Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 15 oktober 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Aan de orde is de vraag of en in hoeverre een vertrouwensarts van een Bureau
Vertrouwensartsen (nu: Meldpunten Kindermishandeling) zich kan beroepen op
een geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht ten aanzien van hetgeen hem of
haar is meegedeeld door niet professionele melders, zijnde melders die niet
zelf tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van ambt, beroep of
betrekking.
In casu was de vertrouwensarts opgeroepen te getuigen in een voorlopig
getuigenverhoor. Nu een vertrouwensarts van een Bureau Vertrouwensartsen
(BVA) in de relatie tot niet professionele melders geen beroep uitoefent op
het gebied van de individuele gezondheidszorg is de vertrouwensarts niet
gebonden door het medisch beroepsgeheim, en kan zich derhalve evenmin
beroepen op het daarop te baseren verschoningsrecht. Een functionele
geheimhoudingsplicht en een daarop te baseren verschoningsrecht kunnen -bij
stilzwijgen van de wet- uitsluitend worden aanvaard indien en voorzover moet
worden aangenomen dat met het effectief kunnen uitoefenen van het
desbetreffende beroep zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn gemoeid en
dat de gerede mogelijkheid bestaat dat zonder het aanvaarden van de
betreffende geheimhoudingsplicht en het daarop te baseren verschoningsrecht
deze laatste belangen aanmerkelijk zouden kunnen worden geschaad en dat voor
dit laatste de belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in rechte
moeten wijken. Toepassing van deze maatstaf leidt tot de conclusie dat de
vertrouwensarts BVA slechts in zoverre een geheimhoudingsplicht en een daarop
te baseren verschoningsrecht kunnen worden toegekend als nodig is om de
anonimiteit van niet professionele melders te waarborgen.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Op 10 juni 1997 hebben thans verweerders in cassatie – verder te noemen: de
dochter en de zoon -, de laatste als destijds minderjarige vertegenwoordigd
door zijn moeder – zich tot de Rechtbank te Dordrecht met het verzoek een
voorlopig getuigenverhoor te bevelen in verband met hun voornemen tegen een
achttal instellingen en personen, onder wie thans verzoeker tot cassatie X en
de Stichting De L., onder welke Stichting het Bureau vertrouwensartsen,
essorteert, één of meer rechtsvorderingen in te stellen ter zake van één of
meer jegens de dochter en de zoon gepleegde onrechtmatige daden. Onder meer
[verzoeker] heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 7 augustus 1997 in de onderhavige zaak
een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Tijdens het getuigenverhoor op 11
november 1997 heeft [verzoeker] zich met betrekking tot een hierna in 3.1
onder (iii) vermelde vraag beroepen op zijn verschoningsrecht en de
rechter-commissaris heeft bij beschikking van 11 november 1997 dit beroep
gehonoreerd.

Tegen de beschikking van de rechter-commissaris hebben de dochter en de zoon
hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage.

[Verzoeker] heeft in appel geen verweerschrift ingediend.

Bij beschikking van 31 juli 1998 heeft het Hof de bestreden beschikking van
de rechter-commissaris vernietigd en, opnieuw beschikkende, [verzoeker] het
recht ontzegd zich als getuige te verschonen anders dan in de gevallen, zoals
in de rov. 7 en 8 van deze beschikking is aangegeven.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt
daarvan deel uit.
De dochter en de zoon hebben verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van
het beroep.

3. BEOORDELING VAN DE MIDDELEN

3.1 Het gaat in dit geding om het volgende.
(i) Op 10 juni 1997 hebben de dochter en de zoon – de laatste als destijds
minderjarige vertegenwoordigd door zijn moeder – zich gewend tot de Rechtbank
te Dordrecht met het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen in
verband met hun voornemen tegen een aantal instellingen en personen, onder
wie [verzoeker], die als vertrouwensarts in dienst is van een bureau
vertrouwensartsen (hierna: BVA) en de Stichting De L., onder welke instelling
het desbetreffende BVA ressorteerde, één of meer rechtsvorderingen in te
stellen ter zake van, naar zij stellen, één of meer jegens hen gepleegde
onrechtmatige daden ten gevolge waarvan zij grote, voornamelijk immateriële
schade hebben geleden en lijden en verder dreigen te lijden. Ter toelichting
hebben zij in het verzoekschrift onder meer vermeld – kort weergegeven – dat
twee zusters van hen aangifte hebben gedaan van incest en/of mishandeling,
gepleegd door (één van) hun ouders, waarna de ouders zijn aangehouden, een
strafrechtelijk onderzoek is gevolgd en de dochter en de zoon zijn gehoord
door de Raad voor de Kinderbescherming. De dochter en de zoon stellen dat zij
nodeloos in het onderzoek zijn betrokken alsof ook ten aanzien van hen sprake
zou zijn geweest van incest en/of mishandeling, hetgeen, aldus de dochter en
de zoon, niet het geval was.
(ii) De Rechtbank heeft het verzoek toegewezen. Naar aanleiding van het
verweer van [verzoeker] en de Stichting De
L. dat [verzoeker] een beroep toekwam op zijn geheimhoudingsplicht heeft de
rechtbank overwogen dat het aan de rechter-commissaris die de getuige
verhoort, is om te bepalen of die getuige al dan niet een beroep op een
verschoningsrecht toekomt.
(iii) Op 11 november 1997 heeft een voorlopig getuigen-verhoor
plaatsgevonden. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft
[verzoeker] als getuige verklaard:
‘Sinds 9,5 jaar ben ik werkzaam als vertrouwensarts bij het Bureau
Vertrouwensarts te R.. Op uw vraag of ik iets wil zeggen over de wijze waarop
en door wie ik ben benaderd over de kwestie waar het verzoekschrift over
gaat, beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.’
De raadsman van de dochter en de zoon heeft vervolgens zijn vraag
gepreciseerd: welke signalen heeft [verzoeker] ontvangen en wat is zijn
advies geweest aan de adviesvrager(s)? Ook ten aanzien van die vragen heeft
[verzoeker] zich beroepen op zijn verschoningsrecht. De rechter-commissaris
heeft het beroep op het verschoningsrecht ten aanzien van deze vragen
gehonoreerd ‘gelet op de positie van [verzoeker]’, aldus het proces-verbaal.
Op andere vragen heeft [verzoeker] blijkens het proces-verbaal wel antwoord
gegeven. Die andere vragen hadden hoofdzakelijk betrekking op het besprokene
in een vergadering van vertegenwoordigers van diverse instellingen op 10 mei
1996, waarbij [verzoeker] aanwezig is geweest.
(iv) Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat [verzoeker]
betrokken is geweest bij een bespreking naar aanleiding van twee aangiftes
betreffende de vader en de
moeder, welke aangiftes betrekking hadden op (een vermoeden van) seksueel
misbruik c.q. mishandeling van onder meer de dochter en de zoon en dat hij
daarnaast, naar zijn eigen
verklaring, is benaderd door één of meer personen voor een advies hoe om te
gaan met de problematiek in dit gezin, welke perso(o)n(en) [verzoeker]
rangschikt onder de categorie niet-professionals, dat wil zeggen diegenen die
niet uit hoofde van beroep of ambt een verschoningsrecht hebben (rov. 2). Bij
de mondelinge behandeling heeft de raadsman van de dochter en de zoon
aangegeven dat het hem niet gaat om de naam van de melder/melders, maar om de
gemelde signalen en/of uitgebrachte adviezen en/of uitgevoerde activiteiten
(rov. 3).
(v) Het Hof heeft de beschikking van de rechter-commissaris vernietigd en
[verzoeker] het recht ontzegd zich als getuige te verschonen anders dan in de
gevallen aangegeven in de
rov. 7 en 8 van zijn beschikking. In rov. 8 vat het Hof zijn oordeel als
volgt samen:
‘De enige restrictie die uit het vorenoverwogene voortvloeit betreft de
anonimiteit van de advies-vragende melders. Iedere vraag die leidt tot een
antwoord dat de identiteit van de
laatsten zou kunnen onthullen, mag met een beroep op het verschoningsrecht
onbeantwoord blijven. Voor het overige is de vertrouwensarts verplicht te
spreken indien hij daartoe in rechte als getuige wordt gehoord.’

3.2.1 De middelen keren zich tegen de ontzegging door het Hof aan [verzoeker]
van het recht zich als getuige te verschonen, zoals hiervoor vermeld in 3.1
onder (v).

3.2.2 In het hierna volgende verstaat de Hoge Raad onder:
– BVA: een instelling waaraan kindermishandeling vertrouwelijk gemeld kan
worden en die na onderzoek door middel van verwijzing naar of inschakeling
van andere hulpverleners tracht een oplossing te realiseren voor het probleem
van de mishandeling en de daaraan ten grondslag liggende oorzaken (vgl. de
Bijlage bij de Wet op de Jeugdhulpverlening van 8
augustus 1989, Stb. 358);
– niet-professionele melder: degene die zich tot een vertrouwensarts BVA
heeft gewend, onverschillig of hij zich daarbij heeft beperkt tot het melden
van een (vermoedelijk) geval van kindermishandeling dan wel of hij ter zake
(mede) advies van de vertrouwensarts heeft gevraagd en gekregen dan wel
overleg met hem heeft gepleegd, voor zover hij niet zelf tot geheimhouding
verplicht is uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen
hem in die hoedanigheid is toevertrouwd.

3.3.1 Middel I keert zich tegen rov. 5 van het Hof, waarin het Hof de
stelling van [verzoeker] dat in het geval van niet-professionele melders de
algemene regels van het beroepsgeheim van de arts en dus ook van het hierop
gebaseerde verschoningsrecht, evenzeer op de vertrouwensarts BVA van
toepassing zijn, heeft verworpen. Het middel stelt zich op het standpunt dat
de vertrouwensarts BVA het medische beroep uitoefent en dat het medisch
beroepsgeheim en het daarop te baseren verschoningsrecht mitsdien ook geldt
voor de vertrouwensarts BVA.

3.3.2 Art. 191, tweede lid onder b, Rv. houdt in dat zij die tot
geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking,
zich kunnen verschonen van de verplichting tot het afleggen van getuigenis
omtrent het-geen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.
Tot die geheimhouders behoort, naar de Hoge Raad sinds lang aanneemt, de
behandelende arts: uit de eisen van diens beroep vloeit voort dat hij jegens
zijn patiënt tot geheimhouding verplicht is (HR 21 april 1913, NJ 1913, blz.
958). Naar thans volgt uit hetgeen is bepaald in art. 88 van de Wet op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg, in werking getreden op 1 december
1995 (Stb. 1993, 655, hierna: de
Wet BIG), is de arts verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte
van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van
de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd of wat daarbij als
geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen
en waarvan hij het vertrouwelijk karakter moest begrijpen.

3.3.3 Uit het in 3.3.2 overwogene volgt dat, anders dan het middel wil, niet
beslissend is of de vertrouwensarts BVA “het medisch beroep uitoefent”, maar
of gezegd kan worden dat de vertrouwensarts BVA een beroep uitoefent “op het
gebied van de individuele gezondheidszorg”.
Dienaangaande is vooreerst van belang dat het beroep van vertrouwensarts BVA
niet behoort tot de in of krachtens de Wet BIG aangewezen beroepen op het
gebied van de individuele gezondheidszorg. Kenmerkend voor dergelijke
beroepen is, naar valt af te leiden uit art. 1 Wet BIG, een rechtstreekse
relatie tussen de beroepsbeoefenaar en een persoon, welke relatie ten doel
moet hebben: zo al niet om deze persoon van een ziekte te genezen, hem voor
het ontstaan van een ziekte te behoeden, zijn gezondheidstoestand te
beoordelen dan wel verloskundige bijstand te verlenen, dan toch ten minste om
zijn gezondheid te bevorderen of te bewaken. De relatie tussen de
vertrouwensarts BVA en de niet-professionele melders die zich tot hem wenden
– en uitsluitend om die rechtstreekse relatie gaat het hier, óók in de visie
van [verzoeker] -, kan evenwel niet als een dergelijke relatie worden
aangemerkt. In het midden kan blijven of zulks in uitzonderlijke gevallen
anders kan zijn, want dat zich hier een dergelijk geval voordoet, heeft
[verzoeker] niet aangevoerd. De uitkomst is dat het middel faalt: de
vertrouwensarts BVA is ter zake van hetgeen hem uit hoofde van zijn beroep
door niet-professionele melders is toevertrouwd niet gebonden door het
medisch beroepsgeheim en kan zich derhalve evenmin beroepen op het daarop te
baseren verschoningsrecht.
Deze uitkomst strookt ook daarmee dat in de relatie tussen degene die een
beroep uitoefent op het gebied van de individuele gezondheidszorg, en de
persoon door wie of voor, wie zijn hulp wordt ingeroepen, de belangen van
deze persoon centraal staan, terwijl in de regel in de relatie tussen de
vertrouwensarts BVA en niet-professionele melders zwaarwegende, immers veelal
tot de kern van het persoonlijkheidsrecht behorende belangen van derden
(waaronder in de eerste plaats het betrokken kind) centraal staan.
Met dit laatste valt een ruime en vergaande, immers in beginsel ook jegens
deze derden geldende geheimhoudingsplicht en een daarop te baseren
verschoningsrecht van de vertrouwensarts BVA als door het middel bepleit
moeilijk te rijmen.

3.4 Het Hof heeft na te hebben geoordeeld dat [verzoeker] zich niet kan
beroepen op zijn medisch beroepsgeheim en het daarop te baseren
verschoningsrecht, tevens geoordeeld dat [verzoeker] iedere vraag die leidt
tot een antwoord dat de identiteit van de niet-professionele melders zou
kunnen onthullen, met een beroep op zijn verschoningsrecht onbeantwoord mag
laten. ‘Voor het overige ziet het Hof geen goede grond waarom de
vertrouwensarts in een geval als het onderhavige een geheimhoudingsplicht zou
moeten hebben’ (rov. 8).

Naar de kern genomen strekt middel II ten betoge dat het Hof ten onrechte
niet heeft aanvaard dat de eisen van het beroep van vertrouwensarts BVA
meebrengen dat deze ter zake van al hetgeen hem uit hoofde van zijn beroep
door niet-professionele melders is toevertrouwd een functioneel beroepsgeheim
en een daarop te baseren verschoningsrecht dient te worden toegekend, dat
dezelfde (ruime) omvang heeft als het medisch beroepsgeheim. Ook dit betoog
moet worden verworpen. Klaarblijkelijk en terecht heeft het Hof tot
uitgangspunt genomen dat, gegeven het gewicht van de belangen die gemoeid
zijn met de waarheidsvinding in rechte, bij stilzwijgen van de wet een
functionele geheimhoudingsplicht en een daarop te baseren verschoningsrecht
uitsluitend kunnen worden aanvaard indien en voor zover moet worden
aangenomen:
(1°) dat met het effectief kunnen uitoefenen van het desbetreffende beroep
zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn gemoeid;
(2°) dat de gerede mogelijkheid bestaat dat zonder het aanvaarden van de
desbetreffende geheimhoudingsplicht en het daarop te baseren
verschoningsrecht deze laatste belangen aanmerkelijk zouden kunnen worden
geschaad en
(3°) dat voor dit laatste de belangen die gemoeid zijn met de
waarheidsvinding in rechte, moeten wijken. Toepassing van deze, een afweging
in abstracto vergende maatstaf heeft het Hof tot de – mede in verband met de
voormelde bij het uitoefenen van het beroep van vertrouwensarts BVA betrokken
belangen van derden – juiste slotsom gevoerd dat de vertrouwensarts BVA
slechts in zoverre een geheimhoudingsplicht en een daarop te baseren
verschoningsrecht kunnen worden toegekend als nodig is om de anonimiteit van
niet-professionele melders te waarborgen.

