Instantie: Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, 22 december 1999

Instantie

Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven

Samenvatting


Seksueel misbruik door psychiater. Verzoekster werd behandeld wegens (onder
meer) incestverleden. Psychiater had gedurende behandelsessies meermalen
gemeenschap met haar. De strafzaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.
De Commissie oordeelt dat sprake is van een opzettelijk gepleegd
geweldsmisdrijf omdat de dader misbruik heeft gemaakt van zijn positie als
behandelaar (daarin zit het geweldsaspect), en kent aan verzoekster een
schadevergoeding toe van ƒ 2.179 materieel en ƒ 5.000 immaterieel.

Volledige tekst

Algemeen

Ingevolge artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: de Wet)
kan een uitkering worden gedaan aan degene aan wie door een opzettelijk
gepleegd geweldsmisdrijf ernstig letsel is toegebracht.

Geweldsmisdrijf

Op grond van het onderzoek dat namens de Commissie Schadefonds
Geweldsmisdrijven (hierna: de Commissie) is ingesteld is aannemelijk geworden
dat jegens verzoekster in de periode van 1 april 1992 tot 10 februari 1994 te
A. opzettelijk een geweldsmisdrijf is gepleegd, waardoor aan haar ernstig
letsel is toegebracht.

De uitkering

Ingevolge artikel 4 van de Wet wordt de uitkering naar redelijkheid en
billijkheid bepaald. De uitkering beloopt ten hoogste het bedrag van de door
het letsel veroorzaakte schade. Voor materiële letselschade is de
maximum-uitkering ƒ 50.000, voor immateriële letselschade is de
maximum-uitkering ƒ 20.000 (voor misdrijven die zijn gepleegd vóór 1 januari
1994 zijn deze maxima ƒ 25.000 respectievelijk ƒ 10.000).

Materiële letselschade

minder inkomen ƒ 0
reizen en vervoer ƒ 250
verhuizing/beveiliging ƒ 0
rechtsbijstand ƒ 1344
ziekenhuisverblijf ƒ 560
huishoudelijke/gezinshulp ƒ 25
totaal ƒ 2179

Voor de Commissie is niet aannemelijk geworden dat verzoekster ten gevolge
van het letsel, dat op bovengenoemde tijd en plaats is toegebracht, andere
dan de hierboven vermelde materiële letselschade heeft geleden, welke voor
uitkering uit het Schadefonds vatbaar zou zijn.

Immateriële schade

immateriële schade ƒ 5000

Advies

De medisch adviseur heeft inlichtingen ingewonnen bij het Riagg.
Het Riagg is volledig op de hoogte van het seksueel misbruik. De Riagg
medewerkster heeft geen twijfels over verzoeksters verklaringen. Volgens de
medisch adviseur leveren de verklaringen van het Riagg een bijdrage aan de
aannemelijkheid van een seksueel misdrijf.

Toetsing

is het misdrijf gepleegd op Nederlands grondgebied? Ja
is betrokkene nabestaande in zin der wet? n.v.t.
is het misdrijf gepleegd na 1 jan 1973? Ja
misdrijf voor 1 jan 1994: n.v.t.
binnen 6 maanden ingediend?
misdrijf na 1 jan 1994:
binnen 3 jaar ingediend? Ja. Binnen drie jaar.
lijdt nabestaande schade? n.vt.
is er sprake van een opzettelijk gepleegd geweldmisdrijf? Ja
Op grond van het advies van de medisch adviseur, die concludeert dat de
verkregen inlichtingen, een bijdrage leveren aan de aannemelijkheid van een
seksueel misdrijf, stel ik voor een geweldsmisdrijf aannemelijk te achten.
Verzoekster zocht hulp bij haar psychiater i.v.m. het relatieproblemen en
vanwege het feit dat ze in het verleden seksueel is misbruikt. Dader heeft
misbruik gemaakt van zijn positie als behandelaar (hierin zit m.i. het
geweldselement). Verzoekster heeft meerdere malen aangegeven dat zij geen
seksuele relatie met dader wilde, maar dader heeft op verzoekster ingepraat
en heeft geen rekening gehouden met de gevoelens van verzoekster.
is er sprake van ernstig letsel? Ja
is er sprake van medeschuld? Nee
wordt de schade op andere wijze vergoed? Nee N.v.t. want dader wordt niet
vervolgd

kan betrokkene de schade zelf dragen? n.v.t.

Materiële schade

minder inkomen ƒ 0
reizen en vervoer ƒ 100 ƒ 250
verhuizing/beveiliging ƒ 11 000 ƒ 0
rechtsbijstand ƒ 1 372 ƒ 1344
ziekenhuisverblijf ƒ 560 ƒ 560
huishoudelijke/gezinshulp ƒ 25 ƒ 25
ƒ 2179

Toelichting

minder inkomen
Volgens de medische rapportages van de bedrijfsarts is verzoekster op 24
maart 1992 uitgevallen als gevolg van seksueel misbruik. Verzoekster werkte
sinds 1990 als produktiemedewerkster. Volgens de werkgever van verzoekster is
verzoeksters uitkering gedurende de eerste twee jaar na uitval volledig
aangevuld. Verzoekster is op dit moment voor 100% afgekeurd. Verzoeksters
laatstverdiende loon bedroeg ƒ 3121,60 bruto per 4 weken. Verzoekster
ontvangt sinds 24 maart 1994 een WAO-uitkering van (toen) ƒ 2.404,25 bruto
per 4 weken. Ik stel voor de volgende berekening te hanteren:
Schade jaar 1 (’92-’93): ƒ 0 (100% aanvulling)
Schade jaar 2 (’93-’94): ƒ 0 (100% aanvulling)
Schade jaar 3 (’94-’95): ƒ 6.546,53 (ƒ 3.121,60 – ƒ 2.404,25 =
ƒ 717,35 x 13 maanden x 1.08 x 65%)
Forfait (5-3) ƒ 13.093,07 (2 x ƒ 6.546,53)
+++++++++++++++++++++
Totaal ƒ 19.639,59

Cie. 20-12-1999: geen inkomstenderving: uitval was al voor het misdrijf.

reizen en vervoer
Reiskosten naar politieburo en Riagg. Tevens heeft verzoekster tijdens haar
opname iedere dag bezoek gehad van haar echtgenoot, aannemelijk.

verhuizing/beveiliging
Verzoekster verklaart verhuisd te zijn. Gelet op de aard van het misdrijf
acht ik geen causaal verband aanwezig tussen het misdrijf/letsel en de
verhuizing. Het misdrijf heeft namelijk niet in verzoeksters woning of
woonplaats plaatsgevonden. Derhalve stel ik voor deze schade verder buiten
beschouwing te laten.

rechtsbijstand
Verzoekster heeft van haar advocate een rekening van ƒ 1.372,02 gekregen
(gestaafd).
Volgens de urenspecificatie heeft de advocate in totaal 9 uur aan de zaak
besteed. Ik stel voor conform uw beleid 80% van het basisbedrag te vergoeden
(ƒ 1.308,48 + ƒ 35,25 = ƒ 1.343,73).

ziekenhuisverblijf
Verzoekster heeft in 1994 gedurende 8 weken op een Paaz-afdeling van het
ziekenhuis gelegen.

huishoudelijke/gezinshulp
Verzoekster heeft vóór haar opname korte tijd huishoudelijke hulp gehad omdat
ze het allemaal niet meer aan kon (gestaafd).

Immateriële schade

schaal IV ƒ 5000
++++++
ƒ 5000

Toelichting

schaal IV
Zedenmisdrijf met binnendringen, zonder geweld, gedurende langere periode.
Gelet op de frequentie van het misbruik en gelet op de afhankelijke positie
van verzoekster, stel ik voor een uitkering conform schaal 5 toe te kennen.
Cie. 20-12-1999: lagere immateriële schade. Veel van de klachten zijn
waarschijnlijk veroorzaakt door incest in de jeugd (in Turkije).

Totaal toe te kennen

wegens materiële schade ƒ 2179
wegens immateriële schade ƒ 5000
totaal ƒ 7179

Conclusie

Voorstel: Toewijzing.
Toelichting: Ik stel voor bovengenoemd bedrag uit te keren.
Clausule: Terugbetalen van hetgeen dader vergoedt.

(…)

Misdrijfgegevens

Tijdstip: In de periode van 1 april 1992 tot 10 februari 1994, 0:00 uur.
Plaats: A.
Locatie: Overig praktijk dader

Kwalificatie:
Artikel 249, ontucht met misbruik van gezag. seksueel misbruik met patient

Datum aangifte: 11 april 1994.

Toedracht:
Verzoekster verklaart misbruikt te zijn door haar psychiater (dader).
Verzoekster werd vanwege relatieproblemen en een incestverleden behandeld
door dader. Verzoekster werd in haar jeugd namelijk seksueel misbruikt door
verschillende mannelijke familieleden en buurmannen. Verzoekster heeft
hierdoor een afkeer van sex gekregen en wilde niet meer met haar echtgenoot
vrijen. Verzoekster heeft de Turkse nationaliteit en heeft erg veel moeite om
over haar seksuele problemen te praten. Tijdens de behandelsessies zei dader
dat hij verzoekster mooi vond en dat verzoekster meer liefde nodig had. Dader
zei tevens dat verzoeksters echtgenoot niets waard was en dat verzoekster
moest scheiden. Dader begon steeds meer op verzoekster in te praten. Dader
sloeg vaak zijn arm om verzoekster heen en riep dan ‘was ik maar jouw man’.
Verzoekster was tijdens de behandelingen regelmatig in tranen en kon op een
gegeven moment geen weerstand meer aan dader bieden en heeft tegen haar wil
meermalen gemeenschap met dader gehad.

Dader ontkent een seksuele relatie met verzoekster te hebben gehad.

Dadergegevens

Naam: G.
Geboortedatum: (…) 1965
Relatie met so: Gezagsverhouding
Strafzaak: Gebrek aan bewijs. Sepot 02
Vordering so: Nee
Toegewezen: ƒ
Reeds betaald: ƒ

Letselgegevens

Lichamelijk: Geen
Geestelijk: Depressief, concentratieproblemen en nachtmerries (verzoekster is
onder behandeling bij het Riagg)
MA: J.C.B.M. Rensing

Bij het bepalen van de hoogte van de uitkering wegens immateriële
letselschade heeft de Commissie rekening gehouden met de hoogte van
uitkeringen die aan andere verzoekers in vergelijkbare omstandigheden zijn
toegekend.

Beslissing

Op grond van het bovenstaande kent de Commissie aan verzoekster de navolgende
uitkering toe:

wegens materiële schade ƒ 2179
wegens immateriële schade ƒ 5000
totaal ƒ 7179

Bijzondere bepalingen

Ingevolge artikel 6, lid 1 van de Wet wordt geen uitkering toegekend voor
schade waarin op andere wijze is of kan worden voorzien. Het kan zijn dat
verzoekster voor de schade waarvoor een uitkering uit het fonds is toegekend,
inmiddels andere betalingen heeft ontvangen of dat zij deze alsnog zal
ontvangen, bijvoorbeeld verzekeringsuitkeringen, vergoedingen door de dader
of betalingen op grond van een aan de dader opgelegde
schadevergoedingsmaatregel. Deze betalingen moeten onverwijld aan de
Commissie worden gemeld. De Commissie zal in dat geval onderzoeken of
verzoekster een bedrag aan het Schadefonds moet terugbetalen en zal hierover
een nadere beslissing nemen. Over bedragen die op grond van een
schadevergoedingsmaatregel door Justitie worden geïncasseerd, wordt de
Commissie ook ambtshalve geïnformeerd.

(…)

Rechters

Mr. Jalink

Instantie: Rechtbank Breda, 20 december 1999

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Na een medische fout bij een operatieve bevalling overlijdt de echtgenote van
B. B. blijft achter met drie kinderen, nul, zeven en tien jaar oud. B. werkte
tot aan het overlijden van zijn echtgenote gemiddeld zestig uur per week, en
wenst een vergoeding van huishoudelijke hulp door professionele krachten
gedurende zestig uur per week. De president van de rechtbank gaat uit van een
abstracte schadeberekening op basis van de aanname dat B. voltijd zou blijven
werken en voor de tijd dat hij daardoor uit het gezin afwezig was gezinszorg
zou hebben ingekocht. Als abstracte schade is aannemelijk het
bruto-jaarsalaris van twee gezinsverzorgsters, ieder op basis van dertig uur
per week. Aannemelijk is dat elk van deze werkneemsters een bruto loonsom van
ƒ 50.000 op jaarbasis kost, zodat deze schadepost is te stellen op ƒ 100.000
per jaar. Op basis van deze berekening wordt in kort geding een vergoeding
over de voorafgaande periode en over het gehele volgende kalenderjaar
toegewezen.

Volledige tekst

(…)

2. HET GESCHIL

Eiser vordert, bij vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde
te veroordelen om binnen 2 x 24 uur na betekening van het in deze te wijzen
vonnis aan hem te betalen een bedrag groot ƒ 177.060 of ieder ander bedrag
dat redelijk en billijk toeschijnt, zulks ter betaling van de door eiser te
maken kosten van (professionele) hulp c.a. voor het jaar 2000.
Gedaagde heeft de vordering bestreden.

3. DE VOORLOPIGE BEOORDELING EN DE GRONDEN DAARVOOR.

3.1 Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de
overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:
– Op (…) 1998 is de echtgenote van eiser overleden aan de gevolgen van een
operatieve bevalling in het ziekenhuis van gedaagde. Twee verbandgazen waren
in haar buikholte achtergebleven en aan de complicaties, opgetreden bij de
operatieve verwijdering daarvan enige dagen later, overleed zij.
– Gedaagde heeft aansprakelijkheid erkend, en Nationale Nederlanden heeft als
verzekeraar de afhandeling van de schade op zich genomen.
– Eiser procedeert namens zijn drie minderjarige kinderen, zulks na verkregen
toestemming van de kantonrechter te Bergen op Zoom van 7 december 1999.
– Tot het gezin van eiser behoren voornoemde drie minderjarigen, toen 10, 7
en 0 jaar.

3.2 Eiser stelt dat hij, met name vanwege zijn drukke werkzaamheden niet in
staat is zijn kinderen zelf de vereiste zorg te geven. Eiser stelt dat hij
tot aan het overlijden van zijn vrouw gemiddeld 60 uur per week werkte,
inclusief enige overnachtingen per maand in het buitenland.
Eiser verwijt gedaagde, althans de verzekeraar van gedaagde en de door deze
ingeschakelde personen/bedrijven, verregaande vertraging in de afwikkeling
van de door het overlijden ontstane schade. Hij wenst met name spoedige
zekerheid omtrent de uitgangspunten waarop gedaagde in de toekomst zijn
schade gaat vergoeden, zodat hij zijn leven en dat van de kinderen daarop kan
gaan inrichten.
Eiser wenst vergoeding van huishoudelijke hulp door (een of meer)
professionele krachten gedurende 60 uur per week, zodat hij in staat zal zijn
de werkzaamheden die hij voor het overlijden van zijn echtgenote verrichtte,
ook in de toekomst te blijven verrichten. De daaraan gekoppelde kosten heeft
eiser becijferd op een bedrag van ƒ l77.060 per kalenderjaar.

3.3 Gedaagde heeft betoogd dat de vertraging in de afwikkeling van de schade
met name is veroorzaakt doordat partijen met betrekking tot de wijze van
vaststelling van de schade aanvankelijk een verkeerde weg waren ingeslagen,
maar dat ook eiser thans kennelijk kiest voor een abstracte benadering van de
schade, waarbij eiser zijn werkzaamheden blijft verrichten zoals hij gewend
was en de kinderen gedurende die tijd aan professionele hulp worden
toevertrouwd. Gedaagde meent dat zij met een voorschot van tot heden in
totaal ƒ 100.000 voldoende heeft voorzien in de daarop betrekking hebbende
financiële behoefte.

3.4 Als uitgangspunt voor de schadeberekening zal in bodemgeding
waarschijnlijk genomen worden datgene waar partijen zich in dit kort geding
gemeenschappelijk in lijken te vinden, namelijk een abstracte
schadeberekening op basis van de aanname dat eiser voltijds zou zijn blijven
werken en voor de tijd dat hij daardoor uit het gezin afwezig was gezinszorg
zou hebben ingekocht.
Deze kosten zijn als redelijke en passende uitgaven te beschouwen in de
concrete gezinssituatie waarin eiser kwam door het overlijden van zijn
echtgenote. In de zorg voor de kinderen was continuïteit en kwaliteit
redelijkerwijs gewenst, en, naar het zich najaar 1998 liet en nog steeds laat
aanzien, voor langere tijd.
Deze benaderingswijze van de schadeberekening had de verzekeraar van gedaagde
in het kader van het door haar toegezegde en van haar ook onafhankelijk
daarvan te verlangen actieve schaderegelingsbeleid reeds onmiddellijk kunnen
en behoren te kiezen.
Partijen gaan daarbij beide uit van een gemiddelde behoefte van 60 uur arbeid
per week.
Als abstracte schade is aannemelijk het bruto-jaarsalaris van twee
gezinsverzorgsters, ieder op basis van 30 uur per week.
Onbegrijpelijkerwijs is gedaagde (in feite Nationale Nederlanden) niet in
staat of bereid om ter zitting zelfs maar aan te geven aan welke
salariscategorie hierbij gedacht moet worden.
Inschattend is aannemelijk dat elk van deze werkneemsters aan de werkgever
een bruto loonsom van ƒ 50.000 op jaarbasis kost, zodat deze schadepost is te
stellen op ƒ 100.000 per jaar voor de periode dat deze omvang van zorg, 60
uur per week, nodig zal zijn.
Het vorenoverwogene leidt ertoe dat tot 18 september 1999 reeds ƒ 100.000 aan
schade is geleden en dat vanaf die datum tot heden een schade is geleden van
omstreeks drieëneenhalve maand (± ƒ 29.000). Bevoorschot is ƒ 100.000, zodat
eind 1999 reeds een tekort aanwezig is van ƒ 29.000. Voor het gehele jaar
2000 is een schade te voorzien van ƒ 100.000.
De President leest de toevoeging in het petitum ‘zodat eiser kan betalen de
door hem te maken kosten van (professionele) hulp c.a. voor het jaar 2000′
niet als een beperking ten aanzien van het gevorderde bedrag.
Het gevorderde bedrag is tot een bedrag van ƒ 129.000 toewijsbaar op grond
van vorenstaande berekening voor zover betreft reeds opgekomen schade en
redelijkerwijs te begroten schade die gedaagde ook bij wege van voorschot
behoort te betalen in het licht van behoorlijke behandeling van deze zaak.

3.5 Anders dan gedaagde stelt is de uitkering van de sommenverzekeringen niet
van belang voor de schadeberekening. Gedaagde heeft niet uiteengezet dat en
waarom deze verzekeringen van zo bijzondere aard waren dat afgeweken zou
behoren te worden van het uitgangspunt dat zij niet van invloed zijn.

3.6 Spoedeisend belang van eiser bij het bieden van structuur bij de
schadeberekening is aanwezig. Deze had reeds geboden dienen te worden in het
najaar van 1998 door de verzekeraar van gedaagde.
Vaststaat dat eiser q.q. zelf psychisch ernstig is aangeslagen door het
gebrek aan actief schaderegelingsbeleid van Nationale Nederlanden. Dit raakt
onmiddellijk het belang van de kinderen, die er dus spoedeisend belang bij
hebben dat hun vader tot rust kan komen.
Spoedeisend belang bij de bevoorschotting als thans gevorderd is eveneens
vanzelfsprekend.

3.7 Samenvattend:
De vordering is voldoende aannemelijk om in kort geding toewijsbaar te zijn.
Spoedeisend belang is aanwezig. Over restitutierisico is door gedaagde niet
gesproken.
De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van, afgerond, ƒ
130.000.

4. De kosten
Gedaagde dient als de hoofdzakelijk in het ongelijk te stellen partij te
worden verwezen in de kosten van het geding.
(…)

Rechters

Mr. Leijten

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 17 december 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Indien – na afweging van alle daarvoor in aanmerking komende omstandigheden –
aangenomen wordt dat sprake is van een samenleven als bedoeld in art. 1-160
BW, is het gevolg daarvan dat van rechtswege een definitief einde komt aan de
onderhoudsplicht van de gewezen echtgenoot. Bijzondere omstandigheden kunnen
er niet toe leiden dat deze bepaling buiten toepassing wordt gelaten, ook
niet indien toepassing hiervan voor de alimentatiegerechtigde onredelijke
gevolgen heeft. Die bijzondere omstandigheden kunnen slechts een rol spelen
bij de beoordeling van de vraag of van een samenleven als hier bedoeld sprake
is, waarbij aan de motivering van een bevestigende beantwoording van die
vraag hoge eisen moeten worden gesteld.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 2 december 1997 ter griffie van de Rechtbank te Arnhem ingekomen
verzoekschrift heeft verweerder in cassatie – verder te noemen: de man – zich
gewend tot die Rechtbank en verzocht:

I primair: de door hem aan verzoekster tot cassatie – verder te noemen: de
vrouw – verschuldigde bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 1 maart
1995, althans met ingang van 1 juni 1996, althans vanaf de datum van
indiening van dit verzoekschrift op nihil te stellen; subsidiair: de door hem
ten behoeve van de vrouw verschuldigde bijdrage in het levensonderhoud op een
zodanig bedrag vast te stellen en met ingang van een zodanige datum als de
Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

II primair: de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen ƒ 83 917,56,
zijnde de door de man sinds 1 maart 1995 onverschuldigd betaalde
partneralimentatie, althans het bedrag waarmee de vrouw zich sedertdien ten
koste van de man onrechtvaardig heeft verrijkt, te vermeerderen met de
wettelijke rente vanaf het moment waarop deze door de man is voldaan, althans
vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift; subsidiair: de vrouw te
veroordelen om aan de man de betalen ƒ 44 804,94, zijnde de door de man sinds
1 juni 1996 onverschuldigde partneralimentatie, althans het bedrag waarmee de
vrouw zich sedertdien ten koste van de man onrechtvaardig heeft verrijkt, te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop deze door de man
is voldaan, althans vanaf het moment van indiening van dit verzoekschrift;
uiterst subsidiair: de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen de door
de man sedert de indiening van het verzoekschrift betaalde
partneralimentatie, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de
procedure, die van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen.
De vrouw heeft de verzoeken van de man bestreden. De Rechtbank heeft bij
beschikking van 14 juli 1998 de verzoeken van de man en het meer of anders
verzochte afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep
ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Bij beschikking van 9 februari 1999
heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank te Arnhem van 14 juli 1998
vernietigd en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de onderhoudsverplichting
van de man jegens de vrouw, vastgesteld bij vonnis van de Rechtbank te Arnhem
van 28 maart 1991, met ingang van 1 januari 1998 is geëindigd, de vrouw
veroordeeld om aan de man terug te betalen de door de man aan de vrouw over
de periode vanaf 1 januari 1998 onverschuldigd betaalde alimentatie, en het
meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van
het beroep.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1. Partijen zijn in 1969 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van 28 maart 1991 is
echtscheiding tussen hen uitgesproken. In dat vonnis, dat op 29 april 1991 is
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is bepaald dat de man
aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen ƒ
2210 per maand. Die bijdrage is inmiddels door de wettelijke indexering
verhoogd.

3.2. De man heeft, kort samengevat en voorzover in cassatie nog van belang,
aan de Rechtbank verzocht deze bijdrage nader te bepalen op nihil met ingang
van 1 maart 1995, althans 1 juni 1996, althans vanaf de datum van indiening
van het verzoekschrift, met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling van
de onverschuldigd betaalde alimentatie. De man heeft aan zijn (primaire)
verzoeken ten grondslag gelegd dat de vrouw met een ander (E.) is gaan
samenleven als waren zij gehuwd. De Rechtbank heeft de verzoeken van de man
afgewezen.

