Instantie: Centrale Raad van Beroep, 3 juli 1986

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Het Ambtenarengerecht te Amsterdam had inhoudingen op grond van de Wet
interim inhouding salarissen onderwijs (WIISO)nietig verklaard wegens strijd
met het beginsel van gelijke beloning voor arbeid van gelijke waarde. Deze
rechter kende aan art. 7a van het Internationale Verdrag inzake ekonomische,
sociale en culturele rechten (IVESC) rechtstreekse werking toe. Het
uitgangspunt van de Centrale Raad is dat er in het algemeen geen sprake is van
rechtstreekse werking. Het is echter niet uitgesloten dat zich situaties
voordoen waarin art. 7a zich voor rechtstreekse toepassing leent. De aard
van het verdragsartikel en de inbreuk daarop kunnen een rol spelen. Het
scheppen van een verdragsstrijdige situatie zal bijv. eerder binnen
rechterlijke toetsing vallen dan het nog niet volledig opheffen daarvan

Volledige tekst

Rechters

Mrs. Boesjes, De Lange, Eekhof-De Vries

Instantie: Rechtbank Utrecht, 2 juli 1986

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


De rechter moet goede gronden hebben om van het oordeel van de Commissie
Gelijke Behandeling af te wijken. Onvoldoende reden voor de rechtbank om
zich niet aan te sluiten bij het – arbitraire – oordeel van de Commissie
Gelijke Behandeling.

Volledige tekst

Ten aanzien van het verloop van de procedure

De rechtbank neemt over hetgeen dienaangaande in voornoemd tussenvonnis
is overwogen, en voorts:

Gevolggevende aan het verzoek van de rechtbank, vervat in voormeld
tussenvonnis, heeft de “Commissie voor Gelijk loon voor vrouwen en mannen:
een nader advies verstrekt aan de rechtbank.

Pegus heeft hierop een conclusie, houdende uitlating deskundigenbericht,
genomen en B. een akte houdende uitlating omtrent aanvullend advies. (het
nader advies en de conclusie van Pegus zijn niet aanwezig in het dossier
van B.)

Partijen hebben vervolgens de stukken wederom overgelegd voor vonnis.

Ten aanzien van het recht

1. De rechtbank neemt over en volhardt bij hetgeen in voornoemd
tussenvonnis is overwogen, met dien verstande, dat in de laatste zin van
rechtsoverweging 5 van het tussenvonnis door een vergissing in plaats van
“door de commissie via het in casu”, is opgenomen “in casu via het in
casu”. Verder staat abusievelijk in de laatste zin van rechtsoverweging
10, in plaats van het woord “hierboven”, het woord “hieromtrent”. Ten
slotte moet in de eerste zin van rechtsoverweging 13 voor “onder de”
gelezen worden “onder d”.

2. De Commissie heeft naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank een
nader onderzoek doen instellen door de bedrijfskundig ambtenaar L, ten
aanzien van de functie- omschrijving van de maatman. Bij dit onderzoek
zijn door de maatman aan L inlichtingen verstrekt.

3. Naar aanleiding van het onderzoek, waarbij derhalve de maatman van B.,
de heer V., thans wel persoonlijk is gehoord, heeft de commissie
vastgesteld dat V. zich nog exact wist te herinneren welke werkzaamheden
begin 1980 tot zijn takenpakket behoorden. V. verklaarde dat hij in 1980
alle taken die in zijn funktie- omschrijving staan vermeld uitvoerde,
derhalve ook de door B. ter discussie gestelde taken, vermeld in
rechtsoverweging 12 van het tussenvonnis. (V. verklaarde dat door hem
zelfs nog enkele extra taken werden verricht, die niet in zijn funktie-
omschrijving waren opgenomen.) De commissie is op grond van het voorgaande
van oordeel, dat de door B. aangevoerde bezwaren niet terecht zijn en dat
er geen reden is om ten aanzien van dit aspect de funktie- omschrijving
en -waardering te herzien.

4.–

5. B volstaat met op te merken dat de maatman, al dan niet te goeder
trouw, zijn functie-inhoud onjuist heeft weergegeven en zij biedt aan dit
te bewijzen.

6. De rechtbank is van oordeel dat aan het bewijsaanbod van B moet worden
voorbijgegaan. B geeft op geen enkele manier aan hoe zij dit bewijs denkt
te leveren. Het bewijsaanbod is bovendien in strijd met een goede
procesorde. B heeft immers nooit eerder in deze reeds bijna vijf jaar
lopende procedure, noch in eerste aanleg noch in hoger beroep, aangeboden
om te bewijzen dat de taakomschrijving van de maatman onjuist was. De
rechtbank leest in haar stellingen dienaangaande, dat deze
taakomschrijving wellicht onjuist uit de verf was gekomen, omdat de
maatman niet zelf was gehoord. Zij wekte daarbij de indruk, dat de maatman
haar zienswijze zou ondersteunen. Dat laatste is kennelijk niet het geval.
Ten overvloede overweegt de rechtbank, daarbij aanhakende op hetgeen B in
haar memorie van grieven stelt dat ‘ieder zelf het beste weet wat hij of
zij doet’. Het is dus niet erg aannemelijk dat B, beter dan de maatman
zelf, zou weten welke werkzaamheden de maatman zes jaar geleden uitvoerde.
De rechtbank sluit zich derhalve op dit punt aan bij het oordeel van de
Commissie.

7. De Commissie is in haar nadere advies, in antwoord op het in
rechtsoverweging 15 van het tussenvonnis daaromtrent overwogene, ingegaan
op de invloed van de grotere inzetbaarheid en het betere inzicht van de
maatman op de samenvatting van de LTD en op het eindoordeel van de
Commissie (31 maart 1981, respectievelijk 2 juni 1983). De Commissie zet
dienaangaande uiteen dat onderscheid gemaakt moet worden tussen de
functiewaardering en de functie-uitoefening. In beginsel is de wijze
waarop een functie wordt uitgeoefend niet van invloed op de
functiewaardering. De wijze waarop de functie wordt uitgeoefend kan wel
van belang zijn voor de toekenning van eventuele toeslagen en voor de
promotiemogelijkheden. Inzet en inzicht zijn (uiteraard: rechtbank) van
belang bij de functie-uitoefening. Indien een functionaris een grotere
inzetbaarheid heeft of meer inzicht heeft dan voor de functie nodig is,
kan dit aanleiding zijn voor promotie naar een zwaardere functie. Meer
concreet stelt de Commissie dat voor een goede uitoefening van de functie
van maatman een zekere mate van inzetbaarheid en inzicht nodig is en dat
in zoverre in de waardering van de functie-inhoud rekening is gehouden met
de inzetbaarheid en het inzicht van maatman.

8. B stelt dat het nadere advies van de Commissie onbegrijpelijk is en dat
de door de rechtbank gestelde vraag niet wordt beantwoord. Hetgeen B
aanvoert om deze stelling toe te lichten is voor de rechtbank niet
helemaal duidelijk. De procedure betreft immers de vergelijking van de
functies die B en de maatman begin 1980 uitoefenden. B is omstreeks die
tijd bevorderd van klerk c tot adjunct commies. Terwijl de maatman reeds
5 jaar eerder was bevorderd tot commies A. Kennelijk was deze ongelijkheid
in rang en de daarmee verband houdende salariering de oorzaak van de
onvrede bij B en daarom zijn de functies van B en van de maatman
onderzocht om te kunnen beoordelen of deze functies al dan niet
gelijkwaardig waren. Indien B bedoelt dat de hogere rang van de maatman
er toe heeft geleid dat aan de maatman meer verantwoordelijk werk werd
opgedragen, waardoor de inhoud van zijn functie werd verzwaard, met als
gevolg dat de vergelijking van de functies geen goede maatstaf meer zou
zijn om te beoordelen of B ten opzicht van de maatman ongelijk werd
behandeld, dan moet de rechtbank dit argument terzijde stellen. B heeft
in deze procedure tot dusverre gesteld, onder meer zeer nadrukkelijk in
haar akte van 20 oktober 1982, dat alleen relevant is in hoeverre begin
1980 haar functie arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde bevatte als die van
haar maatman. B kan na 5 jaar procederen de grondslag van haar vordering
niet meer veranderen.

9. Bij nadere bestudering van het eindoordeel van de Commissie en van de
samenvatting van de LTD, zulks aan de hand van het nadere advies van de
Commissie, is het de rechtbank thans voldoende duidelijk geworden dat de
grote inzetbaarheid en het grotere inzicht van de maatman slechts indirect
van belang zijn geweest voor het eindoordeel over de functies, te weten
voor zover dit voor de werkgever aanleiding is geweest om aan de maatman
bepaalde werkzaamheden op te dragen, die dan weer mede de inhoud van zijn
functie bepaalden. Op dezelfde indirecte wijze heeft dit ook invloed gehad
op de beslissing om hem meer verantwoordelijk werk op te dragen.

10. De rechtbank had tenslotte de Commissie nog gevraagd naar een nadere
motivering van haar eindoordeel, dat niet kan worden gesproken van arbeid
van nagenoeg gelijke waarde, zulks niettegenstaande het relatief geringe
verschil in de puntenwaardering. De rechtbank deelt de mening van B, dat
de Commissie op dit punt geen nadere motivering heeft verstrekt en
bovendien zonder enige toelichting vermeldt dat er een puntenverschil is
van 20 a 25 punten in plaats van de in haar eindrapport genoemde 15
punten. Wellicht dat de Commissie hierbij doelt, zoals Pegus in haar
laatste conclusie aanneemt, op het puntenverschil, vastgesteld door de
deskundige van de FME, maar het valt te betreuren dat zij heeft gemeend
dit niet nader te moeten toelichten.

11. Doorslaggevend is echter dat de Commissie, na kennisneming en
overweging van de door de rechtbank geformuleerde vragen en nadat het
resultaat bekend was van het onderzoek dat zij heeft doen instellen,
volhardt in haar mening dat de functie van B niet van (nagenoeg) gelijke
waarde is als de functie van de maatman.

12. Zoals de rechtbank reeds in rechtsoverweging 7 van haar tussenvonnis
heeft kenbaar gemaakt, moet de rechtbank goede gronden hebben om van het
oordeel van de Commissie af te wijken. De rechtbank meent dat zij
onvoldoende reden heeft om zich niet aan te sluiten bij het – arbitraire
– oordeel van de Commissie.

13. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat bij het tegenonderzoek, dat
op verzoek van Pegus door de FME werd verricht, een verschil in
functie-inhoud van 25 punten (op een totaal van 330) werd becijferd. Het
lijkt dus redelijk om het door de Commissie gehanteerde verschil van 15
punten (op een totaal van 290) op te vatten als een verschil dat minimaal
15 punten bedraagt. Tevens moet bedacht worden dat het weliswaar mogelijk
is dat in een bepaalde salarisklasse functies worden ingeschaald, die
onderling een grotere spreiding dan 15 punten vertonen, maar dit neemt
niet weg dat er nu eenmaal grenzen zijn voor zo’n salarisschaal, hetgeen
onherroepelijk meebrengt dat kleine verschillen kunnen leiden tot een
indeling in verschillende klassen.

14. Het voorgaande brengt mee dat de vonnissen van de kantonrechter, voor
zoveel nodig met aanvulling en verbetering van gronden, moeten worden
bekrachtigd, met veroordeling van B in de kosten van de hoger beroep
procedure.

Rechtdoende: verklaart appellante niet-ontvankelijk (…). Bekrachtigt
de vonnissen van de Kantonrechter te Utrecht van 27 april 1983 en 2
november 1983.

Rechters

Mrs. Vijver, Meekers en Spliet

Instantie: Kantonrechter Alkmaar, 20 juni 1986

Instantie

Kantonrechter Alkmaar

Samenvatting


Dit is de bodemprocedure die is gevolgd op
president Rechtbank Alkmaar, 20 mei 1986. (CWI 97013587) De kantonrechter
beoordeelt de kwestie anders dan de president. Hij acht de klachten van de
vrouwen gegrond en haalt flink uit naar de werkgever, die verzuimd heeft
afdoende maatregelen te treffen en de makkelijke weg heeft gekozen. Het had
op de weg van verzoekster gelegen alsnog te trachten orde op zaken te stellen
op andere wijze dan terstond te buigen voor het voornemen van de koks c.s. om
ontslag te nemen wanneer verzoekster de verweerders niet zou ontslaan. Het
heeft er volgens de kantonrechter alle schijn van dat verzoekster is behept
met een tot conflictoplossing onvermogend management dat haar gezag over de
koks c.s. kennelijk heeft verloren. Volgens de kantonrechter ligt het
ontstaan van de onwerkbare verhoudingen in overwegende mate binnen de
risicosfeer van de werkgever, waaraan niet afdoet of haar directie nu wel of
niet, al dan niet ten gronde, al veel eerder van de grieven van
gerequestreerdes en haar betrokken collega’s op de hoogte was.
De rechter ontbindt de arbeidsovereenkomst en kent suppletie en immateriële
schadevergoedingen van resp. ƒ 22.000, ƒ 12.000 en ƒ 8.000 (zonder nadere
specificatie) toe aan de betreffende werkneemsters, afhankelijk van hun
leeftijd en lengte van het dienstverband.

