Instantie: Raad van State afdeling bestuursrechtspraak, 6 juni 2000

Instantie

Raad van State afdeling bestuursrechtspraak

Samenvatting


Appellante werkt als prostituee in haar eigen flatwoning. De Burgemeester
heeft krachtens art. 66 APV, dat de gebruiker of beheerder van een inrichting
verbiedt deze voor prostitutie te gebruiken, sluiting bevolen van het voor
publiek toegankelijke deel van de woning. De Raad van State oordeelt dat,
ervan uitgaande dat de flatwoning als woning in gebruik is, het
sluitingsbevel in strijd is met het in het art. 10, eerste lid, van de
Grondwet vastgelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Ook indien de woning tevens een andere functie vervult, behoort een woning
die als zodanig in gebruik is naar haar aard tot de persoonlijke levenssfeer
van haar bewoner. Hoewel appellante niet is verboden de woning te betreden,
heeft het sluitingsbevel wel als gevolg dat zij geen bezoek meer in haar
woning kan ontvangen, hetgeen een ernstige inperking is van de normale
woonfunctie. Een beperking van het in art. 10 Gw neergelegde recht is
uitsluitend toegestaan op basis van een wet in formele zin.

Volledige tekst

1. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 2 juli 1998 heeft de burgemeester van Breda (hierna: de
burgemeester) krachtens artikel 66 van de Algemene plaatselijke verordening
Breda 1997 (hierna: de APV) de sluiting bevolen van het voor publiek
toegankelijke gedeelte van het perceel [adres] te [woonplaats] voor een
periode van drie maanden.

Bij besluit van 29 augustus 1998 heeft de burgemeester het hiertegen door
appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 maart 1999, verzonden op 6 april 1999, heeft de
president van de
arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de president) het door appellante
tegen dit besluit
ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State
ingekomen op 18 mei 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 augustus 1999 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een
enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 1999, waar
appellante in persoon, bijgestaan door mr. L. de Jong, advocaat te Amsterdam,
en de burgemeester, vertegenwoordigd door drs. F.J.P. Ewalds, ambtenaar der
gemeente, zijn verschenen.

Na de behandeling ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Onder
verwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer, is bepaald dat de zaak
verder wordt behandeld op de zitting van 7 maart 2000. Daar zijn appellante
in persoon, bijgestaan door mr. K.A.J.C.M. van Meerwijk, advocaat te
Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door drs. F.J.P. Ewalds,
verschenen.

2. OVERWEGINGEN

2.1. Ingevolge artikel 66, eerste lid, van de APV is het de rechthebbende op
en de beheerder en/of gebruiker van een inrichting verboden, hetzij bij
herhaling, hetzij uit winstbejag daarin:
a. aan anderen de gelegenheid te geven prostitutie te plegen dan wel daarin
prostitutie toe te laten;
b. personen toe te laten of te dulden die met het kennelijk doel prostitutie
uit te lokken deze
inrichting bezoeken.
Onder inrichting wordt verstaan een gebouw of een voer- of vaartuig, dan wel
enig gedeelte daarvan.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de burgemeester de sluiting
bevelen van een inrichting als bedoeld in het eerste lid in het belang van de
openbare orde, de volksgezondheid, of ter
voorkoming of beperking van overlast of aantasting van het woon- en
leefklimaat. Hij maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een
afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang of toegangen van de
inrichting. De sluiting wordt van kracht op het moment dat bedoeld afschrift
is aangebracht.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Grondwet heeft ieder, behoudens bij
of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn
persoonlijke levenssfeer.

2.2. Het sluitingsbevel heeft betrekking op het voor publiek toegankelijke
gedeelte van de flatwoning van appellante. In de flatwoning, die bestaat uit
een woonkamer, twee slaapkamers en een keuken, exploiteert zij onder de naam
[bedrijfsnaam] een prostitutiebedrijf.

2.3. Vast staat dat appellante in april 1994 de flatwoning als woning in
gebruik heeft genomen en zich op dat adres heeft doen inschrijven in het
bevolkingsregister van de gemeente Breda. Naar zij stelt, is zij de
flatwoning blijven bewonen, ook nadat zij vanaf maart 1995 de flatwoning is
gaan gebruiken voor de uitoefening van het prostitutiebedrijf. Tijdens de
tweede zitting heeft de vertegenwoordiger van de burgemeester desgevraagd
verklaard dat er geen aanwijzingen zijn dat appellante elders haar
hoofdverblijf heeft en dat niet valt uit te sluiten dat zij ter plaatse
daadwerkelijk woont. De Afdeling ziet geen reden de stelling van appellante,
dat zij de flatwoning daadwerkelijk bewoont, niet voor juist te houden.

2.4. De omstandigheid dat er vanuit moet worden gegaan dat de flatwoning als
woning in gebruik is, leidt tot het oordeel dat het sluitingsbevel een
beperking vormt van het in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet
neergelegde recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het
tijdens de tweede zitting vanwege de burgemeester ingenomen standpunt dat de
geheel als bordeel ingerichte flatwoning overwegend wordt gebruikt voor
prostitutie en als zodanig is aan te merken als een voor het publiek
openstaande inrichting, doet aan dat oordeel niet af.
Gewezen zij in dit verband op de uitspraak van 28 augustus 1995, no.
H01.95.0073, gepubliceerd AB 1996, 204, waarin de Afdeling reeds heeft
overwogen dat een woning die als zodanig in gebruik is, naar haar aard tot de
persoonlijke levenssfeer van haar bewoner(s) behoort, ook indien die woning
daarnaast nog een andere functie vervult. In dit geval ligt dat niet anders.
Dat, naar van de kant van de burgemeester nog is verklaard, het op grond van
het sluitingsbevel appellante niet is verboden de flatwoning te betreden,
leidt evenmin tot een ander oordeel, nu het sluitingsbevel wel tot gevolg
heeft dat het appellante verboden is in haar woning bezoek te ontvangen,
hetgeen een ernstige inperking is van de normale woonfunctie.
De Afdeling merkt in dit verband voorts op dat de omstandigheid dat het
sluitingsbevel is beperkt tot het voor het publiek toegankelijke gedeelte van
de flatwoning zonder betekenis is, reeds omdat, naar ook niet in geschil is
tussen partijen, de prostitutie-activiteiten niet beperkt zijn tot een
afgebakend gedeelte van de flatwoning, dat te onderscheiden is van een
privé-gedeelte.

2.5. Een beperking van het in artikel 10, eerste lid, voornoemd, neergelegde
recht is volgens die bepaling slechts toegestaan op basis van een wet in
formele zin. Omdat artikel 66 van de APV niet de vereiste basis biedt,
verdraagt het op dat artikel gebaseerde sluitingsbevel zich niet met artikel
10 van de Grondwet.

2.6. De president heeft dat miskend. Het hoger beroep is gegrond en de
aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal doen hetgeen de
rechtbank zou behoren te doen door het beroep alsnog gegrond te verklaren, de
beslissing op bezwaar te vernietigen en, zelf voorziende in de zaak, het
primaire besluit te herroepen.

2.7. De burgemeester dient op na te melden wijze in de proceskosten in beroep
en hoger beroep te worden veroordeeld.

3. BESLISSING

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietig de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank
te Breda van 23 maart 1999, 99/400 VEROR VIE;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Breda van 29 augustus
1998, JZ/98/147;
V. herroept het besluit van de burgemeester van 2 juli 1998, CS/KABII;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde
besluit;
VII. veroordeelt de burgemeester van Breda in de door appellante in verband
met de behandeling van het beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot
een bedrag van ƒ 3.530, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een
derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de
gemeente Breda te worden betaald aan appellante;
VIII. gelast dat de gemeente Breda aan appellante het door haar voor de
behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten
bedrage van ƒ 225 onderscheidenlijk ƒ 340 vergoedt.

Rechters

Mrs. Boukema, Van der Does en Van Dijk

Instantie: Kantonrechter Sneek, 31 mei 2000

Instantie

Kantonrechter Sneek

Samenvatting


Eiseressen zijn gedetacheerd als verpleegkundigen bij een zelfstandig
samenwerkingsverband dat is opgezet door twee verschillende werkgevers. Zij
zijn lager ingeschaald dan de mannelijke verpleegkundigen die daar werkzaam
zijn. Gedaagde stelt dat de mannelijke collega’s niet als maatman kunnen
dienen omdat ze bij een andere werkgever in dienst zijn. Voorts is het toeval
dat de werknemers die gedetacheerd zijn door gedaagde, vrouw zijn en de
maatmannen die gedetacheerd zijn door de andere werkgever, man. De
kantonrechter oordeelt dat binnen dezelfde onderneming onderscheid wordt
gemaakt in de arbeidsvoorwaarden, maar van direct sekseonderscheid is geen
sprake. Nu ook indirect sekseonderscheid niet is gesteld of gebleken, houdt
de kantonrechter het ervoor dat het feit dat gedaagde alleen vrouwelijke
werknemers heeft gedetacheerd op toeval berust. De vorderingen worden
afgewezen.

Volledige tekst

OVERWEGINGEN

Procesverloop

Op de bij de dagvaarding vermelde gronden hebben eiseressen, hierna te noemen
S. en Sa., verzocht te verklaren voor recht dat gedaagde, hierna te noemen
GGZ, na 1 januari 1998 onderscheid heeft gemaakt naar geslacht en derhalve in
strijd heeft gehandeld met artikel 7:646 BW en de Wet gelijke behandeling
mannen en vrouwen, hierna: WGB, in het bijzonder de artikelen 1b en 7,
alsmede om GGZ te veroordelen tot betaling van ƒ 14.676 aan S. en ƒ 14.791
aan Sa., in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente en de
wettelijke verhoging en met veroordeling van GGZ in de kosten van het geding.

Bij antwoord heeft GGZ de vorderingen betwist. Na repliek en dupliek is
vonnis bepaald.

De feiten

Als gesteld en erkend dan wel niet of onvoldoende betwist, alsmede op grond
van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties, staat
tussen partijen onder meer het volgende vast.

Sa. en S. zijn als verpleegkundige werkzaam in dienst van GGZ op basis van
een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In 1994 is GGZ een
samenwerkingsproject aangegaan met het Antonius Ziekenhuis te Sneek, hierna
te noemen: het ziekenhuis. Vanuit beide moederorganisaties worden werknemers
gedetacheerd in het samenwerkingsproject, de organisatie GGZ Acute Zorg
Sneek, hierna: Acute Zorg. Een onderdeel van Acute Zorg, is het zogenaamde
SPITS-project. Bij het SPITS-project zijn vijf verpleegkundigen werkzaam,
waaronder Sa. en S. Drie van die verpleegkundigen zijn gedetacheerd vanuit
GGZ en twee vanuit het ziekenhuis. De drie vanuit GGZ gedetacheerde
verpleegkundigen zijn vrouw. De twee vanuit het ziekenhuis gedetacheerde
verpleegkundigen zijn man.
In 1996 zijn GGZ en het ziekenhuis een samenwerkingsovereenkomst met elkaar
aangegaan, gericht op samenwerking in een Multi Functionele Eenheid (Acute
Zorg). Daartoe is op het terrein van het ziekenhuis een gebouw geplaatst waar
de medewerkers van beide organisaties samenwerken. Afgesproken is dat de bij
GGZ en het ziekenhuis bestaande functie-indeling met bijbehorend salaris in
stand blijft en dat beide partijen als werkgever zullen blijven optreden voor
het door hen bij Acute Zorg geplaatste personeel. De nieuwe organisatie wordt
aangestuurd door een directieteam dat is samengesteld uit leden van het
bestuur van GGZ en een lid van de directie van het ziekenhuis. Per 1 januari
1998 is de experimentele fase van het project beëindigd. De (twee) mannelijke
werknemers zijn vanaf dat moment met terugwerkende kracht door het ziekenhuis
ingeschaald in FWG 50 en de (drie) vrouwelijke werkneemsters zijn door GGZ
ingeschaald in FWG 45. Omdat GGZ het verschil in beloning onwenselijk achtte,
heeft zij het beloningsverschil tussen de werkneemsters en de werknemers tot
1 januari 1998 gecompenseerd met een eenmalige toeslag.. De vijf deelnemers
aan het SPITS-project verrichten inhoudelijk dezelfde werkzaamheden.

De standpunten van partijen

Sa. en S. zijn van mening dat GGZ na 1 januari 1998 onderscheid naar geslacht
maakt omdat zij en haar mannelijke collega’s niet in dezelfde functiegroep
zijn ingedeeld en GGZ het beloningsverschil niet langer met een toeslag
compenseert. Sa. heeft een oordeel gevraagd aan de Commissie gelijke
behandeling en deze is op 25 januari 1999 tot het oordeel gekomen dat GGZ
jegens Sa.. na 1 januari 1998 onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt
bij de beloning, als bedoeld in artikel 7:464 BW en in artikel 7 lid 1 WGB.
Sa. en S. hebben deze uitspraak en de daarop betrekking hebbende
correspondentie in het geding gebracht. Ter onderbouwing van hun vorderingen
verwijzen Sa. en S. naar deze uitspraak.

GGZ vindt de uitspraak van de Commissie gelijke behandeling niet juist. Zij
heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van ongeoorloofd onderscheid
omdat de mannelijke werknemers van Spits niet in dienst zijn van GGZ en GGZ
buiten hun salarisafspraken met het ziekenhuis staat. GGZ meent dat de
Commissie gelijke behandeling ten onrechte de Spits-verpleegkundigen die in
dienst zijn van het ziekenhuis, als maatman heeft genomen bij haar
beoordeling. Ook heeft GGZ aangevoerd dat het louter toeval is dat de twee
werknemers die door het ziekenhuis zijn gedetacheerd mannelijk zijn en dat de
door GGZ gedetacheerde werkneemsters vrouwelijk zijn.

De beoordeling van het geschil

Tussen partijen is niet in geschil dat alle Spits-verpleegkundigen arbeid van
gelijke waarde verrichten en dat er sprake is van een ongelijke
beloningsmaatstaf, nu Sa. en S. worden beloond volgens een andere functionele
schaal dan de twee mannelijke verpleegkundigen. De Commissie gelijke
behandeling heeft overwogen dat een vergelijking van de beloning van Sa. met
die van haar mannelijke collega’s in het kader van de WGB alleen dan mogelijk
is indien zij in dezelfde onderneming werkzaam zijn, hetgeen volgt uit
artikel 7 lid 1 WGB. Vervolgens heeft de commissie geoordeeld dat die
situatie zich voordoet vanaf 1 januari 1998. De kantonrechter onderschrijft
dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de
commissie, in het bijzonder ook de overweging van de commissie dat
uitsluitend het feit dat er sprake is van verschillende werkgevers met aan
het bestaan van een onderneming in de zin van de toepasselijke wetgeving in
de weg staat, omdat anders de bescherming die van die wetgeving uitgaat in
belangrijke mate aan effectieve werking zou inboeten. Dit alles betekent voor
het onderhavige geschil dat er van uitgegaan moet worden dat er sprake is van
ongelijke beloning binnen één onderneming. Met de commissie is de
kantonrechter voorts van oordeel dat GGZ voor het bestaan van die ongelijke
beloning als werkgeefster medeverantwoordelijk is. Ook GGZ vindt het
voorbestaan van een beloningsverschil onwenselijk en alleen GGZ en het
ziekenhuis zijn bij machte aan die onwenselijke toestand een einde te maken.
Sa. en S. staan daar in ieder geval buiten. Het enkele feit dat onder
(mede)verantwoordelijkheid van GGZ in de onderneming waarin Sa. en S.
werkzaam zijn een beloningsverschil tussen werknemers die gelijke arbeid
verrichten blijft voortbestaan, heeft tot gevolg dat GGZ als werkgeefster
onderscheid maakt in de arbeidsvoorwaarden tussen de verschillende
werknemers.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de kantonrechter echter -anders dan de
commissie niet tot het oordeel dat GGZ bij de beloning van Sa. en S.
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt. Artikel 7:646 lid 5 BW onderscheidt
direct en indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen. Tussen partijen is
niet in geschil dat er van direct onderscheid geen sprake is. Onder indirect
onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan
het geslacht, bijvoorbeeld echtelijke staat of gezinsomstandigheden, dat
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft. Een vermoeden van zodanig
onderscheid zou in het onderhavige geval gerechtvaardigd kunnen zijn indien
er in het algemeen meer vrouwen in verpleegkundige functies bij GGZ werkzaam
zijn dan bij het ziekenhuis. In dat geval zou een op zich sekse-neutrale
omstandigheid, te weten het aangaan van een samenwerkingsverband waarbinnen
ongelijkheid in beloning voor komt, meer vrouwen dan mannen kunnen treffen.
Niet het SPITS-project dient het referentiekader te zijn waarbinnen gekeken
moet worden of de positie van vrouwen anders is dan die van mannen. In de
situatie waarin sprake is van twee werkgevers van twee ondernemingen wordt
dat referentiekader gevormd door die beide ondernemingen. Binnen dat
referentiekader moet gekeken worden of de hoedanigheid van het zijn van
werknemer van GGZ onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft. Dat is
echter niet gesteld en er bestaan ook geen aanwijzingen om te vermoeden dat
de verhouding tussen de aantallen vrouwelijke en mannelijke verpleegkundigen
bij GGZ zodanig afwijkt van die bij het ziekenhuis, dat daarin een vermoeden
van indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen gevonden zou kunnen worden.
Zolang geen andere oorzaak valt aan te wijzen moet het er naar het oordeel
van de kantonrechter voor gehouden worden dat het feit dat GGZ drie
vrouwelijke verpleegkundigen heeft gedetacheerd in het SPITS-project, louter
op toeval berust.

Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat de gevorderde verklaring voor
recht zal moeten worden afgewezen. GGZ handelt immers niet in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling. Dientengevolge zal ook de vordering tot
betaling van loon worden afgewezen. Sa. en S. zullen als de in het ongelijk
gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Sa. en S. hoofdelijk, aldus dat indien de een betaalt de ander
zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van GGZ
begroot op ƒ 1.200 wegens salaris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. Schulting

Instantie: Commissie van Beroep PGGM, 26 mei 2000

Instantie

Commissie van Beroep PGGM

Samenvatting


Appellante verzoekt om volledige pensioenreparatie over de periode 9 juni
1977 (datum huwelijk) tot 23 augustus 1979 (bereiken 25-jarige leeftijd).
Over deze periode was zij uitgesloten van deelname aan de
PGGM-pensioenregeling omdat zij niet te beschouwen was als kostwinner. Om in
aanmerking te komen voor deelname vóór het 25e levensjaar, stelde het
pensioenreglement tot 1982 een kostwinnerseis aan gehuwde vrouwen. Deze eis
werd niet gesteld aan gehuwde mannen. PGGM wijst het verzoek tot reparatie af
omdat de ‘kostwinnersbeschermingsbeginsel’ voldoende rechtvaardiging zou
bieden voor het destijds gemaakte onderscheid. De Commissie van Beroep toetst
aan artikel 119 (thans 141) EG-verdrag en de jurisprudentie van het Europees
Hof van Justitie. Geoordeeld wordt dat PGGM direct onderscheid heeft gemaakt
op grond van geslacht. De stelling van PGGM, met een beroep op het arrest
Birds Eye Walls (28 september 1993), dat dit direct onderscheid kan worden
gerechtvaardigd, verwerpt de Commissie. Een rechtvaardiging van direct
onderscheid is, afhankelijk van het doel van het gemaakte onderscheid,
slechts mogelijk indien er sprake is van ongelijke gevallen en een duidelijk
verschil in de objectieve uitgangssituatie tussen mannen en vrouwen. Thans is
er sprake van gelijke gevallen, die gelijk behandeld behoren te worden.
Appellante behoort over de periode 1977-1979 alsnog te worden toegelaten tot
het pensioenfonds.

