Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Amsterdam, 30 oktober 2000

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Amsterdam

Samenvatting


Eiseres, Poolse, heeft een aanvraag ingediend voor het verrichten van arbeid
als zelfstandige prostituee met een beroep op het Associatieverdrag tussen de
EU en Polen. Zij is werkzaam als raamprostituee. De Gemeente Amsterdam voert
als beleid dat raamexploitanten geen ramen mogen verhuren aan onderdanen van
de zgn. associatielanden onder bedreiging van verlies van hun vergunning. Als
gevolg hiervan kon eiseres geen werkruimte huren en is zij gestopt met
werken. In geding is of zij aangemerkt kan worden als zelfstandige en
derhalve de Associatieverdragen van toepassing zijn. De rechtbank oordeelt
dat de omstandigheid dat zij haar beroep niet meer zelfstandig kon uitoefenen
omdat zij geen werkruimte meer kon krijgen, tot de conclusie dient te leiden
dat sprake is van een vergaande mate van afhankelijkheid van de
bordeelhouder, waardoor niet aannemelijk is dat eiseres ‘exclusively
self-employed’ is geweest. Derhalve is het Associatieverdrag niet van
toepassing en hoeven de antwoorden op de door dezelfde rechtbank aan het
HvJEG gestelde prejudiciële vragen niet te worden afgewacht.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op (…)1976, bezit de Poolse nationaliteit. Bij
schrijven van 25 augustus 1997 ontvangen door verweerder op 3 september 1997
heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een
aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel: ‘het
verrichten van arbeid als zelfstandige prostituee’.
Bij besluit van 18 januari 1999 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend
beslist. Eiseres heeft tegen dit besluit op 12 februari 1999 bezwaar gemaakt.
Dit bezwaar is bij besluit van 31 augustus 1999 ongegrond verklaard. Het
besluit is bij brief van diezelfde dag aan de gemachtigde van eiseres
gezonden.

2. Bij beroepschrift van 27 september 1999 heeft eiseres tegen dit afwijzende
besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiseres verzocht
zowel het besluit van 31 augustus 1999, alsook het besluit van 18 januari
1999 te vernietigen, de Staat te veroordelen in de kosten van het geding, het
griffierecht te vergoeden en de zaak zelf af te doen en te bepalen dat
eiseres aanspraak heeft op een vergunning tot verblijf. De rechtbank heeft
partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 24 december
1999 zijn de op de zaak betrekking hebbenden stukken van verweerder ter
griffie ontvangen. In het verweerschrift van 19 mei 2000 heeft verweerder
geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiseres heeft bij
brieven van 10 en 22 mei 2000 verzocht om aanhouding in afwachting van een
antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op de door
deze rechtbank op 15 juli 1999 gestelde prejudiciële vragen (o.a. AWB
98/5592). De rechtbank heeft dit verzoek bij brief van 26 mei 2000 niet
ingewilligd. Eiseres heeft haar standpunt nog nader aangevuld bij schrijven
van 7 juni 2000.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2000. Eiseres is
aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.J.K. van Andel, advocaat
te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn
gemachtigde S.H.J.W. Roelofs, LLM, ambtenaar bij de Immigratie- en
Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende
feiten.
Eiseres verblijft sedert 7 augustus 1997 als vreemdeling in de zin van de Vw
in Nederland. Sinds begin oktober 1998 heeft zij niet langer als prostituee
gewerkt.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij op grond van artikel 44, derde en vierde
lid, van de Europa-Overeenkomst, waarbij een associatie tot stand is gebracht
tussen de EG en lidstaten enerzijds en Polen anderzijds (hierna: de
Overeenkomst) aanspraak kan maken op een vergunning tot verblijf wegens haar
arbeid als zelfstandige prostituee. In dit artikel is bepaald dat elke
Lidstaat vanaf de inwerkingtreding van deze Overeenkomst aan Poolse
onderdanen een behandeling verleent die niet minder gunstig is dan die aan
eigen onderdanen wordt verleend, indien het gaat om het recht op toegang tot
en de uitoefening van economische activiteiten anders dan in loondienst. Een
onderdaan van Polen ontleent aan deze bepalingen rechtstreeks het recht op
toelating en verblijf. Eiseres verwijst hierbij naar literatuur en
jurisprudentie met betrekking tot de rechtstreekse werking van bepalingen van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap van 1957
(EG-Verdrag). De aanspraken van eiseres zijn onjuist beoordeeld door die
aanspraken alleen maar in het kader van nationale regelgeving te beoordelen.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij geheel en uitsluitend als
zelfstandige werkzaam is. Zij heeft ter ondersteuning van haar aanvraag de
volgende stukken overlegd:
– aangifte omzetbelasting 1997;
– een aanslag omzetbelasting 1997, waaruit blijkt dat zij in dat jaar een
belastbaar inkomen heeft gehad van ƒ 8.465;
– een overzicht van de boekhoudkundige stand van zaken van haar onderneming
van over het boekjaar 1997,
– bankafschriften waaruit blijkt dat zij in 1998 ƒ 3.940 omzetbelasting heeft
betaald. Volgens eiseres heeft verweerder haar ten onrechte tegengeworpen dat
zij geen aanvullende gegevens heeft overgelegd. Zij heeft in het begin van
haar werkzaamheden tijd nodig gehad om haar bedrijf op te zetten en voor een
boekhouding te zorgen. Ter zitting is door eiseres aangevoerd dat zij wel
voldoende bescheiden heeft overgelegd met betrekking tot haar
bedrijfsvoering.

Eiseres heeft voorts de volgende brieven overgelegd:
– Een brief van 13 juli 1998 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)
aan de gemeente Amsterdam, betreffende verblijfsaanvragen van buitenlandse
prostituees die zich beroepen op de Associatieverdragen die door de Europese
Unie zijn gesloten met onder andere Polen. In deze brief staat, zakelijk
weergegeven, dat de bezwaarschriften van een aantal van deze prostituees
ongegrond zijn verklaard, onder meer omdat de Associatieverdragen tussen de
Europese Unie en de voormalige Oostbloklanden niet van toepassing zijn op
arbeid als zelfstandige in de prostitutie. Voorts wordt er op gewezen dat
deze prostituees niet in het bezit zullen worden gesteld van een vergunning
tot verblijf die hen in staat stelt arbeid te verrichten. In het kader van de
Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) worden (raam)bordeelhouders aangemerkt als
werkgevers, nu prostituees ten dienste van hen arbeid verrichten en deze
(raam)bordeelhouders derhalve meer zijn dan normale verhuurders van
bedrijfsruimte. Aangezien prostitutiebedrijven in Amsterdam in het bezit
moeten zijn van een gedoogvergunning, kan in de Amsterdamse situatie de
gedoogvergunning-houder eveneens worden aangemerkt als werkgever in de zin
van de WAV. Werkgevers die een vreemdeling zonder een
tewerkstellingsvergunning tewerkstellen overtreden artikel 2 van de WAV.

– Een brief van 22 juli1998 van de Stadhuisdienst Amsterdam aan de
exploitanten van een prostitutiebedrijf en/of een seksinrichting. In deze
brief staat, zakelijk weergegeven, dat met prostituees afkomstig uit landen
aangesloten bij de Associatieverdragen uitsluitend een overeenkomst tot het
verrichten van arbeid en/of het verhuren van kamers kan worden aangegaan
indien zij in het bezit zijn van een geldige verblijfstitel, die het
verrichten van arbeid toestaat. Het niet naleven van deze gedoogvoorwaarde in
een prostitutiebedrijf, kan leiden tot weigering of intrekking van de
gedoogbeschikking of, voor zover het om een seksbedrijf gaat tot weigering of
intrekking van de vergunning. Het is de exploitant van een prostitutiebedrijf
of seksinrichting verboden prostituees afkomstig uit bovenbedoelde landen te
laten werken. Dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst of
gezagsverhouding, doet niet af aan het feit dat een exploitant in de zin van
de wet reeds werkgever is indien ten dienste van hem arbeid wordt verricht.

Eiseres stelt dat exploitanten op basis van deze brieven geen ruimte meer aan
haar hebben verhuurd, waardoor zij niet meer heeft kunnen werken. Zij heeft
dus geen nadere actuele gegevens kunnen verschaffen over haar
bedrijfsvoering. Eiseres is medio augustus 1998 gestopt met werken in
Amsterdam en heeft daarna gepoogd om in Den Haag te gaan werken. Aldaar is
zij begin oktober 1998 om dezelfde reden eveneens gestopt met haar
werkzaamheden. Nadien heeft zij niet meer als zelfstandig prostituee gewerkt.
Eiseres heeft voorts benadrukt dat haar relatie met een exploitant zich
beperkte tot een mondelinge huurovereenkomst, op grond waarvan zij huur
betaalde in ruil voor ruimte.

Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat de bestreden beschikking is genomen in
strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verweerder heeft
ten onrechte afgezien van het horen van eiseres aangezien er op grond van
haar persoonlijke omstandigheden en haar bedrijfsvoering redenen waren om
haar te horen.

4.1. Verweerder stelt zich – samengevat – op het standpunt dat artikel 44 van
de Overeenkomst geen rechtstreekse werking heeft, nu het Hof van Justitie van
de Europese Gemeenschappen nog geen antwoord heeft gegeven op de bij
uitspraak van 15 juli 1999 door deze rechtbank gestelde vragen over onder
meer de rechtstreekse werking van deze bepaling. Volgens verweerder ziet
artikel 44, vierde lid en onder c, van de Overeenkomst slechts op zelfstandig
ondernemers, zijnde personen die zich bezighouden met economische
activiteiten anders dan in loondienst. Artikel 44 geeft geen recht op
toelating, noch op verblijf, maar slechts een recht op toegang tot en
uitoefening van de bedoelde economische activiteiten. Werkzaamheden in de
prostitutie kunnen volgens verweerder niet als zodanig worden aangemerkt.
Voorts vallen als zelfstandigen vermomde werknemers niet onder de definitie
van artikel 44 vierde lid onder a, van de Overeenkomst. Bij de beoordeling of
er sprake is van zelfstandig ondernemerschap en ter voorkoming van
schijnconstructies, dient niet zozeer te worden gekeken naar de juridische
verhouding, doch op de feitelijke omstandigheden waaronder de werkzaamheden
worden verricht. Op grond van de overgelegde stukken heeft eiseres niet
aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zelfstandig ondernemerschap, hetgeen
met zich meebrengt dat zij niet kan vallen onder de werking van de
Overeenkomst. Verweerder heeft ter zitting in dit verband aangevoerd dat
indien het uitoefenen van werkzaamheden als zelfstandig ondernemer voor
eiseres onmogelijk is geworden, doordat exploitanten geen ruimte meer aan
haar willen verhuren, er geen sprake is van zelfstandig ondernemerschap.

4.2. De aanvraag van eiseres dient volgens Verweerder, gezien het
bovenstaande, te worden getoetst aan het nationale beleid ten aanzien van
vreemdelingen, die onderdaan zijn van een der landen waarmee de Europese
gemeenschappen een overeenkomst hebben gesloten en die een zelfstandig beroep
of bedrijf willen uitoefenen, als omschreven in hoofdstuk B12 onder 4.2.3 van
de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc). In de beslissing in primo waarop in de
bestreden beschikking wordt aangesloten, heeft verweerder hieromtrent het
volgende overwogen. Eiseres heeft, ondanks dat zij daartoe in de gelegenheid
is gesteld, onvoldoende gegevens en bescheiden overgelegd om haar stelling,
dat zij arbeid als zelfstandige verricht, voldoende te kunnen onderbouwen.
Zij heeft nauwelijks enige informatie overgelegd over haar bedrijfsvoering,
maar slechts haar personalia ter beschikking gesteld en enige bescheiden van
de Belastingdienst overgelegd. Verweerder ziet niet in dat eiseres in
november 1998 geen actuele gegevens over haar bedrijfsvoering kon overleggen
als zij nog tot oktober 1998 als prostituee heeft gewerkt. Er zijn voorts
geen klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan, in afwijking
van het geldende beleid, verblijf aan eiseres dient te worden toegestaan.

4.3. Uit de inhoud van het bezwaarschrift beoordeeld in samenhang met hetgeen
in eerste instantie door eiseres is aangevoerd en met de motivering van de
bestreden beschikkingen, bleek reeds aanstonds dat het bezwaar ongegrond was,
terwijl er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over deze conclusie.
Derhalve is op grond van artikel 32, tweede lid, van de Vw afgezien van het
horen van eiseres.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. artikel 44 van de Overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als
volgt:
‘(…) 3. Each Member State shall grant, from entry into force of this
Agreement, a treatment no less favourable than that accorded to its own
companies and nationals for the establishment of Polish companies and
nationals as defined in Article 48 and shall grant in the operation of Polish
companies and nationals established in its territory a treatment no less
favourable than that accorded to its own companies and nationals.

4. For the purposes of this Agreement
(a) ‘Establishment’ shall mean
(i) as regards nationals, the right to take up and pursue economic activities
as self-employed persons and to set up and manage undertakings, in particular
companies, which they effectively control. Self-employment and business
undertakings by nationals shall not extend to seeking or taking employment in
the labour market or confer a right of access to the labour market of another
Party. The provisions of this chapter do not apply to those who are not
exclusively self-employed.’