Volledige tekst

Gezien het op 13 mei 1986 ingekomen verzoekschrift met
4 bijlagen van de Vereniging van Eigenaren Huis de Rekere, gevestigd te
Bergen nh.,te dezer zake domicilie gekozen hebbende te Alkmaar aan de Heul
nr. 28 ten kantore van de advocaat en procureur Mr. C. A. Deek;

Gericht tegen R,
wonende te Bergen nh., te dezer zaken domicilie gekozen hebbende te Alkmaar
aan het Varnebroek nr 17 ten kantore van de advocaat en procureur Mr J. Boot;

Strekkende tot:
ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op grond van
gewichtige redenen als bedoeld bij artikel 1639w van het Burgerlijk Wetboek;

Gezien het namens gerequestreerdes op 6 juni 1986 ingediende verweerschrift,
met 18 bijlagen;

Gehoord partijen ter terechtzitting van 10 juni 1986 alwaar zijn verschenen
verzoekster bij haar voorzitter bijgestaan door Mr. Deenik Voornoemd en
gerequestreerdes in persoon, bijgestaan door Mr. Boot voornoemd, van welk
verhoor proces-verbaal is opgemaakt en ter gelegenheid waarvan door de
raadslieden van partijen het woord is gevoerd aan de hand van overlegde
pleitaantekeningen, namens gerequestreerdes onder bijvoeging van 5 bijlagen;

Beschouwt de inhoud van alle voorgenoemde stukken als hier ingelast;

OVERWEEGT OMTRENT HET VERZOEK:

Als niet dan wel onvoldoende weersproken blijkt op grond van de wederzijdse
stellingen en overlegde stukken het volgende:
Gerequestreerdes, thans 22 jaar oud, is sedert 1 oktober 1983 bij verzoekster
in dienst tegen een huidig salaris van ƒ 2010 bruto per maand vermeerderd met
7,5 % vakantiebijslag (27 vakantiedagen) zulks in de functie van
huishoudelijk medewerkster.
Gerequestreerdes werkzaamheden bestaan uit algemene huishoudelijke voor 1200
uur, het vullen van maaltijdwagens en het rondbrengen van maaltijden bij de
bewoners van verzoeksters huis vanaf dat tijdstip en het vervolgens weer
ophalen van serviesgoed en bestek tot 1400 uur, gevolgd door afwas en andere
werkzaamheden in de huiskeuken.
Verzoekster heeft gerequestreerdes met ingang van 10 februari 1986 met behoud
van salaris geschorst, zulks op vrijwel gelijkluidende gronden als aan haar
onderhavig verzoek ten grondslag liggende. Zij heeft tegelijkertijd de
directeur van het GAB te Alkmaar verzocht haar vergunning te verlenen
verzoekster te mogen ontslaan. Bedoelde directeur heeft zich buiten staat
geacht op dat verzoek te beslissen.
Gerequestreerdes heeft de President van de Arrondissementsrechtbank te
Alkmaar in kort geding een aantal voorzieningen gevraagd die het mogelijk
moesten maken en er toe zouden leiden dat zij haar werkzaamheden in dienst
van verzoekster, althans andere passende werkzaamheden, zou kunnen hervatten.
Bij vonnis van 20 mei 1986 heeft genoemde President die betrekkelijke
vorderingen afgewezen. Gelijke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden met
betrekking tot twee van gerequestreerdes collega’s, eveneens huishoudelijk
medewerksters met dezelfde taken;

Aan het onderhavig verzoek ligt ten grondslag dat zich betrekkelijk tot de
dienstbetrekking tussen partijen zodanige veranderingen in de omstandigheden
hebben voorgedaan dat beëindiging daarvan behoort te volgen. Verzoekster acht
de relatie tussen haar (bestuur) althans haar directrice haar hoofd
Huishoudelijke Dienst haar twee koks en alsmede haar vierde huishoudelijke
werkster zo grondig verstoord dat partijen niet langer met elkander voort
kunnen. Zij verwijt zulks gerequestreerdes en haar twee voormelde collega’s,
tegen wie eenduidige verzoeken aanhangig zijn, die zich in de loop van 1985
brutaal en nonchalant tegenover haar koks en hoofd Huishoudelijke Dienst
zouden zijn gaan gedragen, opdrachten hunnerzijds kritiseerden en weigerden
uit te voeren, alsmede herhaaldelijk onhebbelijke opmerkingen naar collega’s
en huisbewoners maakten.
Verzoekster stelt, dat gerequestreerdes en haar vorenbedoelde collega’s na
aanvankelijke toezegging weigerden gedurende de drukke decembermaand van 1985
een weekend te werken en voorts, dat gerequestreerdes, althans een van haar
betrokken collega’s, in de nacht van 9 op 10 januari 1986 zodanig telefonisch
hebben lastiggevallen dat die zich genoodzaakt zagen zich tot de politie te
wenden.
Verzoekster heeft schriftelijke verklaringen van haar hoofd Huishoudelijke
Dienst en haar vierde huishoudelijk medewerkster overlegd waaruit blijkt dat
deze bij terugkeer van gerequestreerdes en haar meer aangeduide collega’s hun
dienstbetrekking bij verzoekster zullen beëindigen. Verder maakt verzoekster
gewag van klachten van haar huisbewoners omtrent gedrag en houding van
gerequestreerdes;

Gerequestreerdes heeft de klachten van verzoekster integraal en gemotiveerd
weergesproken, zodat omtrent de gegrondheid daarvan bezwaarlijk iets kan
worden vastgesteld. De klachten zijn merendeels ook weinig concreet.
Niet heeft gerequestreerdes echter kunnen verhelen, dat tussen haar en haar
meergemelde collega’s, die overigens in de andere aanhangige procedures een
gelijkluidend verweer voeren, en bovenvermelde andere medewerkers van
verzoekster een volstrekt onwerkbare situatie is ontstaan. Die is echter
volgens gerequestreerdes slechts een gevolg van door verzoeksters koks jegens
haar en haar betrokken collega’s tentoongespreid gedrag met als resultaat
zodanige problemen tussen die betrokkenen, dat, bij gebreke van adequaat
ingrijpen door verzoeksters bestuur of directie, een polariserende weerslag
daarvan op die overige medewerkers niet kon uitblijven.
Bedoeld gedrag heeft dan volgens gerequestreerdes bestaan in door haar met
name genoemde kwetsende, veelal seksueel getinte opmerkingen,
handtastelijkheden en ongefundeerde scheldpartijen jegens haar en haar
betrokken collega’s. Gerequestreerdes heeft een aantal schriftelijke
verklaringen overgelegd waarin (oud) werkneemsters van verzoekster
soortgelijk gedrag van verzoeksters koks aangegeven. Gerequestreerdes heeft
met zoveel woorden gesteld niet meer te kunnen samenwerken;
Uit het over en weer gestelde en een bij het verzoekschrift overgelegde
productie blijkt dat verzoeksters bestuur en haar directie in ieder geval op
3 februari 1986, tijdens een gesprek met gerequestreerdes en haar twee
collega’s naar aanleiding van hun voorgenomen schorsing, van voorschreven
klachten volledig op de hoogte zijn gebracht. Zulks overigens onbetwist mede
middels een toen aan twee van verzoeksters bestuursleden door
gerequestreerdes, althans haar collega’s, overhandigd schriftelijk stuk
vergezeld van het merendeel van vorenbedoelde verklaringen van (oud)
werkneemsters van verzoekster.
Aan de hand van het daaromtrent door verzoeksters bestuursvoorzitter ter
terechtzitting verklaarde staat vast, dat verzoekster haar koks op die
klachten heeft gehoord en haar alstoen is gebleken dat de door
gerequestreerdes gereleveerde seksueel getinte uitlatingen, waaronder naar
het oordeel van de Kantonrechter toch bepaald grove, inderdaad jegens
verzoekster en haar betrokken collega’s door die koks zijn gedaan. Op grond
van de overlegde verklaringen, die met zoveel woorden gewag maken van
handtastelijkheden en onheus woordelijk gedrag van met name een van die koks
is aannemelijk, dat het in verzoeksters keuken op het vlak van de bejegening
door haar koks van haar huishoudelijke medewerksters niet bepaald
aanvaardbaar was gesteld. Verzoekster heeft in dit verband niet bestreden dat
haar voorzitter een en ander als kwalijk kwalificeerde en haar bestuur alles
zou doen om tot een oplossing te geraken.
Verzoeksters bestuursvoorzitter heeft aan zijn voorgeschreven verklaring wel
toegevoegd dat verzoeksters koks hun uitlatingen als vorenbedoeld voor
tweeërlei uitleg vatbaar achten, waarmee dan kennelijk wordt bedoeld dat die
tot het gebruikelijke gedragspatroon in de keuken behoorden, doch dat staat
niet in de weg aan het levensgroot vermoeden, dat toen ook bij verzoeksters
bestuur en directie had moeten rijzen, dat de oorzaak voor de thans door
verzoekster gestelde in de loop van 1985 gerezen gezagscrises c.s. in voren
beschreven problematiek valt te zoeken. Het had dan wel op de weg van
verzoekster gelegen alsnog te trachten orde op zaken te stellen op andere
wijze dan terstond te buigen voor het voornemen van haar koks, hoofd
Huishoudelijke Dienst en haar vierde huishoudelijk medewerkster om hun
dienstbetrekking bij verzoekster te beëindigen wanneer gerequestreerdes en
haar betrokken collega’s langer zouden blijven. Het heeft er nu toch alle
schijn van dat verzoekster is behept met een tot conflictoplossing
onvermogend management dat haar gezag over verzoeksters koks kennelijk heeft
verloren. Of een poging als vorenbedoeld resultaat zou hebben gehad blijft
een open vraag, doch bepaald onbegrijpelijk is dat verzoekster, naar
gerequestreerdes onbestreden heeft gesteld, kort na vorengenoemd kort geding
in een rondschrijven aan de bewoners van haar huis de visie van
gerequestreerdes en haar collega’s op de ontstane problemen met haar koks als
een wraakoefening heeft aangemerkt. Dat zal niet aan een verminderd
onwerkbare situatie hebben bijgedragen. Het vorenstaande brengt het ontstaan
van genoemde onwerkbare verhoudingen in overwegende mate binnen de
risicosfeer van verzoekster, waaraan niet afdoet of haar directie nu wel of
niet, al dan niet ten gronde, al veel eerder van de grieven van
gerequestreerdes en haar betrokken collega’s op de hoogte was;

De volstrekt onwerkbare verhoudingen binnen verzoeksters huis tussen
gerequestreerdes, haar twee collega’s, en verzoeksters overig meergenoemd
personeel staan vast. Reeds op grond van het uit de wederzijdse stellingen
van partijen en de daarop gegeven toelichtingen sprekende diepgaand
wantrouwen over en weer moet worden geconcludeerd dat die verhoudingen zich
niet meer laten verbeteren. Verzoekster lijkt daartoe bereid noch in staat,
gerequestreerdes acht zich vernederd en in haar persoonlijke en lichamelijke’
integriteit aantast. Die gevoelens laten zich naar het oordeel van de
Kantonrechter niet meer wegvlakken. Genoemd wantrouwen maakt dat partijen
niet meer met elkander verder kunnen. Dat de diepere oorzaak voor de
vervolgens daaruit ontstane verstoorde relatie tussen partijen wellicht
slechts valt te zoeken in het conflict tussen gerequestreerdes, haar
betrokken collega’s, en verzoeksters meergenoemde overige medewerksters doet
daaraan, anders dan gerequestreerdes meent, naar het oordeel van de
Kantonrechter niet af.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen zal dus volgen. Daarbij
behoort gerequestreerdes, gelet op al het voren overwogene, dan wel een
adequate vergoeding ten laste van verzoekster te worden toegekend.
De kantonrechter zal deze, gelet op de duur van het dienstverband en de
leeftijd van gerequestreerdes, alsmede op de omstandigheid dat de onderhavige
kwestie gerequestreerdes bij sollicitaties hinder zal kunnen opleveren,
stellen op ƒ 8000 bruto ineens, zulks als aanvulling tot 100 % van de door
gerequestreerdes laatstgenoten netto verdiensten van de door gerequestreerdes
krachtens sociale verzekeringswetten te ontvangen uitkeringen dan wel elders
door haar te verdienen lager salaris, en mede te voorziening in door
gerequestreerdes (naar valt aan te nemen) geleden immateriële schade, door
verzoekster aan gerequestreerdes te voldoen binnen veertien dagen na te
melden ontbindingsdatum;

