Instantie: Hoge Raad, 27 november 2009

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting

De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad tot niet ontvankelijk verklaring van de SGP in haar cassatieberoep voor zover haar klachten niet identiek zijn aan de klachten van de staat. Daarnaast adviseert de advocaat-generaal de positieve beslissing van het gerechtshof Den Haag in stand te laten. Het Hof oordeelde dat de Staat in strijd handelt met het VN-Vrouwenverdrag door geen maatregelen te treffen tegen de situatie dat vrouwelijke partijleden van de SGP geen stemrecht hebben en geen politieke functies kunnen bekleden.

Volledige tekst

In dit geding, waarin de SGP zelfstandig beroep in cassatie heeft ingesteld, staat – naast de ontvankelijkheid van het cassatieberoep – de vraag centraal of de Staat onrechtmatig handelt door niet de maatregelen te nemen welke art. 7, onder a en c, van het Vrouwenverdrag en andere in aanmerking komende rechtsregels van hem vergen, in relatie tot het `vrouwenstandpunt’ van de SGP.

1) De feiten en het procesverloop

1.1. Voor de feiten en het procesverloop in de hoofdzaak wordt verwezen naar de heden genomen conclusie in de zaak nr. 08/01354, waarvan een afschrift aan deze conclusie zal worden gehecht. In het geding in hoger beroep tussen de Staat en de belangenorganisaties heeft het gerechtshof te ‘s-Gravenhage bij incidenteel arrest van 16 februari 2006 de SGP toegelaten zich in het geding te voegen aan de zijde van de Staat.

1.2. De Staat en de SGP hebben ieder voor zich een memorie van grieven genomen, waarbij de Staat twaalf en de SGP drie grieven heeft aangevoerd tegen het vonnis van de rechtbank van 7 september 2005(1). De belangenorganisaties hebben de grieven tegengesproken en incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.3. Bij arrest van 20 december 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en voor het overige bekrachtigd(2). Tegen dit arrest heeft de Staat op 19 maart 2008 beroep in cassatie ingesteld, dat bij de Hoge Raad in behandeling is onder nr. 08/01354.

1.4. Op 20 maart 2008, dus nog binnen de cassatietermijn, heeft ook de SGP de belangenorganisaties in cassatie gedagvaard en beroep ingesteld tegen het arrest van 20 december 2007.

1.5. De belangenorganisaties hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de SGP in haar cassatieberoep voor zover de SGP middelen aanvoert die niet door de Staat zijn aangevoerd in de zaak onder nr. 08/01354. Voor zover de SGP in haar cassatieberoep kan worden ontvangen, hebben de belangenorganisaties geconcludeerd tot verwerping daarvan. Van hun kant hebben de belangenorganisaties een incidenteel cassatiemiddel voorgesteld, dat inhoudelijk overeenkomt met hun incidenteel cassatiemiddel in de zaak onder nr. 08/01354. Nadat de SGP hierop had geantwoord, hebben partijen hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna de SGP heeft gerepliceerd.

2) De ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de SGP

2.1. Het is spijtig dat in een zaak waarin zulke principiële vraagstukken aan de orde zijn, de aandacht van de lezer moet worden gevraagd voor een formele kwestie als de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Niettemin is een bespreking van deze kwestie onvermijdelijk.

2.2. Wie in een rolzaak voor de burgerlijke rechter is aan te merken als procespartij (eiser of gedaagde), blijkt uit de dagvaarding waarmee het geding aanvangt. Het is mogelijk dat verscheidene eisers of verscheidene gedaagden in hetzelfde geding optreden (zgn. subjectieve cumulatie). Iedere derde die belang heeft bij een tussen andere partijen gevoerd geding kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. Een vordering tot voeging of tot tussenkomst wordt ingesteld bij een incidentele conclusie, vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen; zie art. 217 – 218 Rv. Deze bepalingen zijn ingevolge art. 353 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing in hoger beroep(3).

2.3. Zowel bij voeging als bij tussenkomst gaat het om de situatie waarin een derde zich vrijwillig mengt in het geding dat tussen twee of meer andere partijen aanhangig is. Na het toestaan van voeging of tussenkomst geldt de betrokken derde procesrechtelijk als mede partij in het geding(4). Daarmee correspondeert de hoofdregel van art. 332 lid 1 Rv, dat uitsluitend degenen die in eerste aanleg procespartij zijn geweest hoger beroep kunnen instellen(5).

2.4. Bij een voeging steunt de interveniërende derde een van de procespartijen in de hoofdzaak in haar vordering respectievelijk in haar verweer. Bij een voeging aan de zijde van de gedaagde verlangt de derde niets voor zichzelf: zij beoogt slechts afwijzing van de vordering in de hoofdzaak. In de rechtspraak is deze regel aldus verwoord, dat de derde zich in het geding voegt aan de zijde van een partij “tot ondersteuning van diens standpunt om aldus te voorkomen benadeling van de rechten of de rechtspositie van den verzoeker zelf welke een beslissing ten nadele van de te ondersteunen partij dreigt ten gevolge te zullen hebben”(6). Er bestaan diverse situaties waarin een derde belang kan hebben bij voeging aan de zijde van een gedaagde(7). In het spiegelbeeldige geval, bij voeging aan de zijde van de eiser in conventie of in reconventie, beperkt de gevoegde derde zich tot het aandragen van argumenten in het voordeel van de eiser(8). Wil de derde partij zelf een vordering instellen, al dan niet vergelijkbaar met de vordering van de eisende partij in de hoofdzaak, dan zal deze derde partij zelf de wederpartij in de hoofdzaak moeten dagvaarden, waarna desgewenst voeging van beide zaken wegens verknochtheid kan worden gevraagd. Dit laatste is niet een voeging van een partij op de voet van art. 217 Rv, maar een voeging van zaken op de voet van art. 222 Rv.

2.5. Bij een tussenkomst beperkt de interveniërende derde zich niet tot het ondersteunen van de vordering respectievelijk het verweer van een partij in de hoofdzaak, maar stelt de derde een eigen vordering in. Daarmee bakent de derde zijn rechtspositie af tegenover de beide partijen in de hoofdzaak(9).

2.6. In eerste aanleg was de SGP geen partij in het geding in de hoofdzaak tussen de belangenorganisaties en de Staat. De SGP heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 7 september 2005 en kon dat ook niet doen, gelet op de hoofdregel van art. 332 lid 1 Rv.

2.7. Nadat de Staat hoger beroep had ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 7 september 2005, heeft de SGP bij incidentele conclusie gevorderd zich te mogen voegen in het geding in hoger beroep. De Staat en de belangenorganisaties hebben zich ten aanzien van deze incidentele vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof. In het voegingsincident heeft de Staat gewaarschuwd dat een voeging inhoudt dat de SGP zich moet aanpassen aan het standpunt van de Staat, dus ook aan het standpunt van de Staat dat geen onderscheid is toegestaan tussen mannen en vrouwen ter zake van het recht om lid te worden van een politieke partij(10). Indien de SGP een zelfstandige positie in het geding wenst in te nemen, zal zij geen voeging, maar tussenkomst moeten vorderen, aldus de Staat. De belangenorganisaties hebben van hun kant naar voren gebracht dat het een gevoegde partij niet is toegestaan zelfstandig de rechtsstrijd in hoger beroep uit te breiden: als gevoegde partij zou de SGP zich hoogstens kunnen scharen achter de grieven van de Staat.

2.8. Naar aanleiding van deze discussie heeft de SGP haar incidentele vordering gewijzigd. Zij heeft volhard bij haar vordering tot toelating als gevoegde partij aan de zijde van de Staat en subsidiair, voor het geval die hoedanigheid het haar niet mogelijk zou maken een van het standpunt van de Staat afwijkende motivering te geven en eigen grieven te formuleren, toelating als tussenkomende partij gevorderd.

2.9. In het arrest van 16 februari 2006 in dit procesincident heeft het hof overwogen dat, anders dan de Staat en de belangenorganisaties hadden beweerd, de SGP zowel bij voeging als bij tussenkomst “een eigen positie kan en mag innemen door het aanvoeren van eigen argumenten die, ook in het geval van voeging, niet volledig hoeven overeen te stemmen met de argumenten van de Staat.” Het hof zag het onderscheid hierin, dat bij voeging de zijde van één der procespartijen wordt gekozen uitsluitend met het oog op de toe- of afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, terwijl bij tussenkomst de derde een zelfstandige vordering wenst in te stellen, gericht tegen de beide procespartijen in de hoofdzaak. Uit hetgeen door de SGP is aangevoerd valt niet op te maken dat zij enige zelfstandige vordering wil instellen (rov. 3 hof). Bijgevolg heeft het hof bepaald dat de SGP wordt toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van de Staat.

2.10. Tegen het arrest van 16 februari 2006 is geen rechtsmiddel aangewend. Daarmee staat ook in cassatie vast dat de SGP in het geding in hoger beroep de status had van een gevoegde partij aan de zijde van de Staat, niet de status van een tussenkomende partij.

2.11. Hoewel zij geen appellant was, heeft de SGP een “memorie van grieven” genomen waarin zij niet slechts de grieven van de Staat met argumenten ondersteunde, maar ook eigen grieven heeft voorgedragen. Deze strekten tot afwijzing van de vorderingen die de belangenorganisaties tegen de Staat hadden ingesteld. Bij deze gang van zaken verdient aantekening dat een gevoegde partij niet in staat is de rechtsstrijd in hoger beroep (in dit geval: tussen de Staat en de belangenorganisaties) uit te breiden. Dit hangt samen met de regel dat een appellant niet verplicht is de beslissing van de eerste rechter in volle omvang aan de appelrechter voor te leggen: partieel hoger beroep is mogelijk en overigens geldt in Nederland het grievenstelsel. Dit laat zich illustreren met een voorbeeld. Stel, dat een willekeurige gedaagde in eerste aanleg ter afwering van een vordering tot schadevergoeding een beroep op verjaring doet en daarnaast de door de eiser gestelde schade en het gestelde oorzakelijk verband betwist. Stel verder, dat de eerste rechter na verwerping van al deze verweren de vordering tot schadevergoeding toewijst, dan mag de oorspronkelijke gedaagde als appellant in hoger beroep ervoor kiezen, het verjaringsverweer te laten rusten en zijn grieven te beperken tot een betwisting van de schade en van het oorzakelijk verband. De rechtsstrijd in hoger beroep blijft dan daartoe beperkt: de appelrechter mag niet buiten de grieven van de appellant (voordien gedaagde in eerste aanleg) om, de vordering van de eiser afwijzen op de grond dat die vordering verjaard zou zijn. Dat is een van de consequenties van het grievenstelsel(11). In dit voorbeeld kan het verjaringsverweer niet met succes door een gevoegde partij naar voren worden gebracht in een eigen grief.

2.12. Kortom, de SGP mocht, na in hoger beroep te zijn toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van de appellant, argumenten naar voren brengen ter ondersteuning van het hoger beroep van de Staat en ter ondersteuning van het verweer van de Staat tegen het incidenteel hoger beroep van de belangenorganisaties. De SGP was niet bij machte de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep tussen de Staat en de belangenorganisaties zelfstandig uit te breiden.

2.13. In een geding in cassatie is een tussenkomst niet mogelijk; voeging aan de zijde van een der partijen in de hoofdzaak in beginsel wel(12). De Hoge Raad heeft opgemerkt dat een derde die zich in het geding in cassatie heeft gevoegd gebonden is aan de rechtsstrijd zoals die door de cassatiemiddelen is bepaald. Deze derde kan niet zelf middelen van cassatie aanvoeren, ook al mocht de cassatietermijn nog niet zijn verstreken.

2.14. De SGP heeft in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 08/01354 niet incidenteel gevorderd zich te mogen voegen. De SGP heeft de belangenorganisaties in cassatie gedagvaard en zelfstandig beroep in cassatie ingesteld. Ingevolge het bepaalde in art. 398 Rv staat beroep in cassatie open voor degenen die in de vorige instantie partij in het geding waren(13). De SGP mist evenwel procesbelang bij het indienen van middelen van cassatie die afwijken van de middelen die de Staat heeft aangevoerd. Eigen cassatiemiddelen zouden immers een uitbreiding inhouden van de rechtsstrijd in cassatie tussen de Staat en de belangenorganisaties. Zelfs als de klachten van de SGP gegrond zouden zijn, kunnen zij niet leiden tot het door de SGP beoogde gevolg, te weten dat het bestreden arrest op niet door de Staat zelf aangevoerde gronden wordt vernietigd en vervolgens een nieuwe beslissing wordt genomen over de vordering van de belangenorganisaties tegen de Staat. Ook de rechter na verwijzing zou gebonden zijn aan de beslissingen die niet of vergeefs door de Staat (resp. in het incidenteel beroep door de belangenorganisaties) in cassatie zijn bestreden(14).

2.15. Een procesbelang zou hoogstens gelegen kunnen zijn in de proceskostenveroordeling die het hof ten laste van de SGP heeft uitgesproken(15). Voor zover het cassatiemiddel van de SGP identiek is aan de middelen van de Staat in de hoofdzaak, heeft een vernietiging van het arrest in de hoofdzaak op een door de Staat aangevoerde cassatiegrond tot gevolg dat opnieuw een beslissing moet worden genomen over de proceskostenveroordeling ten laste van de SGP. Voor zover de cassatiemiddelen van de Staat falen, kan het slagen van de eigen middelen van de SGP niet tot een ander dictum leiden behoudens de proceskostenveroordeling. Ik ga ervan uit dat het de SGP niet om de proceskostenveroordeling te doen is en concludeer daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. Hierna zal ik de cassatiemiddelen van de SGP summier bespreken, opdat de Hoge Raad zich een beeld kan vormen van de juistheid of onjuistheid van de proceskostenveroordeling.

2.16. In haar schriftelijke toelichting (blz. 29) heeft de SGP kort gereageerd op het ontvankelijkheidsverweer in cassatie. Anders dan de SGP meent, kan uit HR 14 maart 2008 (NJ 2008, 168) niet worden afgeleid dat beslissend zou zijn of het cassatiemiddel van de SGP een nieuwe feitelijke grondslag introduceert. Het argument van de SGP dat het incidenteel arrest van het hof van 16 februari 2006 onherroepelijk is geworden, gaat niet op, omdat dit arrest de SGP niet de mogelijkheid geeft de rechtsstrijd in cassatie tussen de Staat en de belangenorganisaties zelfstandig uit te breiden. De slotsom blijft dat de SGP niet kan worden ontvangen in haar zelfstandig cassatieberoep.

3) Bespreking van het cassatiemiddel van de SGP

3.1. Voor de juridische achtergrond van het geschil, in het bijzonder voor informatie over het Vrouwenverdrag, wordt verwezen naar de heden genomen conclusie in de zaak 08/01354.

Ontvankelijkheid van de belangenorganisaties in hun vordering?

3.2. Onderdeel 1 van het middel heeft betrekking op de ontvankelijkheid van de belangenorganisaties in hun vordering tegen de Staat (rov. 3.1 – 3.5). Onderdeel 1.2 (onderdeel 1.1 bevat geen klacht) klaagt, samengevat, dat het hof miskent dat een vordering op de voet van art. 3:305a BW alleen mogelijk is voor organisaties die opkomen voor de belangen van personen die werkelijk met de gestelde discriminatie worden bedreigd, in dit geval: vrouwelijke leden van de SGP die zich via een kandidatenlijst van de SGP verkiesbaar willen stellen voor een algemeen vertegenwoordigend orgaan. Volgens de SGP is dat niet de groep personen voor wier belangen de belangenorganisaties in dit geding opkomen. In de schriftelijke toelichting (blz. 5) stelt de SGP dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest, met art. 3:305a BW een mogelijkheid te scheppen voor een collectieve actie die als enig doel heeft het aan de kaak stellen van andermans visie.

3.3. De klacht faalt op de gronden, vermeld in hoofdstuk 3 van mijn conclusie in de zaak 08/01354. Voor zover de vordering is gebaseerd op de verplichting van de Staat tot het nemen van alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven uit te bannen, hebben niet alleen de vrouwen met persoonlijke interesse in een plaatsing op een kandidatenlijst van de SGP belang bij de uitbanning hiervan, maar alle vrouwen. Het recht van alle vrouwen om op gelijke voet met mannen verkiesbaar te zijn in een algemeen vertegenwoordigend orgaan en deel te nemen aan verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven, zoals omschreven in art. 7, onder a en c, Vrouwenverdrag, kan worden beschouwd als een middel om het in de aanhef van artikel 7 beoogde doel te bereiken. Op de Staat rust een (positieve) verplichting om dit recht van vrouwen te beschermen. Waar het middelonderdeel klaagt dat de tegenpartij van een belangenorganisatie er recht op heeft, te worden aangesproken door degenen om wier belang het in werkelijkheid gaat, gaat de klacht eraan voorbij dat de Staat degene is tegen wie de vordering van de belangenorganisaties zich richtte. De vordering van de belangenorganisaties is niet rechtstreeks tegen de SGP gericht. De hiermee samenhangende motiveringsklachten van onderdeel 1.3 en onderdeel 1.4 falen om dezelfde reden. Zij behoeven op deze plaats geen afzonderlijke bespreking. Aan het desbetreffende bewijsaanbod van de Staat mocht het hof om dezelfde reden voorbijgaan.

3.4. In onderdeel 1.5 neemt de SGP het standpunt in dat de vordering van de belangenorganisaties niet strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen' in de zin van art. 3:305a lid 1 BW. De klacht houdt in dat het hof miskent dat vangelijksoortige belangen’ slechts sprake kan zijn indien de groep van personen, wier belangen door de belangenorganisatie worden behartigd, zodanig is samengesteld dat hun belangen niet te diffuus zijn om voor bundeling in aanmerking te komen. Volgens het middelonderdeel is een beletsel voor ontvankelijkheid van de vordering van de belangenorganisaties reeds aanwezig “indien een reële kans bestaat dat de betrokkenen verschillend oordelen over de toewijzing van de ten behoeve van hen ingestelde vordering”.

