Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 5 november 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Bij een geschil als het onderhavige, waarin het uitsluitend gaat om een
uitkering tot levensonderhoud, is een uitzondering gerechtvaardigd op de
regel dat de appelrechter zonder uitdrukkelijke toestemming van de wederpartij
geen acht mag slaan op grieven die eerst bij pleidooi of bij de behandeling
van het hoger beroep ter zitting worden voorgedragen. Wel brengen de eisen
van een goede procesorde dan mee dat de wederpartij genoegzaam de gelegenheid
wordt geboden haar verweer aan te vullen en, voor zover nodig, ook overigens
haar standpunt te herzien.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 30 mei 1997 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie
– verder te noemen: de man – zich gewend tot de Rechtbank te Middelburg
en verzocht de bij
beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 10 mei 1996 vastgestelde
bijdrage in het levensonderhoud van verweerster in cassatie – verder te
noemen: de vrouw – op
nihil te stellen met ingang van 15 februari 1993, althans met ingang van
1 april 1995, althans te verlagen tot een zodanig bedrag en met ingang
van zodanige datum als de
Rechtbank zal vermenen te behoren.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 27 augustus 1997 het verzoek van
de man afgewezen en de man in de proceskosten veroordeeld.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof
te ‘s-Gravenhage. Daarbij heeft hij verzocht die beschikking te vernietigen
en, opnieuw rechtdoende, met compensatie van de proceskosten in beide instanties,
de bij beschikking van het Hof te ‘s-Gravenhage van 10 mei 1996 bepaalde
alimentatie ten behoeve van de vrouw in dier voege te wijzen dat deze met
ingang van 15 januari 1998 op nihil wordt
gesteld, althans op dat bedrag en met ingang van die datum als het Hof
in goede justitie zal vermenen te behoren.

Bij beschikking van 28 augustus 1998 heeft het Hof de beschikking van de
Rechtbank te
Middelburg van 27 augustus 1997 bekrachtigd, het in hoger beroep meer of
anders verzochte afgewezen, en de man in de kosten van het geding in hoger
beroep veroordeeld.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel
uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt
tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing ter verdere
behandeling en beslissing.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1 Het gaat in dit geding om het volgende.
Partijen zijn in 1968 met elkaar gehuwd. De Rechtbank te Middelburg heeft
bij vonnis van 15 juli 1992 tussen hen echtscheiding uitgesproken. Het
echtscheidingsvonnis is op die dag ingeschreven in de daartoe bestemde
registers. Bij vonnis van 31 maart 1993 heeft genoemde Rechtbank de man
veroordeeld om aan de vrouw tot haar levensonderhoud ƒ 1.800 per maand
te betalen. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft deze uitspraak bij arrest
van 18 november 1994 bekrachtigd.
Bij beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 10 mei 1996 is
de man vervolgens veroordeeld om aan de vrouw met ingang van 1 januari
1996 ƒ 1.500 per maand te betalen als bijdrage in haar levensonderhoud.

3.2 In dit geding heeft de man bij zijn inleidend verzoekschrift verzocht
de bij laatst-vermelde beschikking van het Hof vastgestelde alimentatie
met ingang van 15 februari 1993, althans per 1 april 1995, op nihil te
stellen, althans te verlagen.
De Rechtbank heeft het verzoek van de man afgewezen.
De man heeft bij verzoekschrift van 25 oktober 1997 hoger beroep ingesteld.
Bij brief van zijn raadsman van 3 februari 1998 heeft de man, ter voorbereiding
van de behandeling van het hoger beroep ter terechtzitting van 13 februari
1998, aanvullende stukken aan het Hof gezonden. Deze brief heeft het Hof,
naar het overweegt, ook op 3 februari 1998 ontvangen. In deze brief heeft
de raadsman onder meer geschreven:
‘Tevens wil ik erop wijzen dat cliënt zijn stelling, dat de thans geldende
alimentatie niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, mede
wenst te baseren op de omstandigheid dat [de vrouw] in staat is in eigen
levensonderhoud te voorzien.’

Bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting heeft de raadsman van
de man, naar blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal, aangevoerd:
‘De vrouw kan in haar eigen levensonderhoud voorzien. Zij heeft jarenlang
hier en daar werkzaamheden verricht. De vrouw had een arbeidsovereenkomst
bij rusthuis Duinoord
voor 36 uur per week als huishoudhulp. Zij heeft er echter na de eerste
dag al de brui aan gegeven.’

Vervolgens heeft het Hof bij zijn beschikking van 28 augustus 1998 de beschikking
van de Rechtbank bekrachtigd.

3.3.1 Het middel klaagt, samengevat weergegeven, dat het Hof niet heeft
beslist op en zelfs onbesproken heeft gelaten, de hiervoor onder 3.2 vermelde
stellingen van de man, aangevoerd bij de brief van 3 februari 1998 onderscheidenlijk
bij de behandeling van het hoger beroep ter terechtzitting van het Hof
van 13 februari 1998.

3.3.2 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de
bedoelde stellingen van de man niet anders kunnen worden opgevat dan als
een nieuwe grief tegen de beslissing van de Rechtbank waarbij het verzoek
van de man werd afgewezen.
Het voor het hoger beroep in de rechtspraak ontwikkelde grievenstelsel
leidt tot de regel dat de appelrechter geen acht mag slaan op grieven die
eerst bij pleidooi, of, zoals hier, bij de behandeling van het hoger beroep
ter terechtzitting worden voorgedragen, tenzij de wederpartij ondubbelzinnig
erin heeft toegestemd dat zij alsnog in de rechtsstrijd worden betrokken.
De aard van een geschil als het onderhavige, waarbij het uitsluitend gaat
om een uitkering tot levensonderhoud, wettigt echter een uitzondering op
deze regel te aanvaarden en aan te nemen dat de appelrechter bij zijn beslissing
aangaande een dergelijk geschil rekening moet houden met feiten waarop
de appellant eerst na het formuleren van zijn grieven beroep doet, óók
indien daarin niet anders dan een nieuwe grief kan worden gezien. Wel brengen
de eisen van een goede procesorde dan mede dat de wederpartij genoegzaam
de gelegenheid wordt geboden haar verweer aan te vullen en, voor zover
nodig, ook overigens haar standpunt te herzien (HR 26 april 1991, NJ 1992,
407).

3.3.3 Het Hof heeft niet ervan blijk gegeven dat het de hiervoor onder
3.2 vermelde stellingen van de man in zijn beoordeling heeft betrokken.
Indien het Hof aldus de voor een geval als het onderhavige te maken, hiervoor
onder 3.3.2 vermelde, uitzondering op de daar bedoelde regel heeft miskend,
dan geeft zijn uitspraak blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Mocht
het Hof wel van bedoelde uitzondering zijn uitgegaan, dan heeft het zijn
uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Het middel treft derhalve doel.

4. BESLISSING

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Hof te’s-Gravenhage van 28 augustus 1998;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling
en beslissing.

Rechters

Mrs. Mijnssen, Neleman, Heemskerk, De Savornin Lohman en Kop

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 5 november 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Man verzoekt nihilstelling van door hem te betalen alimentatie en kinderalimentatie
in verband met wijziging van omstandigheden. De alimentatieverplichting
is in het leven geroepen bij rechterlijke beschikking van april 1997 De
omzet van het bedrijf waarvan de man directeur/enig aandeelhouder is, is
in enkele jaren tijd zeer sterk teruggelopen. Het hof stelt de alimentatie
ten behoeve van de vrouw op nihil, zich baserend op de jaarstukken van
de onderneming over 1996, de jaarstukken over 1997 waren nog niet gereed.
De Hoge Raad casseert, omdat het hof zich wat de achteruitgang van de draagkracht
van de man betreft vrijwel geheel heeft gebaseerd op gegevens van vóór
de oorspronkelijke alimentatiebeschikking. Er kan daarom niet gesproken
worden van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:401 lid
1 BW.

Volledige tekst

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

De Hoge Raad verwijst voor het verloop van het geding tot dusver naar zijn
beschikking
van 16 april 1999. Bij deze beschikking heeft de Hoge Raad het incidentele
verzoek van de
vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking
van het
Gerechtshof te Arnhem van 26 mei 1998 afgewezen.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal in de hoofdzaak
strekt tot
vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak.

2. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

2.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.
(i) Partijen zijn op 10 september 1986 met elkaar gehuwd.
(ii) Bij vonnis van de rechtbank te Yerkov (Turkije) van 8 juli 1996 is
tussen partijen
echtscheiding uitgesproken. Het vonnis is op 15 juli 1996 ingeschreven
in de registers van
de burgerlijke stand te Yerkov.
(iii) Uit het huwelijk van partijen zijn drie, nog minderjarige, kinderen
geboren. De vrouw
oefent het gezag over de kinderen uit.
(iv) Bij beschikking van de Rechtbank van 29 april 1997 is bepaald dat
de man met ingang
van 1 maart 1997 zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van de
genoemde minderjarigen een bedrag van ƒ 300 per kind per maand en als uitkering
tot
levensonderhoud van de vrouw een bedrag van ƒ 2.000 per maand.
(v) In het onderhavige geding heeft de man verzocht om voormelde bijdragen
op nihil te
stellen. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat zijn omstandigheden
ten nadele zijn
gewijzigd.
(vi) De Rechtbank heeft het verzoek afgewezen op de grond dat niet is gebleken
of
aannemelijk geworden dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden
dat de
beschikking van 29 april 1997 heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven
te voldoen.
Het Hof heeft – met vernietiging van de beschikking van de Rechtbank in
zoverre – de
bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1
juli 1997 op nihil
gesteld. Hiertegen keert zich het middel.

2.2 Blijkens zijn rov. 4.5 heeft het Hof zich, wat de achteruitgang van
de draagkracht van
de man betreft, vrijwel geheel gebaseerd op gegevens over de periode voorafgaand
aan de
in 2.1 onder (iv) vermelde beschikking. Uit de beschikking van het Hof
blijkt ook overigens
niet dat zich na 29 april 1997 een wijziging van omstandigheden als bedoeld
in art. 1:401 lid
1 BW heeft voorgedaan.

2.3 Indien het Hof ervan is uitgegaan dat voor wijziging van een rechterlijke
uitspraak
betreffende levensonderhoud op de voet van art. 1:401 lid 1 BW niet is
vereist dat zich
nadien een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, welke meebrengt
dat die
uitspraak niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet, is het Hof uitgegaan
van een
onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof van oordeel is geweest dat zich
in het onderhavige
geval wel een zodanige wijziging heeft voorgedaan, dan heeft het Hof geen
inzicht
gegeven in de gedachtengang die hem tot dit oordeel heeft geleid. Het middel,
dat op het
voorgaande gerichte klachten bevat, is derhalve gegrond.

3. BESLISSING

De Hoge Raad:
Vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 26 mei 1998;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof
te
‘s-Hertogenbosch.

Rechters

Mrs. Herrmann, Van der Putt-Lauwers en Fleers

Instantie: Rechtbank Arnhem, 4 november 1999

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Eiser is tussen zijn zevende en zestiende jaar zeer ernstig (sadistisch)
seksueel misbruikt door gedaagde; eisers zeven jaar oudere broer. Ruim dertig
jaar later raakt eiser in een ernstige depressie en in 1992 komt het verhaal
er voor het eerst uit. De depressie is onbehandelbaar, zelfs electroshocks
brachten geen verbetering. Het is onwaarschijnlijk dat eiser ooit nog aan het
arbeidsproces zal deelnemen, sinds 1992 is hij volledig arbeidsongeschikt
(inmiddels ontslagen), eiser heeft ernstige huwelijksproblemen en het contact
met zijn familie is volledig verbroken. Gedaagde blijft ontkennen. Gelet op
de mogelijke positieve bijdrage aan herstel hecht eiser in deze procedure
groot belang aan het in rechte erkenning verkrijgen van hetgeen gedaagde hem
heeft aangedaan. Tevens vordert hij
een immateriële schadevergoeding van ƒ 100.000 en ƒ 191.652,55
vermogensschade. Gedaagde beroept zich op verjaring. De rechtbank oordeelt
echter dat ter bereiking van individuele gerechtigheid artikel 6:2 lid 2 BW
en met name het woord ‘voorzover’ het mogelijk en soms noodzakelijk maken om
te diversificeren, al naar gelang de gevolgen van de uitsluiting van (een
beroep op) verjaring. De gestelde feiten, het causale verband tussen deze en
de psychische en lichamelijke toestand van eiser, de persoonlijke
omstandigheden van zowel eiser als gedaagde en de aard van de gevorderde
schade leiden er in casu toe dat de rechtbank een beroep op verjaring naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaard acht. De gedaagde
wordt veroordeeld tot het betalen van ƒ 40.000 immateriële schade. De
vordering tot materiële schadevergoeding wordt afgewezen. Hiervoor wordt de
verjaringstermijn niet op basis van redelijkheid en billijkheid opzij gezet.

Volledige tekst

1. HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 17 juni 1999
verwijst de rechtbank naar dat vonnis.
Ingevolge genoemd vonnis heeft er op 21 september 1999 een meervoudige
comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan het proces-verbaal zich bij
de stukken bevindt. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.
Partijen hebben de rechtbank verzocht vonnis op het griffiedossier te wijzen.

2. DE VERDERE BEOORDELING VAN HET GESCHIL.

In conventie.

2.1. De rechtbank volhardt bij hetgeen is overwogen en beslist in het vonnis
van 17 juni 1999.

2.2. Met betrekking tot de beoordeling van de vraag of het beroep van G. op
de lange verjaringstermijn als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW in de
gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar is kunnen in de eerste plaats de door W. gestelde feiten
alsmede het causale verband tussen die feiten en psychische en lichamelijke
toestand van W. van belang zijn. Dit is reeds in r.o. 4.6. van het
tussenvonnis van 17 juni 1999 overwogen.
Voorts acht de rechtbank voor de beantwoording van deze vraag de overige
persoonlijke omstandigheden van G. alsmede de aard van de door W. gevorderde
schade van belang. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Seksueel misbruik door G.

2.3. Met betrekking tot de vraag of W. in de periode 1952 tot 1961 door G.
seksueel is misbruikt acht de rechtbank het navolgende bewijs van belang:
– de verklaringen van de verbalisanten zoals neergelegd in het proces-verbaal
van de politie Gelderland Midden waaruit blijkt dat G. tegenover deze
verbalisanten heeft toegegeven ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met
twee broers, te weten W. en H. alsmede met twee zussen, te weten M. en C.,
waarbij hij in het bijzonder heeft erkend met C. gemeenschap te hebben gehad;
– de verklaring van de verbalisant V. tijdens het bij deze rechtbank gehouden
voorlopig getuigenverhoor waaruit blijkt dat G. tegenover de verbalisanten
heeft toegegeven W., M., H. en C. seksueel te hebben misbruikt;
– de verklaring van L.W.W. tijdens het bij deze rechtbank gehouden voorlopig
getuigenverhoor waaruit blijkt dat G. in een eerste gesprek met hem heeft
toegegeven ‘gewone kwajongensstreken bij zijn broers en zusters te hebben
uitgehaald, zoals bijvoorbeeld het betasten’ en in het tweede gesprek tussen
hen heeft erkend H., M., C. en W. seksueel te hebben misbruikt;
– de verklaring van A.C.M. (echtgenote van W.) tijdens het bij deze rechtbank
gehouden voorlopig getuigenverhoor waaruit blijkt dat haar schoonzusje D. aan
haar en W. heeft verteld dat zij door G. seksueel is misbruikt, gevolgd door
de (latere) verklaring van W. aan haar dat ook hij door G.;
– de verklaring van G. tijdens het bij deze rechtbank gehouden voorlopig
getuigenverhoor waaruit blijkt dat er in de periode januari 1961 tot mei 1961
vier maal ‘s-nachts iets -seksueels- tussen hem en W. heeft plaatsgevonden.
Daarbij staat vast dat G. heeft gezorgd dat er sperma op W. terecht kwam;
– de verklaring van G. tijdens de comparitie van partijen waarin hij de
hiervoor genoemde seksuele contacten tussen hem en W. in 1961 bevestigt;
– de verklaring van G. tijdens de comparitie van partijen waaruit blijkt van
seksuele contacten tussen hem en zijn broer H. (aftrekken) en zijn zuster C.
(met haar heeft G. gemeenschap gehad onder andere de dag voor haar bruiloft);

2.4. Op grond van de hiervoor onder 2.3. genoemde verklaringen tezamen met
het door W. handgeschreven stuk uit 1992 inhoudende een relaas van de door
hem gestelde gebeurtenissen acht de rechtbank bewezen dat W. langdurig en
voor het laatst in 1961 door G. seksueel is misbruikt. Dat het initiatief
daarbij van W. zou zijn uitgegaan acht de rechtbank in het licht van met name
de verklaringen van de andere familieleden en het leeftijdsoverwicht van G.
ten opzichte van W. volstrekt niet aannemelijk.

2.5. De rechtbank hecht om die reden geen geloof aan de ontkennende
verklaringen van G. in het bijzonder ook niet omdat uit de diverse
verklaringen van G. blijkt dat het hem moeilijk valt de grenzen van seksueel
misbruik te onderkennen.

2.6. Voor dit oordeel acht de rechtbank tenslotte van belang de door W.
overgelegde verklaringen van zijn behandelaars te weten J.J. S. en H.H.J. F.,
W. van B.B. en A.C.H. V., waaruit ook het verband blijkt tussen de psychische
en lichamelijke gesteldheid van W. en het door G. gepleegde seksueel
misbruik. Kortheidshalve wordt verwezen naar hetgeen hierna in r.o. 2.9.
wordt overwogen.

Psychische en lichamelijke toestand van W.

