Instantie: Rechtbank Utrecht, 12 september 2000

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


X is van haar zevende tot haar twaalfde jaar ernstig seksueel misbruikt door
Y. Y heeft hierdoor psychische schade geleden. In een eerdere procedure
tussen partijen is Y veroordeeld tot betaling van een (voorschot) op de
immateriële en materiele schade. X werkt sinds enkele jaren als
wijkverpleegkundige. Tijdens haar werk is zij Y, die bij de plantsoenendienst
werkt, regelmatig tegen gekomen. Dit heeft opnieuw psychische spanningen bij
X veroorzaakt, welke uiteindelijk hebben geleid tot ziekmelding van X. X
heeft de werkgever van Y gevraagd Y elders te werk te stellen. De werkgever
heeft dit geweigerd, omdat Y het verzoek niet zelf heeft gedaan. Y weigert om
overplaatsing te vragen.
Eiseres vordert thans dat het Y verboden wordt zich tijdens haar werktijden
te bevinden in de dorpen waar zij als wijkverpleegkundige werkt. Aan haar
vordering legt zij niet een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig
handelen ten grondslag, maar het niet in acht nemen door Y van
vermijdingsgedrag, hierin bestaand dat Y weigert zijn werkgever om
overplaatsing te vragen. De president overweegt dat voor de beantwoording van
de vraag of het weigeren overplaatsing aan te vragen onrechtmatig is, de
belangen van partijen tegen elkaar afgewogen moeten worden. Ook X kan immers
overplaatsing aanvragen. De president is van oordeel dat het misbruik op zeer
jonge leeftijd dat vele jaren heeft geduurd een dermate grote aantasting is
geweest van het recht van X op een ongestoorde ontwikkeling dat van Y een
hoge mate van vermijdingsverdrag kan worden gevergd. Of dit werkelijk een
verbod om te werken in de betreffende dorpen rechtvaardigt kan niet
beoordeeld worden omdat, door de weigering van Y overplaatsing te vragen,
niet is komen vast te staan in hoeverre hieraan tegemoet kan worden gekomen.
De nadelen die Y zou kunnen ondervinden van een overplaatsing wegen niet op
tegen het nadeel dat X ondervindt van de traumatische herbelevingen die een
confrontatie met Y bij haar oproepen. Indien echter een verbod als gevraagd
neer zou komen op een algeheel verlies van werk voor Y, dan zou dit, bij de
afweging beider belangen zwaar wegen. Nu Y door te weigeren overplaatsing aan
te vragen een behoorlijke belangenafweging onmogelijk heeft gemaakt is deze
weigering onrechtmatig jegens X. Het gevraagde verbod wordt toegewezen voor
een periode van drie jaar.

Volledige tekst

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

1.1. Eiseres, hierna te noemen: X, heeft gedaagde, hierna te noemen: Y in
kort geding doen dagvaarden en op de dienende dag, 28 augustus 2000, van eis
geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het exploot van dagvaarding,
waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

1.2. X heeft haar vordering bij monde van haar advocaat toegelicht, mede aan
de hand van overgelegde pleitnotities en op voorhand toegezonden produkties.

1.3. Y heeft daarop bij monde van zijn procureur verweer gevoerd, mede aan de
hand van overgelegde pleitaantekeningen en een daaraan gehechte produktie.

1.4. Na voortgezet debat, waarbij ook door partijen zelf enige inlichtingen
zijn verschaft, hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis gevraagd.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1. De feiten zoals vermeld in onderdeel 2.1 tot en met 2.6 van het door de
fungerend president van deze rechtbank tussen partijen gewezen vonnis van 1
oktober 1996 (KG 04.21.711/96) worden hier overgenomen en moeten als geheel
ingelast worden aangemerkt.

2.2. Bij genoemd vonnis is Y veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ
15.000 als voorschot op de vergoeding voor de door X geleden immateriële
schade en tot betaling van een bedrag van ƒ 10.000 als voorschot op de
vergoeding voor de door X geleden materiële schade als gevolg van seksueel
misbruik tijdens haar jeugd door Y. X heeft tegen dit vonnis appèl ingesteld,
waarna partijen de zaak hebben geschikt voor een bedrag van ƒ 25.000.

2.3. Als gevolg van het seksueel misbruik tijdens haar jeugd heeft X
langdurig psychische problemen ondervonden. In verband hiermee is zij enige
jaren bij een psychotherapeut in behandeling geweest.

2.4. X werkt sinds augustus 1998 als wijkziekenverzorgende in de plaatsen
Amerongen, Leersum en Overberg, alwaar zij patiënten thuis bezoekt en
verzorgt.

2.5. Y is sinds september 1980 in het kader van de sociale arbeidsvoorziening
werkzaam bij het hoveniersbedrijf A te V. Hij verricht werkzaamheden als
hovenier in plantsoenen, onder andere in L.

2.6. Sinds ongeveer anderhalf jaar komt X Y regelmatig tegen tijdens haar
werk. De confrontatie met Y heeft bij X opnieuw tot psychische problemen
aanleiding gegeven, in verband waarmee zij zich wederom onder
psychotherapeutische behandeling heeft moeten stellen. Omdat zij de
confrontatie met Y niet langer aan kon, heeft X zich op 8 mei 2000 ziek
gemeld bij haar werkgever.

2.7. Ondanks een verzoek daartoe van de raadsvrouw van X weigert Y zijn
werkgever te verzoeken hem elders te werk te stellen.

3. HET GESCHIL VAN PARTIJEN

3.1. Voor de volledige inhoud en grondslagen van de vordering van Y wordt
verwezen naar het aan dit vonnis gehechte exploot van dagvaarding. Kort
samengevat vordert X dat het Y wordt verboden zich tijdens haar werkuren te
begeven of te bevinden in de plaatsen A., L. en O., op straffe van verbeurte
van een dwangsom.
X legt aan haar vordering ten grondslag:

– dat Y, gezien de onrechtmatige daden waaraan hij zich in het verleden
jegens haar heeft schuldig gemaakt, zich dient te onthouden van het
teweegbrengen van hernieuwd trauma bij haar;

– dat de huidige confrontaties met Y grote psychische schade bij haar
aanrichten;

– dat Y daarom onrechtmatig handelt jegens haar door zich niet in te spannen
vermijdingsgedrag in acht te nemen.

3.2. Y heeft afwijzing van de vordering van X doen bepleiten. Daartoe heeft
hij onder meer aangevoerd:

– dat X geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering, nu zij
arbeidsongeschikt is en er geen dreiging van onrechtmatig handelen van de
zijde van Y aanwezig is;

– dat hij sinds het plaatshebben van de beweerde feiten nimmer contact met X
heeft gezocht en dat het toevallig tegenkomen van haar geen onrechtmatig
handelen oplevert;

– dat het op de weg van X had gelegen om ander werk te zoeken of
overplaatsing te vragen en dat het niet mogelijk is hem over te plaatsen of
ander werk te geven;

– dat het gevorderde verbod ernstig inbreuk maakt op zijn recht op
bewegingsvrijheid en neerkomt op een ‘Berufsverbot’;

– dat een afweging van de betrokken belangen in zijn voordeel uitvalt.

4. DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

wat betreft het spoedeisend belang:

4.1. X is van haar zevende tot haar twaalfde jaar ernstig seksueel misbruikt
en verkracht door Y, die knecht was op de boerderij van haar grootouders. Zij
kwam daar na schooltijd regelmatig. Het misbruik hield pas op toen Y
ontslagen was. Voor de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij
werden gepleegd wordt verwezen naar het eerder tussen partijen in kort geding
gewezen vonnis.

4.2. Toen X drie jaar geleden in A., L. en O. ging werken als
wijkziekenverzorgende verkeerde zij in de veronderstelling haar trauma
redelijk te hebben verwerkt. Anderhalf jaar geleden zag zij in het
voorbijrijden Y in de plantsoenendienst werken. Dit veroorzaakte hevige
spanningen, die er tenslotte toe leidden dat zij opnieuw in psychotherapie
ging. Desondanks, en ondanks verstrekte medicatie, werden de herbelevingen,
nachtmerries en depressies zo hevig dat zij zich op 8 mei ziek moest melden.

4.3. De vordering wordt spoedeisend geacht omdat het ziek zijn van Xduidelijk
samenhangt met de hernieuwde confrontatie met Y en omdat het niet mogelijk
bleek met Y en/of diens werkgever tot een oplossing te komen. Daardoor is
inmiddels veel tijd verloren gegaan. Het wordt in het belang van X geacht dat
zij zo spoedig mogelijk weer aan het werk gaat. De spoedeisendheid is daarmee
gegeven.

wat betreft de onrechtmatigheid:

4.4. Onomstreden is dat Y reeds vele jaren in genoemde dorpen zijn
werkzaamheden verricht. Onomstreden is eveneens dat er geen sprake is van een
reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen. X heeft haar vordering
gebaseerd op het niet in acht nemen door Y van vermijdingsgedrag, hierin
bestaand dat Y weigert zijn werkgever om overplaatsing te vragen.

4.5. De werkgever schrijft in een reactie op een overplaatsingsverzoek van de
raadsvrouwe van X dat hij Y niet zal overplaatsen, omdat Y zelf geen verzoek
daartoe heeft ingediend. Hij voegt daar aan toe dat ‘overigens een dergelijk
verzoek niet gehonoreerd zou kunnen worden, gelet op de beschikbare
werkplaatsen.’ De gehele toonzetting van de brief geeft echter reden te
twijfelen of alle mogelijkheden onderzocht zijn om Y op de gevraagde dagdelen
over te plaatsen. Opmerking verdient hier dat deze houding van de werkgever
wellicht ook ten opzichte van X, zo niet onrechtmatig, dan toch in elk geval
als onzorgvuldig dient te worden aangemerkt. Het verzoek van X verdient,
gelet op het psychisch leed dat haar door Y is aangedaan, ook van de
werkgever, die wellicht in een positie is om een voor alle partijen
acceptabele oplossing te creëren, een zorgvuldige behandeling.

4.6. De vraag moet worden beantwoord of het weigeren overplaatsing te vragen
onrechtmatig is. Daarbij moeten de belangen van partijen tegen elkaar
afgewogen worden. Ook Y kan immers overplaatsing vragen.

4.7. De fungerend president is van oordeel dat het misbruik op zeer jonge
leeftijd dat vele jaren heeft geduurd een dermate grote aantasting is geweest
van het recht van X op een ongestoorde ontwikkeling dat van Y een hoge mate
van vermijdingsgedrag kan worden gevergd. Of dit daadwerkelijk een verbod om
te werken in A., L. en O. rechtvaardigt kan in rechte niet beoordeeld worden
omdat, door de weigering van Y om overplaatsing te vragen, niet is komen vast
te staan in hoeverre hieraan tegemoet kan worden gekomen. Y heeft ter zitting
gesteld dat hij niet overgeplaatst wil worden omdat er in de andere teams
veel ruzie zou zijn. Wat daarvan ook zij, dit weegt in de verste verte niet
op tegen het nadeel dat X ondervindt van de traumatische herbelevingen die de
confrontatie met Y bij haar oproepen. Indien echter een verbod om zich op
genoemde plaatsen en tijden op te houden zou neerkomen op een algeheel
verlies van werk voor Y zonder redelijk perspectief op herplaatsing elders
danwel op enige andere vorm van betaalde arbeid, dan zou dit, bij afweging
van beider belangen, zwaar wegen.

4.8. Nu Y door te weigeren overplaatsing te vragen een behoorlijke
belangenafweging onmogelijk heeft gemaakt is deze weigering onrechtmatig
jegens X en zal het verzochte verbod worden toegewezen.

4.9. X heeft een verbod gevorderd voor onbeperkte tijd. Toewijzing daarvan
zou een al te grote inbreuk op het in beginsel aan een ieder toekomend recht
om zich vrijelijk te verplaatsen betekenen. De termijn dient verband te
houden met het verwerkingsproces van X Een feit van algemene bekendheid is
dat bij een trauma als het onderhavige, dat op zo jonge leeftijd is
toegebracht, ongewis is of, en zo ja na hoeveel tijd, gezegd kan worden dat
sprake is van verwerking. Gelet op de behandeling die X in het verleden al
heeft gehad wordt het verbod aan Y op dit moment opgelegd voor een termijn
van drie jaar.

4.10. Er zijn termen aanwezig om de gevorderde dwangsom te matigen, gelet op
de inkomenspositie van Y.

4.11. Y zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit
geding worden veroordeeld.

5. DE BESLISSING

De president:

5.1. verbiedt Y gedurende een periode van drie jaar na de uitspraak van dit
vonnis zich tijdens werkuren op maandag, dinsdag, woensdagochtend, donderdag
en vrijdagochtend te begeven of te bevinden in de plaatsen A., L. en O.,
zulks op verbeurte van een dwangsom van ƒ 500 per dag voor iedere dag dat Y
weigert zich aan dit verbod te houden;

5.2. bepaalt dat genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter,
voor zover handhaving van deze dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan
de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van
verwijtbaarheid van de overtreding;

5.3. veroordeelt Y in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de
zijde van X begroot op ƒ 1.550 voor salaris van haar procureur en op ƒ 465,75
voor verschotten;

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Rechters

Mr. Quik-Schuijt

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Dordrecht, 11 september 2000

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Dordrecht

Samenvatting


De aan verzoekster verleende vergunning tot verblijf bij partner is door
verweerder ingetrokken naar aanleiding van verklaringen van betrokkenen dat
zij goede vrienden van elkaar zijn maar geen lesbische relatie hebben.
Volgens verweerder is derhalve geen sprake van een exclusieve en vaste
relatie zoals bedoeld in de Vc. Niet betwist wordt dat betrokkenen
samenwonen, een gemeenschappelijke huishouding voeren en een notarieel
samenlevingscontract hebben gesloten.
De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van het vereiste ‘vaste
en exclusieve relatie’ meebrengt dat sprake moet zijn van een relatie
ingevolge welke de partners beogen levenspartners te zijn, in die zin dat
beide (levens)partners een dermate sterke behoefte hebben samen door het
leven te gaan dat hun relatie uitstijgt boven een – louter –
vriendschappelijke band. Gelet op de verklaringen van eiseres en haar partner
is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een exclusieve en vaste
relatie in de zin van de Vc, hoe hecht de relatie door betrokkenen ook wordt
ervaren. Tijdens de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf is
de indruk gewekt dat eiseres een lesbische relatie heeft met M. Nu een
dergelijke relatie, ongeacht de vraag of de partners al dan niet seksueel
contact met elkaar hebben, wel is aan te merken als een exclusieve en vaste
relatie in de zin van de Vc, is eiseres destijds op basis van onjuiste
gegevens in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf. Het beroep
wordt ongegrond verklaard.

Volledige tekst

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoekster, geboren op 24 oktober 1949, bezit de Surinaamse
nationaliteit. Bij besluit van 2 maart 2000 heeft verweerder de aan
verzoekster verleende vergunning tot verblijf ingetrokken. Verzoekster heeft
tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 3 maart 2000,
aangevuld bij schrijven van 20 maart 2000. Bij de uitreiking van het besluit
in primo op 3 maart 2000 is verzoekster medegedeeld dat zij de behandeling
van het bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten en dat zij Nederland
onmiddellijk moet verlaten. Verzoekster moet er dan ook rekening mee houden
binnenkort uit Nederland te worden verwijderd.

2. Bij verzoekschrift van 3 maart 2000 heeft verzoekster de president van de
rechtbank verzocht de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege
te laten, te schorsen totdat op bezwaar is beslist. De op de zaak betrekking
hebbende stukken van verweerder zijn op 15 mei 2000 ter griffie ontvangen. In
het verweerschrift van 31 mei 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot
afwijzing van het verzoek en, met toepassing van artikel 33b Vw, tot
ongegrondverklaring, van het bezwaar.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2000. Verzoekster
is aldaar in persoon verschenen bijgestaan door mr. H.L.M. Lichteveld,
advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door
gemachtigde mr. J.P. Nijenhuis, ambtenaar bij de Immigratie- en
Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

4. Bij beslissing van 8 juni 2000 heeft de president de behandeling van de
zaak geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere
informatie bij de Dienst Vreemdelingenpolitie Amsterdam-Amstelland in te
winnen.

