Brief aan informateurs ten behoeve van de verbetering van de veiligheid van sekswerkers, 28 maart 2024

De VVR was één van de acht organisaties die een brief ondertekenden aan informateurs E. Dijkgraaf en R. van Zwol over de verbetering van veiligheid van sekswerkers. Het thema veiligheid is aangewezen als één van de prioriteiten in de onderhandelingen over een nieuw kabinet. Verbetering van de veiligheid van sekswerkers is urgent, omdat zij momenteel onevenredig vaak slachtoffer zijn van geweld.

Andere ondertekenaars: Aidsfonds/SOA Aids, Amnesty International, Bureau Clara Wichmann, Nederlandse Vereniging voor Vrouwenbelangen, Netwerk VN-Vrouwenverdrag, SWAD tegen stigma op sekswerk, SekswerkExpertise.

De brief in PDF vindt u hier: Brief aan informateurs E. Dijkgraaf en R. van Zwol ter behoeve van de verbetering van de veiligheid van sekswerkers

8 maart oproep : stel psychisch geweld strafbaar in Nederland

De VVR steunt het uitvoerig gedocumenteerde statement dat Amnesty International heeft gepubliceerd ter gelegenheid van 8 maart 2024. De VVR zet zich al langer in om dit standpunt uit te dragen en hoort tot de door Amnesty genoemde meerdere maatschappelijke organisaties. De brief die de VVR in juli 2023 stuurde aan de Staatscommissie Rechtsstaat is genoemd in noot 30 van AI’s statement.
Ook andere publicaties van de VVR zijn interessant voor wie zich verder in de materie wil verdiepen. Om te beginnen het recente verslag van het VVR Congres over Femicide en dwingende controle op 16 november 2023.
De VVR heeft de problematiek van psychisch geweld in relatie tot familierechtelijke problemen, bijvoorbeeld wat betreft het omgangsrecht, als urgent onderwerp ingebracht bij de laatste schaduwrapportage Verdrag van Istabul: NGO Comments uit april 2023. In januari 2023 schreef de VVR een brief aan de Tweede Kamer over de wenselijkheid van strafbaarstelling van psychisch geweld ter gelegenheid van een commissiedebat met minister Weerwind.
Beide waren gevoed door het VVR congres over huiselijk geweld in het familierecht (7 oktober 2021) – link naar verslag.
Op uitnodiging van een aantal tweede kamerfracties die een (concept) initiatiefnota psychisch geweld hadden gemaakt stelde het VVR bestuur in juni 2021 een statement vast.

8 maart 2024

Zwartboek huiselijk geweld 2023 – jurisprudentie overzicht dodelijk en bijna dodelijk huiselijk geweld

In 2023 publiceerde VVR-lid Ine Avontuur voor het eerst een zwartboek huiselijk geweld. 18 pagina’s lang met 51 zaken, inclusief korte samenvatting en ECLI-nummers

De inleiding begint met:
2023 was een bewogen jaar als het gaat om huiselijk geweld. Om verschillende redenen heb ik een zwartboek gemaakt aan de hand van uitspraken in het strafrecht over (bijna) dodelijk huiselijk geweld. Een eerste reden is dat ik van mening ben dat de omvang en ernst van huiselijk geweld onderschat wordt. Er is veel aandacht voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, en in verhouding maar weinig aandacht voor ander ernstig geweld, te weten: huiselijk geweld, dat veel meer mensen raakt. Een tweede reden is dat ik in mijn posts regelmatig aangeef dat huiselijk geweld
gender-gerelateerd geweld is omdat vrouwen meer en ernstiger geraakt worden door dit type geweld dan mannen. Steevast word ik dan onthaald op opmerkingen dat dit helemaal niet zou kloppen. Het blijft kennelijk nodig om dit te laten zien met harde feiten en statistieken.

Zwartboek huiseljk geweld 2023-Ine Avontuur

Nieuwsbrief VVR februari 2024

Verslag VVR Congres over Femicide en dwingende controle gepubliceerd
De deelnemers aan het zeer goed bezochte VVR congres op 16 november 2023 ontvingen half januari 2024 het door de sprekers goedgekeurde verslag van het congres. Het staat ook op oud-vvr.computersaysno.eu.

Internet consultatie initiatief wetsvoorstel abortus is zorg
Vlak voor de verkiezingen diende vertrekkend Groen Links kamerlid Corinne Ellemeet een initiatief wetsvoorstel in met het doel abortus uit het wetboek van strafrecht te halen. Er vond een internet consultatie plaats. De inbreng van de VVR staat op oud-vvr.computersaysno.eu.