3.5. Het vereiste van gelijksoortigheid van belangen, bedoeld in art. 3:305a lid 1 BW, houdt in dat de bij de collectieve vordering betrokken belangen geschikt moeten zijn te worden gebundeld in een procedure. Dit wettelijk vereiste houdt niet in dat alle personen wier belangen de belangenorganisatie stelt te behartigen, hetzelfde (moeten) willen: de eis van representativiteit wordt in dit artikel niet gesteld. De in het middelonderdeel voorgestelde maatstaf zou het actierecht van art. 3:305a BW onaanvaardbaar uithollen. Zelfs bij de behartiging van de belangen van een betrekkelijk overzichtelijke groep, zoals bijvoorbeeld de groep gedupeerden van een scheepsongeval, de werknemers van een bedrijf of de bewoners van een stadswijk, is al moeilijk voorstelbaar dat alle betrokkenen precies hetzelfde wensen. Daarvoor is juist de mogelijkheid van een opt-out opgenomen in het vijfde lid van dit artikel. Bovendien blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat art. 3:305a BW toelaat dat vorderingen van een groep personen die zich een (materieel of ideëel) algemeen belang hebben aangetrokken gebundeld aan de rechter worden voorgelegd, mits aan alle in dit artikel gestelde voorwaarden is voldaan. Het argument dat de belangenorganisaties niet één SGP-vrouw bereid hebben gevonden om als mede-eiseres in het geding op te treden, mist om dezelfde redenen doel. De subsidiaire motiveringsklacht behoeft hier geen afzonderlijke bespreking. De slotsom is dat onderdeel 1 faalt.

Rechtstreekse werking art. 7 Vrouwenverdrag?

3.6. Onderdeel 2 bestrijdt de beslissing dat aan het bepaalde in art. 7, aanhef en onder a en c, Vrouwenverdrag, in ieder geval vanaf het woord “verzekeren”, rechtstreeks werking in de Nederlandse rechtsorde toekomt (rov. 4.2 – 4.7). Onderdeel 2.2 (onderdeel 2.1 bevat geen klacht) klaagt dat het hof miskent dat de inhoud van de verdragsbepaling beslissend is. Volgens de klacht moet de vraag worden gesteld of de desbetreffende verdragsbepaling de wetgever verplicht tot het treffen van een regeling met een specifieke inhoud, of van dien aard is dat de bepaling in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht kan functioneren. Met de term “verzekeren” in art. 7 Vrouwenverdrag is weliswaar bedoeld een resultaat voor te schrijven dat door de verdragsstaten moet worden behaald, maar aan de verdragsstaten is overgelaten langs welke weg dit resultaat kan worden bereikt. Daarmee laat het verdrag aan de verdragsstaten een beoordelingsvrijheid. Hetzelfde geldt voor de door het hof aangenomen rechtstreekse werking van de artikelen 25 en 26 IVBPR, aldus onderdeel 2.3.

3.7. Voor de juridische achtergrond verwijs ik naar de conclusie in de zaak 08/01354. De klacht miskent dat de beoordelingsvrijheid die art. 7 Vrouwenverdrag aan de verdragsstaten laat, de keuze betreft, welke passende (wettelijke of andere) maatregelen er genomen worden en, binnen zekere grenzen, het tijdstip waarop zij worden genomen. Het hof heeft zich niet uitgesproken over de vraag welke specifieke maatregelen de Staat zou moeten nemen: de keuze van de te nemen maatregelen blijft in de redenering van het hof geheel aan de Staat (en aan de wetgever, voor zover het om wettelijke maatregelen gaat). De beoordelingsvrijheid die art. 7 Vrouwenverdrag aan de verdragsstaten laat, gaat in de redenering van het hof wel ver, maar niet zo ver dat de Staat geheel mag afzien van iedere mogelijke maatregel tegen een geconstateerde discriminatie van vrouwen als bedoeld in art. 7, onder a en c, Vrouwenverdrag (tenzij een zwaarder wegende rechtsplicht tot bescherming van de rechten en vrijheden van anderen de Staat tot die beslissing noopt). De gegeven verklaring voor recht gaat niet verder dan dat. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.8. Om logisch tot een afwijzing van de vordering van de belangenorganisaties te kunnen leiden, zou de redenering ten minste de volgende bestanddelen moeten bevatten. Allereerst zou in het verweer onderscheid moeten worden gemaakt tussen regel 1 (de aanhef van art. 7 Vrouwenverdrag) en regel 2 (art. 7, aanhef vanaf het woord verzekeren', en onder a en c). Vervolgens zou de redenering moeten luiden:
(stap 1) Regel 1 mag dan in beginsel zijn geschonden - want de Staat heeft geen maatregelen genomen tegen deze discriminatie van vrouwen door de SGP en is niet van plan dat te doen -, maar dat baat de eisende partijen niet, omdat regel 1 geen rechtstreekse werking heeft in de nationale rechtsorde.
(stap 2) Regel 2 mag dan rechtstreeks werking hebben in de nationale rechtsorde, maar dat baat de eisende partijen niet, omdat deze regel niet is geschonden. De vrouwen die lid zijn of willen worden van de SGP en zich kandidaat willen stellen voor de SGP, onderwerpen zich immers vrijwillig aan alle regels die krachtens het verenigingsrecht (Boek 2 BW) binnen deze vereniging gelden, waaronder het Program van Beginselen. Aldus is sprake van een afstand van recht door de rechthebbende (zgn.
waiver’), in het bijzonder: een afstand van de rechten die vrouwen kunnen ontlenen aan art. 7, aanhef en onder a en c, Vrouwenverdrag. Voor zover vrouwen vrijwillig en bewust afstand van hun rechten doen, rust op de Staat niet langer een positieve verplichting om hun rechten te beschermen.
(stap 3) Subsidiair, voor het geval de stappen 1 en 2 niet tot afwijzing van de vordering leiden, kan dan nog het verweer worden gevoerd dat, ook al heeft de Staat in beginsel de rechten van vrouwen krachtens art. 7 Vrouwenverdrag geschonden door zijn weigering om maatregelen tegen deze discriminatie van vrouwen door de SGP te nemen, de Staat toch niet onrechtmatig handelt, omdat een afweging van de wederzijds betrokken belangen noodzakelijk meebrengt dat de rechtsplicht van de Staat tot bescherming van de rechten en vrijheden van de SGP en haar leden voorgaat boven de rechtsplicht van de Staat tot bescherming van deze rechten van vrouwen.

3.9. Voor de beoordeling in cassatie is van belang dat een primair verweer van deze strekking niet door de Staat is gevoerd, in ieder geval door het hof niet in de stellingen van de Staat is gelezen. Het hof is dan ook uitgegaan van een bestaande (positieve) verplichting van de Staat tot het verzekeren van de rechten die alle vrouwen hebben op grond van art. 7, aanhef en onder a en c, Vrouwenverdrag, welke verplichting rechtstreeks werking heeft in de nationale rechtsorde. Dit is bepalend geweest voor de uitkomst van het geding in hoger beroep. De Staat heeft zich in dit geding op het standpunt gesteld dat hij zelf mag uitmaken (niet alleen welke maatregelen hij neemt, maar ook) of hij maatregelen neemt. Eerst in de schriftelijke toelichting in cassatie is van de zijde van de SGP (blz. 15), derhalve tardief en niet door de Staat, naar voren gebracht dat hier sprake zou kunnen zijn van een afstand van recht. Hetzelfde geldt ten aanzien van de artikelen 25 en 26 IVBPR. Onderdeel 2 kan om deze redenen niet tot cassatie leiden.

Schending door de Staat van rechten van vrouwen die voortvloeien uit art. 7 Vrouwenverdrag?

3.10. Onderdeel 3 richt een reeks klachten tegen overwegingen onder 5.1 – 5.11. Het hof behandelt in deze rechtsoverwegingen de vraag of de Staat, door af te zien van iedere mogelijke (wettelijke of andere) maatregel tegen deze handelwijze van de SGP, in beginsel – dat wil zeggen: tenzij de plicht tot bescherming van de rechten en vrijheden van anderen de Staat daartoe noopt – inbreuk maakt op de rechten van vrouwen die voortvloeien uit art. 7 Vrouwenverdrag of een van de andere bepalingen waarop de belangenorganisaties een beroep hadden gedaan. Onderdeel 3.2 (onderdeel 3.1 bevat geen klacht) opent met de klacht dat het in rov. 5.1 genoemde uitgangspunt, namelijk dat de SGP onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen bij het passief kiesrecht en zo voorkomt dat vrouwen zich verkiesbaar stellen voor algemeen vertegenwoordigende organen, berust op een verkeerde voorstelling van de reikwijdte van het passief kiesrecht. De (grondwettelijke) regeling van het kiesrecht is slechts gericht op de laatste fase van het verkiezingsproces. Zij strekt zich niet uit over de daaraan voorafgaande fasen. Bovendien gaat het hof volgens het middelonderdeel eraan voorbij dat de statuten van de SGP sinds de statutenwijziging van 24 juni 2006 sexeneutraal zijn geformuleerd.

3.11. In rov. 5.1 neemt het hof tot uitgangspunt dat de SGP bij de kandidaatstelling voor verkiezingen van algemeen vertegenwoordigende organen feitelijk onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen. De in het middelonderdeel bedoelde statutenwijziging is niet aan de aandacht van het hof ontsnapt (zie rov. 1.5). Ook na deze statutenwijziging zijn vrouwen, enkel omdat zij vrouw zijn, niet plaatsbaar op een lijst van kandidaten van de SGP voor de verkiezing van een algemeen vertegenwoordigend orgaan. In deze opstelling van de SGP heeft het hof een belemmering van de uitoefening van het passief kiesrecht van vrouwen kunnen zien. Wellicht hebben vrouwen mogelijkheden om via een andere politieke partij in een algemeen vertegenwoordigend orgaan gekozen te worden. Als gevolg van de opstelling van de SGP hebben zij deze toegang tot de volksvertegenwoordiging niet op gelijke voet met mannen. De rechtbank had al gewezen op het belang van de rol die politieke partijen bij de selectie van kandidaten vervullen voor de uitoefening van het passief kiesrecht. Ook het hof heeft de centrale rol van politieke partijen in het kiesstelsel benadrukt. Hiermee heeft het hof voldoende duidelijk gemaakt waarop zijn oordeel berust dat de SGP vrouwen belemmert in de uitoefening van het passief kiesrecht. Het middelonderdeel faalt.

3.12. In onderdeel 3.3 komt de SGP op tegen het oordeel (in rov. 5.1) dat voor het door de SGP gemaakte onderscheid tussen mannen en vrouwen geen objectieve rechtvaardiging bestaat. Volgens de klacht is een objectieve rechtvaardiging gelegen in de belangen die door de vrijheden van godsdienst, van vereniging en van meningsuiting zijn beschermd.

3.13. Deze klacht faalt. Een onderscheid tussen mannen en vrouwen in gelijke gevallen kan toelaatbaar zijn indien daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Het door de SGP gemaakte onderscheid tussen mannen en vrouwen berust op een godsdienstig geïnspireerde overtuiging (het `vrouwenstandpunt’) die, hoezeer te respecteren als zodanig, subjectief van aard is: zij vormt alleen een rechtvaardiging in de ogen van hen die deze geloofsovertuiging hebben. Dat is niet voldoende om een objectieve rechtvaardiging te zijn. Het bestreden oordeel behoefde geen nadere motivering om voor de lezer begrijpelijk te zijn.

3.14. Onderdeel 3.4 maakt bezwaar tegen de eerste volzin van rov. 5.2. De klacht houdt in dat de daarin genoemde wettelijke en verdragsbepalingen wezenlijk verschillend zijn naar aard, rechtskarakter, normadressaat en werking. Het hof heeft ook niet duidelijk gemaakt door welke verbodsbepaling het door de SGP gemaakte onderscheid tussen mannen en vrouwen wordt getroffen en in welke mate. Bij toepassing van de norm van gelijke behandeling van mannen en vrouwen is volgens de klacht van belang binnen welke context en op welk onderwerp de norm wordt toegepast, terwijl ook de omstandigheden van het geval daarbij moeten worden betrokken.

3.15. Bij deze klacht mist de SGP belang, voor zover zij betrekking heeft op andere bepalingen dan art. 7 Vrouwenverdrag. In het door het hof bekrachtigde dictum heeft de rechtbank immers alleen ten aanzien van art. 7, onder a en c, Vrouwenverdrag een verklaring voor recht gegeven. Aan hetgeen in rov. 5.2 werd overwogen omtrent de andere door de belangenorganisaties ingeroepen verdragsbepalingen heeft het hof geen gevolgen verbonden. In het algemeen is juist, dat aan de hand van de omstandigheden moet worden beoordeeld of sprake is van een inbreuk op een discriminatieverbod. Dit wil niet zeggen dat het hof, los van de omstandigheden van het geval, zich niet een oordeel zou mogen vormen over de vraag of het afzien van iedere mogelijke maatregel, in strijd is met de verplichtingen die voor de Staat voortvloeien uit art. 7 Vrouwenverdrag. Om deze redenen faalt de klacht.

3.16. Onderdeel 3.5 klaagt dat, anders dan het hof in rov. 5.2 overweegt, wel degelijk van belang is dat vrouwen die als gevolg van het `vrouwenstandpunt’ zich niet voor de SGP verkiesbaar kunnen stellen voor een algemeen vertegenwoordigend orgaan, de mogelijkheid hebben zelf een politieke partij op te richten of zich aan te sluiten bij een andere politieke partij. Volgens het middelonderdeel heeft het hof miskend dat art. 7 Vrouwenverdrag de verdragsstaten een zekere beoordelingsvrijheid laat en daarom de Staat niet noopt tot onmiddellijk ingrijpen bij een politieke partij. Binnen het spectrum van alle politieke partijen, beschouwd als één geheel, is volgens het middelonderdeel in Nederland voldoende verzekerd dat vrouwen lid kunnen worden van een partij die wel bereid is vrouwen op gelijke voet met mannen voor te dragen voor verkiezingen van algemene vertegenwoordigende organen. Het middelonderdeel wijst in dit verband op (rov. 2.14.2 van) de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 december 2007(16). Het oordeel van het hof is met die uitspraak niet te rijmen en ook daarom onvoldoende gemotiveerd, aldus de klacht.

3.17. In het algemeen geldt, dat een discriminerende behandeling(17) niet wordt verontschuldigd met het argument dat de benadeelde persoon ook elders terecht kan. Op zichzelf is het niet vreemd dat een politieke partij bij het opstellen van de lijst van haar kandidaten voor een verkiezing onderscheid maakt naar personen die wel of juist niet de beginselen van die partij onderschrijven en naleven. Zo zal, bijvoorbeeld, een socialistische partij niet spoedig een liberaal op haar kandidatenlijst zetten of omgekeerd. Zo ook is politiek begrijpelijk dat de SGP op haar kandidatenlijsten alleen die leden wil plaatsen die het `vrouwenstandpunt’ van de SGP aanhangen. Dit neemt niet weg dat deze handelwijze vrouwen de mogelijkheid ontneemt om op een kandidatenlijst van de SGP te worden geplaatst, enkel omdat zij vrouw zijn. De vraag is of dit verenigbaar is met het recht van vrouwen uit art. 7, aanhef en onder a en c, Vrouwenverdrag. Mag een politieke partij dit van haar leden eisen?

3.18. In de overweging van de Afdeling Bestuursrechtspraak die in dit middelonderdeel is aangehaald, valt te lezen dat van een beperking van het passief kiesrecht van vrouwen als bedoeld in art. 7 onder a geen sprake is (kort gezegd: omdat vrouwen ook bij andere politieke partijen terecht kunnen, of zelf een partij kunnen oprichten, en er binnen het spectrum van politieke partijen, als geheel genomen, in Nederland voor vrouwen voldoende mogelijkheden zijn om zich verkiesbaar te stellen voor een algemeen vertegenwoordigend orgaan). Tegen een relativering van de verplichtingen, voortvloeiend uit art. 7 Vrouwenverdrag, hebben de belangenorganisaties ingebracht dat deze uitleg op gespannen voet staat met de uitleg die de CEDAW aan art. 7 Vrouwenverdrag geeft.

3.19. Een tweede bezwaar hiertegen is, dat het in art. 7, onder a en c, Vrouwenverdrag niet slechts gaat om de vraag of vrouwen voldoende mogelijkheden hebben om in een algemeen vertegenwoordigend orgaan verkozen te worden, maar om de vraag of zij die mogelijkheid hebben op gelijke voet met mannen. Als er één politieke partij is, die vrouwen van haar kandidatenlijsten weert omdat zij vrouw zijn, hebben vrouwen weliswaar toegang tot het passief kiesrecht, maar niet op gelijke voet met mannen. Om deze reden geeft het oordeel van het hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.

3.20. Onderdeel 3.6 is gericht tegen het oordeel in rov. 5.3, dat het achterwege laten van alle mogelijke maatregelen tegen deze discriminatie van vrouwen in strijd is met art. 7, aanhef en onder a, Vrouwenverdrag, ook los van art. 7 onder c. De klacht houdt in dat, art. 7 onder a slechts ziet op de toekenning van het actief en passief kiesrecht als zodanig. Nu de Staat in nationale wetgeving heeft verzekerd dat alle vrouwen in Nederland hun passief kiesrecht vrijelijk kunnen uitoefenen, kan er geen sprake zijn van een beperking van het passief kiesrecht van vrouwen als bedoeld in art. 7 onder a Vrouwenverdrag. Deze klacht faalt op dezelfde gronden als de hiermee overeenkomende klacht van de Staat in de hoofdzaak(18).

3.21. Onderdeel 3.7 klaagt over de gevolgtrekking (in rov. 5.5, uitgewerkt in rov. 5.6 – 5.10), dat de Staat met de thans bestaande wet- en regelgeving onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de verplichting die art. 7 Vrouwenverdrag op de Staat legt. Voor zover deze klacht voortbouwt op de vorige middelonderdelen faalt zij op dezelfde gronden. Het middelonderdeel klaagt ook dat het hof miskent dat art. 7, aanhef en onder c, Vrouwenverdrag de Staat niet een onbeperkte plicht oplegt om tegen iedere geconstateerde discriminatie van vrouwen op te treden. Volgens de SGP laat deze verdragsbepaling de wetgever en de tot handhaving bevoegde autoriteiten in de verdragsstaten een beoordelingsvrijheid.

