1 april 2008 – Pleidooi voor een uitkering voor alle zwangere zelfstandigen

 

Pleidooi voor een uitkering voor alle zwangere zelfstandigen

1 april 2008

Alle zelfstandig werkende vrouwen die vanaf augustus 2004 zwanger zijn geworden horen een zwangerschaps- en bevallingsuitkering te krijgen. Dit heeft de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann aan de Tweede Kamer geschreven. Op 2 april a.s. stellen de tweede kamerfracties hun vragen aan minister Donner over zijn voorstel Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen.

Herinvoering betaald zwangerschapsverlof
Minister Donner heeft voorgesteld het betaalde zwangerschaps- en bevallingsverlof voor zelfstandig werkende vrouwen opnieuw in te voeren. Zijn voorganger De Geus had dit opgeheven per augustus 2004 met de afschaffing van de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ).
Donner wil alleen vrouwen die zwanger zijn op de invoeringsdatum recht op een betaald verlof van 16 weken geven. Beoogde invoeringsdatum is 1 juli 2008.

15.000 à  20.000 vrouwen gedupeerd
Het is onredelijk om de 15.000 à  20.000 zelfstandig werkende vrouwen die vanaf augustus 2004 zwanger zijn geworden niet (gedeeltelijk) te compenseren voor de inkomensschade die het krijgen van een kind met zich meebrengt. Vrouw en Recht wijst er op dat de minister geen enkel argument voor herinvoering van het betaalde zwangerschapsverlof heeft aangedragen dat niet reeds bekend was ten tijde van de afschaffing. Vele gedupeerde vrouwen hebben wel jarenlang premie voor de WAZ betaald zonder een uitkering te krijgen, omdat de WAZ was afgeschaft. Extra zuur voor deze vrouwen is dat de vanaf 1 juli 2008 zelfstandig werkende vrouwen zonder premie te betalen recht krijgen op betaald zwangerschaps- en bevallingsverlof. Donner stelt voor de uitkering uit algemene middelen te bekostigen.

Hier vindt u de brief van de Vereniging voor Vrouw en Recht
Hier vindt u informatie van het Ministerie van Sociale Zaken

Leontine Bijleveld en Eva Cremers: Marktwerking in de thuiszorg: efficiëncy of …?

Het oorspronkelijk ingezonden artikel voor de Opiniepagina NRC Handelsblad april 2008 was:

Marktwerking Thuiszorg: meer efficiëncy of ….?

Wim Groot en Henriëtte Maassen van den Brink bezingen de lof van de marktwerking in de zorg (NRC Handelsblad 4 april j.l.): kostenbesparing én verbetering van de kwaliteit. Hun belangrijkste voorbeeld betreft de Thuiszorg.De overheveling van de huishoudelijke zorg van de AWBZ naar de gemeenten heeft tot een kostenbesparing van ongeveer 20% geleid. Groot en Maassen van den Brink verstrekken echter over de huishoudelijke zorg selectieve informatie en noemen geen voorbeelden van kwaliteitsverbetering. De besparing is vooral bereikt door inschakeling van werknemers met een slechtere rechtspositie en een lagere beloning: de alfahulpen.

Alfahulpen zijn geen zelfstandig ondernemers zoals de NRC van 14 april j.l. stelt (p.3), noch freelancers zoals de NRC van 12 april bericht (p.2 – herhaald op 14 april in het kader bij het artikel). Het zijn werknemers, die op grond van uitzonderingsbepalingen in de wetgeving, niet sociaal verzekerd zijn voor werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. De fictie is dat deze werknemers niet in dienst zijn van de gemeenten of de thuiszorginstellingen, maar van de zorgbehoevenden zelf. Door de uitzonderingsbepalingen in de wetgeving hebben werknemers die “doorgaans op maximaal drie dagen per week uitsluitend of hoofdzakelijk huishoudelijke of persoonlijke diensten in de huishouding van een natuurlijk persoon verrichten” geen recht op de meeste sociale bescherming die andere werknemers wel hebben.
Alfahulpen vallen onder deze uitzonderingsbepalingen en het onthouden van rechtsbescherming maakt ze tot goedkope werknemers. Ze zijn overigens niet geheel en al verstoken van sociale rechten: bij ziekte moet hun loon bijvoorbeeld zes weken doorbetaald worden, ze hebben recht op doorbetaalde vakantie én vakantiegeld.
De thuiszorginstellingen fungeren officieel dus als bemiddelaar voor de alfahulpen. De instellingen leveren daarnaast thuiszorg via de werknemers die rechtstreeks bij hen in dienst zijn en die wel de reguliere rechtsbescherming genieten. Om bij de aanbesteding van de huishoudelijke hulp door de gemeenten als goedkoopste uit de bus te komen hebben oude en nieuwe thuiszorginstellingen in hun offerte het aandeel van zorg door alfahulpen vergroot ten opzichte van dat door de duurdere thuishulpen/werkneemsters. Tegelijkertijd zijn de thuishulpen in dienst van de instellingen onder grote druk gezet hun uren te verminderen, of om te zetten in alfahulpuren. Velen zijn voor de druk gezwicht, hoewel ze juridisch daartoe niet verplicht waren. De onrust in de sector is enorm, zie bijvoorbeeld het enorme aantal sociale plannen op de websites van de vakbonden.
Bij de marktwerking in de thuiszorg wordt geconcurreerd ten koste van rechtsbescherming van een bepaalde groep werknemers. Dat de zorgbehoevende cliënt niet of slecht geïnformeerd is over de nieuw te vervullen werkgeversrol, zoals de plicht bij ziekte gedurende zes weken het loon door te betalen aan de alfahulp, terwijl ze niet over een vervangster kunnen beschikken, vergroot de problemen. Dat leidt zowel tot zorgverschraling voor de zorgvragers als een extra sociaal tekort voor de werkneemsters in kwestie

Groot en Maassen van den Brink sneren naar staatssecretaris Bussemaker: zij zou de kostenbesparing meteen weer ongedaan hebben gemaakt door de regels zo te veranderen, dat alleen nog de duurdere vorm van huishoudelijke hulp geboden kan worden. Dat is niet juist. Bussemaker wil dat cliënten met indicatie voor huishoudelijke hulp een bewuste keuze kunnen maken tussen de alfahulp of de hulp in natura. In het eerste geval moet de cliënt zelf de werkgeversverantwoordelijkheid nemen. In het tweede geval ligt die bij de thuiszorginstelling. Dat meer cliënten (vaak oud en echt hulpbehoevend) voor het laatste zullen kiezen, valt hun niet euvel te duiden: continuïteit, vervanging bij ziekte en geen werkgeverssores. Marktwerking betekende toch ook keuzevrijheid voor de afnemers?

Ons gaat het niet over de pro’s en contra’s van marktwerking. Voor echte marktwerking is een level playing field vereist. Dat is niet het geval als de wet voor een specifieke groep werkneemsters een lagere sociale bescherming toelaat. In internationaal perspectief heet dit social dumping, een praktijk die werkgeversvoorman Bernard Wientjes op de tripartite Decent Work conferentie op 14 april j.l. in Den Haag ten principale veroordeelde: concurreren moet je op basis van productiviteit en kwaliteit.
Volgens ons zou het debat juist moeten gaan over de vraag of het anno 2008 nog wel moreel én juridisch acceptabel is dat voor een specifieke vorm van vrouwenarbeid slechts marginale sociale bescherming bestaat.

Leontine Bijleveld, zelfstandig vrouwenrechten specialist in Amsterdam
Eva Cremers, arbeidsrechtelijk onderzoeker en publicist te Leiden.
Beiden zijn bestuurslid van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann.

Brief aan Tweede Kamer over Wetsontwerp zwangerschapsuitkering zelfstandigen, 1 april 2008

Aan de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Tweede Kamer der Staten Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Betreft: Wetsontwerp zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen
31 366

Leiden, 1 april 2008

Geachte dames en heren,

Op 2 april 2008 zult u uw inbreng inzake het wetsontwerp zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen (kamerstuk nr. 31366) inleveren ten behoeve van het Verslag. De Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann wil u graag enige overwegingen meegeven.

herinvoering betaald verlof goede zaak

Dat met de beoogde wet zelfstandig werkende vrouwen opnieuw een aanspraak krijgen op een betaald zwangerschaps- en bevallingsverlof is een goede zaak. Met andere (vrouwen)organisaties heeft de Vereniging (VVR) zich verzet tegen de afschaffing van de vorige regeling in de WAZ. Ook in de lobby voor herinvoering van een regeling heeft de VVR zich niet onbetuigd gelaten.

ten onrechte geen terugwerkende kracht

Een groot manco in het wetsvoorstel is dat niet voorzien wordt in een regeling met terugwerkende kracht. Daardoor worden 15 à 20.000 zelfstandig werkende vrouwen, zwanger geworden tussen augustus 2004 en oktober 2007, gedupeerd. Het valt deze vrouwen niet uit te leggen waarom zij niet (gedeeltelijk) gecompenseerd zouden worden voor de inkomensschade die het krijgen van een kind met zich meebracht. Onder hen bevinden zich ook vrouwen die ondanks hun private arbeidsongeschiktheidsverzekering geen uitkering ontvingen, wegens de wachttijd van de arbeidsongeschiktheids-verzekeraars. Velen van hen hebben wel bovendien jarenlang WAZ-premies betaald, maar geen uitkering gekregen omdat de WAZ-uitkering net was afgeschaft. Dat de nieuwe rechthebbenden zonder premie te betalen wel recht op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering krijgen is extra zuur voor deze groep vrouwen. Er moet een oplossing te vinden zijn voor de dekking van de incidentele kostenpost die terugwerkende kracht met zich mee brengt.

geen nieuwe argumenten, extra reden voor terugwerkende kracht

In de MvT staan geen nieuwe argumenten voor herintroductie (anders dan op p. 7 wordt gesteld). Ook de Raad van State wees hier op. Alles wat naar voren gebracht wordt was ook ten tijde van het parlementaire debat over de afschaffing van de WAZ bekend en ingebracht. Dit geldt niet in de laatste plaats de wachttermijn de arbeidongeschiktheidverzekeraars hanteren. In tegenstelling tot de Raad van State vindt de VVR dat geen reden om niet over te gaan tot herinvoering. Het is echter wel een zwaarwegend argument voor terugwerkende kracht.

VN-vrouwenverdrag

De MvT laat een belangrijk argument voor herinvoering onbesproken. Het toezichthoudend comité voor naleving van het VN-vrouwenverdrag (CEDAW) heeft de staat hiertoe aangespoord in de Concluding Comments d.d. 7 februari 2007 (“.. calls upon … to reinstate maternity benefits for all women in line with article 11 (2) (b) of the Convention”). Eerder schreef minister Plasterk in reactie op de Concluding Comments van CEDAW aan de Tweede Kamer dat het kabinet de mogelijkheid van een uitkeringsregeling aan het bezien was.
In dat verband is opmerkelijk dat ook geen gewag wordt gemaakt van het hoger beroep dat het Proefprocessenfonds Clara Wichmann met enige belanghebbenden heeft ingesteld tegen het wel gememoreerde vonnis van de Rechtbank Den Haag.

gezondheid moeder en kind

De MvT noemt als belangrijkste reden voor herinvoering het belang van de gezondheid van moeder en kind. Dat belang kan de VVR zeker onderschrijven. Onbegrijpelijk is echter dat de uitkering dan niet ook open gesteld wordt voor vrouwen die minder dan 10 weken voorafgaande aan de invoeringsdatum van de wet zijn bevallen. Met een bevallingsuitkering kunnen zij hun werkhervatting uitstellen en daardoor wordt hun gezondheid en die van hun kind immers bevorderd.

verbetering anticumulatiebepaling

Op het eerste gezicht lijkt het wetsontwerp een verbetering in petto te hebben (ten opzichte van de WAZ-regeling) voor die vrouwen die een deeltijdbaan combineren met een zelfstandig bedrijf (of meewerkende). Het Proefprocessenfonds en de FNV kaartten dit manco zonder resultaat aan bij CEDAW. De VVR vindt het belangrijk om toch nog even nadere uitleg te vragen hiernaar in uw inbreng. Dat draagt bij aan vollediger wetsgeschiedenis, altijd van belang voor toekomstige procedures.

Mocht u nadere toelichting op bovenstaande wensen dan zijn we daar graag toe bereid.

Namens de Vereniging van Vrouw en Recht Clara Wichmann,
met vriendelijke groet
bestuursleden
drs. Leontine Bijleveld
mr. Eva Cremers -Hartman
mr. Marlies Vegter

Instantie: Rechtbank Groningen, sector kanton, 31 maart 2008

Instantie

Rechtbank Groningen, sector kanton

Samenvatting

Klacht over seksuele intimidatie. Klacht niet zorgvuldig behandeld. Ontbinding op verzoek werkneemster. C=2,5.

Volledige tekst

www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BC9428

Rechters

mr. Smits
 
 

21 maart 2008 – Maet advocaten zoekt maet

Maet advocaten zoekt maet

21 maart 2008
Maet advocaten te Amsterdam zoekt een nieuwe maet voor samenwerking op basis van kostendeling. Onze aandachtsgebieden c.q. specialismen zijn momenteel letselschade in brede zin, arbeidsrecht en sociaal zekerheidsrecht. Advocaten met specialisme in familierecht zijn ook van harte welkom.

Geïnteresseerden kunnen contact opnemen met Lowine Versteegh-Leenstra, tel. 020-412 12 71.

Maet Advocaten
Van Slingelandtstraat 35 B
1051 CG Amsterdam
www.maet.nl

Instantie: Rechtbank Zutphen, sector straf, 18 maart 2008

Instantie

Rechtbank Zutphen, sector straf

Samenvatting

Verzachtende omstandigheid voor verkrachter dat relatie op zijn einde liep. Veroordeling voor verkrachting van ex-vriendin en bedreiging van de nieuwe vriend van de ex-vriendin. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Tevens wordt aan verdachte een contactverbod met het slachtoffer opgelegd. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte met zijn handelwijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank neemt voorts de bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer en de vernederende setting in aanmerking. In het voordeel van de verdachte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat tussen verdachte en het slachtoffer sprake was van een op zijn einde lopende relatie, met alle emoties en problemen die daar over het algemeen mee gepaard gaan.

Volledige tekst

VONNIS

in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1945],
thans gedetineerd in het huis van bewaring te Doetinchem.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2008.

Ter terechtzitting gegeven beslissingen

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting verzocht het bevel voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang op te heffen.
De rechtbank heeft, gehoord de officier van justitie, het verzoek van de raadsman afgewezen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1).
hij op of omstreeks 26 november 2007, te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer1], hebbende verdachte zijn penis en/of een of meerdere vinger(s) en/of een kunstbanaan en/of een ladyshave, althans een of meermalen een voorwerp in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer1] geduwd en/of gebracht en/of (vervolgens) (telkens) op en neer gaande beweging(en) gemaakt en/of de vagina en/of de clitoris van die [slachtoffer1] heeft betast en/of aangeraakt en/of gemasseerd en/of het schaamhaar van die [slachtoffer1] heeft (af)geschoren en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte:
– die [slachtoffer1] heeft vastgepakt en/of
– de mobiele telefoon van die [slachtoffer1] heeft (af)gepakt en/of weggelegd en/of
– een stiletto, althans een scherp voorwerp, van/uit het nachtkastje heeft gehaald en/of (vervolgens) over/in de pols(en) en/of tegen/over de keel en/of over het lichaam van die [slachtoffer1] heeft geprikt en/of gestreken en/of
– een slip, althans een voorwerp, in de mond van die [slachtoffer1] heeft gestopt en/of
– onverhoeds en/of onverwachts een of meermalen de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer1] heeft uitgetrokken, althans naar beneden heeft getrokken en/of
– bovenop die [slachtoffer1] is gaan liggen en/of
– de benen van die [slachtoffer1] uit elkaar heeft geduwd en/of getrokken en/of
– de benen van die [slachtoffer1] omhoog heeft geduwd en/of
– die [slachtoffer1] met kracht op haar buik en/of haar rug heeft gedraaid en/of gegooid en/of
– is doorgegaan, terwijl die [slachtoffer1] had gezegd/aangegeven dat ze geen seks met hem, verdachte, wilde hebben zonder er gevoel bij te hebben en/of dat hij, verdachte, moest ophouden, althans had aangegeven dat hij zo alles kapot maakte en/of huilde en/of
– een ladyshave en/of (een) pantoffel(s) en/of een tandenborstel, althans voorwerpen naar buiten, althans uit het raam heeft gegooid en/of
– misbruik heeft gemaakt van uit de feitelijk verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of zijn fysiek en/of emotionele overwicht en/of
– zich dwingend en/of dominant heeft opgesteld en/of gedragen en/of
– (aldus) voor die [slachtoffer1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
art 242 Wetboek van Strafrecht

2).
hij op of omstreeks 26 november 2007, te Terborg, gemeente Oude IJsselstreek, althans in het arrondissement Zutphen, [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer2] (telefonisch) dreigend de woorden toegevoegd: “[voornaam slachtoffer2], je hebt er een
vijand bij. Ik zou maar goed om me heen kijken. Ik maak je af. Met kerstmis is het met mij gebeurd. Voor die tijd ga je er aan. Mij kan toch niets gebeuren”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Bewijsmiddelen
De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de – navolgende – overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0640/07-220671, gesloten en getekend op 4 december 2007 door [naam agent], hoofdagent/gecertificeerd zedenrechercheur van politie Team Recherche Achterhoek.
De bewijsmiddelen t.a.v. feit 1 zijn te vinden in de volgende stukken:
1). het proces-verbaal van verhoor van het slachtoffer [slachtoffer1] (pagina 48-57);
2). het proces-verbaal van verhoor verdachte (pagina 87-93, 98-100, 104-106).