Volledige tekst

– Voor zover er al sprake kan zijn van een rechtvaardigingsgrond voldoet deze
niet aan de eisen die daaraan gesteld moeten worden;
– De aangevoerde rechtvaardigingsgrond voldoet in eik geval niet omdat de
daaraan ten grondslag gelegde veronderstelde situatie niet overeenkomt met de
werkelijke situatie.
c. Het fonds heeft in zijn brieven en contacten verwachtingen gewekt die
gehonoreerd dienen te worden.
d. Het fonds heeft appellante onvoldoende in de gelegenheid gesteld om haar
belangen te verdedigen bij het bestuur van het fonds.

De Commissie zal de hierboven onder 9b naar voren gebrachte stellingen het
eerst behandelen, omdat deze het meest fundamenteel zijn en de overige
stellingen gedeeltelijk omvatten.
Vaststaat dat appellante, geboren op 23 augustus 1954, op het tijdstip van
haar huwelijk, 9 juni 1977, in dienst was van een bij het fonds aangesloten
instelling en een salaris verdiende dat hoger was dan haar op 12 april 1956
geboren echtgenoot, die ook in dienst was van een bij het fonds aangesloten
instelling. Vanwege de destijds geldende reglementsbepalingen werd haar
echtgenoot, zonder dat er sprake was van kostwinnerschap, opgenomen in de
pensioenregeling, ook al had hij de leeftijd van 25 jaar nog niet bereikt en
werd appellante niet opgenomen omdat zij, op grond van het toen geldende
reglement alleen dan maar als deelnemer kon worden opgenomen als zij te
beschouwen was als kostwinner. De Commissie stelt vast, zoals het fonds ook
toegeeft, dat deze handelwijze directe discriminatie betekent op grond van
geslacht. Het fonds is van oordeel dat deze vorm van directe discriminatie
echter gerechtvaardigd kan worden. Het gemaakte onderscheid vloeit, naar het
oordeel van het fonds, voort uit de behoefte om bescherming te bieden in die
gevallen dat er sprake is van een afhankelijke partner, die het risico loopt
te maken te krijgen met het overlijden van de partner waarvan hij/zij
afhankelijk is. Het fonds spreekt in dit verband van de kostwinners
beschermingsgedachte.
os van de vraag of de vaststelling van de feitelijke maatschappelijke
situatie in de periode 1969-1982 juist is en hantering van het hierboven
genoemde kostwinnersbeschermingsbeginsel rechtvaardigt, stelt de Commissie
vast dat in de thans voorliggende casus geen sprake is van een afhankelijke
partner. Door het uitsluitend stellen van de kostwinnerseis aan de vrouw,
terwijl het voldoen aan deze eis bij de man wordt aangenomen, wordt feitelijk
niet voldaan aan de beoogde doelstelling van de
kostwinnersbeschermingsgedachte en blijft op het eerste gezicht een in deze
casus niet geheel te begrijpen onderscheid over.
Het fonds stelt dat de WGL, die van toepassing was in de periode 9 juni 1977
tot 23 augustus 1979, en een verbod op direct onderscheid kende, niet van
toepassing was op de aansprakelijkheid van een pensioenfonds omdat het een
gelijk behandelingsgebod bevat dat zich richt op de werkgever. Hiernaast
bestrijdt het fonds dat het bestreden onderscheid door de WGL zonder meer
verboden wordt. Er zouden rechtvaardigingsgronden voor direct onderscheid
binnen het kader van de WGL zijn. Bovendien zou uit de uitspraken van de
Commissie Gelijke Behandeling kunnen worden afgeleid dat het gesloten systeem
van rechtvaardigingsgronden wordt verlaten. Een zelfde tendens zou zijn af te
leiden uit uitspraken van het Europese Hof.
De Commissie stelt vast dat het beginsel van gelijke behandeling tussen
mannen en vrouwen op het gebied van lonen en arbeidsvoorwaarden ook van
toepassing is op het gebied van pensioenen. De WGL is te beschouwen als een
eerste uitwerking van deze gedachte op nationaal niveau. Artikel 141 –
voorheen 119 – EEG-Verdrag (voor de leesbaarheid wordt in het vervolg steeds
artikel 119 genoemd) werkt rechtstreeks door in het Nederlandse recht. Een
werknemer die zich op een schending van deze bepaling beroept, kan zowel de
werkgever als de beheerder van de pensioenregeling aanspreken. In haar
uitspraak van 30 december 1994 heeft de Commissie Gelijke Behandeling al
vastgesteld dat de werkgever van appellante in strijd handelt met het
beginsel van gelijke behandeling, neergelegd in artikel 7A: 1637ij BW door
haar niet toe te laten tot de pensioenregeling die in haar bedrijf van
toepassing was in de periode van 5 juni 1977 tot 23 augustus 1979.
De Commissie zal hieronder nagaan welke criteria er door het Europese Hof op
het gebied van de gelijke behandeling van pensioenen, toegespitst op de
toelating tot pensioenregelingen, zijn ontwikkeld om definitief antwoord te
kunnen geven op de vraag of het thans door het fonds gemaakte directe
onderscheid kan worden gerechtvaardigd.
Onder het beginsel van gelijke behandeling neergelegd in artikel 119
EEG-Verdrag valt ook het recht op aansluiting. Het Hof heeft in het
Bilka-arrest (13 mei 1986) al beslist dat een werkgever in strijd met deze
verdragsbepaling handelt, wanneer hij deeltijdwerkers van een
ondernemingspensioenregeling uitzondert en deze maatregel een veel groter
aantal vrouwen dan mannen treft, tenzij hij kan aantonen dat de uitsluiting
objectief gerechtvaardigd is en niets van doen heeft met discriminatie op
grond van geslacht. In de zaak Vroege (28 september 1994) verwijst het Hof
naar het Bilka-arrest en stelt dat een verbod op toetreding van gehuwde
vrouwen tot de pensioenregeling directe discriminatie oplevert. In het
Fisscher-arrest (28 september 1994) herhaalt het Hof dit oordeel en overweegt
dat de werknemer die zich op het recht op aansluiting met terugwerkende
kracht beroept in dezelfde situatie moet worden geplaatst als de werknemers
van het andere geslacht en daarom niet kan eisen op het financiële vlak
gunstiger te worden behandeld dan wanneer de deelnemer direct tot de
pensioenregeling was toegelaten.
De rechtstreekse horizontale werking van artikel 119 EEG-Verdrag geldt op
grond van het arrest Defrenne-II (8 april 1976) alleen voor aanspraken vanaf
8 april 1976. De beperkingen in de tijd die op grond van de arresten Barber
(17 mei 1990) en Ten Oever (6 oktober 1993) en op grond van het zogenaamde
Barber-protocol gelden, zijn niet van toepassing op het recht op aansluiting
bij een ondernemings- of bedrijfspensioenregeling.
In de arresten Vroege en Fisscher heeft het Hof beslist dat het recht op
aansluiting kan worden gevorderd met terugwerkende kracht tot 8 april 1976,
de datum van het Defrenne II-arrest.
In het Evrenopoulos-arrest (17 april 1997) stelt het Hof directe
discriminatie vast vanwege de toekenning van een pensioen ten behoeve van
weduwnaars onder beperkende voorwaarden die niet voor weduwen gelden.
Het fonds meent in het arrest van het Europese Hof Birds Eye Walls een
aanwijzing te zien dat het zogenoemde gesloten systeem van
rechtvaardigingsgronden wordt verlaten en wordt vervangen door een systeem
waarbij het Hof alleen een redelijkheidstoets uitvoert op de rechtvaardiging
van het gemaakte onderscheid. De Commissie begrijpt deze stelling zo dat het
fonds hiermee bedoelt dat uitsluitend de redelijkheid zou dienen te worden
beoordeeld van het kostwinners beschermingsbeginsel. Indien dit beginsel
redelijk en doelmatig zou worden bevonden, zou het onderscheid zijn
toegelaten, ook al zou er in de concrete situatie geen sprake zijn van een
daadwerkelijke toepassing van het beginsel.
De Commissie is van oordeel dat het fonds het arrest verkeerd leest en
interpreteert. Het Hof zegt in zijn arrest dat een verschil in de hoogte van
het overbruggingspensioen geen discriminatie is, wanneer dit verschil het
gevolg is van een verschil in de ingangsleeftijd voor het wettelijk
ouderdomspensioen. Hierdoor is er een verschil in de objectieve
uitgangssituatie tussen mannen en vrouwen. In een noot onder het arrest wordt
gezegd dat deze uitspraak het gesloten systeem dat tot dan werd gebruikt bij
de beoordeling van seksediscriminatie op losse schroeven lijkt te zetten.
Werd er eerst nagegaan of een regeling die onderscheid maakt naar geslacht
een schending van de Europese normen opleverde als geen van de
uitzonderingsbepalingen van toepassing zijn, thans lijkt het Hof terug te
vallen op de algemene gelijkheidsdoctrine van het verbod van
ongerechtvaardigd onderscheid. “Niet in de vorm van de beoordeling van een
objectieve rechtvaardiging voor het verschil, maar in de vorm van een
beoordeling van de (on)gelijkheid van de gevallen. Deze methodes komen, mits
juist uitgevoerd, op een zelfde doel-middel toets neer. Of men neemt mannen
en vrouwen als gelijke gevallen en maakt een uitzondering voor het geval dat
het sekseverschil een passend middel is voor het objectief gerechtvaardigd
doel. Of men beoordeelt of mannen en vrouwen met het oog op het objectief
gerechtvaardigd doel gelijke of ongelijke gevallen vormen”.
Ook in het door het fonds genoemde arrest Smith van het Europese Hof van 28
september 1994 is er sprake van een verschil in de objectieve
uitgangssituatie. Wanneer een pensioenregeling een voor mannen en vrouwen
ongelijke pensioenleeftijd kent, mag onder bepaalde voorwaarden deze leeftijd
worden verhoogd tot het niveau dat voor mannen geldt, zonder dat er sprake is
van discriminatie.

Op grond van bovenstaande jurisprudentie is de Commissie van oordeel dat de
weigering van het fonds appellante als deelnemer in het pensioenfonds op te
nemen over de periode 9 juni 1977 tot 23 augustus 1979 een direct onderscheid
naar geslacht oplevert, omdat aan appellante de voorwaarde van het
kostwinnerschap werd gesteld, terwijl deze zelfde voorwaarde voor haar man
niet gold. Dit onderscheid kan niet worden gerechtvaardigd door een beroep op
het kostwinners beschermingsbeginsel. In de eerste plaats niet omdat in casu
er geen sprake van was dat appellante en haar echtgenoot ten opzichte van
elkaar de rol van kostwinner vervulden, nu zij allebei in dienst van een
aangesloten instelling een salaris verdienden. Dat was de objectieve
uitgangssituatie. Daardoor kan de stelling van het fonds dat er omwille van
dit beginsel een gerechtvaardigd onderscheid mag worden gemaakt niet overeind
blijven. Er was anders gezegd geen sprake van ongelijke maar van gelijke
gevallen, die daarom gelijk behoorden en behoren te worden behandeld. Wil het
door het fonds genoemde kostwinners beschermingsbeginsel, gelet op de
hierboven uiteengezette duidelijke lijn in de jurisprudentie, een
rechtvaardiging opleveren, dan moet er allereerst een duidelijk verschil zijn
in de objectieve uitgangssituatie. De stelling van het fonds dat het verlaten
van het gesloten systeem van uitdrukkelijk geformuleerde
rechtvaardigingsgronden een versoepeling zou betekenen van de beoordeling van
verboden discriminatie, in die zin dat er nog uitsluitend zou worden gekeken
of de aangevoerde grond, marginaal getoetst een rechtvaardiging zou kunnen
opleveren, is naar het oordeel van de Commissie een verkeerd vertrekpunt.
Iedere beoordeling van het Hof in een concrete casus begint met een
zorgvuldige vaststelling van de feiten om zo te kunnen vaststellen wat de
objectieve uitgangssituatie is. Is deze gelijk, dan is er in geval van
directe discriminatie geen enkele rechtvaardiging meer mogelijk. Pas als de
objectieve uitgangssituatie verschillend is, dan is er, afhankelijk
van het doel van het gemaakte onderscheid, een rechtvaardiging te
construeren.
Dit betekent dat de stellingen van appellante doel treffen en er toe leiden
dat de beslissing van het fonds niet in stand kan blijven. De andere
hierboven genoemde stellingen van appellante behoeven geen bespreking meer.
Appellante behoort alsnog over de periode 9 juni 1977 tot 23 augustus 1979
als deelnemer tot het fonds te worden toegelaten op dezelfde wijze en onder
dezelfde condities als haar toenmalige echtgenoot.
10. Op grond van bovenstaande overwegingen verklaart de Commissie het beroep
van appellante gegrond.

Uitspraak doende beslist de Commissie als volgt.
1. Het bestuursbesluit van 6 juli 1999 wordt vernietigd.
2. Het fonds wordt opgedragen om met inachtneming van het hierboven gestelde
een nieuw besluit te nemen.
3. Iedere partij draagt de eigen kosten met dien verstande dat de kosten als
bedoeld in artikel 12 van het reglement voor de commissie van Beroep voor
rekening van het fonds komen.

Rechters

Mrs. Fase, Brink en de Laat

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 19 mei 2000

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Vader en stiefmoeder verzoeken adoptie van een 17-jarig kind, dat vanaf haar vijfde jaar door hen wordt verzorgd en opgevoed. Het kind stemt uitdrukkelijk in. De moeder wil het niet en maakt gebruik van haar vetorecht. De rechtbank en het hof wijzen het verzoek toe. Het hof oordeelt daarbij dat de moeder misbruik van haar vetorecht heeft gemaakt. De Hoge Raad vindt dat het hof geen blijk gegeven heeft van een onjuiste rechtsopvatting. Bij het uitoefenen van het vetorecht hoort de ouder het belang van het kind zwaar te laten wegen.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 25 maart 1998 ter griffie van de Rechtbank te Almelo ingekomen verzoekschrift hebben verweerders in cassatie – verder te noemen: de vader en de stief-moeder – zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de adoptie uit te spreken van de uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader met verzoekster tot cassatie – verder te noemen: de moeder – op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] geboren dochter […].
De moeder heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft na verhoor van [de dochter] op 26 augustus 1998 en de mondelinge behandeling ter terechtzitting van 17 september 1998 bij beschikking van 21 oktober 1998 de adoptie door de vader en de stiefmoeder van [de dochter] uitgesproken.
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij beschikking van 16 maart 1999 heeft het Hof voormelde beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader en de stiefmoeder hebben verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst Moltmaker strekt tot vernietiging van de beschikking van het Hof en tot afwijzing van het adoptieverzoek.
De advocaat van de vader en de stiefmoeder heeft bij brief van 15 februari 2000 een reactie op deze conclusie ingediend.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Uit het huwelijk van de vader en de moeder is op [geboortedatum] 1980 [de dochter] geboren.
(ii) De vader en de moeder zijn in februari 1985 uit elkaar gegaan. [De dochter] is bij haar vader gebleven.
(iii) Na de echtscheiding in 1986 is de vader benoemd tot voogd over [de dochter]. Hij heeft tot haar meerderjarigheid het gezag over haar uitgeoefend.
(iv) In 1985 heeft [de dochter] in totaal ongeveer vijf weken omgang met haar moeder gehad. In 1986 is de moeder naar Engeland verhuisd waar haar huidige echtgenoot woonde en werkte. In dat jaar heeft [de dochter] gedurende vier weken in de zomervakantie omgang met haar moeder gehad. In 1992 is de moeder met haar echtgenoot in Nederland gaan wonen. In 1996 zijn zij vertrokken naar de Verenigde Staten van Amerika. In de jaren na 1986 is er weinig contact geweest tussen de moeder en [de dochter].
(v) De vader en de stiefmoeder zijn in september 1985 met elkaar gaan samenwonen. Sindsdien leven zij met [de dochter] in gezinsverband. Op 28 december 1988 zijn zij gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren.

3.2 De Rechtbank heeft op verzoek van de vader en de stiefmoeder het onder 1 vermelde adoptieverzoek toegewezen. Het Hof heeft die beschikking op het hoger beroep van de moeder bekrachtigd. Daartoe heeft het Hof, kort samengevat, als volgt overwogen. Op het verzoek is het vóór 1 april 1998 geldende recht van toepassing (rov. 4.1). De adoptie is in het kennelijk belang van [de dochter] (rov. 4.3). [De dochter] heeft immers niets meer te verwachten van de moeder als verzorgster en opvoedster. Zij is gedurende een lange periode door de vader en de stiefmoeder opgevoed en zij stemt uitdrukkelijk in met de gevraagde adoptie (rov. 4.4). [De dochter] beschouwt sedert 1991/92 alleen de stiefmoeder als haar moeder. [De dochter] heeft de spaarzame contacten met de moeder als oppervlakkig en teleurstellend ervaren (rov. 4.5). [De dochter] wil de verbondenheid tussen haar, de stiefmoeder en de beide uit het huwelijk van de vader en de stiefmoeder geboren kinderen juridisch bevestigd zien (rov. 4.6). De psychische moeilijkheden van [de dochter] zijn niet veroorzaakt door de indiening van dit adoptieverzoek, doch bestonden volgens [de dochter] al langer als gevolg van het gebrek aan (serieus) contact met haar moeder (rov. 4.7). Het Hof heeft geen behoefte aan deskundige voorlichting over het belang van [de dochter] bij de adoptie (rov. 4.8).
De moeder heeft gesteld dat zij zich bij de inroeping van haar vetorecht heeft laten leiden door de belangen van [de dochter]. Als de adoptie zou worden uitgesproken zou dat volgens de moeder [de dochter] bevestigen in haar onjuiste opvatting dat zij een slechte moeder heeft die haar in de steek heeft gelaten (rov. 4.10). De moeder heeft het beste met [de dochter] voor (rov. 4.11), maar maakt misbruik van haar vetorecht omdat zij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het door haar gestelde belang bij de uitoefening van dat recht en het belang van [de dochter] bij de adoptie, in redelijkheid niet tot uitoefening van dat recht had kunnen komen, waarbij het Hof in het bijzonder in aanmerking neemt dat [de dochter] zeer lange tijd door de adoptanten is verzorgd en opgevoed (rov. 4.12).

3.3 Onderdeel 1 van het middel kan niet tot cassatie leiden, omdat het feitelijke grondslag mist. Het Hof heeft, anders dan in het onderdeel wordt aangevoerd, blijkens zijn rov. 4.10 en 4.11 de stellingen van de moeder besproken en verworpen.

3.4 Onderdeel 2 klaagt dat de afwijzing van het verzoek van de moeder tot het inschakelen van een deskundige onbegrijpelijk is en onvoldoende is gemotiveerd, en dat hetzelfde geldt voor de overweging waarin het Hof vaststelt dat [de dochter] al voor de indiening van het adoptieverzoek contact heeft opgenomen met een maatschappelijk werkster.
Het is aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt, overgelaten of hij behoefte heeft aan nadere deskundige voorlichting. Daarom kan de eerste klacht niet tot cassatie leiden.
Het Hof heeft op grond van de in zijn rov. 4.7 vermelde verklaring van [de dochter] aangenomen dat [de dochter] al vóór de indiening van het adoptieverzoek psychische problemen had. Daarop stuit de tweede klacht af.

3.5 Onderdeel 3 keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de moeder misbruik van haar vetorecht heeft gemaakt.
Bij de beoordeling van dit onderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Ofschoon het vetorecht aan de andere ouder is toegekend omdat adoptie het voor hem ingrijpende gevolg heeft dat zij de tussen hem en zijn kind bestaande familierechtelijke betrekkingen beëindigt, behoort de andere ouder bij het uitoefenen van deze bevoegdheid het belang van het kind zwaar te laten wegen. Voorts zal in de regel het belang van het kind om door de adoptanten te worden geadopteerd toenemen naar mate het door hen langer is verzorgd en opgevoed (HR 20 mei 1994, nr. 8409, NJ 1994, 626).
Door op de gronden vermeld in rov. 4.12, hiervoor weergegeven in 3.2, te oordelen dat de moeder misbruik van haar vetorecht heeft gemaakt, heeft het Hof derhalve niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.
Op het vorenoverwogene stuit het onderdeel af.