4.BESLISSING

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de president Martens als voorzitter en de
raadsheren Heemskerk, Herrmann, Fleers en Kop, en in het openbaar
uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 15 oktober 1999.

Rechters

Mrs. Martens, Heemskerk, Herrmann, Fleers en Kop

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 14 oktober 1999

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Verdachte staat terecht wegens ontucht met minderjarige, mede bestaand uit
het seksueel binnendringen van het lichaam. De rechtbank veroordeelt tot het
verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 240
uur, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. De vordering van
de benadeelde partij wordt toegewezen:
ƒ 10.705 schadevergoeding, waarvan ƒ 10.000 voor immateriële schade.

Volledige tekst

1 TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is tenlastegelegd, dat

1. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december
1991 tot 3 januari 1994 te G., gemeente B., met K., geboren op (…) 1982,
die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of
meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en)
uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die K., hebbende verdachte
(telkens) één of meer van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die K.
geduwd/gebracht;

2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 januari
1994 tot 28 februari 1997 te G., gemeente B. en/of in de gemeente W., in elk
geval in het arrondissement Alkmaar, met K., geboren op (…) 1982, die de
leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,
die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van
het lichaam van die K., hebbende verdachte (telkens) één of meer van zijn,
verdachtes, vinger(s) in de vagina van die K. geduwd/gebracht;

3. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari
1991 tot 1 december 1991 te G., gemeente B., met K., geboren op (…) 1982,
die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of
meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) bestaande in het
ontuchtig strelen van en/of wrijven over de (blote) vagina en/of de (blote)
borst(en) van die K.;

4. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december
1991 tot 28 februari 1997 te G., gemeente B. en/of in de gemeente W., in elk
geval in het arrondissement Alkmaar, met K., geboren op (…) 1982, die toen
de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens)
een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit
het ontuchtig strelen van en/of wrijven over de (blote) vagina en/of de
(blote) borst(en) van die K.;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen
deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de
verdediging.

2 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het
tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1. hij op tijdstippen in de periode van 1 december 1991 tot 3 januari 1994 te
G., gemeente B., met K., geboren op (…) 1982, die toen de leeftijd van
twaalf jaren nog niet had bereikt, telkens handelingen heeft gepleegd, die
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die K., hebbende
verdachte telkens één of meer van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina
van die K. gebracht.

2. hij op tijdstippen in de periode van 3 januari 1994 tot 28 februari 1997
in het arrondissement Alkmaar, met K., geboren op (…) 1982, die de leeftijd
van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt
telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel
binnendringen van het lichaam van die K., hebbende verdachte telkens één of
meer van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die K. gebracht.

3. hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1991 tot 1 december 1991 te
G., gemeente B., met K., geboren op (…) 1982, die toen de leeftijd van
zestien jaren nog niet had bereikt, telkens ontuchtige handelingen heeft
gepleegd, telkens bestaande in het ontuchtig strelen van en/of wrijven over
de (blote) vagina van die K.

4. hij op tijdstippen in de periode van 1 december 1991 tot 28 februari 1997
in het arrondissement Alkmaar, met K., geboren op (…) 1982, die toen de
leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, telkens
ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande uit het ontuchtig
strelen van en/of wrijven over de (blote) vagina en/of de (blote) borst(en)
van die K.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet
hiervan worden vrijgesproken.

3 BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde
heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn
vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij
blijkens hun inhoud betrekking hebben.

4 STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het
bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1.:
Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die
bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2.:
Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien
jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan
uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3.:
Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren ontuchtige handelingen
plegen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4.:
Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige
handelingen plegen, meermalen gepleegd

5 STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De inhoud van de in dit vonnis onder 6 genoemde rapportage, opgemaakt naar
aanleiding van het in opdracht van de rechter-commissaris belast met de
behandeling van strafzaken in deze rechtbank door de
psycholoog-psychoanalyticus drs. B.C. Filet met betrekking tot verdachte
verrichte onderzoek, geeft de rechtbank geen aanleiding tot
niet-strafbaarheid van verdachte te concluderen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid
van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

6 MOTIVERING VAN DE STRAFFEN

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van
het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op
grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft met betrekking tot de aard van de feiten en de
omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, onder meer het volgende
overwogen:

Verdachte heeft geruime tijd seksuele handelingen verricht bij een, gezien
haar omstandigheden, uiterst kwetsbaar meisje. Op het moment dat deze
seksuele handelingen een aanvang namen had het meisje de leeftijd van 12 jaar
nog niet bereikt. In plaats van haar een veilige plek te bieden heeft hij
uitsluitend oog gehad voor zijn eigen gerief en zich volstrekt onvoldoende
rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn gedrag voor zijn jeugdige
slachtoffer. Deze seksuele handelingen van verdachte hebben de lichamelijke
integriteit van het slachtoffer aangetast. Slachtoffers van dergelijke
delicten kunnen gedurende vele jaren daarvan geestelijke en lichamelijke
trauma’s ondervinden. Aannemelijk is dat dit in het onderhavige geval niet
anders is.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het
bijzonder gelet op:
– het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen
Documentatieregister gedateerd 19 augustus 1997.

– het over de verdachte uitgebrachte vroeghulprapport gedateerd 14 augustus
1997 van de Reclassering Nederland arrondissement Alkmaar.

– het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 2
december 1997 van de Reclassering Nederland arrondissement Alkmaar.

– het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 30
november 1998 van de Reclassering Nederland arrondissement Alkmaar.

– het ter terechtzitting door de heer A. Klever overlegde schrijven,
gedateerd 30 augustus 1999, van mevr. T. Geuke van Elburg, psycho-therapeut
Riagg Westfriesland.

– het rapport gedateerd 20 oktober 1997, opgemaakt door de psycholoog drs.
B.C. Filet. Dit rapport houdt onder meer het volgende in als conclusie en
advies:
1) Bij onderzochte is geen sprake geweest van een gebrekkige ontwikkeling of
ziekelijke stoornis van de geestvermogens.
2) Ten tijde van het plegen van de strafbare feiten was daar dus ook geen
sprake van.
3) Er is weinig gevaar voor herhaling.
4) Als geadviseerde behandeling kan aan onderzochte de suggestie gedaan
worden met zijn gezin, in ieder geval met zijn vrouw, enige gesprekken te
hebben met een hulpverleningsinstantie zoals de Riagg om het delict van
onderzochte op gezinsniveau te kunnen doorpraten. De reclassering zou een
functie kunnen hebben bij het verwijzen van onderzochte naar een dergelijke
vorm van hulpverlening.
5) Gezien het feit dat onderzochte nog nooit een dergelijk delict heeft
gepleegd pleit onderzoeker voor een voorwaardelijke, eventueel alternatieve
straf met een sociale taak.

Met de conclusie van dit rapport kan de rechtbank zich, behoudens de
voorgestelde strafoplegging, verenigen.

De verdachte is niet eerder terzake van enig misdrijf tot straf veroordeeld
en verdachte heeft zich na de delicten, waarvoor hij thans terechtstaat, niet
opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank betrekt in haar overwegingen de omstandigheid dat er geruime
tijd verstreken is tussen het laatste verhoor van verdachte op 14 augustus
1997 en het tijdstip van de terechtzitting.

De rechtbank is, gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat een deels
voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur recht doet aan de ernst
van de gepleegde feiten. Gedurende een daarbij vast te stellen proeftijd
dient verdachte na te melden voorwaarden na te leven.

Onbetaalde arbeid ten algemenen nutte

De verdachte heeft ter terechtzitting een aanbod gedaan tot het verrichten
van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, waarbij de verdachte zich ten
aanzien van het aantal te werken uren heeft gerefereerd aan het oordeel van
de rechtbank.

De rechtbank heeft overwogen het aan de verdachte op te leggen
onvoorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf te bepalen op de duur van
zes(6) maanden.
De rechtbank acht termen aanwezig de verdachte – in plaats van oplegging van
dit onvoorwaardelijke deel van deze gevangenisstraf – te veroordelen tot het
verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van na te
melden aantal uren.

7 BENADEELDE PARTIJ

Ter terechtzitting is verschenen een persoon, genaamd mr. G.A.M. van Dijk,
die heeft verklaard zich in het geding over de strafzaak te voegen namens de
benadeelde partij:
K., wonende te, W. in verband met een vordering tot vergoeding van ƒ 10.705
wegens (materiële schade ƒ 705 en immateriële schade ƒ 10.000) schade die de
verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de
benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor
behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de
hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring bewezenverklaarde strafbare feiten,
door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot
het gevorderde bedrag (te weten vergoeding van de materiële schade ƒ 705 en
vergoeding van immateriële schade die door de rechtbank naar billijkheid tot
op dit moment wordt vastgesteld op een bedrag van ƒ 10.000) kan de vordering
worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de
benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van
deze uitspraak moet maken.

8 SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel
besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het
slachtoffer K. naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door
de hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring bewezenverklaarde strafbare
feiten is toegebracht aan de benadeelde.
De toepassing van de vervangende hechtenis heft de op te leggen verplichting
niet op.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 1, 14a,
14b, 14c, 14d, 22b, 22c, 36f, 57, 244, 245, 247(oud) en 247 van het Wetboek
van Strafrecht.

10 BESLISSING

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de volgende beslissing.

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven in
de rubriek Bewezenverklaring aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is
gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan
vrij.

Verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de hierboven in de rubriek
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot het verrichten van
onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 240 uren.

Bepaalt dat de werkzaamheden zullen aanvangen binnen drie maanden na het
onherroepelijk worden van dit vonnis en binnen twaalf maanden na aanvang
zullen zijn verricht.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van
deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van
het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in mindering wordt
gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is
gebracht.
Stelt het aantal in mindering te brengen uren vast op 6.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf
voor de tijd van zes(6) maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij anders
wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:
– de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit
schuldig maakt.
– de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere
voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:
– dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de
veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland
arrondissement Alkmaar, zolang deze instelling dit, in overleg met de
officier van justitie te Alkmaar, noodzakelijk oordeelt.
– dat de veroordeelde de door hem op vrijwillige basis gevolgde therapie bij
de Riagg Westfriesland zal voortzetten zolang de Riagg dit, in overleg met de
officier van justitie te Alkmaar, noodzakelijk oordeelt.

Verstrekt aan de Reclassering Nederland arrondissement Alkmaar opdracht om
aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze
bijzondere voorwaarden.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van ƒ 10.705
(tienduizend zevenhonderdvijf gulden) aan de benadeelde partij K. wonende te
W. als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op
heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze
uitspraak moet maken.
De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het
slachtoffer, genaamd K.te betalen een som geld ten bedrage van ƒ 10.705
(tienduizend zevenhonderdvijf gulden), bij gebreke van betaling en van
verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 100 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde in mindering strekken op de betaling
aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan
de benadeelde partij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Rechters

Mrs. Haverkate, Van Vollenhoven en Dijkman-Rekers

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 12 oktober 1999

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Uit de relatie tussen verzoekster en verweerder, die nimmer hebben
samengewoond, is in 1990 een zoon geboren. De vader, verweerder, heeft hem
niet erkend. De rechtbank neemt family-life aan tussen vader en kind en
bepaalt dat een proefomgangsregeling dient te worden gestart. Aangezien de
moeder weigert mee te werken, wordt het kind onder toezicht gesteld. Het Hof
oordeelt dat er geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking
(family-life) tussen vader en kind. Het verzoek van de vader voor een
omgangsregeling wordt afgewezen en de ondertoezichtstelling wordt opgeheven.

Volledige tekst

1 De gedingen in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank
te Zwolle (verder: de kinderrechter) van 25 maart 1999, uitgesproken onder
zaaknummer 45105 JL RK 99-74, en van 6 april 1999, uitgesproken onder
zaaknummer 24320 FARK 96-2501 L.

2 De gedingen in hoger beroep

Ten aanzien van rekestnummer 297/1999

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 mei 1999, is
de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van de
kinderrechter van 25 maart 1999. Zij verzoekt het hof die beschikking te
vernietigen en het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de
minderjarige L.B (verder: L.) alsnog af te wijzen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 mei 1999,
heeft de raad het beroep van de moeder bestreden. De raad concludeert dat de
ondertoezichtstelling van L. terecht is uitgesproken en dat de bestreden
beschikking van 25 maart 1999 in stand dient te blijven.

2.3 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 11 juni 1999,
heeft de vader het beroep van de moeder bestreden. De vader verzoekt het hof
de bestreden beschikking van 25 maart 1999 te bevestigen en de verzoeken van
de moeder af te wijzen, althans haar in haar verzoeken niet-ontvankelijk te
verklaren, kosten rechtens.

2.4 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 juni 1999,
heeft de Stichting Jeugd en Gezin Flevoland (verder: de stichting) het hof
verzocht de moeder in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair
haar beroep ongegrond te verklaren, met zoveel nodig bekrachtiging van de
bestreden beschikking van 25 maart 1999.

Ten aanzien van rekestnummer 298/1999

2.5 Bij beroepschrift, Ingekomen ter griffie van het hof op 19 mei 1999, is
de moeder in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kinderrechter van
6 april 1999. Zij verzoekt het hof die beschikking nietig te verklaren,
althans te vernietigen, en de vader alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in
zijn verzoek een omgangsregeling te treffen met L. subsidiair zijn verzoek af
te wijzen.

2.6 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 11 juni 1999,
heeft de vader het beroep van de moeder bestreden. Hij verzoekt het hof de
bestreden beschikking van 6 april 1999 te bevestigen en de verzoeken van de
moeder af te wijzen, althans haar in haar verzoeken niet-ontvankelijk te
verklaren, kosten rechtens.

2.7 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 juni 1999,
heeft de stichting het hof verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren,
subsidiair haar beroep ongegrond te verklaren met zoveel nodig bekrachtiging
van de bestreden beschikking van 6 april 1999.

2.8 De mondelinge behandeling heeft op 9 september 1999 in beide zaken
tegelijkertijd plaatsgehad, nu de zaken nauw met elkaar samenhangen.
De vader en de moeder zijn in persoon verschenen, de moeder bijgestaan door
mr M.M. de Boer, advocaat te Amsterdam en de vader bijgestaan door mr G.
Martin, advocaat te Lelystad,
Namens de raad is mr W, Blok verschenen en namens de stichting zijn P.C.M.A.
Verstegen en P. van der Reijden verschenen.