De bewijsmiddelen t.a.v. feit 2 zijn te vinden in de volgende stukken:
1). het proces-verbaal van verhoor van aangifte (pagina 108-109);
2). het proces-verbaal van verhoor verdachte (pagina 112-113);
3). het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige] (pagina 80).

Uit de bewijsmiddelen worden de volgende redengevende feiten en omstandigheden afgeleid.

T.a.v. feit 1:
Het slachtoffer [slachtoffer1] heeft verklaard dat zij geruime tijd een relatie heeft gehad met verdachte. Op 25 november 2007 heeft het slachtoffer verdachte opgehaald en zouden ze samen de avond doorbrengen. Verdachte zou, op de logeerkamer, blijven slapen. Verdachte zei dat hij nog een keer seks met haar wilde hebben. [slachtoffer1] antwoordde dat zij dat niet kon omdat ze er gevoel bij moest hebben. Even later trok verdachte, toen hij en [slachtoffer1] in de keuken stonden, de broek van [slachtoffer1] naar beneden. Rond half een ’s nachts wilde [slachtoffer1] naar bed gaan. Verdachte greep haar vast en wilde de mobiele telefoon van [slachtoffer1] hebben. Na enig geduw en getrek gaf zij hem deze. [slachtoffer1] is naar boven gegaan en met haar kleding aan in bed gaan liggen. Verdachte kwam even later ook naar boven en liep de slaapkamer in. Hij ging naast het bed zitten en begon [slachtoffer1] te betasten. Hij ging met zijn vingers in haar vagina. Daarna trok hij de broek van [slachtoffer1] weer uit en ging bovenop haar liggen. Hij duwde de benen van [slachtoffer1] uit elkaar. Verdachte deed zijn penis in de vagina van [slachtoffer1]. Aangezien verdachte veel zwaarder en groter is dan zij, kon [slachtoffer1] niet weg. Ze was bang en probeerde zich rustig te houden. Vervolgens deed verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer1]. Hij duwde haar benen omhoog zodat hij er bij kon. Verdachte pakte even later een kunstbanaan en stopte deze in de vagina van [slachtoffer1]. Ook ging verdachte met zijn vingers in de anus van [slachtoffer1] en maakte hij op en neer gaande bewegingen met zijn vingers. Vervolgens gooide hij [slachtoffer1] op haar buik en deed hij de banaan in haar anus en maakte daar op en neer gaande bewegingen mee. Daarna ging hij weer met zijn penis in de anus van [slachtoffer1] en maakte op en neer gaande bewegingen. Hij stopte en gooide [slachtoffer1] weer op haar rug. Verdachte pakte een stiletto uit het nachtkastje en hij maakte met het mes strijkbewegingen langs de polsen van [slachtoffer1]. Tevens heeft verdachte met een ladyshave het schaamhaar van [slachtoffer1] afgeschoren. [slachtoffer1] heeft meerdere malen tegen verdachte gezegd dat hij dit niet moest doen en dat hij niet kapot moest maken wat er nog was.

Verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat hij [slachtoffer1] op 26 november 2007 rond half een of een uur ’s nachts heeft verkracht. Hij heeft verklaard dat [slachtoffer1] in het begin heeft afgeweerd door haar benen bij elkaar te houden toen hij probeerde haar geslachtsdeel aan te raken. Verdachte heeft verklaard dat hij de onderbroek van [slachtoffer1] heeft uitgetrokken. Hij heeft haar benen gespreid en met zijn hand haar geslachtsdeel aangeraakt en haar clitoris gemasseerd. Hij heeft daarna zijn penis in haar vagina gestoken en is op en neer gegaan. Verdachte heeft verklaard dat hij met de ladyshave het schaamhaar van [slachtoffer1] heeft afgeschoren. Ook is hij anaal bij [slachtoffer1] binnengedrongen met zijn penis en heeft hij een houten banaan in de vagina van [slachtoffer1] gebracht.
Verdachte heeft tevens verklaard dat hij eerder die avond de broek van [slachtoffer1] naar beneden heeft getrokken, dat [slachtoffer1] heeft gezegd dat hij niet kapot moest maken wat er nog was, en dat hij de mobiele telefoon van [slachtoffer1] heeft gepakt en ergens anders heeft gelegd. Verdachte erkent voorts dat hij een stiletto uit het nachtkastje heeft gepakt en hiermee op de polsen van [slachtoffer1] heeft gedrukt.
Verdachte heeft verklaard niet meer te weten of hij de houten banaan in de anus van [slachtoffer1] heeft gebracht en of hij met zijn vingers in haar anus is geweest, maar dit niet te ontkennen.

T.a.v. feit 2:
Aangever [slachtoffer2] heeft aangifte gedaan van bedreiging met de dood. Hij heeft verklaard dat hij op maandagmorgen 26 november 2007 tussen 08.30 uur en 10.30 uur op zijn werk gebeld werd door verdachte. Verdachte zei het volgende: “[voornaam slachtoffer2], met [voornaam verdachte]. [voornaam slachtoffer2], je hebt er weer een vijand bij. Ik zou maar goed om me heen kijken. Ik maak je af. Met Kerstmis is het met mij gebeurd. Voor die tijd ga jij eraan. Mij kan toch niets gebeuren.”

Verdachte heeft verklaard dat hij op 26 november 2007 tussen 09.00 uur en 10.00 uur aangever heeft gebeld op zijn werk. Verdachte heeft verklaard dat hij tegen aangever heeft gezegd dat hij maar uit moet kijken omdat hij er een vijand bij heeft.

Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat zij verdachte op 26 november 2007 heeft horen zeggen dat hij aangever mee zou nemen in zijn graf en dat hij zei: “Als ik dood ga, gaat hij ook dood.”

Standpunten

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat er op 26 november 2007 weliswaar sprake is geweest van seks tussen verdachte en het slachtoffer, dat de feitelijkheden met betrekking tot het seksueel contact zoals tenlastegelegd ook zijn gebeurd, maar dat daarbij geen sprake is geweest van geweld of andere feitelijkheden of bedreiging daarmee. Van verkrachting is volgens de raadsman van verdachte dan ook geen sprake geweest.
Met betrekking tot de bedreiging heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte wel door de telefoon tegen aangever heeft gezegd dat hij er een vijand bij had, maar dat direct daarna de verbinding werd verbroken. Hetgeen overigens is tenlastegelegd heeft verdachte niet gezegd. Wettig en overtuigend bewijs voor bedreiging ontbreekt naar het oordeel van de raadsman.

De rechtbank is van oordeel dat beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 1 dat verdachte tijdens de verhoren door de politie heeft verklaard dat hij het slachtoffer heeft verkracht. De rechtbank constateert dat de verklaringen van het slachtoffer en verdachte grotendeels met elkaar overeenkomen. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat er geen sprake is geweest van geweld of andere feitelijkheden of bedreiging daarmee, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de verklaringen van het slachtoffer immers voldoende dat er geen sprake is geweest van vrijwilligheid van haar kant bij het ondergaan van de seksuele handelingen. De feitelijkheden, genoemd in de tenlastelegging, zoals de rechtbank die hierna bewezen zal verklaren worden door verdachte ook niet ontkend. De rechtbank is van oordeel dat deze feitelijkheden, gezien in de context van de gebeurtenissen op 26 november 2007, wel degelijk bedreigend zijn geweest voor het slachtoffer.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 2 dat op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte aangever heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring dat hij tijdens het bewuste telefoongesprek enkel heeft gezegd dat aangever er een vijand bij had, en dat daarna de verbinding werd verbroken. Voor deze verklaring van verdachte is op geen enkele wijze steun te vinden in het procesdossier.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1).
hij op 26 november 2007, te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek, door geweld of feitelijkheden en bedreiging met geweld [slachtoffer1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer1], hebbende verdachte zijn penis of vingers of een kunstbanaan in de vagina en de anus van die [slachtoffer1] geduwd en vervolgens telkens op en neer gaande bewegingen gemaakt en de vagina en de clitoris van die [slachtoffer1] betast en het schaamhaar van die [slachtoffer1] (af)geschoren en bestaande dat geweld of die feitelijkheden en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte:
– die [slachtoffer1] heeft vastgepakt en
– de mobiele telefoon van die [slachtoffer1] heeft (af)gepakt en
– een stiletto uit het nachtkastje heeft gehaald en (vervolgens) over de pols(en) van die [slachtoffer1] heeft gestreken en
– onverhoeds en onverwachts meermalen de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer1] naar beneden heeft getrokken en
– bovenop die [slachtoffer1] is gaan liggen en
– de benen van die [slachtoffer1] uit elkaar heeft geduwd en
– de benen van die [slachtoffer1] omhoog heeft geduwd en
– die [slachtoffer1] met kracht op haar buik en/of haar rug heeft gedraaid en
– is doorgegaan, terwijl die [slachtoffer1] had gezegd dat ze geen seks met hem, verdachte, wilde hebben zonder er gevoel bij te hebben en dat hij, verdachte, moest ophouden, aangevende dat hij zo alles kapot maakte en
– misbruik heeft gemaakt van uit de feitelijk verhoudingen voortvloeiend overwicht en zijn fysieke en emotionele overwicht en
– zich dwingend heeft opgesteld en/of gedragen en
– (aldus) voor die [slachtoffer1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2).
hij op 26 november 2007, te Terborg, gemeente Oude IJsselstreek, [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer2] (telefonisch) dreigend de woorden toegevoegd: “[voornaam slachtoffer2], je hebt er een vijand bij. Ik zou maar goed om me heen kijken. Ik maak je af. Met kerstmis is het met mij gebeurd. Voor die tijd ga je er aan. Mij kan toch niets gebeuren”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:
verkrachting

t.a.v. feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een rapport gedateerd 27 december 2007 opgemaakt door S. de Jong, psychiater bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie.
De conclusies van dit rapport luiden – kort samengevat – als volgt:
Bij betrokkene zijn geen aanwijzingen gevonden voor een persoonlijkheidsstoornis. Wel is er sprake van een aanpassingsstoornis. Betrokkene glijdt af in een sociale en emotionele isolatie, lijdzaamheid ondanks geboden hulp en aandacht. Er is ook sprake van een lichte paranoïdie ten opzichte van de omgeving. Rapporteur acht verdachte in licht verminderde mate toerekeningsvatbaar ten aanzien van het tenlastegelegde, indien bewezen.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze over.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie strekkende tot – het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen achtend – het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, alsmede een contactverbod met het slachtoffer.
De officier van justitie heeft daarnaast toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1], met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 50 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden – dat verdachte met zijn handelwijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank neemt voorts de bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer en de vernederende setting in aanmerking. Uit het voegingsformulier benadeelde partij en de hierop ter terechtzitting door mr. Van der Lecq gegeven toelichting blijkt dat de verkrachting bij het slachtoffer de ontwikkeling van gevoelens van angst, schaamte en vernedering tot gevolg heeft gehad. Tevens is gebleken dat het slachtoffer als gevolg van de verkrachting herbelevingen heeft van seksueel misbruik in haar jeugd, waarvan verdachte op de hoogte was, en dat zij dientengevolge opnieuw in therapie heeft moeten gaan.

In het voordeel van de verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft en dat hij als licht verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd moet worden. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat tussen verdachte en het slachtoffer sprake was van een op zijn einde lopende relatie, met alle emoties en problemen die daar over het algemeen mee gepaard gaan. Mede daarin is de reden gelegen om een lagere onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenis¬straf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal voorts de bijzondere voorwaarde stellen, dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de reclassering, ook als dit inhoudt dat verdachte zich ambulant zal laten behandelen door Kairos of een vergelijkbare instelling.
De rechtbank zal bovendien de bijzondere voorwaarde stellen, dat verdachte zich zal onthouden van elk contact met het slachtoffer.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer1] ([adres], bankrekening [nummer]) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.000,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.000,00 (immateriële schade), waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu zij van oordeel is dat dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor afdoening in het strafgeding. De benadeelde partij kan derhalve dat deel van haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 57, 242 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Zutphen, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen door Kairos of een vergelijkbare instelling.

Stelt voorts als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde op geen enkele wijze – in welke zin dan ook – contact zal opnemen of onderhouden met [slachtoffer1].

Geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge¬bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer1] ([adres], bankrekening [nummer]) van een bedrag van € 2.000,00, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1], een bedrag te betalen van € 2.000,00, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Rechters

mrs. Borgerhoff Mulder, Prisse en Schmitz

Instantie: Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, 29 februari 2008

Instantie

Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State

Samenvatting

Terugsturen gescheiden vrouw met Nederlands kind naar Marokko is geen schending Art. 8 EVRM.
Bij de beoordeling van de vraag of de minister in redelijkheid heeft overwogen dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, heeft de voorzieningenrechter terecht betrokken dat van de vreemdeling, die geboren en getogen is in Marokko, verwacht mag worden dat zij zich gedurende een mvv-procedure in Marokko staande kan houden en dat zij niet heeft aangetoond dat zij als gescheiden vrouw met een kind niet tijdelijk door haar in Marokko wonende familieleden kan worden opgevangen. De stelling dat haar vader haar eerder heeft teruggestuurd naar haar echtgenoot en haar beroep op de situatie van in Marokko achtergebleven vrouwen, is terecht als ontoereikend aangemerkt. De Vzr heeft de belangen van haar kind en het feit dat zij hier gezinsleven heeft opgebouwd betrokken bij de beoordeling en behoefde geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister doorslaggevend belang had moeten hechten aan de omstandigheid dat het kind hier is geboren en getogen en de Nederlandse nationaliteit heeft. Niet valt in te zien dat de situatie van in Marokko achtergelaten vrouwen en de omstandigheid dat zij eerder door haar voormalige echtgenoot in Marokko is achtergelaten tot het oordeel zouden moeten leiden dat zij niet in staat zal zijn om een mvv aan te vragen en de beslissing hierop in Marokko af te wachten.
2. Nu de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting Nederland te verlaten in beginsel slechts tijdelijk van aard is, zal van een schending van art 8 EVRM slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Of art. 8 EVRM ook tot vergunningverlening zou moeten nopen, kan, zoals eerder overwogen), daarbij nog niet aan de orde zijn.

Volledige tekst

Uitspraak

200701721/1.
Datum uitspraak: 29 februari 2008

RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante],

tegen de uitspraak in zaak nrs. 06/47578 en 06/47577 van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 31 januari 2007 in het geding tussen:

[appellante]
en
de minister van Justitie.

1) Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2004 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [appellante] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 11 september 2006 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 januari 2007, verzonden op 8 februari 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 maart 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2007, waar de vreemdeling in persoon, bijgestaan door mr. R.J.J. Flantua, advocaat te Utrecht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te ’s Gravenhage, zijn verschenen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2) Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.
Ingevolge het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.
In artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aantal categorieën vreemdelingen vermeld, waarvan de aanvraag niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv. In het eerste lid, aanhef en onder g wordt de mogelijkheid geopend bij algemene maatregel van bestuur categorieën vreemdelingen aan te wijzen die van het vereiste over een geldige mvv te beschikken (hierna: het mvv-vereiste) zijn vrijgesteld.

2.1.2. Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.
In het tweede lid wordt uitwerking gegeven aan voormeld artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.
Ingevolge het vierde lid kan de minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: de hardheidsclausule).

2.1.3. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 108-109) moet worden afgeleid dat de in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 neergelegde bevoegdheid bedoeld is als discretionair van aard en beperkt van omvang. Gevallen, waaromtrent is voorzien dat het mvv-vereiste niet zal kunnen worden tegengeworpen, zijn bij en krachtens artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 van dat vereiste uitgesloten, zodat toepassing van de hardheidsclausule beperkt kan blijven tot zeer uitzonderlijke gevallen die door wet- en regelgever niet zijn voorzien.
Met het stellen van het mvv-vereiste heeft de wetgever beoogd dat de overheid bij haar onderzoek of de desbetreffende vreemdeling aan alle vereisten voor verblijfsaanvaarding voldoet, niet door diens illegale aanwezigheid alhier voor een voldongen feit wordt geplaatst.

