Instantie: Kantonrechter Hilversum, 17 november 1999

Instantie

Kantonrechter Hilversum

Samenvatting


Eiseres heeft in de periode 1954 tot 1958 de opleiding tot verpleegkundige
A gevolgd, maar zij werd niet toegelaten voor het examen omdat gehuwde
vrouwen hiervan waren uitgesloten. Van 1968 tot 1983 heeft zij in verschillende
functies in de zorgsector gewerkt. In 1990 is zij bij gedaagde in dienst
getreden, waarbij zij is ingeschaald als ongediplomeerde kracht. Gedaagde,
Thuiszorg, weigert haar in te schalen op grond van haar opleiding en ervaring.
Men stelt dat eiseres in de periode tussen 1958 en 1990 alsnog het diploma
verpleegkundige A had kunnen halen. De Commissie Gelijke Behandeling heeft
op 13 januari 1998 geoordeeld dat Thuiszorg indirect onderscheid op grond
van geslacht maakt door het stellen van een diplomavereiste. De kantonrechter
volgt het oordeel van de CGB en veroordeelt Thuiszorg om eiseres te plaatsen
in de salarisschaal 5, volgnummer 19.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:
– de dagvaarding overeenkomstig welke X. heeft gevorderd
– het antwoord van Thuiszorg met producties
– de conclusie van repliek van X. met producties
– de conclusie van dupliek van Thuiszorg.

Vervolgens is vonnis bepaald op 1 december 1999.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:
1.1 X. heeft in de periode november 1954 tot januari 1958 de opleiding
voor verpleegkundige A gevolgd doch werd niet toegelaten daarin een examen
af te leggen en een diploma te halen.
1.2 X. heeft van 1968 tot 1983 in verschillende functies in de Zorg gewerkt.
1.3 X. is op 1 juni 1990 bij Thuiszorg in dienst getreden in de functie
van gediplomeerd helpende, functieschaal 4-11, ingeschaald in nummer 11.
1.4 In juni 1993 heeft Thuiszorg een functieherindeling doorgevoerd. Op
grond van de toepasselijke CAO voor de thuiszorg is horizontaal ingeschaald
in D volgnummer 10.
1.5 X. heeft in ieder geval vanaf oktober 1993 bezwaar gemaakt tegen de
onder 1.4 genoemde inschaling.
1.6 De commissie gelijke behandeling heeft op verzoek van X. op 13 januari
1998 uitspraak gedaan en vastgesteld dat bij indiensttreding van X., indirect
onderscheid is gemaakt op grond van geslacht door het stellen van een diplomavereiste.
1.7 Thuiszorg is ondanks verzoek van X. niet bereid gebleken gevolgen te
verbinden aan de voormelde uitspraak.

2. X. vordert de betaling van loon over de periode juni 1990 tot 1 januari
1999 en plaatsing met onmiddellijke ingang in salarisschaal 5, volgnummer
19 behorende bij de functie van verzorgende D. X. vordert Thuiszorg bij
vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van ƒ 14.479,68
als hoofdsom. De wettelijke rente wordt gevorderd vanaf 7 december 1998.
X. stelt – kort gezegd – dat Thuiszorg, naar is komen vast te staan, indirect
onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door het stellen van een
diplomavereiste bij haar aanstelling, welk vereiste niet gerechtvaardigd
is. Vast staat dat haar een diploma is onthouden wegens een voorgenomen
huwelijk. Indien zij was ingeschaald op grond van haar ervaring en opleiding
zou zij in 1990 in schaal U, volgnummer 16 zijn geplaatst, goed voor ƒ
2.625,60 bruto per maand. In 1993 zou zij vervolgens in volgnummer 14 zijn
ingestroomd, resulterend in volgnummer 19 per heden. Ten onrechte beroept
Thuiszorg zich op de bepalingen van de CAO met betrekking tot het diplomavereiste,
aldus X. Eveneens ten onrechte legt Thuiszorg het oordeel van de voormelde
commissie naast zich neer.

3.Thuiszorg voert gemotiveerd verweer tegen de vordering. Kortgezegd voert
zij het volgende aan. Bij de indiensttreding van X. gold het diplomavereiste
voor alle werknemers, man of vrouw, met het doel gelijke beloning en kwaliteitsbewaking.
In 1993 is bij de herziening van de functiewaardering voor alle werknemers
uitgegaan van een horizontale instroom in het nieuwe systeem. Het diplomavereiste
is voor eenieder komen te vervallen.
X. is in 1990 ingeschaald, rekening houdend met haar persoonlijke omstandigheden,
opleiding en ervaring als gediplomeerd bejaardenhelpende, hoewel zij daartoe
geen diploma bezat.
X. heeft nagelaten tussen 1958 en 1990 alsnog het diploma verpleegkundige
A te halen, hetgeen voor haar risico is.
Ten onrechte heeft de commissie geconcludeerd dat door ten aanzien van
X. in 1990 het diplomavereiste te hanteren, indirect in strijd is gehandeld
met de wet gelijke behandeling mannen en vrouwen. Zij wijst op het feit
dat X. pas na de herziening van de functiewaardering bezwaar is gaan maken
tegen haar inschaling. Zij wijst op de korte verjaringstermijn op loonvorderingen
ingevolge voormelde wet.

4. X. kan in haar stellingen worden gevolgd. Als gesteld en niet weersproken
is komen vast te staan dat bij de aanstelling van X. in 1990 het niet kunnen
voldoen aan het diplomavereiste bepalend is geweest bij de toen toegepaste
inschaling en vaststelling van het salarisniveau. Indien zij het diploma
verpleegkundige had bezeten, dan was zij aangenomen in de functie verzorgende
en derhalve op een hoger salarisniveau ingeschaald. Evenzeer staat als
onvoldoende weersproken vast dat uitsluitend vanwege haar voorgenomen huwelijk
tijdens haar opleiding tot verpleegkundige in 1958 niet tot het examen
ter verkrijging van het diploma verpleegkundige is toegelaten. De commissie
gelijke behandeling heeft op goede gronden als zijn oordeel uitgesproken
dat Thuiszorg door met toepassing van het diplomavereiste X. in 1990 in
te schalen op volgnummer 111 (blijkbaar wordt bedoeld: ’11’, Red.), indirect
onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen, welk onderscheid niet
gerechtvaardigd was. Dit klemt temeer waar Thuiszorg in 1993 dit vereiste
heeft losgelaten zonder voor X. het reeds bestaande nadeel op te heffen.
X. heeft dat nadeel evident kunnen aantonen in haar schrijven aan Thuiszorg
de dato 5 februari 1994 (productie 2 conclusie van repliek). Gelet op de
Hoge Raad 3 januari 1997 nr 16160, NJ 1997 nr 435 kan Thuiszorg zich niet
beroepen op strikte toepassing van de toepasselijke CAO-bepalingen, noch
in 1990 als in 1993. X. kan op grond van het hier overwogene worden gevolgd
in haar stelling dat zij in 1990 had dienen te worden ingeschaald op het
door haar gestelde niveau en ware zij wel op de juiste wijze ingeschaald,
zij thans in schaal D volgnummer 19 zou zijn ingedeeld. Thuiszorg heeft
geen steekhoudende bezwaren kunnen aanvoeren tegen de door toegepaste berekening
van haar claim, zodat deze voor juist moet worden gehouden. X. heeft genoegzaam
aangetoond dat zij reeds op 30 oktober 1993 bezwaar heeft gemaakt tegen
haar inschaling. Gelet op het gestelde in artikel 11 van de Wet gelijke
behandeling mannen en vrouwen
is de loonvordering voor wat betreft de periode voor 30 oktober 1991 verjaard.

Voorzover door Thuiszorg andere gronden zijn aangevoerd, zijn deze in casu
niet relevant en behoeven deze geen bespreking.

5. X. zal in de gelegenheid worden gesteld de berekening van het achterstallig
loon aan te passen aan hetgeen met betrekking tot de verjaring is overwogen.
Een beslissing terzake het sub I gevorderde wordt derhalve aangehouden.

6. Het sub II gevorderde ligt thans voor toewijzing gereed.

BESLISSING

De kantonrechter:

Met betrekking tot het sub 1 gevorderde: verwijst de zaak naar de openbare
civiele terechtzitting van WOENSDAG 15 DECEMBER 1999 te 11.00 UUR,
teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen de gevraagde berekening bij
akte in het geding te brengen.

Met betrekking tot het sub 11 gevorderde: veroordeelt gedaagde om eisers
met onmiddellijke ingang te plaatsen in salarisschaal 5, volgnummer 19,
behorende bij de functie van verzorgende D.

Voor het overige:
houdt iedere verdere beslissing aan.

Vonnis 8 maart 1999

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De inhoud van het op 17 november 1999 gewezen tussenvonnis wordt overgenomen.
Ingevolge het gestelde in voormeld tussenvonnis heeft eiseres nog een akte
genomen.
Gedaagde heeft vervolgens afgezien van het nemen van een antwoord-akte.
Daarop is het vonnis bepaald op heden,

GRONDEN VAN DE BESLISSING

X. heeft rekening houdende met hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen,
haar vordering herberekend en komt thans tot het bedrag van ƒ 12.830,85
bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 december 1998.

2. Thuiszorg heeft tegen deze berekening geen inhoudelijk verweer gevoerd
zodat deze voor juist moet worden gehouden en de vordering derhalve voor
toewijzing gereed ligt.

3. Nu Thuiszorg in overwegende mate in het ongelijk is gesteld, dient zij
de kosten van het geding, aan de zijde van X., gevallen, te dragen.

BESLISSING

De kantonrechter:

– veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres
te voldoen de somma van ƒ 12.830,85 (twaalfduizendachthonderddertig gulden
en vijfentachtig cent) bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
7 december 1998 tot het tijdstip van volledige voldoening;

– verwijst gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiseres
gevallen en te stellen op ƒ 1.877,10, waaronder begrepen een bedrag van
ƒ 1.500 voor salaris van de gemachtigde van eiseres;

– verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

– wijst het anders of meer gevorderde af.

Rechters

Mr. Groen

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 16 november 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Dwang in de zin van art. 242 Sr kan ook bestaan indien het slachtoffer door
verdachte in een afhankelijkheidspositie wordt gebracht waaraan zij zich
nauwelijks kan onttrekken. Het brengen in een afhankelijkheidsrelatie is een
feitelijkheid als bedoeld in art. 242 Sr. Ook feitelijkheden die hun
oorsprong vinden in de periode voor inwerkingtreding (1 december 1999) van
het nieuwe art. 242 Sr komen in aanmerking voor na die datum gepleegde
misdrijven. In casu werden slachtoffers door verdachte in een
afhankelijkheidspositie gebracht, weliswaar zonder geweld maar door andere
feitelijkheden dan geweld, waarna hij de vrouwen verkrachtte. De vrouwen
houden vol door deze andere feitelijkheden niets anders te hebben kunnen doen
dan zich de handelingen laten welgevallen. De feitelijkheden bestonden uit
psychisch overwicht dat verdachte ten opzichte van zijn slachtoffers had
opgebouwd gedurende een lange periode en bedreigingen van uitsluiting uit de
gemeenschap waarin zij gezamenlijk leefden en die in de gedachte van de
vrouwen hun laatste toevluchtsoord was

Volledige tekst

Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te
‘s-Hertogenbosch van 3 december 1998 in de strafzaak tegen: X. te Z.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de
Arrondissementsrechtbank te Breda van 18 juni 1998, voorzover aan ’s Hofs
oordeel onderworpen, – de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende
dagvaarding onder 2 primair en subsidiair, 4 primair en subsidiair, 5, 6, 7,
10 primair en subsidiair, 12 primair en subsidiair, 14 primair en subsidiair,
15, 17 primair en subsidiair, 18 en 19 tenlastegelegde en hem voorts ter zake
van 1, 3, 9, 11, 13 en 16 “verkrachting, meermalen gepleegd” veroordeeld tot
vier jaren gevangenisstraf.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a,
tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken, is
ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr G. Spong, advocaat te
‘s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De
schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De
Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het
beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het onder 1 bewezenverklaarde, in het
bijzonder het feit dat er sprake is geweest van dwang van de kant van de
verdachte ten opzichte van het slachtoffer, niet uit de door het Hof
gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat van door
een feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit
het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer als bedoeld in
art. 242 Sr slechts sprake kan zijn indien de verdachte door die
feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die
handelingen tegen zijn/haar wil heeft ondergaan.

3.3. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer in:
(i) dat de verdachte leider was van een leefgemeenschap;
(ii) dat het slachtoffer daar via de Rechtbank in Antwerpen is geplaatst en
door relatieproblemen in haar jeugd verlangde naar geborgenheid en erkenning;
(iii) dat de verdachte een zeer dominant persoon was, wiens wil wet was, die
het slachtoffer vaak kleineerde en haar fouten slechts vergaf nadat hij heel
erg kwaad op haar was geworden;
(iv) dat de verdachte vaak erg woedend kan zijn en dat het slachtoffer dan
niet tegen hem in durfde te gaan;
(v) dat het slachtoffer de leefgemeenschap als haar laatste toevluchtsoord
beschouwde en dat de verdachte haar vaak gezegd heeft dat hij zich afvroeg
wie haar in België nog moest hebben;
(vi) dat de verdachte bij het verrichten van de seksuele handelingen het
slachtoffer in door de verdachte gewenste houdingen duwde en trok, terwijl
het slachtoffer zich verzette tegen het seksueel binnendringen door de
verdachte en daarbij gilde en schreeuwde van de pijn;
(vii) dat het slachtoffer de verdachte door zijn driftbuien en dominantie
volgde als een lam.

Aldus heeft het Hof vastgesteld, welk oordeel niet onbegrijpelijk is, dat de
bewezenverklaarde handelingen van de verdachte plaatsvonden in een situatie
waarin het voor het slachtoffer zo moeilijk was om zich aan die handelingen
te onttrekken dat er derhalve sprake was van dwang van de kant van de
verdachte. (verg. HR 29 november 1994, NJ 1995, 201).