5. Bij brief van 9 juni 2000 heeft verweerder bedoelde informatie overgelegd.
Bij brief van 15 juni 2000 heeft de gemachtigde van verzoekster op de door
verweerder overgelegde informatie gereageerd. Partijen hebben toestemming
gegeven dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is
gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Thans is aan de orde de vraag of er aanleiding bestaat de
uitzettingsbeslissing te schorsen en een daartoe strekkende voorlopige
voorziening te treffen. In artikel 32 lid 1 aanhef en onder b Vw is bepaald
dat uitzetting achterwege blijft indien er aanleiding bestaat om aan te nemen
dat het bezwaar gericht tegen het besluit dat strekt tot weigering van de
toelating, een redelijke kans van slagen heeft. De beslissing uitzetting niet
achterwege te laten dient te worden geschorst indien verweerder heeft
gehandeld in strijd met bovengenoemde wettelijke bepaling. Voorts dient
uitzetting vooralsnog achterwege te blijven indien verweerder in de gegeven
omstandigheden anderszins heeft gehandeld in strijd met de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur of enige andere rechtsregel.

2. De president gaat uit van de volgende feiten. Verzoekster verblijft sedert
7 oktober 1998 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 25 maart
1999 is zij in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf voor
verblijf bij haar Nederlandse partner Marie B., waarvan de geldigheidsduur
laatstelijk is verlengd tot 10 december 2000. In het kader van een onderzoek
naar schijnhuwelijken c.q. schijnrelaties door het zogenoemde Regionaal
Interdisciplinair Fraudeteam (RIF) te Amsterdam zijn verzoekster en haar
partner ontboden om op 28 februari 2000 in persoon te verschijnen bij de
Dienst Vreemdelingenpolitie te Amsterdam. Naar aanleiding van de verklaringen
die zij afzonderlijk hebben afgelegd, zijn zij op 28 februari 2000 conform
het bepaalde in artikel 4:8 Awb gehoord met betrekking tot het voornemen om
de aan verzoekster verleende vergunning tot verblijf in te trekken op de
grond dat tussen verzoekster en mevrouw B. geen sprake is van een relatie in
de zin van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994. Vervolgens is bij besluit in
primo de verleende vergunning tot verblijf ingetrokken op grond van artikel
12, aanhef en onder a Vw.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aan verzoekster verleende
vergunning tot verblijf terecht en op goede gronden is ingetrokken. Daartoe
voert verweerder aan dat verzoekster en mevrouw B. op de ontbieding van 25
maart 1999 van de Vreemdelingendienst te Amsterdam zijn verschenen en
afzonderlijk zijn gehoord. Van deze gehoren is een rapport opgemaakt. Uit de
verklaringen van verzoekster en mevrouw B. in dit rapport valt af te leiden
dat beiden ten tijde van de aanvraag hebben verklaard en – zich dit ook
hebben gerealiseerd – dat er sprake zou zijn van een relatie (liefdesrelatie)
in de zin van de Vc 1994. Met name blijkt dit uit de verklaring van mevrouw
B.: “Ik ben het enige kind van mijn ouders, het is niet de gewoonte om een
homo-verhouding te hebben’. Uit informatie van de Dienst Vreemdelingenpolitie
van 28 februari 2000 is gebleken dat weliswaar sprake is van het gezamenlijk
bewonen van een woning en wellicht tevens van het voeren van een
gemeenschappelijke huishouding, maar volgens de verklaringen van verzoekster
en mevrouw B. is geen sprake van een exclusieve liefdesrelatie in de zin van
de Vc 1994. Verzoekster en mevrouw B. hebben aldus door het verstekken van
onjuiste gegevens doen willen voorkomen dat er wel sprake is van een
exclusieve relatie in de zin van de Vc 1994.

4. Verzoekster heeft de stellingen van verweerder gemotiveerd weersproken.
Hetgeen verzoekster daartoe heeft aangevoerd zal hierna nader aan de orde
komen.

De president overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot
verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat
vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun
aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan
wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende
uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is
neergelegd in de Vc 1994.

7. Verweerder voert het beleid, neergelegd in hoofdstuk B1/3 van de Vc 1994,
dat de partner van een Nederlander voor een vergunning tot verblijf in
aanmerking kan komen. Hierbij wordt door verweerder – onder meer – de eis
gesteld dat sprake is van een vaste relatie, hetgeen met name moet blijken
uit het feit dat de partners feitelijk samenwonen, op hetzelfde adres in het
bevolkingsregister zijn ingeschreven en een gemeenschappelijke huishouding
voeren.

8. De president is – gelijk de president van deze rechtbank, zittingsplaats
‘s-Gravenhage in de uitspraak van 21 augustus 1995, gepubliceerd in Jub 1995,
nr. 15-3, heeft overwogen – van oordeel dat een redelijke uitleg van dit
beleid veronderstelt dat er tussen de partners in ieder geval een affectieve
relatie dient te bestaan in die zin dat het een behoefte moet zijn van beide
partners om samen door het leven te gaan, welke uitstijgt boven het hebben
van een vriendschappelijke band. Het kan niet de bedoeling van verweerder
zijn geweest om verblijf op grond van het partnerbeleid toe te staan op grond
van de enkele omstandigheid dat betrokkenen onder één dak wonen en eventueel
de kosten van levensonderhoud delen.

9. De president stelt voorop dat verzoekster niet heeft betwist dat tijdens
het onderhoud op 25 maart 1999 het onderwerp homosexuele relaties ter sprake
is gekomen. Gelet op het feit dat het onderhoud heeft plaatsgevonden naar
aanleiding van de aanvraag van verzoekster om verlening van een vergunning
tot verblijf voor verblijf bij haar Nederlandse partner mevrouw B., is het
voldoende aannemelijk dat dit onderwerp is besproken in relatie tot de
aanvraag van verzoekster en niet slechts in algemene zin, zoals verzoekster
betoogt. Voldoende aannemelijk is dat de opmerking van mevrouw B. “Ik ben het
enige kind van mijn ouders, het is niet de gewoonte om een homo-verhouding te
hebben’, slaat op haar relatie met verzoekster. Mevrouw B. heeft hiermee op
zijn minst de indruk gewekt dat zij een dergelijke verhouding met verzoekster
heeft. De thans door verzoekster opgeworpen stelling dat tijdens het gesprek
op 25 maart 1999 niet specifiek is gevraagd of verzoekster en mevrouw B. een
homoseksuele relatie hebben en dat verzoekster en mevrouw B. daaromtrent
niets hebben verklaard, overtuigt derhalve niet. Nu verzoekster en mevrouw B.
op 28 februari 2000 afzonderlijk van elkaar hebben verklaard dat zij goede
vrienden van elkaar zijn maar geen lesbische relatie hebben, wordt voorshands
geoordeeld dat verzoekster destijds op basis van onjuiste gegevens – namelijk
de schijn van het bestaan van een relatie als bedoeld in de Vc 1994 – een
vergunning tot verblijf voor verblijf bij een Nederlandse partner heeft
gekregen. Verweerder kon derhalve op grond van artikel 12, aanhef en onder a
Vw de vergunning tot verblijf van verzoekster intrekken.

10. Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat het bezwaar geen
redelijke kans van slagen heeft. Nu evenmin is gebleken van strijd met andere
rechtsregels, moet worden geconcludeerd dat verweerder in redelijkheid heeft
kunnen besluiten uitzetting niet achterwege te laten zodat het verzoek om een
voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

11. De president acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
33b Vw,

12. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou
moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in
de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de president niet
gebleken.

III. BESLISSING

De president
wijst het verzoek af.

Rechters

mr. Meskers

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 8 september 2000

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Ouders vorderen van artsen en ziekenhuis schadevergoeding in verband met een
medische fout waardoor hun zoon ernstig gehandicapt raakte. Zij hadden met de
arts een behandelingsovereenkomst gesloten. De artsen hebben
aansprakelijkheid jegens het kind erkend, maar de ouders vorderen nu
vergoeding van door henzelf geleden materiële en immateriële schade. Zij
stellen onder meer dat ook jegens hen onrechtmatig is gehandeld. Het hof
heeft de vordering afgewezen. Het is er daarbij van uit gegaan dat de
wederpartij mocht aannemen dat de ouders, als wettelijk vertegenwoordigers
van hun kind, de overeenkomst uitsluitend in naam van dat kind sloten en niet
(mede) voor zichzelf. Het feit dat de ouders een eigen belang hadden bij
correcte nakoming van de overeenkomst maakt dat niet anders. Voorts heeft het
hof het beroep van de ouders op art. 8 EVRM verworpen, omdat die bepaling
niet strekt tot bescherming van de integriteit van het gezinsleven. Geen
onjuiste rechtsopvatting.

Volledige tekst

Hebben de ouders bij het sluiten van de overeenkomst uitdrukkelijk gezegd dat
zij zowel voor zich als namens het kind de overeenkomst willen aangaan en
wordt dat door de artsen en het ziekenhuis aanvaard, dan kan de feitenrechter
op die grond vaststellen dat de overeenkomst door de ouders in beide
hoedanigheden tegelijk is gesloten. Maar zo gaat het in de praktijk
natuurlijk niet. Ouders, die een kind ter behandeling aan een arts in een
ziekenhuis aanbieden, hebben wel iets anders aan hun hoofd dan het preciseren
van hun juridische positie tegenover het ziekenhuis. Omgekeerd plegen
ziekenhuizen bij opname slechts te vragen naar een ponsplaatje of pasje,
waarop de personalia van de patiënt, de naam van de huisarts en de naam van
het ziekenfonds of de ziektekostenverzekeraar staan. Ontbreken – zoals in dit
geval – verklaringen van partijen jegens elkaar omtrent de hoedanigheid of
hoedanigheden waarin de ouders optreden, dan kan de feitenrechter moeilijk
anders doen dan zich een beeld vormen van de verwachtingen zoals de
handelende partijen over en weer moeten hebben gehad en van de betekenis die
zij aan elkanders gedragingen hebben toegekend en redelijkerwijze mochten
toekennen. Dat is wat het hof hier heeft gedaan.

2.11. Dat de ouders zich (niet slechts als wettelijk vertegenwoordigers maar
ook)persoonlijk betrokken voelen bij de overeenkomst tot geneeskundige
behandeling van hun kind behoeft geen toelichting. Het gaat in dit geding
echter om de juridische vraag, ten opzichte van wie de overeenkomst rechten
en verplichtingen schept. De kenmerkende prestatie, welke van de kant van de
artsen en het ziekenhuis moet worden geleverd, is de behandeling van de
patiënt. De kenmerkende prestatie, welke van de andere kant moet worden
geleverd, is het betalen van de rekening. Wanneer ouders pro se worden
beschouwd als partij bij de overeenkomst is de consequentie dat zij ook pro
se voor de rekening kunnen worden aangesproken. Nu lijkt dit een betrekkelijk
theoretisch probleem, want in Nederland zijn degenen die in een ziekenhuis
worden opgenomen door verzekerd tegen ziektekosten, hetzij bij een
particuliere verzekeringmaatschappij hetzij via het ziekenfonds. Maar ook nu
dat zo is, is het niet onbegrijpelijk dat het hof ervan uitgaat dat de artsen
en het ziekenhuis, behoudens aanwijzing voor het tegendeel, één persoon als
hun materiële wederpartij mogen beschouwen, dus: als degene aan wie zij de
rekening mogen sturen. In dit geval is de zoon als de materiële wederpartij
beschouwd. Het middel betoogt niet dat uitsluitend de ouders de materiële
contractspartij zijn; het middel betoogt slechts dat de ouders materiële
contractspartij zijn náást hun zoon. Meer in het algemeen, is niet
onbegrijpelijk dat het hof tot uitgangspunt neemt dat een partij bij een
overeenkomst ervan mag uitgaan dat degene met wie hij de overeenkomst sluit
slechts in één hoedanigheid tegelijk optreedt tenzij er een aanwijzing is dat
deze in meer dan één hoedanigheid handelt. Degene die in meer dan één
hoedanigheid tegelijk handelt, terwijl dit niet zonder meer uit de situatie
kenbaar is, zal dit dus aan de wederpartij kenbaar moeten maken.

2.12. In een overeenkomst tussen het kind als materiële contractspartij,
vertegenwoordigd door zijn wettelijk vertegenwoordigers, en de artsen en het
ziekenhuis kan worden bedongen dat de ouders ook voor zichzelf aan de
overeenkomst enig recht ontlenen. Wil men het zo beschouwen dat de
overeenkomst voor de ouders pro se geen verplichtingen schept en d at zij
daaraan uitsluitend rechten kunnen ontlenen jegens de artsen en het
ziekenhuis (een derdenbeding), dan getuigt het oordeel van het hof evenmin
van een verkeerde rechtsopvatting. Ook dan mocht het hof als feitelijk
uitgangspunt hanteren dat de artsen en het ziekenhuis bij het sluiten van de
behandelingsovereenkomst niet erop bedacht behoefden te zijn – en de ouders
ook niet mochten menen dat de artsen en het ziekenhuis erop bedacht zouden
zijn – dat zij (de artsen en het ziekenhuis) verplichtingen op zich namen
jegens een ander dan de zoon. De rechtsklacht van subonderdeel 1c gaat niet
op. Subonderdeel 1d, dat op de voorgaande klacht voortbouwt, faalt om
dezelfde redenen.

2.13. Subonderdeel 1e bevat een motiveringsklacht. Inderdaad is voor de
beantwoording van de vraag wie partij is bij de overeenkomst niet beslissend
ten behoeve van wie de overeenkomst is gesloten. Een persoon kan immers pro
se een behandelingsovereenkomst sluiten ten behoeve van een derde. Echter, in
de aangevallen zinsnede van rov. 4.7 (‘Tussen (…) gesloten’) wordt
teruggegrepen op de daaraan voorafgaande zinnen. Het hof beschouwt niet als
beslissend dat de overeenkomst werd gesloten ten behoeve van de zoon, maar
bedoelt kennelijk te zeggen dat partijen bij de totstandkoming van de
overeenkomst niet hebben besproken of de behandeling van de zoon aan de
ouders uitsluitend als wettelijk vertegenwoordigers van hun zoon rechten gaf
of ook pro se. Aldus gelezen, is de aangevallen passage niet onbegrijpelijk.

2.14. Subonderdeel 1f maakt bezwaar tegen de laatste volzin van rov. 4.7. De
rechtbank had in haar vonnis gewicht gehecht aan het belang van de ouders
persoonlijk: zowel het belang dat zij hebben om te kunnen voldoen aan hun
wettelijke verzorgingsplicht als het belang dat zij hebben bij een gezond
kind. Dat deze belangen bestaan, is in dit geding niet in twijfel getrokken;
de vraag is slechts of de aanwezigheid van zo’n belang maakt dat de ouders
pro se aan de behandelingsovereenkomst rechten ontlenen. Tegen dit deel van
de rechtbankredenering is het nodige in te brengen:
(i) Dat een vertegenwoordiger zelf belang heeft bij de overeenkomst, die hij
als vertegenwoordiger namens een ander sluit, komt wel vaker voor, maar maakt
de vertegenwoordiger nog geen partij bij de overeenkomst.
(ii) Van vrijwel iedere overeenkomst die ouders in verband met de verzorging
of opvoeding van hun kind sluiten kan wel worden gezegd dat de ouders daarmee
tevens voldoen aan hun wettelijke verzorgingsplicht jegens het kind (art.
1:247 BW); het voldoen aan de wettelijke verzorgingsplicht kan daarom
bezwaarlijk worden gebruikt als een onderscheidend criterium teneinde te
achterhalen wie de materiële contractspartij is: het kind, de ouders of
beide.
(iii) Om te voldoen aan de wettelijke verzorgingsplicht, resp. om tegemoet te
komen aan het eigen belang van de ouders bij een gezond kind, is het niet
nodig dat de ouders zélf als partij tot de overeenkomst toetreden. Aan de
verzorgingsplicht wordt immers voldaan en aan hun eigen belang bij een gezond
kind kan tegemoet worden gekomen doordat de ouders als wettelijk
vertegenwoordigers de behandelingsovereenkomst sluiten ÃNOOT 12#4#12Ž.

