CRvB (21-07-2006) volgt klachtuitspraak Mensenrechtencomité inzake weigering halfwezenuitkering ANW (strijdig met IVBPR)

Betrokkene was kind van ongehuwde ouders, waarvan de vader was overleden vóór invoering van de ANW, die in 1996 een halfwezenuitkering introduceerde voor kinderen van gehuwde én ongehuwde ouders, na het overlijden van een van beide ouders.
De aanvraag van een halfwezen-uitkering door de overlevende ouder tbv het kind was afgewezen, ook in bezwaar en beroep. Uiteindelijk slaagde een klacht bij het VN-Mensenrechtencomité in 2004 (zaak 98/240). De Staat wenste echter geen gevolg te verbinden aan dit oordeel. Na een nieuwe aanvraag, bezwaar en beroep vond de CRvB in 2006 (o.a.):

Partijen verschillen er in dit verband in de eerste plaats over van mening welke waarde moet worden gehecht aan de Inzichten van het Comité. Hoewel deze Inzichten formeel gesproken niet bindend zijn is de Raad van oordeel dat inzichten van een internationaal comité op het gebied van de mensenrechten in het algemeen als een gezaghebbend oordeel aangemerkt moeten worden, waaraan in procedures als de onderhavige bijzondere betekenis toekomt. Van een dergelijk oordeel kunnen nationale rechterlijke instanties slechts afwijken wanneer sprake is van zwaarwegende redenen die zulks kunnen rechtvaardigen. (…)

De Raad concludeert dan ook dat in de argumenten van de Regering geen gewichtige redenen kunnen worden gevonden om het Comité in zijn oordeel niet te volgen. (…)

Geleid door de Inzichten van het Comité in de zaak Derksen & Bakker vs Nederland stelt de Raad zich in de onderhavige zaak thans op het standpunt dat zijn rechtspraak heroverweging behoeft. (…)

ECLI:NL:CRVB:2006:AY5560

Zie ook: USZ 2006/282 met annotatie van Malva Driessen.

Brief Wetsvoorstel Regulering prostitutie i.v.m. negeren Concluding Observations CEDAW, d.d. 20 april 2010

Aan de leden van de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
p/a G.F.C. van Leiden, griffier
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

cc. Leden van de Vaste Commissie voor Justitie van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal
p/a dhr. D. Nava, griffier

                                Leiden, 20 april 2010 

Betreft: Wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche
(kamerstuknr. 32 211)

Geachte voorzitter en leden van de VC BZK en Justitie,

Zeer onlangs heeft u de Nota naar aanleiding van het Verslag betreffende het Wetsvoorstel Regulering Prostitutie (nr. 32.211) ontvangen van de Minister van BZK en Justitie. Dit 83 pagina’s tellende antwoord bevat vier fundamentele wijzigingen. De Vereniging voor Vrouw en Recht (VVR) wil graag haar visie daarop geven en u daarvan op de hoogte stellen. De VVR realiseert zich echter ook dat er nog slechts vijf Kamerdagen resteren voor het verkiezingsreces. Is er nog tijd om het wetsvoorstel te behandelen zodat de VVR met een gedegen reactie kan komen?

Op een aspect wil de VVR nu al ingaan: de ministers gaan in hun antwoord geheel voorbij aan de kritische opmerkingen en aanbevelingen van het CEDAW-Comite van eind februari 2010 betreffende het voorliggend wetsvoorstel.

Opmerkingen en aanbeveling CEDAW-Comité
In de Nota n.a.v. het Verslag gaan de Ministers niet in op de kritiek en aanbevelingen die het CEDAW-Comité eind februari jl. heeft uitgebracht na een gesprek met de Nederlandse regering op 27 januari 2010. Op pagina 7 van de NnavV wordt volstaan met de opmerking dat met de evaluatie uit 2007-2008 al is voldaan aan de wens van het Comité tot een evaluatie van de wetgeving sinds de opheffing van het bordeelverbod en verder dat ‘de Kamer te zijner tijd over de aanbevelingen van het CEDAW-comité wordt geïnformeerd.’

De VVR acht het onjuist en onbegrijpelijk dat geen enkel woord is gewijd aan de kritische opmerkingen en aanbevelingen van het CEDAW-Comité. Daarom informeer ik u hieronder over de opmerkingen en aanbeveling van het CEDAW-Comité.

Evaluatie
Het CEDAW-Comité is bekend met genoemde evaluatie maar heeft kritiek op het feit dat sinds de opheffing van het bordeelverbod nauwelijks in kaart is gebracht wat de gevolgen van de wetswijziging waren en zijn voor de positie van (ongedocumenteerde) migrantenvrouwen. Dat geldt ook voor geweldsrisico’s en gezondheidsrisico’s. Zo is niet onderzocht wat de effecten zijn van de wetswijziging en de handhaving van het verbod op de afgifte van tewerkstellingsvergunningen op de kwetsbaarheid van migrantenprostituees voor dwang en uitbuiting. Wel constateert het Comité dat uit de evaluaties blijkt dat er nauwelijks is geïnvesteerd in verbetering van de (sociale) positie van prostituees.

Registratie
Voorts heeft CEDAW-Comité veel bezwaren tegen het voorliggend wetsvoorstel ten aanzien van de registratie:

  • Registratie van een prostituee garandeert op geen enkele wijze dat zij niet langer wordt uitgebuit of anderszins slachtoffer is of wordt van dwang of geweld. Zo kunnen pooiers of vrouwenhandelaars prostituees dwingen zich te registreren.

  • Ook zal de registratieplicht een drempel opwerpen voor vrouwen die legaal in de prostitutie willen werken, maar bang zijn voor verlies van anonimiteit en voor stigmatisering. Daardoor bestaat het gevaar dat zij kiezen voor het illegale circuit en uit het blikveld van de hulpverlening en de gezondheidszorg verdwijnen. Het invoeren van de registratieplicht kan dus contraproductief zijn en leiden tot een groter illegaal circuit.

  • Ook wordt geen rekening gehouden met bescherming en perspectief voor slachtoffers van mensenhandel op de lange termijn.

  • Bovendien is het instellen en handhaven van een registratieplicht duur en brengt het werk met zich mee. Dit gaat mogelijk ten koste van het onderzoeken van daadwerkelijke gevallen van mensenhandel.

  • Tot slot kan het criminaliseren van klanten die niet-geregistreerde prostituees bezoeken afbreuk doen aan hun bereidheid om misstanden te melden. Vooralsnog zijn zij een belangrijke bron van signalering.

Het CEDAW-Comité beveelt de Nederlandse regering dan ook dringend aan eerst de risico’s van de invoering van een registratieplicht voor prostituees te onderzoeken, bijvoorbeeld voor hun veiligheid en de bescherming van hun privacy. Ook moet ze – naast exit-programma’s – investeren in de empowerment van prostituees.

Voor uw informatie sluiten wij de oorspronkelijk tekst van de Concluding Observations van 5 februari 2010 van het CEDAW-Comite bij. Het betreft aanbeveling nr. 28-31.

De VVR gaat er vanuit dat het VN-Vrouwenverdrag en de kritische aanbevelingen van haar toezichthoudend comité niet door de Nederlandse regering terzijde worden geschoven en dat deze de aandacht en impact krijgen die zij verdienen.

Mocht u onverhoopt toch besluiten tot plenaire behandeling van het wetsvoorstel nog voor het verkiezingsreces, dan verneem ik dat graag zodat de VVR u kan voorzien van nader commentaar.

Hoogachtend,

Mr. M.M. van der Burg
Voorzitter VVR

12 april 2010 – VVR verheugd over SGP-uitspraak Hoge Raad

VVR verheugd over SGP-uitspraak Hoge Raad

12 april 2010

De VVR heeft heden een persbericht doen uitgaan, waarvan de tekst hieronder volgt. Het persbericht van het Proefprocessenfonds Clara Wichmann, een van de eisende partijen, staat op hun website.
De Vereniging voor Vrouw en Recht is verheugd over de uitspraak van de Hoge Raad dat de SGP vrouwen niet mag uitsluiten van kandidatenlijsten voor de verkiezingen voor openbaar gekozen lichamen. Hiermee komt een eind aan het gedoogbeleid van de rijksoverheid ten aanzien van het standpunt van de SGP dat vrouwen geen passief kiesrecht kunnen krijgen. Een situatie die in strijd is met door Nederland goedgekeurde internationale verdragen, waaronder het VN-Vrouwenverdrag, en die niet past in een democratische rechtsstaat.

Een van de grondbeginselen in de democratie is het recht van mannen en vrouwen om te kunnen kiezen en om gekozen te kunnen worden in algemeen vertegenwoordigende politieke organen. Ieder politieke partij mag haar standpunten uitdragen, maar vrouwen het recht onthouden volledig deel te nemen aan verkiezingen is een aantasting van een democratisch recht. Dit staat los van het feit of vrouwen van dit recht ook gebruik maken.

Het VN-Vrouwenverdrag bepaalt in artikel 7 dat de Staat verplicht is alle passende maatregelen te nemen om discriminatie in het politieke en openbare leven uit te bannen. Deze verplichting behelst onder meer het verzekeren aan vrouwen van het recht om verkiesbaar te zijn in openbare vertegenwoordigende lichamen. Nederland heeft met het goedkeuren van de verdrag in 1991 deze verplichting op zich genomen. Al jaren – laatstelijk in februari jl. – heeft het toezichthoudend comité (het CEDAW-comité) Nederland er met klem op gewezen een einde te maken aan de gedoogsituatie. Deze terechtwijzingen zijn steeds genegeerd.

De VVR is verder zeer verheugd over de HR-uitspraak nu deze bevestigt dat individuen en belangenorganisaties rechtstreeks een beroep kunnen doen op artikel 7 Vrouwenverdrag tegen de Staat in geval van nalatigheid.
De VVR dringter bij de regering op korte termijn met effectieve maatregelen te komen die ervoor te zorgen dat de SGP het passief kiesrecht aan SGP-vrouwen ook daadwerkelijk toekent.

12 april 2010 – Vrouwenrechten in Nederland anno 2010 – De conclusies van het VN-Comité

Vrouwenrechten in Nederland anno 2010 – De conclusies van het VN-Comité

12 april 2010

Het Netwerk VN-Vrouwenverdrag heeft op vrijdag 9 april de publieksuitgave Vrouwenrechten in Nederland anno 2010 – enige vooruitgang nog veel te doen gepresenteerd. Hierin zijn zowel de schaduwrapportage VN-Vrouwenverdrag als de conclusies en aanbevelingen van het CEDAW-Comité samengevat in het Nederlands. De publicatie is in PDF te vinden op de website van de Vereniging. In gedrukte versie gratis verkrijgbaar bij E-quality, zie contact.

Instantie: Hoge Raad, 30 maart 2010

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting

Bevestiging van Hof: (trio)seks met minderjarig meisje is ontuchtige handeling conform art. 245 Sr. Daaraan doet niet af dat meisje verliefd was op uitgaansvriend van betrokkene of dat die uitgaansvriend, waarop slachtoffer verliefd was, eerder seks had gehad met meisje.

Volledige tekst

Uitspraak
30 maart 2010
Strafkamer
nr. 08/02059

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 29 april 2008, nummer 20/002947-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, wonende te [woonplaats].

1). Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat te Tilburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2). Beoordeling van het middel

2.1. Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat te dezen sprake was van ontuchtige handelingen als bedoeld in art. 245 Sr.

2.2.1. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat:
“hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 juli 2006 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s):
– zijn/hun penis, meermalen, in elk geval eenmaal, in de vagina van [slachtoffer] geduwd/gebracht;
– zijn/hun penis, meermalen, in elk geval eenmaal, in de mond van [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zich door [slachtoffer] laten pijpen.”

2.2.2. Daarvan is door de Rechtbank bewezenverklaard dat:
“hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 juli 2006 te Tilburg met [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de vagina van [slachtoffer] geduwd/gebracht.”

2.2.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:
“Ik doe aangifte namens mijn dochter [slachtoffer].
Omstreeks 03.30 – 04.00 uur ben ik alleen met de taxi naar huis gegaan. Ik kwam thuis. Niemand was daar aanwezig. Iets na vier uur belde ik [betrokkene 2]. Ik had [slachtoffer] een paar keer geprobeerd te bellen maar zij nam niet op. [Slachtoffer] had normaal gesproken al thuis moeten zijn. [Betrokkene 2] vertelde dat [slachtoffer] niet bij haar was maar dat ze met [betrokkene 3] mee was gegaan. [Betrokkene 2] zei: “Hoe kon ze dat nou doen, met [betrokkene 3] mee gaan”, “wij stonden bij de jassen in de [A]. Ik had nog gezegd wacht op ons maar toen ik me omdraaide was ze al weg”. Blijkbaar had [slachtoffer] tegen [betrokkene 2] gezegd dat ze met [betrokkene 3] mee zou gaan. Zondag ’s morgens omstreeks half negen/negen uur werd ik wakker. Ik zag dat [slachtoffer] thuis was. Ik vroeg wat er gebeurd was. [Slachtoffer] zei toen dat ze met [betrokkene 3] sex had gehad.”

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:
“Het klopt dat u zegt dat ik in juni/juli 2006 op een zaterdagavond samen met [slachtoffer] ben gaan stappen in Tilburg. In de stad zijn wij, ik en [slachtoffer], naar de [A] gegaan. In de [A] was ook [betrokkene 3] met zijn vrienden groep. [Slachtoffer] is helemaal geobsedeerd van [betrokkene 3]. Zij wilde steeds met [betrokkene 3] gaan praten. [Slachtoffer] is en was verliefd op [betrokkene 3]. Mijn conclusie is dan ook dat [slachtoffer] toen ook al verliefd was op [betrokkene 3]. De kamer van [slachtoffer] hing vol met foto’s van [betrokkene 3]. Voordat wij gingen stappen zei [slachtoffer] tegen mij dat zij wel met [betrokkene 3] naar bed wilde. Ik hoorde van iemand dat [slachtoffer], [betrokkene 3] en [verdachte] naar de jassen waren gelopen. Ik wist dat niet. Toen ik buiten kwam zag ik dat [slachtoffer] en [betrokkene 3] en [verdachte] weg waren. Ik belde vervolgens naar het mobiele nummer van [slachtoffer]. Ze nam op. [Slachtoffer] vertelde dat ze onderweg was naar het huis van [betrokkene 3]. Hierna heb ik nog geprobeerd om terug te bellen. Ik hoorde op een gegeven moment geschreeuw. Kennelijk had [slachtoffer] gedronken. Ik vroeg toen aan [slachtoffer] of ze zo wilde komen. [slachtoffer] zei toen dat ik even moest wachten en dat ze nu niet kon. Hierna heeft zij opgehangen. Omstreeks 6/7 uur kwam [slachtoffer] thuis. Wij, ik en haar moeder, waren heel boos op haar. Dit omdat ze zelf was meegegaan met [betrokkene 3]. Toen haar moeder even weg was vertelde [slachtoffer] dat ze verkracht was door [betrokkene 3] en [verdachte]. [Slachtoffer] vertelde dat ze moest gaan strippen. [Slachtoffer] is verliefd op [betrokkene 3] en hij maakt gebruik van haar en de groep ook.”