3.22. In de zaak 08/01354 kwam ik tot onder meer de volgende bevindingen (alinea 5.50):
* Art. 7 Vrouwenverdrag omvat in de eerste plaats de verplichting van de Staat om alle passende maatregelen te nemen teneinde discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven van het land uit te bannen. Deze algemene verplichting laat de Staat een vrijheid van beoordeling ten aanzien van de keuze van de maatregelen en, binnen zekere grenzen, het tijdstip waarop zij worden getroffen, zolang het einddoel maar niet uit het oog wordt verloren.
* Daarnaast behelst deze verdragsbepaling een bijzondere verplichting, te weten dat de Staat – voor zover van belang voor dit geding – aan vrouwen het recht verzekert om verkiesbaar te zijn in alle openbaar gekozen lichamen en om deel te nemen aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land. Met welke (wettelijke of andere) middelen de Staat dit resultaat verzekert indien het om gedragingen of nalatigheid van een derde gaat, staat ter keuze van de Staat. Deze verdragsbepaling laat de Staat echter niet de vrijheid om, in een geconstateerd geval van discriminatie van vrouwen door een politieke partij, op gronden van opportuniteit af te zien van iedere mogelijke maatregel tegen die discriminatie.
* Deze bijzondere verplichting kan door vrouwen (of door belangenorganisaties die opkomen voor hun belang) rechtstreeks in de nationale rechtsorde worden ingeroepen tegenover de Staat. Indien deze bijzondere verplichting wordt beschouwd als een middel, waarmee de in art. 7 beoogde uitbanning kan worden bereikt, strekt zij tot bescherming van alle vrouwen.
* De verplichtingen van de Staat krachtens art. 7 Vrouwenverdrag zijn niet absoluut, maar kunnen worden afgewogen tegen de rechtsplicht van de Staat tot bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
* Het hof is tot de slotsom gekomen dat de Staat (c.q. de wetgever) in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen dat de verplichting van de Staat uit hoofde van art. 7 Vrouwenverdrag moet wijken voor de verplichting van de Staat tot bescherming van de grondrechten van de SGP en haar leden. Dit oordeel houdt stand tegenover de in cassatie daartegen ingebrachte klachten van de Staat.

3.23. Hieruit volgt, waarom ook deze klacht van de SGP moet worden verworpen. Art. 7, onder a en c, Vrouwenverdrag laat de verdragsstaten vrij ten aanzien van de keuze van de te nemen maatregelen. Het staat een verdragsstaat echter niet vrij van iedere mogelijke maatregel af te zien (tenzij een rechtsplicht tot het beschermen van zwaarder wegende (grond)rechten van anderen de Staat daartoe noopt). Het bestreden oordeel geeft m.i. niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de inhoud van art. 7 Vrouwenverdrag.

3.24. Onderdeel 3.8 heeft betrekking op rov. 5.11, welke betrekking heeft op art. 25 en 26 IVBPR. Dit onderdeel kan bij gebrek aan belang onbesproken blijven, omdat de verklaring voor recht in het dictum uitsluitend betrekking heeft op art. 7 Vrouwenverdrag, niet op de in dit onderdeel bedoelde verdragsbepalingen.

Grondrechten van de SGP en haar leden

3.25. Onderdeel 4 heeft betrekking op de overwegingen 6.1 – 6.19, waarin het hof de vraag behandelt of, uitgaande van een verplichting van de Staat ingevolge art. 7, onder a en c, Vrouwenverdrag, het niet nakomen van deze verplichting wordt gerechtvaardigd door de rechtsplicht van de Staat tot bescherming van de grondrechten van anderen, in het bijzonder de vrijheid van godsdienst, van vereniging en van meningsuiting van de SGP en haar leden. Onderdeel 4.2 (onderdeel 4.1 bevat geen klacht) heeft betrekking op de vrijheid van godsdienst. Het middelonderdeel klaagt dat het hof in rov. 6.5 heeft miskend dat de burgerlijke rechter zich niet behoort te begeven in een interpretatie en beoordeling van geloofskwesties, maar de (oprechte) interpretatie die de betrokken gelovigen daaraan geven, tot uitgangspunt behoort te nemen. Subsidiair klaagt het middelonderdeel dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de stellingname van de SGP: zij heeft er geen misverstand over laten bestaan dat haar vrouwenstandpunt' voluit Schriftuurlijk is. Dit wil zeggen dat hetvrouwenstandpunt’ uitdrukking geeft aan een diep gewortelde en Bijbels gefundeerde geloofsovertuiging, gegrond op een eeuwenlang gevolgde specifieke exegese van Bijbelteksten binnen de gereformeerde traditie. In dit verband acht de SGP van belang dat ook de Staat haar standpunt zo heeft begrepen(19).

3.26. Het door de SGP aangehaalde beginsel van `interpretatieve terughoudendheid’ van de rechter ten opzichte van godsdienstige vraagstukken heeft erkenning gevonden in de rechtspraak. In HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201, werd naar aanleiding van een beroep op de vrijheid van godsdienst in het nationale recht overwogen:
“(…) dat toch de beginselen van volkomen vrijheid van geloof en gelijkheid voor den Staat van alle godsdienstige gezindten, welke te onzent gelden (…) meebrengen, dat de burgerlijke rechter geen partij mag kiezen in op het terrein dier gezindten rijzende geschillen omtrent geloof en belijdenis en met name ook niet, al behoort de beslissing over prejudiciële geschilpunten in het algemeen tot zijn taak, zijn uitspraak omtrent enig rechtspunt afhankelijk mag stellen van zijn oordeel met betrekking tot theologische leerstellingen, omtrent welker juistheid, onjuistheid of gewicht aldaar verdeeldheid bestaat”.

Een ruime opvatting bergt in zich het risico dat in een voorkomend geval een beroep op de vrijheid van godsdienst wordt gedaan hoewel in redelijkheid kan worden betwist of er wel sprake is van een serieuze uitoefening van de vrijheid van godsdienst(20). Dat risico is in deze zaak niet aan de orde: de oprechtheid van het beroep dat de SGP (respectievelijk: de Staat in de hoofdzaak) heeft gedaan op de vrijheid van godsdienst, is door niemand in twijfel getrokken.

3.27. Daar waar het hof in rov. 6.5 overweegt dat de gedragingen van de SGP niet kunnen worden beschouwd als een rechtstreekse uitdrukking van de godsdienstige overtuiging van haar leden, acht ik de rechtsklacht gegrond. De bestreden overweging komt in strijd met de regel van interpretatieve terughoudendheid ten aanzien van de uitleg van godsdienstige verplichtingen. Een gegrondbevinding van deze klacht behoeft evenwel niet tot een vernietiging van het bestreden arrest te leiden: de SGP heeft uitsluitend belang bij deze klacht indien ook het volgende middelonderdeel slaagt, dat gericht is tegen de tweede grond waarop het oordeel van het hof berust. De bijkomende motiveringsklacht behoeft na het voorgaande geen afzonderlijke bespreking.

3.28. Onderdeel 4.3 is gericht tegen het oordeel, in rov. 6.6, dat de gestelde inbreuk op het grondrecht van godsdienst niet de kern, maar de buitenste schil van dit grondrecht raakt. Volgens de klacht is dit onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat de stellingen van de SGP geen andere uitleg toelieten dan dat het `vrouwenstandpunt’ moet worden gezien als een rechtstreekse uiting van de geloofsovertuiging van haar leden. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat de essentie van de godsdienstvrijheid in het geding is, althans dat de inbreuk in kwestie onder het beschermingsbereik valt. De overweging dat de keuze van de SGP om vrouwen feitelijk van het passief kiesrecht uit te sluiten in ver verband staat met die geloofsovertuiging, is volgens de klacht niet te rijmen met de stellingen van de SGP.

3.29. Een klacht van deze strekking is door de Staat ingediend in de zaak 08/01354 (aldaar middel II, onderdelen 6.f en 6.g). De klacht van de SGP faalt om dezelfde redenen als die klacht van de Staat(21). Het hof heeft een juridisch onderscheid gemaakt tussen de kern (the very essence) van de vrijheid van godsdienst en de meer perifere aspecten van die vrijheid (de buitenste schil). Anders dan het middelonderdeel betoogt, is dit onderscheid niet onverenigbaar met de stelling van de SGP dat het vrouwenstandpunt' moet worden gezien als een rechtstreekse uiting van de geloofsovertuiging van haar leden. Het oordeel dat de vrijheid van godsdienst van de SGP en haar leden in de buitenste schil is geraakt, zoals door het hof toegelicht in rov. 6.6, is niet onbegrijpelijk. Aannemend dat hetvrouwenstandpunt’ is terug te voeren op een diepgewortelde geloofsovertuiging, die gebaseerd is op een bepaalde uitleg van godsdienstige geschriften waarvan de juistheid niet aan de burgerlijke rechter ter beoordeling staat, blijft staan dat het voor de burgerlijke rechter mogelijk is, in de uitoefening van de vrijheid van godsdienst(-belijdenis) aspecten te onderscheiden, die zijn aan te merken als de kern of slechts als de buitenste schil van de vrijheid van godsdienst.

3.30. Onderdeel 4.4 klaagt, samengevat, dat het hof heeft miskend dat het begrip `kernrecht’ niet in de Grondwet, het EVRM of het IVBPR is aanvaard als een geldige reden tot beperking van een beschermd grondrecht, zoals de vrijheid van godsdienst. In ieder geval heeft het hof verzuimd aan de hand van de wettelijke/verdragsrechtelijke beperkingsclausules na te gaan of een beperking op de vrijheid van godsdienst van de SGP en haar leden is toegestaan.

3.31. Deze klacht mist feitelijke grondslag. In de omstandigheid dat de vrijheid van godsdienst slechts in de buitenste schil wordt aangetast heeft het hof, anders dan het middelonderdeel veronderstelt, niet een zelfstandige rechtsgrond gezien voor een beperking van de vrijheid van godsdienst van de SGP en haar leden. De door het hof aangenomen grondslag voor een eventuele beperking van de vrijheid van godsdienst, is de verplichting van de Staat tot bescherming van de rechten van vrouwen. Bij de bepaling van de margin of appreciation, die verdragsstaten hebben ten aanzien van een beperking, kan ermee rekening worden gehouden of de kern (the very essence) van het grondrecht wordt geraakt dan wel een meer perifeer aspect daarvan. Ook in het kader van de proportionaliteitstoets kan hiermee rekening worden gehouden. In reactie op de schriftelijke toelichting van de SGP(22): ik lees in het arrest niet een vooringenomenheid van het hof ten opzichte van het `vrouwenstandpunt’. Zie ik het goed, dan wordt het onderscheid tussen “kern” en “schil” door het hof gebruikt juist omdat het voor de rechter niet of nauwelijks te doen is, een inhoudelijke waardering te geven aan de godsdienstige of levensbeschouwelijke opvatting van anderen of aan de mate waarin deze godsdienst of levensbeschouwing doorwerkt in gedragsvoorschriften. Als de rechter zich terughoudend opstelt en de desbetreffende godsdienstige of levensbeschouwelijke opvatting neemt zoals zij is, valt de rechter terug op de vraag, of en in hoeverre elk van de in het geding beschikbare mogelijkheden ruimte laat tot behoud van ten minste de kern van het desbetreffende grondrecht, desnoods met opoffering van de buitenste schil.

3.32. Onderdeel 4.6 (onderdeel 4.5 bevat geen klacht) heeft betrekking op rov. 6.9 en rov. 6.18, waarin het hof het beroep op de vrijheid van vereniging behandelt. Het middelonderdeel omvat verscheidene rechtsklachten en daarmee verband houdende motiveringsklachten. Voor zover dit middelonderdeel voortbouwt op het vorige (kort gezegd: de kwestie “kern” of “schil”), faalt het om dezelfde reden en behoeft het geen afzonderlijke bespreking. Ook hiervoor geldt, dat de rechtsgrond voor een eventuele beperking van de vrijheid van vereniging van de SGP door het hof wordt gezien in de verplichting van de Staat tot bescherming van de rechten van vrouwen, voortvloeiend uit art. 7 Vrouwenverdrag.

3.33. Het hof heeft niet uit het oog verloren dat tot de essentie van de vrijheid van vereniging behoort, dat de overheid verenigingen vrij laat om hun organisatie naar eigen inzicht in te richten en dat voor een politieke partij de vrijheid van vereniging, als vrijheidsrecht ten opzichte van de overheid, van essentieel belang is. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – overwogen dat het erom gaat: (i) dat de leden van de SGP zich kunnen verenigen en organiseren op de grondslag die zij wensen en (ii) dat een politieke partij zoals de SGP zonder inmenging van overheidswege moet kunnen bepalen welke personen zij als haar afgevaardigden verkiesbaar stelt (rov. 6.8 – 6.9). In de toetsing van de belangenafweging heeft het hof meegewogen dat het hier gaat om één onderdeel van de vrijheid van vereniging (het opmaken van de kandidatenlijsten), en daarbinnen slechts om één aspect (het wel of niet openstellen van de kandidatenlijsten voor vrouwen). Volgens het hof belet het nemen van (door de Staat te bepalen) maatregelen tegen deze discriminatie van vrouwen de SGP niet om voor het overige de partij en haar activiteiten te organiseren overeenkomstig haar ideologische grondslag. Het gevorderde overheidsoptreden heeft niet tot gevolg dat de overheid (mede) bepaalt hoe de SGP overigens de opstelling van haar kandidatenlijsten organiseert, welke individuele personen zij als kandidaat voordraagt, of welke opvattingen de afgevaardigden van de SGP binnen en buiten het parlement mogen uitdragen. Ook het belang van de democratische samenleving (de pluriformiteit) heeft het hof in zijn beoordeling betrokken, zij het met een andere uitkomst dan de SGP daaraan heeft willen verbinden (zie rov. 6.15 en 6.17). Al deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.34. Anders dan het middelonderdeel aan het slot veronderstelt, is het hof niet ontgaan dat de SGP een`beginselpartij’ wil zijn, die van haar leden eist dat zij de doelstelling en grondslag van de partij (inclusief het Program van Beginselen) onderschrijven. De motiveringsklachten behoeven na het voorgaande geen afzonderlijke bespreking.

3.35. Onderdeel 4.8 (onderdeel 4.7 bevat geen klacht) heeft betrekking op het beroep op de vrijheid van meningsuiting, dat het hof heeft behandeld in rov. 6.10 – 6.12. Het hof kwam tot de slotsom dat de vrijheid van meningsuiting niet in het geding is. Volgens het middelonderdeel geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting, althans berust dit oordeel op een onbegrijpelijke lezing door het hof van de gedingstukken. Een overheidsoptreden, zoals door de belangenorganisaties gevorderd, kan volgens het middelonderdeel bezwaarlijk anders worden opgevat dan als een serieuze beperking van de vrijheid van meningsuiting van de SGP en haar leden. In dit verband acht het middelonderdeel van belang dat het hof voorbij gaat aan de politieke context: de mogelijkheid om een mening te uiten in verenigingsverband, in het bijzonder in het verband van een politieke partij, is een vrijheidsrecht ten opzichte van de overheid.

3.36. Er bestaat inderdaad een samenhang tussen de vrijheid van vereniging van een politieke partij en de vrijheid van meningsuiting. Het recht van vereniging wordt soms beschouwd als een instrument met behulp waarvan de vrijheid van meningsuiting kan worden uitgeoefend. Dit geldt te meer voor politieke partijen, die burgers de mogelijkheid bieden hun mening in georganiseerd verband naar voren te brengen in de algemeen vertegenwoordigende organen of anderszins een (eventueel van het overheidstandpunt of van de meerderheidsopinie afwijkende) politieke mening onder de aandacht van het publiek te brengen. Het hof is hieraan niet voorbijgegaan. Het hof heeft uiteengezet dat de vrijheid van meningsuiting niet zal worden aangetast wanneer de SGP door maatregelen van overheidswege wordt genoodzaakt haar kandidatenlijsten in beginsel open te stellen voor vrouwen, op gelijke voet met mannen. In dat geval kan de SGP binnen en buiten het parlement haar mening (doen) uitdragen, met inbegrip van het `vrouwenstandpunt’. Deze redenering is niet in strijd met de gedachte dat de vrijheid van meningsuiting wordt gediend door de vrijheid van vereniging. De redengeving is niet onbegrijpelijk.

3.37. Vervolgens wordt geklaagd dat de redengeving in de context onbegrijpelijk is. Zo wijst het middel op het feit dat de SGP een beginselpartij is, die op levensbeschouwelijke grondslag is gestoeld, en op het feit dat het `vrouwenstandpunt’ in haar Program van Beginselen is opgenomen. In het licht hiervan noemt het middel het onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat de omstandigheid dat de SGP zich niet in alle opzichten naar haar overtuiging zou kunnen gedragen, haar niet belet om haar overtuiging uit te dragen: het hof verliest hier uit het oog dat een politieke partij, die een voor haar zo belangrijke mening verkondigt zonder zelf daarnaar te kunnen handelen, in de politieke realiteit iedere geloofwaardigheid zal missen en daardoor geen zinvolle bijdrage meer zal kunnen leveren aan het publieke debat.

3.38. De klacht dat veronachtzaming hiervan door het hof blijk geeft van een gebrek aan realiteitszin, wat daarvan zij, is niet een grond voor cassatie (zie art. 79 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie). Voor het overige is de waardering van deze stelling van de SGP voorbehouden aan de feitenrechter, zodat zij in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Van een innerlijke tegenstrijdigheid of onaanvaardbare onduidelijkheid in de gedachtegang van het hof, zoals het middelonderdeel besluit, is geen sprake. In de redenering van het hof op dit punt, die aansluit bij een argument van de belangenorganisaties, kan een politieke partij die een bepaalde mening uitdraagt en anderen van de juistheid van die mening wil overtuigen, zich houden aan de geldende rechtsregels (met betrekking tot de gelijke toegang van mannen en vrouwen tot de kandidatenlijst) en tegelijkertijd pleiten voor een verandering van die regels in de toekomst, zonder daarmee inconsequent te zijn.

