Instantie: Hof van Justitie EG, 24 maart 1987

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


De High Court te Dublin heeft twee prejudiciele vragen gesteld over de
uitlegging van artikel 4 van richtlijn nr. 79/7 van de Raad betreffende de
geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid

Verzoeksters betoogden dat, waren zij niet gehuwd of waren zij mannen
geweest, zij nog 78 dagen langer aanspraak hadden kunnen maken op betaling van
de werkloosheidsuitkering. Niet betwist wordt, dat naar Iers recht gehuwde
vrouwen een lagere werkloosheidsuitkering ontvangen dan gehuwde mannen en
ongehuwden en zulks dan nog gedurende een kortere periode

De eerste vraag:

Ierland wil weten of artikel 4, lid 1, van de richtlijn particulieren in
een Lid-Staat rechten verleent vanaf het ogenblik dat de termijn waarbinnen de
Lid-Staten zich naar de richtlijn dienden te voegen is verstreken

Het is vaste rechtspraak van het Hof dat particulieren zich bij gebreke
van binnen de termijn vastgestelde uitvoeringsmaatregelen op bepalingen van
een richtlijn kunnen beroepen tegen iedere daarmee strijdige nationale
bepaling, wanneer de bepalingen van die richtlijn inhoudelijk onvoorwaardelijk
en voldoende nauwkeurig voorkomen, of wanneer zij van dien aard zijn dat zij
rechten bepalen die particulieren jegens de staat geldend kunnen maken
Â’
In zijn arrest van 4 december 1986 (zaak 71/85) heeft het Hof reeds
geoordeeld dat artikel 4, lid 1, voldoende nauwkeurig is om door een
justitiabele te kunnen worden ingeroepen en door de rechter te kunnen worden
toegepast

Hieruit volgt, dat artikel 4, lid 1, voldoende nauwkeurig en
onvoorwaardelijk is, om bij gebreke van uitvoeringsmaatregelen vanaf 23
december 1984 door particulieren voor de nationale rechterlijke instanties te
kunnen worden ingeroepen tegen de toepassing van iedere nationale rechterlijke
instanties te kunnen worden ingeroepen tegen de toepassing van iedere
nationale bepaling die niet in overeenstemming is met dat artikel

De tweede vraag:

Hebben vrouwen bij gebreke van uitvoeringsmaatregelen van artikel 4, lid
1, van de richtlijn recht op uitkeringen onder dezelfde voorwaarden als
mannen?

Volgens het Hof hebben vrouwen, tot het tijdstip waarop de nationale
regering de nodige uitvoeringsmaatregelen treft, recht op toepassing van
dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie verkeren, waarbij die
regeling, zolang aan de richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig
bruikbare referentiekader

Volledige tekst

Rechters

Voltallige Hof

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 24 maart 1987

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Verloskundige weigert bij de aangifte het adres waar de geboorte heeft
plaatsgevonden te noemen; zuivere vrijspraak ter zake van art. 448 Sr. nu het
ontbreken van het adres in de geboorteakte aan de rechtsgeldigheid daarvan
niet in de weg staat. Met noot
De volledige tekst is niet opgenomen.

Volledige tekst

De volledige tekst is niet opgenomen.

Rechters

Mrs. Moons, Bronkhorst, Jonkers, Mout, Davids

Instantie: President van de Rechtbank Utrecht, 4 maart 1987

Instantie

President van de Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Partijen zijn van 1968 tot 1985 gehuwd geweest. Zij hebben huwelijkse
voorwaarden opgesteld

De vrouw stelt dat conform het arrest van de Hoge Raad van 27 november
1981; NJ 1982, 503, pensioenverrekening dient plaats te vinden en dat zij op
die grond opgave vraagt van de per 1 januari 1983 bestaande pensioenrechten

De redelijkheid en billijkheid brengen met zich mee dat de man verplicht
is aan de vrouw alle nodige inlichtingen en gegevens te verschaffen omtrent de
opbouw van deze pensioenrechten

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding

1.1. Eiseres, hierna te noemen: de vrouw, heeft gedaagde, hierna te
noemen: de man, in kort geding doen dagvaarden en op de dienende dag, 18 maart
1986, van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het exploot van
dagvaarding waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht

1.2. De vrouw heeft bij monde van haar advocaat haar vordering
toegelicht aan de hand van een overgelegde pleitnota en produkties

1.3. De man heeft bij monde van zijn procureur verweer gevoerd aan de
hand van overgelegde pleitnotities en produkties, op de inhoud van welk
verweer hierna voor zoveel nodig zal worden teruggekomen

1.4. Na voortgezet debat hebben parijen de stukken overgelegd en vonnis
gevraagd

2. Het geschil van partijen

2.1. De vaststaande feiten:

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet
voldoende gemotiveerd weersproken en ten dele door de in zoverre niet betwiste
inhoud van de overgelegde bescheiden gestaafd, staat ten processe – voor zover
hier van belang – het navolgende vast

a. Partijen zijn op 19 juli 1968 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 12
juli 1985 is ontbonden door echtscheiding

b. Tussen parijen zijn voor het aangaan van hun huweljk huwelijkse
voorwaarden opgesteld, waarvan in casu het bepaalde in artikel 4 en artikel 5
van belang is

Artikel 4 luidt:

“1. De vruchten en opbrengsten van elks goederen, arbeid en vlijt,
periodieke en alle andere inkomsten zullen in de eerste plaats strekken tot
betaling van de kosten der huishouding, van de persoonlijke dagelijkse
behoeften der echtgenoten, van de verzorging en de opvoeding van de kinderen,
die uit het huwelijk van de echtgenoten mochten geboren worden, van die door
hen beiden geadopteerd of met beider toestemming in het gezin opgenomen, en
ter voldoening van alle gewone bijdragen, lasten en belastingen

2. Onder kosten van de huishouding zullen mede begrepen zijn renten van
schulden door een of beide echtgenoten aangegaan ter vooziening in
woongelegenheid van hen beiden, en voorts premies van de door een of beide
echtgenoten afgesloten normale spaar- en studieverzekeringen voor de kinderen
of verschuldigd voor levens- of lijfrenteverzekeringen met beider toestemming
aangegaan

3. Voor zover de zuivere inkomsten ontoereikend mochten zijn om in de
uitgaven te voorzien, zijn de echtgenoten verplicht naar evenredigheid van hun
zuivere vermogen daartoe bij te dragen. “

Artikel 5 luidt – voor zover van belang -:

“1. Aan het einde van elk kalenderjaar brengen de echtgenoten ter verdel
ing bijeen hetgeen van ieders inkomen van dat jaar onverteerd is

2. het aldus bijeengevoegde wordt daarna bij helfte verdeeld en wordt
toegevoegd aan het prive-vermogen van de echtgenoten dusdanig, dat ieders
vermogen vermeerderd wordt met een waarde gelijk aan de helft van het
overeenkomstig de voorgaande alinea bijeengevoegde