2.7. Met betrekking tot de psychische en lichamelijke gesteldheid zijn door
W. verklaringen van zijn behandelaars overgelegd waaruit -voorzover hier van
belang- het volgende blijkt:

A. Brief van 1 juli 1994 van J.J. S. en H.H.J. F. (respectievelijk
arts-assistent en psychiater in het Academisch Ziekenhuis N.):
‘De heer W. is vanaf 17 februari 1994 bij ons op de afdeling psychiatrie
opgenomen i.v.m. zelfmoordneigingen en depressie in het kader van een
posstraumatische stressstoornis is een angstreactie als gevolge van een
gebeurtenis die buiten het patroon van de gebruikelijke menselijke ervaringen
ligt en die duidelijk leed zou veroorzaken bij iedereen. Uw cliënt geeft aan
dat hij gedurende zijn jeugd jarenlang door zijn broer seksueel is misbruikt.
De reden dat cliënt zelfmoordneigingen heeft gekregen en depressief is
geworden is het feit dat hij last heeft van de bij zijn ziekte behorende
klachten als terugkerende en opdringerige onaangename herinneringen,
nachtmerries etc..

B. Brief van 1 juli 1994 van drs. W. van B.B. (psycholoog-psychotherapeut bij
het Riagg A.):
‘(…)
De heer W. is tot medio februari 1994 bij mij in behandeling geweest. Op dat
moment was hij dermate uitgeput en depressief tengevolge van de weer
opgeleefde traumatische gebeurtenissen, dat hij voor verdere behandeling
moest worden opgenomen in het Radboudziekenhuis. Van zijn vrouw hoorde ik
onlangs dat het niet goed met hem gaat. Er zou sprake zijn van een
doorverwijzing naar het PZ ‘W.’ omdat de behandeling langdurig zou zijn.’
(…)

C. Brief van 3 juni 1996 van drs. W. van B.B. (psycholoog-psychotherapeut bij
het Riagg Arnhem):
‘De heer W. heeft zich in januari 1993 voor het eerst bij ons aangemeld. Kort
daarvoor was, in een gesprek met een psycholoog van het ziekenhuis (waar
cliënt voor hoofdpijnklachten in behandeling was), het seksueel misbruik in
zijn verleden voor het eerst ter sprake geweest.
Bij intake door een collega werden een reeks van klachten vastgesteld,
passende in het beeld van een posttraumatische stressstoornis met verlaat
begin: nachtmerries, flashbacks en zich opdringende voorstellingen en
belevingen ten aanzien van de traumatische gebeurtenissen, in combinatie met
depressieve gevoelens en concentratieproblemen. Ook bleken er langdurige
relatieproblemen te bestaan tussen cliënt en zijn echtgenote, met name wat
hun seksuele relatie betreft.
(…)
Intensieve steunende therapie heeft niet kunnen voorkomen dat de toestand van
cliënt verder verslechterde, doordat de depressie steeds meer op de voorgrond
kwam te staan. In maart is de huisarts met anti-depressiva gestart; in
augustus werd de medicatie door onze psychiater overgenomen en gewijzigd. In
september volgde de eerste opname op de PAAZ in A., omdat het risico van
suïcide te groot werd. Met korte onderbrekingen hebben sindsdien meerdere
opnames plaatsgevonden, onder meer in het ziekenhuis en in het PZ W.. In
december 1995 is cliënt in de Sinaïkliniek te A. opgenomen, hetgeen we op dat
moment als een soort ‘laatste mogelijkheid’ beschouwden. De toestand van
cliënt dreigde uitzichtloos te worden, zijn depressie bleef onverminderd
bestaan, terwijl hij steeds verder uitgeput raakte.’
(…)

D. Brief van 1 juli 1996 van A.C.H. Valkenburg (arts-assistent) psychiatrie
in het Sinaï Centrum):
‘Uw cliënt, de heer W. (…) is per 19-12-1995 opgenomen in het
Sinaï-Centrum, (…).

Psychiatrische voorgeschiedenis:
Augustus en december 1992: opname neurologie, ziekenhuis te N. in verband met
hoofdpijnen.
September en december 1993: PAAZ A. in verband met depressief toestandsbeeld.
Februari 1994: PAAZ N..
Augustus 1994 en februari 1995: opname te W., pre-psychotisch toestandsbeeld,
depressieve klachten en suïcidale gedachten.
1992-1995: Ambulante contacten Riagg A. bij de heer Van B.B.

Reden van opname:
Depressiviteit, herbelevingen, nachtmerries en suïcidaliteit.

Hulpvraag:
Hulp bij verwerking seksueel misbruik/incestueuze ervaringen.’
(…)

2.8. Tijdens de comparitie van partijen d.d. 21 september 1999 is voorts
komen vast te staan dat W. in de zomer van 1999 enkele maanden in Ziekenhuis
R. opgenomen is geweest en daar als laatste middel met (18) electro-shocks
behandeld is geweest tegen zijn voortdurende depressie. W. is ernstig
suïcidaal.

Causaal verband tussen de psychische en lichamelijke toestand van W. en
het door G. gepleegde seksueel misbruik?

2.9. Met betrekking tot het causaal verband tussen de psychische en
lichamelijke toestand van W. en het seksueel misbruik blijkt uit de door W.
overgelegde verklaringen van zijn behandelaars -voorzover hier van belang-
het volgende:

A. Brief van 1 juli 1994 van J.J. S. en H.H.J. F. (respectievelijk
arts-assistent en psychiater in het Academisch Ziekenhuis N.):
‘De reden dat het voor uw cliënt niet mogelijk was eerder met dit verhaal
naar buiten te komen en de schade zich nu zo heeft gemanifesteerd is het
volgende. Uw cliënt is gedurende zijn leven iemand geweest die, mede op basis
van de traumatische ervaringen in zijn jeugd, nooit over zijn gevoelens heeft
durven praten. Dat de psychische schade zich nu pas zo heeft gemanifesteerd
heeft onder meer te maken met veranderde omstandigheden op zijn werk en
veranderde gezins- en familieomstandigheden waardoor het vermogen van uw
cliënt om zijn herinneringen te verdringen verminderde.’

B. Brief van 1 juli 1994 van drs. W. van B.B. (psycholoog-psychotherapeut bij
het Riagg A.):
‘(…)
Diagnostisch gezien maakt zijn ernstige depressie deel uit van een
posttraumatische stressstoornis.
De behandeling daarvan wordt gecompliceerd door zijn
persoonlijkheidsproblematiek, die eveneens als een rechtstreeks gevolg kan
worden gezien van het langdurige en gewelddadige seksueel misbruik dat hij
als kind heeft ondergaan.
(…)
Dat de heer W. niet eerder met de zaak naar buiten is gekomen, en dat pas
heeft gedaan nadat de termijn was verlopen is psychologisch gezien goed te
begrijpen.
Enerzijds heeft hij zich al die tijd door middel van verdringing kunnen
staande houden. Anderzijds bleef, ook na zijn vertrek uit het ouderlijk huis,
de druk van de familie bestaan om niets naar buiten te brengen. Dat laatste
is ook heel pijnlijk duidelijk geworden door de gang van zaken rondom moeders
dood, en door de breuk die daarna is opgetreden in de familie, toen de heer
W. besloot om de zaak toch aanhangig te maken.’
(…)

C. Brief van 3 juni 1996 van drs. W. van B.B. ((psycholoog-psychotherapeut
bij het Riagg A.):
‘De ernstige psychiatrische problematiek zoals de heer W. die heeft, komt
vaker voor bij mensen die als kind seksueel zijn misbruikt. Aangenomen wordt
dat de verschijnselen het gevolg zijn van ernstige traumatisering in het
verleden; om die reden wordt het syndroom ook als ‘posttraumatische
stress-stoornis’ omschreven. In het kader van die stoornis heeft zich, zoals
vaker gezien wordt, een ernstige depressie ontwikkeld, die -in ieder geval
tot op het moment dat ik contact met hem had- onbehandelbaar bleek.
Naar mijn mening staat zonder meer vast, dat de ziekte van de heer W. een
reactie is op het seksueel misbruik dat hij als kind heeft ondervonden. Over
de juistheid van zijn verhaal, dat wil zeggen de waarschijnlijkheid van zijn
versie van de gebeurtenissen, heb ik geen twijfel. Zijn verhaal betreft
concrete, feitelijke gebeurtenissen. In zijn depressie raakt hij geobsedeerd
door seksuele voorstellingen, die soms het karakter van hallicunatie
aannamen; zijn weergave van de feiten met betrekking tot het vroegere
seksueel misbruik heeft niet dat karakter, en evenmin hebben zijn belevingen
in zijn depressie geleid tot wijziging van het oorspronkelijke verhaal.’
(…)
Voor de volledigheid stel ik vast, dat er in mijn visie geen andere
verklaringen in de voorgeschiedenis van de heer W. of anderzins redenen zijn
voor het psychische letsel dat hij heeft opgelopen.’
(…)

D. Brief van 1 juli 1996 van A.C.H. V. (arts-assistent psychiatrie in het
Sinaï Centrum):
‘(…)
De therapieën alhier zijn met name gericht op de toekomst. Hoe verder te
leven met de traumatische herinneringsvormen, die toegeschreven kunnen worden
aan de traumatische ervaringen in het verleden.’
(…)

2.10. Uit de hiervoor onder 2.9. genoemde verklaringen van de behandelaars
van W. -in onderlinge samenhang beschouwd- acht de rechtbank het voldoende
aangetoond dat de psychische en lichamelijke gesteldheid van W. in zodanig
verband staat met het door G. gepleegde seksueel misbruik dat deze schade aan
G. mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een
gevolg daarvan kan worden toegerekend.
Voor een nader deskundigenonderzoek op dit punt acht de rechtbank geen grond
aanwezig. Weliswaar heeft G. in deze procedure dit causaal verband betwist
doch deze betwisting is tegenover de naar het oordeel van de rechtbank
duidelijke verklaringen van de behandelaars van W. niet alleen te algemeen
doch ook vloeit deze betwisting met name slechts voort uit de ontkenning door
G. dát hij W. seksueel heeft misbruikt. De deskundigheid van de behandelaars
van W. is door G. niet ter discussie gesteld.

2.11. Het verweer van G. dat W. ook E. en/of K. -door wie W. seksueel is
misbruikt- in rechte had dienen te betrekken, wordt verworpen. Zelfs indien
zou worden aangenomen dat seksueel misbruik door E. en K. de door W. geleden
en te lijden schade zou hebben veroorzaakt dan is het -gelet op de
hoofdelijke aansprakelijkheid ex artikel 6:99 BW- aan W. om te bepalen wie
hij daarvoor aanspreekt.

Overige persoonlijke omstandigheden van W.

2.12. Tijdens de comparitie van partijen heeft W. verklaard zich door middel
van diverse opleidingen te hebben opgewerkt tot assistent-ploegleider. In die
functie heeft hij gedurende 25 jaar gewerkt tot september 1992 sedert die
datum is W. volledig arbeidsongeschikt. Inmiddels is hij door zijn werkgever
ontslagen. Het is in feite uitgesloten dat W. ooit nog aan het arbeidsproces
zal deelnemen.
W. heeft al zeer geruime tijd ernstige huwelijksproblemen, met name ook op
seksueel gebied.
Het contact tussen W. en zijn familie is volledig verbroken.

Persoonlijke omstandigheden van G.

2.13. Door G. zijn geen stukken zoals bijvoorbeeld psychologische of
psychiatrische rapporten met betrekking tot zijn psychische gesteldheid in
het geding gebracht, zodat de rechtbank afgaat op hetgeen G. als getuige
tijdens het bij deze rechtbank gehouden voorlopig getuigenverhoor en tijdens
de comparitie van partijen d.d. 21 september 1999 heeft verklaard.
Uit deze verklaringen blijkt dat G. nimmer naar aanleiding van de aan zijn
adres geuite beschuldigingen onder psychologische of psychiatrische
behandeling is geweest; zijn echtgenote is dat wel: zij is sedert 1993 onder
psychiatrische behandeling waarbij G. haar vergezelt tijdens de gesprekken
met de psychiater. Ook gebruikt zij medicijnen.
G. heeft in de bouw gewerkt tot hij op 61-jarige leeftijd (dat is dus in
september 1999) gebruik heeft gemaakt van een VUT-regeling.
De aan zijn adres door W. geuite beschuldigingen hebben tot gevolg gehad dat
G. in de periode januari 1993 tot september 1993 niet heeft gewerkt en dat er
sprake is geweest van een op non-actiefstelling door zijn werkgever. Het
huidige inkomen van G. bedraagt ongeveer ƒ 3.800 netto per maand; aan huur
wordt maandelijks door hem een bedrag van ƒ 800 voldaan. G. heeft geen
bijzondere schulden of leningen. Aan zijn advocaat heeft hij in verband met
deze procedure inmiddels ƒ 30.000 betaald. De kinderen van G. wonen niet meer
thuis. Het contact tussen G. en een deel van zijn familie is verbroken.

Door W. gevorderde schade.

2.14. W. heeft in deze procedure zowel een vergoeding voor vermogensschade
alsook een vergoeding voor immateriële schade zoals lichamelijke pijn,
geestelijk leed, angst en gemis aan levensvreugde gevorderd.
De door W. gevorderde vermogensschade tot een totaalbedrag van ƒ 191.652,55
heeft betrekking op therapiekosten, verlies verdiencapaciteit, diverse
reiskosten en voorts buitengerechtelijke kosten.
De door W. gevorderde immateriële schadevergoeding betreft een bedrag van ƒ
100.000.

2.15. Ingevolge artikel 6:2 lid 2 BW is een tussen een schuldeiser en een
schuldenaar krachtens de wet geldende regeling (zoals verjaring), niet van
toepassing, voorzover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Deze regel en met name het voord ‘voorzover’ maken het, juist ter bereiking
van individuele gerechtigheid, mogelijk en soms noodzakelijk om te
diversificeren al naar gelang van de gevolgen van de uitsluiting van (een
beroep op) verjaring.
Ten aanzien van de gevorderde vermogensschade geldt dat deze in beginsel
volledig door een geldsom kan worden vergoed. Dit geldt niet in dezelfde mate
ten aanzien van nadeel van ideële aard: een werkelijk herstel van het
aangedane leed is onmogelijk, zij het dat met vergoeding van immateriële
schade door middel van een geldsom een verzachting van het leed kan worden
bereikt en het geschokte rechtsgevoel van de getroffene kan worden bevredigd.
W. heeft in deze procedure en met name ter comparitie steeds benadrukt dat
voor hem van het grootste belang is dat hij in rechte erkenning verkrijgt van
hetgeen G. hem heeft aangedaan, opdat W. de nu stokkende verwerking van zijn
leed zou kunnen voortzetten. Een verklaring voor recht zou aan W. dus als
eerste toekomen. Onmiddellijk daarop volgt vergoeding van immateriële schade
omdat juist die schade strekt tot vergoeding van de aantasting van de persoon
van W.. De vraag ligt voor of G. zich in verband daarmee op verjaring mag
beroepen naar de maatstaven van artikel 6:2 lid 2 BW.

2.16. Op grond van de hierna te noemen omstandigheden te weten:
– de ernst en de lange duur van het door G. gepleegde seksueel misbruik;
– de periode waarin dit seksueel misbruik heeft plaatsgevonden en in het
bijzonder de jeugdige leeftijd van W. tegenver die van zijn broer (W. was
toentertijd tussen de 7 en 16 jaar; G. is zeven jaar ouder dan W. en was toen
dus tussen de 14 en 23 jaar);
– de familierechtelijke betrekkingen tussen W. en G. (zij zijn broers van
elkaar);
– het feit dat W. pas in 1992, dat wil zeggen ruim 30 jaar na de laatste
gebeurtenis (in 1961), opening van zaken heeft durven geven omtrent het
gepleegde seksueel misbruik;
– de zeer ernstige psychische en lichamelijke decompensatie van W. sedert
1992;
– de omstandigheid dat de behandelaar van W. tijdens de comparitie van
partijen heeft verklaard dat de erkenning in rechte van het door G. gepleegde
seksueel misbruik een positieve bijdrage kan leveren aan het herstel van W.;
– de omstandigheid dat W. sedert september 1992 volledig arbeidsongeschikt is
en inmiddels is ontslagen;
– de gevolgen welke het gepleegde seksueel misbruik heeft gehad op het
gezinsleven van W. (in het bijzonder ook zijn seksuele relatie met zijn
echtgenote) en zijn relatie met overige familieleden;
– de omstandigheid dat de rechtbank op grond van het thans voorhanden zijnde
bewijsmateriaal het door G. gepleegde seksueel misbruik bewezen acht zodat
niet kan worden gesteld dat G. in een aanmerkelijk ongunstiger positie is
komen te verkeren met betrekking tot het vergaren van bewijs, acht de
rechtbank het beroep van G. op verjaring -voorzover het de door W. gevorderde
immateriële schadevergoeding betreft- naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar.
Daarbij heeft de rechtbank mede acht geslagen op de hiervoor onder 2.13.
omschreven persoonlijke omstandigheden van G.; deze wegen echter niet op
tegen de ernst van de situatie waarin W. is komen te verkeren en leiden
derhalve niet tot een ander oordeel.

2.17. De vraag is dan welk bedrag terzake van immateriële schadevergoeding
aan W. zou moeten worden toegekend. In het licht van uitspraken van
rechterlijke instanties in vergelijkbare zaken, gelet op de hiervoor onder
2.16. genoemde omstandigheden en de financiële omstandigheden waarin G.
sedert september 1999 is komen te verkeren acht de rechtbank het redelijk aan
W. als immateriële schadevergoeding een bedrag van ƒ 40.000 toe te kennen.

2.18. W. heeft met betrekking tot de door hem gevorderde immateriële
schadevergoeding wettelijke rente gevorderd met ingang van de dag der
ingebrekestelling. Een dergelijke ingebrekestelling is hier ook vereist nu de
betreffende vordering op grond van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
wordt beheerst door het vóór 1 januari 1992 geldende recht. Op geen enkele
wijze blijkt echter met ingang van welke datum G. door W. ingebreke is
gesteld. Op grond hiervan zal de gevorderde wettelijke rente dan ook worden
toegewezen vanaf de dag der dagvaarding te weten 23 februari 1998.

2.19. Met betrekking tot de door W. gevorderde vermogensschade, met
uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten (zie hetgeen hierna
onder 2.20. wordt overwogen) wordt het volgende overwogen.
Ook hier geldt hetgeen hiervoor met betrekking tot de persoonlijke situatie
waarin W. is komen te verkeren, is overwogen.
Daartegenover staan de persoonlijke omstandigheden van G. de hoogte van de
door W. gevorderde vermogensschade en voorts de omstandigheid dat G. pas ruim
30 jaar na dato met een vordering van W. is geconfronteerd.
Al deze omstandigheden in aanmerking nemende acht de rechtbank het beroep van
G. op de lange verjaringstermijn ex artikel 3:310 lid 1 BW ten aanzien van de
gevorderde vermogensschade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
niet onaanvaardbaar.