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
“Verhoorder [betrokkene 4] wordt aangeduid als “M” en [slachtoffer] als “I”.
M: Welke datum was het?
I: Volgens mij was het juli of in juni.
I: Volgens mij is het 18 juli want 19 juni is mijn zus jarig en een dag daarvoor was het niet gebeurd. Dus volgens mij juli.
M: Nou heb je toen straks al gezegd dat je ruzie had met [betrokkene 3]. Ben je ooit bevriend geweest met hem dan?
I: Ja
I: Ik denk dat ik hem….eh een jaartje goed kende.
M: Hoe is dat met [verdachte]?
I: [Verdachte] ken ik al heel lang. Ik ken hem al 5 jaar of zo. Daar ben ik altijd goede vrienden mee geweest.
M: Heb je, behoudens dan deze keer…heb je al vaker seks gehad met [betrokkene 3]?
I: Ik heb een keer wel seks met hem gehad toen ik met hem bevriend was.
M: Toen je met hem bevriend was heb je seks met hem gehad? Was het toen vrijwillig of niet vrijwilllig?
I: Vrijwillig.
M: Toen was het vrijwillig. En met [verdachte]?
I: Met [verdachte] niet.”

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
“Over die nacht met [slachtoffer]. Ik had mijn moeder gebeld en die vond het goed dat ik bij [betrokkene 3] zou slapen. Op zaterdag om ongeveer 23.00 of 24.00 uur zijn we naar De [A] gegaan. [Slachtoffer] was zelf ook in de [A]. Ze waren met elkaar aan het praten. Tegen sluitingstijd kwam ze weer bij ons. Ze ging snel naar buiten, samen met ons. [Betrokkene 3] had tegen mij gezegd dat [slachtoffer] mee zou gaan om een beetje te chillen. In de taxi ben ik voor gaan zitten. Zij zaten achter. Het was niet echt intiem, maar je voelde dat er achter je iets gebeurde. Ik zag dat [slachtoffer] over de benen van [betrokkene 3] wreef, en hij bij haar. Ook dat [slachtoffer] met haar hoofd op de schouder van [betrokkene 3] lag. Thuisgekomen bij [betrokkene 3]. [Slachtoffer] kwam ook naar de kamer van [betrokkene 3]. [Betrokkene 3] ging naast [slachtoffer] zitten, aan de andere kant van [slachtoffer], dus rechts van haar. Ze begonnen te strelen en te zoenen. Gewoon tongzoenen. Dan gingen ze weer staan en dan gingen ze weer zitten. [Betrokkene 3] vroeg aan [slachtoffer] of ze voor ons wilde strippen. [Slachtoffer] zei: “dan moet je niet lachen als ik ga strippen”. Ze keek mij zo aan van: “wat vind jij er van”. Wat ik eigenlijk niet snap, ze was zo heel makkelijk. Een ander meisje zou allemaal zo gezegd hebben van “ja….en zo”. Zij deed het gewoon. [Betrokkene 3] en ik bleven op de bank zitten. [Slachtoffer] begon te strippen. Ze deed haar kleding uit, tot haar string en BH. We werden er heel geil van. Ik vroeg aan [betrokkene 3] of hij condooms had. Hij zei dat die in het kastje lagen. U vraagt waarom ik dat vroeg. Ik wist al dat er seks zou komen. We waren helemaal geil en ze had al bijna alles uit. Ik pakte de condooms, en ging weer naar de bank. Ik zag dat [slachtoffer] met [betrokkene 3], tegen hem aan stond te dansen. Zo met haar tieten en zo. Ik zat half op de bank en [slachtoffer] lag tegen [betrokkene 3] aan. Ik gaf een condoom aan [betrokkene 3] en ik hoorde dat [slachtoffer] tegen ons zei: “trek jullie kleren maar uit”. Ze draaide zo om ons geil te maken. Wij waren aan het uitkleden en ik was steeds dichter naar hun toegeschoven. [Betrokkene 3] had het condoom aan gedaan. [Betrokkene 3] stond op. Ze gingen weer kussen en [slachtoffer] en [betrokkene 3] gingen op de grond. [Slachtoffer] lag tegen [betrokkene 3] aan met haar rug. “Doggiestijl”. Ik was met mijn condoom bezig. Ik ging net op staan en keek naar [betrokkene 3]. Hij lachtte en ik ging achter [slachtoffer]. U vraagt aan mij hoe [slachtoffer] reageerde toen ik van achteren kwam. Ze maakte allemaal van die geile geluiden. Met 1 hand was ze bezig met [betrokkene 3] en met haar andere hand wreef ze aan mijn benen. Het lukte niet. [Slachtoffer] ging liggen. Ik zei tegen [betrokkene 3] dat hij maar eerst moest gaan en ik daarna. [Slachtoffer] en [betrokkene 3] gingen neuken. Hij kwam de eerste keer al klaar. Hij liep, geloof ik, naar de wc. Toen [betrokkene 3] weg ging, ben ik meteen begonnen. [Slachtoffer] vroeg wat voor standje we gingen doen. We deden het standje dat [slachtoffer] met haar armen en handen over de bank is en ik neukte haar van achteren. Ik was bezig en [betrokkene 3] kwam al terug.”

e. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:
“[Betrokkene 3] en ik waren gaan stappen. Tegen sluitingstijd hadden [betrokkene 3] en [slachtoffer] afgesproken om naar de kamer van [betrokkene 3] te gaan. Ik zou daar ook blijven slapen. We hadden [slachtoffer] in de [A] ontmoet. Ik kende [slachtoffer] van zien. Ik wist dat zij contact had met [betrokkene 3], maar hij had geen verkering met haar. Voor zover ik weet hadden ze geen relatie met elkaar, maar in het verleden is er wel iets geweest tussen die twee. Toen we in de [A] waren had [betrokkene 3] me, tegen sluitingstijd, verteld dat [slachtoffer] mee zou gaan. Ik vond dat goed. We gingen met de zwarte taxi naar huis. Ik zat voorin en [betrokkene 3] en [slachtoffer] zaten achterin. Er gebeurde niet echt veel. Ze waren intiem met elkaar. Ik vond het wel goed dat [slachtoffer] er bij was. Ik had dit nooit eerder meegemaakt. Er gebeuren zoveel dingen, waarom zou er een meisje niet meegaan met 2 jongens. Het schoot door mijn hoofd dat als er iets gebeurt, ik mee zou doen. Ik heb wel eens meegemaakt dat [betrokkene 3] en [slachtoffer] in de [A] ruzie hadden met elkaar. Ze waren elkaar aan het uitdagen. Ik zag aan [slachtoffer] niet dat ze bang was. In de kamer van [betrokkene 3] hebben we muziek gedraaid. [Slachtoffer] begon te strippen. Ze vroeg of we dat goed vonden. We vonden dat goed. Het ging steeds verder. Ze heeft toen eerst gemeenschap gehad met [betrokkene 3], toen met mij. Ik heb niet gemerkt dat ze niet wilde. Het was een experiment om het uit te proberen. [Slachtoffer] heeft zelf meegedaan.”

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:
“Ik woon zelfstandig aan de [a-straat 1] te [woonplaats].”

2.2.4. De Rechtbank heeft ten aanzien van de bewezenverklaring nog het volgende overwogen:
“Ter zitting heeft de raadsman aangevoerd dat uit de jurisprudentie blijkt dat onder omstandigheden het ontuchtig karakter aan de gepleegde gedragingen kan komen te ontvallen. Dit is zo indien sprake is van vrijwilligheid en indien er een gering leeftijdsverschil is tussen personen. Nu aan beide vereisten in de onderhavige zaak is voldaan, dient verdachte vrijgesproken te worden van het hem ten laste gelegde.
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
De rechtbank stelt vast dat het volgende zich feitelijk heeft afgespeeld. Verdachte en zijn vriend [betrokkene 3] besluiten in juli 2006 in Tilburg uit te gaan. Verdachte zou daarna bij [betrokkene 3] blijven slapen. In de discotheek komen ze [slachtoffer] tegen. [Betrokkene 3] en [slachtoffer] kennen elkaar en hebben eerder seks met elkaar gehad. Uit diverse verklaringen blijkt bovendien dat [slachtoffer] verliefd was op [betrokkene 3]. Ze spreken af dat [slachtoffer] met verdachte en [betrokkene 3] meegaat naar de kamer van [betrokkene 3]. In de kamer van [betrokkene 3] begint [slachtoffer] te strippen. Zowel [betrokkene 3] als verdachte hebben daarna seks met haar. De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is geweest van vaginale seks door beide jongens met [slachtoffer].
Gesteld kan worden dat de sociaal-ethische norm de afgelopen jaren is verschoven, in die zin dat jeugdigen op steeds jongere leeftijd seksuele handelingen verrichten. Artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht strekt echter tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die daartoe, gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht worden niet of onvoldoende in staat te zijn. Hier moet naar het oordeel van de rechtbank onverkort aan worden vastgehouden. Onder omstandigheden kan aan zodanige handelingen met een minderjarige tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtige karakter ontbreken; dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. In de onderhavige zaak dient naar het oordeel van de rechtbank de vraag beantwoord te worden of er omstandigheden waren, waardoor het ontuchtige karakter aan de door verdachten gepleegde handelingen is komen te vervallen. Ten aanzien van verdachte is daarbij het volgende van belang:
* De rechtbank constateert dat het mogelijk niet kenbaar was voor verdachte of er sprake was van onvrijwilligheid van de zijde van [slachtoffer];
* Verdachte was ten tijde van het plegen van de handelingen 17 jaar oud, terwijl [slachtoffer] 15 jaar oud was. De rechtbank is van oordeel dat dit in beginsel als een gering leeftijdsverschil te bestempelen is.
Niettemin acht de rechtbank ook onder voormelde omstandigheden de bedoelde norm geschonden op het moment dat sprake is van twee jongens die besluiten één meisje van vijftien jaar mee te nemen om vervolgens verregaande seksuele handelingen met haar te verrichten en waarbij in het geval van verdachte geen sprake is van een eerdere seksuele dan wel affectieve relatie met [slachtoffer]. Met name door het ontbreken van die relatie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele handelingen die sociaal-ethisch niet aanvaardbaar zijn en derhalve een ontuchtig karakter hebben. Zelfs indien [slachtoffer] volmondig heeft ingestemd met de seksuele handelingen, valt zij volledig onder de reikwijdte van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht. Het verweer van de raadsman treft derhalve geen doel en zal worden verworpen.”

2.3. Het Hof heeft zich in hoger beroep met het vonnis van de Rechtbank en met de redengeving waarop dit berust verenigd en daartoe onder meer het volgende overwogen:
“Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust (…).
Voorts verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank dat met name het ontbreken van een eerdere seksuele dan wel affectieve relatie van de verdachte met [slachtoffer], het oordeel wettigt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele handelingen die sociaal-ethisch niet aanvaardbaar zijn en derhalve een ontuchtig karakter hebben, zeker in de context, zoals geschetst in het vonnis waarin die seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.”

2.4. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 245 Sr. De daarin voorkomende uitdrukking “ontuchtige handelingen” moet dus geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan in art. 245 Sr toekomt.

2.5. De geschiedenis van de totstandkoming van de wet van 9 oktober 1991 tot wijziging van de art. 242 tot en met 249 Sr (Stb. 1991, 519) houdt ten aanzien van art. 245 Sr onder meer het volgende in:
(memorie van toelichting)
“Ik ben mij er echter van bewust dat op een aantal punten de huidige wetgeving onvoldoende bescherming biedt tegen seksueel geweld. Ik heb overwogen of het mogelijk was een aantal onderwerpen uit het genoemde wetsvoorstel te lichten. Het probleem deed zich echter voor dat het wetsvoorstel een samenhangend geheel vormt en dat het zeer moeilijk is onderdelen daarvan op te nemen in de bestaande wetgeving. Dit werd mede veroorzaakt doordat in het wetsvoorstel, in navolging van het advies van de Commissie-Melai, wordt gesproken van “seksuele handelingen” in plaats van, zoals in de huidige wet over “ontuchtige handelingen”. De Commissie verkoos de kleurloze term seksuele handeling boven de moreel geladen term ontucht en ontuchtige handelingen. In Noyon-Langemeijer-Remmelink wordt gezegd: “Men zal mijns inziens bij ontucht meer moeten denken aan handelingen, gericht op seksueel contact althans contact van seksuele aard in strijd met de sociaal-ethische norm zonder dat het hier om buitengewone afschuwwekkende daden zou gaan” Hieruit blijkt dat ook volgens dit commentaar ontucht of ontuchtige handelingen een andere, meer geladen, betekenis hebben dan seksuele handelingen”.
(Kamerstukken II, 1988-1989, 20 930, nr. 3, p. 2)
en
(memorie van antwoord)
“Vervolgens stelden deze leden dat de argumentatie om in het voorliggend voorstel de oude term “ontucht of ontuchtige” handelingen te handhaven hen geenszins heeft kunnen overtuigen. Zij menen met mij dat “ontucht” veronderstelt seksueel contact in strijd met de sociaal-ethische norm, doch zij konden daaraan juist geen argument ontlenen bedoelde term te handhaven, waarbij voor de strafbaarheid niet uitsluitend zou zijn vereist dat iemands seksuele integriteit is geschonden, maar bovendien relevant is of er sprake is van strijd met de normen van de (toevallige) maatschappelijke meerderheid – de dominerende publieke moraal. Dit zou naar de mening van deze leden niet anders kunnen betekenen dan dat de staat optreedt als zedenmeester. Ik heb de indruk dat deze leden mijn betoog omtrent het verschil tussen een bepaling waarin wordt gesproken over seksuele handelingen en een bepaling waarin wordt gesproken over ontuchtige handelingen verkeerd hebben begrepen. Het doel van de zedelijkheidswetgeving is naar mijn oordeel het beschermen van de seksuele integriteit van personen, die daartoe zelf, op een bepaald moment dan wel in het algemeen, niet in staat zijn. (…) De wet beschermt ook groepen van personen, die in het algemeen niet in staat worden geacht zelf hun seksuele integriteit te beschermen. Dat zeer jeugdige kinderen daartoe niet in staat zijn, is duidelijk. Zij dienen beschermd te worden tegen alle handelingen die als seksuele handelingen kunnen worden gekwalificeerd. De vraag is hoe lang men jeugdigen moet beschermen, met andere woorden op welke leeftijd zij kunnen worden geacht in staat te zijn hun seksuele zelfbeschikkingsrecht uit te oefenen. In het Wetboek van Strafrecht is gekozen voor de leeftijdsgrens van zestien jaar voor jeugdigen in het algemeen (…). Wanneer alle “seksuele handelingen” met jeugdigen onder die leeftijd verboden zouden zijn, dan zou deze categorie geheel seksueel onaantastbaar zijn. Een seksueel getint stoeipartijtje van jeugdigen zou dan onder de bepaling vallen. Wanneer ouders – de jeugdigen zelf zullen geen aangifte doen als zij beiden wilden – aangifte doen, zal het O.M. kunnen zeggen deze handelingen zijn niet “ontuchtig”, want een dergelijke stoeipartijtje is over het algemeen sociaal-ethisch aanvaard en het is ook sociaal-ethisch aanvaard dat in die gevallen jeugdigen zelf beslissen”
(Kamerstukken II, 1988-1989, 20 930, nr. 5, p. 4-5)
en
(toelichting op de vierde nota van wijziging)
“Personen tussen twaalf en zestien jaar echter kunnen niet in alle opzichten als weerloos worden beschouwd. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, bijvoorbeeld bij gering leeftijdsverschil, dat feiten als hier bedoeld niet zonder meer als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. Daarom moet ook deze term in artikel 245 wel worden opgenomen. Dit betekent tevens dat ook als er een klacht wordt ingediend het openbaar ministerie om die reden zou kunnen oordelen dat het feit niet strafbaar is en afziet van strafvervolging.”
(Kamerstukken II, 1990-1991, 20 930, nr. 13, p. 4)

