11 september 2008 – 11 september: Expertmeeting Juridische Werking VN-Vrouwenverdrag

11 september: Expertmeeting Juridische Werking VN-Vrouwenverdrag

11 september 2008

De Vereniging voor Vrouw en Recht maakt deel uit van het Netwerk VN-Vrouwenverdrag. Dit Netwerk organiseerde op 11 september 2008 een expertmeeting over de juridische werking van het VN-Vrouwenverdrag. Met onder meer de verenigingsleden prof. Rikki Holtmaat en prof. Cees Flinterman.

De Nederlandse overheid heeft recent haar vijfde regeringsrapportage ingediend bij het comité dat toeziet op de naleving van het VN-vrouwenverdrag, het CEDAW comité. In haar aanbevelingen (naar aanleiding van de vierde regeringsrapportage), sprak het CEDAW comité haar bezorgdheid uit over de stellingname van de Nederlandse overheid ten aanzien van de directe werking van het VN-vrouwenverdrag in Nederland. Het doel van de expertmeeting is om van gedachten te wisselen over de werking van het VN-vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde en beleid.

De juridische werking van het VN-vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde is een belangrijk vraagstuk voor iedereen die streeft naar de naleving van het VN-vrouwenverdrag in en door Nederland. Op 11 september 2008 (van 15.00 tot 18.00), organiseerde het Netwerk VN-vrouwenverdrag,  een expertmeeting over dit onderwerp. Een verslag zal binnenkort beschikbaar zijn.

Meer informatie
Voor informatie over het verslagvan de expertmeeting kunt U contact opnemen met L.droesen@aimforhumanrights.nl of te bellen met tel: 030-2349079.

Instantie: HvJ EG, 17 juli 2008

Instantie

HvJ EG

Samenvatting

Intimidatie en ontslag werkneemster in verband met handicap van haar kind in strijd met verbod op onderscheid naar handicap

De werkneemster stelt dat zij door haar werkgever, een advocatenkantoor, minder gunstig is behandeld dan andere werknemers en feitelijk is gedwongen ontslag te nemen op grond van het feit dat zij de zorg heeft voor een gehandicapt kind. De Engelse rechter heeft, alvorens de zaak inhoudelijk te beoordelen, aan het HvJEG gevraagd of de Europese richtlijn inzake het onderscheid naar chronische ziekte en handicap ook betrekking heeft op werknemers die zelf geen handicap hebben, maar minder gunstig worden behandeld dan andere werknemers vanwege hun band met een gehandicapte.

Het HvJEG beantwoordt deze vraag bevestigend. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit richtlijn 2000/78 niet dat het beginsel van gelijke behandeling dat deze richtlijn beoogt te garanderen, beperkt is tot personen die zelf een handicap hebben. Integendeel, de richtlijn heeft tot doel om met betrekking tot arbeid en beroep alle vormen van discriminatie op grond van handicap te bestrijden. Het beginsel van gelijke behandeling is niet van toepassing op een bepaalde categorie personen, maar uit hoofde van één van de in artikel 1 van de richtlijn genoemde gronden. De richtlijn bevat weliswaar een aantal bepalingen die blijkens hun bewoordingen uitsluitend voor gehandicapte personen gelden, maar dit komt omdat het daarbij gaat om maatregelen van positieve discriminatie ten gunste van de gehandicapte persoon zelf of specifieke maatregelen betreft die zinledig zouden zijn of onevenredig als zij niet beperkt waren tot gehandicapten. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het beginsel van gelijke behandeling restrictief moet worden uitgelegd. Zou dit wel zo zijn, dan zou dat de richtlijn grotendeels van zijn nuttig effect kunnen beroven. Hetgeen geldt voor discriminatie op dit punt geldt evenzeer voor intimidatie vanwege het hebben van een band met een gehandicapt persoon.

Volledige tekst

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

17 juli 2008 (*)

Sociaal beleid, Richtlijn 2000/78/EG, Gelijke behandeling in arbeid en beroep Artikelen 1, 2, leden 1, 2, sub a, en 3, en 3, lid 1, sub c Rechtstreekse discriminatie op grond van handicap, Intimidatie in verband met handicap, Ontslag van werknemer die zelf geen handicap heeft maar wiens kind gehandicapt is . Daaronder begrepen. Bewijslast”

In zaak C-303/06,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Employment Tribunal, London South (Verenigd Koninkrijk), bij beslissing van 6 juli 2006, ingekomen bij het Hof op 10 juli 2006, in de procedure

S. Coleman

tegen

Attridge Law,

Steve Law,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas, K. Lenaerts en A. Tizzano, kamerpresidenten, M. Ilešič, J. Klučka, A. Ó Caoimh (rapporteur), T. von Danwitz en A. Arabadjiev, rechters,

advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 oktober 2007,

gelet op de opmerkingen van:

 S. Coleman, vertegenwoordigd door R. Allen, QC, en P. Michell, barrister,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door V. Jackson als gemachtigde, bijgestaan door N. Paines, QC,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Georgiadis en Z. Chatzipavlou als gemachtigden,

Ierland, vertegenwoordigd door N. Travers, BL,

de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I.Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,

de Litouwse regering, vertegenwoordigd door D. Kriaunas als gemachtigde,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. Sevenster en C. ten Dam als gemachtigden,

de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk als gemachtigde,

de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Enegren en N. Yerrell als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 januari 2008,

het navolgende

Arrest

1. Het verzoek om een prejudiciele beslissing heeft betrekking op de uitlegging van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L303, blz.16).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds S. Coleman, verzoekster in het hoofdgeding, en anderzijds Attridge Law, een advocatenkantoor, en een vennoot van dit kantoor, S. Law (hierna tezamen: voormalige werkgever”), naar aanleiding van het impliciet ontslag waarvan Coleman stelt het slachtoffer te zijn geworden.

Toepasselijke bepalingen

 Gemeenschapsregeling

3 Richtlijn 2000/78 is vastgesteld op basis van artikel 13 EG. De punten 6, 11, 16, 17, 20, 27, 31 en 37 van de considerans van deze richtlijn luiden als volgt:

Het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden erkent het belang van de bestrijding van elke vorm van discriminatie, met inbegrip van de noodzaak om passende maatregelen te nemen voor de sociale en economische integratie van ouderen en personen met een handicap.

(11) Discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid kan de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-Verdrag ondermijnen, in het bijzonder de verwezenlijking van een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, de verbetering van de levensstandaard en de kwaliteit van het bestaan, de vergroting van de economische en sociale cohesie en van de solidariteit, alsmede het vrij verkeer van personen.

(16) Maatregelen gericht op aanpassing van de werkplek aan de behoeften van personen met een handicap vervullen bij de bestrijding van discriminatie op grond van een handicap een belangrijke rol.

(17) Deze richtlijn eist niet dat iemand in dienst genomen, bevorderd, in dienst gehouden of opgeleid wordt die niet bekwaam, in staat en beschikbaar is om de essentiele taken van de betreffende functie uit te voeren of om een bepaalde opleiding te volgen, onverminderd de verplichting om in redelijke aanpassingen voor personen met een handicap te voorzien.

(20) Er moeten passende, dat wil zeggen doeltreffende en praktische maatregelen worden getroffen die gericht zijn op aanpassing van de werkplek aan de behoeften van de werknemer met een handicap, bijvoorbeeld aanpassing van gebouwen, uitrusting, arbeidsritme, en taakverdeling, of voorzien in opleidings- en integratiemiddelen.

(27) De Raad heeft in zijn aanbeveling 86/379/EEG van 24 juli 1986 betreffende de werkgelegenheid voor gehandicapten in de Gemeenschap [PB L 225, blz. 43] een raamwerk vastgesteld met voorbeelden van positieve maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid en de beroepsopleiding voor gehandicapten, en heeft in zijn resolutie van 17 juni 1999 betreffende gelijke kansen op werk voor mensen met een handicap [PB C 186, blz. 3] gewezen op het belang om specifieke aandacht te schenken aan met name de werving en het behoud van de arbeidsdeelname, de opleiding en het levenslang leren van mensen met een handicap.

(31) Het is noodzakelijk dat de regels voor de bewijslast worden aangepast zodra er een kennelijke discriminatie bestaat; in de gevallen waarin een dergelijke situatie ook inderdaad blijkt te bestaan, vergt de feitelijke toepassing van het beginsel van gelijke behandeling dat de bewijslast bij de verweerder wordt gelegd. Het is evenwel niet aan de verweerder om te bewijzen dat de eiser een bepaalde godsdienst, overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid heeft.

(37) Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het EG-Verdrag, kunnen de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het scheppen, binnen de Gemeenschap, van gelijke voorwaarden met betrekking tot gelijke behandeling in arbeid en beroep, onvoldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en derhalve kunnen die doelstellingen wegens de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel dat in genoemd artikel besloten ligt, reikt deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.”

4 Volgens artikel 1 ervan heeft richtlijn 2000/78 tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creeren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden”.

5 Deze richtlijn bepaalt in artikel 2, leden 1 tot en met 3, getiteld Het begrip discriminatie”:

1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden.

2. Voor de toepassing van lid 1 is er:

a)directe discriminatie, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden;

b)indirecte discriminatie, wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt,

i) tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn, of

ii) tenzij de werkgever dan wel iedere andere persoon of organisatie waarop de onderhavige richtlijn van toepassing is, voor personen met een bepaalde handicap krachtens de nationale wetgeving verplicht is passende maatregelen te nemen die overeenkomen met de in artikel 5 vervatte beginselen, teneinde de nadelen die die bepaling, maatstaf of handelwijze met zich brengt, op te heffen.

3. Intimidatie wordt als een vorm van discriminatie in de zin van lid 1 beschouwd als er sprake is van ongewenst gedrag dat met een van de in artikel 1 genoemde gronden verband houdt, en tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreerd. Het begrip intimidatie kan in dit verband worden gedefinieerd in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijken van de lidstaten.”

6        Volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 2000/78:

„Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:

[…]

c)      werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning;

[…]”

7        Deze richtlijn bepaalt in artikel 5, dat het opschrift „Redelijke aanpassingen voor gehandicapten” draagt:

„Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap nageleefd wordt, wordt voorzien in redelijke aanpassingen. Dit houdt in dat de werkgever, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen neemt om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen dan wel om een opleiding te genieten, tenzij deze maatregelen voor de werkgever een onevenredige belasting vormen. […]”

8        Artikel 7 van deze richtlijn, getiteld „Positieve acties en specifieke maatregelen”, is geformuleerd als volgt:

„1.      Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid in het beroepsleven te waarborgen, specifieke maatregelen handhaaft of treft om de nadelen verband houdende met een van de in artikel 1 genoemde gronden te voorkomen of te compenseren.

2.      Met betrekking tot personen met een handicap vormt het beginsel van gelijke behandeling geen beletsel voor het recht van de lidstaten om maatregelen te handhaven of vast te stellen ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid op de arbeidsplek, noch voor maatregelen die erop gericht zijn om voorzieningen of faciliteiten te scheppen of te handhaven om de opneming van personen met een handicap in het arbeidsproces te behouden of te bevorderen.”

9        Artikel 10 van richtlijn 2000/78, getiteld „Bewijslast”, bepaalt:

„1.      De lidstaten nemen, overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, wanneer personen die zich door niet-toepassing te hunnen aanzien van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld achten, voor de rechter of een andere bevoegde instantie feiten aanvoeren die directe of indirecte discriminatie kunnen doen vermoeden, de verweerder dient te bewijzen dat het beginsel van gelijke behandeling niet werd geschonden.

2.      Lid 1 belet de lidstaten niet bewijsregels in te voeren die gunstiger zijn voor de eiser.

[…]”

10      Overeenkomstig artikel 18, eerste alinea, van richtlijn 2000/78 doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 2 december 2003 aan deze richtlijn te voldoen. In de tweede alinea van dit artikel wordt evenwel bepaald:

„Teneinde met bijzondere omstandigheden rekening te houden kunnen de lidstaten indien nodig beschikken over drie extra jaren vanaf 2 december 2003, ofwel een totaal van maximaal zes jaar, om de bepalingen met betrekking tot discriminatie op grond van leeftijd en handicap uit te voeren. In dat geval stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Iedere lidstaat die van deze extra periode gebruik wenst te maken, brengt jaarlijks verslag uit aan de Commissie over de maatregelen die hij neemt om discriminatie op grond van leeftijd en handicap aan te pakken en over de vooruitgang die bij de uitvoering van de richtlijn is geboekt. De Commissie brengt jaarlijks verslag uit aan de Raad.”

11      Aangezien het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland om een dergelijke aanvullende termijn voor de omzetting van deze richtlijn heeft verzocht, is de termijn voor deze lidstaat pas op 2 december 2006 verstreken.

 Nationale regeling

12      De Disability Discrimination Act 1995 (wet van 1995 inzake discriminatie op grond van handicap; hierna: „DDA”) beoogt in wezen elke discriminatie van gehandicapte personen op het gebied van onder meer arbeid te verbieden.

13      Het tweede gedeelte van de DDA, dat arbeidskwesties regelt, is in het kader van de omzetting van richtlijn 2000/78 in het rechtsstelsel van het Verenigd Koninkrijk gewijzigd bij de Disability Discrimination Act 1995 (Amendment) Regulations 2003 (verordening van 2003 houdende wijziging van de wet van 1995 inzake discriminatie op grond van handicap), die op 1 oktober 2004 in werking is getreden.

14      Section 3A(1) DDA, zoals gewijzigd bij voornoemde Regulations van 2003 (hierna: „DDA 2003″), bepaalt:

„[…] van discriminatie van een gehandicapte persoon is sprake wanneer:

(a)      deze persoon om een reden verband houdend met zijn handicap minder gunstig wordt behandeld dan een ander waarvoor deze reden niet geldt of zou gelden, en

(b)      niet kan worden aangetoond dat deze behandeling gerechtvaardigd is.”

15      Section 3A(4) DDA 2003 preciseert evenwel dat de behandeling van een gehandicapte persoon in geen geval kan worden gerechtvaardigd wanneer deze behandeling een directe discriminatie in de zin van lid 5 van deze section oplevert, welke bepaling luidt als volgt:

„Iemand maakt zich schuldig aan directe discriminatie van een gehandicapte persoon wanneer hij deze persoon om een reden verband houdend met diens handicap minder gunstig behandelt dan hij andere personen die deze handicap niet hebben en waarvan de relevante eigenschappen, daaronder begrepen de bekwaamheden, eender zijn aan die van de gehandicapte persoon of daarvan niet aanmerkelijk verschillen, behandelt of zou behandelen.”

16      Het begrip intimidatie wordt in section 3B DDA 2003 omschreven als volgt:

„(1)      […] iemand maakt zich schuldig aan intimidatie van een gehandicapte persoon wanneer hij op grond van een reden verband houdend met de handicap van die persoon ongewenst gedrag jegens hem vertoont dat tot doel of gevolg heeft:

(a)      dat de waardigheid van de gehandicapte persoon wordt aangetast of

(b)      een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving voor deze persoon wordt gecreëerd.

(2)      Een bepaald gedrag wordt geacht het in lid 1, sub a of b, bedoelde gevolg te hebben wanneer, gelet op alle omstandigheden en gelet met name op hetgeen door de gehandicapte persoon wordt ervaren, redelijkerwijs moet worden geoordeeld dat het een dergelijk gevolg heeft.”

17      Volgens section 4(2)(d) DDA 2003 mag een werkgever een gehandicapte persoon die bij hem in dienst is, niet discrimineren door hem te ontslaan of anderszins te benadelen.

18      Voorts verbiedt section 4(3)(a) en (b) DDA 2003 een werkgever die als zodanig optreedt, om een gehandicapte persoon die bij hem in dienst is of bij hem solliciteert, te intimideren.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

19      Coleman heeft vanaf januari 2001 als juridisch secretaresse gewerkt voor haar voormalige werkgever.

20      In 2002 is zij bevallen van een zoon die lijdt aan apneu-aanvallen en aangeboren laryngomalacie en bronchomalacie. De gezondheidstoestand van haar zoon vereist gespecialiseerde en bijzondere verzorging. Verzoekster in het hoofdgeding is zijn voornaamste verzorgster.

21      Op 4 maart 2005 is Coleman vrijwillig uit dienst getreden („voluntary redundancy”), waardoor haar overeenkomst met haar voormalige werkgever is beëindigd.

22      Op 30 augustus 2005 heeft zij beroep ingesteld bij het Employment Tribunal, London South, stellende dat zij het slachtoffer is geworden van een impliciet ontslag („unfair constructive dismissal”) en dat zij minder gunstig is behandeld dan andere werknemers, op grond van het feit dat zij de zorg heeft voor een gehandicapt kind. Als gevolg van deze behandeling zou zij ertoe zijn gedwongen, haar werkzaamheden bij haar voormalige werkgever te beëindigen.

23      Blijkens de verwijzingsbeslissing staan nog niet alle relevante omstandigheden van het hoofdgeding vast, omdat de prejudiciële vragen slechts prealabel zijn gesteld. De verwijzende rechter heeft namelijk besloten de behandeling van het onderdeel van het beroep betreffende het ontslag van Coleman te schorsen, doch heeft op 17 februari 2006 een voorafgaande terechtzitting gehouden die gewijd was aan het onderzoek van het middel betreffende discriminatie.

24      De prealabel voor de verwijzende rechter opgeworpen vraag luidt, of verzoekster in het hoofdgeding zich kan beroepen op de nationaalrechtelijke bepalingen, inzonderheid de bepalingen ter omzetting van richtlijn 2000/78, ten betoge dat zij door haar voormalige werkgever is gediscrimineerd in die zin dat zij ongunstig is behandeld in verband met de handicap van haar zoon.

25      Uit de bewoordingen van de verwijzingsbeslissing volgt dat, indien het Hof richtlijn 2000/78 niet uitlegt in de door Coleman voorgestane zin, het nationale recht zich verzet tegen toewijzing van de door haar bij de verwijzende rechter ingestelde vordering.

26      Voorts volgt uit de verwijzingsbeslissing dat, wanneer over een rechtsvraag een voorafgaande terechtzitting wordt gehouden, de geadieerde rechter overeenkomstig het recht van het Verenigd Koninkrijk uitgaat van de feiten zoals deze door de verzoekende partij zijn gesteld. In het hoofdgeding wordt aldus uitgegaan van de volgende feiten:

–        toen Coleman na haar moederschapsverlof terugkeerde, heeft haar voormalige werkgever geweigerd haar haar vroegere baan terug te geven, in omstandigheden waarin de ouder van een niet-gehandicapt kind wel zijn vroegere baan zou hebben teruggekregen;

–        verder heeft haar voormalige werkgever geweigerd om haar dezelfde flexibele werkuren en dezelfde arbeidsomstandigheden toe te staan als haar collega’s met niet-gehandicapte kinderen;

–        Coleman is als „lui” bestempeld toen zij vrij wilde nemen om voor haar kind te zorgen, terwijl deze faciliteit wel werd geboden aan ouders van niet-gehandicapte kinderen;

–        zij heeft een formele klacht tegen haar onheuse behandeling ingediend, welke niet naar behoren is behandeld, waarna zij zich gedwongen voelde de klacht in te trekken;

–        er zijn misplaatste en beledigende opmerkingen gemaakt over haarzelf en haar kind. Wanneer andere werknemers vrij vroegen of om een zekere mate van flexibiliteit verzochten om voor hun niet-gehandicapte kinderen te zorgen, werd een dergelijk commentaar niet geleverd, en

–        wanneer zij soms te laat op kantoor kwam wegens problemen in verband met de toestand van haar kind, kreeg zij te horen dat zij op straat zou worden gezet wanneer dit opnieuw zou gebeuren. Dergelijke dreigingen werden niet geuit aan het adres van andere werknemers met niet-gehandicapte kinderen die om soortgelijke redenen te laat kwamen.