2.15. Om deze drie redenen heeft het hof m.i. terecht de redenering van de
rechtbank niet overgenomen, ook al erkent het hof het bestaan van het eigen
belang van de ouders (‘hoezeer ook te respecteren’; rov. 4.7). Subonderdeel
1f legt thans de nadruk op een bijzonder belang van de ouders pro se bij een
correcte nakoming van de behandelingsovereenkomst, te weten: het belang dat
de verzorgende taak van de ouders niet gedurende een lange tijd wordt
verzwaard doordat het kind gehandicapt uit de medische behandeling
tevoorschijn komt. Hiervan is al gezegd (argument (i) hierboven:louter de
aanwezigheid van het belang is onvoldoende om de ouders tot materiële
contractspartij te maken. Het subonderdeel voert dit belang kennelijk aan als
een omstandigheid waaruit de artsen en het ziekenhuis zouden hebben moeten
begrijpen en afleiden dat de ouders, toen zij hun kind ter behandeling
aanboden, ook pro se rechten aan de behandelingsovereenkomst wilden ontlenen.

2.16. Het subonderdeel impliceert de dubbele eis dat de artsen en het
ziekenhuis, toen zij de behandelingsovereenkomst sloten, zouden stilstaan bij
de mogelijk ernstige gevolgen van mogelijke fouten in de behandeling van de
zoon en daaruit de gevolgtrekking zouden maken dat zij, door de zoon in
behandeling te nemen, zich ook jegens de ouders contractueel verbonden. Voor
deze laatste eis is in het destijds geldende en ook in het huidige recht m.i.
onvoldoende steun te vinden ÃNOOT 13#4#13Ž. Uitgaande van het in alinea 2.7 aangehaalde
criterium, gaat het erom, welke verwachtingen partijen hebben gehad of
moesten hebben ten aanzien van de identiteit van de partijen die
contractspartij werden. Dit criterium sluit aan bij de gang van zaken op de
‘werkvloer’ bij het sluiten van de overeenkomst. Het hof was niet gehouden
het in dit subonderdeel bepleite standpunt te aanvaarden. De in feitelijke
aanleg op dit punt ontwikkelde stellingen noopten het hof niet ertoe, de
motivering verder uit te werken dan het hof heeft gedaan. De slotsom is dat
ook subonderdeel 1f geen doel treft.

2.17. Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 4.8 en 4.9. De klacht heeft geen
zelfstandige betekenis naast onderdeel 1. Volledigheidshalve zij opgemerkt
dat wanneer een wanprestatie van de artsen of het ziekenhuis jegens de ouders
pro se wordt aangenomen, daarmee nog niet gegeven is dat, naast de vordering
tot vergoeding van materiële schade op te maken bij staat, ook de gevorderde
vergoeding van immateriële schade toewijsbaar is.

2.18. Onderdeel 3 heeft betrekking op de laatste grondslag van de vordering:
de gestelde onrechtmatige daad jegens de ouders. Subonderdeel 3a (de
rechtsklacht) houdt kort gezegd in dat het hof in rov. 4.16 miskent dat een
inbreuk op het family life van de ouders een aantasting van de persoon van de
ouders kan opleveren en dat een aantasting in de persoon een zelfstandige
grond vormt voor toekenning van immateriële schadevergoeding. Subonderdeel 3b
(de motiveringsklacht) voegt toe dat de motivering van het hof geen sluitende
weerlegging vormt van de desbetreffende stellingen van de ouders.

2.19. Het hof heeft vastgesteld dat art. 1407 (oud) BW van toepassing is. Dit
artikel bepaalt dat moedwillige of onvoorzichtige kwetsing of verminking van
het lichaam de gewonde het recht geeft naast een vergoeding van de kosten van
herstel ook de schade door de kwetsing of verminking veroorzaakt te vorderen.
Daartoe behoort vergoeding van immateriële schade ÃNOOT 14#4#14Ž. Het artikel kent
anderen dan de gewonde geen recht op schadevergoeding toe ÃNOOT 15#4#15Ž. De artikelen
1406 en 1407 geven voor wat betreft de kring van gerechtigde personen en de
omvang van de vergoeding een aan de algemene regels derogerende regeling. Men
kan dus niet aan de beperkingen van de artikelen 1406 en 1407 ontkomen door
een actie op een ander wetsartikel te baseren ÃNOOT 16#4#16Ž. In het kader van de
totstandkoming van het nieuw BW heeft een parlementair debat plaatsgevonden
over de vraag of ook anderen dan de gewonde schadevergoeding zouden moeten
kunnen vorderen. Het gaat daarbij met name om immateriële schade wegens het
verdriet om de dood of verwonding van een familielid of andere naaste (de
zgn. affectieschade) ÃNOOT 17#4#17Ž. Zoals bekend, is in het NBW een beperkte regeling
getroffen voor de verplaatste schade (nl. in de artikelen 6:107 en 6:107a)
maar is de mogelijkheid van toekenning van immateriële schade aan anderen dan
de gewonde door de wetgever afgewezen ÃNOOT 18#4#18Ž. In de huidige wettekst komt dit
tot uitdrukking in art. 6:95 BW: de schade bestaat in vermogensschade en
ander nadeel, dit laatste slechts voor zover de wet op vergoeding hiervan
recht geeft. Art. 6:106 BW houdt in dat voor nadeel dat niet in
vermogensschade bestaat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid
vast te stellen schadevergoeding in de gevallen, welke in dat artikel onder a
– c worden aangegeven. Art. 6:106 BW is op de onderhavige casus niet van
toepassing en overigens zou toepasselijkheid van het artikel niet hebben
geleid tot toewijzing van vergoeding van affectieschade, omdat het
limitatieve stelsel van de we daaraan in de weg staat ÃNOOT 19#4#19Ž. De keuze van de
wetgever is niet
onomstreden ÃNOOT 20#4#20Ž. A.J. Verheij heeft een analyse gemaakt van de argumenten
waarom bij de totstandkoming van het NBW van vergoeding van affectieschade is
afgezien en is tot de slotsom gekomen dat de voornamelijk praktische
bezwaren, welke in het parlementair debat werden aangevoerd, alle kunnen
worden ondervangen door een wettelijke regeling met gefixeerde bedragen en
een vaste kring van gerechtigden ÃNOOT 21#4#21Ž. Nu de rov. 4.12 en 4.13 in cassatie
niet worden bestreden, moge met deze verwijzingen worden volstaan ÃNOOT 22#4#22Ž.

2.20. Van affectieschade te onderscheiden is het begrip shockschade, ook wel
aangeduid met de term schokschade of schrikschade ÃNOOT 23#4#23Ž. Anders dan bij
affectieschade, gaat het bij shockschade niet om schade die een afgeleid
gevolg is van het overlijden of de verwonding van een ander. Lijdt iemand
gezondheidsschade door een onrechtmatige daad, bijv. door de schrik van de
confrontatie, dan is zo iemand zélf rechtstreeks slachtoffer; eventueel, maar
niet noodzakelijk, als medeslachtoffer naast een slachtoffer dat lichamelijk
letsel heeft opgelopen. Van gezondheidsschade kan sprake zijn bij een
(psychiatrisch te kwalificeren) geestelijk letsel. In feitelijke aanleg
hebben de ouders zich op shockschade beroepen. Het hof heeft die grondslag
van de vordering in rov. 4.14 verworpen. Tegen die beslissing komt het
cassatiemiddel uitdrukkelijk niet op ÃNOOT 24#4#24Ž. Shockschade is in dit
cassatieberoep dus niet aan de orde.

2.21. Eén van de gevallen in het NBW, waarin vergoeding van immateriële
schade kan worden toegewezen, is art. 6:106, lid 1 aanhef en onder b: indien
de benadeelde (anders dan door lichamelijk letsel enz.) in zijn persoon is
aangetast. Tot de aantastingen in de persoon behoren, onder meer, inbreuken
op de persoonlijke levenssfeer ÃNOOT 25#4#25Ž en gevallen van geestelijk letsel, mits
voldoende ernstig ÃNOOT 26#4#26Ž. De erkenning in de rechtspraak dat een inbreuk op het
door art. 8 EVRM beschermde recht op privacy een ‘aantasting in de persoon’
kan opleveren, heeft de ouders aanleiding gegeven de vraag aan de orde te
stellen of een inbreuk op het, eveneens door art. 8 EVRM beschermde, recht op
eerbiediging van het gezinsleven dan niet evenzeer beschouwd moet worden als
een aantasting in de persoon van de ouders. Onderzocht moet dus worden (a) of
de fout van de artsen en het ziekenhuis een inbreuk is op het recht op
eerbiediging van het gezinsleven van de ouders en, zo ja, (b) of deze inbreuk
een aantasting in de persoon van de ouders oplevert. Het hof is in de
beantwoording van de eerstgenoemde vraag blijven steken. Volgens het hof
strekt het recht op eerbiediging van het gezinsleven van de ouders niet ter
bescherming van het thans door de ouders gestelde en volgens hen geschonden
belang (rov. 4.16). Het hof kwam dus niet meer toe aan de tweede vraag, nl.
of de inbreuk een aantasting in de persoon van de ouders oplevert.

2.22. Voor zover in dit geval van belang, omvat het recht op eerbiediging van
het gezinsleven het recht van de ouders om persoonlijk en ongestoord
betrekkingen te kunnen onderhouden met hun kind ÃNOOT 27#4#27Ž. Ook kan hierbij worden
gedacht aan de uitoefening door de ouders van hun ouderlijke
verantwoordelijkheden, waartoe behoort het recht van de ouders hun zoon op te
voeden en te verzorgen ÃNOOT 28#4#28Ž. Op dát recht hebben de artsen en het ziekenhuis
geen inbreuk gemaakt. De ouders kunnen, ook na de medische fout, zonder
inmenging van de overheid of van anderen hun zoon opvoeden en persoonlijke
betrekkingen met hem onderhouden. Aannemelijk is dat het hof dit heeft
bedoeld, toen het hof overwoog dat het recht op eerbiediging van het
gezinsleven van de ouders niet strekt tot bescherming van het gestelde en
beweerdelijk geschonden belang. Op deze grond kan de klacht worden verworpen.
Is er geen inbreuk op het recht op eerbiediging van het gezinsleven, dan komt
de rechter niet meer toe aan de vraag of de inbreuk een aantasting in de
persoon oplevert.

2.23. Voor het geval Uw Raad het arrest anders leest, bespreek ik het middel
verder. Het middel vereenzelvigt de gestelde inbreuk op het recht op
eerbiediging van het gezinsleven met de aantasting in de persoon. Dit vereist
m.i. een uitwerking. Twee jaar geleden heeft Verheij voorgesteld bij de
uitleg van het begrip aantasting in de persoon aansluiting te zoeken bij het
recht op zelfbeschikking en dit laatste te beschouwen als een onderdeel van
het algemene persoonlijkheidsrecht ÃNOOT 29#4#29Ž. De gevallen waarin smartengeld is
toegekend wegens aantasting in de persoon hebben volgens Verheij gemeen dat
ze alle een inbreuk op de zelfbeschikking van het individu betroffen. De
gedachte, welke thans aan het middel ten grondslag ligt, is dat degene die
ten gevolge van de onrechtmatige daad van een ander wordt belast met de zorg
voor de gewonde (bijv. de echtgenoot, een volwassen kind, een broer of zuster
dan wel de ouders van de gewonde) zijn privéleven heel anders moet inrichten
dan hij zou hebben gedaan indien het schadetoebrengend feit niet had
plaatsgevonden ÃNOOT 30#4#30Ž. De s.t. van de ouders (sub 30) vat het aldus samen: de
ouders zijn, als gevolg van de medische fout, belast met de verzorging van
een zwaar gehandicapt kind. Door de psychische en fysieke belasting die dit
met zich meebrengt, derven de ouders levensvreugde; bij de inrichting van hun
persoonlijk leven en gezinsleven worden zij aanzienlijk beperkt door de zorg
voor hun gehandicapte zoon. De vraag is nu, of langs deze weg het handelen
van de artsen en het ziekenhuis kan worden aangemerkt als een onrechtmatige
daad rechtstreeks jegens de ouders.

2.24. Het hof is ervan uitgegaan dat de door gedaagden gemaakte medische
fouten zeer ingrijpende gevolgen hebben voor het persoonlijk leven van de
ouders (zie rov. 4.17). Ook in cassatie kan van dat feit worden uitgegaan.
Hoewel het verdriet van de ouders om het lot van hun zoon en het verdriet om
hun eigen lot moeilijk te scheiden zijn, is de stelling correct dat de
vordering van de ouders méér omvat dan (de door de wetgever uitdrukkelijk
uitgesloten) affectieschade.

2.25. De positie en de handhaving van persoonlijkheidsrechten zijn voor het
Belgische en het Nederlandse recht behandeld in recente preadviezen ÃNOOT 31#4#31Ž.
Hier is steun te vinden voor de gedachte van Verheij. In het Belgische
preadvies (sub 41) valt o.m. te lezen:

‘De schade, die de schending van een persoonlijkheidsrecht ipso facto en
onvermijdelijk veroorzaakt, is immaterieel van aard en ligt in de
vermindering van het zelfgevoel en de eigenwaarde van het slachtoffer dat
door de miskenning van zijn juridische macht van een deel van zijn
autodeterminatiebevoegdheid beroofd wordt (…).’

In het preadvies van Lindenbergh (t.a.p. blz. 84) worden
persoonlijkheidsrechten aangeduid als subjectieve rechten waarop inbreuken in
beginsel als onrechtmatig worden gekwalificeerd. Op blz. 98/99 bespreekt hij
de Nederlandse rechtspraak waarin schending van persoonlijkheidsrechten werd
aangemerkt als aantasting van de persoon, zoals bij aantasting van de
lichamelijke integriteit, bij ongelijke behandeling en bij aantasting van de
bewegingsvrijheid. Hij vervolgt:

‘De betrekkelijke abstractie en diversiteit van deze categorie vraagt om
nadere invulling in de vorm van gezichtspunten of criteria die ertoe kunnen
bijdragen deze groep van gevallen te onderscheiden van gevallen waarin een
recht op vergoeding van immateriële schade niet op zijn plaats is (..). Dat
laatste is met name van belang in het licht van artikel 6:95 BW, waarmee de
wetgever een gesloten stelsel van gevallen waarin een recht op vergoeding van
immateriële schade bestaat, voor ogen heeft gehad. Zou alles wat de persoon
raakt, kunnen worden aangemerkt als persoonsaantasting, dan mist de categorie
onderscheidend karakter en zou het gesloten systeem `lek raken’.’

