Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 17 maart 1977

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Een man kan zich niet verweren tegen een vaderschapsactie met de stelling
dat het falen van de anticonceptiepil niet aan hem te wijten is. Mevrouw
E heeft een relatie gehad met de verwekker. In onderling overleg gebruikte
zij de anti-conceptiepil. Zij werd desondanks zwanger. Na de geboorte
start mevrouw E bij de rechtbank een procedure tegen de verwekker tot het
betalen van levensonderhoud voor haar kind. Zij vindt een geldelijke
bijdrage niet zo belangrijk, maar wel het vaststellen van het vaderschap
van haar kind, nu de verwekker alle verantwoordelijkheid afwijst. De
rechtbank wijst de vordering van de moeder toe. In hoger beroep voert P
ondermeer aan dat de moeder het kind volledig behoort te onderhouden nu
zij verantwoordelijk is voor de zwangerschap.

Volledige tekst

Overwegende ten aanzien van het recht: Het betoog van appellant bij de
grieven I en II komt hierop neer dat handelingen van man en vrouw
bestaande uit het willens en wetens verenigen van de geslachtsdelen
gepaard gaande met zaaduitstorting, geen gemeenschap in de zin der wet
zouden opleveren, in geval de betrokkenen niet de bedoeling hebben een
kind te verwekken, althans ingeval het ontbreken van die bedoeling
vergezeld gaat van het gebruik van een conceptie voorkomend middel,
althans een volstrekt betrouwbaar middel, en evenmin ingeval voornoemde
bedoeling ontbreekt bij een van de betrokkenen die ernstige en gegronde
redenen heeft aan te nemen dat vorengenoemde handelingen niet tot
zwangerschap kunnen leiden, of die door de ander in de waan is gebracht
of gelaten dat deze een middel, als hiervoor bedoeld gebruikt. Althans zou
in die gevallen het vermoeden van art. 394, lid 3, Boek 1 BW niet gelden.
Appellant ziet bij zijn betoog over het hoofd dat doel en strekking van
de wet is om het kind een aanspraak te geven op een uitkering tot
levensonderhoud jegens zijn vader. Daaruit volgt dat in een geding als het
onderhavige, waarin R zulk een uitkering van appellant vordert, geen
plaats is – plaats welke tekst en geschiedenis der wet evenmin laten –
voor een rol van bedoelingen of veronderstellingen van de betrokkenen of
voor de vraag wie de ‘schuld’ zou hebben aan de conceptie en voorts dat
onder gemeenschap in de zin van voornoemde wetsbepaling de bovengenoemde
handelingen zijn begrepen, ook in de gevallen als door appellant bedoeld.
De grieven I en II zijn derhalve ongegrond.

Bij grief III voert appellant aan dat de rechtbank ten onrechte heeft
overwogen niet in gemoede tot de overtuiging te zijn gekomen dat appellant
niet de vader is van R en betoogt hij dat de hieronder te noemen feiten
en omstandigheden de rechtbank die overtuiging hadden moeten bijbrengen.
Vaststaat dat appellant en de moeder in de periode van 3 tot 25 december
1972 met elkander gemeenschap hebben gehad. Tussen partijen staat voorts
vast dat R op 6 oktober 1973 is geboren. Die datum is niet zolang gelegen
na een mogelijke conceptie in genoemde periode dat een zwangerschap als
gevolg van die conceptie van uitzonderlijk lange duur zou zijn geweest.
Een en ander brengt het Hof dus niet tot vorenbedoelde overtuiging en
draagt daartoe ook niet bij. Het door appellant aangevoerde ‘lichtzinnige
handelen van de moeder met andere mannen’ heeft appellant niet anders
gepreciseerd, in eerste instantie, dan door verwijzing naar een
gebeurtenis op een avond in oktober 1972, waarbij een oude kennis van de
moeder zou zijn betrokken. Noch die gebeurtenis, noch de aard en de wijze
van samenwoning van de moeder en appellant, noch hun afspraak over het
gebruik van de conceptie voorkomende pil, een en ander zoals door
appellant gesteld, vermogen het Hof de in de grief bedoelde overtuiging
bij te brengen, nog daargelaten dat dit een en ander door geintimeerde
wordt ontkend. Ook al zou een en ander komen vast te staan dan zou toch
een aanzienlijke mogelijkheid blijven bestaan dat appellant de vader is
van R doordien hij in bovengenoemde periode gemeenschap heeft gehad met
de moeder terwijl zij de pil niet had genomen. Ook de onderhavige grief
moet derhalve worden verworpen.

Bij grief IV verwijt appellant de rechtbank dat zij zijn stelling heeft
verworpen dat geintimeerde misbruik maakt van, wat appellant noemt, haar
‘processuele bevoegdheid’ door de onderhavige vordering in te stellen.
Appellant voert in dat verband aan dat de moeder hem eens heeft geschreven
dat het haar niet om geld is te doen en voorts dat de moeder in staat is
R volledig te onderhouden, dat zij dit ook behoort te doen nu zij
‘verantwoordelijk voor de zwangerschap’ is geweest, dat de vordering
beperkt is tot een uitkering gedurende vijf jaren en dat het werkelijke
motief voor de vordering is om in rechte te doen vaststellen dat appellant
de vader is, welk motief ook zou blijken uit de aanvankelijk gevorderde
verklaring voor recht. Appellant ziet hierbij over het hoofd dat krachtens
art. 404 Boek 1 BW beide ouders verplicht zijn naar draagkracht bij te
dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige
kinderen zulks, blijkens art. 392, lid 2 van dat boek, ongeacht hun
behoeftigheid, dat derhalve de eventuele omstandigheid dat een der ouders
zonodig die kosten volledig zou kunnen dragen de andere ouder niet van
diens verplichting ontheft en dat de mate van ‘verantwoordelijkheid voor
de zwangerschap’ geen criterium kan zijn voor het bestaan van voornoemde
verplichting noch maatstaf voor de omvang ervan. Reeds hieruit volgt dat
van een misbruik zoals door appellant bedoeld geen sprake kan zijn, ook
al zou geintimeerde worden bewogen door een motief zoals door appellant
geschilderd. Voorzover appellant bezwaar maakt tegen de hoogte van de
gevorderde uitkering diene dat de rechtbank dienaangaande terecht de raad
voor de kinderbescherming wil horen en dat diens advies dient te worden
afgewacht. Ook grief IV is mitsdien ten onrechte voorgedragen.