2.2. De vreemdeling klaagt in haar eerste grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omstandigheid dat zij niet wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste in het onderhavige geval niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Volgens de vreemdeling heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat haar familie in Marokko haar niet wil opvangen en heeft hij de belangen van haar in Nederland geboren en getogen kind dat de Nederlandse nationaliteit bezit niet bij de beoordeling betrokken. Voorts betoogt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter niet is ingegaan op de door haar aangevoerde beroepsgrond dat het probleem van in Marokko achtergelaten vrouwen groot is en dat, nu zij eerder door haar voormalige echtgenoot in Marokko is achtergelaten, aan de tijdelijkheid van haar verblijf in Marokko tijdens de mvv-procedure ernstig kan worden getwijfeld.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraken van 26 juni 2003 in zaak nr. 200301866/1, JV 2003/257, en 9 december 2003 in zaak nr. 200306704/1, JV 2004/63), is het aan de desbetreffende vreemdeling om aan het beroep op de hardheidsclausule individuele feiten en omstandigheden ten grondslag te leggen en deze aannemelijk te maken en kan de weigering door de minister om in een bepaald geval aan die clausule toepassing te geven de toetsing in rechte slechts dan niet doorstaan, indien moet worden geoordeeld dat hij bij afweging van de betrokken belangen daartoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

2.2.2. Bij de beoordeling van de vraag of de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het tegenwerpen van het mvv vereiste niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, heeft de voorzieningenrechter terecht betrokken dat van de vreemdeling, die geboren en getogen is in Marokko, verwacht mag worden dat zij zich gedurende een te volgen mvv-procedure in het land van herkomst staande kan houden en dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat zij als gescheiden vrouw met een kind niet tijdelijk door haar in Marokko wonende familieleden kan worden opgevangen. De enkele stelling van de vreemdeling dat haar vader haar eerder heeft teruggestuurd naar haar echtgenoot, heeft de voorzieningenrechter terecht niet als toereikend aangemerkt om aannemelijk gemaakt te achten dat de familie van de vreemdeling haar niet wil opvangen dan wel dat de vreemdeling zich in Marokko niet staande zou kunnen houden.

2.2.3. Anders dan de vreemdeling heeft betoogd, heeft de voorzieningenrechter voorts de belangen van haar kind en de omstandigheid dat de vreemdeling hier te lande gezinsleven heeft opgebouwd betrokken bij de beoordeling van het besluit van de minister. Er is geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter aanleiding had moeten zien voor het oordeel dat de minister een doorslaggevend belang had moeten hechten aan de enkele omstandigheid dat het kind in Nederland is geboren en getogen en de Nederlandse nationaliteit heeft.

2.2.4. Hoewel de vreemdeling terecht heeft aangevoerd dat uit de aangevallen uitspraak niet blijkt dat de voorzieningenrechter haar beroep op de situatie van in Marokko achtergelaten vrouwen en de omstandigheid dat zij eerder door haar voormalige echtgenoot in Marokko is achtergelaten, heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of de minster zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het stellen van het mvv-vereiste niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Niet valt in te zien dat deze gestelde omstandigheden tot het oordeel zouden moeten leiden dat de vreemdeling niet in staat zal zijn om een mvv aan te vragen en de beslissing hierop in haar land van herkomst af te wachten. Voor het overige heeft de vreemdeling geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit blijkt dat het tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden indien zij naar Marokko zou moeten terugkeren om daar een mvv aan te vragen.
Gelet op het voorgaande, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het stellen van het mvv-vereiste in het onderhavige geval niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De grief faalt.

2.3. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat in een procedure waarin het mvv-vereiste is tegengeworpen, dient te worden getoetst of artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) tot verblijfsaanvaarding leidt. Volgens de vreemdeling volgt dit uit de ontvankelijkheidsbeslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 12 mei 2005 in zaak nr. 1872/04, Abdullahi Ibrahim Mohamed tegen Nederland (JV 2005/303) en het arrest van het EHRM van 31 januari 2006 in zaak nr. 50435/99, Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland (JV 2006/90), uit de beantwoording door de minister van vragen van leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal op 9 december 2003 (Aanhangsel Handelingen I 2003/04, nr. 7) en van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 23 september 2005 (Aanhangsel Handelingen II 2005/06, nr. 20) en uit zijn brieven van 15 juli 2004 (Eerste Kamer, 2003 2004, 29 224, E) en 19 april 2005 (Eerste Kamer, 2003-2004, 29 224, F).
De vreemdeling betoogt voorts, kort gezegd, dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat de minister, in strijd met artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 (hierna: het IVRK) bij de voorbereiding van het besluit de belangen van haar kind niet heeft betrokken.

2.3.1. In een procedure waarin het mvv-vereiste wordt tegengeworpen, kan artikel 8 van het EVRM slechts een rol spelen in het kader van de beantwoording van de vraag of het tegenwerpen van dat vereiste in een concreet geval een schending van voormeld artikel zal opleveren. Nu de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting Nederland te verlaten in beginsel slechts tijdelijk van aard is, zal van een dergelijke schending slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Of artikel 8 van het EVRM ook tot vergunningverlening zou moeten nopen, kan, zoals de Afdeling in haar uitspraak van 28 september 2004 in zaak nr. 200403756/1 (JV 2004/432), heeft overwogen, daarbij nog niet aan de orde zijn.

2.3.2. Het beroep van de vreemdeling op voormelde ontvankelijkheidsbeslissing van 12 mei 2005 en voormeld arrest van 31 januari 2006, kan, anders dan de vreemdeling heeft betoogd, hieraan niet afdoen. Het EHRM heeft niet overwogen dat in een procedure waarin het mvv vereiste is tegengeworpen moet worden beoordeeld of artikel 8 van het EVRM tot vergunningverlening zou moeten leiden. In de ontvankelijkheidsbeslissing heeft het EHRM een klacht dat Nederland artikel 8 van het EVRM schendt door van een vreemdeling te verlangen naar een buurland van Somalië te reizen en daar een mvv aan te vragen slechts ontvankelijk verklaard. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 31 januari 2006 was de vraag of een tijdelijke terugkeer naar het land van herkomst van de vreemdeling in verband met een daar aan te vragen mvv in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM niet aan de orde.
Reeds omdat uit de door de vreemdeling aangehaalde beantwoording door de minister van vragen van leden van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal op 9 december 2003 en 23 september 2005 en uit zijn brieven van 15 juli 2004 en 19 april 2005, anders dan zij heeft aangevoerd, niet kan worden afgeleid dat in een procedure naar aanleiding van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij een Nederlands kind, waarin het ontbreken van een mvv wordt tegengeworpen, steeds wordt getoetst of artikel 8 van het EVRM tot vergunningverlening noopt, kunnen deze evenmin afdoen aan overweging 2.3.1.

2.3.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het IVRK vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging.

2.3.4. Voor zover het eerste lid al een direct toepasbare norm zou inhouden, zou deze tot niet meer strekken dan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Niet is gebleken dat de belangen van het kind van de vreemdeling niet bij het nemen van het besluit zijn betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van het kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat de in het eerste lid opgenomen bepaling, gelet op haar formulering, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is.
De grief faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3) Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Noot D. Beltman bij JV 2008/165

1). In deze zaak heeft de Afdeling r.o.2.2.5 van haar uitspraak van 9 november 2007 (JV 2008/14, m. nt. PB) herhaald.1 De Afdeling overwoog dat de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting om Nederland te verlaten in beginsel slechts tijdelijk van aard is en dat daarom alleen in uitzonderlijk gevallen sprake kan zijn van schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna EVRM). Het gaat daarbij alleen om de vraag of artikel 8 EVRM noopt tot vrijstelling van het mvv-vereiste. In het onderstaande commentaar zal ik ingaan op het ‘uitzonderlijkheids-criterium’, het ‘tijdelijke’ karakter van de mvv-procedure en het Verdag inzake de Rechten van het Kind (hierna VRK2) .

2). Appellante, van Marokkaanse nationaliteit, heeft op 10 september 2002 een aanvraag ingediend met als doel ‘verblijf bij echtgenoot’. Op dat moment was zij in bezit van een geldige mvv. De toenmalige echtgenoot van appellante heeft haar in december 2002, hangende de aanvraagprocedure, achtergelaten in Marokko terwijl zij zwanger was. Vervolgens is zij op eigen gelegenheid in februari 2003 teruggereisd naar
Nederland. Haar vader had daar nadrukkelijk op aangedrongen, omdat zij vanwege haar huwelijk bij haar echtgenoot hoort te zijn. Op 7 april 2003 is de aanvraag afgewezen vanwege haar terugkeer naar Marokko. In juli 2003 is haar zoon geboren, die door het huwelijk met een Nederlandse echtgenoot de Nederlandse nationaliteit heeft gekregen. In 2004 is de echtscheiding uitgesproken en is er met betrekking tot het kind een omgangsregeling tussen vader en moeder tot stand gekomen. Op 26 september 2003 heeft zij een nieuwe aanvraag ingediend voor ‘verblijf bij kind’. Daarbij heeft ze een beroep gedaan op de hardheidsclausule om vrijgesteld te worden van het mvv-vereiste. Deze aanvraag is ruim een jaar na dato afgewezen. Het daaropvolgende bezwaar van oktober 2004 is vervolgens ongegrond verklaard bij besluit van 22 maart 2005. Na het instellen van beroep is dit besluit op 3 april 2006 door de Staatssecretaris ingetrokken. Op 11 september 2006 is vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waartegen appellante in beroep is gegaan. Dit beroep (voorlopige voorziening met toepassing van art. 8:86 Awb) is op 31 januari 2007 ongegrond verklaard. Een kleine 4½ jaar na de aanvraag van de verblijfsvergunning krijgt appellante ook na de onderhavige uitspraak nul op het rekest en zal ze noodgedwongen moeten terugkeren naar Marokko om daar een mvv aan te vragen.

3). Voor mij staat de vraag centraal welke feiten en omstandigheden toereikend zijn voor een geslaagd beroep op artikel 8 EVRM inzake de vrijstelling van het mvv-vereiste. De rechter dient aan artikel 8 EVRM volledig te toetsen. Dit betekent dat hij alle feiten en omstandigheden toetst in het licht van artikel 8 EVRM en zijn interpretatie in de plaats kan stellen van de interpretatie van het bestuursorgaan.3 Ik kan het niet eens zijn met de conclusie van de Afdeling dat de voorzieningenrechter terecht tot haar uitspraak is gekomen dat er in casu geen sprake is van uitzonderlijke feiten en omstandigheden. Hieronder ga ik daar nader op in.

  1. Appellante is op basis van een geldige mvv het land binnengekomen en heeft dus nooit de intentie gehad om in de illegaliteit te geraken. Door toedoen van haar toenmalige echtgenoot heeft zij vervolgens geen verblijfsvergunning ontvangen. De Afdeling en de Staatssecretaris slaan, in dit geval, dus de plank mis door te overwegen dat de overheid ‘niet door diens illegale aanwezigheid alhier voor een voldongen feit wordt geplaatst’. Appellante heeft meerdere keren in de procedure verklaard dat zij slachtoffer is van achterlating door haar ex-echtgenoot in het land van herkomst. De problematiek van achtergelaten vrouwen is een bekend gegeven.4 Tevens is er in 2004 in de Tweede Kamer een motie aangenomen om terugkeer van vrouwen met kinderen met de Nederlandse nationaliteit te bespoedigen.5 Het laatste betekent derhalve dat
    achtergelaten vrouwen zo snel mogelijk weer met hun Nederlandse kind herenigd moeten worden. Appellante heeft vervolgens aangevoerd dat zij min of meer verstoten is door haar familie, waardoor er geen opvang en voorzieningen voor haar aanwezig zijn in het land van herkomst. De vraag die de gemachtigde terecht heeft opgeroepen in zijn hoger beroepschrift is, hoe appellante moet aantonen dat zij geen opvang en
    voorzieningen tot haar beschikking heeft in Marokko. Je kunt mijns inziens onmogelijk van appellante een schriftelijke verklaring van haar vader verwachten, waarin staat dat ze niet meer welkom is. Daarnaast vraag ik me af op basis waarvan de Staatssecretaris kan overwegen dat ‘verwacht mag worden dat zij zich gedurende een te volgen mvvprocedure in het land van herkomst staande kan houden’. Deze, mogelijk vanuit het Westers perspectief reële, verwachting, wordt niet gemotiveerd en daarmee nader geconcretiseerd op het individuele geval. Is er bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar de positie van alleenstaande (gescheiden) vrouwen in Marokko? Artikel 3:2 jo. 3:46 Awb
    veronderstellen dat nader onderzoek wordt gedaan.

5). Tot slot staat vast dat appellante al 5½ jaar, met een korte onderbreking, in Nederland verblijft, vrijwilligerswerk onderneemt, en een Nederlandse, inmiddels leerplichtige, minderjarige zoon heeft. Tevens hebben de, aan het bestuur toe te rekenen, lange doorlooptijden geleid tot worteling in de Nederlandse samenleving van appellante en haar zoon. Mijns inziens kan derhalve niet ontkend worden dat het bovenstaande
geen bijzondere omstandigheden en feiten omvatten. De vraag is echter of ze bijzonder (uitzonderlijk) genoeg zijn om schending van artikel 8 EVRM aan te nemen. Ik denk van wel. In het onderstaande zal ik dat nader toelichten en daarbij de nadruk leggen op de situatie dat moeder en zoon ‘tijdelijk’ gescheiden zullen zijn.

6). Het tijdelijkheidsargument dat door de Staatssecretaris herhaaldelijk wordt aangevoerd in zaken waarbij vrijstelling van het mvv-vereiste speelt, kan naar mijn mening geen stand houden.6 ‘Tijdelijk’ impliceert mijns inziens een periode van een maand en hooguit drie maanden en impliceert tevens dat er positief beslist wordt op de aanvraag. Het laatste is nog maar de vraag. In geval van negatieve besluiten zal de
scheiding tussen moeder en kind sowieso niet meer ‘tijdelijk’ zijn. De redelijke termijn voor de mvv-procedure is gesteld op drie maanden. Op basis van die gegevens kan de Staatssecretaris volhouden dat het gaat om een tijdelijke scheiding van kind en moeder. Echter, het rapport van de Rekenkamer van 2005 heeft aangetoond dat de ‘tijdelijkheid’ van de mvv-procedure niet gewaarborgd is.8

7). De ‘tijdelijke’ scheiding van moeder en zoon omvat echter niet alleen de duur van de mvv-procedure. De Wet Inburgering Buitenland brengt bijvoorbeeld mee dat vreemdelingen een inburgeringscertificaat moeten overleggen bij de aanvraag. Om voor het examen te slagen, wordt mogelijkerwijs een cursus gevolgd of wordt zelfstandig het cursusmateriaal bestudeerd. Deze studie- en onderwijsperiode vindt doorgaans plaats voordat de aanvraag is gedaan. Daarnaast zijn er veel kosten verbonden aan de 4 ACVZ 20 april 2005, Tegen de wil achtergebleven. Een advies over het tegen de wil achterblijven van vrouwen en kinderen in hun herkomstland, www.acvz.com.
aanvraagprocedure. Naast de kosten die gemaakt worden voor de reis en het verblijf, zou appellante moeten investeren in het inburgeringstraject en 830 euro aan leges moeten betalen voor de mvv-aanvraag. Wanneer de aanvraag in eerste instantie wordt
afgewezen komen tevens de eventuele kosten van de rechtsbijstand voor rekening van appellante. Het zou dus kunnen zijn dat appellante, voordat zij überhaupt in de gelegenheid is om een mvv aan te vragen, allereerst in Marokko een baan zou moeten vinden om financieel draagkrachtig genoeg te zijn. Deze mogelijke overbruggingsperiode leidt tot een langere scheiding van moeder en kind.

8). Volgens de Staatssecretaris komen de bovenstaande kosten en eisen die gesteld worden, en mijns inziens terecht, voor rekening van de vreemdeling. Dit doet echter niets af aan de vraag of de scheiding tussen kind en moeder wel zo ‘tijdelijk’ is. De overweging van de Staatssecretaris, dat een toets aan artikel 8 EVRM inzake vrijstelling van het mvvvereiste pas aan de orde kan komen als van tevoren vaststaat dat de mvv-procedure zal leiden tot langdurige ontwrichting van het familie- of gezinsleven is wat mij betreft niet steekhoudend. De duur van de scheiding tussen moeder en zoon valt namelijk niet van tevoren vast te stellen aangezien de ‘tijdelijkheid’ van de mvv-procedure niet gegarandeerd kan worden en de duur van het verblijf in het land van herkomst, an sich, onzeker is. Tevens kan, op basis van het bovenstaande, gesteld worden dat een ‘langdurige ontwrichting’, hetgeen volgens mij een periode van langer dan drie maanden
impliceert, een reële mogelijkheid is.