3.3. In het hoger beroep van de man is het Hof tot een ander oordeel gekomen.
Het Hof heeft vastgesteld (i) dat de vrouw en E. vanaf 3 juli 1995 tot het
najaar van 1997 hebben samengewoond, (ii) dat zij een affectieve relatie
hadden waarvan aannemelijk is dat deze duurzaam was, (iii) dat zij de kosten
van de gezamenlijke huishouding deelden en over en weer taken in die
huishouding op zich namen, en (iv) dat sprake is geweest van wederzijdse
verzorging. Anders dan de Rechtbank heeft het Hof in de door de vrouw
aangevoerde omstandigheid dat de samenwoning van haar en E. voortvloeide uit
het feit dat de oudste zoon van E., R., bij wie botkanker was geconstateerd,
de door hen verleende verzorging en verpleging nodig had, geen reden gezien
te oordelen dat deze samenleving niet gelijk te stellen is met een
samenleving als waren zij gehuwd. Tegen dat oordeel keert zich het middel.

3.4. Het eerste onderdeel van het middel betoogt dat het Hof weliswaar van de
juiste criteria is uitgegaan, doch bij de toepassing daarvan onvoldoende
aandacht heeft geschonken aan de bijzondere omstandigheden die zich hier
hebben voorgedaan, zodat het Hof in strijd heeft gehandeld met de – tot een
terughoudende toepassing nopende – strekking van artikel 1:160 BW.

3.5. Het onderdeel faalt. Het Hof is uitgegaan van een juiste maatstaf. De
wijze waarop het Hof die maatstaf in het onderhavige geval heeft toegepast
geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met
waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet verder op zijn juistheid
worden getoetst. Het oordeel van het Hof is ook niet onbegrijpelijk en het
voldoet aan de in gevallen als deze te stellen hoge motiveringseisen.

3.6. Indien na weging van alle daarvoor in aanmerking komende omstandigheden
aangenomen wordt dat sprake is van een samenleving als bedoeld in artikel
1:160 BW, is het door de wet bedoelde gevolg daarvan dat van rechtswege een
definitief einde komt aan de onderhoudsplicht van de gewezen echtgenoot van
de onderhoudsgerechtigde. Daarmee is niet verenigbaar dat deze bepaling
buiten toepassing wordt gelaten op grond van “bijzondere” omstandigheden die
dit gevolg voor de onderhoudsgerechtigde onredelijk doen zijn. Die
omstandigheden kunnen slechts een rol spelen bij de beoordeling van de vraag
of van een samenleving als hier bedoeld sprake is, waarbij aan de motivering
van een bevestigende beantwoording van die vraag juist in verband met de
ernstige gevolgen voor de onderhoudsgerechtigde hoge eisen moeten worden
gesteld. Het tweede onderdeel van het middel, dat een andere opvatting
voorstaat, treft daarom geen doel.

3.7. Aan het derde onderdeel van het middel ligt de veronderstelling ten
grondslag dat het Hof ervan is uitgegaan dat de vrouw en E. ook al in de
periode voorafgaand aan 3 juli 1995 hebben samengeleefd als waren zij gehuwd.
Die veronderstelling is echter onjuist, zodat het middel feitelijke grondslag
mist en om die reden niet tot cassatie kan leiden.

4. BESLISSING

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

CONCLUSIE A-G MR. LANGEMEIJER

In deze alimentatiezaak is een beroep gedaan op art. 1:160 BW (samenleven als
waren zij gehuwd). In cassatie staat de uitleg van die bepaling centraal.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Partijen zijn in 1969 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van 28 maart 1991 is
de echtscheiding uitgesproken. Het vonnis is op 29 april 1991 ingeschreven in
de registers van de burgerlijke stand. Bij dit vonnis is de door de man aan
de vrouw verschuldigde partneralimentatie vastgesteld op ƒ 2210 per maand;
door de wettelijke indexering is het bedrag inmiddels verhoogd.

1.2. Bij een op 2 december 1997 ingediend verzoekschrift heeft de man aan de
rechtbank te Arnhem verzocht de partneralimentatie op nihil te stellen
ingaande 1 maart 1995, althans ingaande 1 juni 1996, althans ingaande op de
datum van indiening van het verzoekschrift. Tevens verzocht hij de vrouw te
veroordelen tot terugbetaling van de alimentatie die hij zijn inziens
onverschuldigd heeft betaald over dit tijdvak. Aan zijn verzoek heeft de man
primair ten grondslag gelegd dat zijn alimentatieverplichting ingevolge het
bepaalde in art. 1:160 BW van rechtswege is geëindigd doordat de vrouw is
gaan samenleven met een ander (de heer E.) als waren zij gehuwd. Subsidiair
heeft de man aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de behoefte van de
vrouw zodanig is afgenomen dat de alimentatie op grond van gewijzigde
omstandigheden vanaf de genoemde data behoort te worden verminderd tot nihil.
Ter onderbouwing van zijn stelling over het samenleven heeft de man onder
meer gewezen op verklaringen, afgelegd in het kader van een voorlopig
getuigenverhoor.

1.3. Nadat de vrouw verweer had gevoerd, heeft de rechtbank bij beschikking
van 14 juli 1998 zowel het primaire als het subsidiaire verzoek afgewezen. De
rechtbank heeft allereerst in rov. 1.2 en 1.3 een aantal feiten als
vaststaand aangenomen. Zo heeft de rechtbank o.m. vastgesteld dat de vrouw
een affectieve relatie heeft met de heer E., dat genoemde E. (zelf gescheiden
in november 1995) tot februari 1995 een woning heeft gehad in H., dat hij van
februari 1995 tot 1 augustus 1997 een kamer heeft gehuurd in G., dat dhr. E.
en de vrouw van 3 juli 1995 tot het najaar van 1997 onder één dak hebben
gewoond in de woning van de vrouw, dat dhr. E. per 1 augustus 1997 een woning
heeft gehuurd in H. en medio september 1997 een andere woning in H. heeft
betrokken. De rechtbank, gesteld voor de vraag of er sprake was van
“samenleven met een ander als waren zij gehuwd” in de zin van art. 1:160 BW,
heeft drie tijdvakken onderscheiden.

1.4. Voor wat betreft het tijdvak van 1 maart 1995 tot 3 juli 1995, achtte de
rechtbank door de getuigenverklaringen niet bewezen dat er sprake is geweest
van samenleven van de vrouw met dhr. E. als waren zij gehuwd (rov. 1.4 Rb).
Voor wat betreft het tijdvak van 3 juli 1995 tot eind mei 1996, achtte de
rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt “dat het samenleven van de vrouw en
E. in die periode een uit de nood geboren situatie betrof”: in dit tijdvak
hebben de verpleging en verzorging van de op 3 juli 1995 ernstig ziek
geworden en op 29 mei 1996 overleden zoon van E. centraal gestaan. De
rechtbank voegde daaraan toe dat de vrouw en E. vóórdat de zoon ziek werd
niet de intentie hadden om met elkaar te gaan samenwonen (rov. 1.5 Rb). Het
tijdvak van 29 mei 1996 tot augustus 1997 werd volgens de rechtbank
gekenmerkt door het rouwproces en de depressie waarin dhr. E. terecht was
gekomen: in deze periode is volgens de rechtbank wel sprake geweest van
éénzijdige verzorging van E. door de vrouw, maar niet van wederzijdse
verzorging (rov. 1.6 Rb).

1.5. De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Bij
beschikking van 9 februari 1999 heeft het hof de beschikking van de rechtbank
vernietigd. Het hof constateert dat de vrouw heeft erkend dat er sprake is
van een affectieve relatie tussen haar en de heer E. en dat zij in de periode
van 3 juli 1995 tot 1 augustus 1997 met E. onder één dak heeft gewoond. Het
hof is, na in rov. 4.5 en 4.6 een aantal omstandigheden te hebben
weergegeven, van oordeel dat hier is voldaan aan de criteria voor het
aannemen van een “samenleven met een ander als waren zij gehuwd”. Het hof
heeft bepaald dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw
ingaande 1 januari 1998 (1) is geëindigd. Het hof heeft de vrouw
veroordeeld tot terugbetaling van de alimentatie welke de man over de periode
vanaf 1 januari 1998 onverschuldigd heeft betaald.

1.6. De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van
het hof, onder aanvoering van één middel van cassatie. De man heeft verweer
gevoerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. De onderdelen I en II van het middel hebben betrekking op de uitleg van
art. 1:160 BW. Deze bepaling is veelvuldig voorwerp van cassatieberoepen
geweest. Zie over de vraag, wat moet worden verstaan onder samenleven met een
ander als waren zij gehuwd, onder meer: “HR 11 juni 1976, NJ 1976, 512: HR 25
november 1977, NJ 1978, 291: HR 16 januari 1981, NJ 1981, 269: HR 10 april
1981, NJ 1981, 348: HR 2 april 1982, NJ 1982, 374 m.nt. EAAL: HR 22 februari
1985, NJ 1986, 82: HR 21 februari 1986, NJ 1986, 382: HR 2 mei 1986, NJ 1987,
377 m.nt EAA
: HR 14 januari 1994, NJ 1994, 333: HR 29 april 1994, NJ 1994, 625 m.nt WH-S:
HR 7 oktober 1994, NJ 1995, 61: HR 25 november 1994, NJ 1995, 299 m.nt JdB:
HR 12 april 1996, NJ 1997, 56 m.nt. JdB: HR 27 maart 1998, NJ 1998,
550;Asser-De Boer (1998) nrs. 645-649; losbl. Personen- en Familierecht,
aant. 3 op art. 1:160 BW (S.F.M. Wortmann); Van Mourik/Verstappen, Nederlands
vermogensrecht bij echtscheiding (1997) blz. 506-511.” Bij wet van 5 juli
1997, Stb. 324, i.w.tr. 1 januari 1998, is art. 1:160 BW gewijzigd in die zin
dat de onderhoudsverplichting niet alleen eindigt wanneer de
alimentatiegerechtigde met een ander in het huwelijk treedt, maar ook wanneer
de alimentatiegerechtigde met een ander een geregistreerd partnerschap
aangaat op de voet van art. 1:80a BW. Voor het onderhavige geschil heeft deze
wetswijziging geen gevolgen.

2.2. Onderdeel I behelst de klacht dat het hof heeft miskend dat een
redelijke uitleg en een redelijke toepassing van art. 1:160 BW, mede gelet op
de bijzonderheden van het onderhavige geval, met zich meebrengen dat de
betrekking die tussen de vrouw en dhr. E. heeft bestaan niet kán worden
aangemerkt als een “samenleven met een ander als waren zij gehuwd”.
Subsidiair acht de vrouw de redengeving ontoereikend. Onderdeel II hangt met
het voorgaande samen en houdt in dat het hof heeft miskend dat de inhoud en
uitkomst van de bestreden beschikking ten opzichte van de vrouw “zodanig
onredelijk zijn dat het hof op grond daarvan had moeten beslissen dat van een
concubinaat als bedoeld in art. 1:160 BW geen sprake is”.

2.3. De hoofdregel van art. 1:160 BW houdt in dat de onderhoudsplicht van de
gewezen echtgenoot van rechtswege eindigt wanneer de alimentatiegerechtigde
met een ander in het huwelijk treedt (of een geregistreerd partnerschap
aangaat) (2). Aan deze hoofdregel heeft de wetgever, in de vorm van
het amendement-Geurtsen, toegevoegd dat de onderhoudsplicht ook eindigt
indien de alimentatiegerechtigde is gaan samenleven met een ander “als waren
zij gehuwd”. Deze toevoeging is bedoeld om te vermijden dat ongelijke
gevolgen worden verbonden aan situaties die weliswaar formeel verschillend
zijn (huwelijk/ongehuwd samenleven) maar die voor de onderhavige regeling
materieel als gelijk zijn te waarderen. Bovendien heeft aan deze toevoeging
de wens ten grondslag gelegen te voorkómen dat, ter wille van de
rechtsgevolgen, aan een concubinaat de voorkeur zal worden gegeven boven een
tweede huwelijk. (3) Het gevolg van de hoofdregel voor de
alimentatiegerechtigde – te weten: een definitief verlies van de
alimentatieaanspraak jegens de eerste echtgenoot – wordt verzacht doordat
hiertegenover jegens de nieuwe echtgenoot aanspraak ontstaat op onderhoud
gedurende het huwelijk (1:81 BW), respectievelijk op alimentatie indien ook
het tweede huwelijk door echtscheiding wordt ontbonden. De toegevoegde regel
van art. 1:160 BW echter, is onbarmhartig ten opzichte van de
alimentatiegerechtigde die ongehuwd met een ander gaat samenwonen: hij of zij
verliest de alimentatieaanspraak jegens de eerste echtgenoot en heeft evenmin
een wettelijke aanspraak op onderhoud jegens de nieuwe partner. Het is
vanwege deze ingrijpende consequentie, dat het begrip “samenleven met een
ander als waren zij gehuwd” in de rechtspraak terughoudend wordt uitgelegd.

2.4. Op deze consequentie is reeds tijdens de parlementaire behandeling
gewezen. In de praktijk wordt als probleem ervaren, dat een vrijblijvend
samenleven niet mogelijk is: de alimentatiegerechtigde echtgenoot, die na de
scheiding een nieuw gezinsleven wil beginnen maar niet het risico wil lopen
op een bijstandsuitkering aangewezen te raken wanneer ook de tweede relatie
spaak zou lopen, komt in feite voor de keuze te staan: hetzij te huwen, zodat
een aanspraak op onderhoud jegens de nieuwe partner ontstaat, hetzij geheel
van samenleven met een nieuwe partner af te zien. (4)

2.5. Een economisch georiënteerde benadering van dit probleem zou zijn, het
begrip “samenleven met een ander als waren zij gehuwd” te beperken tot die
gevallen waarin de nieuwe partner, zonder daartoe wettelijk verplicht te
zijn, contractueel op zich heeft genomen aan de alimentatiegerechtigde
middelen voor levensonderhoud te verschaffen, óók indien de
samenlevingsrelatie onverhoopt tot een einde zou komen. Deze beperking
voorkómt de bovenbedoelde lacune waarbij de vrouw noch van haar eerste
echtgenoot, noch van haar (gewezen) nieuwe partner alimentatie ontvangt. Voor
de alimentatieplichtige eerste echtgenoot is een dergelijke benadering
evenwel moeilijk te accepteren, omdat de alimentatiegerechtigde
emotioneel/relationeel heeft gekozen voor de lotsverbondenheid met een andere
partner, “for better and for worse”, en daarmee de lotsverbondenheid met de
vroegere echtgenoot – van welke lotsverbondenheid de alimentatieplicht het
gevolg is – als het ware heeft prijsgegeven. In HR 27 maart 1998, NJ 1998,
550 werd overwogen: “Aan deze bepaling liggen de volgende gedachten ten
grondslag. In geval van een nieuw huwelijk kan van de oorspronkelijke
echtgenoot niet worden gevergd dat hij de alimentatiebetaling voortzet, ook
niet indien de nieuwe echtgenoot niet of niet voldoende draagkracht zou
hebben om in het levensonderhoud van die wederpartij te voorzien en evenmin
indien het nieuwe huwelijk op zijn beurt geëindigd zou zijn. De hertrouwende
echtgenoot treedt immers in een nieuwe levensverhouding.” Hieruit valt op te
maken, dat de hier bedoelde, economisch georiënteerde benadering in het
geldend recht geen steun vindt.

2.6. Een tweede benadering van het probleem zou kunnen zijn, aan art. 1:160
BW een zodanige uitleg te geven, dat in geval van een samenleving met een
ander als waren zij gehuwd de onderhoudsplicht van de eerste echtgenoot
vervalt zo lang de samenleving voortduurt, maar niet definitief. De Hoge Raad
heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk verworpen in HR 2 mei 1986, NJ 1987,
377 (rov. 3.1), herhaald in HR 27 maart 1998, NJ 1998, 550 (rov. 3.4). Ook
deze benadering vindt in het geldend recht dus geen steun.

2.7. Een derde benadering wordt in het cassatiemiddel (onderdeel II)
geprobeerd: het buiten toepassing laten van art. 1:160 BW wanneer de
toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zou zijn. Asser-De Boer nr. 649 en Wortmann (aant. 3 op art.
1:160) achten een beroep op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in
beginsel mogelijk. In HR 23 april 1982, NJ 1982, 335, naar welke beslissing
deze auteurs verwijzen, ging het om een man die, hoewel ermee bekend dat zijn
ex-echtgenote met een ander samenleefde, nog enige tijd was doorgegaan met
betalen van alimentatie. Aangesproken tot verdere betaling, beriep hij zich
ten verwere op art. 1:160 BW. De vrouw stelde de vraag aan de orde of de
goede trouw zich ertegen verzette dat de man zich onder deze omstandigheden
op art. 1:160 BW beriep. De Hoge Raad beantwoordde de vraag ontkennend, maar
noemde daarbij uitdrukkelijk als factor van belang dat het (slechts) ging om
een verweermiddel tegen een vordering tot bijbetaling van alimentatie en niet
om de vraag of de man met een beroep op art. 1:160 BW de reeds door hem
betaalde bedragen als onverschuldigd betaald van de vrouw kon terugvorderen.
A contrario kan hieruit worden afgeleid dat in deze laatste situatie, die in
de richting gaat van rechtsverwerking, een beroep op de beperkende werking
van de goede trouw voor mogelijk wordt gehouden. Met de steller van het
middel zou ik het daarom in beginsel mogelijk achten art. 1:160 BW buiten
toepassing te laten indien de toepassing naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Weliswaar gaat het om een uit het
familierecht voortvloeiende rechtsbetrekking, maar één waarbij de openbare
orde niet rechtstreeks is betrokken.

2.8. Na deze inleiding kom ik toe aan de afzonderlijke onderdelen. In de
toelichting op onderdeel I wordt een aantal omstandigheden opgesomd, welke
het hof aanleiding zouden hebben moeten geven een andere beslissing te nemen.
Dit baat de vrouw niet. In HR 25 november 1994, NJ 1995, 299, werd overwogen
dat voor een “samenleven met een ander als waren zij gehuwd” niet alleen is
vereist dat de gescheiden echtgenoot en die ander elkaar wederzijds
verzorgen, maar ook dat zij met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke
huishouding voeren. Het hof heeft geen andere dan deze maatstaven aangelegd;
zie rov. 4.4. De termen “samenwonen” en “gemeenschappelijke huishouding”
veronderstellen een zekere duurzaamheid. Het hof heeft vastgesteld dat hier
sprake is geweest van een samenwoning met een duurzaam karakter en van een
gemeenschappelijke huishouding. Dit impliceert dat het hof voor dit tijdvak
de kamer, welke de man had gehuurd in G., niet als diens woonplaats heeft
beschouwd. De redengeving van het hof – waarvoor ik naar de beschikking moge
verwijzen – is niet onbegrijpelijk. De vaststelling van de feiten is
voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan daarom in
cassatie niet met vrucht worden bestreden.

2.9. Het hof stond daarnaast voor de vraag of er sprake was van wederzijdse
verzorging; dat er sprake was van een affectieve relatie heeft de vrouw
nimmer betwist. Veronderstellenderwijs aannemend – het is betwist – dat het
motief, op grond waarvan de vrouw en de heer E. in juli 1995 hebben besloten
te gaan samenwonen, niet gelegen is in een voordien bij hen bestaande wens
tot samenwoning maar in de plotseling opgekomen noodzaak een zo goed
mogelijke oplossing te vinden voor de verzorging en verpleging van de ernstig
ziek geworden zoon van E., kón de feitenrechter, ondanks het feit van het
samenwonen, tot het oordeel komen dat er geen sprake is van een wederzijdse
verzorgingsrelatie maar overwegend van een gezamenlijke verpleging van de
zoon. Dat was in deze zaak kennelijk de opvatting van de rechtbank. Aan het
hof, als hoogste feitenrechter, kan evenwel niet de vrijheid worden ontzegd
tot een andere waardering te komen. Het hof heeft feitelijk vastgesteld dat
hier sprake was van een relatie met een wederzijdse verzorging. De door het
hof gebezigde gronden kunnen dit oordeel dragen en bieden overigens voldoende
inzicht in ’s hofs gedachtengang. Onderdeel I faalt om deze reden.

2.10. Onderdeel II betreft de toetsing aan de maatstaven van redelijkheid en
billijkheid. In het onderhavige geval is van rechtsverwerking geen sprake.
Het hof doet de alimentatieaanspraak vervallen per 1 januari 1998 (de maand
na die van indiening van het inleidend verzoek, waarna de vrouw volgens het
hof kennelijk met de mogelijkheid van terugbetaling rekening heeft moeten
houden). Resteert dus de vraag: zijn er andere omstandigheden gesteld die het
onderhavige geval zó bijzonder maken dat de regel van art. 1:160 BW naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid buiten toepassing behoort te
worden gelaten? De rechter, voor deze vraag gesteld, zal zich oriënteren op
de algemeen erkende rechtsbeginselen, de in Nederland levende
rechtsovertuigingen en op de maatschappelijke en persoonlijke belangen die
bij het gegeven geval zijn betrokken (art. 3:12 BW).

2.11. In de toelichting op onderdeel II wordt slechts het argument gehanteerd
dat dhr. E. geen wettelijke onderhoudsverplichting jegens de vrouw heeft en
dat de vrouw door de beslissing definitief van alimentatie van haar eerste
echtgenoot verstoken blijft. Aangezien dit geldt voor alle
alimentatiegerechtigden die met een ander gaan samenleven als waren zij
gehuwd, heeft het hof dit niet behoeven op te vatten als een omstandigheid
die noopt tot het buiten toepassing laten van art. 1:160 BW. Ook onderdeel II
faalt.

2.12. De toelichting op onderdeel I, gelezen in samenhang met onderdeel II,
roept nog de vraag op, of de stelling dat de vrouw en E. de samenwoning min
of meer door de omstandigheden opgedrongen kregen (de noodzaak tot verzorging
van de zieke zoon e.v.), reden vormt om art. 1:160 BW buiten toepassing te
laten als in strijd met redelijkheid en billijkheid. In het algemeen is
voorzichtigheid geboden, wanneer de rechter zich zou moeten inlaten met het
motief waarmee mensen gaan samenwonen. De rechter kan zich in de regel beter
houden bij de waarneembare feiten. Zo mag de feitenrechter bijvoorbeeld een
samenwoning opvatten als een “samenleven met een met een ander als waren zij
gehuwd”, ook al zou het om een samenwoning op proef gaan. (5) Hoe
dan ook, het hof heeft in rov. 4.7 uiteengezet dat – wat de directe
aanleiding tot het samenwonen ook moge zijn geweest – de wederzijdse
verzorging niet beperkt is gebleven tot hetgeen E. en de vrouw door de
omstandigheden opgedrongen was maar zich veel verder uitstrekte. Deze
waardering was, zoals gezegd, voorbehouden aan de feitenrechter.

2.13. Onderdeel III tenslotte treft geen doel. Het hof heeft vastgesteld dat
de vrouw met de heer E. heeft samengewoond in het tijdvak van 3 juli 1995 tot
augustus 1997 en dat de relatie in dit tijdvak voldeed aan de in rov. 4.4
genoemde criteria voor toepassing van art. 1:160 BW. Het hof kon derhalve in
het midden laten of in het daaraan voorafgaande tijdvak al sprake was van een
relatie als bedoeld in dit artikel. De veronderstelling in het middel dat het
hof zich zou hebben uitgesproken over het tijdvak voordien, mist dan ook
feitelijke grondslag.

3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
1. D.w.z. met ingang van de maand na indiening van het inleidend verzoekschrift;
volgens het hof (rov. 4.8) heeft de man ter terechtzitting in hoger beroep
met deze ingangsdatum ingestemd.
2. Ter wille van de leesbaarheid zal ik hierna niet telkens herhalen dat de
regel ook geldt bij het aangaan van een geregistreerd partnerschap.
3. TK 1970/71, 10 213, nr. 16. Nu de wetsgeschiedenis al vaker is beschreven,
laatstelijk door de A-G Spier in NJ 1998, 550, moge ik met deze verwijzing
volstaan.
4. Vgl. het redactioneel NJCM-Bulletin 1992, blz. 859-860.
5. 5. HR 11 juni 1976, NJ 1976, 512, m.nt. EAAL; Hof Amsterdam 13 juli 1995, NJ
1996, 251.

