Instantie: Rechtbank Arnhem, 16 maart 2000

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Eiseres en haar echtgenoot zijn verhuisd in verband met aanvaarding door de
echtgenoot van een baan elders. Eiseres heeft haar dienstverband opgezegd en
een uitkering op grond van het Bwoo aangevraagd. Verweerder heeft deze
geweigerd omdat er sprake zou zijn van verwijtbare werkloosheid. De rechtbank
stelt vast dat art. 10 Bwoo qua tekst en strekking (nagenoeg) gelijk is aan
art. 24 WW. De CRvB heeft bepaald dat het Bwoo ook analoog moet worden
uitgelegd. Dit betekent dat van belang is de wetsgeschiedenis bij de Wet
boeten. Daarbij heeft de wetgever aangegeven dat een ontslagname als gevolg
van een onvermijdelijke verhuizing waarbij heen en weer reizen redelijkerwijs
niet tot de mogelijkheden behoort, niet leidt tot verwijtbare werkloosheid.
Eiseres voldoet aan beide eisen en is derhalve niet verwijtbaar werkloos.
Eventueel kan er sprake zijn van het onvoldoende trachten arbeid te vinden
als niet actief wordt gesolliciteerd, doch dit is een andere bepaling welke
in casu niet aan de orde is.

Volledige tekst

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder van 8 augustus 1997.

2. FEITEN EN PROCESVERLOOP

Bij besluit van 23 april 1997 heeft verweerder aan eiseres, naar aanleiding
van haar verzoek om een werkloosheidsuitkering, een recht op uitkering
toegekend ingevolge het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
(Bwoo). Tegelijkertijd heeft verweerder met toepassing van artikel 13, lid 1,
van het Bwoo besloten de aan eiseres toegekende uitkering wegens verwijtbare
werkloosheid bij wijze van sanctie blijvend geheel te weigeren.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 mei 1997 een bezwaarschrift
ingediend.
Eiseres heeft haar bezwaar toegelicht in een hoorzitting van 6 augustus 1997.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaarschrift
ongegrond verklaard. Door eiseres is tegen dit besluit beroep ingesteld op de
in het beroepschrift en aanvullend beroepschrift geformuleerde en hier als
herhaald te beschouwen gronden.

Verweerder heeft op 10 december 1997 een verweerschrift ingediend, waarvan de
inhoud hier eveneens als herhaald wordt beschouwd.

Naar de overige in geding gebrachte – aan partijen bekende – stukken wordt
hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep tegen het bestreden besluit is behandeld ter zitting van 18
februari 2000, waar eiseres in persoon is verschenen. Namens verweerder is
verschenen de heer D. de Jong, werkzaam bij de stichting USZO te Groningen.

3. OVERWEGINGEN

Eiseres, destijds wonende te Groningen, was sedert 14 september 1987
gedurende 38 klokuren per week werkzaam als docent aan de […]hogeschool te
[plaats school].

De echtgenoot van eiseres was destijds werkzaam als kandidaat-notaris in
[provincie], maar heeft teneinde zijn positie te verbeteren een baan bij een
notariskantoor in [standplaats] geaccepteerd, alwaar hij per 1 januari 1997
in dienst is getreden als kandidaat-notaris.

Vanaf 24 december 1996 is eiseres gaan wonen in [standplaats].

Eiseres heeft haar werkgever verzocht het dienstverband per 1 maart 1997 te
beëindigen, gezien het feit dat haar echtgenoot een baan had gekregen in
[standplaats] en het voor haar niet mogelijk was haar baan te continueren in
verband met de te lange reistijd tussen [standplaats] en [plaats school].

Op 25 februari 1997 heeft eiseres via een daartoe bestemd formulier bij
verweerder een aanvraag voor een werkloosheidsuitkering ingediend. Verweerder
heeft hierop de in rubriek 1 vermelde besluit genomen.

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit de rechterlijke toetsing kan toestaan.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van verwijtbare
werkloosheid in de zin van artikel 10, lid 1 aanhef en onder a, jo. artikel
10, lid 2 aanhef en onder b, van het Bwoo. Verweerder is van mening, kort
gezegd, dat eiseres door haar ontslagname verwijtbaar werkloos is geworden,
aangezien geen sprake was van dreigende werkloosheid van de echtgenoot van
eiseres, maar van een bewuste keuze en een in vrijheid genomen beslissing van
eiseres en haar echtgenoot tezamen. Met het oog hierop heeft verweerder met
toepassing van artikel 7, lid 1 aanhef en onder e, van de Regeling
maatregelen sector Onderwijs en Wetenschappen van 24 december 1996 (verder:
de Regeling) de uitkering blijvend geheel geweigerd.

De grieven van eiseres richten zich tegen dit oordeel. Zij is – onder
verwijzing naar de wetsgeschiedenis met betrekking tot de Wet boeten,
maatregelen, terug en invordering, Stb. 1996, 248 – van mening, kort gezegd,
dat verweerder een onjuiste interpretatie geeft van het begrip verwijtbare
werkloosheid.

De rechtbank gaat uit van de bepalingen van het Bwoo, zoals dit besluit
luidde ten tijde hier van belang en overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 10, lid 1 aanhef en onder a, Bwoo voorkomt de betrokkene
dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder
b, van dit artikel is de betrokkene verwijtbaar werkloos geworden, indien hij
ontslag heeft genomen zonder dat aan de voortzetting van zijn betrekking voor
hem zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs
niet van hem zou kunnen worden gevergd.

Ingevolge artikel 13, lid 1, Bwoo is, indien de betrokkene een verplichting,
hem op grond van de artikelen 10, 11 en 12 opgelegd, niet nakomt, het
uitvoeringsorgaan bevoegd de uitkering blijvend geheel te weigeren, tijdelijk
of blijvend gedeeltelijk te weigeren of de uitkeringsduur te beperken.
Ingevolge lid 4 van dit artikel kan de minister nadere regels stellen over de
wijze waarop het uitvoeringsorgaan van haar bevoegdheid, genoemd in het
eerste en tweede lid, gebruik maakt.

Ingevolge artikel 7, lid 1 aanhef en onder e, van de krachtens het hiervoor
genoemde artikel 13, lid 4, Bwoo vastgestelde Regeling, bedragen de hoogte en
de duur van de maatregel bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting opgenomen in de vijfde categorie, ten 7e, van de bijlage van de
Regeling blijvend gehele weigering van de uitkering, tenzij het niet nakomen
van de verplichting de betrokkene niet in overwegende mate kan worden
verweten, in welk geval een verlaging van het uitkeringspercentage wordt
toegepast tot 35% gedurende 26 weken. In bedoelde bijlage is in de vijfde
categorie, ten 7e, opgenomen, voor zover hier van belang, dat de betrokkene
voorkomt dat een verplichting hem opgelegd op grond van artikel 10, eerste
lid onderdeel a, van het Bwoo niet wordt nagekomen.

De toepasselijke regels komen er samengevat op neer dat bij volledig
verwijtbare werkloosheid een maatregel van blijvend gehele weigering van de
uitkering wordt opgelegd.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of in de
gegeven situatie gesproken moet worden van verwijtbare werkloosheid in de zin
van artikel 10 van het Bwoo.

De rechtbank stelt vast dat artikel 10 Bwoo, voor zover te dezen van belang,
qua tekst en strekking (nagenoeg) overeenkomt met artikel 24 van de
Werkloosheidswet (WW), zoals die wet luidde ten tijde hier van belang. Uit de
jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan worden afgeleid
dat, indien en voor zover de in het Bwoo gehanteerde begrippen overeenkomen
met de begrippen, zoals die ook in de WW voorkomen, het alleszins in de rede
ligt dat voor uitleg van die begrippen aansluiting wordt gezocht bij de
jurisprudentie van de WW. De rechtbank verwijst in dit verband naar de
uitspraak van de CRvB van 19 oktober 1999 (USZ 1999,318).

Uit de wetsgeschiedenis van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering
(Wet bmti, TK 1994-1995, 23909, blz. 14-15) volgt dat de wetgever zich
uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat een ontslagname als gevolg
van een onvermijdelijke verhuizing en waarbij heen en weer reizen
redelijkerwijs niet tot de mogelijkheden behoort, niet leidt tot verwijtbare
werkloosheid. Hierbij is, anders dan op grond van de toenmalige
jurisprudentie, niet meer relevant of de werknemer zowel in voldoende mate
als zo tijdig mogelijk vóór de verhuizing moeite heeft gedaan om aansluitend
ander werk te vinden in de nieuwe woonplaats. Indien zulks niet het geval is
zal een maatregel kunnen worden getroffen op grond van het in onvoldoende
mate trachten arbeid te verkrijgen, zoals bedoeld in artikel 24, eerste lid
onder b sub 1, WW.

Uit het vorenstaande volgt dat sedert de inwerkingtreding van de Wet bmti een
werknemer, die ontslag heeft genomen als gevolg van een noodzakelijke
verhuizing en de onmogelijkheid heen en weer te reizen tussen zijn nieuwe
woonplaats en de plaats van tewerkstelling, uit een oogpunt van toepassing
van de WW niet langer verwijtbaar werkloos wordt geacht.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres aan genoemde twee voorwaarden
voor deze zogeheten verhuiswerkloosheid voldoet. De rechtbank acht gelet op
het hiervoor overwogene geen grond aanwezig in het geval van eiseres, als
betrokkene in de zin van het Bwoo, aan het begrip verwijtbare werkloosheid
een andere uitleg te geven dan die welke daaraan thans krachtens de WW
rechtens toekomt. Zulks geldt te minder nu uit de publicatie van de Regeling
(“Uitleg” nr. 2 van 15 januari 1997) blijkt dat met de Regeling beoogd is het
sanctieregime van het Bwoo in overeenstemming te brengen met dat van de WW.

De rechtbank kan ten slotte verweerder niet volgen in zijn standpunt, voor
zover daarbij een onderscheid in uitkeringsregimes tussen de marktsector en
de (ambtelijke) onderwijssector gerechtvaardigd wordt geacht. Weliswaar is
niet onjuist dat de diverse ambtelijke rechtspositieregelingen hun eigen
gelding, toepassingsgebied en reikwijdte hebben, en in zoverre niet met
sociale verzekeringswetten op één lijn te stellen zijn, maar ten aanzien van
het Bwoo moet nu juist worden vastgesteld dat de besluitgever uitdrukkelijk
bij die wetten – en bij krachtens die wetten getroffen regelingen –
aansluiting heeft willen zoeken. Voor het door verweerder bepleite
onderscheid tussen werkloos geworden onderwijsgevenden en overige werkloze
werknemers is op grond van de thans relevante wet- en regelgeving dan ook
geen deugdelijke grond meer aanwezig.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit op een onjuiste
wettelijke grondslag berust. Verweerder zal een nieuw besluit op het
bezwaarschrift van eiseres dienen te nemen met inachtneming van deze
uitspraak. In dit verband dient nog te worden opgemerkt dat verweerder ter
zitting heeft erkend dat eiseres inmiddels blijk heeft gegeven in voldoende
mate te hebben gesolliciteerd, zodat hetgeen dienaangaande in het bestreden
besluit is overwogen kennelijk niet langer staande wordt gehouden.

De rechtbank acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verweerder te veroordelen in de door
eiseres gemaakte (reis)kosten tot een bedrag van ƒ 67,50. Van andere voor
vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het door eiseres ingediende
bezwaarschrift met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van ƒ
67,50 ter zake van reiskosten, te betalen door de Staat der Nederlanden;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiseres gestorte griffierecht
van ƒ 210 vergoedt.

Rechters

Mr. De Vries

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 14 maart 2000

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De ouders van het kind, dat jonger is dan vijf jaar, hebben ervoor gekozen
om de zorgtaak volledig bij de vrouw te leggen. De gemeente meent dat beide
ouders desalniettemin een arbeidsverplichting hebben. Indien de vrouw erin
slaagt werk te vinden, betekent dat dat de zorgtaak op dat moment op de
man komt te rusten, aldus de gemeente. De rechtbank overweegt dat het aan
de ouders zelf is om in onderling overleg de rolverdeling met betrekking
tot de zorgtaak te verdelen. Het staat hen vrij ervoor te kiezen één van
hen met de volledige zorgraak te belasten. In dat geval zal de ander volledig
beschikbaar dienen te zijn voor de arbeidsmarkt. In het onderhavige geval
geldt de arbeidsverplichting derhalve niet voor de vrouw. De CrvB bevestigt
de uitspraak en overweegt dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever
is geweest dat in het kader van de uitvoering van de Abw de ouder die een
kind jonger dan vijf jaar verzorgt, de volstrekte zekerheid wordt geboden
dat geen arbeidsverplichting wordt opgelegd als de betrokken ouder zelf
geen mogelijkheden ziet om die te combineren met de verzorgende taak.