3.39. Onderdeel 4.9 bevat een motiveringsklacht die betrekking heeft op rov. 6.11. Het hof bespreekt daar de stelling van de SGP, dat het vrouwenstandpunt' binnen de SGP zo principieel wordt opgevat dat, indien de overheid haar zou dwingen vrouwen toe te laten tot de lijst van kandidaten, de partij zichzelf zal opheffen. Het hof heeft deze stelling niet beslissend geacht. De redengeving houdt in, dat de vordering van de belangenorganisaties niet is gericht op een ontmanteling van de SGP noch de SGP belet hetvrouwenstandpunt’ binnen en buiten de volksvertegenwoordiging te blijven uitdragen. Indien de partij zou besluiten zichzelf op te heffen, zou dat berusten op een eigen keuze en niet omdat zij door de overheid tot opheffing gedwongen wordt. Als tweede grond voor dit oordeel vermeldt het hof dat de stelling dat de partij zichzelf zal opheffen, onvoldoende is onderbouwd. In dit verband heeft het hof gewezen op de discussie binnen de gelederen van de SGP over het `vrouwenstandpunt’ en op de verschuiving van de partijopvatting zoals deze blijkt uit de statutenwijziging in juni 2006. Deze dubbele motivering voldoet aan de daaraan te stellen eisen, zodat de klacht faalt.

3.40. Verder klaagt het middelonderdeel dat het hof een ontoelaatbare onduidelijkheid laat bestaan over de gevolgen, die een eventuele zelfopheffing van de SGP zou kunnen hebben voor de pluriformiteit. Deze klacht, in wezen een motiveringsklacht, faalt omdat het hof een begrijpelijke weerlegging van deze stelling heeft gegeven. Het hof heeft zich niet begeven in een voorspelling van de gevolgen wanneer de inbreng van de SGP in het politieke debat zou wegvallen. Dat lijkt mij juist: het zou een delicate beslissing hebben gevergd over de vraag of de rol, die de SGP als `beginselpartij’ momenteel vervult in het politieke debat, kan worden overgenomen door een of meer andere politieke partijen. Het niet verder uitwerken van de mogelijke gevolgen van een eventuele zelfopheffing van de SGP maakt de beslissing over de vordering van de belangenorganisaties nog niet onbegrijpelijk voor de lezer.

De belangenafweging

3.41. Onderdeel 5 richt een aantal klachten tegen de belangenafweging in rov. 6.13 – 6.19, welke erin heeft geresulteerd dat “het belang bij handhaving van het discriminatieverbod het zwaarst moet wegen”. De onderdelen 5.1, 5.3, 5.5, 5.7 en 5.9 bevatten geen klacht. Onderdeel 5.2 is gericht tegen rov. 5.15 en bouwt slechts voort op de klachten van middelonderdeel 3. Dit behoeft hier niet een afzonderlijke bespreking.

3.42. Onderdeel 5.4 is gericht tegen het bijkomende argument, in rov. 6.16, dat het verbod van discriminatie van vrouwen in art. 7, aanhef en onder a en c, Vrouwenverdrag zodanig is geformuleerd dat de verdragsstaten daarop geen beperking mogen aanbrengen, anders bij de verdragsbepalingen tot bescherming van de vrijheden van godsdienst, van vereniging en van meningsuiting waarin wel beperkingsclausules zijn opgenomen. De rechtsklacht houdt in dat het hof hier miskent dat er tussen de diverse grondrechten geen hiërarchie bestaat, althans dat in de Grondwet en de genoemde verdragen voor zo’n hiërarchie geen grondslag te vinden is. Volgens het middelonderdeel is het hof eraan voorbij gegaan dat, in een geval van conflicterende grondrechten, een belangenafweging door de wetgever moet plaatsvinden. Bij de toetsing van de rechtmatigheid van die afweging behoort ook de rechter hiermee rekening te houden.

3.43. In de hoofdzaak heb ik afstand genomen van deze overweging van het hof(23). Ook al is in art. 7 Vrouwenverdrag geen beperkingsclausule opgenomen, terwijl dit wel het geval is in de bepalingen over de vrijheden van godsdienst, vereniging en meningsuiting, dan wil dit niet zeggen dat het door art. 7, aanhef en onder a en c, Vrouwenverdrag beschermde recht van vrouwen geen afweging toelaat met de beschermde vrijheden van anderen. De rechtsklacht is in zoverre gegrond. De SGP mist evenwel belang bij haar klachten over rov. 6.16, omdat het hof toch(24) is overgegaan tot een toetsing van de (volgens het middelonderdeel vereiste) afweging van belangen die de Staat stelde te hebben gemaakt. Met andere woorden: de in dit middelonderdeel beweerde fout van het hof heeft geen voor de SGP nadelige gevolgen gehad.

3.44. Onderdeel 5.6 is gericht tegen rov. 6.17. Het onderdeel klaagt dat het hof zich ten onrechte heeft gefixeerd op de handhaving van het gelijkheidsbeginsel en de noodzakelijke balans tussen dat beginsel en anderzijds het vrijheidsbeginsel, en de daaruit voortvloeiende politieke vrijheden volledig uit het oog heeft verloren. In ieder geval heeft het hof het belang van de pluriformiteit miskend, dat door deze politieke vrijheidsrechten wordt gewaarborgd. Het hof heeft de essentiële rol die politieke partijen spelen bij het verzekeren van de pluriformiteit en het goede functioneren van de democratie gemist, aldus de klacht.

3.45. De eerste klacht mist feitelijke grondslag. Blijkens rov. 6.13, heeft het hof de afweging getoetst van enerzijds “het belang bij handhaving van het discriminatieverbod door de Staat” en anderzijds “de belangen die door de aangevoerde grondrechten worden beschermd”. Het beginsel van de politieke vrijheid, waarmee het middelonderdeel kennelijk doelt op de vrijheid van een politieke partij en haar leden om een van de regering of van het meerderheidsstandpunt afwijkend standpunt in te nemen, komen in de redenering van het hof tot uitdrukking in de vrijheid van meningsuiting en in de vrijheid van vereniging. De vrijheid van vereniging van een politieke partij kan tevens worden beschouwd als een instrument ter verwezenlijking van de vrijheid van meningsuiting (en in dit geval de vrijheid van godsdienst).

3.46. De tweede klacht mist feitelijke grondslag, in zoverre dat het hof in rov. 6.18 uitdrukkelijk heeft overwogen dat het belang van een pluriforme samenleving niet in gevaar komt. Hieruit volgt dat het hof het aspect van de pluriformiteit in de afweging heeft betrokken. Het hof heeft aandacht besteed aan de essentiële rol die politieke partijen in het democratische bestel vervullen (zie rov. 6.17), maar daaraan een andere consequentie verbonden dan de SGP in dit geding heeft gedaan.

3.47. Onderdeel 5.8 is gericht tegen rov. 6.18. Voor zover dit middelonderdeel voortbouwt op de eerdere klachten, behoeft het geen afzonderlijke bespreking. Voor het overige houdt de klacht in dat het hof ten onrechte voorbijgaat aan het belang van de politieke context waarbinnen de SGP functioneert, welke context met zich brengt dat de diverse politieke vrijheidsrechten en de vrijheid van godsdienst in hun samenhang moeten worden beoordeeld: deze vrijheden fungeren als waarborg voor de pluriformiteit die nodig is (voor het debat) in een democratische samenleving. In dat licht valt de constatering in rov. 6.18, dat de pluriformiteit niet in gevaar komt, volgens de klacht niet zonder meer te begrijpen.

3.48. De samenhang tussen de door de SGP ingeroepen grondrechten kwam reeds aan de orde in alinea 3.34. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat er een spanning is tussen de toepassing van art. 7 Vrouwenverdrag en de wenselijkheid van pluriformiteit in het politieke en maatschappelijke debat: zonder een uitwisseling van uiteenlopende ideeën en af en toe een hevig oplaaien van tegenstrijdige meningen kan het politieke en maatschappelijke debat niet bloeien. Van een partij die op godsdienstige gronden geen vrouwen wil voordragen als kandidaat voor algemeen vertegenwoordigende organen, kan worden gezegd dat zij bijdraagt aan de pluriformiteit. In de conclusie in de hoofdzaak schreef ik al dat het antwoord samenhangt met de invalshoek, van waaruit de beoordelaar aankijkt tegen de in art. 7 onder c Vrouwenverdrag neergelegde verplichting. Wordt de handhaving van dit discriminatieverbod beschouwd als één van de vele in een democratische samenleving te beschermen belangen, dan is een open afweging mogelijk van deze verdragsverplichting tegenover andere door de Staat te beschermen belangen. Wordt het verbod van discriminatie van vrouwen bij het opstellen van de kandidatenlijsten daarentegen opgevat als een basisvoorwaarde om als politieke partij te mogen deelnemen aan verkiezingen van algemeen vertegenwoordigende organen – m.a.w. als een van de spelregels van het democratische verkiezingsproces – dan is de ruimte voor het gedogen van discriminatie van vrouwen door een politieke partij nagenoeg nihil. In (de laatste zin van) rov. 6.17 lijkt het hof de laatstgenoemde invalshoek te hebben gekozen. Hoe dan ook, de redengeving van het hof is niet onbegrijpelijk. Het hof is van oordeel dat, ook indien de Staat maatregelen neemt als door art. 7, onder a en c, Vrouwenverdrag gevorderd, de pluriformiteit van het politieke en maatschappelijke debat niet in gevaar komt, omdat voor de SGP en haar leden nog voldoende andere mogelijkheden overblijven om haar ideeën, met inbegrip van het `vrouwenstandpunt’, uit te dragen (rov. 6.18 in verbinding met rov. 6.9 en 6.11). De klacht faalt.

3.49. Onderdeel 5.10, gericht tegen de slotsom in rov. 6.19, vormt grotendeels een samenvatting van de voorgaande klachten. Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte zijn eigen belangenafweging in de plaats heeft gesteld van de belangenafweging door de wetgever, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft de rechtmatigheid getoetst van de door de Staat beweerdelijk gemaakte belangenafweging(25). Ten slotte bevat dit onderdeel de klacht dat de slotsom in rov. 6.19 ontoelaatbaar onduidelijk is, omdat het hof niet helder maakt welke maatregelen de Staat specifiek tegen deze discriminatie van vrouwen door de SGP moet nemen. Het middelonderdeel acht de slotsom bovendien in tegenspraak met andere overwegingen in het arrest, die erop neerkomen dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten zou gaan indien hij de Staat zou veroordelen om specifieke maatregelen te nemen.

3.50. In de redenering van het hof handelt de Staat onrechtmatig jegens de vrouwen voor wier belangen de belangenorganisaties opkomen en jegens de belangenorganisaties, door niet te voldoen aan art. 7, aanhef en onder a en c, Vrouwenverdrag: de Staat mag deze discriminatie van vrouwen niet gedogen. Zodra de Staat wel actie onderneemt, is hij in de redenering van het hof vrij in de keuze van passende maatregelen. Deze slotsom in rov. 6.19 is niet in tegenspraak met hetgeen het hof eerder in zijn arrest heeft overwogen. Het hof is van oordeel dat het de Staat niet kan gelasten specifieke maatregelen te nemen (aldus uitdrukkelijk rov. 7.5). Dit verklaart waarom het hof niet aangeeft welke maatregelen de Staat moet nemen: dat is een politieke keuze. De slotsom is dat ook dit onderdeel faalt.

3.51. Onderdeel 6 is gericht tegen de bekrachtiging van de door de rechtbank uitgesproken verklaring voor recht in het dictum. De klacht bouwt voort op onderdeel 1 en deelt in het lot daarvan. Het standpunt van de SGP dat een verklaring voor recht in dit geval niet mogelijk was, omdat niet is voldaan aan de eis van onmiddellijke betrokkenheid van de belangenorganisaties bij een rechtsverhouding als bedoeld in art. 3:302 BW, kan worden verworpen op gronden als vermeld in mijn conclusie in de hoofdzaak(26).

3.52. De slotsom is dat, indien de SGP niet kan delen in het slagen van een cassatiemiddel van de Staat, de beslissing over de proceskosten ten laste van de SGP in stand kan blijven.

4) Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel

4.1. Het incidenteel cassatiemiddel van de belangenorganisaties is gelijkluidend aan hun incidenteel cassatiemiddel in de hoofdzaak. Het faalt op de gronden zoals vermeld in mijn conclusie in de hoofdzaak en behoeft hier niet een afzonderlijke bespreking.

5) Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de SGP in haar cassatieberoep voor zover haar klachten niet identiek zijn aan de klachten van de Staat in de zaak 08/01354, tot verwerping van het principaal cassatieberoep voor het overige en tevens tot verwerping van het incidenteel cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,

advocaat-generaal

1 NJ 2005, 473; LJN: AU2088.
2 NJ 2008, 133, LJN: BC0619.
3 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein en Wesseling-van Gent, 2009, nr. 221.
4 Zie over voeging en tussenkomst in het algemeen: Stein/Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2007, blz. 183; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2009, nr. 100; Snijders/Ynzonides/Meijer, Ne

Rechters

advocaat-generaal mr. F.F. Langemeijer

Instantie: Hoge Raad, 27 november 2009

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting

De advocaat-generaal van de Hoge Raad adviseert de positieve beslissing van het gerechtshof Den Haag in stand te laten. Het Hof oordeelde dat de Staat in strijd handelt met het VN-Vrouwenverdrag door geen maatregelen te treffen tegen de situatie dat vrouwelijke partijleden van de SGP geen stemrecht hebben en geen politieke functies kunnen bekleden.

Volledige tekst

In dit geding staat de vraag centraal of de Staat onrechtmatig handelt door niet de maatregelen te nemen, welke art. 7, aanhef en onder a en c, van het Vrouwenverdrag en andere in aanmerking komende rechtsregels van hem vergen in relatie tot het zgn.`vrouwenstandpunt’ van de SGP. Aldus gaat het om meer dan de vraag of de subsidiëring van de SGP op grond van de Wet subsidiëring politieke partijen mag worden voortgezet. Over die laatste kwestie heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan, waarop hierna nog uitgebreid zal worden teruggekomen.

Na een beschrijving van de feiten en het procesverloop (1) zullen in deze conclusie achtereenvolgens aan de orde komen:

  • de toepasselijke regelgeving, in het bijzonder art. 7 Vrouwenverdrag (2)
  • de ontvankelijkheid van de belangenorganisaties in hun collectieve vordering (3)
  • handelt de Staat – in beginsel – in strijd met art. 7 Vrouwenverdrag? (4)
  • zo ja, wordt deze schending gerechtvaardigd door de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen? (5)
  • ten slotte zal het incidenteel cassatiemiddel worden besproken (6).

1) De feiten en het procesverloop

1.1. De Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) is een politieke partij die in 1918 is opgericht. Zij is sinds 1922 vertegenwoordigd in de Staten-Generaal, thans met 2 (van de 150) zetels in de Tweede Kamer(1). Blijkens art. 2 van haar statuten gaat de SGP uit van het absoluut gezag van Gods Woord(2) over alle terreinen van het leven, daaronder begrepen het staatkundige en maatschappelijke leven. Dit is nader uitgewerkt in haar Program van Beginselen.

1.2. Van dat Program van Beginselen zijn met name van belang de artikelen 7 en 10:
“7. Gods Woord leert dat man en vrouw krachtens de scheppingsorde een eigen specifieke, van elkaar onderscheiden roeping en plaats hebben ontvangen. In deze orde is de man het hoofd van de vrouw. Maatregelen ter erkenning van de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen worden positief beoordeeld. Elk emancipatiestreven dat de van God gegeven roeping en plaats van mannen en vrouwen miskent, is revolutionair en moet krachtig worden bestreden.”

“10. De opvatting van het vrouwenkiesrecht voortkomend uit een revolutionair emancipatiestreven, strijdt met de roeping van de vrouw. Dit laatste geldt ook voor het zitting nemen van de vrouw in politieke organen, zowel vertegenwoordigende als bestuurlijke. De vrouw zij in haar eigen consciëntie overtuigd of zij haar stem kan uitbrengen met inachtneming van de haar door God gegeven plaats.”

De hierin neergelegde opvatting pleegt te worden aangeduid als het vrouwenstandpunt' van de SGP. Van de zijde van de SGP en de Staat is een en andermaal benadrukt dat hetvrouwenstandpunt’ niet inhoudt dat vrouwen niet gelijkwaardig zouden zijn aan mannen. In de woorden van het Tweede Kamerlid Van der Vlies (SGP), bij de behandeling van het voorstel van wet tot goedkeuring van het Vrouwenverdrag(3):
“Man en vrouw zijn beiden door God geschapen, mensen, niet gelijk, als schepsel gelijkwaardig. Ongerechtvaardigd onderscheid mag inderdaad niet worden gemaakt. Kernvraag in elke discussie over gelijke behandeling en discriminatie is wat ongerechtvaardigd is en wat niet. Welke norm dient daarbij? Wij vinden die norm in de Heilige Schrift. Die geldt ons allen.”

1.3. Volgens art. 3 van de statuten is het streven van de SGP erop gericht dat Gods Woord als norm wordt aanvaard voor het politieke en maatschappelijke leven. De partij tracht dit doel met name te bereiken door met een op deze grondslag gebaseerd verkiezingsprogram deel te nemen aan de verkiezingen voor de Staten-Generaal, Provinciale Staten en gemeenteraden. Volgens het derde lid van art. 3 van de statuten is het streven niet zozeer gericht op (het achter zich krijgen van) een meerderheid van de kiezers, als wel op de handhaving en doorwerking van de door de partij beleden beginselen. De SGP wordt daarom ook wel aangeduid als een `beginselpartij’.

1.4. Tegen het `vrouwenstandpunt’ van de SGP is stelling genomen in verscheidene procedures(4). Tot 1997 was in de statuten van de SGP geen specifieke regeling op dit punt getroffen. In 1997 is in de statuten van de SGP opgenomen dat vrouwen buitengewoon lid van de partij konden worden, niet gewoon lid(5). Als gevolg hiervan konden vrouwen binnen de partij geen bestuursfuncties vervullen en hadden zij geen stemrecht; ook konden vrouwen niet door de partij kandidaat worden gesteld voor een zetel in een van de algemeen vertegenwoordigende organen(6). In 2001 heeft de Committee on the Elimination of Discrimination against Women (CEDAW) de weigering van de SGP om vrouwen toe te laten tot het gewoon lidmaatschap van de partij aangemerkt als een discriminatie van vrouwen in strijd met art. 7 Vrouwenverdrag(7).