9). De ‘tijdelijke’ scheiding is in dit geval naar mijn mening in strijd met artikel 3 en 6 in samenhang met artikel 10 VRK. Artikel 3 VRK schrijft voor dat bij alle maatregelen met betrekking tot kinderen het belang van het kind de eerste overweging vormt. Dit betekent dus dat in geval er tegengestelde belangen zijn, de belangen van het kind voorrang genieten. Artikel 6 VRK schrijft het recht voor op een ongestoorde ontwikkeling van het kind. Artikel 10 VRK is in feite een nadere concretisering van artikel 8 EVRM. Het VRK is onderdeel van het Nederlands recht geworden na ratificatie en bekendmaking van het verdrag. Dat betekent dat, conform artikel 93 en 94 van de Grondwet, het Nederlandse recht in overeenstemming moet zijn met de bepalingen uit de het VRK, hetgeen impliceert dat de uitvoering op basis van die wet- en regelgeving ook in lijn moet zijn met de bepalingen uit dit verdrag. Dit staat los van de vraag of het VRK rechtstreekse werking heeft of niet. Voor de Staat bestaat er namelijk een inspanningsplicht om het verdrag in wet, regelgeving en uitvoering na te leven.9 Wanneer blijkt dat de Staatssecretaris het
VRK in haar belangenafweging niet of niet op een zorgvuldige wijze heeft betrokken, dan zal de rechter op dit moment, ten aanzien van een aantal bepalingen van het VRK, niet rechtstreeks toetsen aan het verdrag. Echter, het besluit kan dan nog wel vernietigd worden op grond van artikel 3:2, 3:4 en 3:46 Awb.

10). De Staatssecretaris en met haar de Afdeling zijn van oordeel dat het belang van het kind voldoende geïncorporeerd is in het Nederlandse vreemdelingenbeleid. Volgens de Staatssecretaris ‘vormen de belangen van het kind reeds een eerste overweging bij de inrichting van het beleid’; ‘valt uit de tekst, noch uit de wordingsgeschiedenis van het VRK af te leiden dat aan het Verdrag een verdergaande strekking moet worden toegekend dan aan de Nederlandse regelgeving omtrent gezinshereniging, zoals deze thans is neergelegd in hoofdstuk B2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna Vc 2000)’ en ‘reiken de grenzen van dit artikel (red. artikel 3 VRK) niet verder dan die welke gelden
voor de werking van artikel 8 EVRM’. In het navolgende zal ik bij alle drie de redeneringen enkele opmerkingen plaatsen.

11). Ten aanzien van het eerste punt van de Staatssecretaris kan de vraag worden gesteld waar de Vreemdelingencirculaire, ten aanzien van gezinshereniging, uitgaat van voorrang voor het belang van het kind in geval van tegenstrijdige belangen. Uit de onderhavige zaak valt op te maken dat het belang van de zoon van appellante niet volledig is betrokken bij de besluitvorming inzake de aanvraag van de verblijfsvergunning.
Laat staan dat het belang van de zoon in casu voorrang heeft in de afweging van de betrokken belangen. In de onderhavige zaak wordt ervan uit gegaan dat appellante haar zoon mee kan nemen naar Marokko.10 Appellante heeft echter een omgangsregeling met betrekking tot haar zoon en kan dus haar zoon niet meenemen naar Marokko. De ‘tijdelijke’ scheiding betekent dat haar zoon gedurende deze periode bij zijn vader zal verblijven. De vraag is of dit goed zou zijn voor diens ontwikkeling in de zin van artikel 6 VRK. Wanneer ik gebruik maak van de opgestelde lijst met ontwikkelingsvoorwaarden in gezin en samenleving van Kalverboer11 blijkt dat scheiding van moeder en zoon in dit geval leidt tot schending van artikel 3 en 6 VRK door de aantasting van de ontwikkelingsvoorwaarden in het gezin. Ten eerste zal ‘de veilige fysieke directe
omgeving’ op het spel staan. De vader van het kind heeft zich in het verleden moreel onverantwoordelijk gedragen door appellante achter te laten in het land van herkomst. Met betrekking tot de opvoeding is er een vermindering van het affectieve klimaat en vindt er tevens een ontregeling plaats van de opvoedingsstructuur en de continuïteit van opvoeding en verzorging, bij de ‘tijdelijke’ terugkeer van appellante. De zoon van appellante, die al geconfronteerd wordt met gescheiden ouders, zal met de ‘tijdelijke’ terugkeer van zijn moeder een nieuw trauma in zijn ontwikkeling moeten ondervinden. Om het beleid in overeenstemming te brengen met artikel 6 VRK zou het wenselijk zijn de vragenlijst te implementeren in het beleidskader.

12). Ten aanzien van het tweede punt kan ik relatief kort zijn. Ik kan me vinden in het standpunt van de Staatssecretaris in zoverre dat B2 Vc 2000, en daarmee ook de eisen die gesteld worden aan de mvv, in overeenstemming moeten zijn met het VRK (zie hierboven). Bij het laatste heb ik echter zo mijn twijfels, als het gaat om de kernbepalingen van het VRK, namelijk artikel 2, 3, 6, en 12. Ik zal daarover in deze noot
niet verder uitweiden. In hoofdstuk B2 Vc 2000 wordt alleen aandacht besteed aan de rechten van het kind als het gaat om de afweging die wordt gemaakt in het kader van artikel 8 EVRM. Opvallend is dat er geen beleidskader is ontwikkeld inzake aanvragen
met als verblijfsdoel ‘verblijf bij kind’. Het kan wel zo zijn dat de voorzieningenrechter vindt dat de Staatssecretaris ter zitting voldoende duidelijke informatie heeft verstrekt over het verblijfsdoel ‘verblijf bij kind’12, in de praktijk komt het echter voor dat de Staatssecretaris bij gebrek aan een beleidskader een verkeerd toetsingskader gebruikt.13 De vraag is waarom de Staatssecretaris toetst aan het strengere beleid inzake verruimde gezinshereniging als het gaat om het verblijfsdoel ‘verblijf bij (minderjarig) kind’. Het zou veel eerder voor de hand liggen om bij afwezigheid van een beleidskader een toets aan het beleid inzake ‘verblijf als minderjarige’ toe te passen of te volstaan met een toets aan
artikel 8 EVRM. Het zou in elk geval wenselijk zijn om beleid te ontwikkelen ten aanzien van dit verblijfsdoel.

13). De belangen van het kind komen met name aan bod in paragraaf 10 van hoofdstuk B2 Vc 2000. Daarin valt op dat het belang van het kind op een veel explicietere wijze aan de orde komt in gevallen waarin sprake is van een negatieve overheidsverplichting (nadrukkelijke verwijzing en een niet-limitatieve opsomming van belangen) dan in gevallen van een positieve overheidsverplichting (slechts een verwijzing naar het Senarrest). De vraag is waarom er een onderscheid gemaakt wordt in het beleid met betrekking tot de belangenafweging inzake artikel 8 EVRM als het gaat om de belangen van het kind.

14). Met betrekking tot het derde standpunt van de Staatssecretaris voorziet artikel 8 EVRM inderdaad in hetgeen artikel 3 VRK impliceert, namelijk het betrekken van de belangen van het kind in de belangenafweging. Een toets aan artikel 8 EVRM brengt echter niet mee dat het belang van het kind de eerste overweging moet zijn. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens past artikel 3 VRK als een associatief recht
toe omdat deze expliciet ziet op de rechten van het kind en nadrukkelijk de belangen van het kind als eerste overweging stelt.14 De grenzen van artikel 3 VRK reiken dus wel degelijk verder dan de grenzen van artikel 8 EVRM.

15). Wat betreft de rechtstreekse werking van artikel 3 VRK zou ik nog tot mijn genoegen willen opmerken dat de norm die gesteld is in artikel 3 VRK onlangs nader is uitgewerkt in (concept; red.) nationale wet- en regelgeving en binnenkort door de rechter direct toegepast kan worden. Dit geldt echter helaas nog niet voor het vreemdelingenrecht. In zaken met betrekking tot kinderbeschermingsmaatregelen zal het belang van het kind de eerste overweging zijn en daarmee zal het recht van een kind op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid – meer dan nu het geval is – mogelijk worden gemaakt.15 Het zou van harte toe te juichen zijn als deze ontwikkeling
ook leidt tot de uiteindelijke aanpassing van de vreemdelingenwet- en regelgeving op dit terrein. Zodoende zal het niet meer nodig zijn via ingewikkelde constructies de rechtstreekse werking van artikel 3 VRK te bewijzen.16

16). Terug naar de casus. Zijn de omstandigheden en feiten die in de onderhavige zaak spelen dusdanig uitzonderlijk dat artikel 8 EVRM in de weg staat aan het mvv-vereiste? Vooropgesteld ben ik van mening dat een minderjarig kind slechts in uitzonderlijke omstandigheden gescheiden mag worden van zijn ouder(s). De scheiding in casu is in strijd met artikel 3 en 6 VRK. Deze zaak bewijst eens temeer dat bij de inrichting van het beleid de belangen van het kind niet de eerste overweging vormen. Wanneer dat wel het geval zou zijn, had de Staatssecretaris vrijstelling verleend van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 EVRM. Naast het feit dat mijns inziens binnen de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM de schending van artikel 3 en 6 VRK al leidt tot de conclusie dat het algemeen belang van de Staat in deze zaak niet prevaleert boven het belang van appellante, brengen de omstandigheden en feiten die hierboven zijn besproken mee dat
de Staatssecretaris zich tevens schuldig maakt aan excessief formalisme door in dit geval te veel betekenis te hechten aan het illegale verblijf van appellante.17 Hierbij ga ik uit van de omstandigheid dat de scheiding tussen appellante en haar zoon niet ‘tijdelijk’ zal zijn. Vrijstelling van het mvv-vereiste zou dus, op grond van artikel 8 EVRM, op zijn plaats zijn geweest.
Mr. D. Beltman
Promovendus migratierecht aan de Rijksuniversiteit Groningen

Noten
1 Eerder deed de Afdeling dit in de uitspraken van 18 december 2007, 200703445/1, Migratieweb ve08000009;14 januari 2008, ve08000095 en van 15 januari 2008, 200704688/1, JV 2008/113, ve08000155, LJN: BC2489.
2 In tegenstelling tot het gebruik in jurisprudentie en literatuur hanteer ik de afkorting VRK. Zie hierover hetgeen J.C.M. Willems heeft geschreven in: J.C.M. Willems, Het Verdrag inzake de Rechten van het Kind: waarom VRK goed is en IVRK (eigenlijk) fout, Ars Aequi 2007, p. 513-514.
3 Lees meer hierover in het artikel van H. Toner, Article 8 ECHR – Full judicial scrutiny?, Migrantenrecht 2007 nr. 1+2, p. 48-53.
5 Handelingen TK 2003-2004, nr. 95, p. 6143 en Kamerstuk TK 2003-2004, 29742, nr. 1; ve04001586.
6 Zie ook: Vzr Rb ’s-Gravenhage zp Assen 1 april 2008, AWB 08/2443, ve08000689, LJN: BC8738. Volgens de
voorzieningenrechter had de Staatssecretaris onvoldoende rekening gehouden met het voornemen om de
vreemdeling ongewenst te verklaren. De vreemdeling zou dan in een periode van tien jaar niet naar Nederland
mogen komen, zodat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet kan worden gesproken van ‘tijdelijk’.
7 ABRvS 17 maart 2008, 200706542/1, ve08000603 LJN: BC8001, r.o. 2.1.3. De Afdeling gaat echter niet in op
het aangevoerde argument dat ‘de (eventuele) scheiding niet per definitie van tijdelijke aard is, omdat
mogelijkerwijs wordt vastgesteld dat niet aan de voorwaarden voor verlening van de door de vreemdeling
gewenste verblijfsvergunning wordt voldaan’.
8 Kamerstukken TK 2004-2005, 30240, nr. 2, ve05001540.
9 Zie meer hierover in: M.E. Kalverboer en H.B. Winter, Asielgezinnen en kinderrechten. Het belang van het kind
en het recht op ontwikkeling in de Nederlandse asielpraktijk, Journaal Vreemdelingenrecht 2006/10, p. 772-785.
G. Cardol, De betekenis van het internationale verdrag inzake de rechten van het kind voor gezinshereniging,
Migrantenrecht 2007 nr. 1+2, p. 37-43.
10 Vgl. EHRM 25 maart 2003, Rodrigues da Silva en Hoogkamer t. Nederland, RV 2006, 21 m. nt. SvW: De
annotator merkt het volgende op over het standpunt van de vreemdelingenrechtelijke autoriteiten dat moeder en
kind samen naar Brazilië kunnen afreizen terwijl de familierechter een maatregel had getroffen in het belang van
het kind: ‘Het is voor deze minachting, van de kant van de vreemdelingenrechtelijke autoriteiten, voor
maatregelen die door de familierechter zijn getroffen ter bescherming van het kind, die naar mijn mening de
conclusie rechtvaardigt dat sprake is geweest van schending van een positieve verplichting’.
11 M.E. Kalverboer & A.E. Zijlstra, Kinderen uit asielzoekersgezinnen en het recht op ontwikkeling. Het belang
van het kind in het vreemdelingenrecht, SWP Amsterdam 2006, p. 30-52. Deze vragenlijst is opgesteld in het
kader van aanvragen met betrekking tot asielkinderen. Ik ben van mening dat deze vragenlijst ook vanuit een
veel breder perspectief benaderd kan worden. De vragen die centraal staan ten aanzien van de
ontwikkelingsvoorwaarden in het gezin kunnen mijns inziens direct worden toegepast in
gezinsherenigingsituaties ten aanzien van minderjarigen.
12 Vzr Rb ’s Gravenhage zp Haarlem 31 januari 2007, AWB 06/47578 en 06/47577, ve08000179.
13 Rb ’s Gravenhage zp Arnhem 19 mei 2003, ve03001007, LJN: AF9652.
14 U. Kilkelly, ‘The best of both worlds for children’s rights? Interpreting the European Convention on Human
Rights in the light of the UN Convention on the Rights of the Child’, Human rights quarterly 2001, p. 314. Zie
bijvoorbeeld: EHRM 12 oktober 2006, Mubilanzila Mayeka en Kaniki Mitunga t. België, JV 2007/29 m. nt. HBA.
15 Zie voor het (concept) wetsvoorstel, de memorie van toelichting en het onderliggende onderzoek:
http://www.justitie.nl/onderwerpen/jeugd/jeugdbescherming/Beter%5FBeschermd/wetgeving/
16 D. Beltman, zaak C-540/03, Europees Parlement t. Raad van de Europese Unie, SEW 2007-1, p. 45-46.
17 EHRM 25 maart 2003, Rodrigues da Silva en Hoogkamer t. Nederland, JV 2003/239 m. nt. PB.

Rechters

Lubberdink, Troostwijk, Roemers

Instantie: HvJ EG, 26 februari 2008

Instantie

HvJ EG

Samenvatting

Ontslag wegens afwezigheid vanwege IVF directe discriminatie. Een werkneemster in Oostenrijk is door haar werkgever ontslagen tijdens een IVF-behandeling. Op de dag van ontslag waren de bij haar uitgenomen eicellen al door haar partner bevrucht, maar nog niet teruggeplaatst in haar baarmoeder. Het Europese Hof oordeelt dat op een dergelijk moment de zwangerschap nog niet is begonnen. Richtlijn 92/85 is daarom niet van toepassing. Naar het oordeel van het Hof kan er wel sprake zijn van directe discriminatie op grond van geslacht als de IVF-behandeling de voornaamste ontslaggrond vormt. Alleen vrouwen kunnen namelijk het stadium van de IVF-behandeling ondergaan waarin de werkneemster zich bevond toen zij ontslagen werd.

Volledige tekst

In zaak C‑506/06,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 23 november 2006, ingekomen bij het Hof op 14 december 2006, in de procedure

Sabine Mayr

tegen

Bäckerei und Konditorei Gerhard Flöckner OHG,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas en L. Bay Larsen, kamerpresidenten, R. Silva de Lapuerta, K. Schiemann, J. Makarczyk, P. Kūris, E. Juhász, A. Ó Caoimh (rapporteur), P. Lindh en J.‑C. Bonichot, rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,

griffier: B. Fülöp, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 oktober 2007,

gelet op de opmerkingen van:

– Bäckerei und Konditorei Gerhard Flöckner OHG, vertegenwoordigd door H. Hübel, Rechtsanwalt,

– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer en M. Winkler als gemachtigden,

– de Griekse regering, vertegenwoordigd door E.‑M. Mamouna en vertegenwoordigd door K. Georgiadis en M. Apessos als gemachtigden,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,

– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. van Beek en V. Kreuschitz en vertegenwoordigd door I. Kaufmann-Bühler als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 november 2007,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, sub a, van richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 348, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen S. Mayr, verzoekster in het hoofdgeding, en haar vroegere werkgever, Bäckerei und Konditorei Gerhard Flöckner OHG (hierna: „Flöckner”), verweerster in het hoofdgeding, naar aanleiding van het ontslag dat Mayr door deze laatste is aangezegd.