4. BESLISSING

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

CONCLUSIE A-G mr. Moltmaker

Edelhoogachtbaar college,

1 FEITEN EN PROCESGANG

1.1 Voor de feiten verwijs ik naar de in cassatie bestreden beschikking van het hof, waaraan ik het volgende ontleen. Uit het huwelijk van verzoekster tot cassatie (de moeder), en verweerder sub 1 (de vader), is op [geboortedatum] 1980 [de dochter] (hierna: […]) geboren. De moeder en de vader zijn in februari 1985 uit elkaar gegaan. De moeder is in [woonplaats] gaan wonen, [de dochter] is bij haar vader blijven wonen. Na de echtscheiding in 1986 is de vader benoemd tot voogd over [de dochter]. Hij heeft tot haar meerderjarigheid het gezag over haar uitgeoefend.

1.2 In 1985 heeft [de dochter] in totaal ongeveer vijf weken omgang met de moeder gehad. In 1986 is de moeder naar Engeland verhuisd waar haar huidige echtgenoot woonde en werkte. Dat jaar heeft [de dochter] gedurende vier weken in de zomervakantie omgang met de moeder gehad. In 1992 is de moeder met haar echtgenoot in Nederland gaan wonen. In 1996 zijn zij vertrokken naar de Verenigde Staten van Amerika. In de jaren na 1986 is er weinig contact geweest tussen de moeder en [de dochter].

1.3 De vader en verweerster in cassatie sub 2 (de stiefmoeder), zijn in september 1985 met elkaar gaan samenwonen. Sindsdien leven zij met [de dochter] in gezinsverband. Op 28 december 1988 zijn zij gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren.

1.4 De vader en de stiefmoeder hebben zich bij op 25 maart 1998 ingekomen verzoekschrift gewend tot de rechtbank te Almelo en hebben verzocht de adoptie van [de dochter] uit te spreken. De rechtbank heeft bij beschikking van 21 oktober 1998 de adoptie van [de dochter] door de vader en de stiefmoeder uitgesproken.

1.5 De moeder is in hoger beroep gekomen van deze beschikking bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd bij beschikking van 16 maart 1999.

1.6 Het hof oordeelt, dat de adoptie in het kennelijk belang van [de dochter] is (rov. 4.3). Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [de dochter] gezien haar leeftijd niets meer te verwachten heeft van haar moeder als verzorgster en opvoedster en betrekt in zijn oordeel de lange periode gedurende welke [de dochter] is opgevoed door haar vader en stiefmoeder en de uitdrukkelijke en gemotiveerde instemming met het adoptieverzoek van [de dochter] (rov. 4.4). Het hof overweegt vervolgens, dat [de dochter] heeft verklaard dat zij sedert 1991 of 1992 haar stiefmoeder als moeder beschouwt en dat de spaarzame contacten met haar moeder na die tijd voor haar steeds op een teleurstelling zijn uitgelopen (rov. 4.5)1. [de dochter] wenst voorts de onderlinge verbondenheid met haar stiefmoeder en haar twee uit het huwelijk van haar vader en stiefmoeder geboren zusjes juridisch te bevestigen (rov. 4.6). Niet ten gevolge van de indiening van het adoptieverzoek, zoals de moeder stelt, maar al daarvoor heeft [de dochter] psychische problemen gekregen die volgens [de dochter] zijn veroorzaakt door het gebrek aan (serieus) contact met haar moeder (rov. 4.7). Het hof acht zich voldoende voorgelicht omtrent het belang van [de dochter] en heeft geen behoefte aan benoeming van een deskundige (rov. 4.8).

1.7 Met betrekking tot het door de moeder ingeroepen vetorecht overweegt het hof, dat dit recht slechts wordt beperkt door de regel dat een bevoegdheid niet kan worden ingeroepen voorzover deze wordt misbruikt (rov. 4.9). De moeder stelt dat zij zich bij de inroeping van haar vetorecht heeft laten leiden door het belang van [de dochter]. Het is in haar belang dat er een familierechtelijke betrekking blijft bestaan tussen [de dochter] en haar. Als adoptie zou worden uitgesproken, zou dat [de dochter] bevestigen in haar onjuiste opvatting dat zij een slechte moeder heeft die haar in de steek heeft gelaten (rov. 4.10). Het hof onderschrijft niet het door de moeder gestelde belang bij de uitoefening van het vetorecht en verwijst daartoe naar het eerder overwogene omtrent het kennelijke belang van [de dochter] bij adoptie (rov. 4.11). Naar het oordeel van het hof maakt de moeder misbruik van haar bevoegdheid omdat zij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het door haar gestelde belang bij de uitoefening van het vetorecht en het belang van [de dochter] bij adoptie, in redelijkheid niet tot de uitoefening daarvan had kunnen komen. Bij de beoordeling van het belang van [de dochter] bij adoptie neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat [de dochter] zeer lange tijd door de adoptanten samen is verzorgd en opgevoed. (rov. 4.12).

1.8 De moeder heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. Zij heeft een uit drie onderdelen bestaand cassatiemiddel aangevoerd. De vader en de stiefmoeder hebben een verweerschrift ingediend.

2 BESCHOUWINGEN

2.1 Toepasselijk recht

2.1.1 Ingevolge art. III, eerste lid, van de Wet van 24 december 1997, Stb. 772, blijft op procedures met betrekking tot adoptie waarin het inleidend verzoekschrift is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van die wet (1 april 1998, Wet van 21 februari 1998, Stb. 126), het voordien geldende recht van toepassing. Het hof heeft derhalve terecht de artikelen 1:227 BW en volgende, zoals deze luidden voor 1 april 1998, toegepast.

2.1.2 Art. 1:227, tweede lid, (oud) BW luidt (voor zover van belang) :
2. Het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de adoptie, (…) – in geval van adoptie van een wettig of natuurlijk kind van een adoptant – zowel uit het oogpunt van verbreking van de banden met de andere ouder als uit dat van bevestiging van de banden met de stiefouder, in het kennelijk belang van het kind is en aan de voorwaarden, door het volgende artikel gesteld, is voldaan.

2.1.3 Art. 1:228 (oud) BW luidt (voor zover van belang):

1. Voorwaarden voor adoptie zijn:
a. enz.. (…);
d. dat geen der ouders die met het kind in familierechtelijke betrekking staan, het verzoek tegenspreekt. Nochtans is de rechter niet verplicht het verzoek af te wijzen bij tegenspraak van een ouder die meer dan twee jaren tevoren is opgeroepen ten verhoor op een gelijk verzoek van dezelfde echtgenoten, dat is afgewezen hoewel aan de voorwaarden onder e – g was voldaan;
e. enz.

2. (…) In geval van adoptie van een wettig of natuurlijk kind van een adoptant treedt voor het bepaalde onder d van het vorige lid in de plaats de voorwaarde, dat de vroegere echtgenoot, die als ouder met het kind in familierechtelijke betrekking staat en wiens huwelijk met de echtgenoot van de stiefouder op een der gronden vermeld in artikel 149, onder c en d, van dit boek is geëindigd, het verzoek niet tegenspreekt.

2.2 Het sinds 1 april 1998 geldende recht
2.2 .2 Artikel 1:228, eerste lid, (nieuw) BW stelt in onderdeel c als voorwaarde , dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder is dan het kind. Zou deze eis onder het oude recht ook reeds hebben gegolden, dan zou het adoptieverzoek reeds om die reden niet voor inwilliging vatbaar zijn geweest, omdat de stiefmoeder en [de dochter] slechts veertien jaar in leeftijd verschillen.

2.2.1 Artikel 1:228, eerste lid, (nieuw), BW stelt in onderdeel d als voorwaarde, dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt. Met betrekking tot deze tegenspraak bepaalt het tweede lid, dat daaraan kan worden voorbijgegaan:

a. indien het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd; of
b. indien de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd; of
c. indien de ouder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in het titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van strafrecht.2.3 Misbruik van bevoegdheid

2.3.1 In de loop van de jaren ’80 is het besef ontstaan dat in het familierecht geen volledig discretionaire bevoegdheden van én persoon passen, dus ook niet als het gaat om een vetorecht. Vranken typeert misbruik van recht als een overgangsfiguur die in het vermogensrecht haar langste tijd gehad heeft, maar in bijvoorbeeld het personen- en familierecht nog steeds een nuttige functie vervult:

“Niet omdat de toetsingsmaatstaven van redelijkheid en billijkheid of maatschappelijke zorgvuldigheid zo van elkaar verschillen, maar omdat de toets meestal begint bij gevallen waarin sprake is van louter dwarszitten of van een evident niet bedoeld gebruik van rechten of bevoegdheden.”(2)

2.3.2 Voor wat het familierecht betreft verwijs ik naar HR 4 juni 1982, NJ 1983,32, m.nt. EAA, waar het naar vaststelling van de rechtbank een geval betrof van notoir misbruik van de bevoegdheid tot weigering van toestemming aan de minderjarige om te huwen, en HR 13 maart 1987, NJ 1988,190, m.nt. EAAL, in welke zaak de enige reden voor de ouders om toestemming voor handlichting te weigeren was dat zij wensten dat hun dochter zou terugkeren naar huis.

2.3.3 Daarop volgden uitspraken van de Hoge Raad waarin het vetorecht van de moeder bij erkenning door de biologische vader van een natuurlijk kind werd begrensd door het verbod van misbruik van bevoegdheid. Voor het eerst gebeurde dat in HR 8 april 1988, NJ 1989,170, m.nt. EAAL, waarin het – naar de Hoge Raad in de hierna te noemen beschikkingen heeft overwogen – een bijzondere situatie betrof, in zoverre dat de moeder die erkenning weigerde, reeds geruime tijd geen contact meer met het kind had gehad en van de voogdij over hem was ontheven. In HR 18 mei 1990, NJ 1991,374 en 375 m. nt. EAAL en EAA (zie ook HR 22 februari 1991, NJ 1991, 376, m.nt. EAAL), overwoog de Hoge Raad het volgende:
“In het onderhavige geval gaat het echter om de gebruikelijke situatie, waarin (naar uit de stukken mag worden afgeleid) de moeder voogdes is over het kind, daarmee in gezinsverband samenleeft en het verzorgt en opvoedt (al zal in het onderhavige geval de vader bij dat laatste ook een aandeel hebben). In die situatie betekent de wijziging van de rechtspositie van het kind die het gevolg is van erkenning door de vader steeds in zekere mate een inbreuk op het gezins- en privé-leven van de moeder en mogelijk ook op dat van het kind. Dat betreft niet alleen de in de onderhavige zaak door de moeder als bezwaar naar voren gebrachte naamswijziging, maar ook andere rechtsgevolgen, waarvan de rechtbank in haar beschikking een aantal vermeldt. Daarom zal in die situatie niet licht kunnen worden aangenomen dat een weigering van de moeder om toestemming te geven tot erkenning “slechts kan worden opgevat als misbruik van de bevoegdheid die in art. 1:224 lid 1 onder d BW besloten ligt”. Het gaat er immers bij dat criterium niet om of – gelijk het hof zich in feite heeft afgevraagd – de door de moeder naar voren gebrachte bezwaren zwaarder wegen dan de belangen van de vader, maar of de moeder in feite geen enkel te respecteren belang bij haar weigering heeft.”

2.3.4 Dat het bij het criterium misbruik van bevoegdheid niet gaat om een toetsing of de toestemming op goede gronden wordt geweigerd, bevestigde de Hoge Raad in zijn beschikking van 8 november 1991, NJ 1992,440. Indien door de feitelijke opvoedingssituatie van het kind een ander rechtens te respecteren belang is gegroeid, wordt de afweging anders, aldus HR 20 december 1991, NJ 1992,598, m.nt. EAAL:
“Wanneer zich evenwel niet evenbedoelde gebruikelijke situatie voordoet en de vader een groter aandeel in de verzorging en opvoeding van het kind heeft gehad en heeft dan gebruikelijk is, is een maatstaf op haar plaats die toelaat meer gewicht toe te kennen aan de belangen van de vader en aan de eventuele belangen van het kind, onder meer bij de continuering van de verzorging en opvoeding door de vader. In dat geval zal misbruik met name ook aangenomen mogen worden wanneer de moeder, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de vader bij de erkenning en de daartegenover staande belangen van de moeder – telkens in verband met de belangen van het kind – in redelijkheid niet tot het weigeren van de toestemming aan de vader dan wel tot die weigering en het verlenen van toestemming aan een andere man had kunnen komen.”
In HR 28 oktober 1994, NJ 1995,261 was een even ‘ongebruikelijke situatie’ aan de orde en heeft de Hoge Raad eenzelfde lijn gevolgd.

2.3.5 In HR 22 oktober 1993, NJ 1994,65 was wederom een ‘gebruikelijke situatie’ aan de orde. In die situatie is
“(…) met de wens van de moeder aan wie de verzorging en opvoeding van het kind is toevertrouwd, een en ander naar eigen inzichten te kunnen voortzetten, haar belang in het algemeen (…) gegeven en (is) (…) het aan de vader (…) om te stellen en aannemelijk te maken dat de weigering van de moeder wordt ingegeven door bijzondere, in rechte niet te respecteren beweegredenen (…).”

2.3.6 Erkenning ligt dicht bij stiefouderadoptie, omdat ook door erkenning nieuwe familierechtelijke banden worden gevestigd. Stiefouderadoptie wijkt daarvan af doordat daarbij de familierechtelijke banden met én van de eigen ouders verloren gaan. Dit is een ingrijpend gevolg, voor het kind maar zeker ook voor de niet-adopterende ouder (zie ook het citaat in punt 2.3.9). Niettemin heeft ook bij de stiefouderadoptie de eigen ouder geen absoluut vetorecht. Ook hier geldt dat een bevoegdheid niet kan worden ingeroepen voor zover zij wordt misbruikt, zie HR 25 februari 1994, NJ 1994, 437 en NJ 1994,438 m.nt. WH-S. In mijn conclusie voor de laatstgenoemde beschikking vermeldde ik onder punt 2.2.3 de wetsgeschiedenis van art. 1:228, tweede lid (oud), BW.

2.3.7 De omstandigheden van het geval dat heeft geleid tot de voormelde beschikking NJ 1994,438 vertonen sterke gelijkenis met die van het onderhavige geval. Het te adopteren – bijna meerderjarige – kind maakte sinds jaren deel uit van het gezin van zijn stiefouders, had jarenlang geen contact meer gehad met zijn natuurlijke moeder, had verklaard zelf geen behoefte te hebben aan omgang met zijn moeder en zich prettig te voelen in de huidige situatie bij zijn vader, stiefmoeder en beide zusjes. Naar het oordeel van het hof brachten deze omstandigheden niet mee dat het familie- en gezinsleven als bedoeld in art. 8 EVRM was verbroken. De moeder verzette zich tegen adoptie. Zij motiveerde het gebruik van haar vetorecht aldus, dat zij de nog bestaande natuurlijke band met haar kind wenste te behouden teneinde te vermijden dat het kind in de toekomst aan haar zal tegenwerpen dat zij, door zich niet te verzetten tegen de gevraagde adoptie, zelf aan het verloren gaan van die band heeft meegewerkt. Het hof oordeelde dat de moeder aldus geen misbruik van haar bevoegdheid maakte. Uw Raad sanctioneerde het oordeel van het hof. In haar noot onder de beschikking merkt W. Hammerstein-Schoonderwoerd op:

“De stiefouderadoptie is emotioneel een zeer ver strekkende beslissing en naar mijn mening mag dan ook niet snel worden aangenomen dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid.”

2.3.8 HR 20 mei 1994, NJ 1994,626 m.nt. WH-S, overwoog:
“In verband met deze beperking (van het vetorecht, M.) verdient vooreerst opmerking dat, ofschoon het vetorecht aan de andere eigen ouder is toegekend omdat de adoptie het voor hem ingrijpende gevolg heeft dat zij de tussen hem en zijn kind bestaande familierechtelijke betrekkingen beëindigt, de andere ouder bij het uitoefenen van deze bevoegdheid het belang van het kind zwaar behoort te laten wegen. En voorts dat in de regel het belang van het kind om door de adoptanten te worden geadopteerd zal toenemen naar mate het door hen langer is verzorgd en opgevoed.”

2.3.9 I. Jansen, Over (stief-)ouderadoptie, FJR 1996, p.49, merkt op:
“Intussen zijn wij ons, als gezegd, bewust geworden van de invloed van het Marckx-arrest en van andere artikel 8-EVRM jurisprudentie. Een van de consequenties daarvan is toch dat een bestaande afstamming in beginsel (…) onveranderlijk is. En dat geldt niet alleen in geval van stiefouderadoptie. (…). Een bestaande afstamming verbreken behoeft naar hedendaags inzicht dan ook zeer zwaarwegende gronden, aldus ook de notitie leefvormen in het familierecht (22 700, no.5). Dus is op zich de enkele wens om na én jaar verzorging het kind nu ook als afstammeling van ouder en stiefouder te laten gelden , zeker niet voldoende. Het standpunt van de ander ouder ‘dat zij (meestal hij) ouder wil blijven’, dient op zich te worden geëerbiedigd. Het is ook in lijn met de recente versterking van diens positie door het informatie- en consultatierecht van de nieuwe titel 15 BW.”

2.3.10 In Personen- en familierecht (losbl.) aant. 5.2 op art. 227 citeert M. J. C. Koens de Centrale Adoptieraad die met betrekking tot de eis, dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind moet zijn, het volgende opmerkt:

“De eis van het kennelijk belang, beoordeeld uit het oogpunt van verbreking van de banden met de ouders, betekent niet, dat het bepaaldelijk het belang van het kind moet zijn, dat de banden worden verbroken; het is voldoende dat de verbreking van die banden niet strijdig is met het belang van het kind. Die verbreking behoeft niet een voordeel te zijn maar mag niet zodanig nadeel zijn dat de adoptie niet in het belang van het kind aanvaardbaar is. Evenmin staat aan adoptie in de weg dat het te verwachten is, en ook wenselijk is, dat de feitelijke betrekkingen, nog altijd bestaande met de eigen ouders en verdere familie, zullen voortduren. Het instituut adoptie gaat niet noodzakelijkerwijs ervan uit dat hetgeen nog aan feitelijke banden bestaat moet worden verbroken en verder geen betrekkingen met vroegere familie mogen bestaan. Adoptie heeft tot noodzakelijk gevolg verbreking van de rechtsbetrekking uit afstamming , niet echter verbreking van feitelijke betrekkingen; dit kan het gevolg zijn, en voor zover dit gevolg te voorzien is, kan het de vraag zijn of zodanige verbreking niet een zodanig nadeel is dat de adoptie niet is in het kennelijk belang van het kind.”

2.4 Het vetorecht na 1 april 1998

2.4.1 Ik ga er veronderstellenderwijs van uit dat, nu de processtukken daarvoor geen aanknopingspunten bieden, zich in het onderhavige geval geen van de in artikel 1:228, tweede lid, (nieuw) BW bedoelde situaties (zie punt 2.2.2) voordoet. Dat zou betekenen, dat als dit geval het nieuwe recht van toepassing was geweest, ook om die reden het verzoek zou worden afgewezen, tenzij sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid.

2.4.2 In punt 2.4 van mijn conclusie voor de beschikking NJ 1994,438 ben ik uitvoerig ingegaan op de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel nr. 22 006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991). In dat wetsvoorstel werd het vetorecht van de ouder verzwakt door de toevoeging:

“Nochtans is de rechter niet verplicht het verzoek af te wijzen bij tegenspraak van bedoelde ouder, indien hij in gemoede overtuigd is dat deze ouder het verzoek op kennelijk onredelijke gronden tegenspreekt en indien daarnaast het kind, dat op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor de wens tot adoptie uitdrukkelijk heeft geuit”

2.4.3 Het wetsvoorstel werd door de Tweede Kamer aangenomen, maar naar aanleiding van vragen uit de Eerste Kamer werd het wetsvoorstel ingetrokken (Eerste Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 22 006, nr. 424), omdat (aldus W. M. E. Thomassen, FJR 1996, p. 77), het op gespannen voet was komen te staan met de uitgangspunten van het kabinet inzake leefvormen buiten huwelijk en familierechtelijke betrekkingen met kinderen, dat oorspronkelijke afstammingsrelaties zoveel mogelijk behouden moesten blijven en feitelijke verzorgingsrelaties in beginsel op andere wijze dan via het afstammingsrecht beschermd moesten worden.