3. Zodra de gemeenschappelijke huishouding feitelijk ophoudt te bestaan,
eindigt de verplichting tot bijeenvoeging en verdeling zoals in dit artikel
hiervoor is omschreven. “

c. De gemeenschappelijke huishouding van partijen heeft per 1 januar
i 1983 feitelijk opgehouden te bestaan

d. Tijdens het huwelijk heeft nimmer verrekening plaatsgevonden als
bedoeld in artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden

2.2. De vordering en de grondslag daarvan:

Teneinde tot een verrekening te komen vordert de vrouw:

de man te veroordelen om aan de vrouw ter beschikking te stellen de
diverse stukken en op schrift gestelde informatie, als nader omschreven in de
dagvaarding, op straffe van een dwangsom

De vrouw baseert haar vordering op de stelling dat, gelet op het arrest
van de Hoge Raad van 15 februari 1985, N.J. 1985, 885 en op de strekking van
het verrekeningsbeding, redelijkerwijs thans verrekening dient plaats te
vinden van de respectieve vermogens van de man en de vrouw naar de waarde per
1 januari 1983, en dat het noodzakelijk is een vermogensopstelling te maken
per 1 januari 1983 teneinde de hoogte van de verrekeningspicht te kunnen
vaststellen, doch dat zij niet in staat is deze opstelling te verwezenlijken
in verband met het ontbreken van gegevens, die de man weigert vrijwillig te
verstrekken

3. Beoordeling van het geschil tussen partijen

3.1. De vrouw heeft terecht gesteld dat informatieplicht een
verrekeningsverplichting veronderstelt. Een dergelijke verplichting van de
man is echter voorshands niet aannemelijk te achten. Immers, anders dan in
het geval van het arrest van de Hoge Raad van 15 februari 1985 is in het
onderhavige geval niet aannemelijk geworden, dat het per 1 januari 1983
bestaande vermogen van de man geheel of gedeeltelijk is gevormd uit
onverteerde inkomsten als bedoeld in artikel 5 lid 1 juncto artikel 4 lid 1
van de huwelijkse voorwaarden, dan wel uit beleggingen van dergelijke
besparingen

De man heeft veeleer aannemelijk gemaakt dat in de jaren gedurende het
huwelijk de uitgaven hoger waren dan de inkomsten. Een en ander blijkt
voorshands uit de brieven van mr. J. Wisse, belastingadviseur, werkzaam bij
het belasting adviesbureau Loyens & Volkmaars te Amstelveen, d.d. 14 maart
1986, en van mr. A.P. Lier, belastingadviseur, werkzaam bij het belasting
adviesbureau Wisselink B.V. te Amsterdam, d.d. 19 augustus 1980

3.2. Wel is aannemelijk geworden dat de man per 1 januari 1983 een niet
onaanzienlijk vermogen bezat

Partijen twisten over de omvang van dit vermogen. Bij de behandeling
ter zitting is echter gebleken dat dit vermogen grotendeels bestaat uit de
(waarde van de) aandelen in Prins, Meijer, Stamenkovicz en Van Walbeek
Reclamebureau B.V.. De man heeft voorshands voldoende aannemelijk gemaakt
dat die aandelen aanvankelijk geen waarde hadden, dat de waarde tijdens de
jaren van het huwelijk weliswaar is gestegen, doch dat deze stijging geen
verband hield met onverteerde inkomsten als bedoeld in artikel 5, lid 1 van de
huwelijkse voorwaarden

3.3. De man heeft er terecht op gewezen dat in de huwelijkse voorwaarden
niet is overeengekomen een verdeling van vermogensvermeerdering gelijk bij
wettelijk deelgenootschap, maar slechts verdeling van de onverteerde
inkomsten

3.4. Nu van enig verband tussen dergelijke inkomsten en de waarde van de
aandelen per 1 januari 1983 niet is gebleken en evenmin van het bestaan van
enig verband met het overige vermogen per 1 januari 1983, moet de vordering
van de vrouw dan ook in zoverre worden afgewezen

3.5. De vrouw heeft voorts gesteld dat conform het arrest van de Hoge
Raad van 27 november 1981, N.J. 1982, 503, pensioenverrekening dient plaats te
vinden en heeft op die grond opgave gevraagd van de per 1 januari 1983
bestaande pensioenrechten

Deze vordering lijkt voorshands voor toewijzing vatbaar. Immers de in
het vermelde arrest gehanteerde en door de vrouw aangehaalde argumenten van de
Hoge Raad gelden evenzeer in een geval als het onderhavige, waarin de
huwelijkse voorwaarden een verrekenbeding gelijk in casu is opgenomen

Zulks geldt te meer, nu immers in lid 2 van artikel 4 van de huwelijkse
voorwaarden is bepaald dat onder meer premies van levens- en
lijfrenteverzekering tot de kosten van de huishouding worden gerekend. Het
gevolg hiervan is dat de inkomsten van de man met het bedrag van die premies
is verminderd en in zoverre niet meer voor verdeling als bedoeld in artikel 5
van de huwelijkse voorwaarden in aanmerking komt, waardoor die premies voor de
helft ten laste van de vrouw zijn gekomen

3.6. Door de man is niet gesteld dat de pensioenpremies door hem op een
andere wijze zijn gefinancieerd. De man heeft trouwens in het algemeen het
onderhavige deel van deze vordering niet of nauwelijks weersproken

3.7. Onder deze omstandigheden brengen de redelijkheid en billijkheid
met zich dat de man verplicht is aan de vrouw alle nodige inlichtingen en
gegevens te verschaffen omtrent de opbouw van deze rechten. Het is wel
redelijk de man hiervoor een langere termijn te geven dan de gevorderde

De fungeerde president acht ook termen aanwezig om de gevorderde
dwangsom te verminderen in voege als te vermelden

3.8. Nu dit geding voorvloeit uit een geschil tussen ex-echtelieden en
zij bovendien over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de
proceskosten worden gecompenseerd als na te melden

4. De beslissing

De president:

Veroordeelt de man om binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis
aan de vrouw schriftelijk een exacte opgave te doen van de per 1 januari 1983
ten gunste van man en/of vrouw bestaande pensioenrechen en rechten krachtens
afgesloten levensverzekeringen c.q. lijfrente-overeenkomsten, op verbeurte van
een dwangsom van ƒ 100,– (eenhonderd gulden) per dag dat de man nalatig
blijft aan deze veroordeling te voldoen

Verklaar dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd

Compenseer de kosten van dit geding tussen parijen aldus, dat iedere
partij haar eigen kosten draagt

Rechters

mr. L. Schuman, fungerend president

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 25 februari 1987

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Wanneer iemand een werkloosheidsuitkering ontvangt is zij ook verzekerd
ingevolge de ZW. In dit geval vorderde de Bedrijfsvereniging de uitkering
terug omdat zij tijdens werkloosheid inkomsten had genoten en daarvan geen
mededeling had gedaan. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de eerste
rechter dat de hoogte van het ziekengeld redelijkerwijs zal kunnen worden
gerelateerd aan de hoogte van de WW-uitkeringen welke klaagster ten rechte zou
hebben ontvangen. De gevolgen van het ten onrechte ontvangen van een
uitkering krachtens de WW dienen te worden beperkt tot de gevolgen die de WW
daaraan verbindt. Met noot

Volledige tekst

Rechters

Mrs van der Veen, Dorren en Verduin

Instantie: Raad van Beroep Arnhem, 19 februari 1987

Instantie

Raad van Beroep Arnhem

Samenvatting


Aanpassing van de WWV aan de EG-richtlijn met betrekking tot de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.