Verzoekster behoort in de gelegenheid te worden gesteld haar verzoek in te
trekken;

Zij behoort voorts te worden verwezen in de kosten van de procedure;

BESCHIKT ALS VOLGT:

Bepaalt dat de termijn waarbinnen verzoekster haar verzoek zal kunnen
intrekken zal lopen tot en met 11 juli 1986;

Verklaart – voor het geval verzoekster haar verzoek niet binnen die termijn
zal hebben ingetrokken – de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met
ingang van 15 juli 1986 ontbonden;

Kent in dat geval aan gerequestreerdes ten laste van verzoekster een
vergoeding toe van ƒ 8000 bruto ineens ter fine als voren gemeld en door
verzoekster aan gerequestreerdes te betalen op uiterlijk 30 juli 1986;

Verwijst -mede voor het geval dat verzoekster haar verzoek zal intrekken-
verzoekster in de kosten van de procedure, aan de zijde van gerequestreerdes
begroot op ƒ 500 voor gemachtigde salaris en te voldoen aan de Griffier van
dit Kantongerecht;

Rechters

Mr H.J.M. Van Lieshout

Instantie: Raad van Beroep ‘s-Hertogenbosch, 11 juni 1986

Instantie

Raad van Beroep ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


mevrouw krijgt geen WWV-uitkering meer omdat zij geen kostwinner is in
de zin van de WWV. De wetgever moet aan de derde EG-richtlijn voldoen.
Dat houdt in dat de kostwinnersbepaling met terugwerkende kracht vanaf 24
april 1985 geacht wordt te zijn vervallen op 23 december 1984

Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder moet een nieuwe
belsissing nemen

Volledige tekst

1. Beslissing van verweerder d.d. 9 april 1985

2. Feiten

Bij schrijven, gedateerd 11 april 1985 en verzonden 24 april 1985 heeft
verweerder klaagster in kennis gesteld van de volgende beslissing:

“In antwoord op het bezwaarschrift dat op 2 maart 1985 door de heer M.
Wals, medewerker bij de Stichting Juridische EHBO is ingediend delen wij u het
volgende mede

Het bezwaarschrift is ingekomen op 6 maart 1985 en gericht tegen de
beschikking d.d. 14 februari 1985 – in het kader van de Wet
Werkloosheidsvoorziening – van de directeur van de gemeentelijke sociale
dienst van Tilburg, daartoe gemachtigd bij ons besluit van 17 december 1975

Bij de door u bestreden beschikking is het volgende bepaald

Op uw verzoek om een uitkering WWV wordt afwijzend beslist daar u in het
genot bent van en uitkering ingevolge de Werkloosheidswet dan wel vervangende
werkloosheidsuitkering (artikel 13, lid 1 sub d WWV)

De inhoud van uw bezwaar komt op het volgende neer

U bent sedert 26-10-1984 niet meer in het genot van een uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet dan wel vervangende werkloosheidsuitkering

We hebben het volgende overwogen

Vooreerst dient te worden opgemerkt dat op uw verzoek om een
WWV-uitkering niet afwijzend is beslist vanwege het feit dat u in het genot
zou zijn van een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet dan wel vervangende
werkloosheidsuitkering; al werd deze reden in de beschikking van 14-2-1985
abusievelijk vermeld; doch vanwege het feit dat u niet als kostwinster in de
zin van de WWV kunt worden aangemerkt (artikel 13 lid 1 sub 1 WWV)

Daar vaststaat dat u na 26 oktober 1984 geen werkloosheidsuitkering dan
wel vervangende werkloosheidsuitkering hebt ontvangen zal thans uitsluitend
worden ingegaan op de eigenlijke afwijzingsgrond, namelijk het feit dat u niet
als kostwinster in de zin van de WWV kunt worden aangemerkt

Blijkens de jurisprudentie dient bij de toepassing van de ministeriele
beschikking van 29 december 1964 ex artikel 13 lid 1 sub 1 van de wet –
aangevend de regelen volgens welke de gehuwde vrouw als kostwinster wordt
aangemerkt (laatstelijk gewijzigd bij beschikking van 24-3-1980 nr. 60.955/III
a Stcrt. 1980,66) – in het algemeen te worden uitgegaan van het gemiddelde
arbeidsinkomen, gedurende het jaar aan de eerste werkloosheidsdag
voorafgaande

Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat het gemiddelde inkomen van
uw echtgenoot over bedoelde periode kan worden gesteld op ƒ 134,90 en dat van
u zelf op ƒ 44,48 per dag

Daar het inkomen van uw echtgenoot over die periode meer bedraagt dan 1
1/4 maal, doch minder dan 1 1/2 maal het minimumloon over dezelfde periode
zijnde ƒ 100,60 per dag, dient uw inkomen tenminste 50% van dat van uw
echtgenoot te hebben bedragen (= ƒ 67,45 per dag)

Daar uw inkomen niet aan deze voorwaarde voldoet kunt u niet als
kostwinster in de zin van de WWV worden aangemerkt en is derhalve geen
uitkering mogelijk

We hebben daarom op 9-4-1985 besloten, gehoord de Commissie
Werkloosheidsvoorziening, uw bezwaar ongegrond te verklaren en de eerder
genomen beslissing te handhaven, zij het dat de afwijzing is gegrond op
artikel 13 lid 1 sub 1 WWV. “

In beroep is tegen deze beslissing onder meer aangevoerd: “Deze kos
twinnerseis is echter in strijd met de derde EG-richtlijn. Volgens deze
richtlijn moeten mannen en vrouwen vanaf 23 december 1984 in de sociale
zekerheidswetten gelijk worden behandeld. Op grond hiervan is de
kostwinnerseis voor de gehuwde vrouwen in de WWV vanaf 1 mei 1985 komen te
vervallen. Deze regeling krijgt terugwerkende kracht tot 23 december 1984

Betrokkene verzoekt uwe Raad de bestreden beslissing te vernietige
n en aldus te beschikken dat betrokkene recht kan doen gelden op een uitkering
krachtens de WWV met ingang van 23 december 1984 . “

Op 1 juni 1985 heeft verweerder van contra-memorie gediend

3. Overwegingen

Partjen verschillen niet van mening en ook dezerzijds wordt er van uit
gegaan dat klaagster geen aanspraken aan de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV)
kan ontlenen indien toepassing wordt gegeven aan de Nederlandse wetgeving,
zoals deze luidde voor de totstandkoming van de Wet van 24 april 1985 tot
nadere wijziging van de WWV (invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen
en vrouwen en wijziging van de duur van de uitkering), Staatsblad 1985, 230

Verweerder huldigt blijkens de ingediende contra-memorie evenwel het
standpunt dat in die situatie – dat klaagster geen aanspraken op WWV-uitkering
heeft – per 23 december 1984 geen wijziging is ingetreden. Daarbij heeft
verweerder overwogen:

“Bestreden wordt de toepassing van het gestelde in artikel 13 eerste lid
sub 1 WWV daar deze bepaling in strijd zou zijn met de derde E.E.G.-richtlijn
In dit verband wordt verwezen naar de circulaire van de staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 december 1984, nr. B.O./4587
waarin wordt gesteld dat zolang een wetswijziging dienaangaande niet van
kracht is geworden, toetsing aan de (toen) geldende wetgeving en de daaruit
voortvloeiende uitvoeringsbesluiten dient plaats te vinden (tenzij de
belanghebbende geen bezwaar heeft tegen opschorting van de beslissing)

Nu per 1 mei 1985 artikel 13, eerste lid, sub 1 WWV, in verband met
gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen is vervallen, kan klaagster
nog niet in aanmerking worden gebracht voor een WWV-uitkering

Met name uit artikel 2 van bedoelde wetswijziging (zie ook de circulaire
van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegendheid van 29 april
1985, nr. SZ/WV/85/1540) blijkt dat artikel 13, eerste lid, onder 1 komt te
vervallen voor gehuwde werkloze vrouwen die op of na 23 december 1984 direkt
of na een voorafgaande WW-uitkering op de WWV aangewezen raakten

Ten aanzien van de personen wier WWV-uitkering zou zijn aangevangen voor
23 december 1984 blijven onverkort de bepalingen betreffende het
kostwinnerschap van toepassing. “

Dienaangaande is overwogen als volgt

Bij de wet van 24 april 1985 tot nadere wijziging van de WWV als even
genoemd is onder meer bepaald:

“ARTIKEL I

In de Wet Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485) worden de volgende
wijzigingen aangebracht:

A. Artikel 13, eerste lid, onderdeel 1 vervalt

ARTIKEL II

De wijziging vervat in artikel 1, onderdeel A, is niet van toepassing op
de werknemer die werkloos is geworden met ingang van een dag gelegen voor 23
december 1984, tenzij hij op die datum in het genot was van een uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet (Stb. 1967, 421) of van een uitkering bij
werkloosheid ingevolge een regeling welke geldt voor personen, wier
arbeidsverhouding ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid onder a en
b, van de Werkloosheidswet niet als dienstbetrekking wordt beschouwd

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking met ingang van de kalendermaand na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt met
betrekking tot artikel 1, Onderdeel A terug tot en met 23 december 1984. “

Allereerst wordt opgemerkt dat ten tijde dat de bestreden beslis
sing werd genomen en verzonden meergenoemde wet van 24 april nog niet in
werking was getreden. Evenwel is aan die wet – gedeeltelijk – terugwerkende
kracht toegekend tot 23 december 1984 zodat dezerzijds bij het nemen van een
beslissing rekening zal moeten worden gehouden met de wettelijke bepalingen
zoals die tengevolge van de daaraan gegeven terugwerkende kracht ten tijde van
de bestreden beslissing geacht moeten worden te hebben geluid

Met inachtneming hiervan is omtrent de toepasselijke wettelijke
voorschriften overwogen als volgt

Uit evenvermelde wet van 24 april 1985 blijkt dat artikel 13 lid 1 sub 1
van de WWV geacht moet worden per 23 december 1984 te zijn geschrapt (zie
artikel I jo. artikel IV van de wet van 24 april 1985)

Blijkens artikel II van de Wet van 24 april 1985 is de wijziging van
artikel I onder A – dus het vervallen van artikel 13 eerste lid onder 1 van
WWV – niet van toepassing op de werknemer die werkloos is geworden met ingang
van een dag gelegen voor 23 december 1984, behoudens de daarbij vermelde
uitzonderingssituaties welke zich hier niet voordoen

Aldus heeft de wetgever kennelijk willen bereiken dat betrokkenen zoals
klaagster wier WW-uitkering reeds was beeindigd op 23 december 1984, geen
voordelen en aanspraken aan genoemde wetswijziging ontlenen

Naar dezerzijds oordeel kan artikel II van evenbedoelde wet dat beoogde
doel echter niet teweeg brengen. Immers het moet rechtens niet mogelijk
worden geacht dat aan een ingaande 23 december 1984 niet langer bestaand
wettelijk voorschrift – op grond van een latere bepaling – per dat tijdstip
wel nog werking zou kunnen worden toegekend ten aanzien van een bepaalde
categorie justitiabelen namelijk ten aanzien van hen, die voor dat tijdstip
reeds werkloos zijn geworden

Ook uit de bewoordingen van de wet van 24 april 1985 zelf kan niet
worden afgeleid dat de beperkende bepaling van artikel 13 lid 1 sub 1 per 23
december 1984 is blijven doorwerken

Anders dan ten aanzien van het doen vervallen van artikel 13 lid 1 sub 1
van de WWV heeft de wetgever namelijk geen terugwerkende kracht toegekend aan
het bepaalde in artikel II van de Wet van 24 april 1985. Mitsdien volgt uit
artikel IV van die wet dat bedoeld artikel II eerst op 1 mei 1985 in werking
is getreden. Dit betekent dat de bewoording van de wet tot de conclusie
leiden dat artikel 13 lid 1 sub 1 van de WWV per 23 december 1984 is komen te
vervallen zonder enige uitzondering of beperking per die datum

Naar dezerzijds oordeel strookt de zojuist gegeven uitleg volledig met
het doel welke die wetswijziging van 24 april 1985 ondermeer beoogde te
bereiken, namelijk de WWV zodanig te wijzigen dat voor mannen en vrouwen onder
dezelfde voorwaarden recht op uitkering ontstaat

Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de achtergrond van de
wetswijziging is het uitvoering geven aan de bepalingen van de derde richtlijn
van de EEG (richtlijn 79/7EEG, d.d. 19 december 1978)

