Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 24 oktober 1986

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Verweerder hebben zich gewend tot het medisch tuchtcollege Amsterdam met
klachten over seksueel misbruik tegen de arts B.. Het college heeft de arts
voor 3 maanden geschorst in de uitoefening van de geneeskunst. In hoger
beroep is de arts de bevoegdheid ontzegd de geneeskunst uit te oefenen

Het eerste cassatiemiddel houdt in dat ’s Hofs oordeel dat de arts heeft
blijk gegeven van grove onkunde nader had moeten worden gemotiveerd. Dit
middel faalt

De drie overige middelen falen ook

Het vonnis van het Hof is ook aanwezig

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie hebben zich gewend tot het Medisch Tuchtcollege
te Amsterdam met klachten tegen verzoeker tot cassatie – verder te noemen de
arts –

Nadat de arts tegen die klachten verweer had gevoerd, heeft het College
bij beslissing van 12 juni 1984 de arts geschorst in de uitoefening van de
geneeskunst voor de tijd van drie maanden

Tegen deze beslissing hebben de Geneeskundig Inspecteur en de arts hoger
beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam

Bij tussenbeschikking van 15 april 1985 heeft het Hof een
deskundigenonderzoek bevolen en bij eindbeslissing van 16 april 1986, voor
zover hier van belang, de beslissing van het College vernietigd en de arts de
bevoegdheid ontzegd de geneeskunst uit te oefenen

De eindbeslissing van het het Hof is aan de onderhavige beslissing
gehecht

2. Het geding in cassatie

Tegen de beslissing van het Hof van 15 april 1985 en tegen de
eindbeslissing van 16 april 1986 heeft de arts beroep in cassatie ingesteld
Het cassatierekest is aan deze beslissing gehecht en maakt daarvan deel
uit

De arts heeft het cassatieberoep doen toelichten door zijn advocaat

De advocaat van de Geneeskundig Inspecteur heeft het cassatieberoep
bestreden

De conclusie van de Advocaat-Generaal Ten Kate strekt tot verwerping van
het beroep

3. Beoordeling van de middelen

3.1.1. Voor de beoordeling van middel I is het volgende van belang

Blijkens nr. 5 van ’s Hofs eindbeslissing van 16 april 1986 ging het in
hoger beroep om de daar vermelde – door het Medisch Tuchtcollege gegrond
bevonden – klachten. Het Hof acht de in dat nr. 5 onder 2c vermelde klacht
alsnog ongegrond en het vervolgt: “Ten aanzien van de overige hiervoor
vermelde onderdelen verenigt het Hof zich met het oordeel van het Medisch
Tuchtcollege en met de gronden waarop dit oordeel berust”, waarop het Hof de
desbetreffende overwegingen van het Medisch Tuchtcollege in extenso overneemt

Dit een en ander leidt het Hof tot het oordeel dat de arts “ten opzichte
van genoemde drie dames handelingen heeft gepleegd, die het vertrouwen in de
stand der geneeskundigen ondermijnen en voorts dat hij ten opzichte van de
dames R. en de Br. blijk heeft gegeven van grove onkunde in de uitoefening van
de geneeskunde”. Het Medisch Tuchtcollege volstond met het oordeel dat de
arts “het vertrouwen in de stand der geneeskundigen ernstig heeft ondermijnd”

3.1.2 Het middel strekt ten betoge dat, in het licht van de
omstandigheid dat het Medisch Tuchtcollege met laatstgenoemd oordeel volstond,
’s Hofs oordeel dat de arts heeft blijk gegeven van grove onkunde nader had
moeten worden gemotiveerd

Het middel faalt. ’s Hofs oordeel dat de arts ten opzichte van de
door het Hof genoemde dames heeft blijk gegeven van grove onkunde in de
uitoefening van de geneeskunst is in het licht van de feiten en kwalificaties,
vermeld in de door het Hof overgenomen overwegingen van het Medisch
Tuchtcollege (in het bijzonder zij hier verwezen naar de passages genoemd in
de nrs. 28 en 29 van de conclusie van het Openbaar Ministerie), naar de eis
der wet met redenen omkleed; de enkele omstandigheid dat het Medisch
Tuchtcollege had volstaan met het oordeel dat de arts het vertrouwen in de
stand der geneeskundigen had ondermijnd, brengt niet mee dat het Hof zijn hier
bedoeld oordeel nader had moeten motiveren

3.2 Uitgangspunt van middel II is de stelling dat de door het Hof in
zijn beslissing weergegeven verklaring van de als getuige-deskundige ter
terechtzitting van 27 maart 1986 gehoorde Prof. Van Dijk een “aanvulling” (op
het in ’s Hofs beslissing genoemde, eerder uitgebrachte schriftelijke rapport
van drie deskundigen, waaronder Prof. Van Dijk) bevat “die in zwaarte en
betekenis het gemeenschappelijk rapport overtrof”. Dit uitgangspunt stuit
af op ’s Hofs andersluidend oordeel: de in dit verband door het Hof gebruikte
wendingen – de getuige-deskundige heeft ter terechtzitting “voormelde
conclusies als volgt (…) nader toegelicht en gexpliciteerd”; het Hof
verstaat “de nader gexpliciteerde conclusies van het deskundigenrapport aldus
dat (…)” – moeten aldus worden begrepen dat naar ’s Hofs oordeel de
verklaring van de getuige-deskundige de conclusies van het gemeenschappelijk
rapport slechts “nader toelicht en expliciteert”, in welk oordeel besloten
ligt dat in ’s Hofs visie die verklaring aan het rapport niet iets toevoegt
dat “in zwaarte en betekenis het gemeenschappelijk rapport overtrof”

Voor zover het middel beoogt laatstbedoeld oordeel te bestrijden, faalt
het: dit oordeel is niet onbegrijpelijk en het kan, als van feitelijke aard,
in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht. Voor het overige
faalt het middel reeds drom omdat het berust op een stelling die blijkens het
vorenstaande feitelijke grondslag mist

3.3 Middel III bevat twee stellingen

Het bevat vooreerst de stelling dat art. 4 van de Medisch Tuchtwet “een
aparte rechtsgang voor ogen heeft naast de procedure naar aanleiding van een
klacht met een aanvullend onderzoek of een der criteria in art. 1 van de
Medische Tuchtwet is geschonden en een afzonderlijke en gescheiden behandeling
behoeft”. Deze stelling vindt geen steun in het recht, in het bijzonder
niet in de Medische Tuchtwet

Voorts bevat het middel de stelling dat “voordat aangenomen kan worden
dat een geneeskundige ongeschikt is voor de uitoefening van de geneeskunst,
moet worden vastgesteld dat betrokkene wegens een ziels- of lichaamsziekte
niet in staat moet worden geacht de gehele geneeskunst in alle facetten en
verschijningsvormen uit te oefenen”. Deze stelling kan in haar algemeenheid
niet als juist worden aanvaard

Het middel faalt derhalve

3.4 Middel IV klaagt dat de “de Voorzitter van de Tweede Kamer van het
Gerechtshof het voorlopig onderzoek opdraagt aan de raadsheer Mr. P.J. Swens
bij beschikking van 22 augustus 1984, terwijl de laatste zonder dat daaraan
een beschikking ten grondslag ligt danwel een nieuwe behandeling heeft
plaatsgevonden als Voorzitter van de Tweede Kamer zal fungeren”

Niet valt in te zien dat door deze gang van zaken enige rechtsregel is
geschonden of enige vorm is verzuimd. In het bijzonder zij aangestipt dat
het voorlopige onderzoek, bedoeld in art. 91 lid 1 onder c van het Reglement
Medisch Tuchtrecht in verbinding met art. 87 lid 1 en art. 26 lid 1, niet
geldt als een “behandeling” in de zin van art. 47, welk artikel via art. 91.
lid 1 en 87 lid 1 van overeenkomstige toepassing is in hoger beroep bij het
Gerechtshof

Het middel faal derhalve

3.5 Nu de middelen falen en er geen gronden zijn om de bestreden
beslissing ambtshalve te vernietigen, dient het beroep te worden verworpen