2.26. Het recht op zelfbeschikking is niet een éénduidig begrip. Zo wordt
bijv. een zelfbeschikkingsrecht (van volkeren) erkend in het volkerenrecht.
Ook komt het begrip voor als synoniem voor de partij-autonomie in het
overeenkomstenrecht. De term zelfbeschikking wordt voorts gebruikt in de zin
van lichamelijke/sexuele zelfbeschikking (bijv. in het patiëntenrecht en in
discussies over euthanasievraagstukken, wrongful birth, prostitutie e.d.) en
hangt dan samen met het in art. 11 Grondwet beschermde recht op de
onaantastbaarheid van het lichaam. Het recht op zelfbeschikking zie ik in die
gevallen slechts als een hulpmiddel om te komen tot een afbakening van wat
het algemene persoonlijkheidsrecht inhoudt. Dit spreekt voor zich in de
klassieke gevallen van schending van de persoonlijke levenssfeer. Als
voorbeeld noem ik het meisje in de hierboven reeds genoemde zaak NJ 1988, 277
(foto in naturistengids). Zij leed geen vermogensschade, had geen lichamelijk
of geestelijk letsel en was evenmin in haar eer of goede naam aangetast. Zij
was echter in haar persoon aangetast omdat zij zélf wilde uitmaken of zij
zich wel of niet naakt wilde tonen op de omslag van een in winkels
verkrijgbare gids. Een ander voorbeeld is het recht van de patiënt om geen
informatie te willen ontvangen (art. 7:449 BW) en zelf uit te maken of
anderen dan de arts de medische verrichtingen mogen waarnemen (art. 7:459
BW). Worden zulke voorschriften geschonden, dan is de schending via de
constructie van een recht op zelfbeschikking te kwalificeren als een
aantasting in de persoon. De erkenning van een recht op zelfbeschikking als
hulpmiddel om het persoonlijkheidsrecht inhoud te geven, betekent echter niet
dat iedere inbreuk op de vrijheid van zelfbeschikking reeds daarom
onrechtmatig is.
2.27. Een beroving van de bewegingsvrijheid valt aan te merken als een
aantasting in de persoon ÃNOOT 32#4#32Ž. Kan dit nu worden doorgetrokken, in die zin
dat iedere handeling waardoor een ander (ernstig) wordt beperkt in zijn
vrijheid om zijn privé-leven en zijn gezinsleven in te richten – in die zin
dat hij genoodzaakt wordt zijn leven anders in te richten dan hij zou hebben
gedaan als die beperking er niet zou zijn geweest: het standpunt van de
ouders -, reeds op díe grond onrechtmatig is tegenover die ander? Het komt
mij voor, dat een dergelijke opvatting geen geldend recht is. Het
belangrijkste voordeel van de door het middel verdedigde rechtsopvatting is,
dat erkenning van de ouders als rechtstreeks (mede)slachtoffer van de begane
medische fout zou aansluiten bij in de maatschappij gevoelde behoeften. Die
behoeften worden mede in de hand gewerkt door de onevenwichtigheid van het
wettelijk systeem, hieruit blijkend dat de rechtspraak in aanzienlijk minder
schrijnende gevallen dan het verlies of de verwonding van een kind wél
immateriële schadevergoeding toekent ÃNOOT 33#4#33Ž. Daartegenover staat als
belangrijkste nadeel dat het voor een rechter, die eenmaal uitdrukkelijk een
recht op schadevergoeding heeft erkend op grond van een onrechtmatige daad,
enkel bestaande in het beperken van de vrijheid van de ander om zijn privé-
of gezinsleven in te richten zoals deze ander verkiest, niet goed mogelijk is
de omvang van dit recht af te bakenen. Anders dan bijv. de lichamelijke
integriteit, is een begrip als ‘de vrije beschikking over de inrichting van
het eigen privé-leven of gezinsleven’ dermate veelomvattend, dat het begrip
als onrechtmatigheidscriterium onderscheidend karakter mist ÃNOOT 34#4#34Ž. Ook is het
voor de rechter niet goed mogelijk de kring van gerechtigden af te bakenen:
wie op deze grond een recht op schadevergoeding toekent aan ouders moet ook
een oplossing paraat hebben voor andere familie- of gezinsbetrekkingen en
voor gezinsleden die onderling onrechtmatig handelen op deze grond. Tot het
maken van de daarvoor
noodzakelijke maatschappelijke keuzen en het voeren van het daartoe
noodzakelijke overleg is de wetgever beter toegerust dan de rechter. Voor wat
betreft de (materiële) inkomensschade van de ouders zelf, valt op te merken
dat de rechtspraak aan de maatschappelijke behoefte reeds ten dele tegemoet
is gekomen. In HR 28 mei 1999, NJ 1999, 564 m.nt. ARB, werd o.m. beslist dat
de schade, geleden door de tijd die de ouders hebben besteed aan de
begeleiding en verzorging van hun gewonde kind, in beginsel voor vergoeding
in aanmerking kan komen, zij het als (materiële) schade van het kind en ten
hoogste tot het bedrag van de bespaarde professionele hulp. De slotsom is dat
ook onderdeel 3 niet tot cassatie leidt.

3. CONCLUSIE
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

@@TNT=
[NOOT_1]
Zie rov. 3 van het bestreden arrest in verbinding met rov. 1a – 1h van de
rechtbank.
[NOOT_2]
De bond zou in de onderhandelingen voorafgaand aan de dading van 23 mei
1991 onvoldoende oog hebben gehad voor de berekening van het door de zoon te
derven arbeidsinkomen en voor de renteschade.
[NOOT_3]
Hoewel de omvang van de schade nog niet aan de orde is, hebben de ouders
reeds aangegeven dat hun materiële schade o.m. is gelegen in hun eigen
gemiste carrièrekansen door de tijd en aandacht die zij moeten geven aan de
verzorging van hun zoon.
[NOOT_4]
De ouders hebben de grondslagen van de vordering samengevat in CvR sub 4.1.
Zoals hierna zal blijken, correspondeert onderdeel 1 van het middel met de
tweede grondslag en onderdeel 2 met de derde grondslag onder c.
[NOOT_5]
Het vonnis is gepubliceerd in NJ kort 1995, 35. Commentaren van R. Overeem,
Vrb 1995 blz. 77; R. de Winter en J. Broekhuizen, AA 1995 blz. 921; L.
Dommering-van Rongen in TvC 1996 blz. 130; J.A.M. Strens-Meulemeester, NbBW
1996 blz 5. Zie over dit vonnis ook: preadvies A.T. Bolt en J. Spier, NJV
1996-I blz. 349 e.v.; M.G. Sluiter en M.M. ten Hoopen, FJR 1996 blz. 149-156;
A.J. Verheij, NTBR 1998 blz. 330-331.
[NOOT_6]
Het arrest is gepubliceerd in VR 1998 nr. 183 en becommentarieerd in Vrb
1998 blz. 121 (A.S. Fransen van de Putte); A&V 1999 blz. 30 (T. Hartlief).
Zie ook: S.D. Lindenbergh, Smartengeld (diss. 1998) blz. 180-183.
[NOOT_7]
De rechtbank (rov. 4) heeft vastgesteld dat de vordering moet worden
beoordeeld naar het vóór 1 januari 1992 geldende recht; het feit vond plaats
in 1986.
[NOOT_8]
Vgl. het standpunt van de ouders bij MvA blz. 14/15.
[NOOT_9]
HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 m.nt. GJS, en sedertdien vaste rechtspraak:
laatstelijk HR 28 juni 1996, NJ 1997, 494 m.nt. WMK. Zie ook: Asser-Hartkamp
II (1997) nr. 122; Asser-Van der Grinten I nr. 77; C.E. du Perron,
Overeenkomst en derden (diss. 1999) blz. 40/41; S.Y.Th. Meijer, Middellijke
vertegenwoordiging (diss. 1999) blz. 26-30.
[NOOT_10]
Asser-Hartkamp 4-I (2000), hoofdstuk 3.
[NOOT_11]
Art. 1353 (oud) BW, thans art. 6:253 BW. Een voorbeeld is de werkgever die
ten behoeve van zijn werknemers een geneeskundige behandelingsovereenkomst
sluit.
[NOOT_12]
Zie ook: M.G. Sluiter en M.M. ten Hoopen, FJR 1996, blz. 149-156.
[NOOT_13]
De s.t. van de ouders sub 15 – 17 wijst op andere gevallen waarin belangen
samenvallen, zoals bij een reparatie-opdracht ten aanzien van een in
bruikleen of vruchtgebruik gegeven voorwerp, waarbij zowel de bloot-eigenaar
als de bruiklener/vruchtgebruiker belang hebben bij schadevergoeding door de
reparateur. Ook dan echter, geldt het in alinea 2.7 aangehaalde criterium.
[NOOT_14]
HR 21 mei 1943, NJ 1943, 455.
[NOOT_15]
HR 8 april 1983, NJ 1984, 717 m.nt. CJHB. Asser-Hartkamp 4-I (2000) nr.
467 en 472; idem, editie 1988, nr. 472; losbl. Onrechtmatige daad (oud) II
nr. 356, zie ook nr. 363.
[NOOT_16]
Losbl. Onrechtmatige daad II nr. 269; HR 2 april 1936, NJ 1936, 752 m.nt.
EMM; HR 10 januari 1958, NJ 1958, 79 m.nt. LEHR; HR 15 februari 1963, NJ
1964, 423 m.nt. DJV; HR 16 juni 1972, NJ 1972, 375; S.D. Lindenbergh,
Smartengeld, diss. 1998, blz. 180.
[NOOT_17]
A.J. Verheij, Vergoeding van affectieschade, NTBR 1998 blz. 324 e.v.;
Asser-Hartkamp 4-I (2000) nr. 481.
[NOOT_18]
Parl. Gesch. Boek 6 blz. 371 – 389; Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. boeken 3, 5
en 6), blz. 1271-1277.
[NOOT_19]
S.D. Lindenbergh, Smartengeld, diss. 1998, blz. 180-184.
[NOOT_20]
Laatstelijk: C.C. van Dam, Emotioneel belang en affectieschade, VR 2000,
blz. 73 e.v., i.h.b. blz. 75.
[NOOT_21]
A.J. Verheij, NTBR 1998 blz. 324 e.v., in het bijzonder blz. 326/327.
[NOOT_22]
Zie voor verdere eisen: HR 2 november 1979, NJ 1980, 77 (vader Versluis).
[NOOT_23]
Zie over shockschade: Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1274;
A.T. Bolt, Shockschade, Brunner-bundel (1994) blz. 9 e.v.; R.J.P.
Kottenhagen, Shockschade; een rechtsgebied in beweging, NTBR 1996, blz. 119
e.v.; S.D. Lindenbergh, Schrik, onrechtmatigheid en schade, RM Themis 1997
blz. 178 e.v.; dezelfde, Smartengeld, diss. 1998, blz. 146 e.v. en 174-175;
A.J. Verheij, Shockschade, NJB 1999, blz. 1409 e.v.
[NOOT_24]
Zie de s.t. van de ouders sub 22.
[NOOT_25]
Parl. Gesch. Boek 6, blz. 380. Reeds onder het oud BW werd deze categorie
in de rechtspraak erkend: HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 277 m.nt. LWH; HR 1
november 1991, NJ 1992, 58. Asser-Hartkamp 4-I (2000) nr. 465.
[NOOT_26]
Zie hierboven alinea 2.20. Zie ook: Parl. Gesch. Boek 6 blz. 389. Reeds
onder het oud BW werd deze categorie in de rechtspraak erkend: HR 13 januari
1995, NJ 1997, 366; HR 1 november 1996, NJ 1997, 134; HR 21 februari 1997, NJ
1999, 145 m.nt. CJHB; HR 2 mei 1997, NJ 1997, 662 m.nt. Ma en HR 23 januari
1998, NJ 1998, 366; Asser-Hartkamp 4-I (2000) nr. 467.
[NOOT_27]
EHRM 8 juli 1987, NJ 1988, 828 m.nt. EAA, rov. 59: the mutual enjoyment by
parent and child of each other’s company constitutes a fundamental element of
family life. In gelijke zin o.m. EHRM 24 februari 1995, NJ 1995, 594 m.nt.
JdB, rov. 86. Zie ook: preadvies J. de Boer, NJV 1990, blz. 40-44; losbl.
EVRM, Rechtspraak en commentaar (Heringa/Schokkenbroek/Van der Velde, red.),
katern 3.8 (Heringa); Van Dijk/Van Hoof (red.), Theory and Practice of the
European Convention on Human Rights (1998) blz. 504-515; E.P. von Brucken
Fock, Familieleven en familierecht, NJCM-bull. 1996 blz. 147 e.v., i.h.b.
blz. 152.
[NOOT_28]
Art. 8 EVRM richt zich tot iedere public authority. Dat niettemin, langs
de weg van art. 1401 BW, een horizontale werking aan art. 8 EVRM toekomt is
ten aanzien van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
aangenomen in HR 9 januari 1987, NJ 1987, 928 (rov. 4.4). Zie ook de s.t. van
de ouders sub 26 en: L.F.M. Verhey, Horizontale werking van grondrechten, in
het bijzonder van het recht op privacy, diss. 1992, blz. 290-291; Van
Dijk/Van Hoof, a.w., blz. 22-26.
[NOOT_29]
A.J. Verheij, Een pleidooi voor de vergoeding van geringe immateriële
schade, RM Themis 1998 blz. 339 e.v. Een algemeen persoonlijkheidsrecht is
erkend in HR 15 april 1994, NJ 1994, 608 m.nt. WH-S. Zie ook: Heringa in
losbl. EVRM, R&C, rubriek 3.8.2.10 en de hierna te noemen preadviezen.
[NOOT_30]
Vgl. A.J. Verheij, RM Themis 1998 blz. 347, mede n.a.v. de onderhavige
zaak.
[NOOT_31]
E. Guldix en A. Wylleman (Belgisch recht) en S.D. Lindenbergh (Nederlands
recht), TvP nr. 3-99.
[NOOT_32]
Vgl. Asser-Hartkamp 4-I (2000) nr. 467.
[NOOT_33]
In dit verband worden dikwijls HR 1 november 1996, NJ 1997, 134 (kraaiende
krielhanen) en HR 2 mei 1997, NJ 1997, 662 m.nt. Ma (gedupeerde
aandeelhouder) genoemd; zie ook HR 23 januari 1998, NJ 1998, 366.
[NOOT_34]
Vgl. Lindenberghs slotzin, hierboven in alinea 2.25 geciteerd.

Rechters

Mrs. Mijnssen, Heemskerk, Van der Putt-Lauwers, De Savornin Lohman en Kop;A-G Langemeijer

Instantie: Rechtbank Zwolle, 8 september 2000

Instantie

Rechtbank Zwolle

Samenvatting


De periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof mag worden meegeteld bij
berekening van de periode van 52 weken wachttijd voor de WAO. Er is in casu
geen aanleiding voor -positieve- discriminatie van vrouwen, nu de meer
kwetsbare positie als gevolg van zwangerschap en moederschap onvoldoende
aanleiding geeft voor ongelijke behandeling van mannen en vrouwen op dit
punt.

Volledige tekst

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder d.d. 11 oktober 1999

2. ZITTING

Datum: 1 september 2000.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door mw. Winkelaar.
Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

3. FEITEN WELKE DE RECHTBANK ALS VASTSTAANDE AANNEEMT

Eiseres was laatstelijk werkzaam als verpleegkundige gedurende 32 uur per
week en als zodanig in dienst bij de Stichting Christelijk Algemeen
Ziekenhuis Noordwest V. te H..
Eiseres heeft zich op 7 oktober 1997 ziek gemeld wegens psychische klachten,
verband houdend met een aan haar echtgenoot op die datum overkomen ongeval en
diens overlijden enkele dagen daarna. Op dat moment was eiseres sinds kort
zwanger. Eiseres is op 6 april 1998 bevallen van een zoon.

Verweerder heeft op 5 januari 1999 besloten eiseres met ingang van 1 oktober
1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) toe te kennen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
80-100%.
Bij brief van 8 februari 1999 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar
aangetekend.
Verweerder heeft op 11 oktober 1999 besloten dit bezwaar ongegrond te
verklaren.
Eiseres heeft bij brief van 9 november 1999 tegen dit besluit beroep
ingesteld.
Verweerder heeft bij brief van 20 december 1999 verweer gevoerd.

4. BEWIJSMIDDELEN

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. MOTIVERING

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht heeft
besloten de ingangsdatum van de aan eiseres toegekende WAO-uitkering vast te
stellen op 1 oktober 1998.

Standpunten van partijen.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat haar zwangerschapsverlof volgens
opvattingen van het Europese Hof van Justitie geen ziekte is en dit verlof
niet mag meetellen bij de berekening van de 52 weken wachttijd, omdat dit zou
leiden tot ongelijke behandeling in vergelijking met mannelijke werknemers.

Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat bij de berekening van de periode
van 52 weken van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 19 van de WAO,
door de wet geen onderscheid gemaakt wordt naar de oorzaak van de
ongeschiktheid, -zodat ook de periode van ongeschiktheid, voortvloeiend uit
zwangerschap en bevalling, meegeteld dient te worden.

Wettelijk kader.

Artikel 19, eerste lid, van de WAO bepaalt dat de verzekerde, die
arbeidsongeschikt wordt, recht heeft op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering, zodra hij onafgebroken 52 weken
arbeidsongeschikt is geweest en na afloop van die periode nog
arbeidsongeschikt is.
Ingevolge het vijfde en zesde lid van artikel 19 worden voor het bepalen van
het tijdvak van 52 weken steeds in aanmerking genomen tijdvakken, gedurende
welke aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de Ziektewet (ZW), terwijl de
belanghebbende geacht wordt zodanige aanspraak te hebben indien hem in
verband met (onder andere) artikel 29 van de ZW geen ziekengeld wordt
uitgekeerd.

Op grond van de loondoorbetalingsverplichting van haar werkgever heeft
eiseres ingevolge deze laatste bepaling geen ziekengeld krachtens de ZW
uitgekeerd gekregen.

Beoordeling.

Eiseres is op 7 oktober 1997 arbeidsongeschikt geworden wegens psychische
klachten. Die klachten hielden direct verband met het aan haar echtgenoot
overkomen auto-ongeluk en diens overlijden kort daarop. Deze
arbeidsongeschiktheid, die dus los stond van haar zwangerschap en bevalling,
heeft ononderbroken geduurd en bestond nog op een tijdstip 52 weken later.
Daarmee is de voorwaarde vervuld die artikel 19 van de WAO stelt voor het
ingaan het recht op WAO-uitkering.
Het feit dat eiseres gedurende die periode van arbeidsongeschiktheid
bovendien een bepaald tijdvak niet tot werken in staat was in verband met
zwangerschap en bevalling maakt dat niet anders.