2.4.4 Vervolgens werd op 20 maart 1996 wetsvoorstel 24 649 ingediend, waarbij de thans geldende redactie van art. 1:228, tweede lid, BW werd voorgesteld. In de MvT (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24.649, nr. 3 ) wordt op p. 15-16 uitvoerig ingegaan op de nieuw geformuleerde – beperkte – mogelijkheden waarin aan de tegenspraak van de ouder kan worden voorbijgegaan. Op p 14 zegt de MvT:

Opmerking verdient dat de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het maken van misbruik van de bevoegdheid tegenspraak te leveren tegen de adoptie van belang blijft. Aan tegenspraak die geen ander doel dient dan een ander te schaden, mag reeds op die grond worden voorbij gegaan (vgl. artikel 3:13 j0 15 BW).

en op p. 15:

“Stiefouderadoptie wordt nogal eens verzocht door de gescheiden ouder en zijn of haar nieuwe echtgenoot/partner die het kind mede een aantal jaren heeft verzorgd en opgevoed. In deze gevallen dient naar mijn oordeel zeer grote terughoudendheid te worden betracht bij het voorbij gaan aan bezwaren van de gescheiden ouder die niet het gezag over het kind heeft. In het algemeen zullen er geen ernstige redenen zijn die tot een ontzetting van deze ouder uit het gezag zouden leiden en zal deze ouder meestal in gezinsverband met het kind hebben samengeleefd. Stiefouderadoptie (in de toekomst eenpersoonsadoptie door de partner van de ouder die het gezag over het kind heeft) schiet naar mijn oordeel in deze gevallen vaak over het doel heen. Veeleer moet voor deze gevallen worden gedacht aan het geven van meer inhoud aan de feitelijke relatie van verzorging en opvoeding tussen de stiefouder en het kind. Dat kan door middel van medevoogdij.”

2.4.5 Met betrekking tot de beoogde beperking van de mogelijkheden van stiefouderadoptie ingeval van tegenspraak van de eigen ouder verwijs ik nog naar de Nota naar aanleiding van het Verslag (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 24 649, nr. 6), p. 26 en de Brief van de staatssecretaris van Justitie van 22 mei 1997 aan de Tweede Kamer (stuk nr. 28), p.28.

3 BEOORDELING VAN HET CASSATIEMIDDEL

3.1 Onderdeel 1

3.1.1 Het eerste onderdeel van het cassatiemiddel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de adoptie in het belang van [de dochter] is (zie de onder 1.6 vermelde rov. 4.3 tot en met 4.8 van de beschikking a quo). Het klaagt dat het hof bij zijn oordeel voorbijgegaan is aan hetgeen de moeder omtrent het belang van [de dochter] heeft aangevoerd, namelijk dat de adoptie de (psychische) problemen van [de dochter] niet oplost omdat die haar slechts bevestigt in haar onjuiste opvatting dat zij een slechte moeder heeft die haar in de steek heeft gelaten.

3.1.2 De klacht mist feitelijke grondslag. In rov. 4.10 heeft het hof met zoveel woorden deze stelling van de moeder weergegeven en in rov. 4.11 heeft het hof deze stelling verworpen. Hetgeen het hof daaromtrent heeft overwogen is in hoge mate feitelijk en derhalve in cassatie niet toetsbaar. Het is ook niet onbegrijpelijk. Zie voor wat betreft het kennelijk belang van het kind punt 2.3.10.

3.2 Onderdeel 2

3.2.1 Onderdeel 2 is gericht tegen de afwijzing van het verzoek van de moeder om een deskundige in te schakelen (rov. 4.8). Deze klacht faalt. Het is aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt, overgelaten of hij behoefte heeft aan nadere deskundige voorlichting, zie bijv. HR 31 maart 1995, NJ 1995, 597 m.nt. HER.

3.2.2 . Onderdeel 2 bevat voorts de klacht dat de vaststelling van het hof (in rov. 4.7) dat [de dochter] al vóór de indiening van het adoptieverzoek (23 maart 1998) contact heeft opgenomen met een maatschappelijk werkster, onjuist is. Uit de brief van de maatschappelijk werkster (3) blijkt dat [de dochter] eerst eind april 1998 contact met haar heeft gezocht en dat de hulpverlening in mei 1998 is begonnen. Deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Het hof heeft zijn feitelijk oordeel over het tijdstip van het ontstaan van psychische klachten en de oorzaken daarvan immers mede gebaseerd op de verklaringen van [de dochter] (zie met name de twee laatste volzinnen van rov. 4.7).

3.3 Onderdeel 3

3.3.1 Onderdeel 3 acht het oordeel van het hof onjuist en onbegrijpelijk, aangezien het hof in rov. 4.12 voorbij gaat aan de door de moeder gestelde belangen, met name het belang van [de dochter] zelf.
3.3.2 Het hof heeft zijn overwegingen dienaangaande als volgt opgebouwd:

a. In rov. 4.10 overweegt het hof, dat de moeder zich bij de uitoefening van het vetorecht laat leiden door het belang van [de dochter], t.w. dat het in [de dochter]s belang is, met name ten aanzien van haar identiteit, dat tussen haar en haar moeder een familierechtelijke betrekking blijft bestaat, omdat adoptie [de dochter] zou bevestigen in haar onjuiste opvatting dat zij een slechte moeder heeft die haar in de steek heeft gelaten.
b. In rov. 4.11 onderschrijft het hof het door de moeder gestelde belang bij de uitoefening niet, gelet op het eerder overwogene omtrent het kennelijk belang van [de dochter] bij de adoptie.
c. In rov. 4.12 neemt het hof in aanmerking de onevenredigheid tussen het door de moeder gestelde belang bij de uitoefening van haar bevoegdheid en het belang van [de dochter] bij de adoptie en oordeelt op die grond dat de moeder naar redelijkheid niet tot de uitoefening van haar vetorecht had kunnen komen.

3.3.3 Nergens komt in de beschikking (en met name niet in de rov. 4.10, 4.11 en 4.12) het belang van de moeder persoonlijk bij het bestendigen van de familierechtelijke betrekking met zoveel woorden aan de orde. Als ik het goed zie, past het hof geen afweging toe van het persoonlijk belang van de moeder tegen dat van [de dochter], maar weegt het slechts af het belang van [de dochter], zoals de moeder dat ziet (zie rov. 4.10) tegen het belang van [de dochter], zoals het hof dat ziet (rov. 4.11 en 4.12). Uit de gehele context van deze drie rechtsoverwegingen leid ik af, dat de woorden in rov. 4.11 en 4.12 “het door haar [de moeder M.] gestelde belang bij de uitoefening van haar bevoegdheid” betekenen “het belang van [de dochter] zoals de moeder dat ziet”.

3.3.4 Naar het mij voorkomt, heeft het hof met deze vorm van belangenafweging (die zich dus in mijn uitleg van de beschikking heeft beperkt tot de vraag of de adoptie, uitsluitend beoordeeld vanuit het belang van [de dochter] – per saldo – al dan niet in het belang van [de dochter] is) niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.

3.3.5 Het is evenwel de vraag of daarmee het laatste woord is gezegd. Bij de vraag of de moeder misbruik van haar vetorecht maakt, gaat het er toch om of de moeder zelf enig te respecteren belang had bij de uitoefening. Deze vraag heeft het hof in mijn visie niet beantwoord. Het is zeer wel denkbaar dat de wijze van procederen van de moeder, waarbij zij zo duidelijk het accent legt op het belang van [de dochter] en niet op dat van haarzelf, dit veroorzaakt heeft, maar het lijkt mij toch alleszins aannemelijk, dat de moeder op zijn minst impliciet heeft willen betogen, dat het open houden van de mogelijkheid tot correctie van opvattingen die [de dochter] over haar moeder heeft, niet alleen in het belang van [de dochter] is, maar (daarmee) ook in haar eigen belang. Dit laatste blijkt naar het mij voorkomt ook duidelijk uit hetgeen de moeder blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het hof op 16 februari 1999 heeft betoogd (zoals dit is vastgelegd in een schriftelijke notitie, waarvan de inhoud als ingelast en overgenomen in het proces-verbaal moet worden beschouwd). In deze richting wijst ook de verwijzing in het cassatieverzoekschrift naar de eerder vermelde beschikking NJ 1994,438, waarin “een vergelijkbaar argument is gehonoreerd”. In die zaak had het hof een alleszins te respecteren gebruik van het vetorecht aanvaard op grond van het volgende (zie ook punt 2.3.7 hiervoor):

“De moeder heeft ter zitting van het hof als motivering voor het inroepen van het vetorecht gesteld, dat zij de thans nog bestaande natuurlijke band met J. wenst te behouden om aldus te vermijden dat J. mogelijk in de toekomst aan haar zal tegenwerpen, dat zij, door zich niet te verzetten tegen de gevraagde adoptie, zelf aan het verloren gaan van die band heeft medegewerkt.”

3.3.6 Het is niet ondenkbaar, dat het hof in de in rov. 4.12 gemaakte tegenstelling tussen “het belang van [de dochter] bij de adoptie” en “het door de moeder gestelde belang bij de uitoefening van haar bevoegdheid” met dat laatste (mede) heeft bedoeld het eigen belang van de moeder. Maar ook in dat geval wordt naar mijn mening de door het hof aangenomen onevenredigheid van die belangen (en wel in die mate dat van misbruik van bevoegdheid sprake is), onvoldoende in de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen gemotiveerd.

3.3.7 Op grond van het vorenstaande ben ik van mening, dat de beslissing van het hof onvoldoende is gemotiveerd en dat derhalve onderdeel 3 van het middel slaagt. Aangezien de feiten voldoende vaststaan, behoeft de zaak naar mijn mening geen verwijzing en kan Uw Raad de zaak zelf afdoen.

3 CONCLUSIE

Onderdeel 3 van het cassatiemiddel gegrond bevindend, concludeer ik tot vernietiging van de beschikking van het hof en tot afwijzing van het adoptieverzoek.

De door het hof in rov. 2.4 vermelde de schriftelijke verklaring van [de dochter] bevindt zich niet in het dossier.
(2) J.B.M. Vranken, Misbruik van recht als overgangsfiguur, in: BW-krant jaarboek 1996, p. 94.
(3) Brief van 8 september 1998, overgelegd in eerste instantie door de raadsman van de vader en de stiefmoeder.

Rechters

Mrs. Roelvink, Neleman, Herrmann, De Savornin Lohman, Hammerstein, Heemskerk; A-G Moltmaker

Instantie: Hof van Justitie EG, 16 mei 2000

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Aan de orde zijn een aantal Engelse pensioenreglementen waarvan
deeltijdwerknemers in het verleden werden uitgesloten. Eisers vorderen
aansluiting met terugwerkende kracht tot in beginsel 8 april 1976 (Defrenne
II). Dit stuit deels of geheel af op onder meer een nationale beroepstermijn
op grond waarvan binnen zes maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst
een vordering aanhangig moet zijn gemaakt en op een nationale vervaltermijn
op grond waarvan het recht op pensioenreparatie niet verder terug kan werken
dan twee jaar. De House of
Lords vraagt in hoeverre de toepassing van dergelijke nationale beroeps- en
vervaltermijnen in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht. Het HvJ EG
oordeelt onder meer dat de beroepstermijn op grond van rechtszekerheid is
toegestaan, maar de vervaltermijn niet omdat deze het, aan het
gemeenschapsrecht ontleende, recht op pensioenreparatie vanaf 1976 in
zichzelf aantast. Met het laatste wordt de uitoefening van het
gemeenschapsrecht praktisch onmogelijk gemaakt (schending
effectiviteitbeginsel).

Volledige tekst

62. De verschillende aspecten van de procedurevoorschriften mogen dus niet
los van elkaar worden onderzocht, doch dienen in hun algemene context te
worden geplaatst. Bovendien mag een dergelijk onderzoek niet subjectief op
basis van de feitelijke omstandigheden worden verricht, doch moet het een
objectieve en abstracte vergelijking van de betrokken procedurevoorschriften
behelzen.

63. Mitsdien moet op het derde onderdeel van de tweede vraag worden
geantwoord, dat de nationale rechter, om uit te maken of
procedurevoorschriften gelijkwaardig zijn, objectief en abstract moet nagaan,
of de betrokken voorschriften vergelijkbaar zijn gelet op hun rol in de
gehele procedure, het verloop van die procedure en de bijzondere kenmerken
van de voorschriften.

DE DERDE VRAAG

64. Met zijn derde vraag wenst het House of Lords in wezen te vernemen, of
het gemeenschapsrecht zich verzet tegen een procedurevoorschrift dat ten
gevolge heeft, dat een vordering betreffende de aansluiting bij een
bedrijfspensioenregeling (waaruit de pensioenrechten voortvloeien) moet
worden ingediend binnen een termijn van zes maanden na beëindiging van de
arbeidsovereenkomst (of arbeidsovereenkomsten) waarop de vordering betrekking
heeft.

65. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat deze vraag betrekking heeft op
meerdere hoofdgedingen, die worden gekenmerkt doordat verzoeksters geregeld,
doch periodiekof met tussenpozen, op basis van achtereenvolgende, juridisch
gescheiden overeenkomsten voor dezelfde werkgever werken. Blijkens de
verwijzingsbeschikking gaat de termijn van Section 2 (4) EPA, bij gebreke van
een kaderovereenkomst, in aan het einde van elke arbeidsovereenkomst en niet
aan het einde van het dienstverband tussen de werknemer en het betrokken
bedrijf. De tijdvakken van deeltijdarbeid van de werknemer kunnen dus slechts
in aanmerking komen voor de berekening van zijn pensioenrechten, mits hij
beroep heeft ingesteld binnen zes maanden na het einde van elke overeenkomst
op basis waarvan hij de litigieuze arbeid heeft verricht.

66. In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie gesteld, dat de
toepassing van dit procedurevoorschrift op de door deze werknemers ingestelde
beroepen om twee redenen onverenigbaar is met het effectiviteitsbeginsel. In
de eerste plaats zou dit voorschrift de betrokken werknemers, die hun
tijdvakken van deeltijdarbeid erkend willen zien voor de berekening van hun
pensioenrechten, verplichten voortdurend nieuw beroep in te stellen voor elke
overeenkomst op basis waarvan zij de litigieuze arbeid hebben verricht. In de
tweede plaats zouden ingevolge dit voorschrift niet alle door de betrokken
werknemers vervulde tijdvakken voor de berekening van hun ouderdomspensioen
in aanmerking kunnen worden genomen, ook al zijn die tijdvakken vervuld in
een continu dienstverband. De betrokken werknemers, die hun eerste beroep in
rechte hebben ingesteld binnen zes maanden na het einde van hun laatste
arbeidsovereenkomst, zouden de onder hun vorige overeenkomsten vervulde
tijdvakken niet kunnen doen erkennen.

67. Zoals in herinnering is gebracht in punt 33 van het onderhavige arrest,
heeft het Hof de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van het stellen
van redelijke fatale termijnen erkend, voor zover zulks een toepassing is van
het fundamentele beginsel van rechtszekerheid. Deze termijnen kunnen niet
worden geacht de uitoefening van door de communautaire rechtsorde verleende
rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk te maken.

68. Weliswaar verlangt de rechtszekerheid ook, dat het tijdstip waarop een
vervaltermijn ingaat, nauwkeurig kan worden bepaald, maar dit neemt niet weg
dat bij achtereenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd, zoals die
bedoeld in de derde vraag, de uitoefening van het door artikel 119 van het
Verdrag verleende recht uiterst moeilijk wordt gemaakt, doordat de fatale
termijn ingaat aan het einde van elke overeenkomst.

69. Opgemerkt zij evenwel, dat de aanvang van een fatale termijn nauwkeurig
kan worden bepaald in geval van een stabiel dienstverband, dat voortvloeit
uit opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd, die met geregelde
tussenpozen worden gesloten en betrekking hebben op hetzelfde dienstverband
waarop dezelfde pensioenregeling van toepassing is.

70. Niets belet immers, dat de aanvang van de fatale termijn wordt bepaald op
de datum waarop de opeenvolging van dergelijke overeenkomsten is onderbroken
doordat een van de elementen waardoor een dergelijk stabiel dienstverband
werd gekenmerkt, ontbreekt, hetzij omdat de regelmaat van de tussenpozen is
onderbroken, hetzij omdat de nieuwe overeenkomst geen betrekking meer heeft
op hetzelfde dienstverband waarop dezelfde pensioenregeling van toepassing
is.

71. In deze omstandigheden kan derhalve het vereiste dat een vordering
betreffende de aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling moet worden
ingediend binnen een termijn van zes maanden na het einde van de
arbeidsovereenkomst (of arbeidsovereenkomsten) waarop de vordering betrekking
heeft, niet worden gegrond op het belang van de rechtszekerheid.

72. Op de derde vraag moet dus worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht
zich verzet tegen een procedurevoorschrift dat ten gevolge heeft, dat een
vordering betreffende de aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling
(waaruit de pensioenrechten voortvloeien) moet worden ingediend binnen een
termijn van zes maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst (of
arbeidsovereenkomsten) waarop devordering betrekking heeft, wanneer het gaat
om een stabiel dienstverband, dat voortvloeit uit opeenvolgende
overeenkomsten voor bepaalde tijd, die met geregelde tussenpozen worden
gesloten en betrekking hebben op hetzelfde dienstverband waarop dezelfde
pensioenregeling van toepassing is.

KOSTEN

73. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Ierse
regering alsook de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof
gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de
partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident
te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft
te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het House of Lords bij beschikking van 5 februari
1998 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1)Het gemeenschapsrecht verzet zich niet tegen een nationaal
procedurevoorschrift volgens hetwelk een vordering betreffende de aansluiting
bij een bedrijfspensioenregeling (waaruit de pensioenrechten voortvloeien),
op straffe van verval van recht moet worden ingediend binnen een termijn van
zes maanden na afloop van het dienstverband waarop de vordering betrekking
heeft, mits deze termijn evenwel voor beroepen op basis van het
gemeenschapsrecht niet minder gunstig is dan voor die op basis van nationaal
recht.

2)Het gemeenschapsrecht verzet zich tegen een nationaal procedurevoorschrift
volgens hetwelk voor de berekening van de voor de pensioenrechten mee te
tellen tijdvakken van arbeid van een verzoekster alleen de tijdvakken van
arbeid in aanmerking moeten worden genomen die zijn vervuld na een datum die
niet meer dan twee jaar vóór de indiening van de vordering ligt.

3)Een beroep wegens schending van bepalingen van een wet als de Equal Pay Act
1970 is geen beroep op basis van nationaal recht dat vergelijkbaar is met een
beroep wegens schending van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120
EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG).

4)Om te bepalen of een naar nationaal recht openstaand beroep een beroep op
basis van nationaal recht is dat vergelijkbaar is met een beroep dat ertoe
strekt de door artikel 119 van het Verdrag verleende rechten te doen gelden,
moet de nationale rechter nagaan of de betrokken beroepen vergelijkbaar zijn
wat hun voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken betreft.

5)Om uit te maken of de procedurevoorschriften gelijkwaardig zijn, moet de
nationale rechter objectief en abstract nagaan, of de betrokken voorschriften
vergelijkbaar zijn gelet op hun rol in de gehele procedure, het verloop van
die procedure en de bijzondere kenmerken van de voorschriften.

6)Het gemeenschapsrecht verzet zich tegen een procedurevoorschrift dat ten
gevolge heeft, dat een vordering betreffende de aansluiting bij een
bedrijfspensioenregeling (waaruit de pensioenrechten voortvloeien) moet
worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na beëindiging van de
arbeidsovereenkomst (of arbeidsovereenkomsten) waarop de vordering betrekking
heeft, wanneer het gaat om een stabiel dienstverband, dat voortvloeit uit
opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd, die met geregelde
tussenpozen worden gesloten en betrekking hebben op hetzelfde dienstverband
waarop dezelfde pensioenregeling van toepassing is.