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep; bepaalt dat uit ’s Rijks kas geen
kosten als bedoeld in art. 69 lid 1 van het Reglement Medisch Tuchtrecht
zullen worden vergoed

Rechters

Vice-president Ras als voorzitter en de raadsheren Martens, De Groot,Bloembergen en Roelvink

Instantie: Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 17 oktober 1986

Instantie

Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Samenvatting


De weigering aan een transseksueel van aantekening van
geslachtsverandering in het geboorteregister is niet in strijd met het recht
op prive-leven of het recht om te huwen. Primair beschermt art. 8 Verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) het individu tegen
willekeurige inmenging door het openbaar gezag, maar daarnaast kunnen er ook
positieve verplichtingen uit volgen, zij het onderworpen aan de
beleidsvrijheid van de Staat. Bij de bepaling of er wel of niet een
positieve verplichting bestaat, moet rekening gehouden worden met het bereiken
van een rechtvaardig evenwicht tussen het algemeen belang en de belangen van
het individu. Het Verenigd Koninkrijk heeft de eisen van R. ingewilligd
zover als dat onder het Engelse recht mogelijk was. Op grond van het
Verdrag bestaat niet de plicht nog meer tegemoet te komen. Het recht om te
huwen in art. 12 heeft betrekking op het traditionele huwelijk tussen personen
van tegengesteld geslacht. In casu geen schending van art. 8 of art. 12
Met noot RF

Volledige tekst

Rechters

Ryssdal, Thor Vilhjalmsson, Bindschedler-Robert, Lagergren, Gelcdkld,Matscher, PinheironFarinha, Pettiti, Walsh, Evans, Russo, Bernhardt, Gersing,Spielmann, Donner

Instantie: President van de arrondissementsrechtbank te Zutphen, 5 september 1986

Instantie

President van de arrondissementsrechtbank te Zutphen

Samenvatting


Het Buro voor Rechtshulp weigerde een vrouw een van overheidswege
gefinancierde advocaat toe te voegen omdat zij de inkomsten van haar partner
niet wilde opgeven. Zij achtte deze gegevens niet relevant voor de
beoordeling van haar eigen draagkracht. De vrouw tekende beroep aan bij de
President van de Rechtbank. Deze besliste dat er sprake is van
lotsverbondenheid tussen de vrouw en haar partner, zodat het Buro voor
Rechtshulp inderdaad deze inkomsten diende mee te tellen en bij het ontbreken
van gegevens hieromtrent, terecht geen toevoeging afgaf. Tegen deze
uitspraak staat geen hoger beroep open. Wel is het mogelijk de
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad te verzoeken cassatie in het belang der
wet in te stellen. Rechtenvrouw wordt gevraagd de kosten van de advocaat
die dit verzoek opstelt te vergoeden. BESLISSING RECHTENVROUW: accoord, het
is voor vrouwen van wezenlijk belang dat zij bij de beslissing een
gerechtelijke procedure te starten, niet afhankelijk worden gemaakt van hun
partner

STAND VAN ZAKEN: het is niet waarschijnlijk dat de Procureur-Generaal
het verzoek cassatie in het belang der wet in te stellen, zal inwilligen

Jaarverslag 1987 no. 39, 1988 no. 41

Volledige tekst

Bij brief van 30 juni 1986 -ingekomen op 7 juli 1986- heeft mr. R.M.J.
Lanting, advocaat en procureur te Deventer, tussenkomst gevraagd namens
Hendrika Weseling (ten deze verzoekster) wonende te Deventer aan de Rielerweg
128 terzake van de beslissing van het buro voor rechtshulp te Zutphen d.d 13
mei 1986, waarbij een aanvraag om in aanmerking te komen voor gefinancierde
rechtshulp is afgewezen

Bij het verzoek is de beslissing a quo met bijlagen overgelegd

Dezerzijds is verzoekster gehoord

De reden van de afwijzing door het buro voor rechtshulp is dat van
onvermogen niet is gebleken, aangezien de bij de aanvraag overgelegde
financiele gegevens onvoldoende zijn om de financiele draagkracht te bepalen

Mede uit de door verzoekster gegeven mondelinge toelichting is gebleken,
dat verzoekster het oordeel van het buro voor rechtshulp dat zij onvoldoende
informatie aan het buro heeft verstrekt om te komen tot een beoordeling van
haar financiele draagkracht bestrijdt. In dat verband heeft zij gesteld dat
de door het buro gevraagde inkomensgegevens van haar huisgenoot als niet
relevant niet behoeft te verstrekken. Haarman beschouwt verzoekster niet
bevoegd over zijn inkomen mededelingen te doen. Verzoekster woont sedert
ongeveer 5 jaar onder een dak met J.W. Haarman in een door hen samen gekochte
woning. Ieder is eigenaar daarvan voor de onverdeelde helft. In het bewijs
van onvermogen is aangevoerd dat “de bezittingen, inkomsten en uitgaven van
verzoekster en genoemde Haarman gescheiden zijn”. Verzoekster is niet met
Haarman gehuwd en staat tot deze niet in een familierechtelijke betrekking

Anders dan in de verklaring omtrent inkomen en vermogen is vermeld heeft
verzoekster -desgevraagd ter gelegenheid van de hoorzitting- verklaard dat
zij en Haarman wel de huishoudelijke uitgaven gezamenlijk dragen zonder
daarvan een gescheiden administratie te houden. Er is sprake van een
lotsverbondenheid tussen Haarman en verzoekster. Zij gaan (soms) samen met
vakantie, gebruiken het gehele huis gezamenlijk en gebruiken samen de
maaltijden

Naar dezerzijds oordeel behoort ingevolge artikel 1 onder e, eerste van
de bepaling van verzoeksters draagkracht in casu te worden uitgegaan van het
“gezinsinkomen” dat wil zeggen het inkomen van verzoekster en Haarman tezamen

Ten deze is het buro voor rechtshulp er dan ook terecht van uitgegaan
dat de samenwoning van verzoekster relevante gevolgen kan hebben terzake de
beoordeling van de financiele draagkracht van verzoekster. Het is immers
gelet op de aard van deze samenwoning aannemelijk dat verzoekster met Haarman
een economische eenheid vormt. Er is hier bovendien niet sprake van een
inwoning zonder meer, maar bovendien van een zodanige lotsverbondenheid op
grond waarvan de inkomsten van Haarman ten deze wel degelijk relevant moeten
worden geacht

Nu verzoekster nalaat de gevraagde informatie daarover te verstrekken
moet worden beslist als volgt

Wijst het verzoek af

Verstaat dat afschriften van deze beslissing zullen worden gezonden aan
verzoekster, haar raadsman en het buro voor rechtshulp voormeld

Rechters

Mr. A.A.M. van Oosten, fungerend-president

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 2 september 1986

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Bij een reorganisatie werden alle vrouwen ontslagen, terwijl de mannen
wel in dienst konden blijven omdat zij tijdens hun werk bijscholing hadden
genoten. Aan de vrouwen werd dat destijds geweigerd

Stand van zaken: uit angst voor gerechtelijke procedures werden de ontsl
agen ongedaan gemaakt. In 1986 werd een kort geding aangespannen waarin ook
studiefaciliteiten en juiste inschaling wat betreft loon werd geeist. Dit
werd verloren. Ook het ingestelde hoger beroep werd verloren. Er werd
cassatie ingesteld, maar het cassatieverzoek werd weer ingetrokken nadat
partijen tot een schikking waren gekomen

Er is advies gevraagd bij de Commissie gelijke behandeling

Jaarverslag 1985 no. 10, 1986 no. 40, 1987 no. 6

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Van Haren, president, Mouton en Duijnstee, raadsheren

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 2 september 1986

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


1. De eerste aanleg

Bij dat vonnis van 19 december 1985 heeft de fungerend President het
navolgende overwogen en beslist:

Voor hetgeen eiseressen vorderen en hetgeen zij daaraan ten grondslag
leggen, verwijzen Wij naar de dagvaarding

Eiseressen stellen zich in deze – kort samengevat – op het standpunt dat
gedaagde op 5 juli 1985 tussen haar en – onder andere – eiseressen gemaakte
afspraken met betrekking tot het functioneren van dezen niet is nagekomen en
dat zij ten detrimente van eiseressen heeft gehandeld en blijft handelen in
strijd zowel met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, als met
artikel 1637 ij Burgerlijk Wetboek, en zich dusdoende ten opzichte van
eiseressen schuldig maakt aan wanprestatie en onrechtmatige daad