Het kostwinnersvereiste in de WWV werd per 23 december 1984 afgeschaft,
behalve voor vrouwen die werkloos werden en de maximum WW-termijn bereikten
voor 23 december 1984. Het overgangsrecht bevatte hiermee discriminatie op
grond van het kostwinnersvereiste.

De Raad van Beroep bepaalt dat aan het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen ter prejudiciele beslissing de volgende vragen worden
voorgelegd:

1) Laat richtlijn nr. 79/7 EEG aan de Lid-Staten de beoordelingsvrijheid
om in de wet die strekt tot de tenuitvoerlegging van de richtlijn, een
overgangsbepaling op te nemen op grond waarvan een kostwinnersvereiste ook na
23 december 1984 blijft gelden voor de gehuwde vrouw die voor 23 december 1984
werkloos is geworden?

2) Is het verlenen van terugwerkende kracht aan een overgangsbepaling,
zoals genoemd in vraag 1, tot het tijdstip waarop de in artikel 8 lid 1 van de
richtlijn genoemde termijn is verstreken, verenigbaar met die richtlijn?

Volledige tekst

ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met betrekking tot klaagster I.

Nadat zij gedurende de periode van 30 december 1968 tot en met 30
november 1983 in dienstbetrekking werkzaam was geweest, ontving klaagster I
een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) tot en met 31 mei 1984. Op 14
mei 1984 diende klaagster I een aanvraag in voor een uitkering krachtens de
Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV).

De aanvraag werd bij beschikking van 28 juni 1984 door verweerder I op
grond van artikel 13 lid 1 sub 1 van de WWV afgewezen. Een hernieuwde aanvraag
d.d. 24 december 1984 werd eveneens afgewezen, bij besluit van 5 februari
1985. Dit besluit luidt onder meer als volgt:

“Op uw aanvraag van 24 december 1984 om uitkering krachtens de Wet
Werkloosheidsvoorziening (WWV) is door het college van Burgemeester en
Wethouders als volgt beslist:

Uw aanvraag wordt afgewezen, daar u niet voldoet aan de
mede-kostwinnerseis (zie tevens de beschikking d.d. 28 juni 1984).”

Met betrekking tot klaagster II.

Nadat zij gedurende het tijdvak 15 juni 1981 tot en met 31 december 1981
in dienstbetrekking werkzaam was geweest, ontving klaagster II tot en met 29
november 1984 uitkeringen krachtens de Werkloosheidswet(WW), Ziektewet (ZW) en
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op 19 november 1984
diende klaagster II een aanvraag in voor een uitkering krachtens de WWV,
waarover met een beroep op artikel 13 lid 1 sub 1 van de WWV bij beslissing
van 30 mei 1985 negatief werd beslist, welke beslissing onder meer luidt als
volgt:

“Op uw aanvraag van 19 november 1984 om uitkering krachtens de Wet
Werkloosheidsvoorziening (WWV) is door het college van burgemeester en
wethouders afwijzend beslist op grond van artikel 13 lid 1 sub 1 WWV.

U voldoet niet aan de eis om als gehuwde vrouw te worden aangemerkt als
mede-kostwinster in de zin van de wet.

Om aan deze eis te voldoen, moet u, in uw geval, in het jaar
voorafgaande aan de eerste dag van uw werkloosheid tenminste 50% van het
arbeidsinkomen van uw echtgenoot over datzelfde jaar hebben verdiend.

Uw echtgenoot verdiende gemiddeld ƒ 2.395,70 per maand. U had derhalve
50% van ƒ 2.395,70, dat is ƒ 1.197,85 moeten verdienen.

U verdiende echter ƒ 1.080,59 per maand.”

Bij schrijven van 21 februari 1986 heeft verweerder I de
bezwaarschriften van klaagster I en II ongegrond verklaard.

Met betrekking tot klaagster III.

Nadat zij gedurende de periode van 9 november 1970 tot en met 27
november 1982 in dienstbetrekking werkzaam was geweest, ontving klaagster III
tot en met 17 augustus 1983 een uitkering krachtens de WW. Klaagster vroeg in
augustus 1983 een uitkering aan krachtens de WWV, welke op grond van artikel
13 lid 1 sub 1 van de WWV werd afgewezen. Op 26 mei 1986 vroeg klaagster
opnieuw een uitkering krachtens de WWV aan.

Bij beschikking op 17 juni 1986 werd deze aanvraag door verweerder II
afgewezen. Verweerder heeft klaagster bij schrijven van 5 augustus 1986 in
kennis gesteld van de navolgende beslissing op het bezwaarschrift.

“Burgemeester en wethouders van bovengenoemde gemeente, gezien: het
door/namens mevrouw H.G.W. Laar-Vreeman ingediende bezwaarschrift d.d. 25 juni
1986 tegen de beschikking d.d. 17 juni 1986 nr. 2515, waarin de beslissing
werd medegedeeld op de aanvraag d.d 26 mei 1986 om uitkering ingevolge de Wet
Werkloosheidsvoorziening; gelet op: het advies van de Commissie
Werkloosheidsvoorzienig d.d. 24 juli 1986

gehoord: de mondelinge toelichting van mevrouw H.G.W. Laar-Vreeman
overwegende dat:

– door mevrouw Laar in eerste instantie ingaande 18 augustus 1983 een
beroep werd gedaan op de Wet Werkloosheidsvoorziening;

– de onderhavige aanvraag indertijd werd afgewezen op grond van het niet
kunnen voldoen aan de kostwinnersbepalingen als gesteld in artikel 13, eerste
lid onder 1 van de wet;

– door mevrouw op 26 mei 1986 andermaal, gebaseerd op hetzelfde
arbeidsverleden als in 1983, een beroep op de wet werd gedaan omdat haar ter
ore was gekomen dat het bewuste artikel uit de wet verdwenen is en zij in de
veronderstelling verkeerde nu wel voor een uitkering in aanmerking te kunnen
komen;

– dat echter bij de wijziging van de Wet Werkloosheidsvoorziening met
betrekking tot artikel 13, eerste lid onder 1, 23 december 1984 als ultime
datum is gesteld voor een eventuele terugwerkende kracht;

– dat de datum van ingang van de werkloosheid van mevrouw, alsook de
datum waarop zij voor het eerst aangewezen raakte op een uitkering ingevolge
de Wet Werkloosheidsvoorziening, gelegen is voor eerdergenoemde 23 december
1984;

– gesteld dient te worden dat het eventuele recht dient te worden
bepaald aan de hand van de indertijd geldende wettekst en deze aanleiding gaf
tot afwijzing van de aanvraag;

– de uitspraak van de Raad van Beroep in ‘s-Hertogenbosch in een
soortgelijke situatie inhoudende dat ook uitkering zou moeten worden verstrekt
indien het recht daarop voor 23 december 1984 is ontstaan, niet kan worden
onderschreven.

besluiten: het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en de bestreden
beslissing onverkort te handhaven.”.