3.4. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het onder 3, 9, 11, 13 en 16
bewezenverklaarde, in het bijzonder dat er sprake zou zijn geweest van dwang
van de kant van de verdachte ten opzichte van zijn slachtoffers, niet uit de
gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden en dat het Hof met betrekking
tot alle bewezenverklaarde feiten het brengen in een afhankelijkheidsrelatie
heeft aangemerkt als een feitelijkheid in de zin van art. 242 Sr.

4.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard – kort gezegd
– dat de verdachte de onderscheiden slachtoffers tot het ondergaan van
handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam
van die slachtoffers heeft gedwongen door andere feitelijkheden dan geweld.
Deze feitelijkheden staan omschreven in de bewezenverklaring op blz. 3, 4 en
5 van de bestreden uitspraak.
Gelet op deze bewezenverklaring en op hetgeen het Hof in de bijzondere
overwegingen omtrent het bewijs op blz. 6 van het verkorte arrest heeft
weergegeven, heeft het Hof geoordeeld dat de slachtoffers, door de uit de
gebezigde bewijsmiddelen blijkende gedragingen van de verdachte telkens in
zodanige toestand zijn gebracht dat zij afhankelijk waren van de verdachte en
zich gedwongen voelden tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden
uit het seksueel binnendringen van hun lichaam. Dit oordeel van het Hof is
niet onbegrijpelijk.
Door uitgaande van dat oordeel de in de tenlastelegging en bewezenverklaring
omschreven gedragingen van de verdachte telkens aan te merken als
feitelijkheden als bedoeld in art. 242 Sr heeft het Hof niet blijk gegeven
van een verkeerde rechtsopvatting.
De bewezenverklaarde handelingen hebben plaatsgevonden telkens in perioden na
1 december 1991. Op die datum is de Wet van 9 oktober 1991, Stb. 1991, 591 in
werking getreden. Bij die wet is ondermeer het bestanddeel “een andere
feitelijkheid” aan art. 242 Sr toegevoegd. De door het Hof bewezenverklaarde
afhankelijkheidsrelatie van de slachtoffers tot de verdachte dateert ook van
voor 1 december 1991. ’s Hofs in de bestreden uitspraak besloten liggende
oordeel dat ook feitelijkheden die hun oorsprong vinden vóór de datum van
inwerkingtreding van de hierbovengenoemde wet, in aanmerking komen als
feitelijkheid voor na die datum gepleegde verkrachtingen getuigt niet van een
verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

4.3. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen
grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan het
oordeel van de Hoge Raad onderworpen, zou behoren te worden vernietigd, moet
het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs. Davids, Aaftink, Balkema; A-G Machielse

Instantie: Rechtbank Arnhem, 15 november 1999

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Nederlandse vrouw en Duitse man zijn gehuwd en hebben twee minderjarige
kinderen. De vrouw verlaat met de kinderen de echtelijke woning in Duitsland
en gaat naar Nederland, met de bedoeling echtscheiding aan te vragen. In kort
geding vordert zij het gezag over de kinderen, subsidiair voorlopige
toevertrouwing. De man stelt dat de vrouw heeft gehandeld in strijd met het
Haags kinderbeschermingsverdrag nu zij de kinderen, waarover zij gezamenlijk
het ouderlijk gezag uitoefenden, zonder zijn toestemming heeft overgebracht
naar Nederland. Hij heeft in Duitsland een verzoek tot teruggeleiding
ingediend. De rechter verklaart zich bevoegd op grond van art. 9 van het
Verdrag: in spoedeisende gevallen kan de rechter van de staat waar het kind
zich bevindt de nodige beschermingsmaatregelen treffen. Het Verdrag schrijft
voor dat de beslissing omtrent het gezagsrecht moet worden aangehouden tot op
het verzoek tot teruggeleiding onherroepelijk is beslist. Bij voorlopige
toevertrouwing gaat het echter niet om het gezag, maar om de feitelijke zorg.
Bij wijze van ordemaatregel worden de kinderen voorlopig toevertrouwd aan de
vrouw, gelet op het feit dat tijdens het huwelijk het zwaartepunt van de
verzorging en opvoeding bij haar lag. Dit brengt geen wijziging in het
ouderlijk gezag.

Volledige tekst

1. Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen
geboren:
– E.E. in 1992 te ‘s-Hertogenbosch,
– S., in 1995 in Duitsland.

2. De vrouw heeft de Nederlandse en de man de Duitse nationaliteit. De
minderjarige kinderen hebben zowel de Nederlandse als de Duitse
nationaliteit.

3. De minderjarige kinderen woonden samen met de man en de vrouw in Duitsland
tot hun vertrek met de vrouw naar Nederland op 11 september j.l.

4. Bij brief d.d. 19 oktober 1999 van het Ministerie van Justitie heeft de
Centrale Autoriteit van Nederland op grond van het Verdrag betreffende de
burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Haags
Verdrag inzake ontvoering van kinderen) de vrouw verzocht mee te werken aan
vrijwillige terugkeer van de minderjarige kinderen naar Duitsland. Aan dat
verzoek heeft de vrouw geen gevolg gegeven.

Het geschil

1. De vrouw vordert, uitvoerbaar bij voorraad:
primair: dat de minderjarige kinderen aan haar worden toevertrouwd;
subsidiair: dat de minderjarige kinderen voorlopig aan haar worden
toevertrouwd in afwachting van een beslissing in de aanhangig te maken
echtscheidingsprocedure en daarmee samenhangend de te verzoeken voorlopige
voorzieningen.
Voorts dat het de man wordt verboden de minderjarige kinderen naar het
buitenland te brengen.

2. De man heeft verweer gevoerd en daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat
de president in kort geding niet bevoegd is om kennis te nemen van het
geschil. Vervolgens stelt hij zich op het standpunt dat de vorderingen van de
vrouw dienen te worden afgewezen, nu zij de minderjarige kinderen zonder zijn
toestemming heeft overgebracht naar Nederland in strijd met het gezamenlijk
ouderlijk gezag van partijen.

Motivering van de beslissing

1. met betrekking tot de bevoegdheid

1.1. Het door de vrouw gevorderde – de voorlopige toevertrouwing van de
kinderen – behoort ingevolge art. 1 van het Verdrag van 5 oktober 1961
betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de
bescherming.van minderjarigen (Haags Kinderbeschermingsverdrag) tot het
toepassingsgebied van het Verdrag.
De internationale bevoegdheid van de president in kort geding wordt door dit
Verdrag bepaald.
De vrouw beroept zich hiertoe op art. 1 jo. art. 5 van dit Verdrag en
subsidiair grondt zij de bevoegdheid op art. 4 dan wel art. 9 van dit
Verdrag.

1.2. Naar het oordeel van de president is de gewone verblijfplaats van de
minderjarige kinderen in Duitsland en hebben zij (nog) geen gewoon verblijf
in Nederland. Het staat vast dat zij al geruime tijd in Duitsland woonachtig
waren en eerst sinds 11 september j.l. zijn overgebracht naar Nederland.
Hierdoor is er geen sprake van een wijziging van de gewone verblijfplaats van
de kinderen en kan derhalve geen bevoegdheid worden ontleend aan art. 1 jo.
art. 5 Haagss Kinderbeschermingsverdrag.
Ook acht de president zich niet bevoegd op grond van het aangevoerde art. 4
van het Verdrag nu de kinderen naast de Duitse nationaliteit tevens de
Nederlandse nationaliteit bezitten.
Art. 4 van het Verdrag stelt naast de (Nederlandse) nationaliteit onder meer
de voorwaarde dat het in het belang van het kind moet zijn dat door de
Nederlandse rechter een voorziening wordt getroffen.
Aan dit vereiste is – daargelaten of aan de overige vereisten is voldaan –
naar het oordeel van de president niet voldaan nu de vrouw in Duitsland een
verzoek tot het treffen van een vergelijkbare maatregel aan de Duitse rechter
kan voorleggen en op korte termijn daarover een beslissing kan verkrijgen,
waardoor het belang van de kinderen voldoende is gewaarborgd.

1.3. Op grond van art. 9 Haags Kinderbeschermingsverdrag is de rechter van de
(verdragsluitende) Staat op het grondgebied waarvan de minderjarige zich
bevindt bevoegd in spoedeisende gevallen de noodzakelijke
beschermingsmaatregelen te treffen. Deze bijzondere bevoegdheid stemt overeen
met de bevoegdheid van de rechter in kort geding.
De vrouw vraagt in wezen voorlopige voorzieningen met het oog op de nog
aanhangig te maken echtscheidingsprocedure.
Gelet op het karakter van dergelijke voorzieningen is de president van
oordeel dat zich een situatie voordoet als bedoeld in art. 9 van voornoemd
Verdrag. Naar het oordeel van de president is hij bevoegd van het geschil
kennis te nemen en in voorkomend geval maatregelen te treffen.

2. met betrekking tot de inhoud van het geschil

2.1. De man stelt dat hij samen met de vrouw het ouderlijk gezag heeft over
de kinderen en dat de vrouw zonder zijn toestemming de kinderen heeft
overgebracht naar Nederland.
Zij heeft de kinderen in Duitsland van school gehaald en in Nederland op
school aangemeld.
Zij heeft aldus gehandeld in strijd met het Verdrag betreffende de
burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Haags
Verdrag inzake ontvoering van kinderen). Daarom heeft hij zich tot de
Centrale Autoriteiten in Duitsland gewend teneinde de terugkeer van de
kinderen te doen bewerkstelligen.
Naar het oordeel van de man dient de vrouw met de kinderen terug te keren
naar hun woonplaats in Duitsland. Hij stelt dat zij feitelijk gescheiden
kunnen leven in de echtelijke woning.
De vrouw voert aan dat er geen sprake van is dat zij de minderjarigen
ongeoorloofd heeft overgebracht naar Nederland, als bedoeld in art. 3 van
genoemd Verdrag.
Zij stelt daartoe dat het huwelijk van partijen al geruime tijd bijzonder
slecht was. Naar aanleiding van een ruzie op 11 september jl. heeft de vrouw
aangekondigd met de kinderen te vertrekken, waarna zij hun koffers zou hebben
gepakt. De man zou haar niet hebben weerhouden. In Nederland aangekomen, zou
de man op de hoogte zijn gesteld van hun aankomst. De vrouw stelt zich
genoodzaakt te hebben gezien, gelet op de uitlatingen van de man, om, na een
kort verblijf bij haar ouders, ‘onder te duiken’ op een voor de man onbekend
adres.

2.2. Naar het oordeel van de president in kort geding, zijn de door de vrouw
gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende om daaruit af te leiden dat de
man heeft toegestemd of berust in de overbrenging van de kinderen naar
Nederland en een verder verblijf aldaar.
Dit blijkt ook al uit het verzoek tot teruggeleiding dat de man aan de
Centrale Autoriteit in Duitsland heeft gedaan op 3 oktober 1999.

2.3. Dit houdt naar het voorlopig oordeel van de president in dat aan de
voorwaarden van art. 3 van voornoemd Verdrag is voldaan en de bepalingen van
dit Verdrag van toepassing zijn.

2.4. In dit kort geding ligt echter niet een verzoek, strekkende tot
verkrijging van een bevel tot teruggeleiding, ter beoordeling voor.
De vraag rijst of art. 16 van het Verdrag jo. art. 15 van de Wet van 2 mei
1990 ter uitvoering van, onder andere, het Verdrag, inhoudend dat de rechter
de beslissing over het gezagsrecht moet aanhouden totdat op het verzoek tot
teruggeleiding onherroepelijk zal zijn beslist, er aan in de weg staat om te
beslissen op het door de vrouw gevorderde, wat neerkomt op het voorlopig aan
haar toevertrouwen van de minderjarige kinderen van partijen.
De president is van oordeel dat dit niet het geval is. Bij voorlopige
toevertrouwing gaat het niet om het gezag, maar om de feitelijke zorg. Degene
aan wie de kinderen worden toevertrouwd krijgt de feitelijke zorg over de
kinderen. In het ouderlijk gezag wordt hierdoor geen wijziging gebracht. Ook
art. 34 van het Verdrag staat aan een beslissing over een dergelijke
maatregel niet in de weg.

2.5. De minderjarige kinderen van partijen zijn 7 en 4 jaar oud.
Onweersproken is dat tijdens het huwelijk van partijen het zwaartepunt van
hun verzorging en opvoeding bij de vrouw lag.
Vast staat ook dat de relatie tussen partijen slecht was en het is
aannemelijk dat zij niet meer met elkaar in één huis kunnen samenwonen.
Bij wijze van maatregel van orde zal de president de kinderen voorlopig aan
de vrouw toevertrouwen totdat op het verzoek tot teruggeleiding door de
rechtbank zal zijn beslist.
Mocht de vrouw voordien in het kader van de echtscheidingsprocedure een
beslissing betreffende de voorlopige toevertrouwing van de kinderen hebben
verkregen, dan kan aan die beslissing geen voorrang worden toegekend boven de
in het Verdrag voorziene terugkeer van de kinderen.
Al hetgeen de vrouw overigens heeft gevorderd wordt afgewezen.

3. ten aanzien van de proceskosten
Gelet op de betrekkingen tussen partijen worden de proceskosten gecompenseerd
in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
(…)

Rechters

Mr. Dijkstra

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 11 november 1999

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Een zwangere vrouw laat een echo-onderzoek uitvoeren in het ziekenhuis. Het
kind blijkt afwijkingen te hebben, maar de moeder besluit het kind te
voldragen. Na de geboorte blijkt het kind meer afwijkingen te hebben dan door
het ziekenhuis was geconstateerd, welke afwijkingen wel middels een echo
opgemerkt hadden kunnen worden. De moeder vordert schadevergoeding. De
rechtbank bepaalt bij vonnis van 20 juli 1998 dat de moeder dient te bewijzen
dat, indien onderhavige handicaps zouden zijn vastgesteld tijdens de
zwangerschap, er een groep ouders is die tot abortus zou hebben besloten. In
deze bewijsopdracht slaagt de moeder. Vervolgens bepaalt de rechtbank op 11
november 1999 dat de moeder dient te bewijzen dat zijzelf tot een abortus zou
hebben besloten als zij op de hoogte was geweest van alle handicaps van het
kind.