De feiten en omstandigheden die eiseressen ter adstructie van deze
stellingen hebben aangevoerd, zijn echter, gelet ook op hetgeen gedaagde ter
bestrijding daarvan, ten aanzien van de juistheid van die feiten en
omstandigheden en omtrent de weergave daarvan door eiseressen heeft betoogd,
van zodanige ingewikkeldheid gebleken, dat Wij Ons van de beoordeling daarvan
en – mitsdien – van de daarop gebaseerde vorderingen, in kort geding menen te
moeten onthouden, te meer nog waar de hiervoor bedoelde complexiteit Ons belet
de gevolgen van een door Ons te geven voorziening voldoende te overzien

De gevraagde voorziening dient derhalve te worden geweigerd

Wij zullen de proceskosten compenseren, nu partijen hebben te kennen
gegeven daartegen geen bezwaar te hebben

Rechtdoende in kort geding, wijzen de vorderingen van eiseressen af,
compenseren de kosten van dit geding aldus, dat iedere partij haar eigen
kosten drage

2. Het geding in hoger beroep

Van dat vonnis bij eerdergenoemd exploit in hoger beroep gekomen hebben
appellanten een grief voorgedragen en geconcludeerd:

het vonnis van de President van de Arrondissementsrechtbank te
Maastricht d.d. 19 december 1985 te vernietigen, en opnieuw rechtdoende de
Montfortstichting te bevelen appellanten op gelijke voet te behandelen als de
mannelijke begeleiders in de Pedagogische Dienst; aan hen gelijke taken en
bevoegdheden toe te kennen, voor wat betreft het begeleiden van pupillen;
appellanten te laten deelnemen aan alle teamvergaderingen van de Pedagogische
Dienst en appellanten gelijke faciliteiten te verlenen als aan de mannelijke
groepsleiders, waaronder met name studiefaciliteiten, zulks op straffe van een
dwangsom van ƒ 1.000,- voor iedere handeling waarbij de Montfortstichting in
strijd handelt met voormeld bevel, met veroordeling van de Monfortstichting in
de kosten van de procedure in hoger beroep

Daarop antwoordend heeft geintimeerde die grieven bestreden en
geconcludeerd:

het vonnis van de President van de Arrondissementsrechtbank d.d. 19
december 1985 te bekrachtigen en mitsdien appellanten in hun vorderingen
niet-ontvankelijk te verklaren, althans hen deze als ongegrond en/of onbewezen
te ontzeggen, met veroordeling van appellanten in de kosten van beide
instanties

De zaak is door de raadslieden van partijen bepleit, waarna uitspraak is
verzocht

3. De gronden van het hoger beroep

De grief houdt in dat fungerend President ten onrechte de gevraagde
voorziening in kort geding geweigerd heeft, op de gronden daarvoor in het
vonnis waarvan beroep aangevoerd

4. Beoordeling

4.1 Door de tegen het vonnis waarvan beroep ingebrachte grief is de
gehele rechtsstrijd aan het oordeel van het Hof onderworpen

4.2 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken
staat het navolgende vast:

– Geintimeerde, nader te noemen de Stichting, is een stichting voor
intramurale opvang en hulpverlening ten behoeve van jeugdigen en jonge
volwassenen, waarbij de plaatsing geschiedt niet op medische indicatie, doch
op psychosociale of pedagogische

– Het onder de Stichting ressorterende “Montforthuis” had in 1975 een
capaciteit van 10 plaatsen

– De personeelsbezetting van het Montforthuis zag er in 1975 als volgt:

1 directeur

1 adjunct-directeur

1 part-time psycholoog

1 mentor

1 mentrix

1 concierge/nachtportier

1 part-time huishoudelijk hulp

– Per 29 oktober 1973 is appellante Timmers part-time aangesteld bij de
Stichting als huishoudelijke hulp en per 1 december 1974 is appellante Jongen
part-time aangesteld bij de Stichting als assistente chef-kok

– In het verloop van de jaren is de capaciteit van de Stichting en het
onder haar ressorterende “Montforthuis” uitgebreid en gebracht op 40 plaatsen
in 1984

– In het jaar 1982 is de Stichting pedagogische medewerkers gaan
aanstellen, te weten per 18 januari 1982 P. Giesen, per 8 augustus 1983 G.D.M.
Hovens, per 1 januari 1984 J.A.C. Hendrix en per 1 oktober 1984 G.C.A. Glezer

– Alhoewel appellanten destijds als huishoudelijke krachten waren
aangetrokken, is de inhoud van hun functie in de loop der tijd geevolueerd
naar een ook begeleidende functie ten behoeve van de pupillen

– De functie en de taken van appellanten zijn vastgelegd in een
schriftelijk stuk van 1980 “De huishoudelijk technische begeleiding/verzorging
binnen de Montfortstichting, de intra-murale voorziening te Bunde. “

– Appellanten functioneerden binnen de zogenaamde H.T.B.V.-dienst van de
Stichting, kort gezegd de huishoudelijke dienst, die ook begeleidende en
verzorgende taken heeft

– De pedagogische functie van de Stichting, die steeds aanwezig is
geweest, heeft zich met name door het aantrekken van de pedagogische
medewerkers ontwikkeld tot een pedagogische dienst

– De huishoudelijke dienst bestaat qua personeelsformatie uit vrouwen en
de pedagogische dienst uit mannen

– De Stichting heeft in de loop van het jaar 1984 ten behoeve van de
verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening een reorganisatie
nagestreefd, waarbij gesteld is, dat de huishoudelijke dienst onvoldoende
kwaliteit had voor de begeleidende en verzorgende taken

– De Stichting heeft bij de beoogde reorganisatie nagesteefd dat de
pedagogische functie zou worden vervuld door daartoe opgeleide en
gekwalificeerde personeelsleden

– Afgezien van hun ervaring zijn appellanten niet gekwalificeerd als
pedagogische medewerker. Zij hebben de lagere school doorlopen en bezitten
geen verdere diploma’s

– De Stichting heeft besloten de huishoudelijke dienst op te heffen en
de aan die dienst verbonden personeelsleden te ontslaan, waartoe op 16 oktober
1984 ontslagvergunning is gevraagd aan de directeur van het Gewestelijk
Arbeidsbureau te Maastricht

– Op 23 mei 1985 is die ontslagvergunning ten aanzien van beide
appellanten geweigerd

– Aanvankelijk heeft de Stichting na bedoelde beslissing van de
directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau volhard bij de reorganisatie, doch
na een door appellanten uitgebrachte kort-gedingdagvaarding is de Stichting
daarvan teruggekomen. Dit is gebeurd op 5 juli 1985

– Over de invulling van het besluit van 5 juli 1985 heeft overleg plaats
gevonden op 16 juli 1985 en op 21 augustus 1985, waarbij op 21 augustus 1985
afgesproken is dat een personeelslid verbonden aan de pedagogische dienst en
een verbonden aan huishoudelijke dienst samen telkens een werkunit voor de
begeleiding van een bepaalde groep pupillen zouden vormen, waarmede
appellanten ingestemd hebben

– De groepsindeling heeft op 9 september 1985 plaatsgevonden. De
personeelsleden verbonden aan de huishoudelijke dienst hebben die
groepsindeling voor akkoord ondertekend, behoudens de appellante Timmers, doch
inclusief de appellante Jongen

– Appellanten achten zich door de op 21 augustus 1985 gemaakte afspraak
te kort gedaan. De overige drie vrouwelijke medewerkers van de
huishoudelijke dienst, die dus ook onder de aanvankelijk voorziene
reorganisatie vielen, onderschrijven dan niet