Klaagsters I, II en III hebben beroep ingesteld tegen voornoemde
belsissingen.

In de klaagschriften werd onder meer gesteld dat de bestreden
beslissingen strijdig waren met artikel 4 lid 1 van richtlijn nr. 79/7 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1978 betreffende de
geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid. In dit verband werd
aan de Raad van Beroep te Arnhem verzocht een prejudiciele vraag voor te
leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen betreffende de
toelaatbaarheid van artII onderdeel A van de Wet nadere wijziging WWV van 24
april 1985, Staatsblad 230.

De gedingen zijn behandeld ter terechtzitting van de Raad van Beroep op
29 januari 1987.

OVERWEGINGEN

De Raad van Beroep heeft beslist dat in de onderhavige zaken de
procedure van artikel 177 van het EEG Verdrag gevolgd dient te worden en dat
enige vragen ter prejudiciele beslissing aan het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschap voorgelegd dienen te worden. Daartoe is het volgende
overwogen.

In artikel 8 van de richtlijn nr. 79/9 EEG betreffende de geleidelijke
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (verder te noemen: de
richtlijn) is bepaald dat binnen een termijn van zes jaar volgende op de
kennisgeving van die richtlijn de Lid-Staten de nodige wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om aan de richtlijn te
voldoen. Deze termijn van zes jaar liep op 23 december 1984 af. De Nederlandse
Staat bleef in gebreke om voor het genoemde tijdstip te komen tot aanpassing
van de WWV aan de richtlijn, aangezien artikel 13 lid 1 sub 1 van de WWV, niet
in overeenstemming was met het in artikel 4 van de richtlijn uitgedrukte
beginsel van gelijke behandeling. Dit artikellid luidde als volgt: “geen recht
op uitkering heeft de werknemer die………. gehuwde vrouw zijnde, niet
ingevolge door Onze minister, de centrale commissie gehoord, te stellen
regelen als kostwinner wordt aangemerkt noch duurzaam gescheiden van haar
echtgenoot leeft;”

In het geding, dat door de Federatie Nederlandse Vakbeweging was
aangespannen tegen de Staat der Nederlanden teneinde te doen vaststellen dat
de Staat onrechtmatig handelde door vast te houden aan de toepassing van
artikel 13 lid 1 sub 1 van de WWV na 23 december 1984, legde het Gerechtshof
te ‘s-Gravenhage een aantal prejudiciele vragen voor aan het Hof van Justitie
betreffende de rechtstreekse werking van artikel 4 van de richtlijn sedert 23
december 1984

In het arrest van 24 december 1986, verklaarde het Hof van Justitie
terzake voor recht:

1) Zolang aan de richtlijn geen uitvoering was gegeven, kon artikel 4,
lid 1, van richtlijn nr. 79/7 van de Raad van 19 december 1978, dat iedere
discriminatie op grond van geslacht op het gebied van de sociale zekerheid
verbiedt, vanaf 23 december 1984 worden ingeroepen om de toepassing van iedere
met artikel 4, lid 1, strijdige nationale bepaling te beletten. Bij ontbreken
van maatregelen ter uitvoering van genoemd artikel hebben vrouwen recht op
dezelfde behandeling en op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in
een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, zolang aan genoemde
richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader
blijft.

2) Een Lid-Staat kan zich niet beroepen op zijn beoordelingsvrijheid bij
de keuze van de middelen voor de tenuitvoerlegging van het in richtlijn nr.
79/7 neergelegde beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale
zekerheid, om iedere werking te ontzeggen aan artikel 4, lid 1, dat zich ertoe
leent in rechte te worden ingeroepen ook al is de richtlijn in haar geheel nog
niet ten uitvoer gelegd”

Inmiddels was op 1 mei 1985 met terugwerkende kracht tot 23 december
1984 in werking getreden de Wet van 24 april 1985, Staatsblad 230. Op grond
van artikel I onderdeel 7 van deze wet kwam het genoemde kostwinnersvereiste
van artikel 13 lid 1 sub 1 van de WWV te vervallen. Artikel II onderdeel A van
de wet bepaalde daarnaast:

“De wijziging van artikel I, onderdeel A, is niet van toepassing op de
werknemer, die werkloos is geworden met ingang van een dag gelegen voor 23
december 1984, tenzij hij op die datum in het genot was van een uitkering
ingevolge de WW (Staatsblad 1967, 421) of van een uitkering bij werkloosheid
ingevolge een regeling welke geldt voor personen, wier arbeidsverhouding
ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder a en b van de WW niet
als dienstbetrekking wordt beschouwd.”

Artikel II onderdeel A bevat derhalve een bepaling van overgangsrecht,
die tot gevolg heeft dat de gehuwde vrouw, die voor 23 december 1984 werkloos
is geworden, ook na 23 december 1984 niet in aanmerking komt voor een
uitkering, indien zij niet voldoet aan het kostwinnersvereiste.

De Nederlandse wetgever heeft op grond van budgettaire overwegingen bij
de tenuitvoerlegging van de richtlijn gekozen voor een overgangsrechtelijk
systeem waarbij de non-discriminatoire bepaling in beginsel slechts toepassing
vindt, indien de gebeurtenis waaraan het recht op uitkering wordt verbonden
(in casu het intreden van werkloosheid) heeft plaatsgevonden na 23 december
1984.

Voor de Raad van Beroep rijst in dit verband de vraag hoe artikel 4,
juncto artikel 8 van de richtlijn dienen te worden uitgelegd. Met name is
daarbij de vraag of deze bepalingen een Lid-Staat de vrijheid laten ongelijke
behandeling na 23 december 1984 te laten voortbestaan, als deze samenhangt met
het feit dat de gebeurtenis die is vereist voor het ontstaan van het recht op
uitkering, voor genoemde datum heeft plaatsgevonden. Bovendien is het de vraag
of de Staat de vrijheid toekomt aan de betreffende wet terugwerkende kracht te
verlenen tot het ijdstip waarop de in artikel 8 lid 1 van de richtlijn
genoemde termijn is verstreken.

Deze overwegingen hebben de Raad van Beroep doen besluiten de hieronder
vermelde prejudiciele vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen.

BESLISSING

De Raad van Beroep bepaalt dat aan het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen ter prejudiciele beslissing de volgende vragen worden
voorgelegd:

1) Laat de richtlijn nr. 79/9 EEG aan de Lid-Staten de
beoordelingsvrijheid om in de wet die strekt tot de tenuitvoerlegging van de
richtlijn, een overgangsbepaling op te nemen op grond waarvan een
kostwinnersvereiste ook na 23 december 1984 blijft gelden voor de gehuwde
vrouw die voor 23 december 1984 werkloos is geworden?

2)Is het verlenen van terugwerkende kracht aan een overgangsbepaling,
zoals genoemd in vraag 1, tot het tijdstip waarop de in artikel 8 lid 1 van de
richtlijn genoemde termijn is verstreken, verenigbaar met die richtlijn?

Rechters

Mr. H. van Leeuwen als voorzitter, S.J. Dorrestijn en J. Himmel alsleden, L. Smidt als griffier.