2.6. Blijkens de wetsgeschiedenis strekt art. 245 Sr tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Art. 245 Sr beschermt deze jeugdige personen ook tegen verleiding die mede van henzelf kan uitgaan.
Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Een scherpe afgrenzing van dergelijke omstandigheden valt in haar algemeenheid niet te geven. Zoals uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis blijkt, heeft de wetgever bij de totstandkoming van art. 245 Sr in dit opzicht als maatstaf voor ogen gestaan of de desbetreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van dergelijke omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt, in belangrijke mate aankomt op de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Het oordeel daaromtrent kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst.

2.7. Het Hof heeft het hier aan te leggen toetsingskader niet miskend. Het heeft – het vonnis van de Rechtbank in zoverre bevestigend – geoordeeld dat de door de verdachte jegens de aangeefster gepleegde seksuele handelingen als ontuchtig in de zin van art. 245 Sr moeten worden aangemerkt. Het Hof heeft daarbij – blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:
i. de verdachte was ten tijde van het plegen van de handelingen 17 jaar oud en de aangeefster was toen 15 jaar oud;
ii. de aangeefster is op een zaterdagavond met haar vriendin [betrokkene 2] gaan stappen in de [A] in Tilburg, waar ook [betrokkene 3] was met zijn vriendengroep;
iii. de aangeefster was verliefd op [betrokkene 3]; zij was helemaal door hem geobsedeerd; [betrokkene 3] maakt gebruik van haar en zijn vriendengroep ook;
iv. de aangeefster had haar vriendin [betrokkene 2] verteld wel met [betrokkene 3] naar bed te willen;
v. [betrokkene 3] en de verdachte hebben de aangeefster ’s nachts na het uitgaan in een taxi meegenomen naar het huis van [betrokkene 3];
vi. de aangeefster had gedronken;
vii. de aangeefster en [betrokkene 3] zaten op de achterbank van de taxi en waren intiem met elkaar, waarna zij thuis bij [betrokkene 3] elkaar begonnen te strelen en te zoenen;
viii. de aangeefster heeft zich thuis bij [betrokkene 3] uitgekleed en heeft toen met [betrokkene 3] en met de verdachte in elkaars bijzijn geslachtsgemeenschap gehad;
ix. daarbij was volgens de aangeefster de seks met de verdachte niet vrijwillig;
x. de aangeefster heeft eerder vrijwillig seks met [betrokkene 3] gehad toen zij met hem bevriend was;
xi. van een eerdere seksuele of affectieve relatie van de verdachte met de aangeefster was geen sprake.

2.8. Tegen de achtergrond van het belang dat art. 245 Sr beoogt te beschermen en in het licht van hetgeen door het Hof omtrent de toedracht is vastgesteld, geeft zijn oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is.

2.9. Het middel faalt.

3). Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde werkstraf voor de duur van tachtig uren waarvan veertig uren voorwaardelijk en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

  1. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, W.M.E. Thomassen, H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 30 maart 2010.
Conclusie
Nr. 08/02059
Mr Jörg
Zitting 24 november 2009

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

  1. Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest 29 april 2008 het vonnis van de rechtbank te Breda van 31 juli 2007 bevestigd, waarbij verzoeker ter zake van – kort gezegd – het plegen van ontucht met een vijftienjarig meisje is veroordeeld tot een werkstraf van tachtig uren, waarvan veertig uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens verzoeker heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat te Rijen, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De schriftuur bevat een gezamenlijke toelichting op de middelen. Aangezien de voorgestelde middelen zich hiervoor lenen, zal ik ze ook gezamenlijk bespreken.

  4. Het eerste middel klaagt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip “ontuchtige handelingen” als bedoeld in art. 245 Sr. Het tweede en het derde middel houden in dat ’s hofs oordeel dat de gedragingen van verzoeker in strijd zijn met de sociaal-ethische norm ontoereikend is gemotiveerd: enerzijds omdat niet inzichtelijk is gemaakt welke gedragingen het hof hierbij op het oog heeft, anderzijds waarom deze sociaal-onethisch zouden zijn.

  5. Eerst een korte schets van de context waarbinnen deze zaak zich afspeelt. Het gaat – zoals de rechtbank heeft vastgesteld – om de volgende situatie. Verzoeker en zijn vriend [betrokkene 3] zijn ergens in juli 2006 – mogelijke de 18e – op stap geweest in Tilburg en zijn [slachtoffer] in een discotheek tegengekomen. [Betrokkene 3] en [slachtoffer] kennen elkaar en hebben al eerder seks met elkaar gehad. Uit diverse verklaringen is gebleken dat [slachtoffer] verliefd was op [betrokkene 3]. Ook verzoeker en [slachtoffer] kennen elkaar al langer en zijn – naar zeggen van [slachtoffer] – al ongeveer vijf jaar bevriend met elkaar (bewijsmiddel 3). Op de desbetreffende dag spreken verzoeker en [betrokkene 3] met [slachtoffer] af dat zij met hen meegaat naar de kamer van [betrokkene 3]. In de kamer van [betrokkene 3] begint [slachtoffer] te strippen. Zowel [betrokkene 3] en verzoeker hebben daarna vaginale seks met haar.

  6. Ten tijde van dit voorval was [slachtoffer] vijftien jaar oud (om precies te zijn: 15 jaar en vier maanden) en waren verzoeker en [betrokkene 3] zeventien jaar (en twee maanden) respectievelijk zestien jaar (en elf maanden) oud.(1) In feitelijke aanleg heeft de verdediging dan ook als verweer aangevoerd dat de door verzoeker gepleegde handelingen geen ontuchtig karakter hebben, omdat i.c. sprake is van een gering leeftijdsverschil tussen verzoeker en [slachtoffer] en van vrijwilligheid aan de zijde van [slachtoffer].

  7. De rechtbank heeft dit verweer verworpen en overwoog daartoe – voor zover hier van belang – als volgt:
    “(…)
    Gesteld kan worden dat de sociaal-ethische norm de afgelopen jaren is verschoven, in die zin dat jeugdigen op steeds jongere leeftijd seksuele handelingen verrichten. Artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht strekt echter tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die daartoe, gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht worden niet of onvoldoende in staat te zijn. Hier moet naar het oordeel van de rechtbank onverkort aan worden vastgehouden. Onder omstandigheden kan aan zodanige handelingen met een minderjarige tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtige karakter ontbreken; dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. In de onderhavige zaak dient naar het oordeel van de rechtbank de vraag beantwoord te worden of er omstandigheden waren, waardoor het ontuchtig karakter aan de door verdachten gepleegde handelingen is komen te vervallen. Ten aanzien van verdachte is daarbij het volgende van belang:

    • De rechtbank constateert dat het mogelijk niet kenbaar was voor verdachte of er sprake was van onvrijwilligheid van de zijde van [slachtoffer];
    • Verdachte was ten tijde van het plegen van de handelingen 17 jaar oud, terwijl [slachtoffer] 15 jaar oud was. De rechtbank is van oordeel dat dit in beginsel als een gering leeftijdsverschil te bestempelen is.
      Niettemin acht de rechtbank ook onder voormelde omstandigheden de bedoelde norm geschonden op het moment dat sprake is van twee jongens die besluiten één meisje van vijftien jaar mee te nemen om vervolgens verregaande seksuele handelingen met haar te verrichten en waarbij in het geval van verdachte geen sprake is van een eerdere seksuele dan wel affectieve relatie met [slachtoffer]. Met name door het ontbreken van die relatie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele handelingen die sociaal-ethisch niet aanvaardbaar zijn en derhalve een ontuchtig karakter hebben. Zelfs indien [slachtoffer] volmondig heeft ingestemd met de seksuele handelingen, valt zij volledig onder de reikwijdte van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.
      Het verweer van de raadsman treft derhalve geen doel en zal worden verworpen.”
  8. Het hof heeft zich met dit oordeel en deze redengeving verenigd en voegde er in zijn arrest nog het volgende aan toe:
    “(…)
    Voorts verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank dat met name het ontbreken van een eerdere seksuele dan wel affectieve relatie van de verdachte met [slachtoffer] het oordeel wettigt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele handelingen die sociaal-ethisch niet aanvaardbaar zijn en derhalve een ontuchtig karakter hebben, zeker in de context, zoals geschetst in het vonnis waarin die seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.”

  9. Eerst een terugblik op de parlementaire geschiedenis van de Wet van 9 oktober 1991 tot wijziging van de artt. 242 tot en met 249 Sr (Stb. 1991, 519). Uit de parlementaire stukken blijkt dat er bij de behandeling van deze wijzigingswet in de Tweede Kamer veel discussie is geweest over de vraag of de in de wet voorkomende term ‘ontuchtige handelingen’ niet beter kon worden vervangen door de kleurloze term ‘seksuele handelingen’, dan wel of deze term niet nader zou moeten worden gedefinieerd als “puur en alleen (…) handelingen waarbij geen vrijwilligheid, dus onder andere misbruik en overwicht in het spel [zijn].”(2)

  10. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat ervoor is gekozen om de term ‘ontuchtige handelingen’ te handhaven, omdat deze term een ander, meer geladen betekenis heeft dan de term ‘seksuele handelingen’. Bij ontucht gaat het immers om seksuele handelingen (dit betekent handelingen gericht op seksueel contact, althans op contact van seksuele aard) die indruisen tegen de sociaal-ethische norm, zonder dat er sprake hoeft te zijn van ‘buitengewone afschuwwekkende daden.'(3)

  11. Voorts is een nadere definiëring van de term ‘ontuchtige handelingen’ als “puur en alleen handelingen waarbij de vrijwilligheid” ontbreekt achterwege gebleven, met het oog op het door de zedelijkheidswetgeving te dienen doel.

  12. Op de vraag van kamerlid Van Es of het begrip ‘ontucht’ kan worden samengevat als maatschappelijk onwenselijk gedrag waarbij het onwenselijke betrekking heeft op de onvrijwilligheid van het slachtoffer (de seksuele handelingen worden tegen diens wil gepleegd) antwoordde de minister van Justitie Hirsch Ballin – voor zover relevant – als volgt:
    “Het gaat niet alleen om de vrije wil. Er kan ook sprake zijn, dat een jeugdige zichzelf aanbiedt, dus dat er sprake is van toestemming. (…) Dan nog geldt dat personen in bepaalde situaties hiervan geen misbruik mogen maken. (…)
    Het gaat niet uitsluitend om de bescherming van mensen in hun zelfbeschikkingsrecht, alsof het allemaal jonge mensen, patiënten, cliënten zijn die rationeel handelend hun keuze maken. Dat is ook een verkeerde opvatting over de staatstaak ter bescherming van de vrijheid.
    (…) [H]et beschermen van vrijheid en waardigheid van de mens vergt meer dan een toestemmingsvereiste. Het beschermen van vrijheid en waardigheid van mensen in kwetsbare situaties – ik denk daarbij aan jeugdigen, patiënten, cliënten – betekent ook dat rekening gehouden moet worden met de kwetsbaarheid van hun posities als zodanig. Er mogen normen worden gesteld die eisen stellen aan de behandelaar, aan degene aan wiens zorg een patiënt of cliënt zich heeft toevertrouwd, zoals dit in het wetsvoorstel wordt gesteld. Naar mijn overtuiging betekent dit dat tot die normen ook moet behoren een norm die de verplichting inhoudt halt te maken. Dat geldt ook bij toestemming van de betrokkene en zelfs ook wanneer toestemming is verleend door degene die een bijzondere verantwoordelijkheid heeft, bijvoorbeeld als ouder of als degene aan wie een patiënt of cliënt zich heeft toevertrouwd. (…)
    Als je het echter houdt op misbruik van overwicht en als je stelt dat [het] opzet dus ook gericht moet zijn op het maken van misbruik van die overwichtspositie – waar de situatie tegenover kan worden gesteld waarin toestemming is verleend, die juist ook kan voortkomen uit de kwetsbaarheid – dan kan daarmee toch de deur worden open gezet voor handelingen, voor verhoudingen die schade toebrengen aan afhankelijke, kwetsbare mensen, bijvoorbeeld aan jeugdigen. Als we de vrijheid en de waardigheid van die mensen werkelijk willen beschermen, mogen we die deur niet open zetten.”(4)