4.3 Appellanten stellen twee zaken aan de orde:

a) er zou sprake zijn van ongelijke behandeling van vrouwen in
vergelijking tot hun mannelijke collega’s, waartoe zij zich onder meer
beroepen op artikel 1637 ij van het Burgerlijk Wetboek, de richtlijn van de
î
d van de Europese Gemeenschappen, no. 76/207 van 9 februari 1976 (P.B. L 39
van 14-2-1976), de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van 1 maart
1980, (Stbl. 86) en artikel 26 van het Verdrag van New York van 19 december
1966;

b) de op 5 juli 1985 gemaakte afspraken zouden niet althans niet
behoorlijk nagekomen zijn

4.4 Met betrekking tot de vraag of appellanten als vrouw gediscrimineerd
worden geldt dat het in het algemeen niet toegestaan is mannen en vrouwen op
grond van hun geslacht in gelijke situaties ongelijk te behandelen. In het
onderhavige geval is echter niet aannemelijk geworden dat de Stichting in
bedoelde zin heeft gediscrimineerd. Hierbij heeft het Hof in het bijzonder
in aanmerking genomen dat appellanten slechts het basisonderwijs hebben
gevolgd en geen enkele pedagogische scholing hebben gehad, dat zij voor andere
dan pedagogische functies bij de Stichting hebben gesolliciteerd. Onder
deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat de Stichting een verboden
onderscheid heeft gemaakt tussen appellanten en de bij de pedagogische dienst
werkzaam mannen

4.5 Met betrekking tot de vraag of de op 5 juli 1985 gemaakte afspraken
zijn nagekomen geldt dat de Stichting zich zelf in een moeilijke situatie
heeft gebracht door bij die gelegenheid het eerder uitgestippelde beleid
plotseling te herroepen, onder dreiging van het door appellanten reeds
aangespannen, doch nog niet behandelde, kort geding

4.6 Dit zo zijnde diende de Stichting, na de afspraken van 5 juli 1985,
de daarvan te verwachten spanningen binnen de organisatie zo goed mogelijk op
te vangen

Deze verplichting is zij genoegzaam nagekomen. Er is een modus
vivendi gevonden, die aanvankelijk ieders instemming had, zij het dat
appellanten daarvan later zijn teruggekomen

4.7 Naar het oordeel van het Hof zijn de op 21 augustus 1985 gemaakte
afspraken en de daaraan gegeven uitvoering, gelet op de functie en taken van
de huishoudelijke dienst als vastgelegd in het schriftelijk stuk van 1980
De Stichting is als werkgever bevoegd de taken en functies van haar
werknemers nader te formuleren en/of daarin wijziging te brengen mits
blijvende binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid. Die grenzen
zijn in casu niet overschreden

4.8 Het door appellanten in dit kort geding gevorderde, te weten, kort
gezegd, gelijkstelling met de mannelijke begeleiders in de pedagogische
dienst, kan niet gebaseerd worden op de 5 juli 1985 gemaakte afspraken, omdat
het door appellanten nu beoogde afwijkt van de voordien bestaande feitelijke
situatie. Het gevorderde kan dus enkel zijn grondslag vinden in de door
appellanten beoogde gelijke behandeling van mannen en vrouwen;

echter zoals reeds overwogen heeft de Stichting wat dat betreft geen
verboden onderscheid gemaakt

4.9 Hieraan kan nog toegevoegd worden, dat het naar het oordeel van het
Hof niet onredelijk is, dat de Stichting de pedagogische functie van haar
werkzaamheden wil laten vervullen door daartoe qua opleiding gekwalificeerde
personeelsleden

De gelijkstelling die appellanten wensen zou dit beleid van de Stichting
doorkruisen

4.10 Aangaande de studiefaciliteiten, waartoe appellanten toegelaten
willen worden, is de Stichting afhankelijk van het standpunt van de subsidie
verstrekkende overheid. De Stichting weigert appellanten geen
studiefaciliteiten, doch stelt daartoe bereid te zijn, mits de daaraan
verbonden financiele consequenties door de subsidie verstrekkend overheid
worden gedekt. Dit standpunt van de Stichting is niet onredelijk

4.11 Dit alles voert tot de conclusie, dat het vonnis waarvan beroep,
wat er ook moge zijn van de aan dat vonnis ten grondslag liggende motivering,
bekrachtigd moet worden, nu de vorderingen van appellanten niet toewijsbaar
zijn. Appellanten zullen veroordeeld worden in de proceskosten op het hoger
beroep gevallen

5. Uitspraak

Het Hof bekrachtigd het vonnis waarvan beroep, veroordeelt appellanten
in de proceskosten op het hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen
en stelt deze tot aan deze uitspraak op ƒ 250,– aan verschotten en ƒ
3.600 aan salaris voor de procureur van geintimeerde, derhalve in totaal op
ƒ 3.850

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Van Haren, president, Mouton en Duijnstee, raadsheren

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 26 augustus 1986

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Bij een reorganisatie werden alle vrouwen ontslagen, terwijl de mannen
wel in dienst konden blijven omdat zij tijdens hun werk bijscholing hadden
genoten. Aan de vrouwen werd dat destijds geweigerd

Stand van zaken: uit angst voor gerechtelijke procedures werden de ontsl
agen ongedaan gemaakt. In 1986 werd een kort geding aangespannen waarin ook
studiefaciliteiten en juiste inschaling wat betreft loon werd geeist. Dit
werd verloren. Ook het ingestelde hoger beroep werd verloren. Er werd
cassatie ingesteld, maar het cassatieverzoek werd weer ingetrokken nadat
partijen tot een schikking waren gekomen

Er is advies gevraagd bij de Commissie gelijke behandeling

Jaarverslag 1985 no. 10, 1986 no. 40, 1987 no. 6

Volledige tekst

1. DE AANVRAAG

1.1 Op 21 augustus 1985 heeft mw mr T. Spronken namens mw M.
Maessen-Timmers uit Bunde verder te noemen aanvraagster, de Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, verder te noemen de
commissie, verzocht haar zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van de vraag
of door de Montfort-stichting in Bunde, verder te noemen werkgever, ten
nadele van aanvraagster hetzij onmiddellijk onderscheid is gemaakt tussen
mannen en vrouwen dan wel onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden als
bedoeld in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 1980, nr.
86) (WGB). Tevens heeft mw.mr. F. Spronken namens aanvraagster op 19
september 1985 de Commissie verzocht advies uit te brengen over aanvraagster
aanspraak op gelijke beloning als bedoeld in de Wet gelijk loon voor vrouwen
en mannen (Stb. 1975, nr. 129) (WGL)

1.2 Aanvraagster is vanaf 1973 werkzaam bij werkgever als huishoudelijke
hulp

Zij verrichtte haar werkzaamheden binnen de dienst Huishoudelijke
Technische Begeleiding en Verzorging (HTBV), welke werkzaamheden een min of
meer pedagogisch karakter hebben ten opzichte van de pupillen van werkgever

In haar functie is niet slechts van belang dat huishoudelijke
werkzaamheden worden verricht, maar tevens dat door de medewerkers gesprekken
worden gevoerd met pupillen, waaruit een nadere begeleiding kan worden
opgezet

1.3 In 1984 zijn de mannelijke medewerkers van de HTBV welke normaliter
de avond- en nachtdienst draaiden volgens aanvraagster ondergebracht in een
nieuwe dienst de zogenaamde Pedagogische Dienst (PD). Inhoudelijk zou aan
hun werkzaamheden niets zijn veranderd

Diegenen die ten tijde van de adviesaanvraag werkzaam waren in de PD
hebben op hun verzoek destijds toestemming gekregen om bepaalde
applicatiecursussen te volgen, aldus aanvraagster

Het herhaaldelijk verzoek van aanvraagster om toestemming voor het
volgen van cursussen teneinde haar eigen werk beter te kunnen verrichten en
haar promotiekansen te vergroten is niet gehonoreerd door werkgever

1.4 In 1984 was werkgever voornemens een reorganisatie door te voeren
waardoor de HTBV zou komen te vervallen. Binnen de PD zouden in het kader
van deze reorganisatie geen ontslagen vallen terwijl alle medewerkster bij de
HTBV zouden worden aangenomen, teneinde de PD medewerkers de mogelijkheid te
geven zich (nog) meer bezig te houden met inhoudelijk pedagogische taken