Noot
Bovenstaand arrest vormt een gedeeltelijke weergave van de antwoorden van het
HvJ EG op een aantal vragen van de House of Lords over de toepassing van
bepaalde Engelse beroeps- en vervaltermijnen op nationale vorderingen tot
pensioenreparatie met terugwerkende kracht, gebaseerd op de directe werking
van artikel 141 (voorheen 119) EG-Verdrag. De weergegeven vragen en
antwoorden zijn geselecteerd op hun relevantie voor het Nederlandse recht,
waar soortgelijke verjaringsproblemen spelen.

Waar gaat het ook al weer over? Met het befaamde Barber-arrest (C-262/88,
Jur. 1990, I-1889) bepaalde het HvJ EG dat bovenwettelijk pensioen als loon
moet worden aangemerkt, wat betekent dat er op grond van artikel 141
EG-verdrag een verplichting tot gelijke behandeling zou bestaan vanaf in
beginsel 8 april 1976, toen directe werking werd toegekend aan artikel 141
(Defrenne II C-43/75, Jur. 1976, 455). Het HvJ EG beperkte echter destijds de
terugwerkende kracht van Barber. Op grond van het eerdere arrest Bilka
(C-170/84, Jur. 1986, 1607) en de latere arresten Ten Oever (C-109/91, Jur.
1993, I-4879) en Vroege/Fisscher (C-57/93, Jur. 1994, I-4541; C-128/93, Jur.
1994, I-4583) kwam hierna evenwel vast te staan dat sekseonderscheid dat tot
uitsluiting van deelname aan de pensioenregeling heeft geleid, zoals in Bilka
het geval was, op grond van artikel 141 EG-Verdrag hersteld moet worden over
vervulde dienstjaren vanaf 8 april 1976. Sekseonderscheid dat slechts
gevolgen heeft gehad voor (de hoogte van) de pensioenuitkeringen, zoals in
Barber het geval was, dient op grond van artikel 141 hersteld te worden over
vervulde dienstjaren vanaf 17 mei 1990.
Om het Europese recht op pensioenreparatie ingeval van algehele
discriminatoire uitsluiting in het verleden daadwerkelijk af te dwingen, moet
voor de nationale rechter beroep worden gedaan op de directe werking van
artikel 141 EG-Verdrag. Ingeval van direct werkende Europese rechten heeft
het HvJ EG al vroegtijdig bepaald dat de handhaving hiervan, bij gebrek aan
Europeesrechtelijke procesrecht, onderworpen is aan het nationale
procesrecht. Dat geldt in beginsel ook voor beroeps-, verval- of
verjaringstermijnen die hiervan deel uitmaken. Evenwel worden hieraan met het
oog op het effet utile van het Europees recht twee randvoorwaarden gesteld
door het HvJ EG, namelijk: (1) nationale procedurevoorschriften mogen de
uitoefening van het Europese gemeenschapsrecht niet praktisch onmogelijk of
uiterst moeilijk maken (effectiviteitbeginsel), en (2) de toegepaste,
nationale voorschriften mogen niet ongunstiger zijn dan de voorschriften die
worden toegepast op soortgelijke rechtsvorderingen met een zuiver
nationaalrechtelijke oorsprong (equivalentiebeginsel) (C-33/76 (Rewe), Jur.
1976, 1989).

Zowel in Nederland en het VK zijn vele rechtsvorderingen aanhangig gemaakt
teneinde aansluiting bij de pensioenregeling te verkrijgen met terugwerkende
kracht tot in beginsel 1976. Verzilvering van dit Europees recht op
pensioenreparatie stuit tot nu toe in veel gevallen geheel of gedeeltelijk af
op een beroep van de wederpartij op verjaring. In het VK gaat het, voorzover
van belang, om twee termijnen uit de toepasselijke Equal Pay Act. De ene
termijn betreft een beroepstermijn waarbij binnen zes maanden na beëindiging
van de arbeidsovereenkomst een vordering moet zijn ingesteld (section 2/4
EPA). De andere betreft een vervaltermijn waarbij de terugwerkende kracht van
pensioenreparatie is beperkt tot twee jaar voordat de vordering is ingediend
(section 2/5 EPA). Vraag van de House of
Lords is onder andere in hoeverre de toepassing van deze termijnen in
overeenstemming is met het eerder genoemde effectiviteit- en
equivalentiebeginsel.
Een soortgelijke vraag speelde al eerder voor het HvJ EG in de zaak Maggorian
(C-246/96 Jur. 1997, I-7153). Hier betrof het een pensioenregeling waarin was
bepaald dat bij een voltijddienstverband van twintig jaar recht bestond op
extra pensioenverstrekkingen. De voltijdseis vormt een verboden indirect
sekseonderscheid, maar door toepassing van de tweejarige vervaltermijn van
section 2/5 EPA kan de werkneemster per definitie niet voldoen aan de eis van
twintig jaar (deeltijd)dienstverband. Het HvJ EG oordeelde in casu dat de
betreffende vervaltermijn buiten toepassing moest blijven omdat deze niet
slechts de retroactieve toekenning van (pensioen)uitkeringen beperkt – wat in
het verleden toelaatbaar is geacht door het HvJ EG (C-410/92, Jur. 1994,
I-5483) – maar voorkomt dat de gehele periode van dienstverband tussen 1976
en 1990, die de basis vormt voor de berekening van in de toekomstig te
verstrekken pensioenuitkeringen, erkend kan worden. Het laatste, zo bepaalde
het HvJ EG, maakt de uitoefening van het gemeenschapsrecht praktisch
onmogelijk en geeft bovendien een (ongeoorloofde) verdere limitering aan de
directe werking van artikel 141 EG-Verdrag.
Maggorian deed reeds het vermoeden rijzen dat de toepassing van
verjaringstermijnen op een vordering tot pensioenreparatie niet in alle
gevallen geoorloofd is. Onduidelijk was echter nog in hoeverre aan dit arrest
een breder belang mocht worden gegeven, omdat het in casu ging om een
bijzonder recht op aanvullende prestaties boven op reguliere
pensioenaanspraken die per arbeidsjaar worden opgebouwd. De hier besproken
zaak Preston, waar het gaat om reguliere pensioenaanspraken, brengt
duidelijkheid.
Opnieuw stelt het HvJ EG dat de tweejarige vervaltermijn van section 2/5 EPA
buiten toepassing moet blijven omdat deze de uitoefening van het
gemeenschapsrecht praktisch onmogelijk maakt (r.o. 42). Het blijkt daarbij
niet van belang te zijn dat de tweejarige termijn in casu niet voorkomt dat
het recht op aansluiting volledig wordt ontzegd. Het gaat erom, aldus het HvJ
EG, dat de vervaltermijn belet dat alle vervulde arbeidsjaren in aanmerking
worden genomen voor de berekening van uitkeringen die zelfs na de datum
waarop de vordering is ingesteld, verschuldigd zouden zijn (r.o. 43). Dit
laatste klemt des te meer omdat het hier, in tegenstelling tot Maggorian, om
basisaanspraken op pensioen gaat (r.o. 44). De toepassing van de
beroepstermijn waarbij binnen zes maanden na beëindiging van de
arbeidsovereenkomst een vordering moet zijn ingesteld (section 2/4 EPA), acht
het HvJ EG wel geoorloofd. Dit, omdat deze termijn alleen de rechtszekerheid
dient en de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in zichzelf niet
aantast (r.o. 34 en 41).

Het Preston-arrest betekent voor Nederland dat er een zeer aanzienlijke kans
bestaat dat ook de Nederlandse civielrechtelijke verjaringstermijnen geen
toepassing mogen vinden ingeval van een vordering tot toetreding tot de
pensioenregeling met terugwerkende kracht. Hierbij gelden dan wel de volgende
beperkingen: (1) De door de wederpartij ingeroepen (Nederlandse)
verjaringstermijn moet in casu beletten dat alle of een deel van de vervulde
dienstjaren die gelegen zijn tussen 8 april 1976 en 17 mei 1990 mogen
meetellen voor pensioenreparatie en (2) het moet gaan om reparatie van in de
toekomst verschuldigde pensioentermijnen. Het laatste wil zeggen dat
werknemer in kwestie nog niet gepensioneerd is, of wanneer dit wel het geval
is, de gepensioneerde alleen reparatie verzoekt over nog uit te keren
pensioentermijnen en niet over reeds uitgekeerde pensioentermijnen.
De Hoge Raad heeft op 3 december 1999 in de zaak Rosendal, onder oudBW,
aangenomen dat een vordering tot toetreding tot de pensioenregeling met
terugwerkende kracht gekarakteriseerd moet worden als een vordering tot
schadevergoeding (JAR 2000/17). Onder NBW verjaart een dergelijke vordering
na twintig jaar, mits binnen vijf jaar nadat men met de schade bekend is
geworden een vordering is ingediend (artikel 3:310 BW). Het struikelblok
hierbij is met name de datum waarop aangenomen wordt dat men met de schade
bekend is geworden. In Vroege/Fisscher, waarin bepaald werd dat het recht op
aansluiting terugwerkt tot 8 april 1976, verwierp het HvJ EG het beroep op
opgewekt vertrouwen van de kant van de werkgever onder verwijzing naar Bilka
(1986). Hierin was reeds eerder het recht op pensioenaansluiting toegekend.
Zou men op grond hiervan aannemen dat ook de werknemer vanaf 1986, of
wellicht wel 1976, bekend kan zijn met het Europees recht op aansluiting, dan
is de kans niet ondenkbeeldig dat het gros van de Nederlandse
rechtsvorderingen tot pensioenreparatie te laat is ingediend. Preston roept
echter nu de vraag op of de Nederlandse rechter artikel 3:310 BW niet geheel
buiten toepassing moet laten, voorzover het gaat om het in aanmerking nemen
van tijdvakken van arbeid op grond waarvan toekomstige pensioenuitkeringen
zullen worden berekend. Behalve dat dit de verjaring van de reeds ingediende
vorderingen zou kunnen voorkomen, zou dit tevens betekenen dat ook nu nog
vorderingen tot pensioenreparatie zijn in te dienen daar het civiele recht
geen algemene beroepstermijnen kent.
Wat de betekenis is van Preston voor de Nederlandse verjaringstermijnen van
boek 3 BW is evenwel nog niet met volstrekte zekerheid te zeggen. Het
Nederlandse verjaringsprobleem is weliswaar identiek aan het Engelse, maar
met dit verschil dat de Nederlandse verjaringstermijn in principe te stuiten
is, dit in tegenstelling tot de Engelse vervaltermijn. Toch lijkt het mij
zeer de vraag of de Nederlandse mogelijkheid van stuiting de limiterende
werking die in beginsel van verjaring uitgaat, geheel kan wegnemen. Het HvJ
EG legt immers in de hier besproken zaak Preston sterk de nadruk op het feit
dat het Engelse procedurevoorschrift noch een zuivere beroepstermijn betreft,
noch een termijn die uitsluitend de toekenning van uitkeringen met
terugwerkende kracht over een bepaalde periode beperkt, maar juist een
termijn die het aan het gemeenschapsrecht ontleende recht op aansluiting
vanaf 1976 in zichzelf geheel of gedeeltelijk aantast. Dat laatste gaat
zonder meer ook op voor de Nederlandse verjaringstermijnen die immers tot
effect hebben dat een verdere limitering wordt aangebracht op de directe
werking van artikel 141 EG-Verdrag met ingang van 8 april 1976. Omdat de
bevoegdheid om een tijdsbeperking aan te brengen op de uitleg van
gemeenschapsrecht uitsluitend aan het HvJ EG zelf is voorbehouden, schat ik
de kans niet groot dat het HvJ EG accoord zou gaan met Nederlandse termijnen
die formeel wel verschillen van de Engelse, maar materieel hetzelfde
bewerkstelligen. Kortom, het bovenstaande arrest zou verstrekkende gevolgen
kunnen hebben voor de problematiek van de pensioenreparatie en verdient
daarom meer aandacht dan het tot nu toe ontvangen heeft.

Albertine Veldman

Rechters

Mrs. Rodriques Iglesias, Kapteyn, Moitinho de Almeida, Edward, Puissochet,Hirsch, Jann, Ragnemalm, Schintgen; A-G Léger

Commentaar inzake Notitie over de vreemdelingrechtelijke rechtspositie van vrouwen in het vreemdelingenbeleid

Commentaar van het Clara Wichmann Instituut
inzake Notitie over de vreemdelingrechtelijke rechtspositie van vrouwen in het vreemdelingenbeleid

8 mei 2000

Zoals de staatssecretaris in de nota stelt, vormen de resultaten van het onderzoek van het Clara Wichmann Instituut mede de grondslag voor de voorgestelde beleidsaanpassingen. Een aantal van de door het CWI geconstateerde knelpunten worden in de nota opgelost, een aantal knelpunten blijft echter bestaan.

Het CWI is met name verheugd over de voorgestelde afschaffing van het zoekjaar en de toetsing aan klemmende redenen van humanitaire aard indien de relatie langer dan 3 jaar heeft geduurd. Dit betekent een belangrijke versterking van de positie van vrouwen bij verbreking van de relatie na de termijn van drie jaar. De positie van weduwen wordt eveneens versterkt: zij krijgen recht op voortgezet verblijf ook als de relatie binnen de termijn van drie jaar door overlijden eindigt. In het algemeen wordt de positie van vrouwen met een afhankelijke verblijfsvergunning versterkt door bekorting van de periode van afhankelijkheid van 5 jaar tot 3 jaar. Een verbetering is eveneens het standaard toekennen van schorsende werking in de bezwaarprocedure.

Het CWI constateert echter tot haar teleurstelling dat een aantal essentiële knelpunten onopgelost blijft. Zo blijft de huidige onzekere positie van vrouwen die binnen de termijn van 3 jaar de relatie beëindigen op grond van (seksueel) geweld gehandhaafd. Ook in de toekomst komen zij alleen in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien zij naast de mishandeling nog andere klemmende redenen van humanitaire aard kunnen aantonen. Daarmee blijft bescherming van vrouwen ondergeschikt aan het door Nederland gevoerde restrictieve toelatingsbeleid. De staatssecretaris zegt weliswaar toe het criterium ‘klemmende redenen’ nader te zullen verduidelijken, maar in de nota zelf
ontbreekt elke uitwerking hiervan, noch wordt aangegeven op welke wijze en op welke termijn deze te verwachten valt. Bovendien is het zeer de vraag of een nadere verduidelijking de positie van deze groep daadwerkelijk zal verbeteren, nu het combinatie-criterium gehandhaafd blijft. Het CWI blijft dan ook van mening dat (seksueel) geweld op zich voldoende grond zou moeten opleveren om verblijf om humanitaire redenen toe te staan. Dit klemt des te meer nu de periode van afhankelijkheid weliswaar van 5 naar 3 jaar wordt teruggebracht, maar nog altijd 3 jaar bedraagt. Gezien de consequenties van het afhankelijk verblijfsrecht, met name in het licht van de preventie van (seksueel) geweld, bepleit het CWI deze periode terug te brengen tot 1 jaar.

Eveneens onopgelost blijft het knelpunt van de huisvestings-vergunning: ook in de toekomst komen vrouwen tijdens de behandeling van hun verzoek om voortgezet verblijf niet in aanmerking voor een zelfstandige huisvestingsvergunning. Daarmee blijft een grote groep vrouwen gedurende een extreem lange periode – deze kan, afhankelijk van de duur van de procedure, oplopen tot meerdere jaren -aangewezen op verblijf in een opvanghuis. Mede gezien de bestaande capaciteitsproblemen bij opvanghuizen is dit een uiterst onwenselijke situatie. Het CWI wil dan ook nogmaals het belang van het recht op zelfstandige huisvesting onderstrepen.

Tenslotte wordt bij eerste toelating in het kader van gezinsvorming of gezinshereniging niet langer onderscheid gemaakt in het inkomensvereiste voor personen met een bepaalde verblijfsstatus: ook Nederlanders, jongeren, vluchtelingen en houders van een vestigingsvergunning zullen aan de 100% norm moeten gaan voldoen. Voor bijv. Nederlandse vrouwen en jongeren die met een buitenlandse partner willen trouwen, vormde de inkomenseis al een belangrijke belemmering voor gezinsvorming en gezinshereniging. De voorgestelde aanscherping betekent een duidelijke verslechtering van de positie van deze groepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de opheffing van het onderscheid tussen huwelijkse en niet-huwelijkse relaties. Hoewel het CWI de voorgestelde gelijkstelling uiteraard positief waardeert, moet tegelijkertijd geconstateerd worden dat de wijze waarop dit gebeurt helaas een verslechtering van de positie van gehuwde partners inhoudt in plaats van een verbetering van de positie van niet-gehuwde partners.

Opzet

In het hiernavolgende deel wordt op de verschillende onderdelen van de nota nader ingegaan. Afgesloten wordt met een overzicht van de gedane aanbevelingen.

Verscherping middeleneis bij eerste toelating

De verscherping van de inkomenseis bij eerste toelating betekent een duidelijke verslechtering van de positie van Nederlanders, houders van een vergunning tot vestiging, vluchtelingen en jongeren. Op dit moment geldt voor de eerste drie groepen een inkomenseis van 70% van de bijstandsnorm. Voor jongeren geldt dat zij over een inkomen verworven uit arbeid van tenminste 32 uur werk dienen te beschikken, ongeacht de hoogte van het inkomen. Vooruitlopend op de nieuwe Vreemdelingenwet wordt in de nota de inkomenseis voor alle genoemde groepen op 100% van de bijstandsnorm gesteld. Met name voor vrouwen (migrantenvrouwen en Nederlandse vrouwen), jongeren (migrantenjongeren en Nederlandse jongeren) en vluchtelingen is het als gevolg van hun arbeidsmarktpositie en de zorgverplichtingen die met name vrouwen hebben, reeds nu moeilijk aan de inkomenseis te voldoen. Verscherping van de inkomenseis leidt ertoe dat gezinsvorming en gezinshereniging met een buitenlandse partner voor deze groepen nog moeilijker wordt. Zij zullen bij voorbeeld hun studie moeten opgeven, of, ondanks de zorg voor kinderen, full-time moeten gaan werken om aan de inkomenseis te kunnen voldoen. In dit kader verwijzen wij ook naar het commentaar van stichting Lawine op de verscherping van de inkomenseis in het kader van de nieuwe Vreemdelingenwet.
Handhaving van de uitzondering voor alleenstaande ouders met de zorg voor kinderen onder de 5 jaar is naar de mening van het CWI terecht en ook in overeenstemming met de voorstellen in de recent aan de Tweede Kamer aangeboden discussienota “Arbeid en zorg”, zoals de nota ook vermeld.

Eveneens terecht, naar de mening van het CWI, is de afschaffing van het onderscheid in het huidige beleid inzake gezinsvorming en gezinshereniging tussen huwelijkse en niet-huwelijkse relaties. Een dergelijk onderscheid past niet in het uitgangspunt van gelijkstelling van de diverse vormen van relaties en benadeelt onder andere homoseksuele partnerschappen onevenredig. De manier waarop het onderscheid wordt opgeheven komt echter neer op ‘even slecht is ook gelijk’: opheffing van het onderscheid betekent geen verbetering van de positie van niet-gehuwde partners, maar een verslechtering van de positie van gehuwde partners. Waar eerst in het geval van huwelijkse relaties een uitzondering werd gemaakt voor Nederlanders, vluchtelingen, asielgerechtigden, houders van een vestigingsvergunning en jongeren, zullen zij nu in alle gevallen aan de 100% inkomensnorm moeten voldoen.

Afschaffing van het zoekjaar en de toets aan ‘klemmende redenen’ brengt het beleid meer in overeenstemming met zowel de feitelijke toekenningspraktijk als met hetgeen realiter aan eisen gesteld kan worden aan de betrokken vrouwen. Dat betekent niet alleen minder – zowel voor de betrokken vrouwen als voor de overheid langdurige en kostbare – procedures, maar vooral ook dat de betrokken vrouwen niet meer jarenlang in onzekerheid hoeven te verkeren over hun verblijfsrecht.