Toepasselijke bepalingen

Gemeenschapsregeling

Richtlijn 76/207/EEG

3 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40), bepaalt dat „[h]et beginsel van gelijke behandeling […] in[houdt] dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie”.

4 In lid 3 van hetzelfde artikel 2 is bepaald dat richtlijn 76/207 „geen afbreuk [doet] aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft”.

5 Artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207 luidt:

„De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht.”

6 Richtlijn 76/207, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 (PB L 269, blz. 15), is ingetrokken bij artikel 34, lid 1, van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) (PB L 204, blz. 23).

7 De richtlijnen 2002/73 en 2006/54 zijn evenwel ratione temporis niet van toepassing op de feiten van het hoofdgeding.

Richtlijn 92/85

8 Uit de negende overweging van de considerans van richtlijn 92/85 volgt dat de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie geen afbreuk mag doen aan de plaats van de vrouw op de arbeidsmarkt en evenmin afbreuk mag doen aan de richtlijnen op het gebied van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

9 Volgens de vijftiende overweging van die richtlijn kan het risico van ontslag om redenen in verband met hun toestand een nadelige uitwerking hebben op de lichamelijke en geestelijke toestand van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie en moet het worden verboden deze werkneemsters te ontslaan.

10 Volgens artikel 2, sub a, van richtlijn 92/85 wordt onder zwangere werkneemster verstaan, „elke zwangere werkneemster die de werkgever in kennis stelt van haar toestand, overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken”.

11 Artikel 10 van richtlijn 92/85 luidt:

„Teneinde werkneemsters [tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie] in de zin van artikel 2 te waarborgen dat zij de in het onderhavige artikel erkende rechten inzake de bescherming van haar veiligheid en gezondheid kunnen doen gelden, wordt het volgende bepaald:

1) de lidstaten nemen de nodige maatregelen om ontslag van werkneemsters in de zin van artikel 2 te verbieden gedurende de periode vanaf het begin van hun zwangerschap tot het einde van het in artikel 8, lid 1, bedoelde zwangerschapsverlof, behalve in uitzonderingsgevallen die geen verband houden met hun toestand en overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken zijn toegestaan en, in voorkomend geval, voor zover de bevoegde instantie hiermee heeft ingestemd;

2) wanneer een werkneemster in de zin van artikel 2 wordt ontslagen gedurende de in punt 1 bedoelde periode, dient de werkgever schriftelijk gegronde redenen op te geven voor het ontslag;

3) de lidstaten nemen de nodige maatregelen om werkneemsters in de zin van artikel 2 te beschermen tegen de gevolgen van ontslag, indien dit op grond van punt 1 onwettig is.”

12 Artikel 12 van richtlijn 92/85 bepaalt:

„De lidstaten nemen in hun interne rechtsorde de nodige voorschriften op om iedere werkneemster die meent te zijn benadeeld door het niet naleven te haren aanzien van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen de mogelijkheid te bieden om haar rechten voor de gerechten en/of, overeenkomstig de respectieve nationale wetgevingen en/of praktijken, voor andere bevoegde instanties te doen gelden.”

Nationale regeling

13 § 10 van het Mutterschutzgesetz (Oostenrijkse wet op de bescherming van het moederschap; hierna: „MSchG”), luidt:

„1. Een werkneemster kan gedurende de zwangerschap en in de vier maanden na de bevalling niet rechtmatig worden ontslagen, tenzij de werkgever niet op de hoogte is van de zwangerschap of de bevalling.

  1. Het ontslag is ook onrechtmatig wanneer de werkgever van de zwangerschap of de bevalling in kennis wordt gesteld binnen de vijf werkdagen vanaf de aanzegging van het ontslag of van de betekening ervan in geval van schriftelijk ontslag. De schriftelijke kennisgeving van de zwangerschap of de bevalling wordt geacht tijdig te hebben plaatsgevonden wanneer zij binnen vijf dagen ter post wordt bezorgd. Indien de werkneemster zich binnen de termijn van vijf dagen op haar zwangerschap of bevalling beroept, moet zij tezelfdertijd de zwangerschap of het vermoeden van zwangerschap aantonen door middel van een medisch certificaat dan wel de geboorteakte van het kind voorleggen. […]”

14 Krachtens artikel 17, lid 1, van het Fortpflanzungsmedizingesetz (Oostenrijkse wet op de voortplanting onder medische begeleiding; hierna: „FMedG”), kunnen levensvatbare cellen, namelijk, volgens § 1, lid 3, FMedG, bevruchte eicellen en de daaruit ontwikkelde cellen, gedurende een periode van maximaal tien jaar worden bewaard.

15 Overeenkomstig § 8 FMedG kan voortplanting onder medische begeleiding slechts plaatsvinden met toestemming van de partners. De vrouw kan haar toestemming intrekken tot het moment waarop de levensvatbare cellen in haar lichaam worden geplaatst.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

16 Mayr was vanaf 3 januari 2005 als serveerster werkzaam bij Flöckner.

17 In het kader van een poging tot in-vitrofertilisatie en na een hormoonbehandeling van ongeveer anderhalve maand, is bij Mayr een eicelpunctie verricht op 8 maart 2005. Haar behandelend geneesheer heeft haar ziekteverlof van 8 tot en met 13 maart 2005 voorgeschreven.

18 Op 10 maart 2005 heeft Flöckner Mayr telefonisch laten weten dat zij per 26 maart 2005 ontslagen was.

19 Bij brief van diezelfde dag heeft Mayr Flöckner ervan op de hoogte gebracht dat in het kader van een kunstmatige bevruchting, op 13 maart 2005 bevruchte eicellen in haar baarmoeder zouden worden geplaatst.

20 Volgens de verwijzingsbeslissing staat vast dat op de dag van aanzegging van Mayrs ontslag, 10 maart 2005, de bij haar weggenomen eicellen al waren bevrucht door de zaadcellen van haar partner, zodat op diezelfde datum reeds in vitro bevruchte eicellen bestonden.

21 Op 13 maart 2005, te weten drie dagen nadat Mayr van haar ontslag in kennis was gesteld, zijn twee bevruchte eicellen in haar baarmoeder geplaatst.

22 Mayr heeft van Flöckner betaling van haar loon en van een evenredig deel van haar jaarsalaris gevorderd met het betoog dat het ontslag van 10 maart 2005 nietig was omdat zij sinds 8 maart 2005, de dag waarop haar eicellen in vitro zijn bevrucht, viel onder de in § 10, lid 1, MSchG neergelegde bescherming tegen ontslag.

23 Flöckner heeft dat verzoek afgewezen op grond dat er op de dag van het ontslag nog geen sprake was van zwangerschap.

24 Het Landesgericht Salzburg, waarbij het geschil in eerste aanleg aanhangig is gemaakt, heeft Mayrs vordering toegewezen. Het heeft geoordeeld dat volgens de rechtspraak van het Oberste Gerichtshof de in § 10 MSchG neergelegde bescherming tegen ontslag ontstaat bij de bevruchting van de eicel. Deze bevruchting wordt volgens die rechtspraak geacht het beginpunt van een zwangerschap te zijn. Het Landesgericht Salzburg heeft dus geoordeeld dat dit ook het geval moet zijn bij in-vitrofertilisatie en dat indien de terugplaatsing van de bevruchte eicel mislukt, de bescherming tegen ontslag hoe dan ook vervalt.

25 Het Oberlandesgericht Linz, dat in hoger beroep uitspraak doet in zaken op het gebied van arbeidsrecht en sociaal recht, heeft het vonnis van het Landesgericht Salzburg vernietigd en Mayrs vordering afgewezen op grond dat, onafhankelijk van de vraag vanaf welk moment van de zwangerschap daadwerkelijk hormonale veranderingen optreden, een zwangerschap niet los kan worden gezien van het lichaam van de vrouw, zodat bij in-vitrofertilisatie de zwangerschap pas begint bij de plaatsing van de bevruchte eicel in het lichaam van de vrouw. De bescherming van de zwangere vrouw tegen beëindiging van de arbeidsovereenkomst begint dus pas vanaf die terugplaatsing.

26 Tegen dat arrest in hoger beroep is beroep tot „Revision” ingesteld bij het Oberste Gerichtshof. Volgens de rechtspraak van dit Gerichtshof treedt de door § 10 MSchG gewaarborgde bescherming pas in werking indien op het tijdstip van het ontslag daadwerkelijk een zwangerschap is begonnen. De bescherming van het moederschap heeft tot doel, en daarvan kan niet worden afgeweken, de gezondheid van moeder en kind veilig te stellen in het belang van deze laatsten en, in het geval van bescherming tegen ontslag, het levensonderhoud van de moeder te waarborgen. De behoefte aan bescherming voor de duur van de gewijzigde toestand van de vrouw bestaat los van de vraag of de bevruchte eicel zich reeds in het baarmoederslijmvlies heeft ingenesteld, en de vraag of de zwangerschap gemakkelijk kan worden bewezen is in dit verband irrelevant. De innesteling van de bevruchte eicel in het baarmoederslijmvlies is volgens de heersende wetenschappelijke opvatting slechts een schakel in de vanaf de conceptie bestaande zwangerschap, en ter zake van de bescherming tegen ontslag kan zij niet willekeurig worden gekozen als beginpunt van de zwangerschap.

27 Die rechtspraak van het Oberste Gerichtshof inzake § 10 MSchG is evenwel uitsluitend gebaseerd op gevallen van intra-uteriene, dat wil zeggen natuurlijke bevruchting. Het Oberste Gerichtshof zet uiteen dat het voor het eerst uitspraak moet doen over de vraag vanaf welke datum een zwangere vrouw bij in-vitrofertilisatie onder de in § 10 MSchG neergelegde bescherming tegen ontslag valt.

28 Van oordeel dat in het bij hem aanhangige geding een vraag van uitlegging van het gemeenschapsrecht rijst, heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Is een werkneemster die een in-vitrofertilisatiebehandeling ondergaat, een ‚zwangere werkneemster’ in de zin van artikel 2, sub a, eerste zinsnede, van richtlijn [92/85], wanneer ten tijde van de aanzegging van haar ontslag haar eicellen reeds door de zaadcellen van haar partner waren bevrucht, zodat er in-vitro-embryo’s bestonden, die echter nog niet in haar lichaam waren ingeplant?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

29 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 92/85, en met name het in artikel 10, punt 1, van die richtlijn neergelegde ontslagverbod voor zwangere werkneemsters, aldus moeten worden uitgelegd dat zij ook gelden voor een werkneemster die een in-vitrofertilisatiebehandeling ondergaat, wanneer de eicellen van die werkneemster op de dag van de aanzegging van haar ontslag reeds door de zaadcellen van haar partner zijn bevrucht, zodat er in vitro bevruchte eicellen bestaan, maar deze nog niet in de baarmoeder van de werkneemster zijn geplaatst.

30 Bij in-vitrofertilisatie wordt een eicel buiten het lichaam van de vrouw bevrucht. Volgens de Commissie van de Europese Gemeenschappen omvat deze behandeling verschillende stappen, zoals met name de hormonale stimulatie van de eierstokken van de vrouw met de bedoeling meerdere eicellen tezelfdertijd rijp te doen worden, de eicelpunctie, het wegnemen van de eicellen, de bevruchting van een of meer eicellen met opgewerkt zaad, de plaatsing van de bevruchte eicel(len) in de baarmoeder op de derde of de vijfde dag na het wegnemen van de eicellen, behalve wanneer de bevruchte eicellen worden ingevroren, en de innesteling.

31 Richtlijn 92/85 heeft tot doel, de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie te bevorderen.

32 Op dit gebied heeft het Hof ook opgemerkt dat de regels van gemeenschapsrecht inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen op het gebied van de rechten van de vrouw tijdens de zwangerschap of na de bevalling, de bescherming van de vrouwelijke werknemers voor en na de bevalling tot doel hebben (zie arresten van 8 september 2005, McKenna, C‑191/03, Jurispr. blz. I‑7631, punt 42, en 11 oktober 2007, Paquay, C‑460/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 28).

33 Vóór de inwerkingtreding van richtlijn 92/85 heeft het Hof reeds geoordeeld dat krachtens het beginsel van non-discriminatie en met name de artikelen 2, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207, aan de vrouw niet enkel gedurende het zwangerschapsverlof bescherming tegen ontslag moet worden toegekend, maar gedurende de gehele zwangerschap. Volgens het Hof kan ontslag tijdens deze perioden alleen vrouwen treffen en vormt het derhalve een directe discriminatie op grond van geslacht (zie in die zin arresten van 8 november 1990, Handels- og Kontorfunktionærernes Forbund, C‑179/88, Jurispr. blz. I‑3979, punt 13; 30 juni 1998, Brown, C‑394/96, Jurispr. blz. I‑4185, punten 16, 24 en 25, en reeds aangehaalde arresten McKenna, punt 47, en Paquay, punt 29).

34 Juist in verband met het risico dat eventueel ontslag een nadelige uitwerking heeft op de lichamelijke en geestelijke toestand van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie, daaronder begrepen het bijzonder ernstige risico dat een zwangere werkneemster ertoe wordt gebracht vrijwillig haar zwangerschap af te breken, heeft de gemeenschapswetgever in artikel 10 van richtlijn 92/85 een bijzondere bescherming aan vrouwen toegekend door ontslag gedurende de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot het einde van het zwangerschapsverlof te verbieden (zie arrest van 14 juli 1994, Webb, C‑32/93, Jurispr. blz. I‑3567, punt 21; arrest Brown, reeds aangehaald, punt 18; arrest van 4 oktober 2001, Tele Danmark, C‑109/00, Jurispr. blz. I‑6993, punt 26, en reeds aangehaalde arresten McKenna, punt 48, en Paquay, punt 30).

35 Met betrekking tot de bedoelde periode voorziet artikel 10 van richtlijn 92/85 geen uitzonderingen of afwijkingen van het ontslagverbod voor zwangere werkneemsters, behalve in uitzonderingsgevallen die geen verband houden met hun toestand en onder de voorwaarde dat de werkgever een dergelijk ontslag schriftelijk motiveert (reeds aangehaalde arresten Webb, punt 22; Brown, punt 18; Tele Danmark, punt 27, en Paquay, punt 31).

36 Tegen de achtergrond van de door richtlijn 92/85, en meer bepaald door artikel 10 daarvan, nagestreefde doelstellingen moet worden bepaald of de in die bepaling neergelegde bescherming tegen ontslag ook geldt voor een werkneemster in omstandigheden zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.

37 Blijkens zowel de bewoordingen van artikel 10 van richtlijn 92/85 als het hoofddoel van deze richtlijn, dat in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, geldt de door dat artikel toegekende bescherming tegen ontslag slechts indien de betrokken zwangerschap is begonnen.

38 Zoals de Oostenrijkse regering heeft opgemerkt, is het omgaan met kunstmatige bevruchtingen en levensvatbare cellen inderdaad in talrijke lidstaten een zeer gevoelig maatschappelijk thema, dat door een grote verscheidenheid aan tradities en waardesystemen van deze staten wordt gemarkeerd. Het Hof wordt door de onderhavige prejudiciële verwijzing evenwel niet gevraagd om in te gaan op medische of ethische vraagstukken, en het moet enkel een juridische uitlegging geven aan de relevante bepalingen van richtlijn 92/85, gelet op de bewoordingen, de opzet en de doelstellingen van deze richtlijn.

39 Uit de vijftiende overweging van de considerans van richtlijn 92/85 volgt dat het in artikel 10 van deze richtlijn neergelegde ontslagverbod tot doel heeft, te voorkomen dat het risico van ontslag om redenen in verband met hun toestand een nadelige uitwerking kan hebben op de lichamelijke en geestelijke toestand van zwangere werkneemsters.

40 In die omstandigheden is het duidelijk dat, zoals de Oostenrijkse regering overigens heeft betoogd, van de vroegst mogelijke datum van het bestaan van een zwangerschap moet worden uitgegaan om de veiligheid en de bescherming van zwangere werkneemsters te waarborgen.

41 Gesteld al dat bij in-vitrofertilisatie die datum de datum is waarop de bevruchte eicellen in de baarmoeder van de vrouw worden geplaatst, kan echter om redenen die verband houden met de inachtneming van het rechtszekerheidsbeginsel de in artikel 10 van richtlijn 92/85 neergelegde bescherming zich niet uitstrekken tot een werkneemster bij wie op de dag van de aanzegging van haar ontslag de in vitro bevruchte eicellen nog niet in de baarmoeder zijn geplaatst.