1.5 Volgens aanvraagster ligt de ongelijke behandeling daarin, dat door
de afsplitsing van mannelijke medewerkers een veiligstelling van hun baan
gerealiseerd kan worden, terwijl de overblijvende vrouwelijke medewerkers nu
allen ontslagen zouden worden; bovendien werden aan mannelijke medewerkers
wel kansen geboden om cursussen te volgen dit in tegenstelling tot aan de
vrouwelijke medewerkers

1.6 Aanvraagster is van mening dat in strijd met de W.G.L. werd
gehandeld aangezien zij was ingeschaald als huishoudelijke kracht, terwijl
zij dezelfde werkzaamheden verrichten als de mannelijke begeleiders die waren
ondergebracht in de pedagogische dienst; zij vergelijkt zich hierbij met name
met de heer P. Giesen, verder te noemen maatman

2. DE ONDERZOEKEN

2.1 De Commissie heeft de verzoeken van aanvraagster in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld, zowel naar de aanspraak op gelijk loon
als naar de procedure rondom de reorganisatie en de scholingsmogelijkheden

2.2 Werkgever heeft met betrekking tot de aanvraag schriftelijk
inlichtingen verstrekt op 15 januari 1985, (in het kader van een
adviesaanvraag van een collega van aanvraagster)

Werkgever heeft op 8 mei 1985 aanvullende informatie verstrekt. Tevens
zijn inlichtingen ingewonnen bij het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid
en Cultuur

8 augustus 1985 heeft werkgever opnieuw informatie verstrekt. 21
augustus 1985 ontving de Commissie opnieuw informatie van aanvraagster, welke
informatie op 3 en 7 januari 1986 door haar werd aangevuld

Door de Loontechnische Dienst is tenslotte onderzoek ingesteld op 26
maart 1986, 29 april 1986 en 6 mei 1986 (bij werkgever) en op 16 april 1986
bij aanvraagster

Ontwikkelingen in de organisatie hebben er toe bij gedragen dat de
behandeling zo lang heeft geduurd

De Commissie heeft de aanvraag besproken in de vergadering van 19
augustus 1986

3. HET ONDERZOEK GELIJK LOON

3.1 De Commissie is nagegaan of aanvraagster een aanspraak als bedoeld
in artikel 2 van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen heeft en, zo ja,
of het loon van aanvraagster daarmee in overeenstemming is

3.2 Artikel 2, van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen luidt:

Uit een arbeidsovereenkomst heeft een werknemer jegens de werkgever
aanspraak op een loon dat gelijk is aan het loon dat een werknemer van de
andere kunne voor arbeid van gelijke waarde pleegt te ontvangen

Artikel 3, eerste lid, van diezelfde wet luidt:

Bij de vergelijking van de in artikel 2 bedoelde lonen wordt uitgegaan
van het loon dat in de onderneming waar de werknemer in wiens belang de
loonvergelijking wordt gemaakt, door een werknemer van de andere kunne voor
arbeid van gelijke waarde danwel, bij gebreke daarvan, voor arbeid van
nagenoeg gelijke waarde pleegt te worden ontvangen

Artikel 4 luidt:

Voor de toepassing van artikel 2 wordt arbeid gewaardeerd volgens een
deugdelijk stelsel van functiewaardering, waarbij zoveel mogelijk wordt
aangesloten bij het stelsel dat gebruikelijk is in de onderneming waar de
belanghebbende werknemer werkzaam is. Bij gebreke van een zodanig stelsel
wordt de arbeid, gelet op de beschikbare gegevens, naar billijkheid
gewaardeerd

Artikel 5, eerste lid, luidt:

Voor de toepassing van artikel 2 wordt het loon van de belanghebbende
werknemer geacht gelijk te zijn aan het loon dat een werknemer van de andere
kunne voor arbeid van gelijke waarde pleegt te ontvangen, indien het is
berekend op grondslag van gelijkwaardige maatstaven

3.3 Het tehuis van werkgever beoogt werkende en studerende jongeren en
jongvolwassenen, die vastgelopen zijn, begeleiding te geven, zodat ze (weer)
zelfstandig kunnen functioneren. Deze begeleiding bestaat voornamelijk uit
het aanleren van sociale vaardigheden

De bewoners zijn o.a. ex-psychiatrische patienten, oud-pupillen van de
kinderbescherming en ex-patienten van verpleeginrichtingen en
revalidatiecentra (bijvoorbeeld met hersenbeschadigingen en epileptische
aanleg)

Vanaf januari 1982 valt er een toename van het aantal psychiatrische
patienten te bespeuren

De bewoners verblijven gemiddeld 2,5 a 3 jaar in het tehuis. De
opnameleeftijd is 18-35. Er zijn ongeveer 40 bewoners

Qua bezetting bestaat de organisatie uit:

(p.t.) = part-time)

– Directeur 1 medewerk(st)er – Adjunct-directeur 1 ” ” – Administratie 2
” ” (1 p.t.) – Maatschappelijk werk 1 ” ” – Maatschappelijk werk/coerdinatie
1 ” ” (p.t.) – Psycholoog 1 ” ” (p.t.) – Pastor 1 ” ” (p.t.) – Huishoudelijke
dienst 6 ” ” (p.t.) – Pedagogische dienst 4 ” ” – Onderhoudsdienst + 2 ” ” (1
p.t.) Technische Dienst – Verzorgende Dienst 4 ” ” (3 p.t.)

4. WAARDE VAN DE ARBEID

4.1 Aanvraagster is sedert 29 oktober 1973 werkzaam als huishoudelijke
hulp binnen de HTBV

Van de functie van HTBV zoals die nu bestaat (sinds de oprichting van de
pedagogische dienst waarbinnen gekwalificeerde-(MBO) medewerk(st)ers werkzaam
zijn, evenals van de functie van HTBV, zoals deze was ten tijde van de
adviesaanvraag is door werkgever een functie-omschrijving opgesteld. De
werkzaamheden kunnen worden samengevat als:

Directe begeleidingstaken (rechtstreeks op de technische en
huishoudelijke begeleiding en verzorging gericht)

– lichamelijke en materiele verzorging

– individuele benadering van de client

– het meehelpen aanbrengen van structuur waar binnen een client zichzelf
kan zijn en van waaruit hij kan exploreren

Indirecte begeleidingstaken

– het noteren en rapporteren van relevante gegevens voor de normale
journalering

– het inbrengen van gegevens bij interne besprekingen, de
praktijkbegeleiding en de overlegstructuren

– het mee weten te bevorderen van de communicatie binnen het totale team
van medewerkers

– het verplicht deelnemen aan in-service-training en/of supervisie

Uit gesprekken met 2 HTBV medewerksters en de advocate van aanvraagster,
waarbij aanvraagster aanwezig was in de volgende beeldvorming omtrent de
HTBV-functie, zoals die in 1984 was, ontstaan

Werkzaamheden:

– Het verrichten/begeleiden van huishoudelijke werkzaamheden (zoals
koken, poetsen etc.)

– Het bespreken van problemen met de clienten en het samen zoeken naar
oplossingen en/of verwijzen

– Het leren opgaan met geld (budgetteren)

– Het onderhouden van externe contacten, zoals met diverse
hulpverleningsorganisaties (bijvoorbeeld Jeugd en Gezin)

– Het controleren van het medicijngebruik van de clienten

– Het bijhouden van een journaal in extenso betreffende de clienten

– Het bespreken van probleemgevallen met de adjunct-directeur (en in een
latere fase met de maatschappelijk werker/coerdinator)

4.2 De maatman is op 18 januari aangesteld als pedagogische medewerker
in opleiding

Van de functie van pedagogische medewerker is eveneens door werkgever
een functie-omschrijving gemaakt (de functie-omschrijving van groeps-opvoeder
is hiervoor gebruikt)

De werkzaamheden kunnen worden samengevat als:

Directe opvoedingstaken

– de geestelijke, lichamelijk en materiele verzorging;

– het hanteren van de woon-/leefgroep;

– de individuele benadering;

– de structurering van de woon-/leefgroep

Indirecte opvoedingstaken

– het noteren en rapporteren van observatiegegevens;

– het inbrengen van gegevens bij interne besprekingen;

– het bevorderen van communicatie in het opvoedingsteam;

– het deelnemen aan in-service-training en/of supervisie en/of
casebesprekingen;