27      Van oordeel dat het bij hem aanhangige geding vragen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht opwerpt, heeft het Employment Tribunal, London South, besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

„1)      Biedt richtlijn [2000/78], wat het verbod van discriminatie op grond van handicap betreft, alleen personen die zelf een handicap hebben bescherming tegen directe discriminatie en intimidatie?

2)      Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, biedt richtlijn [2000/78] bescherming aan werknemers die zelf geen handicap hebben, maar op grond van een band met een gehandicapte minder gunstig worden behandeld of worden geïntimideerd?

3)      Wanneer een werkgever een werknemer minder gunstig behandelt dan andere werknemers en vaststaat dat de werknemer aldus wordt behandeld omdat hij voor zijn gehandicapte zoon zorgt, dient een dergelijke behandeling dan te worden aangemerkt als directe discriminatie in strijd met het in richtlijn [2000/78] vervatte beginsel van gelijke behandeling?

4)      Wanneer een werkgever een werknemer intimideert en vaststaat dat de werknemer aldus wordt behandeld omdat hij voor zijn gehandicapte zoon zorgt, is een dergelijke intimidatie dan in strijd met het in richtlijn [2000/78] vervatte beginsel van gelijke behandeling?”

 Ontvankelijkheid

28      Ofschoon zij van oordeel is dat de vragen van de verwijzende rechter voortvloeien uit een reëel geschil, betwijfelt de Nederlandse regering de ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing. Aangezien sprake is van prealabele vragen die tijdens een voorafgaande terechtzitting zijn opgeworpen, staan alle omstandigheden van de zaak immers nog niet vast. De nationale rechter gaat tijdens een dergelijke voorafgaande terechtzitting uit van het vermoeden dat de feiten zich hebben voorgedaan zoals de verzoekende partij ze heeft weergegeven.

29      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 234 EG het kader schept voor een nauwe samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, gebaseerd op een onderlinge taakverdeling. Uit de tweede alinea van dit artikel blijkt duidelijk dat het aan de nationale rechter staat om te beslissen in welke stand van het geding hij het Hof een prejudiciële vraag dient voor te leggen (zie arresten van 10 maart 1981, Irish Creamery Milk Suppliers Association e.a., 36/80 en 71/80, Jurispr. blz. 735, punt 5, en 30 maart 2000, JämO, C-236/98, Jurispr. blz. I-2189, punt 30).

30      In het hoofdgeding heeft de verwijzende rechter geconstateerd dat het beroep van Coleman niet kan slagen, indien het Hof richtlijn 2000/78 anders dan in de door haar voorgestane zin uitlegt. De nationale rechter heeft derhalve besloten om, zoals op grond van de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk mogelijk is, eerst te onderzoeken of deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij van toepassing is op het ontslag van een werknemer in een situatie als die van Coleman, alvorens vast te stellen of laatstgenoemde persoon daadwerkelijk het slachtoffer is geworden van een ongunstige behandeling of intimidatie. Om deze reden is bij het stellen van de prejudiciële vragen uitgegaan van het vermoeden dat de feiten van het hoofdgeding zich inderdaad hebben voorgedaan zoals zij in punt 26 van dit arrest zijn samengevat.

31      Waar het Hof dus vragen van uitlegging van het gemeenschapsrecht zijn gesteld waarvan niet is gebleken dat deze kennelijk geen verband houden met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, en gelet op het feit dat het Hof over de nodige gegevens beschikt om een nuttig antwoord te kunnen geven op de hem gestelde vragen over de toepasselijkheid van richtlijn 2000/78 op het onderhavige geschil, dient het die vragen te beantwoorden zonder zich bezig te houden met de juistheid van de feiten waarvan de verwijzende rechter is uitgegaan, welke feiten, indien nodig, later door laatstgenoemde rechter zullen moeten worden geverifieerd (zie in die zin arrest van 27 oktober 1993, Enderby, C-127/92, Jurispr. blz. I-5535, punt 12).

32      In deze omstandigheden moet het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk worden geacht.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Het eerste onderdeel van de eerste vraag alsmede de tweede en de derde vraag

33      Deze vragen van de verwijzende rechter, die gecombineerd moeten worden onderzocht, komen in wezen erop neer of richtlijn 2000/78 en inzonderheid de artikelen 1 en 2, leden 1 en 2, sub a, ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat zij rechtstreekse discriminatie op grond van een handicap uitsluitend verbieden ten aanzien van een werknemer die zelf gehandicapt is, dan wel dat het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van rechtstreekse discriminatie tevens van toepassing zijn op een werknemer die niet zelf gehandicapt is maar die, zoals in het hoofdgeding, ongunstig wordt behandeld wegens de handicap van zijn kind, van wie hij de hoofdverzorger is.

34      Artikel 1 van richtlijn 2000/78 omschrijft het doel van deze richtlijn aldus, dat met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader dient te worden gecreëerd voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.

35      Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn omschrijft het beginsel van gelijke behandeling als de afwezigheid van elke directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden, daaronder begrepen een handicap.

36      Volgens artikel 2, lid 2, sub a, is er sprake van directe discriminatie wanneer iemand op basis van, onder meer, een handicap ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld.

37      Ingevolge artikel 3, lid 1, sub c, is richtlijn 2000/78, binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning.

38      Uit deze bepalingen van richtlijn 2000/78 blijkt dus niet, dat het beginsel van gelijke behandeling dat deze richtlijn beoogt te garanderen, beperkt is tot personen die zelf een handicap hebben in de zin van deze richtlijn. Integendeel, deze richtlijn heeft tot doel om met betrekking tot arbeid en beroep alle vormen van discriminatie op grond van handicap te bestrijden. Het beginsel van gelijke behandeling dat zij op dit gebied formuleert, is niet van toepassing op een bepaalde categorie personen, maar uit hoofde van een van de in artikel 1 van de richtlijn genoemde gronden. Deze uitlegging vindt steun in de bewoordingen van artikel 13 EG, de rechtsgrondslag van richtlijn 2000/78, dat de Gemeenschap de bevoegdheid verleent om de noodzakelijke maatregelen te nemen om elke discriminatie op grond van onder meer handicap te bestrijden.

39      Weliswaar bevat richtlijn 2000/78 een aantal bepalingen die blijkens hun bewoordingen uitsluitend voor gehandicapte personen gelden. Zo preciseert artikel 5 dat, teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap wordt nageleefd, moet worden voorzien in redelijke aanpassingen. Dit houdt in dat de werkgever, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen moet nemen om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen dan wel om een opleiding te genieten, tenzij deze maatregelen voor de werkgever een onevenredige belasting vormen.

40      Artikel 7, lid 2, van deze richtlijn bepaalt voorts dat, met betrekking tot personen met een handicap, het beginsel van gelijke behandeling geen beletsel vormt voor het recht van de lidstaten om maatregelen te handhaven of vast te stellen ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid op de arbeidsplek, noch voor maatregelen die erop gericht zijn om voorzieningen of faciliteiten te scheppen of te handhaven om de opneming van personen met een handicap in het arbeidsproces te behouden of te bevorderen.

41      De regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede de Griekse, de Italiaanse en de Nederlandse regering stellen in het licht van zowel de in de twee voorgaande punten aangehaalde bepalingen als in de punten 16, 17 en 27 van de considerans van richtlijn 2000/78, dat het in deze richtlijn bepaalde verbod van directe discriminatie niet aldus kan worden uitgelegd dat het betrekking heeft op een situatie als die van verzoekster in het hoofdgeding, aangezien laatstgenoemde persoon niet zelf gehandicapt is. Op de bepalingen van deze richtlijn kan volgens hen uitsluitend een beroep worden gedaan door personen die op grond van hun specifieke kenmerken ongunstiger worden behandeld of in een onvoordeliger positie komen te verkeren dan andere personen in een vergelijkbare situatie.

42      Dienaangaande moet echter worden opgemerkt dat het feit dat de in de punten 39 en 40 van dit arrest bedoelde bepalingen specifiek betrekking hebben op personen met een handicap, voortvloeit uit de omstandigheid dat het om bepalingen gaat die hetzij maatregelen van positieve discriminatie ten gunste van de gehandicapte persoon zelf betreffen, hetzij specifieke maatregelen die zinledig zouden zijn of onevenredig zouden kunnen blijken te zijn, indien zij niet waren beperkt tot personen met een handicap. Zoals uit de punten 16 en 20 van de considerans van deze richtlijn blijkt, gaat het om maatregelen die ertoe strekken, rekening te houden met de behoeften van gehandicapte personen op het werk en de werkplek aan te passen aan de handicap van deze personen. Dergelijke maatregelen hebben dus specifiek tot doel om het opnemen van gehandicapte personen in het arbeidsproces mogelijk te maken en te bevorderen, en kunnen om deze reden slechts betrekking hebben op deze personen en op de verplichtingen die te hunnen aanzien rusten op hun werkgevers en, in voorkomend geval, de lidstaten.

43      De omstandigheid dat richtlijn 2000/78 bepalingen bevat die specifiek beogen rekening te houden met de behoeften van gehandicapte personen, wettigt derhalve niet de conclusie dat het in deze richtlijn geformuleerde beginsel van gelijke behandeling restrictief moet worden uitgelegd, dat wil zeggen in die zin dat uitsluitend directe discriminaties op grond van handicap zijn verboden en dat dit verbod uitsluitend geldt ten aanzien van gehandicapte personen zelf. Overigens wordt in punt 6 van de considerans van deze richtlijn, die verwijst naar het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden, zowel gesproken van de algemene bestrijding van elke vorm van discriminatie als van de noodzaak om passende maatregelen te nemen voor de sociale en economische integratie van personen met een handicap.

44      De regering van het Verenigd Koninkrijk alsook de Italiaanse en de Nederlandse regering stellen voorts dat een restrictieve uitlegging van de personele werkingssfeer van richtlijn 2000/78 voortvloeit uit het arrest van 11 juli 2006, Chacón Navas (C-13/05, Jurispr. blz. I-6467). Volgens de Italiaanse regering heeft het Hof in dat arrest het begrip handicap en de betekenis daarvan in de arbeidsverhouding restrictief uitgelegd.

45      In voornoemd arrest Chacón Navas heeft het Hof het begrip „handicap” gedefinieerd en in de punten 51 en 52 geoordeeld dat het in de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 neergelegde verbod van discriminatie op grond van handicap op het gebied van ontslag zich verzet tegen een ontslag wegens een handicap dat, rekening houdend met de verplichting om in redelijke aanpassingen voor gehandicapten te voorzien, niet gerechtvaardigd wordt door het feit dat de betrokken persoon niet bekwaam, in staat en beschikbaar is om de essentiële taken van zijn functie uit te voeren. Dit betekent echter nog niet, dat het in artikel 2, lid 1, van deze richtlijn omschreven beginsel van gelijke behandeling en het in lid 2, sub a, van dit artikel neergelegde verbod van directe discriminatie niet van toepassing kunnen zijn op een situatie als die van het hoofdgeding, waar de gestelde ongunstige behandeling van een werknemer is gebaseerd op de handicap van zijn kind, van wie hij de hoofdverzorger is.

46      Weliswaar heeft het Hof in punt 56 van voornoemd arrest Chacón Navas gepreciseerd dat de werkingssfeer van richtlijn 2000/78, gelet op de bewoordingen van artikel 13 EG, niet kan worden uitgebreid tot andere discriminaties dan die welke zijn gebaseerd op de in artikel 1 van deze richtlijn limitatief opgesomde gronden, zodat iemand die uitsluitend wegens ziekte door zijn werkgever wordt ontslagen, niet binnen het algemene kader van richtlijn 2000/78 valt, doch het heeft niet geoordeeld dat het beginsel van gelijke behandeling en de personele werkingssfeer van deze richtlijn, met betrekking tot deze gronden, restrictief moeten worden uitgelegd.

47      Wat de doelstellingen van richtlijn 2000/78 betreft, blijkt uit de punten 34 en 38 van dit arrest dat deze richtlijn met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader beoogt te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van een van de in artikel 1 ervan genoemde gronden, waaronder ook een handicap valt, teneinde in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling ten uitvoer te leggen. Volgens punt 37 van de considerans ervan heeft deze richtlijn tevens tot doel, binnen de Gemeenschap gelijke voorwaarden met betrekking tot gelijke behandeling in arbeid en beroep te scheppen.

48      Zoals Coleman, de Litouwse en de Zweedse regering alsook de Commissie betogen, zouden deze doelstellingen en het nuttig effect van richtlijn 2000/78 in het gedrang komen, indien een werknemer in een situatie als die van verzoekster in het hoofdgeding zich niet kan beroepen op het in artikel 2, lid 2, sub a, van deze richtlijn bepaalde verbod van directe discriminatie, wanneer is aangetoond dat hij minder gunstig is behandeld dan een andere werknemer in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou zijn behandeld, op basis van de handicap van zijn kind, terwijl deze werknemer zelf niet gehandicapt is.

49      Dienaangaande volgt uit punt 11 van de considerans van deze richtlijn dat de communautaire wetgever eveneens van oordeel was dat discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag kan ondermijnen, in het bijzonder op het gebied van arbeid.

50      Ofschoon in een situatie als die van het hoofdgeding de persoon die het slachtoffer van directe discriminatie op grond van handicap is geworden, zelf niet gehandicapt is, is de handicap volgens Coleman wel degelijk de reden van de minder gunstige behandeling waarvan zij stelt het slachtoffer te zijn geworden. Zoals uit punt 38 van dit arrest blijkt, is richtlijn 2000/78, die tot doel heeft om met betrekking tot arbeid en beroep alle vormen van discriminatie op grond van handicap te bestrijden, niet van toepassing op een bepaalde categorie personen maar uit hoofde van een van de in artikel 1 ervan genoemde gronden.

51      Aangezien vaststaat dat een werknemer in een situatie als die van het hoofdgeding het slachtoffer is van een directe discriminatie op grond van handicap, zou een uitlegging van richtlijn 2000/78 die de toepassing daarvan beperkt tot personen die zelf gehandicapt zijn, deze richtlijn grotendeels van zijn nuttig effect kunnen beroven en de bescherming die zij geacht wordt te garanderen, kunnen verminderen.

52      Wat de bewijslast in een situatie als die van het hoofdgeding betreft, zij eraan herinnerd dat de lidstaten ingevolge artikel 10, lid 1, van richtlijn 2000/78 overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels de nodige maatregelen dienen te nemen om ervoor te zorgen dat, wanneer personen die zich door niet-toepassing te hunnen aanzien van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld achten, voor de rechter of een andere bevoegde instantie feiten aanvoeren die directe of indirecte discriminatie kunnen doen vermoeden, de verweerder dient te bewijzen dat het beginsel van gelijke behandeling niet werd geschonden. Overeenkomstig het tweede lid van dit artikel belet het eerste lid ervan de lidstaten niet om bewijsregels in te voeren die gunstiger zijn voor de eiser.

53      In een situatie als in het hoofdgeding aan de orde is, staat het dus overeenkomstig artikel 10, lid 1, van richtlijn 2000/78 aan Coleman om voor de verwijzende rechter feiten aan te voeren op grond waarvan kan worden vermoed dat sprake is van een door deze richtlijn verboden directe discriminatie op grond van handicap.

54      Volgens laatstgenoemde bepaling van richtlijn 2000/78 en punt 31 van de considerans ervan moeten de regels inzake de bewijslast worden aangepast wanneer een vermoeden van discriminatie bestaat. Wanneer Coleman feiten aanvoert op grond waarvan directe discriminatie kan worden vermoed, vereist een doeltreffende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling derhalve dat de bewijslast op verweerders in het hoofdgeding rust, die dienen aan te tonen dat dit beginsel niet is geschonden.

55      In dit verband zouden voornoemde verweerders in het hoofdgeding het bestaan van een dergelijke schending kunnen betwisten door met alle middelen rechtens aan te tonen, onder meer, dat de behandeling van de werknemer gerechtvaardigd wordt door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van handicap of met een band van deze werknemer met een gehandicapte persoon.

56      Gelet op de voorgaande overwegingen moeten het eerste onderdeel van de eerste vraag alsook de tweede en de derde vraag in dier voege worden beantwoord dat richtlijn 2000/78 en inzonderheid de artikelen 1 en 2, leden 1 en 2, sub a, ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat het daarin neergelegde verbod van directe discriminatie niet alleen geldt ten aanzien van personen die zelf gehandicapt zijn. Wanneer een werkgever een werknemer die niet zelf een handicap heeft, minder gunstig behandelt dan een andere werknemer in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld, en wanneer is aangetoond dat de ongunstige behandeling waarvan deze werknemer het slachtoffer is, is gebaseerd op de handicap van zijn kind, van wie hij de hoofdverzorger is, is een dergelijke behandeling in strijd met het verbod van directe discriminatie van voornoemd artikel 2, lid 2, sub a.

 Het tweede onderdeel van de eerste vraag en de vierde vraag

57      Met deze vragen, die gecombineerd moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2000/78 en inzonderheid de artikelen 1 en 2, leden 1 en 3, ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat zij alleen intimidatie op grond van handicap verbieden van personen die zelf een handicap hebben, dan wel dat het verbod van intimidatie ook van toepassing is op een werknemer die niet zelf gehandicapt is maar die, zoals in het hoofdgeding, het slachtoffer is van intimidatie, bestaande uit ongewenst gedrag in verband met de handicap van zijn kind, van wie hij de hoofdverzorger is.

58      Aangezien intimidatie krachtens artikel 2, lid 3, van richtlijn 2000/78 een vorm van discriminatie in de zin van lid 1 van deze bepaling is, moeten deze richtlijn en inzonderheid de artikelen 1 en 2, leden 1 en 3 ervan, om dezelfde redenen als in de punten 34 tot en met 51 van dit arrest uiteengezet, aldus worden uitgelegd dat zij niet alleen een verbod behelzen van intimidatie van personen die zelf gehandicapt zijn.

59      Wanneer wordt aangetoond dat de uit het ongewenste gedrag voortvloeiende intimidatie van een werknemer die niet zelf gehandicapt is, verband houdt met de handicap van zijn kind, van wie hij de hoofdverzorger is, is dat gedrag in strijd met het in richtlijn 2000/78 geformuleerde beginsel van gelijke behandeling en inzonderheid met het in artikel 2, lid 3, daarvan bepaalde verbod van intimidatie.

