangen zich zelf wil zijn”). Tenslotte wordt
in eerst vermelde memorie t.a.p. – wederom: in overeenstemming met wat elders
aangenomen wordt – tot uiting gebracht dat “de aard en de mate van intimiteit
van hetgeen omtrent een ander” wordt waargenomen, vastgesteld of aan anderen
doorgegeven voor het bepalen van de grens van groot belang is

In de hier aangeduide richting gaan ook de algemene beschouwingen die op
dit punt zijn te vinden in het Eindrapport van de Staatscommissie bescherming
persoonlijke levenssfeer in verband met persoonsregistraties. 1976, p. 20-24

Aantekening verdient tenslotte dat bij art. 8 lid 2 EVRM – anders dan
bij het nog niet in werking getreden art. 10 Gr.w – beperkingen op grond van
ongeschreven recht niet uitgesloten zijn

4.5 De hiervoor onder 4.1 sub b en d weergegeven feiten laten geen
andere conclusie toe dan dat K. inbreuk op het recht van G. op eerbiediging
van haar persoonlijke levenssfeer heeft gemaakt. In het bijzonder is van
belang dat, zoals in 4.1 sub d is samengevat, K. in de periode van april 1978
tot oktober 1983 “omtrent het prive-leven” van G. dat hij de aldus verzamelde
gegevens heeft doorgegeven aan de GSD en dat hij op eigen initiatief
(her-)onderzoek als wenselijk naar voren heeft gebracht. Dat het gegevens
van intieme aard betrof, zoals in het algemeen nodig zullen zijn voor het
afgrenzen van een LAT-relatie, als door G. opgegeven, van een “economische
eenheid”, blijkt uit hetgeen onder 4.1 sub b en d slot, is weergegeven, in
het bijzonder uit de memo van 3 april 1978 (“Reeds enige tijd is bij mw. G.
een ongeveer 45-jarige man in huis, die er ook slaapt. Gaarne heronderzoek, of
dit kostganger of “bijslaap” is”), de memo van 9 januari 1979 (“Ook de nacht
wordt ten huize van haar doorgebracht, hetgeen aan de voor de deur staande
auto is te zien… Zij loopt reeds enkele maanden gearmd met deze man over
straat. M.i. is er sprake van een vaste relatie”)en de brief van B en W aan
de voorzitter van GS van 8 november 1983 (“dat iedere avond vanaf acht a negen
uur de auto van dhr. E. voor de woning van mw. G. staat en dat beiden naar
buiten zich gedragen als man en vrouw onder meer doordat zij gearmd over
straat gaan, tenminste de weekeinden met elkaar doorbrengen en op vakantie
gaan”). Tenslotte is nog van belang dat deze gegevens door K. zijn verzameld
en doorgegeven zonder medeweten van G., die daarvan immers pas in januari
1984 op de hoogte is gekomen

4.6 Het voorgaande brengt mee dat het hof in zijn achtste r.o. van een
onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door aan te nemen dat de grenzen van
het recht van G. op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer in dit
geval niet waren overschreden. Een inbreuk als onder 4.5 omschreven kan ook
niet worden gerechtvaardigd door de enkele in die rechtsoverweging door het
hof vooropgestelde vrijheid van meningsuiting

Dit brengt evenwel nog niet mee dat K. onrechtmatig heeft gehandeld. In
aansluiting op art. 8 lid 2 EVRM kan immers, zoals aan het slot van 4.4 reeds
aangestipt, uit geschreven of ongeschreven recht een rechtvaardigingsgrond
voortvloeien. Als zodanig komt hier in het bijzonder in aanmerking het
verband dat kan worden gelegd met de inmenging van het openbaar gezag met het
oog op de controle op de naleving van de ABW. Een zodanige inmenging is – in
de bewoordingen van art. 8 lid 2 – in beginsel in een democratische
samenleving nodig in het belang van het economisch welzijn van het land en de
bescherming van de openbare orde. In het kader van een dergelijke controle,
die dient afgestemd te zijn op de maatstaven aan de hand waarvan bijstand
wordt toegekend, waaronder de maatstaf van de economische eenheid, dient voor
de overheid mede ruimte te bestaan voor het gebruik maken van door burgers op
eigen initiatief verstrekte gegevens. Daarmee strookt niet dat het enkele
verzamelen en verstrekken door burgers van dergelijke gegevens, ook als zij
van de aard zijn als onder 4.5 weergegeven, onrechtmatig is. Derhalve is
mogelijk dat K. zich te dezen op een rechtvaardigingsgrond kan beroepen,
waarbij in het midden kan blijven in hoeverre deze rechtvaardigingsgrond
geheel op de ABW dan wel mede op ongeschreven recht steunt