Nieuwe procedures PGB zorgverleners en huishoudelijke werkers
Het symposium over de sociale zekerheid en arbeidsrechten van PGB-zorgverleners in juni 2023 (hier link naar verslag) was de kraamkamer voor drie nieuwe procedures. Met opnieuw de eerder succesvol gebleken bundeling van expertise van VVR-leden, de proceskostengarantie door Bureau Clara Wichmann en een door de laatste aangezocht pro bono advocaat. In de eerste procedure vraagt Carol Kollmann in het verlengde van haar vorig jaar bij de CRvB gewonnen zaak over WW-recht stopzetting afdracht inkomensafhankelijke premie Zvw. Andere werknemers betalen die ook niet (de werkgever betaalt een heffing). In de tweede gaat het om een PGB-zorgverleenster die intensieve zorg voor haar tweelingbroer leverde en na zijn overlijden met lege handen stond (geen WW). De derde procedure gaat over een huishoudelijk werker die bij zeven particuliere huishoudens schoonmaakte en bij ziekte niet terug kon vallen op een Ziektewetuitkering.

Korting op nabestaandenpensioen bij leeftijdsverschil partners niet uitgebannen
Via een vraag aan de werkgroep sociaal en Europees recht werd duidelijk dat er nog pensioenfondsen zijn die geen uitvoering geven aan het oordeel van de Hoge Raad eind 2015 over het ongeoorloofde indirect onderscheid naar geslacht door kortingsregelingen op nabestaandenpensioen in pensioenreglementen bij (groot) leeftijdsverschil tussen de partners.
Hoog tijd om het geheugen op te frissen, want verschillende VVR-leden waren eerder bij dit dossier betrokken. Zie de opinie op oud-vvr.computersaysno.eu van Leontine Bijleveld.

Vooraankondiging meeting over uitwerking Richtlijn transparante beloning M/V
Het schiet nog niet genoeg op met het dichten van de loonkloof M/V. De vorig jaar aangenomen EU Richtlijn transparante beloning M/V 2023/970) moet daar verandering in aanbrengen. Nederland heeft laten weten de richtlijn snel te willen implementeren.  Naar verwachting komt er dit voorjaar een concept wetsvoorstel. De werkgroep sociaal en Europees recht zal er in maart een bijeenkomst over organiseren. Zaza van de Koppel, die er een masterscriptie over schreef, houdt een inleiding.
Wie op de hoogte gehouden wil worden melde zich alvast bij de werkgroep.

Nieuwe jurisprudentie op website
Enige VVR-leden hebben vorig jaar de jurisprudentie op het terrein van vrouw en recht weer een stukje verder kunnen ontwikkelen. Zo verkreeg Caroline de Graaf voor haar cliënte toekenning van schadevergoeding én billijke vergoeding na zwangerschapsdiscriminatie. Ine Avontuur kreeg gedaan met een beroep op het Verdrag van Istanbul dat een slachtoffer van stalking de eigen bijdrage, griffierecht en proceskosten vergoed moet krijgen.
Ook zijn er nieuwe arbeidsrecht uitspraken over seksueel grensoverschrijdend gedrag geplaatst, waarvan een met een noot van Eva Cremers.

Vooraankondiging uitvraag onderzoek gebruik door advocaten Verdrag van Istanbul
In een blog schreef Essa Reijmers, beleidsadviseur bij Valente, een impressie over de 25ste WAVE-conferentie in Madrid in oktober 2023 (WAVE = Women Against Violence Europe). Een presentatie ging over een Italiaanse onderzoek onder advocaten naar ‘waar het geweld uit beeld verdwijnt’ tijdens gerechtelijke procedures over gezag en omgang, geïnspireerd door op artikel 31 van het Verdrag van Istanbul, dat juist vereist dat geweld wordt meegewogen in familierechtelijke beslissingen. VVR-bestuurslid Ariane Hendriks is in gesprek met Essa Reijmers en VVR-lid Kathinka Lünnemann (Verweij-Jonker Instituut) om te bezien of een dergelijk onderzoek ook in Nederland uitgevoerd kan worden, zo mogelijk met middelen uit het VVR-CLWI-fonds. Als dat het geval is volgt een uitvraag, die zeker onder de aandacht van VVR-leden gebracht zal worden.

Doctor Joke Swiebel
In een bomvolle aula van de Universiteit van Amsterdam verdedigde oud-VVR-voorzitter Joke Swiebel op 26 januari 2024 haar proefschrift Homopolitiek in Nederland 1966-2023. De symbolische kracht van wetgeving. Met haar 82 jaar is ze de oudste jonge doctor van de UvA voor zover valt na te gaan, aldus haar promotor. De bij de Amsterdam University Press uitgegeven zeer leesbare  handelseditie is verkrijgbaar in de boekwinkel. Joke’s website biedt de livestream van de promotieplechtigheid, een samenvatting van het boek, interviews die ze ter gelegenheid van de promotie gaf én de eerder gepubliceerde artikelen die de basis vormden van het proefschrift. Op haar Facebook en LinkedIn pagina’s levert ze haarkruidig commentaar.