60      Volgens de bewoordingen van artikel 2, lid 3, van deze richtlijn kan het begrip intimidatie echter worden gedefinieerd in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijken van de lidstaten.

61      Wat de bewijslast in een situatie als die van het hoofdgeding aangaat, moet worden opgemerkt dat, aangezien intimidatie een vorm van discriminatie in de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/78 is, daarvoor dezelfde regels gelden als die welke in de punten 52 tot en met 55 van dit arrest zijn uiteengezet.

62      Zoals uit punt 54 van dit arrest blijkt, moeten de regels inzake de bewijslast worden aangepast wanneer een vermoeden van discriminatie bestaat, zulks overeenkomstig artikel 10, lid 1, van richtlijn 2000/78 en punt 31 van de considerans ervan. Wanneer Coleman feiten aanvoert op grond waarvan intimidatie kan worden vermoed, vereist een doeltreffende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling derhalve dat de bewijslast op verweerders in het hoofdgeding rust, die dienen aan te tonen dat in de omstandigheden van het geval geen intimidatie heeft plaatsgevonden.

63      Gelet op de voorgaande overwegingen moeten het tweede onderdeel van de eerste vraag en de vierde vraag in dier voege worden beantwoord dat richtlijn 2000/78 en inzonderheid de artikelen 1 en 2, leden 1 en 3, ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat het daarin neergelegde verbod van intimidatie niet alleen geldt ten aanzien van personen die zelf gehandicapt zijn. Wanneer wordt aangetoond dat de uit het ongewenste gedrag voortvloeiende intimidatie van een werknemer die niet zelf gehandicapt is, verband houdt met de handicap van zijn kind, van wie hij de hoofdverzorger is, is dat gedrag in strijd met het in voornoemd artikel 2, lid 3, neergelegde verbod van intimidatie.

 Kosten

64      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Grote kamer) verklaart voor recht:

1) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, en inzonderheid de artikelen 1 en 2, leden 1 en 2, sub a, ervan, moeten aldus worden uitgelegd dat het daarin neergelegde verbod van directe discriminatie niet alleen geldt ten aanzien van personen die zelf gehandicapt zijn. Wanneer een werkgever een werknemer die niet zelf een handicap heeft, minder gunstig behandelt dan een andere werknemer in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld, en wanneer is aangetoond dat de ongunstige behandeling waarvan deze werknemer het slachtoffer is, is gebaseerd op de handicap van zijn kind, van wie hij de hoofdverzorger is, is een dergelijke behandeling in strijd met het in voornoemd artikel 2, lid 2, sub a, neergelegde verbod van directe discriminatie.

2) Richtlijn 2000/78 en inzonderheid de artikelen 1 en 2, leden 1 en 3, ervan, moeten aldus worden uitgelegd dat het daarin neergelegde verbod van intimidatie niet alleen geldt ten aanzien van personen die zelf gehandicapt zijn. Wanneer wordt aangetoond dat de uit het ongewenste gedrag voortvloeiende intimidatie van een werknemer die niet zelf gehandicapt is, verband houdt met de handicap van zijn kind, van wie hij de hoofdverzorger is, is dat gedrag in strijd met het in voornoemd artikel 2, lid 3, neergelegde verbod van intimidatie.

Ondertekeningen


Rechters

mrs. Skouris, Jann, Timmermans, Rosas, Lenaerts, Tizzano, Ile¡i, Kluka,  Caoimh, Von Danwitz, Arabadjiev

Instantie: Hoge Raad, 11 juli 2008

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting

Hoge Raad overweegt, kort gezegd, dat geen sprake is van onderscheid omdat een vrouw tijdens haar zwangerschapsverlof ook aanspraak kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als zij daadwerkelijk arbeidsongeschikt is door een ziekte die verband houdt met zwangerschap of bevalling. In die zin wordt zij niet ongelijk behandeld in vergelijking tot een mannelijke verzekerde. Er is volgens de Hoge Raad geen verplichting voor Movir om ziekte en zwangerschap(sverlof) op één lijn te stellen in die zin dat gedurende het gehele zwangerschapsverlof aanspraak moet bestaan op een uitkering zonder dat daaraan aanvullende voorwaarden worden gesteld die niet gelden voor ziekte.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Mesters heeft bij exploot van 20 oktober 2005 Movir in kort geding gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht en gevorderd, kort gezegd:
1. Movir te veroordelen aan haar de daggeldvergoeding onder de vaste kostenverzekering ad € 73,– per dag gedurende veertien weken met ingang van 12 november 2005 te vergoeden, te verhogen met de wettelijke rente;
2. Movir te veroordelen aan haar de daggeldvergoeding van de Eerstejaars arbeidsongeschiktheidsverzekering ad € 96,– per dag met ingang van 12 november 2005 tot en met 15 februari 2006 te vergoeden, te verhogen met de wettelijke rente;
3. Movir te veroordelen aan haar naast de vergoeding zoals verzocht onder 2 ook de actuele daggeldvergoeding van de aanvullende WAZ uitkering van € 36,– per dag met ingang van 12 november 2005 tot en met 15 februari 2006 te vergoeden, te verhogen met de wettelijke rente.

Movir heeft de vordering bestreden.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 15 november 2005 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft Movir hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 19 oktober 2006 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de vordering van Mesters alsnog afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.


2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Mesters beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Movir heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor Mesters toegelicht door mrs. D.I. van Praag, H. Schelhaas en J.M. van Slooten, advocaten te Amsterdam, en voor Movir door haar advocaat en mr. I.B.T. van Groningen, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
Namens Mesters heeft mr. W.H. van Hemel, advocaat te Amsterdam, bij brief van 30 mei 2008 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Mesters is als zelfstandig advocate werkzaam in een advocatenmaatschap. De verzekeringsmaatschappij Movir biedt onder meer aan advocaten arbeidsongeschiktheidsverzekeringen aan.
(ii) Mesters heeft bij Movir vier arbeidsongeschiktheidsverzekeringen gesloten:
– een Eerstejaars arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de E-verzekering) die het risico dekt van arbeidsongeschiktheid gedurende het eerste jaar, met een verzekerd dagbedrag van € 96,–;
– een daarop aansluitende Langlopende arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de L-verzekering) die het risico van arbeidsongeschiktheid dekt vanaf het tweede jaar tot het 65e levensjaar van de verzekerde, met een verzekerd dagbedrag van € 57,–;
– een vastekostenverzekering (hierna: de VK-verzekering) ter dekking van doorlopende (vaste) kantoorkosten gedurende arbeidsongeschiktheid, met een verzekerd dagbedrag van € 73,–;
– een verzekering ter dekking van het risico dat tot augustus 2004 onder de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen viel, met een verzekerd dagbedrag van € 36,– (hierna: de WAZ-verzekering).
(iii) In alle vier polissen is het begrip arbeidsongeschiktheid als volgt omschreven:

“Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor ten minste 25% beperkt is om de werkzaamheden verbonden aan het in de polis omschreven beroep te verrichten.”

(iv) De L-verzekering en de WAZ-verzekering geven aan de vrouwelijke verzekerde voorts recht op een zwangerschapsuitkering. Die polissen bevatten daartoe de volgende regeling:

“1. De vrouwelijke verzekerde heeft in verband met haar bevalling recht op een zwangerschapsuitkering mits zij ten tijde van de vermoedelijke bevallingsdatum ten minste twee jaar bij Movir is verzekerd.
2. De uitkering wordt verstrekt gedurende ten hoogste zestien weken.
3. Indien een eigenrisicotermijn is overeengekomen, wordt deze termijn op de uitkeringsduur in mindering gebracht, met uitzondering van de eerste twee weken eigen risico. (…)
4. De hoogte van de uitkering is gelijk aan de verzekerde daguitkering, met een maximum van het verzekerd dagbedrag zoals dat gold twee jaar voor de vermoedelijke bevallingsdatum.
5. Bij samenloop van een zwangerschapsuitkering met een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid wordt de zwangerschapsuitkering slechts uitgekeerd indien en voor zover deze het bedrag van de vastgestelde uitkering wegens arbeidsongeschiktheid overtreft.
6. (…)
7. (…)
8. Het bovenstaande geldt voor vrouwelijke verzekerden, als zelfstandigen werkzaam in de vrije praktijk, die een L-verzekering en een E-verzekering hebben afgesloten. De eigenrisicotermijn bedraagt 1 maand, het verzekerd bedrag dat geldt is het dagbedrag van de L-verzekering.”

(v) De Commissie Gelijke Behandeling (hierna: de CGB) heeft op 29 april 2004 uitspraak gedaan (uitspraak nr. 2004-44) naar aanleiding van een door Mesters ingediend verzoek. De CGB was daarin van oordeel dat Movir jegens Mesters:
a. verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door een wachttijd van twee jaar te hanteren voor een zwangerschapsuitkering in de L-verzekering;
b. verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door zwangerschap slechts te verzekeren, indien naast een L-verzekering tevens een E-verzekering is afgesloten;
c. verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door zwangerschap niet te verzekeren in de VK-verzekering.
(vi) Bij brief van 3 juni 2005 heeft Mesters Movir in kennis gesteld van het feit dat zij zwanger is. In deze brief heeft Mesters aanspraak gemaakt op een uitkering op grond van ‘de arbeidsongeschiktheidsverzekering’, de VK-verzekering en de WAZ-verzekering.
(vii) Hierop heeft Movir bij brief van 16 juni 2005 laten weten dat Mesters geen recht kan ontlenen aan de WAZ-verzekering omdat zij ten tijde van de vermoedelijke bevallingsdatum niet ten minste twee jaar verzekerd is voor die verzekering. Verder heeft Movir bericht dat Mesters onder de VK-verzekering geen recht heeft op een zwangerschapsuitkering omdat in de voorwaarden van deze verzekering geen zwangerschapsregeling is opgenomen. Wel heeft Mesters recht op een uitkering van € 52,– per dag gedurende veertien weken onder de L-verzekering, waarbij overeenkomstig de polisvoorwaarden rekening is gehouden met een eigenrisicoperiode van 16 dagen.

3.2 Mesters heeft aan de onder 1 weergegeven vorderingen in dit kort geding ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat door Movir bij het aanbieden en uitvoeren van de hier aan de orde zijnde verzekeringen ongeoorloofd onderscheid naar geslacht wordt gemaakt als bedoeld in art. 7 lid 1, onder a, in verbinding met art. 1 Algemene wet gelijke behandeling (hierna: Awgb), doordat deze verzekeringen een vrouwelijke zelfstandige beroepsbeoefenaar geen recht geven op een uitkering tijdens ‘zwangerschapsverlof’ (waarmee kennelijk bedoeld is de periode rond de bevalling waarin zij haar werkzaamheden als zelfstandige onderbreekt vanwege de zwangerschap en bevalling), dan wel doordat aan het recht op een dergelijke uitkering andere (meer beperkende) voorwaarden worden gesteld dan bij onderbreking van de werkzaamheden wegens ziekte.
Movir heeft daartegen primair aangevoerd dat geen sprake is van een onderscheid naar geslacht. De onderhavige verzekeringen geven recht op een uitkering bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte zoals in de polis nader omschreven, waarbij voor vrouwen en mannen dezelfde voorwaarden gelden. Voor de toepassing van die polissen kan afwezigheid wegens zwangerschap of bevalling volgens Movir niet zonder meer aangemerkt worden als arbeidsongeschiktheid in directe relatie tot ziekte of ongeval. Movir biedt daarnaast in de WAZ- en de L-verzekering speciaal voor vrouwen een extra dienst aan, in de vorm van een dekking voor een zwangerschapsuitkering gedurende maximaal 16 weken, onder de voor die dekking omschreven voorwaarden. Subsidiair heeft Movir betoogd dat, zo er sprake is van onderscheid naar geslacht, het onderscheid niet verboden is omdat het gemaakt wordt voor een geval waarin het geslacht bepalend is als bedoeld in art. 2 lid 2 Awgb, dan wel omdat het een indirect onderscheid betreft en daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat als bedoeld in art. 2 lid 1 Awgb.

3.3 De voorzieningenrechter heeft zowel het primaire als het subsidiaire verweer van Movir verworpen, en de vorderingen van Mesters toegewezen.
In hoger beroep heeft het hof de juistheid van het primaire verweer – en van de daarop betrekking hebbende grieven 1 en 2 – van Movir in het midden gelaten (rov. 4.9 aanhef en rov. 4.12). Ten aanzien van het subsidiaire verweer heeft het hof geoordeeld:
– dat voorzover in de onderhavige verzekeringen door Movir onderscheid naar geslacht wordt gemaakt, dit als indirect onderscheid moet worden aangemerkt (rov. 4.10);
– dat voorshands aannemelijk is dat de door Movir geschetste ongewenste gevolgen van toewijzing van de vordering van Mesters voor alle verzekerden – een substantiële premieverhoging – in dit verband als objectieve rechtvaardigingsgrond zijn aan te merken, voorts dat het de grenzen van een in kort geding te geven spoedvoorziening te buiten gaat om verder onderzoek daarnaar te doen aangezien daarvoor ten minste uitgebreide actuariële gegevens nodig zijn, en dat de vordering van Mesters zich derhalve niet leent voor behandeling in kort geding (rov. 4.11).
Ten overvloede heeft het hof nog overwogen dat aanleiding bestaat tot terughoudendheid met betrekking tot het hanteren van Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (hierna: Richtlijn 2004/113/EG) “als hulpmiddel om art. 7 Awgb te interpreteren”, en dat gelet op het vooroverwogene de vraag of genoemd artikel door de voorzieningenrechter juist is geïnterpreteerd verder in het midden kan blijven (rov. 4.13).
Het hof heeft om deze redenen de vorderingen van Mesters alsnog afgewezen.
Het middel is tegen de hiervoor kort weergegeven rov. 4.10 – 4.13 gericht.

3.4.1 Het gaat hier om een geval waarin een particuliere verzekeringsmaatschappij in de uitoefening van haar bedrijf verzekeringen aanbiedt ter dekking van het risico van arbeidsongeschiktheid van een zelfstandige beroepsbeoefenaar. Ingevolge art. 7 lid 1 in verbinding met art. 1 Awgb is het verboden daarbij onderscheid te maken naar (onder meer) geslacht. In dit verband is van belang dat onder direct onderscheid op grond van geslacht mede wordt verstaan onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap (art. 1 lid 2 Awgb). Hoewel het een verzekeringsmaatschappij vrijstaat de omvang van het te verzekeren risico, de voorwaarden waaronder dekking wordt verleend, en de omvang van de uitkering in haar polissen zelf te bepalen, mogen ook de desbetreffende polisvoorwaarden geen direct of indirect onderscheid naar geslacht maken (behoudens een objectieve rechtvaardiging als bedoeld in art. 2 lid 2 Awgb voor het maken van indirect onderscheid).

3.4.2 De vorderingen van Mesters strekken ertoe dat Movir op grond van (elk van) de E-, L-, WAZ- en VK-verzekeringen uitkeringen verstrekt overeenkomstig de bij arbeidsongeschiktheid geldende voorwaarden, gedurende de periode van zestien weken rond de bevalling waarin Mesters haar werkzaamheden in verband met haar zwangerschap en bevalling heeft onderbroken. Zij legt daaraan ten grondslag dat de onderhavige arbeidsongeschiktheidsverzekeringen ingevolge art. 9 Awgb nietig zijn wegens strijd met het discriminatieverbod, voor zover zij geen recht op een zwangerschapsuitkering geven (de VK- en de E-verzekering), dan wel voor zover zij recht op een dergelijke uitkering geven onder beperkende voorwaarden (de L- en de WAZ-verzekering). In het standpunt van Mesters ligt besloten dat het gelijkheidsbeginsel als neergelegd in de Algemene wet gelijke behandeling en de Richtlijn 2004/113/EG meebrengt, dat onder arbeidsongeschiktheid in de zin van de onderhavige polissen tevens begrepen moet worden het geval dat een vrouwelijke zelfstandige beroepsbeoefenaar vanwege zwangerschap haar werkzaamheden in een periode rond de bevalling onderbreekt, ongeacht of sprake is van een beperking om de beroepswerkzaamheden te verrichten als gevolg van objectief medisch vast te stellen stoornissen in directe relatie tot ziekte (al dan niet in verband met zwangerschap of bevalling).

3.4.3 Dit standpunt kan niet als juist worden aanvaard. Movir heeft in de onderhavige polissen het begrip arbeidsongeschiktheid telkens omschreven als het voor ten minste 25% beperkt zijn om de beroepswerkzaamheden te verrichten ten gevolge van “in directe relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen”. Naar tussen partijen vaststaat, vallen onder deze omschrijving ook objectief medisch vast te stellen stoornissen die in directe relatie staan tot een ziekte die verband houdt met zwangerschap of bevalling. Aldus maakt deze omschrijving geen onderscheid (direct of indirect) naar geslacht. Vrouwen hebben immers in geval van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis op gelijke voet met mannen recht op een uitkering, ook als die arbeidsongeschiktheid verband houdt met zwangerschap of bevalling.
Noch de Algemene wet gelijke behandeling, noch (naar buiten redelijke twijfel aangenomen moet worden) de Richtlijn 2004/113/EG, brengt mee dat zwangerschap en bevalling bij de uitvoering van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering in hun algemeenheid op één lijn gesteld moeten worden met (arbeidsongeschiktheid als gevolg van) ziekte. Uit deze regelingen kan niet afgeleid worden dat een particuliere verzekeringsmaatschappij als Movir op grond van een arbeidsongeschiktheidsverzekering een zwangerschapsuitkering dient te verstrekken aan een vrouwelijke zelfstandige beroepsbeoefenaar gedurende de periode waarin zij haar werkzaamheden in verband met haar zwangerschap en bevalling onderbreekt, buiten het geval van arbeidsongeschiktheid als in de desbetreffende polis voor vrouwen en mannen gelijkelijk omschreven. Uit de genoemde wet en richtlijn kan overigens in het geheel niet afgeleid worden gedurende hoeveel dagen of weken een dergelijke uitkering dan verstrekt zou moeten worden, hetgeen temeer laat zien dat een verplichting tot het verstrekken van een zwangerschapsuitkering zoals door Mesters bedoeld, niet uit die wet of richtlijn afgeleid kan worden.
Het staat een verzekeringsmaatschappij derhalve vrij om, naast een door haar aangeboden dekking voor arbeidsongeschiktheid die voor mannen en vrouwen gelijk is, al dan niet een verzekering voor een zwangerschapsuitkering aan te bieden. Dit omvat ook de vrijheid om voor een dergelijke zwangerschapsuitkering afwijkende voorwaarden in de polis op te nemen, aangezien het een aparte, van de dekking voor arbeidsongeschiktheid te onderscheiden dienst betreft die zich uitsluitend op vrouwen richt. Opmerking verdient nog dat ingevolge art. 5 lid 3 van de Richtlijn 2004/113/EG de kosten die verband houden met zwangerschap en moederschap in geen geval mogen leiden tot verschillen in premies en uitkeringen voor individuele personen. In dit geval staat evenwel vast dat hieraan in ieder geval voldaan is, nu de onderhavige verzekeringen van Movir gelijke uitkeringen verstrekken aan mannen en vrouwen in geval van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polissen, en voor mannen en vrouwen gelijke premies kennen, ook voor zover de L- en de WAZ-verzekeringen mede voorzien in een zwangerschapsuitkering ten behoeve van vrouwen.