Volledige tekst

I. INLEIDING

Gedaagde heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Middelburg
op 2 november 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.

Mr F.A. van den Berg, werkzaam bij het Buro voor Rechts-hulp Zeeland, heeft
namens verzoekers een verweerschrift ingediend en tevens verzocht om toepassing
van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Gedaagde heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting op 7 maart 2000, waar voor verzoekers
is verschenen mr Van den Berg voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door R.J. de Boer, werkzaam bij de gemeente Oostburg.

II. MOTIVERING

Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in
verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak
van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in
artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van
de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde
spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel
8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat
de president van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader
onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak,
onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De president is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting
nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van
de zaak en acht termen aanwezig om in hoofdzaak onmiddellijk uitspraak
te doen.

Aan de aangevallen uitspraak – waarin verzoekers als eisers zijn aangeduid
en gedaagde als verweerder – ontleent de president de volgende feiten en
omstandigheden:
‘Bij besluit van 7 januari 1998 is aan eisers met ingang van 12 november
1997 -na een korte onderbreking- een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet
(Abw) toegekend, waarbij een korting van 20% over twee maanden is toegepast
onder de overweging dat eisers in de laatste 11 maanden wederom niet aantoonbaar
hebben gesolliciteerd.
Bij besluit van 7 april 1998 heeft verweerder opnieuw een sanctie toegepast
in de vorm van een korting van 20% over de periode van 1 maart 1998 tot
en met 30 juni 1998 omdat eisers volharden in hun houding om nauwelijks
of geen werk in loondienst te zoeken.
Bij besluit van 30 juni 1998 heeft verweerder eisers een sanctie opgelegd
in de vorm van een korting van 95% over de maanden juli en augustus 1998.
Tegen laatstgenoemd besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend.
Naar aanleiding van het bezwaar heeft op 24 september 1998 een hoorzitting
plaatsgevonden.
Verweerder heeft bij besluit van 12 oktober 1998, verzonden 10 november
1998, het bezwaar ongegrond verklaard.
Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank (reg.nr. Awb
98/691).
Bij besluit van 1 februari 1999 heeft verweerder besloten de uitkering
van eisers over de maanden januari en februari 1999 te verlagen met 10%.
Tegen dit besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend, gedateerd
12 februari 1999.
Tevens hebben eisers de president van deze rechtbank verzocht een voorlopige
voorziening te treffen. Bij uitspraak van 26 februari 1999 heeft de president
dit verzoek toegewezen en verweerders besluit van 1 februari 1999 geschorst.
Bij schrijven van 2 juni 1999, ingekomen bij de rechtbank op 7 juni 1999,
hebben eisers beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig beslissen
op het bezwaar van 12 februari 1999 (reg.nr. Awb 99/315).’.

De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, het besluit van 12 oktober
1998 en het (met een besluit gelijk te stellen) niet tijdig nemen van een
besluit op het bezwaar van 12 februari 1999 vernietigd, gedaagde opgedragen
om besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak en
beslissingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht. Zij heeft daartoe
het volgende overwogen:
‘Ingevolge artikel 113, eerste lid, van de Abw gelden voor de belanghebbende
die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid
in dienstbetrekking een aantal verplichtingen, waaronder de verplichting
naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen.
Blijkens artikel 107, tweede lid, van de Abw gelden bovengenoemde verplichtingen
niet voor de ouder met een volledig verzorgende taak voor een of meer ten
laste komende kinderen jonger dan vijf jaar.
Ingevolge artikel 107, derde lid, van de Abw geldt ten aanzien van een
ouder met een gedeeltelijk verzorgende taak of gehuwden die de verzorgende
taak gezamenlijk uitoefenen, dat de verplichtingen bedoeld in artikel 113,
eerste lid aan die ouder onderscheidenlijk die ouders worden opgelegd met
dien verstande dat deze onderscheidenlijk ieder van beiden voor de helft
van de geldende volledige arbeidstijd per week beschikbaar moet zijn voor
inschakeling in de arbeid.
Verweerder heeft zijn besluit van 12 oktober 1998 gegrond op de overweging
dat eisers blijven volharden in het niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt,
danwel niet adequaat solliciteren naar arbeid in loondienst. Daarbij stelt
verweerder dat, terwijl beiden een arbeidsverplichting hebben, eiseres
niet als werkzoekende staat ingeschreven bij het Arbeidsbureau. Ook zou
in juni 1998 opnieuw zijn geconstateerd dat de sollicitatie-activiteiten
beneden peil waren. Het besluit van 1 februari 1999 is onder meer gebaseerd
op het verwijt dat eiseres haar inschrijving bij het Arbeidsbureau per
1 december 1998 heeft laten verlopen en zich pas weer op 22 januari 1999
heeft laten inschrijven en dat zij niet heeft gesolliciteerd terwijl zij
daartoe verplicht was.
Van het gezin van eisers maakt onder meer deel uit een kind jonger dan
5 jaar, te weten D., geboren in 1998.
Vast staat voorts dat eisers te kennen hebben gegeven dat de volledige
verzorgende taak voor dat kind door eiseres wordt gedragen.
Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat het uitgangspunt van
de Abw is het bieden van een bestaansgarantie en dat het streven van beide
eisers er op moet zijn gericht om uit te stromen. Dit brengt volgens verweerder
met zich mee dat van hen een ruime opstelling ten opzichte van de zorgplicht
mag worden verlangd. Beiden hebben een arbeidsverplichting. Indien een
van hen slaagt in het vinden van arbeid, betekent dat dat op dat moment
de volledige verzorgende taak voor het kind als bedoeld in artikel 107,
tweede lid, van de Abw op de ander komt te rusten. Onwil van de man kan
geen reden zijn om af te zien van het opleggen van de arbeidsverplichting
aan de vrouw. Zulks geldt volgens verweerder temeer nu de kansen van eisers
op de arbeidsmarkt gering zijn en de enige reële optie om uit de bijstand
te geraken moet worden gezocht bij eiseres.
Eisers hebben aangevoerd dat gelet op artikel 107 van de Abw voor eiseres
de verplichtingen op grond van artikel 113, eerste lid, niet gelden, aangezien
zij de volledige zorg heeft voor een kind jonger dan 5 jaar. Verder hebben
zij aangevoerd dat eiser sinds 14 april 1998 volledig arbeidsongeschikt
is als gevolg van een ernstig ongeval.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het systeem van artikel 107 van de Abw houdt in dat indien een van de ouders
de volledige verzorgende taak heeft voor een kind jonger dan 5 jaar, die
ouder volledig is vrijgesteld van de uit het eerste lid van artikel 113
van de Abw voortvloeiende verplichtingen en dat deze voor de andere ouder
volledig gelden, terwijl indien sprake is van het gezamenlijk uitoefenen
van de verzorgende taak die verplichtingen voor ieder van beiden voor de
helft van de volledige arbeidstijd per week gelden.
Blijkens de wetsgeschiedenis is de wetgever er daarbij vanuit gegaan dat
het aan de ouders zelf is om in onderling overleg de rolverdeling met betrekking
tot de verzorgende taak te bepalen. Het staat hen daarbij vrij ervoor te
kiezen één van hen met de volledige verzorgende taak te belasten. In dat
geval zal de ander volledig beschikbaar dienen te zijn voor de arbeidsmarkt
om, in geval de ouders ervoor kiezen de verzorgende taak gezamenlijk uit
te oefenen, te waarborgen dat een reële kans op uitstroom uit de bijstand
blijft bestaan, is in het derde lid van artikel 107 bepaald dat in dat
geval ieder van beiden voor de helft van de tijd beschikbaar moet zijn
voor inschakeling in arbeid.
Het voorgaande brengt met zich mee dat in onderhavig geval de verplichtingen
bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw voor eiseres niet gelden.
Eisers hebben er immers voor gekozen dat eiseres de volledig verzorgende
taak voor D. draagt. Verweerder heeft dus ten onrechte aangenomen dat ook
voor haar de arbeidsverplichting gold en zijn besluitvorming ten onrechte
(mede) gegrond op het door eiseres niet voldoen aan die verplichting. Reeds
wegens strijd met de wet kan verweerders besluit van 12 oktober 1998 daarom
niet in stand blijven. Het beroep tegen het besluit van 12 oktober 1998
is dus gegrond.
Overigens kan in verband met dit besluit nog worden opgemerkt dat uit het
dossier niet blijkt van enig onderzoek naar sollicitatie-activiteiten van
eiser in de bewuste periode, terwijl in diezelfde periode kennelijk bovendien
sprake is geweest van een hem overkomen ernstig ongeval.
Met betrekking tot het beroep van eisers tegen het niet tijdig beslissen
op het bezwaar van 12 februari 1999 overweegt de rechtbank dat vast staat
dat verweerder ook thans nog niet op dat bezwaar heeft beslist. De overschrijding
van de beslistermijn van artikel 7:10, eerste lid van de Awb is daarom
een feit, hetgeen verweerder ook erkent.
Verweerder heeft in dit verband nog aangegeven dat de uitkomst van het
beroep tegen het besluit van 12 oktober 1998 mede bepalend is voor de op
bedoeld bezwaar te nemen beslissing en dat daarom is besloten die procedure
af te wachten. Gelet op de uitdrukkelijke bepaling van artikel 7:10, eerste
lid, van de Awb stond het verweerder echter niet vrij zo te handelen. Verder
uitstel dan mogelijk op grond van het derde lid van dit artikel was gelet
op het vierde lid slechts mogelijk met uitdrukkelijke toestemming van eisers.
Ook het beroep tegen de (fictieve) weigering van verweerder te beslissen
op het bezwaar is daarom gegrond.’.

Het hoger beroep van gedaagde is beperkt tot hetgeen de rechtbank heeft
overwogen en beslist met betrekking tot het besluit van 12 oktober 1998.
Gedaagde heeft in het aanvullend beroepschrift tegen deze uitspraak het
oordeel van de rechtbank bestreden dat voor verzoekster A.-B. niet de verplichtingen
golden als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw. Gedaagde heeft
echter niet voldaan aan de opdracht om een nieuw besluit te nemen op het
bezwaar tegen het besluit van 30 juni 1998. Wel is alsnog een reëel besluit
op bezwaar genomen tegen het besluit van 1 februari 1999. Naar de gemachtigde
van verzoekers ter zitting heeft meegedeeld is tegen dat laatste besluit
op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.

De president merkt allereerst op dat aan het instellen van hoger beroep
tegen de aangevallen uitspraak geen schorsende werking is verbonden. Het
stond gedaagde niet vrij om met voorbijgaan aan de overwegingen in die
uitspraak zonder meer aan het in het besluit van 30 juni 1998 neergelegde
oorspronkelijke standpunt vast te blijven houden totdat op het hoger beroep
is beslist. Uit de door de rechtbank gegeven opdracht om met inachtneming
van haar uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van
30 juni 1998 te nemen vloeide, gelet op het bepaalde in artikel 19 van
de Beroepswet en de daarbij behorende bijlage, voort dat gedaagde daaraan
gevolg had behoren te geven ook al heeft hij tegen die uitspraak bij de
Raad hoger beroep ingesteld. Indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken
belangen, dat in gedaagdes visie nodig zou hebben gemaakt, had het op de
weg van gedaagde gelegen om de president van de Raad te verzoeken om met
toepassing van artikel 8:81 van de Awb de werking van de aangevallen uitspraak
voorzover aangevochten op te schorten totdat op het hoger beroep is beslist.

Met betrekking tot het in hoger beroep aan de orde zijnde materiële geschilpunt
of voor verzoekster A.-B. de verplichtingen golden als bedoeld in artikel
113, eerste lid, van de Abw deelt de president het standpunt van haar gemachtigde
dat dit niet meer het geval is vanaf (…) 1998, de dag waarop zij beviel
van haar jongste dochter en de verzorging van die dochter op zich nam.
De president verwijst daartoe naar de overwegingen van de rechtbank waarmee
hij zich kan verenigen. De tekst en de geschiedenis van de totstandkoming
van artikel 107, tweede lid, van de Abw laten er geen twijfel over bestaan
dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest om in het
kader van de uitvoering van de Abw de ouder die een kind jonger dan 5 jaar
verzorgt, de volstrekte zekerheid te bieden dat geen arbeidsverplichtingen
worden opgelegd als de betrokken ouder zelf geen mogelijkheden ziet om
dat te combineren met de verzorgende taak (TK 1994-1995, 22545 nr. 21,
blz. 32).
In het licht hiervan kan hetgeen gedaagde ter zake naar voren heeft gebracht
de president niet tot een ander oordeel leiden.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten
voor bevestiging in aanmerking komt.
Gedaagde zal binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak
een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met betrekking tot de bestreden
verlaging van de Abw-uitkering van verzoekers over de maanden juli en augustus
1998 met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen.