 

Nieuwe uitspraken arbeidsrecht over seksueel grensoverschrijdend gedrag

Ontslag vakkenvuller op staande voet wegens grensoverschrijdend gedrag blijft in stand
In de kantine van een Rotterdamse supermarkt hebben vakkenvuller en zijn maat gedurende langere tijd allerlei seksueel getinte opmerkingen gemaakt tegen een vrouwelijke collega, die herhaaldelijk liet blijken er niet van gediend te zijn en hen tevergeefs vroeg te stoppen. Een andere collega maakte er een opmerking van. De dag er op wordt de jonge werknemer geschorst, waarna de supermarkt onderzoek doet naar het incident. Na een paar dagen is vakkenvuller op staande voet ontslagen en dat is even later schriftelijk bevestigd. Het ontslag blijft in stand. Dat de supermarkt in het bedrijfsreglement dat op de arbeidsovereenkomst van toepassing is een uitvoerige omschrijving had opgenomen – afsluitend met de zin: In ieder geval accepteren wij geen enkele vorm van seksuele intimidatie – speelde uitdrukkelijk mee. De kantonrechter loopt alle vereisten voor ontslag op staande voet helder door.
ECLI:NL:RBROT:2023:11555

Niet verlengen arbeidsovereenkomst gevolg van ernstig verwijtbaar gedrag werkgever (dickpic)
Werkgever (bestuur speeltuin) zegt werknemer aan de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Werknemer stelt dat het niet nogmaals voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, waaronder grensoverschrijdende app-berichten, inclusief dickpic. De kantonrechter is het daarmee eens en kent een billijke vergoeding toe van zes maandsalarissen, naast de transitievergoeding en proceskostenvergoeding.
ECLI:NL:RBNHO:2023:13609

Hof bekrachtigt ontbinding arbeidsovereenkomst werknemer wegens ernstig verwijtbaar handelen (seksueel grensoverschrijdend gedrag)
Werknemer is begeleider bij een thuiszorginstelling en werkt daarnaast als zelfstandige en plaatsvervangend imam. Na een klacht van de stagebegeleidster bij de leidinggevende van werknemer over seksueel grensoverschrijdend gedrag tegen een stagiaire is deze op non-actief gesteld. De klacht is in een uitgebreide email bevestigd (opgenomen in r.o. 3.1.8). Diezelfde dag heeft een gesprek plaatsgevonden, waarvan een verslag is gemaakt (r.o.3.1.9).
Aanvankelijk was afgesproken dat partijen met wederzijds goedvinden uit elkaar zouden gaan, maar daar is de werknemer van teruggekomen. In de navolgende procedure bij de kantonrechter is de arbeidsovereenkomst ontbonden per datum beschikking (op de e-grond).
De werknemer voert zes grieven aan in hoger beroep, die allemaal worden verworpen. Het Hof rekent werknemer zwaar aan dat zijn handelwijze niet alleen seksueel grensoverschrijdend was, maar zich ook afspeelde tegenover de stagiaire, die zich in een afhankelijkheidspositie bevond.
ECLI:NL:GHSHE:2024:35

Hof Den Haag: verschuiving bewijslast bij vermoeden seksuele intimidatie alleen ten gunste van slachtoffer
De werkgever van de pleger van seksuele intimidatie (een locatie-directeur die zijn ondergeschikten seksueel grensoverschrijdend bejegende) is er met behulp van getuigenverklaringen in geslaagd het bewijs te leveren. Echter, volgens het Hof zijn de gedragingen wel zodanig ernstig dat een ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is, maar niet zodanig ernstig verwijtbaar dat hem een transitievergoeding ontzegd kan worden.
ECLI:NL:GHDHA:2023:2332

Eva Cremers-Hartman, erelid van de VVR, schreef er in JAR 2024/31 een kritische noot bij.

Eva Cremers-Hartman: noot bij Hof Den Haag over transitievergoeding voor pleger van ernstige seksuele intimidatie (JAR 2024/31)

In de gelijkebehandelingswetgeving is voor het bestrijden van seksueel intimiderend gedrag een specifieke regeling getroffen, mede vanwege de noodzaak van implementatie van EU-gelijkebehandelingsrichtlijnen (Richtlijn 2004/113/EG en Richtlijn 2002/73/EG). Zie hieromtrent: art. 1a lid 1, 3 en 4 AWGB en art. 7:646 lid 6, 8 en 13 BW (vgl. E. Cremers-Hartman, Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, commentaar op art. 1a AWGB (en art. 7:646 BW) en commentaar op art. 10 AWGB).