Deze richtlijn beoogt de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van sociale
zekerheid (artikel 1)

Artikel 5 verplicht de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om tot
intrekking te komen van met het beginsel van gelijke behandeling strijdige
bepalingen. Blijkens artikel 8 van de richtlijn dienen de lidstaten binnen
zes jaar na kennisgeving van die richtlijn de nodige wettelijke en
bestuurlijke bepalingen in werking te doen treden om aan de richtlijn te
voldoen. Die termijn verstreek op 23 december 1984

Nu de wetgever heeft beoogd met de wet(wijziging) van 24 april 1985 aan
evengenoemde richtlijn uitvoering te geven, en de termijn waarbinnen dat
diende te geschieden op 23 december 1984 verstreek, wordt naar dezerzijds
oordeel aan die doelstelling slechts voldaan door de Wet te lezen als hiervoor
uiteengezet. Dat verdraagt zich niet met de mogelijkheid dat na het
verstrijken van die termijn opnieuw bepalingen in het leven worden geroepen
die in feite een met de richtlijn strijdige situatie doen herleven

Immers, zoals hiervoor reeds werd overwogen, moet de
kostwinstersbepaling met terugwerkende kracht vanaf 24 april 1985 geacht
worden te zijn vervallen op 23 december 1984, de laatste dag van de termijn
als gegeven in de richtlijn

Bij dit alles is er dezerzijds overigens niet aan voorbijgezien dat
verweerder bij zijn beslissing heeft gehandeld in de geest van hetgeen de
wetgever mogelijk voor ogen heeft gestaan, althans zoals de Staatssecretaris
de bedoeling daarvan heeft opgevat en neergelegd in diens schrijven aan de
gemeentebesturen van 29 april 1985, maar dat kan niet wegnemen dat die
beslising zoals hierboven is overwogen strijdig is met de bewoordingen van de
toepasselijke wetsbepalingen

Nu verweerders beslissing daarmee in strijd komt kan deze derhalve de
rechtmatigheidstoets niet doorstaan

Klaagsters beroep dient dan ook voor gegrond te worden gehouden

Mitsdien wordt beslist als volgt:

4. Beslissing

De voorzitter van de raad van beroep te ‘s-Hertogenbosch

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond

Vernietigt de bestreden beslissing en de daarbij gehandhaafde beslissing
van 14 februari 1985

Verstaat dat verweerder een nieuwe beslissing dient te nemen met
inachtneming van deze beschikking

Rechters

mr. J.S. van der Kolk als voorzitter, in tegenwoordigheid van F.H.M.Klerkx als griffier

Instantie: Kantonrechter Haarlem, 28 mei 1986

Instantie

Kantonrechter Haarlem

Samenvatting


Een vrouw is na een periode van voortdurende ongewenste intimiteiten op
haar werk uiteindelijk in de Ziektewet beland

Zij eist immateriele schadevergoeding,
naast ontbinding van de arbeidsovereenkomst en
aanvulling op haar uitkering. Grensverleggende jurisprudentie op het gebied
van schadevergoeding na ongewenste intimiteiten is in het belang van meerdere
vrouwen. AFLOOP: de kantonrechter heeft alle eisen toegewezen. Aan
immateriele schadevergoeding is ƒ 5.000,- (vijfduizend gulden) toegekend.

Jaarverslag Rechtenvrouw 1986 no. 11

Volledige tekst

Overwegende ten aanzien van het verdere verloop van de procedure:

Op 3 april 1986 is ter griffie een verweerschrift van de gerequestreerde
ingekomen. Dit verweerschrift strekt tot afwijzing van het verzoek van
verzoekster, kosten rechtens. De mondelinge behandeling van het
verzoekschrift heeft plaats gevonden te Onzer terechtzitting van 10 april
1986. Van deze behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. De gemachtigde
van verzoekster heeft toen het woord gevoerd aan de hand van door haar
overgelegde pleitnotities met vier produkties

In aansluiting op de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van
verzoekster Ons nog bij schrijven d.d 15 april 1986 een produkties
toegezonden, op welke toezending de gemachtigde van gerequestreerde bij
schrijven d.d. 23 april 1986 heeft gereageerd

Overwegende, dat het navolgende tussen partijen vast staat:

Tussen partijen bestaat een arbeidsovereenkomst, ingevolge welke
verzoekster sedert 1 oktober 1984 als winkelbediende bij gerequestreerde, die
een bloemenzaak drijft, in dienst is

Verzoeksters salaris bedroeg laatstelijk bruto ƒ 389,90 per week, netto
ƒ 1.398,50 of ƒ 1.398,– per maand

Op 13 januari 1986 heeft verzoekster zich ziek gemeld. Deze ziekte
duurde op de dag van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift – 10
april 1986 – nog steeds voort

Overwegende ten aanzien van het recht:

Verzoekster grondt haar verzoek op de hiervoor vastgestelde feiten en
haar – door Ons in algemene bewoordingen samengevatte – stelling, dat
gerequestreerde zich herhaaldelijk tegenover verzoekster door deze ongewenste
intimiteiten heeft gepermitteerd

Gerequestreerde heeft weliswaar in zijn verweerschrift ontkend dat hij
verzoekster heeft lastig gevallen, maar uit hetgeen partijen hebben
aangevoerd bij de mondelinge behandeling en uit het door verzoekster
schriftelijk weergegeven telefoongesprek tussen partijen op 23 januari 1986 –
welke weergave door gerequestreerde in essentie als juist is erkend – is voor
Ons het navolgende komen vast te staan: Gerequestreerde heeft omstreeks
kerstmis 1984 herhaaldelijk zijn arm om verzoekster heen gelegd, verzoeksters
billen opzettelijk beroerd, zich tegen verzoekster aangedrongen en haar met
intieme bewoordingen benaderd. Verzoekster heeft – zij het niet krachtdadig
– aan gerequestreerde laten merken dat zij dat vervelend vond. In de periode
van februari tot december 1985 heeft gerequestreerde zijn voormelde
handelingen nagelaten, maar in december 1985 heeft gerequestreerde deze
handelingen hervat. Verzoekster heeft haar onlustgevoelens over
gerequestreerdes handelingen, mede vanwege haar goede verstandhouding met
gerequestreerdes echtgenote, opgekropt, hetgeen – zoals mede blijkt uit de
door verzoekster overgelegde verklaring van haar huisarts – heeft geresulteerd
in verzoeksters ziekte

Wij achten deze voor Ons vaststaande feiten een alleszins voldoende
grondslag voor de door verzoekster gestelde gewichtige redenen. Verzoekster
heeft niet aangegeven of zij deze feiten beschouwt als omstandigheden, die en
dringende reden voor ontslag op staande voet zouden hebben opgeleverd dan wel
als veranderde omstandigheden, welke billijkheidshalve een einde der
dienstbetrekking behoren mede te brengen, maar nu verzoekster tevens een
vergoeding van gerequestreerde wenst te ontvangen nemen Wij aan dat
verzoekster de laatst vermelde “gewichtige redenen” op het oog heeft. Wij
zijn van oordeel dat de voor Ons vaststaande feiten in ieder geval een
voldoende grondslag vormen voor deze laatst vermelde soort “gewichtige
redenen”

Wij oordelen derhalve zowel verzoeksters verzoek tot ontbinding der
arbeidsovereenkomst als haar verzoek tot toekenning van een vergoeding voor
inwilliging vatbaar

Ten aanzien van de hoogte van deze vergoeding lezen Wij het verzoek van
de verzoekster aldus dat zij een suppletie gedurende zes maanden op de door
haar te ontvangen werkloosheidsuitkering of ziektewetuitkering vraagt,
alsmede een bedrag van ƒ 5.000,– als vergoeding voor de door haar geleden
immateriele schade. Ook indien Wij rekening houden met gerequestreerde
slechte financiele positie en indien Wij uitdrukkelijk afzien van het door
verzoekster bij de mondelinge behandeling terzake van de vergoeding
ingebouwde element van “straf” voor gerequestreerde, zijn Wij van oordeel dat
de door verzoekster verzochte vergoeding de in artikel 1639 w lid 8 B.W.
voorgeschreven norm van “billijkheid met het oog op de omstandigheden van het
geval” geenszins te boven gaat. Wij houden daarbij rekening met enerzijds de
nadelige gevolgen voor verzoekster van de voor haar noodzakelijke beeindiging
van deze arbeidsovereenkomst en de aan deze beeindiging ten grondslag
liggende oorzaak en anderzijds de vrij korte duur der arbeidsovereenkomst en
verzoeksters leeftijd van 22 jaar, die haar de veerkracht moet geven om
voormelde gevolgen op termijn te boven te komen

Nu verzoekster feitelijk de keuze ex artikel 1639 lid 9 B.W. ontbeert en
bovendien de door haar gevraagde vergoeding toegewezen krijgt, is toepassing
van het bepaalde bij dit wetsartikel zinloos, zodat Wij deze toepassing
achterwege zullen laten

In het voorgaande vinden Wij alleszins aanleiding om gerequestreerde met
de kosten van deze procedure te belasten. Gelet op de betrokken
wetsartikelen, waaronder speciaal artikel 1639w van het Burgerlijk Wetboek,
dient derhalve te worden beslist als volgt

BESCHIKKING:

Willigen het verzoek van de verzoekster als volgt in;

Ontbinden de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni
1986;

Kennen aan verzoekster een vergoeding ten laste van gerequestreerde toe,
welke vergoeding in de navolgende twee elementen zal bestaan:

a. Gerequestreerde suppleert aan verzoekster gedurende zes maanden na 1
juni 1986 op hetgeen verzoekster netto zal ontvangen aan
werkloosheidsuitkering of ziektewetuitkering een netto uit te keren bedrag,
zodat verzoekster maandelijks in totaal een bedrag gelijk aan haar laatstelijk
bij gerequestreerde verdiende netto salaris zal ontvangen, en

b. Gerequestreerde betaalt aan verzoekster direkt en ineens een bedrag
van vijf duizend gulden (ƒ 5.000,–) als vergoeding voor de door verzoekster
geleden immateriele schade;

Veroordelen gerequestreerde in de kosten van deze procedure, tot op deze
beschikking aan de zijde van verzoekster begroot op ƒ 600,–, waaronder
begrepen een bedrag van ƒ 500,– als salaris van verzoekster gemachtigde

Rechters

Mr. J.W. Rutgers, kantonrechter

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 22 mei 1986

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Vrouw eist in kort geding een volg-, aanspreek- en straatverbod tegen
haar verkrachter. Deze werd door de rechtbank ter beschikking van de
regering gesteld, maar door het hof op grond van een tweede met het eerste
strijdige psychiatrisch rapport, in voorlopige vrijheid gesteld

BESLISSING RECHTENVROUW: accoord, dit straatverbod wordt geeist nadat de
strafrechter zich al over de zaak heeft uitgesproken

AFLOOP: kort geding werd gewonnen. De gevraagde verboden werden
toegewezen. Man stelde hoger beroep in. Het hof wees het contactverbod
toe, het straat verbod af

Jaarverslag 1985 no. 21

Volledige tekst

Het geding in hoger beroep

Appellant (O.) is bij dagvaarding van 12 december 1985 in hoger beroep
gekomen bij het hof van een door de president van de arrondissementsrechtbank
te Amsterdam, rechtsprekende in kort geding, onder rolnummer KG 85/1289 G,
tussen partijen gewezen en op 28 november 1985 uitgesproken vonnis

Bij memorie (met productie) heeft O. drie grieven tegen genoemd vonnis
aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal
vernietigen en geintimeerde (A.) alsnog in haar vordering niet ontvankelijk
zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen, met veroordeling van A. in de
kosten van beide instanties

A. heeft bij memorie van antwoord (met drie producties) de grieven
bestreden en geconcludeerd tot afwijzing dan wel niet ontvankelijk verklaring
van het appel en tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep.