Aangaande het verzoek om schadevergoeding is de president van oordeel dat
dit verzoek thans niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat hij, in
aanmerking nemend dat het besluit van 12 oktober 1998 mede ziet op onvoldoende
sollicitatie-activiteiten van verzoeker A. nog onvoldoende inzicht heeft
in de vraag welke omvang de gevorderde renteschade zal hebben. Wel zal
gedaagde bij de voorbereiding van het hierna op te dragen besluit tevens
aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om
schade in de vorm van wettelijke rente te vergoeden.

Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei
voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de president ten slotte
termen aanwezig. Deze kosten worden begroot op ƒ 1.420.

III. BESLISSING

De president van de Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak binnen vier weken
na de dag van verzending een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift
tegen het besluit van 30 juni 1998;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoekers in hoger beroep
tot een bedrag groot ƒ 1.420, te betalen door de gemeente Oostburg;
Bepaalt dat van de gemeente Oostburg een recht van ƒ 675 wordt geheven;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
af;
Gelast de gemeente Oostburg aan verzoekers het gestorte recht van ƒ 170
te vergoeden.

Rechters

Mr. Van den Hurk

Instantie: Kantonrechter Rotterdam, 13 maart 2000

Instantie

Kantonrechter Rotterdam

Samenvatting


Eiseres, in dienst sinds 1 maart 1991, gaat op 26 april 1999 met zwangerschapsverlof.
Haar verlof eindigt op 15 augustus 1999. Enige tijd voor het einde van
het verlof meldt ze aan werkgever dat zij na 15 augustus doorlopend arbeidsongeschikt
zal blijven. Vervolgens blijkt dat de werkgever ontslag heeft aangevraagd
bij de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening. Deze aanvraag is
ingediend voordat eiseres werkgever op de hoogte heeft gesteld van haar
doorlopende arbeidsongeschiktheid. De ontslagvergunning wordt verleend
op 28 oktober, waarna de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt per 30
november 1999. De werkneemster protesteert en stelt dat de opzegging nietig
is wegens strijd met artikel 7:670 lid 1 BW nu deze opzegging is gedaan
tijdens ziekte. De werkgever beroept zich op de uitzondering van artikel
7:670 lid 1 onder b. De kantonrechter stelt de werkgever in het gelijk.
Afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling kan niet gelijk worden gesteld
aan arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst
mag worden opgezegd tijdens ziekte nu de ontslagvergunning is aangevraagd
voordat de ziekte een aanvang nam.

Volledige tekst

1. DE PROCESSTUKKEN EN DE LOOP VAN HET GEDING

De kantonrechter heeft partijen op 13 maart 2000 gehoord en kennis genomen
van de dagvaarding en een productie van M..

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

De vaststaande feiten blijken uit de partijen bekende beschikking ex artikel
685 BW van de kantenrechter te Rotterdam d.d 2 februari 2000.

3. DE VORDERING EN DE GRONDSLAG DAARVAN

De vordering van M. luidt -verkort weergegeven- om bij vonnis, uitvoerbaar
bij voorraad, bij wege van voorlopige voorziening P. te veroordelen tot
betaling-aan M. van loon over de periode van 1 december 1999 tot 15 februari
2000, met bijkomende vorderingen als in de dagvaarding nader aangeduid.

Aan deze vordering heeft M. naast de desbetreffende vaststaande feiten,
onder meer de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1. De opzegging van het dienstverband door P. tegen eind november 1999,
is strijdig met het bepaalde in artikel 7:670, lid 1, BW, aangezien M.
ten tijde van die opzegging -en ook daarvoor en daarna- wegens ziekte arbeidsongeschikt
was.

3.2. M. heeft zich weliswaar eerst ziekgemeld nadat de RDA het verzoek
van P. om toestemming als bedoeld in artikel 6 BBA had ontvangen doch reeds
voorafgaande aan dat moment was M. arbeidsongeschikt wegens zwangerschap
en bevalling. Arbeidsongeschiktheid wegens zwangerschap/bevalling is immers
een speciale vorm van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte.

4. HET VERWEER

P. heeft de vordering van M. gemotiveerd bestreden en geconcludeerd tot
afwijzing van die vordering.

5. DE BEOORDELING VAN DE VORDERING

Op grond van het bepaalde bij artikel 7:670, lid 1, Bw zou er in dit geval
sprake zijn van een vernietigbare opzegging door P. van de arbeidsovereenkomst
tussen partijen, ingeval op het moment dat de RDA het onderhavige verzoek
om toestemming ex artikel 6 BBA ontving, de arbeidsongeschiktheid wegens
ziekte van M. reeds een aanvang had genomen.

5.2. Gesteld noch gebleken is dat M. op dat moment andere (medische) beperkingen
ondervond dan de normale gevolgen van zwangerschap en bevalling. Evenmin
is in deze procedure door M. gesteld dat haar nadien intredende medische
beperkingen van andere aard een gevolg zijn van de bevalling of de daaraan
vooraf gaande zwangerschap. P. heeft wel gemotiveerd aangevoerd dat van
een dergelijk verband géén sprake is.

5.3. De vraag is dan of voor de toepassing van artikel 7:670, lid 1, aanhef
en onder b, BW, zwangerschap en bevalling -gedurende de daarvoor geldende
verlofperioden- moeten worden aangemerkt als arbeidsongeschiktheid wegens
ziekte. Voor de opvatting van M. dat die vraag ongeclausuleerd bevestigend
moet worden beantwoord is geen steun te vinden in de tekst van de toepasselijke
wettelijke bepalingen. Zowel artikel 7:629 BW (‘…door ziekte of door
zwangerschap of bevalling …’) als artikel 7:670 BW (lid 1.: arbeidsongeschiktheid
wegens ziekte; lid 2: zwangerschap en bevalling) geven veeleer aanleiding
om te oordelen dat de wetgever zwangerschap en bevalling zelfstandig beziet,
en derhalve niet als vormen van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte aanmerkt,
met alle algemene rechtsgevolgen van dien. Daarbij komt dat uit de wetsgeschiedenis
van het recente artikel 7:670, lid 2, BW volgt dat de wetgever ‘Het recht
op ontslagbescherming gedurende de in het eerste lid van artikel 29a van
de Ziektewet bedoelde periode’ niet afhankelijk heeft willen laten zijn
van ‘het bestaan van ongeschiktheid tot werken’ (Mvr 25 263, blz. 27-28),
hetgeen nadere steun geeft aan het oordeel dat zwangerschap en bevalling
in de visie van de wetgever in het kader van her ontslagrecht een eigen
-van ziekte te onderscheiden- karakter hebben.
De omstandigheid dat de aanspraken op uitkering wegens zwangerschap of
bevalling in de Ziektewet zijn geregeld, en als ziekengeld (artikel 19,
lid 2) zijn gekwalificeerd, doet aan het voorafgaande onvoldoende af.
Naar voorlopig oordeel zijn de onder 3. weergegeven grondslagen van de
vordering van M. ook overigens ondeugdelijk, om welke reden die vordering
wordt afgewezen.

6. DE BESLISSING

De kantonrechter te Rotterdam,
rechtdoende:
wijst de vordering af.

Rechters

Mr. Planque

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 3 maart 2000

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vader komt in beroep van een beschikking van de rechtbank, waarbij hem een
alimentatieverplichting is opgelegd ten behoeve van zijn twee minderjarige
kinderen. De vader is opnieuw gehuwd buiten iedere gemeenschap van goederen.
Zijn echtgenote heeft inkomsten uit een fruitteeltbedrijf. De vader heeft een
WAO-uitkering ten bedrage van 1.752 gulden netto en verricht gedurende
gemiddeld 10 uur per week onbetaald arbeid in het bedrijf van zijn vrouw. Hij
heeft een schuld van ongeveer 45.000 gulden.
Bij het bepalen van de draagkracht wordt de alleenstaandennorm toegepast,
omdat de echtgenote van de man in haar eigen onderhoud en dat van hun
kinderen voorziet. Er wordt rekening gehouden met bijzondere kinderaftrek van
109 gulden per kind per maand, waarop de vader aanspraak heeft als de
alimentatie wordt opgelegd. Voorts telt het hof 200 gulden bruto per week bij
in verband met het onbetaalde werk. De schuld wordt buiten beschouwing
gelaten omdat niet is komen vast te staan dat de vader op die schuld
afbetaalt. Het hof oordeelt dat de draagkracht van de vader een
alimentatieverplichting van 400 gulden per kind per maand toelaat, en
bekrachtigt de uitspraak van de rechtbank.

Volledige tekst

Procesverloop

De vader is op 12 november 1999 in hoger beroep gekomen van de beschikking
van de rechtbank te Middelburg van 15 september 1999, waarbij op verzoek van
de moeder is bepaald dat de vader aan haar ƒ 400 per kind per maand
kinderalimentatie dient te betalen voor de minderjarige kinderen van de
partijen:
M.C., geboren op 25 oktober 1984, en
J.M., geboren op 21 februari 1987.

De moeder heeft een verweerschrift ingediend.

Namens de vader zijn bij het hof brieven ingekomen, gedateerd op 15 november
1999, 15 december 1999 en 27 januari 2000.

Namens de moeder is bij het hof een brief ingekomen gedateerd 26 januari
2000.

Op 2 februari 2000 is de zaak mondeling behandeld. Ter zitting heeft de vader
producties overgelegd.

Vaststaande feiten

Het hof vermeldt bedragen in hele guldens.

1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt het hof op dat de
volgende feiten als niet of onvoldoende weersproken tussen de partijen
vaststaan.

2. Bij vonnis van 6 april 1988 heeft de rechtbank te Middelburg tussen de
partijen, met elkaar gehuwd op 28 februari 1984, de echtscheiding
uitgesproken, welk vonnis op 18 augustus 1988 is ingeschreven in de daartoe
bestemde registers.

3. Bij opvolgende beschikking van 10 mei 1988 heeft de rechtbank de moeder
benoemd tot voogdes en de vader benoemd tot toeziend voogd over voornoemde
minderjarigen. Kinderalimentatie heeft de moeder destijds niet gevraagd,
gelet op de hoge schuldenlast van de vader en diens faillissement.

4. In 1990 is het verzoek van de moeder om ten laste van de vader
kinderalimentatie te bepalen door de rechtbank Middelburg afgewezen bij
ontbreken van voldoende draagkracht.

5. In 1993 is door de gemeente, naar het hof aanneemt de gemeente T., bepaald
dat de vader geen verhaalsbijdrage is verschuldigd voor door de gemeente aan
de moeder verstrekte bijstand.

6. De minderjarigen verblijven bij de moeder. Zij hebben geen contact of
omgang met de vader.

Ten aanzien van de vader.

7. De vader ontvangt een WAO-uitkering op basis van een
arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80. Per maand bedraagt zijn netto
uitkering ƒ 1.752 (exclusief vakantietoeslag) volgens de specificatie van
juli 1999. Zijn uitkering wordt in januari en in juli van elk jaar
geïndexeerd. Hij is ziekenfondsverzekerde. Hij heeft eenmalig tegen betaling
een cursus gegeven aan portiers van discotheken.

8. De vader is buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw W.
W. en vormt met haar en hun twee minderjarige kinderen een gezin. De
echtgenote van de vader voorziet in haar eigen levensonderhoud door middel
van inkomsten uit een fruitteeltbedrijf. De vader verricht, met toestemming
van de uitkeringsinstantie, onbetaalde werkzaamheden in dat fruitteeltbedrijf
gedurende gemiddeld 10 uur per week.

9. De woonlast van het gezin van de vader bedraagt per maand:
– ƒ 1.808 rentelasten op een aflossingsvrije hypothecaire lening ter grootte
van ƒ 350.000 gevestigd op eigendommen van de echtgenote van de vader,
– ƒ 391 spaar- en risicopremie, gekoppeld aan de hypothecaire lening.