– pedagogische bezinning

4.3 Beide functies zijn vervolgens conform het bepaalde in artikel 4 van
de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen gewaardeerd volgens het
functieklassificatiesysteem ORBA

De resultaten van deze waardering zijn voor de huidige functie van
aanvraagster Loontechnische Dienstniveau 20 (35-70 punten ORBA)

De functie van HTBV in het verleden is, aangezien deze functie in de
praktijk gegroeid is, niet exact met een functiewaarderingsmethode te
waarderen, doch op basis van vergelijking (ranking) met de pedagogische
medewerker en de huidige HTBV-functie kan worden geconcludeerd dat deze
functie maximaal overeenkomt met Loontechnische Dienstniveau 30 (70-92,5
punten ORBA)

De functie van maatman is gewaardeerd op Loontechnische Dienstniveau 41
(150-165) punten ORBA)

4.4 Bij de waardering is rekening gehouden met het volgende:

In verband met het tekort aan gekwalificeerd pedagogisch personeel is
aanvraagster bepaalde lacunes gaan opvullen teneinde de clienten op een
behoorlijke wijze op te vangen c.q. te begeleiden

Bij het indiensttreden van gekwalificeerde medewerkers zijn deze
“oneigenlijke HTBV-taken” voor het grootste gedeelte weer overgenomen door
deze medewerkers

5. AANSPRAAK OP GELIJK LOON

5.1 Op grond van het in paragraaf 4 vermelde komt de Commissie tot de
conclusie dat ten aanzien van de functie van aanvraagster en de functie van
de maatman niet gesproken kan worden van arbeid van gelijke, dan wel nagenoeg
gelijke waarde, als bedoel in artikel 2 jo, artikel 3, eerste lid, van de Wet
gelijk loon voor vrouwen en mannen

5.2 De commissie spreekt dan ook als haar oordeel uit dat aanvraagster
geen aanspraak heeft op een loon van de maatman

5.3 Een onderzoek naar de vraag of het loon van aanvraagster is berekend
op grondslag van gelijkwaardige maatstaven als het loon van de maatman kan
derhalve achterwege blijven

6. HET ONDERZOEK GELIJKE BEHANDELING

6.1 De Commissie is nagegaan of ten nadele van aanvraagster onderscheid
is gemaakt als bedoeld in het bij artikel 1 van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen ingevoerde artikel 1637ij, eerste lid, van het
Burgerlijk Wetboek (BW)

6.2 Artikel, eerste lid, BW luidt:

De werkgever mag geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen, hetzij
onmiddellijk, hetzij middellijk bij voorbeeld door verwijzing naar de
echtelijke staat of de gezinsomstandigheden, bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst, bij de bevordering en bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst. Niet onder de arbeidsvoorwaarden zijn begrepen
uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen. Het in de eerste zin
van dit artikel bepaalde is niet van toepassing in die gevallen waarin het
geslacht bepalend is

7. RESULTAAT VAN HET ONDERZOEK

7.1 Met betrekking tot de verlening van studiefaciliteiten voor een
sociaal pedagogische MBO-opleiding is het volgende relevant

De MBO-opleiding is door werkgever als eis gesteld voor de functie van
pedagogische medewerker

Door werkgever is te kennen gegeven dat het volgen van deze studie (in
de eigen tijd en op eigen kosten) de kans vergrootte om in aanmerking te
komen voor de functie van pedagogisch medewerker

7.2 Maatman, de toenmalige nachtportier is aangesteld als pedagogisch
medewerker in opleiding

Hij heeft een financiele tegemoetkoming ontvangen voor de voorbereidende
PBNA-opleiding en de MBO-SD

Buitengewoon (studie-)verlof is hem niet verleend, aangezien de
personeelsbezetting van de PD dit niet toeliet

Maatman heeft dit geaccepteerd omdat hij het vanzelfsprekend vond om
enig eigen initiatief te ontplooien teneinde een hoger gekwalificeerde
functie te verwerven

De overige (in juni 1986 in dienst zijnde) pedagogische medewerkers
beschikten bij aanstelling reeds over een sociaal-pedagogische MBO-opleiding

In de cao-welzijnswerk waaronder werkgever valt, staat: artikel 39:

“lid 1: Aan de werknemer, die een opleiding volgt welke naar het oordeel
van de werkgever in het belang van het werk en/of de werksoort is en
voortvloeit uit zijn functie en/of te verwachten functie(s) binnen de
instelling, kan een tegemoetkoming in de studiekosten overeenkomstig de
bepalingen van de uitvoeringsregelingen Studiefaciliteiten I worden toegekend

lid 2: Voor het volgen van een opleiding, als bedoeld in lid 1 wordt
buitengewoon verlof verleend overeenkomstig de bepalingen van de
uitvoeringsregeling Studiefaciliteiten

lid 3: De werkgever dient, bij de afweging aan welke werknemer(s) hij
studiefaciliteiten zal verlenen, voorrang te geven aan de werknemer(s) die
niet beschikken over het voorkeursopleidingsniveau voor de functie die ze
uitoefenen

7.3 Tijdens het onderzoek is gebleken dat met betrokkenen over de
reorganisatie te weinig overleg vooraf heeft plaatsgevonden

Bij de aanstelling van de pedagogische medewerk(st)ers is de in de
praktijk gevormde functie van HTBV (met “oneigenlijke” taken) voor het
grootste gedeelte uitgehold

Hiernaast werd tot een reorganisatie besloten, die onder meer inhield
dat de clienten het huishoudelijk werk zelf zouden gaan verrichten. Zodoende
werd de reeds uitgeholde functie HTBV geheel overbodig

Aanvraagster en ook de andere HTBV’ers zagen en zien e.e.a. als een
motie van wantrouwen tegen hun functioneren in de voorbije jaren, ook al
hebben de oorspronkelijke reorganisatieplannen geen doorgang gevonden

8. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

8.1 Aangezien aanvraagster in principe voldoende gekwalificeerd was voor
haar werkzaamheden als huishoudelijke hulp (als hoedanig zij was aangesteld)
acht de Commissie het reeel dat zij (in eerste instantie) niet in aanmerking
kwam voor de studiekostenregeling als omschreven in 7.2, dit in tegenstelling
tot maatman

8.2 Ten aanzien van de reorganisatie overweegt de Commissie het volgende
Noodgedwongen heeft werkgever werkzaamheden door aanvraagster laten
verrichten die feitelijk niet tot haar functie behoorden, maar tot die van
een pedagogische medewerker

Zodra de bezetting van de Pedagogische Dienst het toeliet zijn de
werkzaamheden daar weer ondergebracht

De Commissie heeft er begrip voor, dat aanvraagster het schuiven met
werkzaamheden als uitholling van haar functie heeft ervaren

Dit klemt des te meer nu bovendien ten gevolge van een verdergaande
reorganisatie haar functie als geheel zou komen te vervallen

Het enkele feit dat de HTBV geheel uit vrouwen bestaat, is onvoldoende
om ongelijke behandeling aan te nemen. De Commissie heeft geen feiten of
omstandigheden kunnen vaststellen die ongelijke behandeling in deze
aannemelijk maken

9. OORDEEL VAN DE COMMISSIE

9.1 De Commissie komt op grond van hetgeen in de vorige paragrafen is
vermeld tot het oordeel dat werkgever door aanvraagster, die was aangesteld
als huishoudelijke hulp niet tegemoet te komen in eventuele studiekosten geen
onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen

Tevens is de Commissie van oordeel dat niet is gebleken van ongelijke
behandeling ten nadele van aanvraagster bij de herverdeling van werkzaamheden
tussen HTBV en de PD

9.2 De Commissie heeft vastgesteld dat met betrekking tot het verlenen
van studiefaciliteiten door werkgever ten nadele van aanvraagster geen
onderscheid is gemaakt als bedoeld in het bij artikel 1 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen ingevoerde artikel 1637ij eerste lid van
het Burgerlijk Wetboek

Voorts heeft de Commissie niet kunnen vaststellen dat door werkgever in
het kader van de reorganisatie onderscheid is gemaakt tussen mannen en
vrouwen als bedoeld in genoemd artikel