6. Bij uitspraak van 15 juli 1999 heeft deze rechtbank en zittingsplaats
prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen. In deze vragen wordt onder andere aan de orde gesteld of er
een rechtstreeks beroep mogelijk is op artikel 44 van de Overeenkomst en of
dit artikel toelaat dat prostitutie niet valt onder het begrip economische
activiteiten anders dan in loondienst. De rechtbank zal zich eerst een
oordeel vormen over de vraag of op eiseres artikel 44, vierde lid van de
overeenkomst van toepassing is. In dit artikellid wordt onder andere bepaald
dat ‘The provisions of this chapter do not apply to those who are not
exclusively self-employed.’ De rechtbank constateert dat eiseres begin
oktober 1998, derhalve reeds voor de beslissing in primo op 18 januari 1999,
is gestopt met werken als prostituee. Ten tijde van deze beslissing voldeed
zij derhalve reeds niet meer aan het beoogde verblijfsdoel. Zij stelt dat zij
vanaf begin oktober 1998 niet meer heeft kunnen werken vanwege de hierboven
aangehaalde brieven van juli 1998 van de IND en de gemeente Amsterdam met
betrekking tot prostituees afkomstig uit de voormalige Oostbloklanden. De
rechtbank volgt deze stelling niet. De omstandigheid dat zij haar beroep niet
meer zelfstandig kon uitoefenen, enkel omdat zij via de bordeelexploitanten
geen werkruimte meer kon krijgen, dient naar het oordeel van de rechtbank tot
de conclusie te leiden dat sprake is van een verregaande mate van
afhankelijkheid van de bordeelhouder, waardoor niet aannemelijk is dat
eiseres ‘exclusively self-employed’ is geweest. Daar komt bij dat niet is
gebleken dat eiseres andere mogelijkheden heeft onderzocht om na begin
oktober 1998 eventueel elders, dan wel op andere wijze zelfstandig te werken.
Gelet op het bovenstaande is artikel 44 van de Overeenkomst op eiseres niet
van toepassing. Daarmee staat tevens vast dat de rechtbank de antwoorden op
de reeds eerder genoemde prejudiciële vragen niet bij de beoordeling van het
onderhavige beroep zal betrekken.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op de aanspraken
van eiseres op toelating de nationale regelgeving van toepassing is.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

7. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot
verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.

8. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat
vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun
aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan
wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende
uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Het beleid inzake
vreemdelingen, afkomstig uit een der landen waarmee de Europese
Gemeenschappen en hun lidstaten een overeenkomst hebben gesloten, die een
zelfstandig beroep of bedrijf willen uitoefenen is omschreven in hoofdstuk
B12/4.2.3 Vc 1994.
Hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder rechtsoverweging II.6 leidt
eveneens tot het oordeel dat verweerder zich met recht op het standpunt heeft
gesteld dat eiseres niet kan worden aangemerkt als zelfstandig ondernemer en
derhalve geen aanspraak op toelating kan ontlenen aan bovengenoemd beleid.

9. Evenmin is gebleken dat eiseres aan enige andere door verweerder
gehanteerde beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen. Gesteld noch
gebleken is van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard dat
verweerder op grond daarvan aan eiseres verblijf hier te lande had moeten
toestaan.

10. De conclusie is dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in
redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

11. Voorts is niet gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om
te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk
bestuur.
Eiseres heeft dienaangaande aangevoerd dat ten onrechte is afgezien van het
horen.

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat op grond van artikel
32, tweede lid, Vw van het horen is afgezien. Ingevolge artikel 32, tweede
lid, Vw kan van het horen worden afgezien, indien verweerder bepaalt dat
uitzetting op grond van het eerste lid niet achterwege blijft.
Verweerder heeft op 12 februari 1999 bepaald dat eiseres de beslissing op het
bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Verweerder is op deze beslissing
niet teruggekomen en heeft eiseres evenmin alsnog uitstel van vertrek
verleend. Teneinde te beoordelen of verweerder terecht van het horen heeft
afgezien, dient de rechtbank daarom de vraag te beantwoorden of de
schorsingsbeslissing ten tijde van de bestreden beschikking rechtmatig was in
de zin van artikel 32, eerst lid, Vw.
Gelet op het gestelde onder punt II.6. had het bezwaar gericht tegen de
weigering eiseres een vergunning tot verblijf te verlenen, ten tijde van de
bestreden beschikking geen redelijke kans van slagen. De rechtbank
concludeert dat verweerder ten tijde van de bestreden beschikking op grond
van artikel 32, tweede lid, Vw van het horen heeft kunnen afzien.

Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

12. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou
moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in
de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet
gebleken.

III. BESLISSING

De Rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Rechters

Mr. Broekhuijsen-Molenaar

Instantie: President Rechtbank Alkmaar, 26 oktober 2000

Instantie

President Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Gedaagde is de stiefvader van eiseres. Eiseres is door gedaagde in de periode
van 1987 tot en met mei 1990 seksueel misbruikt. Zij was toen tussen de
twaalf en vijftien jaar oud. Gedaagde is hiervoor strafrechtelijk
veroordeeld. Eiseres is vanaf 1990 in therapie wegens psychosomatische
klachten als gevolg van seksueel misbruik. Vanaf 1999 is zij in
dagbehandeling. Een immateriële schadevergoeding van ƒ 50.000 zou volgens
haar op zijn plaats zijn. Eiseres stelt niet de scholing te hebben kunnen
volgen die zij zou hebben gevolgd als er geen seksueel misbruik was geweest.
Daardoor oefent zij niet het door haar gewenste beroep uit. Het verlies aan
arbeidsvermogen wordt door haar tot 1 januari 2000 berekend op ƒ 117.076.
Daarnaast vordert zij therapiekosten, reiskosten en preprocessuele kosten
tijdens de strafzaak voor rechtsbijstand. De totale schade komt daarmee op
ƒ 173.890. Eiseres vordert in kort geding een voorschot van ƒ 30.000.
Gedaagde voert het verweer dat de vordering verjaard is, bestrijdt de hoogte
van de immateriële schade en het oorzakelijk verband tussen de materiële
schade en de schadeveroorzakende gebeurtenis. De president acht een voorschot
van ƒ 20.000 redelijk en billijk.

Volledige tekst

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

J heeft B ter zitting in kort geding doen dagvaarden en bij mondelinge
conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. B. heeft
geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De procureur van
J. en de advocaat van B. hebben de zaak bepleit, overeenkomstig de door hen
overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben zij producties in het geding
gebracht. Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis
overgelegd.

DE VASTSTAANDE FEITEN

1. J. is de stiefdochter van B. J. heeft op 6 juni 1994 aangifte gedaan van
ontucht, gepleegd door haar stiefvader in de periode van 1987 tot en met mei
1990. Zij was toen tussen de 12 en 15 jaar oud.

2. B. is bij vonnis van 23 januari 1996 daarvoor strafrechtelijk veroordeeld
tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2
jaar. Daarnaast werd hij veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid
gedurende 240 uur ter vervanging van 6 maanden onvoorwaardelijke
gevangenisstraf. Er is geen hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld.

3. J. heeft op 8 augustus 2000 conservator beslag gelegd op het perceel,
bestaande uit huis, tuin, schuur en pad, staande en gelegen te dat in
gemeenschappelijk eigendom toebehoort aan B., voornoemd, en zijn echtgenote.

DE VORDERING

1. J. stelt dat B. zich onrechtmatig jegens haar heeft gedragen en dat hij
daarom aansprakelijk is voor de schade die dat gedrag teweeg heeft gebracht
en nog brengt. J. heeft daartoe het volgende aangevoerd. Zij is vanaf 1990 in
therapie vanwege psychosomatische klachten (als gevolg van het seksueel
misbruik). Vanaf september 1999 is zij in dagbehandeling bij het PCN te
Nijmegen. J. is depressief en angstig; er zijn automutilaties en
zelfmoordpogingen. Volgens haar zou een smartengeld ter hoogte van ƒ 50.000
op zijn plaats zijn. Verder wordt haar schoolopleiding gekenmerkt door
gebroken opleidingen na de MAVO. In verband met de dagbehandeling moest zij
in september 1999 haar opleiding. J. heeft niet de scholing kunnen volgen die
zij zou hebben gevolgd als er geen seksueel misbruik was geweest. Daardoor
oefent zij niet het door haar gewenste beroep, namelijk officier in het leger
bij de geneeskundige troepen, uit. Het verlies aan arbeidsvermogen wordt door
haar tot 1 januari 2000 berekend op ƒ 117.076, 00.

2. Verder zijn er therapiekosten. Volgens J. bedragen de niet vergoede kosten
(haptotherapie) ƒ 2.041,64. De reiskosten komen overeen met een bedrag van ƒ
446,80. Daarnaast heeft J. preprocessuele kosten gemaakt tijdens de
strafzaak. Met deze kosten van rechtsbijstand is een bedrag van ƒ 4.671,80
gemoeid. Daarmee komt de totale schade voor J. op een bedrag van ƒ 173.890.
De toekomstige schade maakt van dat bedrag, geen deel uit.

3. J. vordert derhalve, samengevat weergegeven, B. te veroordelen tot
betaling van een voorschot op de schadevergoeding, ter hoogte van ƒ 30.000
vermeerderd met de wettelijke rente van de dag der dagvaarding (naar de
president begrijpt) tot aan de dag der algehele voldoening.

4. B. heeft het gevorderde gemotiveerd weersproken.

DE BEOORDELING VAN DE VORDERING

1. B. voert allereerst aan dat de vordering verjaard is. Hij baseert zich
daarbij op artikel 3:310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), inhoudende de
hoofdregel dat een vordering tot schadevergoeding door verloop van vijf jaar
verjaart na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel
met de schade, als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.
Volgens B. is J. al vanaf 1987 met de aansprakelijke persoon bekend en blijkt
uit de brief van10 november 1994 van de raadsvrouw van J.dat J. in ieder
geval al voor november 1994 bekend was met de schade en op de hoogte was dat
de verjaringstermijn was gaan lopen. Daaruit volgt dat de vordering tot
schadevergoeding is verjaard niet later dan 10 november 1999.

2. Naar het voorlopig oordeel van de president treft dit verweer geen doel.
Voor vorderingen als de onderhavige is een aparte regeling in het leven
geroepen. Deze regeling is ondergebracht in artikel 3:310 lid 4 BW. Wanneer
het, zoals in dit geval, gaat om seksueel misbruik, gepleegd ten aanzien van
een minderjarige, gaat de verjaringstermijn pas lopen op het moment van de
meerderjarigheid en is deze – tenminste – even lang als de strafrechtelijke
verjaringstermijn. J. werd op 12 juli 1993 meerderjarig. Dat betekent dat de
feiten op zijn vroegst verjaren op haar 30e jaar (in 2005). De vordering tot
schadevergoeding is dus tijdig ingesteld.

3. B. betwist verder het oorzakelijk verband tussen de beweerdelijk geleden
schade en de schadeveroorzakende gebeurtenis alsmede de hoogte van de
gevorderde schadevergoeding. Zijn verweer heeft met name betrekking op de
materiële schade. B. wil wel aannemen dat er ook immateriële schade is, al
bestrijdt hij wel het bedrag van die vordering, van ƒ 50.000. Naar het
oordeel van de president brengt het voorgaande mee dat in ieder geval een –
nader vast te stellen – bedrag voor immateriële schade toewijsbaar is.

4. Ten aanzien van de materiële schade betwist B. dat J. door het seksuele
misbruik schoolachterstand heeft opgelopen en daardoor een loopbaan als
officier in het leger bij de geneeskundige troepen is misgelopen. Volgens hem
had J. de keuze voor het LHNO al gemaakt voordat het misbruik was begonnen,
terwijl voor officiersopleidingen in de regel HAVO/VWO of vergelijkbaar
niveau wordt gevraagd. Met een middelbare beroepsopleiding zou J. hooguit
onderofficier hebben kunnen worden. Gelet op het voorgaande, aldus B.,
ontbreekt de causaliteit tussen de gebroken schoolopleidingen en het beroep
van officier. De president is voorshands van oordeel dat het oorzakelijk
verband tussen het seksuele misbruik en het verlies van arbeidsvermogen
alsmede de hoogte daarvan om nader feitelijk onderzoek vraagt. Daarvoor leent
een kort geding procedure zich niet. Dat betekent dat dit onderdeel van de
vordering in dit kort geding niet kan worden toegewezen.

5. De door J. gevorderde therapiekosten van ƒ 2041,64 en reiskosten van ƒ
446.80 worden door B. niet betwist. Dat brengt mee dat deze kunnen worden
toegewezen.

6. De door J. gevorderde preprocessuele kosten tot een bedrag van ƒ 4.671,80
worden door B. betwist. Volgens hem zijn deze kosten ongespecificeerd en
hebben ze ongetwijfeld ook betrekking op het strafproces. De president is
voorshands van oordeel dat J. deze kosten onvoldoende heeft onderbouwd. Dat
betekent dat dit onderdeel van de vordering niet kan worden toegewezen.

7. Verder heeft B. aangevoerd dat hij in 1996 al een bedrag van ƒ 5.000 heeft
betaald en dat hij tot een jaar gevangenisstraf (waarvan zes maanden
voorwaardelijk) is veroordeeld, waardoor J. reeds een zekere materiële
genoegdoening heeft gekregen. De president zal rekening houden met het door
B. in 1996 reeds betaalde voorschot op de schadevergoeding. Het feit dat B.
ook strafrechtelijk is veroordeeld, is voor de president geen reden om de
civiele vordering tot schadevergoeding te matigen.

8. Gelet op het voorgaande is de president van oordeel dat een voorschot van
ƒ 20.000 alleszins redelijk en billijk is. B. heeft J. grote en langdurige
psychische schade berokkend. Daarvoor zijn geen andere oorzaken dan het
seksuele misbruik gesteld noch gebleken, zodat de president er voorshands
vanuit gaat dat deze schade het gevolg is van het seksuele misbruik.