2.9 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder rapporten
van de raad van 25 juni 1997, 31 maart 1998 en van 2 februari 1999.

3 De vaststaande feiten

3.1 Uit de relatie tussen de moeder en de vader – die nimmer hebben
samengewoond – is op 17 december 1990 L. geboren. De vader heeft L. niet
erkend. Op 21 oktober 1994 is de relatie tussen de moeder en de vader
verbroken. De moeder – die inmiddels heeft bevestigd dat de vader de
verwekker is van L. – is van rechtswege belast met het gezag over L.

3.2 De vader heeft de kinderrechter verzocht te bepalen dat er tussen hem en
L. een omgangsregeling wordt vastgesteld.

3.3 De kinderrechter heeft blijkens het ter zitting van de rechtbank van 3
december 1996 opgemaakte proces-verbaal “family-life” tussen de vader en L.
aangenomen. De kinderrechter heeft de raad verzocht een onderzoek in te
stellen naar de mogelijkheid van omgang tussen de vader en L. en hem hierover
te adviseren.
De moeder is in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de hiervoor
beschreven aanname van de kinderrechter door dit hof bij beschikking van 10
juni 1997, rekestnummer 54/1997, niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij
overwoog dit hof dat de aanname van de kinderrechter niet is aan te merken
als een eindbeschikking en evenmin als een tussenbeschikking.

3.4 Bij tussenbeschikking van 15 september 1997 heeft de kinderrechter onder
meer de vader ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om vaststelling van een
omgangsregeling en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.5 In zijn rapport van 31 maart 1998 heeft de raad de kinderrechter onder
meer geadviseerd om onder begeleiding van een orthopedagoge van de raad
enkele proefcontacten tussen de vader en L. te laten plaatsvinden.

3.6 Ter zitting van de rechtbank te Zwolle op 26 mei 1998 heeft de moeder
voormeld advies van de raad bestreden. Zij stelde zich op het standpunt dat
L. geen behoefte aan omgang met zijn vader had. Een omgangsregeling vond de
moeder op dat moment te belastend voor L., zeker nu kort voor die zitting
naar voren was gekomen dat L. seksueel was misbruikt.
De kinderrechter oordeelde evenwel dat het door de raad ingezette traject van
begeleide omgang moest worden voortgezet. De zaak werd vervolgens
aangehouden.

3.7 Bij brief van 14 augustus 1998 heeft de raad de kinderrechter meegedeeld
dat de moeder weigert mee te werken aan de begeleide omgangsregeling. De raad
spreekt in deze brief zijn zorgen uit over deze weigering en de wijze waarop
de moeder met de materie omgaat. De raad adviseerde de kinderrechter een
onderzoek in te stellen naar de algehele opvoedingssituatie.

3.8 Ter zitting van 1 september 1998 heeft de kinderrechter het advies van de
raad, als genoemd onder 3.7, overgenomen.

3.9 Bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden beschikking van 25
maart 1999 (rekestnummer 297/1999) is L. onder toezicht gesteld voor de
termijn van acht maanden, met benoeming van de stichting tot
gezinsvoogdij-instelling.

3.10 Bij de eveneens uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden
beschikking van 6 april 1999 (rekestnummer 298/1999) is als regeling van
omgang tussen de vader en L. vastgesteld dat L. één uur per maand de vader
zal ontmoeten onder begeleiding van de gezinsvoogd of een door de gezinsvoogd
aan te wijzen persoon. De gezinsvoogd is bevoegd verklaard om in de
ondertoezichtstelling deze omgang uit te breiden en de voorwaarden daarvoor
te bepalen.

4 De motivering van de beslissing

De omgangsregeling

4.1 Ingevolge het hier toepasselijke artikel 1:377f van het Burgerlijk
Wetboek (BW) kan op verzoek een omgangsregeling worden vastgesteld tussen een
kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot dat kind
(ook wel “family-life” genoemd), tenzij het belang van het kind zich tegen
toewijzing verzet.

4.2 De moeder acht in het geheel geen persoonlijke band, laat staan een nauwe
band tussen de vader en L. aanwezig. Zij stelt zich primair op het standpunt
dat – mede gezien de thans geldende jurisprudentie omtrent het al dan niet
bestaan van “family-1ife” – er absoluut geen sprake is of is geweest van
“family-life” tussen de vader en L.. Daarom had de kinderrechter volgens haar
de vader niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn verzoek tot het
vaststellen van een omgangsregeling.
De afwezigheid van “family-life” blijkt volgens de moeder uit het volgende:
– de vader heeft in het openbaar nooit zijn vaderschap over L. bekend willen
maken;
– L. heeft de vader nooit als vader beschouwd;
– er zijn nooit serieuze plannen geweest om te gaan samenwonen;
– de vader is niet bij haar bevalling aanwezig geweest;
– er was sprake van slechts beperkte contacten tussen de vader en L.

4.3 De vader voert aan dat er wel degelijk sprake was van “family-life”:
– hij heeft een bestendige relatie met de moeder van ruim vijf jaren gehad;
– hij en de moeder zijn veel bij elkaar over de vloer geweest, hadden
gezamenlijke contacten;
– er waren plannen om te gaan samenwonen;
– na de geboorte heeft hij “frequent” contact gehad met L. “regelmatig”
opgepast terwijl de moeder de avondschool bezocht;
– hij is op stap geweest met L. om kleding voor L. te kopen;
– hij is met L., de moeder en haar ouders op vakantie in het buitenland
geweest;
– hij heeft gedurende een langere periode samen met de moeder L. vergezeld
bij het zwemmen op zondagen;
– hij heeft regelmatig L. van school gehaald en voor hem gekookt;
– partijen hebben dan wel niet samengewoond, maar zijn wel (samen) op zoek
geweest naar woonruimte;
– partijen hebben vaak bij elkaar verbleven op het adres van één van de
ouders;
– in december 1993 hebben hij en L. Sinterklaas welkom geheten;
– gemaakte foto’s bewijzen het contact tussen hem en L.;
– hij heeft zo vaak als mogelijk omgang in het openbaar met L. gehad;
– L. heeft hem zeer wel als vader beschouwd.

4.4 De stichting refereert zich aan het oordeel van het hof betreffende de
vraag of er sprake is van een “nauwe persoonlijke betrekking”. Wel wijst de
stichting erop dat kinderen vroeg of laat op zoek zullen gaan naar hun
biologische ouders en dat, indien de verzorgende ouder de andere ouder geen
goede plek in het leven van dat kind gunt, dit kind nagenoeg altijd in een
ernstig loyaliteitsconflict komt. De stichting acht het feit dat de moeder de
biologische vader van L. geen plaats toebedeelt in zijn leven op zichzelf ai
schadelijk voor de identiteitsontwikkeling van L.
De stichting vindt een duidelijk te verbeteren rol van de biologische vader
noodzakelijk in het belang van L.; L. moet zijn eigen oordeel kunnen vormen
omtrent zijn biologische vader om zo zijn eigen identiteit op een goede
manier vorm te geven. Een veilig contact met de vader is van belang. De
moeder moet L. de veiligheid bieden en hem daarin begeleiden.

4.5 Het hof stelt voorop dat nu de vader L. niet erkend heeft, tussen hem als
biologische vader en L. niet reeds door de enkele geboorte een nauwe
persoonlijke betrekking bestaat zoals bedoeld in artikel 1:377f BW. Wil de
vader ontvankelijk zijn in zijn verzoek tot het treffen van een
omgangsregeling, dan dienen bijkomende omstandigheden aannemelijk te zijn
waaruit blijkt dat een dergelijke nauwe persoonlijke betrekking bestaat.

4.6 De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling de feiten en
omstandigheden die hij in zijn verweerschrift aanvoert en die volgens hem een
nauwe persoonlijke betrekking rechtvaardigen, nader toegelicht. Hij is kort
samengevat van mening dat er regelmatig contact is geweest tussen hem en L.
De moeder heeft dit gemotiveerd betwist. Het overgrote deel van de door de
vader genoemde feiten is volgens haar onjuist, waarbij het volgens haar niet
eens gaat om een mooiere voorstelling van zaken of het overdrijven van
contacten die er zijn geweest, maar om het noemen van gebeurtenissen die
nooit hebben plaatsgevonden. Partijen zijn het wel eens over het contact
tussen de vader en L. tijdens het inhalen van Sinterklaas in december 1993.
Daarnaast heeft de vader tijdens de mondelinge behandeling enkele foto’s
overgelegd van contacten tussen hem en L. op verschillende tijdstippen en
aangelegenheden.

4.7 Het hof stelt vast dat partijen nooit hebben samengewoond. Gedurende hun
relatie woonden zij ieder bij hun ouders. De vader heeft sinds de beëindiging
van de relatie in oktober 1994 geen contact meer met L.
Over de vraag of er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking oordeelt
het hof als volgt. Het merendeel van de feiten die de vader aanvoert is niet
nader gespecificeerd naar tijd en plaats. Ook tijdens de mondelinge
behandeling heeft de vader de door hem aangevoerde contacten niet voldoende
nader geconcretiseerd. Tot een dergelijke nadere concretisering was hij
gehouden gelet op de gemotiveerde betwisting door de moeder. Onder die
omstandigheden gaat het hof aan het gedane bewijsaanbod als te weinig
gespecificeerd voorbij.

4.8 Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat onvoldoende
bijkomende omstandigheden zijn komen vast te staan op grond waarvan dient te
worden geconcludeerd dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking
tussen hem en L.

De ondertoezichtstelling

4.9 De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van L. uitgesproken
alleen omdat deze naar haar oordeel noodzakelijk was voor het opstarten en
begeleiden van een omgangsregeling. Gezien hetgeen het hof hierboven heeft
overwogen omtrent de omgang tussen de vader en L. is er geen grond voor
ondertoezichtstelling. Naar het oordeel van het hof is ook anderszins niet
gebleken dat ondertoezichtstelling van L. nodig is.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dienen de bestreden
beschikkingen te worden vernietigd, dient de uitgesproken
ondertoezichtstelling te worden opgeheven en dient de vader ten aanzien van
de beschikking van 6 april 1999 alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard
in zijn verzoek.

5.2 De proceskosten van partijen zullen worden gecompenseerd aldus dat iedere
partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank te Zwolle van
25 maart 1999 en opnieuw beschikkende:

heft op de bij die beschikking uitgesproken ondertoezichtstelling;

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank te Zwolle van
6 april 1999 en opnieuw beschikkende:

verklaart de vader alsnog niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

compenseert de kosten in beide zaken aldus dat iedere partij de eigen kosten
draagt.

Rechters

Mrs. Fokker, Van Ginkel en Van Kuijck

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 8 oktober 1999

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Pp. hebben van 1987 tot 1990 samengewoond. In 1998 verzoekt de moeder om een
onderhoudsbijdrage voor het kind, geboren in 1989 en erkend door verweerder,
de man. De draagkracht van de man laat een alimentatie van ƒ 350 toe. Hij
stelt echter dat bij bepaling van de behoefte van het kind uitgegaan dient te
worden van het inkomen dat hij had ten tijde van de samenwoning van pp. Het
Hof oordeelt echter dat een inkomensverhoging van de alimentatieplichtige na
beëindiging van de samenwoning van invloed behoort te zijn op de
vaststelling van de behoefte. Immers, als de samenwoning van pp. had
voortgeduurd, zou dit een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat
t.b.v. het kind zou zijn uitgegeven.
Vaststelling ƒ 350 per maand.

Volledige tekst

Het geding

Partijen hebben geruime tijd samengeleefd, te weten van 1987 tot 1990, uit
welke relatie het hiernavolgende thans nog minderjarig kind is geboren,
M. v. H., geboren op 28 februari 1989. De vader heeft M. op 1 maart 1989
erkend.

De moeder heeft bij verzoekschrift gedateerd 1 september 1998, de rechtbank
te Rotterdam verzocht te bepalen dat de vader met een bedrag van ƒ 350 per
maand bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.
De rechtbank heeft bij beschikking van 24 maart 1999 het verzoek afgewezen.

De moeder is van deze beschikking tijdig in hoger beroep gekomen en heeft
verzocht de beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat
de vader met een bedrag van ƒ 350 per maand dient bij te dragen in de
kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarig kind van partijen,
althans met een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te
behoren.

De vader heeft een verweerschrift ingediend waarin hij verzoekt de
beschikking van de rechtbank te bekrachtigen en het verzoek van de moeder in
hoger beroep af te wijzen. Bij aparte brief heeft hij nog verzocht de moeder
in de proceskosten te veroordelen.

Op 9 september 1999 is de zaak mondeling behandeld.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De moeder heeft na het uiteengaan van partijen nooit eerder een bijdrage
in de kosten van verzorging en opvoeding van M. verzocht, omdat de vader een
gezamenlijke schuld uit de samenlevingsperiode op zich had genomen.
Deze schuld is inmiddels afgelost. De moeder heeft in deze omstandigheid
aanleiding gevonden een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van
M. te verzoeken.

2. De moeder is 38 jaar oud. Zij woont met haar nieuwe partner en haar zoon
M. in gezinsverband. Zij heeft geen eigen inkomsten uit arbeid. Het inkomen
van haar partner bedraagt volgens de jaaropgave 1998 ƒ 89.523. Haar huur
bedraagt ƒ 1.089 per maand.

3. De vader is 34 jaar oud. Hij woont met zijn huidige echtgenote en twee
kinderen in gezinsverband. Volgens de jaaropgave 1998 bedraagt het inkomen
van de vader ƒ 56.320. Zijn echtgenote verricht ook arbeid in loondienst.
Blijkens de jaaropgave 1998 bedroeg haar inkomen bij ABC B. BV ƒ 10.400. Haar
inkomen bij V.L.S. v. L. S. zal in 1999 ƒ 2.534 per jaar bedragen.
De vader en zijn echtgenote betalen ƒ 1.381 per maand aan hypotheekrente en ƒ
199 per maand aan spaarpremie.
Ter zitting heeft de vader zijn verweer, dat hij niet in staat zou zijn de
gevraagde bijdrage van ƒ 350 per maand voor M. te betalen, laten varen. Zijn
draagkracht is daarmee niet langer in het geding.

4. De vader meent dat de behoefte van M. lager ligt dan ƒ 350. Volgens de
vader moet het inkomen van partijen tijdens de samenleving (dat lager was dan
zijn inkomen op dit moment) het uitgangspunt zijn bij de bepaling van de
behoefte van M..
Het hof is van oordeel dat een inkomensverhoging van de alimentatieplichtige
na beëindiging van de samenleving of het huwelijk van invloed behoort te zijn
op de vaststelling van de behoefte. Indien de samenleving zou hebben
voortgeduurd zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben
uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van M. zou zijn uitgegeven. Nu het
inkomen van de vader dan ook het voormalige gezinsinkomen overschrijdt, dient
dit hogere inkomen de maatstaf te zijn bij de bepaling van de kosten van M..
Volgens de draagkrachtberekening van de vader, die hij bij zijn
verweerschrift in hoger beroep heeft overgelegd, bedraagt het netto
gezinsinkomen in zijn huidige gezin bijna ƒ 4.300 per maand. Het eigen
aandeel van ouders in de kosten van een kind van 10 jaar oud in deze
inkomenscategorie bedraagt ruimschoots meer dan het door de vrouw verzochte
bedrag aan kinderalimentatie, zodat de behoefte van M. in ieder geval op
minstens ƒ 350 kan worden gesteld.