Volledige tekst

1. De processtukken

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken;
– het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 2 juli 1998, alsmede de daaraan
ten grondslag liggende processtukken;
– het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 14 januari 1999, alsmede de
daaraan ten grondslag liggende processtukken;
– het rapport d.d. 13 februari 1999 van de benoemde deskundige;
– de conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van (…)
– de antwoordconclusie na deskundigenbericht, met producties, aan de zijde
van gedaagde.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1. Bij voormeld tussenvonnis d.d. 14 januari 1999 werd een
deskundigenonderzoek bevolen ter beantwoording van de vraag of X naar
aanleiding van een juiste diagnose in redelijkheid tot een abortus had kunnen
overgaan, mede gelet op hetgeen daaromtrent is bepaald in de Wet Afbreking
Zwangerschap.
De tot deskundige benoemde prof. dr. H.H.H. Kanhai verklaart in zijn rapport,
voorzover thans van belang, als volgt:
‘(…)
1. juridische aspecten
De wet afbreking zwangerschap (WAZ) van 1981 werd in 1984 in werking
gesteld. Relevante zaken met betrekking tot deze casus in de wet zijn.

(…)
… dat iedere beslissing tot het afbreken van de zwangerschap met
zorgvuldigheid wordt genomen en alleen dan uitgevoerd, indien de noodsituatie
van de vrouw deze onontkoombaar maakt” (artikel 5).

Op de vraag tot welke bovengrens van zwangerschapsduur waarbinnen men
nog tot afbreking van zwangerschap mag overgaan, wordt in de wet geen
rechtstreeks antwoord gegeven. (…) In 1990 en ook thans nog wordt
aangenomen dat deze grens bij ongeveer 24 weken Iigt. Hieruit zou men kunnen
concluderen dat een afbreking van zwangerschap tot een amenorrhoeduur van 24
weken is geoorloofd. De praktijk In Nederland leert dat deze termijn, zowel
voor sociale als medische indicatie (bijvoorbeeld na prenatale diagnostiek),
na een zorgvuldige afweging als eerder vermeld, wordt aangehouden.

(…)
Er is geen algemeen reactiepatroon op de mededeling dat het kind een
(min of meer ernstige) aangeboren afwijking heeft. Het loopt uiteen van
acceptatie tot het onmiddellijk rigoureus verzoek tot beëindiging van de
zwangerschap. In de literatuur zijn geen groepen zwangeren beschreven die bij
20 weken een beslissing moesten nemen op basis van het gegeven fibula aplasie
bij het kind. Uit een Frans onderzoek, waarbij 104 ongeboren kinderen waren
betrokken bij wie tussen 16 en 32 weken (gemiddelde 26 weken) verschillende
soorten ledemaatsafwijkingen (geïsoleerd en multipel voorkomend) werden
vastgesteld, bleek dat 6.7% van de ouders besloot tot afbreking van de
zwangerschap.

(…)’
De slotopmerking van de deskundige in het rapport:
(“Overigens is het onmogelijk om nu vast te stellen of mevrouw X
destijds met de kennis van bilaterale fibula aplasie alleen tot afbreking van
de zwangerschap zou hebben besloten.”) kan terzijde worden gelaten. In dit
stadium van de procedure behoeft niet beantwoord te worden of X. tot afbreken
van de zwangerschap zou hebben besloten, maar of zij in redelijkheid daartoe
zou hebben kunnen besluiten.

Daarom wordt ook voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van AZR van haar
stelling dat een meerderheid van de betrokken Nederlandse orthopeden in een
geval als dat van X desgevraagd informatie zou hebben verstrekt die er in de
meeste andere gevallen toe leidt dat vrouwen beslissen een zwangerschap te
behouden. De te beantwoorden vraag is niet wat vrouwen in de meeste andere
gevallen zouden hebben beslist, maar of X in redelijkheid tot de door haar
gestelde keus zou hebben kunnen besluiten. Dat zij daarmee wellicht tot een
minderheid zou behoren, doet daarbij niet ter zake.

2.2 Gelet op het rapport van de deskundige dient de voorgelegde vraag
bevestigend te worden beantwoord; nu kennelijk in 6,7% van gevallen,
vergelijkbaar met dat van X gekozen wordt voor afbreken van zwangerschap, had
ook X in redelijkheid tot die keus kunnen komen. Daarbij is mede in
aanmerking genomen dat de gegevens uit het Franse onderzoek zijn gebaseerd op
beslissingen, genomen bij een gemiddelde zwangerschapsduur van 26 weken,
terwijl X bij een zwangerschapsduur van 20 weken voor die moeilijke keuze zou
hebben gestaan. Aangenomen mag worden dat de keus tot abortus eerder zal
worden gemaakt, naarmate de zwangerschap korter heeft geduurd.
Daarnaast blijkt uit het rapport van de deskundige – zakelijk weergegeven –
dat er verschillende onderzoeken voorhanden zijn die aantonen dat een verzoek
tot afbreking van een gewenste zwangerschap door de ouders nimmer
lichtvaardig wordt genomen.
Ten slotte is van belang dat de – niet door AZR betwiste – weergave door de
deskundige van de huidige Nederlandse juridische en medische praktijk met
betrekking tot het toelaten en toepassen van abortussen, zich niet verzet
tegen voormeld oordeel.
Om deze reden wordt eveneens voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van AZR van
haar stelling dat AZR, geen abortus zou hebben uitgevoerd. X hoefde en hoeft
immers geenszins te bewijzen dat een mogelijke abortus in (één van de
ziekenhuizen van) AZR, zou hebben plaatsgevonden.

2.3 Het enkele feit dat ook bij kinderen met ernstiger defecten dan in casu
aan de orde zijn, sprake kan zijn van een in kwalitatief opzicht aanvaardbaar
bestaan, houdt niet in dat daarom niet in redelijkheid tot de door haar
gestelde keus voor abortus zou hebben kunnen komen.
Om die reden behoeft X ook niet in de gelegenheid te worden gesteld om nog te
reageren op de door A.ZR eerst bij antwoordconclusie na deskundigenbericht in
het geding gebrachte afdruk van een internetpagina van de Amerikaanse
Association of Birth Defect Children.

2.4 Nu vaststaat, dat X in redelijkheid tot een abortus had kunnen overgaan,
zal X thans, zoals in voormeld tussenvonnis d.d. 2 juli 1998 reeds is
overwogen, worden toegelaten tot het leveren van bewijs van haar – door AZR
betwiste – stelling dat zij naar aanleiding van een correcte uitslag van de
door V. d. E. verrichte echoscopie tot abortus zou zijn overgegaan.

3. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen:

– laat X toe tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit kan
worden afgeleid dat zij naar aanleiding van een correcte uitslag van de door
V. d. E. verrichte echoscopie tot abortus zou zijn overgegaan;

– bepaalt dat eventuele getuigenverhoren zullen worden gehouden In het gebouw
van deze rechtbank voor de rechter-commissaris mr. L.J. Saarloos, op een dag
en tijdstip die na overleg met de procureurs van partijen zullen worden
bepaald.

Rechters

Mr. Palstra-Tinbergen

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 10 november 1999

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed. Gedurende de
periode waarin partijen van tafel en bed waren gescheiden betaalde de man al
alimentatie krachtens rechterlijke beschikking. Die alimentatieverplichting
eindigde bij de ontbinding van het huwelijk, deze alimentatiebeschikking
beperkt de rechter op geen enkele wijze bij de beslissing over alimentatie na
ontbinding van het huwelijk. Het verzoek tot vaststelling van alimentatie
voor de periode na ontbinding kan dan ook niet anders worden gezien dan een
eerste verzoek om vaststelling van alimentatie voor de periode na beeindiging
van het huwelijk. In casu brengt dit met zich mee dat de Wet limitering
alimentatie van toepassing is. Het hof wijst het verzoek van de man tot
limitering af, omdat daartoe onvoldoende concrete feiten en omstandigheden
zijn gesteld. De stelling van de man dat de vrouw er al zeven jaar (de
periode van scheiding van tafel en bed) rekening mee heeft kunnen houden dat
de alimentatie zou worden gelimiteerd, wordt verworpen met verwijzing naar
het echtscheidingsconvenant. Daarin waren partijen uitdrukkelijk
overeengekomen dat de alimentatieverplichting niet in tijd zou worden
gelimiteerd.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar voormelde beschikking van de rechtbank, waarvan de
inhoud bij partijen bekend is.

2. HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 16 februari 1999, heeft de
man verzocht, verkort weergegeven, voormelde beschikking voor wat betreft de
vaststelling van de alimentatie te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, vast
te stellen dat de nieuwe wet limitering alimentatie van toepassing is op het
verzoek van de vrouw en aldus te bepalen dat de man zal bijdragen in de
kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van ƒ 2.912,76,
primair: voor de duur van 2 jaar, met ingang van 1 oktober 1998, althans
genoemd bedrag als alimentatie vast te stellen met ingang van een zodanige
datum en voor de duur van een zodanige termijn als het hof in goede justitie
zal vaststellen;
subsidiair: en daarbij te bepalen dat de alimentatie zal eindigen na het
verstrijken van een termijn van 12 jaar, te verminderen met de tijd gedurende
welke tijdens de scheiding van tafel en bed een verplichting tot
levensonderhoud bestond.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 april 1999, heeft de
vrouw het verzoek van de man bestreden.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 september 1999. Bij
die gelegenheid zijn de man en de advocaten van partijen gehoord.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
– de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;
– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 16
november,1998;
– de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de man
overgelegde pleitnotities.

3. DE GRONDEN VAN HET HOGER BEROEP

De grieven van de man hebben betrekking op de navolgende punten.

1. De overweging van de rechtbank dat in casu de alimentatieverplichting van
de man is ontstaan vóór 1 juli 1994, zodat op de onderhavige zaak het oude
regime van toepassing is.

2. Limitering van de alimentatie.

4. DE BEOORDELING

4.1. Partijen zijn op 3 juni 1976 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de
rechtbank te Arnhem van 2 september 1993 werden partijen gescheiden van tafel
en bed verklaard.

4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:
– X., op (…)1977;
– Y., op (…)1980;
– Z., op (…) 1985.

4.3. Bij de beschikking van 2 september 1993 werd – onder meer en voorzover
thans van belang – voorts bepaald dat de man aan de vrouw voor haar
levensonderhoud zou betalen ƒ 2.667 per maand alsmede ƒ 450 per kind en per
maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen,
alles bij vooruitbetaling te voldoen vanaf de dag van het in kracht van
gewijsde gaan van die beschikking.
Die bedragen waren overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3 en 4 van een
op 15 mei 1993 door partijen gesloten convenant. Dat artikel 4 houdt voorts
in dat partijen uitdrukkelijk overeenkomen dat de alimentatieverplichting van
de man jegens de vrouw niet in tijd zal worden gelimiteerd.

4.4. Bij de bestreden beschikking werd de ontbinding van het huwelijk van
partijen na scheiding van tafel en bed uitgesproken. Die beschikking is op 19
mei 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij die
beschikking werd voorts – onder meer en voorzover thans van belang – bepaald
dat de man met ingang van de dag, waarop de beschikking tot echtscheiding
(bedoeld zal zijn de beschikking waarbij het huwelijk van partijen werd
ontbonden) zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan
de vrouw voor haar levensonderhoud heeft te betalen de somma van ƒ 2.912,76
per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. Dat is het bij de beschikking van
2 september 1993 vastgestelde bedrag verhoogd met de wettelijke indexeringen.
Het verzoek van de man tot limitering van die bijdrage wees de rechtbank af.

4.5. De behoefte van de vrouw aan de vastgestelde bijdrage en de draagkracht
van de man tot betaling daarvan zijn in hoger beroep niet in geschil.

4.6. Met betrekking tot de eerste grief overweegt het hof als volgt.

4.6.1. Het was, zoals partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling
hebben verklaard, de bedoeling dat de man ook na de ontbinding van hun
huwelijk zou doorgaan met betaling van een bijdrage in de kosten van het
levensonderhoud van de vrouw, in hoogte gelijk aan die welke de man tijdens
de periode van scheiding van tafel en bed heeft betaald, zij het dat de man
wenst dat die onderhoudsverplichting wordt gelimiteerd en de vrouw niet. De
rechtbank heeft het zelfstandig verzoek van de vrouw terecht opgevat als een
verzoek tot vaststelling van alimentatie ingevolge artikel 1:169 lid 2 BW
juncto artikel 1:157 lid 1 BW.

4.6.2. De rechtbank heeft de vrouw gevolgd in haar standpunt dat in deze
artikel II van de overgangsbepalingen behorende bij de Wet Limitering
Alimentatie (WLA) van toepassing is, omdat de WLA alleen geldt voor
onderhoudsverplichtingen die voor het eerst ná 1 juli 1994 door de rechter
zijn toegekend of tussen partijen zijn overeengekomen en in casu de
alimentatieverplichting van de man is ontstaan vóór die datum. Daartegen komt
de man op.

4.6.3. Het hof is met de man van oordeel, dat op het onderhavige geval het
nieuwe regime van toepassing is. Ingevolge artikel 1:169 BW, derde lid, is de
verplichting van de man om uit hoofde van scheiding van tafel en bed
levensonderhoud te verschaffen aan de vrouw bij de ontbinding van het
huwelijk geëindigd. Bij de beslissing over de alimentatie na de ontbinding
van het huwelijk wordt de rechter ook op geen enkele wijze beperkt door de
uit hoofde van de scheiding van tafel en bed gegeven alimentatiebeschikking.
Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van alimentatie voor de periode na
ontbinding van het huwelijk van partijen kan dan ook niet anders worden
gezien dan als een eerste verzoek om vaststelling van alimentatie voor de
periode na beëindiging van het huwelijk, gedaan ná 1 juli 1994.
Dit betekent, dat anders dan de rechtbank oordeelt, niet art. II van de
Overgangswet, behorend bij de WLA van toepassing is, maar dat die wet zelf in
casu van toepassing is. Dit houdt in dat ingevolge het bepaalde bij artikel
1:169 lid 2 BW juncto artikel 1:157 lid 4 BW de alimentatieverplichting van
de man van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van 12 jaar,
die aanvangt op de datum waarop de bestreden beschikking is ingeschreven in
de registers van de burgerlijke stand, conform artikel 1:182 BW te
verminderen met de periode van scheiding van tafel en bed, gedurende welke
hij een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw heeft
betaald. Jegens de vrouw oordeelt het hof het ook niet onredelijk of
onbillijk de nieuwe wet toe te passen, nu artikel 1:157 vijfde lid BW voor
haar immers de mogelijkheid openlaat om bij afloop van de wettelijke termijn
aan de rechter te verzoeken alsnog een termijn met een eventuele mogelijkheid
van verlenging vast te stellen. De eerste grief is dus gegrond.