Rechters

Mrs. Roelvink, Hermann, Jansen, Fleers en Hammerstein

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 17 december 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De biologische vader vraagt vernietiging van de erkenning van een kind door
de niet-biologische vader. Van toepassing is het afstammingsrecht van voor 1
april 1998.
De moeder heeft toestemming geweigerd aan de biologische vader zijn kind te
erkennen. Zij gaf de niet-biologische vader, met wie zij inmiddels gehuwd is,
wel toestemming. Het kind woont bij de moeder. Er bestaat tussen het kind en
de biologische vader wel een nauwe persoonlijke band.
Wanneer de weigering van de moeder tot erkenning van het kind door de
biologische vader slechts kan worden opgevat als misbruik van de in artikel
1:224 BW besloten bevoegdheid, kan erkenning alsnog tot stand komen via een
rechterlijke uitspraak die de ontbrekende toestemming van de moeder vervangt
(verwijzing naar HR 8 april 1988, nr. 7272, NJ 1989, 170). De man heeft
hiertoe, hoewel hij ruimschoots de tijd had, geen stappen ondernomen.
Ook wanneer de toestemming die de moeder aan een ander gegeven heeft voor
erkenning geen ander doel heeft dan de biologische vader te frustreren in de
verwezenlijking van diens uit art. 8, lid 1 EVRM voortvloeiende aanspraak op
erkenning, moet deze toestemming als niet rechtsgeldig worden aangemerkt.
Bij constatering van misbruik van deze bevoegdheid door de moeder gaat het er
niet om of de moeder belangen heeft die zwaarwegender zijn dan die van de
vader maar of de moeder bij haar weigering geen enkel te respecteren belang
heeft (HR 18 mei 1990, nr. 7546, NJ 1991, 374). In casu ligt in de
overwegingen van het hof besloten dat de moeder wel een te respecteren belang
heeft bij haar weigering toestemming te verlenen. Er is dan geen sprake van
misbruik. Het Hof geeft hierbij geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES
Met een op 21 november 1997 ter griffie van de Rechtbank te Zutphen ingekomen
verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie verder te noemen: de man zich
gewend tot die Rechtbank en verzocht, voor zover mogelijk bij beschikking
uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [de dochter], geboren op
[geboortejaar] 1992, door hem wordt erkend, dan wel hij het recht heeft om
haar te erkennen, en dat verweerster in cassatie sub 1 verder te noemen: de
Gemeente alsmede iedere andere gemeente waar [de dochter] te eniger tijd is
ingeschreven in het bevolkingsregister, verplicht is om mee te werken aan het
op maken van een akte van erkenning van haar door de man. De man heeft bij
brief van 18 maart 1998 beroep ingesteld tegen de erkenning op 11 september
1997 van voornoemde minderjarige door verweerder in cassatie sub 3, hierna:
[de nieuwe man]. De Gemeente en verweerster in cassatie sub 2 verder te
noemen: de vrouw hebben het verzoek bestreden. De Rechtbank heeft bij
beschikking van 10 juni 1998 de man niet ontvankelijk verklaard in zijn
beroep tegen de erkenning en de overige verzoeken afgewezen. Tegen deze
beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te
Arnhem. Daarbij heeft hij het Hof verzocht die beschikking te vernietigen en,
nader rechtdoende bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad, zijn verzoek tot vernietiging van de erkenning van voornoemde
minderjarige door [de nieuwe man] alsnog in te willigen en voorts om hem
alsnog ontvankelijk te verklaren in zijn beroep tegen de weigering door de
Gemeente en om vervolgens dat beroep gegrond te verklaren. Bij beschikking
van 8 december 1998 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank te Zutphen
van 10 juni 1998 bekrachtigd. De beschikking van het Hof is aan deze
beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE
Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw en [de nieuwe man] hebben verzocht het beroep te verwerpen. De
conclusie van de Advocaat Generaal in buitengewone dienst Moltmaker strekt
tot verwerping van het beroep.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Uit de relatie van de moeder en de man is op [geboortejaar] 1992 [de
dochter] (hierna: het kind) geboren. De moeder is van rechtswege belast met
het ouderlijk ge zag over het kind.
(ii) Nadat de relatie na de geboorte van het kind enige tijd verbroken is
geweest, is het gezinsverband tussen de man, de moeder en het kind in 1993
hersteld. De moeder heeft in mei 1995 de woning verlaten. De man is in de
woning achtergebleven en heeft, met uitzondering van een periode in november
1995 waarin de moeder met het kind in een Blijf van mijn Lijf huis verbleef,
tot december 1996 voor het kind gezorgd.
(iii) Op enig tijdstip rond december 1995, januari 1996, heeft de moeder erin
toegestemd dat de man het kind zou erkennen, maar deze toestemming heeft zij
later weer ingetrokken.
(iv) Sinds 12 december 1996 verblijft het kind bij de moeder. Bij beschikking
van die datum heeft de rechtbank een verzoek van de man tot ontzetting van de
moeder uit het ouderlijk gezag afgewezen. Bij beschikking van het Hof van 27
mei 1997 is die beschikking bekrachtigd.
(v) Op 11 september 1997 is het kind erkend door [de nieuwe man]. Op 12 maart
1998 is de moeder met [de nieuwe man] gehuwd.

3.2 Bij brief van 7 oktober 1997 heeft de man de Gemeente laten weten dat hij
het kind wilde erkennen. De ambtenaar van de burgerlijke stand deelde hem
daarop mee dat hij niet tot erkenning werd toegelaten. Als reden werd
opgegeven dat wettelijke beletselen erkenning door de man in de weg stonden,
en dat bovendien de uitdrukkelijke toestemming van de moeder van de
minderjarige ontbrak. De man heeft hierop de Rechtbank verzocht te bepalen
dat de ambtenaar van de burgerlijke stand verplicht is mee te werken aan het
opmaken van een akte van erkenning, omdat hij de biologische vader van het
kind is, hij gedurende enige perioden voor het kind heeft gezorgd, en de
moeder in december 1995 met erkenning had ingestemd. Nadat de Gemeente had
meegedeeld dat het kind op 11 september 1997 was erkend door [de nieuwe man]
en nadat gebleken was dat de moeder en [de nieuwe man] op 12 maart 1998 met
elkaar waren gehuwd, heeft de man zijn verzoek aangevuld in die zin dat hij
als derde belanghebbende beroep instelt tegen de erkenning door [de nieuwe
man]. De Rechtbank heeft de man niet ontvankelijk verklaard in zijn beroep
tegen de erkenning en de overige verzoeken afgewezen.

3.3. In hoger beroep heeft het Hof geoordeeld dat het verzoek van de man tot
vernietiging van de erkenning door [de nieuwe man] niet kan worden
ingewilligd en dat de ambtenaar op juiste gronden heeft geweigerd de man tot
erkenning van het kind toe te laten (rov. 4.5). Het Hof heeft daartoe in rov.
4.4 als volgt overwogen:
‘Artikel 1:225 BW (oud) biedt de man inderdaad geen bevoegdheid tot
vernietiging van de erkenning van [de dochter]. Toch levert dat gegeven
anders dan de man betoogt in dit geval geen strijd op met artikel 8 Europees
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele
vrijheden (verder: EVRM), noch met artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake Burgerrechten en Politieke Rechten noch met het Verdrag inzake de
Rechten van het Kind. Dit zou mogelijk anders zijn, indien de moeder de man
toestemming tot erkenning zou hebben onthouden doch aan [de nieuwe man] wel
toestemming tot erkenning zou hebben gegeven, vóór dat de man vervangende
toestemming had kunnen vra gen aan de rechter (zie Nota naar aanleiding van
het Verslag, Tweede Kamer 1996/1997 24 649, nummer 6 pagina 40). Daarvan is
in dit geval echter geen sprake, zoals blijkt uit de feiten. De man heeft
naar het oordeel van het hof ruimschoots de gelegenheid tot het vragen van
vervangende toestemming gehad. Indien de verwekker van zijn mogelijkheid om
het kind te erkennen geen gebruik heeft gemaakt zoals hier het geval, is er
geen reden om hem achteraf de mogelijkheid te bieden de erkenning door een
andere man te laten vernietigen.’

3.4 Onderdeel I van het middel betoogt dat het oordeel van het Hof, dat in
het onderhavige geval het ontbreken voor de man van de bevoegdheid tot
vernietiging van de erkenning door een ander niet in strijd is met de in zijn
uitspraak genoemde verdragen, van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat,
althans onbegrijpelijk is gemotiveerd. Het voert daarbij aan dat het oordeel
dat de man te lang zou hebben gewacht met het vragen van vervangende
toestemming geen reden kan zijn het beroep van de man op de nietigheid van de
erkenning van de hand te wijzen, nu de man niet tot erkenning is overgegaan
omdat
(a) in de periode 1993 tot na januari 1996 bij de man en de moeder de
gedachte leefde dat de moeder door een erkenning van het kind haar recht op
een bijstandsuitkering zou verliezen, (b) er gedurende lange tijd kennelijk
geen directe aan leiding voor de man was om vervangende toestemming te
vragen, en
(c) men niet gemakkelijk kennis kan nemen van de mogelijkheid vervangende
toestemming te verkrijgen, nu het hier jurisprudentierecht betreft. Voorts
voert het onderdeel aan dat het Hof ten onrechte de afwijzing van het beroep
op art. 8 EVRM niet heeft gebaseerd op een belangenafweging. Onderdeel II
komt met een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het Hof dat er geen
sprake van is geweest dat de moeder de man toestemming tot erkenning heeft
onthouden en aan [de nieuwe man] wel toestemming heeft gegeven, vóórdat de
man vervangende toestemming had kunnen vragen, omdat de man ruimschoots de
gelegenheid heeft gehad tot het vragen van vervangende toestemming. Onderdeel
III bestrijdt ‘s-Hofs oordeel dat indien de verwekker van zijn mogelijkheid
om het kind te erkennen geen gebruik heeft gemaakt, er geen reden is hem
achteraf de mogelijkheid te bieden de erkenning door een andere man te laten
vernietigen. De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.5 In de onderhavige zaak is het vóór 1 april 1998 geldende afstammingsrecht
van toepassing. Onder dat recht zijn in de rechtspraak de volgende regels
aanvaard. Redelijke, met art. 8 EVRM rekening houdende uitleg van art. 1:224
(oud) BW brengt mee dat wanneer de weigering van de moeder om aan de
biologische vader toestemming te geven tot erkenning, slechts kan worden
opgevat als misbruik van de in dat artikel besloten liggende bevoegdheid,
erkenning alsnog tot stand kan komen langs de weg van een de ontbrekende
toestemming vervangende rechterlijke uitspraak (HR 8 april 1988, nr. 7272, NJ
1989, 170). In de gebruikelijke situatie, waarin de moeder het ouderlijk
gezag over de minderjarige heeft en daarmee in gezinsverband samenleeft en
deze verzorgt en opvoedt, zal niet licht kunnen worden aangenomen dat een
weigering van de moeder om aan de biologische vader toestemming te geven tot
erkenning is aan te merken als misbruik van bevoegdheid; het gaat er daarbij
niet om of de door de moeder naar voren gebrachte bezwaren zwaarder wegen dan
de belangen van de vader, maar of de moeder in feite geen enkel te
respecteren belang bij haar weigering heeft (HR 18 mei 1990, nr. 7546, NJ
1991, 374). Zou moeten worden aangenomen dat, beoordeeld naar voormelde
maatstaf, de moeder haar bevoegdheid tot weigeren van toestemming tot
erkenning heeft misbruikt, en vervolgens toestemming heeft verleend tot
erkenning door een andere man met geen ander doel dan aan de vader
verwezenlijking van diens uit art. 8 lid 1 EVRM voortvloeiende aanspraak op
erkenning te onthouden, dan staat genoemde bepaling eraan in de weg die
toestemming als rechtsgeldig aan te merken, hetgeen meebrengt dat de met
zodanige toestemming gedane erkenning ingevolge het be paalde in art. 1:224
lid 1, aanhef en onder d, (oud) BW, nietig is (HR 22 februari 1991, nr. 7815,
NJ 1991, 376). 3.6 In de onderhavige zaak, waarin de man vernietiging heeft
verzocht van de door [de nieuwe man] gedane erkenning, gaat het derhalve om
de vraag of de moeder misbruik van de uit art. 1:
224 lid 1, aanhef en onder d, voor haar voortvloeiende bevoegdheid heeft
gemaakt door aan de man de toestemming tot erkenning te onthouden, maar die
wel te verlenen aan [de nieuwe man]. In ’s Hofs bestreden overwegingen ligt
besloten het oordeel dat de moeder een te respecteren belang heeft bij haar
weigering toestemming te geven tot erkenning van het kind door de man, zodat
zij van haar bevoegdheid om die toestemming te onthouden geen misbruik heeft
gemaakt. In het licht van de hiervoor in 3.5 vermelde rechtspraak en gelet op
de omstandigheden van het onderhavige geval, waarin de moeder het ouderlijk
gezag heeft, het kind in het gezin van de moeder verblijft, de man gedurende
ge ruime tijd geen stappen tot erkenning heeft genomen en de moeder inmiddels
met de erkenner is gehuwd, geven ’s Hofs oordelen niet blijk van een onjuiste
rechtsopvatting. Zij zijn zozeer verweven met waarderingen van feitelijke
aard dat zij voor het overige in cassatie niet op hun juist heid kunnen
worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk. Het middel kan derhalve
niet tot cassatie leiden.

4. BESLISSING

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

CONCLUSIE A-G MR MOLTMAKER

1 Feiten en procesgang
1.1. In navolging van het hof wordt hierna de verzoeker tot cassatie
aangeduid als de man en worden de verweerders in cassatie aangeduid als
onderscheidenlijk de ambtenaar, de moeder en [de nieuwe man].

1.2. De feiten zijn door het hof in de beschikking a quo weergegeven in de
rov. 3.1 tot en met 3.5. Ik ontleen daaraan het volgende.

1.3. De moeder en de man hebben een relatie gehad, waaruit op
[geboortejaar]1992 [de dochter] is geboren. Vervolgens is de relatie enige
tijd verbroken geweest, maar in 1993 hersteld. De moeder heeft in mei 1995 de
woning verlaten en de man is in de woning achtergebleven en heeft tot
december 1996 voor [de dochter] gezorgd, uitgezonderd een periode in november
1995 waarin de moeder met [de dochter] in een Blijf van mijn Lijf huis
verbleef. Sinds 12 december 1996 verblijft [de dochter] weer bij de moeder,
nadat zij met behulp van de politie die dag van school is gehaald.

1.4. [De dochter] is door de man niet erkend. Volgens de man was de reden
daarvan aanvankelijk (in de periode van de herstelde relatie van 1993 tot mei
1995), dat hij en de moeder dachten dat de moeder door de erkenning haar
recht op een bijstandsuitkering zou verliezen. Op enig moment in december
1995 of januari 1996 heeft de moeder erin toegestemd dat de man [de dochter]
zou erkennen, maar deze toestemming heeft zij later weer ingetrokken.

1.5. Op 13 november 1996 heeft de man een verzoekschrift ingediend tot
ontzetting van de moeder uit het ouderlijk gezag. De rechtbank heeft bij
beschikking van 12 december 1996 dat verzoek afgewezen, welke beschikking
door het hof is bekrachtigd bij beschikking van 27 mei 1997.

1.6. Op 11 september 1997 is [de dochter] erkend door [de nieuwe man]. Op 12
maart 1998 is de moeder met [de nieuwe man] gehuwd.

1.7. Naar aanleiding van een brief d.d. 7 oktober 1997 van de advocaat van de
man heeft de ambtenaar bij brief van 10 oktober 1997 medegedeeld, dat de man
niet wordt toegelaten tot de erkenning van [de dochter], omdat daartegen
wettelijke beletselen bestaan en de toestemming van de moeder ontbreekt.

18. Bij verzoekschrift ingekomen op 21 november 1997 heeft de man de
rechtbank verzocht te bepalen, dat hij [de dochter] erkent dan wel dat hij
het recht heeft haar te erkennen en dat de ambtenaar verplicht is mee te
werken aan het opmaken van een akte van erkenning. Bij beschikking van 10
juni 1998 heeft de rechtbank de man niet ontvankelijk verklaard.

1.9. Bij beschikking van 8 december 1998 heeft het hof de beschikking van de
rechtbank bekrachtigd. Het hof overweegt (rov. 4.2), dat ingevolge
overgangsrecht het verzoek van de man dient te worden getoetst aan het tot 1
april 1998 geldende artikel 1:225 BW. Vervolgens overweegt het hof:
“4.4 Artikel 1:225(oud) biedt de man inderdaad geen bevoegdheid tot
vernietiging van de erkenning van [de dochter]. Toch levert dat gegeven B
anders dan de man betoogt B in dit geval geen strijd op met artikel 8
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de
fundamentele vrijheden (verder: EVRM), noch met artikel 26 van het
Internationaal Verdrag Inzake Burgerrechten en Politieke Rechten noch met het
Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Dit zou mogelijk anders zijn, indien
de moeder de man toestemming tot erkenning zou hebben onthouden, vóórdat de
man vervangende toestemming had kunnen vragen aan de rechter (zie Nota naar
aanleiding van het Verslag, Tweede Kamer 1996/1997 24 649, nummer 6 pagina
40). Daarvan is in dit geval echter geen sprake, zoals blijkt uit de feiten.
De man heeft naar het oordeel van het hof ruimschoots de gelegenheid tot het
vragen van vervangende toestemming gehad. Indien de verwekker van zijn
mogelijkheid om het kind te erkennen geen gebruik heeft gemaakt B zoals hier
het geval, is er geen reden om hem achteraf de mogelijkheid te bieden de
erkenning door een andere man te laten vernietigen.”

1.10. De man heeft tegen de beschikking van het hof tijdig beroep in cassatie
ingesteld. Het aangevoerde cassatiemiddel heeft drie onderdelen I, II en III,
waarin wordt betoogd, dat het oordeel van het hof, zoals gemotiveerd in de
bovengeciteerde rov. 4.4 in strijd is met het recht en/of onbegrijpelijk is,
c.q. onvoldoende gemotiveerd. De moeder en [de nieuwe man] hebben gezamenlijk
een verweerschrift in cassatie ingediend. De ambtenaar heeft geen
verweerschrift in cassatie ingediend.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1 Onderdeel I van het middel

2.1.1 Dit onderdeel richt zich tegen het oordeel van het hof, dat het feit
dat artikel 1:225 (oud) BW de man geen bevoegdheid biedt om [de dochter] te
erkennen, in de gegeven omstandigheden geen strijd oplevert met de in rov.
4.4 vermelde verdragen. De man had lange tijd geen directe aanleiding om
vervangende toestemming te vragen en het vragen van vervangende toestemming
berust op HR 8 april 1989, NJ 1989,170 waarvan niet iedereen gemakkelijk
kennis kan nemen. Volgens het onderdeel heeft het hof het beroep op artikel 8
EVRM niet gebaseerd op een belangenafweging, maar slechts op het oordeel dat
de man te lang heeft gewacht met het vragen van vervangende toestemming.

2.12. In de beschikking van 20 december 1991, NJ 1992,598 overwoog Uw Raad:
“In zijn beschikking van 18 mei 1990, NJ 1991,374, r.o. 3.6 heeft de Hoge
Raad geoordeeld dat in de “gebruikelijke situatie”, waarin de moeder voogdes
is over het kind, daarmee in gezinsverband samenleeft en het verzorgt en
opvoedt (al zal de vader daarin veelal ook een aandeel hebben), “niet licht”
kan worden aangenomen dat een weigering van de moeder om toestemming te geven
tot de erkenning is aan te merken als misbruik van bevoegdheid en dat daarvan
slechts sprake is als de moeder in feite geen enkel te respecteren belang bij
haar weigering heeft. Hierop voortbouwende heeft de Hoge Raad in zijn
beschikking van 22 februari 1991, NJ 1991,376 geoordeeld dat indien in die
situatie de moeder haar bevoegdheid tot weigeren van toestemming tot
erkenning naar de voormelde maatstaf misbruikt, en vervolgens toestemming
verleent tot erkenning door een andere man met geen ander doel dan om aan de
vader verwezenlijking van diens uit art. 8 lid 1 EVRM voortvloeiende
aanspraak op erkenning te onthouden, deze bepaling eraan in de weg staat die
toestemming als rechtsgeldig aan te merken, hetgeen meebrengt dat de met
zodanige toestemming gedane erkenning ingevolge het bepaalde in art. 1:224
lid 1 aanhef en onder d BW nietig is. Wanneer zich evenwel niet evenbedoelde
gebruikelijke situatie voordoet en de vader een groter aandeel in de
verzorging en opvoeding van het kind heeft gehad en heeft dan gebruikelijk
is, is een maatstaf op haar plaats die toelaat meer gewicht toe te kennen aan
de belangen van de vader en aan de eventuele belangen van het kind, onder
meer bij continuering van de verzorging en opvoeding door de vader. In dat
geval zal misbruik met name ook aangenomen mogen worden wanneer de moeder, in
aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de vader bij
erkenning en de daartegenoverstaande belangen van de moeder B telkens in
verband met de belangen van het kind B in redelijkheid niet tot het weigeren
van de toestemming aan de vader dan wel tot die weigering en het verlenen van
toestemming aan een
e man had kunnen komen.”

2.1.3. Ik verwijs voorts nog naar HR 18 mei 1990, NJ 1991,376 m.nt. EAAL en
EAA, HR 8 november 1991, NJ 1992,440, HR 28 oktober 1994, NJ 1995,261 m.nt.
JdB, HR 18 september 1998, NJ 1999,480 m.nt. JdB en Rb Haarlem 20 maart 1990,
NJ 1991,85 m.nt. EAAL. In zijn noot onder de beschikking NJ 1991,376,
herhaald in zijn noot onder de beschikking NJ 1992,598, heeft Luijten de
gedachtegang ontwikkeld “dat het handelen van de moeder (weigering van
toestemming aan de biologische vader, gevolgd door toestemming tot erkenning
door een derde) een samenhang heeft en beide stoelen op hetzelfde
verwerpelijk motief, doch dat dit anders is indien de biologische vader in de
weigering berust doch veel later, nadat een derde het kind heeft erkend Y. in
actie komt.”

2.1.4 Luijten vond behalve in de vermelde jurisprudentie steun voor deze
opvatting bij Asser De Ruiter, 13e druk (1988) nr. 182. Zie thans Asser De
Boer, 15e druk (1998) nr. 740. Deze opvatting wordt in de door het hof in
rov. 4.4 bedoelde passage uit de Nota naar aanleiding van het Verslag, Tweede
Kamer, vergaderjaar 1996 1997, 24 649, nr. 6, blz. 40 (Wet herziening van het
afstammingsrecht alsmede de regeling van adoptie, Stb. 1997,772) als volgt
verwoord:
“Onder de huidige wet hebben de biologische vader of de verwekker niet de
mogelijkheid om de erkenning door een niet verwekker ongedaan te maken. Ook
onder de nieuwe wettelijke regeling is deze bevoegdheid er niet. De verwekker
heeft immers de mogelijkheid om het kind, met vervangende toestemming van de
rechter, te erkennen. Indien de verwekker van zijn mogelijkheid om het kind
te erkennen geen gebruik heeft gemaakt, is er geen reden om hem achteraf de
mogelijkheid te bieden de erkenning door een andere man te laten vernietigen.
Die reden is er ook niet, indien de verwekker wel geprobeerd heeft het kind
te erkennen, maar de moeder toestemming heeft geweigerd en de rechter geen
vervangende toestemming heeft verleend. Het geval dat overblijft, betreft de
situatie dat de moeder toestemming tot erkenning weigert en wel toestemming
geeft aan een ander tot erkenning, voordat de verwekker een procedure bij de
rechter tot vervanging van de toestemming kan starten. Indien de rechter
alsnog vervangende toestemming verleent, kan dit in dit geval leiden tot
doorhaling van de latere erkenning (vergelijk voor een dergelijke geval,
waarin de moeder misbruik maakte van de bevoegdheid toestemming tot de
erkenning te weigeren en vervolgens het kind liet erkennen door een andere
man, HR 20 december 1991, NJ 1992,598).”