1.5. De belangenorganisaties, thans gedaagden in het principaal cassatieberoep, hebben onderscheidenlijk tot doel: het bestrijden van discriminatie van vrouwen (Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichmann); de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van de mens (Nederlands Juristencomité voor de mensenrechten); het opkomen voor mensenrechten en een actief Nederlands mensenrechtenbeleid (Stichting Humanistisch Overleg Mensenrechten); het streven naar gelijke vertegenwoordiging in alle organisaties op maatschappelijk, politiek en sociaal-economisch terrein (Nederlandse Vereniging voor Vrouwenbelangen, Vrouwenarbeid en gelijk Staatsburgerschap) en het steunen en stimuleren van vrouwen die een verantwoordelijke positie innemen bij de overheid of in de politiek (Vereniging Vrouwennetwerk Nederland).

1.6. De belangenorganisaties hebben kritiek geuit op de Nederlandse regering omdat deze gedoogt (“het laat gebeuren”) dat de SGP vrouwen discrimineert door hen niet toe te laten tot het gewoon lidmaatschap van de partij. De belangenorganisaties hebben, bij brief van 5 juni 2003 aan de ministers van Sociale Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Buitenlandse Zaken en Justitie, de Staat verzocht een einde te maken aan deze onrechtmatige situatie. Bij brief van 23 september 2003 is hen geantwoord dat de Staat van mening is niet onrechtmatig te handelen en het verzoek tot het nemen van maatregelen niet zal inwilligen.

1.7. Op 13 november 2003 hebben de belangenorganisaties tezamen met enkele andere organisaties(8) de Staat gedagvaard voor de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Zij hebben gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de Staat handelt in strijd met art. 7 van het Vrouwenverdrag(9), met art. 25 en art. 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), met art. 3 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met art. 14 EVRM, met art. 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, met art. 1 en/of art. 4 Grondwet en/of met een andere regel van geschreven of ongeschreven recht, en voor recht zal verklaren dat de Staat daarmee onrechtmatig handelt jegens de belangenorganisaties en de personen voor wier belangen zij opkomen. Tevens hebben de belangenorganisaties gevorderd dat de rechtbank de Staat zal verbieden deze onrechtmatige situatie te laten voortbestaan en de Staat zal veroordelen om maatregelen te nemen die ertoe leiden dat deze onrechtmatige situatie definitief wordt beëindigd.

1.8. Aan hun vordering hebben de belangenorganisaties ten grondslag gelegd dat de Staat op grond van genoemde bepalingen verplicht is te voorkomen dat een politieke partij vrouwen uitsluit van het (gewoon) lidmaatschap van die partij, althans verplicht is aan die toestand een einde te maken. De Staat moet wettelijke of andere maatregelen nemen die ertoe leiden dat vrouwen volwaardig lid kunnen worden van elke politieke partij en gekozen kunnen worden ter afvaardiging naar algemeen vertegenwoordigende organen. Ook moet de Staat volgens hen maatregelen nemen waardoor politieke partijen die vrouwen uitsluiten van het volwaardig lidmaatschap niet langer van overheidswege worden gesteund, bijvoorbeeld door toekenning van subsidie of van zendtijd(10).

1.9. De Staat heeft tot zijn verdediging primair aangevoerd dat de belangenorganisaties niet in hun vordering kunnen worden ontvangen omdat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een collectieve actie (art. 3:305a BW). Inhoudelijk heeft de Staat bestreden dat hij onrechtmatig handelt jegens de belangenorganisaties of degenen van wie zij de belangen behartigen. Hun belang is door de Staat afgewogen – en mag zijns inziens worden afgewogen – tegen het algemeen belang, in het bijzonder het belang van de pluriformiteit van het debat in de volksvertegenwoordiging, en tegen de fundamentele rechten en vrijheden van de SGP en haar leden. Deze afweging heeft ertoe geleid dat de Staat zich terughoudend opstelt, nu het gaat om het ingrijpen van de overheid ten opzichte van een politieke partij. Daarom zal de Staat de door de belangenorganisaties gevorderde maatregelen niet nemen. Volgens de Staat kon hij in redelijkheid tot dit besluit komen.

1.10. Bij vonnis van 7 september 2005(11) heeft de rechtbank deze vijf belangenorganisaties in hun vordering ontvankelijk geacht (rov. 3.1 – 3.11 Rb). De rechtbank beschouwde art. 7, aanhef en onder a en c, Vrouwenverdrag als een rechtstreeks in de Nederlandse rechtsorde toe te passen bepaling. De belangenorganisaties kunnen de Staat aanspreken op de grond dat hij zijn verplichtingen uit dit verdragsartikel niet nakomt (rov. 3.14 – 3.17 Rb). In navolging van de belangenorganisaties leidde de rechtbank uit de verdragsgeschiedenis af dat in art. 7, onder c, Vrouwenverdrag een afweging van belangen in abstracto besloten ligt. Het gevolg daarvan is, dat het verbod van discriminatie van vrouwen steeds prevaleert boven de vrijheid van vereniging voor zover het betreft het lidmaatschap van een politieke partij. Omdat de SGP een politieke partij is en als zodanig onder art. 7, onder c, Vrouwenverdrag valt, dient de Staat actief op te treden tegen deze discriminatie van vrouwen. Geen ander grondrecht noopt de Staat tot een terughoudende opstelling. De door de Staat aangevoerde omstandigheid, dat vrouwen die van hun passief kiesrecht gebruik willen maken de mogelijkheid hebben zelf een politieke partij op te richten, vormde voor de rechtbank onvoldoende rechtvaardiging (rov. 3.18 – 3.26 Rb). De overige verdragsbepalingen waarop de belangenorganisaties zich hebben beroepen liet de rechtbank onbesproken: niet is gebleken dat die tot verder gaande verplichtingen voor de Staat leiden dan hetgeen reeds voortvloeit uit art. 7 Vrouwenverdrag (rov. 3.35 Rb).

1.11. De rechtbank verwierp ook het standpunt van de Staat dat de in Nederland reeds bestaande strafbepalingen en andere wettelijke instrumenten tegen discriminatie voldoende zijn om te voldoen aan art. 7 Vrouwenverdrag. De rechtbank nam in aanmerking dat het kiesrecht in Nederland zo is ingericht, dat de uitoefening van het passief kiesrecht in ver gaande mate wordt bepaald door de interne procedure van de politieke partijen met betrekking tot de kandidaatstelling. Volgens de rechtbank heeft de Staat geen passende maatregelen genomen tegen deze discriminatie van vrouwen binnen de SGP. Integendeel, de Staat faciliteert deze partij door middel van subsidiëring op grond van de Wet subsidiëring politieke partijen (Wspp) (rov. 3.27 – 3.34 Rb). De rechtbank achtte op deze gronden de gevorderde verklaring voor recht vatbaar voor toewijzing (rov. 3.36 Rb).

1.12. Een rechterlijk bevel aan de Staat om nieuwe wetgeving tot stand te brengen of bestaande wetten aan te passen achtte de rechtbank niet mogelijk op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad (rov. 3.37 – 3.39 Rb). Een bevel tot het intrekken van zendtijd voor de SGP achtte de rechtbank evenmin toewijsbaar (rov. 3.43 Rb). Wel achtte de rechtbank het mogelijk, de Staat te gelasten bij toekomstige beslissingen over subsidieaanvragen van de SGP artikel 2 lid 1 Wspp(12) buiten toepassing te laten als onverenigbaar met art. 7 Vrouwenverdrag zolang de SGP aan vrouwen het (gewoon) lidmaatschap van de partij weigert (rov. 3.42 Rb).

1.13. Op deze gronden heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de Staat in strijd handelt met art. 7, onder a en c, Vrouwenverdrag en daarmee onrechtmatig handelt jegens de belangenorganisaties en de personen voor wier belangen zij in rechte opkomen. De rechtbank heeft de Staat bevolen bij toekomstige subsidiebeslissingen ingevolge de Wspp artikel 2 van die wet jegens de SGP buiten toepassing te laten wegens strijd met art. 7 van het Vrouwenverdrag zolang vrouwen niet op gelijke voet met mannen lid kunnen worden van die partij.

1.14. In een vonnis van dezelfde datum heeft de rechtbank uitspraak gedaan op een vordering die de belangenorganisaties rechtstreeks tegen de SGP hadden ingesteld. In die procedure was gevorderd dat de SGP het lidmaatschap van vrouwen op gelijke voet met dat van mannen mogelijk zal maken. De rechtbank heeft de belangenorganisaties in die vordering niet-ontvankelijk verklaard(13).

1.15. De Staat heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage. De belangenorganisaties hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij tussenarrest van 16 februari 2006 heeft het hof de SGP toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van de Staat.

1.16. Tijdens de procedure in hoger beroep heeft een verandering in de feiten plaatsgevonden. Op 21 april 2006 is een notitie “Man en vrouw schiep Hij hen” gepresenteerd; het bestuur van de SGP had in 2003 opdracht gegeven tot vervaardiging daarvan(14). Mede naar aanleiding van die notitie heeft de algemene ledenvergadering van de SGP op 24 juni 2006 besloten de statuten van de partij zodanig te wijzigen dat daarin geen rechtstreeks onderscheid meer wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen. Sinds deze statutenwijziging kunnen vrouwen op gelijke voet met mannen (gewoon) lid worden van de SGP. Zij hebben stemrecht in de algemene ledenvergadering en zij kunnen binnen de partij bestuursfuncties vervullen.

1.17. De reden voor deze statutenwijziging was niet dat de SGP het `vrouwenstandpunt’ had verlaten, maar slechts dat het volwaardig functioneren van vrouwen binnen de vereniging daarmee niet langer onverenigbaar werd geacht. Gehandhaafd is, dat vrouwen zich niet verkiesbaar kunnen stellen voor algemeen vertegenwoordigende organen. Slechts personen die de grondslag en doelstelling van de SGP onderschrijven, daaronder begrepen het Program van Beginselen, kunnen lid worden van de partij(15). In de visie van de SGP zijn de leden van de partij juridisch gebonden aan het Program van Beginselen en aan de daaruit voortvloeiende opvatting dat aan vrouwen het regeerambt en het passief kiesrecht in de algemeen vertegenwoordigende organen niet toekomt.

1.18. Terwijl de procedure in hoger beroep nog liep, moest de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een beslissing nemen over een verzoek van de SGP c.s. om toekenning van subsidie op grond van de Wspp voor het jaar 2006. Bij besluit van 20 december 2005 heeft de minister de subsidieaanvraag afgewezen onder verwijzing naar het – tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – vonnis van 7 september 2005. Het bestuursrechtelijke beroep van de SGP c.s. tegen dit besluit is door de rechtbank te ‘s-Gravenhage op 30 november 2006 ongegrond verklaard(16). Tegen die laatste beslissing heeft de SGP hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft op 5 december 2007 de beslissing van de rechtbank van 30 november 2006 vernietigd(17). De Afdeling concludeerde dat artikel 7, aanhef en onder a en c, van het Vrouwenverdrag niet noopt tot het buiten toepassing laten van de Wspp en dat de minister gehouden was aan de SGP voor het jaar 2006 subsidie te verstrekken (rov. 2.15 ABRvS). De minister van BZK heeft naar aanleiding van deze uitspraak laten weten aan de SGP weer subsidie te zullen toekennen(18).

1.19. Bij arrest van 20 december 2007(19) heeft het gerechtshof het vonnis van 7 september 2005 bekrachtigd, behalve voor zover de rechtbank in dat vonnis de Staat had bevolen bij subsidiebeslissingen ingevolge de Wspp artikel 2 van die wet buiten toepassing te laten jegens de SGP zolang vrouwen niet op gelijke voet met mannen lid kunnen worden van die partij. Alleen voor dat gedeelte heeft het hof de beslissing van de rechtbank vernietigd en de vordering alsnog afgewezen.

1.20. De motivering van het arrest laat zich samenvatten als volgt. Het hof acht deze vijf belangenorganisaties ontvankelijk in hun collectieve vordering (rov. 3.1 – 3.5). Het hof is van oordeel dat art. 7, aanhef en onder a en c, Vrouwenverdrag rechtstreeks werking heeft in de Nederlandse rechtsorde (rov. 4.1 – 4.7). Vervolgens heeft het hof zich de vraag gesteld of de Staat, door geen maatregelen tegen deze discriminatie van vrouwen door de SGP te nemen, inbreuk maakt op de rechten van vrouwen welke voortvloeien uit art. 7 Vrouwenverdrag, respectievelijk uit de andere verdragsbepalingen waarop de belangenorganisaties een beroep hadden gedaan.

1.21. Het hof stelt vast dat de SGP ten aanzien van de uitoefening van het passief kiesrecht onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen en dat voor dit onderscheid geen objectieve rechtvaardiging bestaat. Zulk onderscheid is in beginsel verboden op grond van art. 1 Grondwet, art. 7, aanhef en onder a en c, Vrouwenverdrag, art. 25 en 26 IVBPR(20) en art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM. Anders dan de Staat had betoogd, zijn de in Nederland bestaande wettelijke instrumenten tegen discriminatie van vrouwen niet aan te merken als voldoende `passende maatregelen’ in de zin van art. 7 Vrouwenverdrag. Het argument van de Staat, dat vrouwen die zich verkiesbaar hebben gesteld door de Staat op gelijke voet met mannen worden behandeld, neemt volgens het hof niet weg dat de SGP in de daaraan voorafgaande fase een belemmering opwerpt voor de verkiesbaarheid van vrouwen en dat de Staat daartegen niet optreedt. Het hof voelt zich in deze opvatting gesterkt door de aanbeveling van de CEDAW(21). Weliswaar had deze aanbeveling nog betrekking op de periode waarin vrouwen geen (gewoon) lid van de SGP konden worden, maar, mede gelet op General Comment 23 (1997) van de CEDAW(22), lijdt volgens het hof geen twijfel dat óók van een inbreuk op art. 7, aanhef en onder a en c, Vrouwenverdrag sprake is in het geval dat vrouwen – na de laatste statutenwijziging – wel gewoon lid van de SGP kunnen worden, maar zich niet voor deze partij verkiesbaar kunnen stellen voor een algemeen vertegenwoordigend orgaan (rov. 5.1 t/m 5.11).

1.22. Vervolgens behandelt het hof de vraag of de schending van art. 7 Vrouwenverdrag wordt gerechtvaardigd door de noodzaak, de grondrechten van anderen te respecteren. In dit geval komen in aanmerking: de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting van de SGP en haar leden. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat het verbod van discriminatie van vrouwen niet steeds prevaleert boven de vrijheid van vereniging, zelfs niet als het om een politieke partij gaat. Volgens het hof laat artikel 7 wel ruimte voor een afweging van de betrokken belangen (rov. 6.2 – 6.3). Het hof vervolgt:

-met betrekking tot de vrijheid van godsdienst is het hof van oordeel dat het belemmeren door een politieke partij van de uitoefening van het passief kiesrecht van vrouwen, hoezeer die belemmering voortkomt uit een oprechte geloofsovertuiging, niet door het grondrecht van godsdienstvrijheid wordt beschermd (rov. 6.5). Ten overvloede: aangenomen dat die belemmering wel door de vrijheid van godsdienst wordt beschermd, raakt de inbreuk op de vrijheid van godsdienst niet de kern van dit grondrecht, maar slechts de buitenste schil ervan (rov. 6.6 – 6.7).

-met betrekking tot de vrijheid van vereniging heeft het hof overwogen dat dit recht op slechts één onderdeel van de ideologische grondslag van de SGP in het geding is, namelijk het `vrouwenstandpunt’. Indien de leden van de SGP zouden worden gedwongen alleen op dit ene onderdeel van hun overtuiging af te wijken, kunnen zij zich blijven organiseren op basis van de overige onderdelen van hun ideologische grondslag. De SGP mag zonder inmenging van overheidswege bepalen welke personen zij als haar afgevaardigden verkiesbaar stelt: de gevorderde inmenging gaat immers niet verder dan dat de SGP wordt belet op voorhand alle vrouwen buiten te sluiten bij het opmaken van de kandidatenlijsten. Verder wordt de SGP niet gehinderd in de bepaling hoe zij de samenstelling van haar kandidatenlijsten organiseert en welke politieke standpunten haar afgevaardigden mogen uitdragen (rov. 6.9).

-met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting van de SGP en haar leden is het hof van oordeel dat deze niet in het geding is. Een maatregel als gevorderd belet de SGP en haar aanhangers immers niet het vrouwenstandpunt' binnen en buiten het parlement te blijven verkondigen. Zo'n maatregel belet de SGP slechts zich bij het opmaken van de kandidatenlijsten overeenkomstig haarvrouwenstandpunt’ te gedragen. Het hof wijst in dit verband op de discussie binnen de SGP over dit onderwerp (rov. 6.10 – 6.12).

1.23. In rov. 6.13 neemt het hof veronderstellenderwijs – met de Staat – tot uitgangspunt dat de Staat beleidsvrijheid heeft in de wijze waarop hij uitvoering geeft aan art. 7 Vrouwenverdrag. Het hof heeft onderzocht of de Staat in redelijkheid tot zijn oordeel kon komen, dat de grondrechten van de SGP en haar leden zwaarder wegen dan de noodzaak tot handhaving van het verbod van discriminatie van vrouwen. Omdat de Staat onvoldoende heeft aangegeven hoe de wetgever de afweging van de wederzijdse belangen heeft verricht en welke factoren daarbij een rol hebben gespeeld, zag het hof zich genoodzaakt in belangrijke mate zélf deze afweging te formuleren, om te kunnen toetsen of de Staat in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat alle mogelijk te nemen passende maatregelen (om een einde te maken aan deze discriminatie van vrouwen) bij voorbaat een te grote inbreuk op de grondrechten van de SGP en haar leden opleveren (rov. 6.14).