O. heeft nog een akte genomen en vervolgens hebben partijen de stukken
van het geding in beide instanties overgelegd aan het hof voor het wijzen van
arrest. De inhoud van deze stukken geldt als hier ingevoegd

2. De grieven.

De grieven luiden als volgt

Grief I. Ten onrechte gaat de president in rechtsoverweging 7 uit van
de juistheid van hetgeen A. met betrekking tot het gebeurde op 11 augustus
1984 heeft gesteld

Grief II. Ten onrechte overweegt de president in rechtsoverweging 7 dat
terzake van de ontmoeting van 2 oktober 1985 in het midden kan blijven of die
ontmoeting al dan niet opzettelijk was

Grief III. Ten onrechte heeft de president aan O. verboden om gedurende
een jaar na betekening van het vonnis zich te begeven en/of te bevinden
anders dan in een middel van openbaar vervoer, binnen de blokken gevormd door
de Churchilllaan, Slaakstraat, Amstelkade alsmede de Scheldestraat en door de
Daalwijksdreef, Bijlmerdreef en Elsrijkdreef te Amsterdam, of om A. te volgen
of aan te spreken

3. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken
staat, mede op grond van de overgelegde bewijsstukken, ten processe het
volgende vast

3.1 O. en A. hebben gedurende vijf jaar een relatie met elkaar gehad

3.2 Op 21 mei 1980 is uit deze relatie een zoon (R.) geboren

3.3 In juli 1980 is de relatie verbroken

3.4 Op 23 februari 1984 heeft O. telefonisch contact met A. opgenomen.
Daarna heeft hij A. enkele malen in haar woning bezocht

3.5 Van 11 augustus 1984 tot 14 augustus 1984 verbleef A. bij O. in zijn
woning te Eindhoven

3.6 Op 16 augustus 1984 heeft A. bij de gemeentepolite te Eindhoven
aangifte gedaan van verkrachting en aanranding door O. jegens haar gepleegd
op 11 augustus 1984

3.7 Op 17 augustus 1984 heeft B. bij de gemeentepolitie te Eindhoven
aangifte gedaan van verkrachting, aanranding en mishandeling jegens haar door
O. gepleegd op verschillende data

3.8 Op 16 augustus 1984 heeft M. bij de gemeentepolitie te Eindhoven
aangifte gedaan van verkrachting, aanranding en mishandeling jegens haar door
O. gepleegd op verschillende data

3.9 Blijkens mededeling van griffier van de arrondissements-rechtbank te
‘s-Hertogenbosch is O. bij vonnis van deze rechtbank van 6 december 1984
terzake van feitelijke aanranding van de eerbaarheid veroordeeld tot een
gevangenisstraf voor de tijd van drie jaar en tot onvoorwaardelijke
terbeschikkingstelling van de regering

3.10 Deze veroordeling betreft feiten gepleegd jegens B.

3.11 Tegen genoemd strafvonnis is door O. en door de officier van
justitie hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch

3.12 Bij beschikking van 31 januari 1985 heeft genoemd hof de voorlopige
hechtenis van O. geschorst met onmiddellijke ingang

3.13 Tot de aan O. gestelde voorwaarden der schorsing behoort de
bepaling: “dat verdachte geen contact op zal nemen met B., M., en A

3.14 Sedert de datum van de schorsing verblijft O. bij zijn moeder in
Amsterdam

3.15 A. is sinds september 1984 bij mevrouw C. Kolenbrander van het
Riagg Amsterdam Zuid in therapie

3.16 Op 2 oktober 1985 heeft een ontmoeting plaats gehad tussen O. en A.
in een bus van het openbaar vervoer in Amsterdam

3.17 Prof. J.G. Schnitzler heeft op verzoek van de rechter-commissaris
in de arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch een onderzoek ingesteld
naar de geestvermogens van O. Diens rapport (gedateerd 23 januari 1986) is
door de advocaat-generaal bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch op 4
februari 1986 toegezonden aan de procureur van A.

4. De overlegde stukken

4.1 O. maakt bezwaar tegen het feit dat het rapport van Prof. J.G.
schnitzler door A. is overgelegd aan het hof. Volgens hem is dit in strijd
met artikel 8 van het Verdrag van Rome en mag het rapport om die reden geen
basis vormen voor de oordeelsvorming door het hof

4.2 Het Hof gaat aan dit bezwaar voorbij

4.3 Het rapport is op rechtmatige wijze ter beschikking van A. gekomen.
Overleggingen van het rapport in de onderhavige procedure waarin gegevens met
betrekking tot de persoonlijkheid van O. relevant kunnen zijn voor het
oordeel van het hof is niet in strijd met het recht van O. op eerbiediging
van zijn privacy. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat van de zijde van O.
een brief afkomstig van Dr. H.J. Spruijt die aan het gerechtshof te
‘s-Hertogenbosch in bovengenoemde strafzaak was overgelegd op de zitting van
31 juli 1985, in het geding is gebracht. Deze brief bevat informatie met
betrekking tot de persoon van zowel O. als A.

5. Behandeling van de grieven

5.1 De grieven stellen de vraag aan de orde of een straatverbod en een
contactverbod, een en ander als door de president is opgelegd, in de gegeven
omstandigheden gerechtvaardigd is

5.2 O. meent van niet. Hij wijst erop dat de feiten waarvan A. hem
beticht door hem steeds zijn ontkend, dat hij sinds 14 augustus 1984 op geen
enkele wijze heeft gepoogd in contact te komen met A. en dat hij, gezien ook
de hierboven sub 3.13 genoemde schorsingsvoorwaarde, geenszins van plan is
met A. contact op te nemen

5.3 A. acht de opgelegde verboden wel degelijk gerechtvaardigd. Zij
voert aan dat sprake is van (seksuele) mishandeling door O. waardoor zij
fysieke en psychische schade heeft geleden en nog steeds lijdt

Volgens haar blijkt uit het rapport van Prof. Schnitzler dat er gegronde
vrees voor herhaling van het gedrag van O. jegens haar bestaat. Door de
ontmoeting op 2 oktober 1985 is een terugval in haar herstel opgetreden. Zij
heeft er belang bij om het herstelproces te kunnen voltooien in het besef dat
zij door O. met rust gelaten wordt

5.4 De president heeft in het vonnis waarvan beroep uit de omstandigheid
dat behalve A. nog twee vrouwen, onafhankelijk van elkaar, aangifte hebben
gedaan van soortgelijke mishandelingen door O., afgeleid dat er voorshands
vanuit moet worden gegaan dat de lezing van A. van de gebeurtenissen op 11
augustus 1984 juist is

5.5 Het hof onderschrijft dit oordeel en neemt de betreffende overweging
over. Ook het hof gaat er derhalve voorshands vanuit dat O. op grove wijze
inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van A.

5.6 A. heeft onweersproken gesteld dat zij ook thans nog nadelige
gevolgen van de betreffende gebeurtenissen ondervindt en dat haar herstel
wordt bemoeilijkt wanneer zij, zoals op 2 oktober 1985, met O. wordt
geconfronteerd. Zij heeft er derhalve belang bij dat dergelijke ontmoetingen
door O. worden vermeden

5.7 Het aan O. opgelegde verbod om A. te volgen en/of aan te spreken
(het contactverbod) biedt geen garantie tegen toevallige ontmoetingen. Wel
biedt het een waarborg tegen eventueel door O. gezochte contacten en kan het
als zodanig bijdragen tot het herstel van A

5.8 Gelet op dit zwaarwegend belang van A. weegt het belang van O. die
stelt zijnerzijds geen enkele behoefte te hebben aan contacten met A., minder
zwaar. De opleggingen van het contactverbod, op straffe van een dwangsom, is
derhalve gerechtvaardigd

5.9 In zoverre falen de grieven

5.10 Ten aanzien van het verbod zich te bevinden in de twee in het
vonnis waarvan beroep genoemde blokken van Amsterdam (het straatverbod) stelt
het hof voorop dat hierbij het recht op bewegingsvrijheid, zoals geformuleerd
in artikel 2 van Protocol 4 van het Verdrag van Rome, in het geding is. Dit
betekent dat terughoudendheid in acht moet worden genomen bij de oplegging van
een dergelijk verbod

5.11 Hoewel het hof van oordeel is dat het belang van A. bij herstel van
haar geestelijk evenwicht zwaar weegt en dat A. er, gelet op de ernst van de
tussen haar en O, voorgevallen feiten, aanspraak op kan maken dat O. uit haar
buurt blijft en haar wens om van verdere ontmoetingen verschoond te blijven
respecteert, betekent dit niet dat het opleggen van een straatverbod in de
gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is

5.12 Doorslaggevend voor dit oordeel is dat O., sedert zijn voorlopige
hechtenis is geschorst en hij in Amsterdam verblijft, geen contact heeft
gezocht met A. en met name niet heeft gepoogd haar op straat, in de omgeving
van haar woning of die van haar moeder, te ontmoeten. Dat de ontmoeting van
2 oktober 1985 (buiten het door het straatverbod bestreken gebied) op zichzelf
toevallig was, is door A. niet weersproken

5.13 In zoverre slagen de grieven

6. Slotsom

6.1 Naar uit het vorengaande volgt treffen de grieven voor een deel doel.
Zij leiden tot gedeeltelijke vernietiging van het vonnis waarvan beroep

6.2 Partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld

Het hof zal daarom de proceskosten, zij het uitsluitend voor wat betreft
het hoger beroep, compenseren als hierna is aangegeven

7.Beslissing

Het hof,

1. vernietigt het vonnis waarvan beroep voor wat betreft het aan O.
opgelegde verbod om zich gedurende een jaar na de betekening van het vonnis
te begeven en/of te bevinden in de in de vonnis genoemde blokken van
Amsterdam;

2. wijst de onderdelen a. en b. van de vordering van A. af;

3. bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

4. compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij
de eigen kosten draagt

Rechters

Mrs Ter Haar, vice-president, Asser en Rutten-Roos raadsheren

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 22 mei 1986

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De bijstandsuitkering van een gescheiden vrouw met vier kinderen wordt
ingetrokken, omdat zij, volgens de GSD, een economische eenheid zou vormen
met haar vriend. Deze vriend woont echter geheel zelfstandig in een andere
stad. De vrouw wil door middel van een kort geding de GSD haar criteria
m.b.t. economische eenheden bekend laten maken. Beslissing RV: het zijn
juist vrouwen die de dupe zijn van het ondoorzichtig en willekeurig beleid
van de sociale diensten. Afloop: het kort geding werd, ook in hoger
beroep, verloren. Van cassatie werd afgezien na een negatief
cassatie-advies.

Volledige tekst

Ten aanzien van het geding in eerste aanleg:

Bij deurwaardersexploit d.d. 12 april 1985 heeft partij W. haar
wederpartij, hierna ook wel aan te duiden als “de gemeente” kort geding
gedagvaard voor de president van de arrondissementsrechtbank te Den Haag,
daarbij een vordering instellend, strekkende tot veroordeling van de
gemeente om haar, W mede te delen hoeveel dagen in de week haar vriend bij
haar in huis mag verblijven zonder dat er sprake is van economische
eenheid als bedoeld in artikel 5 van de Algemene Bijstandswet. Nadat ter
terechtzitting van de president partij W haar vordering aan de hand van
pleitnotities en een groot aantal produkties had doen toelichten en de
gemeente, aan de hand van een verweerschrift, mondeling daartegen verweer
had gevoerd, heeft de president bij eerdergenoemd vonnis d.d. 23 april
1985 de vordering afgewezen, met veroordeling van W. in de kosten van het
geding. Hij overwoog daartoe als volgt:

“1. De feiten

Blijkens de stukken en het behandelde ter terechtzitting van 16 april 1985
staan tussen partijen voorshands de volgende feiten vast: -eiseres ontving
als inwoonster van de gemeente Alkemade tot 1 maart 1985 een uitkering
krachtens de Algemene Bijstandswet (ABW); -bij beschikking van 4 maart
1985 heeft gedaagde besloten met ingang van 1 maart 1985 de betaling van
die uitkering aan eiseres te beeindigen, onder meer op grond van het feit,
dat uit een onderzoek, ingesteld door een ambtenaar belast met bijzondere
controle was gebleken, dat:
“1. de heer S. verblijf houdt in …. (haar) gezin:
“2. ..(zij) met deze man een samenlevingsverband vormt op een wijze, die
niet daadwerkelijk afwijkt van die van een gezin;
3. er daardoor sprake is van een gezinssituatie, die voor de toepassing
van de Algemene Bijstandswet in economisch opzicht niet fundamenteel
verschilt van een gezinssituatie als bedoeld in artikel 5 van deze Wet,”
-op 12 maart 1985 heeft gedaagde de betaling van de uitkering aan eiseres
hervat; -bij brief van 21 maart 1985 heeft de procureur van eiseres de
directeur van de gemeentelijke sociale dienst verzocht mee te delen: “wat
zij precies hoort te doen en na te laten wil zij niet “in de situatie
komen te verkeren van artikel 5 ABW en “met name: hoe vaak in de week een
eventuele vriend langs mag komen hoe vaak hij mag blijven eten, slapen,
etc.” -gedaagde heeft bij brief van 28 maart 1985 onder meer geantwoord:
“Zoals bekend is er geen limitatieve lijst van factoren, die in de
oordeelsvorming meespelen, terwijl er tevens geen algemene concrete norm
te noemen valt over de mate, waarin men contact met elkaar kan houden…”.