2.1.5. Voor zover in het onderdeel wordt gesteld dat het oordeel van het hof
niet is gebaseerd op een belangenafweging, mist het naar het mij voorkomt
feitelijke grondslag, in ieder geval voor zover daarmee wordt gedoeld op de
belangen van de moeder en de man. Het door het hof met steun van
wetsgeschiedenis en jurisprudentie gevormde oordeel impliceert, dat onder de
omstandigheden van het onderhavige geval de belangen van de moeder
prevaleren. Over de belangen van het kind is verder niets concreets gesteld,
maar het lijkt mij duidelijk, dat het in het belang van het kind is, dat er
op een gegeven moment zekerheid bestaat omtrent zijn burgerlijke staat, in
het bijzonder in een geval als het onderhavige, waarin de moeder het
ouderlijk gezag heeft, inmiddels met de erkenner is gehuwd en het kind in dat
gezin verblijft.

2.1.6. Gelet op het vorenstaande heeft het hof in rov. 4.4 niet blijk gegeven
van een onjuiste rechtsopvatting en in het licht van de door het hof vermelde
omstandigheden is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende
gemotiveerd. Onderdeel I van het middel faalt derhalve.

2.2 Onderdeel II van het middel
2.2.1 Dit onderdeel acht de overweging van het hof, dat de man ruimschoots de
gelegenheid heeft gehad tot het vragen van vervangende toestemming,
onbegrijpelijk. In dit verband voert de man aan, dat hij evenals de moeder in
de veronderstelling verkeerde, dat de moeder door de erkenning haar recht op
een bijstandsuitkering zou verliezen en dat er voor hem bovendien geen
directe aanleiding was om vervangende toestemming te vragen.

2.2.2. In het midden kan blijven of in het onderhavige geval van belang is
dat B naar de man stelt de erkenning tijdens de samenwoning van de man met de
moeder om hen moverende redenen achterwege is gebleven. Vaststaat, dat de
moeder haar aanvankelijk in december 1995/januari 1996 gegeven toestemming
heeft ingetrokken, waarna de man in november 1996 ontzetting van de moeder
uit het ouderlijk gezag heeft gevraagd. Hij had dus in ieder geval vóór
november 1996 een directe aanleiding om vervangende toestemming tot erkenning
te vragen. Pas in oktober 1997 heeft hij enige actie in de richting van de
ambtenaar ondernomen (zie punt 1.7). Het oordeel van het hof, dat hij
ruimschoots de gelegenheid heeft gehad vervangende toestemming te vragen is
derhalve niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, zodat ook dit
onderdeel niet tot cassatie kan leiden.

2.3 Onderdeel III van het middel
2.3.1 Het hof heeft overwogen, dat indien de verwekker van zijn mogelijkheid
om het kind te erkennen geen gebruik maakt, er geen reden is om hem achteraf
de mogelijkheid te bieden de erkenning door een andere man te laten
vernietigen. Onderdeel III acht deze overweging niet duidelijk. Voor zover
het hof daarbij zinspeelt op een belangenafweging, heeft die belangen
afweging nu juist niet plaatsgevonden. Voor het overige herhaalt het
onderdeel het gestelde in onderdeel I.

2.3.2 Het onderdeel faalt op grond van het gestelde onder 2.1. In het
bijzonder voor wat betreft de belangenafweging verwijs ik naar het gestelde
onder 2.1.5.

3 Conclusie
Het middel in al zijn onderdelen ongegrond bevindend, concludeer ik tot
verwerping van het beroep.

Rechters

Mrs. Roelvink, Neleman, Heemskerk, Jansen, Van der Putt-Lauwers

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 15 december 1999

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Gedaagde is een oom van eiseres. Hij heeft zijn nichtje seksueel misbruikt
van haar vijfde tot zestiende jaar. Hiervoor is hij in 1997 strafrechtelijk
veroordeeld tot achttien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Cassatie
tegen dit vonnis loopt nog. De rechtbank stelt echter dat dit niet betekent
dat in de onderhavige procedure de ontucht niet bewezen wordt geacht. De
inhoud van de aangifte van eiseres en de aangifte van seksueel misbruik door
de dochter van gedaagde, geven in onderling verband en samenhang bezien,
zonder andersluidende verklaringen die ontbreken, geen aanleiding om te
twijfelen aan het waarheidsgehalte daarvan. Gedaagde ontkent het seksueel
misbruik maar heeft geen tegenbewijs aangeboden en de rechtbank ziet evenmin
aanleiding voor een ambtshalve opdracht daartoe. Eiseres vordert een
deskundige te benoemen teneinde haar vermogensschade vast te stellen en
gedaagde te veroordelen tot betaling van ƒ 30.000 aan immateriële
schadevergoeding en primair ƒ 20.000 aan materiële schadevergoeding en
subsidiair tot betaling van materiële schadevergoeding nader op te maken bij
staat. De materiële schade wordt volgens eiseres voornamelijk veroorzaakt
wegens gederfde inkomsten als gevolg van het feit dat zij vanwege
concentratiestoornissen slecht heeft gepresteerd op school en eind 1996 (het
jaar van aangifte) is gestopt met haar EAO-opleiding. De rechtbank vertaalt
de vordering aldus dat eiseres weliswaar een deskundigenonderzoek wenst, maar
alleen als haar materiële schade niet zonder dat onderzoek reeds op ƒ 20.000
wordt begroot. Uit de brief van de psychotherapeute van eiseres aan de
voormalig procureur blijkt dat het seksueel misbruik voor eiseres heel
traumatiserend is geweest. Daarbij komt dat het een feit van algemene
bekendheid is dat de door eiseres genoemde psychische klachten typerend zijn
voor slachtoffers die in hun jeugd seksueel zijn misbruikt. De rechtbank acht
het voldoende aannemelijk dat eiseres als gevolg van de psychische klachten
in haar opleidings- en carrièremogelijkheden is
beperkt. De rechtbank oordeelt dat de schade voor een groot deel uit
toekomstige schade bestaat die niet nauwkeurig te berekenen is en moet worden
geschat. De gevorderde materiële schadevergoeding ad ƒ 20.000 komt de
rechtbank niet bovenmatig voor, waardoor nader deskundigenonderzoek niet
nodig wordt geacht. Aan immateriële schade wordt ƒ 20.000 toegewezen.

Volledige tekst

Verloop van de procedure.

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of
proceshandelingen:
– dagvaarding,
– conclusie van eis met bewijsstukken,
– conclusie van antwoord,
– conclusie van repliek,
– conclusie van dupliek.
Partijen hebben stukken overgelegd ter verkrijging van vonnis.

Gronden van de beslissing.

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) betwist,
alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van overgelegde
bewijsstukken, staat het volgende vast.

a. Eiseres, geboren op 19 oktober 1979, is als kind bevriend geweest met de
stiefdochter van gedaagde, F. Ö. Zij waren nichtjes.

b. Zij hebben beiden aangifte van seksueel misbruik gedaan tegen gedaagde.

c. Gedaagde is bij vonnis van 30 juni 1997 van deze rechtbank veroordeeld tot
18 maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een
proeftijd van twee jaar. De rechtbank heeft onder meer bewezen geacht dat
gedaagde in de periode van oktober 1984 tot 19 oktober 1995 met eiseres, die
toen nog geen 16 jaar oud was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
bestaande uit het strelen van de vagina en het hele lichaam van A., het in
haar mond brengen van zijn penis en het proberen met zijn penis in haar
vagina en anus binnen te dringen.

d. In hoger beroep heeft het gerechtshof te Amsterdam aan gedaagde 18 maanden
onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Tegen dat arrest heeft gedaagde
cassatieberoep ingesteld.

e. Eiseres is sinds 7 augustus 1995 in therapie bij A.A.J. Loos,
orthopedagoge/psychotherapeute bij het Paedologisch Instituut te
Duivendrecht. Deze heeft bij brief van 2 juni 1998 aan de voormalig procureur
van eiseres bericht dat zij op grond van haar werk als hulpverlener van
eiseres van mening is dat het door eiseres ondergane seksueel misbruik deel
uitmaakt van een in meerdere opzichten problematische levensgeschiedenis en
daarbinnen zeker traumatiserend heeft gewerkt.

2. Eiseres vordert:
– een deskundige te benoemen teneinde de vermogensschade van eiseres vast te
stellen en
– gedaagde te veroordelen tot betaling van ƒ 30.000 aan immateriële
schadevergoeding en
primair ƒ 20.000 aan materiële schadevergoeding en
subsidiair tot betaling van materiële schadevergoeding, nader op te maken bij
staat, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 1998 tot
aan de voldoening en
– veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3. Zij stelt daartoe dat gedaagde, door haar seksueel te misbruiken,
onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Hij heeft inbreuk gemaakt, zo stelt
zij, op haar psychische en lichamelijke integriteit en daarbij volstrekt
onaanvaardbaar en grensoverschrijdend gedrag vertoond. Terzake van de
gevorderde immateriële schadevergoeding voert zij aan dat zij last heeft van
de volgende klachten, waarvan bij onderzoek is gebleken dat dit de typische
klachten zijn van slachtoffers van seksueel misbruik: negatief zelfbeeld,
problemen op het gebied van intieme relaties, sociaal isolement, wantrouwen
naar derden, slaapstoornissen en nachtmerries, concentratiestoornissen,
gederfde levensvreugde, schaamte en depressies. De materiële schade wordt
volgens eiseres voornamelijk veroorzaakt door gederfde inkomsten als gevolg
van het feit dat zij vanwege concentratiestoornissen slecht heeft gepresteerd
op school en eind 1996 (het jaar waarin zij aangifte heeft gedaan) is gestopt
met haar
EAO-opleiding. Zij heeft daardoor een slechter toekomstperspectief. Voorts
reist zij gemiddeld twee á drie keer per maand naar Duivendrecht. De
reiskosten vanaf 7 augustus 1995 tot de datum van dagvaarding, 6 juli 1998,
begroot zij op ongeveer ƒ 300. De therapiekosten bedroegen tot december 1997
ongeveer ƒ 1.300, aldus eiseres. Tevens voert zij (ongespecificeerde) kosten
van rechtsbijstand en griffierechten op.

4. Gedaagde ontkent het seksueel misbruik. Hij betwist voorts dat er causaal
verband kan zijn tussen het beweerde misbruik en de gestelde schade.
Tenslotte voert hij aan dat, ook al zou dat verband er zijn, de vordering tot
het benoemen van een deskundige, gelet op de aard daarvan, niet voor
toewijzing in aanmerking komt.

5. De rechtbank stelt voorop dat, nu niet vaststaat dat gedaagde bij
onherroepelijk strafvonnis is veroordeeld wegens de door eiseres gestelde
ontucht, artikel 188 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
toepassing mist.

6. Dit betekent echter niet dat in de onderhavige procedure de ontucht niet
bewezen wordt geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres haar
beschuldiging voldoende onderbouwd met de overgelegde aangiftes van haarzelf
en haar nichtje F. Ö. De inhoud van deze aangiftes, in onderling verband en
samenhang bezien, geeft zonder andersluidende verklaringen, die ontbreken,
geen aanleiding om te twijfelen aan het waarheidsgehalte daarvan. Gedaagde
heeft geen tegenbewijs aangeboden en de rechtbank ziet evenmin aanleiding
voor een ambtshalve opdracht daartoe, zodat in dit geding van de juistheid
van de stellingen van eiseres wordt uitgegaan. Gedaagde heeft, door te
handelen zoals eiseres hem verwijt, onrechtmatig jegens haar gehandeld. Hij
is gehouden haar daardoor ontstane schade te vergoeden.

7. De vordering van eiseres – die de rechtbank niet helemaal duidelijk vindt
– wordt aldus verstaan dat zij weliswaar een deskundigenonderzoek wenst, maar
alleen als haar materiële schade niet zonder dat onderzoek reeds op ƒ 20.000
wordt begroot.

8. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding wordt
overwogen dat gedaagde de door eiseres gestelde psychische klachten en de
door haar gegeven reden voor het voortijdig beëindigen van haar opleiding
(concentratiestoornissen) niet (gemotiveerd) heeft betwist. Voorts heeft hij
de inhoud van de brief van mevrouw Loos, dat het seksueel misbruik voor
eiseres zeker traumatiserend is geweest, onbesproken gelaten. Het is
bovendien een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers die in hun jeugd
seksueel misbruikt zijn daarvan langdurige en ernstige psychische problemen
kunnen ondervinden en dat de door eiseres genoemde psychische klachten in dit
verband typerend zijn. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de door
eiseres genoemde psychische klachten, waarvoor zij zich onder therapeutische
behandeling heeft gesteld, in substantiële mate het gevolg zijn van het
seksueel misbruik door gedaagde. Zij heeft daarom recht op immateriële
schadevergoeding, die naar billijkheid wordt begroot op ƒ 20.000.

9. Ten aanzien van de materiële schadevergoeding acht de rechtbank voldoende
aannemelijk dat eiseres in haar opleidings- en carrièremogelijkheden is
beperkt als gevolg van haar psychische problemen. Nu het ontstaan daarvan aan
gedaagde wordt toegerekend is hij gehouden om de schade als gevolg van het
verlies aan verdiencapaciteit aan eiseres te vergoeden. Die schade, die voor
een groot deel uit toekomstige schade bestaat, is niet nauwkeurig te
berekenen maar zal moeten worden geschat. Voorts zijn de – op zichzelf niet
betwiste – bedragen van schooltest, therapie- en reiskosten toewijsbaar. De
kosten van rechtsbijstand en griffierecht worden geacht onder de hierna te
noemen proceskosten te zijn begrepen en zijn overigens onvoldoende
geconcretiseerd om te kunnen worden toegewezen. Eiseres heeft totaal ƒ 20.000
aan materiële schadevergoeding gevorderd. Dit bedrag is, als vergoeding van
verlies aan verdiencapaciteit en vergoeding van de hiervoor genoemde
toewijsbare kosten, niet bovenmatig en zal dan ook worden toegewezen. Een
nader deskundigenonderzoek is derhalve niet nodig.

10. De conclusie luidt dat als schadevergoeding een bedrag van totaal ƒ
40.000 zal worden toegewezen. Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk
gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De rechtbank:

– veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van ƒ 40.000, vermeerderd met
de wettelijke rente daarover vanaf 6 juli 1998 tot aan de voldoening;

– veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak
aan de zijde van eiseres begroot op ƒ 3.241,30 waarvan te betalen:
aan eiseres ƒ 190 voor bij haar gevallen kosten aan vastrecht en
aan de griffier van deze rechtbank ƒ 2.200 aan salaris procureur, ƒ 760 aan
overig vastrecht en ƒ 91,30 aan exploitkosten;

– wijst het meer of anders gevorderde af;

– verklaart de bovenstaande betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. van Hees

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 10 december 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Bij het bepalen van de draagkracht moet in beginsel met alle schulden rekening
worden gehouden. De stelling van verzoekster dat met een schuld uit hoofde
van een doorlopend krediet bij de Postbank uitsluitend rekening kan worden
gehouden voorzover de geleende gelden ten goede zijn gekomen aan de gemeenschappelijke
huishouding, wordt daarom verworpen. Wanneer de rechter grond aanwezig
oordeelt om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen
of minder gewicht toe te kennen, zal hij voldoende inzicht moeten geven
in de gedachtegang die hem tot deze beslissing heeft geleid. Het met de
hoofdregel overeenstemmende oordeel van het hof behoefde evenwel, ook in
het licht van het debat van partijen, geen nadere motivering.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 24 mei 1995 gedateerd verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie
– verder
te noemen: de vrouw – zich gewend tot de Rechtbank te ‘s-Gravenhage en
verzocht
scheiding van tafel en bed uit te spreken tussen haar en verweerder in
cassatie – verder te
noemen: de man – en, voor zover in cassatie van belang, voor haar ten laste
van de man
een alimentatie van ƒ 2.329,44 per maand vast te stellen.
De man heeft verweer gevoerd tegen het door de vrouw verzochte en zelfstandig
verzocht
echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Met betrekking tot de verzochte
alimentatie
heeft de man primair verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen, en
subsidiair de
alimentatieverplichting te limiteren tot drie jaar na de datum van de inschrijving
van de
echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
De vrouw heeft het zelfstandig verzoek van de man bestreden. Ter terechtzitting
van 10
april 1998 heeft de vrouw haar verzoek tot het uitspreken van de scheiding
van tafel en
bed ingetrokken en verzocht echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 26 juni 1998 echtscheiding tussen
partijen
uitgesproken, de man veroordeeld om van de dag dat de beschikking van echtscheiding
zal
zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw
tot haar
levensonderhoud uit te keren een bedrag van ƒ 800 per maand, en het meer
of anders
verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw voor wat betreft de hoogte van de
alimentatie
hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage. De man heeft
voor wat
betreft de toekenning en de hoogte van de alimentatie, alsmede de afwijzing
van zijn
subsidiaire verzoek tot limitering incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 4 december 1998 heeft het Hof de beschikking van de
Rechtbank, voor
zover deze de alimentatie betreft, vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende,
aan de
vrouw, ten laste van de man, met ingang van de datum waarop de
echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand, een
alimentatie van ƒ 200 per maand toegekend, en de bestreden beschikking
voor het
overige bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld.
De man
heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift
tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan deze beschikking gehecht
en maken
daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt tot verwerping van zowel
het
principale als het incidentele beroep met compensatie van de kosten.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL IN HET PRINCIPALE BEROEP EN HET MIDDEL
IN HET INCIDENTELE BEROEP

3.1 De Rechtbank te ‘s-Gravenhage heeft bij beschikking van 26 juni 1998
echtscheiding
tussen partijen uitgesproken. Zij heeft bij die beschikking de bijdrage
in het
levensonderhoud van de vrouw bepaald op ƒ 800 per maand. Het Hof heeft
bij
beschikking van 4 december 1998 deze bijdrage bepaald op ƒ 200 per maand
en de
beschikking voor het overige bekrachtigd.

3.2 In rov. 6 van zijn beschikking heeft het Hof overwogen dat aan lasten
van de man
onder meer rekening wordt gehouden met een aflossing van ƒ 900 per maand
van een
schuld uit hoofde van een doorlopend krediet bij de Postbank. Voor zover
het middel in het
principale beroep dit oordeel als onjuist bestrijdt op de grond dat voor
de bepaling van de
draagkracht van de man met een schuld als de onderhavige uitsluitend rekening
kan
worden gehouden, voor zover de geleende gelden ten goede zijn gekomen aan
de
gemeenschappelijke huishouding, faalt het omdat een vereiste als door het
middel
gesteld, geen steun vindt in het recht. In beginsel behoort immers met
alle schulden
rekening te worden gehouden. Weliswaar zal de rechter grond aanwezig kunnen
oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen
of minder
gewicht toe te kennen, maar wanneer hij dit doet, zal hij voldoende inzicht
moeten
geven in de gedachtengang die hem tot deze beslissing heeft geleid (vgl.
HR 29 september
1978, nr. 5118, NJ 1979, 143). ’s Hofs met de hoofdregel overeenstemmende
oordeel
behoefde evenwel, ook in het licht van het debat van partijen, geen nadere
motivering.
Ook in zoverre is het middel derhalve niet gegrond.

3.3 De in het middel in het incidentele beroep aangevoerde klachten zijn
eveneens
tevergeefs voorgesteld, omdat de erdoor bestreden overwegingen niet blijk
geven van een
onjuiste rechtsopvatting en die klachten voor het overige uitgaan van motiveringseisen
die
niet kunnen worden gesteld aan beslissingen die zoals de onderhavige uitsluitend
betreffen het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op
hun draagkracht
en behoefte naar voren gebrachte omstandigheden.

4. BESLISSING

De Hoge Raad verwerpt het principale en het incidentele beroep.

CONCLUSIE A-G MR SPIER

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten
1.1 Partijen zijn op 27 december 1984 in Moskou (Rusland) in algehele gemeenschap
van
goederen met elkander getrouwd.

1.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geen (thans nog minderjarige) kinderen
geboren.

2. Procedureverloop
2.1 In deze zaak heeft de vrouw scheiding van tafel en bed verzocht. In
dat kader heeft zij
onder meer, bij wege van voorlopige voorziening, een bijdrage in haar levensonderhoud
gevraagd. Stellende dat de man in staat moet worden geacht ƒ 5.000 per
maand te betalen
werd aanvankelijk ƒ 6.000 per maand verzocht. Na de mondelinge behandeling
door de
Rechtbank heeft zij een draagkrachtberekening overgelegd waaruit zou blijken
dat de man
in staat is een maandelijks bedrag van ƒ 2.329,44 te voldoen. In het verzoekschrift
waarin
scheiding van tafel en bed wordt gevraagd heeft zij laatstbedoeld bedrag
gevraagd ter
zake van haar levensonderhoud. Bij brief van haar advocaat van 1 mei 1998
heeft zij dit
bedrag verhoogd tot ƒ 2.555. De Rechtbank heeft dit verzoek terzijde geschoven
(rov 6.1).

2.2 De man heeft betoogd dat hij niet in staat is enige bijdrage te betalen.

2.3 Bij beschikking houdende voorlopige voorzieningen d.d. 27 april 1995
heeft de
Rechtbank te ‘s-Gravenhage de voorlopige bijdrage in het levensonderhoud
van de vrouw
bepaald op ƒ 1.200 per maand bij vooruitbetaling te voldoen. Zij heeft
daarbij overwogen
dat de vrouw aan zo’n bijdrage behoefte heeft omdat zij geen inkomsten
heeft en dat zij,
nu zij geen Nederlands spreekt, ‘extra lastig’ werk kan krijgen. Wat de
draagkracht van de
man betreft neemt de Rechtbank onder meer in aanmerking een maandelijkse
rente ad
ongeveer ƒ 450 en een maandelijkse aflossing van ƒ 500; beide hebben betrekking
op een
schuld aan de Postbank.

2.4 De man heeft de Rechtbank gevraagd tussen partijen de echtscheiding
uit te spreken.
Voorts heeft hij gesteld dat hij niet in staat is om enige bijdrage in
het levensonderhoud
van de vrouw te betalen, terwijl de vrouw in staat is zelf in haar levensonderhoud
te
voorzien. Bij brief van 8 april 1998 aan de Rechtbank deelt Mr Bindels
mee dat de schuld
aan de Postbank nog ƒ 45.000 bedraagt; de man zou ruim ƒ 900 per maand
aan aflossing en
ƒ 300 per maand aan rente voldoen.

2.5 Bij beschikking d.d. 26 juni 1998 van de Rechtbank te ‘s-Gravenhage
werd de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

2.6 Bij diezelfde beschikking werd de bijdrage in het levensonderhoud van
de vrouw bepaald
op ƒ 800 per maand bij vooruitbetaling te voldoen. Daartoe overwoog de
Rechtbank dat der
vrouw behoefte voldoende aannemelijk was geworden (rov 6.3). De Rechtbank
houdt geen
rekening met de aflossing van de man aan de Postbank. De Rechtbank gaat
uit van een
schuld ten belope van ƒ 15.000 ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding.
Omdat met de aflossingen reeds rekening is gehouden in het kader van de
voorlopige
voorzieningen neemt de Rechtbank aan dat deze schuld is afgelost/afgelost
had kunnen zijn
(rov 6.4).

2.7 De vrouw heeft hoger beroep ingesteld. Daarbij vroeg zij een alimentatie
van
ƒ 2.555 per maand. De man heeft verweer gevoerd en heeft incidenteel hoger
beroep
ingesteld. Hij voerde onder meer aan dat zijn draagkracht nihil is (grief
C). Blijkens de
pleitaantekeningen van Mr Bindels zou zijn draagkracht ƒ 160 bruto per
maand zijn (sub 10).