1.24. Het hof overweegt dat het verbod van discriminatie van vrouwen in de kern wordt geraakt door de handelwijze van de SGP. Vrouwen die lid zijn van de SGP worden belemmerd in de uitoefening van een van hun meest fundamentele politieke rechten, te weten het passief kiesrecht (rov. 6.15). Het hof voegt hieraan toe:
“Het hof hecht voorts groot belang aan de omstandigheid dat het vrouwenstandpunt van de SGP tot gevolg heeft dat de discriminatie van vrouwen zich niet afspeelt in private verhoudingen maar zich manifesteert en zijn uitwerking heeft in de kern van ons democratisch bestel, namelijk bij de verkiezingen voor gemeenteraad, provinciale staten en parlement. Anders dan bijvoorbeeld een gezelligheidsvereniging of sportclub, vervullen politieke partijen een essentiële rol in de democratie. Zij hebben een centrale rol in het kiesstelsel. Het is in Nederland immers niet mogelijk om verkozen te worden in een vertegenwoordigend lichaam zonder eerst kandidaat te zijn gesteld door een politieke partij. De democratische rechtsstaat wordt op fundamentele wijze aangetast indien zijn vertegenwoordigende organen – ook al is het maar voor een deel – tot stand zijn gekomen op een wijze waarbij een essentieel grondrecht, het verbod op discriminatie van vrouwen, wordt geschonden.” (rov. 6.17)

1.25. Daartegenover staat volgens het hof, dat de vrijheid van godsdienst van de SGP en haar leden slechts in de buitenste schil wordt geraakt, dat de vrijheid van vereniging slechts op één onderdeel wordt geraakt, terwijl op de vrijheid van meningsuiting helemaal geen inbreuk wordt gemaakt. Het hof komt tot de slotsom dat de handhaving van het discriminatieverbod het zwaarst moet wegen (rov. 6.18 – 6.19).

1.26. Tot slot heeft het hof ten aanzien van elk onderdeel van de vordering afzonderlijk getoetst of het kan worden toegewezen. Het Vrouwenverdrag en het IVBPR laten de vaststelling van de wijze waarop de daarin omschreven doelen moeten worden bereikt, over aan de verdragsstaten. Daarom kan aan deze verdragen geen argument worden ontleend om de Staat te veroordelen tot het nemen van bepaalde maatregelen: de keuze van de te nemen maatregelen is aan de Staat. Bovendien is daarvoor ook wetgeving nodig: de rechtbank heeft terecht beslist dat de nationale rechter niet bevoegd is de Staat te gelasten wetgeving tot stand te brengen. Om deze redenen moet worden volstaan met de gevorderde verklaring voor recht en kan het gevorderde bevel niet worden gegeven (rov. 7.1 – 7.5). Anders dan de rechtbank, acht het hof een bevel om bij toekomstige subsidieaanvragen art. 2 Wspp buiten toepassing te laten niet toewijsbaar (rov. 7.7 – 7.15).

1.27. Namens de Staat is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De belangenorganisaties hebben geconcludeerd tot verwerping van dat beroep en hebben van hun kant incidenteel cassatieberoep ingesteld. Nadat de Staat daarop had geantwoord hebben beide partijen hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna de belangenorganisaties hebben gedupliceerd.

1.28. De SGP heeft zelfstandig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Met betrekking tot dat cassatieberoep, bij de Hoge Raad in behandeling onder rolnr. 08/01394, wordt vandaag eveneens conclusie genomen, waarvan een afschrift aan deze conclusie zal worden gehecht.

2) De toepasselijke regelgeving, in het bijzonder art. 7 Vrouwenverdrag

Algemeen

2.1. In het in 1966 onder auspiciën van de Verenigde Naties tot stand gekomen IVBPR zijn grondrechten van burgers vastgelegd. In art. 2 lid 1 IVBPR heeft elke verdragsstaat zich verbonden om de in dit verdrag erkende rechten te eerbiedigen en deze te verzekeren aan een ieder die binnen zijn grondgebied verblijft en aan zijn rechtsmacht is onderworpen, zonder onderscheid van welke aard ook, zoals ras, huidskleur, geslacht en andere. In het tweede lid van art. 2 verbinden de verdragsstaten zich om alle wettelijke of andere maatregelen te nemen die nodig zijn om de in het IVBPR erkende rechten tot gelding te brengen, voor zover daarin niet reeds is voorzien door bestaande wettelijke regelingen of anderszins. Het IVBPR kent geen `hiërarchie van grondrechten’. Dit wil zeggen dat indien de uitoefening van het ene grondrecht in botsing komt met de uitoefening van het andere, niet op voorhand gegeven is welk van beide grondrechten voorgaat.

2.2. Art. 25 IVBPR regelt het recht op politieke participatie. Deze bepaling houdt in dat elke burger het recht heeft en in de gelegenheid behoort te worden gesteld om, zonder onderscheid als bedoeld in artikel 2 en zonder onredelijke beperkingen,
– deel te nemen aan de behandeling van openbare aangelegenheden, rechtstreeks of door middel van vrijelijk gekozen vertegenwoordigers;
– te stemmen en gekozen te worden (…);
– op algemene voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land(23).

2.3. Art. 26 IVBPR omvat het recht op gelijke behandeling: allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder onderscheid aanspraak op gelijke bescherming door de wet. De wet verbiedt discriminatie van welke aard ook en garandeert eenieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, waaronder discriminatie op grond van geslacht. Ingevolge art. 3 IVBPR verbinden de verdragsstaten zich het gelijke recht van mannen en vrouwen op het genot van alle in dit verdrag genoemde burgerrechten en politieke rechten te verzekeren. Zie ook het desbetreffende General Comment(24). Onder 31 vermelden deze aanbevelingen onder meer politieke activiteiten:
“States parties should review their legislation and practices and take the lead in implementing all measures necessary to eliminate discrimination against women in all fields, for example by prohibiting discrimination by private actors in areas such as employment, education, political activities and the provision of accommodation, goods and services”.

2.4. De rechten zoals beschermd in de artikelen 25 en 26 IVBPR hebben in de Nederlandse rechtsorde rechtstreeks werking in de (verticale) rechtsverhouding tussen burgers en de overheid(25). Ten aanzien van art. 26 IVBPR is ook rechtstreekse werking aangenomen in de (horizontale) rechtsverhouding tussen burgers onderling(26).

2.5. Na het algemene IVBPR is onder auspiciën van de Verenigde Naties een reeks verdragen tot stand gekomen waarin grondrechten, met inbegrip van het beginsel van gelijke behandeling, zijn uitgewerkt voor bepaalde doelgroepen. Zo is op 18 december 1979 te New York het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (in de wandeling: het Vrouwenverdrag) tot stand gebracht(27). Nederland heeft dit verdrag geratificeerd op 23 juli 1991, zonder daarbij enig voorbehoud te maken(28). Deel I van het verdrag bevat algemene bepalingen. Deel II geeft nadere regels voor burgerrechten en politieke rechten, deel III geeft nadere regels voor sociale rechten. De materiële bepalingen geven, onder meer, een nadere uitwerking van het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van discriminatie van vrouwen zoals neergelegd in art. 25 en 26 IVBPR(29). Een op 6 oktober 1999 tot stand gekomen Facultatief Protocol voorziet in een klachtenprocedure. Klachten worden behandeld door de CEDAW, die in deel V van het Vrouwenverdrag al een aantal taken toebedeeld had gekregen(30).

2.6. Art. 1 Vrouwenverdrag omschrijft discriminatie van vrouwen als:
“elke vorm van onderscheid, uitsluiting of beperking op grond van geslacht, die tot gevolg of tot doel heeft de erkenning, het genot of de uitoefening door vrouwen van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel gebied, op het terrein van de burgerrechten of welk ander gebied dan ook, ongeacht hun huwelijkse staat, op de grondslag van gelijkheid van mannen en vrouwen aan te tasten of teniet te doen”.

In art. 2 verplichten de verdragsstaten zich om onverwijld, met alle passende middelen, een beleid te volgen dat gericht is op uitbanning van discriminatie van vrouwen. Dit beleid omvat onder meer het treffen van passende wettelijke en andere maatregelen, met inbegrip van sancties waar nodig, waarin alle discriminatie van vrouwen wordt verboden (art. 2 onder b); het nemen van alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen door personen, organisaties of ondernemingen uit te bannen (art. 2 onder e). De termijn waarbinnen deze maatregelen het beoogde resultaat moeten hebben, is in het verdrag niet gepreciseerd en zal derhalve met inachtneming van de redelijkheid moeten worden bepaald. Wel zal onverwijld met het beleid een aanvang moeten worden gemaakt(31). Art. 24 herhaalt dat de verdragsstaten verplicht zijn op nationaal niveau alle maatregelen te nemen die nodig zijn om te komen tot een volledige verwezenlijking van de in dit verdrag erkende rechten.

2.7. Deel II van het verdrag geeft voorschriften met betrekking tot de politieke rechten van vrouwen. Artikel 7 luidt in de Nederlandse vertaling:
“De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, nemen alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven van het land uit te bannen, en verzekeren vrouwen in het bijzonder het recht om op gelijke voet met mannen:
(a) hun stem uit te brengen bij alle verkiezingen en volksstemmingen, en verkiesbaar te zijn in alle openbaar gekozen lichamen;
(b) deel te nemen aan de vaststelling van het overheidsbeleid en aan de uitvoering hiervan, alsook openbare ambten te bekleden en alle openbare functies op alle overheidsniveaus te vervullen;
(c) deel te nemen aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land.”(32)

In het debat in de feitelijke instanties was de aandacht aanvankelijk alleen gericht op art. 7 onder c. Sinds de statutenwijziging, waarna vrouwen gewoon lid van de SGP kunnen worden, maar zich nog steeds niet voor de SGP kandidaat kunnen stellen voor algemeen vertegenwoordigende organen, is de aandacht verschoven naar de combinatie van het bepaalde onder c en het bepaalde onder a omtrent het passief kiesrecht(33).

2.8. Uit de verdragsgeschiedenis (travaux préparatoires(34)) is voor dit geschil van belang dat de Canadese delegatie aan de aanvankelijk voorgestelde bepaling in art. 7 onder c de zinsnede liet toevoegen: “concerned with the public and political life of the country”. Zij wilde met behulp van deze toevoeging voorkomen dat de bepaling onder c ook van toepassing zou zijn op “private social clubs organized on a single-sex basis”(35). In dit geding hebben de belangenorganisaties uit deze verdragsgeschiedenis, a contrario, afgeleid dat in art. 7, onder c, een belangenafweging op voorhand besloten ligt: ten aanzien van verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land, waaronder begrepen politieke partijen, zou het verbod van discriminatie van vrouwen steeds prevaleren boven de vrijheid van vereniging. Ten aanzien van andere verenigingen (bijv. het herenhockeyteam of de herensociëteit) zou er ruimte zijn om de vrijheid van vereniging te laten prevaleren boven het discriminatieverbod. Of die opvatting juist is, komt hierna aan de orde.

2.9. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het Vrouwenverdrag is de betekenis van art. 7 Vrouwenverdrag aan de orde gesteld. De memorie van toelichting vermeldt dat dit verdragsartikel tot doel heeft discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven uit te bannen. Het bepaalde onder a gaat over het actief en passief kiesrecht. Volgens de regering kunnen vrouwen in Nederland van dit recht nu al gebruik maken. Over het bepaalde in art. 7 onder c vermeldt de toelichting dat dit de Staat verplicht, aan vrouwen het recht te verzekeren op gelijke voet met mannen deel te nemen aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land. De toelichting noemt als voorbeeld: de politieke partijen(36).

2.10. Tijdens de parlementaire behandeling heeft de SGP bedenkingen aangevoerd met betrekking tot de reikwijdte van de verplichtingen die uit het Vrouwenverdrag voortvloeien(37). Reeds in de toelichting op het oorspronkelijke regeringsontwerp had de regering naar aanleiding van art. 2 Vrouwenverdrag opgemerkt dat een spanningsveld kan ontstaan tussen het nondiscriminatiebeginsel en andere grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van vereniging en vergadering en de vrijheid van onderwijs. De regering meende dat het Vrouwenverdrag de verdragsstaten ruimte laat voor een eigen afweging van belangen. De Raad van State merkte in zijn advies over het regeringsontwerp op, dat hiermee een zwakke stee van het verdrag werd blootgelegd. Het Vrouwenverdrag zelf bevat immers geen bepalingen omtrent de afbakening van de werking van het nondiscriminatiebeginsel ten opzichte van andere grondrechten en in andere V.N.-verdragen verzekerde rechten en vrijheden. Die afbakening zal derhalve door iedere verdragsstaat voor zich moeten worden verricht(38).

2.11. In het kader van de artikelsgewijze behandeling hebben verscheidene politieke partijen vragen gesteld over de betekenis van art. 7, aanhef en onder c, voor de door de Staat te nemen maatregelen. De regering antwoordde:
“(…) Dit artikel moet gezien worden in samenhang met andere verdragsbepalingen over onder meer de vrijheid van vereniging en vergadering (artikel 21 en 22 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten). Bij het stellen van (algemene) wettelijke regels ter zake is met betrekking tot in het bijzonder politieke partijen terughoudendheid geboden, omdat daarbij naast de vrijheid van vereniging en vergadering ook de vrijheid van meningsuiting en staatkundige rechten op het spel staan. Deze democratische vrijheden en rechten behoren eveneens tot de grondslagen van onze rechtsorde.
Ondergetekenden achten het in antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de C.D.A.-fractie in het licht van het bovenstaande niet nodig om een voorbehoud met betrekking tot dit onderdeel van artikel 7 te maken.”(39)

Het standpunt dat het niet nodig was een voorbehoud te maken, werd later in het debat herhaald(40). Ook bij de parlementaire behandeling van het voorstel van wet voor de Algemene wet gelijke behandeling is de vraag naar voren gekomen, hoe de norm van gelijke behandeling zich verhoudt tot het onderscheid dat gemaakt wordt in het bijzonder onderwijs en bij (politieke) activiteiten op confessionele grondslag(41).

2.12. In de Nota n.a.v. het eindverslag lichtte de regering haar standpunt nader toe:
“In de memorie van antwoord hebben wij reeds tot uitdrukking gebracht dat de betekenis van artikel 7 onder (c) moet worden gezien in samenhang met andere verdragsbepalingen over onder meer de vrijheid van vereniging en vergadering (artikel 21 en 22 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten; artikel 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden). Om die reden achten wij bij het stellen van (algemene) wettelijke regels ter zake terughoudendheid geboden met betrekking tot in het bijzonder politieke partijen omdat de aan deze organisaties toekomende democratische rechten en vrijheden (de vrijheid van vereniging en vergadering, de vrijheid van meningsuiting en andere staatkundige rechten) behoren tot de grondslagen van onze rechtsorde. Zo is blijkens de hierboven genoemde verdragsbepalingen een beperking van de vrijheid van vereniging en vergadering slechts toelaatbaar als deze bij wet is voorgeschreven en in een democratische samenleving geboden en noodzakelijk is in het belang van – in casu – de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Een dergelijke noodzaak tot ingrijpen door de wetgever achten wij gegeven het fundamentele belang van genoemde rechtsregel thans niet aanwezig.”

Verderop in dezelfde nota ging de regering in op de bezwaren van de SGP. Zij stelde dat aan het bepaalde in art. 7 onder c kan worden voldaan zonder dat daarvoor een specifieke wetswijziging nodig is. De nota vervolgt:
“(…) De leden van de S.G.P.-fractie wierpen nog de vraag op of deelname aan het openbare en politieke leven gelijkgesteld kan worden aan deelname aan de activiteiten van een bepaalde partij of vereniging die zich op dat gebied begeeft. Wij menen dat uit de bewoordingen van artikel 7 (c) volgt dat de Verdragsstaten niet alleen aan vrouwen de deelname aan het openbare en politieke leven in het algemeen moeten verzekeren maar ook de deelname aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op dit gebied. Dat er – zoals wij eerder uiteenzetten – reden tot terughoudendheid kan zijn of zulks in de Nederlandse situatie moet meebrengen dat de wetgever expliciete voorschriften ter zake gaat geven betekent evenwel niet dat aan de bepaling reeds zou worden voldaan indien bepaalde partijen of verenigingen vrouwen toelaten respectievelijk indien het aan vrouwen vrij staat zelf organisaties en verenigingen op het bewuste gebied op te richten. Een dergelijke uitleg lijkt ons niet verenigbaar met doel en strekking van het Verdrag.”(42)

2.13. Tijdens de mondelinge behandeling werd door de minister hierover nog gezegd:

“Ik kom dan op artikel 7. Het is begrijpelijk dat dit de aandacht heeft gehad van een aantal politieke partijen. Dit artikel draagt de staten immers op, alle passende maatregelen te nemen om vrouwen in het bijzonder het recht te verzekeren, op gelijke voet met mannen deel te nemen aan niet overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van openbaar en politiek leven van het land. Deze bepaling moet dus worden gelezen in samenhang met het grondrecht van vereniging en vergadering. Dit grondrecht beschermt onder meer politieke partijen.
Politieke partijen hebben een kernfunctie binnen ons politiek en democratisch stelsel. Zij kanaliseren in belangrijke mate de politieke meningsvorming en wilsvorming van de kiezer. Daarbij past dus een terughoudende opstelling van de wetgever. Een noodzaak tot ingrijpen van de wetgever achten wij daarom thans niet aanwezig. (…) De heer Schutte stond uitdrukkelijk op het standpunt, dat politieke partijen op dat punt vrijgelaten moeten worden, omdat immers niemand gedwongen wordt lid te zijn van een partij. Ik vind toch dat dit argument te veel afdoet aan het feit, dat het uitsluiten van een categorie personen van het lidmaatschap van of een functie binnen een partij op grond van het geslacht toch als een niet te rechtvaardigen onderscheid zou moeten worden aangemerkt. Ik vind zijn redenering dus iets te gemakkelijk. (…) Nogmaals, uitsluiting van vrouwen van politieke partijen of bepaalde functies daarbinnen staat wèl op gespannen voet met het verdrag, maar wegens de bijzondere positie van de politieke partijen acht de regering ingrijpen van de wetgever thans niet noodzakelijk.”(43)

Aanbeveling CEDAW

2.14. De verdragsstaten zijn op grond van art. 18 Vrouwenverdrag verplicht periodiek verslag uit te brengen aan de V.N. over de wetgevende, rechterlijke, bestuurlijke of andere maatregelen die zij hebben genomen ter uitvoering van het verdrag. Daaraan vooraf gaat een nationale rapportage aan de Tweede Kamer, welke gebaseerd is op art. 3 van de goedkeuringswet. Het aan de V.N. uitgebrachte verslag wordt in handen gesteld van de CEDAW. Dit Comité bestaat uit deskundigen op het terrein dat door het Vrouwenverdrag wordt bestreken. Zij worden gekozen door de verdragsstaten (art. 17 Vrouwenverdrag). De CEDAW kan, in een concreet geval of in het algemeen, aanbevelingen doen. Haar aanbevelingen zijn niet bindend voor de verdragsstaten, noch voor de rechter, maar zij worden wel beschouwd als zwaarwegend bij de besluitvorming(44).