2. Samenvatting van de vordering, de gronden daarvan en het verweer

Eiseres vordert: te bepalen, dat de gemeente Alkemade aan eiseres meedeelt
hoeveel dagen in de week haar vriend bij haar in huis mag verblijven
zonder dat er sprake is van een economische eenheid als bedoeld in artikel
5 van de ABW.

Eiseres stelt daartoe, dat de gemeente ondanks herhaalde verzoeken van
eiseres geen concreet antwoord op bovengenoemde vraag heeft verschaft.
Bovendien is haar door gedaagde toegezegd, dat de uitkeringscontroles weer
worden aangevangen. Dit nu is volgens eiseres in strijd met het recht op
eerbiediging van het prive-leven als bedoeld in artikel 8 van het Europees
verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden, alsmede met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en
met name met het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van fair play.

Gedaagde heeft de vordering bestreden en onder meer betoogd, dat eiseres
niet ontvankelijk is in haar vordering, nu het een geschil van
publiekrechtelijke aard betreft, dat op grond van de Wet Arob zal worden
voorgelegd aan de Afdeling rechtspraak van de Raad van State.

3. Beoordeling van de vordering.

3.1. Ontvankelijkheid Voorshand moet worden aangenomen, dat de weigering
van gedaagde om de door eiseres verlangde criteria bekend te maken, niet
is een beschikking als bedoeld in de Wet Arob, waartegen beroep openstaat
bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State.

Evenmin is in een andere -met voldoende waarborgen omklede- rechtsgang
voorzien. De omstandigheid, dat gedaagde de uitkering aan eiseres
aanvankelijk per 1 maart 1985 zonder opgaaf van redenen heeft hervat,
geeft eiseres voldoende spoedeisend belang bij de door haar gevraagde
voorziening. Anders dan gedaagde heeft betoogd, kan eiseres derhalve in
haar vordering in kort geding worden ontvangen.

3.2. Strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Het belang van eiseres bij de gevraagde voorzieningen is -ter voorkoming
van controles door de gemeentelijke sociale dienst- zekerheid te
verkrijgen omtrent de maatstaven, die gedaagde aanlegt bij de toekenning
van een bijstandsuitkering. Daarbij gaat het vooral om de toepassing van
artikel 5 ABW en met name om de vraag, wanneer zich in
financieel-economisch opzicht een met een gezinsverband vergelijkbare
situatie voordoet. Aangezien de wetgever de in artikel 5 ABW gegeven norm
niet nader heeft geconcretiseerd, dient de gemeente bij beslissing tot
toekenning van een bijstandsuitkering van geval tot geval te bezien of van
een samenlevingssituatie sprake is. Daarbij kunnen de in de jurisprudentie
ontwikkelde criteria tot richtlijn dienen. Het rechtzekerheidsbeginsel
geeft de gemeente de verplichting eiseres duidelijkheid te verschaffen
omtrent haar rechten en verplichtingen in verband met de toekenning van
een bijstandsuitkering. Maar daar staat tegenover, dat de gemeente de
vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5 ABW
beoordeelt aan de hand van vele factoren, die van geval tot geval in
gewicht kunnen verschillen. De gemeente kan dit ook doen krachtens de
heersende jurisprudentie, die in het kort als volgt kan worden samengevat:
1. voor het aanmerken van een samenlevingssituatie in de zin van artikel
5 van de Algemene Bijstandswet is bepalend:

-het bestaan van een economische eenheid, waaronder wordt verstaan de
zelfstandige huishouding van man en vrouw die een zodanige financiele en
economische relatie met elkaar onderhouden, dat hun omstandigheden
fundamenteel niet verschillen met de gezinssituatie als bedoeld in art.
5 ABW. -de door betrokkenen in het leven geroepen schijn, waaraan naar
geldende opvattingen in het maatschappelijk verkeer de conclusie mag
worden getrokken dat er sprake is van een economische eenheid;

2. relevant voor de feitelijke vaststelling van een economische eenheid
is de situatie dat de man en de vrouw elkaar daadwerkelijk financiele
middelen beschikbaar stellen of elkaar economische voordelen laten
genieten;

3. van doorslaggevende betekenis zijn, die feiten en omstandigheden, die
duiden op het voeren van een gezamenlijke huishouding, zonder dat getreden
wordt in de persoonlijke relatie van betrokkenen, zoals: -het in dezelfde
woning samenwonen, -wederzijdse verzorging, -het beschikken over elkaars
bankrekening, -het door de vrouw regelmatig geld ontvangen van de man,
-het wederzijds verrichten van diensten, zoals vervoeren per auto, -indien
het adres van mevrouw bijvoorbeeld bij de bedrijfsvereniging voor
controles ingevolge de Ziektewet, als verblijfsadres van de man is
opgegeven.

Dit brengt mee, dat de door eiseres van gedaagde gevorderde verklaring
haar niet de zekerheid kan verschaffen, die zij daarvan verwacht. De
conclusie is dat eiseres niet geacht kan worden enig belang te hebben, dat
in rechte bescherming verdient.

3.3. Het recht op privacy

Mede ter voorkoming van de hervatting van de uitkeringscontrole heeft
eiseres een beroep gedaan op de eerbiediging van haar persoonlijke
levenssfeer als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag. Voorshands
moet worden geoordeeld, dat gedaagde bij afweging van de openbare
orde-belangen enerzijds, en de door eiseres genoemde belangen anderzijds,
in redelijkheid de doorslag heeft kunnen geven aan het belang van de
openbare orde. Daarbij wordt in aanmerking genomen, dat gedaagde bij monde
van J.A.H.M. Mastbroek ter terechtzitting heeft verklaard dat voorafgaand
aan eventuele controleacties in de toekomst eerst overleg met eiseres zal
worden gevoerd. Op grond van die toezegging moet vrees voor inmenging van
gedaagde in de persoonlijke levenssfeer van eiseres voorshands ongegrond
worden geacht.

3.4. Conclusie Uit het bovenstaande volgt dat geen van beide gronden kan
leiden tot toewijzing van de vordering. Die zal dan ook worden afgewezen.
Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in
de proceskosten.”

Ten aanzien van het geding in hoger beroep:

Bij deurwaardersexploit d.d. 7 mei 1985 is W van dit vonnis in hoger
beroep gekomen, met dagvaarding van de gemeente ter terechtzitting van dit
hof, waarna W een memorie van grieven heeft genomen en daarin twee grieven
heeft aangevoerd. Vervolgens heeft de gemeente deze grieven bij antwoord
bestreden, daarbij een produktie in het geding brengend, en heeft zij
tevens harerzijds incidenteel geappeleerd, zulks onder aanvoering van drie
grieven. W heeft deze grieven op haar beurt bij antwoord bestreden, waarna
beide partijen de zaak bij het hof hebben doen bepleiten, W door mevrouw
mr. A.M.M. Vosman, advocaat te Amsterdam, en de gemeente door haar
procureur, in beide gevallen aan de hand van pleitnotities en, wat de
gemeente betreft, onder verwijzing naar produkties die tegelijkertijd bij
akte in het geding werden gebracht. Tenslotte hebben partijen, onder
overlegging van de stukken, waaronder ook die van de eerste aanleg en
voorts de pleitnotities in hoger beroep, arrest gevraagd.

Ten aanzien van het recht:

In het principaal en het incidenteel appel:

(1) Tegen de vaststelling van de feiten in punt 1 van het vonnis waarvan
beroep zijn geen grieven aangevoerd, zodat deze feiten ook in hoger beroep
vaststaan en het hof bij de beoordeling van het geschil, evenals de
president, van de juistheid van die feiten uitgaan.

In het principaal appel:

(2) In eerste aanleg kwam de eis van appellante hierop neer, dat
geintimeerde haar moest mededelen, hoeveel dagen in de week haar vriend
bij haar in huis mocht verblijven zonder dat er sprake was van een
economische eenheid als bedoeld in artikel 5 van de Algemene Bijstandswet.

(3) In hoger beroep heeft appellante haar eis in die zin gewijzigd dat zij
thans, in plaats van het zoeven gestelde, alsnog is gaan vorderen “de
gemeente Alkemade te verbieden verdere opsporingsaktiviteiten te
ontwikkelen met betrekking tot al dan niet het verkeren van mevrouw W in
de situatie van art. 5 ABW zolang zich geen omstandigheden voordoen die
volgens nu bekend gemaakte beleidskriteria, zoals die ontwikkeld zijn in
de jurisprudentie van de Kroon, duiden op een situatie als bedoeld in art.
5 ABW ofwel tot het moment dat de gemeente aan mevrouw W heeft bekend
gemaakt welke beleidskriteria -anders dan de Kroon- zij hanteert bij het
vaststellen of er sprake is van een situatie als bedoeld in art. 5 ABW”.

(4) Als eerste grief heeft appellante aangevoerd dat de president, na een
korte samenvatting van de heersende jurisprudentie van de Kroon, ten
onrechte heeft geconcludeerd dat de door appellante gevorderde mededeling
haar niet de zekerheid kon verschaffen, die zij daarvan verwachte, iets
wat appellante vooral daarom onjuist acht omdat de president, haars
inziens terecht, tevens van mening was dat op grond van het
rechtszekerheidsbeginsel geintimeerde verplicht is om appellante
“duidelijkheid te verschaffen omtrent haar rechten en verplichtingen in
verband met de toekenning van een bijstandsuitkering”.

(5) Blijkens de toelichting op deze grief kan appellante aanvaarden dat
de vraag of er sprake is van een gezinssituatie als bedoeld in artikel 5
Algemene Bijstandswet beoordeeld moet worden “aan de hand van vele
factoren die van geval tot geval in gewicht kunnen verschillen”. Zij meent
echter -zoals uit haar in hoger beroep gewijzigde vordering eveneens
blijkt (“
.. anders dan de Kroon …”) -dat geintimeerde zich bij haar beleid “in
het geheel niet” stoort aan de jurisprudentie van de Kroon. Zij wenst dus
kennelijk omtrent dat afwijkende beleid informatie van geintimeerde te
ontvangen en heeft in haar grief blijkbaar daarop het oog.

(6) Naar het oordeel van het hof heeft appellante bij deze grief geen
belang nu zij haar vordering in eerste aanleg, strekkende tot
informatie-verschaffing door geintimeerde, in hoger beroep heeft laten
varen. Dat geintimeerde zich aan de jurisprudentie van de Kroon “in het
geheel niet” zou storen, lijkt overigens voorshands niet erg aannemelijk,
nu immers de bestuurscommissie Beroepszaken Algemene Bijstandswet van de
Provincie Zuid-Holland blijkens haar in hoger beroep overgelegde
beslissing d.d. 27 februari 1986 van oordeel is, dat geintimeerde in casu
terecht een gezinssituatie als bedoeld in artikel 5 van de Algemene
Bijstandswet heeft aangenomen en daarom terecht de uitkering van
appellante per 1 maart 1985 heeft beeindigd.

(7) In haar tweede grief bestrijdt appellante het oordeel van de president
dat geintimeerde bij het afwegen van de openbare orde belangen enerzijds
en de door appellante genoemde belangen anderzijds “in redelijkheid de
doorslag heeft kunnen geven aan het belang van de openbare orde”.

(8) Blijkens de toelichting op deze grief is appellante van oordeel dat
door de in casu gevolgde opsporingswijze artikel 8 van het Verdrag van
Rome, betrekking hebbende op de privacy van de burger, met voeten is
getreden en ook in de toekomst dreigt te worden geschonden. In dit verband
maakt appellante een vergelijking met de positie van een “potentiele
verdachte”: zij meent namelijk dat de bescherming die in Nederland “de
potentiele verdachte aan een strafbaar feit heeft” ook de
bijstandsgerechtigde behoort te hebben. Bij haar pleidooi is de
raadsvrouwe van appellante hierop nader ingegaan en heeft zij gesteld dat
het lijkt alsof men in Nederland beter van een strafbaar feit kan worden
verdacht dan dat men bijstand geniet omdat in het laatste geval de privacy
tot “vrijwel niets” wordt gereduceerd.

(9) Dienaangaande is van belang dat in casu appellante naar aanleiding van
een bij geintimeerde binnengekomen “tip” volgens welke appellante
“vermoedelijk al sedert augustus 1984 zou samenwonen met de heer S”
gedurende ruim drie maanden is geobserveerd door een ambtenaar die zijn
waarnemingen vanaf de openbare weg heeft gedaan en zijn bevindingen in een
rapport heeft neergelegd en dat geintimeerde op grond daarvan de bijstand
van appellante per 1 maart 1985 heeft beeindigd.