2.8 Bij beschikking van 4 december 1998 heeft het Hof de bijdrage in het
levensonderhoud
van de vrouw bepaald op ƒ 200 per maand bij vooruitbetaling te voldoen.
Voor het overige
werd de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd. Op de daartoe bijgebrachte
gronden ga
ik in bij de bespreking van de middelen.

2.9 De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld; de man heeft het beroep
tegengesproken en heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

3. Bespreking van de middelen
Het principaal cassatieberoep

3.1 Het middel heeft betrekking op rov. 6 van de beschikking van het Hof.
Het kant zich in
het bijzonder tegen de wijze waarop het Hof rekening heeft gehouden met
de aflossing van
de schuld aan de Postbank.

3.2 Volgens het middel zou het Hof bij de vaststelling van de draagkracht
van de man ten
onrechte rekening hebben gehouden met een aflossing van ƒ 900 per maand
op het
doorlopend krediet bij de Postbank nu deze schuld slechts gedeeltelijk
ten goede is
gekomen aan de gemeenschappelijke huishouding van partijen.

3.3 Deze klacht wordt nader uitgewerkt in de toelichting op het middel
onder 5. Deze
stellingen (de letters corresponderen met die van de toelichting) kunnen
als volgt worden
samengevat:

– de man heeft erkend dat de schuld feitelijk niet werd afgelost, wat samenhing
met het
voldoen aan zijn alimentatieverplichting (a). Derhalve is ten minste een
deel van de schuld
niet aan de gemeenschappelijke huishouding ten goede gekomen (c);

– verder is bij de beschikking voorlopige voorzieningen al rekening gehouden
met de
aflossing en rentelasten (b). Het gedeelte van de schuld dat na de datum
van de
voorlopige voorzieningen al afgelost had kunnen zijn, dreigt nu tweemaal
ten laste van de
alimentatie te worden gebracht (d);

– de beslissing van Hof is des te onbegrijpelijk omdat het bedrag waarvan
de Rechtbank
heeft vastgesteld dat het aan de gemeenschappelijke huishouding is toegekomen
(ƒ 15.000) al afgelost had kunnen zijn (f).

Hetgeen onder e wordt aangevoerd is mij niet ten volle duidelijk. Het voegt,
als ik het goed
zie, niets wezenlijks toe aan de andere onderdelen, zodat er niet afzonderlijk
op behoeft te
worden ingegaan.

3.4 Bij de beoordeling van deze klachten is het volgende van belang. Het
saldo van de
schuld aan de Postbank bedroeg op 1 maart 1995 ƒ 50.498,89. De Rechtbank
overwoog
omtrent deze schuld in het kader van de voorlopige voorzieningen (beschikking
d.d. 27 april
1995):
‘(…) Wat de lasten betreft zal de rechtbank in het kader van de voorlopige
voorzieningen
rekening houden met (…) de maandelijkse rente (ad ongeveer
ƒ 450) en aflossing (ad ƒ 500) van de schuld bij de Postbank (…).’

3.5 Ten tijde van de mondelinge behandeling van het echtscheidingsverzoek
met
nevenvoorzieningen bedroeg de schuld bij de Postbank nog ongeveer ƒ 47.000.
Volgens de
man loste hij wel af, maar nam hij de bedragen meteen weer op om de alimentatie
aan de
vrouw te kunnen betalen.

3.6 De procureur van de man heeft bij brief d.d. 23 april 1998 bewijsstukken
in geding
gebracht over de periode 1982-1988. Daaruit blijkt dat van de opgenomen
bedragen in
ieder geval ƒ 15.000 aan de gezamenlijke huishouding van partijen ten goede
is gekomen.

3.7 De Rechtbank overwoog in haar beschikking d.d. 26 juni 1998 met betrekking
tot de
definitieve bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (rov. 6.4):
‘(…) De man stelt dat rekening dient te worden gehouden met de aflossing
van
ƒ 900 per maand op de schuld bij de Postbank. Dit betreft immers een huwelijkse
schuld,
aldus de man.
De vrouw voert hiertegen verweer. Zij erkent op zich dat de schuld in 1988
op haar naam
stond, doch is van mening dat de noodzaak van het aangaan van de schuld
niet is
aangetoond en dat bovendien de schuld niet ten goede van de gemeenschappelijke
huishouding is gekomen.
De rechtbank is van oordeel dat de man ten aanzien van een bedrag van ongeveer
ƒ
15.000 aan schulden heeft aangetoond dat deze ten behoeve van de gezamenlijke
huishouding zijn aangegaan. Nu de rechtbank bij voorlopige voorzieningen
d.d. 27 april 1995
reeds met deze schulden heeft rekening gehouden, gaat de rechtbank ervan
uit dat de
schulden inmiddels zijn afgelost, danwel afgelost hadden kunnen zijn, zodat
zij daarmee
geen rekening zal houden (…).’

3.8 Het Hof overwoog bij beschikking d.d. 4 december 1998 (rov. 6):
‘Aan lasten van de man wordt rekening gehouden met: (…)
– het doorlopend krediet bij de Postbank met een aflossing van ƒ 900 per
maand, nu de
man onweersproken heeft verklaard dat de partijen ook tijdens het huwelijk
bedragen
hebben opgenomen die ten goede kwamen aan de gemeenschappelijke huishouding,
zodat
zowel de man als de vrouw hiervan hebben geprofiteerd, terwijl de man de
financiële
verantwoordelijkheid op zich heeft genomen.’

3.9 In zoverre het middel ervan uitgaat dat in de draagkrachtberekening
alleen dan
rekening mag worden gehouden met een schuld als de opgenomen bedragen aan
de
gemeenschappelijke huishouding ten goede zijn gekomen, gaat het uit van
een onjuiste
rechtsopvatting.

3.10 Hoofdregel is dat op de draagkracht van de man in principe alle schulden
van de man
van invloed zijn. Dat sluit niet uit dat aan bepaalde schulden geen of
minder gewicht wordt
toegekend, bijvoorbeeld als de schuld onverplicht is aangegaan of als de
man zich al van
zijn schuld had kunnen bevrijden. Als de rechter besluit een bepaalde schuld
buiten
beschouwing te laten, moet hij deze beslissing motiveren.

3.11 Terzijde merk ik op dat in gevallen als deze (een huwelijk dat vele
jaren heeft
geduurd) veelal niet meer zal kunnen worden vastgesteld welke uitgaven
zijn besteed ten
behoeve van de huishouding. Van partijen kan, zeker gedurende de periode
dat sprake is
van een harmonieus huwelijk (maar m.i. sowieso) niet worden gevergd dat
ze een speciale
boekhouding bijhouden met het oog op een mogelijke echtscheidingsprocedure.
Daarom zal
moeten worden aanvaard dat de rechter, in zoverre het aankomt op de vraag
hoe de
uitgaven zijn aangewend, een schatting maakt. De vrouw heeft in deze procedure
een
andere opvatting vertolkt. Deze voert tot onaannemelijke resultaten.

3.12 Voorzover het middel erover klaagt dat, volgens het Hof, de totale
schuld aan de
Postbank is terug te voeren op uitgaven ten behoeve van de eertijds gemeenschappelijke
huishouding mist het feitelijke grondslag. Het Hof heeft niet meer of anders
overwogen dan
dat partijen ‘ook tijdens huwelijk bedragen hebben opgenomen die ten goede
kwamen aan
de gemeenschappelijke huishouding’ (rov 6).

3.13 Bij deze stand van zaken behoeven de afzonderlijke klachten nog slechts
gedeeltelijk
bespreking. De klacht onder f ziet er, als gezegd, aan voorbij dat het
Hof niet slechts
genoemde ƒ 15.000 in aanmerking heeft genomen. Het was daartoe ook niet
gehouden.
Klacht c, voorzover niet voortbouwend op klacht a, stuit af op hetgeen
onder 3.9 en 3.10
is opgemerkt.

3.14 De resterende klachten komen erop neer dat bij de bepaling van de
alimentatie in het
kader van de voorlopige voorzieningen reeds rekening is gehouden met het
bestaan van de
schuld en de noodzaak daarop af te lossen. Wanneer daarmee wederom rekening
zou
worden gehouden, zou dat ertoe leiden dat de vrouw tweemaal de desbetreffende
rekening
krijgt gepresenteerd.

3.15 Het Hof behoefde met de door het middel genoemde aflossingen echter
nog geen
rekening te houden.

3.16.1 Tot het tijdstip waarop de echtscheiding was ingeschreven (blijkens
een aan het
verweerschrift in cassatie van de man gehecht document: 8 december 1998)
bleven de
voorlopige voorzieningen gelden. De door het Hof vastgestelde alimentatie
begint immers
eerst vanaf 8 december 1998 te lopen (datzelfde gold voor de vernietigde
beschikking van
de Rechtbank).

3.16.2 Over de periode gelegen tussen 27 april 1995 (de beschikking inzake
voorlopige
voorzieningen) en 8 december 1998 is rekening gehouden met een maandelijkse
aflossing
van ƒ 500 (aldus die beschikking). Over deze periode betekent zulks dat
ruim ƒ 21.500
afgelost had kunnen zijn. Trekt men dit bedrag af van de in 1995 bestaande
schuld, dan
resteert een aanzienlijk bedrag. Met ingang van 8 december 1998 zal van
het
restantbedrag ƒ 900 per maand moeten worden afgetrokken, ongeacht de vraag
of de
man daadwerkelijk aflost.

3.17 Wanneer de schuld te zijner tijd had kunnen zijn afgelost (of dat
daadwerkelijk
gebeurt, is als gezegd niet van belang), wanneer de vrouw alsdan nog steeds
behoefte aan
alimentatie heeft, de draagkracht van de man toelaat alimentatie te betalen
en geen grond
bestaat voor limitering kan opnieuw worden bezien welk bedrag de man moet
betalen.
Omdat het hier gaat om een situatie die eerst over enkele jaren intreedt,
kan het Hof,
gezien de zojuist genoemde onzekerheden, niet euvel worden geduid dat het
daarop niet is
vooruitgelopen. Bij zo’n wijzigingsverzoek is de rechter in beginsel vrij
te beoordelen aan
welke omstandigheden hij betekenis toekent ter beantwoording van de vraag
of de
rechterlijke uitspraak niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

3.18 Het middel stuit op het bovenstaande af

Het incidentele cassatieberoep
3.19 Het middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld
dat de vrouw
behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud, waarbij het Hof
de vrouw ten
onrechte niet met het bewijs heeft belast van haar behoefte en van de wijze
waarop zij in
haar (aanvullende) behoefte(n) heeft voorzien.

3.20 Het Hof heeft omtrent de behoefte van de vrouw overwogen (rov. 4):
‘De vrouw is 53 jaar oud. Zij heeft de man in 1981 leren kennen en heeft
sedertdien niet
meer gewerkt. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is voldoende
aannemelijk geworden dat de vrouw na haar vertrek bij de man in maart 1994
heeft
getracht om een baan te vinden, doch haar leeftijd, gebrek aan opleiding
en werkervaring
en de taal – zij spreekt nagenoeg geen Nederlands – daartoe een beletsel
vormden. Het hof
is niet gebleken dat de vrouw inkomsten heeft uit arbeid noch dat zij naast
de door haar
ontvangen alimentatie nog andere middelen van bestaan heeft, zoals de man
heeft
betoogd. De huur bedraagt ƒ 1.100 per maand. Gelet op de bovengenoemde
omstandigheden staat haar behoefte aan een aanvullende alimentatie naar
het oordeel van
het hof vast.’

3.21 Het middel betreft alleen de vraag of het Hof terecht heeft geoordeeld
dat de vrouw
behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud. De omvang van
haar behoeften
is niet aan orde gesteld.

3.22 Kennelijk in het kader van de vraag of de vrouw in Nederland werk
kan vinden, verwijt
het middel onder a en b het Hof te hebben aangenomen dat de vrouw nagenoeg
geen
Nederlands spreekt.

3.23 De klacht faalt reeds omdat het Hof dit kennelijk zelf heeft geconstateerd
bij de
mondelinge behandeling ter zitting. Daar komt bij dat de man deze stelling
ook zelf in eerste
aanleg heeft betrokken. Weliswaar heeft hij in appèl anders betoogd, doch
daaraan kon het
Hof geredelijk voorbijgaan.

3.24 In de onderdelen c, d en e wordt aangedrongen dat de vrouw zich uitgaven
zou
kunnen permitteren boven het bijstandsniveau zodat de vrouw ‘wel andere
inkomsten moet
hebben’. Het Hof had de vrouw om die reden moeten belasten met het bewijs
van haar
inkomsten en lasten. In onderdeel f, tot slot, wordt betoogd dat stelplicht
en bewijslast
meebrengen dat de vrouw belast had moeten worden met het bewijs van de
behoefte aan
een bijdrage in haar levensonderhoud; het inzage geven in haar middelen
van bestaan zou
daar onderdeel van uitmaken.

3.25 Vooropgesteld zij dat de vaststelling en de waardering van de omstandigheden
die
bepalen of een echtgenoot behoefte heeft aan een bijdrage in zijn of haar
levensonderhoud, zijn overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt.

3.26 Er valt zeker begrip voor op te brengen dat de man niet geheel duidelijk
is waarom van
hem wordt gevergd dat hij allerhande gegevens aandraagt, terwijl de vrouw
– in zijn visie –
kan volstaan met het poneren van stellingen. Het Hof had in hetgeen door
de man is
aangevoerd aanleiding kunnen vinden om van de vrouw te vergen dat zij haar
stellingen
nader toelichtte. Gehouden was het daartoe m.i. niet.

3.27 Op grond van de over een weer aangevoerde stellingen en overgelegde
stukken heeft
het Hof de stellingen van de vrouw voldoende aannemelijk geoordeeld, ook
tegen de
achtergrond van de door de man gezaaide twijfels. Daarbij valt te bedenken
dat de man
volgens eigen opgave, (intussen begrijpelijkerwijs) niet in staat is deze
twijfels te
substantiëren. Wat de huur van de vrouw betreft: het ligt voor de hand
te veronderstellen
– hetgeen het Hof kennelijk ook heeft gedaan – dat de vrouw aanspraak heeft
op
huursubsidie.

3.28 Opmerking verdient nog dat de man in appèl in het bijzonder heeft
gesuggereerd dat
een man, met wie de vrouw zou hebben samengeleefd, (een deel van) haar
kosten zou
hebben betaald. In cassatie wordt daarop niet meer teruggekomen. Dat ligt
ook voor de
hand tegen de achtergrond van zijn verklaring ten Hove dat hij niet kan
bewijzen dat de
vrouw met een ander heeft samengewoond in de zin van art. 1:160 BW (rov
3).

3.29 Het Hof behoefde voorts niet in gaan op allerlei suggesties waarvan
de man zelf heeft
betoogd dat ze onaannemelijk of ongeloofwaardig zijn.

Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele
beroep
met compensatie van de kosten.

Rechters

mrs. Neleman, Jansen en Kop

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Amsterdam, 6 december 1999

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Amsterdam

Samenvatting


Aanvraag verblijfsvergunning door Filippijnse vrouw met zevenjarig Nederlands
kind. De vrouw verbleef tot dusver illegaal in Nederland. In de
belangenafweging dient te worden betrokken dat het kind de Nederlandse
nationaliteit heeft. De worteling van het kind in de Nederlandse samenleving
is in casu doorslaggevend. Het kind heeft belang bij voortgezet verblijf in
Nederland en is daartoe aangewezen op eiseres. Daarmee slaagt het beroep op
art. 8 EVRM. Verweerders stelling dat het kind bij vrienden in Nederland kan
en wil verblijven als haar moeder zou terugkeren naar de Filippijnen, miskent
het recht van het kind om door haar moeder verzorgd en opgevoed te worden.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op (…) 1964, bezit de Filipijnse nationaliteit. Op 18
maart 1997 heeft eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een
vergunning tot verblijf met als doel: ‘verblijf bij Nederlands kind C en het
verrichten van arbeid in loondienst tijdens dat verblijf’. Bij besluit van 14
november 1997 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Bij
bezwaarschrift van 25 november 1997 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar
gemaakt bij verweerder. Op 1 december 1998 is eiseres gehoord door een
ambtelijke commissie van het Ministerie van Justitie. Bij besluit van 30
december 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 14 januari 1999 heeft mr. P. Boeles, advocaat te
Amsterdam, namens eiseres tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld bij de
rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te
zullen behandelen. Op 11 maart 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende
stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 31
augustus 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het
beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 1999.
Eiseres is aldaar verschenen in persoon, bijgestaan door gemachtigde mr.
Boeles, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door
gemachtigde mr. H.C. Kievit, ambtenaar bij de Immigratie en
Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende
feiten.
Eiseres is Nederland naar haar zeggen in november 1989 ingereisd. Op 18
december 1990 is zij ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie van
Amsterdam. Op 3 oktober 1991 is zij in het huwelijk getreden met de
Nederlander D, geboren op (…) 1957. De samenwoning tussen eiseres en D is
begin 1992 verbroken. Op (…) 1992 is uit het huwelijk tussen eiseres en D
een dochter, C, geboren. Deze dochter heeft de Nederlandse nationaliteit en
gaat inmiddels hier te lande naar school. Op 7 augustus 1996 is de
echtscheiding tussen eiseres en D uitgesproken, welke beschikking op 24
januari 1997 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij de
echtscheiding is aan eiseres het gezag over C toegekend en is D gelast ƒ 250
per maand te betalen. Een omgangsregeling is niet door de rechter
vastgesteld. Eiseres en C hebben geen contact met D gehad sinds hij uit de
echtelijke woning is vertrokken. D komt zijn betalingsverplichtingen niet na.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld
dat niet is gebleken dat eiseres bij terugkeer naar haar herkomstland in een
zodanig schrijnende of onaanvaardbare situatie zal kunnen geraken dat wegens
klemmende redenen van humanitaire aard in haar verblijf dient te worden
berust. Niet is gebleken dat eiseres zodanig in de Nederlandse samenleving is
geïntegreerd en de Filippijnse samenleving zozeer is ontwend dat terugkeer
naar haar land van herkomst niet van haar zou kunnen worden gevergd. Daarbij
heeft verweerder van belang geacht dat eiseres niet over werk beschikt, maar
een uitkering ontvangt krachtens de Algemene Bijstandswet, en dat eiseres,
ondanks haar verblijf van ruim negen jaar, de Nederlandse taal slechts in
zeer beperkte mate machtig is. Bovendien zijn de banden die eiseres met
Nederland heeft, opgebouwd tijdens illegaal verblijf. Voorts heeft verweerder
van belang geacht dat van eiseres kan worden verwacht zich in haar land
staande te houden. In dat verband heeft verweerder opgemerkt dat eiseres op
25-jarige leeftijd naar Nederland is gekomen, thans 34 jaar is, zij in haar
land heeft gewerkt en zij nog familie heeft in haar land, zodat zij bij
terugkeer niet geheel van sociaal-maatschappelijk contact verstoken zal zijn.
Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de weigering
eiseres tot Nederland toe te laten geen schending met zich brengt van artikel
8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM). Weliswaar is in dit geval sprake van
gezinsleven tussen eiseres en C, maar van een inmenging in het recht op
respect daarvoor is geen sprake, aangezien de weigering eiseres verblijf hier
te lande toe te staan er niet toe strekt haar een verblijfstitel te ontnemen
die haar tot het uitoefenen van dit gezinsleven in staat stelde. Evenmin is
volgens verweerder gebleken van dusdanig bijzondere feiten of omstandigheden
dat uit het recht op respect voor het gezinsleven de positieve verplichting
voortvloeit eiseres verblijf hier te lande toe te staan. Het recht van C om,
gelet op haar Nederlandse nationaliteit, hier te lande te verblijven en haar
opvoeding en opleiding hier te genieten en de daarmee samenhangende belangen
van eiseres, wegen niet op tegen het algemeen belang van de bescherming van
het economisch welzijn van Nederland. Hierbij heeft verweerder in aanmerking
genomen dat, mede gelet op de jeugdige leeftijd van C, van een worteling van
C in de Nederlandse samenleving geen sprake is en dat daarom van C gevergd
kan worden eiseres naar haar land van herkomst te volgen. Verder heeft
verweerder in aanmerking genomen dat eiseres niet beschikt over werk. Voorts
heeft verweerder van belang geacht dat eiseres welbewust het risico heeft
genomen om een gezin te stichten zonder dat zij beschikte over enige
verblijfstitel. Tot slot is gesteld noch gebleken dat C niet tot de
Filippijnen zal worden toegelaten. Bovendien heeft verweerder zich op het
standpunt gesteld dat de weigering eiseres toe te laten geen schending met
zich brengt van artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten
van het kind (IVRK). Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat blijkens de
Memorie van Toelichting bij de goedkeuring van het IVRK met ‘scheiding’ in
artikel 9 IVRK wordt bedoeld,
het geval waarin een kind door optreden van overheidswege uit zijn
gezinssituatie wordt gehaald, omdat het niet in het belang van het kind zou
zijn om daar nog langer te verblijven. In artikel 9 lid 4 IVRK gaat het om
gevallen waardoor anderszins een scheiding tussen ouder(s) en kind teweeg
wordt gebracht. In het onderhavige geval is dit niet aan de orde.

4.1. Eiseres stelt zich in beroep allereerst op het standpunt dat de
weigering haar toe te laten een schending met zich brengt van artikel 8 EVRM.
In dat verband heeft zij aangevoerd dat er sprake is van belemmeringen om het
gezinsleven tussen haar en C in het land van herkomst voort te zetten. Ten
aanzien van een Nederlands kind kan niet te makkelijk worden aangenomen dat
er voor opvoeding in een ander land geen belemmeringen zijn. Volgens eiseres
heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het toelaatbaar en
aanvaardbaar zou zijn om C in de Filippijnen aan een uiterst onzekere
toekomst bloot te stellen. Onbegrijpelijk ten aanzien van C is de overweging
van verweerder dat de armoede in de Filippijnen niet terzake zou doen omdat
zij daarin niet zou verschillen van haar landgenoten aan wie evenmin om die
reden verblijf wordt toegestaan. C behoort niet tot die landgenoten. Zij
heeft als Nederlandse een grondwettelijk recht op bijstand en mag dus van
haar eigen overheid vergen dat deze haar niet bloot stelt aan armoede. Verder
is volgens eiseres van belang dat C de op de Filippijnen gesproken taal niet
machtig is, dat zij zich in het Nederlands uit en Nederlandse vriendjes en
vriendinnetjes heeft. Verder is zij zeven jaar en in Nederland geworteld, in
tegenstelling tot de zeer jonge kinderen om wie het in de uitspraken van de
Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken (REK) van 25 september 1997
(vindplaats GV 22-15 en 22-17) ging. Uitzetting naar de Filippijnen, waarin
óf eiseres zo hard zal moeten werken dat C dreigt te worden verwaarloosd óf
eiseres als werkloze alleenstaande vrouw haar ondergang tegemoet zal gaan,
zal aan de geestelijke en lichamelijk gezondheid van C voorzienbare, ernstige
en onaanvaardbare schade berokkenen. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat
verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat de weigering haar verblijf toe
te staan geen inmenging in het gezinsleven zou zijn. Er dient aan artikel 8,
tweede lid, van de Vw te worden getoetst. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd
dat verweerder heeft
miskend dat C sinds haar geboorte een legitieme aanspraak op verzorging door
haar moeder heeft. C heeft krachtens artikel 20 lid 1 Grondwet en artikel 7
lid 1 Algemene Bijstandswet sinds haar geboorte als Nederlands burger
aanspraak op financiële bijstand indien zij in zodanige omstandigheden
verkeert dat zij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten
van het bestaan te voorzien. De kosten van opvoeding en verzorging van een
kind van bijna zeven jaar door haar moeder moeten ongetwijfeld als
‘noodzakelijke kosten van het bestaan’ worden aangemerkt. C heeft dus recht
op vergoeding van de kosten van bestaan van eiseres als dat noodzakelijk is
om haar opvoeding en verzorging in Nederland te waarborgen. Verder heeft
eiseres gesteld dat verweerders overweging dat het recht van C om hier haar
opvoeding en opleiding te genieten niet opweegt tegen het belang van het
economisch welzijn van Nederland onbegrijpelijk is. Hiermee wordt miskend dat
het belang van het economisch welzijn geheel samenvalt met het belang van het
economisch welzijn van de Nederlanders, onder wie nu juist C, wier recht op
opvoeding en opleiding in Nederland thans door de Nederlandse overheid wordt
bedreigd. Gelet hierop is volgens eiseres ontoereikend gemotiveerd dat haar
uitzetting in een democratische samenleving nodig zou zijn. Bovendien heeft
eiseres ten aanzien van de overweging van verweerder dat zij welbewust het
risico heeft genomen om een gezin te stichten zonder dat zij beschikte over
enige verblijfstitel opgemerkt dat, wat daar ook van zij, daarmee ten
onrechte wordt voorbijgegaan aan het feit dat het recht van C op verblijf,
verzorging en opleiding in Nederland voorop staat en dat aan C bezwaarlijk de
omstandigheden waaronder zij is verwekt kunnen worden tegengeworpen. Tot slot
heeft eiseres in het kader van haar beroep op artikel 8 EVRM gesteld dat haar
niet kan worden tegengeworpen dat zij niet over werk beschikt. Het is voor
haar wettelijk onmogelijk zelf in haar bestaan en dat van C te voorzien zoals
zij dit
gewoon was te doen. Eiseres heeft ruim vier jaar in Nederland gewerkt onder
afdracht van premies en belastingen. Zij verloor haar baan toen haar
werkgever haar om een verblijfsdocurnent vroeg. Eiseres stelt zich daarnaast
op het standpunt dat de weigering haar tot Nederland toe te laten een
schending met zich brengt van artikel 9 IVRK. Verweerder is er ten onrechte
aan voorbij gegaan dat dit artikel aan de overheden van de verdragspartijen
de verplichting oplegt geen scheiding tussen ouder en kind te bewerkstelligen
tenzij is gebleken dat zo’n scheiding ‘in the best interest of the child’ zou
zijn. De in de bestreden beschikking gegeven uitleg van het IVRK is volgens
eiseres noch concludent noch overtuigend en berust niet op enigerlei
uitspraak van een internationaal gezaghebbende instantie.