4.7. Met betrekking tot de tweede grief overweegt het hof als volgt.

4.7.1. De man wenst primair dat de alimentatie voor de vrouw wordt
gelimiteerd tot 1 oktober 2000. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de vrouw er
op dit moment al zeven jaren rekening mee heeft kunnen houden dat de
alimentatie zou worden gelimiteerd. De man is van mening dat de vrouw, na het
volgen van een opleiding van een tot twee jaren in het kader van bijscholing,
haar oude beroep van doktersassistente weer kan opvatten en dat zij per 1
oktober 2000 in eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien. De man is
hoogleraar interne geneeskunde en heeft aangeboden de vrouw behulpzaam te
zijn bij het vinden van betaalde arbeid. De vrouw heeft daartegen ingebracht
dat zij thans 50 jaar is en dat zij sinds het huwelijk van partijen niet meer
heeft gewerkt. Zij heeft tijdens het huwelijk voor de kinderen gezorgd en was
belast met de huishoudelijke taken, terwijl de man voor het gezinsinkomen
zorgde.
Naar het oordeel van het hof behoefde de vrouw, gelet op het hierboven onder
4.3. weergegeven convenant, er geen rekening mee te houden dat zij vóór de
ontbinding van het huwelijk aan het arbeidsproces zou moeten gaan deelnemen.
Bovendien geldt nog het volgende. Met de ook door de man noodzakelijk geachte
opleiding moet de vrouw nog beginnen. Het is op dit moment ongewis of de
vrouw erin zal kunnen slagen die opleiding met succes af te ronden, en zo dat
al mogelijk zou zijn, of zij na afloop van die opleiding haar passend betaald
werk zal kunnen vinden. Het aanbod van de man om de vrouw bij het vinden van
betaalde arbeid behulpzaam te zijn, is onvoldoende concreet om op grond
daarvan te kunnen concluderen dat de vrouw door passend werk per 1 oktober
2000 in eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. Al met al heeft de man te
weinig concrete feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan aanleiding
zou moeten worden gevonden tot limitering van zijn alimentatieverplichting
ten opzichte van de vrouw, niet tot een periode van twee jaren en niet tot
een andere periode.
De tweede grief faalt dus.

Proceskosten
4.8. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd nu partijen
(gewezen) echtgenoten zijn.

5. DE BESLISSING

Het hof:

Vernietigt de beschikking, waarvan beroep, voorzover deze aan het oordeel van
het hof is onderworpen.

Inzoverre opnieuw rechtdoende:

Verstaat, dat de Wet Limitering Alimentatie van toepassing is op het verzoek
van de vrouw.

Stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud
van de vrouw met ingang van inschrijving van de bestreden beschikking in de
registers van de burgerlijke stand vast op ƒ 2.912,76 per maand, voorzover
het nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling, en
verstaat dat de alimentatie eindigt na het verstrijken van de wettelijke
termijn van 12 jaar, te verminderen met de tijd gedurende welke de man
tijdens de periode na het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking tot
scheiding van tafel en bed heeft bijgedragen in de kosten van het
levensonderhoud van de vrouw.

Compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen
aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Rechters

Mrs. Koens, Luijten-Meijer, De Bruijn-Luckers

Instantie: Rechtbank Almelo, 9 november 1999

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


De gemeentelijke ‘klachtencommissie ongewenste intimiteiten’ heeft de klacht van werkneemster ongegrond verklaard. Bezwaar tegen dit oordeel wordt door B&W niet ontvankelijk verklaard. De rechtbank oordeelt dat dit juist is omdat de beslissing van de klachtencommissie niet als rechtshandeling kan worden aangemerkt. Van een rechtshandeling als bedoeld in art. 1:3 Awb is pas sprake indien de beslissing is gericht op extern rechtsgevolg, dat wil zeggen rechtsgevolgen die ontstaan in de verhouding tussen het bestuursorgaan en één of meer anderen. In casu had het oordeel van de klachtencommissie slechts betrekking op de klacht van werkneemster tegen een collega. Weliswaar was de klacht in eerste instantie ook gericht tegen de gemeente echter dit onderdeel van de klacht is door de commissie niet ontvankelijk verklaard, tegen welk oordeel werkneemster destijds niet is opgekomen. Het besluit van de klachtencommissie brengt geen wijzigingen teweeg in de rechtsverhouding tussen werkneemster en de gemeente. Er is derhalve geen sprake van een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Werkneemster is terecht niet ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. Ook het beroep is derhalve niet ontvankelijk.
De volledige tekst is niet opgenomen.

Volledige tekst

De volledige tekst is niet opgenomen.

Rechters

Mr. Keuzenkamp

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 9 november 1999

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Bij de vaststelling van een omgangsregeling tussen vader en kinderen, heeft
de rechtbank aan de Raad voor de Kinderbescherming opdracht gegeven die
omgangsregeling te effectueren en te begeleiden. De Raad is van die
beslissing in beroep gekomen, stellende dat zij als tweedelijns landelijke
onderzoeks- en adviesinstelling van de rechterlijke macht en de overheid,
daartoe niet gehouden kan worden. Het hof stelt de Raad in het gelijk. De
wettelijk bepaalde taak, en de plaats en functie van de Raad brengt mee dat
deze zich dient te onthouden van daadwerkelijke bemoeienis en interventies
van behandelende of uitvoerende aard. Daaraan doet niet af dat de Raad zich,
in het kader van bij de rechter aanhangige omgangszaken, wel bezighoudt met
het begeleiden van proefomgangsregelingen.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Zwolle van 22 april
1999, uitgesproken onder zaaknummer 38568 FARK 98-1027.

2. HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 juni 1999, is
de raad in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het
hof die beschikking te vernietigen voor wat betreft het aspect van de
‘opdracht’ aan de raad om de omgangsregeling daadwerkelijk te doen
effectueren en te begeleiden en opnieuw rechtdoende te verklaren voor recht
dat de raad als de wettelijke tweede-lijns landelijke onderzoeks- en
adviesinstelling van de rechterlijke instanties en de overheid, om die reden
niet gehouden is of kan worden verplicht tot het daadwerkelijk (doen)
uitvoeren dan wel begeleiden van door de rechter getroffen omgangsregelingen
tussen ouders en hun kinderen en eventuele andere tot de omgang toegelaten
derden, althans een zodanige beslissing te geven als het hof in goede
justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.

2.2 De moeder heeft op 8 juli 1999 een verweerschrift ingediend. Zij verzoekt
het hof zodanig op het namens de raad ingestelde beroep te beslissen als het
hof in goede justitie meent te behoren, kosten rechtens.

2.3 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 juli 1999, heeft de vader
het beroep van de raad bestreden. Tevens heeft hij daarbij incidenteel beroep
ingesteld. Hij verzoekt het hof het beroep van de raad af te wijzen dan wel
ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking, eventueel op andere
gronden te bekrachtigen en voorts te bepalen dat de raad hem een dwangsom
verschuldigd is van ƒ 5.000 indien de raad niet binnen een periode van een
maand na de uitspraak van het hof daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan
de hem in de uitspraak waarvan beroep, dan wel de uitspraak van het hof aan
hem opgedragen taak.

2.4 De mondelinge behandeling van de zaken met rekestnummer 367/1999, waarbij
de moeder en de vader hoger beroep hebben ingesteld tegen voormelde bestreden
beschikking, en rekestnummer 364/1999 heeft op 7 oktober 1999 gevoegd
plaatsgehad. Namens de raad is mr W.P.M. Mulder verschenen. De vader en de
moeder zijn in persoon verschenen, de vader bijgestaan door mr R.M.J.
Lanting, advocaat te Deventer en de moeder bijgestaan door mr G.J.J.M.A.
Dijkman-Thoen, advocaat te Enschede.

2.5 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder het
rapport van de raad van 17 oktober 1996, brieven van de raad van 18 april
1997, 6 november 1997 en 12 maart 1998, het rapport van de raad van 9
december 1998 met de reactie van de vader op het concept van dat rapport van
26 november 1998, en een brief van mr Lanting van 12 oktober 1999 met als
bijlage een akte.

3. DE VASTSTAANDE FEITEN

3.1 Uit het huwelijk van partijen zijn op 26 augustus 1993 K.J. en M.R.
geboren.

3.2 Bij beschikking van de rechtbank te Zwolle van 1 9 maart 1997 is de
echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 26 mei
1997 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze
beschikking is bepaald dat het gezag over de kinderen voortaan alleen aan de
moeder toekomt. De beslissing omtrent de omgangsregeling is in afwachting van
een (aanvullend) rapport en advies van de raad aangehouden. Bij brief van 18
april 1997 heeft de raad bericht dat partijen zijn overeengekomen dat een
omgangsregeling tussen de vader en de kinderen dient plaats te vinden als
volgt:
– éénmaal per vier weken bezoekt de moeder met de kinderen de vader bij hem
thuis te beginnen op zaterdag 26 april 1997;
– de moeder vertrekt thuis om 08.00 uur en vertrekt bij de vader om 16.30
uur;
– de vader mag, samen met de moeder en de kinderen, uitstapjes maken;
– de moeder is bij de bezoeken aanwezig;
– éénmaal per zes maanden zijn ook de ouders van de vader bij het bezoek
aanwezig;
– verlenging van de bezoektijd is in onderling overleg mogelijk;
– de regeling wordt voor minimaal drie jaar vastgesteld;
– alleen bij overmacht (ziekte e.d.) kan van de regeling worden afgeweken en
mag de zaterdag worden ingehaald. Op grond van voormelde overeenstemming
heeft de vader zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen
hem en de kinderen ingetrokken. De overeengekomen regeling heeft tot 16
augustus 1997 gefunctioneerd.

3.3 De vader heeft wijziging van voormelde regeling verzocht. Bij de
bestreden beschikking heeft de rechtbank -bij beschikking uitvoerbaar bij
voorraad- de raad opgedragen een dusdanige daadwerkelijke steun aan de
daarbij betrokkenen te bieden, waaronder -zonodig- begrepen de wettelijke
bevoegdheden die de raad daartoe heeft, dat een regeling van omgang tussen de
vader en de kinderen tot stand komt die, de onderhavige omstandigheden in
aanmerking genomen, voldoende recht doet aan het in het artikel 8 EVRM
omschreven en door dat verdrag beschermde ‘family-life’.

4. DE MOTIVERING VAN DE BESLISSING IN HET PRINCIPAAL EN IN HET
INCIDENTEEL APPEL

4.1 De rechtbank heeft in feite twee beslissingen gegeven: in de eerste
plaats heeft zij op verzoek van de vader een regeling inzake de uitoefening
van het omgangsrecht vastgesteld en in de tweede plaats heeft zij de raad de
in het dictum omschreven opdracht gegeven. In deze beschikking is alleen de
tweede beslissing aan de orde. De eerste beslissing is onderwerp van de
vandaag eveneens uitgesproken beschikking met het rekestnummer 367/1999 in de
zaak tussen de ouders.

4.2 Het hof acht de raad als belanghebbende ontvankelijk in het ingestelde
hoger beroep en verwijst voorts naar artikel 827 lid 2 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.), voor zover daarin in afwijking van het
bepaalde in artikel 429 n Rv. het recht van hoger beroep tevens wordt gegeven
aan de raad.

4.3 Ingevolge artikel 1:238 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt de wet
in formele zin de taken en bevoegdheden van de raad. Het zwaartepunt van de
werkzaamheden van de raad ligt, voor zover hier van belang, bij:
– het adviseren inzake het ouderlijk gezag;
– het adviseren inzake verzoeken tot gezagswijziging;
– het adviseren inzake omgangsregelingen tijdens en na echtscheiding.

4.4 De raad voert terecht aan dat het niet zijn taak is om actief zorg te
(doen) dragen voor het daadwerkelijk begeleiden of effectueren van omgang
tussen een ouder en zijn of haar kinderen. De taak, plaats en functie van de
raad brengen met zich dat deze zich dient te onthouden van daadwerkelijke
bemoeienis en interventies van behandelende of uitvoerende aard. De raad is
immers de wettelijke onderzoeks- en adviesinstelling van de rechterlijke
instanties en de overheid. Daarmee is niet verenigbaar de rol van behandelaar
en uitvoerder. Daaraan doet niet af dat de raad zich -maar dan in het kader
van een voor de rechter aanhangig verzoek tot het treffen of wijzigen van een
omgangsregeling- in voorkomende gevallen wel bezighoudt met het beproeven van
zogenoemde proefomgangsregelingen.

4.5 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient de bestreden
beschikking te worden vernietigd. Het subsidiair gedaan beroep op artikel
1:241 BW gaat om dezelfde redenen als hiervoor vermeld niet op.

4.6 Gelet op de aard van de zaak wordt de navolgende beslissing gegeven met
compensatie van de proceskosten.

5. DE BESLISSING IN HET PRINCIPAAL EN IN HET INCIDENTEEL APPEL
Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de rechtbank de daarin
omschreven opdracht aan de raad heeft gegeven en bepaalt dat de raad niet
gehouden is tot het uitvoeren van deze opdracht;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat iedere partij
de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Fokker, Katz-Soeterboek, Van Kuijck

Instantie: Rechtbank Haarlem, 9 november 1999

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Eiseres was lid van Mouvement National Congolais-Lumumba (MNC-L) en verrichte
activiteiten voor hen. Na een kritische lezing over Mobutu wordt zij
gearresteerd, mishandeld en seksueel misbruikt. De Rechtbank is van oordeel
dat eiseres niet kan worden tegengeworpen dat zij de door haar aangevoerde
feiten en omstandigheden m.b.t. de structuur van de MNC-L niet in de eerste
procedure naar voren heeft gebracht. Zij kon niet voorzien dat dit een punt
van betekenis zou worden. Inhoudelijk concentreert de zaak zich rondom de
vraag of aannemelijk is dat lezeres inderdaad de betreffende lezing heeft
gehouden. De rechtbank overweegt dat gezien de structuur van de MNC-het
aannemelijk is dat de leiding niet op de hoogte was. Voorts is van belang dat
uit het rapport van Amnesty International naar voren komt dat eiseres
lichamelijke en psychische littekens heeft als gevolg van de mishandeling en
verkrachting tijdens haar detentie. Gezien de aard en de plaats van die
littekens ligt een alternatieve verklaring niet voor de hand. Haar relaas
wordt verder ondersteund door wat bekend is over het systematisch gebruik
door overheidsfunctionarissen en aan de overheid gelieerde personen van
verkrachting als pressiemiddel en vorm van marteling. Tenslotte kent de
rechtbank betekenis toe aan de indruk die eiseres qua betrouwbaarheid heeft
gemaakt op Amnesty en het feit dat Amnesty een uitgebreide rapportage heeft
gemaakt. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op
eiseres als vluchteling toe te laten.

