29 maart 2011 – Brief rechtspositie huishoudelijk personeel

Brief rechtspositie huishoudelijk personeel

29 maart 2011

De Vereniging heeft in een brief aan de vaste commissie SZW van de Tweede Kamer er op aangedrongen om minister Kamp in een Algemeen Overleg nader aan de tand te voelen over zijn oppervlakkige, afwijzende reactie op de petitie van de VVR samen met FNV Bondgenoten over de slechte rechtspositie van huishoudelijk personeel. De minister had zijn reactie vlak voor het AO van 16 maart 2011 naar de Tweede Kamer gezonden (29544 nr. 281). Wegens de beperkte tijd en de vele agendapunten hadden kamerleden geen gelegenheid om tijdens dat overleg in te gaan op de inhoud: de noodzakelijke afschaffing van de uitzonderingspositie van huishoudelijk personeel in het sociaal recht.

Brief aan vaste commissie SZW van de Tweede Kamer over rechtspositie huishoudelijk personeel, 29 maart 2011

Postbus 9520
2300 RA Leiden
info@oud-vvr.computersaysno.eu
www.oud-vvr.computersaysno.eu

Aan de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Tweede Kamer
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Betreft: Brief minister Kamp, Kamerstukken II 2009/2010 29544 nr. 281

                            Leiden, 29 maart 2011

Geachte dames en heren,

Op 10 maart j.l. zond minister Kamp zijn door u op 2 december 2010 gevraagde reactie op de petitie van de Vereniging voor Vrouw en Recht (VVR) en FNV Bondgenoten over de problematische sociale uitsluiting van deeltijd huishoudelijk personeel. Tevens schreef de minister in te gaan op het door de VVR uitgegeven boek Een baan als alle andere?! De rechtspositie van deeltijd huishoudelijk personeel.

De brief was gevoegd bij de agenda van het Algemeen Overleg over arbeidsmarktzaken op 16 maart 2011, maar kon daar inhoudelijk moeilijk aan de orde komen, vanwege de geringe beschikbare tijd (en de vele agendapunten). De VVR dringt er bij u op aan de brief en de in petitie en boek aangesneden problematiek alsnog aan de orde te stellen in een volgend Algemeen Overleg met de minister.

Minister geeft geen inhoudelijke reactie

Zonder inhoudelijk in te gaan op de argumentatie en de conclusies uit het onderzoek van de VVR zet de minister de regeling Dienstverlening aan Huis nog eens uitvoerig uiteen. Hij meet de voordelen voor particuliere werkgevers breed uit, stelt dat de vraag naar persoonlijke dienstverlening wordt gestimuleerd en dat banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt gecreëerd zijn. De VVR wijst er op dat de minister evenmin als zijn voorgangers deze stellingen met cijfers kan onderbouwen. De regeling zou voorkomen dat huishoudelijk werk in het zwarte circuit verdwijnt, maar hoeveel huishoudelijke en persoonlijke dienstverleners buiten de collectief gefinancierde zorg hun verdiensten (zoals wettelijk verplicht) aangeven bij de Belastingdienst kan het kabinet niet vertellen.
De regeling legitimeert kortom de informele setting van persoonlijke dienstverlening. Daarvan worden alleen de particuliere werkgevers of opdrachtgevers wijzer: de brief bezingt in allerlei toonaarden welke voordelen ze erbij hebben. De werkelijkheid, dat deze particulieren doorgaans nu ook al denken te frauderen of ‘zwart te betalen’, is nog niet doorgedrongen op de ministeries. De veronderstelde voordelen voor de werknemers zijn gezocht en niet overtuigend: zij zouden baat hebben bij het creëren en/of behouden van werkgelegenheid – welke baat en welke werkgelegenheid?? De voordelen die een deel van de groep werknemers zelf ziet (zie ook het recente proefschrift van Sjoukje Botman), namelijk vanwege de informele setting tamelijk ongestoord kunnen (bij)verdienen, worden wijselijk niet genoemd.

De vrijwillige verzekering: fopspeen voor wie?

De minister wijst herhaaldelijk op de mogelijkheid die deeltijd huishoudelijk personeel heeft zich vrijwillig te verzekeren voor de werknemersverzekeringen. Hieruit zou blijken dat geen sprake is van een volledige uitsluiting. Onvermeld blijft dat deze werknemers dan ruim 16% van hun bruto loon aan premies moeten betalen, waarbij de 5,65% premie ZVW gevoegd moet worden (waarvoor ze geen werkgeversbijdrage ontvangen). Zo blijft van de € 11,50 per uur die bijvoorbeeld op www.nannyinhetnoorden.nl wordt geboden een bruto uurloon over dat bijna één Euro onder het wettelijk minimumuurloon in deze sector ligt. Geen wonder dat er van de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering in deze branche geen gebruik wordt gemaakt.
Het is dan ook zeer twijfelachtig of de Europese rechter en de Europese Commissie in de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering voldoende sociale zekerheidsbescherming zullen zien.

Geen weerlegging strijdigheid internationale regelgeving

In algemene en generaliserende bewoordingen legt de minister uit dat zijns inziens de uitzonderingspositie van deeltijd huishoudelijk personeel juridisch goed verdedigbaar is. Zijn betoog is echter niet nieuw en in Een baan als alle andere?! De rechtspositie van deeltijd huishoudelijk personeel al bekritiseerd, waarbij naast de in de brief (noten) genoemde arresten van het Europese Hof van Justitie nog andere jurisprudentie is besproken. Kern van die rechtspraak is juist dat algemene en generaliserende uitspraken niet volstaan als rechtvaardigingsgrond. De minister gaat niet op de argumentatie in en verzuimt eveneens om de andere relevante internationale verdragen te bespreken. In niet mis te verstane bewoordingen hebben zowel het CEDAW-Comité als het ESOCUL-Comité de regering inmiddels opgeroepen om huishoudelijk personeel dezelfde sociale rechten en bescherming toe te kennen als de andere werknemers. Het Comité dat toezicht houdt op de implementatie van ILO-verdragen (CEARC) heeft de regering opnieuw verzocht in de komende regeringsrapportage uit de doeken te doen hoe de regeling Dienstverlening aan huis te rijmen valt met ILO-Verdrag 175. Als dat in dezelfde algemene bewoordingen gebeurt als in overhavige brief, of in de rapportages naar CEDAW en ESOCUL, zal dat weer niet lukken. Dan moet Nederland weer in het internationale beklaagdenbankje plaatsnemen. Uitermate gênant, zeker voor een kabinet dat het naleven van internationale verdragen nadrukkelijk in het regeerakkoord heeft opgenomen.

Waarom geen herleving van WW-rechten na zes maanden?

Met betrekking tot de door de VVR en FNV Bondgenoten bepleite aanpassing van de WW beroept de minister zich op de wetsgeschiedenis, maar helaas selectief. Wie de moeite neemt die door te nemen ziet dat de beperking tot zes maanden expliciet was ingegeven door de idee dat de band met de arbeidsmarkt niet te lang onderbroken mag zijn geweest. Men sprak dan ook over situaties als: lange vakantie en/of verblijf in het buitenland, detentie.
Welnu: een WW-gerechtigde die in deeltijd als bijvoorbeeld nanny of PGB-zorgverlener gaat werken doet dat juist vanwege behoud van de band met de arbeidsmarkt – meestal niet vanwege het niveau van verdiensten. Ze zijn er niet toe verplicht, zoals ze ook niet verplicht zijn als zelfstandige te gaan werken. Als ze niettemin als deeltijd huishoudelijk personeel gaan werken verliezen ze het recht op herleving, terwijl dat niet het geval is als ze als zelfstandige (of als werknemer) gaan werken. Dat is een behoorlijke drempel.
Waarom zou de minister deze drempel willen handhaven? Betrokkenen behouden de gewenste band met de arbeidsmarkt, terwijl opheffen van de bestaande drempel niets kost, het levert zelfs besparing aan WW-gelden op en de vraag naar persoonlijke dienstverlening is groot, zo schrijft de minister elders in de brief.

Er valt kortom nog wel wat af te dingen op hetgeen de minister in zijn brief aan de orde stelt, naast die onderwerpen waaraan hij in het geheel geen aandacht besteedt. Reden genoeg volgens de Vereniging voor Vrouw en Recht om de minister nader over zijn brief aan de tand te voelen. Daaraan voorafgaande wil de VVR graag nog van gedachten wisselen met commissieleden, over bovenstaande, maar ook bijvoorbeeld over de migrant domestic workers en de objectieve rechtvaardigingstoets voor de indirecte discriminatie van vrouwen. Ook valt er nog wel iets te zeggen over alternatieven voor de huidige situatie, die al te gemakkelijk worden neergesabeld door de minister.
De VVR hoopt dan ook spoedig afspraken voor nader overleg te kunnen maken.

Met vriendelijke groet

M.M. van der Burg
Voorzitter

Voor een nadere afspraak graag contact opnemen met Leontine Bijleveld (l.w.bijleveld@xs4all.nl) of Eva Cremers (evacremers@xs4all.nl)

19 maart 2011 – Vervolgbrief over Wetsvoorstel Regulering prostitutie

Vervolgbrief over Wetsvoorstel Regulering prostitutie

19 maart 2011

Vanwege de tweede termijn in de plenaire behandeling van het wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche heeft de VVR een vervolgbrief gestuurd aan de leden van de Tweede Kamer. In de eerste termijn op 1 februari 2011 hadden de meeste fracties stevig kritiek geleverd op het wetsvoorstel, mede ingegeven door de eerdere brieven van de VVR en andere organisaties. De minister van Veiligheid en Justitie heeft op vrijdag 11 maart een nota van wijziging ingediend, waarmee hij enigszins tegemoet kwam aan de kritiek. In de vervolgbrief legt de VVR uit dat de wijziginge De stemming over het wetsvoorstel en de ingediende amendementen en moties is op dinsdag 22 maart a.s.