3.5 Mesters heeft haar vorderingen uitsluitend gebaseerd op het hiervoor verworpen argument van ongeoorloofd onderscheid. Zij heeft aan haar aanspraak op uitkeringen gedurende de periode rondom de bevalling waarin zij haar werkzaamheden heeft onderbroken (voor zover die aanspraak door Movir is afgewezen) niet subsidiair ten grondslag gelegd dat zij in die gehele periode, of een gedeelte daarvan, arbeidsongeschikt was in de zin van de onderhavige polissen, derhalve vanwege een objectief medisch vast te stellen stoornis in directe relatie tot ziekte (al dan niet in verband met haar zwangerschap of bevalling).
Dit betekent dat haar vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen, zodat het hof de vorderingen terecht heeft afgewezen. Mesters heeft dan ook geen belang bij behandeling van haar klachten tegen de rov. 4.10 – 4.13.
Die klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Mesters in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Movir begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,– voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 11 juli 2008.

Rechters

J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein en C.A. Streefkerk

Instantie: Rechtbank Zwolle, sector kanton, 9 juli 2008

Instantie

Rechtbank Zwolle, sector kanton

Samenvatting

De werkneemster is als huisarts in dienst bij de werkgever, die ook huisarts is. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO-Huisarts van toepassing. De werkneemster werkt 16 uur per week, ofwel 40%. De CAO voorziet in een maximum budget ten behoeve van de werkelijk gemaakte persoonlijke kosten in het kader van de functie-uitoefening van € 3.665, – per jaar. Het budget wordt volledig toegekend indien een huisarts een dienstverband heeft van 20 uur of meer per week bij één werkgever. Bij een dienstverband van minder dan 20 uur per week wordt het budget naar rato van het dienstverband toegekend. De werkneemster stelt dat met de CAO-regeling ongeoorloofd onderscheid naar arbeidsduur wordt gemaakt en tevens indirect onderscheid naar geslacht.

De kantonrechter toetst alleen aan artikel 7:648 BW, omdat die toetsing tot dezelfde uitkomst behoort te leiden als toetsing aan art. 7:646 BW. Met het alleen toekennen volledig toekennen van het budget aan werknemers die tenminste 20 uur per week in dienst zijn, wordt onderscheid naar arbeidsduur gemaakt. Dit onderscheid is niet objectief gerechtvaardigd, nu blijkens de wetsgeschiedenis, de arbeidsduur van een werknemer slechts van invloed mag zijn op een te verlenen vergoeding voor onkosten die samenhangen met de uitoefening van het werk, als de feitelijke hoogte van de onkosten mede door de arbeidsduur wordt bepaald. Bij een door de werkgever verplicht gestelde opleiding is er geen reden om onderscheid naar arbeidsduur te maken. Bij niet-verplichte opleidingen zal een vergoeding tenminste naar rato uitgangspunt moeten zijn. Een onderscheid tussen huisartsen die 50% of meer werken of minder dan 50% is niet gerechtvaardigd. Dit geldt waar het de kosten van communicatiemiddelen, vakliteratuur en door CAO-partijen gewenste lidmaatschappen van vakverenigingen betreft. Voor opleidingen die verplicht zijn moet als uitgangspunt vergoeding ongeacht arbeidsomvang gelden. Een en ander brengt mee dat de werkneemster alsnog aanspraak kan maken op het volledige budget over 2006 en 2007.

Volledige tekst

www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BD6846

Rechters

mr. Fikkers

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 3 juli 2008

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting

Nabestaande, geboren na 1949, is wegens arbeidsongeschiktheid slechts voor 37,5% van de normale werktijd werkzaam als voedingsassistente. De SVB heeft als maatman een werkloze laaggeschoolde aangewezen en na functieduiding geconcludeerd dat geen sprake is van verlies aan verdiencapaciteit. De CRvB heeft echter vastgesteld dat de SVB geen duidelijke en consistente invulling aan het arbeidsongeschiktheidbegrip in de ANW heeft gegeven. De SVB moet een nieuw besluit nemen, met in achtneming van de kritiek.

Volledige tekst

Uitspraak
06/2199 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 maart 2006, 05/344 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, verbonden aan Delescen en Scheers advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellante heeft de Raad op 26 februari 2007 een rapport van de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard doen toekomen.

De Svb heeft de Raad desgevraagd een reactie op dit rapport doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2008. Voor appellante is haar gemachtigde verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A. Slovacek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1951, heeft bij de Svb op 4 februari 2004 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd in verband met het overlijden van haar echtgenoot [in] 2004. Zij heeft daarbij aangegeven wegens lichamelijke klachten slechts 37,5% van de normale werktijd werkzaam te zijn.

1.2. De Svb heeft WOSM verzocht te adviseren omtrent de door appellante gestelde arbeidsongeschiktheid.

1.3. Appellante is op 15 maart 2004 onderzocht door de verzekeringsarts M. Michels. Blijkens diens rapport heeft appellante in 1992 haar werkzaamheden als schoonmaakster in verband met schouderklachten moeten staken. Zij heeft tijdelijk een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen. Na een omscholing tot voedingsassistente is deze uitkering beëindigd. Appellante is gedurende 58 uren per maand gaan werken als voedingsassistente. Na het overlijden van haar echtgenoot heeft appellante deze werkzaamheden enige tijd wegens spanningsklachten niet kunnen uitvoeren. Zij had haar werk ten tijde van het onderzoek door Michels al weer enkele weken hervat. In verband met appellantes schouderklachten en neurologische klachten heeft de verzekeringsarts Michels voor appellante een functionele-mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Naar zijn oordeel geldt voor appellante geen urenbeperking voor het verrichten van arbeid.

1.4. Op 26 april 2004 heeft de arbeidsdeskundige T. de Waal rapport uitgebracht. Deze heeft de maatman van appellante gesteld op de werkloze laaggeschoolde werknemer die ten minste het wettelijk minimumloon kan verdienen met een werkweek van 38 uren per week. Hij heeft een aantal functies geselecteerd die appellante met de voor haar geldende beperkingen kan vervullen. Een vergelijking van het voor appellante geldende maatmaninkomen met hetgeen zij in die functies kan verdienen, leidde De Waal tot het oordeel dat bij appellante geen sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit.

1.5. Op basis van deze rapporten heeft WOSM de Svb geadviseerd dat appellante niet als rechtstreeks en objectief medisch gevolg van ziekte of gebreken buiten staat is om 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar zij arbeid verrichten of het laatst hebben verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op basis van dit advies heeft de Svb bij besluit van 12 mei 2004 appellante een uitkering ingevolge de ANW geweigerd onder overweging dat zij noch een ongehuwd kind verzorgt dat jonger is dan 18 jaar, noch meer dan 45% arbeidsongeschikt is, noch geboren is vóór 1950.

1.6. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij gesteld meer dan 45% arbeidsongeschikt te zijn. Nadat nader advies was gevraagd aan WOSM, wat heeft geleid tot een rapport van 8 oktober 2004 van de bezwaarverzekeringsarts R.H.C.J. Mentink, heeft de Svb bij het bestreden besluit van 26 januari 2005 appellantes bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 12 mei 2004 gehandhaafd.

2) De rechtbank heeft overwogen geen aanknopingspunten te zien voor het oordeel dat de zienswijze van de verzekeringsarts(en) niet correct is dan wel dat het medisch onderzoek niet deugdelijk zou zijn geweest. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat appellante zes weken na het overlijden van haar echtgenoot haar eigen werk in de oude omvang heeft hervat, zodat geen sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit. Op grond van deze overwegingen heeft de rechtbank appellantes beroep ongegrond verklaard.

3) De Raad overweegt het volgende.

3.1. Op grond van artikel 14, eerste lid, van de ANW, voor zover hier van belang, heeft recht op een nabestaandenuitkering de nabestaande die arbeidsongeschikt is op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde en wiens arbeidsongeschiktheid na die dag ten minste drie maanden voortduurt.

3.2. Artikel 11 van de ANW luidt:
“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”.

3.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007 (LJN BA1702) heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de inmiddels ingetrokken Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (tezamen: de arbeidsongeschiktheidswetten) en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten. Dit zal bijvoorbeeld niet mogelijk zijn waar bij het Schattingsbesluit van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten wordt afgeweken, nu de ANW voor een dergelijke afwijking geen basis kent. Voorts dient bij de toepassing van artikel 11 van de ANW doel en strekking van deze wet als uitgangspunt te gelden.

3.4. Bij de toepassing van de arbeidsongeschiktheidswetten dient volgens vaste jurisprudentie in beginsel als maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde functie vervult als de verzekerde laatstelijk vervulde voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Dit beginsel dient noodzakelijkerwijs te worden verlaten waar het de beoordeling betreft van de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde die ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid geen arbeid verrichtte. Dit is bijvoorbeeld doorgaans het geval bij jonggehandicapten.

3.5. Voor de vaststelling van de maatman bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in het kader van de toepassing van de ANW dient, zoals hiervoor is overwogen, aansluiting te worden gezocht bij doel en strekking van deze wet. De ANW heeft tot doel een voorziening op minimumniveau te bieden aan nabestaanden die niet in staat zijn in hun eigen onderhoud te voorzien, bijvoorbeeld in verband met de verzorging van kinderen onder de 18 jaar of in geval van arbeidsongeschiktheid van meer dan 45%. Bij de beoordeling of een nabestaande arbeidsongeschikt is, zal derhalve als maatstaf ten minste dit minimumniveau moeten gelden. Dat wil zeggen dat indien de nabestaande vóór het overlijden van de verzekerde – om welke reden dan ook – niets dan wel minder dan het minimumniveau verdiende, ten minste beoordeeld dient te worden of de nabestaande door ziekte of gebreken buiten staat is 55% van het (voltijdse) wettelijk minimumloon te verdienen.

3.6. Zoals ter zitting van de Raad is gebleken, heeft de Svb geen duidelijke invulling aan dit arbeidsongeschiktheidsbegrip in de ANW gegeven. De arbeidsdeskundige van WOSM heeft bij zijn beoordeling als maatman aangemerkt de werkloze laaggeschoolde werknemer die ten minste het wettelijk minimumloon kan verdienen met een werkweek van 38 uren per week en stelt zich op het standpunt dat appellante in passende arbeid ten minste dit maatmaninkomen kan verdienen. Ter zitting van de rechtbank heeft de Svb zich evenwel op het standpunt gesteld dat appellante niet arbeidsongeschikt is omdat zij haar eigen werk in de omvang van 58 uren per maand heeft hervat. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van de Svb daaraan desgevraagd toegevoegd dat appellante ook in staat wordt geacht haar eigen werk als voedingsassistente voltijds te verrichten.

3.7. De Raad moet evenwel vaststellen dat dit laatste standpunt onvoldoende controleerbaar is. Onder de gedingstukken bevindt zich geen omschrijving van de werkzaamheden van appellante als voedingsassistente, zodat niet kan worden beoordeeld of zij deze werkzaamheden voltijds zou kunnen verrichten. Bovendien heeft de zenuwarts Busard zich blijkens zijn in hoger beroep overgelegde rapport op het standpunt gesteld dat appellante haar werkzaamheden als voedingsassistente niet gedurende meer dan 58 uren per maand kan verrichten. De Raad heeft de Svb verzocht op dit rapport te reageren. De Svb heeft deze rapportage niet voor een reactie aan een verzekeringsarts voorgelegd, maar heeft volstaan met de reactie van een juridisch adviseur. Deze merkt slechts op dat Busard appellante drie jaren na de datum in geding heeft gezien en dat Busard geen verzekeringsarts is. Met deze argumenten wordt miskend dat hier het rapport van een (partij)deskundige voorligt dat een oordeel geeft – ook voor de datum in geding – dat mogelijk afwijkt van de visie van de verzekeringsarts(en) die de Svb heeft geraadpleegd. Aan een dergelijk rapport kan niet op deze wijze worden voorbijgegaan.

3.8. Voor zover de Svb heeft beoogd zich op het standpunt te stellen dat de maatman van appellante op de voltijdse voedingsassistente moet worden gesteld, merkt de Raad op dat in dat geval de arbeidskundige vergelijking met haar resterende verdiencapaciteit niet valt te maken omdat niet is nagegaan wat de hoogte van het maatmaninkomen in dat geval is.

3.9. Voor zover de Svb zijn standpunt handhaaft dat als maatman moet worden aangemerkt de voedingsassistente gedurende 58 uren per maand, moet worden vastgesteld dat niet wordt voldaan aan de hiervoor geformuleerde eis dat het maatmaninkomen ten minste het (voltijdse) wettelijk minimum zal moeten bedragen.

3.10. De Raad merkt voorts nog op dat appellantes gemachtigde terecht heeft opgemerkt dat zich onder de gedingstukken geen arbeidsmogelijkhedenlijst bevindt, zodat niet kan worden beoordeeld of de door de arbeidsdeskundige voor appellante geselecteerde functies voldoen aan eisen van urenomvang, actualiteit en dergelijke.

3.11. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De Svb zal zich in de eerste plaats moeten beraden over de vraag wie in een geval als het onderhavige als de ‘soortgelijke gezonde’ van appellante moet worden aangemerkt. Voorts zal nader advies van een (bezwaar)verzekeringsarts moeten worden gevraagd om te beoordelen of het rapport van de zenuwarts Busard aanleiding geeft tot bijstelling van de FML en/of dit leidt tot het opnemen van een urenbeperking. Zo de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op grond van geschiktheid voor functies wordt gehandhaafd, zullen de nodige gegevens over die functies aan (de gemachtigde van) appellante ter hand moeten worden gesteld, opdat de geschiktheid van die functies kan worden beoordeeld.

3.12. Het vorenstaande leidt ertoe dat ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, moet worden vernietigd.

  1. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante de Raad verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de te laat uitbetaalde ANW-uitkering. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd wegens een motiveringsgebrek en dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen. Het ligt thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Gedaagde zal bij het nemen van een nieuw besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen aanwezig zijn om schade te vergoeden.

  2. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,– voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,– voor verleende rechtsbijstand en € 950,– in verband met de kosten van de deskundige Busard in hoger beroep, tezamen in totaal € 1.916,–.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.916,–, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht van € 105,– vergoedt.

Rechters

M.M. van der Kade, T.L. de Vries en H.J. de Mooij

17 juni 2008 – Klacht over bejegening zwangere vrouwen op Schiphol

Klacht over bejegening zwangere vrouwen op Schiphol

17 juni 2008
Als zwangere vrouwen verdacht worden van bolletjes slikken moeten ze zelf hun onschuld bewijzen door drie maal schone ontlasting te produceren. Tot die tijd zitten ze in een cel op Schiphol. Het Proefprocessenfonds Clara Wichmann ondersteunt een klachtprocedure van een in Nederland werkzame verpleegster bij de Nationale Ombudsman. Zij werd in 2006 na een bezoek aan Suriname vijf dagen vastgezet tot ze haar onschuld had bewezen met de productie van drie schone ontlastingen. Terwijl ze in detentie zat werd ze bovendien slecht behandeld.
Wie verdacht wordt van drugssmokkel krijgt op Schiphol een bodyscan. Bij zwangerschap is dat niet toegestaan. Een echo zou dan een veilig alternatief zijn, maar justitie weigert dit toe te passen. Dit zou te veel tijd en capaciteit kosten. Het gaat echter slechts om een kleine groep zwangere vrouwen, aldus het persbericht van het Fonds

16 juni 2008 – Themabijeenkomst familierecht

Themabijeenkomst familierecht

16 juni 2008
Op 12 juni j.l. organiseerde de Vereniging voor Vrouw en Recht een themabijeenkomst over het onderwerp ‘Ouderschapsplan bij huiselijk geweld’ met inleidingen van advocaat Els van Blokland en Mia Meijer van de Raad voor de Kinderbescherming.
Margreet de Boer geeft op haar weblog een impressie.

Leontine Bijleveld en Eva Cremers: Wettelijke uitsluiting maakt alfahulp goedkoop, NRC 26 april 2008

Wettelijke uitsluiting maakt alfahulp goedkoop

Wim Groot en Henriëtte Maassen van den Brink loven de marktwerking in de zorg (Opiniepagina NRC Handelsblad 4 april j.l.): kostenbesparing én verbetering van de kwaliteit. De overheveling van de huishoudelijke zorg van de AWBZ naar de gemeenten zou twintig % opleveren. Ze geven echter geen voorbeelden van kwaliteitsverbetering in de thuiszorg. Evenmin noemen ze dat de besparing is gerealiseerd door inschakeling van werknemers met een slechtere rechtspositie en een lagere beloning: de alfahulpen.
Alfahulpen zijn geen zelfstandig ondernemers of freelancers (NRC Handelsblad 14 april) maar werknemers, die niet verzekerd zijn voor werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Ze hebben slechts zes weken recht op doorbetaling van loon bij ziekte omdat ze “doorgaans op maximaal drie dagen per week uitsluitend of hoofdzakelijk huishoudelijke of persoonlijke diensten in de huishouding van een natuurlijk persoon verrichten”. Deze wettelijke uitsluiting van veel sociale bescherming maakt hen goedkope werknemers. Bij alfahulpverlening is de zorgbehoevende cliënt werkgever en de thuiszorginstellingen bemiddelaar. Om bij de gemeentelijke aanbesteding van de huishoudelijke zorg als goedkoopste uit de bus te komen hebben thuiszorginstellingen het aandeel van zorg door alfahulpen vergroot. Veel reguliere werkneemsters in dienst van de instellingen onder grote druk gezet hun uren te verminderen, of om de slechtere rechtspositie als alfahulp te accepteren.
Voor marktwerking is een level playing field vereist. Dat is niet het geval als de wet voor een specifieke groep werkneemsters een lagere sociale bescherming toelaat. In internationaal perspectief heet dit social dumping, een praktijk die werkgeversvoorman Bernard Wientjes op de tripartite Decent Work conferentie op 14 april j.l. in Den Haag ten principale veroordeelde: concurreren moet je op basis van productiviteit en kwaliteit.
Volgens ons zou het debat moeten gaan over de vraag of het anno 2008 nog wel moreel én juridisch acceptabel is dat voor een specifieke vorm van vrouwenarbeid slechts marginale sociale bescherming bestaat.

Leontine Bijleveld en
Eva Cremers
Beiden zijn bestuurslid van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann.