10. De vader heeft een schuld van ƒ 45.408 aan het LISV wegens in 1988 en
1989 ten onrechte ontvangen WAO-uitkering.

Ten aanzien van de moeder.

11. De moeder vormt met de minderjarigen een eenoudergezin. Zij heeft een
inkomen van ƒ 2.200 netto per maand. Zij betaalt ƒ 776 per maand aan
woonlasten.

Beoordeling van het hoger beroep

12. In geschil is de ontvankelijkheid van de moeder in haar inleidende
verzoek, de behoefte aan kinderalimentatie en de draagkracht van de vader.

13. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw
beschikkende: primair, de moeder in haar verzoek (in eerste aanleg)
niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair, het verzoek van de moeder af te
wijzen. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

De ontvankelijkheid van de moeder in eerste aanleg.

14. De moeder heeft aan haar verzoek in eerste aanleg ten grondslag gelegd
dat, na de beslissing van de rechtbank te Middelburg op haar verzoek om
kinderalimentatie in 1990, de draagkracht van de vader is gewijzigd in die
mate dat hij thans wel in staat is kinderalimentatie aan haar te betalen.
Daarmee is voldaan aan de wettelijke grond voor het wijzigingsverzoek van de
moeder in eerste aanleg, zodat het hof het primaire verzoek van de vader in
hoger beroep zal afwijzen.

De behoefte aan kinderalimentatie.

15. De vader erkent dat de minderjarigen behoefte hebben, doch betwist dat de
moeder behoefte heeft aan kinderalimentatie ter hoogte van ƒ 400, – per maand
per kind. Het hof zal rekening houden met een behoefte van de moeder aan
kinderalimentatie van ƒ 400, – per maand per kind, omdat de vader onvoldoende
gemotiveerd heeft betwist dat die behoefte minder bedraagt en het verzochte
bedrag het hof billijk voorkomt voor schoolgaande kinderen van 15 en 13 jaar.

De draagkracht van de vader.

Het hof gaat uit van de vaststaande feiten, voorzover hieronder daarvan niet
is afgeweken.

16. Het hof gaat uit van het inkomen van de vader uit WAO-uitkering – zoals
blijkt uit de uitkeringsspecificatie van juli 1999, omdat niet vaststaat dat
hij uit het fruitteeltbedrijf van zijn echtgenote directe inkomsten geniet.
Het inkomen uit de eenmalige cursus laat het hof buiten beschouwing, omdat
niet aannemelijk is dat dit blijvend inkomen betreft.

17. Het hof gaat ervan uit, dat de vader met zijn onbetaalde werkzaamheden ƒ
20 bruto per uur kan verdienen en rekent hem dus, bij een tienurige werkweek,
ƒ 200 bruto per week aan inkomen toe boven zijn uitkering.

18. Het hof past bij de bepaling van de draagkracht de alleenstaandennorm
toe, omdat aannemelijk is dat de echtgenote van de vader in haar eigen
levensonderhoud en in dat van hun twee kinderen kan voorzien, gelet op de
privé-onttrekkingen aan het fruitteeltbedrijf van ruim ƒ 100.000 zowel in
1997 als in 1998, hetgeen blijkt uit de overgelegde jaarstukken.

19. Met de schuld aan het LISV houdt het hof geen rekening, omdat niet is
komen vast te staan dat de vader op deze schuld afbetaalt.

20. Het hof houdt rekening met bijzondere kinderaftrek van ƒ 109 per kind per
maand, omdat de vader daarop aanspraak kan maken als de bepaalde
kinderalimentatie wordt opgelegd.

21. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de vader een kinderalimentatie
toelaat van ƒ 400 per maand per kind, welke alimentatie in overeenstemming is
met de wettelijke maatstaven, zodat de bestreden uitspraak moet worden
bekrachtigd.

22. Nu de rechtbank geen ingangsdatum van de alimentatie noemt, gaat het hof
ervan uit, dat de rechtbank heeft bedoeld dat de alimentatie op de dag van de
beschikking, 15 september 1999, ingaat.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof
onderworpen;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Rechters

Mrs. Schuering, Koning en Pannekoek-Dubois

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 3 maart 2000

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vader verzoekt verlaging van door hem te betalen alimentatie ten behoeve
van zijn twee kinderen. Hij is tengevolge van een verkeersongeval
arbeidsongeschikt geworden en is als gevolg daarvan in inkomen achteruit
gegaan. Tijdens de procedure blijkt dat in rechte is komen vast te staan dat
de bij het verkeersongeluk betrokken automobilist aansprakelijk is voor de
schade van de vader. Over de hoogte van het schadebedrag wordt nog
geprocedeerd, maar wel heeft de betrokken verzekeringsmaatschappij aan de
vader een aantal voorschotten uitgekeerd. Dit laatste is op de zitting van
het hof gebleken, in de procedure bij de rechtbank heeft de vader er geen
melding van gemaakt. Inmiddels werkt de vader weer full time en is zijn
draagkracht toereikend om de eerder opgelegde alimentatie te betalen.
Het hof komt tot het oordeel dat de vader, gelet op de door hem ontvangen
voorschotten, gedurende de maanden waarin de inkomensachteruitgang zich
voordeed toch in staat is geweest de door hem verschuldigde alimentatie te
voldoen. De vader had gesteld dat hij de voorschotten had moeten aanwenden
voor noodzakelijke kosten, maar dat is volgens het hof, althans ten aanzien
van een deel van het bedrag, niet aannemelijk gemaakt.
Het verzoek van de vader de wettelijke indexering van de alimentatie uit te
sluiten omdat zijn salaris niet voor automatische indexering in aanmerking
komt, wordt door het hof niet ingewilligd.
Gezien de proceshouding van de vader veroordeelt het hof hem in een deel van
de proceskosten van de moeder in beide instanties.

Volledige tekst

Het geding

Uit de relatie tussen de vader en de moeder zijn geboren de
minderjarigen:
R. en A., beiden geboren op 18 maart 1992.

Bij arrest van dit hof van 28 augustus 1998 is onder meer bepaald dat de
vader ten behoeve van de minderjarigen per kind per maand een bijdrage dient
te voldoen van:
– ƒ 180 over het tijdvak van 18 maart 1992 tot en met 31 maart 1995;
– ƒ 200 over het tijdvak van 1 april 1995 tot en met 31 december 1996;
– ƒ 250 met ingang van 1 januari 1997, voor het eerst wegens indexering te
verhogen per 1 januari 1998.
De vader heeft op 28 mei 1999 de rechtbank te Middelburg verzocht – met
wijziging van voormeld arrest van het hof – de vastgestelde kinderbijdrage
ten behoeve van voornoemde minderjarigen met ingang van 22 april 1999 op
nihil te bepalen.

De rechtbank heeft bij beschikking van 8 september 1999 – met wijziging van
het arrest van het hof – de alimentatie met ingang van 22 april 1999 bepaald
op ƒ 180, – per maand per kind.

De moeder is van laatstgenoemde beschikking tijdig in hoger beroep gekomen en
heeft verzocht deze te vernietigen, zulks met veroordeling van de vader in de
kosten van het geding in beide instanties.

De vader heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl
ingediend, waarin hij heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen
en de alimentatie voor de kinderen op nihil te stellen met ingang van 22
april 1999, althans met ingang van een datum welke het hof vermeent te
behoren.

De moeder heeft een verweerschrift in incidenteel appèl ingediend, waarin zij
heeft verzocht het incidenteel appèl van de vader te verwerpen, met
veroordeling van de vader in de kosten van het geding.

Voorts zijn nog bij het hof ingekomen:
– een brief d.d. 2 november 1999 van mr. P. de Jonge, de advocaat van de
moeder;
– een brief d.d. 17 november 1999 met bijlage van de advocaat van de moeder;
– een fax d.d. 29 november 1999 van mr. C.J.W. Tijsseling, de advocaat van de
vader;
– een fax (alsmede de originele brief) d.d. 1 december 1999 van de advocaat
van de moeder;
– een fax d.d. 8 december 1999 met bijlage van de advocaat van de vader.

Op 10 december 1999 is de zaak mondeling behandeld door mr. Van den
Wildenberg als raadsheer-commissaris.

Beoordeling van het hoger beroep

Het hof rondt bedragen af op hele guldens.

1. De behoefte van de kinderen aan alimentatie staat als niet bestreden vast.

2. De vader, 45 jaar, heeft in november 1997 met zijn motor een
verkeersongeval gehad, waardoor hij arbeidsongeschikt is geraakt. Hij ontving
eerst een uitkering krachtens de Ziektewet van ƒ 3.680 bruto per maand,
exclusief vakantiegeld, en met ingang van 21 november 1998 een WAO-uitkering
van ƒ 3.164 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Hij woont samen met zijn
huidige echtgenote. en hun twee kinderen. De echtgenote heeft een inkomen van
ƒ 1.546 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en ƒ 123 spaarloon.
De man stelt door de terugval in zijn inkomen niet meer in staat te zijn de
aan hem opgelegde bijdrage ten behoeve van de minderjarigen te voldoen.

3. Uit de aan het hof gerichte brief met bijlage van de advocaat van de man
d.d. 8 december 1999 blijkt dat de man met ingang van 1 november 1998 weer
full time in dienstbetrekking werkzaam is, tegen een netto salaris van circa
ƒ 3.000 per maand, waarbij de WAO-uitkering is opgeschort. Gesteld wordt dat
de man ingaande 1 november 1999 weer in staat moet zijn de hem opgelegde
alimentatie te voldoen. Gelet hierop beperkt het geschil in hoger beroep zich
tot de periode 22 april 1999 tot 1 november 1999.

4. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter
terechtzitting is gebleken dat de bij het ongeluk van de vader betrokken
automobilist krachtens rechterlijke beslissing aansprakelijk is gesteld voor
de schade van de vader als gevolg van dit ongeluk. Thans wordt nog
geprocedeerd over de hoogte van het schadebedrag. Ter zitting van het hof
heeft de vader verklaard een aantal voorschotten te hebben gehad van de
verzekeringsmaatschappij, en wel een bedrag van ƒ 9.000 voor de motor alsmede
tweemaal een bedrag van ƒ 1.500 en een laatste voorschot in mei 1999 van ƒ
2.500. In de procedure bij de rechtbank heeft de vader geen melding gemaakt
van deze voorschotten.

5. Gelet op deze door de vader ontvangen voorschotten is het hof van oordeel
dat hij, hoewel hij over de periode 22 april 1999 tot 1 november 1999 een
achteruitgang in zijn inkomen heeft gehad van circa ƒ 500 bruto per maand,
toch in staat moet zijn geweest gedurende deze maanden de hem opgelegde
bijdragen voor de minderjarigen te voldoen, daarbij rekening houdend met het
daaraan voor hem verbonden fiscale voordeel.
Op het door hem voor de motor ontvangen bedrag na, waarvoor hij stelt een
auto ten behoeve van de mobiliteit van zijn gezin te hebben gekocht, heeft de
vader immers naar het oordeel van het hof niet aangetoond noch aannemelijk
gemaakt dat hij deze voorschotten, zoals hij stelt, heeft moeten aanwenden
voor noodzakelijke kosten.

6. Gelet op het vorenstaande behoeft geen oordeel meer gegeven te worden met
betrekking tot het overige door de partijen in hoger beroep gestelde
betreffende de draagkracht van de vader.

7. De vader heeft ter zitting van het hof verzocht de wettelijke indexering
van de alimentatie uit te sluiten, daar zijn salaris niet voor automatische
indexering in aanmerking komt.
Het hof ziet, gelet op het vorengaande en de behoefte van de kinderen, geen
reden de wettelijke indexering van de alimentatie uit te sluiten en wijst dit
verzoek derhalve af.

8. In de proceshouding van de vader vindt het hof aanleiding om hem, gelijk
hierna te melden, in een deel van de kosten van de procedure in beide
instanties te veroordelen.

9. Gelet op het vorenstaande dient als volgt te worden beslist.

Beslissing van de zaak in hoger beroep

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de vader alsnog af;

veroordeelt de vader in de kosten van de procedure in beide instanties aan de
zijde van de moeder gevallen voor een bedrag van ƒ 2.500;

wijst af hetgeen de moeder meer of anders heeft verzocht.