5. Nu de moeder geen eigen inkomen heeft en haar partner (omdat zij
samenwonen en niet gehuwd zijn) geen onderhoudsverplichting heeft jegens M.
in de zin van artikel 1:395 BW, dient de vader naar draagkracht bij te dragen
in de behoefte van M.. De redelijkheid en billijkheid, waarop de vader zich
beroept, stellende dat zijn gezinsinkomen lager ligt dan het gezinsinkomen
van de moeder, bieden enerzijds onvoldoende aanknopingspunt om daarvan af te
wijken, terwijl anderzijds de vader zijn draagkracht niet betwist.
Het hof zal dan ook de door de moeder verzochte kinderalimentatie
vaststellen. Dit brengt met zich mee dat de bestreden beschikking dient te
worden vernietigd.
6. Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding de moeder in de
proceskosten te veroordelen.

Beslissing van de zaak in het hoger beroep

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten
behoeve van M. met ingang van de datum van deze beschikking op ƒ 350 per
maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Rechters

Mrs Fockema Andreae-Hartsuiker, Schuering en Wigleven

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 7 oktober 1999

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn gehuwd geweest, B. heeft het gezag over de drie kinderen van
partijen die bij haar wonen. B. heeft een contactverbod, straatverbod en
verhuisgebod gevorderd. Net als de president van de rechtbank wijst ook het
hof deze vorderingen toe, op basis van de volgende feiten. Er is eerder een
contactverbod opgelegd; L. heeft de kinderen na een vakantie in Marokko niet
tijdig voor de aanvang van het nieuwe schooljaar maar pas drie maanden later
naar Nederland laten terugkeren; L. heeft na zijn eigen terugkeer uit Marokko
zijn intrek genomen op een adres in de directe omgeving van de woning van B.
en de kinderen; de kinderen komen
L. op ongeregelde en niet tevoren afgesproken tijdstippen tegen in de
omgeving van de school (volgens B. volgt L. de kinderen, volgens L. bezoekt
hij de naast de school gelegen moskee); tijdens de behandeling in eerste
instantie heeft L. blijk gegeven van verbaal dreigend gedrag jegens B. Deze
feiten en omstandigheden maken voorshands voldoende aannemelijk dat L. B. en
de kinderen op onaanvaardbare wijze – bedreigend – lastig valt. Het recht dat
L. heeft op een persoonlijke levenssfeer – waaronder het recht zelf de
locatie van zijn woning te bepalen – moet wijken voor zijn plicht anderen, in
dit geval zijn vroegere echtgenote en zijn kinderen, niet te hinderen en voor
zijn plicht hen niet lastig te vallen noch te bedreigen.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN HOGER BEROEP

1.1. In het navolgende worden partijen aangeduid met hun familienaam.

1.2. L. is bij exploot van 17 maart 1999 in hoger beroep gekomen van het
vonnis dat de president van de rechtbank te Amsterdam onder rolnummer KG
99/499 0dC heeft gewezen en dat 4 maart 1999 is uitgesproken.

1.3. In een memorie heeft L. vier grieven tegen dat vonnis geformuleerd,
bescheiden in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal
vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door B. gevorderde voorzieningen
alsnog zal weigeren, kosten rechtens.

1.4. B. heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden en geconcludeerd
tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

1.5. Daarop hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd,
waarbij zij aangetekend dat L. uitsluitend het vonnis van de president en de
stukken van het hoger beroep heeft overgelegd. De inhoud van de processtukken
van beide instanties geldt als hier ingevoegd.

2. DE GRIEVEN

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3. DE FEITEN

3.1. De president heeft in rechtsoverweging 1 onder (a) tot en met (e)
vastgesteld welke feiten tussen partijen niet in geschil zijn en waarvan hij
bij zijn oordeel is uitgegaan.

3.2. L. bestrijdt de onder (d) en (e) vastgestelde feiten. Met deze
betwisting zal in het navolgende rekening worden gehouden.

3.3. Met inachtneming van het hiervoor in 3.2 overwogene zal het hof, voor
het overige, uitgaan van de feiten die de president heeft vastgesteld.

4. BEOORDELING

4.1. Partijen zijn sinds 12 januari 1998 – voor de tweede keer – gescheiden.
B. is belast met het gezag over de drie kinderen (thans 11, 10 en 9 jaar oud)
van partijen, die bij haar wonen. Stellend dat L. haar en de kinderen lastig
valt heeft B. gevorderd dat L. verhuist uit zijn dichtbij haar woning gelegen
woonruimte en dat hem gedurende een jaar een straatverbod en een
contactverbod met haar en de kinderen wordt opgelegd.

4.2. De president heeft deze voorzieningen verleend, waarbij hij voor de
reikwijdte van het straatverbod heeft verwezen naar een aan het vonnis
gehechte kaart. L. is van het vonnis in appèl gekomen.

4.3. De grieven 1 en 2 houden in dat L. bestrijdt dat hij, zoals de president
heeft overwogen, B. en de kinderen op onaanvaardbare wijze lastig valt, dat
hij daarmee niet is opgehouden en dat te vrezen valt dat hij hen iets zal
aandoen. Met deze grieven bestrijdt L. de juistheid van de feiten die voor de
president reden zijn geweest om de gevorderde voorzieningen te verlenen.

4.4. De volgende feiten zijn voldoende aannemelijk:

(i) Al eerder, bij vonnis van 23 oktober 1997, heeft de president L. een
straat- en contactverbod, als thans gevorderd, opgelegd, en wel voor de duur
van zes maanden. Uit het vonnis blijkt dat de president deze voorziening
heeft verleend onder meer omdat L. op 25 september 1997 B. bij de school van
de kinderen en in hun bijzijn tenminste één keer heeft geslagen.

(ii) In de maand juli 1998 heeft L. de drie kinderen voor een korte vacantie
meegenomen naar Marokko. L. erkent dat hij, uit verontwaardiging over het
feit dat B. aangifte van vermissing van de kinderen heeft gedaan, de kinderen
niet, zoals was afgesproken, tijdig voor aanvang van het nieuwe schooljaar
naar Nederland heeft laten terugkeren. De kinderen zijn eerst 27 november
1998 teruggekeerd.

(iii) Vervolgens is L. in januari 1999 uit Marokko teruggekeerd. Hij heeft
zijn intrek genomen op een adres in de directe omgeving van de woning van B.
en de kinderen.

(iv) B. heeft in de eerste instantie gesteld dat L. de kinderen naar school
volgt. L. heeft dat weersproken met het betoog dat hij dagelijks de naast de
school gelegen moskee bezoekt. Uit dit verweer leidt het hof af dat de
kinderen L. sinds zijn terugkeer uit Marokko, op ongeregelde en niet tevoren
afgesproken tijdstippen in de omgeving van de school tegenkomen.

(v) Bij gelegenheid van de behandeling in eerste instantie, op 26 februari
1999, heeft L. naar de president heeft vastgesteld, blijk gegeven van verbaal
dreigend gedrag jegens B.

4.5. Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, maken
voorshands voldoende aannemelijk dat L. B. en de kinderen inderdaad op
onaanvaardbare wijze – bedreigend – lastig valt. Het hof tilt, evenals de
president, zwaar aan het feit dat L. de kinderen zonder geldige reden
maandenlang niet naar Nederland heeft laten terugkeren.

4.6. Daaraan kan worden toegevoegd dat ook het feit dat L. na zijn terugkeer
uit Marokko in januari 1999 woonruimte heeft gezocht in de onmiddellijke
omgeving van de woning van B. en
de kinderen alsmede zijn, door de president waargenomen en beschreven, gedrag
ter zitting in eerste instantie, aannemelijk maken dat L. met dit gedrag zal
voortgaan.

4.7. De grieven 1 en 2 falen. Het hof verenigt zich met de door deze grieven
aangevallen overwegingen van de president.
4.8. Grief 3 richt zich tevergeefs tegen het door de president aan L. gegeven
bevel om te verhuizen. De woonruimte die L. heeft betrokken ligt immers
binnen het gebied waarvoor het straatverbod geldt. Dit straatverbod zou, als
L. niet verhuist, niet gehandhaafd kunnen worden.

4.9. Het recht dat L. heeft op een persoonlijke levenssfeer – waaronder hij,
naar het hof begrijpt, behoort het recht zelf de locatie van zijn woning te
bepalen – moet wijken voor zijn plicht anderen, in dit geval zijn vroegere
echtgenote en zijn kinderen, te hinderen en, a fortiori, voor zijn plicht hen
niet lastig te vallen noch te bedreigen.

4.10. In grief 4, maakt L. bezwaar tegen de duur van een jaar van het straat-
en contactverbod, omdat dit het hem onmogelijk maakt regelmatig contact met
zijn kinderen te onderhouden.

4.11. Het hof acht, gezien de hiervoor in 4.4 beschreven feiten en de
psychische gevolgen die een en ander, naar ervaringsregels, voor, in ieder
geval, de kinderen zal hebben, een termijn van een jaar adequaat om de rust
te herstellen. Ook deze grief treft dus geen doel.

4.12. Ten overvloede zij overwogen dat, naar uit de bewoordingen van de
beslissingen onder 2 en 3 van het vonnis blijkt, L. de mogelijkheid tot een
ordelijk indirect contact met de kinderen – door bemiddeling van, in het
bijzonder, de daartoe geëigende instanties of instellingen – behoudt.

4.13. De slotsom moet zijn dat de grieven falen. Het vonnis zal worden
bekrachtigd. Nu partijen voormalige echtelieden zijn, zullen de kosten van
het hoger beroep worden gecompenseerd.

5. BESLISSING

Het hof:

5.1. bekrachtigt het vonnis waarvan beroep,

5.2. compenseert de kosten van het hoger beroep, in die zin dat iedere partij
de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Peeperkoorn, Tjittes en Cornelissen

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 6 oktober 1999

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres, een vrouwelijke leerkracht op een basisschool, wordt beschuldigd van
seksueel misbruik van een kind. De leerkracht ontkent de beschuldigingen, die
vervolgens onterecht blijken te zijn en worden ingetrokken. Werkgever,
gedaagde, biedt alle hulp aan bij haar rehabilitatie. De leerkracht vordert
echter desalniettemin schadevergoeding van haar werkgever en van de ouder van
het kind, die haar heeft beschuldigd, omdat door hen beiden onzorgvuldig en
onrechtmatig zou zijn gehandeld. De rechtbank oordeelt dat zowel de ouder als
de school niets kan worden verweten. De school heeft zorgvuldige procedure
gevolgd. Eiseres is in hoger beroep gegaan.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of handelingen:
– dagvaarding,
– conclusie van eis met bewijsstukken,
– conclusie van antwoord van de gemeente met bewijsstukken,
– conclusie van antwoord van B.,
– conclusie van repliek met een bewijsstuk,
– conclusie van dupliek van de gemeente,
– conclusie van dupliek van B.,
– akte van R. van 9 december 1998 met bewijsstukken.

Partijen hebben de stukken overgelegd ter verkrijging van vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende)
betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van
overgelegde bewijsstukken staat het volgende vast:

a. R. is sinds 1993 als invalkracht werkzaam op de openbare basisschool De P.
te Amsterdam-Noord – nader te noemen de school – waarvan de gemeente
bestuurder is.

b. Op of omstreeks 24 maart 1997 heeft B. aan de directeur van de school, de
heer S. H. – nader te noemen H., kenbaar gemaakt dat haar dochtertje M. B. –
nader te noemen M. -, geboren op 28 maart 1992 en leerling van de school, had
verteld dat zij door R. bij haar plasser was betast.

c. Op verzoek van H. heeft B. vervolgens bij brief van 25 maart 1997 een
klacht ingediend bij de heer J.M.H.C. V., hoofd van de Afdeling Onderwijs van
het stadsdeel Amsterdam-Noord, hierna te noemen V.. De inhoud van deze brief
luidt als volgt:
‘Naar aanleiding van het verhaal en de klachten van mijn dochtertje M. B.,
dien ik een klacht in over de juffrouw Mevr. C. R.. De klachten van M. zijn
dat ze betast wordt door juf C. in het speellokaal. Volgens M. doet de juf
dat ook bij F. en J.. Vanaf oktober 1996 loopt zij al met deze klachten bij
de huisarts. Sinds donderdag 20 maart 1997 vertelde zij zelf dat juffrouw C.
er aan zat.’

d. Naar aanleiding van deze klacht hebben H. en V. op 25 maart 1997 een
gesprek gehad met R. waarbij R. van de klacht op de hoogte is gesteld alsmede
is aangegeven dat de klacht behandeld diende te worden volgens de
klachtenprocedure van het stadsdeel en een speciale vertrouwenscommissie zou
worden ingesteld teneinde de klacht te onderzoeken en het bevoegd gezag te
adviseren.
Voorts heeft V. R. het advies gegeven dat zij zich van juridische bijstand
zou voorzien en voorgesteld dat R. vanaf dat moment met ziekteverlof zou
gaan.
R. heeft in dit gesprek de geuite beschuldiging ontkend en zich zeer onthutst
getoond.

e. R. heeft zich vervolgens tot een advocaat, mr R. Moszkowicz, gewend, die
bij brief van 2 april 1997 aan V. heeft meegedeeld dat R. de beschuldigingen
ten zeerste ontkent en hiervan zeer overstuur is geraakt. De gemeente is
gesommeerd mee te delen wie R. heeft beschuldigd, de inhoud van de
beschuldiging en welk bewijs er zou bestaan, alsmede R. in haar eer en goede
naam te herstellen. Tevens is de gemeente aansprakelijk gesteld voor de door
R. geleden en nog te lijden schade als gevolg van de beschuldiging alsook
aansprakelijk gesteld voor de door R. gemaakte en nog te maken kosten van
juridische bijstand.

f. V. heeft voormelde brief op 4 april 1997 als volgt beantwoord:

‘Op 25 maart j.l. is door het stadsdeel Amsterdam-Noord als bevoegd gezag van
de openbare basisschool De P. een schriftelijke klacht ontvangen van mevrouw
B., moeder van M. B.. Mevrouw B. geeft in haar brief aan, dat haar dochter
bij haar plasser betast wordt door uw cliënt in het speellokaal van de
school. Een en ander zou zich hebben afgespeeld vanaf oktober 1996 tot en met
donderdag 20 maart j.l.

Om de klacht te onderzoeken is een onafhankelijke vertrouwenscommissie
ingesteld, die op zo kort mogelijke termijn de klacht zal onderzoeken en
hierover aan het bevoegd gezag zal rapporteren. Hierna zal het bevoegd gezag
een standpunt innemen. In dit onderzoek zullen alle betrokkenen door de
vertrouwenscommissie gehoord worden. Ik zou het op prijs stellen indien ook
uw cliënt door de commissie gehoord kan worden, waarbij zij juridisch kan
worden bijgestaan. Over de resultaten van het onderzoek wordt u vervolgens op
zo kort mogelijke termijn geïnformeerd.