(10) Hierboven bleek reeds dat dit laatste door de Bestuurscommissie
Beroepszaken Algemene Bijstandswet van de Provincie Zuid-Holland als een
juiste maatregel is bekrachtigd en dat dus bedoelde “tip”, achteraf
gezien, feitelijk niet van elke grond was ontbloot. Appellante heeft
trouwens haar relatie met de heer S ook toegegeven.

(11) Gezien het bovenstaande en mede gezien het feit dat geintimeerde
blijkens artikel 30 van de Algemene Bijstandswet bevoegd was een onderzoek
te doen naar al datgene “wat van belang is voor de verlening van bijstand
of de voortzetting van verleende bijstand” en blijkens artikel 84d van die
wet zelfs bevoegd was om in dat onderzoek ook derden te betrekken, is het
hof van oordeel, dat geintimeerde artikel 8 van het Verdrag van Rome niet
heeft geschonden: voorzover immers de privacy van appellante in casu werd
aangetast, vond deze aantasting haar rechtvaardiging in de zoeven vermelde
wettelijke bepalingen en in het feit dat deze bepalingen overeenkomstig
artikel 8 lid 2 van het Verdrag van Rome beschouwd moeten worden als
“necessary in a democratic society in the interests of … the economic
well-being of the country”.

(12) De door appellante gemaakte vergelijking met een “potentiele
verdachte” gaat zeker niet op. Het behoeft immers nauwelijks betoog dat
de in het strafprocesrecht erkende opsporingsbevoegdheden voor de
verdachte een veel scherpere aantasting van zijn privacy betekenen dan de
in casu gevolgde opsporingswijze. Daartoe behoeft men slechts te denken
aan de mogelijkheid van een onderzoek aan het lichaam of de kleding van
een verdachte en aan de mogelijkheid van huiszoeking.

(13) Het hof acht derhalve de tweede grief eveneens ondeugdelijk en is op
grond van het bovenstaande van oordeel dat het vonnis waarvan beroep,
waarbij de oorspronkelijk ingestelde vordering werd afgewezen, moet worden
bekrachtigd en dat de vordering zoals die in hoger beroep werd ingesteld
hetzelfde lot moet ondergaan. Daarbij neemt het hof nog in het bijzonder
in aanmerking dat de in eerste aanleg namens geintimeerde gedane
toezegging, hierop neerkomend dat bij eventuele nieuwe kontrole-acties
tevoren overleg met appellante zal worden gepleegd, in hoger beroep
gestand is gedaan. Voorshands moet ervan worden uitgegaan dat, als
geintimeerde na overleg met appellante andermaal tot controle- acties zou
overgaan het onderzoek slechts gericht zal zijn op relevante feiten en
omstandigheden en dat daarbij een redelijke verhouding tussen de gerezen
vermoedens en de gebezigde onderzoeksmethode niet uit het oog zal worden
verloren.

In het incidenteel appel:

(14) De in dit verband opgeworpen grieven zijn uitsluitend gericht tegen
de gronden waarop het vonnis berust. De eerste grief komt hierop neer dat
de president ten onrecht op grond van het “rechtszekerheidsbeginsel” heeft
geoordeeld dat appellante verplicht is geintimeerde duidelijkheid te
verschaffen omtrent haar rechten en verplichtingen in verband met de
toekenning van een bijstandsuitkering”. Volgens de tweede grief heeft de
president voorshands ten onrechte geoordeeld dat appellante bij het
afwegen van de openbare orde -belangen enerzijds en de door geintimeerde
genoemde belangen anderzijds” in redelijkheid de doorslag heeft kunnen
geven aan het belang van de openbare orde”. En wat tenslotte de derde
grief betreft: deze komt letterlijk hierop neer dat de president “de
vordering in prima ” ten onrechte niet heeft afgewezen op grond van het
feit dat zij “strijdig zijn met het bij en krachtens de Algemene
Bijstandswet bepaalde”.

(15) Het belang van deze grieven is, gelet op de overwegingen in het
principaal appel, niet erg duidelijk. In het licht van de aldaar vermelde
eis-wijziging is zowel de eerste grief als de derde grief niet meer
relevant. En wat de tweede grief betreft: blijkens de hierop gegeven
toelichting meent appellante, dat de circa 800 gemeente besturen in
Nederland bij de uitvoering van de Algemene Bijstandswet geen enkele
beleidsruimte of zeggenschap hebben en dat voor een belangenafweging
derhalve geen plaats is, zulks echter naar het oordeel van het hof ten
onrechte, aangezien een gemeente wel degelijk behoort af te wegen of een
privacy-gevoelig onderzoek als het onderhavige door een bepaalde “tip”
wordt gerechtvaardigd. Derhalve treft geen van deze grieven doel.

In het principaal en het incidenteel appel:

(16) In verband met het bovenstaande behoren partijen over en weer in de
kosten te worden veroordeeld.

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding:

In het principaal appel:

Bekrachtigt het door de president van de arrondissementsrechtbank te Den
Haag in de onderhavige zaak gewezen vonnis d.d. 23 april 1985.

Wijst af de vordering zoals die in hoger beroep door appellante werd
ingesteld.

Veroordeelt appellante in de kosten van dit beroep en begroot deze kosten
tot op heden aan de zijde van geintimeerde op ƒ 3.600,= (drieduizend
zeshonderd gulden).

In het incidenteel appel:

Verwerpt het beroep.

Veroordeelt appellante in de kosten van dit beroep en begroot deze kosten
tot op heden aan de zijde van geintimeerde op ƒ 1.800,=(eenduizend
achthonderd gulden), voor salaris (f 1.800,=), welk bedrag ingevolge de
wet aan de griffier van dit hof moet worden voldaan.

Rechters

Mrs. Jansen, raadsheer, voorzitter, Heyning-Plate, raadsheer, enSterk, raadsheer-plaatsvervanger

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 21 mei 1986

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Is er sprake van de voortzetting van een arbeidsovereenkomst of is de
arbeidsovereenkomst gevolgd door een afroepcontract?

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Bij dagvaarding is eiseres, verder S., in hoger beroep gekomen van het
vonnis, op 9 januari 1985 door de kantonrechter te Amsterdam tussen
partijen gewezen, met conclusie tot vernietiging van dat vonnis en tot
toewijzing alsnog van haar vorderingen.

S. heeft bij memorie een grief aangevoerd met conclusie zoals vermeld in
genoemde dagvaarding.

Bij memorie van antwoord heeft gedaagde, verder Hertel BV, de grief van
S. bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep en tot
bevestiging van genoemd vonnis.

Ter terechtzitting van deze rechtbank van 13 maart 1986 hebben partijen
hun standpunten doen bepleiten, S. door haar procureur en Hertel BV door
mr J.S.A.M. Schokkenbroek, advocaat te Amsterdam.

Daarop hebben partijen de stukken van het geding, waaronder de
pleitnotities en de stukken van de eerste aanleg, aan de rechtbank
overgelegd en vonnis gevraagd.

Gronden van de beslissing

1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

2. De grief van S. luidt: “ten onrechte heeft de kantonrechter de
vorderingen van appellante -in eerste instantie eiseres- afgewezen op de
daaraan ten grondslag liggende rechtsoverwegingen. Ten onrechte heeft de
kantonrechter die rechtsoverwegingen beslissend geacht voor het oordeel
dat de vorderingen moeten worden afgewezen.”

3. Tussen partijen staat voorzover thans van belang als enerzijds gesteld
en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende weersproken en op
grond van de in zoverre niet betwiste producties het volgende vast:

a. Van 6 juli 1981 tot 1 maart 1982 heeft S. op basis van een
afroepcontract werkzaamheden verricht ten behoeve van Hertel BV.

b. Partijen hebben schriftelijk een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
gesloten, ingaand op 1 maart 1982 en met als afloopdatum 1 maart 1983. In
die periode verdiende S. ƒ 1.106,74 bruto per maand plus vakantiebijslag
bij een 3,5- urige werkdag. Haar werkrooster was van maandag tot en met
vrijdag, en wel van 9.00 tot 12.30 uur.

c. Hertel BV heeft een brief d.d. 24 februari 1983 aan S. doen toekomen,
inhoudend: “In het gesprek d.d. 24-01-1983 tussen U en mevr. H is U
medegedeeld, dat Uw arbeidskontrakt voor bepaalde tijd niet per 01-03-1983
omgezet zal worden in een arbeidskontrakt voor onbepaalde tijd, dit in
verband met het feit dat de werkzaamheden in de vestiging Amsterdam en in
het bijzonder op de afdeling boekhouding sterk zijn teruggelopen.

U heeft zich echter wel bereid verklaard met ingang van 1 maart 1983,
indien op de afdeling boekhouding assistentie nodig mocht zijn, deze
afdeling te assisteren bij het verrichten van alle voorkomende
werkzaamheden, tegen een bruto uurloon van ƒ 19,75 per uur. In dit bedrag
is verrekend de 13e maand en het vakantiegeld.

Het aantal uren per week zal in overleg met de heer J van week tot week
geregeld worden.”

d. Van 1 maart 1983 tot 19 april 1984 heeft S. per maand lijsten opgesteld
waarin zij het door haar per dag gewerkte aantal uren noteerde. Blijkens
die lijsten verrichtte zij per werkdag doorgaans tenminste 3,5 uur.

e. S. heeft zich bereid verklaard om op en na 19 april 1984 arbeid ten
behoeve van Hertel BV te blijven verrichten. Van deze bereidheid heeft
Hertel BV geen gebruik gemaakt.

4. Mede blijkens de toelichting op haar grief heeft S. het geschil tussen
partijen in volle omvang aan de rechtbank willen voorleggen. Zij heeft
primair gesteld dat partijen per 1 maart 1983 een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd zijn aangegaan, en dat Hertel BV haar te verstaan heeft
gegeven dat zij per 19 april 1984 bij gebrek aan werk niet meer behoefde
te komen. Deze mededeling heeft zij als een ontslag op staande voet
opgevat. Zij vordert betaling van loon ad ƒ 1.583,96 bruto per maand
vermeerderd met 8% vakantiebijslag, wettelijke verhoging en rente, alsmede
veroordeling van Hertel BV om met haar in overleg te treden om de
vakantieperiode met behoud van loon te bepalen.

Hertel BV heeft -samengevat- de vordering als volgt bestreden. De tussen
partijen per 1 maart 1983 gesloten overeenkomst is voor onbepaalde tijd
aangegaan. Deze overeenkomst bevat een oproepclausule, die meebrengt dat
op haar niet de verplichting rust om S. werk aan te bieden, dat S. geen
tewerkstelling kan vorderen en dat zij niet verplicht is aan een oproep
van Hertel BV gehoor te geven. Hertel BV heeft primair betoogd dat
genoemde overeenkomst geen arbeidsovereenkomst is, en subsidiair, mocht
wel van een arbeidsovereenkomst gesproken dienen te worden, dat zij uit
hoofde van goed werkgeverschap in april 1984 voor twee hele dagen per week
heeft aangeboden aan S., hetgeen deze geweigerd heeft.

5. S. heeft het overeenkomen van de op- of afroepclausule gemotiveerd
betwist, alsmede ontkend dat Hertel BV laatstgenoemd aanbod aan haar heeft
gedaan. Bovendien heeft zij te kennen gegeven in verband met haar
huiselijke situatie verandering in de werktijden niet te kunnen
accepteren.

6. De standpunten van partijen leiden tot de volgende vragen: a. Is sedert
1 april 1983 tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
van kracht? b. Heeft mevrouw S. op voet van die overeenkomst vanaf 19
april 1984 tegenover Hertel BV aanspraak op loon? Op beide vragen luidt
het antwoord bevestigend op grond van het volgende.

7. Ad vraag a: De tussen partijen gesloten overeenkomst, zoals belichaamd
in de onder 3.c weergegeven brief, bevat niet de op- of afroepclausule in
door Hertel BV bedoelde zin. In die brief komt aan de orde het teruglopen
van werkzaamheden, de bereidverklaring van mevrouw S. en een wekelijkse
regeling van het aantal te werken uren. Dat hield en houdt echter
geenszins in, zoals Hertel BV betoogd heeft, dat zij gerechtigd zou zijn
mevrouw S. alleen arbeid te laten verrichten, of dat mevrouw S. slechts
behoefde te werken, al naar gelang het haar, Hertel BV respectievelijk
mevrouw S. uitkwam. Bovendien blijkt het beweerdelijke op- of
afroepkarakter van de overeenkomst ook niet uit de feitelijke gang van
zaken. Mevrouw S. heeft immers vanaf 1 maart 1983 tot 19 april 1984
nagenoeg elke dag gedurende tenminste 3,5 uur ten behoeve van Hertel BV
arbeid verricht, terwijl niet is gesteld of gebleken dat laatstgenoemde
mevrouw S. in die periode ooit heeft opgeroepen.