Bij grief V beklaagt appellant er zich niet over dat hij door de Rechtbank
als de in het ongelijk gestelde partij is beschouwd ofschoon de Rechtbank
de mogelijkheid heeft opengelaten dat, als gevolg van het horen van de
Raad voor de Kinderbescherming, appellant zal worden veroordeeld tot een
lagere uitkering dan gevorderd. Hij betoogt slechts dat zijn
kostenveroordeling ten onrechte zou geschieden nu de vordering tot
verklaring voor recht is afgewezen, terwijl hij voorts aanvoert dat, als
zijn vaderschap wordt aangenomen, voor compensatie van kosten aanleiding
bestaat. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de afwijzing van
vorengenoemde vordering voor kostencompensatie geen voldoende aanleiding
is. Die vordering heeft slechts een ondergeschikte rol gespeeld. Na het
antwoord, in eerste instantie, van appellant is geintimeerde er bij
repliek niet meer op terug gekomen, al concludeerde zij “tot persistit”,
terwijl appellant er bij dupliek ook niet meer over repte. Voor
kostencompensatie omdat appellant de vader is, ziet het Hof in het
onderhavige geval evenmin aanleiding als de Rechtbank.

Het Hof bekrachtigt de uitspraak van de Rechtbank.

Rechters

Mrs. Stoffels, Veldstra, Van der Veen

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 januari 1970

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting

Mevrouw A heeft gewonnen

De KLM is boos

Volledige tekst

Rechters

mrs. A.G Castermans, E. Brons, A. Hendriks

Instantie: Rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Middelburg, 1 januari 1970

Instantie

Rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Verlenging stage advocaat bij zwangerschapsverlof
 

Waarom is de uitspraak interessant?

Deze uitspraak betreft een aanvraag om voortgezet verblijf na beëindiging
huwelijk wegens geweld binnen de familie. Interessant zijn met name de
overwegingen van de rechtbank m.b.t. het bewijs.

Volledige tekst

Eiseres doet een beroep op Wijziging Bericht Vreemdelingencirculaire

 

2004/26 (WBV 2004/26) van 30 maart 2004. Volgens dit beleid wordt, indien de(huwelijks)relatie op grond waarvan een afhankelijke verblijfsvergunning was afgegeven binnen drie jaar is verbroken, voortgezet verblijf toegestaan indien er sprake is van aantoonbaar (seksueel) geweld binnen de familie.

 

Geweld dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de

 

(huwelijks)relatie, wordt aangetoond aan de hand van een proces verbaal van aangifte en een verklaring van een (vertrouwens)arts. Verweerder stelt in dit geval dat het gestelde geweld niet voldoende is aangetoond omdat er geen sprake is van een aangifte. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval wel aan de gestelde bewijsvoorwaarden is voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank onder andere dat uit het mutatierapport van de politie blijkt dat er bij de politie een drietal meldingen van geweld binnen de huwelijksrelatie van eiseres bekend zijn, waarbij wordt vermeld dat er geen aangifte is opgenomen in verband met onvoldoende bewijs van daadwerkelijke mishandeling. "Naar het oordeel van de rechtbank kan het dientengevolge ontbreken van een formele aangifte eiseres thans niet worden verweten… Daarbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat het vervolg van een eventuele aangifte niet van belang is bij de toepassing van het beleid.

Rechters

J.F.I. Sinack

Instantie: Rechtbank Heerenveen, 1 november 1925

Instantie

Rechtbank Heerenveen

Samenvatting


Verdachte is op een nacht het huis van het slachtoffer binnengedrongen.
Hij heeft ontuchtige handelingen gepleegd met het slachtoffer terwijl het
slachtoffer in een diepe slaap was. De rechtbank oordeelt dat een slapende
is te beschouwen als iemand die in een staat van bewusteloosheid verkeert.
De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden.

Volledige tekst

De rechtbank enz Gelet op de vordering van het Openb. Min., strekkende dat
de Rechtbank den beeklaagde schuldig verklare aan het: 1e wederrechtelijk
dringen binnen de woning bij een ander in gebruik;

2e met iemand, van wie hij weet dat zij in staat van bewusteloosheid
verkeert, ontuchtige handelingen plegen;

en op grond van artt. 247 en 138 Strafrecht den beklaagde veroordeele tot
eene gevangenisstraf van 9 maanden, voorts in de kosten van het geding,
verhaalbaar bij lijfsdwang voor ten hoogste een maand, onder bepaling dat
de tijd door den veroordeelde voor de ten uitvoerlegging van die uitspraak
voorloopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de
gevangenisstraf geheel zal worden in mindering gebracht;

Gehoord den bekl. in zijne middelen van verdediging, namens hem
voorgedragen door zijnen, ambtshalve hem toegevoegden raadsman Mr J. van
Giffen, advocaat te Heereveen, die aan het slot van zijn pleidooi heeft
verzocht, dat de Rechtbank de onmiddellijke invrijheidstelling van
gedetineerde zoude gelasten;