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage, 19 februari 1987

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Hangende de procedure tot wijziging van de gezamenlijke ouderlijke macht
na echtscheiding in voogdij en toeziende voogdij kan de president in kort
geding bepalen wie van de ouders met de dagelijkse zorg over de kinderen moet
worden belast.

In 1985 is een echtpaar met twee kinderen van 8 en 9 jaar oud,
gescheiden. Op hun verzoek heeft de rechtbank de gezamenlijke ouderlijke macht
laten voortbestaan. De ouders hebben verschillende ‘woonvormen’ uitgeprobeerd.
Na twee jaar zijn zij het erover eens dat de voortzetting van de ouderlijke
macht is mislukt en hebben beide ouders aan de rechtbank de voogdij verzocht.
De moeder vordert nu in kort geding, dat de kinderen voorlopig aan haar worden
toevertrouwd. De vader wil het onderzoek van de raad voor de kinderbescherming
afwachten en bestrijdt de dringende noodzaak voor een ingreep.

Volledige tekst

President Rechtbank

Overweegt ten aanzien van het recht in conventie en in reconventie:

1. Doordat er indertijd geen voorlopige voorzieningen zijn getroffen en
de einduitspraak op de vordering tot echtscheiding in kracht van gewijsde is
gegaan, kunnen partijen, nu de voortzetting van de ouderlijke macht moet
worden beeindigd, voor de tijd die nodig is om te kunnen beslissen wie van de
ouders met de voogdij zal worden belast, geen voorlopige voorzieningen ten
aanzien van de kinderen verkrijgen als bedoeld in de vijfde afdeling van de
zesde titel van het derde boek Rv. Het is derhalve aan de president in kort
geding om, zo daartoe de noodzaak bestaat, overeenkomende voorlopige
maatregelen te treffen.

2. De noodzaak daartoe bestaat, anders dan de man heeft betoogd, naar
het oordeel van de president inderdaad.

De bestaande situatie, waarin de kinderen enerzijds bij de moeder wonen
en behoren tot haar nieuwe gezin en anderzijds wel 2 1/2 dag per week bij de
vader logeren, is geschapen voor de situatie, dat tussen de ouders een
dergelijke goede onderlinge verstandhouding bestaat, dat een gedeelde
uitoefening van de ouderlijke macht in het belang van de kinderen is. Het is
een situatie welke niet alleen die goede onderlinge verstandhouding
veronderstelt, maar daaraan ook haar bestaansrecht ontleent. Zonder die
verstandhouding verliest die gedeelde uitoefening haar grond en kan zij niet
functioneren. Ook zonder dat de moeder gelijk behoeft te hebben in alle
onderdelen van haar schildering van de onhoudbaarheid van de situatie, is de
vaststelling, dat de voortzetting van de ouderlijke macht mislukt is, – een
feit waarover partijen het eens zijn – , en van een in het belang van de
kinderen getroffen regeling is geworden tot een strijd om de voogdij,
voldoende om een einde te maken aan een verdeling van de dagelijkse verzorging
en opvoeding welke met een bedorven en gespannen onderlinge verstandhouding
van de ouders onverenigbaar is.

3. Er is derhalve reden tot ingrijpen. Daarbij ligt de nadruk niet, –
anders dan de primaire vordering van ieder van partijen aangeeft -, in de
voorlopige toevertrouwing aan de ene of de andere ouder. Die toevertrouwing
heeft immers geen verdere betekenis voor de uitoefening van de ouderlijke
macht door ieder van de ouders dan dat de dagelijkse verzorging en opvoeding
aan een van beiden wordt opgedragen. De president zoekt voor de betekenis en
de omvang van deze in kort geding te bepalen voorlopige toevertrouwing
uitdrukkelijk aansluiting bij de voorlopige toevertrouwing als bedoeld in art.
825b Rv.

Enigerlei inbreuk te maken op de ouderlijke macht van een der ouders
behoort ook niet tot zijn bevoegdheid.

4. Niettemin is het geraden duidelijk te bepalen wie van de ouders met
die dagelijkse verzorging en opvoeding wordt belast. De president zal de
moeder daarmede belasten, omdat zulks overeenstemt met de regeling welke
partijen laatstelijk hadden getroffen en met de door alle afwisselende eerdere
regelingen heen bestaande voorkeur van partijen, dat de kinderen hun
hoofdverblijfplaats in de hun vertrouwde woning zouden behouden. Nu de moeder
eigenares van die woning is geworden, is de mogelijkheid, dat de vader met de
kinderen in die woning zou wonen, uitgesloten.

5. De werkelijke nadruk van de door de moeder gevorderde maatregelen
ligt in de beeindiging van de tot nog toe bestaande zeer frequente contacten
met de vader, welke beeindiging besloten ligt in de gevorderde veroordeling,
dat de vader verblijf van de kinderen bij de moeder niet zal onderbreken.
Hierboven is reeds overwogen, dat die beeindiging gegeven is met het verloren
gaan van de voor zo’n frequente omgang onmisbare goede onderling
verstandhouding.

6. Een volledige beeindiging van de contacten tussen vader en kinderen
ligt echter niet in de rede en is door de moeder ook niet beoogd, gelet op
haar ter terechtzitting uitgesproken bereidheid aan een regelmatige omgang van
de kinderen met de vader haar medewerking te geven.

7. De moeder zou die omgang het liefst laten verlopen langs de lijnen
van de eigen keuze van de kinderen van frequentie en omvang van de omgang,
gesteund door haar eigen coulance in dat opzicht. Het is duidelijk, dat in de
door de moeder geschilderde gespannen verhouding van dit moment die voorkeur
geen bevredigende omgang tussen vader en kinderen zou verzekeren. De vordering
van de vader om een behoorlijke omgangsregeling te bepalen, is dan ook voor
toewijzing vatbaar.

8. De door de vader gevorderde frequentie van de omgang, welke
overeenkomt met de huidige regeling van gedeelde uitoefening van de ouderlijke
macht, is, zoals overwogen, echter niet in het belang van de kinderen te
achten. Anderzijds is een weekend in drie weken, zoals de moeder heeft
aangeboden wel sterk verwijderd van wat de vader en de kinderen gewoon waren.

9. De president zal de omgang stellen op een weekend per twee weken,
zodat de kinderen de zaterdag en de zondag bij de vader kunnen doorbrengen. De
bepaling van het uur van het halen of brengen wordt daarbij nog aan partijen
overgelaten, in afwachting, dat zij nog steeds in staat zijn over zulke
details in goed overleg overeenstemming te bereiken. Hetzelfde moge gelden
voor de bepaling van het deel van de vakanties, dat de kinderen bij de vader
zullen doorbrengen.

10. In verband met de uitvoering van de omgangsregeling zal de president
aan de bedoeling die de vrouw had met haar vordering ter zake van onderbreking
van het verblijf van de kinderen bij haar, vorm geven in voege als hierna
vermeld.

11. Een bevel tot afgifte acht de president wel op zijn plaats.

Voor de maatregelen zoals die nu tussen partijen getroffen worden acht
de President een versterking met een dwangsom echter vooralsnog niet geboden.