  13. In de Memorie van Antwoord wordt het doel van de zedelijkheidswetgeving vervolgens als volgt verwoord:
    “(…)
    Het doel van de zedelijkheidswetgeving is (…) het beschermen van de seksuele integriteit van personen, die daartoe zelf, op een bepaald moment dan wel in het algemeen, niet in staat zijn. Tot de eerste categorie behoren degenen, die in het algemeen wel in staat zijn hun seksuele zelfbeschikkingsrecht uit te oefenen, doch op een bepaald moment niet, bijvoorbeeld omdat geweld wordt gebruikt of omdat zij bewusteloos zijn.
    (…)
    De vraag is hoe lang men jeugdigen moet beschermen, met andere woorden op welke leeftijd zij kunnen worden geacht in staat te zijn hun seksuele zelfbeschikkingsrecht uit te oefenen. In het Wetboek van Strafrecht is gekozen voor de leeftijdsgrens van zestien jaar voor jeugdigen in het algemeen en voor de meerderjarigheidsgrens voor afhankelijken. Wanneer alle `seksuele handelingen’ met jeugdigen onder die leeftijd verboden zouden zijn, dan zou deze categorie geheel seksueel onaantastbaar zijn. Een seksueel getint stoeipartijtje van jeugdigen zou dan onder de bepaling vallen. Wanneer ouders – de jeugdigen zelf zullen geen aangifte doen als zij beiden wilden – aangifte doen, zal het OM kunnen zeggen[:] deze handelingen zijn niet ontuchtig, want een dergelijk stoeipartijtje is over het algemeen sociaal-ethisch aanvaard en het is ook sociaal-ethisch aanvaard dat in die gevallen jeugdigen zelf beslissen.”(5)

  14. Daarnaast wordt in de toelichting op de vierde Nota van Wijziging benadrukt dat
    “[p]ersonen tussen twaalf en zestien jaar echter niet in alle opzichten als weerloos [kunnen] worden beschouwd. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, bijvoorbeeld bij gering leeftijdsverschil, dat feiten als hier bedoeld niet zonder meer als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. Daarom moet ook deze term in art. 245 wel worden opgenomen. Dit betekent tevens dat ook als er een klacht wordt ingediend het openbaar ministerie om die reden zou kunnen oordelen dat het feit niet strafbaar is en afziet van strafvervolging.”(6)

  15. Uit de wetgeschiedenis van art. 245 Sr leid ik af dat seksuele handelingen tussen personen met een gering leeftijdsverschil niet zonder meer als ontuchtig kunnen worden aangemerkt (vgl. HR 24 juni 1997, LJN ZD0775, NJ 1997, 676). Van ontucht zal in ieder geval sprake zijn, indien één van de betrokkenen seksuele handelingen pleegt met de ander tegen diens wil.(7)

  16. Dat er sprake is van vrijwilligheid aan de zijde van een slachtoffer (dat ongeveer even oud is als de dader) sluit echter niet uit dat in een concreet geval toch sprake kan zijn ontucht. Immers, volgens de wetgever gaat het bij de zedelijkheidswetgeving niet alleen om de bescherming van mensen in hun zelfbeschikkingsrecht, maar juist ook om de bescherming van afhankelijke, kwetsbare personen (zoals jeugdigen) tegen misbruik van hun afhankelijkheid en kwetsbaarheid door anderen, en tegen handelingen en verhoudingen die aan hen schade toebrengen. Van belang is dan de vraag of de met de jeugdige gepleegde seksuele handelingen – ook al heeft hij/zij die zelf gewild – in het concrete geval in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.

  17. Uit de jurisprudentie blijkt dat bij een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen de jeugdige en de dader al snel sprake zal zijn van seksuele handelingen in strijd met de sociaal-ethische norm, van ontucht dus, ook al zou het initiatief daartoe door de jeugdige zelf genomen zijn (vgl. HR 2 juli 2002, LJN AE3490, NJ 2002, 584). Dat er sprake was van een affectieve relatie tussen de jeugdige en de dader doet daaraan evenmin af, aangezien jeugdigen voor wat betreft relaties in het algemeen worden geacht niet of onvoldoende in staat te zijn de draagwijdte van hun handelen te overzien en hun wil dienaangaande in vrijheid te bepalen. In zoverre moeten zij dan ook worden beschermd tegen een ongewenste beïnvloeding van hun wil (vgl. HR 24 juni 1997, NJ 1997, 676 en HR 13 maart 2007, LJN AZ6650).

  18. Terug naar de onderhavige zaak. Het gaat i.c. om drie jeugdige personen van 15, 16 en 17 jaar (met een leeftijdsverschil van 19 resp. 22 maanden ten opzichte van het meisje) die met elkaar trioseks hebben, waarbij de rechtbank vervolgens vaststelde dat het voor verzoeker mogelijk niet kenbaar was of er sprake was van onvrijwilligheid aan de zijde van [slachtoffer]. Mijns inziens glijdt de rechtbank, die dit opzetelement bespreekt in het kader van de vraag of het ontuchtige karakter mogelijk aan de gedraging kan ontvallen, hier uit (en het bevestigende hof dus ook), omdat voor de vraag of sprake is van een ontuchtige handeling niet beslissend is of de dader wist van de onvrijwilligheid. Dit is een bewijs-van-opzet-vraag. Ten laste van verzoeker is bewezen verklaard dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer], door zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te duwen. Impliciet heeft het hof daarmee beslist dat verzoeker de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard dat zijn handeling in strijd was met het ‘geslachtelijk schaamtegevoel.'(8) Als verdachte echter mogelijk niet wist van de onvrijwilligheid is er van bewuste aanvaarding van de kans op handelen in strijd met het geslachtelijk schaamtegevoel geen sprake. Hier valt een tegenstrijdigheid in de rechterlijke motivering te bespeuren, omdat de rechter enerzijds het opzet impliciet wel maar expliciet mogelijk niet aanwezig achtte.

  19. Los van voorgaande kwestie moet mijns worden geoordeeld dat wij hier te maken hebben met een sociaal-ethisch grensgeval. Volgens de rechtbank zit het sociaal-onethische in ieder geval – anders dan in de onder 17 aangehaalde arresten – niet in het leeftijdsverschil tussen verzoeker en [slachtoffer], dat door de rechtbank (en het hof) in beginsel als gering valt te bestempelen. De onvrijwilligheid ten opzichte van verzoeker wordt als zodanig door de rechter niet als een specifiek element genoemd om het sociaal-(on)ethische karakter van verzoekers gedragingen te bepalen; de rechtbank gaat aan de mogelijke onvrijwilligheid zelfs geheel voorbij door in haar betoog de mogelijke volmondige instemming van het meisje irrelevant te achten.

  20. Wat maakt dat de seksuele handelingen van verzoeker in het onderhavige geval dan toch in strijd zijn met de sociaal-ethische norm? Dat hangt af van de aard van de door verzoeker gepleegde handelingen en/of de omstandigheden waaronder ze zijn gepleegd. Zo acht de wetgever een seksueel getinte stoeipartijtje tussen jeugdigen over het algemeen niet in strijd met de sociaal-ethische norm, omdat een dergelijk stoeipartijtje sociaal-ethisch is aanvaard (zie onder 13).

  21. Ik heb de indruk dat in het wetgevingsproces de seksuele gedragingen van jeugdigen ietwat te eufemistisch zijn aangeduid als “seksueel getinte stoeipartijen.” Deze doen niet meteen denken aan orale of vaginale penetratie. Niettemin mogen we gevoeglijk aannemen dat de groep jeugdigen in de leeftijdscategorie van art. 245 Sr die deze vormen van seks bedrijft bepaald niet gering is.(9) Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit rond 1990, ten tijde van de behandeling van het wetsontwerp, fundamenteel anders lag.(10) Wel, dat er thans veel openlijker en minder huichelachtig over seksueel gedrag van jongeren wordt gesproken.

  22. Hoewel het i.c. niet gaat om het typisch ‘onschuldige’ voorbeeld van een seksueel getint stoeipartijtje, is het duidelijk dat de door verzoeker gepleegde handeling (het brengen van zijn penis in de vagina van [slachtoffer]) naar haar aard geen ‘buitengewone afschuwwekkende handeling’ is die naar haar aard in strijd is met de sociaal-ethische norm (zoals bestialiteit wel(11)).

  23. Een op zichzelf niet-strafbare seksuele gedraging kan een strafbare ontuchtige handeling worden op grond van de omstandigheden waaronder zij wordt gepleegd. Als zo’n omstandigheid geldt onder meer de uitgeoefende dwang: een (af)gedwongen seksuele handeling is in de regel ontuchtig, aldus mijn voormalige ambtgenoot Van Dorst in zijn conclusie bij het zojuist genoemde arrest. De rechtbank heeft de volgende omstandigheden beslissend geacht voor de conclusie van ontucht:

    • het gaat hier om twee jongens die besluiten één meisje mee te nemen om vervolgens verregaande seksuele handelingen met haar te verrichten; en
    • met name ontbreekt een eerdere seksuele dan wel affectieve relatie tussen verzoeker en het meisje met elkaar hadden.
  24. Zoals gezien verenigde het hof zich met dit oordeel en zei het in iets andere bewoordingen dat met name het ontbreken van een eerdere seksuele dan wel affectieve relatie van verzoeker met het meisje de handelingen sociaal-ethisch niet aanvaardbaar maken, “zeker in de context zoals geschetst in het vonnis, waarin die seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.” Deze wat cryptische verwijzing zal, neem ik aan, betrekking hebben op de trioseks.

  25. Uit de onder 7 en 8 weergegeven overwegingen van rechtbank en hof – zojuist nog kort herhaald – blijkt niet dat zij in abstracto een onjuiste uitleg hebben gegeven aan het begrip ontucht. In zoverre faalt het eerste middel.

  26. Wél acht ik het rechterlijk oordeel dat de handelingen van verzoeker ontuchtig zijn, niet gedragen door de gronden die daaraan ten grondslag zijn gelegd; noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien. Dit oordeel is hierdoor, n’en déplaise de bewijsoverwegingen, niet naar de eisen der wet met redenen omkleed.

  27. Immers, de opvatting dat seksueel contact enkel en alleen binnen het huwelijk zou mogen plaats vinden is in het algemeen onder de bevolking – zo dit ooit al algemeen heeft gegolden – reeds lang verlaten, hoewel ik niet zal ontkennen dat in sommige etnische kringen zulk contact levensgevaarlijk kan zijn,(12) dan wel in andere, streng-religieuze, kringen sterk wordt afgekeurd. Gemeengoed is dit echter allerminst. Dat seks louter uit liefde, ten behoeve van de voortplanting of in een affectieve relatie zou mogen plaats vinden zegt vooral iets over degene (of de organisatie) die deze opvatting huldigt, maar staat in schril contrast met de maatschappelijke werkelijkheid. In de zin van een moreel appèl kunnen deze opvattingen hun waarde hebben, maar deze opvattingen opleggen aan de andersdenkende medemens gaat enkele stappen te ver. Hierover heeft Hulsman nog eens een mooi essay geschreven.(13) Zogenaamde one-night-stands zijn niet voorbehouden aan volwassenen. Uit onderzoek is gebleken dat één op de vijf seksueel actieve Nederlandse jongeren (d.i. personen in de leeftijdscategorie van 12-25 jaar) geen relatie had met de laatste persoon waarmee zij/hij geslachtsgemeenschap heeft gehad.(14) In 1995 vond één op de zes schoolgaande jongeren seks zonder dat de partners veel voor elkaar voelen in orde; in 2005 was dit toegenomen tot één op vier.(15) Hiermee wil ik niet zeggen dat de seksmoraal van jongeren is losgeslagen. Omdat seks en zeker seks onder jongeren tot het tamelijk recente verleden in de taboesfeer heeft gelegen is het moeilijk betrouwbare gegevens over veranderingen te signaleren; ik haalde al een studie aan waarin niet van grote verschuivingen werd gerept (zie noot 10). Wel nieuw is de invloed van de geseksualiseerde media op de leeftijd waarop de eerste ervaring met geslachtsgemeenschap wordt opgedaan.(16) Dit alles neemt niet weg dat nog steeds een grote meerderheid van de jongeren seks met intimiteit verbindt.(17) Het strafrecht heeft hier naar mijn mening echter geen taak om een verandering van opvattingen van een talrijke minderheid af te dwingen en daarmee een gedragsverandering te bewerkstelligen, nog afgezien van de volkomen willekeur waarmee opsporing en vervolging noodzakelijkerwijs gepaard zouden gaan.

  28. Met inachtneming van het voorgaande gaat het mij te ver om trioseks waarbij tussen twee van de drie partners – die elkaar wel al jaren kennen en respectievelijk 15 en 17 jaar oud zijn – geen eerdere seksuele dan wel affectieve relatie heeft bestaan als inherent sociaal-onethisch te bestempelen. Voor het hof is ook zonder het triokarakter de geslachtsgemeenschap onder deze omstandigheden al ontuchtig, en wordt dit ontuchtige karakter versterkt door de trioseks (“zeker in de context”); de rechtbank legt aan haar conclusie van ontucht beide aspecten gelijkelijk ten grondslag. Ook – of juist – jongeren experimenteren nu eenmaal met seks. In sommige opzichten hebben veldexperts duidelijke verschuivingen waargenomen (bijvoorbeeld pijpen in plaats van zoenen; seks via Internet in plaats van in het fietsenhok).(18) Ik zie dan ook geen reden om een geval als onderhavige, waar twee jongens en één meisje uit vrije wil trioseks met elkaar hebben (althans was het voor verzoeker niet bekend dat [slachtoffer] dat eigenlijk niet wilde), als sociaal-onethisch aan te merken. Ik kan me ook eigenlijk moeilijk voorstellen dat de rechtbank zou hebben willen voorschrijven dat een trio jongeren van ongeveer dezelfde leeftijd van 15-17 jaar alleen dan met elkaar trioseks mag hebben indien zij te voren twee-aan-twee seksuele ervaringen met elkaar hebben opgedaan. Hoe kom je anders aan een eerdere seksuele relatie? Trioseks mag, mits blijkt van eerder promiscue gedrag. Is dat de boodschap?

  29. Ter zijde merk ik op dat deelnemer [betrokkene 3] – die ‘het’ eerder met [slachtoffer] had gedaan, en op wie zij verliefd was (aldus de bewijsmiddelen) – is vrijgesproken van het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer].(19) Of [betrokkene 3] ook op [slachtoffer] verliefd was vermelden de bewijsmiddelen niet, hetgeen meteen al een probleem oplevert bij de toepassing van het criterium van de affectieve relatie: moet die wederzijds zijn? Hoe lang moet die minimaal duren? Moet die exclusief zijn? Etc.