Rechters

Mrs. van den Wildenberg, Hehemann en Schuering

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 1 maart 2000

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


In deze zaak was het behoren tot een bepaalde functiegroep bepalend voor de vraag of men deelnam in de pensioenregeling. Administratief personeel werd niet toegelaten tot de regeling, het technische Personeel werd wel toegelaten. S. die als administratieve kracht werkzaam was bij de onderneming claimt pensioenaanspraken. Zij stelt dat uitsluiting van het administratieve personeel indirecte discriminatie oplevert omdat met name werknemers van het vrouwelijk geslacht hierdoor uitgesloten werden. De vraag die rijst is hoe groot de verschillen moeten zijn, wil er sprake van zijn dat in overwegende mate werknemers van een bepaald geslacht erdoor benadeeld worden. De rechtbank kijkt naar de – relatieve – cijfers zoals die binnen de betreffende onderneming liggen (waarbij rekening wordt gehouden met het aandeel dat mannen respectievelijk vrouwen hebben in het personeelsbestand). Hieruit blijkt dat twaalf procent van de vrouwen (8 van de 67) en een procent van de mannen (6 van de 561) administratief werkzaam was. De rechtbank concludeert dat het verschil daartussen niet dermate aanzienlijk is dat het maken van onderscheid tussen technisch en administratief Personeel ten aanzien van de aansluiting bij de pensioenregeling onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft. De rechtbank komt tot het oordeel dat er geen sprake is geweest van een verboden indirect onderscheid als bedoeld in Art 7A.1637ij (oud) BW en dat de vordering van S. niet toewijsbaar is. De rechtbank overweegt nog dat voor zover S. heeft bedoeld zich tevens te beroepen op directe werking van de Tweede Europese richtlijn van 9 februari 1976, dit evenmin tot toewijzing van de vordering kan leiden. De feiten leiden evenmin tot de conclusie dat sprake is van een verboden onderscheid in de zin van de richtlijn welke overigens haar uitwerking heeft gevonden in onder meer art. 7A:1637ij (oud) BW.

Volledige tekst

RECHTSOVERWEGINGEN

l. Het verdere verloop van de procedure

1.1. Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor een conclusie aan de zijde van S., inhoudende:
a. gegevens omtrent de aantallen mannen en vrouwen die op 15 maart 1980 bij W&L Speciaaldruk in dienst waren, en omtrent de soort arbeid (technisch of administratief) die door die werknemers werd verricht, alsmede omtrent de verhouding waarin de werksoorten over de mannelijke en vrouwelijke werknemers verdeeld waren;
b. een reactie op de bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep overgelegde stukken;
c. een reactie op het beroep van W&L op gedeeltelijke verjaring van de vordering van S.

1.2. S. heeft vervolgens een conclusie genomen, waarbij zij tevens haar eis heeft aangevuld. De wijziging van eis houdt in dat zij, voor het geval de rechtbank inzake de verjaring
niet artikel 3:310 BW doch artikel 3.307 BW van toepassing acht, vordert voor recht te verklaren dat W&L is gehouden een schadevergoeding te betalen van een zodanige aard en omvang dat daarmee de schade van S. aan gemis van pensioenopbouw via de bij W&L geldende pensioenregeling vanaf 1 januari 1978, respectievelijk vanaf 15 maart 1980, tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, geheel wordt gecompenseerd. W&L heeft daarop eveneens een conclusie genomen. Zij heeft zich ten aanzien van de wijziging van eis gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2. VERDERE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

2.1. S. heeft bij genoemde conclusie bestreden het bij tussenvonnis gegeven oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 1 19 EG-Verdrag omdat zij niets zou hebben gesteld omtrent de vraag of door het administratief en het technisch personeel arbeid van gelijke waarde wordt verricht. Zij heeft daartoe gesteld dat de vraag naar gelijkwaardigheid van functies niet relevant is en voorts dat zij er steeds – impliciet – van is uitgegaan dat sprake is van arbeid van gelijke waarde. Zij heeft tevens toegelicht waarom sprake zou zijn van arbeid van gelijke waarde. Zij heeft tevens toegelicht waarom sprake zou zijn van arbeid van gelijke waarde en de rechtbank in overweging gegeven zich omtrent deze vraag door een deskundige te laten voorlichten.
W&L stelt dat dit alles buiten de goede procesorde valt omdat de rechtbank hieromtrent reeds een eindbeslissing heeft genomen. Zij bestrijdt op haar beurt de bij tussenvonnis gegeven beslissing van de rechtbank dat het recht op aansluiting bij een pensioenvoorziening valt onder het verbod tot het maken van onderscheid van artikel 7A: 1637ij (oud) BW.
De rechtbank merkt op dat over beide door partijen aangevoerde punten reeds uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist. Nu niet is gebleken dat sprake is van kennelijke misslagen, zou het in strijd zijn met een goede procesorde om het debat op deze punten te heropenen.
De rechtbank houdt zich dan ook – ook voor het overige – aan hetgeen zij bij voormeld tussenvonnis heeft overwogen en beslist.

2.2. Ten aanzien van de gegevens omtrent de aantallen mannen en vrouwen die op 15 maart 1980 bij W&L Speciaaldruk in dienst waren en de soort arbeid die zij verrichtten (onderdeel a van het dictum) heeft S. aangevoerd dat zij slechts heeft kunnen achterhalen dat in 1979 8 mannen in dienst waren, allen werkzaam in de zeefdrukarbeid en, naast S. zelf, 5 vrouwen aldaar werkzaam waren, waarvan 4 als inpakster en één als schoonmaakster. W&L heeft deze aantallen niet betwist en slechts gesteld dat in 1980 twee vrouwen een administratieve functie hadden en geen enkele man administratief werk deed.
Gelet op het beeld dat deze onvolledige gegevens oproepen – er is kennelijk geen sprake van een substantiële uitbreiding ten opzichte van het jaar 1978 – is de rechtbank van oordeel dat het personeelsbestand van W&L Speciaaldruk ook op 15 maart 1980 te beperkt van omvang was om aan de verhouding tussen het aantal mannen en het aantal vrouwen in de onderscheiden functies doorslaggevende betekenis toe te kennen. Zij verwijst verder nam hetgeen zij hieromtrent in rechtsoverweging 4.2.1 0 van haar tussenvonnis op voorhand heeft overwogen, welke overwegingen zij nu zonder voorbehoud overneemt.

2.3. S. heeft voorts van de gelegenheid gebruik gemaakt om opmerkingen te maken omtrent de door W&L bij memorie van antwoord in incidenteel appel overgelegde gegevens omtrent de aantallen werkzamen mannen en vrouwen in de zeefdrukbedrijven in 1989 (onderdeel b van het dictum).
Zij voert in de eerste plaats aan dat de cijfers uit 1989 niet als maatstaf kunnen worden genomen voor de situatie in 1978 dan wel 1980, mede omdat de cijfers uit 1986 een geheel ander beeld te zien geven, alleen al omdat het totale personeelsbestand in de zeefdrukbranche toen de helft bedroeg van dat uit 1989. Zij stelt voorts dat de gegevens onbetrouwbaar zijn omdat geen sprake is van volledige deelname aan de enquête waaraan die gegevens zijn ontleend.
De rechtbank gaat in zoverre mee met de stellingen van S. dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van gegevens uit 1989. Uit de gegevens die over 1986 beschikbaar zijn, is
echter af te leiden dat in dat jaar 8 van het in totaal 67 in de zeefdrukbranch werkende vrouwen administratief werk deden, derhalve ongeveer 12%, terwijl 6 van de in totaal 561 mannen, derhalve 1%, administratief werk deden (zie blz. 55 en 56 uit de beroepenenquête, productie 1 bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep). Deze percentages leiden niet tot een andere conclusie dan de rechtbank reeds op voorhand uit de cijfers over 1989 heeft getrokken, namelijk dat het verschil daartussen niet dermate aanzienlijk is dat het maken van onderscheid tussen technisch en administratief personeel ten aanzien van de aansluiting bij de pensioenregeling onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft. Bij gebreke van branchegegevens over andere jaren – S. heeft niet van de gelegenheid gebruik gemaakt deze over te leggen – blijft de rechtbank dan ook bij haar op voorhand gegeven conclusie. Zij passeert daarmee ook de opmerking van S. dat de gegevens onbetrouwbaar – kennelijk is bedoeld: niet representatief – zouden zijn. Volledige deelname aan een enquête is daartoe immers geen noodzakelijke voorwaarde terwijl de door haar aangehaalde responspercentages van 61,3% in 1986 en 71% in 1987 evenmin tot deze conclusie leiden.

2.4. S. stelt voorts dat de Commissie Gelijke Behandeling terecht de landelijke gegevens uit de Sociale Atlas van de Vrouw als uitgangspunt heeft genomen. De rechtbank leidt hieruit af dat zij meent dat de rechtbank dit ook dient te doen. De rechtbank sluit zich echter aan bij wat zij hieromtrent reeds op voorhand in haar tussenvonnis heeft overwogen (rechtsoverweging 4.2.10). Hetgeen S. heeft aangevoerd ten aanzien van de branchegegevens, zoals hiervoor besproken, is onvoldoende om aan die gegevens minder betekenis toe te kennen dan aan de niet- branchespecifieke gegevens uit de Sociale Atlas van de Vrouw. Dit wordt niet anders door de thans door S. overgelegde pagina 76 van die Sociale Atlas; daarin zijn immers dezelfde statistische gegevens opgenomen als in de reeds in het tussenvonnis genoemde pagina 250.

2.5. Tenslotte bestrijdt S. nog het in het tussenvonnis weergegeven oordeel van de rechtbank dat het verschil tussen 17% vrouwen en 4% mannen die in een administratieve functie werkzaam waren en die dus buiten de pensioenregeling vielen niet dermate aanzienlijk is dat het maken van onderscheid tussen technisch en administratief personeel ten aanzien van de aansluiting bij de pensioenregeling onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft. De rechtbank blijft echter bij dit oordeel dat slechts onder voorbehoud werd gegeven voor het geval dat het aantal werknemers in dienst van W&L Speciaaldruk op of omstreeks 15 maart 1980 op relevante wijze afweek van het aantal dat op 1 januari 1978 bij haar in dienst was, welk geval zich niet voordoet.

2.6. Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is geweest van een verboden indirect onderscheid als bedoeld in artikel 7A: 1637ij (oud) BW en dat de vordering van S. niet op die grond toewijsbaar is.
De rechtbank overweegt nog dat voorzover S. heeft bedoeld zich tevens te beroepen op directe werking van de tweede Europese richtlijn van 9 februari 1976, dit evenmin tot toewijzing van haar vordering kan leiden. De hiervoor besproken feiten leiden immers evenmin tot de conclusie dat sprake is van een verboden onderscheid in de zin van die richtlijn, welke overigens haar uitwerking heeft gevonden in onder meer artikel 7A: 1637ij (oud) BW.
De conclusie is dat de (onvoorwaardelijke) grief van S. faalt.

2.7. In rechtsoverweging 4.3.3 van het tussenvonnis is reeds overwogen dat er geen aanleiding is te oordelen dat W&L heeft gehandeld in strijd met haar verplichtingen uit goed werkgeverschap of haar verplichtingen op grond van de redelijkheid en billijkheid, en dat de tegen de desbetreffende overweging van de kantonrechter gerichte grief van W&L dus slaagt en de voorwaardelijke grief van S. faalt.

2.8. Nu de in het tussenvonnis in rechtsoverweging 4.1 onder a en b genoemde vragen ontkennend worden beantwoord, en aldus de gronden aan de vordering van S. komen te vervallen, behoeft de in die overweging onder c weergegeven vraag naar de verjaring van die vordering niet meer te worden beantwoord.
Dit heeft tevens tot gevolg dat zaak in staat van wijzen is en de rechtbank de zaak zelf zal afdoen. Zij zal de vordering van S. afwijzen en haar, als in het ongelijk gestelde partij, in
de kosten van dit geding en het geding in eerste aanleg verwijzen.

BESLISSING in hoger beroep

De rechtbank:
– vernietigt het tussen partijen gewezen en op 25 maart 1998 uitgesproken vonnis van de kantonrechter te Leiden;
en beslist opnieuw:
– wijst de vordering af;
– veroordeelt S. in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van W&L begroot op ƒ 1.000 aan salaris;
– veroordeelt S. tevens in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van W&L begroot op ƒ 458,65 aan verschotten en ƒ 1935 aan salaris.