(…)

Beslissing: de president in conventie bepaalt dat de minderjarigen (…)
voorlopig worden toevertrouwd aan de moeder, en veroordeelt de vader, te
gehengen en te gedogen dat deze minderjarigen voorlopig door de moeder worden
verzorgd en opgevoed en dat zij bij de moeder hun gewone verblijfplaats
hebben.

Beveelt, voor het geval de minderjarigen niet reeds in de macht van de
moeder mochten zijn, de afgifte van die minderjarigen aan haar.

In reconventie: bepaalt, dat gedurende de in conventie bepaalde
voorlopige toevertrouwing van de minderjarigen aan de moeder de omgang tussen
de minderjarigen en de vader zal plaatsvinden in dier voege, dat de
minderjarigen eens in de twee weken een weekend bij de vader zullen
doorbrengen, alsmede een in overleg vast te stellen deel van de vakanties
(…).

Rechters

Mr. Robbers

Instantie: Raad van Beroep Arnhem, 13 februari 1987

Instantie

Raad van Beroep Arnhem

Samenvatting


Intrekken arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat klaagster volgens de
DETAM niet langer arbeidsongeschikt is. Tegen deze beslissing heeft
klaagster geprocedeerd met als resultaat dat zij een AAW-uitkering kreeg
toegekend

Vervolgens wordt de uitkering ingetrokken in verband met haar huwelijk

Deze beslissing van de DETAM is niet correct

Volledige tekst

AANDUIDING BESTREDEN BESLISSING

Beslissing van verweerder van 29 oktober 1984

MOTIVERING

Vaststelling van de feiten

Aan klaagster, sedert 13 augustus 1977 in het genot van een uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar
een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 – 100%, werd ingaande 4 december
1978 tevens een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) toegekend, omdat zij op die datum van de echt was gescheiden

Bij beslissing van 11 oktober 1979 besloot verweerder voornoemde
uitkeringen ingaande 1 oktober 1979 in te trekken, omdat klaagster vanaf die
datum niet langer arbeidsongeschikt in de zin van voornoemde wetten werd
geacht. Het namens klaagster tegen deze beslissing ingestelde beroep is door
deze Raad op 1 december 1981 ongegrond verklaard, doch bij uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 30 maart 1984 is ’s Raads uitspraak, alsmede
verweerders beslissing van 11 oktober 1979, vernietigd voorzover betrekking
hebbend op klaagsters aanspraken krachtens de AAW ingaande 1 oktober 1979 en
is bepaald dat verweerder dienaangaande een nieuwe beslissing diende te nemen

Bij de hierboven aangeduide beslissing heeft verweerder vervolgens
klaagster ingaande 1 oktober 1979 alsnog een uitkering ingevolge de AAW
toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 – 35% en
voorts besloten bedoelde uitkering ingaande 3 november 1982 in te trekken,
zulks op de grond dat klaagster, gelet op de bepalingen van en krachtens de
AAW, zoals deze voor haar sedert laatstgenoemde datum – waarop zij in het
huwelijk is getreden – zijn gaan gelden, voor minder dan 25% arbeidsongeschikt
in de zin van die wet was te achten

Het tegen deze beslissing namens klaagster ingestelde beroep is bij
beschikking van ’s Raads fungerend voorzitter van 12 juni 1986 met
vernietiging van die beslissing gegrond verklaard. Verweerder heeft tegen
deze beschikking verzet ingesteld als gevolg waarvan deze is komen te
vervallen. De gronden waarop dit verzet steunt worden hier als herhaald en
ingelast beschouwd, hetgeen ook geldt voor de inhoud van het schrijven van
klaagsters gemachtigde van 31 december 1986

Beoordeling van het geschil

De Raad ziet zich in dit geding geplaatst voor de vraag of verweerder op
goede gronden heeft besloten klaagsters uitkering ingevolge de AAW met ingang
van 3 november 1982, de datum waarop klaagster in het huwelijk is getreden, in
te trekken

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend, waartoe hij allereerst
verwijst naar de overwegigen die zijn voorzitter in de thans vervallen
beschikking heeft gebezigd, welke door de Raad grossomodo worden overgenomen
en tot de zijne gemaakt

De Raad voegt hieraan naar aanleiding van de inhoud van het (aanvullend)
verzetschrift nog het navolgende toe

Het onderhavige geschil spitst zich slechts toe op de uitleg van artikel
IV van de Wet van 20 december 1979 (Staatsblad 708) en dan met name de leden 1
aanhef en onder c en 3 van dit artikel. Anders dan verweerder meent is de
Raad van oordeel dat genoemde derde lid, gelet op de redaktie daarvan, alsmede
de systematiek van de leden 1 tot en met 3 van artikel IV van genoemde wet,
ten aanzien van na 31 december 1979 huwende vrouwen geen van het eerste lid
onder c afwijkende regeling geeft. Immers voor ongehuwde vrouwen, die na 31
december 1979 in het huwelijk treden, is in laatstgenoemde artikelonderdeel
een uitputtende bepaling opgenomen, die door het derde lid ook geenszins wordt
doorkruist

Anders ligt het ten aanzien van vrouwen die voor genoemde datum in het
huwelijk zijn getreden. Voor zover deze groep behoort tot de kategorie,
waarvoor het tweede lid van artikel IV een (overgangs)bepaling heeft
getroffen, zou zulks zonder nadere regeling tot gevolg hebben dat bedoelde
groep vrouwen krachtens de oude bepalingen van de AAW geen aanspraken op
uitkering had casu quo deze aanspraken zou verliezen

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat artikel IV, lid 3 van eerder
genoemde wet met betrekking tot de op 3 november 1982 ten aanzien van
klaagster ingetreden situatie zelfstandige betekenis mist, zodat – naar op
zich onweersproken vaststaat – voor klaagster ingevolge artikel 3, lid 2 van
het Koninklijk Besluit van 28 april 1980 (Staatsblad 264) juncto artikel 4 van
het Koninklijk Besluit van 28 april 1980 (Staatsblad 263) ook na de te dezen
relevante datum een maatmaninkomen geldt van tenminste 107.5% van het voor
haar geldende wettelijk minimumloon

Beslist is derhalve zoals hieronder is aangegeven

Rechters

mr. F.H. de Vries als voorzitter, W.J. Bosveld als griffier

Instantie: Hoge Raad, 13 februari 1987

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Heeft een vrouw die jaren financieel onafhankelijk is geweest van haar
ex-echtgenoot recht op een bijdrage in haar levensonderhoud?