Overwegende dat aan den bekl. bij dagvaarding is ten laste gelegd, dat hij
in den nacht van 25 op 26 Dec. 1894, onder verbreking van een
buitenvenster, door welke opening hij vervolgens is binnengeklommen,
wederrechtelijk is gedrongen binnen de woning in gebruik bij R.R. te
Oosterzee en voorts in die woning met eene vrouw, genaamd XY, ontuchtige
handelingen heeft gepleegd, door, terwijl deze te bed lag en hij wist dat
zij in diepen slaap was en daardoor in staat van bewusteloosheid of
onmacht verkeerde, op ontuchtige wijze met onbloote mannelijkheid op haar
is gaan liggen en haar bij en in hare schaamdeelen te betasten;

O. dat bekl. heeft bekend dat hij in den nacht van 25 op 26 Dec. 1984 te
Oosterzee de woning van get. R, is binnen gedrongen, zonder daartoe
vergunning te hebben, en wel op deze wijze, dat hij een venstertje,
hetwelk zich in den buitenmuur der schuur van die woning bevond, heeft
stukgebroken en vervolgens door de aldus ontstane opening zich naar binnen
heeft gewrongen, dat hij dit heeft gedaan met het doel om te komen bij de
getuige XY, van welke hij wist dat zij in bedoelde schuur sliep en met wie
hij – zoals ook vroeger al eens was geschied- vleeschelijke gemeenschap
wilde hebben, dat hij zich dan ook bij die getuige op hare legerstede
heeft begeven en met zijne hand haar buik heeft betast, waarop die
getuige, welke eerst slapende was, is wakker geworden;

dat hij met zijne ontbloote mannelijkheid in eene gebukte houding op die
getuige is gaan liggen en vleeschelijke gemeenschap met haar heeft
gepleegd, waarna hij haar heeft gevraagd “Weet je wel, wie hier bij je
is?” dat hij -toen die getuige daarop begon te roepen “O Heere, het is C”,
ijlings van bed is gesprongen, en ten einde de schuurdeur te kunnen
vinden, waardoor hij zich verwijderen kon, een lucifer heeft ontstoken:
dat hij buiten gekomen zich met zijn vriend M, den 3n getuige, die hem
aldaar opwachtte, heeft verwijderd;

O. dat de navolgende getuigen hebben verklaard: 1e XY, dat zij in den
nacht van 25 op 26 Dec. 1894 als gewoonlijk te bed liggende in de schuur
der woning van haren meeter, den 2n getuige, te zamen met diens 9jarig
zoontje, eenige beweging op en betasting van haar lichaam heeft gevoeld,
waardoor zij uit haar slaap is ontwaakt;

dat zij, eerst meenende dat bedoeld jongetje in bed rondwoelde, dezen
zulks verboden heeft, maar toen de bewegingen niet ophielden, al ras tot
de ontdekking kwam, dat er een manspersoon op haar lag en wel met zijn
mannelijk lid in haar schaamdeel;

dat zij, toen die persoon haar toevoegde “weet je nu wel wie ik ben”, aan
diens stem hem zeer duidelijk heeft herkend voor bekl., waarop zij met den
uitroep “o Heere, dat is C.” getracht heeft het jongetje wakker te krijgen
en dezen te bewegen zijn vader te roepen;

dat toen die persoon van bed is gesprongen en een lucifer heeft
aangestoken, bij welk schijnsel zij zeer bepaald den bekl. heeft herkend,
die zich vervolgens door de schuurdeur heeft verwijderd;

dat zij daarna haren meester R. met het voorval heeft in kennis gesteld;

2e R.R., dat hij in den nacht van 25 op 26 Dec. 1894, na door de vorige
getuige te zijn gewaarschuwd, dat er iemand in zijne woning te Oosterzee
was binnengedrongen, een onderzoek heeft ingesteld en daarbij heeft gezien
dat een venstertje in zijn schuur was verbroken en de schuurdeur
openstond;

dat iedere vreemde -wie hij dan ook moge zijn geweest- die in bedoelde
nacht zijne woning is binnengedrongen, zulks heeft gedaan wederrechtelijk,
daar hij aan niemand daartoe vergunning had gegeven;

3e A.M, dat hij in den nacht van 25 op 26 Dec. 1894 gezien heeft dat bekl.
een venstertje in de schuur der woning van getuige R. te Oosterzee heeft
opengemaakt en verbroken en daardoor zich binnen die woning heeft
gedrongen, welke hij, na daar ongeveer 15 minuten te hebben vertoefd,
weder door de schuurdeur heeft verlaten, bij welke gelegenheid getuige
heeft gezien, dat bekl. zijn broek nog open had;

O. dat door de bekentenis van den bekl. en de aanwijzingen, gelegen in de
verkla*ringen der getuigen, alles in onderling verband en samenhang
beschouwd, wettig en overtuigend is bewezen hetgeen den bekl. bij
dagvaarding is ten laste gelegd, alsmede zijne schud daaraan, met
uitzondering dat hij haar in de schaamdelen heeft betast, waarvan hij
mitsdien behoort te worden vrijgesproken;

O. dat de Rechtbank geen termen vindt, om overeenkomstig het verzoek des
verdedigers, de invrijheidstelling van den bekl. te gelasten;

O. dat de als bewezen aangenomen feiten opleveren de misdrijven van: 1e
in de woning bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen;

2e met iemand van wie hij weet, dat zij in staat van bewusteloosheid
verkeert, ontuchtige handelingen plegen;

waartegen is voorzien bij art. 138 al. 1 en 2 en 247 Strafrecht;

Gezien die artikelen en art. 57 Strafrecht;

Verklaart den bekl. schuldig aan bovenomschreven misdrijven;

Veroordeelt den schuldigverklaarde tot eene gevangenisstraf van 2 maanden:
Veroordeelt hem in de kosten van het rechtsgeding enz.;

Verklaart niet wettig in overtuigen bewezen hetgeen hem meer bij
dagvaarding is ten laste gelegd, dan als bewezen is aangenomen;

Spreekt hem daarvan vrij.