Vervolgbrief aan Tweede Kamer over wetsvoorstel regulering prostitutie, 15 maart 2011

Aan de leden van de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
p/a dhr. M. J van der Leeden, griffier
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Aan de leden van de Vaste Commissie voor Veiligheid en Justitie van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal
p/a dhr. D. Nava, griffier
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

                                Leiden, 15 maart 2011 

Betreft: Brief van de minister van Veiligheid en Justitie mbt Wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (32 211, nr.33)

Geachte dames en heren,

Vanmiddag vindt de tweede termijn plaats van de plenaire behandeling van het Wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (Kamerstuknr. 32 211).

De Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR) heeft met interesse de antwoorden van de minister gelezen. In deze reactie concentreert de VVR zich op de invoering van een landelijke registratieplicht en de strafbaarstelling van klanten. De VVR gaat eerst in het algemeen in op de antwoorden van de minister. Daarna volgen een aantal specifieke punten in het antwoord van de minister.

I Algemene opmerkingen

  • 1). De brief geeft geen antwoord op de belangrijkste kritiekpunten op de invoering van een registratieplicht:

  • a. Het helpt niet om mensenhandel tegen te gaan

  • b. Het richt schade aan, zowel aan slachtoffers mensenhandel als aan vrijwillig werkende prostituees
  • c. Het is in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens

  • 2). De “peespas” gaat niet door, maar het aanleggen van een landelijk register van prostituees wel. De brief geeft geen antwoord op de vraag:

  • a. hoe de strafbaarstelling van klanten te handhaven nu zij niet meer kunnen controleren of een prostituee is geregistreerd
  • b. hoe de veiligheid van het landelijk register is gegarandeerd
  • c. wat doel en zin van een landelijk registratiesysteem zijn, nu, in de woorden van de minister, het uitsluitende doel is dat “toezichthouders en de politie via dat register [kunnen] controleren of de persoon is kwestie is geregistreerd. Meer niet.” Het lijkt dan uitsluitend nog te gaan om registratie om de registratie.

  • 3). Het voornaamste effect van het wetsvoorstel is de versterking van de monopoliepositie en dus de macht van exploitanten ten koste van prostituees. Klanten kunnen niet controleren of een zelfstandig werkende prostituee geregistreerd is, maar lopen wel het risico van strafbaarstelling als dat niet zo is. Willen klanten geen risico lopen, dan moeten ze naar een vergund bedrijf. Prostituees worden zo in feite gedwongen voor een exploitant te gaan werken. Blijven ze zelfstandig werken, maar willen ze ook hun privacy beschermen dan worden ze illegaal en strafbaar. Voor klanten biedt dat een aantrekkelijke mogelijkheid om diensten af te dwingen die de betrokken prostituee anders niet zo leveren: verklikken van een ongeregistreerde prostituee via een telefoontje naar Meld Misdaad Anoniem is simpel en zo gedaan. De klant blijft buiten schot en de prostituee wordt gestraft.

  • 4). Waar 11 jaar geleden verbetering van de positie van prostituees nog een serieus doel was, ademt dit wetsvoorstel uit dat prostitutie eigenlijk slecht is en dat je prostituees mag offeren voor het “het goede doel”. Bescherming van hun privacy en bevordering van hun zelfstandigheid worden niet meer als relevante argumenten beschouwd. Alleen al om die reden mag verwacht worden dat prostituees zich verder van de overheid zullen afkeren: hun belangen zijn daar immers niet in goede handen. Dat is niets nieuws, het bevestigt alleen maar wat zij altijd al wisten. Daarmee wordt een einde gemaakt aan de hoop dat de opheffing van het bordeelverbod dit misschien zou veranderen.

II Specifieke punten naar aanleiding van de schriftelijke antwoorden van de minister

  • 1). Verhouding tussen strafbaarstelling van illegalen en bescherming van slachtoffers mensenhandel.
    Het is correct dat slachtoffers bij een gerichte aanwijzing van slachtofferschap bedenktijd aangeboden dienen te krijgen. Dat neemt niet weg dat het feit dat het feit dat zij zelf strafbaar zijn ongetwijfeld door handelaren als dwangmiddel gebruikt zal worden. In deze verwijzen wij ook naar onze eerdere brief over de wijziging van art. 16 Vw dd 26 januari 2010 (als bijlage bijgevoegd)

  • 2). Toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens.
    Op geen enkele wijze gaat de minister in op de juridische aspecten van de registratie in relatie tot de Wet bescherming persoonsgegevens. Hij laat het over aan de rechter met alle risico’s daarvan. Ter herinnering zij vermeld dat het advocatenkantoor Van der Feltz op verzoek van de VVR deze juridische analyse/onderzoek wel uitgevoerd aan de hand van jurisprudentie en de wetgeving, nationaal en internationaal.

  • Onderscheid privé en beroepsleven
    Voor de beperkte invulling die de minister geeft aan het begrip ‘seksueel leven’ door verschil te maken tussen beroepsgegevens en persoonlijk gegevens, biedt de Wet Bescherming Persoonsgegeven, noch de Europese privacyrichtlijn geen enkele basis. In tegendeel, gelet op de wetsgeschiedenis en jurisprudentie vallen alle gegevens over het seksueel leven tot bijzondere persoonsgegevens, waarvoor een verbod geldt! Zo heeft het Europese Hof van Justitie bepaald dat het voor de vraag of er sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in beginsel niet relevant is dat het gaat om gegevens met betrekking tot iemands beroepsleven. Volgens het Europese Mensenrechtenhof moet de term ‘persoonlijke’ levenssfeer ruim worden uitgelegd en kunnen “om geen enkele principiële reden de beroepsactiviteiten […] van het begrip ‘persoonlijke levenssfeer’ worden uitgesloten.” (o.a. arrest Niemietz t. Duitsland).

  • Noodzakelijkheidstoets
    Indien het toch om een bijzonder persoonsgegeven zou gaan is de minister van mening dat dit de noodzakelijkheidstoets zou doorstaan, omdat de registratie noodzakelijk is om de leeftijdsgrens van 21 jaar gestalte te geven, noodzakelijk is voor het intakegesprek en voor de door vrijwel iedereen ondersteunde wens om zicht te krijgen op de prostitutie in ons land. Dit betwijfelen wij:
    • ook nu geldt een leeftijdsgrens (in casu 18 jaar) die gehandhaafd wordt zonder registratie;
    • het intake gesprek is nodig voor de registratie en niet omgekeerd: de registratie voor het intakegesprek
    • Al eerder is beargumenteerd dat gedwongen registratie vermoedelijk tot minder in plaats van meer zicht op de prostitutie leidt.

De minister stelt dat qua toezicht de registratie alleen wordt gebruikt om te controleren of iemand geregistreerd is: “Toezicht is noodzakelijk voor een goede vervulling van de publieke taak. Van iedereen die werkzaam is als prostituee, willen we graag kunnen controleren of zij dat geregistreerd doen. Toezichthouders en de politie kunnen via dat register controleren of de persoon is kwestie is geregistreerd.”

Dit roept de vraag op naar het doel van controle of iemand geregistreerd staat. Dit klemt te meer gezien het feit dat niet-geregistreerde prostituees strafbaar worden en een strafblad kunnen opbouwen. De registratie zegt niets, behalve dat iemand geregistreerd staat. “Zicht krijgen”en “noodzakelijk voor de vervulling van de publieke taak” lijkt dan een wel erg magere argumentatie. Dit is registratie om de registratie. Dat is onvoldoende voor een dergelijke zware inbreuk op het privéleven van prostituees, die hen meer in plaats van minder kwetsbaar maakt voor dwang en chantage door klanten en exploitanten, terwijl bovendien door deskundigen vanuit het veld en de Raad van State verwacht wordt dat het minder in plaats van meer zicht zal opleveren.

  • Waarborgen
    De minister meent dat er voldoende waarborgen zijn ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De minister zegt echter niets over hoe dat dan gewaarborgd wordt. Het wetsvoorstel voorziet nog steeds niet in de eisen die het College Bescherming Persoonsgegevens en het Mensenrechtenhof op grond van het EVRM stelt aan de in de wetgeving neer te leggen waarborgen. Noch geeft de minister aan hoe e.e.a. zich verhoudt met de Wet Politiegegevens, welke waarborgen er zijn om te zorgen dat niet te veel ambtenaren toegang tot het register, resp. een toezichtfunctie krijgen, en welke garanties er zijn dat haar/zijn gegevens uit alle bestanden, inclusief politiedatabanken, worden verwijderd als een prostituee zich laat uitschrijven?
    In diverse AMvB’s zullen deze waarborgen gestalte moeten krijgen.Gelet op de grote onduidelijkheid ten aanzien van de invulling van passende waarborgen, diringt de VVR aan op het opnemen van zogenoemde “voorhangprocedures in de artikelen met de betreffende AMvB’s (in ieder geval oor artikel 8 en 29 van het wetsvoorstel).

  • Toetsing door de rechter
    De minister wil het aan de rechter overlaten of de voorgestelde registratie juridisch mogelijk is. Gezien de grote twijfels en de zwaarte van de inbreuk behoort het ons inziens in eerste instantie tot de verantwoordelijkheid van de wetgever om voor invoering te toetsen in plaats van achteraf. Minimaal moet advies gevraagd worden van het College Bescherming Persoonsgegevens.
    Het is opmerkelijk dat de minister het niet nodig vind een advies aan het College te vragen voor het registreren van individuele prostituees, maar wel voor het registreren van prostitutiebedrijven, zoals blijkt uit de reactie van de minister op amendement nr. 27.

De VVR dringt bij u aan op het volgende;:
-1). laat (via motie) de registratieplicht pas in werking treden na een advies van het College Bescherming Persoonsgegevens of van andere juridisch deskundigen op dit terrein.
-2). neem (via amendementen) voorhangprocedures op in die artikelen waar via AMvB uitwerking moet plaatsvinden van de waarborgen van de privacy (in ieder geval bij artikel 8 en 29)

-3). De amendementen

• Nr. 14 (van het lid Van der Staaij): consequenties voor de strafbaarstelling van klanten
Slachtofferschap als grond om een verzoek tot inschrijving in het register te weigeren, of te schorsen, is volgens de minister niet wenselijk.