2.20. W. heeft wegens -niet verjaarde- buitengerechtelijke kosten een bedrag
van ƒ 34.671,31 gevorderd. De door W. als productie 24 bij zijn inleidende
dagvaarding overgelegde urenspecificatie vermeldt als periode waarin deze
buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt 23 maart 1995 tot 2 maart 1997. W.
voert aan dat deze kosten betrekking hebben op de kosten voor de twee
procedures rond het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor
en het voorlopig getuigenverhoor zelf.
Voor deze kosten plegen de artikelen 56 en 57 Rv echter een vergoeding in te
houden. Ten aanzien van het verzoek tot het houden van een voorlopig
getuigenverhoor blijkt dit ook uit de beschikking van deze rechtbank van 17
mei 1994 en uit de beschikking van het gerechtshof te Arnhem van 4 oktober
1994: in beide beschikkingen is een uitdrukkelijke beslissing omtrent de
proceskosten gegeven.
Ten aanzien van de kosten welke betrekking hebben op het bijwonen van de
voorlopige getuigenverhoren geldt dat deze in de onderhavige procedure bij de
beslissing ten aanzien van de proceskostenveroordeling in aanmerking zullen
worden genomen. Kortheidshalve wordt verwezen naar hetgeen hierna in r.o.
2.21. wordt overwogen.
Dat er andere kosten door W. zijn gemaakt welke als buitengerechtelijke
kosten kunnen worden aangemerkt is niet door hem aannemelijk gemaakt en
blijkt in ieder geval niet uit de hiervoor genoemde urenspecificatie.
Deze vordering wordt derhalve afgewezen.

2.21. Aangezien beide partijen over en weer op enige punten in het ongelijk
zijn gesteld zullen de proceskosten (daaronder begrepen de kosten van het
voorlopig getuigenverhoor) worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij
zijn eigen kosten draagt.

In reconventie.

2.22. Met inachtneming van hetgeen in het tussenvonnis van 17 juni 1999 is
beslist worden de vorderingen in reconventie van G. afgewezen. G. wordt als
de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in reconventie
veroordeeld.

In conventie en in reconventie.

2.23. De rechter-commissaris ten overstaan van wie de voorlopige
getuigenverhoren hebben plaatsgevonden heeft niet aan deze uitspraak
meegewerkt gelet op de samenstelling van de rechtbank voor wie de meervoudige
comparitie van partijen op 21 september 1999 heeft plaatsgevonden.

3. DE BESLISSING.

De rechtbank, rechtdoende.

In conventie.

3.1. Veroordeelt G. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan W. te betalen
een bedrag van ƒ 40.000 ten titel van immateriële schadevergoeding,
vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 februari 1998
tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2. Compenseert de proceskosten in conventie in die zin dat iedere partij
zijn eigen kosten draagt.

3.3. Verklaart de veroordeling onder 3.1. uitvoerbaar bij voorraad.

3.4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie.

3.5. Wijst de vorderingen van G. af.

3.6. Veroordeelt G. in de kosten van het geding in reconventie tot aan deze
uitspraak aan de zijde van W. begroot op nihil voor verschotten en op ƒ 1.720
voor salaris procureur.

Rechters

Mrs. Knottnerus, Wammes, Steeg

Instantie: Rechtbank Utrecht, 3 november 1999

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Beide eiseressen zijn misbruikt door gedaagde, die hun zwager en tevens
werkgever is. Y. is meermalen door gedaagde verkracht; X. is ruim negen jaar
seksueel door hem misbruikt. Aan beiden wordt schadevergoeding toegewezen
wegens inkomstenderving en wegens immateriële schade. X. ontvangt ƒ 260.202
(netto) wegens inkomsschade en ƒ 70.000 immateriële schade; voor Y. zijn deze
bedragen respectievelijk ƒ 106.863 en ƒ 30.000.

Volledige tekst

NR. 28326/HA ZA 94-256:

Dit vonnis is een vervolg van het op 7 februari 1996 tussen partijen
uitgesproken tussenvonnis.

1. HET (VERDERE) VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit de volgende
processtukken:
– het hiervoor genoemde tussenvonnis;
– de stukken met betrekking tot het door gedaagde ingestelde hoger beroep
tegen dat tussenvonnis, waaronder het arrest van het gerechtshof te Amsterdam
van 14 november 1996, bij welk arrest bovengenoemd tussenvonnis werd
bekrachtigd;
– de stukken met betrekking tot het door gedaagde tegen het arrest van het
gerechtshof ingestelde cassatieberoep, waaronder het arrest van de Hoge raad
van 23 oktober 1998, waarbij het cassatieberoep van gedaagde is verworpen;
– akte uitlating voortzetting comparitie van partijen van gedaagde;
– proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 22 maart 1999;
– conclusie na comparitie met producties van eiseres;
– conclusie na comparitie van gedaagde.

Partijen hebben de stukken overgelegd voor het wijzen van vonnis.

De stukken met betrekking tot het hoger beroep en het beroep in cassatie
heeft de rechtbank alleen aangetroffen in het procesdossier van gedaagde.

2. DE VERDERE BEOORDELING

2.1. De rechtbank bouwt voort op hetgeen zij in het tussenvonnis van
7 februari 1996 reeds heeft overwogen.

2.2. In het tussenvonnis heeft de rechtbank nadere inlichtingen van partijen
gevraagd met betrekking tot de oorzaak en de mate van arbeidsongeschiktheid
van eiseres. Ter voldoening aan dat vonnis hebben partijen ter comparitie
inlichtingen verstrekt over onder meer de zojuist genoemde vraag. Eiseres
heeft bij haar conclusie stukken overgelegd met betrekking tot de oorzaak en
de mate van haar arbeidsongeschiktheid.

2.3. De inhoud van de door eiseres overgelegde stukken luidt, zake
lijk weergegeven, als volgt:

a. Een brief van het Riagg (…) & Omstreken van 16 februari 1996 aan de
procureur van eiseres, waarin is vermeld dat eiseres in november 1989. bij
het Riagg is aangemeld en dat uit het onderzoek bleek dat haar klachten
verband hielden met seksueel misbruik door haar zwager gedurende ongeveer 20
jaar, dat zij sindsdien enkele malen zeer depressief is geweest en is
opgenomen geweest in een psychiatrisch centrum en vervolgens in een instituut
voor psychosociale hulpverlening. Verder is vermeld dat gedurende de
behandeling eiseres imponeerde als een vrouw wier lichamelijke en psychische
integriteit zeer zijn aangetast en wier persoonlijkheidsontwikkeling fors
geschaad lijkt door de traumatische gebeurtenissen. De behandeling is in mei
1992 afgesloten.

b. Een rapport van de verzekeringsgeneeskundige P. Pliva van de
Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) van 3 mei 1995, waarin als diagnose
is vermeld ‘Zeer ernstige traumatische ervaringen waarop belanghebbende
reageert met radeloosheid en paniek’ en waarin als conclusie wordt getrokken
dat eiseres volledig onbelastbaar is en dat zij niet in staat is tot basale
sociale activiteiten. Voorts is vermeld dat eiseres op (…) 1989 is
uitgevallen als verkoopster in een vishandel in verband met klachten na zeer
ernstig langdurig trauma op psychisch gebied.

c. Een verklaring van de Detam van 17 juni 1996 waaruit blijkt dat eiseres
sedert (…) 1990 een AAW/WAO-uitkering ontvangt op basis van volledige
arbeidsongeschiktheid. Het dagloon bedroeg op 30 juni 1994 ƒ 73,68 bruto per
dag.

d. de beschikking van de Detam van 16 juni 1995, waarbij de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan eiseres is verlengd op basis van 80-100%
arbeidsongeschiktheid.

e. Een brief van de huisarts van eiseres aan de procureur van eiseres van 29
april 1999, waarin onder meer is vermeld dat eiseres psychisch zeer zwak is.

2.4. De rechtbank oordeelt dat uit de hiervoor vermelde stukken, in hun
onderlinge samenhang bezien, volgt dat de oorzaak van de
arbeidsongeschiktheid van eiseres geheel gelegen is in de gevolgen van het
seksueel misbruik door gedaagde. Hiermee is, mede gezien hetgeen in punt 4.4
van het tussenvonnis is overwogen, het oorzakelijk verband tussen het
onrechtmatig handelen van gedaagde en het letsel van eiseres gegeven.

2.5. Gedaagde heeft nog aangevoerd dat uit de brief van de huisarts blijkt
dat eiseres ook een gehoorprobleem heeft. Naar het oordeel van de rechtbank
blijkt echter noch uit het rapport van de GMD noch uit de brief van de
huisarts of die van het Riagg dat dit gehoorprobleem heeft bijgedragen aan de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres. Dit verweer
treft derhalve geen doel.

2.6. Gedaagde heeft voorts nog verzocht om door middel van een
deskundigenbericht nader onderzoek te doen naar het causale verband. De
rechtbank heeft daaraan, gelet op het voorgaande, geen behoefte. Gedaagde
heeft nog wel aangevoerd dat de hiervoor genoemde stukken alle afkomstig zijn
van behandelend artsen, waardoor er geen sprake kan zijn van een
onafhankelijk en onpartijdig oordeel. De rechtbank verwerpt deze stelling, op
de grond dat gesteld noch gebleken is dat deze verklaringen en rapporten tot
stand zijn gekomen na onderling overleg tussen deze rapporteurs en voorts dat
de rapporten over de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid feitelijk
eensluidend zijn. Gedaagde miskent bovendien dat een
verzekeringsgeneeskundige van de GMD een niet behandelend en onafhankelijk
van eiseres functionerende arts is, die uitsluitend bemoeienis met haar heeft
(gehad) in het kader van de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid, zulks overeenkomstig de huidige (en strenge) normen.

2.7. De rechtbank oordeelt voorts dat de door eiseres geleden schade, bij
gebreke van andere oorzaken dan het onrechtmatig handelen van gedaagde,
geheel aan gedaagde moeten worden toegerekend.

2.8. Eiseres heeft gevorderd dat gedaagde haar materiële schade, bestaande
uit inkomstenderving over haar arbeidsongeschiktheidsperiode zal voldoen. Zij
heeft ter onderbouwing daarvan een berekening, opgesteld op 23 november 1993
door J. van Dalen AA, overgelegd, waarin haar inkomstenderving is berekend op
ƒ 260.202 netto (bruto ƒ 422.406), zijnde de contante waarde van het verschil
tussen haar geïndexeerde laatst verdiende salaris en haar AAW/WAO-uitkering,
gerekend vanaf de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden tot aan
de maand waarin zij 65 jaar zal worden. Gedaagde heeft deze berekening en de
wijze van berekening op zichzelf niet betwist. Nu deze berekening niet
onjuist voorkomt, zal het gevorderde bedrag worden toegewezen.

2.9. Gedaagde heeft in dit verband nog aangevoerd dat hij gegronde
aanwijzingen heeft dat eiseres in het verleden heeft gewerkt en mogelijk nog
werkt in de huishouding van derden. Hij heeft hiervan bewijs aangeboden.
De rechtbank verwerpt dit verweer en zal geen bewijsopdracht aan gedaagde
geven. Gedaagde heeft nagelaten dit verweer nader te onderbouwen en het
bewijsaanbod te concretiseren. Hij had, mede gelet op de reeds lange duur van
de procedure, niet mogen volstaan met de zojuist beschreven algemene
veronderstelling en het algemene bewijsaanbod.

2.10. Eiseres heeft voorts een vergoeding van de door haar geleden
immateriële schade gevorderd van ƒ 70.000. Gedaagde heeft daartegen
aangevoerd dat dit bedrag niet in overeenstemming is met de redelijkheid en
de billijkheid.

2.11. Bij de begroting van de immateriële schade dient de rechtbank
onrechtmatige gedraging en de ernst van de gevolgen daarvan. In dit geval
zijn daarbij de volgende feiten en omstandigheden van belang:
(i) de lange duur van het seksueel misbruik, van tenminste negen jaar, aan
het begin waarvan eiseres nog maar ongeveer elf jaar oud was;
(ii) de ernst van die handelingen, waarbij gedaagde, die twintig jaar ouder
is dan eiseres, blijkens het arrest van gerechtshof in de strafzaak geweld
niet heeft geschuwd;
(iii) de afhankelijke positie van eiseres ten opzichte van gedaagde, die
zowel haar zwager als werkgever was, in samenhang met
(iv) de besloten gemeenschap waaruit eiseres voortkomt;
(v) de ernst van het blijvende psychisch letsel van eiseres, dat geheel is
toe te schrijven aan de onrechtmatige handelingen van gedaagde, bestaande uit
een ernstige post-traumatische stressstoornis, het daarmee samenhangende
(tijdelijk) alcoholmisbruik, de opname in een psychiatrisch ziekenhuis, de
voortdurende angst voor onder meer gedaagde en de uit dit letsel
voortgevloeide
(vi) de volledige arbeidsongeschiktheid van eiseres, waardoor
(vii) eiseres (naar voldoende aannemelijk is geworden) gedurende haar gehele
leven verstoken zal blijven van arbeidsvreugde en de daarmee verbonden
positieve elementen zoals contact met de buitenwereld en
(viii) dat de leefwereld van eiseres, zowel door het ernstige psychische
letsel als de arbeidsongeschiktheid, door toedoen van gedaagde blijvend zeer
beperkt is.

2.12. De rechtbank oordeelt dat op grond van deze feiten en omstandigheden
een vergoeding voor de door eiseres geleden immateriële schade is
gerechtvaardigd ten bedrage van ƒ 70.000.

2.13. Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van
de procedure worden veroordeeld. Nu eiseres een toevoeging heeft, zal
gedaagde deze bedragen op de voet van artikel 57b Rv. dienen te voldoen aan
de griffier van deze rechtbank

3. DE BESLISSING

De rechtbank:

3.1. Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres
te betalen een bedrag van ƒ 260.202 (netto) ter zake van door eiseres geleden
en te lijden inkomensschade;

3.2. Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres
te betalen een bedrag van ƒ 70.000 als vergoeding voor de door eiseres
geleden immateriële schade;

3.3. Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres
gevallen, tot op deze uitspraak begroot op ƒ 5.589,35 aan verschotten en op ƒ
9.450 aan salaris, op de voet van artikel 57b Rv te voldoen aan de griffier
van de rechtbank;

3.4. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

TEKST NR. 327/HAZA 94-257:

Dit vonnis is een vervolg op het op 7 februari 1996 tussen partijen
uitgesproken tussenvonnis.

1 . HET (VERDERE) VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:
– het hiervoor genoemde tussenvonnis;
– de stukken met betrekking tot het door gedaagde ingestelde hoger beroep
tegen dat tussenvonnis, waaronder het arrest van het gerechtshof te Amsterdam
van 14 november 1996, bij welk arrest bovengenoemd tussenvonnis werd
bekrachtigd;
– de stukken met betrekking tot het door gedaagde tegen het arrest van het
gerechtshof ingestelde cassatieberoep, waaronder het arrest van de Hoge Raad
van 23 oktober 1998, waarbij het cassatieberoep van gedaagde is verworpen;
– akte uitlating voortzetting comparitie van partijen van gedaagde;
– proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 22 maart 1999;
– conclusie na comparitie met producties van eiseres; – conclusie na
comparitie van gedaagde.

Partijen hebben de stukken overgelegd voor het wijzen van vonnis. De stukken
met betrekking tot het hoger beroep en het beroep in cassatie heeft de
rechtbank alleen aangetroffen in het proces-dossier van gedaagde.

2 . DE VERDERE BEOORDELING

2.1. De rechtbank bouwt voort op hetgeen zij in het tussenvonnis van 7
februari 1996 reeds heeft overwogen.

2.2. In het tussenvonnis heeft de rechtbank nadere inlichtingen van partijen
gevraagd met betrekking tot de oorzaak en de mate van arbeidsongeschiktheid
van eiseres. Ter voldoening aan dat vonnis hebben partijen ter comparitie
inlichtingen verstrekt over onder meer de zojuist genoemde vraag. Eiseres
heeft bij haar conclusie stukken overgelegd met betrekking tot de oorzaak en
de mate van haar arbeidsongeschiktheid.

2.3. De inhoud van de door eiseres overgelegde stukken luidt, zakelijk
weergegeven, als volgt:

a. De brief van de huisarts van eiseres van 19 februari 1996, waarin deze
meedeelt dat eiseres vanaf 1980 onder behandeling is geweest in verband met
recidiverende depressies,.waarvoor zij in 1985 is verwezen naar het Riagg en
dat zij sindsdien arbeidsongeschikt is verklaard. In 1990 bleek dat het
seksueel misbruik door gedaagde de achterliggende oorzaak hiervan was.

b. Een brief van het Riagg (…) & omstreken van 27 februari 1996 aan de
procureur van eiseres, waarin is vermeld dat eiseres in februari 1995 bij het
Riagg is aangemeld in verband met depressieve klachten en dat de klachten in
zijn ontstaan nadat eiseres meerdere malen was verkracht door gedaagde.
Verder is vermeld dat eiseres lijdende is aan een posttraumatische
stress-stoornis, depressieve klachten heeft slecht slaapt en last heeft van
herbelevingen, zich isoleert en schaamtegevoelens heeft. Zij wordt
medicamenteus behandeld en heeft ondersteunende gesprekscontacten.

b. Een rapport van de verzekeringsgeneeskundige J.M.H. van Ravenswaay van de
Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) van 21 februari 1986, waarin is
vermeld dat eiseres op 22 januari 1985 haar werk staakte wegens psychische
decompensatie, dat zij sinds mei 1985 onder behandeling is bij het Riagg en
dat zij als (blijvend) volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.

c. Een verklaring van de Detam van 16 juni 1996 waaruit blijkt dat eiseres
sedert 23 januari 1986 een AAW/WAO-uitkering ontvangt op basis van volledige
arbeidsongeschiktheid. Het dagloon bedroeg op 1 juni 1994 ƒ 121,43 bruto per
dag.