Seksuele intimidatie is verboden als vorm van direct sekseonderscheid waarvoor de pleger geen enkele rechtvaardigingsgrond kan aanvoeren (art. 1a lid 1 AWGB; art. 7:646 lid 6 BW). Het is gedefinieerd als gedrag met een seksuele connotatie met als doel of gevolg dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast. Als tevens sprake is van het creëren van een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving, is dit een zwaardere vorm van seksuele intimidatie. Omdat dit gedrag kwalificeert als discriminatie, geldt ook de bewijslastverschuiving (art. 10 lid 1 AWGB; art. 7:646 lid 12 BW). Degene in wiens nadeel onderscheid is of wordt gemaakt, moet daartoe in rechte de feiten aanvoeren. De vermeende pleger moet vervolgens bewijzen dat niet in strijd met het discriminatieverbod is gehandeld. In arbeidssituaties wordt allereerst een beroep gedaan op art. 7:646 BW en aanvullend op de AWGB (art. 4 AWGB).

Uit de rechtspraak over seksuele intimidatie bij de arbeid blijkt dat deze dwingendrechtelijke wetgeving in procedures nauwelijks een rol speelt. Ook blijkt dat doorgaans de werkgever van de slachtoffers de procespartij is met de pleger als tegenpartij. De slachtoffers vervullen met hun getuigenverklaringen een lijdelijke rol. In de onderhavige zaak is de pleger zowel werkgever als werknemer. Hij is directeur van de bedrijfslocatie waar de slachtoffers werkzaam zijn. Hij heeft een arbeidsrelatie met de vennootschap waarvan deze bedrijfslocatie onderdeel is. In de beschikkingen is de pleger telkens aangeduid als ‘de werknemer’ en de vennootschap als ‘de werkgever’. Dat kan verwarrend zijn.

In de eindbeschikking staat de vraag centraal of het omstreden gedrag verwijtbaar of ernstig verwijtbaar is. Hof Den Haag heeft de gelijkebehandelingswetgeving hierbij niet betrokken. In de tussenbeschikking in deze zaak is dat anders, daarin is de bewijslastverdeling beoordeeld in het licht van art. 7:646 BW (ECLI:NL:GHDHA:2023:75). De werkgever beriep zich op de bewijslastverschuiving omdat de beschikbare verklaringen van de slachtoffers voldoende feiten boden om seksueel overschrijdend gedrag te doen vermoeden. De pleger zou moeten bewijzen dat geen sprake was van strijd met het discriminatieverbod. Volgens hof Den Haag is deze zienswijze onjuist. Uit de bewoordingen ‘degene die meent dat te zijnen nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt’ van art. 7:646 lid 12 BW, zou blijken dat de bepaling alleen strekt tot bescherming van slachtoffers. Daarom zouden alleen zij een beroep kunnen doen op de bewijslastverschuiving. De werkgever kreeg de bewijsopdracht ter zake van zijn stellingen omtrent het seksueel overschrijdende gedrag.

Deze uitleg is mijns inziens niet correct en bovendien nadelig voor de slachtoffers omdat zij telkens weer verklaringen moeten afleggen over de ernstige misdragingen hen aangedaan. Dit kan mogelijk traumatische gevolgen versterken. Uit de getuigenverklaringen die zijn opgenomen in de eindbeschikking, blijkt dat meerdere gedragingen onder de zwaarste vorm van seksuele intimidatie vallen. Mijns inziens kan de werkgever zich wel beroepen op de bewijslastverschuiving. Seksueel intimiderend gedrag van werknemers is in het nadeel van de werkgever vanwege diens zorgplicht voor een discriminatievrije werkvloer. De werkgever moet deze plicht kunnen effectueren door maatregelen te treffen jegens een werknemer/pleger van discriminatoir gedrag. Ook Houweling gaat hiervan uit. Hij betoogt dat de vraag moet worden gesteld ‘wat’ (en niet zo zeer ‘wie’) de bepaling met het verbod seksuele intimidatie dient te beschermen. Het leerstuk van associatieve discriminatie uit het Coleman-arrest van het HvJ EU zou hier navolging moeten vinden. De bepaling beschermt niet louter de seksueel geïntimideerde persoon maar wil ook seksuele intimidatie op de werkvloer tegengaan (A.R. Houweling (red.), Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke Themata I, 2020, p. 456). De rechtspraak hierover is wisselend (zie mijn commentaar op art. 10 AWGB, par. 6.1, in Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch).