2.15. De CEDAW heeft in 1997 Algemene aanbevelingen (nr. 23) gepubliceerd over de uitleg van art. 7 Vrouwenverdrag. Het voert te ver, deze hier geheel te herhalen. In deze aanbevelingen erkent het comité dat dit verdragsartikel niet rechtstreeks verplichtingen kan opleggen aan private organisaties. De CEDAW wijst op de samenhang met andere verdragsbepalingen en op de preambule van het Vrouwenverdrag. Uit deze preambule blijkt iets van de doelstelling van het discriminatieverbod:
“(…) dat discriminatie van vrouwen schending van de beginselen van gelijkgerechtigheid en eerbied voor de menselijke waardigheid is, de deelneming van vrouwen op gelijke voet met mannen aan het politieke, sociale, economische en culturele leven van hun land in de weg staat, de toename van de welvaart van de maatschappij en het gezin belemmert en de volledige ontplooiing van de mogelijkheden van vrouwen bij het dienen van hun land en van de mensheid ernstig bemoeilijkt”.

2.16. Voor wat betreft het soort maatregelen dat de CEDAW in haar Algemene aanbevelingen (nr. 23) voor ogen staat, is het nuttig te kijken naar haar bevindingen naar aanleiding van de ingediende landenrapporten (onder 32 – 34). Regeringen dienen politieke partijen aan te moedigen om na te gaan, in hoeverre vrouwen al op gelijke voet met mannen deelnemen aan hun activiteiten, waar dit nog niet het geval is, de reden te onderzoeken. Politieke partijen moeten worden aangemoedigd om doeltreffende maatregelen te nemen, waaronder het verschaffen van informatie, financiële en andere middelen teneinde belemmeringen weg te nemen die vrouwen verhinderen om volledig deel te nemen en vertegenwoordigd te zijn, en teneinde te verzekeren dat vrouwen in de praktijk gelijke kansen hebben om actief te zijn als partijfunctionarissen en voorgedragen te worden als verkiezingskandidaten (punt 32). De CEDAW constateert dat in sommige landen politieke organisaties zijn overgegaan tot het nemen van positief-discriminerende maatregelen, zoals voorkeursplaatsen voor vrouwen en quota (punt 33)(45). In andere landen rust op politieke organisaties de verplichting, te tonen dat zij zich statutair hebben verplicht tot het beginsel van gelijkheid van de geslachten, de toepassing van die regels en de samenstelling van het lidmaatschap met een evenwichtige vertegenwoordiging op grond van geslacht in hun besturen. Zij bieden vrouwen tevens een kader voor scholing in politieke vaardigheden, deelname en leiderschap (punt 34).

2.17. Van de concrete aanbevelingen die de CEDAW hieraan verbindt, zijn voor dit geding van belang:
aanbeveling 42:
“De Staten die partij zijn bij het Verdrag zijn verplicht alle passende maatregelen te treffen, met inbegrip van het uitvaardigen van passende wetgeving in overeenstemming met hun grondwet om te verzekeren dat organisaties zoals politieke partijen en vakverenigingen, die niet rechtstreeks onderworpen zijn aan de verplichtingen van het Verdrag, vrouwen niet discrimineren en de beginselen vervat in de artikelen 7 en 8 eerbiedigen.”

en aanbeveling 47:
“Met betrekking tot artikel 7, letter c, houden dergelijke maatregelen onder meer in die waarmee wordt beoogd:
a. te verzekeren dat doeltreffende wetgeving wordt uitgevaardigd die discriminatie van vrouwen verbiedt;
b. niet-overheidsorganisaties en openbare en politieke verenigingen aan te moedigen strategieën aan te nemen die de vertegenwoordiging van vrouwen in en de deelname van vrouwen aan hun werk aanmoedigen.”(46)

2.18. Ten behoeve van de (door art. 3 van de goedkeuringswet voorgeschreven) nationale rapportage aan de Tweede Kamer over de uitvoering van het Vrouwenverdrag heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een onderzoeksopdracht gegeven aan de commissie-Groenman. Deze heeft de weigering van de SGP om vrouwen toe te laten tot het gewoon lidmaatschap van de partij ter sprake gebracht. De commissie-Groenman achtte deze uitsluiting van vrouwen in strijd met art. 7 van het Vrouwenverdrag. Zij drong aan op een wettelijk verbod. Tevens verzocht de commissie de Rijksoverheid een actief beleid te voeren om aan deze discriminatie van vrouwen een einde te maken, bijvoorbeeld via een vordering tot ontbinding van de partij of via het onthouden van subsidie(47).

2.19. Bij brief van 11 februari 1998 aan de Tweede Kamer, heeft de minister van OCW hierop gereageerd als volgt:
“De vraag of artikel 7 van het Vrouwenverdrag de lidstaten verplicht om aan organisaties met een publieke functie – in casu concentreerde het debat zich op politieke partijen – een verbod op te leggen om bij de toelating tot het lidmaatschap, bij de selectie voor bestuursfuncties of bij de keuze van kandidaten voor openbare verkiezingen onderscheid te maken op grond van geslacht, is uitvoerig aan de orde geweest bij de parlementaire behandeling van de goedkeuringswet voor het Verdrag, in de Tweede Kamer zowel schriftelijk als in het plenaire TK-debat van juni/juli 1990, in de Eerste Kamer schriftelijk. Het regeringsstandpunt werd nog eens samengevat in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer. Kort gezegd komt het erop neer dat de Nederlandse wetgever meent dat artikel 7 van het Vrouwenverdrag met zich brengt dat de overheid moet verzekeren dat individuele vrouwen toegang hebben tot (onder meer) de politieke partij van hun keuze, maar dat zij een beleidsvrijheid heeft bij het vormgeven aan deze verdragsverplichting. De regering ziet diverse redenen tot grote terughoudendheid met het geven van nieuwe wettelijke voorschriften. In de eerste plaats zijn hier uiteenlopende grondrechten en fundamentele rechten en vrijheden in het geding, waarvan de onderlinge verhouding zeer zorgvuldige afweging behoeft. In de tweede plaats dient acht te worden geslagen op het beleid met betrekking tot artikel 20 boek 2 BW. Op grond van dit artikel kan een rechtspersoon, waarvan de werkzaamheden of het doel in strijd zijn met de openbare orde, op vordering van het Openbaar Ministerie verboden worden verklaard en ontbonden. Van deze mogelijkheid wordt – voor zover het gaat om politieke partijen – bij de bestrijding van discriminatie pas gebruik gemaakt indien de discriminatie of het aanzetten daartoe zodanige vormen aannemen dat er sprake is van stelselmatige, zeer ernstige verstoring van het democratische proces. In de derde plaats krijgt handhaving van bestaande voorschriften tegen discriminatie reeds bijzondere aandacht. Zo wordt in het op 28 oktober 1997 bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakte voorstel voor een Wet subsidiëring politieke partijen voorzien in een regeling die politieke partijen, die op grond van de anti-discriminatiebepalingen in het Wetboek van Strafrecht (de artikelen 137c, d, e, f, of g, en artikel 429quater) worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete, voor een nader bepaalde periode van rechtswege hun aanspraken op subsidie en zendtijd ontneemt. Per saldo meent de regering dat met de huidige Nederlandse wetgeving wordt voldaan aan de verplichtingen op grond van artikel 7 van het Vrouwenverdrag.”(48)

2.20. De discussie op het nationale niveau heeft de aandacht van de CEDAW getrokken. Naar aanleiding van de Nederlandse voortgangsrapportage heeft de CEDAW geconstateerd:

“219. The Committee notes with concern that, in the Netherlands, there is a political party represented in the Parliament that excludes women from membership, which is a violation of article 7 of the Convention.
220. The Committee recommends that the State party take urgent measures to address this situation, including through the adoption of legislation that brings the membership of political parties into conformity with its obligations under article 7.”(49)

2.21. In reactie hierop heeft de staatssecretaris van SZW bij brief van 1 oktober 2001 het eerder door de minister van OCW ingenomen standpunt herhaald. De staatssecretaris kwam tot de slotsom:
“Ondanks de conclusie van het Comité meent de regering dat met de huidige Nederlandse wetgeving wordt voldaan aan de verplichtingen op grond van artikel 7 van het VN-Vrouwenverdrag.”(50)

2.22. Thans kunnen vrouwen wel gewoon lid van de SGP worden. Het hof veronderstelt in het bestreden arrest dat het standpunt van de CEDAW meebrengt dat óók sprake is van strijd met art. 7 Vrouwenverdrag in de situatie waarin vrouwen zich in feite niet voor die partij verkiesbaar kunnen stellen voor een algemeen vertegenwoordigend orgaan (rov. 5.10 slot).

Doorwerking van art. 7 Vrouwenverdrag in de nationale rechtsorde

2.23. Verdragen worden gesloten tussen staten. In Nederland hebben bepalingen van verdragen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt (art. 93 Grondwet)(51). Bij een ieder verbindende bepalingen gaat het om normen die rechtstreeks rechten en/of verplichtingen van burgers inhouden, zonder dat daarvoor nog nationale wetgeving nodig is. Nationale wettelijke voorschriften – het gaat in dit geding voornamelijk om art. 2 Wspp – vinden geen toepassing indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen (art. 94 Grondwet). Met betrekking tot het criterium voor rechtstreekse werking van verdragsbepalingen wijzen beide partijen op de maatstaf uit HR 30 mei 1986, NJ 1986, 688 m.nt. PAS, waarin de Hoge Raad met betrekking tot art. 6 lid 4 Europees Sociaal Handvest overwoog:
“(…) Of de verdragsluitende Staten al dan niet hebben beoogd aan art. 6 lid 4 ESH directe werking toe te kennen, is niet van belang nu noch uit de tekst noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Verdrag valt af te leiden dat zij zijn overeengekomen dat art. 6 lid 4 die werking niet mag worden toegekend. Bij deze stand van zaken is naar Nederlands recht enkel de inhoud van de bepaling zelf beslissend: verplicht deze de Nederlandse wetgever tot het treffen van een nationale regeling met bepaalde inhoud of strekking, of is deze van dien aard dat de bepaling in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht kan functioneren?” (rov. 3.2).

In een recente kabinetsnotitie is een iets andere formulering gebruikt:
“Of een bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie geldt als een ieder verbindend wordt (dus) in laatste instantie bepaald door de rechter. Een rechter zal dan moeten nagaan of een dergelijke bepaling kan worden tegengeworpen aan of worden ingeroepen door een justitiabele. Dit hangt af van de inhoud van de bepaling, in het bijzonder van de vraag of de bepaling (a) plichten oplegt, of rechten toekent aan justitiabelen alsmede (b) onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om door een rechter te worden toegepast. Bepalingen die bij hun uitvoering beleidsvrijheid laten aan staten, zijn derhalve niet een ieder verbindend.”(52)

Het in deze kabinetsnotitie onder b genoemde criterium (“onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om door de rechter te worden toegepast”) klinkt vertrouwd in de oren: men hoort hierin de rechtspraak van het HvJ EG over de rechtstreekse werking van niet of onvolledig in het nationale recht geïmplementeerde EG-richtlijnen(53).

2.24. Het gaat dus om de inhoud van de verdragsbepaling. Uitspraken over rechtstreekse werking van het Vrouwenverdrag in het algemeen, die niet zijn toegespitst op één bepaalde verdragsbepaling, zijn niet zinvol. Dit neemt niet weg dat argumenten voor rechtstreekse werking van een verdragsbepaling kunnen worden ontleend aan de systematiek van het verdrag. Tijdens de (internationale) onderhandelingen die vooraf gingen aan de totstandkoming van het Vrouwenverdrag is de vraag naar de rechtstreekse werking van artikel 7 in de nationale rechtsorde niet aan de orde geweest(54). In elk geval ontbreekt enige aanwijzing dat de verdragsluitende partijen hebben beoogd een rechtstreekse werking van artikel 7 uit te sluiten(55). Ten overvloede wordt nog geattendeerd op de regels in het Weens verdragenverdrag over de uitleg van verdragen(56).

2.25. In Nederland is de mogelijkheid van rechtstreekse werking van art. 7 aan de orde gesteld bij de parlementaire behandeling van het voorstel van wet tot goedkeuring van het Vrouwenverdrag. Met betrekking tot art. 7, onder a en b, legde de memorie van toelichting een verband met het IVBPR:
“Ondergetekenden willen volstaan met de opmerking, dat enkele verdragsbepalingen van het onderhavige verdrag rechten betreffen, die in andere verdragen worden beschermd door bepalingen, ten aanzien waarvan rechtstreekse werking mogelijk moet worden geacht. Dat is bij voorbeeld het geval met het recht op gelijke behandeling ten aanzien van het kiesrecht en het recht op benoembaarheid in de openbare dienst, vastgelegd in artikel 7 van het onderhavige verdrag (vergelijk het Internationaal Verdrag Burgerrechten en Politieke Rechten: artikel 2, eerste lid, en artikel 3 in verband met artikel 25; alsmede artikel 26).”(57)

In de memorie van antwoord werd herhaald:

“Voor wat betreft het recht op gelijke behandeling ten aanzien van het kiesrecht en het recht op benoembaarheid in de openbare dienst, vastgelegd in artikel 7 wordt rechtstreekse werking mogelijk geacht, omdat dit recht reeds is verankerd in bepalingen in andere verdragen, ten aanzien waarvan rechtstreekse werking door de rechter is aanvaard. Zulks brengt mee dat ten aanzien van de onderhavige verdragsvoorschriften niet langer een beroep op de mogelijkheid van geleidelijke verwezenlijking kan worden gedaan.”(58)

Deze passages hebben alleen betrekking op het bepaalde onder a en b in art. 7 Vrouwenverdrag. In de visie van de regering is de rechter degene, die uitmaakt of aan de bepaling onder c een rechtstreekse werking kan worden toegekend(59).

2.26. In art. 7 Vrouwenverdrag kunnen, voor zover hier van belang, twee (sub)regels worden onderscheiden, die in het vervolg van deze conclusie zullen worden aangeduid als:
Regel 1: De verdragsstaten nemen alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven van het land uit te bannen.
Regel 2: De verdragsstaten verzekeren aan vrouwen het recht om op gelijke voet met mannen
(onder a): hun stem uit te brengen bij alle verkiezingen en volksstemmingen, en verkiesbaar te zijn in alle openbaar gekozen lichamen,
(onder b, hier niet van belang)
(onder c): deel te nemen aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land.

2.27. Regel 1 behelst een opdracht aan de verdragsstaten. Het uiteindelijk te bereiken resultaat is daarin omschreven. Op het nationale niveau moet nog worden ingevuld welke (wettelijke of andere) maatregelen mogelijk en passend zijn.
Regel 2 is zodanig concreet geformuleerd, dat het mogelijk moet worden geacht – of het ook werkelijk zo is, is voorwerp van discussie – rechtstreekse werking van deze regel in de nationale rechtsorde aan te nemen: taalkundig, omdat het woord “verzekeren” is gebruikt, hetgeen duidt op een onvoorwaardelijk recht van vrouwen(60). Systematisch, omdat regel 2 kan worden beschouwd als een concrete uitwerking op een deelterrein van de algemene opdracht die regel 1 aan de verdragsstaten geeft. Dit laatste volgt ook uit het gebruik van de woorden “in het bijzonder” in artikel 7. Regel 2 kan dus worden beschouwd als een middel om het in regel 1 genoemde doel te bereiken, althans naderbij te brengen.

2.28. Een belangrijk steunargument kan worden gevonden in de samenhang van art. 7 Vrouwenverdrag met de door art. 25 en art. 26 IVBPR beschermde grondrechten. Ten aanzien daarvan is door de Nederlandse rechter rechtstreekse werking aangenomen in de (verticale) rechtsverhouding van de burger ten opzichte van de overheid(61). Het zou inconsequent zijn, aan het algemene grondrecht wel een rechtstreekse werking toe te kennen en aan de specifieke uitwerking daarvan in art. 7 Vrouwenverdrag niet(62).

2.29. De Afdeling Bestuursrechtspraak heeft in haar meergenoemde uitspraak van 5 december 2007 beslist dat (in de rechtsverhouding van burgers tot de Staat) het bepaalde in art. 7 Vrouwenverdrag, aanhef en onder a en b, vanaf het woord “verzekeren” behoort tot de `een ieder verbindende bepalingen’ in de zin van art. 93 en art. 94 Grondwet. Hetzelfde geldt volgens de Afdeling voor het bepaalde in art. 7, aanhef en onder c, voor zover dit strekt tot het waarborgen van een voor de uitoefening van het onder a bedoelde recht noodzakelijke toegang voor vrouwen op gelijke voet met mannen tot het lidmaatschap van politieke partijen en, via dat lidmaatschap, tot vertegenwoordigende functies (rov. 2.11 ABRvS).

2.30. Volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak brengt de verplichting van de Staat, te verzekeren dat vrouwen verkiesbaar zijn in alle openbaar gekozen lichamen en dat zij daartoe op gelijke voet met mannen kunnen deelnemen aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land, niet met zich mee dat de Staat verplicht is zonder enige nadere afweging van belangen maatregelen te nemen tegen een politieke partij die vrouwen discrimineert. Volgens de Afdeling laat het Vrouwenverdrag toe dat een verdragsstaat een afweging maakt van enerzijds de in art. 7, aanhef en onder a en c, beschermde rechten van vrouwen en anderzijds de rechten van derden en het algemeen belang bij een afdoende vertegenwoordiging van het gehele electoraat (rov. 2.13 – 2.13.3 ABRvS).

2.31. In het bestreden arrest heeft het hof aangenomen dat de Staat in beginsel gehouden is, maatregelen te nemen die daadwerkelijk ertoe leiden dat de SGP het passief kiesrecht aan vrouwen toekent. Dit in art. 7, onder a en c, van het Vrouwenverdrag beoogde resultaat is nauwkeurig geformuleerd. Te dien aanzien komt volgens het hof de Staat geen beleidsvrijheid toe. Dit geldt ook ingeval dit resultaat slechts op een effectieve wijze kan worden bereikt door het nemen van “passende maatregelen”, iets waartoe artikel 7 de verdragspartijen óók verplicht (rov. 4.4). Wel heeft het hof (veronderstellenderwijs) tot uitgangspunt genomen dat de Staat, c.q. de wetgever, deze uit het Vrouwenverdrag voortvloeiende verplichting heeft afgewogen tegen zijn rechtsplicht tot bescherming van fundamentele rechten en vrijheden van anderen (rov. 6.13 e.v.).