Dit roept de dringende vraag op waarop dan de strafbaarstelling van klanten van niet-geregistreerde prostituees berust. Het argument dat hiervoor werd aangevoerd was dat klanten door het bezoeken van een niet-geregistreerde prostituee bewust het risico nemen een slachtoffer van mensenhandel te treffen. Maar de minister stelt hier dat registratie daar juist niets over zegt. Daarmee vervalt ook de grond voor strafbaarstelling van klanten
E.e.a. nog afgezien van de het feit dat slachtoffer niet hetzelfde is als niet-geregistreerd. In de praktijk zal eerder het omgekeerde het geval zijn. Zie hierover ons eerdere commentaar.

• Nr. 27 (van het lid Rouvoet c.s.): instelling van een landelijk register waarin wordt bijgehouden of er aan bedrijven vergunningen zijn geweigerd, geschorst of ingetrokken.
De minister is hier geen voorstander van. Hij wijst daarbij op de Wet bescherming persoonsgegevens die bepaalt dat het College bescherming persoonsgegevens om advies wordt gevraagd over wetsvoorstellen en amvb’s die geheel of voor een belangrijk deel betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens: “Onmiskenbaar bevat een register van vergunningen persoonsgegevens. Alvorens tot de instelling van een register te besluiten, zou dus advies gevraagd moeten worden aan het College, omdat het om een tamelijk omvangrijk register gaat.

Het is onbegrijpelijk dat de minister het niet nodig vind een advies aan het College te vragen voor het registreren van individuele prostituees, maar wel voor het registreren van prostitutiebedrijven. Blijkbaar vindt de minister exploitanten meer beschermingswaardig dan prostituees. Bovendien is het register van prostituees een stuk omvangrijker dan dat van bedrijven.

• Nr. 29 (van het lid Arib): de rol van de GGD.
De minister ziet de GGD als een zeer belangrijke partner binnen het lokale prostitutiebeleid. Hij acht de vertrouwensrelatie tussen prostituee en GGD medewerker van grote waarde om de positie van prostituees te versterken. Om deze reden dient de GGD ook een rol te spelen bij de registratie. Het registratiegesprek zou een overwegend vertrouwelijk gesprek moeten zijn dat de basis is voor verdere hulpverlening aan prostituees die dat wensen.

Dit lijken eerder argumenten om de GGD geen rol bij registratie te geven. De rol van controleur d.m.v. registratie is niet te verenigen met de vertrouwensfunctie die de GGD vervult. Het risico bestaat dat door de GGD bij registratie te betrekken prostituees die hun privacy willen beschermen en zich niet willen registreren, zich ook niet meer zullen wenden tot de GGD (zoals ook de GGD Haarlem aangeeft). Voorziet de minister ook dat de GGD een meldplicht krijgt met betrekking tot niet-geregistreerde prostituees?
Vraag is hoe vertrouwelijk een gesprek kan zijn als het doel hiervan is het opnemen van betrokkene in een landelijk register met, om het bot te zeggen, de H van Hoer achter haar of zijn naam? Is de minster hier niet een beetje vervreemd van de werkelijkheid?

Onderdeel VII : strafbaarstelling van de klant ook na vervallen van de “peespas”.
De minister wil de strafbaarstelling van de klant handhaven: “Dat wijst de klant op diens verantwoordelijkheid.”

Vraag blijft waarop is de strafbaarstelling van klanten gebaseerd is als registratie niets zegt over het al dan niet gedwongen werken van een prostituee. Volgens de minister is de enige reden voor registratie dat gecontroleerd kan worden of iemand geregistreerd is (“Niets meer”). Ook is onduidelijk is hoe een klant zijn verantwoordelijkheid kan nakomen. Bij AMvB wordt dit ingevuld. Op dit moment is nog volstrekt onduidelijk of, en zo ja hoe dit uitvoerbaar is.

Mocht u nog nadere vragen hebben dan zijn wij graag bereid een verdere toelichting te geven.

Met vriendelijke groet,

M.M. van der Burg,
Voorzitter VVR

Nadere informatie te verkrijgen bij:
Marjan Wijers T: 06 30546012
Mieke van der Burg T: 06 22987711

Mieke van der Burg, Glazen plafond beter van onderaf kapotslaan, NRC brieven 11 maart 2011

Tweede Kamerlid Jeanine Hennis–Plasschaert (VVD) Vindt dat een quotum voor vrouwen in de top van bedrijven niet vanuit Europa moet worden opgelegd aan de lidstaten (Opinie, 1 maart). Vrouwen moeten zich volgens haar schamen als anderen het glazen plafond aan diggelen slaan. Kortom, vrouwen moeten zelf de slopershamer ter hand nemen.
Inderdaad, vrouwen moeten letterlijk aan de slag. Dat doen vrouwen overigens al jaren. Ook Hennis-Plasschaert constateert een tergend langzame opmars van het aantal vrouwen in topposities in Nederland. Desondanks is haar enige oplossing: vrouwen doe het zelf. Dit standpunt is merkwaardig.
Allereerst omdat samen met de VVD in het Wetsvoorstel Bestuur en Toezicht een quotum van 30% vrouwen in Raden van Bestuur en topposities is opgenomen. Is dit wetsvoorstel, dat in de Eerste Kamer in behandeling is, haar onbekend?
Ten tweede weet ook Hennis-Plasschaert dat gelijke behandeling van vrouwen en mannen pas echt in Nederland is doorgedrongen na invoering van de EU richtlijnen. Afdwingbare regels vanuit Europa zijn kennelijk onmisbaar.
Ten derde is alom bekend dat het gemakkelijker en effectiever is om een plafond van bovenaf aan gruzelementen te slaan, dan van onderen af. Dit laatste vergt vele malen meer energie en kracht.

Mieke van der Burg
Voorzitter Vereniging voor Vrouw en Recht, Clara Wichmann

1 maart 2011 – Nog geen uitspraak over loondoorbetaling aan alfahulp

Nog geen uitspraak over loondoorbetaling aan alfahulp

1 maart 2011

Kantonrechter Zutphen, lokatie Harderwijk, had op 23 februari uitspraak zullen doen in de zaak over de loondoorbetaling van de zieke alfahulp. Advocaat Mac Vijn is te weten gekomen dat de kantonrechter uitspraak heeft aangehouden tot 23 maart. Het proefproces over de loondoorbetaling van de zieke alfahulp, gefinancierd door Proefproecessenfonds Clara Wichmann loopt inmiddels al bijna twee jaar. In de klankbordgroep participeert de VVR (met Eva Cremers en Leontine Bijleveld) en de Stichting Alphatrots, naast het Proefprocessenfonds.

Instantie: Hof van Justitutie van de Europese Unie, 1 maart 2011

Instantie

Hof van Justitutie van de Europese Unie

Samenvatting

Het HvJEU heeft geoordeeld dat het gebruik van sekse als een factor bij de berekening van premies en uitkeringen ten aanzien van financiele diensten, zoals verzekeringen, verboden is en dat hierop geen uitzondering is toegestaan. Gelet hierop dient de richtlijnbepaling, waarin een uitzondering is opgenomen op dit verbod indien sekse een bepalende factor is bij de beoordeling van het risico en dit is gebasserd op actuariële en statistische gegevens, buiten toepassing te worden gelaten.

Volledige tekst

Arrest

  1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de geldigheid van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PB L 373, blz. 37).

  2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Belgische Verbruikersunie Test-Aankoop VZW alsook Y. van Vugt en C. Basselier enerzijds en de Ministerraad van het Koninkrijk België anderzijds over de vernietiging van de wet van 21 december 2007 tot wijziging van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen wat betreft het geslacht in verzekeringsaangelegenheden (Belgisch Staatsblad, 31 december 2007, blz. 66175; hierna: „wet van 21 december 2007”).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

  1. Richtlijn 2004/113 is vastgesteld op basis van artikel 13, lid 1, EG. De punten 1, 4, 5, 12, 15, 18 en 19 van de considerans van deze richtlijn luiden:

„1) Overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is de Unie gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben, en eerbiedigt de Unie de grondrechten zoals die worden gewaarborgd door het [op 4 november 1950 te Rome ondertekende] Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht.

[…]

4) Gelijkheid van mannen en vrouwen is een fundamenteel beginsel van de Europese Unie. Krachtens de artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [hierna: ‚Handvest’] is elke discriminatie op grond van geslacht verboden en moet de gelijkheid van mannen en vrouwen op alle gebieden worden gewaarborgd.

5) Artikel 2 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bepaalt dat het bevorderen van de gelijkheid van mannen en vrouwen een van de hoofdtaken van de Gemeenschap is. Evenzo legt artikel 3, lid 2, van het Verdrag de Gemeenschap de verplichting op om er bij elk optreden naar te streven de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen actief te bevorderen.

[…]

12) Ter voorkoming van discriminatie op grond van geslacht is deze richtlijn zowel op directe als op indirecte discriminatie van toepassing. Van directe discriminatie is slechts sprake indien iemand op grond van geslacht minder gunstig wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie. Verschillen tussen mannen en vrouwen bij de levering van diensten op het gebied van de gezondheidszorg die op fysieke verschillen tussen man en vrouw terug te voeren zijn, houden bijvoorbeeld geen verband met vergelijkbare situaties en vormen derhalve geen discriminatie.

[…]

15) Er zijn reeds wetsinstrumenten die het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op dat terrein toepassen. Deze richtlijn is daarom niet van toepassing op aangelegenheden van arbeid en beroep. Deze richtlijn is tevens niet van toepassing op door zelfstandigen verrichte arbeid voor zover die onder de bestaande wetsinstrumenten vallen. Deze richtlijn is slechts van toepassing op verzekeringen en pensioenen die berusten op een particuliere, vrijwillige en los van de arbeidsbetrekking staande grondslag.

[…]

18) Het gebruik van seksegerelateerde actuariële factoren is wijdverspreid bij het verlenen van verzekeringsdiensten en aanverwante financiële diensten. Om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen te waarborgen mag het gebruik van seksegerelateerde actuariële factoren niet resulteren in verschillen tussen de premies en uitkeringen van individuele personen. Om een plotse herordening van de markt te voorkomen mag deze regel uitsluitend gelden voor nieuwe contracten die na de omzettingsdatum van deze richtlijn worden gesloten.