Instantie: Hoge Raad, 24 april 2008

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting

Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof lerares met schoolvakantie; strekking art. I-C2 lid 1 Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel; minimum vakantie-aanspraak; discriminatie naar geslacht?
Art. I-C2 lid 1 Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO), waaraan de onderhavige bepaling in de hier toepasselijke CAO Voortgezet Onderwijs is ontleend, voorziet niet in de toekenning van een bepaald aantal vakantiedagen of in de mogelijkheid van opbouw van vakantiedagen, doch voorziet slechts in een specifieke, los van de duur van de betrekking, staande regeling dat in bepaalde, nader omschreven periodes, waarin geen onderwijs wordt gegeven – te weten: gedurende de schoolvakantie – vakantieverlof wordt genoten. Dit heeft evenwel niet tot gevolg dat een lerares wier zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvalt met de schoolvakantie geen recht heeft op een bepaald aantal vakantiedagen, aangezien art. 7:634 BW inhoudt dat de werknemer recht heeft op een minimum aantal vakantiedagen van welk recht niet ten nadele van de werknemer kan worden afgeweken. Nu de bedoelde bepaling van het RpbO sekseneutraal is en nu eiseres het wettelijk minimum aan vakantiedagen feitelijk heeft genoten, terwijl niet is gesteld dat in het onderhavige geval een groter aantal vakantiedagen is overeengekomen, faalt de klacht dat het ontbreken van een compensatieregeling voor vakantieverlof tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof meebrengt dat – in strijd met Richtlijn 76/207/EEG (Richtlijn gelijke behandeling m/v) en de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen – vrouwelijke leraren die laatstbedoeld verlof genieten, daardoor minder aanspraak hebben op vakantieverlof dan hun mannelijke collega’s.

BW 7:634, 7:636, 7:645; CAO voor het Voortgezet Onderwijs; Rechtspositiebesluit WPO/WEC I-C2 lid 1; Richtlijn 76/207/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen t.a.v. de toegang tot het arbeidsproces, beroepsopleiding en de promotiekansen en t.a.v. de arbeidsvoorwaarden,; WGBMV

Het gaat in deze zaak, evenals in de arresten van 9 augustus 2002, NJ 2004, 221 en NJ 2004, 222, m.nt GHvV, om de samenloop van zwangerschaps- en bevallingsverlof met de schoolvakantie, ditmaal in het geval van een lerares die krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht – mede beheerst door de CAO Voortgezet onderwijs 1998/1999 – werkzaam is in het bijzonder voortgezet onderwijs.
Art. I-C2 lid 1 Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO), waaraan de vakantieregeling van de hier toepasselijke CAO-VO is ontleend, voorziet niet in de toekenning van een bepaald aantal vakantiedagen of in de mogelijkheid van opbouw van vakantiedagen. Deze bepaling voorziet slechts in een specifieke, los van de duur van de betrekking staande, regeling dat in bepaalde, nader omschreven, periodes waarin geen onderwijs wordt gegeven – te weten: gedurende de schoolvakanties – vakantieverlof wordt genoten.
Hoewel art. I-C2 RpbO niet de omvang van de vakantieaanspraak bepaalt, heeft dit niet tot gevolg dat een lerares geen recht heeft op een bepaald aantal vakantiedagen per jaar. Art. 7:634 BW houdt immers in dat de werknemer recht heeft op een minimum aantal vakantiedagen. Van dat recht kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.
Nu de bedoelde bepaling van het RpbO sekseneutraal is en nu eiseres het wettelijk minimum aan vakantiedagen feitelijk heeft genoten, terwijl niet is gesteld dat in het onderhavige geval een groter aantal vakantiedagen is overeengekomen, faalt de klacht dat het ontbreken van een compensatieregeling voor vakantieverlof tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof meebrengt dat – in strijd met Richtlijn 76/207/EEG (Richtlijn gelijke behandeling m/v) en de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen – vrouwelijke leraren die laatstbedoeld verlof genieten, daardoor minder aanspraak hebben op vakantieverlof dan hun mannelijke collega’s.

Volledige tekst

Mevrouw X, te Kampen, eiseres tot cassatie, adv. mr. K. Aantjes,
tegen
Vereniging voor Protestants Christelijk Voortgezet Onderwijs in Apeldoorn en omgeving, te Apeldoorn, verweerster in cassatie, adv. aanvankelijk mr. A.G. Castermans, thans mr. M.J.C. Jehee.
Rechtbank:
6.2
Het zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in het tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekspersoneel en in de Wet betreffende aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof van overheids- en onderwijspersoneel.
Nu het onderhavige geschil ziet op vakantieverlof en bovengenoemd Besluit en Wet met name zien op de aanspraak op bezoldiging in geval van afwezigheid wegens ziekte en de in dit kader gelijkgestelde afwezigheid in verband met zwangerschap en bevalling, zal nadere bespreking hiervan thans achterwege blijven.
6.3
Op 1 augustus 1996 is het Kaderbesluit rechtspositie Voortgezet Onderwijs (hierna: Kaderbesluit), dat haar grondslag vindt in artikel 38a Wet op het Voortgezet Onderwijs, in werking getreden.
Hiermee is beoogd om de regelgeving op arbeidsvoorwaardelijk terrein in het voortgezet onderwijs te decentraliseren en de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden, in plaats van een uitsluitende verantwoordelijkheid van de centrale overheid, een zaak te maken van het bevoegd gezag.
De gedetailleerde rechtspositieregeling, zoals opgenomen in het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (RPBO), vindt ingevolge artikel 14 Kaderbesluit in het voortgezet onderwijs geen toepassing meer. Door middel van het Kaderbesluit is sindsdien nog slechts sprake van globale sturing van de zijde van de centrale overheid. In het Kaderbesluit zijn slechts die onderwerpen terug te vinden, waarvoor het wenselijk wordt geacht een regeling op centraal niveau te treffen. De vaststelling van de overige arbeidsvoorwaarden vindt plaats op decentraal niveau en is een zaak van de (verenigingen van) werkgevers en werknemers, resulterend in de totstandkoming van de collectieve arbeidsovereenkomsten. Aldus is ook de CAO-V0 1998-1999 tot standgekomen, die blijkens de akte van benoeming van Van der Kloet, op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst van toepassing is, inclusief alle aanvullingen en wijzigingen, die deze CAO zal ondergaan.
Artikel 2 van het Kaderbesluit stelt de algemene arbeidsduur vast, welke in een normbetrekking geldt. Daarbij is aanvankelijk, zo blijkt uit de toelichting op dit artikel, ‘uitgegaan van een werkweek van 38 uur (inmiddels verlaagd naar 36,86 uur), een gemiddeld aantal algemene en christelijke feestdagen over een periode van zeven jaar, en een gemiddelde vakantieduur zoals die geldt bij de rijksoverheid. Verder is ermee rekening gehouden dat er in deze sector feitelijk een sterke beperking is in de vrijheid van opname van vakantie-dagen’.
De CAO-VO bepaalt in artikel H1: ‘Tenzij anders is bepaald geniet de werknemer behorend tot de functiecategorieën directie of leraren gedurende de schoolvakanties vakantieverlof met behoud van bezoldiging’. Uit de toelichting op deze bepaling uit de CAO blijkt dat partijen de bedoeling hebben gehad de vakantieregeling van het RPBO ook na 1 augustus 1996 te continueren. Gezien deze uitdrukkelijke bedoeling, is het van belang vast te stellen hoe die in het RPBO geregelde vakantieregeling, ten aanzien van het punt dat partijen verdeeld uit, dient te worden verstaan.
6.4
Ingevolge artikel I-C2, eerste lid, van het RPBO geniet onderwijsgevend personeel, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, gedurende de schoolvakanties, dan wel de periode waarin de instelling geen onderwijs verzorgt of examens afneemt, vakantieverlof met behoud van bezoldiging.
Deze regeling voorziet niet in toekenning van een bepaald aantal vakantiedagen of in de mogelijkheid van opbouw van vakantiedagen. In het belang van het onderwijs is voorzien in een specifieke, los van de omvang en van de duur van de betrekking staande, regeling die inhoudt dat in bepaalde, nader – deels door de Minister van Onderwijs, deels door de betreffende instelling – omschreven periodes waarin geen onderwijs wordt gegeven, vakantieverlof wordt genoten. Dit betekent niet alleen dat in het onderwijs als regel meer vakantieverlof wordt genoten dan voor werknemers en ambtenaren in het algemeen gebruikelijk is, maar ook dat het in het onderwijs in beginsel niet mogelijk is vakantie op te nemen en te genieten buiten de genoemde perioden; de schoolvakanties. Het vakantierecht waarop onderwijsgevend personeel aanspraak kan maken bestaat dan ook niet uit een vastgesteld aantal vakantiedagen, maar uit het genieten van verlof gedurende de schoolvakanties. Bij de vaststelling van de algemene arbeidsduur in een normbetrekking is met dit gegeven blijkens de toelichting bij het Kaderbesluit ook rekening gehouden.
6.5
De in de CAO-VO opgenomen vakantieregeling, welke CAO door partijen op hun arbeidsverhouding van toepassing is verklaard, wijkt mitsdien, anders dan Van der Kloet betoogt, in tal van opzichten principieel af van de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, overigens ook in die zin dat het in artikel 7:634 BW gegarandeerde minimum aantal vakantiedagen meer dan ruimschoots wordt overschreden. De facto brengt de in de CAO-VO opgenomen regeling immers mee dat onderwijsgevend personeel 60 verlofdagen per jaar heeft, terwijl het wettelijke minimum neerkomt op slechts 20 dagen bij een volledig dienstverband. Van der Kloet komt dan ook in beginsel geen beroep toe op de bepalingen uit afdeling 3, titel 10 van boek 7 BW.
Voor zover Van der Kloet zich er op beroept dat het hier deels dwingendrechtelijke bepalingen betreft, ten aanzien waarvan artikel 7:645 BW bepaalt dat daarvan niet ten nadele van de werknemer kan worden afgeweken, miskent zij dat de Vereniging PC VO zich op grond van artikel 3:40 BW op deze betreffende CAO-bepalingen kan blijven beroepen, zolang deze niet zijn vernietigd. Nu enerzijds gesteld noch gebleken is dat Van der Kloet zich heeft bediend van een buitengerechtelijke verklaring in de zin van artikel 3:49 en 50 BW en zij anderzijds ten processe heeft nagelaten zich op zodanige vernietigingsgrond te beroepen, wordt het geschil tussen partijen beheerst door de overeengekomen arbeidsvoorwaarden. Ten overvloede zij hierbij nog overwogen dat er, gezien de eigen aard van de overeengekomen vakantieregeling, in het onderhavige geval overigens ook geen sprake van is dat er door de Vereniging PC VO dagen waarop Van der Kloet de overeengekomen arbeid niet heeft verricht wegens zwangerschap en/of bevalling als vakantie heeft aangemerkt.
6.6
Aldus resteert de vraag of het in de CAO-VO ontbreken van een compensatieregeling ingeval van samenloop van vakantieverlof met verlof uit andere hoofde, zoals zwangerschaps- en bevallingsverlof, in strijd is met EG-recht en de Wet Gelijke Behandeling (hierna: WGB).
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in de zaak 99/2598 AW van 17 mei 2001 wordt het navolgende overwogen.
Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (Pb. EG. 1992, L 348/1) bevat minimumvoorschriften ter bevordering van de gezondheid van werkneemsters tijdens zwangerschap, waaronder het recht op ten minste veertien aaneengesloten weken zwangerschapsverlof vóór en/of na de bevalling. Artikel 11, tweede lid, van deze richtlijn bepaalt voorts dat tijdens het zwangerschapsverlof in ieder geval moeten worden gewaarborgd de rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst van de werkneemsters en het behoud van een bezoldiging en/of het genot van een adequate uitkering, welke uitkering ten minste het bedrag van een ziekte-uitkering dient te bedragen. Deze verwijzing naar de hoogte van de uitkering bij ziekte betreft een technisch referentiepunt waarin is voorzien in artikel 2, vierde lid, van het tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekspersoneel. Deze bepaling is hiermee in overeenstemming zodat met betrekking tot zwangerschaps- en bevallingsverlof voor onderwijsgevend personeel geen sprake is van strijd met deze richtlijn.
6.7
Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (Pb. EG 1976 L 39/40) beoogt in artikel 1, eerste lid, onder meer ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden gelijke behandeling tussen mannen en vrouwen te bewerkstelligen, hetgeen ingevolge artikel 2, eerste lid, inhoudt dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect. Artikel 5, eerste lid, van deze richtlijn bepaalt dat de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden inhoudt dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden zonder discriminatie op grond van geslacht. Artikel 2, derde lid, van Richtlijn 76/207 bepaalt dat de richtlijn geen afbreuk doet aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat betreft zwangerschap en moederschap. Dergelijke bepalingen zijn neergelegd in Richtlijn 92/85/EEG.
6.8
Voor zover Van der Kloet zich op het standpunt stelt dat rechtspositionele regels in verband met arbeidsongeschiktheid die voor mannen en vrouwen op gelijke wijze worden toegepast, ook als arbeidsongeschiktheid verband houdt met zwangerschap in strijd zijn met richtlijn 92/85, omdat arbeidsongeschiktheid vanwege zwangerschap als een ander geval beoordeeld dient te worden dan andersoortige arbeidsongeschiktheid wordt het navolgende overwogen.
In de op artikel I-C2, eerste lid, RPBO geënte verlofbepaling H1 uit de CAO-VO is geen sprake van gelijkstelling van zwangerschapsverlof met ziekte. De bepaling geeft slechts aan dat verlof tijdens de schoolvakanties wordt genoten. Aan de enkele omstandigheid dat de bezoldiging van de werkneemster die zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet plaatsvindt conform de bezoldiging bij afwezigheid wegens ziekte, kan niet de conclusie worden verbonden dat het ontbreken van een compensatieregeling bij samenloop van schoolvakantie met zwangerschapsverlof het gevolg is van gelijkstelling van zwangerschapsverlof met ziekte. Bij toepassing van deze bepaling is dan ook geen sprake van een gelijke behandeling van ongelijke gevallen. Hierbij wordt overwogen dat richtlijn 92/85 geen discriminatieverbod bevat, maar ziet op de bescherming van de gezondheid van werkneemsters bij zwangerschap en bevalling en het behoud van rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst.
6.9
Uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJEG) in de zaak Boyle (zaak C-411/96, Jur.EG 1998, blz. I-6401) kan worden afgeleid dat het zwangerschapsverlof weliswaar kan worden opgeschort bij samenloop met ziekteverlof – en binnen de minimumduur van veertien weken weer mag worden voortgezet indien het ziekteverlof is beëindigd – maar niet dat het gegarandeerde zwangerschapsverlof van veertien weken wordt verlengd met de periode van opschorting zoals in onderhavig geval wordt nagestreefd. In deze uitspraak is immers uitdrukkelijk vermeld dat de periode van veertien weken wordt berekend vanaf de aanvangsdatum van het zwangerschapsverlof. Deze uitleg is conform het doel en de strekking richtlijn 92/85. Deze richtlijn beoogt immers de bijzondere bescherming van de vrouw bij zwangerschap en bevalling gedurende een bepaalde minimumperiode. De werkneemster heeft recht op een zwangerschapsverlof van een periode van veertien aaneengesloten weken met de bedoeling om de vrouw te garanderen dat zij zich in de weken na de bevalling aan haar kind kan wijden. De samenloop met vakantieverlof maakt geen inbreuk op deze periode van tenminste veertien aaneengesloten weken, waardoor samenloop niet kan leiden tot strijd met deze richtlijn. Richtlijn 92/85/EEG verplicht er niet toe om in geval van samenloop van vakantieverlof met zwangerschapsverlof dit laatste verlof op te schorten en de werkneemster het recht te geven om na afloop van de schoolvakantie de resterende duur van het zwangerschapsverlof op te nemen.
6.10
Met betrekking tot richtlijn 92/85 kan, daar waar het ontbreken van iedere compensatieregeling het uitgangspunt is in de rechtsbetrekking tussen Vereniging PC VO en Van der Kloet, van verlies van rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst in geval van zwangerschap als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van deze richtlijn geen sprake zijn.
De afwezigheid van een mogelijkheid tot compensatie ingeval van samenloop van zwangerschapsverlof met andere soorten verlof, is slechts onverenigbaar met Richtlijn 92/85/EEG indien de mogelijkheid van compensatie in geval van samenloop van verschillende soorten verlof een recht is dat aan de arbeidsovereenkomst is verbonden. Indien compensatie niet (tevens) in geval van zwangerschap zou zijn toegestaan, gaat een recht verbonden aan de arbeidsovereenkomst verloren. Nu de CAO-VO in het geheel geen compensatierecht geeft is er met betrekking tot het ontbreken van een compensatieregeling in geval van samenloop van zwangerschapsverlof met vakantieverlof, geen sprake van onverenigbaarheid met deze richtlijn.
Zoals reeds overwogen is niet aan de orde een ongeclausuleerd recht op een bepaald aantal vakantiedagen. De specifieke verlofregeling in het onderwijs stelt Van der Kloet immers ‘slechts’ vrij van werkzaamheden tijdens schoolvakanties met behoud van bezoldiging. Dat recht blijft behouden, ook al geniet de zwangere werkneemster (reeds) op andere gronden verlof met behoud van bezoldiging en zou kunnen worden gesteld dat zij niet in staat is het vakantieverlof te consumeren. Tot de conclusie dat van verslechtering van arbeidsvoorwaarden sprake is in geval van samenloop als hier in het geding, kan dan ook niet worden gekomen.
6.11
Voor zover gesteld is dat het ontbreken van een compensatieregeling in strijd is met de van mannen en vrouwen en de richtlijn 76/207, omdat verlies van vakantiedagen in geval van samenloop van vakantieverlof met bevallingsverlof zich alleen kan voordoen bij vrouwen, zodat zij in een nadeliger arbeidsvoorwaardenpositie verkeren dan mannen, wordt het navolgende overwogen.
De bepaling van artikel H1 CAO-VO is neutraal geformuleerd, zodat niet valt in te zien hoe van directe discriminatie sprake kan zijn. Hooguit zou sprake kunnen zijn van indirecte discriminatie. Van indirecte discriminatie is volgens het HvJEG sprake indien het gaat om verschillen die voortvloeien uit een schijnbaar neutraal criterium, dat echter tot resultaat heeft dat een groep werknemers wordt benadeeld die overwegend uit hetzelfde geslacht is samengesteld. Van indirecte discriminatie is slechts sprake indien een aanzienlijk percentage van het ene geslacht wordt benadeeld ten opzichte van het andere geslacht.
Zoals eerder overwogen met betrekking tot het specifieke karakter van de vakantieregeling in het onderwijs is van verlies van rechten bij samenloop van vakantieverlof met bevallings- en zwangerschapsverlof geen sprake, maar heeft onderwijsgevend personeel recht op het genieten van verlof tijdens de schoolvakanties. Deze regeling impliceert dat buiten de vastgestelde schoolvakanties geen vrij opneembaar extra vakantieverlof kan worden opgenomen. Deze omstandigheid maakt een onlosmakelijk deel uit van het geheel van de regeling en dus van de arbeidsvoorwaarden van onderwijsgevenden. Voor zover deze omstandigheid als een nadeel kan worden bestempeld, moet worden vastgesteld dat dit nadeel zich niet voordoet als gevolg van zwangerschap, maar inherent is aan de rechtsbetrekking in het onderwijs en niet is terug te voeren op onderscheid op grond van een verboden criterium.
Ter uitvoering van richtlijn 76/207/EEG is op 1 juli 1989 in werking getreden de Wet van 1 maart 1980, houdende aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan richtlijn 76/207/EEG, kortweg WGB. Nu de WGB naar vaste rechtspraak conform de communautaire regels en beginselen dient te worden uitgelegd, is, gelet op het voorgaande, van strijd met de WGB geen sprake.
6.12
Terecht heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat het ontbreken van een compensatieregeling bij samenloop van schoolvakantie met bevallings- en zwangerschapsverlof, veeleer geduid moet worden als het ontbreken van een bepaald voordeel. Het ontbreken van een voordeel is niet op één lijn te stellen met het optreden van nadeel. De omstandigheid dat, in het geval de beoogde compensatieregeling wel zou hebben bestaan, dit met name voor zwangere vrouwen een voordeel zou kunnen opleveren, kan niet betekenen dat het ontbreken van dat voordeel een onderscheid oplevert dat op grond van de richtlijnen en de daarop gebaseerde nationale wetgeving verboden is.
6.13
Aan het debat van partijen met betrekking tot de vraag of sprake is van eventuele rechtvaardigingsgronden wordt, gelet op het vorenoverwogene, niet meer toegekomen.
6.14
Van der Kloet zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.
(enz.)
Cassatiemiddel:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt omdat de Rechtbank heeft overwogen als in het bestreden vonnis is geschied, zulks ten onrechte, om in het navolgende uiteengezette, zo nodig in verband met elkaar te lezen redenen:
Inleiding
1. Met ingang van 1 augustus 1998 is eiseres tot cassatie, ook wel aan te duiden als Van der Kloet, voor onbepaalde tijd benoemd tot lerares aan Sprengeloo, Christelijke Scholengemeenschap voor Voortgezet Onderwijs, te Apeldoorn, verweerster in cassatie, ook wel aan te duiden als VPCVO. Van der Kloet heeft in de periode van 17 april 1999 tot en met 7 augustus 1999 zwangerschaps- en bevallingsverlof genoten.
2. De overeenkomst tussen Van der Kloet en VPCVO is een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, waarop naast de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (en wel titel 10 van boek 7) ook van toepassing is de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Voortgezet Onderwijs 1998-1999, inclusief alle aanvullingen en wijzigingen die deze CAO (CAO-VO) ondergaat, alsmede titel I van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RPBO) betreffende de vakantieregeling.
3. Van der Kloet heeft niet in de zin van artikel 7:636 BW ingestemd met het (deels) aanmerken van de periode van Van der Kloet’s zwangerschaps- en bevallingsverlof als vakantie.
4. Zo zijn de vaststaande feiten door de Rechtbank weergegeven, met uitzondering van de toepasselijkheid van het RPBO betreffende de vakantieregeling; dat is bij de overwegingen vastgesteld. Tegen deze vaststelling van feiten bestaan geen bezwaren bij Van der Kloet.
5. De vraag die in lagere instanties beantwoord moest worden was of Van der Kloet er recht op heeft de als vakantie aangewezen periode die samenviel met haar zwangerschaps- en bevallingsverlof (in totaal een periode van acht weken) alsnog buiten de vastgestelde vakantieperiode als vakantie op te nemen. De Kantonrechter heeft deze vraag bevestigend beantwoord, maar de Rechtbank heeft dezelfde vraag ontkennend beantwoord.
Klachten
I De Rechtbank heeft in r.o. 6.4, zakelijk weergegeven, geoordeeld, dat het RPBO niet voorziet in toekenning van een bepaald aantal vakantiedagen of in de mogelijkheid van opbouw van vakantiedagen. Deze beslissing en overweging zijn evenwel rechtens onjuist, cq. zijn deze beslissing en overweging onbegrijpelijk, dan wel zonder nadere redengeving (die ontbreekt) onbegrijpelijk. De redenering van de Rechtbank komt daarmede immers in strijd met de bepalingen in titel 10 van boek 7 BW, die op dit punt dwingendrechtelijk van aard zijn en waarvan niet kan worden afgeweken. De beslissing van de Rechtbank op dit punt zou ook strikt genomen
inhouden, dat een onderwijsgevende geen recht zou hebben op vakantiedagen, hetgeen met name in strijd komt met het bepaalde in art. 7:634 lid 1 BW. Bovendien is de vakantieaanspraak op grond van het RPBO wel degelijk mede afhankelijk van de omvang en de duur van de betrekking, zoals door Van der Kloet in feitelijke instanties uitdrukkelijk is aangevoerd (vide o.m. de akte uitlating producties van 2 augustus 2001, par. 2 en 3).
II De Rechtbank heeft, zakelijk weergegeven, overwogen dat Van der Kloet geen beroep toekomt op de bepalingen uit afdeling 3, titel 10 van boek 7 BW. De Rechtbank heeft hieraan als motivering meegegeven dat de CAO-VO in veel opzichten principieel afwijkt van de bepalingen uit het BW, onder andere aangezien de CAO-VO met zich brengt dat het onderwijs gevend personeel recht heeft op zo’n 60 vakantiedagen per jaar, terwijl het wettelijk minimum volgens het BW 20 dagen is. Deze beslissing en overwegingen zijn evenwel rechtens onjuist, cq. zijn deze beslissing en overwegingen onbegrijpelijk, dan wel zonder nadere redengeving (die ontbreekt) onbegrijpelijk, aangezien (zoals ook hiervoor aangegeven) de bepalingen in titel 10 van boek 7dwingendrechtelijk van aard zijn. De CAO-VO wijkt, zo bezien, niet zozeer af van de bepalingen uit het BW, maar geeft op het punt van het aantal vakantiedagen een ruimere regeling dan de, door de Rechtbank terecht opgemerkte, minimum regels van het BW. Titel 10 van boek 7 van het BW geeft als het ware de bodem voor datgene wat is toegestaan arbeidsvoorwaardelijk gezien.
Van dwingendrechtelijke bepalingen uit een wet in formele zin kan niet afgeweken worden, en zeker niet bij een regeling als het RPBO. Nu vaststaat dat deze bepalingen ook in de situatie van Van der Kloet onbeperkt gelden en nu ook vaststaat dat Van der Kloet niet heeft ingestemd met het aanmerken van haar zwangerschaps- en/of bevallingsverlof als vakantieverlof (zoals wordt verlangd door artikel 7:636 BW), betekent dit dat de dagen in 1999 waarop de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof van Van der Kloet samenviel met de schoolvakantie, niet kunnen worden aangemerkt als vakantiedagen, maar moeten worden aangemerkt als dagen waarop Van der Kloet zwangerschaps- en bevallingsverlof had.
Althans is de overweging van de Rechtbank, dat aan Van der Kloet (in beginsel) geen beroep toekomt op de bepalingen uit afdeling 3, titel 10 van boek 7 BW onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, nu de Rechtbank niet aangeeft, op welke specifieke bepaling zij daarbij het oog heeft gehad. Door Van der Kloet is, naast art. 7:634 BW, onder meer uitdrukkelijk een beroep gedaan op art. 7:635 lid 2 BW en art. 7:636 BW (vide o.m. Memorie van Antwoord par. 11) en onbegrijpelijk, althans zonder nadere overwegingen onbegrijpelijk, is, waarom aan Van der Kloet geen beroep op die bepalingen zou toekomen.
Met haar overweging, zakelijk weergegeven, dat Van der Kloet heeft nagelaten zich op een (buitengerechtelijke) vernietigingsgrond te beroepen, heeft de Rechtbank miskend, dat art. 3:40, tweede lid, laatste zinsnede BW bepaalt: ‘… een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit’, welke uitzonderingsbepaling zich ten deze voordoet, zodat de overwegingen van de Rechtbank ook op dit punt rechtens onjuist zijn, cq deze beslissing en overwegingen onbegrijpelijk zijn, dan wel zonder nadere motivering (die ontbreekt) onbegrijpelijk zijn.
Bovendien is door Van der Kloet bij herhaling aangevoerd, dat van de dwingendrechtelijke bepalingen terzake niet kan worden afgeweken (vide o.a. (impliciet) inleidende dagvaarding par. 4, Memorie van Antwoord par. 11, 12 en 13; akte uitlating producties d.d. 2 augustus 2001, par. 4), hetgeen de Rechtbank in redelijkheid had moeten opvatten als een beroep op een vernietigingsgrond terzake, waarmede de beslissing van de Rechtbank in het licht van de gedingstukken evenzeer onbegrijpelijk is, althans zonder nadere redengeving (die ontbreekt) onbegrijpelijk is, c.q. de Rechtbank is voorbijgegaan aan de essentiële stelling van Van der Kloet terzake.
III De Rechtbank heeft voorts, kort gezegd, overwogen dat het ontbreken van een compensatieregeling in de CAO-VO ingeval van samenloop van vakantieverlof en verlof uit anderen hoofde, zoals zwangerschaps- en bevallingsverlof, niet in strijd is met EG-recht, met name niet met richtlijn 92/85 betrekkelijk bepalingen ter bescherming van de vrouw, met name voor wat betreft zwangerschap en moederschap. De kern van ’s Rechtbanks overweging is dat van verlies van rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst geen sprake kan zijn in het geval van zwangerschap omdat er geen sprake zou zijn van een ongeclausuleerd recht op vakantiedagen ingevolge de CAO-VO en het RPBO. Zulks is evenwel strijdig met het recht, cq. is deze overweging en beslissing onbegrijpelijk, dan wel zonder nadere redengeving (die ontbreekt) onbegrijpelijk.
Ondanks de overwegingen van de Rechtbank op dit punt, blijft daarmee immers recht overeind staan dat Van der Kloet gedurende haar zwangerschapsverlof haar vakantieverlof niet kan genieten, hetgeen nu juist het onderwerp van geschil is. Gedurende dat zwangerschaps- en bevallingsverlof was Van der Kloet niet in staat het vakantieverlof te consumeren, eenvoudigweg omdat ze zwangerschaps- en bevallingsverlof had. Het is dan toch evident zo, dat door die samenloop van schoolvakantie met het zwangerschaps- en bevallingsverlof een aantal vakantiedagen is verloren gegaan, althans zonder dat daarvoor een deugdelijke compensatieregeling is getroffen. De enig mogelijke conclusie is dan ook dat er wel degelijk een recht verloren is gegaan; namelijk het recht op vakantieverlof, zonder dat daarvoor een compensatie in het leven is geroepen en dus moet geconcludeerd worden dat er sprake is van een schending van de EG-richtlijn.
IV De Rechtbank heeft tenslotte, zakelijk weergegeven, overwogen dat het ontbreken van een compensatieregeling niet strijdig is met richtlijn 76/207 betreffende tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen en de daaruit voortgevloeide Wet Gelijke Behandeling (WGB). De Rechtbank heeft geconcludeerd, dat er noch direct noch indirect onderscheid wordt gemaakt door geen compensatie toe te kennen voor tijdens vakantie genoten zwangerschaps- en bevallingsverlof.
Deze beslissing en overwegingen zijn evenwel rechtens onjuist, cq. zijn deze beslissing en overweging onbegrijpelijk, dan wel zonder nadere redengeving (die ontbreekt) onbegrijpelijk. Immers, verlof wegens bevalling doet zich uitsluitend voor bij vrouwen. Het ontbreken van een compensatieregeling voor vakantieverlof tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof brengt met zich mee dat vrouwen die bevallingsverlof genieten in omvang minder aanspraak hebben op vakantieverlof dan hun mannelijke collega’s. Op dat punt verkeren vrouwelijke onderwijzers dus in een nadeliger arbeidsvoorwaardenpositie dan mannelijke onderwijzers. Omdat verlof wegens bevalling zich uit de aard der zaak alleen bij vrouwen voordoet, levert deze stand van zaken wel degelijk een direct onderscheid op tussen mannen en vrouwen en dus een schending van de richtlijn, alsmede van de WGB. En nu het in casu om directe discriminatie gaat (die bedoelde richtlijn verbiedt), blijven eventuele rechtvaardigingsgronden buiten beschouwing.
Hoge Raad:
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie – verder te noemen: de lerares – heeft bij exploot van 29 april 1999 verweerster in cassatie – verder te noemen: de vereniging – op verkorte termijn gedagvaard voor de kantonrechter te Apeldoorn en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I te verklaren voor recht dat de vastgestelde vakantiedagen die samenvallen met het zwangerschaps- en bevallingsverlof van Van der Kloet (in totaal acht weken) niet worden aangemerkt als vakantiedagen;
II te verklaren voor recht dat Van der Kloet het recht heeft de onder sub I bedoelde vakantiedagen buiten de periode van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof en buiten de vastgestelde schoolvakanties op te nemen;
III de Vereniging te veroordelen te gehengen en gedogen dat Van der Kloet de wegens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof niet genoten vakantiedagen (met behoud van salaris) aansluitend aan haar bevallingsverlof, althans op een ander in nader overleg te bepalen tijdstip gelegen buiten de vastgestelde schoolvakanties, op kan nemen en de Vereniging zulks binnen veertien dagen na het te dezen te wijzen vonnis schriftelijk te bevestigen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van f 250 per dag dat de Vereniging in gebreke blijft aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen;
IV de Vereniging te veroordelen in de kosten van dit geding, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van Van der Kloet.
De Vereniging heeft de vorderingen bestreden.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 9 juni 1999 een comparitie van partijen gelast en bij eindvonnis van 7 juni 2000 de vorderingen van de lerares toegewezen.
Tegen het vonnis van 7 juni 2000 heeft de Vereniging hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Zutphen.
Bij vonnis van 1 november 2001 heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter van 7 juni 2000 vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende de vordering van de lerares alsnog afgewezen.
(…
2. Het geding in cassatie
(…)
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het hof van het ressort.
De advocaat van de vereniging heeft bij brief van 12 februari 2004 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
(i) De lerares is met ingang van 1 augustus 1998 voor onbepaalde tijd benoemd aan de Christelijke Scholengemeenschap voor Voortgezet Onderwijs te Apeldoorn, Sprengeloo.
(ii) Tussen partijen is sprake van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht waarop de bepalingen van titel 10 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Voortgezet Onderwijs 1998/1999 (hierna: de CAO-VO), inclusief de aanvullingen en wijzigingen daarop, van toepassing zijn.
(iii) In de periode van 17 april 1999 tot en met 7 augustus 1999 is de lerares met zwangerschaps-, respectievelijk bevallingsverlof geweest.
(iv) De lerares heeft niet ingestemd – in de zin van art. 7:636 BW – met het (deels) aanmerken van bovengenoemde periode als vakantieverlof.
3.2. In dit geding heeft de lerares aan haar hiervoor in 1 weergegeven vorderingen primair ten grondslag gelegd dat, wanneer het zwangerschaps- of bevallingsverlof samenvalt met een schoolvakantie, de desbetreffende dagen ingevolge art. 7:636 (oud) BW slechts met haar instemming mogen worden aangemerkt als opgenomen vakantieverlofdagen; zij heeft daarmee evenwel niet ingestemd. Subsidiair voerde zij aan dat de Vereniging een verboden onderscheid maakt op grond van geslacht en dus onrechtmatig jegens haar handelt door niet toe te staan dat zij de niet-genoten vakantieverlofdagen opneemt buiten de vastgestelde schoolvakanties, terwijl een regeling ter compensatie van niet-genoten vakantieverlofdagen ontbreekt.
De Vereniging heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden.
3.3. Nadat de kantonrechter de vorderingen had toegewezen, heeft de rechtbank dit vonnis vernietigd en de vorderingen van de lerares alsnog afgewezen. Samengevat weergegeven overwoog de rechtbank daartoe als volgt.