Op 26 maart is aan mevrouw R. een andere betrekking in tijdelijke dienst op
een andere openbare basisschool aangeboden. Deze mogelijkheid wil ik graag
met uw cliënte bespreken. Het is begrijpelijk dat mevrouw R. in de huidige
omstandigheden nog niet in staat is haar werk uit te voeren. Ik hecht er
waarde aan te benadrukken, dat het bevoegd gezag mevrouw R. in deze
vervelende kwestie wil ondersteunen.

Ik stel u voor om over de wijze waarop uw cliënte in haar eer en goede naam
hersteld kan worden overleg te voeren, nadat de vertrouwenscommissie aan het
bevoegd gezag gerapporteerd heeft.’

g. Bij brief van haar advocaat d.d. 9 april 1997 heeft R. meegedeeld bereid
te zijn haar medewerking te verlenen aan het onderzoek van de
vertrouwenscommissie.

h. Bij brief van 15 april 1997 heeft V. aan R. meegedeeld dat hij na overleg
met haar en H. van oordeel is dat terugkeer van R. op de school niet gewenst
is en haar met ingang van 1 april 1997 een vacature op een andere school
aangeboden. Voorts is R. voor een nader te bepalen periode betaald verlof
aangeboden en heeft V. zich bereid verklaard tot overleg over verdere
mogelijkheden tot ondersteuning.

i. De advocaat van R. heeft bij brief van 18 april 1997 op voormelde brief
als volgt gereageerd:

‘Cliënte Is door de inhoud van uw schrijven d.d. 15 april 1997 ernstig
gekwetst.
Blijkbaar bent U zich niet bewust van de zeer ernstige gevolgen die opgemelde
kwestie voor cliënte heeft. Het getuigt immers van weinig inzicht in de
menselijke persoon, wanneer u iemand die zich in de situatie van cliënte
bevindt, mededeelt dat zij niet meer gewenst is.

Cliënte verkeert ten gevolge van de beschuldigingen ten aanzien van haar
persoon. in een shock-toestand. U houdt onvoldoende rekening met de gevoelens
van cliënte.

Cliënte is geestelijk en lichamelijk ziek geworden van alle gebeurtenissen.

Zij lijdt thans dan ook de nodige materiële en immateriële schade ten gevolge
van de tegen haar geuite te beschuldigingen, waarvoor zij U nogmaals
uitdrukkelijk aansprakelijk stelt.

Uw impliciete stelling als zou cliënte thans verlof hebben. is gezien het
voorgaande dan ook onbegrijpelijk. Cliënte is ziek en zij heeft zich daarom
ook ziekgemeld.

Daarnaast behoeft het geen betoog dat cliënte in de toestand waarin zij zich
thans bevindt, geen beslissingen kan nemen over haar toekomst.

Cliënte behoudt zich met betrekking tot Uw schrijven aan haar van 15 april
jongstleden dienaangaande dan ook alle rechten en weren voor.

Overigens wenst cliënte hier te herhalen dit zij wenst dat opgemelde kwestie
op een zo kort mogelijke termijn uit de wereld wordt geholpen. Cliënte wenst
dat zij door U in naar eer en goede naam hersteld zal worden.

Cliënte is derhalve bereid tot overleg met U, echter uitsluitend en alleen
via mij.

Moge ik U verzoeken mij daaromtrent nader te berichten.’

j. Op 16 april 1997 is een vertrouwenscommissie benoemd teneinde de klacht te
onderzoeken. Op15 mei 1997 heeft de commissie B. gehoord; op 12 juni 1997 R.
en op 23 juni 1997 H. en twee collega’s van R.: M. O. en T. K..

k. Bij brief van 26 juni 1997 heeft de voorzitter van de vertrouwenscommissie
de heer J.K.V. aan R. een afschrift doen toekomen van een door hem ontvangen
brief van B. d.d. 24 juni 1997 waarin onder meer het volgende valt te lezen:

‘Naar aanleiding van ons telefoongesprek op dinsdag 24 juni 1997, geef ik u
hier het verhaal wat M. mij vertelde op 11 juni 1997:

‘Mama, ik heb gejokt over juf C. en juf Y. Wat heb je dan gejokt? Zij heeft
niet aan mijn plasser gezeten juf C en juf Y ook niet bij die andere
kindjes.’

l. Naar aanleiding van voormelde gang van zaken heeft V. bij brief van 27
juni 1997 de advocaat van R. uitgenodigd voor overleg over de wijze waarop de
naam van R. in ere zou kunnen worden hersteld.

m. Vervolgens heeft de gemeente aan de advocaat van R. de volgende
voorstellen gedaan ten aanzien van de rehabilitatie van R.:

1. In overleg met en afhankelijk van de wensen van mevrouw R. kan aan mevrouw
R. deskundige begeleiding bij de verwerking van haar ervaringen aangeboden
worden, eventueel in overleg met de bedrijfsarts.

2. Het bevoegd gezag zal voor schriftelijke rehabilitatie aan betrokkene
zorgdragen.

3. indien betrokkene dit wenst zal er schriftelijke publieke rehabilitatie
plaatsvinden van betrokkene, de wijze waarop wordt bepaald in overleg met
betrokkene.

4. Zorgvuldige werkbegeleiding bij reïntegratie van betrokkene door
schoolleiding en bevoegd gezag.

5. Mogelijkheden en wensen met betrekking tot bijzonder verlof worden in
overleg met mevrouw R. vastgesteld.

6. Het bevoegd gezag zorgt voor een zorgvuldig begeleide terugkeer in een
andere werkkring, binnen of buiten het bevoegd gezag van het openbaar
onderwijs van het stadsdeel Amsterdam – Noord, afhankelijk van de wensen van
betrokkene.

7. De afdeling Personeelszaken Onderwijs is gaarne bereid mevrouw R. met raad
en daad bij te staan.

8. Graag overleggen wij met u over vergoeding van de gemaakte kosten.

n. Op 10 september 1997 heeft de onderzoekscommissie haar rapport uitgebracht
dat op 22 september 1997 aan R. is verzonden. In dit rapport staat dat de
intrekking van de klacht door B. het doen van een uitspraak door de commissie
feitelijk onnodig maakt. Toch wil de commissie benadrukken dat in haar
onderzoek niets erop heeft gewezen dat R. M. op enigerlei wijze onheus zou
hebben bejegend of seksueel zou hebben benaderd. Er is geen enkele aanwijzing
gevonden voor disfunctioneren van R. als onderwijzeres. Voorts benadrukt de
commissie het van het grootste belang te achten dat R. van elke blaam wordt
gezuiverd en de schade aan haar eer en goede naam teniet wordt gedaan.

o. Bij brief van 11 november 1997 heeft de advocaat van R. B. aansprakelijk
gesteld voor de door R. geleden en nog te lijden schade als gevolg van de
door B. ingediende klacht.

p. Op 3 december 1997 heeft tussen de gemeente en R. overleg plaatsgevonden
met betrekking tot de rehabilitatie van R., hetgeen heeft geresulteerd in een
brief d.d. 28 januari 1998 gericht aan de leerkrachten en ouders van de
leerlingen van de school.

2. R. vordert dat de rechtbank:
a. voor recht zal verklaren dat de gemeente en/of B. jegens R. onrechtmatig
heeft/hebben gehandeld;
b. de gemeente en/of B. zal veroordelen om aan R. de materiële en immateriële
schade te vergoeden nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de
wet, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag te betalen, te
vermeerderen met de wettelijke rente;
c. de gemeente en/of B. zal veroordelen in de proceskosten.

3. R. heeft daartoe het volgende gesteld:
De beschuldiging jegens haar vond geen enkele steun in de alstoen bekende
gegevens. Immers, R. heeft slechts bij hoge uitzondering les gegeven aan de
klas van M. en wel eerst op 18 november 1996 terwijl M. al vanaf oktober 1996
klachten vertoonde en daarvoor de huisarts bezocht. B. wist, althans behoorde
te weten, dat haar beschuldiging onjuist was aangezien uit haar verklaringen
tijdens de hoorzitting bij de vertrouwenscommissie duidelijk blijkt dat zij
al lange tijd het vermoeden had dat er meer aan de hand was bij haar dochter
en ook het vermoeden had dat een familielid verantwoordelijk was voor de
klachten van M.. Door R. desondanks te beschuldigen van seksueel misbruik van
M. heeft B. onrechtmatig gehandeld. Nu de beschuldiging geen steun vond in de
op dat moment bekende gegevens, bestond voor het handelen van de gemeente
eveneens geen rechtvaardigingsgrond en was dit onrechtmatig.
Tevens heeft de gemeente onrechtmatig gehandeld omdat haar handelwijze als
werkgever niet zorgvuldig is geweest jegens R.. De gemeente heeft R. niet
volledig en op juiste wijze geformuleerd. Zo is zij in het onder 1.d genoemde
gesprek van 25 maart 1997 niet op de hoogte gesteld van de juiste gegevens
met betrekking tot de tegen haar ingediende klacht en heeft R. de onder 1.c
genoemde brief van B. eerst eind april 1997 ontvangen. Voorts heeft de
gemeente onvoldoende zorgvuldigheid in acht genomen door R. na indiening van
de klacht niet bij te staan en te ondersteunen maar haar te adviseren zich
tot een externe adviseur of advocaat te wenden. Bovendien was de gemeente al
enkele dagen vóór de hoorzitting van de onderzoekscommissie van 23 juni 1997
ermee bekend dat de klacht van B. ongegrond was en heeft zij nagelaten R.
hierover onmiddellijk te informeren.
R. lijdt als gevolg van de handelwijze van B. en de daaropvolgende
handelwijze van de gemeente zowel materiële als immateriële schade.
R. is overspannen en ernstig depressief geraakt en daarvoor onder
doktersbehandeling. Zij is zeer angstig en dag en nacht bezig met hetgeen
haar is overkomen. Voorts is zij nog niet in staat haar werk te hervatten.
Daarnaast is zij in haar eer en goede naam en persoonlijke vrijheid
aangetast.
De materiële schade van R. bestaat onder meer uit de volgende onderdelen:
a. studievertraging;
b. het overdoen van rijlessen;
c. telefoon- en vervoerskosten ten behoeve van steun van de familie;
d. het opnemen van vrije dagen door een familielid om R. te begeleiden bij
artsenbezoek;
e. annulering van de geplande vakantie;
f. hulp in de huishouding;
g. kosten van juridische bijstand.
Voorts heeft R. immateriële schade geleden. Het is op dit moment nog niet
mogelijk de schade volledig te begroten, aldus R..

4. De gemeente stelt tot haar verweer dat zij de klacht op een adequate wijze
heeft behandeld. Hoewel de gemeente niet twijfelde aan de integriteit van R.
betrof het een gedetailleerde en bij herhaling door M. geformuleerde
omschrijving van seksueel misbruik door R. terwijl de gemeente geen
aanleiding had om te twijfelen aan de integriteit en oprechtheid van B.. R.
is in het gesprek van 25 maart 1997 blijkens het daarvan opgemaakte
besprekingsverslag volledig over de inhoud van de klacht geïnformeerd. Het
belang van R., dat van B. en haar dochtertje en dat van de school tegen
elkaar afwegend, heeft de gemeente onder de gegeven omstandigheden een juiste
en verantwoorde beslissing genomen. De door R. gestelde omstandigheden doen
daaraan niet af. De gemeente heeft zich op zorgvuldige wijze opgesteld ten
aanzien van deze uiterst delicate kwestie en rekening gehouden met de
belangen van alle betrokken partijen, inclusief het publieke belang van de
school. R. heeft zelf in de onder 1.i genoemde brief van haar raadsman geëist
dat de gemeente alleen contact via haar raadsman zou onderhouden. Enkele
dagen voor de hoorzitting van 23 juni 1997 heeft B. H. verteld dat M. had
verklaard dat R. niets met de zaak te maken had. De gemeente heeft deze
mondelinge informatie vervolgens op 23 juni 1997 gezien de reeds ingestelde
procedure aan de onderzoekscommissie als eerste aanspreekpunt voorgelegd. Ook
hierin heeft de gemeente niet onzorgvuldig gehandeld. De gemeente acht zich
derhalve niet aansprakelijk voor de door R. gestelde schade welke volgens de
gemeente ook onvoldoende concreet is aangegeven. Rehabilitatie van R. heeft
overeenkomstig haar wens plaatsgevonden, aldus de gemeente.

5. B. betwist eveneens dat zij onrechtmatig jegens R. zou hebben gehandeld.
Zij heeft tezamen met haar partner en een vriendin eerst een gesprek met de
directeur van de school gehad waarin zij heeft weergegeven wat M. haar had
verteld en de directeur heeft verzocht dit uit te zoeken. Vervolgens heeft de
directeur te kennen gegeven dat B. haar klacht op schrift diende te stellen,
hetgeen zij heeft gedaan. B. heeft de klacht op gerechtvaardigde gronden
ingediend. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op hetgeen haar dochtertje haar
vertelde, alsmede op de door haar en de huisarts geconstateerde omstandigheid
dat M. ernstig beschadigd was bij haar vagina en anus en veel pijn had.
Gegeven die situatie en het feit dat het kind bleef volharden in het noemen
van de naam van R., is het begrijpelijk dat B. een nader onderzoek wenste.
Daarbij heeft B. haar klacht steeds geformuleerd als een vermoeden.

6. De lichamelijke klachten en het gedrag van M., in het bijzonder de
uitlatingen van M. tegenover haar moeder, gaven op zich blijk van een
zorgelijke situatie met betrekking tot M. en konden aanleiding geven tot een
vermoeden van seksueel misbruik. Vraag is evenwel of er in casu sprake kon
zijn van een gerechtvaardigd vermoeden van seksueel misbruik door R..

7. B. valt niet te verwijten dat zij bij de school, en vervolgens op verzoek
van H. bij de gemeente melding heeft gedaan van de lichamelijke klachten van
haar dochter en het feit dat M. in dit verband de naam van R. had genoemd.
Wel kan de vraag worden gesteld in hoeverre B. in haar mededelingen tegenover
de school en de gemeente wel volledig is geweest gezien de inhoud van haar
verklaring tegenover de onderzoekscommissie waaruit onder meer blijkt dat B.
reeds enige tijd het vermoeden van seksueel misbruik van M. door haar vader
koesterde. Verder bleek er reeds contact met de Riagg te zijn naar aanleiding
van de lichamelijke klachten van M. waarvoor de huisarts B. had doorverwezen
en tekende M. steeds poppetjes met piemels. Ook waren er spanningen tussen de
ouders en had de vader van M. enkele dagen daarvoor het gezin verlaten.
Desalniettemin kan de melding aan de school door B. van hetgeen M. haar had
verteld op zich niet als onrechtmatig jegens R. worden beschouwd, gezien de
ernst van de situatie. Los van de vraag in hoeverre B. gezien de hiervoor
vermelde omstandigheden op de hoogte diende te zijn van de onwaarheid van het
verhaal van haar dochter, acht de rechtbank B. niet aansprakelijk voor het
indienen van een klacht nu als onweersproken alsmede op grond van de
overgelegde stukken vaststaat dat de indiening van een klacht door B. is
gedaan op verzoek van de gemeente. Terzake kan derhalve B. geen verwijt
worden gemaakt zodat de vordering tegen B. zal worden afgewezen.

