Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 19 juni 1999

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Minderjarig kind, 13 jaar oud, vraagt toelating bij haar vader. Haar ouders
zijn in 1989 gescheiden en zij is in eerste instantie toegewezen aan haar
moeder in Turkije. Haar vader verblijft sinds 1996 in Nederland en hij heeft
vanaf 1995 – naar Turks recht – de voogdij over zijn dochter. De rechtbank
oordeelt dat de gezinsband tussen vader en dochter is verbroken zodat zij op
grond van regulier beleid voor gezinshereniging niet voor toelating in
aanmerking komt. De IND had echter moeten toetsen aan art. 8 EVRM.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op 18 juni 1986, bezit de Turkse nationaliteit. Zij stelt
sedert 9 augustus 1995 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw)
in Nederland te verblijven. Op 3l mei 1996 heeft eiseres bij de korpschef van
de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om een vergunning
tot verblijf met als doel “verblijf bij vader”. Bij besluit van 18 november
1996 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiseres heeft tegen
dit besluit op 12 december 1996 bezwaar gemaakt, aangevuld bij brief van 21
januari 1997. Op 14 oktober 1997 is eiseres gehoord door een ambtelijke
commissie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Bij brief van 24
oktober 1997, 20 januari 1998, 18 juni 1998 en 3 juli 1998, heeft eiseres nog
nadere stukken in het geding gebracht. Het bezwaar van eiseres is bij besluit
van 20 augustus 1998 ongegrond verklaard. Het besluit is bij brief van
dezelfde datum aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

2. Bij beroepschrift van 10 september 1998 heeft eiseres tegen dit afwijzende
besluit beroep ingesteld bij de rechtbank, aangevuld bij schrijven van 29
september 1998, 16 oktober 1998 en 22 oktober 1998. De rechtbank heeft
partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 27 november
1998 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter
griffie ontvangen. In het verweerschrift van 17 februari 1999 heeft
verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 1999. Eiseres
is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.G.A. van Meel,
advocaat te Amsterdam.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. G.M.G.
Hink, ambtenaar bij de IND van verweerders ministerie. Tevens waren ter
zitting aanwezig (…).

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende
feiten.
Eiseres is een kind uit een vorig huwelijk van referent. Dit huwelijk is in
1989 door echtscheiding ontbonden. Eiseres is volgens referent toen aan haar
moeder toegewezen. De opvoeding is echter al snel overgenomen door de ouders
van referent, omdat de moeder van eiser hertrouwd zou zijn. Referent is begin
1989 ingeschreven in het Bevolkingsregister van Amsterdam als komende van
Turkije.
Op 30 januari 1990 is referent in het huwelijk getreden met (…) op grond
waarvan hem verblijf in Nederland is toegestaan. (…) is geboren op 19
december 1971 en verblijft in Nederland vanaf de leeftijd van zeven Jaar. Zij
is houdster van een vergunning tot vestiging.
In het in bezwaar overgelegde vonnis van 31 maar, 1995 van de rechtbank te
Gemerek in Turkije is bepaald dat de moeder van eiseres niet langer de
voogdij over haar bezit, maar dat referent de voogdij over eiseres krijgt. In
dit vonnis is verder bepaald dat als er geen beroep wordt ingesteld, het
vonnis op 19 juni 1995 formele rechtskracht heeft. Referent is werkzaam
geweest bij GOM Schoonhouden BV, maar is daar per 15 juli 1996 ontslagen.
Naar blijkt uit de tijdens het bezwaar overgelegde stukken is referent per 4
september 1997 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de
Ziektewet. Ingaande 19 mei 1998 is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde
tijd met een proeftijd voor twee maanden gesloten tussen referent en Asito
Amsterdam West BV. Sinds het derde kwartaal van 1992 ontvangt referent
kinderbijslag voor eiseres. Op 16 oktober 1998 heeft eiseres twee
verklaringen overgelegd van Dr. Ahmed Susoy van de geneeskundige dienst te
Sizir. Hierin is, voorzover van belang, vermeld dat (…) op bejaarde
leeftijd is en dat hij last heeft van pijn in de nieren, dat (…) eveneens
op bejaarde leeftijd is en dat zij last heeft van chronische
luchtwegaandoeningen. Hierdoor zijn zij beiden niet in staat om voor eiseres
te zorgen.