Rechters

Mrs Canter Cremers, Tromp

Instantie: Kantonrechter Haarlem, 9 december 1921

Instantie

Kantonrechter Haarlem

Samenvatting


De arbeidster, jegens wie door den werkgever gepleegd is aanranding
harer eerbaarheid, voor welk feit de werkgever bij strafvonnis is veroordeeld,
heeft ingevolge art. 1637w recht op vergoeding der dientengevolge geleden
morele en materiele schade

Volledige tekst

Rechters

Kantonrechter: mr. W.G. Del Baere

Instantie: Hoog Militair gerechtshof, 19 oktober 1906

Instantie

Hoog Militair gerechtshof

Samenvatting


De soldaat heeft ’s avonds zijn mede-soldaat die in dezelfde tent lag te
slapen onzedelijk betast. Het gaat nu om de betekenis van de woorden `in
staat van bewusteloosheid of onmacht’ in artikel 247 Strafrecht. Vallen
hieronder ontuchtige handelingen gepleegd met een slapende? De krijgsraad
meent van niet en het Hoog Militair gerechtshof is van oordeel dat ontuchtige
handelingen gepleegd met een slapende onder artikel 247 Strafrecht vallen.

Volledige tekst

De Krijgsraad enz,:
Gehoord de conclusie van eisch van den Auditeur-militair, strekkende tot
vrijspraak betrekkelijk, het eerste feit, enz,;
Overwegende, dat hij voor den Krijgsraad is gesteld als beschuldigd, dat hij
te Zeist in de legerplaats bij Zeist:
I. Op 22 Juli 1906 des avonds omstreeks 9 1/2 uur in een arrestantentent,
wetende dat de medebewoner dier tent A.W.C.P sliep, zijn pantalons heeft
losgemaakt, zijn geslachtsdeel heeft vastgegrepen en hem heeft pogen om te
werpen, althans die feiten heeft gepleegd in tegenwoordigheid zijns ondanks,
van F.W. van D.;
II enz:
O. betrekkelijk het eerste feit:
dat beklaagde heeft opgegeven, dat hij in den avond van 22 Juli 1906 wakker
in de politietent in de Legerplaats bij Zeist lag, met de soldaten van D. en
P.; dat hij niet wist of zij sliepen; dat hij de gulp van de broek van P.
heeft opengemaakt en zijn hand tusschen zijn beenen heeft gestoken en
mogelijk zijn mannelijkheid heeft aangeraakt; dat, toen P. dit bemerkte hij
de tent is uitgegaan; dat de reden voor zijn handelswijze was, dat hij uit
den dienst wilde gejaagd worden, op welke verklaring, hij later is
teruggekomen, erkennende wel onzedelijke bedoelingen bij het aangrijpen van
P. gehad te hebben; dat hij het feit in een zwak oogenblik gedaan heeft, maar
niet met de bedoeling om uit den dienst te geraken; daat hij verpleegde is
geweest op Mettray bij Zutphen en daar vaak onzedelijkheden tusschen jongens
gebeuren; dat hij zal zorgen dat zoo iets niet meer voorkomt;
dat de navolgende getuigen, allen in garnizoen te Utrecht en dienende bij het
regiment Genietroepen, onder eede hebben verklaard:
1e. A.W.C.P., soldaat, dat hij op 22 Juli 1906 in de politietent in de
Legerplaats Zeist lag te slapen tusschen beklaagde en van D.; dat hij wakker
werd, doordat beklaagde hem met zijn armen omvat had; dat beklaagde getuiges
onder- en bovenpantalon had losgemaakt en een hand op zijn hals en de ander
op zijn mannelijkheid had; dat beklaagde hem trachtte om te gooien en getuige
zag, dat hij ook zijn pantalon naar beneden had; dat beklaagdes mannelijkheid
ontbloot, maar niet stijf was; dat de tent eenigszins verlicht was; dat
beklaagde hem den geheelen dag had nageloopen en dien middag driemaal onder
het stoeien bij zijn mannelijkheid had gepakt, waarop hij beklaagde met een
eetketel gooide;
en 2e F.W. v. D. milicien-soldaat, dat hij op 22 Juli 1906 met beklaagde en
P. in de politietent in de Legerplaats bij Zeist was; dat hij ’s avonds door
den sergeant van de wacht gewekt werd en beklaagde alleen aanwezig zag; dat
hij dien middag gezien heeft, dat P door beklaagde eenige malen bij zijn
mannelijkheid gepakt werd, waarop deze driftig werd en hem met een eetketel
gooide;
dat door de gedeeltelijke bekentenis van beklaagde, bevestigd door de
beëdigde verklaring des eersten getuige, wettig en overtuigend bewezen is,
dat hij zich aan het primair hem te laste gelegde feit heeft schuldig
gemaakt;
Wat de strafbaarheid betreft, dat een slapende niet, volgens ons taaleigen,
in staat van bewusteloosheid of onmacht op een pathologischen toestand doelt
en zonder uitdrukkelijke wetsduiding het begrip slapend niet buiten zijn
natuurlijke betekenis mag gebruikt worden; dat de wetgever het in art. 81
Strafr. met het plegen van geweld gelijkstelt, het brengen in een staat van
bewusteloosheid of onmacht, welke gelijkstelling op zich zelf reeds
bezwaarlijk maakt den gewonen slaap als een van beteekenis met
bewusteloosheid of onmacht te beschouwen; dat het onaannemelijk is, dat de
wetgever, b.v. in art. 179 Strafr. een gevangenisstraf van ten hoogste, drie
jaren bedreigende tegen hem die door geweld of bedreiging met geweld een
ambtenaar dwingt tot het nalaten eener rechtmatige ambtsverrichting,
hieronder zou hebben willen begrijpen, het geval dat iemand een ambtenaar
door het zingen van een lied, het bespelen van een muziekinstrument of op
soortgelijke wijze in slaap had gebracht en zoodoende gedwongen tot het
nalaten eener rechtmatige ambtsverrichting;
Wat de subsidiaire telastelegging betreft, dat de hiervoren bewezen
verklaarde feiten wel in tegenwoordigheid van van D. zijn geschied, maar uit
zijn verklaring blijkt, dat hij geslapen heeft en dus niet geacht kan worden
– zijns ondanks – daarbij tegenwoordig te zijn geweest;
O. dat beklaagde derhalve van het hem in de eerste plaats primair en
subsidiair te laste gelegde behoort te worden vrijgesproken;
O. betrekkelijk het tweede feit enz.;
Verklaart het onder I primair te laste gelegde feit wettig en overtuigend
bewezen, zoomede beklaagdes schuld hieraan, doch niet strafbaar;
Verklaart het onder I subsidiair te laste gelegde feit niet wettig en