Tenslotte spreekt de Commissie als haar oordeel uit dat aanvraagster
geen aanspraak heeft op een loon dat is berekend op basis van gelijkwaardige
maatstaven als het loon van maatman, als bedoeld in de Wet gelijk loon voor
vrouwen en mannen

9.3 Overeenkomstig artikel 10 van de Wet gelijk loon voor vrouwen en
mannen en artikel 6, eerste lid van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen heeft Commissie haar advies/zienswijze kenbaar gemaakt aan
aanvraagster en werkgever

Rechters

Mr. J.A. van den IJssel, voorzitter, drs. M.J.M. van Randwijck-van dePoll

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 21 augustus 1986

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Gynaecoloog heeft bij X. spiraaltje geplaatst

Ondanks vele pijnklachten e.d. heeft de gynaecoloog niet tijdig
geconstateerd dat de vrouw zwanger was, waardoor de ongeboren vrucht niet
behouden is. De gynaecoloog heeft X. zonder haar toestemming
gesteriliseerd

Rechtbank beveelt dat een deskundigenbericht zal worden uitgebracht

Bepaalt voorts, dat de deskundige zijn rapport uiterlijk op 10 oktober
1986 ter griffie van deze rechtbank zal deponeren, en dat de zaak weer ter
rolle zal worden uitgeroepen voor conclusie na deskundigenbericht aan de kant
van eiseres op donderdag, 6 november 1986

Volledige tekst

Rechters

Mrs. H. de Bruin, vice-president, J.W.F. Houthoff en C.W.T. Vriezen,rechters plaatsvervanger

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 7 augustus 1986

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Hangende de procedure tot wijziging van de gezamenlijke ouderlijke macht
na echtscheiding in voogdij en toeziende voogdij, kan de vader veroordeeld
worden tot het betalen van kinderalimentatie. Analogie met de voorlopige
voorzieningen bij echtscheiding.

Volledige tekst

President Rechtbank

Gronden van de beslissing

De vordering komt niet onrechtmatig of ongegrond voor en is mitsdien
voor toewijzing vatbaar, waarbij wordt overwogen dat partijen, hoewel
gescheiden, gezamenlijk de ouderlijke macht over hun minderjarige kinderen
uitoefenen, en Wij daarin aanleiding vinden om naar analogie van de voorlopige
voorziening, geregeld in de artt. 825b en 827k Rv, te bevelen dat de
gevorderde periodieke uitkering rechtstreeks aan eiseres zal worden voldaan,
nu zij degene is die de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen op
zich heeft genomen en art. 408, Boek I BW toepassing mist nu beide ouders nog
met het gezag over de minderjarigen zijn bekleed. Eiseres heeft een voldoende
spoedeisend financieel belang bij de gevraagde voorzieningen in kort geding.
De proceskosten worden tussen partijen – ex- echtgenoten – gecompenseerd.

Beslissing bij verstek

1. Veroordeelt gedaagde om met ingang van 1 juli 1986 en tot op de dag,
dat daarover in rechte een definitieve beslissing zal zijn gegeven, als
bijdrage in de kosten van de minderjarigen een bedrag van ƒ 125,- (zegge:
eenhonderd vijfentwintig gulden) per maand per kind te betalen aan eiseres,
bij vooruitbetaling te voldoen.

2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

3. Compenseert de gedingkosten aldus dat iedere partij de eigen kosten
draagt.

Rechters

Mr. Gisolf

Instantie: Kantonrechter Brielle, 5 augustus 1986

Instantie

Kantonrechter Brielle

Samenvatting


Vrouw werkte als schoonmaakster in dienst van een school en werd
ontslagen zonder ontslagvergunning. Ze vorderde nietigverklaring van het
ontslag en doorbetaling van loon bij de kantonrechter. Deze verklaarde haar
niet-ontvankelijk: in een beschikking ex art 2 lid 2 BBA zijn onder andere
concierges van de werking van de BBA uitgezonderd en “een schoonmaakster dient
te worden gezien als een verlengstuk van een concierge voor bepaalde taken.”

BESLISSING RECHTENVROUW: accoord met garantstelling voor hoger beroep
Veel vrouwen verliezen op grond van dergelijke dubieuze redeneringen hun
ontslagbescherming

AFLOOP: zaak werd ingetrokken. Er werd een schikking getroffen en de
vrouw had inmiddels een andere baan gevonden

Jaarverslag 1986 no. 5, 1987 no. 5

Volledige tekst

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Op de bij inleidend verzoekschrift omschreven gronden, welke voor
herhaald in dit vonnis gelden, heeft eisende partij gesteld en
dienovereenkomstig voor eis doen concluderen:

dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

– nietig zal worden verklaard de beëindiging van de dienstbetrekking per
31 december 1985;

– gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs
van kwijting te betalen:

a. na- en doorbetaling van haar loon ad ƒ 543,75 bruto/ ƒ 433,30 netto
per maand met ingang van 1 januari 1986 tot aan de dag dat aan het
dienstverband op regelmatige wijze een einde zal zijn gekomen, met aftrek van
het over deze periode eventueel nog te ontvangen ziekengeld;

b. vergoeding van het vakantiegeld, zijnde 7 1/2 % van het bruto
jaarloon tot aan de dag dat aan dienstverband op regelmatige wijze een eind
zal zijn gekomen;

een en ander onder de verplichting om eventueel terzake verschuldigde en
door de werkgever in te houden en af te dragen belastingen, heffingen en
premies ten behoeve van eiseres af te dragen aan de desbetreffende ontvanger;

met verhoging (voor zover mogelijk) als bedoeld in artikel 1639 q BW van
50 % over voornoemde bedragen;

c. de wettelijke rente over de hierboven onder a en b gevorderde
bedragen – inklusief de verhoging ex artikel 1638 q BW – te rekenen vanaf
februari 1986;

d. kosten rechtens

Gedaagde heeft een schriftelijke conclusie van antwoord met diverse
producties doen overleggen

Eiseres heeft een schriftelijke conclusie van repliek met diverse
producties doen overleggen

Gedaagde heeft een schriftelijke conclusie van dupliek met diverse
productie doen overleggen

De inhoud van voormelde gedingstukken dient als hier overgenomen en
ingelast te worden beschouwd

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Eiseres, die sedert 1 augustus 1984 als schoonmaakster van een school te
Hellevoetsluis in dienstbetrekking is bij gedaagde tegen een loon van ƒ
543,75 bruto per maand exclusief 7 1/2 % vakantieuitkering, doch wier
dienstbetrekking op 31 december 1985 door gedaagde is beeindigd zonder
toestemming van de directeur van het gewestelijk arbeidsbureau, vordert van
gedaagde betaling van ƒ 543,75 bruto per maand sedert 1 januari 1986 alsmede
7 1/2 % vakantiegeld, alles met de wettelijke verhoging

Gedaagde heeft eiseresses vordering betwist, aanvoerende:

1. dat tussen partijen geen arbeidsverhouding in de zin van het BBA 1945
bestaat;

2. dat overigens het BBA 1945 niet van toepassing is

Eiseres heeft het verweer van gedaagde ontkend

Nu er sprake is van arbeid tegen een zeker loon, is een
arbeidsovereenkomst aanwezig. Gedaagde is geen overheidsorgaan en de Akte
van benoeming betekent derhalve niet dat eiseres in een ambtelijke functie is
aangesteld. Er is ten deze sprake van een verlengde arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd. Volgens de wet is opzegging vereist wil een der partijen tot
beëindiging komen

In beginsel is voor elke opzegging van een arbeidsovereenkomst de
toestemming van de directeur van het gewestelijk arbeidsbureau nodig

De vraag is nu of eiseres onder de uitzonderingsbepalingen valt

Naar het oordeel van de kantonrechter is dit het geval, immers

1. blijkens de akten van benoeming van 21 februari 1985 en van 17 april
1985 kan eiseres tegen een ontslag in beroep komen bij de Commisie van beroep.
Deze rechtsbescherming betekent dat er geen taak is weggelegd voor de
directeur van het gewestelijk arbeidsbureau;

2. in het besluit van 14 februari 1953 wordt gesproken van amanuenses en
concierges bij bijzondere scholen voor voorbereidend hoger en middelbaar
onderwijs