Ter zitting heeft eiseres haar argumenten aangevuld met de stelling dat er
wel een verband is tussen de zwangerschap en de ongeschiktheid tot werken
wegens psychische klachten, in die zin dat de omstandigheid dat zij in
verwachting was en haar kind ter wereld moest brengen zonder haar man, een
verzwarende factor is geweest bij het leed dat zij had te dragen en verwerken
als gevolg van zijn overlijden en het psychisch lijden heeft verergerd.

Naar het oordeel van de rechtbank valt zeker niet uit te sluiten dat de
zwangerschap en bevalling van eiseres onder de gegeven omstandigheden de
psychische draagkracht nog eens extra negatief hebben beïnvloed. Tegelijk
moet echter worden geoordeeld dat het vaststellen van de mate waarin die
zwangerschap daarop van invloed is geweest zeer speculatief is. In de woorden
van eiseres. “je weet niet hoe het anders zou zijn gegaan”. In elk geval ziet
de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de
zwangerschap onder de geschetste omstandigheden zozeer overheersend is
geweest als oorzaak van het ontstaan en blijven bestaan van de psychische
problemen van eiseres gedurende 52 weken, dat die problemen niet meer primair
moeten worden aangemerkt als het gevolg van het overlijden van haar
echtgenoot maar als gevolg van die zwangerschap.

Indien voor eiseres de eerste WAO-dag niet zou vallen na een aaneengesloten
periode van 52 weken van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of
gebrek, niet verband houdend met zwangerschap of bevalling, zou er sprake
zijn van ongelijke behandeling van eiseres in vergelijking met mannelijke
werknemers. Voor een dergelijke (positieve) discriminatie kan grond zijn
indien de meer kwetsbare positie als gevolg van zwangerschap en moederschap
daartoe reden geeft. Gesteld noch gebleken is dat zich een dergelijk reden
voordoet.

Het arrest van het Europese Hof van Justitie, waarop eiseres zich beroept (in
de zaak Mary Brown tegen Rentokil Ltd., arrest d.d. 30 juni 1998, nr.
C-394/96) kan de rechtbank niet tot een ander oordeel brengen. In de eerste
plaats handelt dat arrest over ontslagbescherming en niet over
uitkeringsrechten. In de tweede plaats betreft het daar een situatie waarin
een werkneemster ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid door
ziekte die het rechtstreeks gevolg was van haar zwangerschap. Reeds om die
laatste reden is de situatie van eiseres daarmee niet op één lijn te stellen.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich terecht
op het standpunt heeft gesteld dat voor eiseres het recht op WAO-uitkering
ingaat 52 weken na de eerste ziektedag.
Het beroep treft derhalve geen doel.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een
proceskostenveroordeling.

Mitsdien wordt beslist als volgt

6. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechters

Mr. Moorman

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 8 september 2000

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Uitleg van de overgangsbepaling van de wet van 7 juli 1994 (in werking
getreden op 1 september 1994). Ter verbetering van de bescherming van minderjarige
slachtoffers van zedendelicten is in genoemde wet een nieuwe regeling gegeven
voor de strafrechtelijke en civielrechtelijke verjaring. Er is voor gekozen
de civielrechtelijke termijn niet eerder te laten eindigen dan de (nieuwe)
strafrechtelijke verjaring. De overgangsregeling (art. III van de wet)
houdt in dat de nieuwe verjaringstermijnen ook gelden voor strafbare feiten
gepleegd voor de inwerkingtreding van de wet. Aan de door de wetgever beoogde
overgangsregeling zou afbreuk worden gedaan indien de (onherroepelijke)
berechting van een eerder gepleegd strafbaar feit het gebruikmaken van
het nieuwe in art. 3:310 lid 4 BW neergelegde verjaringsregime zou verhinderen.
Een eerdere strafrechtelijke afdoening staat dan ook, anders dan het Hof
heeft geoordeeld, niet aan toepassing van art. III in de weg. De onmiddellijke
werking van art. 3:310 lid 4 BW houdt echter niet in dat een civiele vordering
tot schadevergoeding, die is gebaseerd op strafbare feiten gepleegd voor
de inwerkingtreding van die regeling en die volgens de op dat tijdstip
geldende regels reeds – civielrechtelijk – was verjaard, zou herleven.
Dit betekent dat indien de vordering volgens het tot dan toe geldende recht
reeds voor 1 september 1994 zou zijn verjaard, geen beroep meer kan worden
gedaan op art. 3:310 lid 4 BW.
In de onderhavige zaak heeft het Hof geen ondubbelzinnig uitsluitsel gegeven
over de aanvang van de verjaringstermijn en heeft, anders dan de overgangsregeling
bij het nieuwe vierde lid van art. 3:310 BW vereist, nagelaten vast te
stellen of de onderhavige vordering niet reeds op 1 september 1994 was
verjaard. Het verwijzingshof zal dit alsnog dienen te doen, en zal bij
die vaststelling in zijn oordeel moeten betrekken hetgeen omtrent het aanvangstijdstip
van de verjaring door de Hoge Raad in zijn arrest van 23 oktober 1998,
nr 16567, NJ 2000, 15 is overwogen.

Volledige tekst

10. Keren wij terug naar de cassatiemiddelen 2 en 3. Zij strekken ten betoge
dat het Hof het overgangsrecht bij het nieuwe vierde lid van art. 3:310
onjuist heeft toegepast, en dat het Hof met name heeft miskend dat het
nieuwe verjaringsregime ook geldt voor strafbare feiten gepleegd vóór de
inwerkingtreding van de nieuwe regeling indien weliswaar het recht tot
strafvordering is vervallen doordat de strafvervolging reeds heeft plaatsgevonden,
doch het recht tot strafvordering nog niet door verjaring is vervallen.
Met zijn bepaling dat het nieuwe verjaringsregime ook van toepassing is
op strafbare feiten gepleegd vóór de inwerkingtreding daarvan, legt art.
III van de Wet van 7 juli 1994 expliciet vast dat het nieuwe strafrechtelijke
en het nieuwe civielrechtelijke verjaringsregime onmiddellijke (exclusieve)
werking hebben, dat wil zeggen van toepassing zijn vanaf de inwerkingtreding.
Ook zonder uitdrukkelijke bepaling zou dit gelden (indien geen bijzondere
bepaling van overgangsrecht is opgenomen geldt de hoofdregel dat de nieuwe
wet onmiddellijke werking heeft), zij het dat op het punt van het strafrechtelijke
verjaringsregime onzekerheid zou kunnen bestaan in verband met art. I,
tweede lid Wetboek van Strafrecht. Met het oog daarop is in art. III uitdrukkelijk
vastgelegd dat de nieuwe regeling exclusieve werking heeft. Dat staat te
lezen in de hiervoor geciteerde passages van de Toelichting, waarin met
name is ingegaan op hetgeen geldt voor de strafrechtelijke verjaring. In
de Toelichting wordt aangetekend dat de exclusieve werking van het strafrechtelijke
verjaringsregime inhoudt dat de nieuwe regeling inzake de verjaring van
het recht tot strafvordering van toepassing is op strafbare feiten die
zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding ‘en waarvoor het recht tot strafvordering
op dat tijdstip volgens het oude recht nog niet door verjaring is vervallen’.
Deze laatste restrictie hangt samen met en vloeit voort uit de regel dat
onmiddellijke werking van een nieuw verjaringsregime niet tot gevolg kan
hebben dat een
reeds vóór de inwerkingtreding van dat nieuwe regime voltooide verjaring
haar werking zou verliezen. (Ik verwijs in dit verband naar Uw arrest van
3 september 1999, NJ 1999, 700; zie voorts mijn Mon. Nieuw BW A-25 (Overgangsrecht),
nr. 11.)
Voor het civiele verjaringsregime houdt de onmiddellijke werking in dat
de nieuwe regeling van het vierde lid van art. 3:310 vanaf haar inwerkingtreding
ook van toepassing is op feiten gepleegd vóór haar inwerkingtreding tenzij
de civiele vordering tot schadevergoeding ten aanzien van die feiten volgens
de tot dan toe geldende regels op het tijdstip van inwerkingtreding reeds
was verjaard. Was de vordering tot schadevergoeding op 1 september 1994
volgens het daarvóór geldende recht verjaard, dan kan de vordering niet
herleven en blijft het nieuwe vierde lid buiten toepassing. Dit laatste
is het geval indien de vordering op grond van het eerste lid van art. 3:310
vóór 1 september 1994 was verjaard, dat wil zeggen indien de vijfjaarstermijn
vóór 1 september 1989 is aangevangen. Dat heeft het Hof naar mijn oordeel
miskend. Het Hof heeft immers weliswaar eraan gerefereerd dat een civiele
vordering die reeds is verjaard niet kan herleven ingeval voor die vordering
een nieuwe langere verjaringstermijn gaat gelden, doch het heeft de cruciale
vraag of de onderhavige vordering vóór de inwerkingtreding van het nieuwe
vierde lid op 1 september 1994 was verjaard niet beantwoord. Dat blijkt
met name ook uit de rechtsoverwegingen 5 en 6 waarin het Hof in het midden
liet of de verjaring vóór 1 september 1989 is aangevangen; het Hof stelde
slechts vast dat het feit dat aangifte is gedaan ‘een sterke aanwijzing
vormt, dat het verwerkingsproces is doorlopen’ en dat de verjaring op zijn
laatst op 1 januari 1990 is begonnen omdat de dochter ‘in elk geval in
1989′ bekend was met de schade die zij in deze procedure vordert nu zij
in 1986, als zeventienjarige, aangifte heeft gedaan, zij in 1989 tegen
de vader heeft geprocedeerd en zij in 1989 in therapie is gegaan, terwijl
op grond van de zojuist genoemde omstandigheden ook moet worden verworpen
– aldus het Hof – de ‘algemeen geformuleerde’ stelling van de dochter dat
het beroep van de aansprakelijk gestelde op de vijfjarige verjaring naar
de maatstaven van redelijkheid en
billijkheid als onaanvaardbaar van de hand moet worden gewezen. In zoverre
slaagt de in de middelen besloten liggende klacht dat het Hof het toepasselijke
overgangsrecht onjuist heeft toegepast.

11. Was de vordering tot schadevergoeding op 1 september 1994 volgens het
daarvoor
geldende recht verjaard, dan kan de vordering niet herleven en blijft het
nieuwe vierde lid buiten toepassing. Ik zou althans niet ervoor voelen
op grond van redelijkheid en billijkheid hier te opteren voor terugwerkende
kracht van de nieuwe regeling, hoezeer ook kan worden onderschreven dat
het bij vorderingen ter zake van seksueel misbruik gaat om opzettelijk
toegebracht leed van een soort dat voor het slachtoffer het moeilijkst
te verwerken pleegt te zijn terwijl deze verwerking veel tijd pleegt te
kosten. Dat de redelijkheid en billijkheid ook hier een rol zouden kúnnen
spelen, kan worden afgeleid uit art. 75 Overgangswet. Ik meen echter, zoals
ik ook elders betoogde, dat een terughoudend gebruik moet worden gemaakt
van de mogelijkheid de toets van de redelijkheid en billijkheid toe te
passen op het terrein van het overgangsrecht zelf; dat geldt met name in
gevallen waarin in het materiële recht dat volgens de ‘harde’ regels van
overgangsrecht van toepassing is, aan de hand van de redelijkheid en billijkheid
een aanvaardbare oplossing kan worden bereikt. Daarvan kan mijns inziens
worden gesproken sinds de hiervoor genoemde jurisprudentie van Uw Raad,
inhoudende dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de korte verjaringstermijn
van art. 3:310 lid 1 bij vorderingen ter zake van seksueel misbruik niet
kan aanvangen zolang het slachtoffer niet in staat is zijn vordering geldend
te maken omdat het de misbruikervaringen nog onvoldoende heeft verwerkt.
Bij de beantwoording van de vraag wanneer een slachtoffer in staat moet
worden geacht zijn vordering geldend te maken, kan meewegen dat het nieuwe
vierde lid is uitgegaan van een termijn van twaalf dan wel vijftien jaar
na het meerderjarig worden van het slachtoffer. (Zie over de redelijkheid
en billijkheid en art. 75 Overgangswet mijn hiervoor genoemde Monografie,
nr. 20 met verdere verwijzingen naar onder anderen Hartkamp, die een wat
‘ruimhartiger’ standpunt lijkt in te nemen met betrekking tot de redelijkheid
en billijkheid in het overgangsrecht.)

12. Was de civiele vordering vóór 1 september 1994 niet verjaard op grond
van de tot dan geldende regels voor de civiele verjaring, dan is het nieuwe
vierde lid van art. 3:310 van toepassing met zijn bepaling dat de rechtsvordering
niet verjaart zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring is
vervallen. De vraag rijst wat dit impliceert voor een geval als het onderhavige
waarin het gaat om seksueel misbruik gepleegd vóór de inwerkingtreding
van de nieuwe regeling. Moet de vraag of het recht tot strafvordering door
verjaring is vervallen dan worden beantwoord aan de hand van de nieuwe
strafrechtelijke regeling, inhoudende dat de termijn gaat lopen vanaf meerderjarigheid
van het slachtoffer? Of impliceert het vierde lid dat de civiele rechtsvordering
op grond van deze bepaling ook is verjaard ingeval het recht tot strafvordering
op grond van het oude recht (reeds vóór de inwerkingtreding van het vierde
lid) door verjaring is vervallen? In het laatste geval is de onderhavige
vordering in ieder geval verjaard voorzover de vordering het seksueel misbruik
betreft dat is gepleegd vóór 1 september 1982. Dan moet nog wél worden
bezien of de vordering ook is verjaard op grond van het eerste lid van
art. 3:310. Ik meen dat de hiervoor gestelde vraag in eerstbedoelde zin
moet worden beantwoord nu het vierde lid beoogt voor de civielrechtelijke
verjaring de nieuwe strafrechtelijke regeling te laten gelden. Het enkele
feit dat in de nieuwe regeling is bepaald dat de civielrechtelijke verjaring
niet eerder eindigt dan de strafrechtelijke verjaring impliceert niet dat
ten aanzien van de civiele vordering die op het tijdstip van inwerkingtreding
nog niet was verjaard, de nieuwe regeling niet zou kunnen gelden omdat
het recht tot strafvordering op dat tijdstip volgens het oude recht door
verjaring was vervallen; de belangen van de schuldige aan het misdrijf
worden naar mijn oordeel niet onevenredig geschaad omdat onverkort blijft
gelden dat het eenmaal verjaarde recht tot strafvordering zelf niet herleeft.
Iets
dergelijks geldt overigens voor het geval vóór de inwerkingtreding het
recht tot strafvordering is vervallen doordat strafvervolging reeds heeft
plaatsgevonden. In dat geval komt de vraag of de nieuwe strafrechtelijke
verjaringsregeling van toepassing kan zijn niet meer aan de orde voorzover
het het recht tot strafvordering betreft. Voor de civielrechtelijke verjaring
is de omstandigheid dat strafvervolging heeft plaatsgevonden echter irrelevant,
zoals ook blijkt uit de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis. Ingeval
strafvervolging heeft plaatsgevonden zal overigens, ik merk dit terzijde
op, bij de toepassing van het nieuwe vierde lid naar mijn oordeel wel buiten
beschouwing moeten blijven dat de verjaring door de strafvervolging is
gestuit. De nieuwe regeling van het vierde lid van art. 3:310 wordt mijns
inziens derhalve onverkort van toepassing ingeval de civiele vordering
op het tijdstip van inwerkingtreding – 1 september 1994 – nog niet volgens
het tot dan toe geldende (civiele) recht was verjaard.