3. Eiseres meent dat zij voor toelating bij referent in aanmerking komt.
Daartoe voert zij het volgende aan. De gezinsband met referent is blijven
bestaan. Hij heeft ten behoeve van eiseres de ontvangen kinderbijslag
overgemaakt en hij heeft eiseres elk jaar, behalve in 1992, in Turkije
bezocht. Referent heeft ook geld en kleding ten behoeve van eiseres naar zijn
grootouders gebracht en laten brengen.
In Turkije kan niemand meer voor eiseres zorgen. De moeder van eiseres
onderhoudt al jaren geen contact meer met eiseres. Na het vertrek van
referent is eiseres samen met haar moeder bij de ouders van referent gaan
wonen. De moeder van eiseres is na een aantal maanden naar Istanboel
vertrokken en is niet meer teruggekeerd. De grootouders van eiseres kunnen
gezien hun leeftijd en medische klachten niet voor eiseres zorgen. Wanneer de
grootmoeder ziek is, is het huishouden een chaos. Omdat referent nogal
onwetend is heeft hij pas in 1994 de voogdij-procedure in gang gezet, hetgeen
in 1995 heeft geleid tot de voogdij van referent over eiseres. Na twee
vakanties van referent met zijn echtgenote in Turkije, waarbij de echtgenote
uitgebreid kennis heeft kunnen maken met eiseres, stemde de echtgenote in met
de opname van eiseres in hun gezin. Voorts wijst eiseres er op dat zij vanaf
november 1996 in Nederland naar school gaat. Ter zitting heeft eiseres
aangevoerd dat uit artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de
mens en fundamentele vrijheden (EVRM) een positieve verplichting voortvloeit,
gezien de belangen van eiseres en referent, die tot toelating van eiseres
dient te leiden. Eiseres is het enige kind van referent. Zij heeft alleen
contact met referent en niet met haar moeder. Eiseres heeft er dan ook groot
belang bij verder op te groeien bij referent. Beleving van het familie- of
gezinsleven in Turkije is geen reëel alternatief.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet voor toelating bij
referent in aanmerking komt. In het besluit in primo heeft verweerder
geconcludeerd dat de gezinsband tussen referent en eiseres geacht moet worden
definitief te zijn verbroken, en dat referent niet beschikt over voldoende
duurzame middelen van bestaan. In het bestreden besluit en in het
verweerschrift voert verweerder het volgende aan. Na het vertrek van referent
is eiseres samen met haar moeder opgenomen in het gezin van haar grootouders.
De moeder van eiseres na een aantal maanden naar Istanboel vertrokken en zou
niet meer zijn teruggekeerd. Referent is na zijn vertrek uit Turkije opnieuw
gehuwd en heeft met zijn tweede echtgenote in Nederland een nieuw gezin
gevormd. Uit al het voorgaande concludeert verweerder dat de opneming in het
gezin van de grootouders een duurzaam karakter heeft.
Alleen het overmaken van geld ten behoeve van eiseres toont niet aan dat de
gezinsband in stand is gebleven. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk
gemaakt dat in de jaren na het vertrek van referent uit Turkije de gezinsband
is blijven bestaan. Daarbij is referent van eiseres, gezien het
voogdijvonnis, pas in 1995 weer met het gezag belast.
Er zijn geen klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan eiseres
niet terug kan keren naar Turkije. De stelling dat de grootouders van eiseres
niet meer voor haar kunnen zorgen vanwege hun leeftijd is niet onderbouwd met
documenten. Het enkele feit dat eiseres schoolgaand is, is onvoldoende om te
kunnen leiden tot toelating.
Niet is gebleken van dusdanig bijzondere feiten of omstandigheden dat uit het
recht op respect voor het familie- en -gezinsleven tussen eiseres en referent
als bedoeld in artikel 8 EVRM, de positieve verplichting voortvloeit eiseres
hier te lande verblijf toe te staan
In het verweerschrift heeft verweerder tenslotte aangevoerd dat uit de
stortingsbewijzen niet valt op te maken dat het overgemaakte geld voor
eiseres was bedoeld.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning
tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat
vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun
aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan
wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende
uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is
neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