Partijen bij de CAO-VO hebben de bedoeling gehad de vakantieregeling van het Rechtspositiebesluit bijzonder onderwijs (hierna: RpbO) na 1 augustus 1996 te continueren (rov. 6.3). De vakantieregeling van het RpbO moet zo worden uitgelegd dat de vakantierechten waarop onderwijsgevend personeel aanspraak kan maken niet bestaan in een bepaald aantal vakantieverlofdagen, maar in het genieten van verlof gedurende de vastgestelde schoolvakanties (rov. 6.4). De in de CAO-VO opgenomen vakantieregeling wijkt daarmee af van de vakantieverlofbepalingen in het BW, met dien verstande dat het in art. 7:634 BW gegarandeerde minimumaantal vakantieverlofdagen ruimschoots wordt overschreden, omdat de schoolvakanties langer zijn. Voor zover de lerares zich erop heeft beroepen dat het hier gaat om dwingendrechtelijke bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek waarvan – op grond van art. 7:645 BW – niet ten nadele van de werknemer mag worden afgeweken, mist dit beroep doel nu de Vereniging zich op de CAO-bepalingen mag beroepen zolang deze niet zijn vernietigd. Dit laatste is noch buiten rechte, noch in rechte geschied. Gezien de eigen aard van de vakantieregeling in het onderwijs, heeft de Vereniging de dagen in de schoolvakantie waarop de lerares de overeengekomen arbeid niet heeft verricht wegens zwangerschap of bevalling aangemerkt als vakantie (rov. 6.5). Het ontbreken van een compensatieregeling voor samenloop van de schoolvakanties met een zwangerschaps- en bevallingsverlof is niet in strijd met het EG-recht of met de Wet Gelijke Behandeling (WGB), aldus nog steeds de rechtbank (rov. 6.6-6.12).
3.4. In cassatie komt de lerares tegen dit oordeel op met een middel dat uit vier onderdelen bestaat. Onderdeel I stelt, kort weergegeven, dat artikel I-C2 lid 1 RpbO wel degelijk voorziet in toekenning van een bepaald aantal vakantiedagen en in de mogelijkheid van opbouw van vakantiedagen. De rechtbank heeft deze bepaling volgens het onderdeel dus verkeerd uitgelegd.
3.5. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arresten van 9 augustus 2002, nrs. C01/244 en C01/247, RvdW 2002, 134 (NJ 2004, 221; red.) en 133 (NJ 2004, 222; red.), moet in navolging van de Centrale Raad van Beroep als hoogste bestuursrechter, worden aangenomen dat art. I-C2 lid 1 RpbO niet voorziet in de toekenning van een bepaald aantal vakantiedagen of in de mogelijkheid van opbouw van vakantiedagen (CRvB 17 mei 2001, JB 2001, 217). Deze bepaling voorziet slechts in een specifieke, los van de duur van de betrekking staande, regeling dat in bepaalde, nader omschreven, periodes waarin geen onderwijs wordt gegeven – te weten: gedurende de schoolvakanties – vakantieverlof wordt genoten. De onderhavige klacht kan dus geen doel treffen.
Voor zover het onderdeel mede erover klaagt dat de beslissing van de rechtbank erop neerkomt dat een lerares helemaal geen recht zou hebben op verlofdagen, stuit het erop af dat de Hoge Raad in zijn zojuist aangehaalde arresten mede heeft overwogen dat, hoewel art. I-C2 RpbO niet de omvang van de vakantieaanspraak bepaalt, dit niet tot gevolg heeft dat een lerares geen recht heeft op een bepaald aantal vakantiedagen per jaar. Art. 7:634 BW houdt immers in dat de werknemer recht heeft op een minimum aantal vakantiedagen. Van dat recht kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.
3.6. Onderdeel II keert zich met een rechts- en een motiveringsklacht tegen rov. 6.5 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank heeft overwogen dat de lerares in beginsel geen beroep kan doen op de bepalingen van afdeling 3, titel 10 van boek 7 BW omdat de in de CAO-VO opgenomen en aan het RpbO ontleende vakantieregeling principieel afwijkt van de vakantiebepalingen in het Burgerlijk Wetboek en de lerares heeft nagelaten zich in of buiten rechte te beroepen op de nietigheid van de arbeidsovereenkomst wegens strijd met de wet.
3.7. De rechtsklacht, die strekt ten betoge dat de dwingendrechtelijke regels van titel 7.10 BW, waaronder art. 7:636 BW, niet kunnen worden opzijgezet door de vakantieregeling van het RpbO, noch door een CAO die de vakantieregeling van het RpbO ‘naadloos’ overneemt, mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft dit uitgangspunt immers niet miskend, maar heeft overwogen dat de lerares noch in rechte, noch buiten rechte een beroep heeft gedaan op nietigheid van de vakantieregeling in de CAO-VO wegens strijd met de dwingendrechtelijke regel van art. 7:636 BW.
3.8. De door het onderdeel mede naar voren gebrachte motiveringsklacht daarentegen, inhoudende dat onbegrijpelijk is dat de rechtbank in de processuele stellingen van de lerares niet mede een beroep heeft gelezen op de vernietigbaarheid van de onderhavige vakantieregeling, treft doel. De lerares heeft zich ter toelichting van haar in appel ingenomen standpunt dat de dagen gedurende welke zij zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten, slechts kunnen worden aangemerkt als vakantiedagen indien zij daarmee zou hebben ingestemd, uitdrukkelijk beroepen op art. 7:636 in verbinding met 7:645 BW. Deze processuele opstelling van de lerares laat geen andere uitleg toe dan dat zij daarmee een voldoende kenbaar beroep heeft gedaan op de onderhavige vernietigingsgrond. Het andersluidende oordeel van de rechtbank is mitsdien onbegrijpelijk.
De lerares heeft bij deze klacht echter geen belang. Ingevolge art. 7:634 BW bedraagt de minimum-vakantietijd bij een voltijdsbetrekking twintig werkdagen per jaar. In het onderhavige geval is niet gesteld dat een groter aantal vakantiedagen per jaar is overeengekomen dan het wettelijk minimum. Gelet op de spreiding en duur van de schoolvakanties is aannemelijk dat de lerares, ook indien rekening wordt gehouden met haar recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof, deze twintig dagen vakantie heeft kunnen opnemen gedurende de (resterende) schoolvakanties (vgl. de hiervoor in 3.5 aangehaalde arresten van de Hoge Raad). De onderhavige motiveringsklacht kan daarom, hoewel op zichzelf gegrond, niet tot cassatie leiden.
3.9. Onderdeel III klaagt, kort gezegd, dat het ontbreken van compensatie voor dagen waarop het zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvalt met vakantieverlof, strijdig is met Richtlijn 92/85/EEG (de Zwangerschapsrichtlijn) inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie.
3.10. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tegen de achtergrond van hetgeen de rechtbank in de slotzin van rov. 6.5 – in cassatie onbestreden – heeft overwogen, te weten dat de vereniging de dagen waarop de lerares de overeengekomen arbeid niet heeft verricht wegens zwangerschap en bevalling niet als vakantieverlof heeft aangemerkt, volgt uit hetgeen hiervoor in 3.1 onder (iii) is overwogen, dat de lerares het zwangerschaps- en bevallingsverlof waarop zij ingevolge de zojuist bedoelde Richtlijn aanspraak mag maken (ten minste veertien aaneengesloten weken), feitelijk heeft genoten.
3.11. Onderdeel IV ten slotte betoogt, met een beroep op Richtlijn 76/207/EEG (de Richtlijn gelijke behandeling m/v) en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, dat het ontbreken van een compensatieregeling voor vakantieverlof tijdens zwangerschaps- of bevallingsverlof meebrengt dat vrouwelijke leraren die laatstbedoeld verlof genieten, daardoor minder aanspraak hebben op vakantieverlof dan hun mannelijke collega’s.
3.12. De Hoge Raad stelt voorop dat art. I-C2 lid 1 RpbO sekseneutraal is: mannelijke en vrouwelijke leerkrachten hebben gelijkelijk recht op vakantieverlof gedurende de schoolvakanties. In dit licht faalt het onderdeel op de hiervoor in 3.5 bij de bespreking van onderdeel I genoemde gronden, in samenhang met het hiervoor in 3.8 bij de bespreking van onderdeel II genoemde feit dat de minimumvakantietijd bij een voltijdsbetrekking ingevolge art. 7:634 BW twintig werkdagen per jaar bedraagt en dat in het onderhavige geval niet is gesteld dat een groter aantal vakantiedagen per jaar is overeengekomen dan het wettelijk minimum.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de lerares in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Vereniging begroot op € 301,34 aan verschotten en € 1365 voor salaris.