2.4. De rechtbank oordeelt dat uit de hiervoor vermelde stukken, in hun
onderlinge samenhang bezien, volgt dat de oorzaak van de
arbeidsongeschiktheid van eiseres geheel gelegen is in de gevolgen van het
seksueel misbruik door gedaagde. Hiermee is, mede gezien hetgeen in punt 4.4
van het tussenvonnis is overwogen, het oorzakelijk verband tussen het
onrechtmatig handelen van gedaagde en het letsel van eiseres gegeven.

2.5. Gedaagde heeft verzocht om door middel van een deskundigenbericht nader
onderzoek te doen naar het causale verband. De rechtbank heeft daaraan, gelet
op het voorgaande, geen behoefte. Gedaagde heeft nog wel aangevoerd dat de
hiervoor genoemde stukken alle afkomstig zijn van behandelend artsen,
waardoor er geen sprake kan zijn van een onafhankelijk en onpartijdig
oordeel. De rechtbank verwerpt deze stelling, op de grond dat gesteld noch
gebleken is dat deze verklaringen en rapporten tot stand zijn gekomen na
onderling overleg tussen deze rapporteurs en voorts dat de rapporten over de
oorzaak van de arbeidsongeschiktheid feitelijk eensluidend zijn. Daar komt
bij dat uit het rapport van de GMD en de brief van de huisarts volgt dat
eiseres reeds in 1985 onder behandeling is gekomen bij het Riagg, welke
stukken door gedaagde op dit punt niet zijn betwist. Het in de brief van het
Riagg genoemde.jaartal (1995) moet naar het oordeel van de rechtbank worden
gezien als een kennelijke verschrijving. Gedaagde miskent bovendien dat een
verzekeringsgeneeskundige van de GMD een niet behandelend en onafhankelijk
van eiseres functionerende arts is, die uitsluitend bemoeienis met haar heeft
(gehad) in het kader van de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid, zulks overeenkomstig de huidige (en strenge) normen.
Voorts wordt nog overwogen dat, hoewel uit de brief van de huisarts volgt dat
eisers sinds 1980 wegens recidiverende depressieve klachten wordt behandeld
en dat het bewezen deel van het onrechtmatig handelen dateert vanaf 1983,
mede gelet op het overwogene in de punten 2.3, 2.5 en 4.4 van het
tussenvonnis, in voldoende mate aannemelijk is geworden dat de hier bedoelde
klachten van eiseres in oorzakelijk verband staan met het onrechtmatig
handelen van gedaagde.

2.6. De rechtbank oordeelt voorts dat de door eiseres geleden schade, bij
gebreke van andere oorzaken dan het onrechtmatig handelen van gedaagde,
geheel aan gedaagde moeten worden toegerekend. Dat de diagnose van de
verzekeringsgeneeskundige van de GMD, te weten een neurastheen syndroom bij
een psycho-infantiele persoonlijkheid, niet verwijst naar de verkrachtingen,
wordt verklaard door de door gedaagde niet langer weersproken stelling van
eiseres, dat zij eerst jaren later over deze verkrachtingen heeft durven
spreken (zie punt 2.5 van het tussenvonnis).

2.7. Eiseres heeft gevorderd dat gedaagde haar materiële schade, bestaande
uit inkomstenderving over haar arbeidsongeschiktheidsperiode zal voldoen. Zij
heeft ter onderbouwing daarvan bij conclusie van eis een berekening,
opgesteld op 23 november 1993 door J. van Dalen AA, overgelegd, waarin de
inkomstenderving is berekend op ƒ 106.863 netto (bruto ƒ 173.479), zijnde de
contante waarde van het verschil tussen haar geïndexeerde laatst verdiende
salaris en haar AAW/WAO-uitkering, gerekend vanaf de dag waarop de
arbeidsongeschiktheid is ingetreden tot aan de maand waarin zij 65 jaar zal
worden.
Gedaagde heeft deze berekening en de wijze van berekening, op zichzelf niet
betwist. Nu deze berekening niet onjuist voorkomt, zal het gevorderde bedrag
worden toegewezen.

2.8. Gedaagde heeft in dit verband nog aangevoerd dat hij gegronde
aanwijzingen heeft dat eiseres in het verleden heeft gewerkt en mogelijk nog
werkt in de huishouding van derden. Hij heeft hiervan bewijs aangeboden.
De rechtbank verwerpt dit verweer en zal geen bewijsopdracht aan gedaagde
geven. Gedaagde heeft nagelaten dit verweer feitelijk nader te onderbouwen en
het bewijsaanbod te concretiseren. Hij had, mede gelet op de reeds lange duur
van de procedure, niet mogen volstaan met de zojuist beschreven algemene
veronderstelling en het algemene bewijsaanbod.

2.9. Eiseres heeft voorts een vergoeding van de door haar geleden immateriële
schade gevorderd van ƒ 70.000. Gedaagde heeft daartegen slechts aangevoerd
dat dit bedrag niet in overeenstemming is met de redelijkheid en de
billijkheid.

2.10. Bij de begroting van de immateriële schade dient de rechtbank als
uitgangspunt te nemen de ernst van de onrechtmatige gedraging en de ernst van
de gevolgen daarvan. In dit geval zijn voorts de volgende feiten en
omstandigheden van belang:
(i) eiseres is meermalen verkracht, waarbij gedaagde geweld heeft gebruikt,
zoals blijkt uit het arrest van het gerechtshof in de strafzaak;
(ii) de ernst van die handelingen, waarbij voorts van belang is de
afhankelijke positie van eiseres ten opzichte van gedaagde die zowel haar
zwager als werkgever was, in samenhang met
(iii) de besloten gemeenschap waaruit eiseres voortkomt;
(iv) de ernst van het blijvende psychisch letsel van eiseres, dat geheel is
toe te schrijven aan de onrechtmatige handelingen van gedaagde, bestaande uit
een ernstige post-traumatische stress-stoornis een en ander zoals beschreven
in de brief van het Riagg en de hieruit voortgevloeide
(v) volledige (blijvende) arbeidsongeschiktheid van eiseres, waardoor
(vi) eiseres (naar voldoende aannemelijk is geworden) gedurende haar gehele
leven verstoken zal blijven van arbeidsvreugde en de daarmee verbonden
positieve elementen zoals contact met de buitenwereld en
(vii) dat de leefwereld van eiseres, zowel door het ernstige psychische
letsel als de arbeidsongeschiktheid, door toedoen van gedaagde blijvend sterk
beperkt is.

2.11. De rechtbank oordeelt dat op grond van deze feiten en omstandigheden
een vergoeding voor de door eiseres geleden immateriële schade is
gerechtvaardigd ten bedrage van ƒ 30.000.

2.12. Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van
de procedure worden veroordeeld. Nu eiseres een toevoeging heeft, zal
gedaagde deze bedragen op de voet van artikel 57b Rv. dienen te voldoen aan
de griffier van deze rechtbank

3 DE BESLISSING

De rechtbank:

3.1. Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres
te betalen een bedrag van ƒ 106.863 (netto) ter zake van door eiseres geleden
en te lijden inkomensschade;

3.2. Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres
te betalen een bedrag van ƒ 30.000 als vergoeding voor de door eiseres
geleden immateriële schade;

3.3. Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres
gevallen, tot op deze uitspraak begroot op ƒ 3.999,35 aan verschotten en op ƒ
5.950 aan salaris, op de voet van artikel 57b Rv te voldoen aan de griffier
van de rechtbank;

3.4. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. Van Esch

Instantie: Rechtbank te ‘s-Gravenhage, 2 november 1999

Instantie

Rechtbank te ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Nadat haar eerste asielverzoek wegens kennelijke ongegrondheid is afgewezen,
dient verzoekster een tweede asielverzoek in. Hierin stelt zij al meer dan
zeven jaar gedwongen te zijn zich te prostitueren. Nadat zij was uitgezet uit
Italië, waar zij aanvankelijk heen was gebracht, werd zij in Nigeria
opgewacht door C. Deze heeft haar mishandeld en aan voodoo-rituelen
onderworpen om haar vervolgens te dwingen zich opnieuw te prostitueren. Onder
invloed van voodoo en de bedreigingen van C. heeft zij tijdens haar eerste
asielverzoek een valse verklaring afgelegd. Aan de orde is de vraag of
verzoekster voor toelating in aanmerking dient te komen wegens klemmende
redenen van humanitaire aard. De president acht het van belang dat zowel de
medewerkers van het IRT, die haar uitvoerig hebben verhoord, als medewerkers
van de Universiteit
Leiden i.h.k.v. een onderzoek naar vrouwenhandel, haar relaas geloofwaardig
vonden. De president acht aannemelijk dat de dwang- en uitbuitingssituatie
waarin verzoekster heeft verkeerd bij terugkeer in Nigeria niet anders zal
zijn. Het is van algemene bekendheid dat Nigeria een van de meest corrupte
landen ter wereld is en dat de corruptie in dat land een goed functioneren
van het overheidsapparaat ernstig belemmert. Niet valt in te zien dat de
Nigeriaanse politie, op wie eiseres ter verkrijging van adequate bescherming
primair is aangewezen, van corruptie gevrijwaard is. Uit de stukken komt naar
voren dat prostituees in Nigeria zich in een zeer kwetsbare positie bevinden.
Zij worden gezien als een schande voor het land en staan bloot aan
discriminatie en fysiek geweld, waartegen de overheid niet of nauwelijks
optreedt. Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag
wordt gegrond verklaard.
(beroepszaak); AWB 9918344 VRWET H (vrijheidsontneming)

Volledige tekst

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Verzoekster, geboren op [… ] 1974, heeft de Nigeriaanse nationaliteit.
Zij verblijft sedert 27 augustus 1999 in Nederland. Op 27 augustus 1999 heeft
zij een aanvragen ingediend om toelating als vluchteling. Bij beschikking van
29 augustus 1999, aan verzoekster uitgereikt op 29 augustus 1999, is de
betreffende aanvraag niet ingewilligd. De aanvraag om toelating als
vluchteling is niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid daarvan.
Tevens is ten aanzien van verzoekster de vrijheidsontnemende maatregel van
artikel 7a Vw toegepast.

1.2 Op 15 september 1999 heeft verzoekster voor de tweede maal een aanvraag
ingediend om toelating als vluchteling. Bij beschikking van 27 september
1999, aan verzoekster uitgereikt op 28 september 1999 heeft verweerder de
desbetreffende aanvraag niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid
daarvan. In de beschikking is ambtshalve overwogen dat verzoekster evenmin
voor toelating op grond van klemmende redenen van humanitaire aard in
aanmerking komt. Tevens is ten aanzien van verzoekster de vrijheidsontnemende
maatregel voortgezet. Verzoekster heeft op 28 september 1999 tegen de
niet-inwilliging van de aanvraag om toelating beroep bij deze rechtbank
ingesteld. Verweerder heeft bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat
het beroep aanhangig is, niet achterwege zal blijven.

1.3 Bij verzoekschrift van 28 september 1999 heeft verzoekster de president
van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan
tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege
te laten. totdat in beroep, respectievelijk op het bezwaarschrift, is
beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken
ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het
verzoek met toepassing van artikel 8:86 Awb.

1.4 Bij beroepschrift van 4 oktober 1999 heeft verzoekster om opheffing van
de vrijheidsontnemende maatregel verzocht. Dit beroep strekt tevens tot
toekenning van schadevergoeding.

1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 15
oktober 1999. Ter zitting hebben verzoekster en verweerder bij monde van hun
gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de
rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is
in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling
ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om,
indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in
de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid
gebruik te maken.

2.3 Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster het standpunt ingenomen
dat het slachtoffer zijn van vrouwenhandel niet kan leiden tot
vluchtelingenschap in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Het geschil spits
zich derhalve toe op de vraag of eiser voor toelating in aanmerking dient te
komen wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij de beoordeling is
het hierna volgende uitgangspunt.

2.4 Verzoekster heeft aan haar tweede aanvraag het volgende ten grondslag
gelegd. Zij is slachtoffer van vrouwenhandel en wordt al meer dan zeven jaar
gedwongen zich te prostitueren. In 1993, kort na het overlijden van haar
adoptief-moeder, heeft verzoekster haar toenmalige vriend B (B) ontmoet. B
heeft verzoekster voodoo rituelen laten ondergaan en haar vervolgens voor
20.000 US dollars aan een vrouw verkocht. Om het geld terug te verdienen
moest zij voor deze vrouw in Italië als prostituée werken. Dat heeft zij
zeven maanden gedaan. In verband met haar slechte gezondheidstoestand heeft
zij vijf maanden in een ziekenhuis gelegen. Zij heeft toen aangifte bij de
politie gedaan.

In november 1994 is zij op haar eigen verzoek door de Italiaanse politie naar
Nigeria teruggestuurd. Zij wilde een leven buiten de prostitutie opbouwen. In
Nigeria werd zij echter opgewacht door C, die er van op de hoogte was dat
verzoekster aangifte had gedaan. Verzoekster is vervolgens door C mishandeld,
aan voodoo rituelen onderworpen en wederom gedwongen zich te prostitueren.
Zij moest het geld dat de vrouw voor haar betaald had terugverdienen.
Verzoekster durfde in Nigeria niemand in vertrouwen te nemen. De politie is
corrupt en heeft ook zelf banden met vrouwenhandel. Ook had verzoekster
gehoord dat het voorkwam dat meisjes gedood werden omdat zij ongehoorzaam
waren. In augustus 1999 is verzoekster door C wederom naar Europa gestuurd om
in de prostitutie te werken. Verzoekster heeft tijdens haar eerste
asielaanvraag hierover geen verklaring kunnen afleggen, omdat zij onder
invloed van voodoo stond. Bovendien is zij door C met de dood bedreigd als
zij iets zou vertellen. Verzoekster vreest dat zij bij terugkeer naar Nigeria
wederom gedwongen zal worden zich te prostitueren of door C zal worden
gedood.

2.5 Verweerder heeft zich in de bestreden beslissing, voorzover hier van
belang en samengevat, op het standpunt gesteld te twijfelen aan de
geloofwaardigheid van het relaas van verzoekster. Zij heeft aanvankelijk een
andere naam opgegeven. Verzoekster heeft geen enkele poging ondernomen om de
bescherming van de politie of hogere autoriteiten in te roepen. Niet gebleken
is dat de autoriteiten in Nigeria verzoekster niet tegen eventuele
gewelddadigheden van de zijde van C zouden kunnen of willen beschermen.
Daarnaast is niet aannemelijk dat verzoekster zich niet elders in Nigeria kan
vestigen. Er zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht of
gekomen op grond waarvan verzoekster in aanmerking zou dienen te komen voor
een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire
aard.

2.6 Verzoekster heeft hiertegen aangevoerd dat zij slachtoffer is van
vrouwenhandel. Op aandrang van de personen van de organisatie die de
vrouwenhandel organiseerden, heeft zij aanvankelijk een onjuist asielrelaas
verteld. Op 2 september 1999 heeft verzoekster openheid van zaken gegeven. Op
3 september 1999 is zij als getuige door de Unit Mensen Smokkel van het
Interregionaal Recherche Team Noord en Oost Nederland (hierna: IRT) gehoord.
Ook heeft verzoekster haar medewerking verleend aan een onderzoek dat in
opdracht van de IRT wordt verricht door medewerkers van de Universiteit van
Leiden. Gelet op het vorenstaande kan niet gesteld worden dat het opgeven van
een valse naam en pas in een later stadium openheid van zaken geven afbreuk
doet aan de geloofwaardigheid van haar relaas. Immers de IRT acht het
relaas-uiterst geloofwaardig. De vrouwenhandel in Nigeria is dermate goed
georganiseerd dat het zeer waarschijnlijk is dat verzoekster in Nigeria door
de bende van C gevonden wordt. Dit mede gelet op de littekens in haar
gezicht. Tegen de dreiging van de bende kan zijn geen bescherming krijgen van
de Nigeriaanse autoriteiten, omdat bekend is dat deze autoriteiten zelf
betrokken zijn bij de vrouwenhandel. Verzoekster komt op grond van het
traumatabeleid in aanmerking voor toelating in aanmerking. Zij heeft in
Nigeria dermate ingrijpende dingen meegemaakt dat van haar niet gevergd kan
worden dat zij naar Nigeria terug te keren. Bij terugkeer zal zij
waarschijnlijk weer in handen van C vallen. Op 4 oktober 1999 heeft
verzoekster als slachtoffer van vrouwenhandel bij de korpschef een aanvraag
om toelating op grond van B17 Ve ingediend. De vrijheidsontnemende maatregel
is niet langer rechtmatig te achten en dient te worden opgeheven.

2.7 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd zoals weergegeven in het
zich bij de stukken bevindende verweerschrift en ter zitting zijn eerder
ingenomen standpunt gehandhaafd.

Beoordeling van het beroep

2.8 Gelet op het hierboven onder 2.1 weergegeven geschilpunt is aan de orde
de vraag of van verzoekster redelijkerwijs kan worden verlangd dat zij
terugkeert naar Nigeria. De president beantwoordt deze vraag ontkennend en
heeft daartoe het volgende overwogen.

2.9 Vooropgesteld wordt dat er geen aanleiding wordt gezien het relaas van
verzoekster niet geloofwaardig te achten. Dat zij eerder, en onder een andere
naam, andersluidende verklaringen heeft afgelegd, behoeft, gelet op de
positie waarin zij blijkens haar relaas in verkeerde, geen bevreemding te
wekken. Daar komt bij dat zij in verband met hetgeen door haar is verklaard
uitvoerig verhoord is door het IRT. Aangenomen mag worden dat, indien de
medewerkers van het IRT geen geloof hechtten aan haar verklaringen, zij
verweerder daarvan op de hoogte zouden hebben gesteld. Voorts blijkt uit een
door verzoekster overgelegde, aan haar gerichte bedankbrief van de
medewerkers van de Universiteit van
Leiden dat deze haar relaas als ‘genuine” ervaren hebben. De verklaringen van
verzoekster sluiten bovendien aan bij de bevindingen van onderzoek, verricht
door Terre des Hommes en de Nigerian Democratic Movement Netherlands (NDMN),
welke hun weerslag hebben gevonden in het rapport “Handel in Nigeriaanse
meisjes naar Nederland” van september 1999, bij partijen bekend. Op basis van
uit gesprekken met prostituées, klanten, pooiers en personen in Nigeria
verkregen informatie is in het rapport de handel in (minderjarige)
prostituées in kaart gebracht.