9. Als de in het ongelijk gestelde partij zal B. in de kosten van deze
procedure worden veroordeeld.

DE BESLISSING

De president, rechtdoende in kort geding,

1. veroordeelt B. tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van
een bedrag van ƒ 20.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der
dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

2. veroordeelt B. in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan
de zijde van J. bepaald op ƒ 1.550 voor salaris procureur en op ƒ 668,53
(waarvan ƒ 98,53 wegens het uitbrengen van de dagvaarding en ƒ 570 wegens
griffierecht),

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4. weigert het anders of meer gevorderde.

Rechters

Mrs. Verkuijl, Van Rossem

Instantie: Staatssecretaris van Justitie, 26 oktober 2000

Instantie

Staatssecretaris van Justitie

Samenvatting


P., van Turkse nationaliteit, verblijft sinds 1991 in Nederland o.g.v.
een verblijfsvergunning voor verblijf bij echtgenoot. Tijdens het huwelijk
worden drie kinderen geboren. In 1997 verbreekt P. het huwelijk vanwege
(seksueel) geweld en mishandeling van haarzelf en de kinderen, waarna zij
een zgn. ‘zoekjaar’ krijgt. Op de peildatum beschikt zij niet over voldoende
middelen van bestaan. Haar aanvraag voor verblijf op humanitaire gronden
wordt afgewezen. Inmiddels beschikt P. wel over werk. Met betrekking tot
het (seksueel) geweld is er geen informatie van derden voorhanden. Er is
nooit aangifte gedaan, de echtgenoot ging altijd mee naar de huisarts,
gegevens van het AMW zijn niet meer beschikbaar. Desondanks is de adviescommissie
voor vreemdelingenzaken van mening dat het geweld afdoende is aangetoond
op grond van het verhaal van betrokkene op papier aan haar gemachtigde,
foto’s van het letsel, de uitleg van betrokkene op de hoorzitting en een
resumé van de huisarts met betrekking tot de bezoeken van betrokkene aan
hem en de geconstateerde (m.n. spannings)klachten. Voorts neemt de commissie
in aanmerking dat de kinderen in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit,
dat met name de oudste zoon van tien in Nederland is geworteld en dat er
sprake lijkt te zijn van een redelijke relatie tussen de kinderen en de
vader. Er is een omgangsregeling van drie uur per week en de vader draagt
sinds een halfjaar bij aan de kosten van het levensonderhoud van de kinderen.
De commissie adviseert P. in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning
op humanitaire gronden. De IND beslist conform.

Volledige tekst

Op 22 maart 2000 is door mr. A. van Deuzen, namens P. van Turkse nationaliteit
geboren op (…) 1970, verder te noemen betrokkene, een bezwaarschrift
ingediend, gericht tegen de beschikking van 7 maart 2000, waarbij een aanvraag
om verlenging van haar vergunning van haar verblijf niet is ingewilligd.

De inhoud van het dossier is bij besluitvorming betrokken.

Hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd wordt hier als ingelast beschouwd.

Het advies van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken van 17 augustus
2000, strekkende tot gegrondverklaring van het bezwaarschrift, is eveneens
betrokken bij de besluitvorming.

Gelet op het bepaalde bij en krachtens de Vreemdelingenwet en de Algemene
wet bestuursrecht;

BESLUIT:

1. het bezwaar gegrond te verklaren;

2. de geldigheidsduur van de aan betrokkene verleende vergunning tot verblijf
te verlengen tot 13 augustus 1999, onder gelijktijdige jaarlijkse verlenging
tot 13 augustus 2001;

3. de beperking van de vergunning tot verblijf met ingang van 13 augustus
1998 op te heffen.

Hierbij zend ik u mijn beschikking van heden.
Kortheidshalve verwijs ik u naar het bijbehorende voorblad.

De korpschef van de woonplaats van betrokkene is door mij geïnstrueerd.

Voor de regeling van het verblijf zal betrokkene door de vreemdelingendienst
worden opgeroepen.
Om de afwikkeling van de zaak zo doelmatig mogelijk te laten verlopen verdient
het aanbeveling deze oproep af te wachten.

Ik verzoek u betrokkene hierop te wijzen.

Adviescommissie voor vreemdelingenzaken

Tweede subcommissie

De commissie heeft van de Staatssecretaris van Justitie een verzoek ontvangen
om te adviseren met betrekking tot het gemaakte bezwaar tegen de beschikking
d.d. 7 maart 2000 van de Staatssecretaris van Justitie, strekkende tot
niet-inwilliging van een aanvraag de geldigheidsduur van een vergunning
tot verblijf te verlengen, ten name van: P., van Turkse nationaliteit,
geboren op (…) 1970 te N. (Turkije).

dossiernummer: 9807.20.8119,
CRV-nummer: 913.013.0142.

De vreemdeling is ter zitting d.d. 17 augustus 2000 van de tweede subcommissie
verschenen en is aldaar, bijgestaan door haar gemachtigde mr. A. van Deuzen,
advocaat te Almelo, in de gelegenheid gesteld haar belangen te bepleiten.
Als tolk in het Turks is daarbij opgetreden drs. A. Spaans.

Een vertegenwoordiger van de Staatssecretaris van Justitie is uitgenodigd
voor het horen van de vreemdeling teneinde het standpunt van de Staatssecretaris
in de zaak toe te lichten. Van de geboden gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De vreemdelinge is op 23 oktober 1991 Nederland binnengekomen. Zij heeft
zich op 24 oktober 1991 op een de commissie onbekende plaats aangemeld
bij het hoofd van plaatselijke politie en aldaar die dag een verzoek ingediend
om vergunning tot verblijf voor verblijf bij echtgenoot S. en het verrichten
van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat verblijf. Genoemd hoofd
van plaatselijke politie heeft haar de gevraagde vergunning verleend, geldig
van 24 oktober 1991 tot 24 oktober 1992.
Vorengenoemd hoofd van plaatselijke politie heeft haar op een de commissie
onbekende datum in -het bezit gesteld van een C-document, ten bewijze van
het feit dat zij de status had verkregen van vreemdeling aan wie het krachtens
artikel l0, tweede lid van de Vreemdelingenwet is toegestaan voor onbepaalde
tijd in Nederland te verblijven. Deze status heeft zij van rechtswege verloren
bij beëindiging van het gezinsverband met haar echtgenoot op 19 juni 1997.

Zij heeft zich op 13 augustus 1997 te Almelo gewend tot de korpschef van
de politieregio Twente en aldaar een aanvraag ingediend om vergunning tot
verblijf voor het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst na verbreking
huwelijk (‘zoekjaar’). Meergenoemde korpschef heeft de gevraagde vergunning
verleend, geldig tot 13 augustus 1998.

Zij heeft zich op 10 juli 1998 te Almelo gewend tot meergenoemde korpschef
en aldaar een aanvraag ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van,
de aan haar verleende vergunning tot verblijf.

Bij beschikking d.d. 7 maart 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie
besloten tot niet-inwilliging van laatstvermelde aanvraag, welke beschikking
diezelfde dag bij brief aan het laatstbekende adres van de vreemdelinge
is gezonden. De vreemdelinge heeft bij schrijven d.d. 22 maart 2000, dat
blijkens poststempel diezelfde dag aan de KPN ter verzending is aangeboden
en dat op 23 maart 2000 door de Staatssecretaris van Justitie is ontvangen,
op nader aan te voeren gronden bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.

Bij schrijven d.d. 11 april 2000 zijn de gronden van het bezwaar ingediend.
Haar meisjesnaam is K.. Gebleken is dat het huwelijk tussen de vreemdelinge
en S. op 19 juni 1997 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking
in het daartoe bestemde register van de burgerlijke stand.
Staande het huwelijk tussen de vreemdelinge en S. zijn drie kinderen geboren.
te weten A., geboren (…) 1992 te Almelo, B., geboren (…) 1994 te Almelo
en C., geboren (…) 1995 te Almelo. allen in het bezit van zowel de Turkse
als de Nederlandse nationaliteit

In de gronden d.d. 11 april 2000. van het bezwaarschrift is namens de vreemdelinge
het volgende aangevoerd (zakelijk weergegeven). Haar kinderen zijn minderjarig
en schoolgaand, bovendien zijn ze in het bezit van de Nederlandse nationaliteit
en spreken ze beter Nederlands dan Turks. Er is wel degelijk sprake van
‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM. Ze doet voorts een beroep op
het door artikel 6 van de ‘Declaration of the rights of the child’ van
20 november 1959 gewaarborgde contact tussen moeder en kind(eren). Door
haar uit te wijzen en de kinderen op grond van hun Nederlandse nationaliteit
hier te laten, zou inbreuk worden gemaakt op hun rechten, temeer daar het
ouderlijk gezag bij uitsluiting aan haar is toevertrouwd. Zij heeft nog
wel enige familie in Turkije wonen, maar heeft daar zeer weinig tot geen
contact (meer) mee. Ook kan deze familie niet voor haar zorgen en haar
(financiële) positie met weinig opleiding en drie kinderen zou eveneens
verre van rooskleurig zijn.
Het huwelijk is verbroken omdat haar echtgenoot haar mishandelde en fysiek
geweld tegen haar gebruikte, zodat de gezinssituatie onhoudbaar werd.
Voorts is zij nimmer gewezen op de mogelijkheid een vergunning tot vestiging
aan te vragen. Bovendien zou het van een kennelijke hardheid getuigen haar
naar Turkije uit te wijzen en haar kinderen in Nederland onverzorgd achter
te laten. vestiging.

Ter zitting van de commissie is voorts door en namens de vreemdelinge het
navolgende verklaard (zakelijk weergegeven). De op de getoonde foto’s van
haarzelf en haar kinderen weergegeven wonden zijn veroorzaakt door haar
echtgenoot. Hij heeft haar met een bezemsteel op haar rechterpink geslagen.
Hij heeft haar met een mes in haar linkerduim gesneden toen hij poogde
haar om het leven te brengen, hetgeen hij meermalen heeft geprobeerd. Hij
heeft haar een bloemenvaas naar het hoofd gegooid tijdens een ruzie. Hij
heeft haar geslagen tijdens een ruzie, terwijl zij het jongste kind in
haar armen hield. Het kind is daardoor tegen de brandende kachel gevallen
en heeft een litteken aan die brandwond overgehouden. Verder heeft hij
haar met een mes sneden in haar been toegebracht, waarvan de littekens
van bovenaan haar dijbeen naar beneden lopen. Voorts heeft hij regelmatig
de lichten in het huis uitgedaan, hen in het donker met de dood bedreigd
en door het huis heen achterna gezeten. Dit gebeurde gedurende haar hele
huwelijk. Als ze was geslagen mocht ze nooit het huis uit. Haar wonden
verzorgde ze zelf. Haar huisarts heeft ze nooit iets verteld, omdat haar
echtgenoot altijd meeging om te tolken. De brandwond van haar kind werd
door haar echtgenoot aan de huisarts verteld als zijnde veroorzaakt door
een broertje, dat hem omvergeduwd zou hebben.

Haar voormalige echtgenoot komt elke zaterdagmiddag de kinderen opzoeken.
De kinderen zijn nog erg bang, maar hij heeft maatschappelijk werk beloofd
dat hij zich keurig zal gedragen. De bezoeken vinden plaats in haar woning
en in haar aanwezigheid. haar voormalige echtgenoot woont nog in een pension.
Er is geen mogelijkheid die bezoeken plaats te laten vinden bij een neutrale
derde. Zij noch haar voormalige echtgenoot heeft familie in Nederland.
Zij ontvangt geen alimentatie, de kinderen ontvangen elk ƒ 50 per maand
op hun eigen rekening. Het gaat heel goed niet de kinderen op school. Ze
heeft na haar scheiding diverse cursussen gevolgd: een cursus Nederlands,
opstapcursussen met haar kinderen en zelfs een fietscursus. Ze heeft sinds
kort werk bij Integram. De eerste salarisbetaling moet nog plaatsvinden,
maar waarschijnlijk gaat ze ongeveer ƒ 2.200 netto per maand verdienen.

Door en namens de vreemdelinge zijn voorts onder meer -voorzover van belang-
de volgende stukken overgelegd (zakelijk weergegeven):
– een schrijven d.d. 11 februari 2000 van 5. P., waarin deze verklaart
met zijn voormalige echtgenote een omgangsregeling te zijn overeengekomen,
waarbij hij zijn kinderen drie uur lang elke zaterdag ziet in het huis
van zijn ex-echtgenote. Voorts heeft bij vanaf 28 november 1999 elke maand
voor elk kind ƒ 50 automatisch overgemaakt;
– rekeningafschriften van ABN AMRO-rekeningen ten name van de drie kinderen
van de vreemdelinge, waaruit blijkt dat hun vader in elk geval op 10 november
1999 en 30 juni 2000 een bedrag van ƒ 50 per persoon heeft overgemaakt;
– een schrijven d.d. 13 juli 2000 van Integram, waarin staat vermeld dat
zij bereid zijn mevrouw P.Y. een arbeidsovereenkomst voor de duur van een
jaar aan te bieden voor de functie van all-round productiemedewerker, mits
zij een verklaring van de Vreemdelingendienst te Almelo kan overleggen
waarin vermeld staat dat er voor haar tewerkstelling geen juridische belemmeringen
zijn;
– een schrijven d.d. 3 augustus 2000 van haar gemachtigde aan de vreemdelingen
waarin staat vermeld dat er overleg is gepleegd met de Vreemdelingendienst
en dat zij geen tewerkstellingsvergunning nodig heeft. Zij zal op vrijdag
4 augustus a.s. door Integram worden opgehaald om te gaan werken;
– een schrijven d.d. 27 april 2000 van de vreemdelinge aan haar gemachtigde,
waarin zij een beschrijving geeft van het ontstaan van enkele littekens
bij haarzelf en bij haar jongste kind. Blijkens deze verklaring werd ze
regelmatig geslagen, in tegenwoordigheid van haar kinderen. die soms eveneens
geslagen werden. Ze werden regelmatig bedreigd met de dood. Voorts heeft
hij haar regelmatig gedwongen tot geslachtsgemeenschap, ook terwijl ze
ziek was en heeft hij haar verboden contact met de buitenwereld te hebben.
Zij is regelmatig bij haar huisarts dokter Bruinsma geweest, doch haar
echtgenoot ging altijd mee om te vertalen. Daarom heeft ze hem niets durven
vertellen; en
– een schrijven d.d. 4 mei 2000 van huisarts dr. Bruinsma aan de gemachtigde
van de vreemdelinge, waarin hij een overzicht geeft van gegevens en diagnoses
ten aanzien van de vreemdelinge. Uit dit overzicht blijkt dat met name
sprake was van spanningsklachten. Ze is in 1996 en 1997 vier keer op consult
geweest, in 1998 één keer en in 1999 twee keer. Hij kan niet verklaren
dat er een relatie is tussen de klachten van de vreemdelinge en mishandeling,
aangezien hij dat niet weet.