Niet duidelijk is welke consequenties de voorgestelde beleidsaanpassing heeft voor het huidige beleid inzake voortgezet verblijf na huwelijk. Momenteel is in de Vreemdelingencirculaire (Vc B1/2.3) bepaald dat een vreemdeling in aanmerking komt voor een zelfstandige verblijfstitel, indien het huwelijk voor de verbreking reeds drie jaar heeft bestaan, waarvan ten minste één jaar direct voorafgaande aan de verbreking tijdens een op grond van art. 9 of 10 Vw toegestaan verblijf in Nederland. Het CWI gaat ervan uit dat de voorgestelde beleidsaanpassing hierin geen wijziging brengt.

Versterking positie weduwen

In het huidige beleid wordt geen onderscheid gemaakt tussen verbreking van de relatie op grond van het overlijden van de partner en andere gronden, waaronder (seksueel) geweld. In de nota wordt voorgesteld dit onderscheid wel te gaan te maken: in geval van overlijden, ook binnen de termijn van 3 jaar, komt de weduwe direct in aanmerking voor voortgezet verblijf. Als rechtvaardiging voor deze versoepeling van het huidige beleid wordt gesteld dat het hier een zodanig bijzondere en onbeïnvloedbare omstandigheid betreft dat die op zichzelf schrijnend genoeg is om grond voor verblijf op te leveren. Hoewel het CWI uiteraard de versterking van de positie van weduwen toejuicht, doet de argumentatie toch enigszins wrang aan. Aan vrouwen van wie de relatie binnen 3 jaar verbroken wordt op grond van (seksueel) geweld wordt immers niet dezelfde positie en zekerheid gegeven, terwijl toch moeilijk volgehouden kan worden dat het in geval van mishandeling om reguliere (in tegenstelling tot ‘ bijzondere’) en ‘beïnvloedbare’ situaties zou gaan die nìet op zichzelf reeds schrijnend zijn. Aangenomen mag worden dat ook voor de vrouwen die als gevolg van mishandeling de relatie verbreken geldt dat de mishandeling door hen niet was te voorzien of te beïnvloeden. Ongewild wordt zo een onderscheid gesuggereerd tussen ‘onschuldige’ vrouwen (weduwen), die er niets aan kunnen doen, en ‘schuldige’ vrouwen (gescheiden mishandelde vrouwen), die er blijkbaar wel wat aan kunnen doen en dus niet dezelfde bescherming verdienen.

Handhaving huidige beleid bij verbreking van de relatie binnen drie jaar op grond van (seksueel) geweld

Aanleiding voor het onderzoek van het CWI naar afhankelijk verblijfsrecht vormde de introductie van ‘seksueel geweld als grond voor de verbreking van de relatie’ als nieuw toetsingscriterium in de Vreemdelingencirculaire in december 1997. Uit het onderzoek bleek echter dat de toevoeging van dit criterium in de praktijk niet heeft geleid tot een grotere rechtszekerheid voor mishandelde vrouwen.
Hoewel een ruime meerderheid (72 %) van de vrouwen die binnen de termijn van drie jaar de relatie verbreken uiteindelijk wel een verblijfsvergunning krijgt, gaan hier jaren van onzekerheid en procederen aan vooraf, is de uitkomst in individuele gevallen volstrekt onvoorspelbaar en blijven de gronden waarop uiteindelijk een vergunning wordt verleend onduidelijk. De kans dat een mishandelde vrouw een verblijfsvergunning krijgt is derhalve weliswaar groot, maar het probleem blijft dat er geen enkele garantie of rechtszekerheid bestaat. Een belangrijke factor hierbij is dat de vrouw, naast de mishandeling, ook nog andere klemmende redenen van humanitaire aard moet aanvoeren: er moet sprake zijn van een combinatie van factoren.

Hoewel met name de positie van mishandelde vrouwen de aanleiding vormde om nader in te gaan op de rechtspositie van vrouwen in het vreemdelingenbeleid, brengt de nota juist in de situatie van de meest kwetsbare groep – de groep vrouwen die binnen de termijn van 3 jaar de relatie op grond van (seksueel) geweld verbreekt – geen substantiële verbetering. De aanbeveling van zowel het CWI als de expertmeeting dat mishandeling op zichzelf reeds voldoende grond zou moeten opleveren om verblijf op humanitaire gronden toe te staan, in plaats van de huidige eis dat er sprake moet zijn van een combinatie van factoren, wordt door de staatssecretaris niet overgenomen. Daarmee blijft de bestaande onzekerheid van vrouwen gedurende de eerste drie jaar gehandhaafd en zullen zij in veel gevallen niet het risico durven lopen een gewelddadige relatie te beëindigen en daarmee hun recht op verblijf in Nederland te verliezen: een situatie waaraan nu juist beoogd werd een einde te maken.
Het CWI betreurt dan ook dat in de nota onverkort wordt vastgehouden aan de eis dat er sprake moet zijn van een combinatie van factoren. Het loslaten van deze eis zou de duidelijkheid en consistentie van het beleid aanzienlijk ten goede komen en de positie van de betrokken groep vrouwen aanmerkelijk verbeteren.

Uitwerking criterium ‘klemmende redenen van humanitaire aard’

Wel zegt de staatssecretaris toe het criterium ‘klemmende redenen’ nader te zullen verduidelijken, waarbij hij de aanbevelingen met betrekking tot de invulling en verduidelijking van de gronden inzake de positie van de vrouw in het land van herkomst, het belang van het kind (mede in het kader van art. 8 EVRM) en het kunnen aantonen van (seksueel) geweld zal betrekken.

Uit het onderzoek van het CWI komt een groot gebrek aan inzicht naar voren in de door Justitie gevolgde beleidslijnen inzake deze criteria. Volstrekt onduidelijk is welke rol de verschillende criteria spelen en waarom, in elkaar niet zoveel ontlopende situaties, de ene keer wel een vergunning wordt verleend en de andere keer niet. Hoewel de staatssecretaris toezegt met een nadere verduidelijking van de betreffende criteria te komen ontbreekt echter in de nota vooralsnog elke uitwerking hiervan, noch wordt aangegeven op welke termijn en welke wijze deze nadere verduidelijking te verwachten valt, terwijl het hier toch om een zeer cruciaal punt gaat. Bovendien is het zeer de vraag of een nadere verduidelijking ook daadwerkelijk tot meer rechtszekerheid voor de betrokken vrouwen zal leiden, nu het combinatie-criterium gehandhaafd blijft.

Hetzelfde geldt voor de nadere invulling van het belang van het kind. De aanbevelingen uit het onderzoek van het CWI betroffen met name een ruimere toepassing van het beleid inzake voortgezet verblijf voor kinderen die geruime tijd in Nederland verblijven en de toepassing van art. 8 EVRM, waarbij het recht van het Nederlandse kind om in het land waarvan het de nationaliteit heeft op te groeien en het belang van het kind bij regulier contact met beide ouders, ook na scheiding, een grotere rol zou moeten spelen. Ook in de expertmeeting werd erop gewezen dat het perspectief van de kinderen meer expliciet in de afweging betrokken zou moeten worden. Opnieuw geldt dat een en ander in de nota niet uitgewerkt wordt en het volstrekt onzeker blijft of verduidelijking ook werkelijk tot verbetering van de positie van betrokkenen zal leiden.

Het CWI dringt er dan ook op aan dat de staatssecretaris op korte termijn met de toegezegde verduidelijking komt, hetzij in de vorm van een TBV (Tussentijdse Berichten Vreemdelingencirculaire), hetzij het in de vorm van een werkinstructie.

Bekorting periode van afhankelijkheid van 5 tot 3 jaar

Bekorting van de periode van afhankelijkheid van 5 tot 3 jaar betekent een aanmerkelijke verbetering van de positie van de betrokken vrouwen. Duidelijk is immers dat de constructie van het afhankelijk verblijfsrecht een extreme vorm van afhankelijkheid creëert tussen partners. Een dergelijke afhankelijkheid is om meerdere redenen onwenselijk: het vormt een substantiële belemmering bij de integratie en emancipatie van buitenlandse vrouwen in Nederland en nodigt uit tot machtsmisbruik door degene van wie het verblijf afhankelijk is. Dit is één van de redenen waarom door onder meer het CWI, het Komitee Zelfstandig Verblijfsrecht Migrantenvrouwen en E-quality al jaren gepleit wordt voor het zoveel mogelijk bekorten van de periode van afhankelijkheid. Het CWI is dan ook verheugd met het terugbrengen van de termijn van afhankelijkheid tot 3 jaar. Liever had zij echter gezien dat, juist in het licht van preventie van (seksueel) geweld, deze termijn teruggebracht werd tot een periode van maximaal één jaar.

Huisvestingsvergunning

Als gevolg van de Koppelingswet komen vreemdelingen niet in aanmerking voor een huisvestingsvergunning tijdens de behandeling van een verzoek om voortgezet verblijf.
Achtergrond
hierbij vormt de overweging dat een toegelaten vreemdeling reeds beschikt over huisvesting en hierdoor dus niet ernstig getroffen wordt. Vrouwen die hun partner verlaten, daartoe al dan niet gedwongen door geweld, verliezen echter met hun relatie ook veelal hun woonruimte. Doordat zij geen recht hebben op een zelfstandige huisvestingsvergunning zijn zij en hun eventuele kinderen, vaak jarenlang, aangewezen op verblijf in een opvanghuis. Dit belemmert niet alleen verdere integratie, maar maakt het hen ook vrijwel onmogelijk een nieuw zelfstandig bestaan op te bouwen. Ook de opvanghuizen stelt het voor een toenemend probleem, zij dreigen immers steeds verder ‘dicht te slibben’ door gebrek aan doorstroming.
Om die reden kiezen opvanghuizen er regelmatig voor maar een beperkt aantal vrouwen met een afhankelijke verblijfsvergunning op te nemen.

In de nota wordt wel bijzonder lichtjes over dit probleem heengestapt. Slechts gesteld wordt dat de staatssecretaris van Volkshuisvesting heeft meegedeeld dat niet-zelfstandige woonruimte, waarvoor geen huisvestingsvergunning is vereist, ingevolge de Huisvestingswet voldoende passend is voor deze categorie vrouwen. Wat de staatssecretaris zich daarbij voorstelt blijft onduidelijk: een pensioen voor daklozen, een studentenkamer? In ieder geval blijft hiermee een grote groep vrouwen en kinderen gedwongen, gemiddeld 2 jaar en drie maanden (de gemiddelde duur van procedures), in overvolle opvanghuizen te verblijven en blijft een andere groep vrouwen letterlijk in de kou staan omdat er geen plaats meer voor hen is in de opvangvoorzieningen. Dat is een wel erg magere invulling van het in de nota nogmaals herhaalde uitgangspunt van ‘ kunnen rekenen op onderdak, opvang en bescherming’.

Verbetering kwaliteit besluitvorming

Eén van de hoofdconclusies van het onderzoek van het CWI betrof de noodzaak van verbetering van de besluitvorming door in eerste aanleg meer en diepgaander onderzoek te doen, in alle gevallen betrokkenen te horen, zorgvuldiger te toetsen aan de gronden voor vergunningverlening zoals genoemd in de Vreemdelingencirculaire, beschikkingen beter te motiveren en schorsende werking te verlenen indien het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Verbetering van de besluitvorming in eerste aanleg leidt tot minder procedures, omdat in een eerdere fase een correcte beschikking wordt afgegeven. Ook de procedure zelf zou verkort dienen te worden.

In de nota wordt slechts gedeeltelijk aan de boven geformuleerde aanbevelingen tegemoet gekomen. Het standaard verlenen van schorsende werking voor bezwaar is een verbetering ten opzichte van de huidige praktijk en in lijn met de nieuwe Vreemdelingenwet 2000. Een algemene hoorplicht wordt echter niet ingevoerd, in de nota wordt slechts gesteld dat betrokkene in het kader van de bezwaarprocedure ‘in voorkomende gevallen’ zal worden gehoord. Naar de mening van het CWI wordt hier een kans gemist om tot verbetering van de kwaliteit van beslissingen te komen. Aanbevolen wordt de vrouwen uit deze groep altijd te horen bij de aanvraag om een vergunning tot voortgezet verblijf dan wel bij de behandeling van hun bezwaarschrift.
Wel kan de toegezegde verduidelijking van de gehanteerde criteria bijdragen aan verbetering van de besluitvorming. Daarmee is echter nog geen garantie gegeven dat er ook een zorgvuldige toetsing plaatsvindt, en niet, zoals nu vaak het geval is, in eerste instantie bij voorbeeld voorbij gegaan wordt aan de mishandeling.

Gebrek aan gegevens

In de nota wordt aangegeven dat het moeilijk is de representativiteit te bepalen van de door het CWI onderzochte 90 dossiers voor het totaal aantal verzoeken om voortgezet verblijf. In dit kader valt op te merken dat uit eerder onderzoek in 1992 een vergelijkbaar beeld naar voren komt (“Afhankelijke verblijfstitel van migrantenvrouwen”, E. van Blokland en M. de Vries in samenwerking met de Wetenschapswinkel Nijmegen en het Komitee Zelfstandig Verblijfsrecht Migrantenvrouwen, maart 1992).
Dit neemt niet weg dat het ontbreken van gegevens over de omvang van de problematiek, het aantal aanvragen en de wijze van afhandeling een serieus probleem vormt. Het CWI onderschrijft dan ook het belang van de invoering van een registratiesysteem bij de IND waardoor deze gegevens in de toekomst wel beschikbaar zijn. Dit is ook van belang in het kader van een eventueel vervolgonderzoek naar de effecten van de in de nota voorgestelde beleidsaanpassingen.

Aanbevelingen

* Afschaffing van de combinatie eis; mishandeling op zichzelf dient reeds voldoende grond op te leveren om verblijf toe te staan op humanitaire gronden;
* Verduidelijking van de criteria op korte termijn, hetzij in de vorm van een TBV, hetzij in de vorm van een werkinstructie;
* Verkorting van de periode van afhankelijkheid tot een termijn van maximaal 1 jaar;
* Verlening van een zelfstandige huisvestingsvergunning na verbreking van de relatie;
* Invoering van een algemene hoorplicht bij de aanvraag om voortgezet verblijf dan wel bij de behandeling van het bezwaarschrift;
* Handhaving van de huidige uitzonderingen op het middelenvereiste voor Nederlanders, vluchtelingen, jongeren en houders van een vergunning tot vestiging, met gelijkstelling van huwelijkse en niet-huwelijkse relaties
* Verbetering van de registratie bij de IND zodat meer inzicht kan worden verkregen in de omvang van de problematiek, het aantal aanvragen en de wijze van afhandeling.

  Clara Wichmann Instituut, 8 mei 2000

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem, 4 mei 2000

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem

Samenvatting


Eiser, een Somalische man, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzende beslissing
op de aanvraag om verlening van een mvv, die zijn in Nederland verblijvende
echtgenote voor hem heeft ingediend. De vrouw voldoet niet aan het middelenvereiste.
Zij heeft een verblijfsvergunning zonder beperking, zij heeft ernstig traumatische
ervaringen opgedaan in Somalie en is door de sociale dienst vrijgesteld
van sollicitatieplicht. Zij heeft de zorg voor twee jonge kinderen. De
echtgenoten zijn door oorlogsgeweld in Somalië van elkaar gescheiden en
hebben al negen jaar geen gezinsleven kunnen uitoefenen. Niet in geschil
is dat er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in
Somalië uit te oefenen. Vraag is of er sprake is van een positieve verplichting.
De rechtbank oordeelt dat, gelet op haar traumatisch verleden, niet van
de vrouw kan worden gevergd dat zij zich, meer dan zij nu doet, inspant
om aan de middeleneis te voldoen. Voorts is van belang dat zij de zorg
heeft over twee jonge kinderen die de nodige opvang behoeven en dat zij
door de sociale dienst is vrijgesteld van sollicitatieplicht. Doorslaggevende
betekenis moet worden toegekend aan het feit dat betrokkenen en hun kinderen
al zeer lang buiten hun toedoen geen gezinsleven hebben kunnen uitoefenen.
Die periode is zo lang dat de zoon van betrokkenen zijn vader niet zal
kennen. Onder die omstandigheden is het onaanvaardbaar dat hereniging langer
uitblijft. De bestreden beslissing is in strijd met art. 8 EVRM, een mvv
moet alsnog worden verstrekt.

Volledige tekst

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Eiser, geboren op (…) 1966, heeft de Somalische nationaliteit. Op
7 mei 1997 heeft zijn in Nederland verblijvende echtgenote ten behoeve
van hem een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig
verblijf. Bij besluit van 27 november 1997 heeft verweerder deze aanvraag
niet ingewilligd. Eiser heeft op 23 december 1997 een bezwaarschrift ingediend
tegen de niet-inwilliging van de aanvraag. Op 12 maart 1999 is dit bezwaar
ongegrond verklaard.

1.2 Op 8 april 1999 heeft eiser tegen deze beslissing beroep ingesteld
bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken
ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring
van het beroep.
1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 12
april 2000. Ter zitting hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden
hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring
van het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien
of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels
kan doorstaan.

2.2. Eiser legt aan de aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig
verblijf en het onderhavige beroep ten grondslag dat hij in aanmerking
komt voor een vergunning tot verblijf met als doel: verblijf bij echtgenote
B (hierna referente), houdster van een vergunning tot verblijf zonder beperking.

2.3 Ingevolge artikel 33d Vw, worden beschikkingen omtrent de afgifte van
visa of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Souverein
Besluit van 12 december 1813 (Stcrt. 1814, 4), voor de toepassing van de
wettelijke voorschriften van bezwaar en beroep gelijkgesteld met beschikkingen
aangaande toelating, gegeven op grond van de Vreemdelingenwet.

2.4 De verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf kan, evenals
een vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw, aan een
vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.
De gronden voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf zijn,
zoals blijkt uit hoofdstuk A4/5.3 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc),
gelijk aan die voor afgifte van een vergunning tot verblijf.

2.5 De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings-
en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van artikel
11, vijfde lid, Vw een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen – behoudens
verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten – slechts
voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien
met hun verblijf hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend
of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.6 Om, ingevolge dit beleid, voor toelating in aanmerking te komen dient
degene bij wie verblijf wordt beoogd – onder meer – duurzaam en zelfstandig
te beschikken over voldoende middelen van bestaan (hoofdstuk A4/4.2 Vc).

2.7 Tussen partijen is niet in geschil dat referente niet duurzaam en zelfstandig
beschikt over voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft dan ook
terecht vastgesteld dat eiser ingevolge het beleid inzake gezinshereniging
niet in aanmerking komt voor de gevraagde machtiging tot voorlopig verblijf.
Voorts is niet gebleken dat eiser aan enige andere door verweerder gehanteerde
beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen. Evenmin is gebleken van
klemmende redenen van humanitaire aard die tot toelating van eiser nopen.
Niet aannemelijk is geworden dat de situatie waarin eiser zich in Ethiopië
bevindt dermate schrijnend zou zijn, dat hij op verblijf hier te lande
is aangewezen.

2.8 Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 8, eerste lid, van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(EVRM). In deze verdragsbepaling is, voor zover hier van belang, bepaald
dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven
(‘family life’). Ingevolge het tweede lid van de bepaling is geen inmenging
van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan
voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk
is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of
het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde,
het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of
de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van
anderen.

2.9 Bij de beoordeling van het gedane beroep op artikel 8 EVRM geldt op
grond van vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van
de Mens als uitgangspunt dat deze verdragsbepaling op verweerder geen algemene
verplichting legt om de domiciliekeuze van een vreemdeling te eerbiedigen
of gezinsvorming of -hereniging op Nederlands grondgebied mogelijk te maken
door immigratie toe te staan.