Een schoonmaakster dient te worden gezien als verlengstuk van een
concierge voor bepaalde taken

Eiseres dient niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering

RECHTDOENDE IN NAAM DER KONINGIN:

Verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar vordering

Verwijst eiseres in de kosten van het geding, welke kosten aan de zijde
van gedaagde partij worden begroot op ƒ 280,– zijnde het gemachtigde
salaris

Rechters

Mr. P. van Schravendijk, kantonrechter

Instantie: Kantonrechter Nijmegen, 25 juli 1986

Instantie

Kantonrechter Nijmegen

Samenvatting


De vrouw was aangenomen als logopediste bij een school. Ze ontving
haar arbeidsovereenkomst en ontslagbrief op dezelfde datum gedateerd. Dit
wegens haar zwangerschap

BESLISSING RECHTENVROUW: het gaat hier om een belemmering tot het
toetreden van de arbeidsmarkt die alleen vrouwen treft. Bovendien kent de
wet een ontslagverbod voor zwangere vrouwen

AFLOOP: volgens het advies van de Commissie gelijke behandeling is het
ontslag wegens zwangerschap het maken van direct onderscheid tussen mannen en
vrouwen en zonder meer in strijd met artikel 1637ij BW. De
kantongerechtsprocedure werd gewonnen; er werd ondermeer een schadevergoeding
van F 13.000 toegekend. De stichting ging in hoger beroep. De
rechtbank heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd

Jaarverslag 1984 no. 14, 1985 no. 8, 1986 no. 38, 1987 no. 3

Volledige tekst

De vordering wordt toegewezen als volgt en de gedaagde veroordeeld om
aan eiseres tegen kwijting te betalen:

I. ƒ 11.753,52 bruto aan schadevergoeding over de tijd van 5 september
1984 tot 1 augustus 1985 op welk bedrag in mindering dient te komen hetgeen
eiseres over die tijd aan uitkeringen heeft ontvangen en niet behoeft terug
te betalen

II. ƒ 13.000,– als vergoeding voor onstoffelijke schade

III. de rente van negen procent per jaar over hetgeen is toegewezen voor
de tijd van 8 november 1985 tot de voldoening;

dit vonnis wordt tot zover uitvoerbaar verklaard bij voorraad;

de gedaagde wordt ook veroordeeld in de kosten van het geding die aan de
kant van eiseres worden bepaald op ƒ 1193,40, waarvan te voldoen aan de
griffier van dit gerecht ƒ 1.168,40, (zijnde ƒ 75,– wegens in debet
gesteld vast recht, ƒ 13,40 wegens in debet gesteld roepgeld en ƒ 1080,–
voor salaris van de gemachtigde) en ƒ 25,– aan eiseres;

voor het overige wordt de eis afgewezen

Daarbij is overwogen:

1. bij het tussenvonnis van 27 september 1985 had eiseres de gelegenheid
gekregen om zich uit te laten en zij heeft dit gedaan bij een schriftelijke
akte ter rolle van 8 november 1985, waarbij zij haar eis en de gronden ervoor
veranderd heeft, terwijl gedaagde zich nader heeft uitgelaten bij een
dergelijke akte ter rolle van 10 januari 1986;

2. bij rolbeschikking van 14 februari is vervolgens een tweede
comparitie van partijen tot het geven van inlichtingen bevolen en die is
gehouden op 21 februari waarbij van de verklaringen van partijen een
schriftelijk verslag is gemaakt;

3. partijen hebben zich daarop nog uitgelaten bij – ieder – een
schriftelijke akte, eiseres onder overlegging van stukken, waarna dit vonnis
op vandaag is bepaald;

4. eiseres diende zich er eerst over uit te laten waarop zij de door
haar gestelde nietigheid van de beeindiging van de dienstbetrekking door
gedaagde op 5 september 1984 baseerde en daarover heeft zij nader gesteld dat
ten eerste het proefbeding niet geldig zou zijn gemaakt en ten tweede die
nietigheid zou volgen uit het bepaalde bij de artikelen 1639h lid 4 en 1637ij
lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, maar voegt daaraan toe dat dit niet meer
relevant is als de rechter bij zijn – op die twee punten – in het
tussenvonnis weergegeven mening blijft;

5. nu de rechter bij zijn oordeel over die stellingen als reeds
weergegeven in het tussenvonnis blijft, behoeft op dit punt niet te worden
beslist;

6. dit brengt wel mee dat de beeindiging niet ongeldig was en dat aan
eiseres na 5 september 1984 geen loon meer van gedaagde toekwam, zodat de
onder A en B in het tussenvonnis sub 2 weergegeven vorderingen afgewezen
moeten worden, als ze zijn gehandhaafd, hetgeen niet zeker is;

7. ten aanzien van de vordering onder C sub 2 in dat vonnis heeft
eiseres nader gesteld dat zij de rechter wilde laten beoordelen in welke vorm
gedaagde aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van der gedaagde
handelen in strijd met het bepaalde bij artikel 1637ij voormeld en vraagt dan
ofwel vergoeding van de volledige schade volgens 1639o van meergenoemd wetboek
dan wel een vergoeding wegens wanprestatie en voegt daaraan in haar akte van
8 november 1985 toe dat zij vergoeding vraagt van de schade die zij geleden
heeft doordat werkgever zich – naar de rechter begrijpt – niet tegenover haar
gedragen heeft als een goed werkgever;

8. zij heeft daaraan toegevoegd dat zij ƒ 722,– extra-kosten heeft
moeten maken in verband met de beeindiging van de dienstbetrekking en – vaag
– andere schaden als omschreven in haar genoemde akte, waarbij zij een en
ander heeft toegelicht bij de comparitie van partijen op 21 februari 1986;

9. beslist dient dan te worden op de vordering tot schadevergoeding en
wel in haar geheel en op verschillende gronden als aangevoerd;

10. ten eerste handelde gedaagde – zoals is overwogen in het
tussenvonnis en hier voor ingelast geldt – in strijd met haar verplichtingen
als goed werkgever door de dienstbetrekking met eiseres voortijdig te
beeindigen, immers voor 1 augustus 1985 tot welke die volgens haar
bewoordingen had moeten voortduren en dient aan eiseres vergoed te worden de
schade die zij daardoor lijdt;

11. na de opgave van het loon door gedaagde op 21 maart 1986 zou haar
over de tijd van de dienstbetrekking in totaal bruto ƒ 12.997,13 zijn
toegekomen waarvan haar door gedaagde alleen is betaald over de tijd van 1
augustus tot 5 september 1984 en de rechter stelt de inkomensschade – nu
eiseres gedurende een deel van die tijd een uitkering heeft gehad die zij niet
behoeft terug te betalen – op hetgeen onder I is toegewezen, zijnde hem geen
ander bedrag door een van de partijen genoemd;

12. verder stelt eiseres allerlei schaden, deels van materiele en deels
van onstoffelijke aard en de rechter is van oordeel dat hij niet op ieder van
de gestelde schaden afzonderlijk – waarvan de gronding bovendien veelal
onvoldoende is – behoeft in te gaan maar dat hij aan hetgeen eiseres vordert
het beste kan beslissen wat betreft een bedrag voor onstoffelijk schade, onder
toepassing van artikel 1637w van meergenoemd wetboek;

13. dit bedrag komt eiseres toe omdat gedaagde zich tegenover haar niet
heeft gedragen als een goed werkgever door te handelen in strijd met haar
verplichting als voormeld om bij beeindiging van de dienstbetrekking geen
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen zodat die beeindiging ook
tijdens een proeftijd niet wegens zwangerschap mocht plaats hebben;

14. de schade daardoor voor zover onstoffelijk stelt de rechter naar
goede justitie op ƒ 13.000,–, globaal een jaarloon maar zonder dat dit als
een vergoeding voor gederfd inkomen of materiele schade mag worden beschouwd;

15. beslist moet dan worden als is vermeld waarbij de rente pas kan
ingaan op 8 november 1985 toen eiseres een toewijsbare vordering instelde en
waarbij gedaagde in de kosten van het geding dient te worden veroordeeld

Rechters

Mr. J.H.M. Petri