  30. Het zou anders zijn indien zich omstandigheden voordoen waaruit zou blijken dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van de situatie of waaruit zou blijken dat [slachtoffer] geslachtsgemeenschap heeft gehad met verzoeker na ongewenste beïnvloeding van haar wil door verzoeker. Ik denk bijv. aan de situatie waarin verzoeker [slachtoffer] zou hebben gechanteerd (bijvoorbeeld door te dreigen haar seksuele gedrag aan de grote klok te hangen); haar geest zou hebben beneveld teneinde haar beoordelingsvermogen te verminderen (vgl. HR 22 augustus 2006, LJN AX5720); of gebruik zou hebben gemaakt van ‘peer-pressure’ op [slachtoffer] (“je moet ook eens trioseks proberen”). Hoewel in de bewijsmiddelen wel sprake is van drankgebruik en [slachtoffer] verklaart dat ‘het’ met verzoeker niet vrijwillig was, blijkt uit de bewijsmiddelen verder niets van het dronken voeren van [slachtoffer] of van die onvrijwilligheid; integendeel: zij was te voren al op seks met de vrijgesproken medeverdachte uit en geneerde zich niet om in aanwezigheid van verzoeker de medeverdachte op te vrijen, tegenover beiden te strippen en onder de ogen van verzoeker met de medeverdachte te neuken. Ook kan ik haar vraag welk standje met verzoeker zou worden ingenomen (bewijsmiddel 4) niet met onvrijwilligheid rijmen. Op zijn best is de bewijsconstructie op dit punt ambivalent, op zijn slechtst tegenstrijdig. Ik heb dus – buiten het ontbreken van een eerdere seksuele of affectieve relatie – geen bijkomende omstandigheden van bovenstaande aard kunnen ontwaren in de bewijsmiddelen. De middelen II en III zijn dan ook terecht voorgesteld: weliswaar is de rechterlijke opvatting omtrent wat ontuchtig is niet onjuist, maar zonder verdere toelichting die ontbreekt is onvoldoende gemotiveerd waarom daarvan in het onderhavige geval sprake is.

  31. In het licht van de strekking van deze conclusie behoef ik geen consequenties te verbinden aan mijn opmerking omtrent het al dan niet bestaande opzet bij verzoeker; en evenmin aan de overschrijding van de redelijke termijn. Wel geef ik uiting aan een licht gevoel van verbazing om in het bevestigde vonnis te lezen dat de rechtbank “dit feit als zeer ernstig van aard” beschouwt en dan een werkstraf van 80 uur oplegt.(20) Dat is omgerekend anderhalve maand gevangenisstraf. In abstracto, gelet op de strafbedreiging, is het strafbare feit inderdaad zeer ernstig, maar gelet op de opgelegde straf is er in concreto – dunkt me – sprake van devaluatie van de kwalificatie ‘zeer ernstig’. Automatisch gaan de gedachten dan ook uit naar het vervolgingsbeleid – waar de rechter niet over gaat, maar wat bij de eindevaluatie van deze zaak een overdenking waard is -, waaraan meewerkt dat een van de bewijsmiddelen er niet op duidt dat het meisje kort bij de teugel werd gehouden.

  32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie voor de leeftijd van [betrokkene 3] het hem betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 maart 2008.
2 Handelingen TK 18 oktober 1990, p. 12-579 t/m 612, m.n. p. 584.
3 Kamerstukken II 1988/89, 20 930, nr. 3, p. 2, waar deze bewoordingen worden ontleend aan NLR, aant. 5 op art. 246, die dit weer ontleent aan M. Zeegers, Seksuele delinquenten: forensisch psychiatrisch onderzoek, Amsterdam: Scheltema & Holkema 1966, p. 22.
4 TK 18 oktober 1990 12-583 – 12-584.
5 Kamerstukken II 1988/89, 20 930, nr. 5, p. 4-5.
6 Kamerstukken II 1990/91, 20 930, nr. 13, p. 4.
7 Een aan het bewijs van opzet gekoppeld probleem is of de dader op de hoogte was van de onvrijwilligheid van het slachtoffer:
“In het woord plegen ligt besloten dat de handelingen opzettelijk moeten zijn begaan. Louter toevallige lichamelijke aanrakingen vallen daar niet onder. Niet vereist is echter dat het opzet van de dader was gericht op de ontuchtigheid van de handelingen. Voldoende is dat hij wist of dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij in strijd waren met het geslachtelijk schaamtegevoel,”
aldus NLR in aant. 5 op art. 245.
8 Zie noot 7.
9 Zie de tabel ‘Seksuele ervaring in vier leeftijdsgroepen’ van de Rutgers Nisso Groep, kenniscentrum seksualiteit | Jongeren (2009, www.rng.nl). Het percentage jongeren in de leeftijdsgroep van respectievelijk 12-14 en 15-17 jaar dat ervaring met orale seks heeft loopt op van 9 naar 42%; voor vaginale seks loopt het percentage op van 7 naar 42%.
10 “De verschuivingen zijn niet groot: in 1995 was de leeftijd waarop de helft van de jongeren ervaring had met geslachtsgemeenschap 17,7, in 2005 was dat 17,3. De toename van het percentage jongeren met seksuele ervaring is ook vooral terug te vinden in de oudere groep tieners (vanaf 15 jaar),”
aldus H. de Graaf e.a., Tienerseks. Vormen van instrumentele seks onder tieners, Den Haag: WODC 2007, Samenvatting, p. 3. In sommige andere opzichten nemen veldexperts wel duidelijke verschuivingen waar, zie hierna punt 28.
11 HR 20 januari 1998, LJN ZD0909, NJ 1998, 337.
12 Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 13 februari 2001, LJN AA9954, NJ 2001, 130; HR 14 oktober 2003, LJN AJ1457, NJ 2005, 183.
13 L.H.C. Hulsman, Criteria voor strafbaarstelling, in: Strafrecht te-recht? Baarn: Ambo 1972, p. 90.
14 Tienerseks (a.w), p. 29.
15 Tienerseks, p. 9.
16 Tienerseks, p. 12.
17 Tienerseks, p. 8.
18 Tienerseks, p. 31.
19 Uit het hem betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 maart 2008 blijkt dat [betrokkene 3] bij onherroepelijke vonnis van de rechtbank d.d. 10 april 2007 is vrijgesproken van dit feit.
20 In verband met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker voor de

Rechters

F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, W.M.E. Thomassen, H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos,

11 maart 2010 – Petitie Human Rights for All

Petitie Human Rights for All

11 maart 2010

Sinds halverwege februari circuleert er op internet een petitie over de schorsing door Amnesty International van Gita Sahgal, het hoofd van AI’s gender unit. De petitie is getekend door internationaal bekende feministes als Charlotte Bunch, Mallika Dutt, Sonia Corea, Yakin Ertuk, Ros Petchesky, Virginia Vargas. Salman Rushdie heeft ook getekend. Amrita Chhacchi, docente vrouwenstudies aan het Haagse Institute of Social Studies was een van de initiatiefnemers. De actie wordt ondersteund door verschillende internationale organisaties, waar onder AWID, the Urgent Action Fund, Women living under Muslim Laws. Tot nu toe kreeg de actie in Nederland nog weinig aandacht. Hoog tijd om dat te veranderen.

Waar gaat het over? Gita Sahgal, hoofd of the Gender Unit op het internationaal secretariaat van Amnesty International in Londen, is geschorst omdat ze Amnesty International’s samenwerking met individuen die een ambigue houding hebben tegenover de Taliban. Ze stelde principiële punten aan de orde over de noodzaak voor mensenrechtenorganisaties afstand te houden van groepen, die systematisch discriminatie bepleiten – in dit geval van vrouwen en minderheden. De petitie roept Amnesty op duidelijk zijn commitment aan alle mensenrechten te betonen en zich publiekelijk daarvan rekenschap te geven, zoals AI zo vaak van andere organisaties heeft verlangd. De petitie drukt ook solidariteit met Gita Sahgal uit. Teken de petitie op de website, waar ook meer informatie te vinden is.

Verslag conferentie Seksuele Intimidatie, 4 maart 2010

Verslag Conferentie Seksuele Intimidatie

Donderdag 4 maart 2010, 14.00-16.30 uur, Amsterdam

Onlangs zijn twee boeken uitgekomen over seksuele intimidatie.

Tijdens de conferentie zijn beide boeken gepresenteerd door de auteurs. De materie is in workshops verder uitgediept en er zijn praktische handvatten besproken.

Korte inleiding mr. M.M. van der Burg, middagvoorzitter

Mieke van der Burg, voorzitter van de Vereniging voor Vrouw en Recht, opent de bijeenkomst. Seksuele intimidatie is een hardnekkig probleem. Uit een onlangs uitgevoerd onderzoek blijkt dat 10% van de vrouwen seksuele intimidatie op de werkvloer heeft ervaren. Met name jonge vrouwen zijn het slachtoffer. Uit een onderzoek van de universiteit Groningen onder co-assistenten blijkt dat zelfs 20 % van de co-assistenten slachtoffer is (geweest) van seksuele intimidatie.
Problematisch is dat op dit moment niet structureel wordt bijgehouden hoe vaak seksuele intimidatie voorkomt.
Doel van de conferentie is onder meer om samen na te denken over mogelijke actiepunten ten einde seksuele intimidatie inzichtelijk te krijgen en te bestrijden.

Inleiding prof. Rikki Holtmaat, universiteit Leiden

Haar boek geeft een overzicht van 25 jaar bestrijding van seksuele intimidatie: is er een een adequate juridische benadering van een hardnekkig probleem ontwikkeld? Het betreft een juridische analyse van de bestaande juridische regelingen en jurisprudentie op het terrein van seksuele intimidatie. Hierbij staan twee vragen centraal.

  • 1) Waarom zou seksuele intimidatie bestreden moeten worden met behulp van rechtsregels?
  • 2) Hoe zou dat dan op adequate wijze kunnen worden gedaan?

Het begrip seksuele intimidatie kan worden omschreven als: gedragingen of uitingen met een seksuele lading die, omdat ze op het werk plaatsvinden, als bijzonder belastend worden ervaren.
Consequentie is dat seksuele intimidatie – naast het feit dat het voor de persoon zelf zeer belastend is – het goed functioneren op het werk en daarmee ook de emancipatie van de slachtoffers in de weg staat. Hierbij gaat het met name om vrouwen in kleine ondernemingen, jonge medewerksters in lage posities en mannen die homoseksueel zijn of van wie men denkt dat zij het zijn.
Twee aspecten spelen in alle situaties een rol als het om seksuele intimidatie :

  • het gaat om geseksualiseerd gedrag;
  • het doet zich voorin een institutionele context .

Van geseksualiseerde gedragingen is sprake als gedragingen of uitingen binnen een bepaalde cultuur of context gerelateerd kunnen worden aan seksualiteit of seksuele betrekkingen of gedragingen. Met institutionele context worden gedoeld op bedrijven en instellingen of organisaties waar mensen met elkaar samenwerken, of anderszins met elkaar verkeren en waarin de deelnemende personen ‘gedwongen’ moeten verblijven, in die zin dat ‘weglopen’ of ‘wegblijven’ ernstige gevolgen voor de rechtspositie, economische positie, of gezondheid zou hebben.
Als aan beide voorwaarden is voldaan is er een rechtsgrond om seksuele intimidatie juridisch te normeren, aangezien door

  • geseksualiseerde uitingen de openbare orde en goede zeden zijn geschonden;
  • geseksualiseerde gedragingen de lichamelijke en/of psychische integriteit van het slachtoffer in ernstige mate worden aangetast (verkrachting/aanranding).

Voor een ideale juridische reactie op seksuele intimidatie is het formuleren van een heldere definitie en een heldere afbakening van de institutionele contexten noodzakelijk. Verder kunnen twee soorten (wettelijke) normen worden gehanteerd:

  • Verbodsnormen (richting de pleger);
  • Instructienormen (richting de personen die binnen een institutie de dienst uitmaken (werkgever/school).

Aan deze laatste wordt de voorkeur gegeven omdat slachtoffers zich in een kwetsbare, afhankelijke positie bevinden, en van wie niet kan worden verwacht dat zij (met een verbodsnorm in de hand) zelfstandig juridisch tegen de pleger opkomen.

Huidige situatie en problemen
De wetgeving over seksuele intimidatie is op dit moment versnipperd over:

  • Arbowet 1994, inmiddels vervangen door Arbowet 2008, die de verplichting bevat voor werkgevers om werknemers te beschermen tegen belastende psychosociale arbeidsomstandigheden (PSA)
  • Wet Klachtenrecht Cliëntenzorg 1995 (gezondheidszorg)
  • Kwaliteitswet 1998 (onderwijs)
  • Onrechtmatige daad (6:162 BW)
  • Interne gedragscodes, cao’s, ministeriele richtlijnen
  • Gelijkebehandelingswetgeving

Tot slot signaleert Holtmaat de volgende problemen:

  • In de regelgeving is niet expliciet opgenomen dat voor-wat-hoort-wat ook een vorm van seksuele intimidatie kan zijn.
  • De voorwaarde dat de waardigheid van het slachtoffer moet zijn aangetast, is een subjectief element.
  • Wat betreft normstelling zijn de aanvankelijk gekozen instructienormen geleidelijk steeds meer opgeschoven naar verbodsnormen. Dit is onwenselijk.
  • Er heeft een verschuiving plaatsgevonden van het (publieke) arbeidsomstandighedenrecht (onderwijsrecht/gezondheidsrecht) naar het (civiele) gelijkebehandelingsrecht. Niet de werkgever/instelling, maar het slachtoffer staat centraal.
  • Het verbod van seksuele intimidatie is door opname in de AWGB uitgebreid tot het terrein van aanbieden van en verlenen van toegang tot goederen en diensten. Een duidelijke rechtsgrond voor dit ruime bereik ontbreekt.

De gehele tekst 25 jaar bestrijding van seksuele intimidatie is hier te vinden.

Inleiding Riek Vilters

Riek Vilters is voorzitter klachtencommissies, trainer vertrouwenspersonen, plaatsvervangend lid CGB en voorzitter landelijke klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid.
Haar boek Omgaan met seksuele intimidatie is een praktische handleiding over de mogelijkheden om seksuele intimidatie aan te pakken. Het boek is bestemd voor slachtoffers, vertrouwenspersonen, klachtencommissies, medewerkers P&O.

Op de werkgever rust de verplichting zorg te dragen voor een werkomgeving die vrij is van seksuele intimidatie. In de praktijk blijkt van veel onwetendheid ten aanzien van de verplichtingen die in dit kader op de werkgever rusten. Kern van de problemen:

  • Niet adequaat en niet zorgvuldig handelen.
  • Geen juist inzicht in taken en tekortkomingen in de formele procedure.