Rechters

Mrs. PuntKingma, Wattel

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 1 maart 2000

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Na een echtscheiding in 1993, is de ex-echtgenoot van appellante in 1997
overleden. De nabestaandenuitkering wordt aan appellante geweigerd op grond
van artikel 4 ANW, omdat haar ex-echtgenoot niet verplicht was haar alimentatie
te betalen. Appellante stelt dat zij, als zij destijds had geweten wat
de gevolgen van de ANW zouden zijn geweest, had gekozen voor een scheiding
van tafel en bed in plaats van echtscheiding. Appellante stelt vervolgens,
onder verwijzing naar Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,
dat de ANW een behoorlijke overgangsregeling ontbeert en dit strijdig is
met in het internationaal bewustzijn levende beginselen van evenredigheid.
De CRvB oordeelt dat deze Universele Verklaring niet kan worden aangemerkt
als een verdrag in de zin van de artikelen 93 en 94 Grondwet, zodat deze
niet het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet kan doorbreken.
Evenmin kan de rechter de ANW toetsen aan beginselen van behoorlijke regelgeving.
Ook acht de CRvB geen andere grondslag aanwezig voor toetsing van artikel
4 ANW aan enige daarmee strijdige rechtsnorm. Tot slot merkt de CrvB nog
op dat de alimentatieverplichting van de ex-echtgenoot in artikel 4 ANW
de uitdrukking is van het meer algemene aan de ANW ten grondslag liggende
beginsel dat slechts een rechtsgrond voor nabestaandenuitkering aanwezig
is in geval de nabestaande daadwerkelijk financieel afhankelijk was van
de overledene. Die voorwaarde heeft derhalve een objectief gerechtvaardigd
karakter.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 10 september 1997 heeft gedaagde, na bezwaar, gehandhaafd
zijn besluit van 23 mei 1997, waarbij hij heeft geweigerd appellante een
uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) toe te kennen.
De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 8 mei
1998 het beroep tegen het besluit van 10 september 1997 ongegrond verklaard.
Op de gronden, aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 8 oktober 1998,
is namens appellante gevorderd de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.
Bij memorie van 6 november 1998 heeft gedaagde verweer gevoerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 2 februari 2000. Appellante
is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar raadsman mr A.H.J.
Neels, advocaat te Vlissingen. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr
P.C.A. Buskens, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

II. MOTIVERING

Blijkens haar opgave is appellante gehuwd geweest met C, geboren in 1957
en overleden in 1997. Het huwelijk was in 1993 geëindigd door echtscheiding.
Op de aanvraag om nabestaandenuitkering terzake van het overlijden van
C heeft gedaagde, althans ten aanzien van appellante zelf, afwijzend beslist.
Daarbij is overwogen dat zij met de overledene geen gezamenlijke huishouding
voerde en deze niet verplicht was aan haar alimentatie te betalen. Appellante
vecht deze weigering aan.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 4 van de Anw luidt:
‘In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt in afwijking van
artikel 3 onder nabestaande mede verstaan de gewezen echtgenoot van een
overleden verzekerde, indien:

a. het huwelijk anders dan door de dood is ontbonden; en

b. de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden
verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of overeenkomst, vastgelegd
in een notariële akte of een akte mede ondertekend door een advocaat, levensonderhoud
te verschaffen aan de gewezen echtgenoot op grond van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek; en

c. de gewezen echtgenoot overeenkomstig de bepalingen in deze wet recht
op nabestaandenuitkering zou hebben gehad, indien het overlijden plaats
zou hebben gehad op de dag van ontbinding van het huwelijk anders dan door
de dood.’.
Vast staat dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden om op grond van
deze bepaling als nabestaande te worden aangemerkt, omdat C jegens haar
niet alimentatieplichtig was. Dit wordt van de zijde van appellante niet
bestreden.
In hoger beroep is namens appellante aangevoerd:
‘Van de zijde van appellante is destijds gesteld dat, zo zij zou hebben
geweten wat de gevolgen van de echtscheiding in het kader van de Anw zouden
zijn geweest, zij scheiding van tafel en bed zou hebben gevorderd.
Voor een uiteenzetting ter zake wordt verwezen naar de gronden voor het
bezwaar dat destijds is ingediend bij de SVB bij brief van 15 juli 1997
die als prod. 1 wordt bijgevoegd.
Voor de motivering van de mening van appellante dat de Nederlandse rechter
wel degelijk, ondanks artikel 120 van de Grondwet, formele wetgeving kan
toetsen aan die Grondwet wordt verwezen naar de hierbij als prod. 2 overgelegde
pleitnotities die namens de gemachtigde van appellante zijn voorgedragen
door diens kantoorgenoot, mr M.C.M.E. Schijvenaars. Uit die uiteenzetting
volgt dat het EVRM, gezien in verband met de Universele Verklaring van
de Rechten van de Mens, de mogelijkheid biedt tot grondwettelijke toetsing
van een wet in formele zin.’.
In de producties waarnaar in bovenaangehaald beroepschrift is verwezen
is, samengevat, het volgende betoogd:

– de Anw ontbeert een behoorlijke overgangsregeling voor gevallen als het
onderhavige en moet daarom deels als onrechtmatige regelgeving worden beschouwd;

– ook wetten in formele zin moeten voldoen aan in het internationaal rechtsbewustzijn
levende beginselen van evenredigheid, gebrek aan willekeur en gelijkheid;
verwezen is in dat verband naar o.m. de Universele Verklaring van de rechten
van de mens.
De Raad stelt voorop dat hij bij zijn beoordeling van de rechtmatigheid
van gedaagdes besluit geen rekening houdt met hypothetische situaties.
Dat appellante mogelijk een ander, positief, besluit zou hebben ontvangen
als zij in 1993 van tafel en bed was gescheiden, kan daarom in dit geding
geen gewicht in de schaal leggen.
Voorzover namens appellante bedoeld is te betogen dat de Universele Verklaring
van de rechten van de mens, middels de verwijzing daarnaar in het Europees
Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),
toetsing van de wet in formele zin aan de Grondwet mogelijk maakt, wijst
de Raad erop dat die Universele Verklaring niet kan worden aangemerkt als
een verdrag in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, zodat
zij niet het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet vermag te
doorbreken (vgl. CRvB d.d. 9 juni 1995, reg.nr AAW/WAO 1994/636). In aansluiting
daarop overweegt de Raad van oordeel te zijn dat hij evenmin de wet mag
toetsen aan beginselen van behoorlijke regelgeving (vgl. HR 14 april 1989,
AB 1989, 207, Harmonisatiewetarrest).
Ook overigens heeft de Raad in het betoog namens appellante geen grondslag
gevonden voor een toetsing van het bepaalde in artikel 4 van de Anw aan
enige daarmee strijdige rechtsnorm.
Wel merkt de Raad nog op, dat de alimentatieverplichting van de ex-echtgenoot
in artikel 4 Anw de uitdrukking is van het meer algemene aan de Anw ten
grondslag liggende beginsel dat slechts een rechtsgrond voor nabestaandenuitkering
aanwezig is in geval de nabestaande daadwerkelijk financieel afhankelijk
was van de overledene. In zoverre kan aan die voorwaarde een objectief
gerechtvaardigd karakter niet worden ontzegd.
De Raad concludeert tot bevestiging van de aangevallen uitspraak. Er zijn
geen termen voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs. Haverkamp, Zwart en De Vries

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 28 februari 2000

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vrouw, Filippijnse, is minder dan 3 jaar gehuwd geweest, wanneer zij de
relatie verbreekt wegens seksueel geweld. Verweerder stelt dat zij geen
aanspraak kan maken op verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire
aard. Het gestelde misbruik is onvoldoende aangetoond, nu slechts eenmaal
proces-verbaal terzake van verkrachting opgemaakt, niet is gebleken dat de
vrouw tijdens of direct na verbreking van de relatie hulp heeft gezocht en
huisarts en GG&GD blijkbaar geen aanleiding zagen haar voor verdere
hulpverlening te verwijzen. De rechtbank is van oordeel dat het dossier
aanknopingspunten biedt voor de stelling dat eiseres meermalen seksueel is
misbruikt. Dit is echter op zichzelf onvoldoende voor toelating op grond van
klemmende redenen van humanitaire aard. Ook de overige aangevoerde factoren
leggen onvoldoende gewicht in de schaal.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

l. Eiseres, geboren op (…) 1961, bezit de Filippijnse nationaliteit. Zij
verblijft sedert 1992 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw)
in Nederland. Op 9 januari 1997 heeft eiseres bij de korpschef van de
regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om voortgezet
verblijf na verbreking relatie. Bij besluit van 19 september 1997 heeft
verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Dit besluit is op 3 oktober
1997 aan eiseres bekendgemaakt. Eiseres heeft tegen dit besluit op 28 oktober
1997 bezwaar gemaakt, aangevuld bij brieven van 24 november 1997, 8 december
1997, 4 mei 1998 en 7 mei 1998. Op 4 november 1998 is eiseres door een
ambtelijke commissie (AC) gehoord. Het bezwaar is bij besluit van 18 november
1998 ongegrond verklaard. Het besluit is bij brief van dezelfde datum aan de
gemachtigde van eiseres gezonden.

2. Bij beroepschrift van 2 december 1998, aangevuld bij brief van 4 januari
1999, heeft eiseres tegen het afwijzende besluit beroep ingesteld bij de
rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te
zullen behandelen. Op 12 februari 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende
stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In de verweerschriften van 16
juli 1999 en 12 oktober 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot
ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2000.
Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Berg,
advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door
gemachtigde mr. P.A.L.A. van Ittersum, ambtenaar bij de Immigratie- en
Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting
aanwezig de werkgever van eiseres, [naam werkgever].

II. Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.

2. Bij beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende
feiten. Op 21 juli 1994 heeft eiseres verzocht om verlening van een
vergunning tot verblijf met als doel: ‘ verblijf bij Nederlandse partner’.
Zij is op dezelfde dag in het bezit gesteld van de gevraagde vergunning tot
verblijf, laatstelijk geldig tot 28 februari 1997. De relatie tussen eiseres
en X. is eind 1996 verbroken. Eiseres heeft blijkens een proces-verbaal van
26 oktober 1996 aangifte gedaan van verkrachting door X. De strafzaak tegen
X. is geseponeerd. In een brief van de GG&GD van 30 oktober 1996 staat
vermeld dat eiseres het slachtoffer is van een zedendelict en dat de dader
bekend is. Blijkens een brief van de huisarts van eiseres van 28 oktober 1996
heeft eiseres kneuzingen aan het borstbeen, de rug en het neusbeentje.

3. Eiseres meent dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating
nopen. Zij erkent dat haar relatie op grond waarvan voortgezet verblijf kan
worden verleend nog geen drie jaar heeft geduurd. Zij meent echter dat zij op
grond van het bepaalde in hoofdstuk B1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire
(Vc) in aanmerking komt voor voortgezet verblijf. Hiertoe heeft zij het
volgende aangevoerd. Zij heeft voldoende aangetoond dat er in haar geval
sprake is geweest van seksueel geweld binnen een relatie dat heeft geleid tot
verbreking van de relatie. Voorts dient de situatie van alleenstaande vrouwen
in de Filippijnen tot verblijfsaanvaarding te leiden. Eiseres stelt dat,
gelet op haar traumatische ervaringen, in redelijkheid niet van haar verlang
kan worden terug te keren naar de Filippijnen. Uit de omstandigheid dat zij
eerst getracht heeft zelfstandig en met hulp van vrienden haar ervaringen te
verwerken en naderhand professionele hulp heeft ingeroepen kan – anders dan
verweerder heeft gesteld – niet worden afgeleid dat haar klachten niet
zodanig waren dat eerdere hulp niet noodzakelijk was. Vanwege de onbekendheid
met de in Nederland bestaande mogelijkheden en het feit dat zij door de
huisarts niet werd doorverwezen heeft zij zich eerst later tot de RIAGG
gewend.