In deze zaak heeft kantonrechter Rotterdam de arbeidsovereenkomst van de pleger ontbonden zonder toekenning van enige financiële tegemoetkoming omdat de gedragingen als ernstig verwijtbaar handelen kwalificeren (ECLI:NL:BRROT:2022:2673). Dit is gebaseerd op twee gronden: (1) de ernst van de gedragingen en (2) het feit dat ten opzichte van veel medewerkers sprake was van een afhankelijkheidsrelatie. Hof Den Haag heeft alleen zijdelings aandacht geschonken aan de afhankelijkheidsrelatie tussen slachtoffers en pleger. Dat is opmerkelijk. In de rechtspraak is het leerstuk van seksueel grensoverschrijdend gedrag in afhankelijkheidsrelaties ontwikkeld. Govaert signaleert dat strenger wordt geoordeeld over plegers die zich proberen te verschuilen achter een gebrek aan adequate begeleiding van hun werkgever, teneinde aanspraak te kunnen maken op een transitievergoeding (vgl. «JAR» 2021/46, m.nt. Govaert).

Hof Den Haag overwoog dat bij de pleger sprake was van een patroon van seksueel getinte opmerkingen, ongepaste vragen en intimiderend gedrag vanuit een directeursrol in de richting van ondergeschikten en kwetsbare vrouwen. Aan de positie van de pleger binnen de arbeidsorganisatie is echter weinig aandacht besteed. Uit de beschikking van de kantonrechter blijkt evenwel dat de pleger eindverantwoordelijk was voor de hele bedrijfsvoering van de bedrijfslocatie met ruim honderd medewerkers, daar een stand-alone positie innam, verantwoordelijk was voor de naleving van richtlijnen en gedragsregels, lid was van het MT van de vennootschap waarvan deze locatie deel uitmaakt. Desondanks beschouwt het hof de arbeidsrelatie van pleger en vennootschap in feite als een reguliere arbeidsovereenkomst, waarbij de leiding van de vennootschap de pleger beter had moeten aansturen. Het hof ontslaat de pleger voor een groot deel van diens eigen verantwoordelijkheid voor gedragingen binnen een afhankelijkheidsrelatie die zondermeer voldoen aan de zwaarste vorm van seksuele intimidatie en dus strijdig zijn met het discriminatieverbod.
De vraag is juist of naar huidige maatschappelijke maatstaven als vuistregel geldt dat seksueel overschrijdend gedrag binnen afhankelijkheidsrelaties in beginsel ook ernstig verwijtbaar handelen is jegens de werkgever (zie de arresten Docent Bewegingsleer I («JAR» 2020/218, m.nt. Fruytier) en Docent Bewegingsleer II («JAR» 2022/179), voor commentaar: Barentsen & Sagel, NJB 2022, nr. 33, par. 5.3, p. 2793-2796; mijn rechtspraakoverzicht: commentaar op art. 1a AWGB, par. 8 in Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch).

In het tweede arrest heeft de Hoge Raad deze vuistregel niet willen aannemen. Het recht op een transitievergoeding van de pleger is vooropgesteld. Alleen in geval van bijzondere omstandigheden kan dat recht komen te vervallen, aldus de Hoge Raad. De gedragingen jegens afhankelijke werknemers in deze zaak zijn echter zo ernstig en bovendien zo discriminerend dat de pleger zich niet moet kunnen verschuilen achter de werkgever: de pleger hee daarom ook ernstig verwijtbaar gehandeld jegens zijn werkgever. Dit zijn bijzondere omstandigheden die het recht op transitievergoeding mijns inziens doen vervallen.

Verslag van het VVR Congres over Femicide en dwingende controle

Maaike Visser schreef het verslag van het congres van de VVR over Femicide en dwingende controle op 16 november in Utrecht.
Sprekers waren: Kathinka Lünnemann (Verweij-Jonker Instituut), Prof. Wilma Duijst (Maastricht University), Berte van Heemst en Judith van Schoonderwoerd den Bezemer (beiden Openbaar Ministerie Rotterdam) en Ine Avontuur (advocaat).
Margreet de Boer (advocaat) was dagvoorzitter.

Verslag Congres Femicide Definitief

Korting nabestaandenpensioenen vanwege leeftijdsverschil nog niet uitgebannen

Wie dacht dat na het arrest van de Hoge Raad op 18 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3628) de korting van nabestaandenpensioenen bij (groot) leeftijdsverschil tussen partners bij alle pensioenregelingen wel herijkt zou zijn komt bedrogen uit. Dit bleek de VVR medio 2023 na melding door de dochter van een weduwe die 12 jaar jonger was dan haar echtgenoot en een gekort nabestaanden pensioen kreeg. Het pensioenfonds blijft weigeren de korting ongedaan te maken telkens met nieuwe lik-me-vestje-argumentatie als de eerdere opgeworpen bezwaren door de dochter (met hulp van de VVR) ontkracht zijn. Inmiddels is de zaak bij de Commissie van Bezwaar van het Pensioenfonds terecht gekomen.