8. De directeur van de school heeft de melding van B. opgevat als een
beschuldiging van R. en B. verzocht een klacht bij de gemeente in te dienen
waarop is overgegaan tot het onder 1.d genoemde gesprek met R. en de
instelling van een onderzoekscommissie. R. verwijt de gemeente ten onrechte
dat de gemeente had kunnen weten dat de schriftelijke klacht niet kon
kloppen. De door R. daartoe aangevoerde omstandigheden, met name dat R. eerst
vanaf november 1996 en slechts incidenteel aan de klas van M. les heeft
gegeven, bieden onvoldoende steun voor dat verwijt. Die omstandigheid sluit
immers niet uit dat hetgeen M. aangaf gebeurd kon zijn. Seksueel misbruik van
een kind op school is ook mogelijk door een ander dan de eigen leerkracht en
kan plaatsvinden naast (eerder) misbruik door een ander. Het is dan ook
feitelijk onjuist dat de gemeente had kunnen weten dat de klacht onterecht
was. De vraag in hoeverre R. in het gesprek van 25 maart 1997 juist en
volledig is geïnformeerd, laat zich aan de hand van het nadien door de
gemeente opgestelde verslag, dat door R. is betwist, niet beantwoorden. Ook
echter indien de klacht niet juist of volledig is verwoord, is onvoldoende
aannemelijk dat R. daardoor schade heeft geleden. Het causaal verband tussen
dit verwijt en de door haar genoemde schadeposten is zonder nadere
toelichting die ontbreekt, niet aannemelijk. Hetzelfde geldt voor de overige
verwijten van R. dat de gemeente niet snel genoeg heeft gehandeld, zoals bij
het informeren van R. over de intrekking van de klacht, maar niet voor de
door R. aangevoerde grond dat in de brief van V. van 15 april 1997 een
schorsing dan wel non-actiefstelling besloten ligt. Indien dat het geval zou
zijn, zou het causaal verband met de schadeposten wel aannemelijk zijn, maar
de rechtbank deelt de gevolgtrekking van R. niet. De brief van 15 april 1997
houdt niets meer of minder in dan dat aan R. een functie op een andere school
wordt aangeboden, hetgeen niet gelijk te stellen is aan een schorsing. Het
blijk van wantrouwen, dat R. in de brief
leest, is er naar het oordeel van de rechtbank niet: aanstelling op een
andere school betekent juist dat de gemeente R. kennelijk nog steeds geschikt
achtte als leerkracht.

9. Uit het voorgaande volgt dat de stelling van R. dat B. en de gemeente
onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld, niet slaagt. Met alle begrip voor
de emotionele schok die de onterecht gebleken beschuldiging aan het adres van
R. bij haar teweeg zal hebben gebracht, moeten de vorderingen dan ook worden
afgewezen, met veroordeling van R. als de in het ongelijk gestelde partij in
de kosten van het geding.

BESLISSING

De rechtbank:

– wijst de vorderingen af;

– veroordeelt R. in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de
zijde van de gemeente begroot op ƒ 2.090 en te voldoen als volgt:

aan B.
ƒ 92,50 als vergoeding voor bij haar gevallen kosten van vastrecht;

aan de griffier van deze rechtbank:
ƒ 1.720 aan salaris procureur;
ƒ 277,50 aan overige vastrecht;

– verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs. Ros, van Hees en Sassenburg

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 4 oktober 1999

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Verzoek inzake beslissing d.d 11 juni 1999 van Cie. Schadefonds
Geweldsmisdrijven. Vrouw is maandenlang door buurtbewoner (tevens ex-partner)
geterroriseerd en bedreigd. Hierbij heeft hij vernielingen in en om haar huis
aangericht, is haar woning binnengedrongen, heeft persoonlijke eigendommen
tijdens haar afwezigheid weggenomen en haar bedreigd haar overhoop te rijden.
De vrouw heeft enige weken in een Blijf-van-mijn-huis verbleven en is
opgenomen geweest in een herstellingsoord waar zij werd behandeld wegens
fobische angstklachten en klachten van depressieve aard. Zij is naar een
andere woning verhuisd en als gevolg van het door haar opgelopen psychisch
letsel arbeidsongeschikt geworden. Het verzoek van de vrouw aan de Commissie
om toekenning van een uitkering is afgewezen omdat deze van oordeel is dat
niet is komen vast te staan noch aannemelijk is geworden dat jegens de vrouw
opzettelijk een geweldsmisdrijf is gepleegd. Anders dan de Commissie is het
hof van oordeel dat het geheel van feiten, waarmee de dader stelselmatig
inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de vrouw en zij zich
hierdoor ernstig bedreigd heeft gevoeld, dient te worden gekwalificeerd als
een geweldsmisdrijf. Op grond hiervan komt haar een uitkering uit het
schadefonds toe.

Volledige tekst

Schadefonds Geweldsmisdrijven

Beslissing Commissie – Enkelvoudige Kamer

datum verzoek15 juli 1998
kenmerk 26381
Verzoekster
naam Mevrouw S.M. van K.
geboortedatum 24-10-1948
woonplaats H.

Algemeen
Ingevolge artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: de Wet)
kan de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de Commissie) een
uitkering doen aan degene aan wie door een opzettelijk gepleegd
geweldsmisdrijf ernstig letsel is toegebracht.

Geweldsmisdrijf

Het verzoek is gegrond op feiten die volgens opgave van verzoekster hebben
plaatsgevonden in de periode van oktober 1997 tot en met mei 1998 te H..
Namens verzoekster is opgegeven dat (waarschijnlijk door een vroegere partner
van verzoekster) aan haar toebehorende eigendommen zijn vernield. Tevens is
verklaard dat verzoekster door dezelfde persoon is lastig gevallen en
bedreigd. Uit de opgave is niet gebleken waaruit deze bedreigingen hebben
bestaan. Het onderzoek van de medisch adviseur van de Commissie heeft
uitgewezen dat verzoekster psychische klachten heeft gehad, ten gevolge
waarvan zij in een herstellingsoord opgenomen is geweest. Niet is echter
komen vast te staan dat deze klachten het rechtstreeks gevolg waren van
jegens verzoekster gepleegd geweld. Uit het onderzoek is ook overigens niet
gebleken dat jegens verzoekster in persoon geweld is gebruikt of met geweld
is gedreigd.

Beslissing

Voor de Commissie is aldus niet komen vast te staan, noch is aannemelijk
geworden, dat jegens verzoekster op genoemde tijd en plaats opzettelijk een
geweldsmisdrijf is gepleegd op grond waarvan aan haar een uitkering uit het
Schadefonds zou kunnen worden toegekend.
De Commissie wijst op deze grond het verzoek om toekenning van een uitkering
uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven af.

Bezwaar

Op grond van artikel 14 van de Wet kan verzoekster tegen een beslissing van
de Commissie bezwaar maken als het verzoek om een uitkering is afgewezen, dan
wel het bedrag van de toegekende uitkering zodanig is dat de Commissie, alle
ter zake dienende omstandigheden in aanmerking genomen, niet in redelijkheid
tot haar beslissing heeft kunnen komen.
Indien verzoekster zich niet met de beslissing van de Commissie kan
verenigen, kan zij binnen zes weken na de toezending van de beslissing een
verzoekschrift bij het Gerechtshof te Den Haag indienen. In het
verzoekschrift moet gemotiveerd worden aangegeven op welke punten verzoekster
de beslissing van de Commissie onjuist vindt. Dit verzoekschrift moet worden
gericht aan:
De Strafgriffie van het Gerechtshof
Postbus 20302
Paleis 1, kamer 1116
2500 EH Den Haag

GERECHTSHOF TE ‘S-GRAVENHAGE
kamer M S-11
nummer 71/99

Beschikking
op het op 20 juli; in het hof ingekomen verzoekschrift van:
S. M. van K.
wonende te Z. (gemeente H),
verder te noemen: verzoekster,
gemachtigde: mr drs E.P. Bish, advocaat te Amsterdam,

inzake de beslissing d.d. 11 juni 1999 van de Commissie belast met het beheer
van het schadefonds geweldsmisdrijven, verder te noemen: de Commissie.

A. Verloop van de procedure

Op 15 juli 1999 is de Commissie verzocht om toekenning van een uitkering uit
het schadefonds geweldsmisdrijven ter zake van letselschade veroorzaakt door
een in de periode van oktober 1997 tot mei 1998 jegens verzoekster
opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
De Commissie heeft in haar bestreden beslissing het verzoek afgewezen op
grond van haar oordeel dat niet is komen vast te staan, noch aannemelijk is
geworden dat jegens verzoekster in voormelde periode opzettelijk een
geweldsmisdrijf is gepleegd, op grond waarvan aan haar een uitkering uit het
schadefonds zou kunnen worden toegekend.
Een afschrift van deze beslissing is bij brief van 22 juni 1999 toegezonden
aan de gemachtigde van verzoekster. Deze heeft namens verzoekster bezwaar
gemaakt tegen die beslissing in een verzoekschrift dat op 20 juli 1999 ter
griffie van dit hof is binnengekomen.

B. Het bezwaar van verzoekster

Het bezwaar dat is aangevoerd komt – kort gezegd – hierop neer dat naar het
oordeel van verzoekster het verzoek ten onrechte om voormelde reden is
afgewezen aangezien zij wel degelijk ernstig psychisch letsel heeft
opgelopen. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat verzoekster, zoals zij
heeft opgegeven maandenlang door een buurtbewoner is geterroriseerd en
bedreigd. Een en ander heeft tot gevolg gehad dat verzoekster haar woning
heeft moeten verlaten en in verband met psychische klachten opgenomen is
geweest in een herstellingsoord en vervolgens naar een andere woning is
verhuisd. Uiteindelijk zou het door haar opgelopen psychisch letsel hebben
geleid tot arbeidsongeschiktheid.

C. Beoordeling van het verzoekschrift

Verzoekster heeft verklaard dat zij in de periode van oktober 1997 tot mei
1998 door een ex-buurman (dader) werd geterroriseerd. Zo zou de dader o.a.
ruiten van verzoeksters woning hebben vernield, een schutting in haar
achtertuin hebben afgebroken, eigendommen van verzoekster uit haar woning
hebben meegenomen en haar hebben bedreigd. Omdat verzoekster zich hierdoor
bijzonder onveilig voelde heeft zij in april 1998 enige weken in een
blijf-van-mijn-lijf-huis vertoefd. Van 26 mei 1998 t/m 17 augustus 1998
verbleef verzoekster in het herstellingsoord Zonneduin te Bloemendaal.

Bij de stukken bevindt zich een namens verzoekster door haar dochter in mei
1998 gedane aangifte van vernieling en diefstal van eigendommen van
verzoekster, vermoedelijk gepleegd door de dader/ex-vriend en buurman van
verzoekster met wie zij enige tijd een relatie had gehad.
De dader heeft tegenover de politie bekend dat hij uit boosheid omdat
verzoekster de relatie met hem had beëindigd en omdat hij zich door haar
misbruikt voelde, de schutting die hij voor haar had gebouwd weer heeft
afgebroken. Ook heeft hij verzoekster gezegd dat zij zou boeten voor wat zij
hem had aangedaan en dat hij haar overhoop zou rijden wanneer hij haar op de
fiets zou tegenkomen.

Bij de stukken bevindt zich een verslag van de behandelingsmedewerkster in
het herstellingsoord waar verzoekster verbleef. Hieruit blijkt dat
verzoekster werd behandeld wegens fobische angstklachten en klachten van
depressieve aard.
De medisch adviseur van de Commissie acht in zijn advies d.d. 13 oktober 1998
causaal verband tussen deze klachten, die naar zijn oordeel als een lichte
vorm van post-traumatische stress moeten worden beschouwd, en het wangedrag
van de dader aannemelijk.

Naar het oordeel van het hof is op grond van het voorgaande aannemelijk dat
verzoekster ernstig psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg van de
agressieve reactie van de dader op de beëindiging van de relatie door
verzoekster.

De dader heeft met zijn gedrag – de vernielingen die de dader in en om
verzoeksters woning heeft aangericht, het binnendringen in haar woning en het
wegnemen van persoonlijke eigendommen van verzoekster tijdens haar
afwezigheid, de bedreiging dat hij haar overhoop zou rijden – stelselmatig
inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verzoekster. Anders dan de
Commissie is het hof van oordeel dat dit geheel van feiten, waardoor
verzoekster zich ernstig bedreigd heeft gevoeld, dient te worden
gekwalificeerd als een jegens verzoekster gepleegd geweldsmisdrijf op grond
waarvan haar een uitkering uit het schadefonds toekomt. Wat betreft de
immateriële schade denkt het hof aan een uitkering behorend bij
letselcategorie IV.

Het voorgaande brengt mee dat beslist moet worden als volgt.

Beslissing

Het hof vernietigt de bestreden beslissing en zendt de zaak terug aan de
Commissie teneinde daarin, met inachtneming van het vorenoverwogene, opnieuw
te beslissen.

Rechters

Mrs. De Vries, Van der Klooster, Dusamos

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 1 oktober 1999

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Huwelijk in 1981. Echtscheiding in 1990. Er zijn 2 kinderen. voor wie
alimentatie is vastgesteld. Vanaf 1991 betaalt de vader dit niet meer omdat
hij dacht dat de moeder was vertrokken naar het buitenland en omdat hij van
de Raad voor de Kinderbescherming had vernomen dat de moeder de betaalde
alimentatietermijnen niet incasseerde. De vrouw onderneemt geen actie en
maakt pas in 1998 weer aanspraak op de
achterstallige kinderalimentatie. Het hof oordeelt dat de vrouw deze
achterstand thans niet meer in redelijkheid kan vorderen. Daarnaast verzoekt
de vader wijziging van de alimentatie voor de toekomst omdat hij het
betreffende kind sinds 1989 niet meer heeft gezien en omdat haar stiefvader
meer draagkracht heeft om haar te onderhouden. Het Hof oordeelt dat de vader
onderhoudsplichtig blijft, maar dat aannemelijk is dat de draagkracht van de
stiefvader die van de vader te boven gaat. In redelijkheid wordt daarom een
bedrag van ƒ 250 vastgesteld.

Volledige tekst

HET GEDING

Partijen zijn op 28 december 1981 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de
rechtbank te Middelburg van 29 november 1989 is tussen de vader en de moeder
de echtscheiding uitgesproken. Bij opvolgende beschikking van 18 april 1990
is de moeder benoemd tot voogdes over de minderjarigen:
– L. v. d. R., geboren op 25 februari 1983, en
– D. v. d. R., geboren op 2 september 1985.
Voorts is bij beschikking van 12 september 1990 aan de moeder ten laste van
de vader een alimentatie ten behoeve van de minderjarigen toegekend van ƒ 250
per kind per maand.