Dat in overeenstemming is met het Nederlandse recht vindt steun in de
discussie, tussen regering en Tweede Kamer gevoerd, naar aanleiding van het
eindrapport van 1985 van de Interdepartementale Stuurgroep Misbruik en
Oneigenlijk gebruik op het gebied van belastingen, sociale zekerheid en
subsidies ISMO (Bijl.Hand. II.1984-1985-17 050, nrs. 35-36), p.34, waar de
geoorloofdheid van het gebruik van tips aan de orde komt. Zowel uit de
schriftelijke gedachtenwisseling (Bijl.Hand. II.1984-1985-17 050, nr. 39,
p.26, nr. 42, p.6, punt 54, en nr. 46, p.12, punt 54) als uit de mondelinge
gedachtenwisseling ter gelegenheid van de UCV 21 oktober 1985 (p.10-9 tot p.
10-12, p.10-16 en p.10-26) komt naar voren dat het recht op de persoonlijke
levenssfeer “er niet toe mag leiden dat de overheid wordt belemmerd bij het
toezien op de richtige nakoming van gestelde regels” (Minister van Justitie,
UCV, p. 10-16) en dat in samenhang daarmee het gebruik van tips van derden
onontbeerlijk is, terwijl slechts door een kamerlid bezwaren zijn geuit voor
wat betreft het hier niet aan de orde zijnde geval van anonieme tips.
Daarbij is mede gedacht aan controle op feiten als de onderhavige

Daar tegenover is er echter op gewezen dat de overheid terzake van tips
een “passief en zorgvuldig beleid” moet voeren (stuk nr. 39, p. 26)terwijl
bij deze discussie niet is uitgesloten dat ook de aard van de gegevens in
verhouding tot de zaak waarop zij betrekking hebben een rol kan spelen. Bij
dit alles moet evenwel worden bedacht dat uit deze gedachtenwisseling niet kan
worden afgeleid dat een tipgever die gegeven van intieme aard verzamelt en
doorgeeft aan de overheid ten behoeve van haar controle op naleving van de
wet, onder alle omstandigheden beroep op een rechtvaardigingsgrond heeft; bij
die gedachtenwisseling is immers dit punt niet onder ogen gezien en derhalve
evenmin onder welke omstandigheden een zodanig beroep faalt

4.7 De vraag of zich inderdaad zulk een rechtvaardigingsgrond voordoet,
kan slechts worden beantwoord door in het licht van de omstandigheden van het
geval en de eventueel toepasselijke wettelijke bepalingen tegen elkaar af te
wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de
persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die door het verzamelen en
aan de overheid doorgeven van gegevens als waarom het gaat, worden gediend of
redelijkerwijs kunnen worden gediend. Dit betekent dat die vraag in beginsel
moet worden beantwoord aan de hand van waarderingen die mede van feitelijke
aard zijn

Voor het onderhavige geval brengt dit mee dat verwijzing moet volgen,
opdat alsnog de – door het hof niet beantwoorde – vraag onder ogen wordt
gezien of de te dezen door K. gemaakte inbreuk op het recht van G. op
eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer wordt gerechtvaardigd door het
belang – kort samengevat – dat de GSD ter controle van de naleving van de ABW
over deze gegevens zou beschikken

Daarbij zal het aankomen op een waardering van de ernst van die inbreuk
tegenover het gewicht van dat belang, zulks mede in aanmerking genomen
omstandigheden als: de lengte van de periode waarover “met een zekere
regelmaat” door K. de voormelde constateringen zijn gedaan en doorgegeven; het
“met zekere regelmaat” blijven verzamelen en doorgeven van deze gegevens, die
van intieme aard waren in verband met de vraag of zij iets nieuws brachten
ten opzicht van de feiten die reeds bij de GSD bekend waren; het feit dat K.
het oordeel of het voortzetten van het verzamelen en doorgeven van die
gegevens opportuun was, niet heeft overgelaten aan de daartoe bevoegde
ambtenaren van de GSD; en in verband met dit alles ook het feit dat hij zowel
buurman of buurtgenoot van G. was als adjunct-directeur van de GSD met het
inzicht en de invloed die hij aan deze functie kon ontlenen

4.8 De verdere klachten van het tweede middel kunnen buiten behandeling
blijven

5. Beslissing

De Hoge Raad: vernietigt het arrest van het Hof te Amsterdam van 13
december 1984, verwijst de zaak naar het Hof te ‘s-Gravenhage ter verdere
behandeling en beslissing;

veroordeelt K. in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze
uitspraak begroot op ƒ 2.472, op de voet van art. 57b Rv te voldoen aan de
griffier

Rechters

Mrs. Snijders, Martens, Van den Blink, Hermans, Boekman; A-G Leijten;m.nr. EAA