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Op 16 september 1985 heeft verzoekster tot cassatie – verder te noemen de
vrouw – zich gewend tot de Rechtbank te ‘s- Hertogenbosch met het verzoek
dat de Rechtbank zal bepalen dat de verweerder in cassatie – verder te
noemen de man – zal worden veroordeeld om aan de vrouw voor haar
levensonderhoud maandelijks bij vooruitbetaling te betalen de som van ƒ
2.100,= respectievelijk een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede
justitie zal vermenen te behoren. Nadat de man tegen dat verzoek verweer
had gevoerd, heeft de Rechtbank bij beschikking van 19 februari 1986 het
verzoek afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep
ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Bij beschikking van 26
juni 1986 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd. De
beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt
daarvan deel uit. De man heeft verzocht het beroep te verwerpen. De
conclusie van de Advocaat-Generaal Verburg strekt tot verwerping van het
beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. In 1978 is tussen
partijen, die in 1959 met elkander waren gehuwd, echtscheiding
uitgesproken. Uit het huwelijk zijn vier kinderen geboren, die ten tijde
van de echtscheiding respectievelijk 18, 17, 14 en 11 jaar oud waren. De
vrouw is tot voogdes over die kinderen benoemd bij beschikking van de
Rechtbank van 28 juni 1978 waarbij tevens is bepaald dat de man als
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ƒ 220,= per kind per
maand zou voldoen. Bij het echtscheidingsvonnis noch nadien is een door
de man voor de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud
vastgesteld. De vrouw was ten tijde van het echtscheidingsvonnis werkzaam
voor halve dagen en sedert april 1980 voor hele dagen, uit welke
werkzaamheden zij inkomsten genoot. Na een periode van ziekte is zij
sedert december 1981 werkloos. Sedert december 1984 ontvangt zij een
uitkering krachtens de RWW. Bij haar woont nog een minderjarig kind en een
inmiddels meerderjarig kind.

Stellende dat zij wegens haar eigen inkomsten uit dienstbetrekking
“aangevuld met de vergoeding die zij van de man ontving als bijdrage in
de kosten van de opvoeding van de minderjarige kinderen” destijds geen
behoefte had aan een alimentatie voor zichzelf, dat zij thans niet meer
in staat is door arbeid in haar eigen levensonderhoud te voorzien, dat de
man sedert 25 februari 1985 nog slechts voor een kind een bijdrage behoeft
te betalen en dat een en ander oplevert een wijziging van omstandigheden
als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW verzocht de vrouw in dit geding
veroordeling van de man tot betaling van een maandelijks bedrag voor haar
levensonderhoud. Rechtbank en Hof hebben dit verzoek afgewezen, het Hof
op grond van de overweging: “dat het Hof, gelet op de omstandigheden van
het geval, die blijken uit de hierboven weergegeven vaststaande feiten,
van oordeel is, dat aan de omstandigheid dat de vrouw vanaf de datum van
het echtscheidingsvonnis onafgebroken ruim zeven jaren financieel
onafhankelijk is geweest van de man, een zo zwaarwegende betekenis moet
worden toegekend dat de vrouw thans in redelijkheid niet meer van de man
kan verlangen dat hij zal gaan bijdragen in de kosten van haar
levensonderhoud”.

3.3 Omtrent de stellingen van de vrouw dat zij tengevolge van de gestelde
wijziging van omstandigheden thans aan een bijdrage in haar
levensonderhoud tot het gevraagde bedrag behoefte heeft en dat de
draagkracht van de man betaling van dat bedrag toelaat, heeft het Hof geen
oordeel gegeven. De aangehaalde overweging van het Hof moet dan ook
kennelijk aldus worden verstaan dat het Hof, ongeacht de behoefte van de
vrouw of de draagkracht van de man, het verzoek tot vaststelling van een
uitkering voor het levensonderhoud van de vrouw heeft afgewezen op grond
van de omstandigheid ‘dat de vrouw vanaf de datum van het
echtscheidingsvonnis onafgebroken ruim zeven jaren financieel
onafhankelijk is geweest van de man’.

3.4 Het betreft hier een omstandigheid waarvan de aard meebrengt dat zij
zich niet meer kan wijzigen, hetgeen aan de afwijzing van het verzoek
praktisch een definitief karakter geeft. ’s Hofs beschikking komt dus
hierop neer dat het uit art. 1:157 lid 1 BW voor de vrouw voortvloeiende
recht op alimentatie is vervallen ook als de behoefte daaraan is blijven
bestaan. Wegens de ingrijpende aard van een zodanige beslissing dienen aan
de motivering daarvan hoge eisen te worden gesteld. Die motivering dient
in het bijzonder ervan blijkt te geven dat de rechter de belangen van
partijen tegen elkaar heeft afgewogen.

3.5 In het licht van het voorgaande klagen de onderdelen b en c van het
middel in onderling verband er terecht over dat het Hof onvoldoende
inzicht heeft gegeven in de gedachtengang die tot zijn voormelde
beslissing heeft geleid. Met name blijkt uit ’s Hofs beslissing niet
waarom aan de door de vrouw aangevoerde omstandigheden dat zij ten tijde
van het sluiten van huwelijk 18 jaar oud was en uitsluitend in het bezit
van een MULO-diploma, dat het eerste kind van partijen binnen enkele
maanden na de huwelijkssluiting is geboren, dat het huwelijk 19 jaar heeft
standgehouden, in welke periode de man carriere heeft kunnen maken en ook
heeft gemaakt terwijl de vrouw door de zorg voor de vier uit het huwelijk
geboren kinderen geen gelegenheid heeft gehad voor verdere scholing, dat
de vrouw mede dientengevolge, ondanks pogingen daartoe, er niet in is
geslaagd na haar ontslag in 1981 ander passend werk te vinden, dat het
aanvankelijk ontbreken aan de zijde van de vrouw van de behoefte aan een
uitkering voor haar eigen levensonderhoud mede werd veroorzaakt doordat
de man haar een bijdrage in het levensonderhoud van de bij haar
verblijvende minderjarige kinderen betaalde, te dezen een zodanige geringe
betekenis toekomt dat de vrouw ondanks het bestaan van die omstandigheden
“thans in redelijkheid niet meer van de man kan verlangen dat hij zal gaan
bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud”.

3.6 De gegrondheid van de onderdelen b en c van het middel brengt mee dat
de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en verwijzing moet
volgen. De in onderdeel a van het middel vervatte rechtsklacht faalt
echter. Het oordeel omtrent de vraag welke betekenis in de omstandigheden
van het onderhavige geval toekomt aan de omstandigheid dat “de vrouw vanaf
de datum van het echtscheidingsvonnis onafgebroken ruim zeven jaren
financieel onafhankelijk geweest is van de man” is in beginsel
voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.

4. Beslissing: de Hoge Raad vernietigt de beschikking van het Hof
‘s-Hertogenbosch van 26 juni 1986; verwijst de zaak naar het Hof te Arnhem
ter verdere behandeling en beslissing; compenseert de kosten van het
geding in cassatie tussen partijen aldus dat iedere partij haar eigen
kosten draagt.