Volledige tekst

I Ontstaan en loop van het geding

1.1 Eiseres,geboren op 31 december 1963, heeft de nationaliteit van de
Democratische Republiek Congo (DRC; voormalig Zaïre). Zij verblijft sedert 21
oktober 1993 in Nederland. Op 2 december 1993 heeft zij verzoeken ingediend
om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf
wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij beschikking van 16
februari 1994, aan eiseres uitgereikt, op 3 maart 1994, heeft verweerder de
desbetreffende aanvragen niet ingewilligd. Eiseres heeft op 29 maart 1994
tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Op 30 juni 1994 is
eiseres gehoord door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV).
Conform het advies van de ACV van 24 augustus 1994 heeft verweerder op 7
maart 1995 het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Deze beschikking is op 15
maart 1995 aan eiseres uitgereikt.

1.2 Bij beroepschrift van 10 april 1995 heeft eiseres tegen deze laatste
beschikking beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij verzoekschrift van
gelijke datum heeft eiseres de president van de rechtbank verzocht bij wijze
van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van
verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het
bezwaarschrift is beslist.

1.3 Bij uitspraak van 29 maart 1996 (geregistreerd onder de nummers AWB
95/3335 VRWET H en AWB 95/3332 VRWET H) heeft de fungerend president van deze
rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep ongegrond verklaard en het
verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

1.4 Op 10 september 1996 heeft eiseres hernieuwde aanvragen ingediend om
toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf
wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

1.5 Bij beschikking van 11 september 1996, aan eiseres uitgereikt op gelijke
datum, heeft verweerder de desbetreffende aanvragen niet ingewilligd. De
aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens de
niet-ontvankelijkheid ervan. Eiseres heeft op 8 oktober 1996 tegen deze
beschikking een bezwaarschrift ingediend. De Medisch Adviseur heeft, op
verzoek(en) van verweerder, op 13 februari 1997, 8januari 1998 en op 12 maart
1998 rapportages uitgebracht.

1.6 Verweerder heeft bij beschikking van 13 maart 1998 het bezwaarschrift van
eiseres ongegrond verklaard. Voorts heeft verweerder eiseres met ingang van
12 maart 1998 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf onder de
beperking ‘voor medische behandeling’, geldig tot 12 maart 1999.

1.7 Bij beroepschrift van 6 april 1998 heeft eiseres tegen deze laatste
beschikking beroep ingesteld bij deze rechtbank. Verweerder heeft de op de
zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift
geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.8 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 1 juni
1999. Ter zitting hebben eiseres en verweerder bij monde van hun gemachtigde
hun standpunten nader uiteengezet.

1.9 De rechtbank heeft de (verdere) behandeling van de zaak ter zitting
aangehouden teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen zich uit te
laten over het al dan niet bestaan van afspraken tussen Amnesty International
en de staatssecretaris van Justitie over de beoordeling van individuele
zaken.

1.10 Bij schrijven van 16 juni 1999 heeft de rechtbank de informatie van
verweerder ontvangen. Eiseres heeft haar reactie op deze informatie bij
schrijven van 25 juni 1999 aan de rechtbank doen toekomen.

1.11 De rechtbank heeft de minister van Buitenlandse Zaken voorts bij brief
van 2 juni 1999 verzocht de aan de in de zaak van eiseres uitgebrachte
individueel ambtsbericht van 1 juli 1994 ten grondslag liggende stukken aan
de rechtbank te doen toekomen. Bij brief van 11 augustus 1999 heeft de
minister van Buitenlandse Zaken de betreffende stukken aan de rechtbank doen
toekomen, onder inroeping van het gestelde in artikel 8:29, eerste lid, Awb.
De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens, met toestemming van partijen,
(buiten zitting) gesloten.

Het individueel ambtsbericht van 1 juli 1994 en de onderliggende
stukken.

1.12 Met betrekking tot genoemd individueel ambtsbericht heeft de minister
van Buitenlandse Zaken bij brief van 11 augustus 1999 aan de rechtbank doen
toekomen een memorandum van 7 juni 1994 van het Bureau Asielzaken aan Hr. Ms.
Ambassade te Kinshasa en een codebericht van 29 juni 1994 van Hr. Ms.
Ambassade te Kinshasa aan het ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze stukken
zijn in gemaskeerde vorm, voor zover vertrouwelijkheid noodzakelijk werd
geacht, ook aan eiseres verzonden.
Het memorandum bevat de vraagstelling aan de ambassade. Ten aanzien van dit
document beroept de minister zich niet op geheimhouding ex artikel 8:29 Awb.
Gelet op de inhoud van dit document ziet de rechtbank geen aanleiding
partijen gelegenheid te geven zich alsnog daarover uit te laten. Ten aanzien
van bepaalde passages van het codebericht beroept de minister zich wel op
geheimhouding, daarbij refererend aan de bescherming van bronnen en de bij
het onderzoek gebruikte methoden en technieken. Deze argumentatie acht de
rechtbank genoegzaam, zodat moet worden geconcludeerd dat in deze zaak het
belang van de minister bij bedoelde geheimhouding zwaarder weegt dan het
belang van eiseres bij openbaarmaking.

1.13 Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank op basis van inzage
in de onderliggende stukken kunnen concluderen dat het individueel
ambtsbericht qua inhoud en procedure zorgvuldig tot stand is gekomen.

II Overwegingen

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de niet-inwilliging van het
bezwaarschrift in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit
besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan
doorstaan.

De onderbouwing van de aanvragen

2.2 Eiseres heeft, ter onderbouwing van haar aanvragen van 2 december 1993
het volgende naar voren gebracht. De vader van eiseres, die sympathisant was
van ‘Mulele Pierre’, is In februari 1978 tijdens een boerenopstand in
Banningville doodgeschoten door overheidsdienaren. Eiseres is in 1985
activiteiten gaan verrichten voor de Mouvement National Congolais-Lumumba
(MNC-L) van welke beweging zij in maart 1990 officieel lid is geworden. Op12
september1993 heeft eiseres, naar aanleiding van een daartoe strekkende
algemene oproep van de bisschoppen van Zaïre om samen te werken tegen de
regering Mobutu, in de zone Masina in Kinshasa een kritische lezing gehouden
over Mobutu en zijn werkwijze. Onder de aanwezigen bij deze lezing bevond
zich een man die eiseres een aantal vragen heeft gesteld, waaronder de vraag
of de dood van Mobutu nodig zou zijn voor een verandering binnen het
politieke systeem van Zaïre. Eiseres heeft hierop geantwoord dat Mobutu naar
haar oordeel van het politieke toneel diende te verdwijnen en de macht aan
het volk moest laten. Na afloop van de betreffende lezing is eiseres
gearresteerd door drie personen van -vermoedelijk-de Zaïrese
veiligheidsdienst onder wie de man die haar tijdens de lezing een vraag over
Mobutu had gesteld, en overgebracht naar een haar onbekend gebouw. Eiseres is
aldaar verhoord, waarbij zij is mishandeld, seksueel misbruikt en bedreigd
met besmetting met aids. Na vier dagen is zij overgebracht naar een militair
kamp, waar zij is behandeld aan haar verwondingen. Op 17 oktober 1993 heeft
eiseres, met de hulp van een verpleger, uit bedoeld kamp weten te ontsnappen.
Na drie dagen bij een neef ondergedoken te hebben gezeten, heeft eiseres op
20 oktober 1993 haar land van herkomst verlaten.

2.3 Ter onderbouwing van de onderhavige aanvragen heeft eiseres een op 5
augustus 1996 gedateerd rapport van de Medische Onderzoeksgroep van Amnesty
International overgelegd. Voorts heeft eiseres een rapport van Amnesty
International van 3 september 1996 overgelegd, in welk schrijven haar
asielrelaas nogmaals uitgebreid wordt verwoord.

Wettelijk kader

2.4 Eiseres legt aan de aanvragen en het onderhavige beroep ten grondslag dat
zij in aanmerking komt voor toelating in Nederland als vluchteling dan wel
wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

2.5 Ingevolge artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw wordt een
aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens
niet-ontvankelijkheid ervan, indien de vreemdeling reeds eerder in Nederland
op gelijke gronden om toelating heeft gevraagd terwijl daarop onherroepelijk
tot niet-inwilliging is besloten.

2.6 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning
tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.

2.7 Verweerder voert met het oog op de bevoikings- en
werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid
een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen – behoudens verplichtingen
voortvloeiende uit internationale overeenkomsten – slechts voor verlening van
een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun verblijf hier
te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is
van klemmende redenen van humanitaire aard.

Beoordeling van het beroep

2.8 Ten aanzien van het beroep, voor zover het is gericht tegen de
ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de niet-inwilliging van de aanvraag
om toelating als vluchteling, overweegt de rechtbank het volgende.

2.9 Ten aanzien van het asielrelaas van eiseres stelt verweerder zich op het
standpunt dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres op een bijeenkomst van
12 september 1993 in de wijk Masina in Kinshasa een lezing heeft gehouden en
zij na afloop van die lezing is gearresteerd en tijdens de daarop volgende
detentie het slachtoffer is geworden van mishandeling en verkrachting.
Verweerder verwijst daartoe naar de inhoud van het individueel ambtsbericht
van de minister van Buitenlandse Zaken van 1 juli 1994, waarin wordt vermeld
dat de leiding van de MNC-L te Kinshasa niet op de hoogte is van bedoelde bijeenkomst of van de
ontvoering van betrokkene na afloop van deze bijeenkomst, aangezien binnen de
partij, volgens de leiding van de MNC-L te Kinshasa, over een dergelijk
incident zeker gerapporteerd zou zijn. Dat eiseres het slachtoffer is
geworden van mishandeling en verkrachting wordt op zichzelf door verweerder
niet betwist, doch verweerder is van oordeel dat niet aannemelijk is dat deze
gebeurtenissen zich hebben voorgedaan onder de door eiseres gestelde
omstandigheden. Verweerder verwijst voorts naar eerdergenoemde uitspraak van
deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 29 maart 1996, waarin zijn
standpunt is gevolgd.

2.10 Op even vermelde gronden heeft verweerder aan eiseres een
vluchtelingenstatus onthouden. Kern van het door eiseres overgelegde rapport
van 3 september 1996 van Amnesty International vormt de verklaring dat er
binnen de MNC-L nauwelijks sprake is van structuur en de afstand tussen de
basis en de leiding groot is en het derhalve absoluut niet verwonderlijk is
dat de leiding van de partij niet op de hoogte was van het plaatsvinden van
de bijeenkomst en de ontvoering.

2.11 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft
voldaan aan het bepaalde in artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw,
zodat niet-ontvankelijkverklaring dient te volgen.

2.12 De rechtbank is van oordeel dat de hernieuwde aanvraag om toelating als
vluchteling d.d. 10 september1996 van eiseres niet met een niet-ontvankelijk
verklaring had mogen worden afgedaan. Aan eiseres kan in redelijkheid niet
worden tegengeworpen dat zij de door haar ter onderbouwing van haar
hernieuwde aanvraag aangevoerde feiten en omstandigheden met betrekking tot
de structuur van de MNC-L in het kader van de eerste procedure naar voren had
kunnen brengen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de Memorie van
Toelichting bij artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1991-1992, 22 735, nr. 3), waarin – onder meer – wordt verwoord
dat voor toepassing van bedoeld artikelonderdeel zich lenen die zaken waarin
sprake is van kennelijk misbruik van het asielrecht, blijkend uit het feit
dat de aanvrager zich blijkt te baseren op gronden waarvan hij redelijkerwijs
moet weten – omdat zij eerder ontoereikend werden geoordeeld – dat zij de
Nederlandse overheid niet kunnen brengen tot instemming met zijn verblijf
hier te lande. Van een dergelijk misbruik is in deze zaak geen sprake. In een
geval als het onderhavige, waarin de feitelijke structuur van de MNC-zonder
dat eiseres dat redelijkerwijs kon voorzien – een punt van betekenis blijkt
te worden, zou aan de beperkte betekenis van artikel 15b, eerste lid, aanhef
en onder b, Vw worden voorbijgegaan, indien eiseres niet de ruimte zou worden
geboden om haar stellingen op dit punt in de context van wat reeds eerder was
aangevoerd opnieuw inhoudelijk ter beoordeling voor te leggen.

2.13 Daarmee is de inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas van eiseres
aan de orde, waarbij van kardinaal belang is of de bijeenkomst van 12
september 1993 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.14 Verweerder heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat
de weergave van het asielrelaas van eiseres in het rapport van Amnesty
International van 3 september 1996 op het punt van de vraag door wie de
lezing van 12 september 1993 was georganiseerd haaks staat op de verklaringen
zoals die door eiseres zijn afgelegd in de eerste asielprocedure.

2.15 Laatstbedoelde verklaringen van eiseres komen op het volgende neer. In
het nader gehoor heeft eiseres zich niet uitgelaten over de vraag door wie
bedoelde lezing was georganiseerd. In de correcties en aanvullingen op het
verslag van dit nader gehoor heeft eiseres doen aangeven dat zij deel
uitmaakte van de partijcel van de MNC- L in de zone Yolo en zij door leden
van de partijcel in de zone Masina was uitgenodigd hun bijeenkomst bij te
wonen.Tegenover de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV) heeft
eiseres tenslotte verklaard dat zij, op uitnodiging van de leidster van haar
partijcel, een lezing heeft gehouden en zij het vermoeden heeft dat de
leiding van de partij door de organisatoren van de bijeenkomst/lezing niet op
de hoogte is gesteld.