Hoe zat het ook al weer met die korting vanwege leeftijdsgeschil?
In begin van deze eeuw zijn er verschillende procedures geweest over korting van nabestaandenpensioenen bij leeftijdsverschil van echtelieden, die de meeste pensioenregelingen destijds hanteerden – meestal vanaf 10 jaar leeftijdsverschil. Inzet was telkens of de korting wel of niet verboden indirect onderscheid naar geslacht opleverde (WGB art. 1 lid 1 onder c. en art. 6a). Het indirecte onderscheid werd veelal erkend: weduwes waren veel vaker (veel) jonger dan hun overleden echtgenoot dan omgekeerd. De zaak spitste zich dan toe op de vraag of een legitiem doel werd gediend, of de korting een gerechtvaardigd, geschikt en noodzakelijk middel was. Bij vermoeden van een verboden onderscheid dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met de wet gehandeld is. Ook de Commissie Gelijke Behandeling heeft zich over een heel aantal kwesties gebogen (uitkomst: verboden onderscheid).
De gerechtelijke procedures kenden wisselende uitkomsten en soms werd hoger beroep aangetekend. Ook bij gerechtshoven was geen eenduidige uitkomst: Hof ‘s-Hertogenbosch had de leeftijdskorting niet gebillijkt en Hof Amsterdam wel. Dat was reden voor de VVR en Proefprocessenfonds Clara Wichmann (nu Bureau Clara Wichmann) om bij de Procureur Generaal aan te dringen op cassatie in het belang der wet. In een uitvoerig geannoteerd betoog (ECLI:NL:PHR:2015-1970) vorderde de PG vernietiging van het arrest van Hof Amsterdam. De Hoge Raad volgt dit betoog eind 2015 (link hierboven, samengevat op de VVR website). Marlies Vegter publiceerde een noot hierover in JAR 2016/41.

Kern oordeel Hoge Raad
De HR heeft het arrest van Hof Amsterdam vernietigd in het belang der wet. De kortingsregeling in het pensioenreglement maakte ongeoorloofd indirect onderscheid naar geslacht. In dit geval ging het om een weduwe die 23 jaar jonger was dan haar overleden echtgenoot. Net als de PG vond de HR dat het middel, de kortingsregeling, niet voldeed aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Op zichzelf kon een begrenzing van de onderlinge solidariteit in de pensioenregeling als legitiem doel aanvaard worden. Ten onrechte had het hof echter niet verlangd van het pensioenfonds met concrete cijfers aan te tonen dat afschaffing van de kortingsregeling vanwege een eventueel geringe omvang van het fonds een te groot kostenbeslag en dus premieverhoging voor alle actieve deelnemers met zich mee zou brengen.

De lik-me-vestje-argumentatie van het Pensioenfonds
Het pensioenfonds begon met te stellen dat er verschillende redenen konden zijn waarom het partnerpensioen gekort was; de overgedragen informatie van het overgenomen pensioenfonds zou geen nadere informatie bieden. Mevrouw moest maar bewijs leveren. Dat lukte: in een oude pensioenkennisgeving werd een passage over het weduwenpensioen gevonden “Bij een leeftijdsverschil tussen man en vrouw van meer dan 10 jaar, wordt het weduwenpensioen verminderd met 2½% voor elk vol ‘leeftijdstijdsjaar’.” Het Pensioenfonds erkende daarna dat het weduwenpensioen gekort was wegens leeftijdskorting, maar weigerde te compenseren. Nu werd de Wet gelijke behandeling leeftijd (WGBL) uit 2004 in het geding gebracht, die geen terugwerkende kracht heeft. Omdat de deelnemer in 2003 overleden was behoefde het fonds volgens eigen zeggen niet de korting van het weduwenpensioen ongedaan te maken. Maar de HR had het helemaal niet over de WGBL! Evenmin had de HR de werking in tijd begrensd.
Dochter werd naar het bestuur van het Bedrijfspensioenfonds verwezen als ze het er niet mee eens was. Dat deed ze. Na twee en halve maand kwam een door het bestuur ondertekende brief waarin weer een heel andere argumentatie stond. Nu werd teruggegrepen op het Barber-arrest van Hof van Justitie EG uit mei 1990. Pas vanaf deze datum zou gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers in pensioenregelingen moeten gelden. Omdat de echtgenoot later in 1990 met pensioen ging zou er maar voor een heel klein stukje, een paar maanden, pensioenopbouw gecorrigeerd hoeven te worden. Maar het gaat hier niet over verschillende rechten van mannelijke en vrouwelijke werknemers. Het gaat over het recht op volledig nabestaandenpensioen dat pas bij overlijden van de pensioengerechtigde echtgenoot in 2003 ontstond, ruim na Barber. Bovendien werd er destijds bij de pensioenopbouw geen rekening gehouden met een eventueel leeftijdsverschil tussen echtelieden! Het pensioenfonds weet natuurlijk heel goed dat er destijds één doorsneepremie werd gehanteerd voor ouderdomspensioen en weduwenpensioen samen. Het tovert weer een ander antwoord uit de hoge hoed, dat is niet fatsoenlijk jegens zijn pensioengerechtigden. Het lijkt er op dat het fonds alles uit de kast wil halen om maar niet te hoeven betalen.