De vader -heeft een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend, gedateerd 15
oktober 1998, strekkende tot wijziging van voormelde beschikkingen. Bij
beschikking van de rechtbank te Middelburg van 7 april 1999 is – met
wijziging van de beschikkingen van 18 april 1990 en 12 september 1990 –
bepaald dat het gezag over L. voortaan wordt uitgeoefend door de vader, en
dat de bijdrage van de vader t.b.v. L. met ingang van 1 september 1998 nihil
bedraagt, terwijl de bijdrage t.b.v. D. met ingang van 1 oktober 1998 is
bepaald op ƒ 388 per maand. Voorts zijn de bijdragen t.b.v. beide
minderjarigen tot 1 september 1998 bepaald op hetgeen door de vader in feite
in die periode is betaald.

De moeder is van de beschikking van 7 april 1999 tijdig in beroep gekomen en
heeft verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor wat
betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee
minderjarigen tot 1 september 1998, en te beslissen dat de vader alsnog
gehouden is hetgeen bepaald is bij beschikking van 12 september 1990 na te
komen en de vader te veroordelen tot betaling van de achterstallige
alimentatietermijnen onder afwijzing van hetgeen dienaangaande anders of
aanvullend wordt verzocht, met bekrachtiging t.a.v. de onderhoudsbijdrage
voor D. m.i.v. 1 september 1998, zulks met veroordeling van de vader in de
kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

De vader heeft tijdig een verweerschrift tevens incidenteel beroep ingediend
waarin hij heeft verzocht de beschikking van 7 april 1999 te vernietigen
voorzover het betreft de beslissing dat de bijdrage voor D. met ingang van 1
oktober 1998 wordt vastgesteld op ƒ 388 per maand en opnieuw beschikkende te
bepalen dat deze met ingang van 1 september 1998 wordt gesteld op nihil, met
bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige.

Bij verweerschrift in het incidentele beroep heeft de moeder verzocht het
verzoek in incidenteel beroep af te wijzen en de bijdrage voor D. met ingang
van 1 september 1998 dan wel een latere datum te bepalen op ƒ 683, – per
maand, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.

Op 1 september 1999 is de zaak mondeling behandeld. De moeder zelf is niet
verschenen. De vader heeft ter zitting een brief voorgelezen, geschreven door
L..

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK VAN DE MOEDER, GEDAAN BIJ
HET VERWEERSCHRIFT IN INCIDENTEEL HOGER BEROEP.

Bij haar verweerschrift in het incidentele appel heeft de moeder haar verzoek
voor wat betreft de bijdrage t.b.v. D. na 1 september 1998 vermeerderd tot ƒ
683 per maand. De wet biedt echter geen mogelijkheid bij verweerschrift in
incidenteel appèl na de appèltermijn een nieuw verzoek te doen. Ware dit wel
toegestaan, dan zou aan de wederpartij wederom een termijn gegund moeten
worden om schriftelijk verweer te voeren en dan zou de procedure eindeloos
gerekt kunnen worden. Dit verzoek dient dan ook als in strijd met de wet en
een goede procesorde niet- ontvankelijk te worden verklaard.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Met betrekking tot de betalingsachterstand tot 1 september 1998:

1. In hoger beroep heeft de vader betalingsbewijzen overgelegd over de
periode van 4 januari 1991 tot en met 29 augustus 1991, waaruit blijkt dat
hij in die periode de bijdrage voor beide kinderen inclusief de wettelijke
verhoging aan de Raad voor de Kinderbescherming te Middelburg heeft voldaan.
De moeder ontving een bijstandsuitkering totdat zij op 29 juni 1991 met de
kinderen is uitgeschreven uit het bevolkingsregister van de gemeente
Terneuzen en met onbekende bestemming is vertrokken. Zij is toen hertrouwd
met haar huidige echtgenoot K. en heeft vanaf 2 september 1991 ingeschreven
gestaan in de gemeente Brielle doch heeft hiervan nooit mededeling gedaan aan
de vader en hem zelfs in de waan gebracht en gelaten dat zij naar
Oost-Duitsland was vertrokken. De vader heeft van de Raad voor de
Kinderbescherming te Middelburg vernomen dat de moeder de door hem afgedragen
termijnen over juli/september 1991 niet had opgenomen en het is aannemelijk
dat de vader toen de betalingen in overleg met de raad heeft beëindigd. De
vader heeft D. niet meer gezien sinds eind 1989 en
L. tot de datum waarop zij zelf weer contact met hem heeft gezocht, waarna
zij in juli 1998 bij hem is gaan wonen. De moeder heeft pas weer aanspraak
gemaakt op de kinderbijdrage bij brief van haar advocaat d.d. 20 augustus
1998, toen de gezagswijziging betreffende L. al in aantocht was. In die
tussentijd hebben vele procedures plaatsgevonden tussen partijen over de
omgang tussen de vader en beide kinderen. In het kader van die procedures
heeft het PPPAR op 25 mei 1993 rapport uitgebracht waarin staat dat de moeder
en de heer K. er financieel beter aan toe zijn en dat zij nog als enige wens
hebben met rust gelaten te worden. Op grond van het voorgaande is het hof met
de rechtbank van oordeel dat de na een verloop van bijna acht jaar ontstane
achterstand thans in redelijkheid niet kan worden gevorderd.

Met betrekking tot de door de vader t.b.v. D. te betalen bijdrage met
ingang van 1 september dan wel 1 oktober 1998.

Het hof rondt bedragen af op de hele guldens.

2. De vader voert als incidentele grief aan dat de rechtbank ten onrechte de
kinderalimentatie voor D. met ingang van 1 oktober 1998 heeft vastgesteld op
ƒ 388 per maand, nu haar stiefvader, wiens achternaam zij inmiddels draagt,
gehouden is bij te dragen in haar kosten, terwijl ieder contact tussen D. en
hem verhinderd wordt.

3. Voor zover de moeder heeft voorgesteld geen acht te slaan op het verweer
waarin de vader – volgens de moeder eerst in hoger beroep – de behoefte van
D. van ƒ 450 per maand heeft betwist, dient dat voorstel te worden verworpen,
nu de vader vrij is in hoger beroep nieuwe feiten en weren aan te voeren en
de moeder door dit verweer van de vader niet in haar verdediging wordt
bemoeilijkt.

4. Op zichzelf blijft naar ’s hofs oordeel de onderhoudsplicht van de vader
in stand, al heeft hij D. sinds eind 1989 niet meer mogen zien en draagt zij
inmiddels na naamswijziging de achternaam van haar stiefvader. Het argument
van de vader dat de stiefvader de volledige kosten van de verzorging en
opvoeding van D. voor zijn rekening behoort nemen, nu de vader de volledige
kosten van de verzorging en opvoeding van L. draagt, gaat niet op, omdat de
stiefvader niet gehouden is tot enige bijdrage in de kosten van de verzorging
en opvoeding van
L., die immers niet meer tot zijn gezin behoort. De moeder is geen bijdrage
verschuldigd omdat zij, voor zover bekend, geen draagkracht heeft. De kosten
van de verzorging en opvoeding van D. moeten in beginsel door de vader en de
stiefvader worden gedeeld in een onderlinge verhouding die afhangt van de
omstandigheden.

5. D. woont in gezinsverband met haar 38-jarige moeder, haar stiefvader en
haar stiefbroertje van 6 jaar. De moeder draagt wegens gebrek aan bekende
draagkracht niet bij in de kosten van verzorging en opvoeding van D. en
evenmin van L.. De stiefvader is reder van binnenvaartschepen. Gesteld is dat
zijn inkomen is teruggelopen omdat de binnenvaart op de Donau naar Hongarije,
Servië, Bulgarije en Roemenië te lijden heeft gehad van de Kosovo-crisis. Met
deze stelling kan geen rekening worden gehouden, nu over het verloop van het
inkomen en de draagkracht van de stiefvader geen gegevens zijn overgelegd. De
stiefvader heeft sinds zijn huwelijk met de moeder steeds de volledige kosten
van verzorging en opvoeding van beide dochters en laatstelijk alleen van D.
betaald.

6. In eerste aanleg heeft de moeder de behoefte van D. per maand gesteld op ƒ
450 thans op ƒ 683. Deze behoefte is niet met cijfers onderbouwd. De vader
stelt de behoefte op ƒ 375 per maand en stelt dat hij daarvan gezien de
onderhoudsplicht van de stiefvader hoogstens ƒ 200 per maand voor zijn
rekening zou moeten nemen. Gelet op de belastinggevolgen leidt het hof
hieruit af dat hij een draagkracht van ƒ 250 per maand erkent. In eerste
aanleg is zijn draagkracht bepaald op ƒ 388 per maand. Dit is in hoger
beroep niet door de vader bestreden.

7. D. woont sinds 1991 bij de stiefvader. Haar moeder heeft sindsdien met
succes haar van contact met de vader weerhouden. Deze omstandigheden en de
naamswijziging, die overigens niet onherroepelijk is, rechtvaardigen dat de
stiefvader een veel groter deel van zijn draagkracht voor haar kosten
aanspreekt dan de vader. Nu omtrent de draagkracht van de stiefvader geen
gegevens zijn overgelegd, maar aannemelijk is dat die de draagkracht van de
vader aanmerkelijk te boven gaat, zal het hof de bijdrage van de vader t.b.v.
D. naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op ƒ 250 per maand. Omdat
D. zijn dochter is en blijft, acht het hof een geringer aandeel in haar
kosten ongerechtvaardigd.

8. Nu de achterstand in de betalingen tot 1 september 1998 is vastgesteld op
hetgeen de vader in feite heeft betaald en niet gebleken is dat hij een
bijdrage over de maand september 1998 ten behoeve van D. heeft voldaan, zal
het hof de bijdrage van ƒ 250 per maand laten ingaan op 1 september 1998.

9. in zoverre dient de bestreden beschikking te worden vernietigd. Het
verzoek van de moeder tot veroordeling van de vader in de kosten van het
geding dient op grond van het voorgaande te worden afgewezen.

BESLISSING IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot verhoging van de
bijdrage in de kosten en verzorging van de minderjarige D. na 1 september
1998;

vernietigt op het incidentele beroep van de vader de bestreden beschikking
voor zover die betreft de bijdrage t.b.v. D. na 1 september 1998 en in
zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met
ingang van 1 september 1998 op ƒ 250 per maand, voortaan bij vooruitbetaling
te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking, oordeel onderworpen, voor het overige;

compenseert de kosten van het geding dat elke partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Schueren, Koning en Van Leuven

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 30 september 1999

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Hoger beroep van ktg Rotterdam 21 april 1998, nr. 178785/97/1 (RN 1998, nr.
923). Werkneemster vordert schadevergoeding omdat de werkgever haar
onvoldoende heeft beschermd naar aanleiding van klachten over seksuele
intimidatie. De arbeidsovereenkomst is inmiddels ontbonden, waarbij aan haar
ƒ 45.000 vergoeding is toegekend. Zij was in dienst sinds 1972. De
kantonrechter wijst de vordering tot vergoeding van inkomensschade en
immateriële schade af omdat de inkomensschade al bij de ontbinding is
toegekend en er een immateriële schadevergoeding van ƒ 12.000 is
overeengekomen. De rechtbank vernietigt dit vonnis en wijst de vordering toe.
Aangenomen moet worden, aldus de rechtbank, dat het beleid dat er op was
gericht werkgevers en werknemers zich bewust te doen worden van het voorkomen
van seksuele intimidatie op het werk, in 1990 in zoverre was
uitgekristalliseerd, dat van werkgevers vanaf dat moment kon worden verwacht
dat zij m.b.t seksuele intimidatie op het werk een gericht en samenhangend
beleid zouden gaan voeren. Deze zorgplicht valt onder artikel 7:685 BW. Nu
het ziekenhuis niet van een dergelijk beleid heeft doen blijken, moet worden
aangenomen dat het ziekenhuis tekort is geschoten in zijn zorgplicht.

Volledige tekst

1. De processtukken

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:
– de stukken van de eerste aanleg, waaronder het op 21 april 1998 door de
kantonrechter te
Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis;
– de appeldagvaarding;
– de memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, met producties;
– de memorie van antwoord, tevens incidentele memorie van grieven;
– de memorie van antwoord in het incidenteel appel, met producties.

2. De vordering in eerste aanleg

In eerste aanleg vorderde K dat het Y bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
zou worden veroordeeld tot vergoeding/betaling van:
I de door K als gevolg van het handelen van het Y in strijd met artikel
7A:1638x geleden schade, nader op te maken bij staat en te
vereffenen volgens de wet, met wettelijke rente vanaf 21 januari 1997;
II een bedrag van ƒ 20.000, althans een zodanig bedrag als de rechter in
goede justitie zal vermenen te behoren, bij wijze van voorschot op de onder I
bedoelde schadeloosstelling, te betalen binnen 1 week na betekening van het
vonnis, en
III de proceskosten.

3. Het vonnis waarvan beroep

De kantonrechter heeft de vorderingen van K afgewezen.

4. De grieven in het principaal appel

De grieven van K stellen in volle omvang aan de orde hetgeen door de
kantonrechter in de rechtsoverwegingen 4.8 en 4.9 is overwogen omtrent de
door K geleden schade.

5. De grieven in het incidenteel appel

De grief richt zich tegen hetgeen door de kantonrechter in de
rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 is overwogen omtrent het schenden door het Y
van de verplichting voortvloeiend uit artikel 7:658 BW door onvoldoende
maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat K gevrijwaard bleef van
ongewenste intimiteiten.

6. De conclusies in het principaal en in het incidenteel appel

6.1 De conclusie van K in het principaal appel strekt tot vernietiging van
het door de kantonrechter gewezen vonnis, met toewijzing alsnog van hetgeen K
heeft gevorderd, met dien verstande dat zij thans primair vordert toewijzing
van een bedrag van ƒ 41.000 en subsidiair van hetgeen zij in eerste aanleg
primair had gevorderd, met veroordeling van het Y in de kosten van de beide
instanties.

6.2 Het Y heeft in het principaal appel geconcludeerd tot afwijzing van de
vorderingen van K in het incidenteel appel tot vernietiging van het vonnis
voorzover de incidentele grief daartegen is gericht, met bekrachtiging van
het vonnis voor het overige, en tenslotte met veroordeling van Y bij vonnis
uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding.
6.3 heeft in het incidenteel appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het
vonnis op het onderdeel waartegen de grief zich richt, met veroordeling van
het Y in de kosten van het incidenteel appel.

7. De beoordeling van het hoger beroep

7.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld, zodat K in zoverre daarin
ontvankelijk is.

7.2 Geen grieven zijn gericht tegen de in het vonnis door de kantonrechter
onder 1.1 tot en met 1.11 vastgestelde feiten, zodat deze ook in hoger beroep
vaststaan.