42 Zoals uit de bij het Hof ingediende opmerkingen en de punten 43 tot en met 45 van de conclusie van de advocaat-generaal blijkt, kunnen die eicellen immers voordat zij in de baarmoeder van de betrokken vrouw worden geplaatst, in bepaalde lidstaten gedurende kortere of langere tijd worden bewaard. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorziet in dit verband in de mogelijkheid om de bevruchte eicellen gedurende maximaal tien jaar te bewaren. Mocht de in artikel 10 van richtlijn 92/85 neergelegde bescherming tegen ontslag voor een werkneemster gelden vóór de terugplaatsing van de bevruchte eicellen, zou dit dan ook tot gevolg kunnen hebben dat die bescherming zelfs wordt toegekend wanneer deze terugplaatsing om een of andere reden gedurende verscheidene jaren wordt uitgesteld of wanneer in‑vitrofertilisatie enkel als voorzorg heeft plaatsgevonden en definitief van terugplaatsing is afgezien.

43 Ook al is richtlijn 92/85 niet van toepassing op een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, kan het Hof evenwel overeenkomstig zijn rechtspraak bepalingen van gemeenschapsrecht in aanmerking nemen waarnaar in de vraag van de nationale rechter niet wordt verwezen (arresten van 12 december 1990, SARPP, C‑241/89, Jurispr. blz. I‑4695, punt 8, en 26 april 2007, Alevizos, C‑392/05, Jurispr. blz. I‑3505, punt 64).

44 Tijdens de procedure voor het Hof hebben de Griekse en de Italiaanse regering en de Commissie gesuggereerd dat zo richtlijn 92/85 al geen bescherming kan bieden tegen het ontslag van een werkneemster in een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die werkneemster zich eventueel zou kunnen beroepen op de door richtlijn 76/207 toegekende bescherming tegen discriminatie op grond van geslacht.

45 In dit verband verduidelijkt artikel 2, lid 1, van richtlijn 76/207 dat „[h]et beginsel van gelijke behandeling […] in[houdt] dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie”. Luidens artikel 5, lid 1, van die richtlijn „[houdt] [d]e toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, […] in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht”.

46 Zoals uit punt 33 van het onderhavige arrest blijkt, heeft het Hof reeds geoordeeld dat krachtens het beginsel van non-discriminatie en met name de artikelen 2, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207, aan de vrouw niet enkel gedurende het zwangerschapsverlof bescherming tegen ontslag moet worden toegekend, maar gedurende de gehele zwangerschap. Volgens het Hof kan ontslag van een werkneemster wegens zwangerschap of wegens een voornamelijk op die toestand gebaseerde reden alleen vrouwen treffen en vormt het derhalve een directe discriminatie op grond van geslacht (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Handels- og Kontorfunktionærernes Forbund, punt 13; Brown, punten 16, 24 en 25; McKenna, punt 47, en Paquay, punt 29).

47 Aangezien de verwijzingsbeslissing niet preciseert waarom Flöckner Mayr heeft ontslagen, staat het aan de verwijzende rechter om de relevante omstandigheden van het bij hem aanhangige geding vast te stellen en om, voor zover verzoekster in het hoofdgeding is ontslagen terwijl zij met ziekteverlof was om een in-vitrofertilisatiebehandeling te ondergaan, na te gaan of het feit dat zij een dergelijke behandeling onderging de voornaamste reden voor haar ontslag is geweest.

48 Voor het geval dat verzoekster in het hoofdgeding om die reden is ontslagen, moet worden uitgemaakt of die reden zonder onderscheid voor mannelijke en vrouwelijke werknemers geldt of daarentegen uitsluitend voor een van beide geslachten.

49 Het Hof heeft reeds opgemerkt dat aangezien vrouwelijke en mannelijke werknemers in gelijke mate aan ziekte zijn blootgesteld, er geen sprake is van directe discriminatie op grond van geslacht indien een vrouwelijke werknemer in dezelfde omstandigheden als een mannelijke werknemer wordt ontslagen op grond van afwezigheid wegens ziekte (zie reeds aangehaalde arrest Handels‑ og Kontorfunktionærernes Forbund, punt 17).

50 Uiteraard kunnen zowel mannelijke als vrouwelijke werknemers tijdelijk verhinderd zijn hun werk te verrichten doordat zij medische behandelingen moeten ondergaan. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde ingrepen, te weten een eicelpunctie en – onmiddellijk na de bevruchting – de plaatsing in de baarmoeder van de vrouw van de bij die punctie weggenomen eicellen, hebben evenwel enkel rechtstreeks betrekking op de vrouw. Wanneer een werkneemster wordt ontslagen hoofdzakelijk op grond dat zij dit belangrijke stadium van een in-vitrofertilisatiebehandeling ondergaat, is bijgevolg sprake van directe discriminatie op grond van geslacht.

51 Indien een werkgever een werkneemster in omstandigheden zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn zou kunnen ontslaan, zou zulks overigens in strijd zijn met de door artikel 2, lid 3, van richtlijn 76/207 nagestreefde beschermingsdoelstelling, voor zover de in-vitrofertilisatiebehandeling en met name de in het voorgaande punt vermelde specifieke ingrepen die met een dergelijke behandeling gepaard gaan, inderdaad de voornaamste reden voor het ontslag vormen.

52 Bijgevolg verzetten de artikelen 2, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207 zich tegen het ontslag van een werkneemster die zich, in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding, in een vergevorderd stadium van een in-vitrofertilisatiebehandeling bevindt, te weten tussen de eicelpunctie en de onmiddellijke plaatsing van de in vitro bevruchte eicellen in de baarmoeder van die werkneemster, voor zover is aangetoond dat het feit dat de betrokkene een dergelijke behandeling heeft ondergaan, de voornaamste reden voor dit ontslag vormt.

53 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat richtlijn 92/85 en, met name, het in artikel 10, punt 1, van deze richtlijn neergelegde ontslagverbod voor zwangere werkneemsters, aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet gelden voor een werkneemster die een in-vitrofertilisatiebehandeling ondergaat, wanneer op de dag van de aanzegging van haar ontslag de eicellen van die werkneemster reeds door de zaadcellen van haar partner zijn bevrucht, zodat er in vitro bevruchte eicellen bestaan, maar deze nog niet in de baarmoeder van de werkneemster zijn geplaatst.

54 De artikelen 2, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207 verzetten zich echter tegen het ontslag van een werkneemster die zich, in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding, in een vergevorderd stadium van een in-vitrofertilisatiebehandeling bevindt, te weten tussen de eicelpunctie en de onmiddellijke plaatsing van de in vitro bevruchte eicellen in de baarmoeder van die werkneemster, voor zover is aangetoond dat het feit dat de betrokkene een dergelijke behandeling heeft ondergaan, de voornaamste reden voor dit ontslag vormt.

Kosten

55 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Grote kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) en, met name, het in artikel 10, punt 1, van deze richtlijn neergelegde ontslagverbod voor zwangere werkneemsters, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet gelden voor een werkneemster die een in-vitrofertilisatiebehandeling ondergaat, wanneer op de dag van de aanzegging van haar ontslag de eicellen van die werkneemster reeds door de zaadcellen van haar partner zijn bevrucht, zodat er in vitro bevruchte eicellen bestaan, maar deze nog niet in de baarmoeder van de werkneemster zijn geplaatst.

De artikelen 2, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzetten zich tegen het ontslag van een werkneemster die zich, in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding, in een vergevorderd stadium van een in-vitrofertilisatiebehandeling bevindt, te weten tussen de eicelpunctie en de onmiddellijke plaatsing van de in vitro bevruchte eicellen in de baarmoeder van die werkneemster, voor zover is aangetoond dat het feit dat de betrokkene een dergelijke behandeling heeft ondergaan, de voornaamste reden voor het ontslag vormt.

ondertekeningen

Rechters

V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas en L. Bay Larsen, R. Silva de Lapuerta, K. Schiemann, J. Makarczyk, P. Kūris, E. Juhász, A. Ó Caoimh (rapporteur), P. Lindh en J.‑C. Bonichot,

Instantie: Hof Den Haag, 22 februari 2008

Instantie

Hof Den Haag

Samenvatting

Het gerechtshof ‘s-Gravenhage heeft op 22 februari 2008 geoordeeld dat een middelbare school onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door een docente, die een jaar lang uit dienst was geweest omdat zij haar werk niet kon combineren met het geven van borstvoeding aan haar dochter, niet weer op haar oude niveau in te roosteren en haar HOS-garantie (een garantie voor bepaalde groepen leerkrachten dat zij uitzicht hielden op een bepaald

salarisniveau) vervallen te verklaren. De docente had noodgedwongen ontslag genomen omdat haar dochter alleen borstvoeding verdroeg en zij geen mogelijkheden zag om deze wijze van voeden te combineren met haar werk. De school had hiertoe ook geen mogelijkheden geboden, maar had aangedrongen op duidelijkheid op korte termijn. Het hof verwees naar het Brown-arrest van het Europese Hof uit 1989 en oordeelde dat de school niet gerechtigd was eenzelfde bepaling (de HOS-garantie) op gelijke wijze toe te passen in de situatie van de werkneemster, waarin sprake was van een seksegerelateerde dwangpositie, en in andere gevallen (bijvoorbeeld bij langdurige afwezigheid van een mannelijke werknemer). Door dat toch te doen, had de school direct onderscheid naar geslacht gemaakt. Rechtvaardiging daarvan is niet mogelijk.

Volledige tekst

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
1.1 [Werkneemster] is op 1 augustus 1980 in dienst getreden bij gedaagde in de functie van docente [].
1.2 [Werkneemster] heeft, bij de wijziging van het salarissysteem in het onderwijs per 1 april 1985, een zogeheten “HOS-garantie” gekregen, waarbij zij uitzicht behield op schaal 12, salarisnummer 7. In deze verklaring staat onder meer de volgende vervalgrond genoemd: “De verklaring kan haar geldigheid verliezen: zodra de belanghebbende gedurende een periode van meer dan twee maanden niet werkzaam is geweest bij het voortgezet onderwijs;”
1.3 Per 1 augustus 1988 heeft [Werkneemster] haar arbeidsovereenkomst met Rijnlands Lyceum opgezegd. Deze opzegging was het gevolg van het feit dat haar tweede kind in verband met een voedselallergie langdurig borstvoeding nodig had. [Werkneemster] zag geen mogelijkheden om de zorg voor dit kind te combineren met haar werkzaamheden voor Rijnlands Lyceum.
1.4 Op 4 september 1989 is [Werkneemster] weer in dienst getreden bij Rijnlands Lyceum als docente geschiedenis, waarbij zij werd ingeschaald in een functie met maximum salarisschaal 10.
1.5 Bij brief van 20 januari 2001 (productie 1A bij conclusie van antwoord) aan haar vakbond heeft [Werkneemster] haar ontslag in de zomer van 1988 als volgt toegelicht:
” Zeker omdat er in onze beide families veel allergieën voorkwamen, was het te verwachten dat de tweede ook aanleg in die richting had. Na de geboorte van mijn dochter in februari 1988, bleek al snel dat die aanleg inderdaad aanwezig was. Wanneer ik zelf iets at, waar melk in zat, reageerde ze onmiddellijk. Omdat het geven van borstvoeding mij met twee kleine kinderenéén een dieet niet gemakkelijk afging, moest ik van alles doen om mijn voeding in stand te houden. In de praktijk betekende dit, heel weinig doen, heel veel keer per etmaal voeden en elke mogelijkheid te baat nemen om te rusten. Na de 6 weken bevallingsverlof regelde mijn huisarts dat ik met ziekteverlof ging, zodat ik dit keer de rust en gelegenheid had mijn dochter zelf te voeden. Zij vond niet dat ik zelf verlof moest nemen, omdat er geen sprake van was dat ik op dat moment in staat was te werken. Toen de zomervakantie naderde kwam mijn toenmalige rector, de heer [X], op bezoek, en vertelde dat er in het nieuwe schooljaar geen uren voor mij waren en ik met wachtgeld zou moeten gaan. Hoewel ik dit aanvankelijk heel vervelend vond ik had het erg naar mijn zin op deze school en was ook bang er nooit meer tussen te komen (iets dat nu natuurlijk niet meer voorstelbaar is) had ik met het vooruitzicht in augustus niet te hoeven beginnen steeds meer vrede. Mijn dochter was een rustige, tevreden baby, zonder eczeem, maar kon nog steeds niets anders verdragen dan borstvoeding en moest vele malen, ook ’s nachts gevoed worden om genoeg binnen te krijgen. Een baan, hoe klein ook zat er op deze manier niet in. Vlak voor de zomervakantie, het was inmiddels al begin juli hoorde ik dat er plotseling toch nog een uur of negen voor mij beschikbaar waren. Omdat ik voor mijn dochter op 7 juli een afspraak had, haar te laten testen op andere melksoorten, sprak ik met de heer [X] af dit onderzoek af te wachten, voor ik kon toezeggen na de vakantie terug te keren. Mocht ze een andere melk verdragen en ik mijn borstvoeding af kunnen bouwen dan kon hij op me rekenen, zo niet dan wist ik niet hoe ik het moest regelen. Mij werd verteld dat de school het zo snel mogelijk moest weten, omdat mijn beslissing gevolgen zou hebben voor een aantal andere secties. Er zat iemand in sectie geschiedenis met dubbele bevoegdheden, dus mijn beslissing zou in andere secties doorwerken en de vakantie stond voor de deur. De uitslag van alle testen was ongunstig, evenals mijn zoon bleek ze nergens tegen te kunnen. In paniek over wat ik nu toch moest, heb ik nog geprobeerd mijn huisarts te bereiken, maar die bleek al op zomervakantie. Ik heb toen diezelfde middag naar school gebeld om te zeggen dat ik niet kwam en mij gedwongen zag mijn baan op te geven. De rector vroeg mij om dit schriftelijk te bevestigen en dat heb ik meteen gedaan.”
1.6 [Werkneemster] heeft bij brief van 28 juni 2001 aan Rijnlands Lyceum verzocht haar alsnog in te schalen conform de HOS-garantie.
1.7 Met ingang van 1 augustus 2001 is [Werkneemster] bevorderd naar een schaal 12 functie, waarbij aan haar twee extra periodieken zijn toegekend, hetgeen leidde tot een inschaling per die datum in salarisschaal LD 15.
1.8 Bij brief van 10 oktober 2001 heeft Rijnlands Lyceum het verzoek sub 1.6 gemotiveerd afgewezen.
1.9 De Commissie Gelijke Behandeling heeft in haar oordeel van 29 oktober 2002 uitgesproken dat Rijnlands Lyceum jegens [Werkneemster]:
“- sedert 1 augustus 2001 geen onderscheid naar geslacht maakt bij de beloning door de wijze waarop ervaring wordt beloond, en
– sedert 1 augustus 2001 geen onderscheid op grond van geslacht maakt door aan leerkrachten in het voortgezet onderwijs die op of voor 1 april 1985 in dienst waren, en die deze HOS-garantie niet zoals verzoekster tussentijds zijn kwijtgeraakt, salarisaanspraken toe te kennen die uitgaan boven het maximum van de functionele salarisschaal.”
1.10 Op vordering van [Werkneemster] heeft de rechtbank het volgende toegewezen:
– veroordeelt Rijnlands Lyceum om [Werkneemster] met terugwerkende kracht per 4 september 1989 in te schalen in salarisschaal 11.6 en haar binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis het haar toekomende salaris, voor zover nog niet betaald, vanaf 28 juni 1996 te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de achtereenvolgende data van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
– veroordeelt Rijnlands Lyceum om haar medewerking te verlenen aan het repareren van [Werkneemster] pensioen in dier voege dat dit wordt aangepast aan de gewijzigde inschaling zoals hiervoor bepaald, met veroordeling van Rijnlands Lyceum in de proceskosten, alles uitvoerbaar bij voorraad.

2.1 De grieven 1, 2 en 4 met toelichting brengen naar voren dat Rijnlands Lyceum van oordeel is dat zij geen discretionaire bevoegdheid had bij het al dan niet van toepassing laten zijn van de vervalgrond in de HOS-garantie, omdat zij gebonden was aan de door het Rijk gestelde regels. Rijnlands Lyceum stelt ten eerste dat [Werkneemster] derhalve niet haar maar de minister in rechte aan had moeten spreken.
2.2 Het hof overweegt als volgt. Naar haar oordeel kan bovenstaand verweer buiten beschouwing blijven, nu [Werkneemster] uit hoofde van haar arbeidsovereenkomst haar werkgever kan aanspreken wegens ongelijke behandeling. Dat laat uiteraard onverlet dat Rijnlands Lyceum kan besluiten regres te nemen op het Rijk. De grieven 1, 2 en 4 falen in zoverre. Het deel van het verweer dat ziet op het feit dat Rijnlands Lyceum niet aansprakelijk zou kunnen zijn voor een regeling waarin zij geen eigen bevoegdheid had, zal hieronder bij de behandeling van de grieven 6 tot en met 12 worden behandeld.