Ten aanzien van een zorgvuldige klachtenregeling verwijst Vilters naar de eisen die de CGB hieraan stelt.
In het boek wordt met name ingegaan op de formele klachtenprocedure.
Niettemin is het voor de onderlinge verhoudingen wenselijk om te trachten geschillen op te lossen via meer informele wegen als: aanspreken veroorzaker, hulp inroepen van een leidinggevende/vertrouwenspersoon, mediation.
Naast formeel beleid (klachtenregeling/gedragscode) is het van belang dat personen binnen een organisatie actief nadenken en communiceren over de waarden en normen die ten grondslag liggen aan houding en gedrag en dat personen zelf hun professionele en persoonlijke verantwoordelijkheid nemen.

De gehele tekst Omgaan met grensoverschrijdend gedrag is hier te vinden.

Workshops

Er waren twee workshops:
1) Klachtbehandeling binnen organisaties onder leiding van Riek Vilters en Carla Goossen;

2) Hoe gaat de rechtspraktijk om met het wettelijk systeem van ‘seksuele intimidatie’, onder leiding van prof. Rikki Holtmaat en Mirjam Decoz.

Plenaire discussie

Uit de plenaire discussie concludeert de voorzitter dat het van belang is:

  • Instructienormen vast te leggen afhankelijk van de sector die het betreft;
  • Commitment te kweken in organisaties om maatregelen te treffen ter voorkoming van seksuele intimidatie;
  • De definitie in de Arbeidsomstandighedenwet te verduidelijken;
  • Structureel onderzoek te doen naar het voor komen van seksuele intimidatie
  • Publiciteit in vak- en dag/weekbladen. Hierbij kan worden ‘meegesurfd’ op actuele gebeurtenissen die in de publiciteit zijn.

Deze punten zullen worden meegenomen door het bestuur van de Vereniging voor Vrouw en Recht. Bezien zal worden welke concrete actiepunten hieruit voort kunnen vloeien.

Afsluiting

Nu de staatssecretaris SZW zeer recent is afgetreden en derhalve niet in functie aanwezig kan zijn, overhandigt de voorzitter beide boeken aan medewerkers van het ministerie van SZW, dat financiële steun heeft gegeven voor de totstandkoming van de boeken.
De voorzitter dankt ook de stichting Clara Wichmann Instituut voor haar financiële ondersteuning aan de boeken. Verder bedankt zij de inleiders, workshopleiders en de organisatoren, en slot alle aanwezigen voor hun komst en actieve bijdragen en nodigt hen uit voor een drankje en hapje.

Artikel uit SPITS 5 maart 2010

Seksuele intimidatie onverminderd

Door Annette Karimi, AMSTERDAM

Seksuele intimidatie vindt onder een kleine tien procent van de werknemers plaats, en woekert onverminderd voort. Dat is een van de belangrijke conclusies van deskundigen tijdens de landelijke conferentie Seksuele Intimidatie. Deze werd gisteren in Amsterdam georganiseerd door de Vereniging voor Vrouw en Recht (VVR).
Onder seksuele intimidatie valt al het ongewenste seksuele gedrag op de werkvloer, uiteenlopend van opmerkingen, emails tot ernstige handtastelijkheden. Nog altijd betreft het overwegend vrouwen. ,,We hebben het vaak in de eerste plaats niet over aanranding en verkrachting. Het gaat om sluipende zaken op de werkvloer zoals de seksuele grapjes en het maar niet van ophouden weten, of de stagiaire die seksuele praatjes van een stagebegeleider moet aanhoren”, vertelt juriste Riek Vilters. Als voorzitter leidt ze onafhankelijke klachtencommissies, en hoort al 25 jaar de klachten aan.
Vilters vertelt over een voorbeeld uit de recente praktijk. ,,Binnen een bedrijf werden e-mails met vrouwvijandige grappen rondgestuurd. Ondanks een klacht werd er niets mee gedaan. Pas toen de klachtencommissie optrad, ging er een lichtje branden bij de leidinggevenden: Oh, het is toch niet zo leuk.”
Al zijn er geen harde onderzoekscijfers voorhanden met een vergelijking over de afgelopen jaren, het fenomeen wordt volgens haar geenszins minder. Dat beaamt Mieke van der Burg, VVR-voorzitster. Zij wijst op een onderzoek vorig jaar onder vrouwelijke co-assistenten. Daaruit bleek dat twintig procent last had van seksuele intimidatie door specialisten en patiënten. ,,Het schokkende is dat hetzelfde onderzoek in 2006 was uitgevoerd met hetzelfde percentage als uitkomst. Ook andere onderzoeken bij andere bedrijven laten zien dat het niet minder is geworden.”
Flinke claims van slachtoffers zouden bedrijven tot meer bewustwording dwingen, denkt de Leidse hoogleraar Rikki Holtmaat. Vilters kiest liever een andere weg.
,,Van regels moeten we het niet in hoofdzaak hebben. De meeste bedrijven hebben hun klachtenprocedures keurig op papier. Het allerbelangrijkste is de cultuur op de werkvloer. Hoe gaan we in deze organisatie met elkaar om? Dat is de belangrijkste vraag.” De werkgever heeft de belangrijke verantwoordelijkheid te zorgen voor een omgeving die veilig is voor werknemers. In dat opzicht noemt Vilters seksuele intimidatie op de werkvloer een falen van managers. ,,Deze ziet hoe de sfeer en omgangsvormen zijn, en of deze gezond zijn.”
De informele weg om seksuele intimidatie op de werkvloer op te lossen, heeft haar voorkeur. ,,Eerst de verantwoordelijke persoon op zijn gedrag aanspreken, vervolgens een vertrouwenspersoon of de leidinggevende.” Als dat allemaal niet helpt, zit er volgens haar soms niets anders op dan een formele klacht in te dienen.

Riek Vilters: Omgaan met grensoverschrijdend gedrag. Inleiding op Conferentie seksuele intimidatie 4 maart 2010

Omgaan met grensoverschrijdend gedrag

mr. Riek Vilters

Inleiding op de conferentie “Seksuele Intimidatie” van de Vereniging Vrouw en Recht, Amsterdam, 4 maart 2010.

Onlangs overkwam me iets merkwaardigs. Door een belangrijk vrouwenblad was ik geïnterviewd over seksuele intimidatie en mijn boek. Toen de tekst klaar was en door mij geaccordeerd, berichtte de journaliste me plots dat de hoofdredactie afzag van publicatie, omdat het artikel geen nieuwswaarde zou hebben … Merkwaardig, alsof het onderwerp seksuele intimidatie niet actueel was, is en – helaas – zal blijven. In november vorig jaar bijvoorbeeld bleek nog uit een onderzoek van het UMCG dat 20% van de co-assistenten tijdens de opleiding seksueel intimiderend gedrag heeft ervaren, niet alleen van patiënten,
maar ook van dokters, die de co-assistenten op de werkvloer begeleiden. En ook dokters hebben last van …
Al zo’n 25 jaar onderzoek ik als voorzitter van klachtencommissies klachten over seksuele intimidatie en overig ongewenst gedrag. Ik zie de emoties bij klaagsters en klagers en hoor hoe pijnlijk getroffen ze zijn door het gebeurde, onder spanning staan en dat hun gevoel van eigenwaarde sterk is gedaald. Hoezo niet actueel / geen nieuwswaarde?

Bij seksuele intimidatie gaat het om objectief grensoverschrijdende gedragingen en uitingen. Seksuele intimidatie op de werkplek is op zijn minst onprettig voor het doelwit. Binnen de in zekere zin ‘gedwongen’ context van de arbeid kan het zelfs leiden tot beschadiging, tot psychische klachten bij het slachtoffer, tot ziekteverzuim en pogingen om van baan te veranderen. Bovendien tast seksuele intimidatie op de werkplek de samenwerking tussen collega’s aan en kan het uiteindelijk ook de organisatie beschadigen. Seksuele intimidatie is vaak een vorm van machtsmisbruik.
In mijn boek Omgaan met seksuele intimidatie begin ik met het voorbeeld van een 19-jarige stagiaire die door haar stagebegeleider van 59 jaar wordt lastiggevallen. ‘Hij is mijn stagebegeleider en als hij met mij een gesprek voert, gaat het in de meeste gevallen over seks: hoe belangrijk dat voor hem is, of ik het al een keer heb gedaan. Zodra een collega binnenkomt, wijzigt het gesprek zich direct’. Ze beseft dat ze wel van hem afhankelijk is voor een beoordeling. Ze besluit de klachtbrief met ‘Ik vertrouw erop dat mijn klacht serieus wordt behandeld’.

Zo begint mijn boek dus.
Een boek over beschadiging van mensen en over de wegen om formeel op te treden tegen seksuele intimidatie. Een juridische gids voor de praktijk, de praktijk binnen organisaties. Met dit boek wil ik slachtoffers, vertrouwenspersonen, klachtencommissies en medewerkers personeel en organisatie een praktische handleiding geven voor de juridische mogelijkheden om seksuele intimidatie aan te pakken. Want veel onwetendheid kom ik in de praktijk tegen. Tijdens de trainingen die ik geef aan vertrouwenspersonen en klachtencommissies bijvoorbeeld, maar ook in gesprek met directies van organisaties.

Nederland kent nu 15 jaar (arbeidsomstandigheden)wetgeving op dit gebied. Afgelopen jaren is seksuele intimidatie ook opgenomen in de gelijkebehandelingswetten en in het Burgerlijk Wetboek. Vanuit de overheid zijn er belangrijke maatregelen ter voorkoming en bestrijding van seksuele intimidatie genomen. Voor werkgevers is het zaak te zorgen voor een werkomgeving die vrij is van seksuele intimidatie. Op grond van de wet zijn zij verplicht een beleid te voeren dat gericht is op voorkoming van ongewenst gedrag en, indien dat niet mogelijk is, op te treden in geval van incidenten. Steeds meer organisaties hebben beleid
ontwikkeld, vertrouwenspersonen en klachtencommissies aangesteld. Maar zelfs met beleid, vertrouwenspersonen en klachtencommissies weten veel organisaties niet goed om te gaan met grensoverschrijdend gedrag.

Vanwege die kennis en ervaring is in 2007 door de Vereniging voor Vrouw en Recht besloten tot maar liefst 2 boeken over dit onderwerp. Voor slachtoffers, vertrouwenspersonen, klachtencommissies en professionals op het terrein van personeel en organisatie schreef ik een praktijkgids, waarin op een handzame en praktische wijze de belangrijkste juridische aspecten van omgaan met seksuele intimidatie worden behandeld. Ik vertel over de taken van de vertrouwenspersoon, de eisen die gelden voor een klachtencommissie en een klachtenprocedure, geef een voorbeeldprocedure en behandel diverse aandachts- en vraagpunten tijdens een klachtenonderzoek. Naast de interne klachtenprocedure binnen een organisatie schets ik ook de overige formele mogelijkheden: civiel recht, ambtenarenrecht, strafrecht en Commissie Gelijke Behandeling. Veel van deze aspecten zijn uiteraard ook van toepassing op overig ongewenst gedrag: discriminatie, agressie, geweld en pesten.
In de praktijk blijkt er dus veel onwetendheid, worden er binnen organisaties fouten gemaakt en worden klachten niet altijd zorgvuldig behandeld.
Aan u hoef ik waarschijnlijk het verschil tussen arbeidsrecht en strafrecht niet uit te leggen, maar aan vertrouwenspersonen en directeuren wel. Aan u hoef ik niet uit te leggen wat een zorgvuldig klachtenonderzoek inhoudt. Hoor en wederhoor zijn voor juristen vanzelfsprekend, maar sommige klachtenbehandelaars en directeuren gaan te kort door de bocht. In de praktijk kom ik voorbeelden tegen van niet adequaat en niet zorgvuldig handelen. Bijvoorbeeld een directeur die wel erg snel denkt klaar te zijn:

  • binnen een bedrijf is geen beleid ‘psychosociale arbeidsbelasting’ en bestaat er geen klachtenregeling;
  • een vrouw vertelt de directeur dat zij last houdt van veelvuldig seksueel intimiderende opmerkingen van een mannelijke collega, ook al heeft zij hem herhaaldelijk hierop aangesproken; zij vraagt de directeur hoe hiermee om te gaan;
  • de directeur zegt dit gedrag onacceptabel te vinden en roept nog dezelfde dag de man binnen;
  • de volgende dag spreekt de aangeklaagde meldster aan en vraagt om uitleg;
  • vanaf dat moment negeert de man de vrouw volledig en is de arbeidsverhouding verstoord;
  • en de directeur?
    die is nooit meer op de klacht teruggekomen.
    Is dit een adequate en zorgvuldige klachtbehandeling?

In de praktijk zie ik meer fout gaan. Dan betreft het met name geen juist inzicht in taken en
tekortkomingen in de formele procedure.
Het begint soms al bij de vertrouwenspersoon:

-een vertrouwenspersoon die actie onderneemt zonder de instemming van de melder;
-een vertrouwenspersoon die zelf op onderzoek gaat, de aangeklaagde aanspreekt of
gaat bemiddelen tussen partijen.

Als een organisatie wel een klachtenregeling heeft, zie ik soms:

  • een klachtencommissie die niet onafhankelijk en onpartijdig is;
  • een klachtencommissie die geen weg weet met de ontvankelijkheidsvraag;
  • klachtenbehandelaars die niet tijdig en volledig de inhoud van de klacht en de identiteit van de klager verstrekken aan de aangeklaagde;
  • klachtenbehandelaars die geen verslagen maken van de hoorgesprekken met partijen, getuigen, leidinggevenden;
  • klachtenbehandelaars die klager en aangeklaagde geen inzage geven in de hoorverslagen voordat ze tot een oordeel komen;
    en tenslotte:
  • een werkgever die partijen niet informeert over welk besluit hij heeft genomen naar aanleiding van de klacht en het eventuele onderzoek.

Het is van belang, zowel voor degene die het doelwit is van seksuele intimidatie als voor de pleger, dat klachten adequaat en zorgvuldig worden behandeld. Of zoals de CGB het samenvat: ‘Een zorgvuldige klachtbehandeling vereist een deugdelijk onderzoek. Dat wil zeggen dat in ieder geval het principe van hoor en wederhoor wordt toegepast door een onpartijdige en bij voorkeur onafhankelijke en deskundige klachtenbehandelaar. Daarnaast vereist de zorgvuldigheid dat een klacht voortvarend en vertrouwelijk wordt behandeld en dat klager en beklaagde op de hoogte worden gesteld van de conclusies en de eventueel te treffen maatregelen. Voorts is het raadzaam om de gesprekken die met betrokkenen worden gevoerd, alsook de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk vast te leggen’.