Ter zitting is namens eiseres nog gesteld dat zij reeds geruime tijd in
Nederland verblijft, zij ernstig getraumatiseerd is en de Filippijnse
samenleving is ontgroeid. Voorts is van belang, dat zij in de Filippijnen
niet over middelen van bestaan zal beschikken. Eiseres heeft desgevraagd
verklaard dat haar kinderen door haar moeder in de Filippijnen worden
verzorgd.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt
voor voortgezet verblijf. Niet in geschil is dat de relatie tussen eiseres en
X. korter dan drie jaar heeft geduurd. Eiseres kan geen aanspraak ontlenen
aan het beleid neergelegd in B l/4.4 van de Vc. Eiseres heeft gesteld dat de
klemmende redenen van humanitaire aard gelegen zijn in het (seksueel)
misbruik gedurende haar relatie met X. Anders dan eiseres stelt, is gebleken
dat slechts eenmaal in 1996 een proces-verbaal ter zake van verkrachting van
eiseres door X. is opgemaakt. Van misbruik van eiseres in 1995 en 1997 is
niet door middel van processen-verbaal gebleken, terwijl dit ook overigens
niet aannemelijk is gemaakt met aangiften, dan wel verklaringen van de
huisarts van eiseres of door hulpverlenende instanties. Nu het door de
gemachtigde gestelde misbruik van eiseres in 1995 en in 1997 niet met stukken
is onderbouwd valt niet in te zien waarom aan deze enkele stelling in de te
maken belangenafweging (doorslaggevende) betekenis ten gunste van eiseres
moet worden toegekend. In het misbruik van eiseres door X. naar aanleiding
waarvan proces-verbaal is opgemaakt wordt geen aanleiding gezien eiseres
verblijf toe te staan. Daarbij is van belang, dat X. eerst op 19 november
1996 de vreemdelingendienst op de hoogte heeft gesteld van de verbreking van
de relatie. Eiseres heeft eerst nadat zij daartoe was gevorderd door de
vreemdelingendienst op 9 januari 1997 verklaard dat haar relatie met X.
sedert december 1996 is verbroken. Ook is gebleken dat de strafzaak
betreffende de verkrachting van eiseres door X. door het Openbaar Ministerie
is geseponeerd. Voorts is niet gebleken dat eiseres tijdens of direct na de
verbreking van haar relatie bijstand heeft gezocht van haar huisarts of
hulpverlenende instanties. De huisarts heeft geen aanleiding gezien eiseres
als gevolg van de gebeurtenissen van 26 oktober 1996 door te verwijzen naar
een opvanghuis of een instelling voor ambulante geestelijke gezondheidszorg.
Uit de brief van de GG&GD is
niet gebleken dat er aanleiding bestond eiseres op te vangen dan wel naar een
hulpverlenende instantie te verwijzen. Evenmin is gebleken dat eiseres naar
aanleiding van het misbruik pogingen heeft ondernomen dergelijke hulp te
verkrijgen. Ter zitting van de AC is gebleken dat eiseres eerst op 5 oktober
1998 voor de eerste maal een gesprek heeft gevoerd met een arts van de RIAGG.
Zij is in de daarvoor gelegen periode niet onder behandeling geweest van een
arts of hulpverlenende instantie. De gemachtigde van eiseres heeft verklaard
dat bij eiseres sprake is geweest van toenemende klachten welke eerst (bijna)
twee jaar na de aanleiding daartoe hebben geresulteerd in een afspraak bij de
RIAGG. Verweerder merkt op dat de toenemende klachten van eiseres kennelijk
niet zodanig waren dat eerder dan na bijna twee jaar aanleiding bestond
eiseres met de RIAGG in contact te brengen. Voorts is niet gebleken van
feiten of omstandigheden waarom redelijkerwijs niet van eiseres verlangd mag
worden dat zij terugkeert naar de Filippijnen. In ieder geval is niet
gebleken dat eiseres gedurende haar verblijf hier te lande nauwe banden met
Nederland heeft opgebouwd, terwijl het enkele feit dat zij beschikt over een
dienstverband geen aanleiding geeft haar om die reden voortgezet verblijf toe
te staan. Eiseres moet geacht worden zich zelfstandig te kunnen handhaven in
het land van herkomst. Zij heeft broers en zusters aldaar en niet valt in te
zien waarom eiseres geen beroep op hen kan doen. Verweerder meent dat een
afweging van alle relevante feiten en omstandigheden dient uit te vallen in
het nadeel van eiseres. Voorts is niet gebleken van bijzondere omstandigheden
die tot afwijking van het ter zake geldende beleid nopen.

In de verweerschriften is nog gesteld dat het feit dat eiseres door haar
voormalige partner seksueel is misbruikt, op zichzelf onvoldoende is voor het
verlenen van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van
humanitaire aard. Verweerder meent dat er geen sprake is van een schrijnend
geval zoals bedoeld in hoofdstuk B1/4.4 Vc. Eiseres komt evenmin vanwege haar
traumatische ervaringen in aanmerking voor verblijf. Van belang hierbij is
dat eiseres eerst twee jaar na haar aangifte professionele hulp bij de RIAGG
heeft gezocht.

Ter zitting is nog gesteld dat zelfs indien ervan moet worden uitgegaan dat
eiseres meermalen is verkracht, zulks in casu niet leidt tot
verblijfsaanvaarding. De omstandigheid dat eiseres een alleenstaande vrouw
is, leidt evenmin tot een vergunning tot verblijf. Van verstoting van vrouwen
door de Filippijnse samenleving, is niet gebleken.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot
verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat
vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun
aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan
wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende
uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is
neergelegd in de Vc.

7. Niet in geschil is dat de relatie van eiseres nog geen drie jaar heeft
oeduurd, zodat zij niet in aanmerking komt voor voortgezet verblijf na
verbreking relatie zoals neergelegd in hoofdstuk BI/4.i van de Vc.

8. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of eiseres aanspraak kan
ontlenen aan het beleid neergelegd in hoofdstuk B1/4.4 van de Vc waarin staat
dat schrijnende gevallen direct na de feitelijke verbreking van de relatie in
aanmerking komen voor zelfstandig verblijf om klemmende redenen van
humanitaire aard. Hierbij kan worden gedacht aan een vreemdeling die nauwe
banden heeft met Nederland of in Nederland wonende personen of een
vreemdeling wiens terugkeer naar het land van herkomst redelijkerwijs niet
kan worden verlangd. In geval van verlaten vrouwen zal er een
belangenafweging plaatsvinden, waarbij een combinatie van de volgende
factoren een rol situatie speelt.
a. de situatie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst;
b. de maatschappelijke positie van betrokkene in het land van herkomst;
c. de vraag of in het land van herkomst een naar de maatstaven van dat land
aanvaardbaar te achten opvang aanwezig is;
d. zorg die betrokkene heeft voor kinderen die hier te lande zijn geboren
en/of getogen;
e. aangetoond (seksueel) geweld binnen de relatie, dat heeft geleid tot de
feitelijke verbreking van de relatie (dit kan onder meer worden aangetoond
aan de hand van processen-verbaal, medische rapporten, verklaringen van
opvanghuizen).

9. De rechtbank is allereerst van oordeel dat het dossier aanknopingspunten
biedt voor de stelling van eiseres dat zij meer dan eens seksueel is
misbruikt. Echter, dat eiseres door haar ex-partner is misbruikt is – hoe
betreurenswaardig ook – op zichzelf onvoldoende voor toelating op grond van
klemmende redenen van humanitaire aard zoals genoemd in hoofdstuk B 1/4.4 van
de Vc. In dit verband is van belang dat de overige factoren zoals genoemd in
rechtsoverweging 8 -voorzover hier van belang- onvoldoende gewicht in de
schaal leggen om eiseres toe te laten. Hiertoe wordt overwogen dat niet is
gebleken dat eiseres zodanig, in de Nederlandse samenleving is geïntegreerd
en de Filippijnse samenleving dusdanig is ontgroeid dat terugkeer van haar
naar de Filippijnen niet kan worden verlangd. Voorts is niet aannemelijk
geworden dat van eiseres vanwege haar traumatische ervaringen niet kan worden
verlangd terug te keren naar het land van herkomst. Het is evenmin
aannemelijk geworden dat eiseres zich niet als alleenstaande vrouw in het
land van herkomst zelfstandig zal kunnen handhaven nu niet is gebleken dat
zij voor haar vertrek naar Nederland hierdoor problemen heeft ondervonden in
de Filippijnse samenleving. Ten slotte is van belang dat eiseres nog familie
heeft in het land van herkomst tot wie zij zich eventueel voor steun kan
wenden. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in redelijkheid tot het
oordeel heeft kunnen komen dat een belangenafweging in het kader van
klemmende redenen van humanitaire aard in het nadeel van eiseres uitvalt en
dat zij derhalve niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf.

10. Evenmin is gebleken dat eiseres aan enige andere door verweerder
gehanteerde beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen.

11. De conclusie is dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in
redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.
Voorts is niet gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te
worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk
bestuur.

12. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden
verklaard.

13. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou
moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in
de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet
gebleken.

III. BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Rechters

Mr. Meskers

Commentaar bij voorlopig standpunt kabinet inzake evaluatie Algemene Wet Gelijke Behandeling

Commentaar bij voorlopig standpunt kabinet inzake evaluatie Algemene Wet Gelijke Behandeling

november 2001

Algemene kanttekeningen

  1. Sinds de inwerkingtreding van de AWGB zijn ruim zeven jaren verstreken. In deze periode hebben een aantal maatschappelijke ontwikkelingen plaatsgevonden die de urgentie van een actief beleid gericht op het voorkomen van discriminatie en de bevordering van gelijke behandeling onderstrepen. Met name het afgelopen jaar is zichtbaar geworden dat er spanningsvelden tussen grondrechten kunnen optreden, bijvoorbeeld tussen de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van seksuele voorkeur en tussen het recht van vrijheid van godsdienst en gelijke behandeling/non-discriminatie. Het is in het belang van de rechtszekerheid dat (ook) in het kader van de voorziene wijzigingen van de AWGB duidelijkheid wordt verschaft hoe grondrechten zich onderling verhouden.

  2. In juridisch opzicht hebben de afgelopen jaren enkele belangrijke ontwikkelingen plaats gevonden, die hun weerslag moeten krijgen in de AWGB. Zo zijn in 2000 twee Europese Richtlijnen ex artikel 13 van het EG-Verdrag (2000/43/EG en 2000/78/EG) vastgesteld en volgt er in 2002 een derde Richtlijn. Dit impliceert onder meer dat de begripsomschrijvingen in de AWGB (bijvoorbeeld voor indirecte discriminatie) moeten gaan samen vallen met die uit de Europese richtlijnen. Voor de discriminatie-gronden leeftijd en handicap zijn wetsvoorstellen in voorbereiding.
    Helaas heeft het kabinet ervoor gekozen om de implementatie van de Richtlijnen en de aanpassing van de AWGB op grond van de gehouden evaluatie via gescheiden wetgevingstrajec-ten gestalte te geven. Positief is dat het kabinet als uitgangspunt hanteert voor de noodzakelijke aanpassingen van de AWGB dat voor alle in deze wet genoemde gronden een gelijkwaardig beschermingsniveau moet worden gewaarborgd.
    Anders dan het kabinet achten wij het van groot belang dat ook het overheidshandelen onder de werkingsfeer van art. 7 van de AWGB wordt gebracht

  3. Het CEDAW – het VN-comité dat toezicht houdt op de naleving door lidstaten van het VN-Vrouwenverdrag – heeft sedert het van kracht worden van de AWGB tweemaal in een landencommentaar inzake het Nederlandse emancipatiebeleid onderstreept dat in dit beleid centraal moet staan dat de gelijke behandeling van vrouwen in materiele zin moet worden gerealiseerd. Onvoldoende is dat hun positie in formele zin gelijk is aan die van mannen. Ook deze opvatting moet worden meegenomen bij de herziening van de AWGB.

  4. In het landencommentaar van het CEDAW van afgelopen september stelt deze commissie vast dat de Nederlandse regering het VN-Vrouwenverdrag in twee opzichten schendt. In de eerste plaats door te gedogen dat de SGP vrouwen als lid weert. Ook het vigerende naamrecht dat inhoudt dat kinderen de naam van de vader krijgen als de ouders onderling het niet eens worden over de achternaam van hun kind is discriminerend voor vrouwen.
    In 1998 heeft het toenmalige kabinet inzake de SGP-kwestie het standpunt ingenomen dat grote terughoudendheid met het geven van nieuwe wettelijke voorschriften inzake het lidmaatschap van een politieke partij moet worden betracht (TK 1997/1998 25893, nr. 2 p. 26). Deze terughoudendheid heeft ertoe geleid dat deze vorm van directe discriminatie van vrouwen onverkort is blijven bestaan. Mede in het licht van de recente aanbevelingen van het CEDAW is het noodzakelijk dat het kabinet zo snel mogelijk regelgeving voorbereidt, die aan deze discriminatie een eind maakt.
    De geschetste gang van zaken inzake het SGP-lidmaatschap maakt het wenselijk dat het kabinet in het licht van de komende aanpassing van de AWGB helderheid verschaft over hoe zij de aanbevelingen van het CEDAW (en andere VN-comités) in de toekomst zal laten doorwerken in het regeringsbeleid en de Nederlandse rechtsorde. Daarbij is van belang dat internationale organen zoals het CEDAW en het Mensenrechtencomité bij herhaling hebben uitgesproken dat godsdienst en tradities geen rechtvaardiging kunnen zijn voor discriminatie van vrouwen.