2.32. Bij een vergelijking van de beslissingen van de Afdeling Bestuursrechtspraak en het hof mag niet worden vergeten dat het object van geschil niet hetzelfde was. De Afdeling oordeelde over één concrete maatregel: de weigering van de door de SGP aangevraagde subsidie op grond van de Wspp. Indien de weigering van subsidie onrechtmatig wordt bevonden door de bestuursrechter, kan de Staat terugvallen op een andere maatregel ter voldoening aan art. 7 Vrouwenverdrag. Het hof echter had te oordelen over de rechtmatigheid van de weigering van de Staat om enige maatregel, welke dan ook, te nemen tegen deze discriminatie van vrouwen door de SGP. Het hof heeft de Staat niet opgedragen een specifieke maatregel te nemen; daartoe achtte het hof zich niet bevoegd (rov. 7.5). De beslissing van het hof houdt in, dat de Staat niet mag afzien van alle mogelijk te nemen maatregelen tegen deze discriminatie. Zou de Staat besluiten wel actie te ondernemen, dan blijft – ook in de redenering van het hof – ter keuze van de Staat, welke maatregelen zullen worden ingezet.

3) De ontvankelijkheid van de belangenorganisaties in hun vorderingen

3.1. Onderdeel 1 van middel I van de Staat is gericht tegen het oordeel dat de belangenorganisaties in hun collectieve vorderingen kunnen worden ontvangen.

3.2. Op grond van art. 3:305a lid 1 BW kan een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt(63). Het vereiste van gelijksoortigheid houdt in dat de bij de vordering betrokken belangen van anderen geschikt moeten zijn voor bundeling. Is beoordeling van een vordering niet mogelijk zonder naar de omstandigheden van iedere eiser afzonderlijk te kijken, dan is een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW uitgesloten(64).

3.3. Het vereiste van gelijksoortigheid van belangen houdt niet in dat alle personen wier belang de belangenorganisatie stelt te behartigen, hetzelfde moeten willen. De wetgever heeft ervoor gekozen, in art. 3:305a BW niet de eis te stellen van representativiteit van de belangenorganisatie voor de personen voor wier belangen zij zegt op te komen. Volgens de regering zijn in dit artikel voldoende andere waarborgen neergelegd om te voorkomen dat een niet-representatieve organisatie te ver gaande bevoegdheden krijgt(65). Ten eerste kan een belangenorganisatie, om ontvankelijk te zijn, niet volstaan met het opnemen van een doelstelling in haar statuten: uit de feitelijke activiteiten van de organisatie moet blijken dat de vlag de lading dekt. Ten tweede is in art. 305a, tweede lid, BW de regel opgenomen dat voorafgaand aan de procedure overleg moet worden gevoerd tussen de partijen die bij het geschil betrokken zijn; een belangenorganisatie kan daarzonder niet een procedure starten. Ten derde is in (het vierde lid van) art. 3:305a BW met betrekking tot het voorwerp van de vordering bepaald dat een gedraging niet aan een collectieve vordering ten grondslag kan worden gelegd voor zover degene die door die gedraging wordt getroffen, daartegen bezwaar maakt. Deze regel voorkomt ongewenste behartiging van andermans belangen.

3.4. Tot slot is in het vijfde lid van art. 3:305a BW bepaald dat de op een collectieve vordering gegeven rechterlijke uitspraak geen rechtsgevolg heeft ten aanzien van een persoon, tot bescherming van wiens belang de vordering strekt en die zich verzet tegen de werking van de uitspraak ten opzichte van hem. Bij dit laatste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een vereniging die opkomt voor de belangen van de slachtoffers van een ongeval als gevolg van een onrechtmatige daad. Als één van de benadeelden niet aan de uitkomst van de collectieve vordering door de belangenorganisatie gebonden wil zijn, kan hij dat kenbaar maken (zgn. opt out). Op deze regel bestaat een uitzondering indien de aard van de uitspraak meebrengt dat de werking niet slechts ten opzichte van deze persoon kan worden uitgesloten(66).

3.5. In de vakliteratuur wordt soms onderscheiden tussen groepsacties en algemeen belang-acties(67). Een vergelijking kan worden gemaakt met art. 1:2, lid 3, Algemene wet bestuursrecht (Awb), waar geregeld is wie in het bestuursrecht wordt aangemerkt als `belanghebbende’: ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. In beginsel kan de behartiging van de belangen van anderen plaatsvinden op drie niveaus: ten behoeve van één belanghebbende (microniveau), ten behoeve v

Rechters

advocaat-generaal mr. F.F. Langemeijer

20 november 2009 – Schaduwrapportage VN-Vrouwenverdrag 2009

Schaduwrapportage VN-Vrouwenverdrag 2009

20 november 2009

De Vereniging is een van de 54 NGO’s die de schaduwrapportage VN-Vrouwenverdrag onderschrijven. Daarom is deze geplaatst op de site van de vereniging.
Bestuurslid Leontine Bijleveld was samen met Linda Mans de penvoerder.

20 november 2009 – Discussie uitspraken over seksuele intimidatie

Discussie uitspraken over seksuele intimidatie

20 november 2009

Onlangs heeft de Hoge Raad geoordeeld over seksuele intimidatie. Een gedraging hoeft niet als seksuele intimidatie worden aangemerkt alleen omdat degene jegens wie die gedraging is gericht zich seksueel geïntimideerd voelt. Ook relevant is of verweerder seksuele lading beoogde. Feiten en omstandigheden zijn van belang. Samen met het NJB heeft NRC Handelsblad hier een expertblog over. Ons lid Rikki Holtmaat was een van de discussianten.

De Rechtbank Utrecht vond onlangs seksuele intimidatie geen onrechtmatige daad en kende geen schadevergoeding toe. Een klachtencommissie had uitgesproken dat seksuele intimidatie deels bewezen en deels aannemelijk was geweest.

Beide uitspraken zijn in de rubriek jurisprudentie geplaatst.

Voordracht Emma Ratia

In de ban van het gedwongen huwelijk – Over de spanningen tussen beleid, politiek en werkelijkheid

Gedwongen huwelijken staan sinds 2000 op de politieke agenda in de meeste West-Europese landen. Menige burger en politicus erkent de ernst van het probleem. In West-Europa heeft men zeer uiteenlopende maatregelen genomen tegen gedwongen huwelijken, variërend van het strafbaar stellen van het dwingen tot huwelijk tot het beperken van migratie door middel van hogere leeftijdsgrenzen. Zowel de genomen maatregelen als de maatschappelijke debatten eromheen gaan ervan uit dat een gedwongen huwelijk zich onderscheidt van een niet gedwongen huwelijk doordat er sprake is van dwang. Dit is simpel gezegd, maar wat is nu dwang binnen familierelaties? Dat het gaat om ‘het ontbreken van de vrije wil of keuze’ is een even verhullend als onthullend antwoord. Uit een Duits onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat een veel groter deel van de Turkse vrouwen vindt dat hun mening niet werd gevraagd toen zij trouwden dan dat zij gedwongen waren. Juridische experts hebben het vaak over bedreiging (duress in het Engels) als het bepalende kenmerk van gedwongen huwelijken. Geen keuze, bedreiging of dwang; al deze termen gaan uit van een duidelijk onderscheid tussen situaties waarin sprake is van dwang en waarin dat niet het geval is. Deze definities vormen tevens de basis van beleidsinitiatieven en maatschappelijke debatten over het onderwerp, alleen is de werkelijkheid vele malen complexer.

In deze bijdrage aan het congres is de notie van dwang geproblematiseerd aan de hand van de spanningen die er bestaan tussen politiek, beleid en werkelijkheid op het gebied van gedwongen huwelijken. Ten eerste is het nagenoeg onmogelijk gebleken om het gedwongen huwelijk in het beleid zodanig te definiëren dat men in concrete situaties onderscheid kan maken tussen gevallen waar sprake is van dwang en waar dwang niet aan de orde is. Ouders, familieleden en vrienden spelen vaak een rol bij de partnerkeuze (in alle culturen), maar wanneer verandert deze rol van potentiële sociale druk in dwang? Terecht stellen Storms en Bartels (2008) dat een simplistisch onderscheid tussen ‘geen keuze’ en ‘eigen keuze’ niet volstaat. In de werkelijkheid is er vaak sprake van “een groot grijs gebied waarbinnen de verschillende partijen strategieën hanteren om een huwelijk doorgang te verlenen dan wel te verhinderen” (11). Het idee dat dwang gemakkelijk is te onderscheiden van geen dwang berust op een individualistisch mensbeeld dat geen rekening houdt met familierelaties, met het feit dat mensen ingebed zijn in sociale relaties. Want bestaat er wel zoiets als ‘eigen vrije keuze’ die voorafgaat aan de druk van familieleden?

Ten tweede is dwang een kwestie van perspectief dat verschilt per persoon en kan in de loop van de tijd veranderen. Wat voor het kind dwang is, kan voor de ouder een onderdeel vormen van normaal ouderschap. Bovendien kan een huwelijk op het moment dat het gesloten wordt wel als vrijwillig ervaren worden terwijl men 20 jaar na dato tot de conclusie komt dat er sprake is geweest van dwang. Hier kan ook het verloop van het huwelijk van invloed zijn; als blijkt dat de relatie mislukt, kan men geneigd zijn om hem als gedwongen te beschouwen. In het geval van dat ene Belgisch-Marokkaanse meisje dat uit de kofferbak van de auto op de Spaanse snelweg ontsnapt is er duidelijk sprake van dwang, maar er zijn genoeg gevallen waar de gedwongene niet in verzet komt of het als het recht van de ouders beschouwt om voor haar of hem te beslissen. Wie bepaalt wanneer er sprake is van dwang?

Ten derde is de huidige maatschappelijke commotie rondom gedwongen huwelijken deels gegeven door conflicten tussen niet-westerse migranten, hun nakomelingen en andere Europese burgers. In veel landen worden gedwongen huwelijken bediscussieerd als een manier om de aanwezigheid van migranten te problematiseren. De voorgestelde maatregelen beogen vooral de beperking van immigratie, en benaderen gedwongen huwelijken als het symbool van al datgene dat problematisch is aan migranten. In dergelijk beleid wordt dwang gelijkgesteld aan relaties van migranten. Vrouwenrechtenactivisten in het Verenigd Koninkrijk hebben voorgesteld om de problematiek van gedwongen huwelijken te benaderen als een vorm van huiselijk geweld omdat het apart benaderen van gedwongen huwelijken ertoe leidt dat het probleem “geculturaliseerd” wordt, en losgekoppeld raakt van problematische gezinsverhoudingen. De analyse is gebaseerd op een rechtsvergelijkend onderzoek naar beleid en maatschappelijke discussies over gedwongen huwelijken in West-Europa.

Bron:
Storms, O. & Bartels, E. 2008. ‘De keuze van een huwelijkspartner’. Een studie naar partnerkeuze onder groepen Amsterdammers. Amsterdam: Vrije Universiteit Amsterdam.

Inleiding Joke Swiebel: Vrije partnerkeuze, de heteronormativiteit voorbij?

Link naar bestand

Margreet de Boer: Bestaat er een recht op (individuele) autonomie?

Link naar bestand

Petra Oden, inleiding als dagvoorzitter

Het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen

“Mijnheer, danst u niet?” vroeg Belle van Zuylen in 1760 op een bal in Den Haag aan een man. Hij was 38 jaar. Zij 19. Ze was uit zichzelf op hem afgestapt. Hij stond bekend als een Don Juan, een liberale denker. Hij was bevriend met Voltaire.
Het was in die tijd volstrekt ongepast dat een meisje op een man afstapte. En hij was ook nog eens getrouwd. In het geheim schreven ze daarna brieven aan elkaar. De briefwisseling tussen Belle van Zuylen en Constant d’Hermenches heb ik 20 jaar geleden gelezen. Bij het thema zelfbeschikkingsrecht moet ik altijd aan Belle denken.
Aan Belle, die worstelde met haar toekomst. Zij was een vrouw. Dus, haar toekomst lag in het huwelijk. Maar zij wilde vrij zijn. “Ik heb geen talent voor ondergeschiktheid” zei ze tegen haar vriend Constant. Ze overwoog in haar brieven of ze niet beter maîtresse kon worden. Dan zou ze kunnen schrijven en dan zou haar leven interessanter zijn. Maar ze deed het niet, omdat ze vond dat ze dat haar ouders niet aan kon doen. Dus trouwde ze uiteindelijk uit rationele overwegingen met de heer De Charrière. Ze ging wonen, niet in Parijs wat ze eigenlijk wilde, maar op een saaie plek in Zwitserland, waar hij zijn huis had.
Bij het onderwerp zelfbeschikkingsrecht moet ik ook altijd denken aan John Stuart Mill die in zijn boek de ‘Onderwerping van de vrouw’ uit 1869 een beschrijving geeft van de positie van de vrouw voor en in het huwelijk. Hij bepleit een radicale gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Hij schrijft: “Op de primaire levensbehoeften van voedsel en kleding na, is vrijheid de eerste en sterkste behoefte van de menselijke natuur. “ Hij pleit ervoor dat elk individueel mens, man of vrouw, van welke huidskleur, godsdienst of ras dan ook, recht heeft op het nastreven van geluk.
Huwelijksarrangementen, dat doet me denken aan Otto Weininger, met zijn enorme haat tegen vrouwen. Hij schreef: ‘Het meest algemene en eigenlijke wezen van de vrouw wordt door de koppelarij volledig en uitputtend beschreven.’ M.a.w. hij vond dat vrouwen met niets anders bezig waren en alleen gericht waren op het koppelen van hun dochters (of andere vrouwen) met mannen. Was dat in die tijd de praktijk?
Huwelijksarrangementen was voor mij altijd een onderwerp uit de negentiende eeuw.
In de twintigste eeuw werd het anders. Toen had je die vrouwen die in de jaren 10 aan de linkeroever van de Seine gingen wonen. Daar ontwikkelden ze hun eigen levensstijl. Vrouwen gingen daar samenwonen, zoals Gertrude Stein en Alice B Toklas.
Dat waren de uitzonderingen. Want tot in de jaren 50 trouwden mensen omdat het zo hoorde, terwijl ze zich in hun hart prettiger voelden met iemand van hun eigen geslacht. Pas in de zestiger jaren kwam het steeds vaker voor dat deze mensen gingen scheiden en toch kozen voor iemand van het eigen geslacht.
De zestiger jaren. Veranderingen. Ik was een kind in die jaren en hoorde van die 2 mensen, die verliefd op elkaar waren, maar niet met elkaar mochten trouwen, omdat hij katholiek was en zij gereformeerd. Ik kan me nog herinneren dat mijn moeder dat heel erg vond. Zij was een moderne vrouw.
40 jaar geleden. Misschien wel in het jaar dat Joke Smit haar artikel ‘Het onbehagen van de vrouw” schreef. Zij schreef: ‘Als een grote groep vrouwen zich bewust wordt van haar rechten en plichten inzake zichzelf, dan is dat de eerste stap naar de vrijheid en naar de maatschappelijke integratie’. Mijn moeder werd pas eind jaren 70 bewust van haar rechten en plichten, van haar positie in het huwelijk. Het huwelijk met zijn zichtbare en onzichtbare machtsprocessen, zoals Aafke Komter dat in de tachtiger jaren noemde. De ‘macht van de vanzelfsprekendheid’.
Nu in de eenentwintigste eeuw hebben we het homohuwelijk. Er zijn andere vanzelfsprekendheden ontstaan. Door de nieuwe Nederlanders hoor ik weer over huwelijksarrangementen. Hoe zit het met het zelfbeschikkingsrecht in deze tijd? Dat gaan we vandaag verkennen.

Toelichting op congres

De Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR) organiseert ieder jaar een congres waarop belangrijke maatschappelijke en juridische ontwikkelingen rond de positie van vrouwen aan de orde komen.

Dit jaar stond het congres in het teken van het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen. Het congres vond plaats in Utrecht, zalencentrum Trianon, van 15.00-17.30 uur.

Petra Oden (Hoofd Juridische Zaken en Arbeidsvoorwaarden Rijksuniversiteit Groningen) was dagvoorzitter en gaf de aftrap.

Drie sprekers met bijzondere expertise over dit onderwerp hielden een voordracht.
Margreet de Boer, zelfstandig onderzoeker vrouw en recht, had een algemene beschouwing, met als centrale vraag ‘bestaat er een recht op (individuele) autonomie?

Hierna werd het onderwerp nader uitgediept in twee lezingen over het recht op vrijheid van partnerkeuze:
Joke Swiebel hield een voordracht over vrije partnerkeuze in relatie tot heteronormativiteit. Zij is jarenlang Europarlementariër geweest voor de PvdA en schonk in het bijzonder aandacht aan de Europeesrechtelijke aspecten.

Daarna hield Emma Ratia een voordracht over het gedwongen huwelijk. Emma Ratia is als onderzoeker bij de Radboud Universiteit Nijmegen betrokken bij een rechtsvergelijkend onderzoek naar huwelijksdwang in vijf verschillende Europese landen. In haar bijdrage problematiseerde zij onder andere het begrip ’dwang’ aan de hand van voorbeelden uit het onderzoek.

Er was een geanimeerde discussie.

Instantie: Europese Hof van Justutie, 29 oktober 2009

Instantie

Europese Hof van Justutie

Samenvatting

Europese Hof van Justitie: ontslagen zwangere werknemers moeten door Europees recht worden beschermd
Werkneemster is ontslagen tijdens haar zwangerschap. Het Luxemburgse recht kent een bepaling waarbij een zwangere werkneemster de nietigheid daarvan moet inroepen binnen vijftien dagen. Werkneemster slaagt hier niet in en zij kan ook geen schadevergoeding meer vorderen. Het Hof oordeelt dat er onder andere sprake is van een schending van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Volledige tekst

Rechters