overtuigend bewezen;
Spreekt beklaagde vrij van het eerste hem te laste gelegde feit (1);
Laat over aan den commandeerenden officier de beslissing in hoeverre het
gepleegde feit met de instandhouding eener goede discipline en krijgstucht in
den militairen dienst bestaandbaar is;
Bepaalt dat de proceskosten, op dit deel der klacht vallende, blijven ten
laste van den Staat.
Betoog van den Advocaat-Fiscaal,
dat voorschreven vonnis berust op de volgende daarbij aangenomen feiten en
omstandigheden;
dat beklaagde te Zeist, in de Legerplaats bij Zeist, in den morgen van 23
Juli 1906, bij de pionieroefeningen onder leiding van korporaal C.H. toen
deze hem meermalen gelastte een paal in den grond te slaan, telkens heeft
geantwoord: `ik doe het niet, ik doe hier niets meer’ en opzettelijk heeft
nagelaten die orders na te komen;
dat beklaagde is vrijgesproken van de beschuldiging (hem sub 1e te laste
gelegde); dat hij te Zeist in de legerplaats bij Zeist, op 22 Juli 1906, des
avonds om 9 1/2 uur, in een arrestantentent, wetende dat de medebewoner dier
tent A.W.C.P. sliep, zijn pantalon heeft losgemaakt, zijn geslachtsdeel heeft
vastgegrepen en hem heeft pogen om te werpen, althans die feiten heeft
gepleegd in tegenwoordigheid, zijn ondanks, van F.W. van D.;
dat Vertooner met ’s Hofs toestemming ter ’s Hofs terechtzitting van 21 Sept.
1906 aan beklaagde, met aanvulling van het hem in eerste aanleg sub 1e, te
laste gelegde, nader te laste heeft gelegd;
dat hij opzettelijk, met de bedoeling, om ontuchtige handelingen te plegen,
de pantalons van P. losmaakt, zijn hand tusschen diens beenen gestoken en
diens geslachtsdeel vastgegrepen heeft; waarop beklaagde heeft bekend dit, te
hebben gedaan;
dat nu, door de zoo in eersten aanleg als in appel bijgebrachte bewijzen, al
hetgeen aan beklaagde sub 1e is te laste gelegd, evenals de schuld van
beklaagde daaraan, naar eisch van rechten is bewezen;
dat toch een jongeling van 20 jaren, die slaapt, is te beschouwen als iemand
die in staat van bewusteloosheid verkeert, wat nog bij ’s Hofs sententie van
11 Sept. 1896 in de zaak tegen J.E. van V. werd beslist;
dat de sub 1e bewezen feiten behooren te worden gequalificeerd als: het
plegen van ontuchtige handelingen met iemand van wien hij weet, dat hij in
staat van bewusteloosheid verkeert en
dat beklaagde, ter zake dier feiten, ongeschikt is om in den militairen stand
te blijven of de betrekking van militaire emploijeerde te behouden;
verzocht en bij de Resolutie van den 28 Sept. 1906 verkregen hebbende ’s Hofs
mandament van appel ten dage in rechten beteekend ter rolle van den Hove
heeft eisch gedaan en geconcludeerd tot nullite van het vonnis, en dat
gedaagde alsnog, met aanhaling der artikelen 13 en 95 van het Crimineel
Wetboek voor het Krijgsvolk te Lande 10, 27, 91 en 247 Strafr. 1,2, 7, 12 en
19 der wet van 14 Nov. 1879 (Stbl. no. 191), 9 der wet van 15 April 1886
(Stbl. no. 64) en 185 der Rechtspleging bij de Landmacht, zal worden schuldig
verklaard aan: 1e het plegen van ontuchtige handelingen met iemand van wien
hij wist dat hij in staat van bewusteloosheid verkeerde;
2e het als minder militair uitdrukkelijk weigeren en opzettelijk nalaten de
orders van degene, die boven hem gesteld is te gehoorzamen en na te komen,
gepleegd in tijd van vrede;
en deswege veroordeeld tot 1e vier maanden gevangenisstraf en 2e drie maanden
militaire gevangenisstraf, met ontzegging van het recht om bij de gewapende
macht of als militair geemployeerde te dienen voor den tijd van vijf jaar, en
met bepaling dat de tijd door den gedaagde sedert 23 Juli 1906 in verzekerde
bewaring doorgebracht, bij de uitvoering der gevangenisstraf in mindering zal
worden gebracht en verder veroordeling van den gedaagde in de kosten en misen
der Justitie en die van den processe in eersten aanleg en in appel gevallen
desnoods ter taxatie en moderatie van den Hove of tot zoodanige andere straf
als het Hof in goede Justitie verstaan zal te behooren, – alzoo impetrant van
mandament van appel en eischer ambtshalve, ter eenre en genoemden F.M.
. gedaagde in voorschreven cas ter andere zijde, voor wien voor antwoord in
appel bij schrifture ter rolle is te kennen gegeven:
dat iemand, die slechts in gewoon slapenden toestand verkeert, niet gezegd
kan worden in staat van bewusteloosheid te zijn (zie Noyen II pag. 457);
dat de handelingen door beklaagde met P. gepleegd door de Wet niet zijn
strafbaar gesteld en beklaagde te dier zake van alle rechtsvervolging behoort
te worden ontslagen;
dat de weigering van beklaagde om de orders van den korporaal H. op te volgen
op den 23 Juli 1906, in verband moet worden beschouwd met het gedrag van
beklaagde op den 22 Juli, toen hij vorenbedoelde handelingen pleegde;
dat de verklaring van beklaagde op de vraagartikelen overgelegd door den
Auditeur-militair alleszins geloofwaardig voorkomen en niet alleen stemmen
tot medelijden met ’s mans zwakheid maar ook tot zachtheid door zijn innig
berouw;
en geconcludeerd dat het den Hove behage den Advocaat-Fiscaal
niet-ontvankelijk te verklaren in diens in appel gedanen eisch en het vonnis,
den 15 Aug. 1906 tegen beklaagde gewezen te bevestigen;
Het Hof;
Gelet op hetgeen de beklaagde bij zijn verhoor voor dit Hof heeft in het
midden gebracht;
Gelet op de verklaring door beide partijen ter rolle gedaan, dat zij afstand
doen van pleidooi;
Gezien de processtukken;
O. dat beklaagde voor den Krijgsraad heeft terechtgestaan, beschuldigd:
dat hij te Zeist in de legerplaats bij Zeist 1e op 22 Juli 1906, des avonds
half tien in een arrestantentent, wetende dat de medebewoner dier tent
A.W.C.P., sliep diens pantalon heeft losgemaakt, diens geslachtsdeel heeft