3.1 In grief 3 stelt Rijnlands Lyceum dat de rechtbank ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat [Werkneemster] wegens gezinsomstandigheden 13 maanden uit dienst is geweest alvorens wederom bij Rijnlands Lyceum haar werk te hervatten. In de toelichting bij deze grief stelt Rijnlands Lyceum dat zij dit in de onderdelen 2 en 10 van de conclusie van antwoord heeft betwist.
3.2. Het hof overweegt dat in onderdeel 2 voor zover relevant staat: ” Het Rijnlands tekent daarbij aan dat het niet wil treden in de vraag waarom [Werkneemster] haar loopbaan in 1998 tijdelijk heeft onderbroken ” en in onderdeel 10 staat voor zover relevant: ” [Werkneemster] beroept zich er daarbij in onderdeel 13 van de dagvaarding op dat zij het HOS-uitzicht is kwijtgeraakt doordat zij haar loopbaan moest onderbreken wegens het geven van borstvoeding aan haar dochter. Daargelaten de vraag of dit juist is gaat het er bij de beoordeling van de vraag of sprake is van direct onderscheid om of de arbeidsvoorwaarde zelf verboden onderscheid maakt.”. Naar het oordeel van het hof heeft Rijnlands Lyceum aldus voornoemd feit niet betwist, maar het slechts in het midden gelaten. Het hof zal derhalve evenals de rechtbank uitgaan van het feit dat [Werkneemster] in de zomer van 1988 haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd wegens gezinsomstandigheden, meer in het bijzonder wegens het geven van borstvoeding. Grief 3 faalt.

4.1. Grief 5 met toelichting brengt naar voren dat Rijnlands Lyceum meent dat de rechtbank ten onrechte niet heeft overwogen waarom zij het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling in deze zaak niet deelt.
4.2 Het hof is het eens met Rijnlands Lyceum dat uit de uitspraak van de rechter moet blijken waarom deze het oordeel van de CGB niet deelt. Nog daargelaten dat een motiveringsgebrek in eerste aanleg niet direct leidt tot vernietiging van de beslissing in hoger beroep (anders dan in cassatie), behoefde de rechtbank in casu echter niet in te gaan op het oordeel van de CGB en dus het hof ook niet omdat de CGB alleen een oordeel heeft gegeven over de situatie sedert 1 augustus 2001 en in rechte nu juist de voorliggende periode in geschil is. Grief 5 faalt.

5.1 In grief 13 stelt Rijnlands Lyceum dat de rechtbank ten onrechte het beroep op rechtsverwerking heeft gepasseerd. Nu [Werkneemster] twaalf jaar heeft gewacht met het instellen van haar vordering heeft zij Rijnlands Lyceum de mogelijkheid ontnomen om in 1989 (hof: bedoeld zal zijn 1988) alternatieven als ontslag met behoud van uitkering of onbetaald verlof te overwegen.
5.2 Het hof overweegt dat volgens vaste rechtspraak het uitgangspunt is dat van rechtsverwerking slechts sprake kan zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking; daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (HR 7 juni 1991, NJ 1991, 708, onder 3.3.1 en HR 29 september 1995, NJ 1996, 89, onder 3.3). In casu heeft Rijnlands Lyceum geen bijzondere omstandigheden gesteld als gevolg waarvan het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [Werkneemster] haar aanspraak niet geldig zou maken. Voorts stelt Rijnlands Lyceum weliswaar dat zij in haar positie is benadeeld, maar zij heeft niet gesteld waarom dat onredelijk zou zijn. Die onredelijkheid vermag het hof niet in te zien, nu het op de weg van Rijnlands Lyceum als werkgever had gelegen om destijds reeds zonder uitdrukkelijke aanspraak van [Werkneemster] de alternatieven voor het ontslag te onderzoeken. Nu Rijnlands Lyceum te weinig heeft gesteld om rechtsverwerking aan te nemen faalt grief 13.

6.1 De grieven 6 tot en met 12 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en leggen de vraag voor of Rijnlands Lyceum ten aanzien van [Werkneemster] onderscheid heeft gemaakt naar geslacht.
6.2 In de toelichting bij de grieven brengt Rijnlands Lyceum onder meer het volgende naar voren. De vervalgrond in de HOS-garantie is sekseneutraal verwoord en kan daarmee geen directe discriminatie vormen. Om indirecte discriminatie van een regeling aan te tonen, moet een cijfermatige onderbouwing worden aangevoerd waaruit blijkt dat de regeling meer vrouwen dan mannen treft. [Werkneemster] heeft geen cijfermatige onderbouwing gegeven en daardoor kan ook geen indirecte discriminatie worden aangenomen. Tenslotte voert het Rijnlands Lyceum aan dat er een voldoende rechtvaardigingsgrond voor het indirect onderscheid aanwezig is.
6.3. Het hof overweegt dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 30 juni 1998 (Brown-arrest, NJ 1999,476) heeft overwogen: “31 .Voor zover aan de contractuele bepaling uitvoering wordt gegeven om een zwangere werkneemster te ontslaan op grond van afwezigheden die het gevolg zijn van de uit haar zwangere toestand voortvloeiende arbeidsongeschiktheid, wordt de daarin vervatte regel, die gelijkelijk geldt voor mannen en vrouwen, op dezelfde wijze toegepast op verschillende situaties, aangezien, zoals volgt uit het antwoord op het eerste onderdeel van de eerste vraag, de situatie van een zwangere werkneemster die niet in staat is te werken wegens met haar zwangerschap verband houdende stoornissen, niet kan worden vergeleken met de situatie van een zieke mannelijke werknemer die even lang afwezig is wegens arbeidsongeschiktheid. 32. Bijgevolg vormt de betrokken contractuele bepaling, indien zij in een geval als het onderhavige wordt toegepast, een rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht. ”
6.4 Ook hier doet zich de situatie voor dat de regeling op zich geen onderscheid maakt naar geslacht. Nu echter tussen partijen vast staat dat [Werkneemster] haar arbeidsovereenkomst in de zomer van 1988 heeft opgezegd vanwege borstvoeding, dus betrekking hebbend op zwangerschap of moederschap en uit niets blijkt dat voeding op andere wijze mogelijk was noch dat met aanpassing de arbeidsovereenkomst in stand kon blijven en ontslagname achterwege kon blijven, wordt de vervalgrond uit de HOS-garantie op dezelfde wijze toegepast op verschillende situaties net als in het Brown-arrest, nu de situatie van een opzegging vanwege zwangerschap of moederschap niet kan worden vergeleken met de situatie van een mannelijke werknemer die de arbeidsovereenkomst opzegt: de seksegerelateerde dwangpositie ontbreekt immers. Daardoor is in casu sprake van directe discriminatie op grond van geslacht. Een cijfermatige onderbouwing is dus niet vereist. Ook komt het hof niet toe aan de behandeling van eventuele rechtvaardigingsgronden, nu die alleen een rol kunnen spelen bij indirecte discriminatie. Ten slotte doet niet ter zake of Rijnlands Lyceum discretionaire bevoegdheid had ten aanzien van de HOS-garantie. Het enkele feit dat de vervalgrond direct onderscheid naar geslacht maakt, brengt met zich dat de werknemer de werkgever daarop kan aanspreken. Ten overvloede overweegt het hof dat Rijnlands Lyceum uit hoofde van goed werkgeverschap zoals hierboven sub 5.2. ook reeds staat genoemd – in de zomer van 1988 had dienen te onderzoeken of er mogelijkheden waren om de combinatie van werken en moederschap voor [Werkneemster] mogelijk te maken. De grieven falen.

7. Grief 14 heeft blijkens de toelichting daarop naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis, zodat deze grief geen afzonderlijke bespreking behoeft.

8. Uit het bovenstaande volgt dat alle grieven falen en het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd. Het hof zal Rijnlands Lyceum als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep veroordelen.

Beslissing

Het hof:

– bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ’s-Gravenhage, van 30 augustus 2005;

– veroordeelt Rijnlands Lyceum in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [Werkneemster] tot op heden begroot op 244,- aan verschotten en 894,- aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, V. Disselkoen en S.R. Mellema en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2008, in bijzijn van de griffier.

Rechters

mrs. J.W. van Rijkom, V. Disselkoen en S.R. Mellema

Instantie: Europees Hof van Justitie, 9 februari 2008

Instantie

Europees Hof van Justitie

Samenvatting

Een werkneemster in Oostenrijk is door haar werkgever ontslagen tijdens een IVF-behandeling. Op de dag van ontslag waren de bij haar uitgenomen eicellen al door haar partner bevrucht, maar nog niet teruggeplaatst in haar baarmoeder. Het Europese Hof oordeelt dat op een dergelijk moment de zwangerschap nog niet is begonnen. Richtlijn 92/85 is daarom niet van toepassing. Naar het oordeel van het Hof kan er wel sprake zijn van directe discriminatie op grond van geslacht als de IVF-behandeling de voornaamste ontslaggrond vormt. Alleen vrouwen kunnen namelijk het stadium van de IVF-behandeling ondergaan waarin de werkneemster zich bevond toen zij ontslagen werd.

Volledige tekst

In zaak C‑506/06,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 23 november 2006, ingekomen bij het Hof op 14 december 2006, in de procedure

Sabine Mayr

tegen

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, sub a, van richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 348, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen S. Mayr, verzoekster in het hoofdgeding, en haar vroegere werkgever, Bäckerei und Konditorei Gerhard Flöckner OHG (hierna: „Flöckner”), verweerster in het hoofdgeding, naar aanleiding van het ontslag dat Mayr door deze laatste is aangezegd.

Toepasselijke bepalingen

Gemeenschapsregeling

Richtlijn 76/207/EEG

3 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40), bepaalt dat „[h]et beginsel van gelijke behandeling […] in[houdt] dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie”.

4 In lid 3 van hetzelfde artikel 2 is bepaald dat richtlijn 76/207 „geen afbreuk [doet] aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft”.

5 Artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207 luidt:

„De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht.”

6 Richtlijn 76/207, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 (PB L 269, blz. 15), is ingetrokken bij artikel 34, lid 1, van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) (PB L 204, blz. 23).

7 De richtlijnen 2002/73 en 2006/54 zijn evenwel ratione temporis niet van toepassing op de feiten van het hoofdgeding.

Richtlijn 92/85

8 Uit de negende overweging van de considerans van richtlijn 92/85 volgt dat de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie geen afbreuk mag doen aan de plaats van de vrouw op de arbeidsmarkt en evenmin afbreuk mag doen aan de richtlijnen op het gebied van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

9 Volgens de vijftiende overweging van die richtlijn kan het risico van ontslag om redenen in verband met hun toestand een nadelige uitwerking hebben op de lichamelijke en geestelijke toestand van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie en moet het worden verboden deze werkneemsters te ontslaan.

10 Volgens artikel 2, sub a, van richtlijn 92/85 wordt onder zwangere werkneemster verstaan, „elke zwangere werkneemster die de werkgever in kennis stelt van haar toestand, overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken”.

11 Artikel 10 van richtlijn 92/85 luidt:

„Teneinde werkneemsters [tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie] in de zin van artikel 2 te waarborgen dat zij de in het onderhavige artikel erkende rechten inzake de bescherming van haar veiligheid en gezondheid kunnen doen gelden, wordt het volgende bepaald:

1) de lidstaten nemen de nodige maatregelen om ontslag van werkneemsters in de zin van artikel 2 te verbieden gedurende de periode vanaf het begin van hun zwangerschap tot het einde van het in artikel 8, lid 1, bedoelde zwangerschapsverlof, behalve in uitzonderingsgevallen die geen verband houden met hun toestand en overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken zijn toegestaan en, in voorkomend geval, voor zover de bevoegde instantie hiermee heeft ingestemd;

2) wanneer een werkneemster in de zin van artikel 2 wordt ontslagen gedurende de in punt 1 bedoelde periode, dient de werkgever schriftelijk gegronde redenen op te geven voor het ontslag;

3) de lidstaten nemen de nodige maatregelen om werkneemsters in de zin van artikel 2 te beschermen tegen de gevolgen van ontslag, indien dit op grond van punt 1 onwettig is.”

12 Artikel 12 van richtlijn 92/85 bepaalt:

„De lidstaten nemen in hun interne rechtsorde de nodige voorschriften op om iedere werkneemster die meent te zijn benadeeld door het niet naleven te haren aanzien van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen de mogelijkheid te bieden om haar rechten voor de gerechten en/of, overeenkomstig de respectieve nationale wetgevingen en/of praktijken, voor andere bevoegde instanties te doen gelden.”

Nationale regeling

13 § 10 van het Mutterschutzgesetz (Oostenrijkse wet op de bescherming van het moederschap; hierna: „MSchG”), luidt:

„1. Een werkneemster kan gedurende de zwangerschap en in de vier maanden na de bevalling niet rechtmatig worden ontslagen, tenzij de werkgever niet op de hoogte is van de zwangerschap of de bevalling.

  1. Het ontslag is ook onrechtmatig wanneer de werkgever van de zwangerschap of de bevalling in kennis wordt gesteld binnen de vijf werkdagen vanaf de aanzegging van het ontslag of van de betekening ervan in geval van schriftelijk ontslag. De schriftelijke kennisgeving van de zwangerschap of de bevalling wordt geacht tijdig te hebben plaatsgevonden wanneer zij binnen vijf dagen ter post wordt bezorgd. Indien de werkneemster zich binnen de termijn van vijf dagen op haar zwangerschap of bevalling beroept, moet zij tezelfdertijd de zwangerschap of het vermoeden van zwangerschap aantonen door middel van een medisch certificaat dan wel de geboorteakte van het kind voorleggen. […]”

14 Krachtens artikel 17, lid 1, van het Fortpflanzungsmedizingesetz (Oostenrijkse wet op de voortplanting onder medische begeleiding; hierna: „FMedG”), kunnen levensvatbare cellen, namelijk, volgens § 1, lid 3, FMedG, bevruchte eicellen en de daaruit ontwikkelde cellen, gedurende een periode van maximaal tien jaar worden bewaard.

15 Overeenkomstig § 8 FMedG kan voortplanting onder medische begeleiding slechts plaatsvinden met toestemming van de partners. De vrouw kan haar toestemming intrekken tot het moment waarop de levensvatbare cellen in haar lichaam worden geplaatst.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

16 Mayr was vanaf 3 januari 2005 als serveerster werkzaam bij Flöckner.

17 In het kader van een poging tot in-vitrofertilisatie en na een hormoonbehandeling van ongeveer anderhalve maand, is bij Mayr een eicelpunctie verricht op 8 maart 2005. Haar behandelend geneesheer heeft haar ziekteverlof van 8 tot en met 13 maart 2005 voorgeschreven.

18 Op 10 maart 2005 heeft Flöckner Mayr telefonisch laten weten dat zij per 26 maart 2005 ontslagen was.

19 Bij brief van diezelfde dag heeft Mayr Flöckner ervan op de hoogte gebracht dat in het kader van een kunstmatige bevruchting, op 13 maart 2005 bevruchte eicellen in haar baarmoeder zouden worden geplaatst.

20 Volgens de verwijzingsbeslissing staat vast dat op de dag van aanzegging van Mayrs ontslag, 10 maart 2005, de bij haar weggenomen eicellen al waren bevrucht door de zaadcellen van haar partner, zodat op diezelfde datum reeds in vitro bevruchte eicellen bestonden.

21 Op 13 maart 2005, te weten drie dagen nadat Mayr van haar ontslag in kennis was gesteld, zijn twee bevruchte eicellen in haar baarmoeder geplaatst.

22 Mayr heeft van Flöckner betaling van haar loon en van een evenredig deel van haar jaarsalaris gevorderd met het betoog dat het ontslag van 10 maart 2005 nietig was omdat zij sinds 8 maart 2005, de dag waarop haar eicellen in vitro zijn bevrucht, viel onder de in § 10, lid 1, MSchG neergelegde bescherming tegen ontslag.

23 Flöckner heeft dat verzoek afgewezen op grond dat er op de dag van het ontslag nog geen sprake was van zwangerschap.

24 Het Landesgericht Salzburg, waarbij het geschil in eerste aanleg aanhangig is gemaakt, heeft Mayrs vordering toegewezen. Het heeft geoordeeld dat volgens de rechtspraak van het Oberste Gerichtshof de in § 10 MSchG neergelegde bescherming tegen ontslag ontstaat bij de bevruchting van de eicel. Deze bevruchting wordt volgens die rechtspraak geacht het beginpunt van een zwangerschap te zijn. Het Landesgericht Salzburg heeft dus geoordeeld dat dit ook het geval moet zijn bij in-vitrofertilisatie en dat indien de terugplaatsing van de bevruchte eicel mislukt, de bescherming tegen ontslag hoe dan ook vervalt.