4.2. Ter zitting heeft eiseres verder aangevoerd dat het Nederlandse beleid
ten aanzien van de bescherming van familieleven discrimineert naar leeftijd
en in strijd is met artikel 1 van de Grondwet, artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten en de
artikelen 8 EVRM en 14 EVRM. Eén van de vereisten van het
gezinsherenigingsbeleid is dat degene bij wie toelating wordt beoogd duurzaam
beschikt over voldoende middelen van bestaan. Het gezinsherenigingsbeleid
houdt daarbij rekening met omstandigheden waaronder van het gezinslid niet
gevergd kan worden dat hij inkomen heeft en met de geringere
verdiencapaciteit van jeugdigen en van werklozen ouder dan 57 1/2 jaar. De
consistentie van het gezinsherenigingsbeleid houdt echter op als Nederlanders
die hun gezinsleden bij zich willen hebben jonger zijn dan achttien jaar.
Gelet op het voorgaande verdiende volgens eiseres bij de afweging die in het
kader van artikel 8 EVRM is gemaakt de positie van het kind een meer centrale
plaats, hoezeer eiseres ook degene is die de rol van procespartij vervult.
Het gaat mede om het recht van C om in een zo veilig mogelijk en zo volledig
mogelijk gezinsverband haar leven te leiden in het land waar zij is geboren,
waar zij haar hele leven heeft gewoond en waarvan zij de taal spreekt.
Nederland voert onder andere voor C’s bestwil een immigratiebeleid teneinde
het economisch en sociaal welzijn van Nederlanders zoals C te beschermen.
Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij met C in 1999 terug is geweest naar
de Filippijnen om haar kennis te laten maken met haar familieleden. Haar opa
en oma wonen samen met andere familieleden in een huis van bamboe. De neefjes
van C gaan niet naar school omdat er geen geld is. C toonde een grote afkeer
van alles. Eiseres vreest dan ook ernstige aanpassingsproblemen en psychische
schade voor C als zij voorgoed naar de Filippijnen zou moeten verhuizen.
Voorts heeft eiseres aangevoerd dat, voor zover de door de REK in de
uitspraken van 25 september 1997 uitgezette lijn
al zou moeten worden gevolgd, niet uit het oog mag worden verloren dat het in
die uitspraken ging om babies. C is een Nederlands kind van zeven en een half
jaar dat heel goed in staat is om verschillen te zien en te ervaren en dat de
leeftijd heeft om diep te lijden onder het plotselinge verlies van haar
vertrouwde omgeving.

5.1. Verweerder heeft blijkens het verweerschrift aangevoerd dat hij in het
bestreden besluit bij afweging van de belangen rekening heeft gehouden met de
situatie op de Filippijnen. De enkele stelling dat het voor C moeilijk zou
zijn om eiseres naar de Filippijnen te volgen, levert geen bijzondere
schrijnende omstandigheid op. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt
dat er geen sprake is van een inmenging in het gezinsleven tussen eiseres en
C, nu er geen sprake is van een wijziging van de situatie waarmee de overheid
aanvankelijk instemde. Het gaat in het onderhavige geval om een eerste
toelating. Verder heeft verweerder erop gewezen dat in de uitspraken van de
REK van 25 september 1997 is geoordeeld dat artikel 8 EVRM de Nederlandse
staat er niet toe verplicht om bij een aanvraag om eerste toelating van een
buitenlandse moeder bij een tijdens niet-legaal verblijf geboren Nederlands
kind dat geen contact heeft met de hier wonende Nederlandse vader, tot
verblijfsaanvaarding van de moeder over te gaan. Dit kan anders zijn als er
belemmeringen zijn voor de moeder en het kind om het gezinsleven elders voort
te zetten. Volgens verweerder is in de uitspraken van de REK duidelijk
gesteld dat het moet gaan om objectieve belemmeringen. In de onderhavige zaak
is van een dergelijke belemmering geen sprake. Tot slot stelt verweerder dat
in het bestreden besluit voldoende is aangegeven waarom het beroep op het
IVRK faalt.

5.2. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat een beleid inzake verblijf
bij minderjarig Nederlands kind niet zou passen in een restrictief
toelatingsbeleid. Een kind kan nimmer aan de middeleneis voldoen. Bovendien
zou het een ongewenste situatie zijn dat een kind zou kunnen worden verwekt,
bij wie vervolgens verblijf kan worden verkregen. Verder is volgens
verweerder het beleid niet discriminerend voor Nederlandse kinderen. Het
Nederlandse kind heeft nog een andere Nederlandse ouder bij wie het kan
verblijven. Het feit dat in het onderhavige geval geen sprake kan zijn van
verblijf bij deze andere Nederlandse ouder, maakt dit niet anders. Het feit
dat het huwelijk van eiseres en haar echtgenoot is mislukt, komt voor risico
van eiseres. Zij is naar Nederland gekomen zonder dat haar verblijf was
geregeld. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat niet is gebleken dat er geen
opvang is voor C in Nederland. C heeft zelf bij de ambtelijke commissie
verklaard dat ze bij vrienden wil verblijven als eiseres Nederland moet
verlaten. Tot slot heeft verweerder aangevoerd dat de belangen van het kind
al zijn meegewogen in het beleid en bij de toepassing van artikel 8 EVRM. Er
dienen geen verderstrekkende consequenties aan het IVRK te worden verbonden.

6. De rechtbank overweegt het volgende.

7. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot
verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.
Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat
vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun
aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan
wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende
uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is
neergelegd in de Vreemdelingencirculaire.

8. Niet is in geschil dat eiseres niet op grond van enige beleidsregel van
verweerder voor toelating in aanmerking komt. Hiervan gaat de rechtbank uit.

9. Vaststaat dat in dit geval sprake is van familie- en gezinsleven als
bedoeld in artikel 8 EVRM tussen eiseres en haar dochter. Met betrekking tot
het beroep op dit artikel wordt het volgende overwogen.

10. In artikel 8, eerste lid EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op
respect voor zijn familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit
artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit
recht toegestaan, dan voorzover bij wet is voorzien en in een democratische
samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de
openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van
wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de
goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Op grond van vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de
Mens geldt daarbij als uitgangspunt dat artikel 8 EVRM geen algemene
verplichting met zich brengt gezinshereniging of gezinsvorming mogelijk te
maken door immigratie toe te staan. Teneinde de omvang van de uit deze
verdragsbepaling voortvloeiende verplichting van verweerder te bepalen en de
door verweerder gemaakte afweging tussen het belang van de Nederlandse Staat
en het belang van het individu te beoordelen, worden, zowel indien sprake is
van inmenging in het familie- en gezinsleven als indien de vraag rijst of er
een positieve verplichting tot toelating op verweerder rust, de feiten en
omstandigheden van het individuele geval in ogenschouw genomen en dient een
redelijke afweging van de wederzijdse belangen plaats te vinden.

11. Bij deze belangenafweging staat aan de zijde van verweerder voorop dat
verweerder een restrictief toelatingsbeleid voert en redelijkerwijs kan
voeren. Verweerder heeft zich beroepen op het algemene belang van de
bescherming van het economisch welzijn van de Nederlandse Staat. Niet is
gebleken dat verweerder zich redelijkerwijs niet tegenover eiseres op dit
belang zou kunnen beroepen.

12. Tegenover het belang van verweerder bij handhaving van een restrictief
toelatingsbeleid staat het belang van eiseres bij toelating tot Nederland.
Bij de beantwoording van de vraag of eiseres recht op toelating heeft
teneinde haar in de gelegenheid te stellen hier te lande het familie- en
gezinsleven met C uit te oefenen, weegt ten gunste van eiseres mee dat C de
Nederlandse nationaliteit heeft, waarop hierna zal worden ingegaan, alsmede
dat eiseres hier te lande ruim vier jaar heeft gewerkt onder afdracht van
premies en belastingen. In haar nadeel weegt niet mee dat zij haar werk is
kwijtgeraakt, omdat als onbestreden vaststaat dat zij haar werk is
kwijtgeraakt als gevolg van het feit dat zij geen verblijfstitel bezat.

13. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat het feit dat C. de
Nederlandse nationaliteit bezit in de hier aan de orde zijnde
belangenafweging dient te worden betrokken. Partijen verschillen van mening
over de vraag welke betekenis daaraan toekomt in het kader van het recht op
respect voor familie- en gezinsleven. C heeft er als zodanig aanspraak op in
Nederland te verblijven en haar verzorging, opvoeding en opleiding hier te
lande te genieten. In de onderhavige belangenafweging is de gebleken mate van
worteling van C in de Nederlandse samenleving van belang, gelijk ook in de
uitspraken van de REK van 25 september 1997 is overwogen.

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze rechten van C niet
opwegen tegen het belang van de Nederlandse Staat om een restrictief
toelatingsbeleid te voeren. Verweerder acht hiertoe met name redengevend dat
C, gelet op haar jeugdige leeftijd, niet zodanig is geïntegreerd in de
Nederlandse samenleving dat van haar niet gevergd kan worden eiseres naar de
Filippijnen te volgen. Voorts heeft verweerder van belang geacht dat eiseres
een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet ontvangt.

15. De rechtbank deelt dit standpunt niet op grond van het navolgende.

16. C was, anders dan de zeer jeugdige kinderen om wie het in de uitspraken
van de REK van 25 september 1997 ging, ten tijde van het bestreden besluit
bijna zeven jaar. Zij is in Nederland geboren en heeft haar hele leven in
Nederland gewoond. Zij spreekt Nederlands. Niet bestreden is dat zij niet de
taal van de Filippijnen spreekt. Niet betwist is verder dat C, naar eiseres
heeft gesteld, in Nederland ten tijde van het bestreden besluit, mede gelet
op haar leeftijd, een eigen sociale kring heeft opgebouwd door hier te lande
naar school te gaan, door buitenschoolse activiteiten en door met andere
kinderen om te gaan.

17. Niet is in geschil dat C nooit contact heeft gehad met haar vader.
Mitsdien is niet aannemelijk dat zij in Nederland door haar vader kan worden
opgevangen. In het kader van de onderhavige belangenafweging betekent dit dat
C, haar leeftijd in aanmerking genomen, genoodzaakt is eiseres naar de
Filippijnen te volgen indien eiseres niet zou worden toegelaten. Verweerders
eerst ter zitting naar voren gebrachte stelling dat C eiseres niet hoeft te
volgen naar de Filippijnen, omdat zij heeft gesteld dat zij bij vrienden in
Nederland wil blijven en zij dus door deze vrienden hier te lande kan worden
opgevangen, miskent het recht van C om door haar moeder te worden verzorgd en
opgevoed en gaat reeds daarom niet op.

18. Gelet op vorenomschreven feitelijke situatie van C sedert haar geboorte
hier te lande en in aanmerking genomen dat C geen enkele band heeft met de
Filippijnen dan via eiseres, kan naar het oordeel van de rechtbank in dit
geval niet in redelijkheid van C worden gevergd eiseres te volgen naar het
land van herkomst van eiseres en zodoende haar verzorging en opvoeding buiten
Nederland te doen voortzetten. Anders dan verweerder heeft betoogd, wijkt de
rechtbank hiermee niet af van de uitspraken van de REK van 25 september 1997,
aangezien de feitelijke situatie van de kinderen om wie het in die uitspraken
ging een geheel andere was dan die van C. Bij dit oordeel heeft de rechtbank
voorts in aanmerking genomen dat in dit geval geen doorslaggevende betekenis
toekomt aan het feit dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit een
uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet ontving. Vaststaat immers dat
eiseres ondanks haar verblijf zonder geldige titel ruim vier jaar heeft
gewerkt onder afdracht van premies en belastingen en dat zij haar werk is
kwijtgeraakt als gevolg van het feit dat zij geen verblijfstitel bezat. Het
is onder die omstandigheden niet zonder meer aannemelijk dat eiseres, indien
zij een verblijfstitel zou bezitten, geen werk zou zoeken.

19. Tenslotte is de rechtbank met verweerder van oordeel dat, gelet op het
restrictieve toelatingsbeleid, betekenis toekomt aan het feit dat eiseres
hier te lande een gezin heeft gesticht zonder dat zij in het bezit was van
een verblijfstitel. Met de stelling dat het aldus voor risico van eiseres
komt dat het gestichte gezinsleven niet hier te lande kan worden voortgezet,
miskent verweerder echter dat het in dit geval niet slechts gaat om de vraag
of van eiseres verlangd kan worden haar gezinsleven op de Filippijnen voort
te zetten, maar ook om de vraag of dit van C verlangd kan worden. Gelet op
hetgeen hieromtrent hiervoor is overwogen, komt aan genoemd feit in dit geval
geen doorslaggevende betekenis toe.

20. Uit het voorgaande volgt dat, gelet op het bepaalde in artikel 8 EVRM, in
dit geval aan het belang van C bij voortgezet verblijf in Nederland, waartoe
zij op eiseres is aangewezen, een zodanige betekenis toekomt dat het belang
van de Nederlandse staat om met het oog op het economisch welzijn een
restrictief toelatingsbeleid te voeren hier moet wijken voor het belang van
eiseres bij toelating teneinde C hier te lande te kunnen verzorgen en
opvoeden. Derhalve slaagt het beroep op artikel 8 EVRM.

21. Op grond van het voren overwogene wordt het beroep gegrond verklaard.
Daarom behoeft hetgeen partijen verder verdeeld houdt geen bespreking.

22. Nu het beroep gegrond wordt verklaard is er aanleiding om verweerder als
in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in
verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs
heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420 als kosten van
verleende rechtsbijstand.

23. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden
vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.
De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank
1. verklaart het beroep gegrond;
2. vernietigt het bestreden besluit;
3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze
uitspraak;
(…)

Rechters

Mr. de Groot

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 3 december 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Ook bij beslissingen op grond van art. II lid 2 Wet limitering na scheiding
staat het de rechter vrij de alimentatieverplichting geleidelijk te verminderen
gedurende termijn dat deze zal voortduren.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 9 april 1998 ter griffie van de Rechtbank te Arnhem ingekomen
verzoekschrift heeft verweerder in cassatie – verder te noemen: de man
– zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de bij beschikking van de Rechtbank
van 2 februari 1993 nader vastgestelde bijdrage voor verzoekster tot cassatie
– verder te noemen: de vrouw – met ingang van 4 mei 1998 te beëindigen.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 14 juli 1998 het verzoek van de
man met ingang van 4 mei 1998 toegewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof
te Arnhem. In haar beroepschrift heeft de vrouw primair verzocht die beschikking
te vernietigen en te bepalen dat de alimentatieverplichting voortduurt
tot 10 augustus 2007 met de mogelijkheid van verlenging van die termijn
op die datum, en subsidiair die beschikking te vernietigen en te bepalen
dat de alimentatieverplichting voortduurt tot 10 augustus 2007 conform
een door het Hof te bepalen afbouwpatroon.
Bij beschikking van 10 november 1998 heeft het Hof de beschikking van de
Rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de man tot
beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man met ingang van 4 mei
1998 afgewezen. Voorts heeft het Hof de termijn gedurende welke de onderhoudsverplichting
zal voortduren op 4 jaar bepaald, met bepaling dat de man voor de periode
van 4 mei 1998 tot 4 mei 2000 zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud
van de vrouw met een bedrag van ƒ 2.300 per maand en voor de periode van
4 mei 2000 tot 4 mei 2002 met een bedrag van ƒ 2.100 per maand. Ten slotte
heeft het Hof bepaald dat deze termijn niet verlengbaar is, en het meer
of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het
cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende het voorwaardelijk
incidenteel beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel
uit.
Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping
van het beroep.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL IN HET PRINCIPAAL BEROEP

3.1 Tussen partijen is bij vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 20 januari
1983 echtscheiding uitgesproken. Het vonnis is op 4 mei 1983 ingeschreven
in de registers van de burgerlijke stand.
Bij dit vonnis is de man onder meer veroordeeld tot het betalen van een
uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van ƒ 533,57 per maand, welke
uitkering nadien is gewijzigd en laatstelijk bij beschikking van de Rechtbank
te Arnhem van 2 februari 1993 is bepaald op ƒ 2.500 per maand.

3.2 De man heeft op de voet van art. II lid 2 Wet limitering na scheiding
verzocht de verplichting tot het bijdragen in het levensonderhoud van de
vrouw te beëindigen met ingang van 4 mei 1998. De vrouw heeft zich daartegen
verweerd en verzocht de alimentatie te doen voortduren totdat zij, op 10
augustus 2007, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, met de mogelijkheid
van verlenging.
Het Hof heeft het verzoek van de man tot beëindiging van zijn onderhoudsverplichting
met ingang van 4 mei 1998 afgewezen en de termijn gedurende welke de onderhoudsverplichting
zal voortduren, bepaald op vier jaar, welke termijn niet verlengbaar is.
Voorts heeft het Hof bepaald dat de man voor de periode van 4 mei 1998
tot 4 mei 2000 in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal bijdragen
met een bedrag van ƒ
2.300 per maand en voor de periode van 4 mei 2000 tot 4 mei 2002 met een
bedrag van ƒ 2.100 per maand.

3.3 Onderdeel I klaagt over onbegrijpelijkheid en tegenstrijdigheid van
’s Hofs overwegingen, nu het enerzijds heeft overwogen dat de vrouw mogelijkerwijs
na 4 mei 2002 in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien, en anderzijds
dat zij thans door haar verouderde opleiding, gebrek aan werkervaring en
haar leeftijd niet in staat is in haar levensonderhoud te voorzien.
De klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, op grond van eigen mededelingen
van de vrouw vastgesteld dat zij thans – dat wil zeggen ten tijde van de
behandeling van de zaak door het Hof – op zichzelf arbeidsgeschikt is,
maar dat, gelet op haar gebrek aan relevante werkervaring, haar verouderde
opleiding en haar leeftijd, niet te voorzien is of zij erin zal slagen
relevante inkomsten uit arbeid te verwerven (rov. 4.7). Het Hof heeft vervolgens
overwogen dat op grond van alle in zijn beschikking vermelde omstandigheden
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw kan worden
gevergd dat de uitkering gefaseerd wordt verlaagd tot bijstandsniveau;
na afloop van de termijn kan zij òf in eigen levensonderhoud voorzien òf
aanspraak maken op een bijstandsuitkering (rov. 4.13). Het Hof heeft derhalve
zowel in rov. 4.7 als in rov. 4.13 in het midden gelaten of de vrouw na
4 mei 2002 inderdaad door arbeid in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien,
maar het heeft, ook indien zulks niet het geval zou zijn, na afweging van
beider belangen aanvaardbaar geoordeeld dat de verplichting van de man
dan na een gefaseerde vermindering zou worden beëindigd. Aldus verstaan
is geen sprake van tegenstrijdigheid in ’s Hofs gedachtegang, die evenmin
onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is.

3.4 Het Hof heeft vastgesteld dat, kort weergegeven, de man en de vrouw
beiden aan psychische druk hebben blootgestaan en dat zulks ten aanzien
van de man, anders dan ten aanzien van de vrouw, nog steeds het geval is,
welke psychische druk hieruit voortkomt dat de waarheid omtrent de beschuldiging
van seksueel misbruik van een van zijn dochters niet is komen vast te staan,
maar hij wel gevolgen heeft ondervonden en nog ondervindt alsof dit misbruik
wel vaststond (rov. 4.9). Het Hof heeft deze psychische druk meegewogen
bij zijn afwijzing van het verzoek van de man de verplichting met ingang
van 4 mei 1998 te beëindigen (rov. 4.10) en bij zijn beslissing die verplichting
op een termijn van vier jaar te beëindigen en gedurende die termijn gefaseerd
te verminderen (rov. 4.13). Voormelde vaststelling van het Hof en zijn
oordeel dat deze psychische druk in zijn afweging van de omstandigheden
en belangen van partijen moet worden betrokken, geven niet blijk van een
onjuiste rechtsopvatting en zijn zozeer verweven met een waardering van
omstandigheden van feitelijke aard, dat zij voor het overige in cassatie
niet op juistheid kunnen worden getoetst. Een en ander is niet onbegrijpelijk
noch ontoereikend gemotiveerd. Het Hof behoefde met name niet nader te
motiveren waarom aan het bestaan van deze druk niet in de weg behoeft te
staan dat de man in rechte voor onschuldig moet worden gehouden, en het
behoefde evenmin nader te omschrijven op welke specifieke aspecten van
de onderhavige onderhoudsverplichting deze druk in het bijzonder betrekking
heeft.
Op dit een en ander stuit onderdeel II in zijn geheel af.

3.5 Onderdeel III strekt ten betoge dat de rechter, ingeval hij op de voet
van art. II lid 2 Wet limitering na scheiding een termijn bepaalt gedurende
welke de verplichting zal voortduren, niet de vrijheid heeft te bepalen
dat de uitkering gedurende die termijn geleidelijk wordt verminderd. Dit
betoog vindt geen steun in het recht. Noch de tekst van voormelde bepaling
noch de parlementaire geschiedenis biedt enig aanknopingspunt voor de gedachte
dat de op grond van art. 157 lid 3 (oud) BW aanvaarde bevoegdheid van de
rechter een alimentatie geleidelijk te verminderen onder de nieuwe wet
niet meer zou bestaan. Voor het geldende recht dient derhalve uitgangspunt
te zijn dat de rechter, die bij een beslissing omtrent verschuldigd levensonderhoud
alle omstandigheden van het geval in acht behoort te nemen, ook bij beslissingen
op de voet van art. II lid 2 Wet limitering na scheiding deze bevoegdheid
heeft. Indien immers de rechter tot het oordeel komt dat ondanks het verstrijken
van de termijn van vijftien jaar beëindiging van de alimentatie naar maatstaven
van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan
worden gevergd, en hij een termijn stelt gedurende welke de alimentatieverplichting
voortduurt, zal juist het op termijn eindigen van de verplichting grond
kunnen opleveren na afweging van de omstandigheden van het geval en de
belangen van beide partijen de alimentatie vast te stellen op een lager
bedrag dan voordien verschuldigd was of het bedrag geleidelijk te verminderen,
bijvoorbeeld teneinde aldus een ingrijpende wijziging in één keer te voorkomen
en de gerechtigde de mogelijkheid te bieden zich aan de toekomstige situatie
aan te passen.
Het onderdeel faalt derhalve.