Specifieke kanttekeningen

Gesloten stelsel handhaven
In overeenstemming met het standpunt van het kabinet en de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) acht het Clara Wichmann Instituut (CLWI) het van belang om het gesloten stelsel van de AWGB te handhaven.
Omdat de CGB geen rechtsprekende instantie is moet zij o.i. ook niet de bevoegdheid krijgen om de wet in die situaties buiten toepassing te verklaren, waarin strikte wetstoepassing tot een onaanvaardbaar resultaat leidt. De benadeelde partij kan het oordeel van de CGB aan de rechter voorleggen die wel de wet buiten toepassing kan verklaren.

De positie van de Commissie Gelijke behandeling
De kerntaak van de CGB moet volgens het CLWI zijn en blijven het uitspreken van een oordeel over de vraag of in een bepaalde situatie sprake is van een schending van de AWGB. De CGB moet over voldoende middelen beschikken om deze taak op een kwalitatief goede wijze te vervullen zonder dat er sprake is van (lange) wachttijden. De komende jaren zullen ook de wettelijke bepalingen inzake leeftijd en handicap onder de bevoegdheid van de CGB gaan vallen. De formatie van de CGB moet op de uitdijende kerntaak worden aangepast.

Inzake de positie van de CGB bestaat in enkele opzichten onduidelijkheid. Dat komt omdat onvoldoende bekend is dat de CGB een alternatief voor de rechter is en omdat de commissie de afgelopen jaren ook andere taken dan bovengenaamde kerntaak is gaan verrichten zoals het uitbrengen van adviezen over een breed scala van onderwerpen.
Om meer helderheid te krijgen in hoe de oordelen van de CGB zich verhouden tot rechterlijke uitspraken, kan overwogen worden om in de AWGB vast te leggen dat een rechter slechts gemotiveerd van een uitspraak van de CGB kan afwijken. Gelet op artikel 121 van de Grondwet en het arrest van de Hoge Raad van 25 februari 2000 volstaat mogelijk een duidelijke standpuntbepaling in deze van de Minister van Justitie.
Wat de bredere advisering betreft, de CGB is een overheidsorgaan met een oordelende taak. Voor een optimale taakvervulling is het van groot belang dat haar onafhankelijkheid niet ter discussie kan komen te staan. De adviesfunctie van de CGB moet o.i. dan ook beperkt blijven tot de voorbereiding van wetgeving op het terrein van gelijke behandeling.
De uitbreiding van onderzoeken uit eigen beweging door de CGB juichen wij toe, evenals het schrappen van de bepaling dat de onderzoeken zich moeten beperken tot sectorbrede onderzoeken (art. 12 AWGB).

Positie maatschappelijke organisaties en kenniscentra
Volgens het kabinet hebben de NGO’s die actief zijn op het gebied van gelijke behandeling een belangrijke rol te vervullen inzake de inbedding van gelijke behandeling in het maatschappelijk leven. Het CLWI deelt het standpunt van het kabinet dat de meer algemene maatschappelijke taken inzake gelijke behandeling bij de NGO’s thuis horen.
De kenniscentra zoals het CLWI en universitaire instellingen zijn bij uitstek geschikt om de volgende functies te verrichten:

* Advisering inzake te ontwikkelen beleids- en wetsvoorstellen op het terrein van de gelijke behandeling.
* Door (jurisprudentie-)onderzoek inzicht verschaffen in de effectiviteit van de AWGB en in de interpretatie van de AWGB door rechters en de CGB.
* De deskundigheid bevorderen van (juridische) professionals die een hoofdrol spelen bij de bevordering van gelijkheid.

Ook maatschappelijke organisaties hebben een belangrijke rol te vervullen. Zij kunnen bijdragen aan de vergroting van de kennis over de AWGB en de CGB door hun achterban actief te informeren. Anti-discriminatie bureaus en vrouwen- en minderhedenorganisaties moeten daartoe over voldoende middelen beschikken.
De NGO’s kunnen verder mogelijke spanningen die in de maatschappij leven bij de toepassing van de AWGB signaleren.

Informatiepunt Gelijke behandeling
De commissie die de eerste nationale rapportage over de uitvoering van het VN-Vrouwenverdrag heeft gemaakt (de zogenaamde Commissie Groenman) heeft aanbevolen dat er een steunpunt voor de implementatie van het VN-Vrouwenverdrag moet worden opgericht. De Tweede Kamer heeft deze aanbeveling overgenomen en het toenmalige kabinet heeft toegezegd dat dit steunpunt er zal komen.
Het kabinet heeft besloten om in plaats van een steunpunt met een breed takenpakket voor het VN-Vrouwenverdrag een Informatiepunt Gelijke Behandeling (IGB) m/v op te richten. Het punt moet op termijn ook andere discriminatie-gronden gaan bestrijken. Het IGB moet de kennis over de mensenrechten van vrouwen en de gelijke behandelingswetgeving verbreden en verdiepen en zal daartoe een informatie, verwijs en voorlichtingsfunctie krijgen.
Het kabinet is voornemens het informatiepunt onderbrengen bij de CGB. Het verwacht dat een verdergaande wisselwerking en samenwerking tussen de CGB en de NGO’s kan ontstaan

Met het kabinet zijn wij van mening dat het informatiepunt zodanig moet worden ingericht dat de oordelende taak van de CGB niet in gevaar komt. Dit impliceert dat de functies van het IGB strikt beperkt moeten blijven tot informeren, voorlichting geven en verwijzen. Andere functies – met name onderzoek, advisering en deskundigheidsbevordering – horen bij de kenniscentra en universitaire instellingen thuis. Een goede samenwerking van alle betrokken organisaties is van evident belang.

Pensioenvoorzieningen
Vooral vrouwen krijgen te maken met het feit dat zij geen aanvullend pensioen hebben kunnen opbouwen Het CLWI vindt het i.t.t. de SER van groot belang dat er een wettelijke regeling voor de algemene werking van pensioentoezeggingen komt zodat uitsluiting van deelname aan pensioenregelingen wordt tegen gegaan.
Met de CGB zijn wij van mening dat de rechtszekerheid erbij is gebaat dat wettelijk wordt vastgelegd dat sinds 1976 het recht op aansluiting bij een pensioenregeling bestaat en vanaf 1990 het recht op gelijke opbouw.
De gelijke behandelings-norm is op dit moment niet van toepassing op de afsluiting van particuliere lijfrenteverzekeringen. Mannen en vrouwen hebben met verschillende premies te maken vanwege het verschil in levensverwachting. Wij vragen ons af of dit onderscheid anno 2001 nog verdedigbaar is en stellen dan ook voor dat het kabinet de discussie hierover met betrokken partijen heropent.
Wat de pensioenopbouw van deeltijders betreft (zie blz. 14 kabinetstandpunt), wij vinden het van essentieel belang dat niet een ondergrens van 50% van een voltijdfunctie wordt gekozen, maar 50% van het dienstverband voorafgaand aan het aanvaarden van de deeltijdfunctie.

November 2001

Instantie: B en W Amsterdam, 23 februari 2000

Instantie

B en W Amsterdam

Samenvatting


M. is van Marokkaanse nationaliteit. Ingevolge de inwerkingtreding van
de Koppelingswet heeft zij geen recht meer op bijstandverstrekking. Daarvoor
ontving zij een eenoudergezin-uitkering t.b.v. haar en haar minderjarige
zoontje N. Sinds 1 december 1998 heeft zij een Rvb-uitkering. Deze is echter
alleen bedoeld voor M., gezien het feit dat N. de Nederlandse nationaliteit
heeft. De vader van N. is al jaren spoorloos. Haar bezwaar tegen de afwijzing
van haar aanvraag om een bijstandsuitkering ten behoeve van N. wordt gegrond
verklaard. Met ingang van 17 december 1998 wordt alsnog een bijstandsuitkering
toegekend ten behoeve van N. ter hoogte van het verschil tussen de norm
voor een alleenstaande ouder en de norm voor een alleenstaande, dat wil
zeggen twintig procent van de bijstandsnorm voor gehuwden ouder dan 21
jaar onder verrekening van het bedrag waarmee M.’s inkomsten de norm voor
een alleenstaande van 21 jaar en ouder overschrijdt.

Volledige tekst

Herziene beschikking op het bezwaar ingevolge de Algemene wet bestuursrecht
naar aanleiding van een beschikking ingevolge de Algemene bijstandswet

Geachte mevrouw M.,

Door u is beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank naar aanleiding
van de beschikking op bezwaarschrift van 5 maart 1999, verzenddatum 10
maart 1999.
Heroverweging van deze zaak geeft ons aanleiding ons standpunt te wijzigen.
Voor de feiten, die betrekking hebben op deze aangelegenheid, wordt verwezen
naar de beschikking op bezwaarschrift van 5 maart 1999.
Ten aanzien van de overige relevante feiten is ons nog het volgende gebleken.
Ingaande 1 december 1998 ontvangt u een toelage c.q. dekking van de kosten
van medische verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen aan
bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb). De toelage bedroeg vanaf de maand
december 1998 ƒ 1.488,43 per maand.

Met betrekking tot uw bezwaren tegen het besluit van 24 november 1 998
hebben wij het volgende overwogen.
Op grond van artikel 11, eerste lid van de Abw kunnen burgemeester en wethouders
aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden,
in afwijking van paragraaf 1 bijstand verlenen indien zeer dringende redenen
daartoe noodzaken. Ingevolge het bepaalde in artikel 13, eerste lid van
de Abw stemmen burgemeester en wethouders de bijstand en de daaraan verbonden
verplichtingen af op omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokken
persoon.
De voorgeschreven werkwijze ten aanzien van de zogenaamde ‘overgangsgevallen’
van de Koppelingswet schrijft voor dat er een gesprek met de betrokken
cliënt moet worden gevoerd. De cliënt, die nog niet (of niet meer) een
geldige verblijfstitel heeft, krijgt recht op nog twee weken bijstand na
de datum van het gesprek. In het geval dat er minderjarige kinderen betrokken
zijn kan worden besloten dat het recht op bijstand zal bestaan nog gedurende
vier weken. Volgens de werkvoorschriften van de Sociale Dienst Amsterdam
in de situatie wanneer een onderhoudsplichtige ouder die zelf geen recht
op bijstand heeft bijstandverstrekking ten behoeve van het kind wel mogelijk
is. Er moet worden onderzocht of er een andere ouder is op wie een beroep
kan worden gedaan. Is dit niet het geval dan kan met toepassing van artikel
11 van de Abw recht op algemene bijstand bestaan. De hoogte van de bijstand
is afwijkend vastgesteld op basis van artikel 13, eerste lid van de Abw.
Het bedrag is gelijk aan het verschil tussen de norm voor een alleenstaande
ouder en de norm voor een alleenstaande ouder. Dit is 20% van de bijstandsnorm
voor gehuwden ouder dan 21 jaar. De bijstandsuitkering wordt toegekend
aan de niet rechthebbende ouder. Deze uitkering staat ook wel bekend als
de ‘babyuitkering’.
Ons is gebleken dat u op grond van de bovengenoemde beleidsregels tot en
met 16 december 1998 recht heeft op bijstand naar de norm van een alleenstaande
ouder van 21 jaar en ouder, verhoogd met een gemeentelijke toeslag ter
grootte van 20% van het nettominimumloon. Met ingang van 17 december 1998
heeft u recht op de ‘babyuitkering’. De hoogte van deze uitkering is 20%
van de bijstandsnorm voor gehuwden van 21 jaar en ouder onder verrekening
van het bedrag waarmee uw inkomsten de norm voor een alleenstaande van
21 jaar en ouder overschrijdt.

Nu aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen hebben wij er op grond
van het bepaalde in artikel 7:3 aanhef onder de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) vanaf gezien om u en uw gemachtigde uit te nodigen om het bezwaarschrift
tijdens een hoorzitting mondeling toe te lichten.

Derhalve hebben wij – in onze vergadering van 18 februari 2000 – besloten
uw bezwaren gegrond te verklaren en te bepalen dat in de beschikking d.d.
24 november 1998 genoemde beëindigingsdatum wordt gewijzigd in 17 december
1998 en dat aan u met ingang van 17 december 1998 met inachtneming van
het hiervoor overwogenen een ‘babyuitkering’ wordt toegekend.

Hoogachtend,
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam
R. Hoff, Loco-Secretaris S. Patijn, Burgemeester

Rechters