2.10 Uitgaande van de juistheid van het relaas stelt de president vast dat
verzoekster door misleiding tot prostitutie is gebracht en onder dwang
gedurende zeven jaar als prostituée heeft gewerkt. Het wordt alleszins
aannemelijk geacht dat de dwang-en uitbuitingssituatie waarin verzoekster
verkeerd heeft bij terugkeer in Nigeria niet anders zal zijn. Zij is C immers
nog veel geld verschuldigd. In aanmerking genomen dat haar eerdere poging om
aan de invloed van deze man te ontkomen op niets is uitgelopen, valt niet te
verwachten dat zij zich nu wel aan zijn greep zal kunnen onttrekken. Daarmee
komt het aan op de vraag of verzoekster in Nigeria tegen eventuele
gewelddadigheden van de kant van C de bescherming van de Nigeriaanse
autoriteiten zal kunnen verkrijgen. De enkele stelling van verweerder dat
niet gebleken is dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn
verzoekster die bescherming te bieden, acht de president ontoereikend om het
oordeel op te baseren dat de veiligheid van verzoekster bij terugkeer
voldoende gewaarborgd is. Het is van algemene bekendheid dat Nigeria één van
de meest corrupte landen ter wereld is en corruptie in dat land een goed
functioneren van het overheidsapparaat ernstig belemmert. Niet voor niets ook
is bij circulaire van 8 mei 1996 van het ministerie van Buitenlandse Zaken
Nigeria aangewezen als probleemland voor wat betreft de betrouwbaarheid van
door de autoriteiten gelegaliseerde aktes. De stellingen van verzoekster in
dit verband vinden bovendien steun in genoemd rapport van Terre des Hommes en
de NDMN, waarin vastgesteld is dat hoge Nigeriaanse immigratieambtenaren en
Nigeriaanse medewerkers van de Nederlandse ambassade betrokken zijn bij
aanvragen om visa voor Nederland door vrouwenhandelaren. Niet zonder meer
valt in te zien dat de Nigeriaanse politie, op wie verzoekster ter
verkrijging van adequate bescherming primair is aangewezen, van corruptie
gevrijwaard is. Hiervan nog afgezien, komt uit de door verzoekster
overgelegde stukken naar voren dat prostituées in Nigeria
zich in een zeer kwetsbare positie bevinden. Zij worden gezien als een schande
voor het land en staan bloot aan discriminatie en fysiek geweld, waartegen de
overheid niet of nauwelijks optreedt. In dit verband komt ook betekenis toe
aan de verklaring van verzoekster in het nader gehoor dat zij tezamen met
collega’s door de politie gearresteerd is en pas vrijgelaten werd toen zij
met de politieagenten “gevrijd” hadden. Ter zitting is door gemachtigde van
verweerder nog verwezen naar de beantwoording van vragen gesteld in de bij
deze rechtbank aanhangige zaken met de nummers AWB 99/7624 en AWB 99/7712. De
president acht de beantwoording van de voor deze zaak relevante vraag 1, in
het licht van al het vorenstaande, volstrekt niet afdoende. Het
vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking niet
gedragen wordt door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en mitsdien
voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep tegen de afwijzende
beschikking op de asielaanvraag van verzoekster zal dan ook gegrond worden
verklaard.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

2.11 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het
treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden
afgewezen.

Ten aanzien van de vrijheidsontnemende maatregel

2.12 Bij uitspraak van 14 oktober 1999 heeft deze rechtbank, zittinghoudende
te Nieuwersluis op het door kennisgeving aanhangig gemaakte beroep tegen de
vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw,
ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de voortduring van de maatregel
na de hier aan de orde zijnde beschikking van 27 september 1999, niet
onrechtmatig is. Gelet op hierboven onder 2.10 vermelde gegrondverklaring van
het beroep is thans echter de grond voor de voortgezette toepassing van de
vrijheidsontnemende maatregel komen te vervallen. Het beroep is derhalve
gegrond.

2.13 Teneinde de gemachtigde van verzoekster in de gelegenheid te stellen
voor verzoekster, gelet op de kwetsbare positie waarin zij verkeert, adequate
opvang hier te lande te verzorgen ziet de rechtbank aanleiding de bewaring op
te heffen met ingang van de datum van verzending van deze uitspraak.

2.14 Gelet op het vorenstaande zijn er geen gronden aanwezig voor het
toekennen van schadevergoeding. Ten aanzien van de voorlopige voorziening en
het beroep

2.15 In dit geval bestaat aanleiding verweerder in de hoofdzaak met
toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door
verzoekster gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit
proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het
bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 1.420 (1 punt voor het beroepschrift
en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor l). Nu het verzoek
om voorlopige voorziening is gemotiveerd door verwijzing naar het
beroepschrift, bestaat geen aanleiding voor een afzonderlijke
proceskostenveroordeling voor het verzoek om voorlopige voorziening.

2.16 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht
ad tweemaal ƒ 50 dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

ten aanzien van de hoofdzaak:

3.1 verklaart het beroep gegrond.

De president:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420 onder aanwijzing van
de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet
voldoen;

3.4 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door verzoekster betaalde griffierecht ad tweemaal ƒ 50.

De rechtbank:

ten aanzien van de vrijheidsontnemende maatregel:

3.5 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel
7a, tweede en derde lid, Vw gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel
van de vreemdelinge met ingang van datum verzending van deze uitspraak;

3.6 wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding af;

Rechters

Mr. Greeuw

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 29 oktober 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Beëindiging alimentatie op grond van de Wet limitering alimentatie na
scheiding. Man, verweerder in cassatie, verzoekt beëindiging van de
alimentatie per 22 juli 1997 na vijftien jaar te hebben betaald. De vrouw
beroep zich op de in genoemde wet opgenomen uitzondering, inhoudende dat de
alimentatie niet eindigt indien dit van zo ingrijpende aard is dat dit in
redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. Aan verwerping van dit beroep
moeten hoge motiveringseisen worden gesteld, tenzij de beëindiging van de
alimentatie slechts een relatief onbetekenende terugval in inkomen tot gevolg
heeft (vgl. HR 26 maart 1999, NJ 1999, 653, HR 26 maart 1999, NJ 1999, 654 en
HR 26 maart 1999, NJ 1999, 655). Het oordeel van het hof, waarbij het beroep
van de vrouw is afgewezen, is onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft
onvoldoende blijk gegeven van een afweging van de omstandigheden aangaande
beide partijen.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 15 augustus 1997 ter griffie van de Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch
ingekomen
verzoekschrift heeft verweerder in cassatie – verder te noemen: de man – zich
gewend tot die
Rechtbank en met wijziging van de beschikking van de Rechtbank te Haarlem van
18
december 1992 primair verzocht zijn onderhoudsverplichting jegens verzoekster
tot cassatie –
verder te noemen: de vrouw – per 22 juli 1997 te beëindigen.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 3 maart 1998 het verzoek van de man
afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 18 november 1998 heeft het Hof de bestreden beschikking
van de
Rechtbank vernietigd en met ingang van 1 juli 1999 de verplichting van de man
tot het
verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw beëindigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld.
Het
cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot vernietiging van
de bestreden
beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch en tot verwijzing van de
zaak ter
verdere behandeling en beslissing naar een ander gerechtshof.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
(i) Partijen zijn in 1957 met elkaar gehuwd. Tussen hen is echtscheiding
uitgesproken bij
vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 16 maart 1982. Dit vonnis is in de
registers van de
burgerlijke stand ingeschreven op 22 juli 1982.
(ii) In genoemd echtscheidingsvonnis is de man veroordeeld om aan de vrouw ƒ
2000 per
maand te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Bij
beschikking van de
Rechtbank te Haarlem van 18 december 1992 is deze bijdrage vastgesteld op ƒ
2200 per maand.
(iii) De vrouw heeft tijdens het huwelijk tot 1980 gewerkt. Zij verrichtte
werkzaamheden als
medewerkster bij het sorteren van post en als gediplomeerd kinderverzorgster
in de
peuteropvang voor drie a vier uur per dag, gedurende vijf dagen per week.
(iv) Ten tijde van de echtscheiding was de vrouw 44 jaar. Zij had toen niet
meer de zorg voor
de inmiddels meerderjarige kinderen van partijen.
(v) Bij toewijzing van het in deze procedure aan de orde zijnde
limiteringsverzoek zal het netto
inkomen van de vrouw van ongeveer ƒ 1800 a ƒ 1900 per maand verminderen tot
het
bijstandsniveau van een alleenstaande.
(vi) Aan de vrouw is in 1989 een bedrag uitgekeerd van ƒ 65 000.
(vii) De huurlast van de vrouw bedraagt ƒ 1185 per maand.
(viii) De vrouw – die in februari 1999 62 jaar is geworden – heeft een
beperkt eigen pensioen
opgebouwd van ƒ 3314 bruto per jaar. Zij heeft bij de echtscheiding geen
rechten op het
pensioen van de man verkregen. Op 14 augustus 1997 heeft de vrouw een
procedure tegen
de man ingesteld waarin zij onder meer vordert dat de man zal worden
veroordeeld tot
medewerking aan verdeling van de pensioenrechten zoals die waren opgebouwd
bij het einde
van het huwelijk.
3.2. De man heeft in zijn inleidend verzoekschrift, voor zover in cassatie
van belang, verzocht
zijn onderhoudsverplichting te beëindigen. De man heeft dit verzoek kennelijk
erop gegrond
dat zijn onderhoudsverplichting op 22 juli 1997 15 jaar had geduurd en
beroept zich
klaarblijkelijk op de Wet limitering na scheiding.
De vrouw heeft het verzoek bestreden op de grond dat beëindiging van de
onderhoudsverplichting voor haar te ingrijpend zou zijn. Zij heeft daarbij
aangevoerd dat zij
door beëindiging van de uitkering zou zijn aangewezen op een uitkering
krachtens de
Algemene bijstandswet. De Rechtbank heeft het verzoek afgewezen. Zij
oordeelde dat
beëindiging van de alimentatie van zo ingrijpende aard zou zijn dat die
beëindiging naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden
gevergd. Daartoe
heeft de Rechtbank overwogen, samengevat weergegeven, dat het huwelijk van
partijen de
verdiencapaciteit van de vrouw negatief heeft beïnvloed, dat beëindiging van
de alimentatie zou leiden tot een aanmerkelijke daling van de inkomsten van
de vrouw en dat de vrouw nog geen recht heeft op pensioenverrekening.
Het Hof heeft de alimentatieverplichting van de man echter alsnog beëindigd
met ingang van 1 juli 1999. Daartoe heeft het Hof, samengevat weergegeven, de
volgende omstandigheden in zijn beoordeling betrokken:
(a) de verdiencapaciteit van de vrouw is slechts in beperkte mate nadelig
door het huwelijk beïnvloed;
(b) zij heeft gedurende het huwelijk een langdurig, op haar opleiding
aansluitend, arbeidspatroon gekend;
(c) ten tijde van de ontbinding was zij slechts gedurende een korte periode
zonder werk;
(d) zij had toen niet meer de zorg voor de kinderen van partijen.
Het Hof heeft voorts overwogen dat weliswaar onzekerheid bestaat over het
recht op pensioenverevening van de vrouw, maar dat de uitkering in 1989 van ƒ
65 000 haar voldoende gelegenheid heeft geboden voorzieningen te treffen voor
een aanvullend ouderdomspensioen.
Het middel keert zich tegen ’s Hofs beslissing en de gronden waarop zij
berust.
3.3.1. Bij de beoordeling van het middel moet tot uitgangspunt worden genomen
dat aan beslissingen waarbij onder vigeur van art. II, tweede lid, van de Wet
limitering na scheiding het beroep van de alimentatiegerechtigde op de in die
bepaling vervatte uitzondering aanstonds wordt verworpen, dan wel slechts
voor een beperkte termijn en met uitsluiting van de mogelijkheid van
verlenging van die termijn wordt gehonoreerd moeten – behoudens ingeval de
beëindiging van de uitkering voor de alimentatiegerechtigde geen of slechts
een relatief onbetekenende terugval in inkomen ten gevolge heeft – hoge
motiveringseisen worden gesteld als omschreven in de beschikkingen HR 26
maart 1999, nr. R98/014, NJ 1999, 653, HR 26 maart 1999, nr. R98/087, NJ
1999, 654 en HR 26 maart 1999, nr. R98/116, NJ 1999, 655.
3.3.2. Uit de hiervoor in 3.1 onder (v) vermelde omstandigheid volgt dat de
terugval van het inkomen van de vrouw, in geval van toewijzing van het
verzoek van de man, niet van onbetekenende aard is. Aan de onderhavige
beslissing dienen dan ook de motiveringseisen te worden gesteld als hiervoor
onder 3.3.1 bedoeld. Aan deze motiveringseisen voldoet de beschikking van het
Hof echter niet. Het Hof heeft immers slechts melding gemaakt van de vrouw
betreffende omstandigheden. Het heeft niet ervan blijk gegeven dat en hoe het
de omstandigheden aan de zijde van de man in zijn afweging heeft betrokken.
Indien het Hof het hiervoor onder 3.3.1 vermelde uitgangspunt heeft miskend,
geeft zijn beslissing dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Mocht
het Hof dat uitgangspunt niet hebben miskend, dan is zijn beslissing niet
naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel, dat op dit een en ander
gerichte klachten bevat, treft derhalve doel.
3.4. Voor zover het middel als onbegrijpelijk bestrijdt ’s Hofs hiervoor
onder 3.2, voorlaatste alinea vermelde oordeel dat weliswaar onzekerheid
bestaat over het recht op pensioenverevening van de vrouw, maar dat de
uitkering in 1989 van ƒ 65 000 haar voldoende gelegenheid heeft geboden
voorzieningen te treffen voor een aanvullend ouderdomspensioen, slaagt het
eveneens. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is immers niet
begrijpelijk waarom de vrouw het – gehele – bedrag van ƒ 65 000 had behoren
aan te wenden om zich een oudedagsvoorziening te verschaffen. Bovendien zou
deze omstandigheid toewijzing van het verzoek van de man alleen dan kunnen
rechtvaardigen indien aanwending door de vrouw van dit bedrag om zich een
aanvullende oudedagsvoorziening te verschaffen, zou hebben geleid tot een
zodanig inkomen van de vrouw dat zulks toewijzing van het verzoek van de man
– mede – zou hebben gerechtvaardigd. Dat dit het geval zou zijn geweest,
heeft het Hof echter niet vastgesteld.

4. BESLISSING

De Hoge Raad;
vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 18
november 1998;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het
Gerechtshof te Arnhem.

Rechters

Mrs. Mijnssen, Heemskerk, Fleers, De Savornin Lohmann en Kop

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 29 oktober 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Voor de berekening van de periode van 15 jaar, bedoeld in artikel II lid 2
van de Wet limitering na scheiding, moet niet slechts de periode na
echtscheiding worden meegeteld, maar ook de periode gedurende welke tussen
partijen scheiding van tafel en bed heeft bestaan. De periode waarin
krachtens overeenkomst een alimentatieverplichting heeft bestaan vóór de
scheiding van tafel en bed, hoeft echter niet in aanmerking te worden
genomen.