Rechters

Mrs. Ras, Van den Blink, De Groot, Hermans, Haak; A-G Verburg

Instantie: Kantonrechter Sittard, 6 februari 1987

Instantie

Kantonrechter Sittard

Samenvatting


Nadat zij vier maanden had gewerkt, tekende een vrouw een
arbeidsovereenkomst, die achteraf bleek voor de duur van de werkzaamheden te
zijn. De volgende dag werd de vrouw ontslagen. De vrouw riep de
nietigheid van het ontslag in, omdat toestemming van de directeur van het
Gewestelijk Arbeidsbureau ontbrak

Afloop: in 1985 werd een procedure bij de kantonrechter gestart, die in
1987 de vordering afwees. De kantonrechter achtte bewezen dat het getekende
contract een fotocopie van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst was en niet,
zoals de vrouw stelde, een geantedateerd contract voor tijdelijke werk.
Volgens de vrouw bestaat er geen ‘oorspronkelijk’ contract.. In hoger
beroep heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, dat wil
zeggen dat de eis is afgewezen

Jaarverslag 1985 no. 1, 1987 no. 7, 1988 no. 5

Volledige tekst

Ten aanzien van de feiten:

Overwegende, dat Wij verwijzen naar Ons tussenvonnis van 6 juni 1986, de
processen-verbaal van getuigenverhoor d.d. 29 augustus 1986 en 22 oktober 1986
ter uitvoering van genoemd tussenvonnis gehouden, alsmede de conclusies na
enquete van partijen;

Ten aanzien van het recht:

Overwegende, dat Wij gedaagde geslaagd achten in haar bewijsopdracht en
wel door de verklaringen van de getuigen Kamps en Vleeshouwers, welke
verklaringen niet in voldoende mate ontzenuwd worden door de verklaringen van
de getuige Bognar;

Overwegende, dat immers zowel de getuigen Kamps als Vleeshouwers hebben
verklaard dat hij, getuige Kamps, met ieder van de groep waartoe eiseres
behoorde een gesprek heeft gevoerd en deze aspirant-werknemers heeft
meegedeeld dat dit werk slechts van tijdelijke aard was;

Overwegende, dat bovendien de getuige Vleeshouwers een redelijke
verklaring heeft gegeven waarom in casu in een later stadium een copie van de
orginele overeenkomst werd gemaakt;

Overwegende, dat gedaagde tevens heeft bewezen dat het karwei waarvoor
eiseres was aangenomen voor haar geeindigd was eind mei 1985;

Overwegende, dat weliswaar toen het werk voor eiseres nog niet geheel
gereed was, doch zij te kennen had gegeven dat zij nog arbeidsongeschikt was
en deswege niet in staat was te werken en deswege niet in staat was te werken
en beroep zou aantekenen bij de Raad van Beroep, in verband waarmee Kamps het
weinig werk dat nog voor eiseres gereed lag aan een andere werkneemster heeft
overgedragen;

Overwegende, dat de vordering van eiseres derhalve dient te worden
afgewezen;

RECHTDOENDE:

wijzen de vordering van eiseres af

Veroordelen eiseres in de kosten van de procedure aan de zijde van
gedaagde gerezen, tot aan dit vonnis begroot op ƒ 200,–, zijnde het salaris
voor de gemachtigde van gedaagde

Rechters

Mr. H.R. van Oppen, kantonrechter-plaatsvervanger

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 5 februari 1987

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Verzoek van de vader tot voogdijwijziging ontvankelijk omdat er sprake
is van gewijzigde omstandigheden nu het kind 12 jaar is geworden en in de
gelegenheid dient te worden gesteld haar mening kenbaar te maken. Verzoek
afgewezen.

In 1979 is de echtscheiding van de man en de vrouw uitgesproken, waarbij
de voogdij over hun toen 4-jarige dochter werd toegewezen aan de moeder.

In 1986 verzoekt de vader de Rechtbank Breda hem met de voogdij te
belasten. Hij wordt in zijn verzoek niet ontvankelijk verklaard omdat er
volgens de rechtbank geen sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de
echtscheiding. De vader gaat in hoger beroep.

Volledige tekst

Gerechtshof

1. Overwegende, dat de vader van mening is dat de rechtbank hem in Haar
beschikking, waarvan thans beroep ten onrechte niet- ontvankelijk heeft
verklaard;

dat de rechtbank als grondslag voor die beschikking heeft overwogen dat
niet is gesteld, noch is gebleken, dat na het wijzen van genoemd vonnis van 31
juli 1979 de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij de vaststelling van die
gezagsvoorziening van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan;

dat de vader zich op het standpunt heeft gesteld dat het enkele feit dat
Debby sinds het wijzen van genoemd vonnis van 31 juli 1979 8 jaar ouder is
geworden wel degelijke een relevante wijziging van omstandigheden inhoudt;

2. Overwegende, dat de man voorts heeft aangevoerd dat Debby altijd te
kennen heeft gegeven bij hem te willen verblijven, dat Debby meer contact
wilde hebben met haar oudere zuster die bij haar vader woont en dat er
bovendien wrijvingen zijn ontstaan tussen Debby en haar moeder, nu die moeder
regelmatig buitenshuis vertoefde in verband met werkzaamheden in een winkel;

3. Overwegende, dat het hof van oordeel is dat de vader ontvankelijk
dient te worden verklaard in zijn voormeld verzoek, nu Debby inmiddels op 7
januari 12 jaar oud is geworden, hetgeen een leeftijdsverschil uitmaakt van
acht jaar, vergeleken met het tijdstip waarop eerdergenoemd vonnis werd
gewezen en bovendien tot gevolg heeft, dat zij thans in de gelegenheid dient
te worden gesteld haar mening kenbaar te maken wat als een relevante wijziging
van omstandigheden is aan te merken;

4. Overwegende, dat Debby in raadkamer van het hof heeft verklaard dat
zij het liefst bij haar vader zou willen gaan wonen, omdat die minder streng
is dan haar moeder en omdat ze bij hem meer vrijheid geniet;

5. Overwegende, dat uit hetgeen ter zitting van het hof door partijen
over en weer is aangevoerd, alsmede aan de hand van hetgeen door Debby in
raadkamer terzake is medegedeeld, niet is gebleken dat de huidige
opvoedkundige situatie bij de moeder slecht is, noch dat die bij de vader veel
beter zou zijn;

dat Debby in Tilburg woonachtig is, daar op school gaat en goede
schoolresultaten behaalt;

dat zij eenmaal in de drie weken een weekend bij haar vader in Baarle
Nassau – op ongeveer 20 kilometer van Tilburg gelegen – doorbrengt, waarbij
haar moeder haar niets in de weg legt;

dat het hof de argumenten waarop Debby haar wens om bij haar vader te
willen gaan wonen heeft gegrond, te dezen van onvoldoende gewicht acht, nu die
argumenten – de mindere gestrengheid van vader en de grotere vrijheid die zij
bij hem geniet – naar het oordeel van het hof zijn ingegeven door een algemeen
voorkomend verlangen bij kinderen van deze leeftijd, mede gelet op de
feitelijke situatie, dat Debby bij de moeder woont en eenmaal per drie weken
bij de vader verblijft;

dat het hof geen redenen aanwezig ziet in dezen advies te vragen aan de
raad voor de kinderbescherming, daar het hof op grond van al het vorenstaande
voldoende duidelijk gemaakt acht, dat er thans geen termen aanwezig zijn de
geldende gezagsvoorziening met betrekking tot Debby te wijzigen en dat
derhalve dient te worden beslist als na te melden;

Beschikkende:

Vernietigt de beschikking, waarvan beroep;

Verklaart de vader alsnog ontvankelijk in zijn dit geding inleidende
verzoek; wijst dat verzoek alsnog af.

Rechters

Mrs. Van Loo, Kool en Smits