De verlenging van de geldigheidsduur van een vergunning tot verblijf kan
ingevolge het bepaalde bij artikel 11, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet
worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Hiervan kan,
gelet op het bepaalde bij artikel 12, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet
sprake zijn, indien niet meer wordt beschikt over voldoende middelen van
bestaan.

Niet bestreden is dat de vreemdelinge op de in casu relevante peildatum
(te weten 13 augustus 1998) niet de beschikking had over voldoende middelen
van bestaan (c.q. werk voor tenminste één jaar).

Verlenging van de geldigheidsduur van de zelfstandige vergunning wordt
evenwel niet geweigerd, indien de vreemdelinge voldoet aan de vereisten
voor toelating voor een ander doel of indien sprake is van klemmende redenen
van humanitaire aard op grond waarvan het verblijf van de vreemdelinge
behoort te worden aanvaard, bijvoorbeeld:
a. omdat sprake is van nauwe banden met Nederland of in Nederland wonende
personen; of
b. omdat terugkeer naar het land van herkomst redelijkerwijs niet verlangd
kan worden.

In geval het gaat om gescheiden of verlaten vrouwen, zal er een belangenafweging
plaats dienen te vinden, waarbij een combinatie van de volgende factoren
een rol kan spelen:
– de situatie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst;
– de maatschappelijke positie van de betrokkene in het land van herkomst;
– de vraag of in het land van herkomst een naar de maatstaven van dat land
aanvaardbaar te achten opvang aanwezig is;
– de zorg die de betrokkene heeft voor kinderen die hier te lande zijn
geboren of ca een opleiding volgen;
– aangetoond (seksueel) geweld binnen de relatie, wat heeft geleid tot
de verbreking van de relatie.

Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen de vreemdelinge ter zitting
heeft verklaard adviseert de commissie de vreemdelinge in het bezit te
stellen van een vergunning tot verblijf zonder beperking op grond van humanitaire
redenen van klemmende aard. Daarbij wordt allereerst in aanmerking genomen
dat de commissie afdoende aangetoond acht dat de vreemdelinge gedurende
haar huwelijk het slachtoffer is geweest van lichamelijk geweld, toegebracht
door haar echtgenoot, hetgeen voor de vreemdelinge en haar kinderen een
traumatische ervaring is geweest.
Voorts kan daarbij in aanmerking worden genomen dat de kinderen van de
vreemdelinge in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit. Gelet
op zijn leeftijd en het feit dat hij hier te lande reeds geruime tijd naar
school gaat, kan zeker van de oudste zoon worden aangenomen dat hij geworteld
is in de Nederlandse samenleving en dat redelijkerwijze niet van hem verlangd
kan worden dat hij zijn moeder nog naar Turkije vergezelt. Daarenboven
is gebleken dat er sprake is van een redelijke relatie tussen de kinderen
en hun vader: blijkens de verklaring van de moeder en de schriftelijke
verklaring van de vader hebben ze elkaar de afgelopen tijd éénmaal per
week gezien en draagt de vader sinds ruim een half jaar bij in de kosten
van het levensonderhoud.
Mitsdien wordt als volgt geadviseerd.

ADVIES:

De commissie adviseert de Staatssecretaris van Justitie het bezwaar gegrond
te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en de vreemdelinge
in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf zonder beperking,
geldig van 13 augustus 1998 tot 13 augustus 1999, onder gelijktijdige verlenging
van de geldigheidsduur daarvan tot 13 augustus 2001.

Rechters

Instantie: President Rechtbank Alkmaar, 26 oktober 2000

Instantie

President Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Gedaagde wordt – na langdurige belaging van eiseres – verboden om een internetpagina
te (laten) openen waarin eiseres wordt genoemd. Tevens wordt aan gedaagde
een contact-verbod opgelegd, waaronder mede begrepen het contact per e-mail
en internetverkeer.

Volledige tekst

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 20 oktober 2000 heeft eiseres gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding alsmede
de wijziging van eis als vervat in de
pleitnotities van haar procureur.

Gedaagde heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van beide zijden
pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

1. De uitgangspunten
1.1 Eiseres is sedert 1990 werkzaam bij de gemeente X. Gedaagde is werkzaam
geweest bij de gemeente X.
1.2 Op of omstreeks 29 september 1997 heeft eiseres tegen gedaagde een
klacht ingediend bij de Klachtencommissie Seksuele Intimidatie wegens intimidatie
door gedaagde jegens haar. Bij rapportage van 19 februari 1998 heeft deze
commissie geoordeeld dat de klacht niet-ontvankelijk is, aangezien eiseres
nadrukkelijk had verklaard zich geïntimideerd te voelen, maar niet seksueel
geïntimideerd, en de klachtenregeling slechts van toepassing is bij seksuele
intimidatie.
1.3 Gedaagde is door de gemeente X ontslag verleend met ingang van (uiteindelijk)
1 april 1999.
1.4 Bij brief van 21 juli 1999 heeft gedaagde aan eiseres onder meer meegedeeld
voornemens te zijn diverse klachten over haar bij het college van Burgemeesters
& Wethouders (hierna: B & W) van de gemeente X in te dienen.
Bij brieven van 4, 11, 18, 22 en 23 augustus 1999 en 2 oktober 1999 heeft
gedaagde op grond van diverse redenen klachten over eiseres bij B & W van
de gemeente X ingediend. Van deze brieven heeft gedaagde steeds een afschrift
naar het privé-adres van eiseres gestuurd. Een aantal van deze klachten
heeft gedaagde tevens per fax naar de gemeente X gezonden.
Bij brief van 7 november 1999 aan B & W van de gemeente X heeft gedaagde
gereageerd op de weigering van B & W om de klacht van 22 augustus 1999
in behandeling te nemen. Van deze brief heeft gedaagde een afschrift naar
het privé-adres van eiseres gestuurd.
1.5 Eiseres heeft gedaagde op 22 december 1999 en op 1 maart 2000 gesommeerd
om op geen enkele wijze, mondeling of telefonisch en/of schriftelijk contact
te zoeken met eiseres en/of haar echtgenoot. Voorts is gedaagde gesommeerd
de correspondentie over eiseres naar de gemeente X – de werkgever van eiseres
– te staken.
1.6 In juli 2000 heeft gedaagde de teksten van de volledige correspondentie
tussen hem en de gemeente X over eiseres alsmede alle processtukken die
zijn gewisseld in de diverse procedures die gedaagde tegen de gemeente
X voert of heeft gevoerd in een eigen homepage op het Internet gezet. Onder
deze teksten bevinden zich vertrouwelijke stukken en persoonlijke stukken
van eiseres.
1.7 Bij brief van 28 september 2000 heeft eiseres gedaagde gesommeerd de
homepage binnen 24 uur van het Internet te verwijderen.
Gedaagde heeft de homepage op 11 oktober 2000 verwijderd, nadat zowel eiseres
als de gemeente X aangifte bij de politie hadden gedaan in verband met
smaad en laster en de gemeente X gedaagde had meegedeeld dat zijn handelwijze
consequenties zou hebben voor zijn recht op wachtgeld.

2. DE VORDERING

Eiseres vordert, na wijziging van eis, dat de president – kort gezegd –
gedaagde verbiedt opnieuw een dergelijke homepage te openen op het Internet
of te laten openen door derden en gedaagde verbiedt voor de duur van een
jaar na betekening van dit vonnis contact te zoeken met eiseres of haar
lastig te vallen, daaronder begrepen het benaderen van familieleden van
eiseres, alsmede het benaderen van de werkgever van eiseres anders dan
in het kader van een procedure, alles op straffe van een dwangsom.
Zij heeft hiertoe onder meer het volgende aangevoerd.
Door het creëren van de homepage heeft gedaagde jegens eiseres onrechtmatig
gehandeld. Of gedaagde dat zelf ook zo ziet, betwijfelt eiseres ten zeerste.
Eiseres heeft dan ook geen vertrouwen in de toezegging dat gedaagde niet
opnieuw een dergelijke homepage zal maken.
Gedaagde heeft slechts toegezegd zich aan onderdelen van het contactverbod
te zullen houden. In deze toezegging heeft eiseres geen vertrouwen nu eerdere
sommaties zijn genegeerd of slechts tijdelijk hebben gewerkt.

3. HET VERWEER

Gedaagde heeft als verweer onder meer het volgende aangevoerd.
Eiseres heeft op onjuiste gronden een klacht wegens seksuele intimidatie
op het werk tegen gedaagde ingediend.
De sommaties van eiseres zijn van een zo strikte aard dat gedaagde niet
meer in staat zou zijn om onjuiste aanvallen aan zijn adres te pareren,
danwel zelf bij de gemeente X klachten in te dienen tegen de in zijn ogen
onrechtmatige handelwijze van eiseres.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

Als onweersproken staat vast dat gedaagde jegens eiseres onrechtmatig heeft
gehandeld met het plaatsen van de hiervoor beschreven homepage op het Internet.
In het kader van de onderhavige procedure heeft gedaagde er geen blijk
van gegeven de ernst van dat handelen in voldoende mate in te zien. Nu
het plaatsen van de homepage is voorafgegaan door eerder grensoverschrijdend
gedrag van gedaagde, nameljk het in de maand augustus 2000 vijf maal een
afschrift aan eiseres zenden van de klachten die gedaagde over haar in
die maand bij de gemeente X heeft ingediend, is er voldoende grond voor
toewijzing van de gevorderde voorzieningen zoals hierna vermeld.
Niet valt in te zien op welke grond gedaagde, nu hij zelf niet meer werkzaam
is bij de gemeente X, nog klachten kan indienen over eiseres bij haar werkgever,
zodat het verweer van gedaagde inhoudende dat hij de vrijheid moet hebben
dit te kunnen doen reeds om die reden geen doel treft.
De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. Gedaagde zal
als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

DE BESLISSING

De president:

– verbiedt gedaagde na betekening van dit vonnis, een nieuwe homepage te
openen op het Internet of te laten openen door derden, waarin correspondentie
en/of (proces)stukken staan weergegeven waarin de naam/persoon van eiseres
voorkomt danwel wordt genoemd dan wel de werksituatie en/of functie van
eiseres bij de gemeente X betreffend, of daarnaar verwijzend, een en ander
op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 500 voor iedere dag dat
gedaagde dit verbod overtreedt met een maximum van te verbeuren dwangsommen
van ƒ 15.000;

– verbiedt gedaagde voor de duur van een jaar na betekening van dit vonnis
mondeling, schriftelijk of op welke wijze van communicatie dan ook, waaronder
begrepen e-mail en internetverkeer, contact te zoeken met eiseres of haar
lastig te vallen, daaronder begrepen het benaderen van familieleden van
eiseres, alsmede het met betrekking tot eiseres benaderen van haar werkgever
anders dan in het kader van een procedure, een en ander op straffe van
verbeurte van een dwangsom van ƒ 500 per overtreding met een maximum aan
te verbeuren dwangsommen van ƒ 15.000;

– veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot op heden aan de
zijde van eiseres begroot op ƒ 472,97 aan verschotten en op ƒ 1.550 aan
salaris van de procureur;

– verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

– weigert het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. Warnink

Instantie: Rechtbank Almelo, 24 oktober 2000

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


Verzoeker is in 1993 gehuwd met de wensmoeder. Het huwelijk is kinderloos
gebleven. Op 5 mei 2000 is uit de draagmoeder het kind A. geboren. Zowel
verzoeker, de draagmoeder en de wensmoeder gaan ervan uit dat verzoeker de
biologische vader van A is. Verzoeker wil het kind als zijn eigen kind
erkennen en verzoekt de kinderrechter om de ambtenaar van de burgerlijke
stand te gelasten tot het opstellen van een akte erkenning. De kinderrechter
acht het wel nodig om – alvorens over het verzoek te kunnen beslissen – via
een vaderschapsonderzoek in het laboratorium duidelijkheid te verkrijgen
omtrent het vaderschap. Na een gunstige uitslag wijst de kinderrechter het
verzoek toe, dat wil zeggen hij verklaart voor recht dat tussen verzoeker en
het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat. Tot het geven van een
last tot het opmaken van een akte aan de ambtenaar acht de kinderrechter zich
niet bevoegd.