2.10 Aangenomen moet worden dat tussen eiser en referente en haar kinderen
sprake is van ‘family life’. Gelet op het feit dat aan eiser nimmer verblijf
in Nederland is toegestaan is in dit geval geen sprake van inmenging in
het familie- of gezinsleven als bedoeld in het tweede lid van artikel 8
EVRM. Of in dit geval uit het recht op eerbiediging van het familie- en
gezinsleven niettemin voor verweerder een verplichting voortvloeit om eiser
verblijf in Nederland toe te staan moet worden vastgesteld aan de hand
van een redelijke afweging tussen de belangen van het individu en die van
de gemeenschap in zijn geheel. Verweerder beroept zich in dit verband op
de noodzaak van een restrictief toelatingsbeleid.

2.11 Bij de belangenafweging in deze zaak moeten de volgende omstandigheden
in aanmerking worden genomen.

2.12 Niet is in geschil dat sprake is van een objectieve belemmering om
het gezinsleven in Somalië uit te oefenen. Verweerder heeft zich op het
standpunt gesteld dat geen sprake is van een blijvende onmogelijkheid voor
referente om aan het middelenvereiste te voldoen en derhalve van een blijvende
onmogelijkheid tot gezinshereniging hier te lande. Niet is gebleken dat
referente zich gedurende drie jaren al het mogelijke aan serieuze inspanningen
heeft getroost om voor zichzelf en haar gezin een toereikend en duurzaam
inkomen te verwerven. Eiser heeft hiertegen ingebracht dat hij referente
en hun in 1990 geboren zoon in Somalië in 1991 uit het oog is verloren
toen strijders hun woonplaats aanvielen. Referente is begin 1992 samen
met haar zoon door de strijders ontvoerd naar een kazerne, alwaar zij huishoudelijke
werkzaamheden moest verrichten en waar zij langdurig mishandeld en verkracht
werd. In 1995 heeft zij van een van haar verkrachters een zoon gekregen.
In hetzelfde jaar is referente erin geslaagd de kazerne te verlaten. Zij
heeft in oktober 1995 samen met haar twee zoons hier te lande asiel aangevraagd.
Zij is in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf zonder beperking.
In 1996 heeft zij eiser weer teruggevonden. Sindsdien onderhoudt zij voorzover
mogelijk weer contact met hem. Referente en haar kinderen en eiser waren
ten tijde van de bestreden beschikking reeds acht jaar van elkaar gescheiden
en hebben thans al negen jaar geen gezinsleven met elkaar kunnen uitoefenen.

2.13 De rechtbank is van oordeel dat van referente, gelet op haar traumatische
verleden, niet kan worden verlangd dat zij zich meer dan zij nu doet, inspant
om aan het middelenvereiste te voldoen. De rechtbank wordt in dat oordeel
gesterkt door de aangeslagen indruk die referente ter zitting maakte. Voorts
is van belang dat referente de zorg heeft voor twee jonge kinderen, die
de nodige opvang behoeven. Van belang is ook dat referente door de sociale
dienst is vrijgesteld van sollicitatieplicht, hetgeen impliceert dat zij
door die instanties vooralsnog onbemiddelbaar wordt geacht. Bij die stand
van zaken is het in zijn algemeenheid al problematisch om de betrokkene
in een andere context tegen te werpen dat zij zich niet of onvoldoende
heeft ingespannen om aan werk te komen. Bij de geschetste stand van zaken
moet doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de zeer lange periode
die eiser en referente en haar kinderen buiten hun toedoen geen gezinsleven
met elkaar hebben kunnen uitoefenen. Die periode is zo lang dat de zoon
van eiser en referente, die thans tien jaar oud is, zijn vader niet zal
kennen. Onder die omstandigheden is het onaanvaardbaar dat de hereniging
langer uitblijft. De door verweerder behartigde belangen wegen daartegen
niet op.

2.14 Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders beslissing in strijd
is met art. 8 EVRM en dat verweerder, opnieuw beslissend, een mvv moet
verstrekken.

2.15 Het beroep is mitsdien gegrond.

2.16 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing
van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte
proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld
op ƒ 1.420 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen
ter zitting, wegingsfactor 1).

2.17 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht
ad ƒ 225 dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van tien weken opnieuw te beslissen
op het bezwaarschrift van 23 december 1997, met inachtneming van hetgeen
is overwogen in deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420 onder aanwijzing
van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier
van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen; 3.5 wijst
de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door
eiser betaalde griffierecht ad ƒ 225.

Rechters

Mr. Schotman

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem, 4 mei 2000

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem

Samenvatting


Verzoekster, afkomstig uit Iran, is gedwongen een tijdelijk huwelijk van zes
jaar te sluiten met het hoofd van het zogeheten Comité nadat zij was
gearresteerd voor gedrag dat, naar het oordeel van het Comité, in strijd was
met het Islamitisch recht of moraal. Verweerder acht het gedwongen tijdelijke
huwelijk niet aannemelijk, en voorzover het al waar mocht zijn niet anders
dan een grove intimidatie. De rechtbank overweegt dat een gedwongen huwelijk
als door verzoekster gesteld een daad van vervolging of een onmenselijke
behandeling is, nu het op één lijn is te stellen met verkrachting of
slavernij. Ook indien het gedwongen tijdelijk huwelijk geen verband hield met
gronden genoemd in het Vluchtelingenverdrag en deswege verzoekster niet in
aanmerking zou komen voor toelating als vluchteling, zou de reële
mogelijkheid kunnen bestaan dat verzoekster bij terugkeer aan een
onmenselijke behandeling zou worden onderworpen, namelijk het tijdelijke
echtgenote moeten zijn van het hoofd van genoemd comité. De conclusie kan
niet anders zijn dan dat de beschikking tot stand is gekomen terwijl
onvoldoende onderzoek is gedaan naar de relevante omstandigheden in het land
van herkomst, dan wel dat zij berust op een onvoldoende motivering.

Volledige tekst

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Verzoekster, geboren op (…) 1967, heeft de Iraanse nationaliteit. Zij
verblijft sedert 27 oktober 1995 in Nederland. Op 28 oktober 1995 heeft zij
aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een
vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij
beschikking van 12 december 1995, aan verzoekster uitgereikt op 20 december
1995, heeft verweerder de desbetreffende aanvragen niet ingewilligd. De
aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens de
kennelijke ongegrondheid ervan. Verzoekster heeft op 20 december 1995 tegen
deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Op grond van artikel 32,
eerste lid, Vw heeft verweerder bepaald dat uitzetting gedurende de periode
dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal blijven.
1.2 Bij verzoekschrift van 20 december 1995 heeft verzoekster de president
van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorzieningover te gaan
tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege
te laten, totdat op het bezwaarschrift is beslist. Verweerder heeft de op de
zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift
geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek met toepassing van artikel 33b
Vw.
1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 1 mei
1996. Ter zitting hebben verzoekster en verweerder bij monde van hun
gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Het onderzoek is ter zitting
gesloten. De vertraging van de uitspraak hangt mede samen met het kennisnemen
van de nog te noemen openbare bronnen.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan – onder meer – indien voorafgaand
aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president
van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een
voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de
betrokken belangen, dat vereist.
2.2 Verzoekster legt aan de aanvragen ten grondslag dat zij in aanmerking
komt voor toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een
verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard en beoogt
met het onderhavige verzoek haar uitzetting hangende het verdere onderzoek in
de bodemprocedure te voorkomen.
2.3 Voor zover het de niet-inwilliging van verzoeksters aanvraag om toelating
als vluchteling betreft, blijft uitzetting ingevolge artikel 32, eerste lid,
onder a, Vw hangende bezwaar achterwege, tenzij er in redelijkheid geen
twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor vervolging als
omschreven in artikel 15, eerste lid, Vw. Met betrekking tot verzoeksters
aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf blijft ingevolge
artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, Vw uitzetting achterwege, indien
verzoeksters bezwaar tegen de weigering daarvan een redelijke kans van slagen
heeft. Tenslotte dient uitzetting achterwege te blijven ingeval deze
anderszins in strijd is met het recht.
2.4 Verzoekster heeft haar asielmotieven tegenover de contactambtenaar als
volgt uiteengezet. Zij was ongehuwd en heeft nooit gewerkt om in haar
onderhoud te voorzien. Zij voorzag in haar onderhoud door geld uit de
nalatenschap van haar ouders. Een deel van dat geld had zij gegeven aan een
groothandelaar, die haar daarvoor een aandeel in zijn winst gaf. Verzoekster
kon daar goed van leven. Op 6 september 1995 onderhield zij in haar woning
een aantal gasten. Tijdens dat samenzijn dat geen godsdienstige of politieke
bedoelingen had, werd door zeven leden van het Comité er een inval gedaan.
Deze zeiden aan verzoekster dat het samenzijn als een feest werd beschouwd,
en dat verboden muziek werd gedraaid. Zij deden ook een huiszoeking. Daarbij
vonden zij een videoband aan die was gemaakt op 22 april 1995 toen
verzoekster tijdens een verjaardag met de chador op haar hoofd had gedanst.
Verzoekster en haar gasten werden vervolgens meegevoerd naar het gebouw van
het Comité in de
(…) straat te Teheran. De gasten werden na 24 uur weer vrijgelaten, maar
verzoekster werd tot 25 september 1995 in het gebouw van het Comité
vastgehouden. Daar werd zij ondervraagd over zichzelf, haar levenswijze, haar
gasten, waarom zij feestjes vierde en waarom zij met haar dans de chador had
beledigd. Er werd namelijk gedacht dat verzoekster daar politieke bedoelingen
mee had gehad, maar verzoekster ontkende. Na haar vrijlating moest
verzoekster moest op 27 september 1995 om 12.00 uur terugkomen, maar zij deed
dat niet. Toen zij op 27 september 1995 om 21.00 uur in haar woning terug
kwam vond zij de deur open, terwijl op haar tafel een doos stond waarin een
fles whisky zat en een spel kaarten. Kort na haar binnenkomst kwamen twee
mannen binnen die haar gingen beschuldigen van het onwettig bezit van sterke
drank. Zij moest met hen mee naar hetzelfde gebouw als op 6 september 1995.
Daar werd haar gevraagd waarom zij zich niet gemeld had. Verzoekster kon
daarvoor geen verklaring geven. Op een gegeven moment zei het hoofd van het
Comité C
tegen haar: “Ik ben je man gedurende de komende zes jaar”. Hij toonde haar
een door een geestelijke getekend document waaruit bleek dat zij tijdelijk
gehuwd waren. Verzoekster vertelde C dat zij een relatie had, maar C zei dat
hij die kapot zou maken. Verzoekster wilde niet met C trouwen, maar kon geen
bezwaar maken of een klacht indienen. C waarschuwde haar dat zij de komende
zes jaar niet met een ander kon trouwen en gestenigd zou worden als zij dat
wel zou doen. C wilde haar zijn adres geven en ook zeker weten dat zij bij
hem zou komen wonen. Verzoekster vroeg echter bedenktijd en zei dat zij hem
berichten zou. Vervolgens ging zij naar huis. Verzoekster merkte daarna dat
zij in de gaten werd gehouden omdat onbekende personen navraag deden naar wat
zij ging doen en gedaan had. Op 7 oktober 1995 ging zij naar een zus van haar
vriendin, op 11 oktober 1995 keerde zij in haar woning terug. Op 13 oktober
1995 verliet zij voorgoed haar woning. Met de autobus ging zij naar Rasht en
vandaar naar Astara aan de grens waar zij met hulp van een reisagent Iran via
Azerbeidsjan verliet.
2.5 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals weergegeven in het
zich bij de stukken bevindende verweerschrift en de ter zitting gegeven
toelichting en aanvullingen daarop.
2.6 Voorop staat dat de situatie in Iran niet zodanig is dat asielzoekers uit
Iran in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt.
Verzoekster zal derhalve aannemelijk moeten maken, dat met betrekking tot
haar persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die haar vrees voor
vervolging in de zin van artikel 15 Vw rechtvaardigen.
2.7 Verweerder heeft in de bestreden beschikking onder meer als volgt
overwogen: “Voor zover al geloof moet worden gehecht aan betrokkenes relaas
over haar huwelijk met het hoofd van het comité C, kan dit niet anders dan
als een grove intimidatie worden uitgelegd, die echter in samenhang met de
overige elementen uit haar vluchtverhaal niet tot de conclusie leidt, dat
betrokkene gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de hiervoor
bedoelde zin.” en: “Er zijn geen redenen of omstandigheden naar voren
gebracht of gekomen op grond waarvan betrokkene om klemmende redenen van
humanitaire aard in het bezit zou behoren te worden gesteld van een
vergunning tot verblijf.”
2.8 In het verweerschrift heeft verweerder het gedwongen huwelijk niet
aannemelijk geacht. Daarbij is overwogen dat geen documenten zijn overgelegd,
dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt op een andere grond te zijn
gearresteerd dan dat zij zich niet had gemeld, en dat ze zonder voorwaarden
in vrijheid is gesteld, en dat zij drie weken tot aan haar vlucht ongemoeid
is gelaten.
2.9 Verweerder heeft desgevraagd ter zitting verklaard geen navraag of
onderzoek te hebben gedaan naar de mogelijkheid, dat een tijdelijke gedwongen
huwelijk van zes jaar ten aanzien van verzoekster bestaat of bestaan heeft.
2.10 De president heeft, naast de bekende ambtsberichten, kennis genomen van
de volgende openbare bronnen. – Een boek, getiteld “Law of desire, temporary
marriage in Iran”, geschreven door Shahla Haeri en gepubliceerd in 1989 door
I.B. Tauris & CO LTD, ISBN 1-85043-157-4 en ISBN 1-85043-170-1 pbk; – Een
krantenbericht in het NRC Handelsblad van 5 april 1996 van de hand van
Wilfried Bossier, getiteld ” ‘Tijdelijk huwelijk’ helpt Iraniërs uit de
nood”; – De ‘Human rights brief’, getiteld “Women in the Islamic Republic of
Iran” van het Research Directorate; Documentation, Information en Research
Branch; Immigration and Refugee Board, gevestigd te Ottawa in Canada van juni
1994.
2.11 Hieruit komt naar voren dat naar Iraans Islamitisch recht ten tijde van
de vlucht van verzoekster uit Iran een permanent en een tijdelijk huwelijk
bestond, het laatste genaamd ‘sigheh’ of ‘mut’a’. Het tijdelijk huwelijk
wordt aangegaan voor een, veelal in het huwelijkscontract vastgelegde
periode, die kan variëren van een uur tot 99 jaar, vaak tegen een geldelijke
vergoeding, die eenmalig is of een maandelijkse tegemoetkoming inhoudt. Het
tijdelijk huwelijk wordt onder meer aangegaan om strafrechtelijke vervolging
voor seksuele betrekkingen buiten huwelijk te vermijden.
2.12 De verschijningsvormen en toepassingen van het tijdelijke huwelijk zijn
legio, zo blijkt uit de eerste genoemde bron. Op de pagina’s 99 en 100 van
haar boek beschrijft Haeri twee van vele varianten, namelijk de ‘penance
sigheh’ en de ‘penal sigheh’. Bij de eerste vorm ging het volgens haar in het
bijzonder om ‘gevallen’ vrouwen, die bij wijze van ultieme rehabilitatie
gedurende een periode tijdelijk gehuwd zijn met een revolutionaire gardist of
een van het front teruggekeerde soldaat, om na afloop tijdelijk te huwen met
een volgende. Haeri beschrijft dat vrouwen soms voor deze uitweg kiezen, maar
ook daartoe gedwongen worden. De tweede genoemde vorm van het tijdelijk
huwelijk houdt verband met het geloof dat een maagd, die geëxecuteerd wordt,
naar het paradijs gaat. Vrouwen die gevangen zijn kunnen volgens Haeri,
gelijk slavinnen, worden gedwongen tot een tijdelijk huwelijk, waardoor in
geval van executie voorkomen kan worden dat de geëxecuteerde het paradijs
bereikt.
2.13 Verzoekster was ongehuwd, en daarom kon met haar een tijdelijk huwelijk
worden aangegaan. Volgens haar vluchtverhaal heeft het hoofd van het Comité
zich door mullah tijdelijk laten trouwen met verzoekster naar aanleiding van
arrestatie naar aanleiding van gedrag dat beschouwd wordt in strijd te zijn
met het Islamitische recht of moraal.
2.14 Een gedwongen huwelijk als door verzoekster gesteld is een daad van
vervolging of een onmenselijke behandeling, nu het op één lijn is te stellen
met verkrachting en/of slavernij. 2.15 Verweerder heeft zich blijkens de
bestreden beschikking geen rekenschap gegeven van de mogelijkheid van het de
facto en de iure bestaan van het gedwongen huwelijk in Iran, en het ten
onrechte slechts afgedaan als intimidatie, terwijl verweerder die
mogelijkheid blijkens de openbare bronnen niet kon uitsluiten en die
mogelijkheid in dit geval in het licht van die bronnen en de gestelde
omstandigheden ook niet zonder meer onaannemelijk was. Ook indien het
gedwongen tijdelijk huwelijk geen verband hield met gronden genoemd in het
Vluchtelingenverdrag, en deswege verzoekster niet in aanmerking zou komen
voor toelating als vluchteling, zou de reële mogelijkheid kunnen bestaan dat
verzoekster bij terugkeer aan een onmenselijke behandeling zou worden
onderworpen, namelijk het tijdelijk echtgenote moeten zijn van het hoofd van
genoemd comité. De bestreden beschikking geeft er evenwel ook geen blijk van
dat het reële risico van een onmenselijke behandeling in verband hiermee
onder ogen is gezien.
2.16 De conclusie kan geen andere zijn dan dat de beschikking van verweerder
tot stand is gekomen, terwijl onvoldoende onderzoek is gedaan naar de
relevante omstandigheden in het land van herkomst, dan wel dat zij berust op
een onvoldoende motivering. Zeker kon in het licht van het gestelde
tijdelijke huwelijk de aanvraag om toelating als vluchteling niet kennelijk
ongegrond worden geoordeeld, hetgeen betekent dat aan verzoekster
bezwaarschrift schorsende werking had moeten worden toegekend.
2.17 Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat er in
redelijkheid twijfel over kan bestaan dat gevaar bestaat voor vervolging als
bedoeld in artikel 15, eerste lid, Vw en dat het bezwaarschrift, voor zover
dat is gericht tegen de weigering van een vergunning tot verblijf wegens
klemmende redenen van humanitaire aard, een redelijke kans van slagen heeft.
De verzochte voorziening zal dan ook worden toegewezen.
2.18 De fungerend president acht geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan artikel 33b Vw.
2.19 In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van
artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoekster gemaakte
proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten
bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde
Besluit vastgesteld op ƒ 1.420 (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor
het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van
verzoekster een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand,
dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit
bedrag te geschieden aan de griffier 2.20 De president ziet tevens aanleiding
om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat
verweerder aan verzoekster het voor het verzoek om voorlopige voorziening
betaalde griffierecht ad ƒ 50 zal vergoeden.

3. BESLISSING

De fungerend president:
3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en verbiedt
verweerder verzoekster uit Nederland te verwijderen zolang niet op het
bezwaar is beslist;
3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420 onder aanwijzing van
de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier
van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;
3.3 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door verzoekster betaalde griffierecht ad ƒ 50.