Volledige tekst

8. Bij de beoordeling van deze klacht is het volgende van belang. De man
heeft bij inleidend verzoekschrift gesteld dat op hem al 17 ½ jaar een
‘formele’ alimentatieverplichting rust, te weten sinds november 1979, de
maand waarin tussen partijen de scheiding van tafel en bed is uitgesproken.
Zoals de middelen III en IV terecht aanvoeren. heeft de vrouw deze stelling
niet weersproken.
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in appèl (p. 5), gelezen
in samenhang met rechtsoverweging 2.4 van de bestreden beschikking, blijkt
voorts dat de advocaat van de man het Hof in het bezit heeft gesteld van (een
kopie van) het vonnis van 8 november 1979, waarbij tussen partijen de
scheiding van tafel en bed werd uitgesproken (een kopie van dit vonnis
bevindt zich in het dossier; zie nader het verzoekschrift in cassatie, p 16
e.v.). Het dictum van dit vonnis houdt onder meer in:
‘Veroordeelt de man om vanaf de dag, dat dit vonnis in kracht van gewijsde
zal zijn gegaan, aan de vrouw voor haar levensonderhoud tegen behoorlijk
bewijs van kwijting te betalen een uitkering van ƒ 1750 (…) per maand.’
Zoals middel V met recht betoogt, moet in het licht van het voorgaande tot
uitgangspunt dienen dat de man op grond van het vonnis waarbij tussen
partijen de scheiding van tafel en bed is uitgesproken tot betaling van
alimentatie aan de vrouw was gehouden.
9. De periode waarover alimentatie is betaald tijdens de scheiding van tafel
en bed van partijen dient in het stelsel van de Wet limitering alimentatie na
scheiding in mindering te worden gebracht op de termijn na het verstrijken
waarvan de alimentatieplichtige na de echtscheiding beëindiging van de
alimentatieverplichting kan verzoeken. Zie art. 1:182 BW, zoals gewijzigd bij
art. I aanhef en onder D van de Wet limitering alimentatie na scheiding; zie
voorts art. 1:169, tweede lid, BW, zoals gewijzigd bij art. I aanhef en onder
C van de Wet limitering alimentatie na scheiding, en Kamerstukken II,
1985/86, 19 295, nr. 3, p. 20 (memorie van toelichting).
In dit wettelijk stelsel past dat bij toepassing van de overgangsregeling van
art. II, tweede lid, Wet limitering alimentatie na scheiding, voor de termijn
van 15 jaar dat de alimentatieverplichting voorafgaande aan een verzoek tot
beëindiging daarvan krachtens rechterlijke uitspraak moet hebben bestaan, ook
de periode meetelt dat de verplichting bestond krachtens een uitspraak
strekkende tot scheiding van tafel en bed. Aldus is van de zijde van de
regering ook opgemerkt tijdens de parlementaire behandeling van de wet:
‘In geval van ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed wordt
derhalve de periode dat een daadwerkelijke alimentatie moest worden betaald
in mindering gebracht op de termijn van 12 jaar. Wellicht ten overvloede
wordt erop gewezen dat de in Artikel I, tweede lid, van het onderhavige
voorstel van wet genoemde verplichting ook de tijdens de scheiding van tafel
en bed bestaande alimentatie omvat. (Kamerstukken I, 1993/94, 22 170, nr.
109a. p. 3 (memorie van antwoord)’
Bij dit citaat verdient aantekening dat met de woorden ‘Artikel I, tweede
lid’, slechts bedoeld kan zijn ‘Artikel II, tweede lid’, daar artikel 1 geen
leden kent en bovendien niet direct ziet op de verplichting tot het betalen
van levensonderhoud. Zie voorts losbladige Personen- en familierecht, aant. 5
op art. 1:157 (S.F.M. Wortmann); M. Pel, Echtscheiding-Bulletin 1996, nr. 10,
p. 9 en (impliciet) Asser-De Boer (1998), nr. 633c, die ook de periode van de
voorlopige voorzieningen wil meetellen.
10. Uit het voorgaande volgt dat het Hof in rechtsoverweging 4.3 is uitgegaan
van een onjuiste rechtsopvatting zodat de bestreden beschikking moet worden
vernietigd en verwijzing moet volgen. De middelen behoeven verder geen
bespreking. Ten overvloede merk ik op dat, voorzover men ervan zou moeten
uitgaan dat de verplichting van de man tot het betalen van levensonderhoud
berust op een – bijvoorbeeld reeds eind 1978 gesloten – overeenkomst tussen
partijen, middel II terecht aanvoert dat art. II tweede lid. Wet limitering
alimentatie na scheiding, krachtens het vierde lid van deze bepaling, mede
van toepassing is op alimentatieverplichtingen uit overeenkomst.
11. Nu vaststaat dat de man, de periode dat partijen van tafel en bed waren
gescheiden in aanmerking genomen, op 1 februari 1998, de datum waartegen de
Rechtbank – kennelijk met instemming van de man – de alimentatieverplichting
beëindigde, reeds meer dan 15 jaar verplicht was tot betaling van
alimentatie, moet na verwijzing uitsluitend worden onderzocht of, mede in het
licht van de beschikkingen van Uw Raad van 26 maart 1999, RvdW 1999, 52C, 53C
en 54C (NJ 1999, 653, 654, 655; red.), de vrouw terecht heeft betoogd dat
beëindiging van de alimentatieverplichting naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot
verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

Hoge Raad:

1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 21 april 1997 ter griffie van de Rechtbank te Breda ingekomen
verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie – verder te noemen: de man – zich
gewend tot die Rechtbank en verzocht te bepalen dat zijn verplichting tot het
betalen van alimentatie voor verweerster in cassatie – verder te noemen: de
vrouw – per 1 juli 1997, althans op een door de Rechtbank te bepalen datum,
zal zijn geëindigd.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 16 oktober 1997 de verplichting van de
man om bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1
februari 1998 beëindigd en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 10 juni 1998 heeft het Hof voormelde beschikking van de
Rechtbank vernietigd en. opnieuw rechtdoende, het dit geding inleidende
verzoek van de man afgewezen.
(…)

2. Het geding in cassatie
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot
vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing ter verdere
behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel
3.1. Partijen zijn gehuwd geweest. Op 8 november 1979 is tussen hen scheiding
van tafel en bed uitgesproken, met oplegging aan de man van een alimentatie
ten behoeve van de vrouw van ƒ 1750 per maand. Bij vonnis van de rechtbank te
Breda van 25 november 1986 is de ontbinding van het huwelijk van partijen
uitgesproken. Dit vonnis is op 18 maart 1987 ingeschreven in de registers van
de burgerlijke stand.
Sedert het feitelijk uiteengaan van partijen betaalt de man een alimentatie
aan de vrouw van oorspronkelijk ƒ 1750 per maand. Nadat partijen in het kader
van de procedure tot ontbinding van hun huwelijk hieromtrent een geschil
kregen, is na cassatie bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 24
januari 1989 de alimentatie vastgesteld op ƒ 1971,67 per maand vanaf de datum
van inschrijving van het ontbindingsvonnis.
3.2. In de onderhavige procedure heeft de man met een beroep op artikel II
lid 2 van de Wet limitering na scheiding verzocht zijn
alimentatieverplichting jegens de vrouw te beëindigen. De Rechtbank heeft
ingevolge dit verzoek de verplichting van de man om bij te dragen in het
levensonderhoud van de vrouw beëindigd met ingang van 1 februari 1998. Het
Hof heeft de beschikking van de Rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende,
het verzoek van de man afgewezen. Naar het oordeel van het Hof houdt artikel
II lid 2 in dat door de rechter vastgestelde alimentatieverplichtingen die op
het tijdstip van inwerkingtreding van de wet 15 jaar hebben geduurd, op grond
van deze wet kunnen worden beëindigd, zij het niet eerder dan per 1 juli
1997. Vastgesteld moet worden, aldus het Hof, dat de alimentatieverplichting
van de man op grond van een rechterlijke uitspraak eerst een aanvang heeft
genomen op 18 maart 1987, zodat aldus op dit moment niet is voldaan aan de
wettelijke voorwaarde dat deze alimentatieverplichting reeds 15 jaar heeft
geduurd.
3.3. Onderdeel III klaagt dat het Hof, aldus oordelend, is getreden buiten de
grenzen van de rechtsstrijd van partijen. Deze klacht is gegrond. De vrouw
heeft geen verweer gevoerd tegen de stelling van de man dat zijn
alimentatieverplichting als bedoeld in art.II lid 2 van de Wet limitering na
scheiding meer dan vijftien jaar had geduurd. Zij heeft ook in hoger beroep
geen grief gericht tegen de in de beschikking van de Rechtbank besloten
liggende aanvaarding van deze stelling.
3.4. Ten aanzien van de overige klachten van het middel overweegt de Hoge
Raad, ten overvloede, het volgende.
Art. II bevat een overgangsbepaling en moet gelezen worden in verband met het
bepaalde in art. 1.
In artikel II lid 1 van de Wet limitering na scheiding is bepaald dat deze
wet alleen van toepassing is op de uitkeringen tot levensonderhoud die na de
inwerkingtreding van deze wet door de rechter zijn toegekend of tussen
partijen zijn overeengekomen.
In aansluiting hierop wordt in de leden 2-4 van art. II een overgangsregeling
gegeven voor de beëindiging van vóór dat tijdstip toegekende of
overeengekomen uitkeringen tot levensonderhoud. Op grond van deze regeling
beëindigt de rechter op verzoek van de alimentatieplichtige de verplichting,
indien deze op of na genoemd tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd,
tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo
ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is, kan worden gevergd.
Aan deze regeling ligt de overweging ten grondslag dat geen evenwichtige
oplossing ten aanzien van het vraagstuk van de limitering van de
alimentatieduur kan worden bereikt als niet ook op verantwoorde wijze
aandacht wordt besteed aan de terecht gesignaleerde problemen van degenen die
reeds gedurende een zeer lange tijd hun alimentatieplicht hebben vervuld en
van wie in het algemeen gezegd kan worden dat de verantwoordelijkheid
tegenover de vroegere echtgenoot geacht kan worden te zijn uitgewerkt; zie in
deze zin onder meer de Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II,
1991-1992, 22 170, nr 6, blz. 11. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt
voorts dat bij de bepaling van de lengte van de periode gedurende welke de
alimentatieverplichting moet hebben bestaan, aansluiting is gezocht bij de
periode van twaalf jaar, voorzien in art. I, in deze zin dat eerstgenoemde
periode naar het oordeel van de wetgever wel enigszins maar niet aanzienlijk
langer moest zijn; zie Hand. II, 1992-1993, blz. 73-5265, 73-5304 en 74-5357.
Zowel uit de bewoordingen van de regeling als uit de daaraan ten grondslag
liggende overwegingen vloeit voort, dat voor de berekening van de in de
regeling bedoelde periode van vijftien jaar of meer niet alleen de periode na
echtscheiding of ontbinding van het huwelijk in aanmerking moet worden
genomen, maar ook de periode gedurende welke tussen partijen scheiding van
tafel en bed heeft bestaan. Dit vindt steun in het verband tussen art. II en
art. I, welke laatste bepaling erin voorziet dat de tijd gedurende welke
tijdens de scheiding van tafel en bed een verplichting tot levensonderhoud
jegens de andere echtgenoot bestond, mede in aanmerking moet worden genomen.
Het vindt voorts bevesting in de in punt 9 van de conclusie van de
Advocaat-Generaal De
Vries Lentsch-Kostense aangehaalde passage uit de memorie van antwoord aan de
Eerste Kamer.
Onderdeel I van het middel betoogt dan ook terecht dat het Hof heeft blijk
gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voorzover het van oordeel is geweest
dat voor de berekening van de periode van vijftien jaar slechts de periode na
de ontbinding van het huwelijk in aanmerking kan worden genomen.
Naar uit het vorenstaande voortvloeit, is evenwel onjuist het betoog in
onderdeel II, dat ook de periode waarin krachtens overeenkomst een
alimentatieverplichting heeft bestaan vóór de scheiding van tafel en bed, in
aanmerking moet worden genomen.
3.5. Het in 3.3 overwogene brengt mee dat de beschikking van het Hof moet
worden vernietigd. Na verwijzing zullen de grieven van de vrouw, die alle
gericht zijn tegen de verwerping door de Rechtbank van het verweer van de
vrouw dat beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man voor haar van
zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid niet van haar kan worden gevergd, en tegen de gronden waarop de
Rechtbank deze beslissing heeft gebaseerd, alsnog moeten worden onderzocht.

4. Beslissing
De Hoge Raad:
– vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 10
juni 1998;
– verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling
en beslissing.

Rechters

Mrs. Mijnssen, Neleman, Jansen, De Savornin-Lohmann en Kop

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem, 28 oktober 1999

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem

Samenvatting


Eisers, beiden geboren op 11 mei 1991, van Marokkaanse nationaliteit vragen
toelating bij hun ouders. Verweerder stelt dat nu eerst in 1997 een serieuze
poging is gedaan om eisers naar Nederlands te halen de feitelijke gezinsband
als verbroken dient te worden beschouwd. De rechtbank oordeelt dat hier geen
sprake van is, nu niet blijkt van een intentie om de kinderen achter te
laten, de ouders financieel betrokken zijn gebleven bij eisers en referente
zich tevens actief met de opvoeding en verzorging van eisers is blijven
bemoeien. Met betrekking tot dit laatste criterium is geen aanleiding voor
analoge toepassing van de jurisprudentie inzake art. 7 AKW. Daarbij neemt de
rechtbank in aanmerking dat de achterlating van eisers kennelijk tegen de
wens van referente is geschied en uitsluitend was ingegeven door de onzekere
toekomst en de problemen in de beginjaren van het huwelijk.

Volledige tekst

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Eisers, beiden geboren op 11 mei 1991, hebben de Marokkaanse
nationaliteit. Op 24 juli 1997 heeft de moeder van eisers (hierna te noemen:
referente) ten behoeve van eisers een aanvraag, ingediend tot verlening van
een machtiging tot voorlopig verblijf. Bij besluit van 8 augustus 1997 heeft
verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Eisers hebben op 3 september 1997
een bezwaarschrift ingediend tegen de niet-inwilliging van de aanvraag. Op 9
oktober 1998 is referente gehoord door een ambtelijke: commissie. Op 4 mei
1999 is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2 Op 31 mei 1999 hebben eisers tegen deze beslissing beroep ingesteld bij
de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken
ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring
van het beroep.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 16
september 1999. Ter zitting hebben eisers en verweerder bij monde van hun
gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Tevens zijn de ouders van
eisers als belanghebbenden gehoord,

2. Overwegingen

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van
het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit
besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan
doorstaan.

De onderbouwing van de aanvraag

2.2 Eisers leggen aan de aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig
verblijf en het onderhavige beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komen
voor een vergunning tot verblijf met als doel: verblijf bij ouders. Daarbij
hebben zij de volgende feiten aangevoerd. De vader van eisers verblijft sinds
september 1970 in Nederland. Referente is in juli 1990 in Marokko gehuwd met
de vader van eisers. Uit dit huwelijk zijn eisers op 11 mei 1991 geboren.
Referente is in september 1991 Nederland ingereisd, met achterlating van
eisers in het gezin van de grootouders in Marokko. Referente heeft, in
verband met problematische gezinsomstandigheden, in Nederland aanvankelijk
geen pogingen ondernomen om eisers naar Nederland te laten overkomen. Op 24
juli 1997, toen de gezinssituatie gestabiliseerd was, heeft referente namens
eisers de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend. De
grootouders bij wie eisers aanvankelijk woonden kunnen niet langer de zorg
voor eisers op zich nemen. Eisers wonen (tijdelijk) bij een tante, doch deze
situatie is niet bevredigend. Referente lijdt aan depressies als gevolg van
het feit dat zij haar kinderen niet bij zich heeft.

De bestreden beschikking en de standpunten van partijen

2.3 Verweerder heeft in de bestreden beschikking – samengevat – het volgende
overwogen.
Uitgangspunt is dat een kind. dat in het land van herkomst is achtergebleven,
slechts dan feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de in Nederland
verblijvende ouders, indien er pogingen zijn ondernomen om het kind zo snel
als redelijkerwijs mogelijk was in het kader van gezinshereniging naar
Nederland te halen. De opneming in het andere gezin in het land van herkomst
kan alsdan worden geacht van tijdelijke aard te zijn geweest.
De vader van eisers verblijft sedert september 1970, de moeder van eisers,
sedert september 1991 in Nederland. Vast staat dat eisers nimmer deel hebben
uitgemaakt van het gezin van hun ouders in Nederland. Eerst in juli 1997 is
een eerste serieuze poging gedaan eisers naar Nederland te laten overkomen.
Derhalve wordt geconcludeerd dat de opneming van eisers in het gezin van de
grootouders een duurzaam karakter had. Eisers zijn duurzaam opgenomen in een
ander gezin en de feitelijke gezinsband tussen eisers en referente is sinds
haar vertrek in september 1991 verbroken.
Dat de vader van eisers bezwaren zou hebben gehad tegen opneming van eisers
in zijn gezin. hetgeen de overkomst van eisers in de weg zou hebben gestaan,
leidt niet tot een ander oordeel. Referente is immers voor de keuze gesteld,
welke keuze heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de gezinsband
tussen haar en eisers.
Achterlating van eisers in Marokko betekent geen onevenredige hardheid.
Hoewel eisers niet langer door hun grootouders verzorgd worden vanwege hun
leeftijd en de gezondheid van de grootmoeder, worden zij nu verzorgd door een
tante. Referente heeft zes broers en twee zusters in Marokko wonen. Van deze
familieleden mag verwacht en verlangd worden dat zij eisers verzorgen.
In het onderhavige geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die
nopen tot afwijking van het beleid. Uit de psychische situatie van referente
kan niet worden afgeleid dat de komst van eisers naar Nederland zodanig
dringend geboden is, dat dient te worden afgeweken van het beleid.

2.4 In beroep is namens eisers aangevoerd dat ten onrechte geen
doorslaggevende betekenis is toegekend aan de precaire gezinssituatie waarin
referente in Nederland kwam te verkeren. Niet alleen begrepen de kinderen uit
het eerdere huwelijk van eisers vader, die toen nog bij de vader inwoonden,
haar niet, zij accepteerden haar evenmin als volwaardig lid van de familie.
Voorts liep het huwelijk met eisers vader de eerste jaren moeizaam. In
verband daarmee heeft referente langdurig geaarzeld of zij zich blijvend in
Nederland wilde vestigen. Begrijpelijkerwijs gold een zelfde aarzeling jegens
haar kinderen. Daarbij kwam dat referente eisers niet wilde blootstellen aan
een mogelijk beschadigende opvoedingssituatie.
Ook gedurende de periode dat eisers verbleven bij hun grootmoeder van
moederszijde is de feitelijke gezinsband tussen eisers en referente niet
verbroken. Ter ondersteuning van dit standpunt is verwezen naar de
jurisprudentie van de Raad van State op dit punt, zoals weergegeven in twee
uitspraken van 20 februari 1995, resp. 11 november 1994. Referente en haar
echtgenoot zijn, overeenkomstig het bepaalde in die jurisprudentie steeds
belast gebleven met het ouderlijk gezag over eisers. Voorts wordt maandelijks
ƒ 500 overgemaakt naar Marokko. Sinds het tweede kwartaal van 1993 ontvangt
referente kinderbijslag. Zowel referente als haar echtgenoot hebben voort
veelvuldig en langdurig bij de kinderen in Marokko verbleven.
Gelet op hetgeen hierboven is aangevoerd dient te worden geconcludeerd dat
eisers niet duurzaam zijn opgenomen in een ander gezin.
Ten aanzien van artikel 8 EVRM wordt aangevoerd dat niet is gebleken dat er
een individuele belangenafweging is gemaakt. Hierbij wordt opgemerkt dat ten
onrechte is overwogen dat familieleden in het land van herkomst voor eisers
kunnen zorgen. Evenmin kan verlangd worden dat referenten het gezinsleven in
Marokko uitoefenen. De vader van eisers woont reeds sedert 1970 in Nederland
en ontvangt een WAO-uitkering. Naar het zich laat aanzien treedt eerdaags de
Wet Export Beperking Uitkeringen in werking waardoor het niet langer mogelijk
zal zijn een uitkering te exporteren naar het land van herkomst. De vader is
mitsdien financieel gebonden aan Nederland. Referente heeft hier een baan en
is derhalve eveneens aan Nederland gebonden. Eiseres lijdt als gevolg van de
gedwongen scheiding van haar kinderen aan depressieve klachten.
Op 19 november 1998 is staande het huwelijk nog een kind geboren, Sabrina dat
thans een harmonieus gezinsleven ontbeert.
In beroep is tenslotte nog gesteld dat referentie zich in 1996 heeft gewend
tot de Vreemdelingendienst ten einde overkomst van eisers te realiseren.
Onduidelijk is wat er met deze aanvraag is gedaan. In 1997 heeft referente
wederom verzocht om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf ten
behoeve van eisers.