19) Sommige risicocategorieën kunnen per sekse verschillen. In sommige gevallen is sekse een, maar niet noodzakelijk de enige, bepalende factor in de beoordeling van het te verzekeren risico. Voor overeenkomsten ter verzekering van een dergelijk risico kunnen de lidstaten besluiten uitzonderingen op de regel van sekseneutrale premies en uitkeringen toe te staan, mits zij ervoor kunnen zorgen dat de onderliggende actuariële statistische gegevens waarop de berekeningen gebaseerd zijn, betrouwbaar zijn, regelmatig geactualiseerd worden en voor het publiek beschikbaar zijn. Uitzonderingen zijn alleen mogelijk voor zover de regel van sekseneutraliteit nog niet in de nationale wetgeving wordt toegepast. Vijf jaar na de omzetting moeten de lidstaten nagaan of deze uitzonderingen nog steeds gerechtvaardigd zijn in het licht van de meest recente actuariële en statistische gegevens en een verslag dat de Commissie drie jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn zal opstellen.”

4) Artikel 1 van richtlijn 2004/113 bepaalt het doel ervan als volgt:

„Deze richtlijn heeft tot doel een kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten, zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen toegepast kan worden.”

5) Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn houdt het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in dat

a) directe discriminatie op grond van geslacht, inclusief de ongunstigere behandeling van vrouwen wegens zwangerschap en moederschap, verboden is;

b) indirecte discriminatie op grond van geslacht verboden is.”

6) Artikel 5 van deze richtlijn, met als titel „Actuariële factoren”, bepaalt:

  1. De lidstaten zorgen ervoor dat, in alle nieuwe contracten die na 21 december 2007 worden gesloten, het gebruik van sekse als een factor bij de berekening van premies en uitkeringen in het kader van verzekeringsdiensten en aanverwante financiële diensten niet resulteert in verschillen in de premies en uitkeringen van individuele personen.

  2. Niettegenstaande lid 1, kunnen de lidstaten vóór 21 december 2007 besluiten proportionele verschillen in premies en uitkeringen voor individuele personen toe te staan in de gevallen waarin sekse een bepalende factor is bij de beoordeling van het risico op basis van relevante en nauwkeurige actuariële en statistische gegevens. De betrokken lidstaten stellen de Commissie van hun besluit in kennis, en zorgen ervoor dat nauwkeurige gegevens die relevant zijn voor het gebruik van sekse als een bepalende actuariële factor worden verzameld en bekendgemaakt, en regelmatig worden geactualiseerd. Deze lidstaten toetsen hun besluit vijf jaar na 21 december 2007 en houden daarbij rekening met het in artikel [16] genoemde verslag van de Commissie. Zij doen het resultaat van de toetsing aan de Commissie toekomen.

  3. Kosten die verband houden met zwangerschap en moederschap, mogen in geen geval tot verschillen in premies en uitkeringen voor individuele personen leiden.

De lidstaten kunnen de uitvoering van de maatregelen die noodzakelijk zijn om aan dit lid te voldoen uitstellen tot uiterlijk twee jaar na 21 december 2007. De betrokken lidstaten moeten de Commissie in dat geval onmiddellijk daarvan in kennis stellen.”

7) Artikel 16 van de deze richtlijn, met als titel „Verslagen”, bepaalt:

  1. Uiterlijk op 21 december 2009 en daarna om de vijf jaar delen de lidstaten de Commissie alle beschikbare informatie over de toepassing van deze richtlijn mee.

De Commissie stelt een beknopt verslag op dat een evaluatie omvat van de praktijken in de lidstaten met betrekking tot artikel 4 inzake het gebruik van sekse als een factor bij de berekening van premies en uitkeringen. Uiterlijk op 21 december 2010 legt de Commissie dit verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad. Indien nodig voegt de Commissie voorstellen bij het verslag om de richtlijn te wijzigen.

  1. Het verslag van de Commissie houdt rekening met de standpunten van het bedrijfsleven en de belanghebbenden.”

8) Volgens artikel 17, lid 1, van richtlijn 2004/113 doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 21 december 2007 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Nationaal recht

9 De wet van 21 december 2007, aldus artikel 2 ervan, zet richtlijn 2004/113 om.

10 Artikel 3 van deze wet bevat de bepaling die in de plaats komt van artikel 10 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen wat betreft het geslacht in verzekeringsaangelegenheden.

11 Het nieuwe artikel 10 van deze laatste wet luidt voortaan:

„§ 1. In afwijking van artikel 8 kan een proportioneel direct onderscheid gemaakt worden op grond van het geslacht voor de bepaling van verzekeringspremies en ‑prestaties, als het geslacht een bepalende factor is bij de beoordeling van het risico op basis van relevante en nauwkeurige actuariële en statistische gegevens.

Deze afwijking geldt enkel voor de levensverzekeringsovereenkomsten in de zin van artikel 97 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

§ 2. Kosten die verband houden met zwangerschap en moederschap mogen vanaf 21 december 2007 in geen geval nog tot verschillen in verzekeringspremies en ‑prestaties leiden.

§ 3. De Commissie voor het Bank‑, Financie‑ en Assurantiewezen verzamelt de in § 1 bedoelde actuariële en statistische gegevens, maakt ze uiterlijk op 20 juni 2008 en de geactualiseerde gegevens daarna om de twee jaar bekend en publiceert ze op haar internetpagina. Die gegevens worden om de twee jaar geactualiseerd.

De Commissie voor het Bank‑, Financie‑ en Assurantiewezen is gemachtigd de daartoe benodigde gegevens bij de betrokken instellingen, ondernemingen of personen op te vragen. Zij bepaalt welke gegevens moeten worden overgezonden, alsook de wijze waarop en de vorm waarin dit moet gebeuren.

§ 4. De Commissie voor het Bank‑, Financie‑ en Assurantiewezen verstrekt de Europese Commissie uiterlijk op 21 december 2009 de gegevens waarover zij krachtens dit artikel beschikt. Zij bezorgt deze gegevens aan de Europese Commissie, telkens als ze worden geactualiseerd.

§ 5. De Wetgevende Kamers evalueren vóór 1 maart 2011 de toepassing van dit artikel op basis van de in §§ 3 en 4 bedoelde gegevens, het in artikel 16 van de richtlijn 2004/113/EG bedoelde verslag van de Europese Commissie alsook de toestand in de andere lidstaten van de Europese Unie.

Deze evaluatie vindt plaats op basis van een verslag, dat door een Evaluatiecommissie binnen de 2 jaar aan de Wetgevende Kamers wordt voorgelegd.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels inzake de samenstelling en de aanstelling van de Evaluatiecommissie, de vorm en de inhoud van het verslag.

De Commissie rapporteert onder andere over de gevolgen van dit artikel op de markttoestand en onderzoekt ook andere segmentatiecriteria dan die welke verband houden met het geslacht.

§ 6. Deze bepaling is niet van toepassing op verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in het kader van een aanvullende regeling voor sociale zekerheid. Voor die overeenkomsten geldt uitsluitend artikel 12.”

Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

12 Verzoekers in het hoofdgeding hebben bij het Grondwettelijk Hof beroep ingesteld tot vernietiging van de wet van 21 december 2007, die richtlijn 2004/113 in Belgisch recht omzet.

13 Huns inziens is de wet van 21 december 2007, waarin gebruikt wordt gemaakt van de bij artikel 5, lid 2, van richtlijn 2004/113 geboden mogelijkheid van uitzondering, onverenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen.

14 Aangezien in de wet van 21 december 2007 gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van de uitzondering krachtens artikel 5, lid 2, van richtlijn 2004/113, heeft het Grondwettelijk Hof, van oordeel dat in het voor hem aanhangige beroep een vraag van geldigheid van een bepaling van een richtlijn van de Unie rees, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1) Is artikel 5, lid 2, van richtlijn 2004/113[…] verenigbaar met artikel 6, lid 2, [EU] en meer bepaald met het bij die bepaling gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is hetzelfde artikel 5, lid 2, van [deze] richtlijn eveneens onverenigbaar met artikel 6, lid 2, [EU] wanneer de toepassing ervan wordt beperkt tot de levensverzekeringsovereenkomsten?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

15 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 2, van richtlijn 2004/113 geldig is gelet op het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen.

16 In lid 2 van artikel 6 EU, waarnaar de verwijzende rechter in zijn vragen verwijst en dat in punt 1 van de considerans van richtlijn 2004/113 wordt vermeld, werd bepaald dat de Unie de grondrechten zoals die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht eerbiedigt. Deze grondrechten zijn opgenomen in het Handvest, dat sinds 1 december 2009 dezelfde juridische waarde als de verdragen heeft.

17 Ingevolge de artikelen 21 en 23 van het Handvest is elke discriminatie op grond van geslacht verboden en moet de gelijkheid van vrouwen en mannen op alle gebieden worden gewaarborgd. Punt 4 van de considerans van richtlijn 2004/113 verwijst uitdrukkelijk naar deze artikelen; de geldigheid van artikel 5, lid 2, van deze richtlijn moet dus worden getoetst aan deze bepalingen van het Handvest (zie in die zin arrest van 9 november 2010, Volker und Markus Schecke en Eifert, C‑92/09 en C‑93/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 46).

18 Het WEU-Verdrag bevat bepalingen over het recht op gelijke behandeling van vrouwen en mannen. Enerzijds, aldus artikel 157, lid 1, VWEU draagt iedere lidstaat er zorg voor dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast. Anderzijds bepaalt artikel 19, lid 1, VWEU dat de Raad na goedkeuring door het Europees Parlement passende maatregelen kan nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden.

19 Terwijl artikel 157, lid 1, VWEU het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op een specifiek gebied invoert, bevat artikel 19, lid 1, VWEU een machtiging voor de Raad, die deze moet gebruiken met inachtneming van met name artikel 3, lid 3, tweede alinea, VEU, dat bepaalt dat de Unie sociale uitsluiting en discriminatie bestrijdt en sociale rechtvaardigheid en bescherming, de gelijkheid van vrouwen en mannen, de solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind bevordert, en artikel 8 VWEU, volgens hetwelk de Unie bij elk optreden ernaar streeft de ongelijkheden op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen.