Volledige tekst

HET PROCESVERLOOP

1. Op 17 februari 2000 is bij de griffie dezer rechtbank een verzoekschrift
met bijlagen ingekomen van verzoeker.

2. Bij beschikking van 1 maart 2000 is door de enkelvoudige kamer van deze
rechtbank ambtshalve na kennisneming van voormeld rekest mevrouw mr. Ten
Brummelhuis als bijzonder curator over de alstoen nog ongeboren vrucht
benoemd om die vrucht in de onderhavige procedure te vertegenwoordigen.

3. Namens de verzoeker heeft diens raadsman bij brief van 15 maart 2000 nog
enkele producties in het geding gebracht.

4. De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 3 april
2000. Van die behandeling is proces-verbaal gemaakt dat zich bij de stukken
bevindt.

5. Bij brief van 8 mei 2000 heeft de raadsman van verzoeker nog enkele
producties overgelegd.

6. Bij brief van 31 mei 2000 heeft de raadsman van verzoeker een rapport
betreffende vaderschapsonderzoek van de CLB en Bloedbanken d.d. 30 mei 2000
als productie in het geding gebracht.

7. De voortgezette behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting met
gestoten deuren op 3 juli 2000. Ook van die behandeling is proces-verbaal
opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

8. Bij brief van 6 juli 2000 heeft de raadsman van verzoeker schriftelijk
opgave gedaan van de minderjarige kinderen, voorzover ouder dan 12 jaar, van
de draagmoeder en van de wensmoeder.

9. De twee minderjarige 12+ kinderen van de wensmoeder, J. en A. zijn op 13
september 2000 door de kinderrechter gehoord. Van dat verhoor is
proces-verbaal opgemaakt.

10. De inhoud van alle processtukken geldt als hier ingelast en herhaald.

11. De beschikking is op vandaag bepaald.

DE BEOORDELING VAN HET VERZOEK EN DE MOTIVERING VAN DE BESLISSING

1. Verzoeker is op 29 april 1993 gehuwd met de wensmoeder. Hun huwelijk is
kinderloos gebleven en zou dat, indien na te melden situatie zich niet zou
hebben voorgedaan ook zijn gebleven. De wensmoeder heeft uit een eerder
ontbonden huwelijk met B. drie kinderen onder wie twee minderjarige kinderen
die bij haar en de wensvader wonen.

2. Op (…) 2000 mitsdien na het indienen van voormeld rekest is uit de
draagmoeder minderjarige A. geboren. De draagmoeder was ten tijde van de
geboorte ongehuwd als gevolg waarvan het kind de familienaam S. draagt. Uit
vaderschapsonderzoek is gebleken dat verzoeker R. de biologische vader is en
zijn allen van oordeel dat het kind dient op te groeien in het gezin van de
wensouders en dat wensouders uiteindelijk na ontheffing van de draagmoeder en
adoptie door de wensouders het ouderlijk gezag over A. dienen te krijgen.

3. De minderjarige 12+ kinderen van de wensmoeder, J. en A. hebben aan de
kinderrechter kenbaar gemaakt dat zij het met de wensen van de volwassenen
met betrekking tot A. eens zijn.

4. De draagmoeder heeft minderjarige kinderen uit een eerdere relatie. B.
geboren op 28 april 1983 en wonende te Amsterdam heeft van de geboden
mogelijkheid om door de kinderrechter te worden gehoord geen gebruik gemaakt.
De minderjarige D., geboren op 7 juli 1988 en wonende te Leiden is volgens
schriftelijke mededeling van de raadsman van verzoeker fysiek en psychisch
niet in staat om met betrekking tot het verzoek te worden gehoord. Uit de
draagmoeder zijn nog twee andere kinderen geboren welke na ontheffing niet
(meer) bij haar wonen.

5. R. verzoekt op de voet van het bepaalde in artikel l:204 van het
Burgerlijk Wetboek primair om de ambtenaar, van de burgerlijke stand te
gelasten om de akte van erkenning van de (ten tijde van het indienen van het
rekest) nog ongeboren vrucht te doen opmaken. Subsidiair verzoekt hij te
verklaren voor recht dat tussen hem en de ongeboren vrucht een nauwe
persoonlijke betrekking bestaat omdat hij de verwekker van dat kind is zodat
erkenning nimmer gegrond is. Voorts verzoekt hij subsidiair om de ambtenaar
voornoemd te gelasten de erkenning aan te tekenen op de geboorteakte van de
minderjarige en deze te gelasten de geboorteakte zodanig op te stellen dat
het kind de naam R. draagt.

6. De kinderrechter heeft het alvorens te kunnen beslissen omtrent het
verzoek noodzakelijk geoordeeld dat juridische duidelijkheid zou ontstaan
omtrent het vaderschap, aangezien zodanige duidelijkheid uit de door R.
overgelegde producties, ondanks de verklaringen van de betrokkenen, niet met
voldoende mate van betrouwbaarheid kon worden afgeleid. Door het
vaderschapsonderzoek in het laboratorium, waarvan het rapport 30 mei 2000 is
opgemaakt is die duidelijkheid wel ontstaan. Het kind is op (…) 2000
geboren en door de ambtenaar van de burgerlijke stand zal een geboorteakte
zijn opgemaakt waarin het kind de familienaam van de draagmoeder, tevens
ouder met eenhoofdig gezag, heeft gekregen.

Voorzover onderdelen van het verzoek betrekking hebben op ‘de ongeboren
vrucht’ en op het voorkomen dat ten aanzien van het kind een andere
familienaam dan die van R. in enige akte zal worden vermeld, dienen die te
worden afgewezen, omdat verzoeker bij toewijzing daarvan als gevolg van de
geboorte thans geen belang meer heeft.

7. R. is niet met de moeder van A. gehuwd. Hij is naar vast is komen te staan
wel de verwekker van dat kind. Tussen hem en het kind bestaat mitsdien een
nauwe persoonlijke betrekking. Temeer omdat het de wens van de draagmoeder en
de wensouders is dat A. bij de vader en zijn echtgenote gaat wonen en
daadwerkelijk door dezen zal worden opgevoed en verzorgd. De volwassenen
beogen, zoals overwogen, ontheffing van draagmoeder en adoptie van A. door de
wensouders. Met instemming van de Raad voor de Kinderbescherming is het kind
na de geboorte ook feitelijk opgenomen in het gezin van de wensouders.

8. R. wenst het kind als zijn eigen kind te erkennen. Zodanige erkenning
heeft de instemming van de belanghebbenden, onder wie ook de bijzonder
curator en een erkenning is in de omstandigheden van dit geval ook in het
belang van het kind te achten. Gebleken is dat de bevoegde ambtenaar van de
burgerlijke stand een akte van erkennning met betrekking tot A. nog niet
heeft opgemaakt. Het verzoek behoort mitsdien te worden toegewezen zoals
hierna te melden.

9. De kinderrechter gaat ervan uit dat na te melden verklaring voor recht
voor de ambtenaar voldoende is om alsnog op verzoek tot het opmaken van een
akte van erkenning over te gaan, nu door deze verklaring vaststaat dat een
erkenning door R. ondanks zijn huwelijk met een ander dan de moeder, naar
luid van artikel l:204 lid 1 sub e van het Burgerlijk Wetboek, niet nietig
is. De kinderrechter acht zich evenwel niet bevoegd om aan de ambtenaar de
verzochte last tot het opmaken van een akte te geven.

DE BESLISSING

Verklaring voor recht dat tussen verzoeker R. en de minderjarige A., op (…)
2000 geboren uit de moeder mevrouw E., wonende als voormeld, een nauwe
persoonlijke betrekking bestaat.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Rechters

Mr. Olthof

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 18 oktober 2000

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Twee samenwonende vrouwen verzoeken gezamenlijk te worden belast met het
gezag over het bij hen wonende kind, alsmede over het ongeboren kind waarvan
een van hen zwanger is. De rechtbank oordeelt dat het verzoek met betrekking
tot het ongeboren kind niet steunt op de wet, en verklaart verzoeksters
daarin niet-ontvankelijk.

Volledige tekst

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het op 25 juli
2000 ter griffie ingediende verzoekschrift;

De zaak is pro forma behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 26
september 2000.

De rechtbank overweegt als volgt:

Het verzoek strekt ertoe partijen gezamenlijk te belasten met het gezag over
het kind
A., geboren te Amsterdam op (…)1999.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:

– de moeder is van rechtswege belast met het gezag over de minderjarige;
– A. staat niet in familierechtelijke betrekking tot een andere ouder;
– verzoeksters wonen sedert (…) 1999 samen en voeren een gemeenschappelijke
huishouding;
– A. wordt sedert haar geboorte door verzoeksters gezamenlijk verzorgd en
opgevoed.

Het vorenstaande leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat tussen
verzoekster sub 2 en het kind sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking
zodat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoek.
Nu niet is gebleken dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van het
kind zouden worden verwaarloosd zal het verzoek worden toegewezen.

Verzoeksters dienen in het verzoek ten aanzien van het nog ongeboren kind
waarvan verzoekster sub 2 zwanger is als niet steunend op de wet niet
ontvankelijk te worden verklaard.

BESLISSING:

De rechtbank:

belast verzoeksters gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over het
minderjarige kind
A., geboren te Amsterdam op (…)1999;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart verzoeksters niet-ontvankelijk inzake hun verzoek betreffende het
nog ongeboren kind van verzoekster sub 2.

Rechters

Mr. S.J. Nanne

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 18 oktober 2000

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


J. is in beroep gekomen van een beschikking waarbij is bepaald dat hij
ten behoeve van zijn twee minderjarige kinderen ƒ 250 per kind per maand
aan N. moet betalen.
J. heeft een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een aanvullende RWW-uitkering.
Hij is ruim twee jaar geleden hertrouwd. Zijn echtgenote heeft geen inkomsten.
Het hof overweegt dat de verplichting van de vader aan het onderhoud van
zijn kinderen bij te dragen zwaarder weegt dan zijn wens om zijn echtgenote
te vrijwaren van betaalde arbeid om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
De huidige echtgenote heeft geen medische belemmeringen om arbeid buitenshuis
te verrichten. Zij heeft uit een eerder huwelijk een kind van 19 jaar (dat
niet meer thuis woont) en een kind van 17 jaar. Het hof is van oordeel
dat van haar kan worden verwacht dat zij tenminste ƒ 677 netto per maand
verdient, zijnde het bedrag van het verschil tussen de netto bijstandsnorm
van een alleenstaande en die van een gezin. Financieel merkt het hof de
vader hierom als alleenstaande aan.
Omdat de echtgenote van J. nog geen inkomen heeft en de eerdere beschikking
daartoe ook niet noopte, stelt het hof de te betalen kinderalimentatie
van ƒ 250 per kind per maand slechts vast met ingang van de maand volgend
op het arrest; voor de daaraan voorafgaande maanden wordt de bijdrage op
nihil gesteld.

Volledige tekst

HET GEDING

De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest en gescheiden. Aanvankelijk moest
de vader ƒ 250 per maand per kind aan alimentatie betalen voor de bij de
moeder verblijvende kinderen:
Lise, geboren op (…)1987 en
Anita, geboren op (…) 1990.
Bij beschikking van 20 juli 1999 is de bijdrage voor de kinderen door de
rechtbank met ingang van 1 februari 1999 op nihil gesteld.
Bij beschikking van 24 maart 2000 – niet op tegenspraak – is bepaald dat
de vader met ingang van 24 maart 2000 ƒ 250 per maand per kind dient te
betalen.

De vader is van die beschikking in hoger beroep gekomen en heeft verzocht
die beschikking te vernietigen.

Op 10 augustus 2000 is bij het hof ingekomen een brief met 4 bijlagen van
de advocaat van de moeder.

Op 20 september 2000 is de zaak mondeling behandeld.

Op 26 september 2000 is bij het hof ingekomen een brief van de advocaat
van de moder met een reactie op de door de vader ter zitting overgelegde
bescheiden.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

Het hof rondt bedragen af op hele guldens.

1. De moeder is 37 jaar oud. De minderjarigen wonen bij haar. Volgens jaaropgaven
1999 bedroeg haar inkomen ƒ 24.458.

2. De behoefte van de kinderen aan alimentatie staat als niet bestreden
vast.

3. De vader heeft een arbeidsongeschiktheidsuitkering van ƒ 1.275 netto
per maand en een werkloosheidsuitkering van gemiddeld over de periode januari
tot en met mei 2000 ƒ 1.089 netto per maand. Per 16 september 2000 is zijn
werkloosheidsuitkering omgezet in een RWW-uitkering. Hij is ruim twee jaar
geleden hertrouwd. Zijn echtgenote heeft geen inkomsten.

4. Aan lasten van de vader wordt per maand rekening gehouden met:
– ƒ 185 netto hypotheeklast,
– ƒ 175 forfaitaire woonlasten, inclusief de kosten van de vereniging van
eigenaren,
– ƒ 59 premie aanvullende ziektekostenverzekering en
– ƒ 24 begrafeniskosten

5. De verplichting van de vader aan het onderhoud van zijn kinderen bij
te dragen weegt zwaarder dan zijn wens om zijn echtgenote te vrijwaren
van betaalde arbeid om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De huidige
echtgenote van de vader heeft geen medische belemmeringen om arbeid buitenshuis
te verrichten. Zij heeft uit een eerder huwelijk een kind van 1 9 jaar
(dat niet meer thuis woont) en een kind van 17 jaar. Het hof is van oordeel
dat van haar kan worden verwacht dat zij tenminste ƒ 677 netto per maand
verdient, zijnde het bedrag van het verschil tussen de netto bijstandsnorm
van een alleenstaande en die van een gezin. Financieel merkt het hof de
vader hierom als alleenstaande aan.