vastgegrepen en hem heeft pogen om te werpen, althans dat hij die feiten
heeft gepleegd in tegenwoordigheid, zijns ondanks, van F.W. van D.;
2e in den morgen van 23 Juli 1906, bij de pionieroefeningen onder leiding van
korporaal C.H., toen deze hem meermalen gelastte een paal in den grond te
slaan, telkens geantwoord heeft: `ik doe het niet, ik doe hier niets meer’:
en opzettelijk heeft nagelaten die order na te komen; welke telastelegging,
ten aanzien van het onder 1e vermelde in hoger beroep is aangevuld in dier
voege:
`dat beklaagde opzettelijk, met de bedoeling om ontuchtige handelingen te
plegen, de pantalon van P. losgemaakt, zijn hand tusschen diens beenen
gestoken en diens geslachtsdeel vastgegrepen heeft’;
O. dat de Krijgsraad terecht door de wettige bewijsmiddelen, waarvan de
inhoud in het vonnis is weergegeven, wettig en overtuigend bewezen heeft
verklaard wat den beklaagde in de tweede plaats is te laste gelegd, dat de
daaraan bij het vonnis gegeven qualificatie is overeenkomstig de wet en de
deswege opgelegde straf in goede verhouding staat tot de zwaarte van het
feit;
O. dat de Krijgsraad ook terecht het onder 1e subsidiair aan beklaagde ten
laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard;
O. dat de Krijgsraad terecht wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard
wat den beklaagde in eersten aanleg onder 1e primair te last gelegd en dat
beklaagde bij zijn verhoor voor het Hof ook heeft bekend dat hij zulks heeft
gepleegd gelijk het hem, in hooger beroep nader aangevuld was te last gelegd;
dat derhalve wettig en overtuigend is bewezen dat beklaagde des avonds in de
arrestantentent in de Legerplaats bij Zeist de boven- en onderbroek van den
getuige P, die in die tent lag te slapen heeft losgemaakt en dien getuige,
met eene hand op zijn hals en met de andere hand op zijn geslachtsdeelen,
vasthad en trachtte hem om te wentelen, zulks terwijl zijn eigen broek
geopend en zijn geslachtsdelen ontbloot waren;
dat tevens – niettegenstaande beklaagdes beweren, dat hij niet zou geweten
hebben dat, getuige P sliep, wettig en overtuigend is bewezen dat hij zulks
wel heeft geweten, vermits hij reeds in de namiddag van dien 22 Juli dien
getuige met ontuchtige bedoelingen had lastig gevallen en deze hem toen
duidelijk had te kennen gegeven daarvan niet te willen weten, zoodat
beklaagde uit de omstandigheid, dat hij de broeken van getuige P. kon
losmaken zonder dat deze zich daartegen verzette heeft moeten bemerken,
indien hij ’t nog niet wist, dat die getuige sliep;
O. dat deze verrichtingen van beklaagde zoals hij heeft bekend, gepleegd met
ontuchtige bedoeling, opleveren ontuchtige handelingen en als zoodanig
voltooid waren toen P. wakker werd en door zich te verwijderen verdere
voortzetting onmogelijk maakte en dat die ontuchtige handelingen van
beklaagde zijn gepleegd met iemand van wien hij wist dat hij sliep en
derhalve in staat van bewusteloosheid verkeerde;
dat toch de strafwet het begrip `bewusteloosheid’ niet heeft bepaald en er
geen grond bestaat om dat begrip – vooral waar het geldt den staat waarin de
persoon verkeert, tegen wien eene strafbare handeling wordt ondernomen – te
beperken tot een toestand die het gevolg is van eene ziekelijke aandoening,
terwijl daartoe evenmin grond oplevert de omstandigheid dat het brengen in
staat van bewusteloosheid, krachtens wetsduiding, wordt gelijk gesteld met
het plegen van geweld ofschoon wellicht de middelen, waardoor die
bewusteloosheid is tot stand gebracht, met geweld weinig of niets gemeen
hebben;
O. dat beklaagde mitsdien bij het vonnis ten onrechte is vrijgesproken van
het hem in de eerste plaats te last gelegde, vermits wettig en overtuigend is
bewezen dat hij met P., terwijl hij wist dat deze in staat van
bewusteloosheid verkeerde, ontuchtige handelingen heeft gepleegd;
O. dat beklaagde ter zake van het gepleegde feit ongeschikt is om in den
militairen stand te blijven;
Gezien bij het vonnis aangehaalde wetsbepalingen en bovendien de artt. 13 van
het Crimineel Wetboek voor het Krijgsvolk te Lande, 10, 91 en 247 Strafr. en
1, 2, 7, en 12 der Wet van 14 Nov. 1879 (Stbl. no. 191);
Rechtdoende in hoger beroep:
Doet niet het vonnis den 15 Aug. 1906 door den Krijgsraad in het Derde
Militaire Arrondissement, ter hoofdplaats Arnhem, tegen beklaagde gewezen
voor zooveel deze daarbij is vrijgesproken van het hem onder 1e primair te
last gelegde en voor zoveel betreft de uitspraak omtrent de kosten;
En in zooverre opnieuw rechtdoende:
Verklaart F.M.L. schuldig aan het plegen van ontuchtige handelingen met
iemand van wien hij wist dat hij in staat van bewusteloosheid verkeerde;
Veroordeelt hem te dier zake tot gevangenisstraf van twee maanden;
Bepaalt dat de tijd, door hem sedert 23 Juli 1906 voorloopig in verzekerde
bewaring doorgebracht, nadat die in mindering zal worden gebracht op de straf
van drie maanden militaire gevangenis hem bij het vonnis opgelegd, verder in
mindering zal worden gebracht van de nu opgelegde straf van twee maanden
gevangenis;
Ontzegt hem het recht om bij de gewapende macht, of als militair
geëmployeerde te dienen voor den tijd van vijf jaren;
Houdt overigens het vonnis in stand, waarbij hij is schuldig verklaard aan:
`het als minder militair uitdrukkelijk weigeren en opzettelijk nalaten de
orders van degene die boven hem gesteld is te gehoorzamen en na te komen,
gepleegd in tijd van vrede en deswege veroordeeld tot drie maanden militaire
gevangenis met toekenning der voorlopige hechtenis sedert 23 Juli 1906, en is
vrijgesproken van het hem subsidiair te last gelegde;
Verwijst hem in de kosten en zoo in eersten aanleg als in hooger beroep
gevallen;
Ontzegt allen anderen eisch.