20 Bij de geleidelijke totstandbrenging van deze gelijkheid bepaalt de Uniewetgever, gelet op de bij artikel 3, lid 3, tweede alinea, VEU en artikel 8 VWEU aan de Unie opgedragen taak, op welk tijdstip hij handelt, en houdt hij daarbij rekening met de ontwikkeling van de economische en sociale situatie in de Unie.

21 Een dergelijk handelen, wanneer daartoe wordt beslist, moet het nagestreefde doel evenwel coherent verwezenlijken, hetgeen niet de mogelijkheid uitsluit te voorzien in overgangsperiodes of uitzonderingen van beperkte draagwijdte.

22 Zoals wordt vastgesteld in punt 18 van de considerans van richtlijn 2004/113, was het gebruik van seksegerelateerde actuariële factoren wijdverspreid bij het verlenen van verzekeringsdiensten ten tijde van de vaststelling van deze richtlijn.

23 De Uniewetgever kon het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen, meer bepaald de toepassing van de regel van unisekspremies en ‑uitkeringen, dus geleidelijk met passende overgangsperiodes ingang doen vinden.

24 In die zin bepaalde de Uniewetgever in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2004/113 dat de uit het gebruik van sekse als een factor bij de berekening van premies en uitkeringen voortvloeiende verschillen uiterlijk op 21 december 2007 moesten zijn weggewerkt.

25 In afwijking van de bij dit artikel 5, lid 1, ingestelde algemene regel van unisekspremies en ‑uitkeringen, gaf lid 2 van dit artikel de lidstaten waarvan het nationale recht deze regel bij de vaststelling van richtlijn 2004/113 nog niet toepaste, de mogelijkheid om vóór 21 december 2007 te beslissen proportionele verschillen in premies en uitkeringen voor de verzekerden toe te staan in de gevallen waarin sekse een bepalende factor is bij de beoordeling van het risico, op basis van relevante en nauwkeurige actuariële en statistische gegevens.

26 Deze mogelijkheid, aldus datzelfde lid, zal vijf jaar na 21 december 2007 worden getoetst, waarbij rekening wordt gehouden met een verslag van de Commissie, maar de lidstaten die van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt, mogen, doordat richtlijn 2004/113 niet preciseert hoe lang deze verschillen mogen duren, de verzekeraars de toepassing van deze ongelijke behandeling zonder tijdslimiet toestaan.

27 De Raad betwijfelt of de situaties van vrouwelijke en mannelijke verzekerden in sommige particuliereverzekeringstakken vergelijkbaar kunnen worden geacht daar de graden van verzekerd risico, gelet op de verzekeringstechnische indeling van de risico’s in categorieën op basis van statistieken, kunnen verschillen voor vrouwen en mannen. Hij wijst erop dat de keuzemogelijkheid van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2004/113 er alleen toe strekt te voorkomen dat verschillende situaties gelijk worden behandeld.

28 Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist het gelijkheidsbeginsel dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C‑127/07, Jurispr. blz. I‑9895, punt 23).

29 Dienaangaande dient te worden benadrukt dat de vergelijkbaarheid van situaties moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de handeling van de Unie die het betrokken onderscheid invoert (zie in die zin arrest Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., reeds aangehaald, punt 26). In casu voert artikel 5, lid 2, van richtlijn 2004/113 dit onderscheid in.

30 Vaststaat dat richtlijn 2004/113 in de sector van de verzekeringsdiensten zoals blijkt uit artikel 5, lid 1, ervan de toepassing van unisekspremies en ‑uitkeringen tot doel heeft. In punt 18 van de considerans van deze richtlijn wordt uitdrukkelijk verklaard dat om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen te waarborgen het gebruik van seksegerelateerde actuariële factoren niet mag resulteren in verschillen tussen de premies en uitkeringen van verzekerden. Volgens punt 19 van de considerans van deze richtlijn is de aan de lidstaten verleende mogelijkheid om de regel van de unisekspremies en ‑uitkeringen niet toe te passen een „uitzondering”. Richtlijn 2004/113 gaat voor de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen in de zin van de artikelen 21 en 23 van het Handvest dus uit van de vergelijkbaarheid van de respectieve situaties van vrouwen en mannen inzake de premies en uitkeringen van door hen aangegane verzekeringen.

31 In deze omstandigheden bestaat het gevaar dat de uitzondering op de gelijke behandeling van vrouwen en mannen in de zin van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2004/113 naar Unierecht onbeperkt toegestaan blijft.

32 Een dergelijke bepaling, die de betrokken lidstaten toestaat een uitzondering op de regel van unisekspremies en ‑uitkeringen zonder beperking in de tijd te handhaven, is in strijd met de verwezenlijking van het door richtlijn 2004/113 nagestreefde doel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen en onverenigbaar met de artikelen 21 en 23 van het Handvest.

33 Bijgevolg moet deze bepaling ongeldig worden geacht bij het verstrijken van een passende overgangsperiode.

34 Gelet op al het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 2, van richtlijn 2004/113 met ingang van 21 december 2012 ongeldig is.

35 Gelet op dat antwoord behoeft de tweede prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

36 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

Artikel 5, lid 2, van richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten, is met ingang van 21 december 2012 ongeldig.

Rechters

V. Skouris, president, A. Tizzano, J. N. Cunha Rodrigues, K. Lenaerts, J.‑C. Bonichot en A. Arabadjiev, kamerpresidenten, E. Juhász (rapporteur), G. Arestis, A. Borg Barthet, M. Ilešič, L. Bay Larsen, P. Lindh en T. von Danwitz

Petitie afschaffing regeling ‘Dienstverlening aan Huis’

Deeltijd huishoudelijk personeel heeft een veel slechtere rechtspositie dan andere werknemers. Deze uitzonderingspositie is vastgelegd in de Regeling Dienstverlening aan huis. Op dit moment gaat het naar schatting om zo’n half miljoen mensen en hun aantal neemt nog steeds toe. Voor circa 95% bestaat deze groep uit vrouwen, die werken als huishoudelijke hulp, nanny, gezelschapsdame, kinderoppas of alfahulp. Hieronder vallen ook de mensen die geïndiceerde zorg bieden krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De overheid biedt deze – relatief goedkope – zorg onder meer via een persoonsgebonden budget (PGB) waarmee de zorgvrager zelf iemand inschakelt. Ook thuiszorginstellingen laten verzorgend personeel steeds meer als alfahulp werken. De lage kosten van deze hulp gaan rechtstreeks ten koste van de rechtsbescherming van deze groep werknemers. Dat is op zichzelf al onaanvaardbaar, maar bovendien is hun ongelijke rechtspositie in strijd met internationale verdragen. Daarom bieden wij u het boek Een baan als alle andere?! aan. Hierin vindt u informatie over achtergronden en oplossingen. Wij vragen u dringend om u in te zetten voor de afschaffing van de regeling ‘Dienstverlening aan Huis’. De behandeling van de begroting van SZW biedt een mooie gelegenheid.

Maar ook op korte termijn is verbetering nodig en mogelijk. Op dit moment verliezen mensen die werknemer zijn (in de zin van de sociale verzekeringswetten) en werkloos raken hun recht op WW wanneer zij deeltijdwerk aan huis gaan verrichten: indien zij na zes maanden deze arbeid verliezen of arbeidsongeschikt raken, kunnen zij geen aanspraak meer maken op WW of WAO, omdat deeltijders aan huis:

  • niet vallen onder het begrip werknemer in de zin van de sociale verzekeringswetten en dus geen recht opbouwen op een werkloosheidsuitkering of een arbeidsongeschiktheids-uitkering wanneer zij werkloos of arbeidsongeschikt raken, en
  • hun ‘oude’ recht op WW niet herleeft, zoals bijvoorbeeld bij startende zelfstandigen. Dit houdt mensen tegen om deze vorm van arbeid die hard nodig is op te pakken, maar is ook schrijnend, omdat hun inkomsten als deeltijder aan huis wel worden gekort op hun uitkering. Ook deeltijders aan huis hebben recht op toegang tot sociale zekerheid.

Verzoek

De Vereniging Vrouw en Recht en de FNV Bondgenoten vragen u dringend tijdens de behandeling van de begroting SZW de minister van SZW, de heer H. Kamp, te verzoeken 1) de ‘deeltijders aan huis’ aan te merken als werknemer in de sociale verzekeringswetten, en zolang dit nog niet is geregeld 2) om herleving van opgebouwde rechten op grond van de werknemers-verzekeringen voor deeltijders aan huis die na zes maanden hun werk verliezen of arbeidsongeschikt raken.

Nadere informatie over korte termijn maatregel

Volwaardige aanspraken op werknemersverzekeringen voor deeltijders aan huis.

Deeltijders aan huis hebben geen recht op een werkloosheidsuitkering en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen wanneer zij werkloos of arbeidsongeschikt raken, omdat zij niet onder het begrip werknemer vallen, zoals opgenomen in de sociale verzekeringswetten.

Mensen die wel werknemer zijn in de zin van de sociale verzekeringswetten en werkloos raken kunnen hun werknemerschap verliezen wanneer zij deeltijdwerk aan huis gaan verrichten. Immers wanneer zij langer dan zes maanden deze arbeid hebben verricht en vervolgens weer werkloos of arbeidsongeschikt raken, zijn zij hun aanspraken op grond van de werkloosheidswet verloren. De inkomsten die zij krijgen als deeltijder aan huis worden echter wel gekort op hun werkloosheidsuitkering.

Toelichting

In artikel 8 lid 2 WW is geregeld dat degene die tijdens de duur van de WW uitkering start als zelfstandige de WW uitkering weer herkrijgt wanneer hij binnen de periode dat hij recht heeft op WW uitkering weer stopt met zijn werkzaamheden als zelfstandige. Deze regeling is bedoeld om starters de gelegenheid te geven uit te proberen of zij als zelfstandige verder kunnen. Lukt dit niet dan hebben zij daardoor niet het recht op WW verloren.