ConclusieHYPERLINK "http://pi.ro.minjus/jurisprudentie/dtluitspraak.asp" l "#" HYPERLINK "http://pi.ro.minjus/jurisprudentie/dtluitspraak.asp" l "top#top"

Conclusie A-G mr. Langemeijer:
Deze zaak betreft de samenloop van het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de vakantie in de zin van art. I-C2 lid 1 RpbO, een vraagstuk waarover de Hoge Raad zich reeds eerder heeft uitgesproken.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan noot 1:
1.1.1. Eiseres tot cassatie, Van der Kloet (hierna: de lerares), is met ingang van 1 augustus 1998 voor onbepaalde tijd benoemd tot lerares aan Sprengeloo, Christelijke Scholengemeenschap voor Voortgezet Onderwijs te Apeldoorn.
1.1.2. Tussen partijen is sprake van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht waarop de bepalingen van titel 10 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Voortgezet Onderwijs 1998/1999 (hierna: de CAO-VO), inclusief de aanvullingen en wijzigingen daarop, van toepassing zijn.
1.1.3. In de periode van 17 april 1999 tot en met 7 augustus 1999 heeft de lerares zwangerschaps- resp. bevallingsverlof genoten.
1.1.4. De lerares heeft niet ingestemd – in de zin van art. 7:636 BW – met het (deels) aanmerken van bovengenoemde periode als vakantieverlof.
1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 29 april 1999 heeft de lerares gevorderd voor recht te verklaren dat de dagen waarop de schoolvakanties samenvallen met haar zwangerschaps- en bevallingsverlof (in totaal 8 weken) niet worden aangemerkt als vakantie en dat zij gerechtigd is dit aantal dagen alsnog als vakantieverlof op te nemen buiten de vastgestelde schoolvakanties. Tevens heeft zij gevorderd dat de Vereniging wordt veroordeeld te gehengen en te gedogen dat zij de niet genoten vakantieverlofdagen opneemt aansluitend aan haar bevallingsverlof, althans op een in nader overleg te bepalen tijdstip gelegen buiten de schoolvakanties.
1.3. De lerares heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat wanneer het zwangerschaps- of bevallingsverlof samenvalt met een schoolvakantie, deze dagen ingevolge art. 7:636 (oud) BW slechts met haar instemming mogen worden aangemerkt als opgenomen vakantieverlofdagen en dat zij daarmee niet heeft ingestemd.
1.4. Als subsidiaire grondslag heeft zij aangevoerd dat de Vereniging een verboden onderscheid maakt op grond van geslacht en dus onrechtmatig jegens haar handelt door niet toe te staan dat zij de niet genoten vakantieverlofdagen opneemt buiten de vastgestelde schoolvakanties en ook een regeling ter compensatie van niet genoten vakantieverlofdagen ontbreekt.
1.5. De kantonrechter te Apeldoorn heeft bij vonnis van 7 juni 2000 de vordering van de lerares toegewezen. De kantonrechter overwoog dat in de toepasselijke CAO-VO het regiem van het Rechtspositiebesluit bijzonder onderwijs (RpbO) noot 2 ‘naadloos is overgenomen’, zodat de toetsing in dit geding materieel het RpbO betreft. Vervolgens overwoog de kantonrechter dat partijen ervan uitgaan dat in de onderwijssector de regel geldt dat buiten de schoolvakanties geen compensatie plaatsvindt van verlofaanspraken. Het gevolg hiervan, namelijk dat de lerares ten gevolge van de samenloop van de schoolvakantie met haar zwangerschaps- en bevallingsverlof geen volledig vakantieverlof kan genieten, achtte de kantonrechter in strijd met de Wet gelijke behandeling zoals deze behoort te worden uitgelegd met inachtneming van de EG-Richtlijn 76/207 noot 3.
1.6. De Vereniging heeft hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Zutphen. Bij vonnis van 1 november 2001 heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering van de lerares alsnog afgewezen. De rechtbank deelde het oordeel van de kantonrechter dat de partijen bij de CAO-VO de bedoeling hebben gehad de vakantieregeling van het RpbO ook na 1 augustus 1996 te voort te zetten (rov. 6.3). De vakantieregeling van het RpbO moet zo worden uitgelegd, dat de vakantierechten waarop onderwijsgevend personeel aanspraak kan maken niet bestaan in een bepaald aantal vakantieverlofdagen, maar uit het genieten van verlofgedurende de vastgestelde schoolvakanties (rov. 6.4) noot 4. De in de CAO-VO opgenomen vakantieregeling wijkt daarmee af van de vakantieverlofbepalingen in het BW, met dien verstande dat het in art. 7:634 BW gegarandeerde minimumaantal vakantieverlofdagen ruimschoots wordt overschreden, omdat de schoolvakanties langer zijn. Voor zover de lerares zich erop heeft beroepen dat het hier gaat om dwingendrechtelijke BW-bepalingen waarvan – op grond van art. 7:645 BW – niet ten nadele van de werknemer mag worden afgeweken, heeft de rechtbank overwogen dat de Vereniging zich op de CAO-bepalingen mag beroepen zolang deze niet zijn vernietigd. Volgens de rechtbank is er geen sprake van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging in de zin van art. 3:49 – 3:50 BW en heeft de lerares ook ten processe zich niet op deze vernietigingsgrond beroepen. Gezien de eigen aard van de vakantieregeling in het onderwijs, heeft de Vereniging de dagen in de schoolvakantie waarop de lerares de overeengekomen arbeid niet heeft verricht wegens zwangerschap of bevalling aangemerkt als ‘vakantie’ (rov. 6.5).
1.7. Aldus resteerde voor de rechtbank de vraag of het ontbreken van een compensatieregeling voor samenloop van de schoolvakanties met een zwangerschaps- en bevallingsverlof in strijd is met het EG-recht en met de Wet gelijke behandeling. Deze vraag is door de rechtbank ontkennend beantwoord (rov. 6.6-6.12).
1.8. De lerares heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De Vereniging heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna de Vereniging nog heeft gedupliceerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Op 9 augustus 2002 heeft de Hoge Raad vier arresten gewezen waarin de samenloop van zwangerschaps- en bevallingsverlof met de schoolvakanties aan de orde is gesteld noot 5. De Hoge Raad overwoog in navolging van de Centrale Raad van Beroep noot 6 dat art. I-C2 lid 1 RpbO aan het onderwijzend personeel niet een bepaald aantal dagen vakantieverlof toekent en evenmin voorziet in de mogelijkheid van opbouw van vakantieverlofdagen. Dit heeft niet tot gevolg dat de leraressen geen recht hebben op een bepaald aantal dagen vakantieverlof: art. 7:634 BW bepaalt immers dat een werknemer recht heeft op een minimumaantal dagen vakantieverlof per jaar. Bij een voltijdsbetrekking gaat het om vier weken oftewel 20 (4 maal 5) dagen per jaar. Van dit recht kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken. In de destijds aan de Hoge Raad voorgelegde zaken was niet gesteld of gebleken dat een groter aantal vakantiedagen dan het wettelijk minimum was overeengekomen. Gezien de spreiding en de duur van de schoolvakanties werd aannemelijk geacht dat de leraressen, aangenomen dat zij recht hebben op vakantieverlof zonder dat dit samenvalt met een zwangerschaps- of bevallingsverlof, alle vakantieverlofdagen die hen wettelijk toekomen kunnen opnemen tijdens de (overige) schoolvakanties.
2.2. In de zaak C 01/247 is de Hoge Raad tevens ingegaan op de vraag of het RpbO een (verboden) onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen. Hij oordeelde dat art. I-C2 lid 1 RpbO sekseneutraal is omdat mannelijke en vrouwelijke leerkrachten gelijkelijk recht hebben op vakantieverlof gedurende de schoolvakanties. Daar aannemelijk was dat de betrokken lerares, ervan uitgaande dat zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof zonder dat dit samenvalt met een vakantieverlof, de haar toekomende dagen vakantieverlof heeft kunnen opnemen gedurende de (resterende) schoolvakanties, was in zoverre geen sprake van een verboden onderscheid als bedoeld in art. 7:646 BW. Aansluitend werd overwogen dat leerkrachten in het basisonderwijs bij een normale fulltime-werkweek (ook) tijdens de schoolvakanties geacht worden te werken aan niet-lesgebonden taken, met name aan deskundigheidsbevordering. Daarom werd door de Hoge Raad denkbaar geacht dat een lerares van wie het zwangerschapsverlof (gedeeltelijk) samenvalt met een schoolvakantie, tóch een zodanig nadeel ondervindt dat sprake is van een door art. 7:646 lid 1 in verbinding met lid 5 BW verboden onderscheid in de arbeidsvoorwaarden. Dit kan zich met name voordoen wanneer een lerares, in verband met het gedurende een schoolvakantie genoten zwangerschaps- en bevallingsverlof, in de resterende schoolvakanties minder tijd ter beschikking heeft dan haar mannelijke collega’s om niet-lesgebonden werkzaamheden te verrichten en daarnaast haar wettelijk minimumaantal vakantieverlofdagen op te nemen.
2.3. In de huidige zaak is een andere CAO aan de orde, te weten de CAO-VO 1998/1999, maar de problematiek is in wezen dezelfde als in de arresten van 9 augustus 2002. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat de partijen bij de CAO-VO 1998/1999 de vakantieregeling van (art. I-C2 lid 1 van) het RpbO hebben willen voortzetten en dat deze CAO van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van de lerares.
2.4. Middelonderdeel I richt een rechtsklacht tegen het oordeel (in rov. 6.4) dat art. I-C2 lid 1 RpbO niet voorziet in toekenning van een bepaald aantal vakantiedagen noch in de mogelijkheid van opbouw van vakantiedagen. Volgens het middelonderdeel is dit wel het geval.
2.5. Deze klacht, welke is opgesteld in januari 2002, kan worden verworpen onder verwijzing naar de arresten van 9 augustus 2002 noot 7. De ‘vakantie’ in het RpbO is slechts de periode waarin geen les behoeft te worden gegeven. Dat is niet hetzelfde als de bepaling van het aantal vakantieverlofdagen waarop een leraar recht heeft. Een leraar heeft ook niet-lesgebonden taken. Het aantal vakantieverlofdagen van onderwijzend personeel wordt niet in het RpbO vastgesteld. Om deze reden faalt de rechtsklacht. De klacht dat de beslissing van de rechtbank erop neerkomt dat een onderwijsgevende helemaal geen recht zou hebben op vakantieverlofdagen, hetgeen in strijd zou komen met art. 7:634 lid 1 BW, gaat niet op omdat de lerares in ieder geval recht heeft op het wettelijk minimumaantal vakantieverlofdagen. Zij kan – buiten het tijdvak waarin zij zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten – het haar toekomende wettelijk minimumaantal vakantieverlofdagen opnemen gedurende de overige schoolvakanties. De subsidiaire motiveringsklacht faalt reeds omdat een rechtsoordeel niet met vrucht kan worden bestreden door middel van een motiveringsklacht.
2.6. Middelonderdeel II is gericht tegen de eerste alinea van rov. 6.5, waar de rechtbank overweegt dat de lerares in beginsel geen beroep kan doen op de bepalingen van afdeling 3, titel 10 van boek 7 BW. De rechtbank motiveert dit oordeel aldus, dat de in de CAO-VO opgenomen en aan het RpbO ontleende vakantieregeling principieel afwijkt van de vakantiebepalingen in het Burgerlijk Wetboek en dat de lerares heeft nagelaten zich in of buiten rechte te beroepen op de nietigheid van de arbeidsovereenkomst wegens strijd met de wet (rov. 6.5).
2.7. Het middelonderdeel stelt terecht voorop dat de dwingendrechtelijke regels in titel 10 van boek 7 BW, waaronder art. 7:636 BW, niet opzij worden gezet door de vakantieregeling van het RpbO, noch door een CAO die de vakantieregeling van het RpbO ‘naadloos’ overneemt. Om die reden moet ervan worden uitgegaan, dat de dagen waarop de lerares zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten op grond van art. 7:636 BW niet mogen worden aangemerkt als opgenomen vakantieverlofdagen.
2.8. De rechtbank heeft dit uitgangspunt niet miskend, maar heeft overwogen dat de lerares noch in rechte noch buiten rechte een beroep heeft gedaan op nietigheid van de vakantieregeling in de CAO-VO wegens strijd met de dwingendrechtelijke regel van art. 7:636 BW. Deze beslissing wordt bestreden in het tweede gedeelte van het middelonderdeel (blz. 5 van de cassatiedagvaarding). De lerares stelt, kort samengevat, dat de rechtbank uit de strekking van de desbetreffende wettelijke bepalingen en uit diverse, in het onderdeel genoemde passages uit de gedingstukken een beroep van de lerares op deze grond voor vernietiging had moeten afleiden. Nu de rechtbank deze gevolgtrekking niet heeft gemaakt, acht het middelonderdeel de motivering van de beslissing onbegrijpelijk.
2.9. M.i. is deze motiveringsklacht gegrond. In hoger beroep (MvA par. 11-13) heeft de lerares zich beroepen op art. 7:636 BW en ook op art. 7:645 BW, dat bepaalt dat niet ten nadele van de werknemer van art. 7:636 BW mag worden afgeweken. Dit laat geen andere lezing toe dan dat de lerares een beroep heeft gedaan op deze vernietigingsgrond. Voor zover de rechtbank van oordeel mocht zijn dat artikel 7:636 BW niet van toepassing is op onderwijzend personeel, omdat voor onderwijzend personeel niet een recht bestaat op een bepaald aantal vakantieverlofdagen (overeenkomstig het wettelijk minimum van art. 7:634 of het aantal dat tussen partijen is overeengekomen) en uitsluitend een niet in dagen uitgedrukt recht bestaat op vakantie gedurende de schoolvakanties, vloeit uit de arresten van 9 augustus 2002 voort dat art. 7:636 BW hier wél toepasselijk is.
2.10. De s.t. van de Vereniging (blz. 7) stelt echter de vraag, of de lerares wel belang heeft bij deze klacht. Ervan uitgaande dat de lerares recht heeft op vakantieverlof overeenkomstig het wettelijk minimum, dus recht heeft op vier weken (20 dagen) vakantieverlof per jaar, moet zij in staat worden geacht het haar toekomende aantal vakantieverlofdagen op te nemen gedurende de (resterende) schoolvakanties. De rechtbank heeft vastgesteld dat de schoolvakanties in het voortgezet onderwijs 60 dagen (12 weken maal 5 werkdagen) omvatten. Wanneer 40 dagen (acht weken van 5 werkdagen) van het zwangerschaps- of bevallingsverlof samenviel met de schoolvakantie, resteren 20 dagen om vakantieverlof op te nemen. Onderdeel II kan om deze reden worden verworpen bij gebrek aan belang.
2.11. Middelonderdeel III klaagt dat, anders dan de rechtbank oordeelde, het ontbreken van compensatie voor dagen waarop het zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvalt met vakantieverlof strijdig is met Richtlijn 92/85 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (de Zwangerschapsrichtlijn) noot 8.
2.12. Uit de vaststaande feiten volgt dat de lerares het zwangerschaps- en bevallingsverlof waarop zij ingevolge de Zwangerschapsrichtlijn aanspraak mag maken (tenminste 14 aaneengesloten weken) feitelijk heeft genoten. De rechtbank heeft in de slotzin van rov. 6.5 overwogen dat de Vereniging de dagen waarop de lerares de overeengekomen arbeid niet heeft verricht wegens zwangerschap en bevalling niet als vakantieverlof heeft aangemerkt. De klacht mist om deze reden feitelijke grondslag.
2.13. Middelonderdeel IV heeft betrekking op de Richtlijn gelijke behandeling m/v en op de Wet gelijke behandeling noot 9. In het onderdeel wordt aangevoerd dat het ontbreken van een compensatieregeling meebrengt dat vrouwelijke leraren die zwangerschaps- of bevallingsverlof genieten per saldo minder vakantieverlof genieten en daarmee in een nadeliger arbeidsvoorwaardenpositie verkeren dan hun mannelijke collega’s.
2.14. In de s.t. namens de lerares (blz. 9-11) wordt een beroep gedaan op de arresten van het Hof van Justitie van de EG van 30 juni 1998, NJ 1999, 476 (Brown/Rentokil) en 27 oktober 1998, NJ 1999, 518 (Boyle e.a./Equal Opportunities Commission). Beide arresten zijn reeds ter sprake gekomen in mijn conclusie voorafgaand aan HR 9 augustus 2002, nr. C 01/247. In de zaak Boyle was de verhouding tussen ziekteverlof en bevallingsverlof aan de orde met de consequenties daarvan voor de datum van ingang. In de zaak Brown werd, kort gezegd, beslist dat wanneer het nationale recht een ontslag toestaat na een bepaalde termijn van ziekte, de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet als ziekteperiode mag worden meegeteld. Geen van beide gevallen doet zich thans voor. De s.t. wil uit deze arresten van het HvJ EG evenwel de algemene conclusie trekken dat inbreuken op het recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof niet toelaatbaar zijn en dat vrouwen die zwangerschaps- of bevallingsverlof genieten niet een geringere aanspraak op vakantieverlof mogen hebben dan hun mannelijke collega’s. Volgens de s.t. brengt het ontbreken van een compensatieregeling noodzakelijkerwijs mee dat vrouwelijke leraren die zwangerschaps- of bevallingsverlof genieten tijdens de schoolvakanties minder aanspraak op vakantieverlof hebben dan mannelijke leraren.
2.15. Wanneer het recht op vakantieverlofdagen gelijk zou zijn aan de duur van de schoolvakanties en bovendien geen compensatie wordt geboden voor de dagen waarop het zwangerschaps- of bevallingsverlof samenvalt met de schoolvakanties, zou het middel gegrond zijn. In dat geval zou immers sprake van een direct onderscheid tussen mannen en vrouwen (art. 7:646 lid 5 BW). De genoemde veronderstelling is echter onjuist. Wanneer de lerares slechts aanspraak heeft op het wettelijk minimumaantal vakantieverlofdagen (art. 7:634 BW), moet zij in staat worden geacht haar vakantieverlofdagen op te nemen gedurende de (resterende) schoolvakanties. Exclusief de periode van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof kan zij dan evenveel vakantieverlofdagen opnemen als waarop haar mannelijke collega’s recht hebben. In dit geding is, afgezien van de hiervoor verworpen interpretatie van art. I-C2 RpbO, niet gesteld dat tussen partijen meer vakantieverlofdagen zijn overeengekomen dan het wettelijk minimumaantal.
2.16. In de commentaren op de arresten van 9 augustus 2002 noot 10 is gewezen op de uitspraak van het HvJ EG in de zaak Thibault noot 11. In deze door het HvJ EG behandelde zaak had het door een werkneemster genoten zwangerschaps- en bevallingsverlofverlof tot gevolg dat zij niet voldeed aan de voorwaarde van zes maanden aanwezigheid, welke voorwaarde werd gesteld aan het recht op een jaarlijkse beoordeling; dat recht maakte een integrerend deel uit van de voorwaarden van de arbeidsovereenkomst in de zin van art. 5 lid 1 van de Richtlijn gelijke behandeling m/v. Het HvJ EG achtte dit resultaat in strijd met het discriminatieverbod, omdat de Richtlijn vereist dat de vrouwelijke werknemer wier arbeidsovereenkomst met haar werkgever tijdens haar zwangerschap doorloopt niet het voordeel verliest van arbeidsvoorwaarden die zowel voor vrouwelijke als voor mannelijke werknemers gelden en uit de arbeidsverhouding voortvloeien. De beslissing in de zaak Thibault laat zich m.i. niet vergelijken met de onderhavige zaak, reeds omdat uit de vakantieregeling van het RpbO die in de CAO-VO is voortgezet niet het recht voortvloeit op een bepaald aantal vakantieverlofdagen.
2.17. Niettemin acht ik de klacht gegrond voor zover onderdeel IV klaagt dat de rechtbank miskent dat vrouwelijke leraren door het ontbreken van een compensatieregeling in een nadeliger arbeidsvoorwaardenpositie kunnen komen te verkeren dan hun mannelijke collega’s. Met het oordeel dat het ontbreken van een compensatieregeling niet strijd is met het EG-recht en met de Wgb, gaat de rechtbank voorbij aan het feit dat door het ontbreken van enigerlei compensatie een lerares, van wie het zwangerschaps- en bevallingsverlof gedeeltelijk samenvalt met de schoolvakantie, minder ‘vakantieverlof’ heeft in de betekenis die art. I-C2 lid 1 RpbO daaraan geeft, namelijk doordat zij – in vergelijking met haar mannelijke collega’s – over minder tijd beschikt om de niet-lesgebonden taken te verrichten. Voor een algemene beschrijving van deze problematiek moge ik verwijzen naar het arrest van 9 augustus 2002 nr. C 01/247. In hoger beroep heeft de lerares uiteengezet dat de CAO evenals het RpbO uitgaat van een normjaartaak van 1659 uur voor een voltijdsbetrekking, inclusief de arbeidsduurverkorting. Bij een normale werkweek heeft dit aantal uren tot gevolg dat de leraar of lerares niet-lesgebonden taken moet verrichten hetzij gedurende de schoolvakanties hetzij als overuren gedurende de schoolweken
noot 12. Indien zij de niet-lesgebonden taken zou moeten verrichten gedurende de schoolvakanties, zijn de 60 dagen weer niet toereikend om – naast de 40 dagen waarin het zwangerschaps- en bevallingsverlof samenviel met de schoolvakantie – haar 20 dagen vakantieverlof op te nemen.
2.18. Indien het gestelde juist is, leidt het ontbreken van een compensatieregeling inderdaad tot een verboden onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke leraren. Om deze reden kan het bestreden vonnis niet in stand blijven en zal na verwijzing alsnog moeten worden onderzocht of in dit opzicht sprake is van een verboden onderscheid in de arbeidsvoorwaarden. Aantekening verdient dat een dergelijke benadeling op verschillende wijzen kan worden opgeheven. Het is mogelijk, door het toekennen van extra vrije dagen buiten de schoolvakanties het nadeel op te heffen; in die benadering zou de vordering toewijsbaar zijn. Het is echter ook denkbaar, dat zulk een benadeling wordt weggenomen door de desbetreffende lerares in de rest van het jaar zodanig te ontlasten van haar niet-lesgebonden werkzaamheden dat zij reëel toekomt aan het opnemen van de haar toekomende vakantieverlofdagen en bovendien aan de 10% tijd die zij volgens de CAO-VO mag besteden aan deskundigheidsbevordering noot 13; wordt voor die oplossing gekozen, dan behoeft geen compensatie meer plaats te vinden in de vorm van toekenning van extra verlofdagen buiten de schoolvakanties. Na verwijzing zullen partijen zich over deze modaliteiten kunnen uitlaten.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het hof van het ressort.