2.16 Blijkens de rapportage van 3 september 1996 heeft eiseres in haar relaas
bij Amnesty International op dit punt het volgende verklaard. Zij is benaderd
door een vrouw uit de wijk Masina en haar is gevraagd een lezing te houden
voor een groep, voornamelijk jonge mensen die over de algemene oproep van de
bisschoppen wilden discussiëren. Bedoelde vrouw was weliswaar lid van de
MNC-L, maar zij heeft op persoonlijke titel het initiatief genomen om een
bijeenkomst te organiseren. Eiseres heeft de MNC-L-groep in de wijk Yolo niet
geïnformeerd over de lezing, nu het niet ging om een officiële MNC-
-bijeenkomst.

2.17 Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank tot
het oordeel dat er op het punt van de organisatie van de lezing geen sprake
is van niet met elkaar corresponderende verklaringen van eiseres.Weliswaar
heeft de gemachtigde van eiseres in bezwaar betoogd dat eiseres bedoelde
lezing namens de partij heeft gegeven, maar uit de verklaringen van eiseres
in de eerste asielprocedure kan worden afgeleid dat de lezing is
georganiseerd op uitnodiging van de leden dan wel de leidster van de
partijcel van eiseres, hetgeen niet in strijd is met hetgeen eiseres ten
overstaan van Amnesty International naar voren heeft gebracht. Niet
uitgesloten is dat de gemachtigde van eiseres op even vermeld punt een wat
minder gelukkige formulering heeft gebruikt.

2.18 De verklaringen van eiseres worden voorts niet aangetast door de inhoud
van het individueel ambtsbericht van 1 juli1994, nu in de oorspronkelijke
(Franse) tekst de passage met betrekking tot de rapportering van de basis
naar de leiding van de partij – anders dan verweerder doet, waar deze spreekt
van zeker gerapporteerd zou zijn (zie rechtsoverweging 2.9) – niet uitsluit
de mogelijkheid dat de leiding van de MNC-L niet op de hoogte wordt gesteld
of kan zijn van een lezing die heeft plaatsgevonden in het kader van een door
de leden of de leid(st)er van een cel op eigen titel georganiseerde
bijeenkomst. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking hetgeen door Amnesty
International in eerdergenoemd rapport van 3 september 1996 naar voren is
gebracht over de afstand tussen de basis en de leiding van de MNC-L.

2.19 Bij het vorenstaande komt dat het asielrelaas van eiseres naar het
oordeel van de rechtbank gedetailleerd, uitvoerig en consistent is. In dit
verband acht de rechtbank van belang dat eiseres haar relaas ten overstaan
van Amnesty International tweemaal, éénmaal vanuit een medische invalshoek en
éénmaal vanuit een asielrechtelijke invalshoek, uitvoerig naar voren heeft
gebracht en in beide rapporten, ook ten opzichte van de eerdere door eiseres
afgelegde verklaringen tegenover de contactambtenaar en de ACV, geen
tegenstrijdigheden dan wel inconsistenties zijn te bespeuren. Voorts is in
dit kader van belang hetgeen wordt vermeld in het rapport van de Medische
Onderzoeksgroep van Amnesty International, te weten dat eiseres zekere
lichamelijke en psychische littekens toont, overgehouden uit de mishandeling
en verkrachting die zij zegt te hebben doorgemaakt tijdens haar detentie in
Zaïre.
Een alternatieve verklaring voor het bestaan van lichamelijke littekens bij
eiseres ligt, gegeven de aard en de plaats van die littekens, bepaald niet
voor de hand. Bovendien is niet zonder meer aannemelijk dat eiseres ter
verklaring van de bij haar aanwezige lichamelijke en psychische littekens met
het volhouden van vorenbedoelde consistentie en detailleringeen geheel
gefingeerd relaas naar voren zou brengen. Het relaas van eiseres wordt voorts
ondersteund door hetgeen uit algemeen toegankelijke bronnen naarvoren komt
omtrent het systematisch gebruik in Zaïre door overheidsfunctionarissen en
aan de overheid gelieerde personen van verkrachting als pressiemiddel en vorm
van marteling. Tenslotte kent de rechtbank betekenis toe aan de indruk die
eiseres qua betrouwbaarheid heeft gemaakt op Amnesty International alsmede de
omstandigheid dat Amnesty International in haar zaak aanleiding heeft gezien
over te gaan tot een uitgebreide rapportage, hetgeen tamelijk uitzonderlijk
kan worden genoemd.

2.20 Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbankvan oordeel dat ten
aanzien van de aanvraag van eiseres om toelating als vluchteling de bestreden
beslissing wegens onjuiste toepassing van artikel 15b, eerste lid, aanhef en
onder b, Vw niet in stand kan blijven. Het beroep is dan ook gegrond. De
vraag of eiseres in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf wegens
klemmende redenen van humanitaire aard behoeft, gezien het voorgaande, geen
bespreking meer.

2.21 De rechtbank ziet in het onderhavige geval, mede gelet op de tijdsduur
waarin eiseres in procedure zit, aanleiding met toepassing van artikel 8:72,
vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank vernietigt de
bestreden beslissing en draagt verweerder op eiseres hier te lande toe te
laten als vluchteling.

2.22 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van
artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte
proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten
bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde
Besluit vastgesteld op ƒ 1.420 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor
het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.23 De rechtbank ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:74,
eerste lid, Awb te bepalen dat verweerder aan eiseres het betaalde
griffierecht ad ƒ 50 zal vergoeden.

III Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking van 13 maart 1998;

3.3 draagt verweerder op eiseres toe te laten als vluchteling;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420 onder aanwijzing van
de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet
voldoen;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ 50.

Rechters

Mrs. Schotman, Verwoerd, Hijink

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 8 november 1999

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Na afwijzing van haar eerste asielverzoek dient verzoekster een tweede
verzoek in. Hierin stelt zij dat zij in Nigeria door een zekere B. is
benaderd die haar werk in Europa aanbood. Verzoekster is op zijn aanbod
ingegaan en, na eerst in Nigeria voodoo-rituelen te hebben ondergaan, met B.
Nederland ingereisd. Onder invloed van bedreiging door B. heeft zij tijdens
haar eerste asielverzoek een valse verklaring afgelegd. De president acht het
nader relaas op voorhand geloofwaardig. Verzoekster heeft gedetailleerde
verklaringen afgelegd over de voodoo-rituelen die op haar zijn toegepast.
Bekend is dat hiervan sterke dwang kan uitgaan. Onder die omstandigheden is
de mededeling dat verzoekster vertrouwelijk kon verklaren onvoldoende
verzekering dat zij zich ook direct vrij voelt om naar waarheid te verklaren.
Verweerders aanname dat verzoekster de bescherming van de Nigeriaanse
autoriteiten kan inroepen is te eenvoudig gemaakt. Verweerder kan zich niet
beroepen op het bestaan van een vestigingsalternatief zonder zich te
verdiepen in de effecten van de voodoorituelen op de weerbaarheid en
zelfredzaamheid van verzoekster. Voorts zal verweerder zich de vraag moeten
stellen of het traumatabeleid in zaken als de onderhavige van toepassing is.
Met betrekking tot de toepasselijkheid van Vc B17 is niet in te zien waarom
eerst van een slachtoffer sprake kan zijn indien betrokkene daadwerkelijk in
de prostitutie heeft gezeten. Het krijgen van (bedenk)tijd lijkt ook in dit
soort zaken van belang, niet alleen om te beslissen over evt. aangifte, maar
ook om via therapie de voodoo-invloeden kwijt te kunnen raken.
(beroepszaak)

Volledige tekst

1. Gegevens inzake het geding

1.1 Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep
van verzoekster tegen de beschikking van verweerder van 19 oktober 1999. Deze
beschikking behelst de niet-inwilliging van verzoeksters hernieuwde aanvraag
om toelating als vluchteling en strekt tevens tot het niet verlenen van een
vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard.
Verzocht wordt om schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting
niet achterwege te laten totdat op het beroep tegen voormelde beschikking is
beslist.

1.2 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 12
november 1999. Daarbij hebben verzoekster en verweerder bij monde van hun
gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoekster ter
zitting gehoord.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de
rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is
in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling
ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om,
indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in
de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid
gebruik te maken.

2.3 Verzoekster is samen met een man, genaamd F. O., Nederland ingereisd met
valse papieren en heeft na twee dagen in het Grenshospitium een asielverzoek
ingediend. Bij die gelegenheid heeft zij onder meer verklaard dat voornoemde
O. haar echtgenoot was. Op die aanvraag heeft verweerder negatief beslist.
Nadat O. was uitgezet en verweerder drie keer zonder vrucht heeft gepoogd
verzoekster uit te zetten, heeft verzoekster de tegen verweerders besluit
ingestelde rechtsmiddelen ingetrokken en een tweede asielverzoek ingediend.

2.4 Verzoekster heeft in die procedure – kort samengevat – aan haar verzoek
om toelating het volgende ten grondslag gelegd.
De man die verzoekster bij haar aankomst op Schiphol vergezelde, is niet haar
echtgenoot maar iemand die naar haar dorp is gekomen alwaar verzoekster voor
haar vertrek woonachtig was. Verzoekster heeft geen ouders meer en leefde in
gezinsverband met haar tante. Deze ‘brother O.’ heeft aan verzoekster en haar
tante gevraagd of verzoekster ervoor voelde om in Europa op een boerderij te
gaan werken. Verzoekster is op dat aanbod ingegaan. Daartoe heeft zij eerst
in Nigeria voodoo-bezweringen ondergaan bij een medicijnman. Voorafgaand aan
het eerdere asielverzoek is verzoekster door O. onder druk gezet een
leugenachtig verhaal te doen en valse personalia op te geven. Verzoekster is
daarbij te kennen gegeven dat zij zou worden vermoord indien zij de ware
motieven achter haar komst naar Nederland zou prijsgeven. Verzoekster vreest
bij terugkeer voor represailles van de zijde van O. en de medicijnman. Haar
is tevens door een medewerker van Vluchtelingenwerk verteld dat zij
waarschijnlijk door O. zou worden tewerkgesteld als prostituee.

2.5 Verweerder heeft het bestreden besluit – voorzover thans van belang –
gestoeld op de volgende overwegingen.
– De omstandigheid dat verzoekster zich eerst in de huidige procedure heeft
uitgelaten over het feit dat O. haar echtgenoot niet is en dat hij haar heeft
bedreigd met de dood indien zij de waarheid over hem zou vertellen, doet
afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen hieromtrent. Dat zij
bang is voor O. en dat zij verschillende voodoo-rituelen heeft moeten
ondergaan is geen afdoende verklaring voor de aanvankelijke verzwijging van
een en ander, nu verzoekster tijdens haar eerste procedure bij verschillende
gelegenheden is gewezen op het feit dat al haar informatie vertrouwelijk zou
worden behandeld.
– Voorts is niet gebleken dat de autoriteiten in Nigeria verzoekster niet
tegen eventuele gewelddadigheden van de zijde van O. of de medicijnman zouden
kunnen of willen beschermen. Ook is niet aannemelijk geworden dat het voor
verzoekster niet mogelijk is om zich aan de dreiging van de gestelde
problemen te onttrekken door zich – desnoods tijdelijk – elders in Nigeria te
vestigen.
– Voorzover verzoekster vreest voor eventuele consequenties van de ondergane
voodoorituelen wordt overwogen dat van de zijde van verweerder aan de invloed
van dergelijke praktijken geen geloof wordt gehecht.

2.6 Verzoekster heeft hiertegen – mede gelet op de stellingname ter zitting –
het volgende doen aanvoeren.
Verweerders stellingname omtrent verzoeksters geloofwaardigheid miskent de
grote invloed van de voodoobezweringen.
Na afwijzing van haar eerdere asielverzoek is tot drie maal toe getracht
verzoekster uit te zetten. Telkens heeft zij zich zodanig verzet dat de
verwijderingspoging moest worden gestaakt. Dat illustreert de ernst van de
dreiging die van terugkeer naar Nigeria voor verzoekster uitgaat.
Hetgeen verzoekster is overkomen is zodanig dat dat aan haar op grond van
klemmende redenen van humanitaire aard een vergunning tot verblijf moet
worden verleend. Zij kan in Nigeria geen bescherming vinden. Verzoekster
heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak dd. 2 november 1999 van deze
rechtbank, registratienummer AWB 99/8054 VRWET H. In die uitspraak, waarin
dezelfde problematiek aan de orde was, is onder meer door de president
overwogen dat niet zonder meer valt in te zien dat verzoekster, gelet op de
corruptie in dat land en de kwetsbare positie van prostituees aldaar, kan
rekenen op de bescherming van de Nigeriaanse autoriteiten.
Verzoekster is ten slotte van mening dat hoofdstuk B17 van de
Vreemdelingencirculaire van toepassing is en dat haar met toepassing van dat
hoofdstuk drie maanden bedenktijd had moeten worden gegund, teneinde de
afweging te maken of zij aangifte zal doen.