3.6 Het incidenteel cassatieberoep, dat is ingesteld onder de voorwaarde
dat onderdeel III in het principaal beroep gegrond wordt bevonden, behoeft
geen behandeling.

4. BESLISSING

De Hoge Raad verwerpt het principaal beroep.

CONCLUSIE A-G LANGEMEIJER:

Edelhoogachtbaar College,

Het gaat in deze zaak om een verzoek tot limitering van de alimentatieplicht.
Naast motiveringsklachten, wordt in cassatie de vraag voorgelegd of de
rechter kan bepalen dat de alimentatie langzaam wordt afgebouwd.

1. De feiten en het procesverloop
1.1. Voor een uitgebreide omschrijving van de vaststaande feiten wordt
verwezen naar rov. 3.1 – 3.9 van de bestreden beschikking. In cassatie
kan van het volgende worden uitgegaan:
1.1.1. Partijen zijn op 23 augustus 1968 met elkaar gehuwd. Bij vonnis
van de rechtbank te Arnhem van 20 januari 1983 is de echtscheiding uitgesproken.
Het echtscheidingsvonnis is op 4 mei 1983 ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand.
1.1.2. Uit het huwelijk van partijen zijn drie, inmiddels meerderjarige
kinderen geboren, op (…) 1970, (…) 1971 en (…) 1972. Op de dag van
de echtscheiding waren de kinderen dus respectievelijk 13, 12 en 10 jaar
oud.
1.1.3. Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank ten laste van de man, naast
kinderalimentatie, een partneralimentatie vastgesteld. Laatstelijk is deze
alimentatie gewijzigd bij beschikking van de rechtbank te Arnhem van 2
februari 1993 en nader bepaald op ƒ 2.500 per maand.
1.1.4. Bij de echtscheiding is de pensioenverdeling niet geregeld.
1.1.5. De vrouw heeft een opleiding als huishoudkundige gehad. Tijdens
het huwelijk heeft zij, volgens de wens van beide partijen, geen betaalde
arbeid buitenshuis verricht, maar zich volledig aan de verzorging en opvoeding
van de kinderen en aan het huishouden gewijd. Het huwelijk kende een traditioneel
rollenpatroon.

1.2. Bij een op 9 april 1998 ingekomen verzoekschrift heeft de man de rechtbank
te Arnhem verzocht de op hem rustende verplichting tot het verstrekken
van levensonderhoud aan de vrouw te beëindigen met ingang van 4 mei 1998.
Aan zijn verzoek heeft de man ten grondslag gelegd dat zijn alimentatieverplichting
op die datum vijftien jaren zal hebben geduurd.

1.3. De vrouw heeft verweer gevoerd en, op grond van art. II lid 2 van
de Wet limitering van alimentatie na scheiding, de rechtbank verzocht te
bepalen dat de alimentatieverplichting van de man voortduurt tot (…)
2007 (op welke datum de vrouw de 65-jarige leeftijd zal bereiken), zulks
met mogelijkheid van verlenging na die datum. Ter onderbouwing voerde zij
kort samengevat aan:
– de alimentatie (door indexering inmiddels ƒ 2.730,36 per maand) vormt
haar enige bron van inkomsten; bij het wegvallen daarvan, is zij aangewezen
op een bijstandsuitkering voor een alleenstaande.
– zij is (anno 1998) inmiddels 55 jaar oud en acht de kans om betaald werk
te vinden zeer klein, ook gezien haar gebrek aan recente werkervaring.
– partijen hebben gedurende het huwelijk gekozen voor een traditioneel
rollenpatroon waarbij de vrouw de kinderen en het huishouden verzorgde.
Direct na de echtscheiding hadden de kinderen van partijen nog een leeftijd
waarop zij behoefte aan zorg van hun moeder hadden. Toen de kinderen een
oudere leeftijd hadden bereikt, in 1989, heeft de oudste dochter aangifte
gedaan van incest. Vanaf dat moment heeft de vrouw al haar tijd en aandacht
besteed aan de problemen in het gezin. De problemen waren ernstig: de oudste
dochter is jarenlang met ernstige psychische klachten opgenomen geweest
in een psychiatrische inrichting; in 1997 is uiteindelijk de diagnose schizofrenie
gesteld.
– de vrouw heeft geen recht op een deel van het door de man tijdens het
huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen.

1.4. De rechtbank heeft bij beschikking van 14 juli 1998 de verplichting
van de man om bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw met ingang
van 4 mei 1998 beëindigd. De rechtbank overwoog dat de beëindiging niet
van zó ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd (rov 3). De rechtbank
wees erop (rov. 2) dat de vrouw ten tijde van de echtscheiding 40 jaar
oud was, een opleiding had als huishoudkundige en door de man meermalen
is aangespoord deel te nemen aan bijscholingscursussen. Van haar mocht
worden verwacht dat zij zich zou aanpassen aan en zich zou voorbereiden
op de nieuwe situatie; uit niets is gebleken dat de vrouw in de 15 jaren
sedert de echtscheiding enige poging heeft ondernomen om weer in haar eigen
levensonderhoud te voorzien. De omstandigheid dat de vrouw gedurende een
bepaalde periode extra zorg heeft moeten besteden aan de oudste dochter
heeft volgens de rechtbank de vrouw niet de volle periode van 15 jaar belet
in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. De rechtbank kende hierbij
betekenis toe aan de mededeling van de vrouw dat, als zij werk zou hebben
kunnen krijgen, zij daarop niet zou zijn ingegaan in verband met haar zorg
voor de oudste dochter.

1.5. De vrouw is in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Arnhem.
Zij verzocht het hof primair het limiteringsverzoek af te wijzen en te
bepalen dat de alimentatieverplichting voortduurt tot 10 augustus 2007
met mogelijkheid van verlenging. Subsidiair verzocht zij te bepalen dat
de alimentatieverplichting voortduurt tot 10 augustus 2007 overeenkomstig
een door het hof vast te stellen afbouwpatroon.

1.6. Het hof heeft bij beschikking van 10 november 1998 de beschikking
van de rechtbank vernietigd, het inleidend verzoek van de man afgewezen
en de termijn gedurende welke de onderhoudsverplichting zal voortduren
bepaald op vier jaar, hetgeen inhoudt dat de onderhoudsplicht per 4 mei
2002 vervalt. Het hof heeft deze termijn niet voor verlenging vatbaar verklaard.
Voorts bepaalde het hof dat de man in de periode van 4 mei 1998 tot 4 mei
2000 ƒ 2.300 per maand zal bijdragen en in de periode van 4 mei 2000 tot
4 mei 2002 een bedrag van ƒ 2.100 per maand. Blijkens rov. 4.13 is de wettelijke
indexering voor de periode tot 4 mei 2000 uitgesloten.

1.6. De vrouw heeft bij een op 11 januari 1999 ingekomen verzoekschrift
– tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof, voorzien
van drie middelen van cassatie. De man heeft een verweerschrift ingediend
en zijnerzijds voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De
vrouw heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid een verweerschrift
tegen het incidenteel beroep in te dienen.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen in het principaal beroep
2.1. Het inleidend verzoek is gegrond op art. II lid 2 van de Wet limitering
alimentatie na echtscheiding. De tekst luidt: Op verzoek van degene, die
op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke
uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken,
beëindigt de rechter de verplichting, indien deze op of na dat tijdstip
vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de
beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven
van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd
is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de
tot uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast. Bij de beoordeling hiervan
houdt de rechter in ieder geval rekening met:
a. de leeftijd van degene die tot de uitkering gerechtigd is;
b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;
c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit
van de betrokkenen heeft beïnvloed;
d. de omstandigheid dat de tot de uitkering gerechtigde geen recht heeft
op uitbetaling
van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot de uitkering
is gehouden.
De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de vastgestelde termijn
na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is. Het bepaalde in de eerste
volzin kan niet tot gevolg hebben dat de uitkering eindigt binnen drie
jaren na inwerkingtreding van deze wet.

2.2. Over deze wettelijke bepaling zijn al eerder uitspraken gedaan. In
de beschikkingen van 26 maart 1999, RvdW 53 en 54, werd gewezen op de noodzaak
van hoge motiveringseisen in dergelijke zaken. De Hoge Raad vervolgde:
‘Ter beantwoording van de voor het beroep op voormelde uitzondering [lees:
in art. II lid 2, noot A-G] beslissende vraag of de beëindiging van de
uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid niet van degene die tot de uitkering is gerechtigd, kan
worden gevergd, dienen – teneinde te beoordelen of toepassing van de hoofdregel
in dit individuele geval hoogst onrechtvaardig zou zijn – alle relevante
omstandigheden van het geval, zowel die aan de zijde van de tot alimentatie
gerechtigde als die aan de zijde van de alimentatieplichtige, in aanmerking
genomen te worden en in onderling verband te worden gewogen. De hoge motiveringseisen
brengen daarom in beginsel mee dat de rechter, indien de alimentatiegerechtigde
voldoende gemotiveerd stelt dat voor toepassing van de uitzondering grond
is en de feiten waarop deze stelling steunt bij betwisting, althans voor
zover het gaat om omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde,
aannemelijk maakt, bij het nemen van een beslissing als hiervoor bedoeld
moet doen uitkomen welke omstandigheden hij in aanmerking heeft genomen
en hoe hij deze in zijn afweging heeft betrokken.’

De Hoge Raad heeft bovendien een vuistregel gegeven voor gevallen waarin
de beëindiging van de uitkering voor de alimentatiegerechtigde geen of
slechts een relatief onbetekenende terugval in inkomen ten gevolge heeft.
Toepassing van deze vuistregel is in de onderhavige zaak niet nodig. Het
hof heeft in rov. 4.1 – 4.4 – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat
in dit geval sprake is van een ingrijpende inkomensdaling.

2.3. Middel I acht het innerlijk tegenstrijdig, in elk geval onbegrijpelijk,
dat het hof in rov. 4.13 in aanmerking neemt dat de vrouw mogelijkerwijs
na 4 mei 2002 in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien, terwijl
het hof eerder, in rov. 4.5, 4.7 en 4.10 en in overeenstemming met het
rechtbankoordeel in eerdere alimentatiegeschillen in 1983 en 1993, had
overwogen dat de vrouw thans niet in staat geacht wordt in haar eigen levensonderhoud
te voorzien, gelet op haar gebrek aan relevante werkervaring, haar verouderde
opleiding en haar leeftijd.

2.4. De klacht over innerlijke tegenstrijdigheid berust n.m.m. op een onjuiste
lezing van de beschikking. Het hof heeft zijn oordeel niet gebaseerd op
de verwachting dat de vrouw vanaf mei 2002 zelf door inkomsten uit arbeid
in haar levensonderhoud voorziet; een dergelijk oordeel zou inderdaad zonder
nadere toelichting niet begrijpelijk zijn als de vrouw, mede vanwege haar
leeftijd, nú al niet in staat is door arbeid in haar levensonderhoud te
voorzien. De redenering van het hof is evenwel een andere. In het verleden
is de vrouw belemmerd geweest in haar mogelijkheden om door betaalde arbeid
in haar eigen levensonderhoud te voorzien (rov. 4.6). Deze constatering
stemt overeen met de rechtbankoordelen uit 1983 en 1993. Ten tijde van
de behandeling door het hof echter, was de vrouw, ook naar eigen zeggen,
door gewijzigde omstandigheden weer in staat zich beschikbaar te stellen
voor de arbeidsmarkt, ten minste in deeltijd. Met deze bereidverklaring
is nog niet gezegd dat de vrouw in mei 2002 ook in daadwerkelijk staat
is met inkomen uit arbeid in haar levensonderhoud te voorzien: of zij betaald
werk zal vinden, moet worden afgewacht (aldus rov. 4.7 slot). Met andere
woorden: het hof laat in het midden of de vrouw in mei 2002 inderdaad inkomen
uit arbeid heeft. Na een afweging van de wederzijdse belangen is het hof
tot de conclusie gekomen dat een gefaseerde beëindiging van de alimentatie
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw kan worden
gevergd, óók in het geval dat de vrouw in mei 2002 nog geen werk heeft.
Vanaf mei 2002 kan de vrouw in de redenering van het hof hetzij in haar
eigen levensonderhoud voorzien (nl. wanneer zij werk vindt), hetzij aanspraak
maken op een bijstandsuitkering totdat zij voor AOW in aanmerking komt
(rov. 4.13). Innerlijk tegenstrijdig is deze redenering niet. Voor het
overige is de redengeving niet onbegrijpelijk: het hof heeft doen uitkomen
welke omstandigheden het in aanmerking heeft genomen en hoe het deze omstandigheden
in zijn afweging heeft betrokken.

2.5. Middel II maakt, kort gezegd, bezwaar tegen de wijze waarop het hof
in rov. 4.13 de ‘ernstige psychische druk’ voor de man heeft meegewogen.
Voor zover het hof doelt op de gevolgen van de in feitelijke aanleg aangevoerde
incestbeschuldiging (rov. 3.9, 4.8 en 4.9), acht de vrouw de redengeving
onbegrijpelijk: het hof had de vraag of de incestbeschuldiging waar of
onwaar is geheel in het midden moeten laten en ervan moeten uitgaan dat
de man geen gevolgen van die beschuldiging ondervindt omdat hij voor onschuldig
behoort te worden gehouden zolang zijn schuld niet door de strafrechter
is vastgesteld. Voor zover het hof in rov. 4.10 spreekt over ‘de psychische
druk die de man ondervindt door de gevolgen van de echtscheiding en de
betaling van de onderhoudsbijdrage’ gaat het volgens de vrouw om omstandigheden
die niet uitzonderlijk zijn en daarom de genomen beslissing niet kunnen
verklaren.

2.6. Om met dit laatste te beginnen: de man heeft in feitelijke aanleg
gewezen op de ernstige psychische druk die op hem ligt ten gevolge van
de incestbeschuldiging door de dochter en het feit dat de contacten van
de man met haar en de andere kinderen volledig zijn verbroken doordat de
vrouw en de andere kinderen zich achter het standpunt van deze dochter
hebben geschaard hoewel omtrent het seksueel misbruik niets is komen vaststaan
(zie de weergave van het standpunt van de man in rov. 4.8). Het hof heeft
geconstateerd dat de man nog steeds niet kan leven met het feit dat de
waarheid omtrent het beweerdelijke seksueel misbruik niet is komen vast
te staan terwijl hij wel de gevolgen ondervindt alsof dat vaststaat (rov.
4.9). Wanneer het hof vervolgens in rov. 4.10 spreekt over de psychische
druk die de man ondervindt en in rov. 4.13 daarop voortbouwt, heeft het
hof kennelijk niet het oog op de psychische druk die een echtscheiding
en de alimentatieplicht in het algemeen met zich meebrengt die vormt inderdaad
geen bijzondere omstandigheid maar op de zojuist omschreven bijzondere
psychische druk waarvan de man melding heeft gemaakt.

2.7. Was het hof gerechtigd deze psychische druk in zijn beoordeling betrekken?
Naar mijn mening wel: ingevolge de aangehaalde rechtspraak had het hof
te letten op alle relevante omstandigheden, ook de omstandigheden aan de
zijde van de alimentatieplichtige. Het resultaat van deze afweging berust
op een waardering van de feiten, welke aan het hof is voorbehouden. Aan
de verzwaarde motiveringseisen is voldaan: het hof hééft (in rov. 4.5 jo.
3.5 – 3.7) aangegeven welke omstandigheden het in aanmerking heeft genomen
en (in rov. 4.8 – 4.13) hoe het deze omstandigheden in de afweging heeft
betrokken. De regel dat de man in rechte voor onschuldig wordt gehouden
zolang zijn schuld niet is aangetoond neemt niet weg dat de man in sociaal
opzicht de gevolgen van een incest-beschuldiging kan ondervinden. Onbegrijpelijk
is de redengeving niet, tenzij a priori zou worden aanvaard dat zulk een
psychische druk voor een limiteringsbeslissing niet relevant kán zijn;
voor dat uitgangspunt biedt de rechtspraak tot dusver geen steun. In de
gedachtegang van het hof (rov. 4.8) heeft de vrouw door haar opstelling
er zelf aan meegewerkt dat de man zoveel jaar na dato nog steeds deze psychische
druk ondervindt. Deze waardering van de feiten leent zich niet voor een
toetsing in cassatie.

2.8. Middel III berust op de stelling dat de rechter niet de vrijheid heeft
de onderhoudsplicht gefaseerd te beëindigen, zoals in dit geval gebeurd
is. Deze stelling is betwistbaar. Voordat de Wet limitering van alimentatie
na scheiding in werking trad, werd reeds aangenomen dat art. 157 lid 3
(oud) BW de rechter de bevoegdheid gaf de alimentatie slechts voor een
bepaalde tijd toe te kennen, al of niet in de vorm van een geleidelijke
vermindering tot nihil. De Wet limitering van alimentatie na scheiding
heeft in dit uitgangspunt geen wijziging gebracht, met dien verstande dat
een termijnstelling niet tot gevolg kan hebben dat de uitkering later eindigt
dan na 12 jaar: zie art. 157 lid 3 (nieuw) BW. De overgangsbepaling in
art. II lid 2 van de Wet limitering van alimentatie na scheiding houdt
in dat, wanneer de rechter van oordeel is dat een beëindiging (van een
alimentatieverplichting die 15 jaar of langer heeft geduurd) niet van de
alimentatiegerechtigde kan worden gevergd, de rechter alsnog een termijn
vaststelt. Een alimentatieplicht die voor onbepaalde tijd bestond wordt
in zo’n geval dus omgezet in een alimentatieplicht voor bepaalde tijd.
De parlementaire geschiedenis van de Wet limitering van alimentatie na
scheiding biedt, als ik het goed zie, geen aanknopingspunt voor de veronderstelling
dat de wetgever voor de zgn. ‘oude’ gevallen, bedoeld in art. II lid 2,
heeft willen afwijken van de mogelijkheid van een geleidelijke afbouw.
Een periode waarin de alimentatie geleidelijk wordt afgebouwd, kan bij
voorbeeld bedoeld zijn om de alimentatiegerechtigde de kans te geven om
werk te zoeken, zich om te scholen, het eigen vermogen te reorganiseren
of goedkopere woonruimte te zoeken. Ook het derde middel faalt.

2.9. Indien, zoals voorgesteld, het principaal cassatieberoep wordt verworpen,
kan het door de man ingestelde voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
– dat uitsluitend beoogt te bewerkstelligen dat na verwijzing gekozen kan
worden voor een eerdere beëindiging van de alimentatieplicht, overigens
zonder een klacht aan te voeren tegen de huidige beëindigingsdatum – buiten
beschouwing blijven.

3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Rechters

mrs. Mijnssen, Neleman, Herrmann, Jansen en De Savornin Lohman

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 3 december 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Bij het bepalen van de alimentatiebehoefte van de vrouw heeft het hof rekening
gehouden met de welstand van partijen tijdens het huwelijk, maar daarbij
tevens in aanmerking genomen dat het uitgavenpatroon tijdens het huwelijk
kennelijk nauw verband hield met de maatschappelijke positie van de man
en dat het uitgavenpatroon in zoverre niet bepalend kan zijn voor de huidige
behoefte van de vrouw. Geen onbegrijpelijk oordeel.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 2 april 1997 ter griffie van de Rechtbank te ‘s-Gravenhage ingediend
verzoekschrift heeft verweerder in cassatie – verder te noemen: de man
– zich gewend tot die Rechtbank en verzocht echtscheiding tussen hem en
verzoekster tot cassatie – verder te noemen: de vrouw – uit te spreken.
Voorts heeft hij verzocht nevenvoorzieningen te treffen.
De vrouw heeft ook harerzijds verzocht echtscheiding tussen partijen uit
te spreken en –
voor zover in cassatie nog van belang – voorts verzocht voor haarzelf een
uitkering tot
levensonderhoud van ƒ 3.500 per maand vast te stellen.
De man heeft bij verweerschrift verzocht de door de vrouw verzochte bijdrage
af te wijzen
voor zover deze een bedrag van ƒ 3.000 per maand in 1997 en 1998, ƒ 2.000
in 1999
en 2000 en ƒ 1.000 in 2001 en 2002 te boven gaat, en te bepalen dat de
onderhoudsplicht ten aanzien van de vrouw per 1 januari 2003 is geëindigd.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 13 oktober 1997 echtscheiding tussen
partijen
uitgesproken en – voor zover in cassatie van belang – de man veroordeeld
van de dag van
inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke
stand aan
de vrouw tot haar levensonderhoud uit te keren een bedrag van ƒ 3.500 per
maand, en
het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking, voor zover het de vaststelling van alimentatie
van de vrouw betreft, heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof
te ‘s-Gravenhage.
Bij beschikking van 29 januari 1999 heeft het Hof de beschikking van de
Rechtbank, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en, in zoverre
opnieuw beschikkende, aan
de vrouw ten laste van de man met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking
is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een alimentatie
toegekend van ƒ 3.000 per maand, zulks tot 1 januari 1999, en vervolgens
voor het jaar 1999 ƒ 2.500, voor het jaar 2000 ƒ 2.000, voor het jaar 2001
en de jaren daarna ƒ 1.500, steeds per maand, en het meer of anders verzochte
afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel
uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping
van het beroep.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1 Bij beschikking van de Rechtbank van 13 oktober 1997 is tussen partijen
echtscheiding
uitgesproken, en is voorts, voor zover in cassatie van belang, de man veroordeeld
aan de vrouw tot haar levensonderhoud uit te keren een bedrag van ƒ 3.500
per maand. Het Hof heeft die beschikking, voor zover zij de uitkering tot
levensonderhoud van de vrouw betreft, vernietigd, en de man veroordeeld
tot een alimentatie van ƒ 3.000 per maand tot 1 januari 1999, en vervolgens
voor het jaar 1999 ƒ 2.500 per maand, voor het jaar 2000 ƒ 2.000 per maand
en voor het jaar 2001 en de jaren daarna ƒ 1.500 per maand.

3.2 Bij zijn oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij,
voordat partijen uiteengingen, een zo grote financiële behoefte had dat
zij thans naast haar verdiensten behoefte heeft aan een aanvullende alimentatie
van ƒ 3.500 per maand, heeft het Hof in aanmerking genomen dat een deel
van haar behoeften samenhing met de kosten die zij als echtgenote van de
man in diens maatschappelijke positie heeft moeten maken, welke extra behoefte
niet meer bestaat (rov. 8). Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat de vrouw
behoefte heeft aan een aanvullende alimentatie ‘in verband met het iets
hogere uitgavenpatroon dat zij uit het huwelijk meeneemt’.
Met een en ander heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het bij de
bepaling van de behoefte van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage na de
ontbinding van het huwelijk weliswaar rekening heeft gehouden met de welstand
waarin partijen tijdens het huwelijk hebben geleefd, doch dat een gedeelte
van het uitgavenpatroon tijdens het huwelijk van partijen kennelijk nauw
verband hield met de maatschappelijke positie van de man. Daaraan heeft
het Hof de slotsom verbonden dat het vorenbedoeld uitgavenpatroon in zoverre
niet bepalend kan zijn voor de huidige behoeft van de vrouw. Nu het aan
het Hof vrijstaat de voor de behoefte van de vrouw in aanmerking komende
omstandigheden te wegen en het Hof daarbij niet afzonderlijk behoeft in
te gaan op alle door de vrouw aangevoerde stellingen, is dit oordeel niet
onbegrijpelijk. Het is ook niet ontoereikend gemotiveerd. Het middel faalt
derhalve.