Ook volksvertegenwoordigers (leden Eerste Kamer, leden van het bestuur van een waterschap) verliezen hun eventuele aanspraken op een werkloosheidsuitkering niet (art. 8 lid 3 WW).

In andere gevallen waarin het werknemerschap verloren is gegaan herleeft het recht op een WW- uitkering alleen wanneer binnen 6 maanden de reden waarom het werknemerschap verloren is gegaan, is komen te vervallen (artikel 8, lid 4 WW ). Een van de achterliggende ideeën achter deze regeling is dat de band met de arbeidsmarkt niet te lang onderbroken mag zijn.

Daarvan is echter geen sprake bij deeltijders aan huis. Zij behouden de band met de arbeidsmarkt door werkzaamheden als deeltijder aan huis te aanvaarden.

Korte termijn

Op korte termijn is eenvoudig door aanpassing van de wet te regelen dat mensen die reeds rechten op grond van de werknemerswetten hebben opgebouwd deze niet verliezen wanneer zij werkzaamheden gaan verrichten als deeltijder aan huis. Het recht op werkloosheidsuitkering dient te herleven indien de betrokken deeltijder aan huis het betreffende werk na zes maanden niet meer verricht.


Meer informatie is te verkrijgen bij – Vereniging voor Vrouw en Recht (VVR): Voorzitter Mieke van der Burg (tel: 06-22987711) – FNV Bondgenoten: Adviseur Margriet Kraamwinkel (tel: 06 –108 86 561)

Instantie: EHRM – Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 17 februari 2011

Instantie

EHRM – Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Samenvatting

Ongelijke behandeling, maar gerechtsvaardigd.
Het EHRM oordeelt dat Tsjechië mannen en vrouwen ongelijk behandelt, omdat de leeftijd waarop vrouwen met pensioen kunnen gaan kan worden verlaagd afhankelijk van het aantal kinderen dat zij hebben grootgebracht, terwijl de leeftijd waarop mannen met pensioen kunnen gaan niet naar beneden wordt bijgesteld als zij feitelijk hebben gezorgd voor kinderen. Artikel 1, Eerste Protocol, in samenhang met artikel 14 EVRM komt daarmee in beeld. Deze ongelijke behandeling wordt echter gerechtvaardigd. Er is sprake van een gerechtvaardigd doel, nu deze regels bedoeld waren om vrouwen te compenseren voor het feit dat zij in het voormalige Tsjechoslowakije doorgaans zowel voor de kinderen moesten zorgen als full-time moesten werken, waardoor zij dubbel belast werden (en doorgaans ook minder betaald kregen dan mannen). Ook is er sprake van proportionaliteit, nu Tsjechië al is begonnen met het aanpassen van het pensioenstelsel om de regels voor mannen en vrouwen gelijk te trekken. Dat Tsjechië dit niet sneller doet, is volgens het EHRM niet zo onredelijk dat het buiten de “margin of appreciation” valt, gelet op de complexe afwegingen die de nationale autoriteiten moeten maken. Er is dus geen schending van artikel 1, Eerste Protocol, jo. artikel 14 EVRM.

Volledige tekst

In the case of Andrle v. the Czech Republic,

The European Court of Human Rights (Fifth Section), sitting as a Chamber composed of (zie onder):

Having deliberated in private on 9 November 2010 and 25 January 2011,
Delivers the following judgment, which was adopted on the last-mentioned date:

PROCEDURE

1). The case originated in an application (no. 6268/08) against the Czech Republic lodged with the Court under Article 34 of the Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms (“the Convention”) by a Czech national, Mr Augustin Andrle (“the applicant”), on 28 January 2008.
2). The applicant was represented by Mr J. Lipavský, a lawyer practising in Hradec Králové. The Czech Government (“the Government”) were represented by their Agent, Mr V.A. Schorm, from the Ministry of Justice.
3). The applicant alleged that he was discriminated against in the enjoyment of his right to protection of property on account of his sex. The applicant complained, specifically, that the pension scheme which established a different pensionable age for women caring for children compared to men in the same position did not pursue any legitimate aim, in breach of Article 14 of the Convention taken in conjunction with Article 1 of Protocol No. 1.
4). On 28 August 2009 the Court decided to give notice of the application to the Government, inviting them to comment on the applicant’s complaints under Article 14 of the Convention taken in conjunction with Article 1 of Protocol No. 1. It was also decided to examine the merits of the application at the same time as its admissibility (Article 29 § 1).