25 Het Oberlandesgericht Linz, dat in hoger beroep uitspraak doet in zaken op het gebied van arbeidsrecht en sociaal recht, heeft het vonnis van het Landesgericht Salzburg vernietigd en Mayrs vordering afgewezen op grond dat, onafhankelijk van de vraag vanaf welk moment van de zwangerschap daadwerkelijk hormonale veranderingen optreden, een zwangerschap niet los kan worden gezien van het lichaam van de vrouw, zodat bij in-vitrofertilisatie de zwangerschap pas begint bij de plaatsing van de bevruchte eicel in het lichaam van de vrouw. De bescherming van de zwangere vrouw tegen beëindiging van de arbeidsovereenkomst begint dus pas vanaf die terugplaatsing.

26 Tegen dat arrest in hoger beroep is beroep tot „Revision” ingesteld bij het Oberste Gerichtshof. Volgens de rechtspraak van dit Gerichtshof treedt de door § 10 MSchG gewaarborgde bescherming pas in werking indien op het tijdstip van het ontslag daadwerkelijk een zwangerschap is begonnen. De bescherming van het moederschap heeft tot doel, en daarvan kan niet worden afgeweken, de gezondheid van moeder en kind veilig te stellen in het belang van deze laatsten en, in het geval van bescherming tegen ontslag, het levensonderhoud van de moeder te waarborgen. De behoefte aan bescherming voor de duur van de gewijzigde toestand van de vrouw bestaat los van de vraag of de bevruchte eicel zich reeds in het baarmoederslijmvlies heeft ingenesteld, en de vraag of de zwangerschap gemakkelijk kan worden bewezen is in dit verband irrelevant. De innesteling van de bevruchte eicel in het baarmoederslijmvlies is volgens de heersende wetenschappelijke opvatting slechts een schakel in de vanaf de conceptie bestaande zwangerschap, en ter zake van de bescherming tegen ontslag kan zij niet willekeurig worden gekozen als beginpunt van de zwangerschap.

27 Die rechtspraak van het Oberste Gerichtshof inzake § 10 MSchG is evenwel uitsluitend gebaseerd op gevallen van intra-uteriene, dat wil zeggen natuurlijke bevruchting. Het Oberste Gerichtshof zet uiteen dat het voor het eerst uitspraak moet doen over de vraag vanaf welke datum een zwangere vrouw bij in-vitrofertilisatie onder de in § 10 MSchG neergelegde bescherming tegen ontslag valt.

28 Van oordeel dat in het bij hem aanhangige geding een vraag van uitlegging van het gemeenschapsrecht rijst, heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Is een werkneemster die een in-vitrofertilisatiebehandeling ondergaat, een ‚zwangere werkneemster’ in de zin van artikel 2, sub a, eerste zinsnede, van richtlijn [92/85], wanneer ten tijde van de aanzegging van haar ontslag haar eicellen reeds door de zaadcellen van haar partner waren bevrucht, zodat er in-vitro-embryo’s bestonden, die echter nog niet in haar lichaam waren ingeplant?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

29 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 92/85, en met name het in artikel 10, punt 1, van die richtlijn neergelegde ontslagverbod voor zwangere werkneemsters, aldus moeten worden uitgelegd dat zij ook gelden voor een werkneemster die een in-vitrofertilisatiebehandeling ondergaat, wanneer de eicellen van die werkneemster op de dag van de aanzegging van haar ontslag reeds door de zaadcellen van haar partner zijn bevrucht, zodat er in vitro bevruchte eicellen bestaan, maar deze nog niet in de baarmoeder van de werkneemster zijn geplaatst.

30 Bij in-vitrofertilisatie wordt een eicel buiten het lichaam van de vrouw bevrucht. Volgens de Commissie van de Europese Gemeenschappen omvat deze behandeling verschillende stappen, zoals met name de hormonale stimulatie van de eierstokken van de vrouw met de bedoeling meerdere eicellen tezelfdertijd rijp te doen worden, de eicelpunctie, het wegnemen van de eicellen, de bevruchting van een of meer eicellen met opgewerkt zaad, de plaatsing van de bevruchte eicel(len) in de baarmoeder op de derde of de vijfde dag na het wegnemen van de eicellen, behalve wanneer de bevruchte eicellen worden ingevroren, en de innesteling.

31 Richtlijn 92/85 heeft tot doel, de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie te bevorderen.

32 Op dit gebied heeft het Hof ook opgemerkt dat de regels van gemeenschapsrecht inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen op het gebied van de rechten van de vrouw tijdens de zwangerschap of na de bevalling, de bescherming van de vrouwelijke werknemers voor en na de bevalling tot doel hebben (zie arresten van 8 september 2005, McKenna, C‑191/03, Jurispr. blz. I‑7631, punt 42, en 11 oktober 2007, Paquay, C‑460/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 28).

33 Vóór de inwerkingtreding van richtlijn 92/85 heeft het Hof reeds geoordeeld dat krachtens het beginsel van non-discriminatie en met name de artikelen 2, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207, aan de vrouw niet enkel gedurende het zwangerschapsverlof bescherming tegen ontslag moet worden toegekend, maar gedurende de gehele zwangerschap. Volgens het Hof kan ontslag tijdens deze perioden alleen vrouwen treffen en vormt het derhalve een directe discriminatie op grond van geslacht (zie in die zin arresten van 8 november 1990, Handels- og Kontorfunktionærernes Forbund, C‑179/88, Jurispr. blz. I‑3979, punt 13; 30 juni 1998, Brown, C‑394/96, Jurispr. blz. I‑4185, punten 16, 24 en 25, en reeds aangehaalde arresten McKenna, punt 47, en Paquay, punt 29).

34 Juist in verband met het risico dat eventueel ontslag een nadelige uitwerking heeft op de lichamelijke en geestelijke toestand van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie, daaronder begrepen het bijzonder ernstige risico dat een zwangere werkneemster ertoe wordt gebracht vrijwillig haar zwangerschap af te breken, heeft de gemeenschapswetgever in artikel 10 van richtlijn 92/85 een bijzondere bescherming aan vrouwen toegekend door ontslag gedurende de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot het einde van het zwangerschapsverlof te verbieden (zie arrest van 14 juli 1994, Webb, C‑32/93, Jurispr. blz. I‑3567, punt 21; arrest Brown, reeds aangehaald, punt 18; arrest van 4 oktober 2001, Tele Danmark, C‑109/00, Jurispr. blz. I‑6993, punt 26, en reeds aangehaalde arresten McKenna, punt 48, en Paquay, punt 30).

35 Met betrekking tot de bedoelde periode voorziet artikel 10 van richtlijn 92/85 geen uitzonderingen of afwijkingen van het ontslagverbod voor zwangere werkneemsters, behalve in uitzonderingsgevallen die geen verband houden met hun toestand en onder de voorwaarde dat de werkgever een dergelijk ontslag schriftelijk motiveert (reeds aangehaalde arresten Webb, punt 22; Brown, punt 18; Tele Danmark, punt 27, en Paquay, punt 31).

36 Tegen de achtergrond van de door richtlijn 92/85, en meer bepaald door artikel 10 daarvan, nagestreefde doelstellingen moet worden bepaald of de in die bepaling neergelegde bescherming tegen ontslag ook geldt voor een werkneemster in omstandigheden zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.

37 Blijkens zowel de bewoordingen van artikel 10 van richtlijn 92/85 als het hoofddoel van deze richtlijn, dat in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, geldt de door dat artikel toegekende bescherming tegen ontslag slechts indien de betrokken zwangerschap is begonnen.

38 Zoals de Oostenrijkse regering heeft opgemerkt, is het omgaan met kunstmatige bevruchtingen en levensvatbare cellen inderdaad in talrijke lidstaten een zeer gevoelig maatschappelijk thema, dat door een grote verscheidenheid aan tradities en waardesystemen van deze staten wordt gemarkeerd. Het Hof wordt door de onderhavige prejudiciële verwijzing evenwel niet gevraagd om in te gaan op medische of ethische vraagstukken, en het moet enkel een juridische uitlegging geven aan de relevante bepalingen van richtlijn 92/85, gelet op de bewoordingen, de opzet en de doelstellingen van deze richtlijn.

39 Uit de vijftiende overweging van de considerans van richtlijn 92/85 volgt dat het in artikel 10 van deze richtlijn neergelegde ontslagverbod tot doel heeft, te voorkomen dat het risico van ontslag om redenen in verband met hun toestand een nadelige uitwerking kan hebben op de lichamelijke en geestelijke toestand van zwangere werkneemsters.

40 In die omstandigheden is het duidelijk dat, zoals de Oostenrijkse regering overigens heeft betoogd, van de vroegst mogelijke datum van het bestaan van een zwangerschap moet worden uitgegaan om de veiligheid en de bescherming van zwangere werkneemsters te waarborgen.

41 Gesteld al dat bij in-vitrofertilisatie die datum de datum is waarop de bevruchte eicellen in de baarmoeder van de vrouw worden geplaatst, kan echter om redenen die verband houden met de inachtneming van het rechtszekerheidsbeginsel de in artikel 10 van richtlijn 92/85 neergelegde bescherming zich niet uitstrekken tot een werkneemster bij wie op de dag van de aanzegging van haar ontslag de in vitro bevruchte eicellen nog niet in de baarmoeder zijn geplaatst.

42 Zoals uit de bij het Hof ingediende opmerkingen en de punten 43 tot en met 45 van de conclusie van de advocaat-generaal blijkt, kunnen die eicellen immers voordat zij in de baarmoeder van de betrokken vrouw worden geplaatst, in bepaalde lidstaten gedurende kortere of langere tijd worden bewaard. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorziet in dit verband in de mogelijkheid om de bevruchte eicellen gedurende maximaal tien jaar te bewaren. Mocht de in artikel 10 van richtlijn 92/85 neergelegde bescherming tegen ontslag voor een werkneemster gelden vóór de terugplaatsing van de bevruchte eicellen, zou dit dan ook tot gevolg kunnen hebben dat die bescherming zelfs wordt toegekend wanneer deze terugplaatsing om een of andere reden gedurende verscheidene jaren wordt uitgesteld of wanneer in‑vitrofertilisatie enkel als voorzorg heeft plaatsgevonden en definitief van terugplaatsing is afgezien.

43 Ook al is richtlijn 92/85 niet van toepassing op een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, kan het Hof evenwel overeenkomstig zijn rechtspraak bepalingen van gemeenschapsrecht in aanmerking nemen waarnaar in de vraag van de nationale rechter niet wordt verwezen (arresten van 12 december 1990, SARPP, C‑241/89, Jurispr. blz. I‑4695, punt 8, en 26 april 2007, Alevizos, C‑392/05, Jurispr. blz. I‑3505, punt 64).

44 Tijdens de procedure voor het Hof hebben de Griekse en de Italiaanse regering en de Commissie gesuggereerd dat zo richtlijn 92/85 al geen bescherming kan bieden tegen het ontslag van een werkneemster in een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die werkneemster zich eventueel zou kunnen beroepen op de door richtlijn 76/207 toegekende bescherming tegen discriminatie op grond van geslacht.

45 In dit verband verduidelijkt artikel 2, lid 1, van richtlijn 76/207 dat „[h]et beginsel van gelijke behandeling […] in[houdt] dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie”. Luidens artikel 5, lid 1, van die richtlijn „[houdt] [d]e toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, […] in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht”.

46 Zoals uit punt 33 van het onderhavige arrest blijkt, heeft het Hof reeds geoordeeld dat krachtens het beginsel van non-discriminatie en met name de artikelen 2, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207, aan de vrouw niet enkel gedurende het zwangerschapsverlof bescherming tegen ontslag moet worden toegekend, maar gedurende de gehele zwangerschap. Volgens het Hof kan ontslag van een werkneemster wegens zwangerschap of wegens een voornamelijk op die toestand gebaseerde reden alleen vrouwen treffen en vormt het derhalve een directe discriminatie op grond van geslacht (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Handels- og Kontorfunktionærernes Forbund, punt 13; Brown, punten 16, 24 en 25; McKenna, punt 47, en Paquay, punt 29).

47 Aangezien de verwijzingsbeslissing niet preciseert waarom Flöckner Mayr heeft ontslagen, staat het aan de verwijzende rechter om de relevante omstandigheden van het bij hem aanhangige geding vast te stellen en om, voor zover verzoekster in het hoofdgeding is ontslagen terwijl zij met ziekteverlof was om een in-vitrofertilisatiebehandeling te ondergaan, na te gaan of het feit dat zij een dergelijke behandeling onderging de voornaamste reden voor haar ontslag is geweest.

48 Voor het geval dat verzoekster in het hoofdgeding om die reden is ontslagen, moet worden uitgemaakt of die reden zonder onderscheid voor mannelijke en vrouwelijke werknemers geldt of daarentegen uitsluitend voor een van beide geslachten.

49 Het Hof heeft reeds opgemerkt dat aangezien vrouwelijke en mannelijke werknemers in gelijke mate aan ziekte zijn blootgesteld, er geen sprake is van directe discriminatie op grond van geslacht indien een vrouwelijke werknemer in dezelfde omstandigheden als een mannelijke werknemer wordt ontslagen op grond van afwezigheid wegens ziekte (zie reeds aangehaalde arrest Handels‑ og Kontorfunktionærernes Forbund, punt 17).

50 Uiteraard kunnen zowel mannelijke als vrouwelijke werknemers tijdelijk verhinderd zijn hun werk te verrichten doordat zij medische behandelingen moeten ondergaan. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde ingrepen, te weten een eicelpunctie en – onmiddellijk na de bevruchting – de plaatsing in de baarmoeder van de vrouw van de bij die punctie weggenomen eicellen, hebben evenwel enkel rechtstreeks betrekking op de vrouw. Wanneer een werkneemster wordt ontslagen hoofdzakelijk op grond dat zij dit belangrijke stadium van een in-vitrofertilisatiebehandeling ondergaat, is bijgevolg sprake van directe discriminatie op grond van geslacht.

51 Indien een werkgever een werkneemster in omstandigheden zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn zou kunnen ontslaan, zou zulks overigens in strijd zijn met de door artikel 2, lid 3, van richtlijn 76/207 nagestreefde beschermingsdoelstelling, voor zover de in-vitrofertilisatiebehandeling en met name de in het voorgaande punt vermelde specifieke ingrepen die met een dergelijke behandeling gepaard gaan, inderdaad de voornaamste reden voor het ontslag vormen.

52 Bijgevolg verzetten de artikelen 2, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207 zich tegen het ontslag van een werkneemster die zich, in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding, in een vergevorderd stadium van een in-vitrofertilisatiebehandeling bevindt, te weten tussen de eicelpunctie en de onmiddellijke plaatsing van de in vitro bevruchte eicellen in de baarmoeder van die werkneemster, voor zover is aangetoond dat het feit dat de betrokkene een dergelijke behandeling heeft ondergaan, de voornaamste reden voor dit ontslag vormt.

53 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat richtlijn 92/85 en, met name, het in artikel 10, punt 1, van deze richtlijn neergelegde ontslagverbod voor zwangere werkneemsters, aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet gelden voor een werkneemster die een in-vitrofertilisatiebehandeling ondergaat, wanneer op de dag van de aanzegging van haar ontslag de eicellen van die werkneemster reeds door de zaadcellen van haar partner zijn bevrucht, zodat er in vitro bevruchte eicellen bestaan, maar deze nog niet in de baarmoeder van de werkneemster zijn geplaatst.

54 De artikelen 2, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207 verzetten zich echter tegen het ontslag van een werkneemster die zich, in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding, in een vergevorderd stadium van een in-vitrofertilisatiebehandeling bevindt, te weten tussen de eicelpunctie en de onmiddellijke plaatsing van de in vitro bevruchte eicellen in de baarmoeder van die werkneemster, voor zover is aangetoond dat het feit dat de betrokkene een dergelijke behandeling heeft ondergaan, de voornaamste reden voor dit ontslag vormt.

Kosten

55 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Grote kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) en, met name, het in artikel 10, punt 1, van deze richtlijn neergelegde ontslagverbod voor zwangere werkneemsters, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet gelden voor een werkneemster die een in-vitrofertilisatiebehandeling ondergaat, wanneer op de dag van de aanzegging van haar ontslag de eicellen van die werkneemster reeds door de zaadcellen van haar partner zijn bevrucht, zodat er in vitro bevruchte eicellen bestaan, maar deze nog niet in de baarmoeder van de werkneemster zijn geplaatst.

De artikelen 2, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzetten zich tegen het ontslag van een werkneemster die zich, in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding, in een vergevorderd stadium van een in-vitrofertilisatiebehandeling bevindt, te weten tussen de eicelpunctie en de onmiddellijke plaatsing van de in vitro bevruchte eicellen in de baarmoeder van die werkneemster, voor zover is aangetoond dat het feit dat de betrokkene een dergelijke behandeling heeft ondergaan, de voornaamste reden voor het ontslag vormt.

ondertekeningen

Rechters

V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas en L. Bay Larsen, kamerpresidenten, R. Silva de Lapuerta, K. Schiemann, J. Makarczyk, P. Kūris, E. Juhász, A. Ó Caoimh (rapporteur), P. Lindh en J.‑C. Bonichot, rechters, advocaat-generaa