Rechters

Mrs. Van Bolhuis, Van Ittersum, Walaardt Sacre, Verspijck, Scholten, DeBooij, Engelhard, Van Sasse van IJsselt

Instantie: Gerechtshof Leeuwarden, 31 augustus 1904

Instantie

Gerechtshof Leeuwarden

Samenvatting


Verdachte is tenlaste gelegd dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd
met de dienstbode van de landbouwer waar hij werkte. Hij heeft ontucht
gepleegd met de dienstbode terwijl zij in haar bed lag te slapen en dus
in staat van bewusteloosheid verkeerde. De rechtbank heeft verdachte
vrijgesproken omdat zij van mening is dat slaap een normaal en gezond mens
niet in een staat van bewusteloosheid kan brengen. De verdachte heeft de
ontucht bij de rechter commissaris bekend. Bij het hof is hij gedeeltelijk
op deze bekentenis teruggekomen.

Het hof meent dat verdachte daarvoor onvoldoende gronden naar voren heeft
gebracht. Het hof is het niet eens met de rechtbank omdat voor artikel 247
slechts geldt dat het slachtoffer tijdens het plegen van de ontuchtige
handelingen geen besef of geen stuur heeft over zijn lichaam en dat de
dader dit moet weten. Het hof acht bewezen dat het slachtoffer tijdens de
door verdachte gepleegde ontuchtige handelingen, in zo’n diepe slaap was
dat zij geen besef had van hetgeen met haar gebeurde, en tevens, dat
verdachte met deze staat van bewusteloosheid bekend was. Verdachte wordt
veroordeeld tot een gevangenisstraf van een maand.

Volledige tekst

Het Hof;

Gezien de akte van hooger beroep van den 13 Juli 1904 en het exploit van
den 14 Juli d.a.v. waarbij van wege den Off. van Justitie aan den
beklaagde aanzegging is gedaan van het zijnderzijds ingesteld hooger
beroep;

Gezien het vonnis in eersten aanleg gewezen;

Gehoord het verslag van den raadsheer mr. van Binsbergen;

Gehoord den proc. gen. in zijne vordering: “dat het Gerechtshof te
Leeuwarden het vonnis waarvan appel, vernietige en opnieuw rechtdoende
door wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen verklare hetgeen bij
dagvaarding aan beklaagde, is ten laste gelegd alsmede diens schuld
daaraan, hetzelve qualificeere als het “plegen van ontuchtige handelingen
met iemand, die in staat van bewusteloosheid verkeert” en beklaagde te
dier zake veroordeele tot gevangenisstraf voor den tijd van 6 maanden”;

Gehoord den beklaagde, zoo in zijne antwoorden, als in de middelen van
verdediging, door en namens hem aangevoerd;