Rechters

Mr. Korte

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 28 april 2000

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Partijen waren er bij het opstellen van de alimentatie-overeenkomst in
1991 vanuit gegaan dat de vrouw uiterlijk na vijf jaar in eigen onderhoud
zou kunnen voorzien. Dit blijkt niet het geval te zijn. Het Hof heeft geoordeeld
dat er in casu sprake is van wijziging van omstandigheden als bedoeld in
art. 1:401, lid 1 BW (oud). Voorts heeft het Hof geoordeeld dat bij het
bepalen van de hoogte van de alimentatie in aanmerking moet worden genomen
dat de vrouw de psychische problemen deels aan zichzelf te wijten heeft,
nu zij heeft nagelaten professionele hulp te zoeken. Het cassatieberoep
tegen beide oordelen wordt verworpen op grond van art. 101a RO.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 26 maart 1997 ter griffie van de Rechtbank te ‘s-Gravenhage
ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie – verder te noemen:
de man – zich gewend tot die Rechtbank en, voor zover in cassatie nog van
belang, verzocht met wijziging van het vonnis van de Rechtbank te Rotterdam
van 14 oktober 1991 met ingang van 1 november 1996 de uitkering tot levensonderhoud
voor verweerster in cassatie – verder te noemen: de vrouw – te bepalen
op nihil.
De vrouw heeft verzocht het verzoek van de man tot nihilstelling van de
alimentatie af te wijzen en te bepalen dat de man met ingang van 1 november
1996 een alimentatie dient te voldoen van ƒ 2750 per maand.
De man heeft het verzoek van de vrouw bestreden. Na een tussenbeschikking
van 6 januari 1998 heeft de Rechtbank bij eindbeschikking van 17 maart
1998 met wijziging in zoverre van de tussen partijen op 12 augustus 1991
gesloten overeenkomst en van het vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van
14 oktober 1991 de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud
van de vrouw met ingang van 1 november 1996 tot 1 november 2001 bepaald
op ƒ 2750 per maand en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze eindbeschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te ‘s-Gravenhage. Bij beschikking van 30 oktober 1998 heeft
het Hof voormelde beschikking van de Rechtbank vernietigd voor zover zij
de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van 1 november 1996 tot 1
november 2001 heeft gesteld op ƒ 2750 per maand. In zoverre opnieuw beschikkende
heeft het Hof – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking (lees:
het vonnis) van de Rechtbank te Rotterdam van 14 oktober 1991 – de door
de man aan de vrouw te betalen alimentatie van 1 november 1996 tot 1 november
2001 bepaald op ƒ 2250 per maand en het in hoger beroep meer of anders
verzochte afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest
en het verweerschrift tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan deze
beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie
van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van het principaal
en het incidenteel beroep.

3. BEOORDELING VAN DE MIDDELEN IN HET PRINCIPAAL EN INCIDENTEEL BEROEP

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden.
Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten
niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid
of de rechtsontwikkeling.

4. BESLISSING

De Hoge Raad:
in het principaal en in het incidenteel beroep:
verwerpt het beroep.

Rechters

Mr. Mijnssen, Jansen, De Savornin Lohman; A-G Langmeijer

Instantie: Europees Hof voor de rechten van de mensen, 27 april 2000

Instantie

Europees Hof voor de rechten van de mensen

Samenvatting


Verzoekster, gehuwd en met vier binnen het huwelijk geboren kinderen, wil dat
de achternaam van de dochters in het gezin wordt gewijzigd in haar achternaam
en de twee zonen de achternaam van haar echtgenoot behouden. Deze
keuzemogelijkheid is er in de Nederlandse wetgeving niet. De
staatssecretaris, de Rechtbank Den Haag en de Raad van State wijzen haar
verzoek af. Zij achten de wetgeving niet in strijd met art. 26 IVBPR. Het
Europese Hof voor de Rechten van de Mens stelt dat staten in zaken
betreffende naamswijziging veel vrijheid hebben om een eigen regeling vast te
stellen en oordeelt dat de Nederlandse regering geen blijk geeft van
schending van de rechten op grond van art. 8 en 14 EVRM. Het hof vindt de
onmogelijkheid om de dochters van verzoekster een andere achternaam te geven
geen inbreuk op het privé-leven van verzoekster; voorts weegt volgens het hof
het algemeen belang van de handhaving van de nodige stabiliteit op tegen het
belang van verzoekster om haar familienaam te kunnen voortzetten.

Volledige tekst

(…)
A.Particular circumstances of the case

The facts of the case, as submitted by the applicant, may be summarised as
follows.

The applicant and her husband have two sons, born in 1988 and 1991
respectively, and two daughters, born in 1994 and 1997 respectively.

Pursuant to the relevant rules of Dutch law, these children bear the surname
of the applicant’s husband. As the applicant and her husband wished their
sons to bear the surname of their father and their daughter to bear the
surname of the applicant, the applicant filed a request on 12 September 1994
to change the surname of her, at that time still unborn, daughter.

On 24 November 1994, the State Secretary of Justice (Staatssecretaris
van Justitie
) rejected the applicant’s request. The applicant’s
subsequent appeal to the Regional Court (Arrondissementsrechtbank)
of The Hague was rejected on 23 May 1996. The applicant filed a further
appeal with the Administrative Law Division (Afdeling
Bestuursrechtspraak
) of the Council of State (Raad van
State
).

In its decision of 25 September 1997, the Administrative Law Division
rejected the applicant’s appeal against the decision of 23 May 1996. It noted
that, under the relevant domestic rules, a minor child’s surname could be
changed into the mother’s surname upon a request to this effect, when the
mother – after the dissolution of the marriage or termination of the
non-marital cohabitation with the father – has raised the child as an
unmarried parent for at least three years immediately prior to the request.
It further noted that permission to change the surname of a minor child could
also be granted when, considering the particular circumstances of the case, a
refusal to do so would entail serious damage to the child’s physical or
mental health.

It recalled that the State Secretary had based the refusal of the applicant’s
request on a finding that the relevant rules on the chance of surnames did
not foresee in a request like the applicant’s one and that it had not been
established that there were such special circumstances on the basis of which
a strict application of the relevant rules would not be acceptable ex
aequo et bono
. It further noted that the Regional Court had also not
found such circumstances.

Insofar as the applicant argued that the Dutch rules on surnames are contrary
to Article 26 of the International Covenant on Civil and Political Rights in
that they amount to a discriminatory treatment between men and women, the
Administrative Law Division held that the request at issue only concerned one
of the applicant’s children whereas no such request had been made for her
other two children. The refusal at issue was not found to be discriminatory
as it achieved that all children having the same parents bear the same
surname and that therefore no difference between boys and girls was made.
Moreover, in the Act of 10 April 1997 amending Articles 5 and 9 of Book I of
the Civil Code (Burgerlijk Wetboek), the legislator had, in the
meantime, created the possibility for parents to choose themselves which of
their respective surnames their children will bear, albeit with the
restriction that all of their children must bear the same surname. It held
that this restriction was in conformity with its consideration as to the
alleged discriminatory character of the refusal of the applicant’s request.

As to the applicant’s argument that the refusal of her request was in
violation of Article 8 of the Convention, the Administrative Law Division
held that there was no interference, as such, with the applicant’s rights
under this provision in that the refusal did not alter the applicant’s
personal situation or her family life with her daughter. As to the question
whether the Netherlands were under a positive obligation under Article 8 of
the Convention to grant the applicant’s request, it was held that the
applicant’s personal interest, i.e. the continuation of her family name by
her daughter’s surname, was outweighed by the general interest in preserving
the stability required in the legal rules governing names (‘de
handhaving van de nodige stabiliteit in het namenrecht
‘) and that,
therefore, the Netherlands authorities were not under a positive obligation
to grant the applicant’s request.

B. Relevant domestic law and practice

Until 1 January 1998, a child born in wedlock or a child whose father had
recognised his paternity automatically obtained the father’s surname. Only
limited possibilities existed to obtain change of one’s surname.

On 1 January 1998, as a result of the entry into force of the Act of 10 April
1997 amending Articles 5 and 9 of Book I of the Civil Code, the rules
governing surnames were changed.

Under the new situation, married parents may make a joint formal declaration,
either before or when formally registering the birth of their first child,
stating whether the child will bear the surname of the father or the mother.
This declaration will continue to apply to any children born subsequently to
the couple. In the absence of any declaration, a child will automatically
obtain the father’s surname.

If the parents are not married, the child will obtain the mother’s surname;
also where the father has recognised his paternity. If unmarried parents wish
their child to bear the father’s surname, a joint formal declaration to this
effect must be made at the time of the father’s recognition of his paternity.

The change in the law also included transitory rules in respect of children
born before 1 January 1998, provided that the oldest child, at the time the
parents make their formal declaration, has not yet attained the age of
twelve. These transitory rules remained in force until 1 January 2000. Under
these transitory rules, parents may make a joint formal declaration to the
effect that their child or children bear the mother’s surname. Any children
born subsequently to the couple will then automatically obtain the mother’s
surname.

COMPLAINTS

The applicant complains that the former Dutch rules on surnames constitute a
flagrant violation of the principle of non-discrimination as well as an
unlawful interference with her right to respect for her private and family
life. She relies on Article 8 and 14 of the Convention as well as on Article
26 of the International Covenant on Civil and Political Rights and Articles 2
and 16 of the Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination
against Women.

The applicant further submits that also the new rules on surnames are not in
conformity with Articles 8 and 14 of the Convention. She argues that it is
not the legislator but those involved – i.e. the parents – who must have the
opportunity to choose the surname of their children. However, having made
that choice for the parents, the legislator continues to interfere with the
right to respect for a person’s private and family life by depriving those
directly involved of the right to choose a name themselves. She argues that
parents must have equal rights in choosing the surname for their children.
Under the new rules, in case of a conflict between the parents, the child
will automatically obtain the father’s surname. As, for the purpose of
passing on her surname to her children, a mother’s right to choose is
therefore restricted by the father’s power of veto, the new rules are also
contrary to Article 14 of the Convention in conjunction with Article 8 in
that it constitutes discrimination on the mere grounds of sex without any
objective justification;

PROCEDURE
The application was introduced on 23 March 1998 and registered on 26 August
1998.

On 1 November 1998, by operation of Article 5 2 of Protocol No. 11 to the
Convention, the case fell to be examined by the Court in accordance with the
provisions of that Protocol.

THE LAW
The applicant complains that both the former Dutch rules on surnames as well
as the new rules in force as from 1 January 1998 are contrary to Article 8 of
the Convention, both taken alone and in conjunction with Article 14 of the
Convention. She further relies on Article 26 of the International Covenant on
Civil and Political Rights and Articles 2 and 16 of the Convention on the
Elimination of All Forms of Discrimination against Women.

1.The Court observes in the first place that, under the terms of Article 19
of the Convention, it is not competent to examine the applicant’s complaints
under the International Covenant on Civil and Political Rights and the
Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women.

2.Secondly, the Court notes that the relevant domestic rules have changed on
1 January 1998, that these new rules included a transitory regime for
children born before 1 January 1998 which regime was applicable to the
applicant’s children, and that, in the instant case, the Administrative Law
Division has had regard to these new rules in its decision of 25 September
1997. In this situation, the Court is of the opinion that it is not necessary
to examine the compatibility of the former rules with Articles 8 and 14 of
the Convention, but will limit its examination to the question whether or not
the rules currently in force are in conformity with these two provisions of
the Convention.

Article 8 of the Convention reads as follows:

‘1.Everyone has the right to respect for his private and family life, his
home and his correspondence.

2.There shall be no interference by a public authority with the exercise of
this right except such as is in accordance with the law and is necessary in a
democratic society in the interests of national security, public safety or
the economic well-being of the country, for the prevention of disorder or
crime, for the protection of health or morals, or for the protection of the
rights and freedoms of others.’

Article 14 of the Convention provides:

‘The enjoyment of the rights and freedoms set forth in this Convention shall
be secured without discrimination on any ground such as sex, race, colour,
language, religion, political or other opinion, national or social origin,
association with a national minority, property, birth or other status.’

3.The Court recalls that, although Article 8 of the Convention does not
contain any explicit reference to names, a person’s name does concern his or
her private and family life as it constitutes a means of personal
identification and a link to a family (cf. Stjerna v. Finland judgment of 25
November 1994, Series A no. 299-B, p. 60, 37; and Guillot v. France
judgment of 24 October 1996, Reports of Judgments and Decisions 1996-V, p.
1602, 21).

The refusal of the Netherlands authorities to grant the applicant’s request
cannot, in the view of the Court, necessarily be regarded as an interference
in the exercise of the applicant’s right to respect for her family and
private life (cf. Stjerna v. Finland judgment, loc. cit., 38).

However, the Court reiterates that the essential object of Article 8 of the
Convention is to protect the individual against arbitrary action by the
public authorities. There may in addition be positive obligations inherent in
effective ‘respect’ for private and family life. However, the boundaries
between the State’s positive and negative obligations under this provision do
not lend themselves to precise definition. The applicable principles are,
nonetheless, similar. In both contexts regard must be had to the fair balance
that has to be struck between the competing interests of the individual and
of the community as a whole; and in both contexts the State enjoys a certain
margin of appreciation (cf. Kroon and Others v. the Netherlands judgment of
27 October 1994, Series A no. 297-C, p. 56, 31; and X, Y and Z v. the
United Kingdom judgment of 22 April 1997, p. 631, 41).

The present case raises the question whether the Netherlands authorities were
under a duty to grant the applicant’s request to change the surname of her
daughter. The Court will, therefore, view the case as one involving an
allegation of failure on the part of the respondent State to comply with a
positive obligation.

The Court recalls that legal restrictions on the possibility of changing
surnames may be justified in the public interest, that Contracting States
enjoy a wide margin of appreciation in this legal area and that it is not the
task of the Court to substitute itself for the competent domestic authorities
in determining the most appropriate policy for regulating changes of surnames
in a particular Contracting State, but rather to review under the Convention
the decisions that those authorities have taken in the exercise of their
power of appreciation (Stjerna v. Finland judgment, loc. cit., p. 61, 39).

The Court notes that the applicant’s request at issue only concerned her
daughter. No request was made to alter the surname of her two sons. The Court
further notes that, both under the former and current rules on surnames in
the Netherlands, the applicant’s request was bound to fail in that the
requirements under these rules for changing a surname were not met. It
further notes that, in reply to the applicant’s argument under Article 8 of
the Convention, the Administrative Law Division held that the applicant’s
personal interest, i.e. the continuation of her family name through her
daughter, was outweighed by the general interest in preserving the stability
required in the legal rules governing names.

Noting the current possibilities under Dutch law for parents to choose
whether their children will bear either the surname of the father or of the
mother and recalling the Contracting States’ wide margin of appreciation in
this legal area, the Court cannot find, in the particular circumstances of
the present case, that the refusal of the applicant’s request to give a
different surname to her daughter than the surname given to her sons
constituted a lack of respect for her private and family life within the
meaning of Article 8 of the Convention.

It follows that this part of the application must be rejected as being
manifestly ill-founded within the meaning of Article 35 3 of the
Convention.

4.As regards the applicant’s complaint under Article 14 in conjunction with
Article 8 of the Convention, the Court recalls that Article 14 affords
protection against discrimination in the enjoyment of the rights and freedoms
safeguarded by the other substantive provisions of the Convention. For the
purposes of Article 14 of the Convention, a difference in treatment is
discriminatory if it has no objective or reasonable justification, that is,
if it does not pursue a legitimate aim or if there is not a reasonable
relationship of proportionality between the means employed and the aim sought
to be realised. The Contracting States enjoy a certain margin of appreciation
in assessing whether and to what extent differences in otherwise similar
situations justify a different treatment in law (cf. Stjerna v. Finland
judgment, loc. cit., p. 63, 48).

The Court further reiterates that the advancement of the equality of the
sexes is today a major goal in the member States of the Council of Europe.
This means that very weighty reasons would have to be put forward before a
difference in treatment on the sole ground of sex could be regarded as
compatible with the Convention (cf. Burghartz v. Switzerland judgment of 22
February 1994, Series A no. 280-B, p. 29, 27).

The Court notes that the applicant’s request was rejected as the relevant
rules did not provide for the possibility sought by the applicant, i.e. to
solely change the surname of her daughter. Noting that it has not been argued
and that it has not appeared that any requests to this effect made by others
have in fact been granted, the Court fails to see in what manner the
applicant received a different treatment from others.

As to the question whether the rules currently in force entail a difference
in treatment based on sex, the Court observes that these rules left the
starting point that children of married parents and children whose paternity
has been recognised by the father automatically bear the surname of the
father. After the amendment of the rules on surnames, parents may choose
which of their respective surnames will be given to their children, albeit
with the restriction that all of their children will bear the same surname.
The children of married parents will automatically bear the surname of their
father. They can, however, obtain the mother’s surname where the parents have
made a joint declaration to this effect. Furthermore, this rule applies to
both male and female children. Therefore, the Court finds no indication of a
difference in treatment based on sex in their respect.

As regards the position of the parents on this point, it is true that the
possibility to pass on the mother’s surname to children of a married couple
is made subject to the making of a joint declaration of the parents and that,
in case the parents disagree on this point, the rule that children
automatically bear the father’s surname applies. There is therefore a
difference in treatment between men and women in that the possibility to pass
on a mother’s surname is made dependent on an explicit agreement between both
parents, whereas the possibility to pass on the father’s surname is not based
on such an agreement.

The question therefore arises whether there is an objective or reasonable
justification for this difference in treatment. It appears from the decision
of the Administrative Law Division that the legitimate aim pursued is to
achieve that all children having the same parents bear the same surname. The
Court observes that the automatic rule at issue only applies where parents
have not made a joint formal declaration as to their children’s surname and
that it appears that this automatic rule is based on the rules in force until
1 January 1998.

Recalling the margin of appreciation of Contracting States as to the
assessment whether and to what extent differences in otherwise similar
situations justify a difference in treatment, the Court accepts that a
Contracting State may regard as undesirable a situation in which the surname
of a child would remain undetermined until both parents have reached an
agreement on this point and, in order to prevent such a situation, establish
an automatic rule which applies in the absence of such an agreement. It
therefore considers that, as to the difference in treatment complained of in
the present case, there is a reasonable relationship of proportionality
between the means employed and the aim sought to be realised.

It follows that this part of the application must also be rejected as being
manifestly ill-founded within the meaning of Article 35 3 of the
Convention.

For these reasons, the Court, unanimously,

DECLARES THE APPLICATION INADMISSIBLE.

Noot

Na bovenstaande beschikking van het Europese Hof hebben de ouders het verzoek
gedaan om alle vier de kinderen de geslachtsnaam van de moeder te laten
verkrijgen. De mogelijkheid hiertoe door middel van het afleggen van een
gezamenlijke verklaring bestond tot 1 januari 2000 (Overgangsbepalingen van
de Wet van 10 april 1997, Stb. 1997,161). De Rechtbank Den Haag, aan wie het
verzoek wordt voorgelegd, overweegt dat in het onderhavige geval de
overgangstermijn van twee jaar niet te strikt dient te worden toegepast, en
ontvangt de ouders in hun verzoek. Vervolgens gelast de rechtbank de
ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van naamskeuze op te maken
waarmee alle vier de kinderen de naam van hun moeder verkrijgen (Rechtbank
Den Haag 5 maart 2001, rekestnummer 00-5418, zaaknummer 145713).
In de zaak voor het Europese Hof is ook de vraag aan de orde geweest of het
Nederlandse naamrecht, waarin de kinderen van getrouwde ouders de naam van de
vader krijgen bij het ontbreken van een gemeenschappelijke keuze voor de naam
van de moeder, ongelijke behandeling op basis van geslacht oplevert. Voor wat
betreft de kinderen is de behandeling van jongens en meisjes gelijk, en is er
geen sprake van ongelijke behandeling. Ten aanzien van de ouders is er wel
sprake van ongelijke behandeling van mannen en vrouwen. Het Hof oordeelt
vervolgens dat dit onderscheid gerechtvaardigd is, omdat het een redelijke en
proportionele oplossing is om de ongewenste situatie dat een naam onbepaald
blijft, te voorkomen.
Opvallend is dat in het landencommentaar over Nederland het toezichthoudend
comité van het VN-Vrouwenverdrag (CEDAW) onomwonden oordeelt dat deze
regeling in het Nederlands naamrecht in strijd is met het Vrouwenverdrag.
Gesteld wordt dat de regering het naamrecht dient te herzien, en in
overeenstemming moet brengen met het Vrouwenverdrag.
Het laatste woord over het naamrecht is met de beslissing van het Europese
Hof dan ook nog niet gesproken.

Margreet de Boer

Rechters

Mrs. Palm, Casadevall, Ferrari Bravo, Bîrsan, Zupančič,Thomassen, Panţîru