Veel organisaties hebben het moeilijk als het om het formele, het juridisch formele gaat. Ze worstelen met vragen als:

  • hoe stel je een klachtencommissie samen? De directeur wil in de commissie, kan dat?
  • als er aangifte is gedaan, mag je dan zelf onderzoeken en straffen?
  • zijn medewerkers verplicht te verschijnen voor een klachtencommissie?
  • kunnen collega’s anoniem getuigen?
  • wat zijn verklaringen van horen zeggen waard?

Veel vraagpunten en aandachtspunten dus.
En dan heb ik het nog niet eens over de termen seksueel en connotatie, waardigheid en laat staan over de genderspecifieke aspecten van seksuele intimidatie. Ook is er de vraag of mediation een geschikte aanpak is om een geschil op te lossen.

In de workshop van straks gaan Carla Goosen en ik in op de klachtbehandeling binnen organisaties, op een aantal vragen met betrekking tot informele en formele interventies.

In mijn praktijkgids Omgaan met seksuele intimidatie worden met name de juridisch formele aspecten behandeld.
In deze gids gaat veel aandacht uit naar de formele klachtenprocedure, hoewel het belangrijker is seksuele intimidatie binnen een organisatie te voorkomen en, in geval van incidenten, informele wegen te bewandelen. Het slachtoffer kan bijvoorbeeld eerst de veroorzaker aanspreken om het conflict uit te praten. Zij/hij kan de hulp inroepen van een leidinggevende of een vertrouwenspersoon. Mediation is een optie. Als de informele wegen niet tot een gewenst resultaat leiden of de intimidatie te ernstig is, kan een formeel traject worden gekozen. De procedures die openstaan hebben – helaas – veelal tot gevolg dat de
relatie tussen partijen (verder) wordt verstoord en binnen de werkgemeenschap escalatie van het conflict plaatsvindt. Een streven om informeel op te lossen wat fout ging/gaat tussen medewerkers, verdient vaak de voorkeur.
Het is droevig als problemen lang voortslepen en eindigen in een klacht bij een klachtencommissie. Vaak zijn intimidatieklachten het gevolg van falend management. Vaak is sprake van ongezonde omgangsvormen op de werkvloer.

Het is dus belangrijk seksuele intimidatie en ander ongewenst gedrag binnen een organisatie te voorkomen. Preventie dus, beleid, een gedragscode en regels naleven en controleren.
Mensen die zich niet goed gedragen moeten daarop worden aangesproken en eventueel worden bestraft. In wezen gaat het om ieders verantwoordelijkheid: dat alle leden van de organisatie actief nadenken en communiceren over de waarden en normen die ten grondslag liggen aan hun houding en gedrag en zelf hun professionele en persoonlijke verantwoordelijkheid nemen. De overheid kan kaders stellen, maar het gaat uiteindelijk om het menselijke contact in organisaties. Het gaat om bespreken met en aanspreken van elkaar. Afspraken over gedrag moeten bottom up tot stand komen.

Ik hoop dat mijn boek het zorgvuldig omgaan met klachten over seksuele intimidatie en overig ongewenst gedrag zal bevorderen. Binnen het verband van de arbeidssituatie is grensoverschrijdend gedrag kwetsend; seksualiteit is heel persoonlijk. Ik zie de emoties bij klagers, maar ook bij aangeklaagden. Onpartijdig, onafhankelijk probeer ik in mijn werk de waarheid van wat is gebeurd te vinden. Ik neem daarbij zowel de klager als de aangeklaagde serieus. Deze mensgerichte houding vind ik belangrijk. Maar uiteindelijk moet ik met mijn commissie oordelen, juridisch verantwoord.
Als meer organisaties en klachtencommissies dat zorgvuldig kunnen, is dat winst.

En hoe liep het nu af met die klacht van de stagiaire uit het begin van mijn verhaal? De commissie adviseerde het bevoegd gezag de klacht gegrond te verklaren, passende maatregelen te nemen en zeker geen stagebegeleiding door de aangeklaagde meer. De werkgever besloot tot ongevraagd ontslag met onmiddellijke ingang, want er waren al meer meldingen geweest van andere vrouwen die last hadden van deze meneer.
Deze jonge stagiaire heeft anno nu de moed gehad om een formele klacht in te dienen en de werkgever heeft een eind gemaakt aan de seksuele intimidatie.

In de jaren 80 van de vorige eeuw hield ik op een congres een inleiding over mogelijkheden en beperkingen van een klachtbehandeling door het bedrijf zelf. Toen zei ik al dat klachtbehandeling nooit op zichzelf mag staan. ´Het hoort binnen een bedrijf of dienst een onderdeel te zijn van een beleid tegen ongewenst gedrag. Er hoort een actieprogramma te zijn met meerdere actiepunten. Een daarvan dient dan de klachtbehandeling te zijn. Er hoort een anti ongewenst gedrag norm te zijn´.

‘Managers, ondernemingsraden en werknemers, weet jullie gezamenlijke verantwoordelijkheid’, zeg ik vandaag opnieuw.

De juridische praktijkgids Omgaan met seksuele intimidatie is mogelijk geworden dankzij veel partijen. Heel graag wil ik bedanken:

  • het ministerie van SZW, voor de subsidie;
  • de stichting die de resterende gelden beheert van het voormalige Clara Wichmann Instituut, voor de subsidie;
  • de VVR, die het hele project heeft ondersteund;
  • de klankbordgroep seksuele intimidatie, die de publicatie op hoofdlijnen heeft begeleid;
  • Ingrid Leijten, student-assistent Universiteit Leiden, die onderzoek van jurisprudentie en literatuur voor mij heeft gedaan.

Mr. Riek Vilters is auteur van het boek Omgaan met seksuele intimidatie, een juridische praktijkgids ongewenst gedrag. Zij is juriste en heeft ruim twintig jaar ervaring op het terrein van ongewenst gedrag en ruim tien jaar als projectmanager integriteit. Zij heeft een brede achtergrond als voorzitter van klachtencommissies, trainer van vertrouwenspersonen en
klachtencommissies, manager en projectleider integriteit. Zij werkt zelfstandig onder de naam (H)eerlijk werken, is tevens (plaatsvervangend) lid van de Commissie Gelijke Behandeling en voorzitter van de landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag voor de Gemeentelijke Overheid. Om organisaties optimaal te ondersteunen maakt haar bureau deel uit van het Netwerk
(H)eerlijk Werken.

Rikki Holtmaat: 25 jaar bestrijding van seksuele intimidatie. Naar een adequate juridische benadering van een hardnekkig probleem. Inleiding op Conferentie seksuele intimidatie 4 maart 2010

25 jaar bestrijding van seksuele intimidatie: naar een adequate juridische benadering van een hardnekkig probleem?

Prof. Rikki Holtmaat,
Juridische Faculteit – Universiteit Leiden

Inleiding op de conferentie “Seksuele Intimidatie” van de Vereniging Vrouw en Recht,Amsterdam 4 maart 2010.

Geachte aanwezigen.

Het is geweldig dat de Vereniging Vrouw en Recht het initiatief heeft genomen om nader onderzoek te laten doen naar het onderwerp seksuele intimidatie. Ik ben trots op de twee mooie boeken die daaruit voort zijn gekomen, en dank ook de subsidiegevers, De Stichting Clara Wichmann Fonds en het Ministerie van SZW voor hun bijdrage.

Vanmiddag wil ik u in vogelvlucht laten kennismaken met de uitkomsten van het onderdeel van het onderzoek dat ik voor mijn rekening heb genomen: het analyseren van de bestaande juridische regelingen en jurisprudentie op dit terrein. Riek Vilters zal een overzicht geven van de resultaten van haar deel van het onderzoek.
Vanuit rechtswetenschappelijk oogpunt zijn twee vragen essentieel: Waarom zou seksuele intimidatie bestreden moeten worden met behulp van rechtsregels? En: Hoe zou dat dan op adequate wijze kunnen worden gedaan? Aan die twee vragen gaat nog een belangrijke andere vraag vooraf: Waarover hebben we het hier eigenlijk? Als je het onderwerp op deze wijze benadert kom je uit bij een ideaaltypische schets van het positieve recht met betrekking tot seksuele intimidatie. Vervolgens is interessant of het Nederlandse recht aan dat ideaaltype beantwoordt. Daarmee heb ik aangegeven waar ik het vanmiddag over zal hebben. Om te beginnen behandel ik de vraag waar we het over hebben, dan geef ik een korte schets hoe het recht er uit zou moeten zien en tenslotte bespreek ik hoe het er feitelijk uitziet. Vanzelfsprekend allemaal in sneltreinvaart en in zeer grote lijnen!

Het probleem waar we het over hebben

Het taboe van de ‘ongewenste seksuele aandacht op het werk’ werd vanaf het midden van de jaren zeventig van de vorige eeuw door de vrouwenbeweging opengebroken. Brede publieke aandacht ontstond door een enquête in het damesblad Viva in 1981. Maar liefst 86% van de (vrouwelijke) respondenten bleek daarvan last te hebben (gehad). Daarna kwam een stroom van studies op gang, zij het dat de cijfers nogal uiteen liepen, afhankelijk van onderzoeksmethode en onderzoekspopulatie. Het bleek dat seksuele intimidatie geen kwestie is van overgevoeligheid van sommige (‘truttige’) vrouwen voor bepaalde ‘grapjes’, maar een structureel en hardnekkig sociaal probleem vormt. De beschreven ervaringen van vrouwen maken duidelijk dat het gaat om gedragingen of uitingen met een seksuele lading, die omdat ze op het werk plaatsvinden als bijzonder belastend (kunnen) worden ervaren, dat wil zeggen: die het goed functioneren van vrouwen in hun baan in de weg staan, en derhalve – behalve dat ze oneervol, beledigend of bedreigend zijn – ook de verdere emancipatie van vrouwen belemmeren. Met name vrouwen in kleine ondernemingen, vrouwen die in ‘mannenberoepen’ en in de zorg werken, en herintreedsters en jonge medewerksters in lage posities hebben er veel last van. Maar ook jongens en mannen (vooral als ze ervan‘verdacht’ worden homoseksueel te zijn) blijken geregeld het slachtoffer te worden, en ook op school, in de sportvereniging, in de jeugdinstelling en in de psychiatrische instelling of het ziekenhuis komt seksuele intimidatie voor. Twee aspecten spelen in al die situaties een rol: het gaat om een bepaald soort gedrag dat zich voordoet in een bepaalde context. Daarom heb ik het volgende analytisch begrip tot uitgangspunt genomen voor mijn onderzoek naar de juridische normering van seksuele intimidatie: het gaat om geseksualiseerde gedragingen en uitingen in een institutionele context.

Geseksualiseerde gedragingen of uitingen

Om twee redenen is onmogelijk precies te omschrijven wat geseksualiseerde gedragingen of uitingen zijn, bijvoorbeeld door daarvan een catalogus op te stellen en in een wet, een gedragscode of een klachtenregeling op te nemen. Om te beginnen bepaalt de sociaal-culturele context tot op grote hoogte wat acceptabel gedrag is en wat als grensoverschrijdend wordt ervaren. Met name de mate waarin en de wijze waarop lichamelijke contacten tussen ‘vreemden’ acceptabel is, kan sterk verschillen tussen culturen. (Met vreemden bedoel ik mensen met wie je niet in nauwe persoonlijke / relationele betrekking staat.) Toch kan dit aspect wel tot op zekere hoogte worden geobjectiveerd. In de dominante Nederlandse cultuur geldt bijvoorbeeld dat een hand op iemands schouder leggen iets anders is dan een hand op iemands billen leggen.

Of iets als ‘geseksualiseerd’ wordt ervaren hangt in de tweede plaats sterk af van de personen die erbij betrokken zijn en in welke persoonlijke of zakelijke verhouding ze precies tegenover elkaar staan. De (institutionele) context is daarvoor medebepalend. Twee vrienden die in het café een arm om elkaars schouders slaan is wat anders dan een klassenmentor die dat na schooltijd in een leeg lokaal bij een leerling doet. Uiteindelijk bepaalt het individu of de arm om de schouder wordt bedoeld of ervaren als troostend, of als een aanraking met een seksuele lading.
Hoewel dus geen catalogus van geseksualiseerde gedragingen en uitingen valt op te stellen, valt er in algemene zin wel iets over te zeggen. Er moet sprake zijn van gedragingen of uitingen die binnen een bepaalde cultuur of context gerelateerd worden aan seksualiteit of seksuele betrekkingen of gedragingen. Doorgaans zal daarvan sprake zijn bij lichamelijke aanrakingen, het tonen van lichamelijk bloot, het becommentariëren van iemands fysieke uiterlijk met verwijzing naar de seksuele (on)aantrekkelijkheid daarvan, et cetera.

De institutionele context

Geseksualiseerde gedragingen en uitingen komen overal voor, om te beginnen binnen persoonlijke relaties. Daarnaast is in de huidige maatschappij de openbare sfeer op velerlei wijze ‘geërotiseerd’. In het analytisch begrip van seksuele intimidatie gaat het om de situatie dat dergelijke gedragingen en uitingen zich voordoen in een institutionele context. Daarmee wordt gedoeld op instituties in enge zin van het woord, dat wil zeggen: bedrijven en instellingen of organisaties waar vreemden met elkaar samenwerken, of anderszins met elkaar verkeren en waarin de deelnemende personen op de een of andere manier gedwongen moeten verblijven. Dat betekent dat het slachtoffer niet door weg te lopen of door bepaalde mensen of plaatsen voortaan te mijden aan de geseksualiseerde gedraging of uiting kan ontsnappen. Weglopen/wegblijven zou ernstige gevolgen hebben voor haar rechtspositie, haar economische positie of voor haar gezondheid.

Binnen de institutionele context kan het geseksualiseerde gedrag of de uiting afkomstig zijn van verschillende personen: een leidinggevende, een collega, een medisch behandelaar of verpleegkundige, een leerling/student of patiënt/cliënt, of zelfs van een klant. Voor een goed begrip van het probleem is niet doorslaggevend of er sprake is van een hiërarchische verhouding tussen pleger en slachtoffer. Met afhankelijkheid wordt bedoeld het feit dat het slachtoffer ervan afhankelijk is dat zij op een prettige en veilige manier binnen de institutie kan verblijven en functioneren. De belangrijkste algemene institutionele contexten waarin seksuele intimidatie voorkomt zijn de werkplek, het onderwijs en de gezondheidszorg.