13. Het vorenstaande brengt mij tot de volgende slotsom. Het Hof heeft
inderdaad, zoals het middel betoogt, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting
voorzover uit zijn gewraakte overwegingen moet worden afgeleid dat het
heeft geoordeeld dat voor de beantwoording van de vraag of het nieuwe vierde
lid van toepassing is, van belang is de omstandigheid dat vóór de inwerkingtreding
het recht tot strafvordering op grond van het oude recht reeds door verjaring
was vervallen dan wel dat strafvervolging reeds had plaatsgevonden. Het
Hof heeft voorts miskend dat de nieuwe regeling van het vierde lid van
toepassing is indien de onderhavige civiele vordering op het tijdstip van
inwerkingtreding, dat wil zeggen op 1 september 1994, nog niet volgens
het tot dan toe geldende (civiele) recht was verjaard. ’s Hofs arrest zal
niet in stand kunnen blijven en verwijzing zal moeten volgen, waarbij onderzocht
moet worden of de onderhavige vordering op het tijdstip van inwerkingtreding
van het nieuwe vierde lid van art. 3:310 BW
reeds was verjaard volgens het toen geldende recht, de maatstaven van redelijkheid
en billijkheid in aanmerking genomen. De redelijkheid en billijkheid brengen,
zoals gezegd, met name mee dat de verjaringstermijn van de vordering ter
zake van het seksueel misbruik geen aanvang neemt zolang het slachtoffer
niet in staat is zijn vordering geldend te maken omdat het de misbruikervaringen
nog onvoldoende heeft verwerkt. Ik wijs voorts erop dat de eis van bekendheid
met de schade niet impliceert dat het bedrag van de schade bekend moet
zijn; van onbekendheid met de schade is evenwel wel degelijk sprake ingeval
de schade wegens onbekendheid van schadefactoren nog niet bekend is. (Zie
de MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 927 en 928.)

14. Op grond van het voorgaande kom ik tot de slotsom dat geen behandeling
meer behoeven de middelen 4-6 gericht tegen ’s Hofs oordeel dat de verjaring
op zijn laatst op 1 januari 1990 is aangevangen.
Middel 7 ziet eraan voorbij dat uit de toelichting op de grieven IV en
V blijkt dat deze zelfstandige betekenis missen, terwijl middel 8 met zijn
klacht over de proceskostenveroordeling voortbouwt op de overige middelen.

Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing
ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden

Rechters

Mrs. Mijnssen, Heemskerk, Jansen, Van der Putt-Lauwers, De Savornin Lohman;A-G De Vries Lentsch-Kostense

Instantie: Gerechtshof Leeuwarden, 6 september 2000

Instantie

Gerechtshof Leeuwarden

Samenvatting


De vordering van appellante tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige
daad wegens seksuele intimidatie door een collega, wordt afgewezen omdat zij
er niet in slaagt voldoende bewijs te leveren. De ingebrachte
getuigenverklaringen zijn gebaseerd op hetgeen appellante hen heeft verteld.
Het deskundigenrapport (van mw. Bezemer) is te algemeen en niet is daarin
komen vast te staan dat geïntimeerde wist of behoorde te weten dat zijn
gedrag ongewenst was. Appellante heeft dat ook nooit aan hem kenbaar gemaakt.

Volledige tekst

De inhoud van het tussenarrest d.d. 1 september 1999 wordt hier overgenomen.

HET VERDERE PROCESVERLOOP
Ingevolge voormeld tussenarrest is op 26 oktober 1999 een comparitie van
partijen gehouden. Het terzake opgemaakte proces-verbaal is ambtshalve
toegevoegd. Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor
arrest.

HET GEDING IN HOGER BEROEP NADER GESPECIFICEERD
Bij exploit van 14 november 1997 is door A hoger beroep ingesteld van het
vonnis d.d. 19 augustus 1997 met dagvaarding van B tegen de zitting van 26
november 1997.

De conclusie van deze dagvaarding luidt:
“te vernietigen het vonnis op 19 augustus 1997 onder rolnummer 11834 door de
Arrondissementsrechtbank te Assen tussen partijen gewezen en, opnieuw
rechtdoende:
alsnog bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de
vorderingen van appellante, na wijziging van eis die nader zal worden
uiteengezet in de memorie van grieven, toe te wijzen met veroordeling van
geïntimeerde in de kosten van beide instanties.”

Bij memorie van grieven heeft A haar oorspronkelijke vordering vermeerderd
zodat deze thans luidt:
“Het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Assen d.d. 19 augustus 1997 te
vernietigen en alsnog rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:
1. Vast te stellen voor recht dat geïntimeerde aansprakelijk is voor de
schade die appellante heeft geleden ten gevolge van de door geïntimeerde
gepleegde onrechtmatige daad;
2. geïntimeerde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan
appellante ter vergoeding van de materiële en immateriële schade te betalen
een bedrag van ƒ 55.765,30;
3. geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke
kosten;
4. geïntimeerde te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente vanaf
23 mei 1996 tot aan de dag der algehele voldoening;
5. geïntimeerde te veroordelen in de kosten in beide instanties.”

A heeft vervolgens een cassette ter griffie van het hof gedeponeerd. Een
kopie van de akte van depot bevindt zich bij de stukken.

Bij memorie van antwoord is door B verweer gevoerd met als conclusie:
“De vorderingen van appellante af te wijzen, althans haar in deze vorderingen
niet-ontvankelijk te verklaren, onder veroordeling van appellante in de
kosten van beide instanties.”
Vervolgens hebben partijen elk nog een akte genomen.

Partijen hebben de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. Het hof
heeft vervolgens voornoemd tussenarrest gewezen.

DE GRIEVEN
A heeft één grief opgeworpen.

1. DE VASTSTAANDE FEITEN
Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van het
vonnis d.d. 19 augustus 1997 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger
beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2. WIJZIGING VAN EIS
B heeft zich niet op de bij de wet voorgeschreven wijze tegen de wijziging
van eis verzet. Derhalve zal in hoger beroep worden uitgegaan van de
gewijzigde eis.

3. DE MOTIVERING
Met betrekking tot de grief:
A richt zich met haar grief tegen de overweging van de rechtbank dat de
vordering als onvoldoende feitelijk onderbouwd dient te worden afgewezen met
haar veroordeling in de proceskosten. Voorts zou de rechtbank A ten onrechte
niet hebben toegelaten haar stellingen nader te onderbouwen.

4. A stelt dat B zich, tijdens de sollicitatieprocedure die vooraf ging aan
haar tijdelijk dienstverband bij de C, alsmede tijdens dat dienstverband,
onrechtmatig jegens haar heeft gedragen en dat zij ten gevolge daarvan
materiële en immateriële schade heeft geleden. A acht B aansprakelijk voor
die schade. A voert daartoe aan dat B zich jegens haar schuldig heeft gemaakt
aan seksuele intimidatie en andere intimiderende gedragingen, waardoor de
arbeidsrelatie ernstig werd verstoord. Een en ander heeft – aldus A –
geresulteerd in de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen A en de C.
Volgens A vormen de gedragingen van B jegens haar bovendien een ernstige
inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. B heeft – aldus A – misbruik
gemaakt van de omstandigheden en van zijn positie.

5. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft A overgelegd door B aan haar
geschreven kaarten, gedichten en een brief, alsmede een transcriptie van door
B gesproken woorden die via het antwoordapparaat van A op band zijn
opgenomen.

6. A heeft voorts alsnog in hoger beroep in het geding gebracht het
proces-verbaal van politie betreffende aangifte van verkrachtingen door B in
haar woning, gepleegd in de periode gelegen tussen 1 maart 1994 en 31
augustus 1995. In de aangifte wordt door A melding ge- maakt van door B
gepleegde ernstige misdragingen jegens haar. De door de politie dienaangaande
gehoorde getuigen D en E geven in de door hen afgelegde verklaringen weer
hetgeen zij van A zelf hebben gehoord (enige tijd) nadat de door A gestelde
gedragingen van B zouden hebben plaatsgevonden. Niet blijkt of deze en/of
andere getuigen, gedurende de periode dat B zich- aldus de aangifte – jegens
A heeft misdragen, door A van die gedragingen op de hoogte zijn gesteld of
dat zij uit eigen wetenschap kennis hebben van voorvallen die het door A in
haar aangifte gestelde onderbouwen.

7. Nu B ontkent dat er seksuele contacten tussen hem en A hebben
plaatsgevonden en dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan seksuele
intimidatie, dan wel aan andere intimiderende gedragingen jegens A rust,
krachtens de hoofdregel van art. 177 Rv de bewijslast van de door haar
gestelde feiten en/of omstandigheden op A. Anders dan A van mening is, is het
hof van oordeel dat A niet reeds zodanig bewijs heeft bijgebracht dat er –
behoudens door B te leveren tegenbewijs – moet worden uitgegaan van de
juistheid van haar stellingen. Naast hetgeen hiervoor onder 6 is overwogen,
onderstreept het hof in dat verband dat aan de als productie 16 bij de
memorie van grieven overgelegde brief van mevr. F (de psychotherapeute die A
heeft behandeld) alsmede aan de (als productie 18 bij de memorie van grieven)
overgelegde brief van de huisarts van A geen doorslaggevende betekenis
toekomt. In dat kader merkt het hof allereerst op dat de vraagstelling welke
aan beide brieven is voorafgegaan niet uitblinkt door objectiviteit.
Daarnaast moet worden vastgesteld dat slechts de brief van mevr. F
gedetailleerd melding maakt van gebeurtenissen welke tussen A en B zouden
hebben plaatsgevonden. Omtrent de mate van deskundigheid van zowel huisarts
als psychotherapeute, juist met be- trekking tot de onderhavige problematiek,
tast het hof voorshands in het duister. Daarenboven moet worden bedacht dat
met name in de therapeutische setting in de regel niet de objectieve
waarheidsvinding voorop staat, maar het serieus nemen van de patiënt. Een en
ander leidt ertoe dat de beide brieven in het kader van de vereiste
bewijslevering met de nodige behoedzaamheid moeten worden gehanteerd.

8. Naar ’s hofs oordeel is – op grond van de door B niet weersproken inhoud
van de onder rechtsoverweging 5 genoemde bescheiden – wel komen vast te staan
dat B A herhaaldelijk op een zodanig persoonlijke/vertrouwelijke wijze heeft
benaderd dat deze benadering hetgeen gebruikelijk is in een werkverhouding
als die tussen B en A heeft bestaan, overschrijdt.

9. Het enkele feit dat A – zoals naar ’s hofs oordeel uit de inhoud van de
overgelegde bescheiden blijkt -voor wat betreft de aard van de haar
toegewezen en toe te wijzen werkzaamheden in grote mate afhankelijk was van
B, brengt naar ’s hofs oordeel evenwel niet zonder meer mee dat B wist of
heeft behoren te weten dat de persoonlijke/vertrouwelijke wijze waarop hij A
bejegende door haar niet gewenst was.

10. Wil van onrechtmatigheid op dit punt sprake kunnen zijn dan zal moeten
komen vast te staan dat A aan B op enigerlei wijze kenbaar heeft gemaakt dat
zij van zijn wijze van houding en/of bejegening niet gediend was en/of dat B
wist, althans had behoren te weten dat zijn wijze van optreden jegens A door
haar als ongewenst werd ervaren alsmede dat B desondanks is doorgegaan. De
enkele stelling van A, dat B niet op haar afwerendheid naar aanleiding van
diens gedragingen heeft gereageerd, is – zonder nadere invulling en
onderbouwing – onvoldoende om de gedragingen van B als onrechtmatig te
bestempelen.

11. Gelet op het voorgaande ligt het op de weg van A haar stellingen te
bewijzen. Het hof acht voldoende door A aangegeven dat zij aanbiedt om te
bewijzen dat B zich jegens haar heeft schuldig gemaakt aan seksuele
intimidatie, aan andere intimiderende gedragingen en/of aan gedragingen die
een ernstige inbreuk vormen op de persoonlijke levenssfeer van A.

12. Het hof zal A – onder aanhouding van iedere verdere beslissing – tot het
leveren van het bewijs toelaten zoals hierna in het dictum is vermeld.

DE BESLISSING
Het gerechtshof:

draagt A op te bewijzen feiten en/of omstandigheden waaruit volgt dat B zich
jegens haar heeft schuldig gemaakt aan seksuele intimidatie, en/of aan andere
intimiderende gedragingen en/of aan gedragingen die een ernstige inbreuk
vormen op de persoonlijke levenssfeer van A;

bepaalt – voor zover A het bewijs zou willen leveren door middel van getuigen
– dat het verhoor zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie,
Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden, op dinsdag 21 december 1999 te 11.00 uur
voor mr. Zuidema, hiertoe tot raadsheer-commissaris benoemd;

verstaat dat de procureur van A uiterlijk twee weken tevoren het volledige
procesdossier ter griffie van het hof doet bezorgen, bij gebreke waarvan de
procureur van B alsnog de gelegenheid heeft uiterlijk één week voor de
vastgestelde datum de processtukken over te leggen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

EINDARREST

HET VERDERE PROCESVERLOOP
Blijkens daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft, ingevolge voornoemd
tussenarrest, op 21 december 1999 een getuigenverhoor plaatsgevonden waarbij
aan de zijde van A vijf getuigen zijn gehoord. A heeft afgezien van het
voortzetten van de enquête en B heeft afgezien van het horen van getuigen in
contra-enquête.

A heeft een memorie na enquête tevens uitlating tussenarrest genomen en B een
memorie na enquête tevens akte houdende uitlating producties.

Vervolgens hebben partijen wederom de stukken overgelegd voor het wijzen van
arrest.

DE BEOORDELING
Wederom met betrekking tot de grief.
1. in het tussenarrest heeft het hof A opgedragen te bewijzen feiten en/of
omstandigheden waaruit volgt dat B zich jegens haar heeft schuldig gemaakt
aan seksuele intimidatie, en/of aan andere intimiderende gedragingen en/of
aan gedragingen die een ernstige inbreuk vormen op de persoonlijke
levenssfeer van A.

2. A heeft onder meer zich zelf als partijgetuige doen horen. Het hof tekent
hierbij aan dat uit artikel 213 Rv volgt dat hetgeen door een partijgetuige,
op wie de bewijslast rust, is verklaard geen bewijs te haren voordele kan
opleveren indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk
zijn dat zij, die partijverklaring (voldoende) geloofwaardig maken.

3. Uit de door de getuigen Van der Kust, Scharbaay, Etienne en Meijer
afgelegde verklaringen blijkt dat deze getuigen niet uit eigen wetenschap
kennis hebben van de wijze waarop B zich jegens A heeft gedragen. A heeft aan
hen, zo blijkt uit de betreffende verklaringen, in 1995 haar visie op hetgeen
tussen haar en B is voorgevallen verteld. Uit de verklaring van partijgetuige
A blijkt dat aan de door A gepretendeerde seksuele contacten tussen haar en B
een einde is gekomen omstreeks eind 1994. Uit het vorenstaande volgt dat
hetgeen de getuigen ten nadele van B hebben verklaard louter en alleen is
gebaseerd op hetgeen A hen, na afloop van de door haar gestelde contacten met
B, heeft verteld.
Een en ander brengt het hof tot het oordeel dat de verklaringen van de
voornoemde getuigen onvoldoende relevante feiten en omstandigheden bevatten
die tot het bewijs kunnen bijdragen.

4. Het hof neemt voorts in aanmerking dat – met betrekking tot het in
rechtsoverweging 7 van het tussenarrest van het hof overwogene – door A geen
nadere inlichtingen zijn verschaft omtrent de deskundigheid met betrekking
tot de onderhavige problematiek van de psychotherapeute Schenk-Mantz en de
huisarts.

5. Gelet op het voorgaande kan, ten aanzien van de vraag of de door A
gestelde en door B ontkende seksuele contacten tussen haar en B zouden hebben
plaatsgevonden, niet ten voordele van A acht worden geslagen op haar
getuigenverklaring. Dat brengt mee dat niet is komen vast te staan dat de
door A gestelde seksuele contacten hebben plaatsgevonden.

6. Gezien hetgeen in het tussenarrest van 1 december 1999 in de
rechtsoverwegingen 5, 8, 9 en 10 is overwogen, dient voorts te worden
beoordeeld of de wijze van benadering van A door B, als bedoeld in de
voornoemde rechtsoverwegingen 5 en 8, is te kwalificeren als één van de in de
bewijsopdracht genoemde gedragingen. Het hof heeft in rechtsoverweging 10 van
bedoeld tussenarrest voor die beoordeling relevant geacht het antwoord op de
vraag of A aan B op enigerlei wijze kenbaar heeft gemaakt dat zij van zijn
houding en/of bejegening niet gediend was en/of dat B wist, althans had
behoren te weten dat zijn wijze van optreden jegens A door haar als ongewenst
werd ervaren, alsmede dat B desondanks is doorgegaan.