2.5 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals weergegeven in het
zich bij de stukken bevindende verweerschrift en ter zitting zijn ingenomen
standpunt gehandhaafd.

Wettelijk kader

2.6 Ingevolge artikel 33d Vw worden beschikkingen omtrent de afgifte van visa
of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Souverein
Besluit van 12 december 1813 (Stcrt. 1814, 4), voor de toepassing van de
wettelijke voorschriften van bezwaar en beroep gelijkgesteld met
beschikkingen aangaande toelating, gegeven op grond van de Vreemdelingenwet.

2.7 De verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf kan, evenals een
vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11. vijfde lid. Vw, aan een
vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. De
gronden voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf zijn, zoals
blijkt uit hoofdstuk A4/5.3 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc), gelijk
aan die voor afgifte van een vergunning tot verblijf.

2.8 De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en
werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid
een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen -behoudens verplichtingen
voortvloeiende uit internationale overeenkomsten- slechts voor verlening van
een vergunning tot verblijf in aanmerking komen. indien met hun verblijf hier
te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is
van klemmende redenen van humanitaire aard.

Beoordeling van het beroep

2.9 Ingevolge het door verweerder gevoerde beleid inzake gezinshereniging,
zoals neergelegd in Vc B1/5.1, moeten gezinsleden om voor toelating in
aanmerking te komen onder andere voldoen aan de eis dat zij feitelijk behoren
tot het gezin van degene bij wie verblijf wordt beoogd. De gezinsband moet
reeds in het buitenland bestaan hebben en wordt geacht definitief te zijn
verbroken in – onder andere en voor zover hier van belang – het geval van
duurzame opneming in een ander gezin in de situatie dat de ouders ook niet
meer meer met het gezag zijn belast of duurzame opname in een ander gezin in
de situatie dat de ouders niet meer voorzien in de kosten van opvoeding en
verzorging.

2.10 Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige
geva] geen sprake is van een verbreking van de feitelijke gezinsbund tussen
eisers en referente.

2.11 De rechtbank kan verweerder in de eerste plaats niet volgen in zijn
stelling dat de scheiding van referente en eisers reeds op het moment van (of
althans kort na) haar vertrek naar Nederland op 28 augustus 1991, een
duurzaam karakter heeft gekregen. Naar uit de stukken blijkt had referente
bij dat vertrek tevens een machtiging tot voorlopig verblijf aangevraagd voor
eisers. Daaruit kan worden opgemaakt dat referente op dat momenr kennelijk de
intentie had om eisers naar Nederland mee te nemen of spoedig te laten
volgen. Zij wilde echter eerst onderzoeken hoe het in Nederland was. Van de
intentie om de kinderen duurzaam bij haar moeder in Marokko achter te laten
was mitsdien op dat moment geen sprake. Toen na aankomst in Nederland bleek
dat de gezinssituatie te problematisch was om eisers te laten overkomen,
heeft referente niet verkozen de kinderen bij haar moeder te laten en zelf in
Nederland te blijven. doch is zij omstreeks 1 juni 1992 naar Marokko
teruggekeerd en heeft daar tot eind oktober 1992 verbleven. Gezien deze
omstandigheden kan, naar het oordeel van de rechtbank, de gezinsband in de
hiervoor omschreven periode niet geacht worden te zijn verbroken.

2.12 Evenmin kan de rechtbank zich verenigen met de conclusie van verweerder
dat de feitelijke gezinsband tussen referente en eisers in ieder geval in
oktober 1992 is verbroken. De omstandigheid dat referente bij dit tweede
vertrek naar Nederland in oktober 1992 geen pogingen meer heeft ondernomen
eisers mee te nemen en hen heeft achtergelaten bij haar moeder in Marokko is
op zichzelf niet voldoende voor verweerders stelling dat de gezinsband met
referente in ieder geval vanaf dat moment geacht moet worden definitief te
zijn verbroken. Ingevolge het beleid zoals omschreven in Vc B1/5.1, moet
tevens vaststaan dat referente ook niet meer met het gezag is belast en/of
niet meer !n de kosten van opvoeding en verzorging voorziet.

2.13 Wat betreft het criterium ‘gezag’ merkt de rechtbank op dat voor zover
de gemachtigde van eisers bedoeld heeft te betogen dat onder dit begrip
verstaan moet worden: het juridische gezag. zoals bedoeld in artikel 1:245
e.v. van het Burgerlijk Wetboek, de gemachtigde hierin niet kan worden
gevolgd. Gezien de bewoordingen en ratio van het beleid, is niet het
juridische gezag doorslaggevend, doch juist het morele gezag, te weten de
feitelijke invulling die aan het gezag wordt gegeven: mitsdien of de ouders
de belangrijkste beslissingen omtrent de opvoeding en verzorging hebben
genomen.

2.14 Van belang is derhalve of referente kan aantonen dat zij zich met de
opvoeding en verzorging van eisers is blijven bemoeien en/of zij substantieel
heeft bijgedragen in de kosten van hun verzorging en opvoeding.

2.15 Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat voor de interpretatie van
de in de Vc gestelde voorwaarde wat betreft opvoeding en verzorging
aansluiting moet worden gezocht bij de opvoedingseis zoals gesteld in artikel
7 van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). In de jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zaken betreffende de opvoedingseis, is
vastgesteld dat een (pleeg)ouder bij een in het land van herkomst verblijvend
(pleeg)kind in beginsel – gelet op de grote afstand tussen Nederland en het
land van herkomst – niet de gelegenheid heeft in toereikende mate gestalte te
geven aan de opvoeding en begeleiding van zijn kind. Zelfs in de
omstandigheid dat de (pleeg)ouder zes maanden in het land van herkomst bij
zijn familie verblijft ziet de CRvB geen grond om aan te nemen dat aan de
opvoedingseis is voldaan, aldus verweerder. Bij analoge toepassing van deze
jurisprudentie moet, naar de mening van verweerder, worden geoordeeld dat de
gezinsband tussen referente en eisers definitief is verbroken.

2.16 De rechtbank ziet geen aanleiding om de door verweerder aangehaalde
jurisprudentie inzake artikel 7 AKW in gezinsherenigingszaken analoog toe te
passen. De rechtbank merkt daarbij op dat de CRvB een geheel ander
beoordelingskader heeft dan de vreemdelingenrechter en dat de bedoelde
jurisprudentie van de CRvB ook niet aansluit bij de jurisprudentie die tot op
heden in het vreemdelingenrecht terzake van opvoeding en verzorging is
ontwikkeld. De geografische afstand tussen ouder en kind heeft in het
Vreemdelingenrecht voor de vraag of de (feitelijke) gezinsband verbroken moet
worden geacht nimmer een rol gespeeld en introductie van dit criterium zou,
naar het oordeel van de rechtbank, betekenen dat het gezinsherenigingsbeleid
voor personen uit niet-Europese landen in feite illusoir wordt. Daarnaast
merkt de rechtbank overigens op dat, in de door verweerder bedoelde
jurisprudentie, de strenge eisen in het kader van de AKW uitsluitend worden
gesteld bij pleegouders en pleegkinderen terwijl bij echte ouders juist
vrijwel zonder meer aangenomen wordt dat zij met de verzorging en opvoeding
van hun eigen kinderen belast zijn. Uit deze jurisprudentie moet derhalve
eerder worden geconcludeerd dat de CRvB evenals de Raad van State niet snel
tot het oordeel komt dat een bestaande gezinsband met een echte ouder
verbroken moet worden geacht.
Naar het oordeel van de rechtbank is de jurisprudentie in het kader van
artikel 7 AKW hier niet overeenkomstig van toepassing en zal op grond van
alle aangevoerde feiten en omstandigheden dienen te worden beoordeeld op
welke wijze invulling aan het ouderlijk gezag is gegeven sedert het tweede
vertrek van referente in oktober 1992.

2.17 Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat op basis van de
stukken en het verhandelde ter zitting, voldoende is aangetoond dat referente
en haar echtgenoot in de periode vanaf 21 oktober 1992 tot 24 juli 1997, de
datum van de aanvraag, zowel moreel als financieel betrokken zijn gebleven
bij de verzorging en opvoeding van de kinderen.
Wat betreft het moreel gezag neemt de rechtbank in aanmerking dat de
achterlating van eisers bij de grootouders kennelijk tegen de wens van
referente is geschied en uitsluitend is ingegeven door de onzekere toekomst
alsmede de problemen die referente heeft ondervonden in de beginjaren van
haar huwelijk met haar echtgenoot; voorts dat referente en haar echtgenoot
gedurende voornoemde periode substantiële perioden in het land van herkomst
bij eisers hebben verbleven, waarbij de rechtbank de stelling van verweerder
– dat dit verblijf enkel moet worden aangemerkt als vakantie en derhalve niet
kan worden gezegd dat er tijdens dat verblijf morele afhankelijkheid bestond
tussen referente en eisers, als onaannemelijk verwerpt. Tenslotte acht de
rechtbank voldoende aannemelijk dat referente ook tijdens de perioden dat
referente en haar echtgenoot beiden hier te lande verbleven de belangrijkste
beslissingen over de opvoeding en verzorging van eisers heeft genomen nu
gebleken is dat eisers vanaf referentes vertrek niet uitsluitend bij de
grootouders hebben verbleven, doch (blijkens het verslag van de ambtelijke
commissie) vervolgens bij een tante hebben gewoond, terwijl (blijkens de
verklaring van referente ter zitting) eisers op dit moment in een gehuurde
woning met een gehuurde oppas verblijven.

2.18 Wat betreft de financiële betrokkenheid overweegt de rechtbank het
volgende.
Blijkens het schrijven van de Sociale Verzekeringsbank van 9 oktober 1997
wordt aan referente over het tweede kwartaal van 1993 en vanaf het vierde
kwartaal van 1993 tot heden kinderbijslag toegekend voor eisers. Weliswaar
heeft referente over de periode van 21 oktober 1992 tot het tweede kwartaal
van 1993 geen kinderbijslag ontvangen, doch gezien de regelmatige betalingen
vanaf april 1993 en gelet op hetgeen onder 2.14 is overwogen acht de
rechtbank het niet aannemelijk dat referente juist in de periode vlak na haar
vertrek uit Marokko haar financiële verantwoordelijkheden zou hebben
verzaakt.

2.19Het ingestelde beroep is, gelet op het vorenstaande, mitsdien gegrond. De
overige grieven van eisers kunnen thans onbesproken blijven. De bestreden
beschikking van 4 mei 1999 zal worden vernietigd en verweerder zal binnen
tien weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing dienen te
nemen met inachtneming van de uitspraak.

2.20 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van
artikel 8:75. eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte
proceskosten, op de wijze als hierna vermeld.

2.21 De rechtbank zal tevens met toepassing van artikel 8:74, eerste lid,
Awb. bepalen dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht ad ƒ 225 zal
vergoeden.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond,
3.2 vernietigt de bestreden beschikking van 4 mei 1999,
3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van tien weken opnieuw te
beslissen op het bezwaarschrift van 3 september 1997, met inachtneming van
hetgeen is overwogen in deze uitspraak,
3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420 onder aanwijzing van
de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet
voldoen,
3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door eisers betaalde griffierecht ad ƒ 225.

Rechters

Mr. C.E. Heijning-Huydecoper

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 27 oktober 1999

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Op 1 september 1997 is P. voor de duur van 1 jaar in dienst getreden bij
Benelux Press. Er is een proeftijd voor de duur van twee maanden
overeengekomen. Bij indiensttreding heeft Benelux Press toegezegd dat bij
gebleken geschiktheid na een jaar een contract voor onbepaalde tijd zou
volgen. Ongeveer twee weken na aanvang van de dienstbetrekking heeft P.
medegedeeld dat zij zwanger was. Benelux Press heeft P. vervolgens op 22
oktober 1997 ontslagen.
De werkgever heeft het salaris van P. doorbetaald tot 1 september 1998; het
hoger beroep heeft nog slechts betrekking op de vaststelling door de
kantonrechter dat Benelux Press schadeplichtig is jegens P. wegens het missen
van de kans dat de arbeidsovereenkomst na een jaar zou zijn omgezet in een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, en de op grond daarvan toegekende
schadevergoeding van ƒ 10.000.
De rechtbank wijst de vordering van P. af. Er bestond, anders dan zij heeft
gesteld, geen verplichting voor Benelux Press om haar na afloop van het
jaarcontract in vaste dienst te nemen. Aannemelijk is weliswaar dat het bij
het aangaan van de arbeidsovereenkomst in de lijn der verwachting lag dat dit
zou gebeuren (mede gezien het arbeidsverleden van P.), maar dat is
onvoldoende voor toewijzing van de vordering.

Volledige tekst

Partijen worden hierna aangeduid als P. en Benelux Press.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder de stukken van
het geding in eerste aanleg.

RECHTSOVERWEGINGEN:

In het principaal en incidenteel hoger beroep

1. De procedure in eerste aanleg

1.1 P. heeft Benelux Press gedagvaard voor de kantonrechter te ‘s-Gravenhage
en gevorderd:

1. te verklaren voor recht dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst
strijd oplevert met de wettelijke bepalingen handelend over het goed
werkgeverschap, de discriminatieverboden en de algemene regels van het
overeenkomsten recht resulterend in een toerekenbare tekortkoming aan de
zijde van Benelux Press op grond waarvan deze jegens P. schadeplichtig is;
2. Benelux Press te veroordelen om aan P. te betalen het met haar
overeengekomen salaris vanaf 22 oktober 1997 tot aan 1 september 1998 te
vermeerderen met vakantiebijslag en emolumenten, onder aftrek van de in die
periode door P. ontvangen uitkeringen ingevolge de Ziektewet, alsmede een
door de kantonrechter vast te stellen bedrag ter dekking van door Pul
misgelopen inkomsten vanwege de niet-verlenging van haar contract op en na 1
september 1998;
3. Benelux Press te veroordelen om bij wijze van schadevergoeding de
volledige door P. gemaakte en nog te maken kosten van Rechtsbijstand te
vergoeden;
4. Benelux Press te veroordelen aan P. een bedrag aan immateriële
schadevergoeding te betalen waarvan de hoogte in redelijkheid en billijkheid
door de kantonrechtter dient te worden vastgesteld;
5. de onder 2. tot en met 4. vermelde bedragen te vermeerderen met wettelijke
rente;
6. Benelux Press te veroordelen in de kosten;

P. stelde daartoe dat Benelux Press jegens haar schadeplichtig is omdat
Benelux Press de arbeidsovereenkomst met haar tijdens de proeftijd heeft
beëindigd vanwege haar zwangerschap.

1.2 Benelux Press heeft tegen deze vordering gemotiveerd verweer gevoerd.

1.3 Bij vonnis van 1 december 1998 heeft de kantonrechter:

– voor recht verklaard dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst strijd
oplevert met de wettelijke bepalingen handelend over het goed werkgeverschap
en de discriminatieverboden resulterend in een toerekenbare tekortkoming aan
de zijde van Benelux Press op grond waarvan deze jegens P. schadeplichtig is;
– Benelux Press veroordeeld om aan P. te betalen het met haar overeengekomen
salaris vanaf 22 oktober 1997 tot aan 1 september 1998 te vermeerderen met
vakantiebijslag en emolumenten, onder aftrek van de in die periode door P.
ontvangen uitkeringen in gevolge de Ziektewet, alsmede een bedrag van ƒ
10.000 netto, alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der
dagvaarding, en verminderd met het overigens reeds betaalde;
– Benelux Press veroordeeld in de proceskosten, tot op de datum van het
vonnis in eerste aanleg begroot op ƒ 1.589,42, waarvan ƒ 1.200 aan salaris
van gemachtigde;

onder afwijzing van het meer of anders gevorderde.

2. De procedure in hoger beroep.

2.1 Van dit vonnis is Benelux Press tijdig in hoger beroep gekomen. Benelux
Press heeft 3 grieven aangevoerd tegen dit vonnis en geconcludeerd tot
vernietiging van het vonnis, doch slechts voor zover daarin voor recht wordt
verklaard dat Benelux Press jegens P. schadeplichtig wordt geacht en Benelux
Press wordt veroordeeld om aan P. een bedrag te betalen van ƒ 10.000 netto,
vermeerderd met rente.

2.2 P. heeft de grieven bestreden met conclusie tot bekrachtiging van het
bestreden vonnis, waar nodig met verbetering van gronden en vaststelling van
een hoger bedrag aan schadevergoeding, met veroordeling van Benelux Press in
de werkelijke kosten van beide instanties, daaronder de volledige, althans
substantiële kosten van rechtsbijstand gerekend. Naar het oordeel van de
rechtbank ligt, zonder dat het onder die benaming wordt aangegeven, in de
memorie van antwoord een incidenteel hoger beroep besloten. Uit de memorie
van antwoord kan niet anders worden afgeleid dan dat P. bezwaar maakt tegen
het oordeel van de kantonrechter dat de vordering tot vergoeding van de
volledige kosten van rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Hiermee heeft P. op voor Benelux Press begrijpelijke wijze kenbaar gemaakt
dat zij tegen een beslissing van de kantonrechter bezwaar heeft.

2.3 Benelux Press heeft zich niet uitgelaten over het incidenteel hoger
beroep.

3. De grieven

3.1 De grieven van Benelux Press richten zich tegen de uitgesproken
verklaring voor recht dat Benelux Press jegens P. schadeplichtig is en tegen
de veroordeling tot betaling van een bedrag van ƒ 10.000 netto wegens het
missen van de kans dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op 1
september 1998 zou zijn omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde
tijd. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling, en worden
voorzover nodig in het navolgende besproken.