THE FACTS

I. THE CIRCUMSTANCES OF THE CASE
5). The applicant is a Czech national born in 1946 who lives in Vysoké Mýto (the Czech Republic).
6). The applicant was married from 1971 until 1998, when he divorced. On 28 May 1998 the applicant applied for custody of two of his four children, born in 1982 and 1985, maintaining that since August 1997 he and his wife had not lived together and that he cared for the two minor children himself.
In a judgment of 16 July 1998 the Ústí nad Orlicí District Court awarded the applicant custody of the two children.
7). On 14 November 2003 the Czech Social Security Administration (Česká správa sociálního zabezpečení) dismissed an application by the applicant for a retirement pension as he had not attained the pensionable age required by section 32 of the Pension Insurance Act, which was, in his case, sixty-one years and ten months.
8). The applicant challenged the administrative decision before the Hradec Králové Regional Court (Krajský soud), arguing that given the fact that he had cared for two children, he was entitled to retire at the age of fifty-seven and had therefore reached the pensionable age.
9). On 1 December 2004 the Regional Court stayed the proceedings in the applicant’s case pending the outcome of the proceedings before the Constitutional Court (Ústavní soud), which was called upon to review the constitutionality of section 32 of the Pension Insurance Act in another case (no. Pl. ÚS 53/2004) brought before it by the Supreme Administrative Court (Nejvyšší správní soud). The Hradec Králové Regional Court joined the proceedings in that case as an intervening party.
10). In judgment no. Pl. ÚS 53/2004 of 16 October 2007 the Constitutional Court dismissed the Supreme Administrative Court’s petition to repeal section 32 of the Pension Insurance Act, finding that it was not discriminatory and was therefore compatible with Article 1 and Article 3 § 1, in conjunction with Article 30 § 1, of the Charter of Fundamental Rights and Freedoms.
11). On 12 December 2007 the Regional Court dismissed the applicant’s action, referring to the Constitutional Court’s judgment no. Pl. ÚS 53/2004.
12). By a judgment of 13 June 2008 the Supreme Administrative Court dismissed a cassation appeal by the applicant, relying on the aforesaid judgment of the Constitutional Court.
13). Subsequently, the applicant lodged a constitutional appeal in which he alleged, inter alia, a violation of Article 14 of the Convention and Article 1 of Protocol No. 1.
14). On 30 October 2008 the Constitutional Court rejected the constitutional appeal as manifestly ill-founded, emphasising, in particular, the discretion afforded to the legislature to implement preferential treatment, the objective and reasonable aim pursued by this preferential treatment of women and the relationship of proportionality between the means employed and the aim pursued.
II. RELEVANT DOMESTIC LAW AND PRACTICE
A. Charter of Fundamental Rights and Freedoms (Constitutional Act no. 2/1993)
15). Article 1 provides that all people are free with equal dignity and equal rights. Their fundamental rights and freedoms are inherent, inalienable, imprescriptible, and not subject to repeal.
16). Under Article 3 everyone is guaranteed the enjoyment of his or her fundamental rights and basic freedoms without regard to gender, race, colour of skin, language, faith and religion, political or other conviction, national or social origin, membership of a national or ethnic minority, property, birth, or other status.
17). Article 30 provides that citizens have the right to adequate material security in old age and during periods of incapacity to work, as well as in the case of the loss of their household provider.
B. Development of the State pension schemes in the territory of the Czech Republic, with special regard to the State pensionable age
18). Differentiated age limits for men and women for entitlement to State retirement pensions were first introduced by the Social Security Act (no. 55/1956), which became effective on 1 January 1957. In general, the pensionable age for men was set at sixty years, while for women it was set at fifty-five years.
19). The Social Security Act (no. 101/1964), effective from 1 July 1964, specified differentials in female pensionable age based on the number of children women raised. The explanatory report on the bill noted the following:
“This differentiated age limit for acquiring the right to retire reflects the different situation in the lives of mothers who, when they took care of children, also carried out duties in the family in addition to their employment duties.”
20). The State Pension Insurance Act (no. 155/1995), effective since 1 January 1996, provides for the basic State pension insurance coverage, laying down the conditions for eligibility for pensions, including retirement pensions, and the methods for calculating and paying out pensions. The pension scheme works on the pay-as-you-earn principle, whereby employees pay contributions from their income, which serve the purpose of financing pensions for today’s pensioners from the national budget. Male and female earners are obliged to pay the same social-security contributions in accordance with their status as employed earners or self-employed earners.
21). At the relevant time, section 32(1) of the State Pension Insurance Act provided as follows:
“(1) The pensionable age is
(a) for men, 60 years,
(b) for women:
1). 53 years provided they have raised at least five children,
2). 54 years provided they have raised three or four children,
3). 55 years provided they have raised two children,
4). 56 years provided they have raised one child, or
5). 57 years,
if the insured persons had attained that age by 31 December 1995.”
Section 32(2) provided that for insured persons who reached the above-mentioned age limits between 1 January 1996 and 31 December 2006 the pensionable age was to be gradually raised by two months for men and four months for women for each calendar year, even incomplete, between 31 December 1995 and the date of reaching the above-mentioned age limits.
Section 32(4) provided at the relevant time:
“(4) The requirement for a woman to raise children in order to become entitled to an [earlier] State retirement pension has been satisfied if the woman personally takes care, or has taken care, of children for at least ten years before the children reach the age of majority. However, if a woman starts to raise a child after the child has reached the age of eight years, the requirement of raising children has been met if the woman personally takes care, or has taken care, of the child for at least five years before the child reaches the age of majority; however, the foregoing shall not apply if the woman stopped taking care of the child before the child reached the age of majority.”
22). According to the Government’s submissions, women are called upon to prove that they have raised children for the statutory period by completing a statutory declaration appended to their application for the retirement pension.
23). Owing to complex demographic changes, the State pensionable age for all persons has thus been gradually rising. Since 2003 the Government have made efforts to push through two amendments of the State Pension Insurance Act envisaging a gradual equalisation of men’s and women’s retirement age regardless of the number of children raised. However, owing to difficult political negotiations with certain political parties and trade unions, the only possible solution was to reach a compromise.
24). As a result, the amended Act no. 155/1995, effective from 1 January 2010, provides in section 32 as follows:
“(1) The pensionable age is
(a) for men, 60 years,
(b) for women:
1). 53 years provided they have raised at least five children,
2). 54 years provided they have raised three or four children,
3). 55 years provided they have raised two children,
4). 56 years provided they have raised one child, or
5). 57 years,
in the case of insured persons born before 1936.
(2) For insured persons born after 1936 and before 1968 the pensionable age is determined according to the table annexed to this Act, which calculates the increased pensionable ages by adding extra months.
(3) For insured persons born after 1968 the pensionable age is
(a) for men, 65 years,
(b) for women:
1). 62 years provided they have raised at least four children,
2). 63 years provided they have raised three children,
3). 64 years provided they have raised two children, or
4). 65 years.”
C. Constitutional Court judgment no. Pl. ÚS 53/2004 of 16 October 2007
25). By this judgment, the Plenary of the Constitutional Court rejected the Supreme Administrative Court’s petition for the repeal of section 32 of the Pension Insurance Act. It held that a particular legal framework which gave an advantage to one group or category of persons compared to another could not in itself be said to violate the principle of equality, and that the legislature had discretion to implement preferential treatment. The approach at stake was based on objective and reasonable grounds and pursued a legitimate aim. The court came to the conclusion that the proposed repeal would be contrary to the principles of legal certainty and minimal restrictions on human rights as women would lose preferential treatment whereas men would not receive the same benefits. Therefore, the solution to the unequal treatment of men and women required a complex and prudent adjustment of the whole pension scheme.
In its observations to the Constitutional Court the Ministry of Labour and Social Affairs submitted that among the European Union Member States a similar provision was effective for a temporary period only in Slovakia and to a limited extent in Slovenia.
THE LAW
I. ALLEGED VIOLATION OF ARTICLE 14 OF THE CONVENTION TAKEN IN CONJUNCTION WITH ARTICLE 1 OF PROTOCOL No. 1
26). The applicant complained that he was discriminated against in the enjoyment of his property rights on account of his sex. In particular, he alleged that the pension scheme, which established a different pensionable age for women caring for children and for men in the same position, did not pursue any legitimate aim.
Article 14 of the Convention provides:
“The enjoyment of the rights and freedoms set forth in [the] Convention shall be secured without discrimination on any ground such as sex, race, colour, language, religion, political or other opinion, national or social origin, association with a national minority, property, birth or other status.”
Article 1 of Protocol No. 1 provides:
“1). Every natural or legal person is entitled to the peaceful enjoyment of his possessions. No one shall be deprived of his possessions except in the public interest and subject to the conditions provided for by law and by the general principles of international law.
2). The preceding provisions shall not, however, in any way impair the right of a State to enforce such laws as it deems necessary to control the use of property in accordance with the general interest or to secure the payment of taxes or other contributions or penalties.”
A. Admissibility
27). The Court reiterates that Article 14 complements the other substantive provisions of the Convention and the Protocols. It has no independent existence since it has effect solely with regard to “the enjoyment of the rights and freedoms” safeguarded by those provisions (see, amongst many authorities, Şahin v. Germany [GC], no. 30943/96, § 85, ECHR 2003-VIII). The application of Article 14 does not necessarily presuppose the violation of one of the substantive rights guaranteed by the Convention. It is necessary but it is also sufficient for the facts of the case to fall “within the ambit” of one or more of the Convention Articles (see, among other authorities, Gaygusuz v. Austria, § 36, 16 September 1996, Reports of Judgments and Decisions 1996-IV, and E.B. v. France [GC], no. 43546/02, § 47, ECHR 2008-… and references therein).
28). The prohibition of discrimination in Article 14 thus extends beyond the enjoyment of the rights and freedoms which the Convention and Protocols require each State to guarantee. It applies also to those additional rights, falling within the general scope of any Convention article, for which the State has voluntarily decided to provide (see Stec and Others v. the United Kingdom (dec.) [GC], nos. 65731/01 and 65900/01, § 40, ECHR 2005-X).
29). If a Contracting State has legislation in force providing for the payment as of right of a welfare benefit – whether conditional or not on the prior payment of contributions – that legislation must be regarded as generating a proprietary interest falling within the ambit of Article 1 of Protocol No. 1 for persons satisfying its requirements (ibid., § 54).
30). In cases, such as the present, concerning a complaint under Article 14 in conjunction with Article 1 of Protocol No. 1 that the applicant has been denied all or part of a particular benefit on a discriminatory ground covered by Article 14, the relevant test is whether, but for the condition of entitlement about which the applicant complains, he or she would have had a right, enforceable under domestic law, to receive the benefit in question. Although Protocol No. 1 does not include the right to receive a social-security payment of any kind, if a State does decide to create a benefits scheme, it must do so in a manner which is compatible with Article 14. (ibid., § 55).
31). It follows that the applicant’s interests fall within the scope of Article 1 of Protocol No. 1 and of the right to property which it guarantees. This is sufficient to render Article 14 applicable in this case.
32). The Court notes that this complaint is not manifestly ill-founded within the meaning of Article 35 § 3 (a) of the Convention and that it is not inadmissible on any other grounds. It must therefore be declared admissible.
B. Merits
1). The parties’ submissions
(a) The applicant
33). As the applicant did not submit his observations within the given time-limit, they have not been included in the case file.
(b) The Government
34). The Government admitted that the applicant had been subjected to different treatment from a woman in a similar situation who had raised one or two children. In their view, however, such a difference in treatment had an objective and reasonable justification.
35). In this connection, the Government pointed out that the Social Security Act (no. 101/1964), which introduced a differentiated pensionable age depending on the number of children women had raised (see paragraph 19 above), reflected the economic and social situation in the then socialist Czechoslovakia. Firstly, the extensive development of the economy necessitated the full involvement of women in the labour process. Secondly, under the Communist regime, women were primarily responsible for the functioning of families and almost entirely responsible for children. In that period, the foundations for the family model (persisting until the present time) were laid; under that model, women were expected to work on a full-time basis and at the same time to take care of children and the household. As a result of the combination of those two factors, mothers found themselves under an enormous burden. At the same time, the then legislature took into account the biological perspective because the child-raising requirement set forth in the Act implied from the outset not only the care of the child but also pregnancy, childbirth, breastfeeding and so on.
36). Against this background, the Government admitted that the measure consisting in the lowering of the pensionable age for women according to the number of children raised had not been introduced to protect or reward parents for raising children, but served as a protective measure compensating for the factual inequality in which women in their capacity as mothers found themselves in comparison with men. It thus aimed to rectify the inequalities between the social roles of the two sexes in the family and to redress the imbalance created by maternity, which would always constitute a certain disadvantage for mothers in the labour market. Since those disadvantages stemmed from the biological differences between women and men, the Government submitted that the measure challenged by the applicant appeared to be objectively and reasonably justified for the purposes of Article 14 of the Convention.
37). Furthermore, the Government submitted that, unlike biological factors, social factors were subject to change. Therefore, the differentiated pensionable age for women depending on the number of children raised would continue to be justified until social conditions changed enough for women to cease to be disadvantaged as a consequence of the existing family model.