O. dat de beklaagde is gedagvaard om op 23 Juni 1994 voor de Arrond.
Rechtbank te Groningen te verschijnen en op dien dag is terechtgesteld ter
zake: “dat hij in den nacht van 23 op 24 april 1904, te Kloosterburen ten
huize van den landbouwer F.J. ontuchtige handelingen heeft gepleegd met
de dienstbode S.W., die zoals hij wist, in haar bed lag te slapen, en dus
in staat van bewusteloosheid verkeerde, -door op ontuchtige wijze de
dekens, waaronder zij lag te slapen, op te lichten, haar onderbroek los
te maken, hare rokken op te slaan en haar daarna op haar bloote lijf en
aan hare vrouwelijkheid te betasten”;

O. dat die Rechtbank, bij haar bovengenoemd vonnis, het aan den beklaagde
bij dagvaarding ten laste gelegde niet bewezen heeft verklaard en hem
heeft vrijgesproken;

O. dat de beklaagde aan den rechter-commissaris, belast met de instructie
van strafzaken bij de Arrond.-Rechtbank te Groningen bij bovenvermelde
akte, dus tijdig van dit vonnis is gekomen in hooger beroep;

Ten aanzien daarvan: O. dat de beklaagde aan den rechter-commissaris,
belast met de instructie van strafzaken bij de Arrond.-Rechtbank te
Groningen, blijkens diens proces-verbaal, opgemaakt van het verhandelde
op die terechtzitting, heeft bekend;

dat hij in nacht van 23 op 24 april 1904, omstreeks 12 uur, is gegaan naar
de slaapplaats van S.W. ten huize van den landbouwer F.J. te
Kloosterburen, waar hij, beklaagde, ook woonde;

dat hij S. slapende vond en toen hare dekens heeft opgelicht, haar broek
en borstrok heeft losgemaakt en hare rokken heeft opgeslagen;

dat hij vervolgens haar bloote lijf en hare vrouwelijkheid heeft betast
en ongeveer 5 minuten is bezig geweest;

dat S. zich wat heeft bewogen, doch niet is wakker geworden voordat hij
is weggegaan;

dat hij wist, dat S. moeilijk wakker te krijgen was, daar hij haar iedere
morgen moest wekken;

O. dat de getuige S.W. ter terechtzitting in eersten aanleg, volgens het
van die zitting opgemaakt proces-verbaal, onder eede heeft verklaard: dat
zij in den avond van 23 April 1904, te ongeveer 10 1/2 uur, ten huize van
F.J. onder Kloosterburen, waar zij en beklaagde dienden, te bed is gegaan
en, zoals gewoonlijk, haar onderbroek en borstrok had aangehouden, de
broek met banden over den borstrok had aangehouden;

dat zij in den daaropvolgenden nacht op een gegeven ogenblik is wakker
geworden, doordat zij voelde, dat iemand haar bevoelde en betastte bij
haar schaamdeel, en dat zij toen dadelijk bemerkte, dat haar broek los en
naar beneden gedaan was en haar borstrok naar boven, zoodat zij met het
onderste gedeelte van haar bovenlichaam bloot lag;

O. dat de beklaagde ter terechtzitting van het Hof van den 17 Aug. 1904
wel gedeeltelijk op zijne bovenvermelde bekentenis is teruggekomen, maar
daarvoor geene aannemelijke gronden heeft bijgebracht, zoodat die
bekentenis hare volle kracht behoudt;

O. dat door de betekenis van den beklaagde bevestigd door de verklaring
van genoemde getuige W wettig en overtuigend is bewezen hetgeen den
beklaagde bij oorspronkelijke dagvaarding is ten laste gelegd en zijne
schuld daaraan;

dat toch het Hof niet deelt het gevoelen van den eersten rechter, als
zoude de slaap van een normaal en gezond mensch dezen niet in staat van
bewusteloosheid kunnen brengen, maar alleen de slaap, die door hypnotische
of andere kunstmatige middelen is opgewekt;

dat de wet tot het maken van deze onderscheiding geene aanleiding geeft,
maar in art. 247 Strafr. voor de strafbaarheid van ontuchtige handelingen
slechts eischt, dat het slachtoffer, tijdens het plegen van die
handelingen, geen besef heeft of geen stuur over zijn lichaam, en dat de
dader dit weet;

dat nu het Hof door bovengenoemde bewijsmiddelen bewezen acht, dat de
getuige S.W., tijdens de beklaagde de bewezen ontuchtige handelingen met
haar pleegde, in zoo diepen slaap was gezonken, dat zij geen besef had van
hetgeen met haar geschiedde, en tevens, dat de beklaagde met dezen staat
van bewusteloosheid van die getuige bekend was;

O. dat alzoo de door den beklaagde gepleegde feiten wel zijn strafbaar en
moeten worden gequalificeerd als het misdrijf van: het plegen van
ontuchtige handelingen met iemand, wie men weet, in staat van
bewusteloosheid te verkeeren, strafbaar volgens art. 247 Strafr.;

O. dat uit het bovenstaande volgt, dat het vonnis a quo moet worden
vernietigd;

Gezien artt. 10 en 247 Strafr.;

Gelet op art. 239 in verband met art. 214, en op art. 247 Strafv.;

Rechtdoende op het hooger beroep: Vernietigt het vonnis der
Arrond.-Rechtbank te Groningen, waarvan is geappelleerd;

En opnieuw rechtdoende: Verklaart den beklaagde schuldig aan hetgeen hem
bij oorspronkelijke dagvaarding is ten laste gelegd, hierboven bewezen
verklaard en gequalificeerd;

Veroordeelt hem tot gevangenisstraf voor den tijd van eene maand.

Rechters

Mr Binnerts, Van Ketwich Verschuur, Greebe, Van Binsbergen,Folkersma, Fockema Van Hangest Baron D’Yvoy.