4. BESLISSING

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

CONCLUSIE A-G LANGEMEIJER:

Edelhoogachtbaar College,
In dit alimentatiegeschil gaat het om de motivering van het oordeel over
de behoefte van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage.

1. De feiten en het procesverloop
1.1. Partijen zijn in 1975 met elkaar gehuwd. Bij inleidend verzoekschrift
d.d. 2 april 1997 heeft de man de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht de
echtscheiding uit te spreken. Zijn nevenverzoeken hadden betrekking op
een toen nog minderjarige dochter en kunnen onbesproken blijven. De vrouw
heeft een verweerschrift ingediend. Daarin heeft zij onder meer verzocht
de door de man na echtscheiding verschuldigde bijdrage in de kosten van
haar levensonderhoud vast te stellen op ƒ 3.500 per maand.

1.2. In antwoord op het verzoek van de vrouw heeft de man een regeling
voorgesteld waarbij de partneralimentatie geleidelijk zou worden afgebouwd
van ƒ 3.000 (in 1997-1998) via ƒ 2.000 (in 1999-2000) en ƒ 1.000 per maand
(in 2001-2002) tot nihil op 1 januari 2003.

1.3. Bij beschikking van 13 oktober 1997 heeft de rechtbank de echtscheiding
uitgesproken
en – voor zover in cassatie van belang – de man veroordeeld tot betaling
van een bijdrage
in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw ten bedrage van ƒ 3.500
per maand
met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

1.4. De man is in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage.
Bij beschikking van 29 januari 1999 heeft het hof de beschikking van de
rechtbank vernietigd en aan de vrouw een alimentatie toegewezen van ƒ 3.000
per maand, vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking
tot 1 januari 1999 en vervolgens:
– voor het jaar 1999: ƒ 2.500 per maand;
– voor het jaar 2000: ƒ 2.000 per maand;
– voor het jaar 2001 en de jaren daarna: ƒ 1.500 per maand.

1.5. De vrouw heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking
van het hof, onder aanvoering van één middel van cassatie. De man, ofschoon
daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Bij de vaststelling van alimentatie wordt enerzijds rekening gehouden
met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de
draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon (art. 1:397 BW). Het
hof heeft in rov. 5 geconstateerd dat de financiële draagkracht van de
man toereikend is om de in eerste aanleg vastgestelde alimentatie te voldoen.
Vervolgens is het hof in rov. 8 nader ingegaan op de behoeften van de vrouw.
Het hof overwoog: ‘De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, voordat
de partijen uiteengingen, een zo grote financiële behoefte had dat zij
thans bovenop haar verdiensten behoefte heeft aan een aanvullende alimentatie
van ƒ 3.500 bruto per maand. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat een
deel van haar behoeften samenhing met kosten die zij als echtgenote van
de man in diens maatschappelijke positie heeft moeten maken. Deze extra
behoefte is er niet meer. De vrouw heeft enige aanvullende alimentatie
nodig, eerst om te wennen aan een behoeftenpatroon dat past bij haar inkomen,
en blijvend, met enige aanvulling in verband met het iets hogere uitgavenpatroon
dat zij uit het huwelijk meeneemt.’
In de bestreden beschikking is dus geen sprake van limitering (beëindiging
van de onderhoudsplicht als zodanig), maar van een afnemende behoefte aan
alimentatie.

2.2. Het middel acht dit oordeel onbegrijpelijk, althans de redengeving
ontoereikend. In onderdeel (i) wordt aangevoerd dat de vrouw zich had beroepen
op haar huidige behoeften. Niet valt in te zien dat de gestelde behoefte
ontbreekt enkel omdat in het verleden een extra behoefte zou hebben bestaan
die er nu niet meer is. Bovendien, zo stelt onderdeel (ii), blijkt noch
uit de stellingen van de vrouw noch uit de gedingstukken dat de vrouw in
het verleden een extra behoefte heeft gehad door kosten die zij heeft moeten
maken. Ook de man heeft dit niet aangevoerd, aldus onderdeel (iii).

2.3. In het Trema-rapport wordt het bondig omschreven: de behoefte van
de gewezen echtgenoot kan worden gesteld op het bedrag dat nodig is om
een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past.
De mate van welstand waarin partijen tijdens hun huwelijk hebben kunnen
leven mag in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de huidige behoefte
van de alimentatiegerechtigde. Dit is verklaarbaar: de partneralimentatie
vindt haar grondslag in de levensgemeenschap zoals die door het huwelijk
is geschapen, welke gemeenschap in de alimentatieplicht haar werking behoudt
ook al wordt de huwelijksband geslaakt.

2.4. Het hof heeft in rov. 4 vastgesteld dat de vrouw ƒ 43.500 per jaar
verdient en dat zij, buiten de hypotheeklasten van bruto ƒ 750 per maand
(= ƒ 9.000 per jaar), geen bijzondere lasten heeft. In zoverre is het huidige
inkomen van de vrouw toereikend. Het hof heeft blijkens rov. 9 daarbij
mede gelet op de vermogenspositie. Zou het hof het hierbij gelaten hebben,
dan zou er sprake zijn geweest van een terugval in het bestedingspatroon.
In de laatste jaren van het huwelijk hebben partijen immers in een redelijke
welstand geleefd; zie rov. 2. Het hof heeft voor de bepaling van de huidige
behoefte dan ook aansluiting gezocht bij het levenspeil in de laatste jaren
van het huwelijk, zij het dat het hof dit uitgangspunt relativeert door
de overweging dat een deel van de behoeften van de vrouw in die periode
samenhing met kosten welke zij als echtgenote van de man in diens maatschappelijke
positie heeft moeten maken en welke kosten zij nu niet meer heeft. Op zich
is dit een begrijpelijke redengeving.

2.5. Bij de mondelinge behandeling in appèl heeft de vrouw zich beroepen
op een zgn. ‘jus-vergelijking’. Deze is door het hof niet gevolgd; over
die beslissing wordt in cassatie niet geklaagd. Om de huidige behoeften
van de vrouw te kunnen bepalen, heeft het hof onderzocht aan welk bestedingspatroon
de vrouw tijdens het huwelijk gewend was. Bij de mondelinge behandeling
in eerste aanleg had de vrouw, ter onderbouwing van haar huidige behoeften,
zich beroepen op een gespecificeerde lijst van begrote of werkelijke uitgaven
welke uitkomt op een totaalbedrag (ƒ 81.802,23) dat aanzienlijk boven haar
huidige inkomen uit arbeid ligt. Kennelijk heeft het hof het hieruit blijkende
bestedingspatroon tot uitgangspunt genomen en geoordeeld dat dit patroon
ten dele in aanmerking wordt genomen als een blijvende consequentie van
het huwelijk (hetgeen de alimentatie van ƒ 1.500 in 2001 en volgende jaren
rechtvaardigt). Ten dele heeft het hof een geleidelijke afbouw van dit
bestedingspatroon redelijk geacht tot een bestedingspatroon dat past bij
de situatie waarin de vrouw thans verkeert. De vaststelling en de waardering
van omstandigheden, van belang voor de bepaling van de alimentatie, zijn
voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kunnen als zodanig
in cassatie niet worden getoetst.

2.6. Bij de mondelinge behandeling in appèl is gewezen op HR 10 januari
1997 (FJR 1997 blz. 66) en het debat daarover in Echtscheidingsbulletin
1997 (nr 4 resp. nr 6/7) tussen J.W.D. van O.[..] en B.M. M.[..]. In het
toen berechte geval had de vrouw kennelijk ook een uitgavenbegroting overgelegd
en hadden partijen over een groot aantal van de daarin opgenomen posten
gedebatteerd; het hof had toen nagelaten aan te geven welk van die posten
het naar aanleiding van dat debat heeft aanvaard als medebepalend voor
de behoefte van de vrouw. In het onderhavige geval is een dergelijk debat
op posten echter uitgebleven. Mogelijk komt dit, doordat de mondelinge
behandeling op 24 april 1998 desverzocht door het hof is opgeschort voor
het voeren van schikkingsonderhandelingen. Hoe dan ook, van het hof kon
in dit geval m.i. niet worden gevergd in zijn motivering de lijst van uitgaven
van de vrouw post voor post te bespreken en telkens aan te geven welke
uitgaven het hof wél en welke het hof niet als bovenmatig voorkwamen.

2.7. Waar het hof spreekt over kosten die de vrouw als echtgenote van de
man in diens maatschappelijke positie heeft moeten maken, wordt vanzelfsprekend
niet bedoeld dat iemand haar heeft gedwongen die kosten te maken. Het hof
heeft hiermee kennelijk slechts willen aangeven dat de vrouw tijdens haar
huwelijk een deel van de kosten uitsluitend had omdat het doen van de desbetreffende
uitgaven in haar toenmalige positie maatschappelijk gebruikelijk was en
dat zij thans, verkerend in een positie waarin het maken van die kosten
niet maatschappelijk gebruikelijk is, minder uitgaven te haren laste heeft.
Onbegrijpelijk is een en ander niet.

2.8. In hoger beroep betwistte de man de door de vrouw verzochte alimentatie
– en de daartoe door de vrouw gestelde behoefte – als bovenmatig. Daarmee
was de rechtsstrijd afgebakend: het hof had te onderzoeken of de door de
vrouw gestelde behoefte daadwerkelijk bestond. Reeds in het inleidend echtscheidingsverzoekschrift
had de man laten weten dat hij slechts voor een beperkte overbruggingsperiode
alimentatie wilde betalen, hetgeen in zijn verweerschrift tegen het verzoek
van de vrouw is geconcretiseerd in de voorgestelde afbouwregeling. Binnen
de aldus bepaalde grenzen van de rechtsstrijd kon het hof uit de ten processe
gebleken feiten zelf de conclusie trekken dat een deel van de door de vrouw
gestelde behoeften voortkwam uit omstandigheden die tijdens het huwelijk
wél het bestedingspatroon bepaalden, maar nu niet meer. In de keuze van
zijn argumenten omtrent de mate waarin behoefte werd aangenomen was het
hof niet gebonden aan de argumenten die de man had aangevoerd. De slotsom
is dat het middel in geen van zijn onderdelen doel treft.

3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Rechters

Mrs. Neleman, Hammerstein en Kop

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 3 december 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Eiseres is tussen 1978 en 1992, in strijd met artikel 119 oud
EG-Verdrag, uitgesloten geweest van de ondernemingspensioenregeling van
Innovam, omdat zij in deeltijd werkte. Zij vordert primair aansluiting bij de
pensioenregeling vanaf 1978 en subsidiair schadevergoeding van zodanige
omvang dat het gemis aan pensioenopbouw wordt weggenomen. Verweerster stelt
dat de vordering na verloop van 5 jaar is verjaard op grond van artikel 2012
oud BW, zodat de vordering niet eerder dan vanaf 1987 toegewezen
kan worden. De Hoge Raad beslist dat de primaire vordering niet anders kan
worden opgevat dan als een vordering tot schadevergoeding, waarop artikel
2012 oud BW niet van toepassing is. Verweerster wordt veroordeeld
om eiseres vanaf 1980 op te nemen in de pensioenregeling en de, hiermee
verband houdende, inkoopsom te voldoen.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie – verder te noemen: R. – heeft bij ongedateerd exploit
verweerster in cassatie – verder te noemen: Innovam – gedagvaard voor de
Kantonrechter te Leiden en – na wijziging van eis – gevorderd:

primair: dat Innovam wordt veroordeeld tot opname van R. met ingang van 1
september 1978 in de ondernemingspensioenregeling naar evenredigheid van de
opbouw die zou hebben plaatsgevonden ware R. in de periode van 1 september
1978 tot heden bij Innovam in dienst geweest op basis van een fulltime
dienstverband, een en ander op straffe van een dwangsom van ƒ 1000 per dag,
met veroordeling van Innovam tot betaling van alle kosten verbonden aan die
toekenning, te verminderen met het werknemersaandeel van de pensioenpremies
voor zover een vordering ter zake van Innovam niet verjaard is;

subsidiair: een verklaring voor recht dat Innovam gebonden is R.
schadevergoeding te betalen van een zodanige aard en omvang dat daarmee haar
schade als gevolg van het gemis van pensioenopbouw via de bij Innovam
toepasselijke ondernemingspensioenregeling vanaf 1 september 1978 volledig
wordt gecompenseerd. Innovam heeft de vorderingen bestreden. De Kantonrechter
heeft na een aantal tussenvonnissen bij eindvonnis van 4 oktober 1994 voor
recht verklaard dat Innovam gehouden is R. schadevergoeding te betalen van
een zodanige aard en omvang, dat daarmee haar schade als gevolg van het gemis
van pensioenopbouw via de ondernemingspensioenregeling, die bij Innovam van
toepassing is, vanaf 1 september 1978 volledig wordt gecompenseerd, en aan R.
het meer of anders gevorderde ontzegd. Tegen dit eindvonnis heeft Innovam
hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te ‘s-Gravenhage. R. heeft
incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij haar subsidiaire eis gewijzigd
in een vordering tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Na een
tussenvonnis van 16 april 1997 heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 3
september 1997 in het principaal en incidenteel hoger beroep het eindvonnis
van de Kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, Innovam veroordeeld
R. alsnog met ingang van 15 oktober 1987 op te nemen in haar
ondernemingspensioenregeling en in verband daarmee alsnog voor haar rekening
te nemen de daarmee verband houdende inkoopsom, welke over de periode 15
oktober 1987 tot 1 januari 1992 uitsluitend op basis van de werknemerspremies
is berekend, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Beide vonnissen van de Rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide vonnissen van de Rechtbank heeft R beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen Innovam is verstek verleend.
R heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot
vernietiging van het bestreden vonnis en tot afdoening in voege als onder 17
van deze conclusie is vermeld.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
R. is van 1 september 1978 tot 1 november 1993 op arbeidsovereenkomst voor
halve dagen als administratief medewerkster in dienst geweest van Innovam
Volgens het destijds toepasselijke pensioenreglement van 1 januari 1978
konden werknemers slechts in de pensioenregeling worden opgenomen indien zij
een volledige dagtaak hadden. R. kwam volgens het pensioenreglement niet voor
opneming in de pensioenregeling in aanmerking. Met ingang van 1 januari 1992
is een nieuw pensioenreglement van kracht. Volgens dit reglement heeft voor
R. een pensioenvoorziening gegolden waarbij de pensioenfranchise is berekend
naar rato van de gewerkte arbeidstijd.

3.2. R. heeft in het geding in eerste aanleg, na wijziging van haar eis,
gevorderd, samengevat weergegeven:
– primair dat Innovam zal worden veroordeeld R. op te nemen in de
pensioenregeling onder toekenning van opbouw van pensioen aan R. met
terugwerkende kracht tot 1 september 1978, met betaling van al de daaraan
verbonden kosten, verminderd met het werknemersdeel van de pensioenpremies
voor zover een vordering terzake van Innovam op R. niet is verjaard;
– subsidiair dat voor recht zal worden verklaard dat Innovam gehouden is aan
R. schadevergoeding te betalen van zodanige aard en omvang dat daarmee de
schade van R. als gevolg van het gemis van pensioenopbouw via de bij Innovam
toepasselijke pensioenregeling vanaf 1 september 1978 volledig wordt
gecompenseerd.
R. heeft deze vorderingen erop gegrond dat de uitsluiting van werknemers
zonder volledige dagtaak van opname in de pensioenregeling in strijd is met
art. 119 (thans art. 141) EG-verdrag.Innovam heeft tot haar verweer
aangevoerd dat de uitsluiting van deeltijd-werknemers niet in strijd is met
art. 119. Zij heeft voorts betoogd dat de vordering van R. een loonvordering
is die zowel ingevolge het bepaalde bij art. 2012 (oud) BW als ingevolge het
bepaalde bij art. 3:307 lid 1 is verjaard na verloop van vijf jaren, zodat de
vordering van R. slechts betrekking kan hebben op een periode van vijf jaren
voorafgaande aan 15 oktober 1992, de datum van de dagvaarding.

3.3. De Kantonrechter heeft het verweer van Innovam dat de uitsluiting van
deeltijd-werknemers in een pensioenreglement niet met art. 119 EG-verdrag in
strijd is, verworpen. De Kantonrechter overwoog voorts dat uit de uitspraak
van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen van 28 september 1994
inzake Fisscher tegen Voorhuis BV c.s. (C-128/93) volgt dat art. 119 kan
worden ingeroepen om met terugwerkende kracht tot 8 april 1976 – de datum van
de uitspraak Defrenne – het recht op aansluiting bij de pensioenregeling te
vorderen. Het beroep van Innovam op verjaring heeft de Kantonrechter,
voorzover het de subsidiaire vordering betreft, eveneens verworpen. Op deze
gronden heeft de Kantonrechter de subsidiaire vordering van R. toegewezen.
Innovam heeft tegen het vonnis van de Kantonrechter hoger beroep ingesteld.
R. heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft zij haar
subsidiaire vordering gewijzigd in een vordering tot vergoeding van schade op
te maken bij staat.

3.4. De Rechtbank heeft in rov. 6.6 van het tussenvonnis vastgesteld dat
partijen het erover eens zijn dat de in het vóór 1 januari 1992 geldende
pensioenreglement voorkomende uitsluiting van deeltijd-werknemers in strijd
was met art. 119. In rov. 6.7 van haar tussenvonnis heeft de Rechtbank
vervolgens geoordeeld dat Innovam op grond van het gemeenschapsrecht jegens
R. gehouden was een pensioentoezegging te doen als welke zij eerst met ingang
van 1 januari 1992 jegens R. heeft gedaan door de invoering van het
pensioenreglement van die datum. De verjaringstermijn van de rechtsvordering
tot nakoming van deze verplichting is op grond van art. 2004 (oud) BW dertig
jaar. Ingevolge art. 73 OW NBW liep deze termijn, naar de Rechtbank overwoog,
door na 1 januari 1992 en is zij gestuit door het op 15 oktober 1995
uitbrengen van de dagvaarding waarmede het onderhavige geding een aanvang
heeft genomen.
In rov. 6.9 van het tussenvonnis heeft de Rechtbank vervolgens overwogen dat
R. in beginsel aanspraak erop heeft dat Innovam haar met terugwerkende kracht
tot 1 september 1980 opneemt in haar pensioenregeling. De verplichting van
Innovam om R. aan te sluiten bij de pensioenregeling vertaalt zich naar het
oordeel, van de Rechtbank in een verplichting tot betaling van premies door
de werkgever en werknemer. Deze verplichting is er een bij het jaar of
kortere termijn zodat zowel onder het oude recht (art. 2012 (oud) BW) als
onder het huidige recht (art. 3:308) een verjaringstermijn geldt van vijf
jaar. Naar het oordeel van de Rechtbank is de toepassing van deze
verjaringsregels op de op het gemeenschapsrecht gegronde vorderingen van R.
niet ongunstiger dan voor soortgelijke vorderingen terzake van achterstallig
salaris en maakt zij het in de praktijk niet onmogelijk voor R. om het aan
het gemeenschapsrecht ontleende recht uit te oefenen. Het beroep van Innovam
op verjaring achtte de Rechtbank dan ook gegrond. Innovam is daarom niet
verplicht tot betaling van premies ten aanzien van een periode vóór 15
oktober 1987.
In haar eindvonnis heeft de Rechtbank Innovam veroordeeld om R. met ingang
van 15 oktober 1987 op te nemen in haar pensioenregeling en in verband
daarmee alsnog voor haar rekening te nemen de daarmee verband houdende
inkoopsom welke over de periode 15 oktober 1987 tot 1 januari 1992,
uitsluitend op basis van de werkgeverspremies, is berekend. Het middel keert
zich tegen het tussenvonnis en het eindvonnis van de Rechtbank. Onderdeel 1
van het middel is een inleiding en bevat geen zelfstandige klacht.

3.5. De Hoge Raad zal eerst onderdeel 3 behandelen. Dit onderdeel, dat zich
richt tegen het oordeel van de Rechtbank in rov. 6.9 van het tussenvonnis dat
de verplichting van Innovam om R. op te nemen in de pensioenregeling “zich
vertaalt” in een verplichting tot betaling van premies door de werkgever en
werknemer waarop art. 2012 (oud) BW van toepassing is, treft doel.
De primaire vordering van R. kan niet anders worden opgevat dan als een
vordering tot herstel van de schade die R. heeft geleden als gevolg van het
tekortschieten van Innovam in de nakoming van de voor haar uit art. 119
voortvloeiende verplichting om R. met betrekking tot de opneming in de
pensioenregeling op gelijke wijze te behandelen als werknemers in dienst bij
Innovam met een volledige dagtaak. Een dergelijke vordering is in wezen een
vordering tot vergoeding van schade en kan niet worden gelijkgesteld met een
vordering om alsnog niet betaalde pensioenpremies te voldoen. Reeds daarom is
art. 2012 niet van toepassing op de onderhavige vordering. Bovendien heeft de
Rechtbank, waar zij in haar rov 6.9 oordeelt dat de verplichting van Innovam
om R. aan te sluiten bij de pensioenregeling zich vertaalt in een
verplichting tot betaling van premies en dat daarop art. 2012 van toepassing
is, ten onrechte de werkingssfeer van deze bepaling zover uitgebreid dat zij
ook op een vordering tot vergoeding van schade als de onderhavige van
toepassing zou zijn. Door zulk een toepassing zou de werkgever, die heeft
nagelaten zijn pensioenregeling aan te passen aan het gemeenschapsrecht, op
onaanvaardbare wijze worden beschermd ten koste van de werknemer. Dit zou
niet stroken met de strekking van de dwingendrechtelijke regeling van art.
119, noch met de op bescherming van de werknemer gerichte regels betreffende
de arbeidsovereenkomst.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat, anders dan de Rechtbank heeft
geoordeeld, ook art. 3:308 BW niet op een geval als het onderhavige van
toepassing zou zijn.

3.6. Uit hetgeen onder 3.5 is overwogen volgt dat het tussenvonnis van de
Rechtbank moet worden vernietigd. De overige onderdelen van het middel
behoeven geen behandeling meer. Nu het tussenvonnis geen stand houdt, moet
ook het eindvonnis, dat op het tussenvonnis voortbouwt, worden vernietigd.

3.7. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu, naar volgt uit hetgeen
hiervoor is overwogen, het beroep van Innovam op verjaring moet worden
verworpen, moet Innovam worden veroordeeld om R. met ingang van 1 september
1980 op te nemen in haar ondernemingspensioenregeling en in verband daarmee
alsnog voor haar rekening te nemen de hiermede verband houdende inkoopsom
welke uitsluitend op basis van de werkgeverspremies moet worden berekend. Dit
betekent dat ook het eindvonnis van de Kantonrechter, waarbij de subsidiaire
vordering van R. werd toegewezen, moet worden vernietigd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de vonnissen van de Rechtbank te ‘s-Gravenhage van 16 april 1997
en van 3 september 1997;
vernietigt het vonnis van de Kantonrechter te Leiden van 4 oktober 1995;
veroordeelt Innovam om R. alsnog met ingang van 1 september 1980 op te nemen
in haar ondernemingspensioenregeling en in verband daarmee alsnog voor haar
rekening te nemen de daarmee verband houdende inkoopsom, welke over de
periode van 1 september 1980 tot 1 januari 1992 uitsluitend is berekend op
basis van de werkgeverspremies;
veroordeelt Innovam in de kosten van het geding in eerste instantie, aan de
zijde van R begroot op ƒ 2396,67;
veroordeelt Innovam in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde
van R, begroot op ƒ 2600;
veroordeelt Innovam in de kosten van het geding in cassatie, tot aan de zijde
van R begroot op ƒ 701,68 aan verschotten en ƒ 3500 voor salaris.

Rechters

Mrs. Mijnssen, Heemskerk, Hermann, Van der Putt-Lauwers, Fleers (A-G DeVries-Lentsch)