38). Because changes in the organisation of family life were evolving only very slowly in the Czech Republic, the Government believed that, as in the case of Stec and Others v. the United Kingdom ([GC], no. 65731/01, ECHR 2006-VI), it would be difficult to specify the moment from which this unfairness to men (caused by the lowering of the State pensionable age depending on the number of children raised only in the case of women) prevailed over the need to remedy the disadvantaged position of women. Also, the Constitutional Court had held in its judgment no. Pl. ÚS 53/2004 that the elimination of inequalities between men and women in the State pension insurance scheme should fully reflect the development of the situation in society.
39). With regard to the exact timing and method for rectifying the inequality, the Government stated that amendments to Act no. 155/1995, regulating the State pension insurance scheme, had introduced the gradual raising of the existing pensionable ages as one of the key measures of pension reform. Another objective of the subsequent measures was the equalisation of the State pensionable age for men and women, regardless of the number of children raised.
40). The Government asserted that the current measures were only temporary solutions, part of the long-term fundamental reform of the whole State pension system. Two other approaches would be far more difficult than this method of taking gradual steps. An instant abolition of the lowering of women’s State pensionable age in relation to the number of children raised would have been socially insensitive, contrary to the principle of foreseeability of the law and therefore entirely unacceptable both politically and socially. The lowering of the male pensionable age in relation to the number of children raised would lead to a considerable increase in the expenditure of the Czech Social Security Administration and to an unavoidable increase in the caseload of the courts, which would have to devise a very complicated system for checking which of the parents actually took care of children and was therefore eligible for the lowered retirement age. This method would have meant a step back in pension reform overall, which, in fact, envisaged a considerable increase in the State pensionable age for everyone.
41). So far, the Government had succeeded in pushing through proposals for the gradual equalisation of the State pensionable age for men and women in general. For this purpose the pensionable age for women was currently growing twice as fast as that for men. The upper limit had been set, for the time being, at sixty-five years for men and women.
42). As early as 2003, the Government had tried to abolish, on a step-by-step basis, the lowering of the women’s State pensionable age in relation to the number of children raised, but having regard to the negative opinions of organisations representing both employees and employers (see paragraph 23 above), they had abandoned that intention for the time being in the interest of maintaining lasting social stability. Later, in 2007, they had not succeeded in pushing through a similar proposal to its full extent, so for the time being the lowering of the State pensionable age in relation to the number of children raised had been abolished only for women born after 1968 who had raised one child (see paragraph 24 in fine above).
43). The Government also drew attention to further attempts to gradually remove gender-based differentials from the State pension insurance scheme, such as entitlement to bereavement benefits for men and women taking into account care for children, parental leave and parental allowance.
44). The Government lastly noted that the Court, in the case of Stec and Others (judgment, cited above), had refused to blame the United Kingdom government for the lengthy process of consultation and review and the national parliament’s decision to introduce reform slowly and in stages. The Czech Government believed that the employers’ and employees’ representatives’ negative view of the proposal to abolish the lowering of women’s State pensionable age in relation to the number of children raised reflected, inter alia, evidence brought to light by surveys and statistical data, which indicated that, in the Czech Republic, a traditional family model still prevailed.
45). In the light of the above considerations, the Government concluded that the decisions on the exact timing and method for rectifying the inequality were not so “manifestly unreasonable” as to exceed the wide margin of appreciation enjoyed by States in the formation of their economic and social policies.
2). The Court’s assessment
(a) General principles
46). The applicant complained of a difference in treatment on the basis of sex, which falls within the non-exhaustive list of prohibited grounds of discrimination in Article 14.
47). The Court’s case-law establishes that discrimination means treating differently, without an objective and reasonable justification, persons in relevantly similar situations (see Willis v. the United Kingdom, no. 36042/97, § 48, ECHR 2002-IV). However, not every difference in treatment will amount to a violation of Article 14. It must be established that other persons in an analogous or relevantly similar situation enjoy preferential treatment and that this distinction is discriminatory (see Ünal Tekeli v. Turkey, no. 29865/96, § 49, ECHR 2004-X).
48). Article 14 does not prohibit a member State from treating groups differently in order to correct “factual inequalities” between them; indeed in certain circumstances a failure to attempt to correct inequality through different treatment may in itself give rise to a breach of the Article (see Thlimmenos v. Greece [GC], no. 34369/97, § 44, ECHR 2000-IV; Stec and Others, judgment cited above, § 51; and D.H. and Others v. the Czech Republic [GC], no. 57325/00, § 175, ECHR 2007-XII, with further references). A difference in treatment is, however, discriminatory if it has no objective and reasonable justification, in other words, if it does not pursue a legitimate aim or if there is not a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised. The Contracting State enjoys a margin of appreciation in assessing whether and to what extent differences in otherwise similar situations justify different treatment (see Van Raalte v. the Netherlands, 21 February 1997, § 39, Reports 1997-I).
49). The scope of this margin will vary according to circumstances, subject matter and background (see Petrovic v. Austria, 27 March 1998, § 38, Reports 1998-II). In this respect, one of the relevant factors may be the existence or non-existence of common ground between the laws of the Contracting States (see Rasmussen v. Denmark, 28 November 1984, § 40, Series A no. 87). As a general rule, very weighty reasons would have to be put forward before the Court could regard a difference in treatment based exclusively on the ground of sex as compatible with the Convention (see Stec and Others, judgment cited above, § 52, and Willis, cited above, § 39). This principle is strengthened by the efforts for advancement of the equality of the sexes which is today a major goal in the member States of the Council of Europe (see Konstantin Markin v. Russia, no. 30078/06, § 47, 7 October 2010 (not final, subject to Article 44 § 2 of the Convention), and Ünal Tekeli, cited above, § 59).
50). On the other hand, a wide margin is usually allowed to the State under the Convention when it comes to general measures of economic or social strategy. Because of their direct knowledge of their society and its needs, the national authorities are, in principle, better placed than the international judge to appreciate what is in the public interest on social or economic grounds, and the Court will generally respect the State’s policy choice unless it is “manifestly without reasonable foundation” (see National & Provincial Building Society, Leeds Permanent Building Society and Yorkshire Building Society v. the United Kingdom, 23 October 1997, § 80, Reports 1997-VII, and Stec and Others, judgment cited above, § 52).
51). Indeed the pension systems constitute cornerstones of modern European welfare systems. They are founded on the principle of long-term contributions and the subsequent entitlement to a pension guaranteed, at least to a certain extent, by the State. Unlike other welfare benefits, every member of society is eligible to draw this benefit after reaching the pensionable age. The inherent features of the system – stability and reliability – allow for lifelong family and career planning. For these reasons the Court considers that any adjustments of the pension schemes must be carried out in a gradual, cautious and measured manner. Any other approach could endanger social peace, foreseeability of the pension system and legal certainty.
(b) Application of these principles to the present case
52). Both parties agreed that the application concerned the lowering of the pensionable age for women who took care of children but not for men in the same situation, and not the different pensionable age between men and women born before 1969 in general. The applicant, arguing that he had cared himself for his children born in 1982 and 1985, from at least 1997 until they had reached the age of majority, applied for a retirement pension in 2003, at the age of fifty-seven. His request was dismissed as he had not attained the pensionable age required for men, which could not be lowered according to the number of children raised (see paragraphs 6 and 7 above).
53). Acknowledging that, in the former Czechoslovakia, the more favourable treatment of women who raised children was originally designed to compensate for the factual inequality and hardship arising out of the combination of the traditional mothering role of women and the social expectation of their involvement in work on a full-time basis, the Court considers that this measure pursued a legitimate aim.
54). It remains to be examined whether or not the underlying difference in treatment between men and women in the State pension scheme is acceptable under Article 14, that is, whether there was a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised.
55). The Court cannot overlook the fact that the measure at stake is rooted in specific historical circumstances. The means employed in 1964 reflected the realities of the then socialist Czechoslovakia, where women were responsible for childcare and the related care of the household while being under pressure to work full time (see paragraph 19 and 35 above). The amount of salaries and pensions awarded to women was also generally lower in comparison with those awarded to men.
56). Although this family model inevitably shaped recent families, in today’s society the child-bearing and child-rearing roles may no longer overlap to such a great extent. Indeed, the efforts by the respondent State to modify the pension scheme, whether successful or not, are intended to react to these and much wider social and demographic developments. Yet it is difficult to pinpoint any particular moment when the unfairness to men begins to outweigh the need to correct the disadvantaged position of women by means of affirmative action. The reluctance of certain political parties and trade unions to support the equalisation of the pension scheme may be indicative in this regard (see paragraph 23 above). The Court cannot but reiterate that the national authorities are better placed than an international judge to determine such a complex issue relating to economic and social policies, which depends on manifold domestic variables and direct knowledge of the society concerned, and that they have to enjoy a wide margin of appreciation in this sphere.
57). The Court notes that the Czech Government have already made the first concrete move towards equalisation of the retirement age, since in the amendment of Act no. 155/1995, effective from 1 January 2010, they repealed the lowered pensionable age for women born after 1968 who had raised one child (see paragraph 24 in fine above). As a consequence the pensionable age is the same for women born after 1968 who have raised no children or one child as the pensionable age for men born after 1968. Women who have raised two or more children continue to have their pensionable age lowered. Nonetheless, the pension reform seems to be heading towards an overall increase in the pensionable age, taking no account of the number of children raised by either women or men (see paragraphs 40-42 above).
58). The Court acknowledges that owing to the difficult political negotiations, the resulting change in the Czech pension scheme is limited. However, the demographic shifts and changes in perceptions of the roles of the sexes are by their nature gradual and, after forty-five years of the existence of the measure at stake, it is necessary to time the amendment accordingly. Therefore, the State cannot be criticised for progressively modifying its pension system to reflect these gradual changes (see also paragraph 51 above) and for not having pushed for complete equalisation at a faster pace. Indeed, the respondent Government have to choose from among different methods of equalising the retirement age. This task is even more demanding and deserves well-thought-out solutions since the State has to place this reform in the wider context of other demographic shifts, such as the ageing of the population or migration, which also warrant adjustment of the welfare system, while preserving the foreseeability of this system for the persons concerned who are obliged to contribute to it.
59). The present case must therefore be distinguished from the issue of discrimination in the field of parental leave (see Konstantin Markin, cited above, not final). In the Konstantin Markin case the Court held that the traditional perception of women as primary child-carers could not provide sufficient justification for the exclusion of the father from the entitlement to take parental leave from now on and for the future (ibid., § 49) and found a violation of Article 14 in conjunction with Article 8. However, unlike the pension scheme, parental leave is a short-term measure which does not affect the entire lives of members of society. It is related to today’s life of those concerned whereas the pension age reflects and compensates for inequalities of former times. In the Court’s opinion, the amendments of the parental leave system referred to in the case of Konstantin Markin do not involve changes to the subtle balance of the pension system, do not have serious financial ramifications and do not alter long-term planning, as might be the case with the pension system, which forms a part of national economic and social strategies.
60). To conclude, the Court finds that the original aim of the differentiated pensionable ages based on the number of children women raised was to compensate for the factual inequality between men and women. In the light of the specific circumstances of the case, this approach continues to be reasonably and objectively justified on this ground until social and economic changes remove the need for special treatment for women. In view of the time-demanding pension reform which is still ongoing in the Czech Republic, the Court is not convinced that the timing and the extent of the measures undertaken by the Czech authorities to rectify the inequality in question have been so manifestly unreasonable as to exceed the wide margin of appreciation allowed in such a field (see Stec and Others, judgment cited above, § 66).
61). In these circumstances the Court finds that the Czech Republic cannot be criticised for having failed to ensure, in the present case, a reasonable relationship of proportionality between the impugned difference in treatment and the legitimate aim pursued.
There has therefore been no violation of Article 14 of the Convention taken in conjunction with Article 1 of Protocol No. 1.
FOR THESE REASONS, THE COURT UNANIMOUSLY
1). Declares the application admissible;
2). Holds that there has been no violation of Article 14 of the Convention taken in conjunction with Article 1 of Protocol No. 1.
Done in English, and notified in writing on 17 February 2011, pursuant to Rule 77 §§ 2 and 3 of the Rules of Court.
Claudia Westerdiek Peer Lorenzen
Registrar President

ANDRLE v. THE CZECH REPUBLIC JUDGMENT

Rechters

Peer Lorenzen, President, Karel Jungwiert, Renate Jaeger, Mark Villiger, Mirjana Lazarova Trajkovska, Zdravka Kalaydjieva, Ganna Yudkivska, judges, and Claudia Westerdiek, Section Registrar.

Mieke van der Burg en Marjan Wijers, Peespas-prostitutie lost niets op, Trouw 1 februari 2011

Link naar artikel