2.7 De president overweegt als volgt.
De president acht het nadere relaas van verzoekster op voorhand
geloofwaardig. Verzoekster heeft in haar nader gehoor gedetailleerd verteld
over de voodoo-rituelen die op haar zijn toegepast. Omtrent de effectiviteit
van voodoo wordt in het bij verweerder bekende rapport ‘Handel in Nigeriaanse
meisjes naar Nederland’, in opdracht van Terre des Hommes opgesteld door de
Nigerian Democratic Movement in the Netherlands, op p. 21 het volgende
opgemerkt:
‘Door voodoo kan fysieke schade vanaf een afstand worden berokkend. Door
deze destructieve werking is het een ideaal dwangmechanisme. Onder druk van
voodoo verdwijnen veel minderjarigen bij de Opbouw. Daarnaast zijn de meisjes
niet snel bereid aangifte te doen en is het contact bij controle heftig,
moeilijk en agressief. Meisjes die uit de prostitutie zijn gehaald en een
verklaring hebben afgelegd verdwijnen na enkele dagen of een week toch weer
uit een safe-house, een kleine wooneenheid of een pleeggezin waarvan niemand
het adres kent. Uit angst voor voodoo is de drang om toch weer contact met de
organisatie op te nemen te groot. Zo zijn er voorbeelden van meisjes die twee
of drie keer uit een safe-house verdwijnen.
Als de meisjes opgepakt worden of de organisatie bijvoorbeeld niet kunnen
bellen omdat ze het nummer niet meer hebben, wordt een aantal meisjes
hysterisch, psychotisch en is er zelfs sprake van zelfverwonding.
[…]
Doordat de voodoo zo’n sterk machtsmechanisme is dat op afstand werkt, kunnen
de handelaren en/of de madams de meisjes makkelijk in hun grip houden en zou
er minder sprake zijn van fysiek geweld.’
Gelet op het (kennelijk) felle verzet van verzoekster bij de drie
uitzettingspogingen en de indruk die verzoekster ter zitting maakte – de
gedachte naar Nigeria te moeten terugkeren lijkt haar doodsbang te maken –
moet worden aangenomen dat de voodoo-praktijken hun uitwerking ook op haar
niet hebben gemist.
Uiteraard is een al dan niet herhaalde mededeling dat verzoekster
vertrouwelijk kan verklaren onder die omstandigheden volstrekt onvoldoende
verzekering dat verzoekster zich ook aanstonds vrij heeft gevoeld om met de
waarheid voor de dag te komen, mede in aanmerking genomen dat de haar
vergezellende handelaar tijdens de vorige procedure nog in haar buurt was.

2.8 Voorts is verweerders aanname dat de Nigeriaanse autoriteiten verzoekster
tegen haar belagers kunnen beschermen in een zaak als de onderhavige wat te
eenvoudig gemaakt. Dat verzoekster niet eerder een poging heeft gedaan om
bescherming van de autoriteiten in te roepen kan geen tegenwerping zijn,
reeds niet omdat verzoekster blijkens haar eigen, voorshands niet
onaannemelijk te achten stellingen pas in Nederland door kreeg dat zij het
slachtoffer was geworden van vrouwenhandel.

Van enig commitment van de Nigeriaanse overheid om tegen
vrouwenhandelpraktijken op te treden is tot op heden niet gebleken, terwijl
zodanig commitment op gronden die in de door verzoekster aangehaalde
uitspraak van deze rechtbank zijn genoemd ook niet direct aannemelijk is.

2.9 In beginsel is niet uitgesloten te achten dat er voor verzoekster
-objectief beschouwd- mogelijkheden zijn om zich elders in Nigeria te
vestigen en zich aldus aan haar belagers te onttrekken. De vraag is echter of
dat van eisers op dit moment kan worden verlangd, nu verzoekster met behulp
van voodoo zodanig ‘geprogrammeerd’ lijkt te zijn dat haar weerbaarheid en
zelfredzaamheid daardoor ernstig zijn aangetast. Verweerder kan zich,
voorshands geoordeeld, niet op het bestaan van een vestigingsalternatief
beroepen zonder zich in dit aspect te verdiepen.
In dit verband is uiteraard niet van belang dat verweerder aan de invloed van
voodoo geen geloof hecht. Van belang is uitsluitend de mate waarin
verzoekster daaraan geloof hecht.

2.10 Het voorgaande brengt mee dat de beschikking niet in stand kan blijven.
Verweerder zal zich opnieuw over de zaak moeten buigen. Met het oog op de
verdere afdoening van de zaak wordt nog het volgende opgemerkt.

2.11 Opmerking verdient in de eerste plaats dat verweerder zich bij het
verdere onderzoek de vraag zal moeten stellen of de humanitaire overwegingen
die ten grondslag liggen aan het traumata-beleid ook in zaken als de
onderhavige niet tot de conclusie zouden moeten leiden dat verwijdering
(vooralsnog) niet aan de orde is. Het is immers niet uit te sluiten dat de
via voodoo ingeprente angst zo groot is dat het verwijderen van de betrokkene
zonder eerst af te rekenen met die angst moet worden beschouwd als een
behandeling die voor de betrokkene ondraaglijk is.

2.12 Voor zover het hiervoor bedoelde onderzoek tot de conclusie voert dit er
geen termen voor verblijf op asielgerelateerde gronden zijn, komt de vraag
naar toepasselijkheid van Vc, B 17 aan de orde. Verweerder heeft voor de
uitleg van zijn standpunt terzake verwezen naar de antwoorden die zijn
gegeven op de door deze rechtbank gestelde vragen in de zaken U en 0,
registratienummers AWB 99/7624 en AWB 99/7712.

2.13 Die antwoorden houden onder meer het volgende in.
‘Het staat een ieder (…) vrij om aangifte te doen van vrouwenhandel,
hoofdstuk B 17 van de Vreemdelingencirculaire is dan ook in principe van
toepassing. Het is echter belangrijk om een onderscheid te maken tussen
slachtoffers van vrouwenhandel (Vc B 17/2.2) en getuige-aangevers van
vrouwenhandel (Vc B 17/2.3).
Als schuldig aan vrouwenhandel kan worden beschouwd diegene die een ander
door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een
andere feitelijkheid dan wel misbruik van uit feitelijke verhoudingen
voortvloeiend overwicht of misleiding tot prostitutie brengt dan wel onder
voornoemde omstandigheden enige handelingen onderneemt teneinde een ander tot
prostitutie te brengen. Met de term ‘slachtoffer van vrouwenhandel’ wordt in
Vc B 17 dan ook bedoeld een vrouw die daadwerkelijk in Nederland in de
prostitutie heeft gezeten.
Hierdoor is de bedenktijd van B 17/2.2 slechts van toepassing op
vreemdelingen die in Nederland als prostituee werkzaam zijn en van wie een
aanwijzing bestaat dat zij slachtoffer zijn van mensenhandel. De verwijdering
van de vreemdeling wordt in dat geval met drie maanden opgeschort. Daarmee
wordt zij in de gelegenheid gesteld om in alle rust te bedenken of zij al dan
niet aangifte wil doen.
Deze bedenktijd behoeft vanzelfsprekend niet open te staan voor
getuige-aangevers.’

2.14 De president acht deze antwoorden zonder nadere toelichting – onder meer
omtrent de beleidsintenties van verweerder met betrekking tot de onderhavige
verschijningsvorm van vrouwenhandel – niet begrijpelijk. Uitgaande van de
geloofwaardigheid van verzoeksters nadere relaas lijdt het immers geen
twijfel dat de in deze zaak met verzoekster meegereisde metgezel kan worden
beschouwd als iemand die verzoekster door voodoo heeft gedwongen om met hem
mee te reizen naar Nederland, teneinde haar tot prostitutie te brengen. Aldus
bezien is aan het in de Vc B 17/1 aangehaalde deel van de delictsomschrijving
van art. 250ter, lid 1 Sr voldaan en is sprake van zowel een dader als een
slachtoffer van vrouwenhandel. Niet is in te zien waarom van een slachtoffer
eerst sprake kan zijn indien de betrokkene daadwerkelijk in de prostitutie
heeft gezeten. In dit verband wordt verwezen naar de richtlijn voor de
opsporing en vervolging van vrouwenhandel, Vc Bijlage C30, waarin onder
2.1.1.3 wordt opgemerkt:
‘Een ‘handeling waardoor een ander in de prostitutie belandt’ heeft
betrekking op elke handeling die daartoe leidt. Voor voltooiing van het
delict is niet vereist dat overlevering van het slachtoffer (in de
prostitutie) heeft plaatsgevonden’.
Verweerders stellingname lijkt meer ingegeven door de wens om de betrokkenen
de drie maanden bedenktijd van Vc B 17/2.2 te onthouden dan door een
strafrechtelijk gefundeerd inzicht hun positie. Overigens komt het de
president voor dat verweerder bij het ontwerp van de regeling in B 17 niet de
onderhavige verschijningsvorm van vrouwenhandel voor ogen heeft gestaan, maar
de vorm waarbij het eerste contact met het delict bestaat in het aantreffen
van het slachtoffer in de prostitutie. Nu verweerder evenwel met zoveel
woorden heeft opgemerkt dat Hoofdstuk B 17 van toepassing is, kan verweerder
daaraan worden gehouden.

2.15 Opmerking verdient daarbij nog dat het van eminent belang lijkt dat de
betrokkenen ook in zaken als de onderhavige (bedenk)tijd krijgen, niet alleen
om na te gaan of zij aangifte willen doen, maar ook – en wellicht zelfs
primair – om via daarop toegesneden therapie de voodoo-invloeden te kunnen
kwijtraken.

2.16 Nu het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van
verzoekster gegrond wordt verklaard voor zover aan verzoekster een vergunning
tot verblijf is onthouden bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van
het verzoek om voorlopige voorziening.

2.17 Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten.

2.18 De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82,
vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoekster het zowel voor de
hoofdzaak als voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde
griffierecht ad telkens ƒ 50 zal vergoeden.

3. Beslissing

De fungerend president:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beschikking van
19 oktober 1999, voor zover verzoekster daarbij een vergunning tot verblijf
is onthouden;

3.2 draagt verweerder op een nieuwe beschikking te nemen op de aanvraag van
22 september 1999;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420 onder aanwijzing van
de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier
van deze rechtbank nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door verzoekster betaalde griffierecht ad tweemaal ƒ 50.

Rechters

Mr. Schotman

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 5 november 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Het gaat om een bigaam huwelijk dat inmiddels is ontbonden. Na ontbinding wil
de vrouw het huwelijk op voet van art. 1:69 BW nietig laten verklaren omdat
aan de vereisten uit 1:33 BW niet voldaan was. Dit kan volgens art 1:69 BW
door één der echtgenoten of door andere personen met een onmiddellijk
rechtsbelang. Onder ‘ieder der echtgenoten’ als bedoeld in 1:69 BW zijn niet
begrepen gewezen echtgenoten. Zelfs niet als niet was voldaan aan de in art.
1:33 BW gestelde vereisten om een huwelijk aan te gaan. Het door de vrouw
gestelde emotionele belang wordt niet aangemerkt als een ‘onmiddellijk
rechtsbelang’. Ook strijd met de openbare orde wegens handelen in strijd met
1:33 BW is onvoldoende om een ‘onmiddellijk rechtsbelang’ aan te nemen. De
Hoge Raad bekrachtigt het oordeel van het Hof en verwerpt het beroep.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 26 november 1997 ter griffie van de Rechtbank te Rotterdam
ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie -verder te noemen: de
vrouw- zich gewend tot die Rechtbank en verzocht het huwelijk tussen haar en
verweerder in cassatie -verder te noemen: de man- op 20 september 1991 te
Rotterdam gesloten, te vernietigen, althans nietig te verklaren. De man heeft
het verzoek bestreden. De Rechtbank heeft bij beschikking van 30 maart 1998
het tussen partijen op 20 september 1991 te Rotterdam gesloten huwelijk
nietig verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen. Tegen deze
beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te
‘s-Gravenhage. Bij beschikking van 13 november 1998 heeft het Hof voormelde
beschikking van de Rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, het
inleidend verzoek van de vrouw afgewezen. De beschikking van het Hof is aan
deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de
Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn op 20 september 1991 te Rotterdam met elkaar gehuwd.
(ii) De man heeft de Chileense nationaliteit. De vrouw heeft zowel de
Nederlandse als de Portugese nationaliteit.
(iii) Bij beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 9 oktober 1995 is
tussen partijen echtscheiding uitgesproken. Die beschikking is op 30 mei 1996
in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.
(iv) De man was eerder, op 5 september 1979, te Coquimbo, Chili, in het
huwelijk getreden met [ex-vrouw]
(v) Zowel de man als [ex-vrouw] waren lid van de socialistische partij in
Chili. In december 1982 is [ex-vrouw] door de autoriteiten van Chili opgepakt
en sindsdien wordt zij vermist.
(vi) De man is in februari 1983 naar Brazilië gevlucht. In 1991 is hij naar
Nederland gekomen. (vii) Op 19 april 1998 is door de burgerlijke stand van
Chili een overlijdensakte afgegeven betreffende [ex-vrouw] op grond van het
feit dat zij langer dan 15 jaar als vermist is opgegeven. De akte vermeldt
als datum van overlijden 2 januari 1983.

3.2 De vrouw heeft op 26 november 1997 in dit geding op de voet van art. 1:69
lid 1 BW nietigverklaring van het tussen haar en de man op 20 september 1991
gesloten huwelijk verzocht op de grond dat de man niet voldeed aan het in
art. 1:33 BW gestelde vereiste om een huwelijk met de vrouw aan te gaan,
omdat de man gehuwd was met een andere vrouw.

3.3 Het Hof heeft geoordeeld dat, nu het huwelijk van partijen is ontbonden,
de vrouw niet langer als echtgenoot kan worden aangemerkt, zodat zij niet op
grond van art. 1:69 lid 1 onder b BW de nietigverklaring van het huwelijk kan
vragen.

3.4 Onderdeel a van het middel bestrijdt dit oordeel met het betoog dat onder
“ieder der echtgenoten” in de zin van art. 1:69 lid 1 onder b niet slechts is
te verstaan ieder der echtgenoten die ten tijde van het verzoek met elkaar
door huwelijk zijn verbonden, maar ook ieder der echtgenoten die met elkaar
door huwelijk verbonden zijn geweest. Het onderdeel faalt, daar ’s Hofs
oordeel juist is. Onder “echtgenoten” in genoemde bepaling zijn gewezen
echtgenoten niet begrepen.

3.5 Het Hof heeft vervolgens de vrouw als gewezen echtgenote in beginsel
gerangschikt onder “alle overige personen, die daarbij een onmiddellijk
rechtsbelang hebben”, genoemd in art. 1:69 lid 1 onder c. Het is echter tot
het oordeel gekomen dat noch in eerste aanleg noch in hoger beroep van een
onmiddellijk rechtsbelang van de vrouw is gebleken, nu het door de vrouw in
hoger beroep gestelde emotionele belang niet als een onmiddellijk
rechtsbelang is te kwalificeren.