8. Nu het door Hertel BV bedoelde oproepkarakter in de overeenkomst die
tussen partijen per 1 maart 1983 van kracht werd, juridisch en feitelijk,
ontbreekt, moet gesproken worden van een arbeidsovereenkomst in de
gebruikelijke zin. Mevrouw S. was namelijk verplicht ten behoeve van
Hertel BV arbeid te verrichten en hier tegenover diende Hertel BV aan
mevrouw S. loon te betalen en voorts was mevrouw S. aan Hertel BV
ondergeschikt.

9. Mevrouw S. heeft ten onrechte de mededeling van Hertel BV, dat zij,
mevrouw S. per 19 april 1984 niet meer behoefde te komen, als een ontslag
op staande voet opgevat. Die mededeling hield, zoals Hertel BV heeft
betoogd, geen opzegging in. De arbeidsovereenkomst is dan ook blijven
voortduren.

10. Ad vraag b: Nu vaststaat dat mevrouw S. zich bereid heeft verklaard
haar arbeid te blijven verrichten per 19 april 1984, en Hertel BV van die
bereidheid geen gebruik heeft gemaakt, heeft mevrouw S., gelet op het
voortduren van de arbeidsovereenkomst, tegenover Hertel BV haar aanspraak
op loon behouden. Zelfs al kwam vast te staan dat Hertel BV, zoals deze
beweerd heeft, aan mevrouw S. aangeboden heeft om voortaan twee hele dagen
per week te werken, dan nog was mevrouw S. niet gehouden dat aanbod te
aanvaarden in de gegeven omstandigheden: zij werkte reeds vanaf 1 maart
1982, zoals vaststaat, (circa) 3,5 uur per dag, en wel -mede blijkens
onder 3.d bedoelde en in zoverre niet betwiste lijsten- doorgaans van 9.00
tot 12.30 uur; zij heeft onweersproken aangevoerd dat zij medio maart 1984
naar Purmerend is verhuisd, alwaar zij geen opvang had voor haar toen vier
jaar oude dochtertje.

11. In voornoemde arbeidsovereenkomst hebben partijen niet vastgelegd
hoeveel uren mevrouw S. per week diende te werken. Blijkens de lijsten,
die mevrouw S. heeft opgemaakt en die niet zijn betwist, wisselde haar
werktijd, zij het dat zij doorgaans in ieder geval 3,5 uur per dag werkte.
Mevrouw S. heeft het door haar gevorderde bedrag van ƒ 1583,96 bruto niet
gespecificeerd. De rechtbank zal met inachtneming van genoemd aantal van
3,5 uur naar billijkheid en redelijkheid het te betalen bruto maandloon
bepalen op: 5 x 3,5 x 13/3 x ƒ 19,75= ƒ 1497,05.

12. In de gegeven omstandigheden bestaat er, anders dan Hertel BV
kennelijk naar analogie van artikel 1639r BW verzocht heeft, geen
aanleiding tot matiging van de loonaanspraak van S.

13. Met betrekking tot de gevorderde vakantiebijslag en vakantiedagen
heeft Hertel BV betoogd dat zij die al betaald heeft, doordat die
aanspraken in het salaris van S. waren geincorporeerd.

14. Blijkens de onder 3.b weergegeven overeenkomst was in het
bruto-uurloon ad ƒ 19,75 vakantiegeld inbegrepen. Onder deze term wordt
in het spraakgebruik de vakantiebijslag verstaan. Hiertegenover heeft
Hertel BV geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen
dat partijen met die term tevens een vergoeding terzake van vakantiedagen
hebben bedoeld, nog afgezien van het bepaalde in artikel 1638 kk van het
BW. Ten processe wordt dan ook van vakantiegeld in de zin van
vakantiebijslag uitgegaan.

15. S. vordert vakantiebijslag vanaf 1 maart 1983 in weerwil van de
gebruikte term vakantiegeld, kennelijk omdat een desbetrefffend door
partijen gemaakt beding ingevolge artikel 19 van de Wet Minimumloon en
Minimumvakantiebijslag nietig is. Dit moge zo zijn, doch dit betekent niet
dat S., nu zij reeds haar vakantiebijslag tot 19 pril 1984 heeft genoten,
thans andermaal tot die datum aanspraak op die toeslag kan doen gelden.
Dit geldt temeer nu niet is gesteld of gebleken dat S. per 30 juni 1983
op (aparte) vakantiebijslag aanspraak heeft gemaakt. Evenmin komt haar na
die datum (aparte) vakantiebijslag toe nu dat in het hiervoor onder 11.
berekende salaris is begrepen.

16. Nu het ervoor gehouden moet worden dat partijen omtrent vakantiedagen
niets zijn overeengekomen en, gelet op het desbetreffende niet betwiste
standpunt van S., dat zij niet of slechts ten dele vakantie genoten heeft,
is haar vordering terzake, zij het met inachtneming van artikel 1638 II
van het BW, toewijsbaar.

17. Gelet op de omstandigheden van het geval, zoals hiervoor vermeld, is
het billijk de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot nihil.

18. Samengevat leidt het vorenstaande tot vernietiging van het vonnis van
de kantonrechter en tot toewijzing van de vordering van S. met
uitzondering van de afzonderlijk gevorderde vakantiebijslag, zulks met
matiging van de wettelijke verhoging tot nihil. Hertel BV dient als in het
ongelijk gestelde partij de gedingkosten in eerste instantie en in hoger
beroep te dragen( …).

Rechters

Mrs. van Staveren, Muskens, Van der Heijden

Instantie: President van de Arrondissementsrechtbank Alkmaar, 20 mei 1986

Instantie

President van de Arrondissementsrechtbank Alkmaar

Samenvatting


Eiseressen vorderen:

primair: dat gedaagde twee van de eiseressen binnen een week na het in
deze te wijzen vonnis en de andere eiseres zodra zij hersteld verklaard is, in
staat zal stellen hun werkzaamheden te hervatten, alsmede dat gedaagde de
beide bij haar werkzame koks te zelfder tijd op non-actief zal stellen

subsidiair: dat gedaagde twee van de eiseressen binnen een week na het
in deze te wijzen vonnis en de andere eiseres na haar herstelverklaring in
staat zal stellen passend werk bij gedaagde te verrichten in afwachting van
een definitieve oplossing van het geschil

De drie eiseressen zijn als huishoudelijke medewerksters bij gedaagde in
dienstbetrekking. Hun werkzaamheden dienen zij te verrichten, deels onder
leiding van de chef-kok, voorzover het werkzaamheden in of met betrekking tot
de keuken betreft, deels onder leiding van het hoofd van de huishoudelijke
dienst, voorzover het alle andere werkzaamheden betreft. Gedaagde heeft
eiseressen met ingang van maandag 10 februari 1986 met behoud van salaris
geschorst en op diezelfde dag een verzoek gericht aan de Directeur van het
Gewestelijk Arbeidsbureau te Alkmaar om gedaagde vergunning te verlenen de
arbeidsovereenkomst met eiseressen te beeindigen

De reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst komt hierop neer dat
eiseressen opdrachten van de chef-kok en het hoofd van de huishoudelijke
dienst niet uitvoeren dan wel op die opdrachten (negatief) commentaar hebben
Ook gedroegen eiseressen zich vaak brutaal en nonchalant tegen de koks,
met name de chef-kok. Er zijn twee gesprekken met de eiseressen gevoerd
door de directrice en hieruit bleek dat eiseressen hun gedrag niet wilden
veranderen

Volgens eiseressen is de oorzaak van de onwerkbare situatie het gedrag
van beide bij gedaagde in dienst zijnde koks, die met name jegens eiseressen
zich te buiten zouden gaan aan kwetsende, veelal seksueel getinte opmerkingen,
handtastelijkheden en ongefundeerde scheldpartijen. Deze verklaringen
worden ondersteund door verklaringen van ex-werkneemsters. De koks
ontkennen dit

Het blijkt niet dat de schorsing van eiseressen niet op een redelijke
grond is gebaseerd aangezien de verstoorde arbeidssituatie niet uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend moet worden toegerekend aan de betrokken gedragingen van
de beide koks

Aangezien de primaire vordering uit een onsplitsbaar geheel bestaat en
de inmiddels verstreken duur van de schorsing niet eenzijdig aan gedaagde toe
te rekenen is, moet deze worden afgewezen

Aangezien binnen de kleine arbeidsgemeenschap van gedaagde moeilijk
passend werk voor eiseressen te vinden is moet ook het subsidiair gevorderde
worden afgewezen

Eiseressen worden verwezen in de kosten van dit geding

Volledige tekst

Rechters

Mr. H. de Brui, Vice-President, fungerend President van deArrondissementsrechtbank te Alkmaar

Instantie: Rechtbank Zutphen, 1 mei 1986

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit en veroordeelt
de man aan de vrouw ƒ 1.000,– (duizend gulden) per maand alimentatie te
betalen

Zie verder de uitspraken in deze zaak van de Rechtbank Zutphen, d.d. 15
augustus 1989, Rekestnummers 1655v/88 en 152v/89 en het Gerechtshof Arnhem
d.d. 16 januari 1990, rekestnummer 380/89

Volledige tekst

De arrondissementsrechtbank te Zutphen, eerste enkelvoudige kamer voor
burgerlijke zaken;

gehoord de eisende partij, verder te noemen de vrouw en gezien de
stukken;

overwegende ten aanzien van de feiten:

nadat tegen de gedaagde partij, verder te noemen de man, verstek is
verleend, heeft de vrouw bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van
eis gesteld en gevorderd zoals in de aan dit vonnis gehechte fotokopie van
die dagvaarding is te lezen; daarna zijn de processtukken overgelegd en is
vonnis gevraagd;

ten aanzien van het recht:

het gestelde met betrekking tot der partijen nationaliteit,
huwelijksvoltrekking, huwelijksgoederenregime en de geboorte van de thans nog
minderjarige kinderen staat als niet weersproken – en voorzover nodig
gestaafd door de overgelegde authentieke bescheiden – vast;

nu alle voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen
en de vordering tot echtscheiding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond
voorkomt, moet deze als volgt worden toegewezen;

de met de hoofdvordering samenhangende vorderingen komen de rechtbank
evenmin onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze eveneens behoren te worden
toegewezen;

de beslissing omtrent de gezagsuitoefening over de minderjarige kinderen
van partijen en een eventueel door de vader te betalen bijdrage in de kosten
van verzorging en opvoeding zal worden aangehouden tot het hierna te bepalen
verhoor zal hebben plaatsgehad, omdat de raad voor de kinderbescherming
daarover dient te worden gehoord en de kinderen van partijen in de gelegenheid
dienen te worden gesteld omtrent die gezagsuitoefening hun mening aan de
rechtbank kenbaar te maken;

rechtdoende bij verstek:

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 19 november 1965 te
Brummen met elkander gehuwd;

veroordeelt de man van de dag, waarop dit vonnis zal zijn ingeschreven
in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw voor
levensonderhoud te betalen de som van f.1000,– (duizend gulden) per maand
telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

veroordeelt partijen, nadat dit vonnis zal zijn ingeschreven in de
desbetreffende registers van de burgerlijke stand, met elkaar over te gaan
tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, met benoeming –
zo partijen niet binnen 14 dagen na deze inschrijving daaromtrent anders
zullen zijn overeengekomen – van L. Kostering, notaris ter standplaats
Deventer, tot de notaris, ten overstaan van wie de werkzaamheden van deze
scheiding en deling zullen plaatshebben op de door deze of de gekozen notaris
te bepalen plaats en tijd en tot onzijdige personen van mr. M.M. Setz,
advocaat te Deventer, om de vrouw en, van mr. J. ter Haar, advocaat te
Deventer, om de man als bewindvoerder op de voet van artikel 410, Boek 1, van
het Burgerlijk Wetboek te vertegenwoordigen, zo een van hen in gebreke blijft
op de voor die scheiding en deling bepaalde plaats en tijd te verschijnen, of
verschenen zijnde, mocht weigeren aan de scheiding en deling mede te werken;

bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag, waarop dit vonnis in kracht
van gewijsde is gegaan, huurster zal zijn van de woning aan (…) te (…);

bepaalt, dat het verhoor van partijen ter voorziening in het gezag over
hun minderjarige kinderen: R., geboren op (…) te (…), I., geboren op
(…) te (…) zal plaatsvinden op een door de kinderrechter in deze zaak
nader te bepalen dag en uur; de procureur kan zich daaromtrent uitlaten ter
rolzitting van 12 juni 1986;

compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere partij met de
eigen kosten belast blijft

Rechters

Mr. M.J. van Loo-Janssen