7. Blijkens het door A in het geding gebrachte rapport van 13 maart 2000 van
drs W. Bezemer, een op het onderhavige terrein deskundig te achten
psycholoog, is voornoemde vraag door haar aan drs. Bezemer voorgelegd.
Mevrouw Bezemer concludeert dienaangaande onder meer dat van iemand in de
positie van B moet worden verwacht dat hij zich bewust zou zijn geweest van
het machtsverschil tussen hem en A en dat hij zich zelf, eigener beweging,
terughoudener zou hebben moeten opstellen dan het geval is geweest.
8. Uit voornoemd rapport blijkt niet op welke gedragingen van B drs Bezemer,
die haar onderzoek heeft gebaseerd op diverse schriftelijke bescheiden,
waaronder de door A gedane aangifte van verkrachtingen door B bij de politie,
doelt in haar conclusie dat B zich terughoudener had behoren op te stellen
jegens A dan hij heeft gedaan. Derhalve is niet komen vast te staan dat B
wist, althans behoorde te weten dat zijn wijze van benadering van A als
bedoeld in de rechtsoverwegingen 5 en 8 van het tussenarrest voor haar
ongewenst was. Voorts is – nu, mede gelet op voornoemd rapport, ook op het
onderhavige onderdeel onvoldoende aanvullende bewijzen voorhanden zijn om op
de getuigenverklaring van A te haren voordele acht te kunnen slaan – niet
komen vast te staan dat A aan B op enigerlei wijze kenbaar heeft gemaakt dat
zij van zijn houding en/of bejegening niet gediend was en dat B desondanks is
doorgegaan.

9. Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat A er niet in is
geslaagd te bewijzen dat B zich heeft schuldig gemaakt aan één of meer van de
in de bewijsopdracht genoemde gedragingen.

10. De grief faalt.

DE SLOTSOM
11. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling
van A als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in
hoger beroep.

DE BESLISSING
Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt A in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan
de zijde van B tot aan deze uitspraak op ƒ 590 aan verschotten en ƒ 4.400 aan
salaris voor de procureur.

Rechters

Mrs. Mollema, Bax-Stegenga, Zuidema

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 31 augustus 2000

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Beschikking na verwijzing. De Hoge Raad (arrest van 22 oktober 1999, rek.nr. R98/135HR) heeft een beschikking van het Hof ‘s-Gravenhage vernietigd wegens onvoldoende afweging van belangen. Het Amsterdamse hof oordeelt nu dat in het onderhavige geval beëindiging van de alimentatieverplichting van de man conform de overgangsregeling van zo ingrijpende aard zou zijn, dat deze in redelijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Het Hof neemt daarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking, waaronder de leeftijd van de vrouw (79), het feit dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren, de datum (1946) en duur (31 jaar) van het huwelijk, de traditionele rolverdeling tussen de partners en de mate waarin dit de verdiencapaciteit van de vrouw heeft beïnvloed. In casu kan niet van de vrouw worden verlangd dat zij een deel van haar woning verhuurt opdat zij daarin ook zonder bijdrage van de man kan blijven wonen. Bovendien is het aan de vrouw zelf om te bepalen of zij andere woonruimte dient te zoeken, nu de woonlasten niet buitensporig hoog zijn.

Volledige tekst

1. HET GEDING

1.1. Bij beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 30 december 1997 met rekestnummer A.97.2500, is met wijziging van de beschikking van 5 februari 1986 van de rechtbank te Amsterdam, de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 april 1997 bepaald op ƒ 1.110 per maand.
Voorts is bepaald dat de onderhoudsplicht van de man op 1 juli 2000 eindigt. Tevens is bepaald dat deze termijn na ommekomst niet verlengd kan worden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, het meer of anders verzochte is afgewezen en de proces-kosten zijn gecompenseerd.

1.2. Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage en verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat de onderhoudsplicht van de man eindigt op 1 juli 2000 en deze termijn na ommekomst niet verlengd kan worden en opnieuw rechtdoende de beschikking waarvan beroep te vernietigen en te bepalen dat de onderhoudsplicht van de man eindigt op 1 juli 2017, althans op een zodanige datum als het hof juist zou achten, alsmede te bepalen dat deze termijn na ommekomst verlengd kan worden.
In incidenteel appèl heeft de man verzocht primair de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 1997, althans met ingang van 14 april 1997, te stellen op nihil, subsidiair de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 1997, althans met ingang van 14 april 1997 te bepalen op ƒ 266 per maand en meer subsidiair deze uitkering te bepalen op ƒ 532 per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof juist zou achten.

1.3. Bij beschikking van het hof te ‘s-Gravenhage van 31 juli 1998, met rekestnummer 98-H-131, is de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 30 december 1997 bekrachtigd.

1.4. De vrouw heeft tegen deze beschikking bij de Hoge Raad der Nederlanden beroep in cassatie ingesteld.

1.5. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 22 oktober 1999, met rekestnummer R98/135HR, de beschikking van het hof te ‘s-Gravenhage wegens motiveringsgebreken gecasseerd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof te Amsterdam.

1.6. De zaak is behandeld op 26 juni 2000.

2. HET GESCHIL IN HOGER BEROEP EN DE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN

2.l. In geschil is de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van ƒ 1.110 per maand met ingang van 1 april 1997 tot 1 juli 2000,welke termijn na ommekomst niet verlengd kan worden, zoals bepaald bij de beschikking waarvan beroep. Deze beslissing is gegeven op het inleidend verzoek van de man primair te bepalen dat met ingang van 1 januari 1997, althans met ingang van 14 april 1997, de man niet langer gehouden is om enige onderhoudsbijdrage aan de vrouw te voldoen en subsidiair deze uitkering met ingang van 1 januari 1997, althans met ingang van 14 april 1997 te bepalen op ƒ 266 per maand en meer subsidiair deze uitkering te bepalen op ƒ 532 per maand, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank juist zou achten, en op het zelfstandig -verzoek van de vrouw dat de man met ingang van 1 april 1997 een dusdanige uitkering tot levensonderhoud van de vrouw voldoet, dat het vrij besteedbaar inkomen van partijen gelijk is, subsidiair te bepalen dat de man met ingang van 1 april 1997 een uitkering van ƒ 495,31 per maand dient te voldoen en te bepalen dat de man met ingang van 1 april 1997 gedurende een termijn van tien jaren verplicht zal zijn bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en tevens te bepalen dat voornoemde termijn na ommekomst kan worden verlengd.
De vrouw verzoekt de beschikking waarvan beroep te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat de onderhoudsplicht van de man eindigt op 1 juli 2000 en dat deze termijn na ommekomst niet verlengd kan worden en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de onderhoudsplicht van de man eindigt op 1 juli 2017, althans op een zodanige datum als het hof juist zal achten, alsmede te bepalen dat deze termijn na ommekomst verlengd kan worden.

De man verzoekt zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

2.2. Het volgende is gebleken.

Partijen zijn op 31 oktober 1946 buiten elke gemeenschap van goederen gehuwd. Nadat partijen op 5 juli 1976 van tafel en bed waren gescheiden, is op 3 juni 1977 de ontbinding van het huwelijk uitgesproken. De ontbinding van het huwelijk is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn drie thans meerderjarige kinderen geboren.

Bij een beschikking van 5 februari 1986 van de rechtbank te Amsterdam is de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw over de periode van 1 juli 1985 tot 1 april 1986 bepaald op ƒ 2.500 per maand en met ingang 1 april 1986 op ƒ 1.500 per maand.
De draagkracht van de man tot het betalen van de door de vrouw verzochte uitkering tot haar levensonderhoud wordt door de man niet betwist en staat derhalve vast.

2.3. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren op 27 april 1921 en is alleenstaand.

Zij ontvangt sinds 1 april 1986 een AOW-uitkering van blijkens een specificatie van mei 1998 rond ƒ 1.538 bruto per maand.
Tevens ontvangt zij sinds 1 april 1997 in het kader van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding, 25% van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen van in totaal rond ƒ 9.100 bruto per jaar (thans na, indexering opgelopen tot rond ƒ 9.562 bruto per jaar).

Ze heeft enige inkomsten uit haar werkzaamheden als suppoost bij het Allard Pierson Museum.

Ze heeft een spaartegoed bij de ABN-AMRO van, blijkens een rekeningafschrift van 3 november 1999, rond ƒ 27.029.

Aan kale huur betaalt zij rond ƒ 1.157 per maand.

Zij betaalt rond ƒ 250 per maand voor een ziektekostenverzekering.

2.4. Ten aan zien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren op 21 juni 1920 en is hertrouwd. Zijn partner voorziet in eigen levensonderhoud.

Hij ontvangt een AOW-uitkering van rond ƒ 14.803 per jaar en diverse pensioenuitkeringen die in totaal rond ƒ 70.393 per jaar bedragen.

Daarnaast ontvangt hij een inkomen uit vermogen van rond ƒ 4.000 per jaar.

3. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

3.l. Uitgangspunt van de wet van 28 april 1994, Stb. 324 (Wet Limitering Alimentatie) is enerzijds dat de echtgenoten bij het sluiten van het huwelijk de verplichting op zich hebben genomen om bij te dragen in elkanders levensonderhoud en anderzijds dat het heden ten dage als onredelijk wordt gevoeld dat ex-echtgenoten levenslang door een alimentatieplicht aan elkaar verbonden zijn.

3.2. Ingevolge het bepaalde in artikel II, tweede lid, van de Wet Limitering Alimentatie van 28 april 1994, Stb. 324, zoals gewijzigd bij Wet van 28 april 1994, Stb. 325, wordt de uitkering tot levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde, in casu de vrouw op verzoek van de man beëindigd indien deze vijftien of meer jaren heeft geduurd – zij het dat die beëindiging niet eerder kan plaatshebben dan met ingang van 1 juli 1997 (drie jaar na inwerkingtreding van genoemde wet) – tenzij die beëindiging van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden.

3.3. In de opinie van de vrouw is beëindiging van de door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud van zo ingrijpende, aard dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd en zou het inleidend (primaire) verzoek van de man alsnog afgewezen moeten worden. De vrouw voert hiertoe aan dat zij zowel tijdens als ook na de ontbinding van het huwelijk van partijen voor de opvoeding en verzorging van de kinderen heeft zorg gedragen en dat er tussen partijen een traditionele rolverdeling binnen het huwelijk bestond. Zij stelt dat zij, indien de uitkering tot haar levensonderhoud zou worden beëindigd, gedwongen zal zijn de voormalig echtelijke woning, waar zij reeds éénenveertig jaar woont, te verlaten omdat zij dan niet langer in staat zal zijn de huur van deze woning te voldoen. De vrouw stelt voorts dat gelet op haar huidige leeftijd – 79 jaar – en het feit dat zij thans aan een oogziekte lijdt waardoor haar gezichtsveld steeds kleiner wordt, van haar niet gevergd kan worden dat zij een gedeelte van haar woning verhuurt om zo inkomsten te verwerven. Bovendien stelt zij, dat voor verhuur van een gedeelte van de woning een verbouwing plaats zou moeten vinden, die door de huiseigenaar niet is toegestaan.

3.4. De man betwist de stelling van de vrouw dat beëindiging van zijn betalingsverplichting van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw zou kunnen worden gevergd. De man stelt na de scheiding van tafel en bed en de daarop volgende ontbinding van het huwelijk vierentwintig jaar lang aan zijn verplichting tot het betalen van partneralimentatie voldaan te hebben en is van mening dat van de vrouw verwacht had mogen worden dat zij zich na de ontbinding van het huwelijk erop had voorbereid en er naar had gestreefd dat zij geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud zou gaan voorzien.
De man stelt dat van de vrouw gevergd kan worden, dat zij overgaat tot verhuur van een deel van de voormalig echtelijke woning en dat zij huursubsidie voor deze woning aan zou kunnen vragen. Bovendien is hij van mening dat van hem niet verlangd mag worden dat hij nog langer blijft betalen voor een vorm van huisvesting voor de vrouw, die absoluut niet meer past bij haar leeftijd en behoefte. Hij stelt dan ook dat van de vrouw kan worden verlangd dat zij verhuist naar, in financieel en fysiek opzicht, meer passende woonruimte.

3.5. Alle omstandigheden van het onderhavige geval in aanmerking genomen, waaronder de leeftijd van de vrouw, de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren, de datum en duur van het huwelijk en de rolverdeling tussen de partners, die overeenkomt met hetgeen in elk geval in hun generatie gebruikelijk was, en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de vrouw heeft beïnvloed en in het bijzonder gelet op de consequenties van een inkomensachteruitgang van de vrouw indien de alimentatieverplichting van de man zou worden beëindigd en het in verhouding daarmee relatief minder zwaarwegende offer van de man, dat gelet op zijn inkomenspositie met de uitkering tot het levensonderhoud aan de vrouw gemoeid is, is het hof van oordeel dat beëindiging van de verplichting tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud -van de vrouw van zo ingrijpende aard is, dat deze in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. Hieraan doet niet af de stelling van de man dat door de wettelijke indexering van de uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw en de achteruitgang van het inkomen van de man, het inkomen van de vrouw sinds 1996 relatief meer gestegen is dan het inkomen van de man.

3.6. Ten aanzien van het door de man gevoerde betoog dat van de vrouw gevergd kan worden dat zij overgaat tot verhuur van een deel van de voormalig echtelijke woning teneinde extra inkomsten te verwerven, waardoor het voor haar mogelijk zou zijn ook zonder zijn bijdrage in de woning te blijven wonen, is het hof van oordeel dat gelet op de hoge leeftijd van de vrouw en haar verminderde gezichtsvermogen, en het feit dat onweersproken vast staat dat de woning van de vrouw slechts voor één huishouden voorzieningen heeft, van de vrouw in redelijkheid niet verlangd kan worden dat zij overgaat tot de verhuur van een deel van de door haar bewoonde woning. De vraag of de verhuurder toestemming zou geven voor een verbouwing is daarom niet aan de orde.

3.7. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw mogelijkheden tot het verkrijgen van huursubsidie onbenut heeft gelaten, terwijl zulks wel op zijn weg lag. Het hof houdt bij het bepalen van de behoefte van de vrouw daarom rekening met haar volledige – geenszins buitensporige – woonlasten.

3.8. Nu de woonlasten niet buitensporig zijn is het aan de vrouw zelf om te bepalen of zij naar andere woonruimte om dient te zien.

3.9. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de man met ingang van 1 april 1997 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van ƒ 1.110 per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

3.10. Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht kan, als reeds in het voorgaande behandeld dan wel niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

3.11. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. BESLISSING

Het hof:

vernietigt de beschikking van 30 december 1997 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage;

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 april 1997 op ƒ 1.110 per maand, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs. Gerritzen-Gunst, Torrenga, Gras

Instantie: Rechtbank Arnhem, 31 augustus 2000

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


O, de oom van X, is strafrechtelijk vrijgesproken van seksueel misbruik van
X. In de onderhavige procedure vordert hij van X schadevergoeding in verband
met beweerdelijke valse aangifte. In reconventie vordert X smartengeld op
grond van de schade die zij ten gevolge van het seksueel misbruik heeft
geleden. De aanwezige verklaringen wettigen het vermoeden van seksueel
misbruik. Hieraan doet niet af dat het Gerechtshof O heeft vrijgesproken. O.
krijgt zowel in conventie als in reconventie een bewijsopdracht, waarin hij
niet slaagt.

Volledige tekst

1. wijst de vordering af;
2. veroordeelt (O) in de proceskosten en begroot die tot op heden aan de
zijde van (X) op ƒ 4.950 waarvan te betalen aan de griffier van deze
rechtbank op bankgironummer 1923.25.752 t.n.v. DS 533 arrondissement Arnhem
het bedrag van ƒ 4.857,50 te weten:
– ƒ 277,50 wegens in debet gesteld griffierecht,
– ƒ 930 wegens overige verschotten,
– ƒ 3.650 wegens salaris procureur,
en het restant ad. ƒ 92,50 aan de procureur van (X) wegens haar eigen aandeel
in het griffierecht;

In reconventie
3. veroordeelt (O) om aan (X) ten titel van smartengeld ƒ 20.000 en wegens
buitengerechtelijke kosten ƒ 6.976,85, derhalve in totaal ƒ 26.976,85 te
betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 20.000 vanaf 1 januari
1997 en over ƒ 6.976,85 vanaf 16 april 1998 tot aan de dag der voldoening,
4. verklaart voor recht dat (O) jegens (X) onrechtmatig heeft gehandeld en
dat (O) gehouden is de schade aan (X) te vergoeden nader op te maken bij
staat en te vereffenen volgens de wet, voorzover die schade niet reeds in dit
vonnis is toegewezen;
5. veroordeelt (O) in de proceskosten en begroot die tot op heden aan de
zijde van (X) op ƒ 2.580;
6. verklaart het vonnis ten aanzien van de hiervoor genoemde punten 3. en 5.
uitvoerbaar bij voorraad;
7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mr. Teeuwissen-van der Valk.