Annotatie: G.J.J. Heerma van Voss

Noot
1.
De vraag of leraressen van wie de periode van zwangerschapsverlof samenvalt met de zomerschoolvakantie recht hebben op compenserende vakantiedagen heeft een aantal jaren de meningen in de onderwijswereld verdeeld gehouden. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 9 augustus 2002, NJ 2004, 221 en 222, JAR 2002/206 en 207 (Westelijk Weidegebied/De Kuijer en ROC Zeeland/Dekker), geoordeeld dat de desbetreffende cao’s slechts de periode en niet de omvang van de vakantieaanspraak bepalen. Het wettelijke minimum aantal vakantiedagen van twintig zal de lerares gewoonlijk kunnen opnemen gedurende de resterende schoolvakanties. De zaak werd verwezen naar een gerechtshof voor nader onderzoek naar de vraag of er sprake was van indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen omdat de betrokken leraressen mogelijk minder tijd overhouden voor niet-lesgebonden werkzaamheden, zoals deskundigheidsbevordering. Uit HR 16 maart 2007, JAR 2007/93, LJN AZ 3084 blijkt dat deze kwestie in de laatstgenoemde zaak na verwijzing nog steeds niet goed was beoordeeld door het desbetreffende hof.
2.
In deze zaak had de kantonrechter aanvankelijk de aanspraak van de lerares gehonoreerd, doch was deze in hoger beroep door de rechtbank afgewezen. A-G Langemeijer had aanbevolen deze laatste uitspraak te casseren. Hiermee sloot hij aan op de lijn van het arrest uit 2002 omdat sprake zou kunnen zijn van een ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen ten aanzien van de mogelijkheid om ongebonden lestaken te verrichten in de zomerperiode. Verrassend is echter dat de Hoge Raad zijn A-G hierin niet volgt. Hij gaat op dit punt niet in en vergelijkt slechts het aantal feitelijk genoten vakantiedagen. In de toelichting op het vierde middel was op dit punt wel uitdrukkelijk gewezen, zij het als subsidiair punt. De uitspraak is ook gepubliceerd in JAR 2004/148.
3.
De Hoge Raad gaat er kennelijk van uit dat de perioden van verlof die tijdens de schoolvakanties worden genoten niet op één lijn zijn te stellen met een gewone ‘vakantie’, die in hoofdzaak is gericht op recuperatie. In het onderwijs is daarvoor ruimte tijdens de schoolvakanties, maar deze perioden zijn veel langer dan een gebruikelijke vakantie, noodgedwongen omdat er geen lesuren zijn ingeroosterd. Zo bezien zou een dergelijke periode mede kunnen worden benut voor het zwangerschapsverlof zonder dat aan het doel van een jaarlijkse vakantie tekort wordt gedaan. Het probleem van deze benadering is tweeledig. Enerzijds dienen deze verlofperioden ook te worden benut voor het bijhouden van het vak, dit werd hierboven al aangestipt. Daarnaast is in de interpretatie van de Hoge Raad niet duidelijk hoe lang de vakantie volgens de cao zou moeten zijn. De Hoge Raad lijkt hierbij zonder meer uit te gaan van het wettelijke aantal vakantiedagen van 20 per jaar, terwijl menige cao meer vakantiedagen toekent en dit in het onderhavige geval ook lijkt te zijn beoogd.
4.
Juist een maand voor dit arrest wees ook het Hof van Justitie van de EG een relevant arrest. Al eerder was door dit hof geoordeeld dat wanneer de bij bedrijfsakkoord tussen de onderneming en de werknemersvertegenwoordigers vooraf vastgestelde vakantieperioden samenvallen met het zwangerschapsverlof, de werkneemster haar jaarlijkse vakantie in een andere periode moet kunnen opnemen, HvJ EG 30 april 1998, C-136/95, Jur. I-2011 (Thibault). Met die rechtspraak verdroeg de hoofdregel van de Hoge Raad zich moeizaam, maar het valt nog wel te rijmen met de bij punt 3 gegeven argumentatie, nu het Thibault-arrest niet ging over vakantieperioden die langer duren dan minimaal is voorgeschreven door de EG-Richtlijn inzake arbeidstijden (deze periode komt overeen met onze nationale wettelijke regeling).
5.
In de Spaanse zaak Gómez ging het echter wel om een langere dan de minimaal voorgeschreven vakantieduur. Hier maakte het hof uit dat de zwangere werkneemster ook recht heeft op de volledige vakantie buiten het zwangerschapsverlof indien de nationale wettelijke regeling een langere vakantieduur voorschrijft dan de EG-richtlijn, HvJ EG 18 maart 2004, C-342/01, Jur. 2004, p. I-2605, JAR 2004/86 (Gómez). Het verschil tussen de casus in de hier besproken zaak en de zaak Gómez ligt hierin dat de schoolvakanties niet gebaseerd zijn op een nationale wettelijke regeling die verder gaat dan de Europese richtlijn, maar op een cao die verder gaat dan de nationale wet (en de Europese richtlijn). Er valt echter veel voor te zeggen dat ook hiervoor geldt dat sprake is van een geoorloofde afwijking in het voordeel van de werknemer. Waar immers in het ene Europese land de richtlijnen door wetten worden uitgevoerd, gebeurt dit in het andere land door collectieve arbeidsovereenkomsten. Het gunstigheidsbeginsel (afwijking naar boven voor werknemers is toegestaan) geldt arbeidsrechtelijk in de meeste landen niet alleen voor de nationale wet ten opzichte van de Europese richtlijn, maar ook voor cao’s ten opzichte van de nationale wet. Het is daarom spijtig dat de Hoge Raad deze kwestie niet heeft willen voorleggen aan het EG-Hof, nu er alle reden blijft voor twijfel over de juistheid van de uitleg van dit deel van het Europese recht door de Hoge Raad. Uiteraard had ook het EG-Hof tot de conclusie kunnen komen dat slechts een deel van de schoolvakanties kunnen worden beschouwd als vakantie in arbeidsrechtelijke zin, maar vooralsnog is dat nu eenmaal niet zeker.
6.
Aan de oplossing van de onderhavige problematiek zouden de cao-partijen in het onderwijs het nodige kunnen bijdragen door in de cao’s helder aan te geven hoe veel dagen worden toegewezen voor vakantie en hoe veel voor deskundigheidsbevordering.
G.J.J. Heerma van Voss

1)
Zie rov. 3 van het bestreden vonnis.
[terug naar tekst]
2)
KB van 28 februari 1985, Stb. 110, nadien gewijzigd; editie S&J 60 A-I.
[terug naar tekst]
3)
Richtlijn 76/207/EEG van de Raad d.d. 9 februari 1976, betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, PbEG L 039 (ook in editie S&J 213); hierna verkort aangeduid als: de Richtlijn gelijke behandeling m/v.
[terug naar tekst]
4)
Zie art. H1 van de CAO-VO 1998/99.
[terug naar tekst]
5)
De zaken C01/193HR, C01/194HR en C01/247HR hadden betrekking op het bijzonder basisonderwijs, zaak C01/244HR op het beroepsonderwijs; zie RvdW 2002, 133 (NJ 2004, 221; red.) en 134 (NJ 2004, 222; red.); JAR 2002, 206 en 207. Deze arresten zijn besproken door S. Burri en Y. Konijn in: ArA 2002, 3, blz. 71 e.v., door K. Boonstra, in: Rechtshulp 2002-10, blz. 10 e.v. en door F.A. van Hassel in: School en Wet, nr. 1, 2003, blz. 8 e.v.
[terug naar tekst]
6)
CRvB 17 mei 2001, JB 2001, 217, m.nt. A.W. Heringa.
[terug naar tekst]
7)
Ik werk dit niet verder uit, omdat de lerares in haar s.t. (blz. 6) zelf al ervan uitgaat dat de Hoge Raad het eerste onderdeel zal afdoen overeenkomstig de arresten van 9 augustus 2002.
[terug naar tekst]
8)
PbEG 1992, L 348; tevens opgenomen in editie S&J nr. 213.
[terug naar tekst]
9)
Het middel onderscheidt niet tussen de Wet Gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (wet van 1 maart 1980, Stb. 86) en de Algemene wet gelijke behandeling (wet van 2 maart 1994, Stb. 1994, 230); klaarblijkelijk is de eerstgenoemde wet bedoeld.
[terug naar tekst]
10)
Zie m.n. Burri en Konijn, a.w., p. 80-85 en Boonstra, a.w., p. 14.
[terug naar tekst]
11)
HvJ 30 april 1998, C-136/95, Jur. 1998, p. I-2011.
[terug naar tekst]
12)
Vgl. MvA blz. 4-5 onder d.
[terug naar tekst]
13)
Zie art. C5, lid 8, van de CAO-VO 1998/99. Bij een voltijdsbetrekking komt dit neer op 166 uur per jaar, die – behoudens het in de CAO gestelde – naar eigen inzicht kunnen worden besteed.
[terug naar tekst]

Rechters

J.B. Fleers; de Savornin Lohman, O.; Kop, P.C.; Numann, E.J.; Bakels, F.B.

Instantie: Rechtbank Utrecht, 2 april 2008

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting

In de bodemprocedure die het proefprocessenfonds Clara Wichmann, de Vereniging voor Nederlandse vrouwelijke artsen en een aantal individuele artsen en advocaten aanhangig had gemaakt bij de rechtbank Utrecht tegen verzekeraar Movir over onder andere de wachttermijn van twee jaar voor het geldend kunnen maken van een recht op zwangerschapsuitkering heeft de rechtbank de vorderingen van eiseressen afgewezen. De rechtbank oordeelt in de eerste plaats dat de zwangerschapsverzekering en de arbeidsongeschiktheidsverzekering afzonderlijke regelingen zijn en daarom niet met elkaar vergeleken kunnen worden. Binnen de zwangerschapsverzekering wordt naar het oordeel van de rechtbank geen onderscheid naar geslacht gemaakt. Hiernaast is de rechtbank van oordeel dat Movir geen onderscheid naar geslacht maakt door arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschapsverlof niet op een lijn te stellen met andere vormen van arbeidsongeschiktheid. Het staat niet vast, aldus de rechtbank, dat vrouwen gedurende 16 weken rondom de bevalling arbeidsongeschikt zijn en bovendien zijn zwangerschap(sverlof) en arbeidsongeschiktheid naar hun aard wezenlijk verschillende situaties.

Volledige tekst

Rechters

mr. H.J. Schepen, mr. M. van Delft-Baas, mr. H. Phaff