3.6 Onderdeel b van het middel is tegen dit oordeel gericht. Het betoogt dat
het onmiddellijk rechtsbelang van de vrouw is gelegen in strijd met de
openbare orde, in het door de vrouw gestelde emotionele belang en in de
terugwerkende kracht die art. 1:77 BW verbindt aan de nietigverklaring van
het huwelijk. Ook dit onderdeel kan niet tot cassatie leiden. De vrouw heeft
in de feitelijke instanties geen ander belang gesteld dan een emotioneel
belang. Het Hof heeft terecht het onderhavige belang niet aangemerkt als “een
onmiddellijk rechtsbelang” in de zin van art. 1:69 lid 1 onder c. Strijd met
de openbare orde wegens handelen in strijd met art. 1:33 is onvoldoende voor
het oordeel dat sprake is van “een onmiddellijk rechtsbelang” als bedoeld in
art. 1:69 lid 1 onder c. Hetzelfde geldt voor het beroep op terugwerkende
kracht van de nietigverklaring.

4. BESLISSING

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

CONCLUSIE MR STRIKWERDA

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de uitleg van art. 1:69 lid 1 onder b en c BW.
Art. 1:69 luidt als volgt:

“1. Voor zover hieronder niet anders is bepaald, kan op grond dat de
echtgenoten niet de vereisten in zich verenigen om tezamen een huwelijk aan
te gaan, de nietigverklaring van het huwelijk worden verzocht door der
echtgenoten;
a. de bloedverwanten in opgaande lijn van een der echtgenoten;
b. ieder der echtgenoten;
c. alle overige personen, die daarbij een onmiddellijk rechtsbelang hebben,
echter deze alleen na de ontbinding van het huwelijk;
d. het openbaar ministerie, echter alleen zolang het huwelijk niet is
ontbonden.

2. Hij die met een der echtgenoten nog door een vroeger huwelijk dan wel door
een eerder geregistreerd partnerschap is verbonden, is eveneens bevoegd op
grond van het bestaan van dat huwelijk of die registratie de nietigverklaring
van het daarna gesloten huwelijk te verzoeken.”

2. De feiten waarvan in cassatie uitgegaan dient te worden, liggen als volgt:
(i) De partijen in dit geding zijn op 20 september 1991 te Rotterdam met
elkaar gehuwd. De vrouw (verzoekster van cassatie) heeft zowel de Nederlandse
als de Portugese nationaliteit. De man (verweerder in cassatie) heeft de
Chileense nationaliteit.
(ii) Bij beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 9 oktober 1995 is
tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is op 30 mei
1996 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.
(iii) De man was reeds eerder, op 5 september 1979, te Coquimbo, Chili, in
het huwelijk getreden met [ex-vrouw].
(iv) Zowel de man als genoemde [ex-vrouw] waren lid van de socialistische
partij in Chili. In december 1982 is [ex-vrouw] door de autoriteiten van
Chili opgepakt en sindsdien wordt zij vermist.
(v) De man vluchtte in februari 1983 naar Brazilië. In 1991 kwam hij naar
Nederland, alwaar hij op 20 september 1991 met de vrouw is gehuwd.
(vi) Op 19 april 1998 is door de Burgerlijke Stand van Chili een
overlijdensakte afgegeven betreffende [ex-vrouw] op grond van het feit dat
zij langer dan 15 jaar als vermist is opgegeven. Als datum van overlijden
wordt 2 januari 1983 vermeld.

3. Op 26 november 1997 heeft de vrouw zich gewend tot de Rechtbank te
Rotterdam met een verzoekschrift strekkende tot nietigverklaring van het op
20 september 1991 te Rotterdam tussen haar en de man gesloten huwelijk op de
grond dat de man op het moment van de huwelijkssluiting nog gehuwd was met
een andere vrouw. De man heeft een verweerschrift ingediend en daarbij het
verzoek bestreden.

4. Bij beschikking van 30 maart 1998 heeft de Rechtbank het huwelijk van
partijen nietig verklaard, zulks op de grond dat partijen niet de vereisten
in zich verenigden om tezamen een huwelijk aan te gaan.

5. Op het hoger beroep van de man heeft het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage bij
beschikking van 13 november 1998 de beschikking van de Rechtbank evenwel
vernietigd en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de vrouw
afgewezen. Het Hof overwoog dat, nu het huwelijk van partijen is ontbonden
door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 30 mei 1996, de vrouw
niet langer als echtgenoot kan worden aangemerkt, zodat zij op grond van art.
1:69 lid 1 onder b BW niet de vernietiging van het huwelijk kan vragen. Naar
het oordeel van het Hof kan de vrouw wel gerangschikt worden onder de
categorie “alle overige personen” als genoemd onder c van genoemd artikellid,
maar is niet gebleken dat de vrouw “een onmiddellijk rechtsbelang” heeft bij
het verzoek, zoals voor de categorie sub c wordt vereist. Het door de vrouw
in hoger beroep gestelde emotionele belang is volgens het Hof niet als een
onmiddellijk rechtsbelang te kwalificeren. Het inleidende verzoek van de
vrouw moet derhalve worden afgewezen, aldus het Hof.

6. De vrouw is tegen de beschikking van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen
met een uit twee onderdelen opgebouwd cassatiemiddel. De man heeft een
verweerschrift ingediend en daarbij het middel bestreden en geconcludeerd tot
verwerping van het door de vrouw ingestelde beroep in cassatie.

7. Aan de bespreking van het cassatiemiddel laat ik twee opmerkingen vooraf
gaan. De eerste is dat het Hof – strikt genomen – in plaats van het inleidend
verzoek af te wijzen, de vrouw niet ontvankelijk had behoren te verklaren.
Het oordeel van het Hof komt er immers op neer dat de vrouw niet behoort tot
de kring van personen die op grond van art. 1:69 lid 1 BW bevoegd is de
nietigverklaring van het huwelijk te verzoeken. Vgl. Hof Amsterdam 27 oktober
1994, NJ 1996, 130 en Hof Amsterdam 13 juni 1996, NJ 1998, 40. Aan een
beoordeling van de grondslag van het verzoek is het Hof, anders dan in eerste
aanleg de Rechtbank, dan ook niet toegekomen. De tweede opmerking is dat,
niettegenstaande de internationale aspecten van de zaak, in feitelijke
instanties de vraag naar het toepasselijke recht niet uitdrukkelijk aan de
orde is gesteld. Evenals in eerste aanleg de Rechtbank, heeft het Hof
kennelijk – en terecht – het Nederlandse recht toegepast. Naar Nederlands
internationaal privaatrecht is immers Nederlands recht op het inleidende
verzoek van de vrouw van toepassing, aangezien het huwelijk van partijen in
Nederland is gesloten. De vraag of dat huwelijk materieel en formeel geldig
tot stand is gekomen, wordt ingevolge art. 2 en 3 van het Haagse
Huwelijksverdrag van 14 maart 1978, Trb. 137, en art. 2 en 5 van de Wet
Conflictenrecht Huwelijk (Wet van 7 september 1989, Stb. 392) beheerst door
het Nederlandse recht. Het rechtsstelsel dat de formele en materiële
huwelijksvereisten stelt, bepaalt ook de sanctie op overtreding daarvan. Vgl.
de conclusie OM onder 9 voor HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 6.

8. Onderdeel a van het middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat,
nu het huwelijk van partijen is ontbonden, de vrouw niet langer als
echtgenoot kan worden aangemerkt, zodat zij op grond van art. 1:69 lid 1
onder b BW niet de nietigverklaring van het huwelijk kan vragen. Het
onderdeel klaagt dat het Hof, aldus oordelende, heeft miskend dat onder
“ieder der echtgenoten” in de zin van genoemde bepaling ook de gewezen
echtgenoot is te verstaan.

9. Gepubliceerde jurisprudentie op de onderhavige kwestie ontbreekt. In de
mij bekende literatuur wordt op dit punt van uitleg van art. 1:69 lid 1 BW
niet ingegaan. Ook de parlementaire geschiedenis zwijgt. Wel kan uit de
parlementaire geschiedenis worden opgemaakt dat de term “ieder der
echtgenoten” beperkt moet worden uitgelegd. In de MvA werd naar aanleiding
van de opmerking in het VV, dat de bepaling van lid 2 van art. 1:69 strikt
genomen overbodig is omdat de daar genoemde echtgenoot (de eerste echtgenoot
van de bigamist) immers reeds volgens lid 1 onder b als “ieder der
echtgenoten” nietigverklaring kan vorderen, het volgende naar voren gebracht
(Parl. Gesch. Boek 1, blz. 213): “De ondergetekende meent dat deze uitlegging
niet juist is. Slechts de partijen bij het tweede huwelijk zijn krachtens het
eerste lid onder b bevoegd de nietigverklaring te vorderen. Het is derhalve
noodzakelijk in het tweede lid uitdrukkelijk te bepalen dat ook de eerste
echtgenoot van de bigamist de nietigverklaring van het bigame huwelijk kan
vorderen.”

10. In de tekst van art. 1:69 BW is geen steun te vinden voor de door het
middel verdedigde uitleg van de in lid 1 onder b gebezigde term “ieder der
echtgenoten”. In Boek 1 van het BW plegen echtgenoten na ontbinding van het
huwelijk aangeduid te worden als gewezen echtgenoten (zie bijv. art. 160,
165, 253 en 401) of als gescheiden echtgenoten (zie bijv. art. 166). In de
hier aan de orde zijnde bepaling wordt gesproken van echtgenoten, zonder enig
adjectief. De bepaling ziet dus kennelijk slechts op echtgenoten wier
huwelijk nog bestaat. Dat ligt ook voor de hand, nu de wetgever, door de
bepaling onder c, uitdrukkelijk, zij het onder de voorwaarde van “een
onmiddellijk rechtsbelang”, de mogelijkheid heeft geopend ook na de
ontbinding van het bigame huwelijk nietigverklaring daarvan te verzoeken. De
opvatting van het Hof komt mij derhalve juist voor.

11. In het middelonderdeel wordt nog een beroep gedaan op HR 1 juli 1993, NJ
1994, 105 nt. WH-S. In die zaak ging het echter niet om de vraag welk gevolg
de ontbinding van het bigame huwelijk heeft op de vordering tot
nietigverklaring daarvan (door het openbaar ministerie), maar om de vraag
welk gevolg de ontbinding van het eerste huwelijk heeft op die vordering. Het
arrest werpt derhalve geen licht op de onderhavige kwestie. Onderdeel a acht
ik ongegrond.

12. Onderdeel b van het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de
vrouw geen onmiddellijk rechtsbelang, als bedoeld in art. 1:69 lid 1 onder c,
bij haar verzoek heeft. Het onderdeel betoogt dat het onmiddellijk
rechtsbelang van de vrouw is gelegen in het feit dat het huwelijk van
partijen in strijd was met de openbare orde. Verder zou de vrouw onmiddellijk
rechtsbelang bij haar verzoek hebben wegens de terugwerkende kracht die
krachtens art. 1:77 BW is verbonden aan de nietigverklaring van het huwelijk.

13. Een bigaam huwelijk dat reeds is ontbonden, is niet meer in strijd met de
openbare orde. Derhalve bepaalt art. 1:69 lid 1 onder d dat het openbaar
ministerie, tot wiens taak de handhaving van de openbare orde behoort, alleen
tijdens het bestaan van het bigame huwelijk de nietigverklaring kan
verzoeken. Is het huwelijk reeds ontbonden, dan is er geen openbaar belang
meer om het huwelijk te laten vernietigen. Vgl. HR 1 juli 1993, NJ 1994, 105
nt. WH-S en de conclusie OM (A-G De Vries Lentsch-Kostense) voor dit arrest
onder 3; Koens e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht, 1995, blz.
89; Van Duijvendijk-Brand/Wortmann, Compendium van het personen- en
familierecht, 6e dr. 1995, blz. 40/41; Pitlo, Van der Burght/Rood-de Boer,
Personen- en Familierecht, 10 dr. 1996, blz. 103; Asser-De Boer, 15e dr.
1998, nr. 167; Kluwers Personen- en familierecht, losbl., art. 69, aant. 2
(Van Zeben). Uit het vorenstaande volgt dat, nu de in art. 1:69 lid 1 onder c
bedoelde personen alleen ná de ontbinding van het huwelijk nietigverklaring
kunnen vragen, het daar bedoelde “onmiddellijke rechtsbelang” geen betrekking
kan hebben op de schending van de openbare orde. Voor zover onderdeel b is
gebaseerd op de stelling dat het onmiddellijk rechtsbelang van de vrouw is
gelegen in het feit dat het huwelijk van partijen in strijd met de openbare
orde was, faalt het derhalve.

14. In feitelijke instanties heeft de vrouw niets gesteld omtrent de vraag
welk concreet belang zij zou kunnen ontlenen aan het feit dat de
nietigverklaring van het huwelijk terugwerkt tot het tijdstip van de
huwelijksvoltrekking. In hoger beroep heeft de vrouw zich tijdens de
mondelinge behandeling slechts beroepen op een emotioneel belang (zie blz. 2
van het daarvan opgemaakte proces-verbaal). Dat het Hof dit belang niet heeft
aangemerkt als “een onmiddellijk rechtsbelang” in de zin van art. 1:69 lid 1
onder c getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Vereist is “een reeds
verkregen en dadelijk belang” als bedoeld in art. 148 BW (oud). Zie Parl.
Gesch. Boek 1, blz. 213. Zie voorts Asser-De Boer, nr. 167. In ieder geval is
de enkele omstandigheid dat de nietigverklaring terugwerkt tot het tijdstip
van de huwelijksvoltrekking onvoldoende om het vereiste belang aan te nemen;
ware dit anders, de door art. 1:69 lid 1 onder c gestelde voorwaarde van “een
onmiddellijk rechtsbelang” zou steeds vervuld – en dus zinloos – zijn.
Onderdeel b faalt derhalve ook voor zover het is gebaseerd op de stelling dat
het belang van de vrouw voorvloeit uit de terugwerkende kracht van de
nietigverklaring.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Rechters

Mrs. Mijnssen, Heemskerk, Jansen, De Savornin Lohman, Kop