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 30 augustus 2000

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres is in oktober 1996 verkracht en gegijzeld. Vanaf oktober 1998 is
zij onder behandeling van de Riagg. De rechtbank overweegt dat de psychische
schade geacht moet worden ten tijde van het misdrijf te zijn toegebracht,
en daarmee te zijn geleden. Dat de klachten zich hebben verergerd en dat
eiseres zich later (na twee jaar) tot de Riagg wendt doet daaraan niet
af. De wettelijke rente is dus vanaf de datum van het misdrijf verschuldigd.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
– dagvaarding,
– conclusie van eis,
– conclusie van antwoord,
– conclusie van repliek, met bewijsstukken,
– conclusie van dupliek.

Beide partijen hebben stukken overgelegd ter verkrijging van vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING.

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) betwist,
alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van overgelegde
bewijsstukken, staat het volgende vast.

a. Op 7 mei 1997 is K. door de rechtbank te Amsterdam veroordeeld tot een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. De rechtbank
achtte bewezen dat hij op (of omstreeks) 21 oktober 1996 zich schuldig
heeft gemaakt aan:
– medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd;
– medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid;
– medeplegen van het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd
houden, alsmede dat W. een van de slachtoffers van deze verkrachting, aanranding
en vrijheidsberoving was.

b. Op 12 december 1997 heeft het Gerechtshof te Amsterdam K. eveneens tot
vier jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld en dezelfde strafbare
feiten bewezen geacht.

c. Op 26 februari 1998 heeft K. het door hem op 24 december 1997 ingestelde
cassatieberoep ingetrokken.

2. Onder verwijzing naar deze beide uitspraken vordert W. voor recht te
verklaren dat K. jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door genoemde
strafbare feiten te begaan. Voorts vordert W. de veroordeling van K. tot
betaling aan haar van een bedrag van ƒ 44.109,38, te vermeerderen met de
wettelijke rente over ƒ 37.500 vanaf 20 oktober 1996 tot de dag der algehele
voldoening, met veroordeling van K. in de kosten van het geding. Het bedrag
van ƒ 44.109,3 8 bestaat uit een bedrag van ƒ 3 7. 5 00 als immateriële
schadevergoeding en een bedrag van ƒ 6.609,38 als buitengerechtelijke incassokosten.
Zij stelt daartoe dat zij ten gevolge van de verkrachting psychische schade
heeft geleden en nog zal lijden. Zij is hiervoor onder behandeling van
het RIAGG.

3. K. heeft daartegenover volstaan met het verweer dat hij de strafbare
feiten niet heeft gepleegd en dat ook in het strafproces altijd heeft ontkend.
Net als in de strafzaak vermoedt hij dat W. samen met haar vriendinnen
probeert hem veroordeeld te krijgen. Hij heeft dit verweer niet nader toegelicht.

4. Daarmee heeft hij de gemotiveerde stellingen van W. onvoldoende gemotiveerd
betwist, zodat van de juistheid van die stellingen moet worden uitgegaan.
Bewijslevering is niet aan de orde.

5. K. heeft daarnaast de schade betwist. De door W. overgelegde brief van
het RIAGG van 15 december 1999 zou slechts na zijn reactie op de vermeende
schade in zijn conclusie van antwoord zijn ingebracht om een grondslag
voor de vordering te creëren. K. betwist voorts de hoogte van de gevorderde
immateriële schadevergoeding. Hij stelt dat de door W. aangehaalde voorbeelden
niet vergelijkbaar zijn en dat in vergelijkbare gevallen een substantieel
lager bedrag aan schadevergoeding werd toegekend.

6. Als feit van algemene bekendheid kan worden aangenomen dat slachtoffers
van een verkrachting hiervan in meer of mindere mate psychische schade
ondervinden. De door W. overgelegde verklaring van een medewerker van het
RIAGG ondersteunt en specificeert deze schade. Die – wat de inhoud betreft
niet betwiste – verklaring van 1 5 december 1999 van M. van den Ende, maatschappelijk
werksters en gespecialiseerd traumatherapeut bij het RIAGG, luidt als volgt:

N.a.v. uw verzoek om informatie betreffende mw. W. kan ik u het volgende
berichten:

Huidige klachten: Cliënte lijdt aan een Posttraumatische stress-stoornis
met depressieve kenmerken, chronisch met verlaat begin.
Zij heeft last van stemmingsklachten vooral van depressieve aard, piekeren,
slaapproblemen, nachtmerries en herbeleving van een verkrachting onder
gijzeling in oktober 1996. Haar lichaamsgewicht is op de grens van ondergewicht
omdat zij moeilijk kan eten.
Ze is onzeker, heeft geen zelfvertrouwen en is sociaal angstig. Ze heeft
het gevoel dat haar leven stil is komen te staan en aan haar voorbijtrekt.
Zij heeft moeite andere mensen te vertrouwen.

Ingestelde behandeling: individuele ondersteunende behandeling
gericht op het herstel van de Posttraumatische stress-stoornis.

Prognose: De impact van de doorgemaakte verkrachting met gijzeling
in oktober 1996 is van dien ernstige aard dat het voor cliënte tot op heden
nog bijzonder moeilijk is erover te spreken. Zij decompenseert snel wanneer
dit ter sprake komt omdat het haar zo zwaar valt. Dit maakt dat de behandeling
langdurig zal zijn, waarschijnlijk 2 tot 3 jaar. Over de prognose in optimistische
zin kan ik, gezien het voorgaande, op dit moment nog weinig zeggen.

Mate van arbeidsongeschiktheid: Tot om heden en vooralsnog acht
ik cliente niet arbeidsgeschikt gezien de ernst van de klachten.

7. W. is, met haar handen op haar rug gebonden en onder bedreiging van
een mes, seksueel misbruikt door meerdere personen die de woning waarin
zij lag te slapen waren binnengedrongen. Dit vormt een zeer ernstige inbreuk
op haar geestelijke en lichamelijke integriteit. De bovenstaande brief
maakt voldoende aannemelijk welke gevolgen zij daaraan heeft overgehouden.
De rechtbank zal de schade naar billijkheid bepalen op ƒ 25.000.

8. K. betwist tenslotte het moment van de opeisbaarheid van de wettelijke
rente. Hij stelt dat de rente pas opeisbaar is vanaf de aanvang van de
behandeling door het RIAGG in oktober 1998, zijnde het moment waarop de
schade wordt geacht te zijn geleden.

9. De door W. geleden psychische schade wordt, gezien de ernst en ingrijpendheid
van het misdrijf, geacht ten tijde van het misdrijf te zijn toegebracht
en daarmee te zijn geleden. Dat de klachten zich dusdanig hebben ontwikkeld
en verergerd dat zij zich op een later moment onder behandeling van het
RIAGG heeft gesteld, doet daaraan niet af. De wettelijke rente is dus vanaf
21 oktober 1996 verschuldigd.

10. De buitengerechtelijke kosten worden niet zelfstandig betwist en zullen
derhalve eveneens worden toegewezen.

11. K. zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de
kosten van dit geding.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart voor recht dat K. door het begaan van de hiervoor onder la vermelde
strafbare feiten jegens W. onrechtmatig heeft gehandeld;

veroordeelt K. tot betaling aan W. van ƒ 31.609,38, alsmede de wettelijke
rente over ƒ 25.000 vanaf 21 oktober 1996 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt K. in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan
de zijde van W. begroot op ƒ 2.625,74, waarvan te betalen aan W.:
ƒ 205 voor de bij haar gevallen kosten aan vastrecht, en aan de griffier
van deze rechtbank:
ƒ 1.720 aan salaris procureur;
ƒ 635 aan overig vastrecht;
ƒ 65,74 aan exploit kosten;

– verklaart deze betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

– wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. Beukenhorst.

Instantie: President Rechtbank Utrecht, 24 augustus 2000

Instantie

President Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Tussen partijen is de echtscheiding uitgesproken, waarbij kinderalimentatie is vastgesteld. In afwachting van een rechterlijke beslissing omtrent partneralimentatie, vordert de vrouw in kort geding veroordeling van de man tot betaling van een voorschot van ƒ 4.000 per maand op de nog vast te stellen uitkering. De vrouw heeft geen eigen inkomsten en wordt financieel bijgestaan door familie en vrienden; de man betaalt de huur van haar woning. De vrouw komt niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering. De president acht het spoedeisend belang voldoende aannemelijk, nu een beslissing op het alimentatieverzoek niet op korte termijn is te verwachten en de middelen van de vrouw ontoereikend zijn om de periode tot die beslissing te overbruggen. De man moet in staat worden geacht om ƒ 1.600 per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Nu de man heeft verklaard de huurbetalingen ten bedrage van ƒ 1.200 per maand voort te zetten, wordt het voorschot op de partneralimentatie voorlopig bepaald op ƒ 400 per maand.

Volledige tekst

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

1.1. Eiseres, hierna te noemen: de vrouw, heeft gedaagde, verder te noemen: de man, in kort geding doen dagvaarden. Op de dienende dag,9 augustus 2000, heeft zij van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het exploot van dagvaarding, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

1.2. De vrouw heeft vervolgens bij monde van haar advocaat haar vordering doen toelichten mede aan de hand van een overgelegde pleitnota.

1.3. De man heeft hierop bij monde van zijn procureur verweer doen voeren mede aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.4. Na voortgezet debat, waarbij ook door partijen in persoon enige inlichtingen zijn verschaft, hebben zij de stukken overgelegd en vonnis gevraagd.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

2.l. Partijen zijn op 12 januari 1994 te Nairobi, Kenia in gemeenschap van goederen gehuwd. Uit hun huwelijk is een minderjarig kind geboren.

2.2. Bij beschikking van deze rechtbank van 9 juni 1999 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

2.3 Bij deze beschikking is de vrouw alleen belast met het ouderlijk gezag over het minderjarig kind.

2.4. Bij de beschikking van deze rechtbank van 9 juni 1999 is tevens bepaald dat de man met een bedrag van ƒ 250 per maand moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarig kind. Een bijdrage voor levensonderhoud van de vrouw is niet bepaald.

2.5. De vrouw heeft op 14 juli 2000 bij de rechtbank te ‘s-Gravenhage een verzoekschrift tot vaststelling partneralimentatie ingediend.

2.6. De vrouw heeft geen eigen inkomsten. Zij wordt financieel bijgestaan door familie en vrienden.

2.7. De huur van de woning van de vrouw bedraagt ƒ 1.200 per maand.

2.8. De man heeft de volgende inkomsten:
– een salaris van ƒ 7.058 bruto per maand, te vermeerderen met 8 % bruto vakantiegeld, een dertiende maandsalaris, een wisselende consignatietoeslag die maximaal 3 maanden per jaar wordt uitgekeerd en welke in juni 2000 ƒ 573,82 bruto per maand heeft bedragen en overhevelingstoeslag;
– inkomsten uit verhuur van ƒ 1.945 bruto per maand.
Hij ontvangt van zijn werkgever een belaste onkostenvergoeding van ƒ 133 per maand.

2.9. Hij heeft de volgende lasten:
woonlasten:
ƒ 1.488,65 per maand rente hypotheek van de Rijnlandse Hypotheekbank B.V.,
ƒ 1.303,33 per maand rente hypotheek van AMEV Woning Hypotheken B.V.,
ƒ 500 per maand premie van de aan de hypotheken verbonden levensverzekeringen,
ƒ 175 per maand woonlastenforfait;
het fiscale huurwaardeforfait van zijn woning bedraagt ƒ 3.000 per jaar;
ziektekosten
– ƒ 163 per maand premie ziektekostenverzekering, inclusief de wettelijke bijdragen;
pensioenvoorziening
– ƒ 500 per maand fiscaal aftrekbare premie lijfrente;
rente en aflossing schulden
– ƒ 700 per maand rente en aflossing van een persoonlijke lening bij de Postbank N.V., van welke lening het saldo per 3 juli 2000 ƒ 33.483,42 heeft bedragen en waarvan de effectieve jaarrente 9,2 % per jaar bedraagt;
verzekering
– ƒ 128,70 per maand premie combipolis.

3. HET GESCHIL EN DE BEOORDELING ERVAN

3.1. Voor de volledige inhoud van de vordering alsmede de grondslagen daarvan wordt verwezen naar de aan dit vonnis gehechte fotokopie van de dagvaarding. Kort weergegeven houdt de vordering in dat de man bij wijze van voorschot op een uitkering tot levensonderhoud ƒ 4.000 per maand dient te voldoen.

3.2. Het verweer van de man komt in het volgende voor zoveel nodig aan de orde.

3.3. Ter onderbouwing van haar vordering heeft de vrouw onder meer aangevoerd dat zij niet in staat is om inkomen te verwerven, haar mogelijkheden om betaalde arbeid te verrichten beperkt zijn en dat zij geen uitkering kan verkrijgen. De vrouw stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

3.4. De man heeft betwist dat de vrouw een spoedeisend belang bij haar vordering heeft. Hij heeft aangevoerd dat de vrouw geen behoef te heeft aan een bijdrage, omdat zij in eigen levensonderhoud kan voorzien.
Tenslotte meent de man dat de bijdrage zijn draagkracht te boven gaat.

3.5. Ten aanzien van het spoedeisend belang van de vrouw bij de onderhavige vordering overweegt de president als volgt. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat een uitspraak van de rechtbank te ‘s-Gravenhage op haar alimentatieverzoek niet op korte termijn is te verwachten en dat haar middelen ontoereikend zijn om de periode tot de uitspraak in de alimentatieprocedure te overbruggen. Het spoedeisend belang van de vrouw bij de door haar gevraagde voorzieningen is hiermee voldoende aannemelijk geworden.

3.6. De vrouw bestrijdt de kosten van haar levensonderhoud uit giften van mensen, die jegens haar geen financiële verplichtingen hebben.
Hiermee is haar behoefte aan een bijdrage voor haar levensonderhoud van de man voldoende aangetoond. De man heeft de behoefte impliciet erkend, aangezien hij heeft verklaard de huur van de woning van de vrouw te betalen. Een nader onderzoek naar de behoefte van de vrouw aan een bijdrage gaat de grenzen van dit kort geding te buiten.

3.7. Bij het onderzoek naar de draagkracht van de man is de president uitgegaan van de hierboven opgesomde feiten en omstandigheden, behalve voor zover hierna anders wordt overwogen.

3.8. De man heeft verklaard dat hij, in plaats van de bijdrage van ƒ 250 per maand die de rechtbank ten behoeve van het minderjarig kind heeft vastgesteld, aan de vrouw ƒ 500 per maand alimentatie voor het kind betaalt. De president is van oordeel dat de bedragen, die de man boven de door de rechtbank bepaalde bijdrage voldoet, geen voorrang behoren te hebben boven zijn onderhoudsverplichtingen ten opzichte van de vrouw. Derhalve zal bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening worden gehouden met de door de rechtbank bepaalde kinderalimentatie van ƒ 250 per maand.

3.9. Op grond van het bovenstaande is de president voorshands van oordeel dat de man in staat moet worden geacht om ƒ 1.600 per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De man betaalt de huur van de woning van de vrouw van ƒ 1.200 per maand rechtstreeks aan de verhuurder. Nu de man heeft verklaard deze huurbetalingen voort te zetten, is het redelijk om het voorschot op de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw voorlopig op ƒ 400 per maand te bepalen.

3.10. Aangezien partijen gewezen echtelieden zijn, zullen de kosten van deze procedure tussen hen worden gecompenseerd op de wijze als hieronder is bepaald.

4. DE BESLISSING

De president:

4.1. veroordeelt de man om vanaf de datum van dit vonnis bij wijze van voorschot op een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw, door bijschrijving op een door haar aan te wijzen rekening, te betalen een bedrag van ƒ 400 (VIERHONDERD GULDEN) per maand;

4.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3. wijst af het meer of anders gevorderde;

4.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. Van der Burg-Van Geest