Hoe zat het ook al weer met Barber?
Bij de Britse meneer Barber ging het om verschil in pensioenleeftijd van mannelijke (62 jaar) en vrouwelijke (57 jaar) werknemers in een zogenaamde contracted-out pensioenregeling van een bedrijf. Bij gedwongen ontslag ging het pensioen onmiddellijk in, maar dat was wel gebonden aan de verschillende pensioenleeftijden voor vrouwen en mannen. Toen Barber op 52-jarige leeftijd ontslagen werd wilde hij ook de hoge uitkering die een vrouw op zijn leeftijd (en vergelijkbaar dienstverband) zou hebben ontvangen. Het Hof van Justitie EG gaf de (toen al overleden) Barber uiteindelijk gelijk. Omdat dit, vooral in het Verenigd Koninkrijk, aanmerkelijke financiële consequenties zou hebben, heeft het Hof de gevolgen van het arrest beperkt tot de datum van het arrest, niet zonder het uitzonderlijke karakter van deze uitzondering benadrukt te hebben. Een paar jaar later oordeelde het Hof in de Nederlandse zaken Vroege (deeltijders) en Fisscher (gehuwde vrouwen) dat deze beperking in tijd niet gold voor het recht op aansluiting. Daar werd Defrenne II (8 april 1976) als datum aangehouden, net als bij nabestaandenpensioen. Toen werd voor het eerst uitgesproken dat artikel 119 EG-Verdrag (nu artikel 157 Verdrag Werking EU) horizontale rechtstreekse werking heeft en dus door een particulier voor de rechter kan worden ingeroepen tegenover bijvoorbeeld een werkgever. Tevens werd in diverse arresten verduidelijkt dat de beperking in tijd van Barber alleen betrekking had op soorten van discriminatie waarvan werkgevers en pensioenfondsen, op grond van tijdelijke uitzonderingen voorzien in het gemeenschapsrecht, redelijkerwijs hadden mogen aannemen dat ze getolereerd werden.
Zie voor dit en meer Gelijke behandeling m/v in de serie Europees Sociaal Recht SDU-uitgevers Den Haag 2004 van VVR lid Susanne Burri.

Hoe nu verder?
Zoals boven al vermeld ligt nu de zaak bij de Commissie van Bezwaar van het pensioenfonds. Hopelijk kent die wel haar vakliteratuur, waar apparaat en bestuur tekort schoten en kent het ruimhartig compensatie toe. Voor het geval het fonds niet kan betalen heeft de HR (en daarvoor CGB en Gerechtshof Den Bosch) al een uitweg geboden: het fonds moet dan met concrete cijfers over de brug komen om aan te tonen dat het kostenbeslag enorm is en de omvang van het fonds, het deelnemerstal e.d. afschaffen van de kortingsregeling in de weg staat. Dat lijkt me geen sinecure voor een pensioenfonds met een dekkingsgraad van 117.
Dochter heeft zich er nu in vastgebeten en heeft al in het vooruitzicht gesteld verdere juridische stappen te ondernemen als het fonds blijft weigeren te betalen. Begrijpelijk, maar het zou toch zonde wezen als de moeder, net als meneer Barber, overlijdt vóór eindeloze juridische procedures hen onvermijdelijk gelijk geven.
Kom op pensioenfondsen! Compenseer elk van de ten onrechte gekorte weduwes vóór alle individuele pensioenen ingevaren moeten worden in de nieuwe regeling conform de Wet Toekomst Pensioenen.