Binnen een institutionele context kunnen geseksualiseerde gedragingen en/of uitingen erin resulteren dat er een vijandige, intimiderende of onveilige omgeving ontstaat. De institutionele context kan tevens met zich meebrengen dat het tolereren van de seksuele intimidatie wordt gevraagd in ruil voor een betere positie (een bevordering of salarisverhoging, een bepaalde medische behandeling, zoals een abortus, of een goed cijfer). Deze twee elementen worden in de literatuur doorgaans samengevat onder de termen ‘hostile or degrading (work) environment’ (of ‘condition of work’) en ‘quid pro quo harassment’, of als respectievelijk een bedreigende of positieondermijnende situatie en voor-wat-hoort-wat.

De rechtsgrond om seksuele intimidatie juridisch te normeren

De wetgever grijpt niet in tegen geseksualiseerde uitingen, tenzij daarmee de openbare orde en goede zeden worden geschonden. Geseksualiseerde gedragingen die de lichamelijke en/of psychische integriteit van het slachtoffer in ernstige mate aantasten (zoals bij aanranding en verkrachting) zijn eveneens verboden. Ook bij minder ernstige vormen van geseksualiseerde gedragingen en uitingen kan er reden zijn voor normstellend optreden, mits deze plaatsvinden in een institutionele context. De reden daarvoor is enerzijds dat het gaat om gedragingen en uitingen die (omdat ze geseksualiseerd zijn) als kwetsend, bedreigend of als oneerbaar (onwaardig) worden ervaren/gezien, en anderzijds dat degenen tot wie dergelijke gedragingen of uitingen zijn gericht in een afhankelijke (dwang)positie verkeren én er voor hen vitale belangen op het spel staan. De combinatie van deze factoren levert een zwaarwegende rechtsgrond op om dwingende juridische maatregelen te nemen. Zoals Marlies Vegter het schreef: “Intimidatie vormt een inbreuk op twee basale rechten van ieder mens, namelijk het recht op lichamelijke integriteit en het recht op bescherming van de waardigheid.” Bovendien tast seksuele intimidatie het volledige genot van bepaalde sociale grondrechten aan, zoals het recht op arbeid, gezondheid en onderwijs.

Deze specifieke rechtsgrond voor een juridische normering ontbreekt als het gedrag wel intimiderend is, maar niet is geseksualiseerd. In dat geval ontbreekt het speciale kwetsende, onterende en/of bedreigende karakter ervan en zal een andere rechtsgrond moeten worden gevonden voor een eventuele juridische normering daarvan. Ontbreekt een institutionele context dan is er in beginsel ook onvoldoende reden voor de overheid om in te grijpen. Als in een hotelbar erotische films worden vertoond zijn de gasten vrij om naar een ander hotel te gaan. Dat wil zeggen: bij het aanbieden van goederen en diensten op de vrije markt is er geen aanleiding om op te treden tegen geseksualiseerde gedragingen en uitingen. Dit ligt alleen anders als de afnemers van die goederen en diensten in feite niet de vrijheid hebben om ‘met de voeten te stemmen’ – zoals bij de diensten onderwijs en gezondheidszorg vaak het geval is –, of wanneer het gaat om geseksualiseerde uitingen en gedragingen die door de wetgever reeds strafrechtelijke zijn genormeerd als openbare schennis van de eerbaarheid of als verkrachting of aanranding..

Zoals gezegd betekent de institutionele context dat het slachtoffer in een situatie van afhankelijkheid verkeert en daarom bijzonder beschermwaardig is. Belangrijke grondrechten van de pleger, zoals de vrije meningsuiting of de bewegingsvrijheid, moeten daarvoor wijken. Dat is niet automatisch het geval als de seksuele intimidatie in een andere dan een institutionele context plaatsvindt. Gaat het om de privé-sfeer dan zal het recht op privacy een rem opwerpen tegen overheidsbemoeienis. Geseksualiseerde uitingen in de openbare sfeer zijn beschermd door de vrijheid van expressie en van meningsuiting. Voorkomen moet worden dat wetgeving tegen seksuele intimidatie zich als een olievlek uitspreidt en leidt tot moral policing, dat wil zeggen: het juridisch normeren van wat bepaalde (groepen van) personen op religieuze, morele of ethische gronden verwerpelijk gedrag of onacceptabele uitingen (bijvoorbeeld van een bepaalde seksuele oriëntatie) vinden. De overheid dient in dit opzicht zoveel mogelijk neutraliteit te betrachten en de grondwettelijk gegarandeerde vrijheden van mensen tot op grote hoogte te respecteren.

De ideale juridische reactie op seksuele intimidatie

Idealiter weerspiegelt het juridisch systeem van bescherming tegen seksuele intimidatie de belangrijkste kenmerken van dat sociale probleem. Tijd om dat ideaaltypische recht tot in detail te beschrijven heb ik nu niet. Uit het voorafgaande is wel af te leiden dat de wetgever een drietal aspecten zo systematisch en helder mogelijk zal moeten vastleggen.

(1) Het geven van een heldere definitie van seksuele intimidatie, waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat het gaat om gedragingen of uitingen met een seksuele connotatie, die verschillende vormen kunnen aannemen en die tot verschillende schadelijke gevolgen aanleiding kunnen geven. Van belang is in de definitie expliciet tot uitdrukking te brengen dat het niet om individuele subjectieve gevoelens of bedoelingen gaat, maar om objectief grensoverschrijdende gedragingen of uitingen. Dat wil zeggen dat de definitie zowel van de intentie van de pleger als van de gevoelens van het slachtoffer moet abstraheren. Wat betreft de consequenties moet aan de orde komen dat het kan gaan om het creëren van een bedreigende of positie ondermijnende situatie en/of om voor-wat-hoort-wat.

(2) Het afbakenen van de institutionele contexten waarin seksuele intimidatie uitgebannen moet worden. Daarbij moeten voor elke context specifieke regelingen opgesteld worden; Seksuele intimidatie op de werkplek vergt een andere normering en regulering dan die in het onderwijs of de zorg.

(3) Het uitvaardigen van wettelijke normen. Die normen kunnen zich ofwel richten tot de pleger, in de vorm van verbodsnormen met mogelijk bijbehorende sancties, ofwel tot degenen die binnen de afgebakende institutionele context ‘de dienst uitmaken’, in de vorm van instructienormen ten aanzien van algemene preventie en de bescherming van slachtoffers. In verband met het verschil tussen de normadressanten is het van groot belang hiertussen een welbewuste en weloverwogen keuze te maken. Omdat het bij seksuele intimidatie gaat om mensen die zich in een kwetsbare, afhankelijke positie bevinden, waarvan niet kan worden verwacht dat zij (met een verbodsnorm in de hand) zelfstandig juridisch tegen de pleger opkomen, gaat de voorkeur uit naar het uitvaardigen van instructienormen, dat wil zeggen: het opleggen van zorgverplichtingen aan personen en instanties die binnen een specifieke institutionele context in de machtspositie verkeren om seksuele intimidatie effectief / structureel te bestrijden.

De juridisering van seksuele intimidatie in Nederland

Aanvankelijk reageerde de Nederlandse overheid op het gesignaleerde probleem met het doen van aanbevelingen aan sociale partners om het zelf ter hand te nemen. Wel werden enkele ondersteunende beleidsmaatregelen genomen, zoals het geven van voorlichting en het subsidiëren van expertisecentra. Pas vanaf het midden van de jaren ’90 werd het middel wetgeving ingezet. In plaats van een geheel nieuwe, zelfstandige Wet tegen Seksuele Intimidatie te maken, is er sindsdien op allerlei plaatsen in het bestaande recht iets over dit onderwerp geregeld.

In de eerste plaats werd gepoogd om een sluitende juridische definitie van seksuele intimidatie te geven. Het aanvankelijk gebruikte begrip ‘ongewenste intimiteiten’ werd daarbij al spoedig vervangen door het meer geobjectiveerde begrip ‘seksuele intimidatie’, dat voor het eerst wettelijk werd gedefinieerd in de Arbowet van 1994. Deze definitie voldeed aan de eisen die ik hierboven heb geformuleerd. Min of meer parallel werden voor bepaalde maatschappelijke sectoren instructienormen ontwikkeld ten aanzien van het voorkomen en bestrijden van dit probleem. Het eerst in de Arbowet (1994), daarna ook in de gezondheidszorg (Wet Klachtrecht Cliëntenzorg 1995) en in onderwijssector (Kwaliteitswet 1998). Is een dergelijke instructienorm geschonden, dan is er sprake van een administratiefrechtelijke overtreding van publiekrechtelijke normen, die gehandhaafd worden door speciale organen (Inspecties). Bovendien werd vanaf 1998 in de civiele rechtspraak aanvaard dat op de leiding van een onderneming of instelling de aansprakelijkheid rust om de schade, die als gevolg van een tekortkoming in de naleving van deze normen is opgetreden, op basis van civielrechtelijke normen te vergoeden aan het slachtoffer. Daarmee heeft het slachtoffer de keus om in plaats tegen de pleger te ageren, de leiding van de instelling of de werkgever aansprakelijk te houden voor het schenden van diens zorgplichten.

Daarnaast werden talloze verschillend geformuleerde verbodsnormen ontwikkeld. Dit gebeurde aanvankelijk in informele en lagere regelgeving, zoals interne gedragscodes of bedrijfsreglementen, beroepscodes, cao’s en Ministeriële Richtlijnen en Instructies. Een verbodsnorm werd in de praktijk (op ad hoc basis) ook ontwikkeld in civielrechtelijke jurisprudentie, waarin rechters met name uit het feit dat er sinds 1994 in de Arbowet een wettelijke definitie en een instructienorm bestond, concludeerden dat seksuele intimidatie objectief ongewenst gedrag is. Uiteindelijk kwam in 2006 de eerste en tot op heden enige wettelijke verbodsnorm tot stand in de gelijkebehandelingswetgeving, waarin ook een nieuwe, aan Europese Richtlijnen ontleende, definitie werd opgenomen. Ongeveer gelijktijdig werd de definitie uit de Arbowet verwijderd en werd de Arbo-verplichting om te zorgen dat er in dit opzicht veilige arbeidsomstandigheden zijn, gevat onder de algemene verplichting om werknemers te behoeden voor sterk belastende psychosociale arbeidsomstandigheden (PSA). Wie zonder deze achtergronden te kennen de Arbowet 2008 leest zal niet op het idee komen dat deze wet iets regelt ten aanzien van het onderwerp seksuele intimidatie; daarvoor moet hij of zij veel verder spitten in de Memorie van Toelichting en in diverse uitvoeringsregelingen.

Evaluatie

Het geheel overziend blijkt dat er in Nederland op het terrein van seksuele intimidatie een bonte lappendeken aan definities, instructienormen en verbodsnormen bestaat. Wat betreft de definitie is de situatie er met de overname van de Europese definitie in het gelijkebehandelingsrecht en het verdwijnen van de Arbo-definitie, niet echt duidelijker op geworden. Zo benoemt de wet niet langer dat het (ook) kan gaan om gedragingen die leiden tot een ‘voor-wat-hoort-wat’ vorm van seksuele intimidatie. Verder wordt nu geëist dat de waardigheid van het slachtoffer moet zijn aangetast, hetgeen opgevat kan worden als een subjectief element dat klaagster moet stellen en bewijzen. De nieuwe definitie blijkt tot veel onduidelijkheden aanleiding te geven. Zelfs de Hoge Raad heeft niet goed begrepen dat het gaat om een sociaal probleem dat naar objectieve maatstaven moet worden beoordeeld.

Aanvankelijk is wat betreft de normstelling gekozen voor het uitvaardigen van instructienormen. Daarbij gold een consistente en mijns inziens adequate aanpak: seksuele intimidatie was een op duidelijke wijze gedefinieerde vorm van geseksualiseerd gedrag binnen bepaalde goed afgebakende institutionele contexten. Voor iedere context (arbeid, onderwijs, zorg) golden specifieke richtlijnen over wat tegen dit probleem ondernomen moest worden. Bij gebreke van een uitdrukkelijke wettelijke verbodsbepaling grepen rechters intussen naar deze instructienormen om in civiele arbeidszaken en ambtenarenzaken en in onrechtmatige daad zaken seksuele intimidatie als objectief normoverschrijdend gedrag te veroordelen; dat wil zeggen: plegers te sanctioneren en werkgevers/bestuurders die zich niet aan de instructienormen hielden daarvoor ten opzichte van het slachtoffer aansprakelijk te houden. Dit ‘systeem’ geldt nog steeds. Echter, het geheel is wel veel gecompliceerder en ondoorzichtiger geworden nu seksuele intimidatie is gedefinieerd en verboden in de gelijkebehandelingswetgeving. Het zwaartepunt van de wettelijke regeling van het onderwerp verschoof daarmee van het (publieke) arbeidsomstandighedenrecht, onderwijsrecht en gezondheidsrecht naar het (civiele) gelijkebehandelingsrecht. Niet de werkgever/instelling, maar het individuele slachtoffer staat daarin centraal. Bovendien is het materiële bereik van deze verbodsnorm door de opname ervan in de AWGB uitgebreid tot het aanbieden van goederen en diensten in het algemeen. Daarmee is deze norm onbedoeld en ongewild opgerekt tot ver buiten welbepaalde institutionele contexten waarbinnen slachtoffers ‘geen kant op kunnen’. Een duidelijke rechtsgrond voor dit ruime bereik ontbreekt en ingewikkelde conflicten met andere grondrechten en moral policing liggen hiermee op de loer.

En hoe gaat de rechtspraktijk om met dit ‘systeem’?

Het tweede deel van mijn onderzoek richtte zich op de vraag hoe de rechtspraktijk omgaat met dit ‘systeem’. In de workshop, na de theepauze, zal ik iets meer vertellen over de punten die mij bij de bestudering van de jurisprudentie in kwantitatieve en kwalitatieve zin zijn opgevallen.

Contact:
Department of Public Law
Faculty of Law
Steenschuur 25 – PO BOX 9520,
2300 RA Leiden
The Netherlands
e-mail: h.m.t.holtmaat@law.leidenuniv.nl
phone : 0031 71 527 77 40
secretariat : 0031 71 527 77 60

Marjolein van den Brink en Anouka van Eerdewijk: ‘…voor zichzelf en zijn gezin…’ Mensenrechten, gender en de (on)zin van een verdragscomité speciaal voor vrouwen, Tijdschrift voor Genderstudies 11 (2008) nr. 4

Link naar PDF