Verkort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende:
K vanaf 1972 in dienst bij de maatschap van longartsen waarvan ook later Z
deel zou uitmaken, is, nadat Z zich als vrijgevestigd arts had verbonden met
Y, per 1 juni 1986 in dienst getreden van Y. Zij werkte 20 uur per week.
Vanaf 2 september 1994 heeft zij zich ziek gemeld.
Medio 1995 heeft zij bij de Geschillencommissie van Y de klacht neergelegd
dat zij de afgelopen jaren last had van seksuele intimidatie van de zijde van
Z.
Met ingang van 1 september 1995 werd K geschikt geacht weer te gaan werken.
Op 25 september 1995 heeft de Geschillencommissie van Y een rapport van
onderzoek doen verschijnen, waarvan de conclusie was dat er sprake was
geweest van ongewenste seksuele toenadering en ander verbaal, non-verbaal of
fysiek gedrag van seksuele aard van Z jegens K. De commissie verbond daaraan
de conclusie dat het niet langer mogelijk was dat K voor Z bleef werken, en
zij beval aan dat binnen het ziekenhuis een andere positie voor K werd
gevonden.
In de periode daarna heeft Y tot viermaal toe andere functies onder de
aandacht gebracht van K met de mededeling dat zij naar die functies kon
solliciteren. Die sollicitaties hebben niet geleid tot een andere functie
voor K.
Op 20 juni 1996 heeft Y bij de kantonrechter te Rotterdam het verzoek
ingediend om de tussen hem en K bestaande arbeidsovereenkomst op grond van
gewichtige redenen te ontbinden. De kantonrechter kwam bij beschikking van 13
augustus 1996 tot het oordeel dat er sprake was van een verandering van
omstandigheden en ontbond de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september
1996, onder toekenning aan K van een vergoeding van ƒ 45.000 bruto.

7.3 De incidentele grief stelt aan de orde de vraag of Y heeft voldaan aan
zijn uit artikel 7:658 BW voortvloeiende verplichtingen. De vraag of er
aansprakelijkheid is gaat vooraf aan de vraag naar de omvang van de schade,
en daarom zal de rechtbank de incidentele grief eerst behandelen.

7.4 Met de kantonrechter is de rechtbank van oordeel dat Y niet aan die
zorgplicht heeft voldaan.

7.5 In ieder geval vanaf de tachtiger jaren hebben zich maatschappelijke
ontwikkelingen voorgedaan, welke er toe hebben geleid dat van de zijde van
overheid, werkgevers en werknemers een beleid is gevoerd dat erop gericht was
werkgevers en werknemers zich bewust te doen worden van het voorkomen van
seksuele intimidatie op het werk en dat werkgevers stimuleerde tot het
treffen van adequate maatregelen, deels door daarop gerichte bepalingen op te
nemen in door werkgevers en werknemers af te sluiten collectieve
arbeidsovereenkomsten. Nadere gegevens omtrent de hier gesignaleerde
ontwikkelingen zijn onder meer te vinden in de memorie van toelichting
behorend bij het wetsvoorstel 23 326 (Wijziging van de
Arbeidsomstandighedenwet in verband met seksuele intimidatie en agressie en
geweld).
Mede gelet op die maatschappelijke ontwikkelingen moet aangenomen worden dat
het hierboven bedoelde beleid omstreeks 1990 in zoverre was
uitgekristalliseerd, dat van werkgevers vanaf dat moment kon worden verwacht
dat zij met betrekking tot seksuele intimidatie op het werk een gericht en
samenhangend beleid zouden voeren, met als inzet het voorkomen van seksuele
intimidatie op het werk, en, indien daarvan desondanks toch sprake zou zijn,
het bieden aan werknemers van een veilige weg om met hun klachten naar voren
te komen, zonder dat de werknemers daarvan de nadelige gevolgen zouden
ondervinden.
Met K is de rechtbank van oordeel dat de daaruit voortvloeiende zorgplicht
van werkgevers valt onder de zorgplicht zoals die nader in artikel 7A:1638x
BW (oud), thans 7:658 BW is omschreven.

7.6 Dat Y een dergelijk gericht en samenhangend beleid heeft gevoerd blijkt
niet uit hetgeen het terzake aanvoert.

7.7 Daaraan doet niet af dat Y zoals het heeft gesteld, diverse instanties
kent tot wie K zich had kunnen wenden, zoals het Bedrijfsmaatschappelijk werk
en de Commissie Interne Personeelsaangelegenheden van de ondernemingsraad.
Het bestaan van deze instanties, ook al zouden deze bevoegd zijn geweest om
klachten met betrekking tot individuele seksuele intimidatie te ontvangen,
impliceert, anders dan Y lijkt aan te nemen, niet dat door Y een beleid als
hierboven bedoeld is gevoerd

7.8 Daaraan doet op dezelfde grond niet af dat het Y bereid is geweest door
andere werknemers dan K geuite klachten over het gedrag van Z te onderzoeken.

7.9 Tenslotte doet daaraan evenmin af dat het Y vanaf 1987 stappen heeft
ondernomen om te komen tot een klachtenregeling met betrekking tot seksuele
intimidatie.
Wat daarvan zij, uiteindelijk heeft het tot 1995 moeten duren voordat een
definitief geschillenreglement aan het personeel van Y bekend is gemaakt.
Onder erkenning dat Y voor totstandkoming van een dergelijk reglement de
medewerking van de ondernemingsraad nodig had, wordt niet duidelijk waarom
het ongeveer 7 jaar heeft moeten duren voordat het reglement werd
vastgesteld.

7.10 Overigens onderstreept deze laatste stelling van Y dat het het reeds
vanaf het einde van de tachtiger jaren tot zijn zorg rekende een op het
voorkomen van seksuele intimidatie gericht beleid te voeren.

7.11 Nu uit hetgeen Y naar voren heeft gebracht niet van een dergelijk beleid
kan blijken, moet aangenomen worden dat Y in zoverre tekort is geschoten in
zijn bij artikel 7A:1638x (oud) respectievelijk 7:958 BW bedoelde zorgplicht
ook jegens K, en is het aansprakelijk voor de gevolgen die K daarvan heeft
ondervonden.

7.12 Dat zou wellicht anders kunnen zijn indien uit hetgeen Y naar voren
heeft gebracht zou kunnen volgen dat ook indien het wel een dergelijk beleid
als hiervoor bedoeld zou hebben gevoerd, de feiten als waarvan in deze
procedure sprake is zich ook zouden hebben voorgedaan.

7.13 Dergelijke feiten heeft Y niet gesteld. Als zodanige feiten kunnen niet
gelden de omstandigheid dat er ook buiten het werk om een relatie tussen K en
Z heeft bestaan, en dat K in 1994 door een vertegenwoordigster van Y gevraagd
naar het gedrag van Z er toen de voorkeur aan heeft gegeven niet over dat
gedrag te praten.
(Hoewel niet rechtstreeks van belang zij overigens aangetekend dat de
rechtbank wanneer zij het begrip ‘relatie’ hanteert uitgaat van de relatie
zoals K in haar getuigenverklaring heeft omschreven en zoals daarvan blijkt
uit het rapport van de onderzoekscommissie van de Geschillencommissie. Dat er
tussen K en Z een ‘intieme relatie’ zou hebben bestaan zoals Y wel heeft
gesteld, is door K betwist en door Y overigens niet nader geadstrueerd.)
7.14 Bedoelde feiten zijn niet van belang omdat het bestaan van een relatie
als hiervoor bedoeld tussen K en Z vanzelfsprekend niet tot gevolg kan hebben
dat Z zich op het werk schuldig kon maken aan ongewenst seksueel gedrag,
terwijl een aan het personeel kenbaar beleid als hiervoor bedoeld, tot gevolg
had kunnen hebben dat Z zich meer bewust was geworden van het onjuiste van
zijn gedrag op zijn werk. Daarnaast had K in het bestaan van dat beleid steun
kunnen vinden in haar verzet tegen het gedrag van Z en had dat beleid haar
ook meer zekerheid kunnen verschaffen dat het openbaar maken van het seksueel
intimiderende gedrag van Z voor haar geen nadelige gevolgen zou hebben. Dat
zou hebben kunnen bewerkstelligen dat K het gedrag van Z eerder onder de
aandacht had gebracht van Y.

7.15 Voorzover aan K in dit opzicht al enig verwijt zou kunnen worden
gemaakt, kan in ieder geval niet gezegd worden dat de door haar geleden
schade het gevolg is van haar opzet of bewuste roekeloosheid.

7.16 De noodzaak van een dergelijk samenhangend beleid, en het feitelijk
ontbreken daarvan binnen Y, wordt uiteindelijk ook duidelijk in hetgeen K is
overkomen nadat zij uiteindelijk met haar klachten over het voetlicht was
gekomen. De werkrelatie met Z werd verbroken, en het Y is er niet in geslaagd
K op een andere plaats in Y onder te brengen. Per 1 september 1996 ontbond
vervolgens de kantonrechter op verzoek van Y de arbeidsovereenkomst met K.

7.17 De conclusie moet zijn dat de incidentele grief faalt.

7.18 Wat betreft de principale grieven geldt het volgende.

7.19 De rechtbank is met de kantonrechter van oordeel dat er, uitgaande van
een aansprakelijkheid van het Y als aangegeven, desalniettemin geen grond is
voor toewijzing aan K van de door haar gevorderde materiële schadevergoeding.

7.20 Grondslag voor die vordering is het gemis aan inkomen sedert 1 september
1996 tot aan 1 november 2005 als gevolg van het feit dat de
arbeidsovereenkomst met K op verzoek van het Y met ingang van 1 september
1996 is ontbonden onder toekenning van een (beperkte) schadevergoeding van f
45.000.

7.21 Met de kantonrechter in de onderhavige zaak moet worden aangenomen dat
de gevolgen van het ontslag met ingang van 1 september 1996 volledig geregeld
zijn bij en door de beschikking van de kantonrechter, gegeven op de voet van
artikel 7A:1639w BW (thans: 7:985 BW), ook voor zover het betreft de
verwijten die K in de onderhavige procedure aan Y maakt.
Die zelfde verwijten zijn blijkens de ontbindingsbeschikking door K toen aan
de orde gesteld, en de kantonrechter heeft daarmee toen rekening kunnen
houden.
Aan K komt daarnaast terzake van dezelfde schade – gemis aan inkomsten na
ontslag – niet een tweede kans toe. Er is in de omstandigheden van dit geval
geen reden daarom een uitzondering te maken.

7.22 Dat ligt in beginsel anders ten aanzien van de vordering van K
strekkende tot vergoeding van immateriële schade, voorzover veroorzaakt door
de gedragingen en nalatigheden van Z en het Y voorzover die tenminste niet
opgaat in en samenvalt met de door K geleden smart als gevolg van en beperkt
door het tot een einde komen van de arbeidsovereenkomst met Y.

7.23 Wat dat aspect betreft is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen
daarvan niet genoegzaam gedelgd zijn door de schaderegeling die K met Z is
overeengekomen, en waarvan K zelf aanneemt dat dat een verrekenpost is ook
ten aanzien van de door haar gevorderde immateriële schade vergoeding ad f
20.000.

7.24 In aanmerking genomen de aard van de gedragingen van Z, zoals daarvan
blijkt uit de door K bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor
afgelegde verklaring en welke gedragingen ook bevestiging vinden in de
bevindingen van de door de Geschillencommissie ingestelde
onderzoekscommissie, de periode waarover K die gedragingen heeft moeten
ondergaan, en de gevolgen die zulks heeft gehad voor het psychisch welzijn
van K is de rechtbank, alles afwegend, van oordeel dat K inderdaad aanspraak
kan maken op een vergoeding van immateriële schade tot het door haar
gevorderde bedrag van ƒ 20.000, en na verrekening van het bedrag dat Z
reeds aan haar heeft voldaan, aldus pro resto ƒ 8.000.

7.25 De grieven in het principaal appel slagen in zoverre, doch falen voor
het overige.

7.26 In de te nemen beslissingen vindt de rechtbank aanleiding zowel de
kosten van de eerste aanleg als die van het hoger beroep te compenseren.

8. De beslissing in hoger beroep

De rechtbank,

rechtdoende in hoger beroep,

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Rotterdam, op 21 april 1998
tussen partijen gewezen;

en opnieuw rechtdoende,

veroordeelt Y om aan K tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het
bedrag van ƒ 8.000 (zegge: achtduizend gulden), te vermeerderen met de
wettelijke rente vanaf 21 januari 1997 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten zowel van de eerste aanleg als van het hoger
beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst af het meer gevorderde.

Rechters

Mrs. van der Grinten, den Os-Brand en Holierhoek

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 28 september 1999

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Seksueel misbruik door dominee. Klacht ex art. 12 Sv tegen niet-vervolging
wordt door het Hof gegrond verklaard. De dominee moet alsnog worden vervolgd
op grond van art. 249 Sr (aan de zorg van een hulpverlener toevertrouwd). Een
dominee kan als hulpverlener worden aangemerkt.

Volledige tekst

1. Het beklag

Het klaagschrift is op 29 december 1997 ter griffie van het hof ontvangen.
Het beklag richt zich tegen de beslissing van officier van justitie te
Haarlem om geen strafvervolging in te stellen tegen E.P., wonende te Zaandam,
wegens het plegen van ontucht met klaagster zoals bedoeld in artikel 249,
tweede lid, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

2. Het verslag van de procureur-generaal

In haar verslag, ingekomen ter griffie van het hof op 14 december 1998, heeft
de procureur-generaal het hof in overweging gegeven het beklag ongegrond te
verklaren.

3. De behandeling in de raadkamer

De daartoe aangewezen raadsheer-commissaris heeft klaagster op 3 mei 1999
gehoord. Klaagster heeft, bijgestaan door mr. G.A.M. van Dijk, het beklag
toegelicht en daarbij volhard. Op 5 juli 1999 is ook Van de B. gehoord
bijgestaan door mr. M.G. Jansen. Hij heeft verzocht het beklag af te wijzen.
De procureur-generaal is bij de verhoren aanwezig geweest en heeft
gepersisteerd bij zijn verslag.

4. De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft behalve de reeds genoemde stukken onder meer kennis genomen van
het ambtsgericht van de officier van justitie te Haarlem van 9 april 1998 met
bijlagen, waaronder de terzake opgemaakte processen-verbaal van de politie
Zaanstreek-Waterland.

5. Het feit waarop het beklag betrekking heeft

Klaagster stelt dat Van de B. in de periode van 1990 tot 1994 ontucht met
haar heeft gepleegd, terwijl zij zich aan zijn zorg als dominee had
toevertrouwd.

6. De beoordeling van het beklag

Het dossier bevat voldoende aanknopingspunten die een strafrechtelijke
vervolging van Van de B rechtvaardigen terzake van ontucht, gepleegd in de
specifieke relatie zoals omschreven in artikel 249 van het Wetboek van
Strafrecht. Het hof zal bevelen dat deze zaak aan de strafrechter zal worden
voorgelegd. Daarom zal worden beslist als volgt.

7. Beslissing

Het hof:

beveelt de officier van justitie te Haarlem V. te vervolgen wegens het
feit/de feiten waarop het beklag betrekking heeft en geeft tevens de last dat
V. ter terechtzitting zal worden gedagvaard.

Rechters

Mrs. Frijda, Hermans en Koopmann