3.2 In de memorie van antwoord van P. ligt een grief besloten tegen het
oordeel van de kantonrechter dat de veroordeling tot vergoeding van de
volledige kosten van rechtsbijstand niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4. Feiten

4.1 In hoger beroep staat – voor zover van belang – het volgende vast.

a. Op 1 september 1997 is P. voor de duur van 1 jaar in dienst getreden bij
Benelux Press. Partijen zijn daarbij een proeftijd voor de duur van twee
maanden overeengekomen. Bij indiensttreding heeft Benelux Press aan P.
toegezegd dat bij gebleken geschiktheid na een jaar een contract voor
onbepaalde tijd zou volgen.
b. Ongeveer twee weken na aanvang van de dienstbetrekking heeft P. aan de
heer Kaan, directeur van Benelux Press, medegedeeld dat zij zwanger was.
c. Op 22 oktober 1997 heeft Benelux Press P. ontslagen.

5. Beoordeling

In het principaal hoger beroep

5.1 Benelux Press betwist in hoger beroep niet langer dat P. is ontslagen
vanwege haar zwangerschap. Zij betwist echter wel dat zij dientengevolge
schadeplichtig is. Benelux Press stelt daartoe dat een ontslag met een
discriminatoir karakter ingevolge artikel 7:647, eerste lid, van het
Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigbaar is, alsmede dat een dergelijk ontslag
ingevolge het vierde lid van dat artikel de werkgever niet schadeplichtig
maakt. Daar Benelux Press het salaris van P. heeft doorbetaald tot 1
september 1998, en daarmee heeft aanvaard dat de arbeidsovereenkomst doorliep
tot haar natuurlijk einde, is zij daarnaast in haar visie niet ook nog
schadeplichtig.

5.2 P. heeft betoogd dat de wet ten tijde van haar ontslag geen sanctie kende
op overtreding van het bepaalde in artikel 7:646 BW. In haar visie dient een
ontslag in strijd met dit artikel dan ook te worden beoordeeld naar de regels
van het gemene recht, waarbij zij de vrije keuze zou hebben te kiezen voor
die bepalingen die tot schadeplichtigheid leiden en tot volledige
schadevergoeding. P. merkt daarbij op dat naar haar mening het uitsluiten van
de schadeplicht in artikel 6:647, vierde lid, BW dient te worden beschouwd
als een kennelijke vergissing van de wetgever voorzover deze bepaling
betrekking heeft op discriminatoir ontslag.

5.3 De rechtbank overweegt dat in deze procedure het arbeidsrecht van
toepassing is zoals dat luidde ten tijde van het aan P. verleende ontslag, te
weten 22 oktober 1997.

5.4 Artikel 6:647, eerste lid, BW (oud) zag, gelijk P. heeft gesteld, slechts
op het zogenoemde victimisatie-ontslag en niet op het discriminatoir ontslag
zelf. Uit deze bepaling kan dan ook niet worden afgeleid dat een
discriminatoir ontslag destijds vernietigbaar was.

Anders dan P. heeft betoogd, kende de wet ten tijde van het haar gegeven
ontslag echter wel de sanctie van vernietigbaarheid ten aanzien van
discriminatoir ontslag. Ingevolge het bepaalde in artikel 8, eerste lid,
Algemene wet gelijke behandeling, zoals dat artikel luidt sinds 1 april 1997,
was ten tijde van het ontslag de beëindiging van een dienstbetrekking in
strijd met het verbod van ongelijke behandeling van mannen en vrouwen
vernietigbaar. Hieruit volgt dat op dat moment ook een discriminatoir ontslag
in de zin van artikel 7:646, eerste lid, BW vernietigbaar was.

5.5 Gelijk Benelux Press heeft aangevoerd, is in artikel 7:647, vierde lid,
BW, uitdrukkelijk bepaald dat de beëindiging als bedoeld in artikel 7:646,
eerste lid, er BW de werkgever niet schadeplichtig maakt.

5.6 De rechtbank stelt voorop dat het hoger beroep slechts betrekking heeft
op de door P. gevorderde schade wegens het missen van de kans dat de
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op 1 september 1998 zou zijn omgezet
in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Wat de grondslag is van de
loonbetaling tot 1 september 1998 staat daarom thans niet ter beoordeling.

Ook indien de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat P., ondanks
het bepaalde in het vierde lid van artikel 7:647 BW, het ontslag als een feit
kan aanvaarden en schadevergoeding kan vorderen, kan in ieder geval de
vordering die in hoger beroep beoordeeld moet worden niet voor toewijzing in
aanmerking komen.

Er bestond, anders dan P. heeft gesteld, geen verplichting voor Benelux Press
om P. na afloop van het jaarcontract in vaste dienst te nemen. P. heeft ter
onderbouwing van haar stelling aangevoerd dat, uitgaande van de stelling van
Benelux Press dat gehandeld moet worden als ware de arbeidsovereenkomst op en
na 22 oktober 1997 doorgelopen, ingevolge de ‘Richtlijnen Benelux Press’
(productie 8 bij conclusie van repliek) Benelux Press uiterlijk vóór 1 juli
1997 aan P. had moeten aangeven dat van verlenging geen sprake zou zijn. Dit
is naar P. stelt niet gebeurd, hetgeen volgens haar betekent dat omzetting in
een contract voor onbepaalde tijd moest volgen.

De rechtbank overweegt dat P. blijkens haar eigen stellingen (punt 22 bij
conclusie van repliek) bij fax van 29 mei 1998 ervoor heeft gekozen om niet
langer de nietigheid van het ontslag in te roepen, maar om in plaats daarvan
schadevergoeding te vorderen. Vanaf dat moment was het voor alle partijen
duidelijk dat P. niet meer voor Benelux Press werkzaam zou zijn.
Dientengevolge kan Benelux Press niet worden tegengeworpen dat zij niet
alsnog vóór 1 juli 1997 uitdrukkelijk aan P. heeft aangeven dat van
verlenging geen sprake zou zijn.

5.7 Niet gebleken is dat P. er op enig moment gerechtvaardigd op heeft mogen
vertrouwen dat het jaarcontract zou overlopen in een contract voor onbepaalde
duur. Het enkele feit dat P. is toegezegd dat bij gebleken geschiktheid na
een jaar een contract voor onbepaalde tijd zou volgen, is daartoe
onvoldoende. Aannemelijk is weliswaar dat het bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst in de lijn der verwachting lag dat na een jaar een
contract voor onbepaalde duur zou volgen (mede gezien het arbeidsverleden van
P.), maar dat is onvoldoende voor toewijzing van de vordering.

5.8 Uit het voorgaande volgt dat de tweede grief van Benelux Press slaagt.
Bij de grieven l. en 3., voorzover deze zijn gericht tegen de overweging van
de kantonrechter dat Benelux Press jegens P. schadeplichtig is en tegen de
terzake uitgesproken verklaring voor recht, heeft Benelux Press gelet daarop
geen belang.

In het incidenteel hoger beroep voorts

5.9 De vordering tot volledige vergoeding van de door P. gemaakte en nog te
maken kosten van rechtsbijstand komt niet voor toewijzing in aanmerking. Het
enkele feit dat P. in strijd met de geldende wettelijke bepalingen is
ontslagen, is daartoe onvoldoende. Evenmin kan Benelux Press worden
tegengeworpen dat zij van de uitspraak in eerste aanleg in hoger beroep is
gekomen, temeer niet daar Benelux Press in hoger beroep in het gelijk is
gesteld. De rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden evenmin aanleiding om
af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief.

In het principaal en incidenteel hoger beroep voorts

5.10 De rechtbank ziet in de uitkomst van deze procedure aanleiding te
bepalen dat ieder der partijen de eigen kosten draagt, zowel in eerste aanleg
als in principaal en incidenteel hoger beroep.

BESLISSING in hoger beroep:

De rechtbank:

in het principaal hoger beroep

– vernietigt het tussen partijen gewezen en op 1 december 1998 uitgesproken
vonnis van de kantonrechter te ‘s-Gravenhage, voor zover Benelux Press daarin
wordt veroordeeld om tegen kwijting aan P. te betalen een bedrag van ƒ 10.000
netto, vermeerderd met wettelijke rente, alsmede voor zover Benelux Press
daarin wordt veroordeeld in de proceskosten.

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

– compenseert de proceskosten in eerste aanleg aldus dat iedere partij de
eigen kosten draagt;

– wijst het meer of anders gevorderde af;

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep voorts

-bekrachtigt het tussen partijen gewezen en op 1 december uitgesproken vonnis
van de kantonrechter te ‘s-Gravenhage voor het overige;

– compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Von Maltzahn, Wattel en De Weerd

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 22 oktober 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Verzoekster stelt dat de overgangsregeling van de Wet limitering na scheiding niet geldt indien de alimentatiegerechtigde behoort tot een generatie, die ten tijde van het totstandkomen van de wet geen maatregelen meer kon treffen om zelf in haar levensonderhoud te voorzien. De Hoge Raad oordeelde dat de overgangsregeling geldt voor alle gevallen waarin de alimentatie voor de inwerkingtreding van bedoelde wet is overeengekomen of door de rechter toegekend, maar dat aan beslissingen, waarbij het beroep van de alimentatiegerechtigde op de uitzondering van art. II lid 2 WLA wordt verworpen dan wel slechts voor een beperkte termijn wordt gehonoreerd, in het algemeen hoge motiveringseisen moeten worden gesteld. (uitspraak na verwijzing door Hoge Raad, zie Hof Amsterdam 31 augustus 2000, nr. 933/99)

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 14 april 1997 ter griffie van de Rechtbank te ‘s-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie – verder te noemen: de man – zich, gewend tot die Rechtbank en verzocht:
primair te bepalen dat hij met ingang van 1 januari 1997, subsidiair met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift niet langer gehouden is om enige onderhoudsbijdrage aan verzoekster tot cassatie – verder te noemen: de vrouw – te voldoen;
subsidiair te bepalen dat hij met ingang van 1 januari 1997, subsidiair met ingang van de datum van het indienen van dit verzoek een onderhoudsbijdrage verschuldigd is van ƒ 266 per maand, subsidiair ƒ 532 per maand, dan wel een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.
De vrouw heeft het verzoek bestreden. Voorts heeft zij zelfstandig verzocht de beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 5 februari 1986 in dier voege te wijzigen dat de man met ingang van 1 april 1997 een dusdanige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw voldoet, dat het vrij besteedbaar inkomen van partijen gelijk is, subsidiair te bepalen dat de man met ingang van 1 april 1997 een bijdrage van f 495,31 per maand dient te voldoen, alsmede te bepalen dat de man met ingang van 1 april 1997 gedurende een termijn van tien jaren verplicht zal zijn bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en te bepalen dat de hiervoor genoemde termijn na ommekomst kan worden verlengd.
De man heeft tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw verweer gevoerd.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 30 december 1997, met wijziging van de beschikking van 5 februari 1986 van de Rechtbank te Amsterdam, de door de man met ingang van 1 april 1997 te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw bepaald op ƒ 1110 per maand. Voorts heeft de Rechtbank de onderhoudsplicht van de man op 1 juli 2000 beëindigd, bepaald dat deze termijn na ommekomst niet meer verlengd kan worden, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw, voor zover daarbij is bepaald dat de onderhoudsplicht van de man eindigt op 1 juli 2000 en dat deze termijn na ommekomst niet verlengd kan worden, hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage;
zij heeft verzocht te bepalen dat de onderhoudsplicht van de man eindigt op 1 juli 2017, althans op een door het Hof in goede justitie vast te stellen datum.
De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 31 juli 1998 heeft het Hof in het principale en het incidentele hoger beroep de beschikking van de Rechtbank van 30 december 1997 bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht de beschikking van het Hof te bekrachtigen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn in 1946 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. De vrouw heeft gedurende het huwelijk zorg gedragen voor de kinderen en de huishouding.
(ii) Nadat partijen in 1976 van tafel en bed warengescheiden, is bij vonnis van 3 juni 1977 het huwelijk ontbonden.
(iii) De man voldoet sinds de scheiding van tafel en bed alimentatie aan de vrouw. Na eerdere wijzigingen is de alimentatie bij beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 5 februari 1986 met ingang van 1 juli 1985 vastgesteld op ƒ 2500 per maand en met ingang van 1 april 1986 op ƒ 1500 per maand. Verhoogd met indexeringen beliep de alimentatie eind 1997 ƒ 1867,25 per maand.
(iv) De vrouw ontvangt daarnaast sedert 1 april 1986 een AOW-uitkering, die in 1996 ƒ 18 421 beliep, alsmede sedert 1 april 1997 pensioenuitkeringen betreffende 25 %van het ouderdomspensioen van de man tot een totaalbedrag van ƒ 9100 per jaar.

3.2. In deze, bij verzoekschrift van 14 april 1997 ingeleide, procedure verzoekt de man primair met een beroep op het bepaalde in art. II van de Wet limitering na scheiding zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw te beëindigen met ingang van 1 juli 1997. Hij stelt daartoe dat hij al 21 jaar alimentatie betaalt.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat beëindiging per 1 juli 1997 van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Gelet op de huidige leeftijd van de vrouw (76 jaar), haar leeftijd ten tijde van de scheiding van tafel en bed (55 jaar) en ten tijde van de echtscheiding (56 jaar), de duur van het huwelijk tot de scheiding van tafel en bed (ruim 29 jaar), de omstandigheid dat de vrouw tijdens de huwelijkse samenleving niet heeft gewerkt en voor de man en de drie kinderen van partijen heeft gezorgd, de omstandigheid dat partijen op huwelijkse voorwaarden gehuwd zijn geweest, waarbij alles op naam van de man is gesteld, alsmede op de omstandigheid dat zij na de echtscheiding van partijen tien jaar in therapie is geweest om de echtscheiding te boven te komen (…).
De Rechtbank heeft echter wel, enkel op grond van het feit dat de man al 21 jaar alimentatie betaalde, de onderhoudsplicht van de man met ingang van 1 juli 2000 beëindigd, en bepaald dat de tot dan lopende termijn na ommekomst niet verlengd kan worden.
Daarnaast verminderde zij, rekening houdende met de onder 3.1 iv) genoemde pensioenuitkering, de alimentatie voor de periode van 1 april 1997 tot 1 juli 2000 tot f 1110 per maand.

3.3. Het Hof heeft de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd. In het licht van de onder 3.1 en 3.2 vermelde omstandigheden, alsmede het feit dat zij bij het wegvallen van de alimentatie in aanmerking zou komen voor een ziekenfondsverzekering en, na een jaar, voor huursubsidie ten bedrage van ten hoogste ƒ 125 per maand, was het Hof “met de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat van de vrouw niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gevergd kan worden dat de alimentatieverplichting van de man met ingang van 1 juli 2000 eindigt, waarbij het hof in het midden laat of de vrouw wel of niet haar inkomsten aanvult door een kamer te verhuren.” De overgangsperiode tot 1 juli 2000 zou de vrouw, aldus het Hof, “te baat kunnen nemen het huis enigszins te laten aanpassen, zodat het eenvoudiger wordt een kamer te verhuren en in ieder geval zal zij ter overbrugging van het jaar dat zij nog geen huursubsidie krijgt een spaarpotje kunnen vormen.”

3.4. Het middel voert naast een rechtsklacht een tweetal motiveringsklachten aan tegen de beslissing van het Hof de alimentatieverplichting van de man met ingang van 1 juli 2000 te beëindigen.

3.5. De rechtsklacht komt erop neer dat de in de Wet limitering na scheiding opgenomen overgangsregeling, die tot uitgangspunt heeft dat de alimentatieplicht eindigt na afloop van de in art. II genoemde termijn van 15 jaar, niet geldt in het, zich hier voordoende, geval van een alimentatiegerechtigde die tot een generatie behoort die toen die wet tot stand kwam geen maatregelen meer kon treffen om zelf in haar levensonderhoud te voorzien.
De klacht faalt. De overgangsregeling is, voorzover hier van belang, van toepassing op alle gevallen waarin sprake is van uitkeringen tot levensonderhoud na het einde van het huwelijk, die vóór de inwerkingtreding van genoemde wet zijn overeengekomen of door de rechter toegekend.

3.6. Bij de beoordeling van de motiveringsklachten moet het volgende worden vooropgesteld.
Aan beslissingen waarbij onder vigeur van art. II, tweede lid, van de Wet limitering na scheiding het beroep van de alimentatiegerechtigde op de daarin vervatte uitzondering aanstonds wordt verworpen, dan wel slechts voor een beperkte termijn en met uitsluiting van de mogelijkheid van verlenging van die termijn wordt gehonoreerd, moeten – behoudens in het zich hier niet voordoende geval waarin de beëindiging van de uitkering voor de alimentatiegerechtigde geen of slechts een relatief onbetekenende terugval in inkomen ten gevolge heeft – hoge motiveringseisen worden gesteld, als omschreven in de beschikkingen HR 26 maart 1999, nr. R98/014, NJ 1999, 653, HR 26 maart 1999, nr. R98/087, NJ 1999, 654 en HR 26 maart 1999, nr. R98/116, NJ 1999, 655.

3.7. ’s Hofs beslissing voldoet niet aan die motiveringseisen. Deze brengen onder meer mee dat de rechter moet doen uitkomen welke omstandigheden, zowel aan de zijde van de alimentatiegerechtigde als aan de zijde van de alimentatieplichtige, hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze in zijn afweging heeft betrokken. Het Hof had dan ook, zoals het middel terecht betoogt, niet in het midden mogen laten of beëindiging van de uitkering de vrouw zou noodzaken tot verhuizing ingeval zij niet zou overgaan tot onderverhuur en evenmin of van de vrouw zou kunnen worden gevergd dat zij zou verhuizen dan wel onderverhuren. Voorts klaagt het middel terecht over onbegrijpelijkheid van ’s Hofs oordeel dat de vrouw in ieder geval ter overbrugging van het jaar dat zij nog geen huursubsidie krijgt een “spaarpotje” zal kunnen vormen. Het Hof laat immers na te vermelden welke gegevens inzake de behoefte van de vrouw, die – naar in de overwegingen van het Hof besloten ligt – in de periode van 1 juli 1997 tot 1 juli 2000 voor genoemd doel een bedrag van omstreeks ƒ 1500 zou kunnen sparen, bij dat oordeel tot uitgangspunt zijn genomen. Beide motiveringsklachten treffen derhalve doel.

4. BESLISSING

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 31 juli 1998;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Amsterdam.

Rechters

Mrs. Roelvink, Neleman, Fleers, De Savornin Lohman, Kop; A-G De Vries Lentsch-Kostense