6. Met inachtneming hiervan laat de draagkracht van de vader het per 1
november 2000 toe een alimentatie voor de kinderen te betalen van ƒ 250
per maand per kind, zodat de bestreden uitspraak vanaf die datum dient
te worden bekrachtigd. Omdat de echtgenote van de man nog geen inkomen
heeft en de beschikking van 20 juli 1999 daartoe ook niet noopte, zal het
hof de alimentatie voordien op nihil handhaven.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover die het tijdvak vanaf 1
november 2000 betreft;

vernietigt die beschikking voor zover die het tijdvak tot 1 november 2000
betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de moeder alsnog af.

Rechters

Mrs. Koning, Fockema Andreae-Hartsuiker en Zeven-Postma

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 18 oktober 2000

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de Rechtbank bepaald dat N. aan
B. moet betalen ƒ 400 partner-alimentatie, en ƒ 400 kinderalimentatie ten
behoeve van de drie-jarige dochter van partijen.
N. is van deze alimentatiebeschikking in beroep gekomen; hij verzoekt het
Hof lagere bedragen vast te stellen. Hij stelt hiertoe dat B. haar werkzaamheden,
waarmee zij in deeltijd ongeveer ƒ 1500 netto per maand verdient, kan uitbreiden
en in eigen levensonderhoud kan voorzien.
B. verklaart in verband met de zorg voor het drie jaar oude kind van partijen
haar werkzaamheden voorlopig niet te kunnen uitbreiden. Dit neemt het Hof
aan. De behoefte van B. aan aanvullende alimentatie en die van het kind
aan kinderalimentatie staan vast.
Het Hof bekrachtigt de beschikking van de Rechtbank voor wat betreft de
kinderalimentatie. De partneralimentatie wordt op basis van de draagkracht
van N. op ƒ 225 vastgesteld.

Volledige tekst

HET GEDING

De partijen zijn op 24 september 1992 met elkaar gehuwd.

Bij beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 18 februari 2000 is tussen
de partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 29 maart
2000 ingeschreven. Bij die beschikking is aan de moeder ten laste van de
vader een alimentatie van ƒ 400 per maand toegekend, bij vooruitbetaling
te voldoen voor het eerst op de dag, dat de echtscheidingsbeschikking zal
zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Tevens is aan
de vader voor de bij de moeder wonende minderjarige Lisa Ana, geboren op
21 april 1997, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding opgelegd
van ƒ 400 per maand, te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering
die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van deze
minderjarige kan of zal worden verleend.

De vader is van deze beschikking in hoger beroep gekomen en heeft verzocht
de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de daarin bepaalde bijdragen
in het levensonderhoud van de moeder en de kosten van verzorging en opvoeding
van de minderjarige dochter van partijen, te vernietigen en die bijdragen,
opnieuw beschikkende, vast te stellen op ƒ 200 per maand voor het levensonderhoud
van de moeder en ƒ 250 per maand voor de kosten van verzorging en opvoeding
van meergenoemde minderjarige, althans op in goede justitie door het hof
te bepalen bedragen.

De moeder heeft op 19 juni 2000 een verweerschrift ingediend en ‘incidenteel
appellerend’ twee verweren aangevoerd met het verzoek de vader niet ontvankelijk
te verklaren in zijn beroep, althans het beroep af te wijzen en de beschikking
van de rechtbank te bekrachtigen althans een zodanige beslissing te nemen
als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

Op 20 september 2000 is de zaak mondeling behandeld.

BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP

Het hof rondt bedragen af op de hele guldens.

1. De moeder is 29 jaar. De minderjarige woont bij haar. De moeder verdient
in deeltijd ongeveer ƒ 1.500 netto per maand en vakantiegeld. De vader
stelt dat de moeder haar werkzaamheden kan uitbreiden en in eigen levensonderhoud
kan voorzien. Ter zitting heeft de moeder verklaard in verband met de zorg
voor het thans 3 jaar oude kind van de partijen haar werkzaamheden voorlopig
niet te kunnen uitbreiden. Dit neemt het hof aan.

2. Haar behoefte aan aanvullende alimentatie en die van het kind aan kinderalimentatie
staan naar het oordeel van het hof bij deze financiële omstandigheden vast.

3. Het hof stelt de behoefte van het kind, gelet op het netto gezinsinkomen
van partijen ten tijde van hun huwelijk, op ƒ 750 per maand te vermeerderen
met de kinderbijslag.

4. De vader, 30 jaar oud, verdient per maand bruto ƒ 4.475 exclusief vakantiegeld
volgens zijn salarisspecificatie van maart 2000. Zijn met hem samenwonende
partner werkt hele dagen als onderwijzeres en kan in haar eigen levensonderhoud
voorzien.

5. Aan lasten van de vader wordt per maand rekening gehouden met:
– de voor zijn rekening komende helft van de woonlasten (van in totaal
ƒ 2.190 hypotheekrente en ƒ 233 verzekeringspremie) voor zijn op 15 april
2000 gekochte woning; het hof acht de netto woonlast redelijk, ook in vergelijking
met die voor de echtelijke woning die in 1998 is gekocht en dus naar verhouding
goedkoper is:
– ƒ 125 voor herinrichtingskosten, waarvan zijn partner de andere helft
kan dragen, en
– ƒ 130 termijnen op een huwelijkse schuld van ƒ 6.000 die hem is toebedeeld
en waarmee het hof dus rekening houdt; beide lasten vervallen op 1 december
2000, nu ter zitting is gebleken dat de vader dan deze schulden kan aflossen
uit een bedrag van ƒ 42.500 dat hij uiterlijk op die dag zal ontvangen
als vergoeding voor de overwaarde van de echtelijke woning;
– ƒ 7,42 premie uitvaartverzekering;
– ƒ 100 kosten omgangsregeling;
– ƒ 28,25 aanvullende premie ziekenfondswet.

6. Het hof is van oordeel dat de vader, gelet op verhouding van de wederzijdse
draagkracht, in de kosten van het kind behoort bij te dragen met een bedrag
van ƒ 400 per maand de draagkracht van de vader het niet toelaat tot 1
december 2000 daarnaast nog alimentatie voor de moeder te betalen. Vanaf
1 december 2000 laat zijn draagkracht het toe voor de moeder een alimentatie
te betalen van ƒ 225 per maand, welke alimentatie, gelet op haar behoefte
en andere inkomsten, in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.
In zoverre behoort de bestreden beschikking te worden vernietigd.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover betrekking hebbend op de
alimentatie voor de moeder en in zover opnieuw beschikkende:

bepaalt, met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot 1 december 2000
de door de vader aan de moeder te betalen alimentatie op nihil en vanaf
1 december 2000 op ƒ 225 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan ’s hofs oordeel onderworpen,
voor het overige;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders verzocht is.

Rechters

Mrs. Koning, Fockema Andreae-Hartsuiker en Zeven-Postma

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 11 oktober 2000

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


Werkneemster, geboren in 1947, heeft in de periode van 1970 tot 1975 gewerkt
als secretaresse en bibliothecaresse. Van 1975 tot 1988 heeft zij haar drie
kinderen verzorgd en opgevoed. Zij is in die tijd ook actief geweest in de
politiek, in een oudercommissie en heeft het diploma MO Staatsinrichting
behaald. Daarna is zij in het onderwijs gaan werken. Sinds 1993 heeft zij een
volledig en vast dienstverband bij werkgever. Zij is ingeschaald volgens de
toepasselijke CAO-BVE. Werkneemster stelt dat deze inschaling in strijd is
met het recht op een gelijke beloning voor mannen en vrouwen, omdat in het
geheel geen rekening is gehouden met buiten het onderwijs opgedane
(werk)ervaring. De kantonrechter stelt vast dat de beloningslijn voor
werkneemster bijzonder lang was en nog steeds is. Pas na twintig jaar kan zij
haar eindsalaris bereiken. Deze beloningslijn is op zichzelf niet in strijd
met het beginsel van gelijke behandeling. Wel in strijd daarmee is dat bij de
inschaling van herintredende of later intredende vrouwen geen enkele rekening
wordt gehouden met elders opgedane relevante (werk)ervaring, en bovendien
geen reële mogelijkheid wordt geboden de ontstane achterstand in te lopen.
Het is immers, zoals ook de Commissie Gelijke Behandeling (oordeel 98-138, 15
december 1998 over dezelfde zaak) heeft overwogen, een feit van algemene
bekendheid dat in het verleden meer vrouwen dan mannen hun beroepsloopbaan
onderbraken in verband met de verzorging van kinderen. De kantonrechter
oordeelt vervolgens dat in deze zaak aansluiting moet worden gezocht bij de
regeling voor herintredende vrouwen die al enige onderwijservaring hadden. Op
grond hiervan dienen aan werkneemster per 1 augustus 1993 vijf extra
periodieken te worden toegekend.

Volledige tekst

Dit vonnis is een vervolg op het vonnis dat op 17 mei 2000 in deze zaken is
uitgesproken.

HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De comparitie van partijen heeft op 16 juni 2000 plaatsgevonden. Daarvan is
aantekening gehouden. Beide partijen hebben bij die gelegenheid nog stukken
in het geding gebracht.

Partijen zijn vervolgens tot 12 juli 2000 in de gelegenheid gesteld tot een
minnelijke regeling te komen. ROC Utrecht heeft bij brief van 7 juli 2000
laten weten dat dit niet is gelukt.
Hierna is uitspraak bepaald.

DE VERDERE MOTIVERING

7. In het tussenvonnis zijn onder 2 een aantal feiten vastgesteld. Thans
staat ook vast dat B., geboren in 1947, in de periode van 1970 tot 1975
achtereenvolgens heeft gewerkt als secretaresse, medisch secretaresse,
medewerker van een universiteitsbibliotheek en bibliothecaresse van het
Instituut van Ziekenhuiswetenschappen te Utrecht. Zij heeft drie kinderen.
Deze zijn geboren in respectievelijk 1973, 1975 en 1978. Na de geboorte van
haar tweede kind is B., mede in verband met een verhuizing naar het oosten
des lands, opgehouden met het werken in dienstbetrekking. Van 1975 tot 1988
heeft zij haar kinderen verzorgd en opgevoed. Zij is in die tijd ook actief
geweest in de politiek, in een oudercommissie en heeft het diploma MO
Staatsinrichting behaald.

8. Als produktie 4b bij dagvaarding in de zaak onder nummer 99- 6136 heeft B.
het carrièrepatroon, hierna ook te noemen: de beloningslijn, ingevolge de
toepasselijke CAO voor haar functie per 1 januari 1998 overgelegd. Bij
gelegenheid van de comparitie heeft ROC Utrecht de CAO BVE 1999-2000
overgelegd. Op pagina 130 van deze produktie zijn de beloningslijnen per 1
augustus 1999 en per 1 januari 2000 vermeld. Uit de produkties blijkt dat de
beloningslijn voor de functie van B. bijzonder lang was en nog steeds is. Pas
na meer dan 20 jaar kan zij haar eindsalaris bereiken.

9. Deze lange beloningslijn is op zichzelf niet in strijd met het beginsel
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Verschil in beloning op basis
van opgedane ervaring in het onderwijs is niet ongeoorloofd. Maar dat wordt
anders indien bij de inschaling van herintredende of later intredende vrouwen
zoals B. geen enkele rekening wordt gehouden met door hen buiten het
onderwijs opgedane relevante (werk)ervaring, en bovendien geen reële
mogelijkheid wordt geboden de ontstane achterstand in te lopen. Het is
immers, zoals ook de CGB heeft overwogen, een feit van algemene bekendheid
dat in het verleden meer vrouwen dan mannen hun beroepsloopbaan onderbraken
in verband met de verzorging van kinderen. Bij herintreding, of intreding na
studie op latere leeftijd, hebben zij dan ook minder werkervaring en
anciënniteit. Dit veroorzaakt een ongelijke inschaling. Na indiensttreding
zet de ongelijke start zich voort in een ongelijk salarisverloop dat niet of
nauwelijks meer gecorrigeerd kan worden. op grond van de CAO BVE (en voorheen
het RPBO) ontvangen namelijk alle docenten in beginsel ieder jaar een
periodieke verhoging. Dit betekent dat een bij indiensttreding ontstaan
beloningsverschil pas bij het bereiken van het maximum salaris, derhalve na
lange tijd, verdwijnt.

10. Nu ROC Utrecht bij inschaling van B. geen enkele rekening heeft gehouden
met de door haar voordien opgedane (werk)ervaring, en bovendien nadien het
beloningsverschil tussen haar en haar mannelijke collega’s die arbeid van
nagenoeg gelijke waarde verrichten langdurig in stand heeft gelaten, heeft
zij naar het oordeel van de kantonrechter onrechtmatig jegens B. gehandeld.
De voor 15 december 1988 opgedane ervaring van B., hiervoor vermeld onder 7
alsmede onder 2a, moet namelijk relevant worden geoordeeld voor de functie
van docent. Het toekennen van een extra periodiek aan B. per 1 januari 1998
is ontoereikend om de ontstane achterstand alsnog in te kunnen lopen.

l1. ROC Utrecht heeft nog aangevoerd dat de CAO-BVE en haar voorlopers
dwingend voorschreven dat B. bij indiensttreding moest worden ingeschaald in
schaal 7, regel 0, en dat geen enkele rekening kon worden gehouden met de
door haar opgedane (werk)ervaring. ROC Utrecht heeft voorts aangevoerd dat de
overheid geen financiële middelen ter beschikking stelt om tegemoet te komen
aan salariseisen als die van B. en dat ROC Utrecht daarom niet op die eisen
kan ingaan. De kantonrechter heeft wel enig begrip voor deze argumenten maar
zij kunnen niet wegnemen dat ROC Utrecht jegens B. gehouden is geen
ongerechtvaardigd direct of indirect onderscheid te maken in de beloning van
mannen en vrouwen.