Leontine Bijleveld, 8 januari 2024

Nagekomen:
Toevallig is ook op 8 januari op rechtspraak.nl een uitspraak gepubliceerd, waarin de weduwe van een in 2003 overleden gepensioneerde werknemer in het ongelijk gesteld werd in haar eis de korting wegens groot leeftijdsverschil: met haar overleden echtgenoot ongedaan te laten maken door PFZW. We zoeken contact met de advocaat om na te gaan of hoger beroep overwogen wordt. Dat blijkt het geval.
In r.o. 5.5 volgt de kantonrechter de redenering van eiseres dat de beperking in tijd van het Barberarrest niet zonder meer toegepast kan worden op de kortingsregeling. Het betoog hierboven is ook in die lijn, op basis van het handboek van Susanne Burri.
In r.o. 5-10 stelt de kantonrechter dat de Europese regelgeving ter zake gelijke beloning niet van toepassing is op pensioenuitkeringen opgebouwd vóór 17 mei 1990 (datum Barber-arrest). Dat is echt te kort door de bocht.
R.o. 5.12 is ronduit teleurstellend, want de zaak van Hof Amsterdam uit 2006, waartegen gecasseerd werd in het belang der Wet, ging ook over pensioenaanspraken die grotendeels voor 17 mei 1990 waren opgebouwd. Dat had de kantonrechter uit het arrest van het Hof kunnen opmaken. Ook de zaak van Hof Den Bosch betrof pensioenopbouw van (deels) voor 17 mei 1990 – bij het ABP..
De echtgenoot is na zijn dienstverband bij de Industriebond FNV met de pensioenregeling die naar PFZW is overgeheveld gaan werken bij een organisatie die onder het ABP viel. Dat fonds kort het weduwenpensioen van eiseres niet vanwege het leeftijdsverschil – de uitspraak van Hof Den Bosch volgend, zoals in feite bevestigd door de HR in 2015.  Als de overleden echtgenoot na verandering van werkgever waardeoverdracht van de opgebouwde pensioenrechten had kunnen realiseren was het weduwenpensioen dus niet gekort wegens leeftijdsverschil. Maar er bestond destijds nog geen wettelijk recht op waardeoverdracht.

Schadevergoeding én billijke vergoeding na zwangerschapsdiscriminatie toegekend (twee uitspraken eind 2023)

VVR-lid Caroline de Graaf uit Meppel heeft voor haar cliënte een mooi resultaat behaald bij Rechtbank Noord Holland, dat hopelijk andere rechters inspireert tot navolgen als er sprake is van  verboden onderscheid naar geslacht.
Eiseres was met een nieuwe werkgever via email een arbeidsovereenkomst voor een jaar met een proeftijd van een maand overeengekomen. Ze meldt enige dagen later er achter te zijn gekomen zwanger te zijn. De werkgever laat daarna weten af te zien van de arbeidsovereenkomst. Eiseres reageert dat dit discriminatie is op grond van haar zwangerschap.
De kantonrechter is van oordeel dat er een arbeidsovereenkomst tot stand was gekomen en dat de werkgever er niet in is geslaagd het vermoeden van onderscheid naar geslacht te weerleggen. Daarmee is vast komen te staan dat er sprake is van verboden onderscheid in de zin van artikel 7:646 BW bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst.
Omdat de arbeidsovereenkomst met de oude werkgever nog niet was opgezegd matigt de kantonrechter de ge fixeerde schadevergoeding tot drie maanden salaris + wettelijke rente
Als compensatie voor ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever bepaalt de kantonrechter de billijke vergoeding op € 5.000 + wettelijke rente. De werkgever moet ook de proceskosten betalen.
De uitspraak van Rechtbank Noord Holland was van begin november 2023 en is vlak voor kerst gepubliceerd (ECLI:NL:RBNHO:2023:11038).
Astrid Helstone schreef met F.E. Stewart, een collega van Stibbe, een annotatie (JAR 2024_45).

Arbeidsovereenkomst niet verlengd vanwege zwangerschap, verboden onderscheid, billijke vergoeding (ECLI:NL:RBME:2023:7041)
Rechtbank Midden Nederland kende eind december 2023 een billijke vergoeding toe aan verzoekster, naast de transitievergoeding en proceskostenvergoeding.
Verzoekster was kort na de eerste verlenging van de arbeidsovereenkomst zwanger geworden en ziek vanwege de zwangerschap. In het ziekenhuis ontving schriftelijk bericht dat er geen derde tijdelijke arbeidsovereenkomst zou komen. Zij heeft een begin van bewijs aangedragen dat er sprake is van discriminatoir handelen (samengevat in r.o. 3.5), waarna de bewijslast verschoof naar de werkgever. Die is er niet in geslaagd het vermoeden van discriminatie te weerleggen.
De billijke vergoeding van bestond enerzijds uit een bedrag ter hoogte van het loon over de niet verlengde derde tijdelijke arbeidsovereenkomst (min de WAZO- en WW-uitkering en anderzijds uit een immateriële schadevergoeding van € 2.500. De kantonrechter stelde dat een vergoeding in het geval van discriminatoir handelen volgens vast Europese rechtspraak een afschrikwekkende werking moet hebben.