12. B. heeft primair inschaling in salarisschaal 9 regel 3 met ingang van 11
maart 1994 gevorderd. Zij is er daarbij van uitgegaan dat zij, gezien het
feit dat zij in de loop der jaren haar ervaringsachterstand volledig heeft
ingelopen, op haar 51-ste, derhalve per 1 januari 1999, zou dienen te zijn
ingeschaald in de hoogste regel (12) van de effectieve functieschaal (10).
Zij heeft van hieruit teruggerekend tot 11 maart 1994 omdat haar vordering
met betrekking tot de periode tot 11 maart 1994 is verjaard.

13. Voormelde benadering van B. zou passend zijn wanneer de lange
beloningslijn zonder meer onrechtmatig zou zijn. Dat is echter niet het
geval. Naar het oordeel van de kantonrechter moet in deze zaak aansluiting
worden gezocht bij de regeling voor herintredende vrouwen die al enige
onderwijservaring hadden, te weten de regeling in de artikelen 1-21 en
volgende van de huidige CAO-BVE. Het tijdstip waarop toekenning van extra
salaris aan B. had moeten plaatsvinden bepaalt de kantonrechter op 1 augustus
1993. B. heeft haar vordering ook zelf bij dit tijdstip aangeknoopt (punt 8
van de repliek) omdat zij sindsdien een vast en volledig dienstverband bij
ROC Utrecht vervulde en (al sinds 1991) beschikte over het vereiste
pedagogisch-didactisch getuigschrift.

14. Artikel I-21 van de CAO-BVE is van toepassing op iedere werknemer die
wordt benoemd in een functie na gedurende vier of meer achtereenvolgende
jaren geen onderwijsfunctie (meer) te hebben vervuld. Voor elke periode van
vier jaar waarin geen onderwijsfunctie werd vervuld, wordt het maandsalaris
bij indiensttreding met een periodiek verhoogd. Ingevolge artikel I-22 wordt
de periode van vier jaren verkort tot drie jaren gedurende de eerste zes
jaren waarin geen onderwijsfunctie werd vervuld. Toepassing van deze
artikelen op B. leidt voorshands tot de conclusie dat aan B. voor de door
haar opgedane ervaring in de periode van 1970 tot 1976 twee, en voor de
ervaring in de jaren 1976 tot en met 1988 drie periodieken moeten worden
toegekend en wel met ingang van 1 augustus 1993.

15. Anders dan ROC Utrecht heeft betoogd laat de bij repliek gewijzigde
vordering van B. aan de kantonrechter voldoende ruimte om tot voormeld
oordeel te komen. Inschaling op vijf periodieken hoger met ingang van 1
augustus 1993 kan als het mindere in het meerdere begrepen worden geacht. De
tweede wijziging van de eis door B. tijdens de comparitie van partijen was
dan ook overbodig en het verzet daartegen van de kant van ROC Utrecht
ongegrond.

16. ROC Utrecht dient bij akte na tussenvonnis gemotiveerd en zo mogelijk
gestaafd met bescheiden te stellen hoe B. met ingang van 11 maart 1994 had
moeten worden ingeschaald indien er van uit moet worden gegaan dat haar
salaris met ingang van 1 augustus 1993 met vijf periodieken verhoogd had
moeten worden, voorts in welke schaal zij daarvan uitgaande thans moet worden
ingeschaald, en tot slot welk bedrag zij aan salaris heeft gemist vanaf 11
maart 1994. Omdat ROC Utrecht heeft betoogd dat het uitvoeren van de
noodzakelijke berekeningen tijdrovend is zal de kantonrechter aan ROC Utrecht
een termijn van zes, in plaats van de gebruikelijke vier, weken geven voor
het nemen van de akte. B. kan desgewenst bij antwoordakte reageren.

17. Voor zover ROC Utrecht haar beroep op verjaring tot aan 15 juli 1994
heeft willen handhaven overweegt de kantonrechter dat B. terecht heeft
aangevoerd dat de verjaring door de brief van 11 maart 1999, produktie 12 bij
dagvaarding, is gestuit.

18. B. heeft ook vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd. Zij
heeft tijdens de comparitie van partijen declaraties van haar advocaat
overgelegd. ROC Utrecht heeft nog onvoldoende gelegenheid gehad daarop te
reageren en kan dat alsnog bij akte doen. De door B. gevorderde reiskosten en
expertisekosten zullen worden afgewezen. Deze zijn onvoldoende toegelicht en
in het geheel niet door bescheiden gestaafd. Ook een vergoeding voor
immateriële schade zal niet worden toegewezen. In de regel zal in dit soort
zaken sprake zijn van meer of minder sterk psychisch onbehagen. B. is er
echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij zodanig onder het
optreden van ROC Utrecht heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel
dat kan worden aangemerkt als een aantasting van haar persoon, die recht
geeft op vergoeding van immateriële schade.

19. Tussentijds hoger beroep zal worden uitgesloten.

BESLISSING

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 22 november 2000 te 9.30,uur
voor het ne-men van een akte door ROC Utrecht, waarna B. in de gelegenheid
zal worden gesteld een antwoordakte te nemen;

bepaalt dat hoger beroep van dit vonnis alleen kan worden ingesteld tegelijk
met hoger beroep tegen het eindvonnis;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mr. Pinckaers

Instantie: Gerechtshof Leeuwarden, 11 oktober 2000

Instantie

Gerechtshof Leeuwarden

Samenvatting


B. heeft seksuele contacten met D. gehad die mede gezien de jeugdige leeftijd
van D. en de overige omstandigheden van het geval, als maatschappelijk
onbetamelijk en mitsdien als onrechtmatig hebben te gelden. Of bedoelde
onbetamelijkheid al dan niet samenvalt met een of meer delictsomschrijvingen
uit het Wetboek van Strafrecht is niet relevant. Nu D. tengevolge van de
psychische toestand, veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van B., niet
eerder dan in 1995 in staat was haar vorderingrecht uit te oefenen, is de in
1999 ingestelde vordering naar het voorlopig oordeel van het Hof niet
verjaard.

Volledige tekst

HET GEDING IN EERSTE INSTANTIE

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis
uitgesproken op 2 december 1999 door de president van de
arrondissementsrechtbank te Groningen.

HET GEDING IN HOGER BEROEP

Bij exploit van 13 december 1999 is door A hoger beroep ingesteld van genoemd
vonnis met dagvaarding van B tegen de zitting van 29 december 1999.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

“dat het gerechtshof het vonnis, op 2 december 1999 door de President van de
rechtbank te Groningen, in kort geding tussen A als eiseres en B als gedaagde
gewezen, vernietigt, en opnieuw rechtdoende geïntimeerde alsnog veroordeelt
aan A te betalen het bedrag van ƒ 20.000 (twintigduizend gulden) als
voorschot op de door haar geleden immateriële schade, alsmede het bedrag van
ƒ 5.567,57 als vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke
kosten en de kosten van het voorlopig deskundigenonderzoek, vermeerderd met
de wettelijke rente over ƒ 25.567,57 vanaf de dag der dagvaarding tot aan die
der algehele voldoening, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van
beide instanties.”

Bij memorie van antwoord is door B verweer gevoerd met als conclusie:

“het gerechtshof zal bepalen dat de vordering van de vrouw wordt afgewezen,
onder bekrachtiging van het vonnis d.d. 2 december 1999 van de president van
de arrondissementsrechtbank te Groningen, onder veroordeling van appellante
in de kosten van beide instanties.”

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van
pleitnota’s door hun advocaten, bij welke gelegenheid A nog stukken heeft
overgelegd.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

DE GRIEVEN

A heeft tegen het beroepen vonnis in kort geding vier grieven opgeworpen.

DE BEOORDELING

1. Nu tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1 van
het beroepen vonnis geen grieven zijn gericht, zal ook in hoger beroep van
die feiten worden uitgegaan.

2. Waar B, zoals hij dat ten pleidooie in hoger beroep nog uitgebreid heeft
toegelicht, heeft betoogd dat aan de zijde van A sprake is van een
niet-geoorloofde wijziging van (de grondslag van) de eis – welke wijziging
zou blijken uit de memorie van grieven – kan het hof B hierin niet volgen.
Immers, nog daargelaten dat een wijziging van eis bij memorie van grieven als
regel niet als tardief kan worden aangemerkt omdat de wederpartij nog volop
gelegenheid heeft om daarop bij memorie van antwoord te reageren, acht het
hof van enige wijziging van de grondslag geen sprake, nu toch uit de
inleidende dagvaarding reeds blijkt dat A aan haar vordering ten grondslag
legt het seksueel misbruik dat zij stelt van B te hebben ondervonden in de
periode die zich uitstrekt van 1980 tot 1985, in welke periode zij de
leeftijd had van 13 tot 18 jaar.

Met betrekking tot grief I
3. Grief 1 strekt ten betoge dat de president ten onrechte heeft overwogen
dat voor de toewijsbaarheid van de vordering van A, in een bodemprocedure in
ieder geval zal moeten komen vast te staan dat B vóór 8 januari 1983 seksueel
contact met A heeft gehad, nu geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken
dat het seksueel contact dat ná genoemde datum heeft plaatsgevonden, zonder
meer onrechtmatig zou zijn.

4. Ten pleidooie in hoger beroep heeft A, door B onweersproken, aangevoerd
dat zij in september 1983 – zij was toe 16 jaar oud – het eindexamen van de
MAVO heeft afgelegd, waarop zij aansluitend de HAVO heeft bezocht, welke
opleiding zij in het voorjaar van 1984 heeft afgebroken. Eerst daarna is zij
gaan werken en heeft zij – aanvankelijk geringe – eigen inkomsten verworven.

5. Zoals ook uit de vaststaande feiten blijkt, heeft B erkend dat hij
seksuele contacten met A heeft gehad. Uit de verklaringen die hij bij de
politie heeft afgelegd – zoals blijkt uit de overgelegde processen-verbaal
waarvan de echtheid niet is bestreden – hebben deze seksuele contacten mede
plaatsgevonden op de boerderij van B te W. Voorts heeft B verklaard dat hij
de meeste van zijn jonge “vriendinnen” heeft ontmoet via de paarden bij hem
op de boerderij, waarna na verloop van tijd met hen een relatie tot stand
kwam waarvan financiële steun en sex deel uitmaakten. Daarnaast heeft B
verklaard dat hij zich wel kan voorstellen dat vrouwen als gevolg van
financiële omstandigheden gedwongen zijn te accepteren dat zij daarvoor in
ruil sex verlenen, alsmede dat het hem duidelijk was dat de seksuele
handelingen die A met hem pleegde, voor geld waren.

6. Weliswaar heeft B bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep
aangevoerd dat deze verklaringen onder druk van de politie tot stand zijn
gekomen, doch aan deze – nog niet eerder aangevoerde – stelling gaat het hof
als voorshands onvoldoende geloofwaardig en feitelijk onvoldoende onderbouwd
voorbij.

7. Naar het voorlopig oordeel van het hof is met de boven aangehaalde
verklaringen van B, nu deze in voldoende mate overeenstemmen met en
aansluiten op hetgeen A ten processe heeft aangevoerd en aan haar vordering
ten grondslag heeft gelegd, in toereikende mate komen vast te staan dat B
binnen het tijdvak zoals dat in de dagvaarding is aangegeven, met A seksuele
contacten heeft gehad die, mede gelet op de overige omstandigheden van het
geval zoals deze uit de stukken blijken en voorts gezien de (jeugdige)
leeftijd van A ten tijde van het plaatsvinden van deze contacten, als
maatschappelijk onbetamelijk jegens A en mitsdien als onrechtmatig hebben te
gelden. Aan genoemd voorlopig oordeel werkt voorts mee het rapport dat de
door de rechtbank benoemde deskundige met betrekking tot A heeft opgesteld,
nu toch aan dit rapport een aanvullende bewijswaarde moet worden toegekend
omdat dit rapport – anders dan B aanvoert – niet alleen berust op
mededelingen van A, doch mede is gebaseerd op hetgeen aan de deskundige
terzake van soortgelijke gevallen uit hoofde van haar deskundigheid op haar
vakgebied bekend is.

8. Mitsdien kan een nader onderzoek – waarvoor de procedure in kort geding
overigens onvoldoende gelegenheid biedt – omtrent de vraag of bedoelde
onbetamelijkheid al dan niet samenvalt met een of meer delictsomschrijvingen
van de XIVe titel van het Wetboek van Strafrecht, als voor de uitkomst van de
onderhavige procedure niet relevant, achterwege blijven.

9. Waar de president, in strijd met hetgeen hierboven is overwogen, heeft
geoordeeld dat voor de toewijsbaarheid van de bodemvordering met name acht
dient te worden geslagen op het tijdvak tot aan 8 januari 1983, kan dat
oordeel in het licht van het voorgaande geen stand houden, en treft de grief
doel.

Met betrekking tot grief II
10. In grief II stelt A aan de orde dat de president – volgens A ten onrechte
– met betrekking tot het punt van de verjaring heeft geoordeeld dat niet
buiten redelijke twijfel is of de vordering van A in een bodemprocedure zal
slagen.

11. Kort weergegeven houdt het standpunt dat B te dezer zake verdedigt en
zoals hij dat bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft
toegelicht, in dat A in het jaar 1992, toen zij zich in verband met haar
psychische klachten tot de RIAGG wendde, zich bewust moet zijn geweest van de
door haar gestelde benadeling, zodat alstoen de 5-jarige verjaringstermijn
van art. 3:310 lid 1 BW een aanvang heeft genomen. Mitsdien acht B het
vorderingsrecht van A verjaard, nu zij eerst in 1999 tot dagvaarding is
overgegaan.

12. A stelt zich op het standpunt dat zij, zoals ook is neergelegd in de
beschikking van de rechtbank te Groningen d.d. 20 juli 1998 waarbij het
voorlopig deskundigenonderzoek is gelast, zich eerst in 1995 bewust is
geworden van de mogelijkheid om haar schade op B te verhalen, en dat zij
eerst alstoen in staat was om een actie tegen B in te stellen, als gevolg
waarvan de 5-jarige verjaringstermijn vanaf 1995 is gaan lopen.

13. Uitgangspunt is dat, indien het niet-geldend kunnen maken van een
vorderingsrecht voortvloeit uit omstandigheden die aan de debiteur moeten
worden toegerekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar moet worden geacht dat de debiteur zich erop zou kunnen
beroepen dat de 5-jarige verjaringstermijn een aanvang zou hebben genomen op
het in art. 3:310 lid 1 BW omschreven tijdstip. In een zodanig geval moet dan
ook worden aangenomen dat de verjaringstermijn eerst een aanvang neemt
wanneer bedoelde omstandigheden het geldend kunnen maken van de vordering
niet langer verhinderen.

14. Zoals ook blijkt uit de parlementaire behandeling van het wetsontwerp
22.889 dat heeft geleid tot de wet van 7 juli 1994, Staatsblad 1994 529,
bestaat de schade als gevolg van seksueel misbruik (voor een deel) uit leed
van een soort dat voor het slachtoffer moeilijk te verwerken pleegt te zijn,
welke verwerking dan ook veel tijd pleegt te vergen. Voordat het
verwerkingsproces is beëindigd, zal het slachtoffer in het algemeen
nauwelijks in staat zijn een weloverwogen beslissing over het al dan niet
vragen van schadevergoeding te nemen (zie de Memorie van toelichting 22.889
TK nr. 3 blz. 6).

15. Nu B aan zijn stelling dat A, toen zij zich in 1992 in verband met haar
problemen voor het eerst tot de RIAGG wendde, in staat moet worden geacht
uiting te geven aan het bewustzijn dat het haar aangedane leed heeft geleid
tot schade in vermogensrechtelijke zin, geen concrete feiten of
omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, moet het er voorshands – in het
licht van het vorenoverwogene en gezien de omstandigheden van het geval –
voor worden gehouden dat A bij de aanvang van haar behandeling nog niet in
staat was om een weloverwogen beslissing te nemen over het al dan niet vragen
van schadevergoeding, en dat eerst naderhand het beletsel voor het uitoefenen
van het aan A toekomende vorderingsrecht is verdwenen.

16. In het licht van het boven overwogene kan bedoeld beletsel niet aan A
worden toegerekend doch dient het geheel voor rekening te komen van B, nu
diens onrechtmatig handelen een zodanig geestelijk letsel bij A heeft teweeg
gebracht dat zij als gevolg van de daardoor ontstane psychische toestand niet
in staat is geweest om op een eerder tijdstip dan 1995 haar vorderingsrecht
uit te oefenen. Een en ander heeft als gevolg dat de in 1999 ingestelde
vordering naar het voorlopig oordeel van het hof niet als verjaard kan
gelden.

17. De grief die is gericht tegen het oordeel van de president dat erop
neerkomt dat niet buiten redelijke twijfel is dat in een bodemprocedure in
overeenstemming met het bovenstaande zal worden geoordeeld, treft mitsdien
doel.

De verdere beoordeling
18. Nu uit het bovenstaande voortvloeit dat er voorshands van dient te worden
uitgegaan dat B onrechtmatig jegens A heeft gehandeld, terwijl het aan A
toekomende vorderingsrecht niet is verjaard, dient thans het door B in prima
gevoerde verweer dat het causale verband tussen de daad en de schade
ontbreekt, aan de orde te komen.

19. Het onrechtmatig handelen van B heeft ten opzichte van A een risico
terzake van het ontstaan van schade in het leven geroepen, en nu dit risico
zich heeft verwezenlijkt, is daarmee het causaal verband tussen die gedraging
en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven en is het aan degene die op
grond van die gedraging wordt aangesproken om te stellen en te bewijzen dat
die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Omtrent bijzondere
omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, is ten processe niet
gebleken, terwijl het onderhavige kort geding geen gelegenheid biedt tot een
nader onderzoek dienaangaande. Reeds hierom volgt het hof B niet in diens
stelling omtrent het ontbreken van een toereikend causaal verband.

20. Nu verder geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die aan
aansprakelijkheid van B in de weg staan, luidt de slotsom uit het voorgaande
dat B aansprakelijkheid moet worden gehouden voor de door A geleden schade.
Dat brengt mede dat de gevraagde voorzieningen in beginsel vatbaar zijn voor
toewijzing. Het hof zal hierop nog nader terugkomen.

21. De grieven III en IV die inhouden dat door de president ten onrechte is
overwogen dat aan het verlenen van de gevraagde voorzieningen in de weg staat
dat er enige aarzeling bestaat omtrent de toewijsbaarheid van de vordering in
een bodemprocedure, respectievelijk dat A als de in het ongelijk te stellen
partij in de kosten moet worden verwezen, behoeven in het licht van het
voorgaande geen nadere bespreking meer.

22. Het gaat in het onderhavige kort geding om een vordering tot betaling van
een geldsom als voorschot op de door A geleden materiële en immateriële
schade. Waar uit het voorgaande volgt dat het bestaan van een aan A
toekomende vordering voldoende aannemelijk is, en waar B geen grief heeft
gericht tegen het oordeel van de president dat A een voldoende spoedeisend
belang bij het gevorderde heeft, terwijl in hoger beroep geen feiten of
omstandigheden zijn gebleken die nopen tot een ander oordeel daaromtrent,
dient het hof te komen tot een afweging van de over en weer bestaande
belangen, in welke afweging een eventueel restitutierisico dient te worden
betrokken.

23. Omtrent het bestaan van een zodanig restitutierisico heeft B evenwel geen
standpunt ingenomen, terwijl ook overigens de processtukken geen grondslag
bieden tot het aannemen daarvan. De afweging van de wederzijdse belangen
brengt, in het licht van hetgeen ten processe is gebleken, mee dat aan A een
substantieel bedrag aan immateriële schadevergoeding dient toe te komen,
waarbij enige matiging van het toe te kennen bedrag op zijn plaats is nu het
immers (slechts) gaat om een voorschot op een nog nader definitief vast te
stellen bedrag. Het hof acht in de omstandigheden van het geval een voorschot
ten bedrage van ƒ 15.000 op zijn plaats.

24. Het gevorderde bedrag aan materiële schade ten belope van ƒ 3.620, welk
bedrag betrekking heeft op de door A gedragen kosten die verband houden met
het voorlopig deskundigenonderzoek, acht het hof toewijsbaar nu het immers
gaat om redelijke kosten ter vaststelling van de schade en van de
aansprakelijkheid.
B heeft in prima bezwaar gemaakt tegen toewijzing van het bedrag ad ƒ
1.947,57 voor buitengerechtelijke kosten van de advocaat. Nu dit bedrag niet
nader is gespecificeerd, en het blijkens een namens A ten pleidooie in hoger
beroep gedane mededeling betrekking heeft op de kosten die zijn gemaakt naar
aanleiding van de strafrechtelijke procedure tegen B, acht het hof het
bestaan van dit onderdeel van de vordering niet voldoende aannemelijk
geworden. Dit bedrag zal mitsdien niet voor toewijzing in aanmerking kunnen
komen.

25. Hetgeen partijen voorts nog te berde hebben gebracht, kan als in het
voorgaande reeds vervat dan wel als niet terzake dienende, buiten bespreking
blijven.

26. Als de goeddeels in het ongelijk te stellen partij zal B worden
veroordeeld in de kosten van beide instanties.

27. A heeft in prima gevorderd dat de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad
wordt verklaard. Weliswaar heeft zij deze vordering in hoger beroep niet
herhaald, doch waar gesteld noch gebleken is dat zij, anders dan in prima,
thans géén uitvoerbaarheid bij voorraad wenst, en gelet op het karakter van
de procedure in kort geding waarin de uitvoerbaarheid bij voorraad ligt
besloten, merkt het hof een en ander aan als een kennelijke omissie en zal de
eis van A (ook) op dit punt worden gelezen in overeenstemming met hetgeen zij
dienaangaande in prima heeft gevorderd.

DE BESLISSING

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis in kort geding d.d. 2 december 1999, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt B om aan A bij wege van voorschot op de door A geleden schade, te
betalen de somma van ƒ 18.620 (zegge achttien duizend zeshonderdtwintig
gulden), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 oktober
1999 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt B in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak als volgt
te begroten:
in prima: ƒ 581,76 aan verschotten en ƒ 1.550 voor salaris;
in appel: ƒ 739,05 aan verschotten en ƒ 5.100 voor salaris;

verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Noot:

Deze uitspraak biedt een overzicht van rechtsvragen die eerder aan de orde
zijn geweest in jurisprudentie. Dat levert een heldere uitspraak op, die
vanwege de bevestiging van eerdere jurisprudentie het lezen waard is.
Als eerste aandachtspunt komt de verwantschap tussen het civiel recht en het
strafrecht die kenmerkend is voor de thematiek van schadevergoeding ter zake
van seksueel misbruik aan de orde. De gedaagde voert aan dat eiseres
aannemelijk moet maken dat een deel van de hem verweten seksuele contacten
hebben plaatsgevonden voor haar zestiende levensjaar. Seksuele contacten
nadat het slachtoffer zestien jaar is geworden zijn, zo lijkt hij te willen
betogen, niet onbetamelijk. Hoewel niet expliciet genoemd lijkt gedaagde hier
een vergelijking te willen trekken met art. 247 Sr waar seksuele contacten
niet bestaande uit seksueel binnendringen met jeugdigen tussen de zestien en
achttien jaar niet strafbaar zijn gesteld.
Ondanks dat het hof de vraag of er mogelijk samenval is met een
strafrechtelijke bepaling formeel niet van belang acht, in het bijzonder niet
vanwege de aard van het kort geding, sluit het materiële oordeel over de
onrechtmatigheid van de seksuele contacten wel aan het strafrecht, namelijk
op de in art. 249 lid 1 Sr opgenomen strafbaarstelling van seksueel misbruik
van jeugdigen binnen afhankelijkheidsrelaties. De jeugdige leeftijd van het
slachtoffer wordt bezien in samenhang met het feit dat de seksuele contacten
plaats hebben kunnen vinden dankzij misbruik van overwicht door gedaagde,
voortvloeiende uit feitelijke omstandigheden waaronder het feit dat de
seksuele contacten plaatsvonden op de boerderij van gedaagde. Ook de
financiële vergoeding die de gedaagde bood in ruil voor verleende seksuele
diensten wordt in dit licht begrepen: eiseres had immers ten tijde van de
seksuele contacten gebrek aan financiële middelen en was tot op zekere hoogte
financieel afhankelijk van gedaagde. In strafrechtelijke richting kan hier
naast het genoemde art. 249 Sr ook worden gedacht aan misleiding (art. 248ter
Sr) of gebruik van een jeugdige prostituée sinds kort strafbaar gesteld in
art. 248b Sr.
Het bewijs voor het onbetamelijke karakter van de seksuele contacten wordt
ten dele ontleent aan een deskundigenrapportage. Gedaagde vecht de
bewijskracht daarvan aan: het rapport zou geen zelfstandige bewijskracht
hebben naast de verklaring van het slachtoffer. In navolging van de Hoge Raad
(HR 17 november 1995, NJ 1996, 666. m.nt. de Boer) oordeelt het hof dat de
(meer)waarde van een deskundigenrapport ligt in hetgeen de deskundige uit
hoofde van eigen kennis en ervaring verklaart over diens vakgebied. Wél houdt
het hof een slag om de arm, waar het stelt dat aan het deskundigenrapport een
‘aanvullende bewijswaarde’ moet worden toegekend.
Ook het door gedaagde gevoerde verweer ter zake van de verjaring komt bekend
voor. Aangevoerd wordt dat de aanvang van de verjaring ex art. 3: 310 BW is
gaan lopen op het moment dat eiseres zich bewust is geworden van het seksueel
misbruik, welk moment volgens hem ligt in het eerste hulpverleningscontact.
In navolging van de jurisprudentie van de lagere rechtspraak stelt het hof
vast dat de verjaring is gaan lopen vanaf het moment dat het slachtoffer zich
bewust is van de mogelijkheid de schade die het seksueel misbruik ten gevolge
heeft gehad in rechte te verhalen op de dader en ten dien aanzien juridische
stappen onderneemt (zie recent: Rb. Middelburg 14 april 1999, RN 2000, 1124;
Hof ‘s-Hertogenbosch 15 april 1999, RN 2000, 1149 en Rb. Amsterdam 5 jui
2000, RN 2000, 1231). De omstandigheden die in de weg hebben gestaan aan het
eerder instellen van een civielrechtelijke actie tot schadevergoeding komen
voor verantwoordelijkheid van de gedaagde.
Als laatste aandachtspunt kan het causale verband tussen daad en schade
worden genoemd, maar ook dat komt bekend voor. Bovendien houdt deze grief
geen stand in het licht van de door het hof geconstateerde ongelijke
machtsverhoudingen waarbinnen de seksuele contacten hebben plaatsgevonden.
Het hof besluit dan ook terecht tot toewijzing van een aanzienlijke
immateriële schadevergoeding, die slechts wordt gematigd vanwege het
voorschot-karakter daarvan.

Renée Kool

Rechters

Mrs. Knijp, Bax-Stegenga, Nieuwenhuis