7. Ter beoordeling staat primair of eiseres voldoet aan de criteria die de Vc
1994 stelt voor toelating in het kader van gezinshereniging. Het op dit punt
door verweerder gevoerde beleid is neergelegd in hoofdstuk B1/5 van de Vc. In
dit hoofdstuk is onder meer bepaald dat de gezinsband met (één van) de ouders
reeds in het buitenland heeft bestaan. Hij wordt geacht definitief te zijn
verbroken indien sprake is van duurzame opneming in een ander gezin in de
situatie dat de ouders ook niet meer met het gezag zijn belast of een
duurzame opname in een ander gezin in de situatie dat de ouders niet meer
voorzien in de kosten van opvoeding en verzorging.

8. In het onderhavige geval is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de
feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent is verbroken. Referent heeft
Turkije in 1989 verlaten. Eiseres is sedertdien, tot zij in 1995 Turkije
verliet, duurzaam opgenomen (geweest) in het gezin van haar grootouders. Ten
aanzien van de gezinsband tussen eiseres en referent is niet aangetoond dat
deze desalniettemin is blijven bestaan. Weliswaar is door eiseres aangevoerd
dat referent kinderbijslag ontvangt ten behoeve van eiseres en haar elk jaar,
behalve in 1992, in Turkije heeft bezocht. Echter niet is aangetoond dat
referent in deze periode intensief bij betrokken is geweest bij beslissingen
omtrent opvoeding en verzorging van eiseres.

9. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder zich met recht op het
standpunt heeft gesteld dat eiseres geen aanspraak op toelating kan ontlenen
aan het door verweerder gevoerde beleid inzake gezinshereniging De
omstandigheid dat referent in 1995 de voogdij over eiseres heeft gekregen,
doet hier niet aan af aangezien de gezinsband reeds in 1995 verbroken moet
worden geacht.

10. Evenmin is gebleken dat eiseres aan enige andere door verweerder
gehanteerde beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen.

11. In het bestreden besluit is niet expliciet ingegaan op artikel 8 EVRM.
Wel is daarin verwezen naar het besluit in primo, maar dat kan niet als
voldoende motivering gelden. In dat besluit is geconcludeerd dat geen sprake
is van familie- of gezinsleven tussen referent en eiseres. In het
verweerschrift heeft verweerder echter uitdrukkelijk erkend dat daarvan wel
sprake is.
In het besluit in primo is subsidiair aangevoerd dat ook indien moet worden
aangenomen dat wel sprake is van familie- of gezinsleven tussen referent en
eiseres, artikel 8 EVRM niet tot toelating noopt. Ten tijde van het besluit
in primo ging verweerder echter uit van de situatie dat referent niet
beschikte over voldoende en duurzame middelen van bestaan en dat echtgenote
van referent slechts een bescheiden inkomen verwierf. Deze feitelijke
inkomenssituatie was echter ten tijde van het bestreden besluit gewijzigd.
Verweerder kon dan ook niet (zonder meer) volstaan met een verwijzing naar
het besluit in primo waar het betreft de onder artikel 8 EVRM te maken
afweging. In dit verband wijst de rechtbank er ook nog op dat in het
bestreden besluit, anders dan in het besluit in primo, bij de toetsing aan
het beleid in de Vc de middeleneis ook niet (meer) is tegengeworpen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren met
toepassing van artikel 6:22 Awb of 8:72, derde lid Awb.
Daartoe stelt de rechtbank voorop dat ook in het verweerschrift niet wordt
tegengeworpen dat referent niet over voldoende duurzame middelen van bestaan
beschikt.
In het verweerschrift is wel naar voren gebracht dat geen sprake is van
objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland te beleven, maar
daarin is niet een verdere, op de specifieke situatie van eiseres gerichte
afweging gemaakt. Als aspecten die in dat verband van belang zouden kunnen
zijn noemt de rechtbank het gestelde verblijf van (…) in Nederland vanaf de
leeftijd van zeven jaar, de omstandigheid dat referent inmiddels voogd over
eiseres is; het feit dat eiseres enig kind van haar vader is, al dan niet in
samenhang met de door eiseres gestelde integratie in Nederland.
Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd wegens strijd met
het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid Awb.

12. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het
ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband
met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft
moeten maken. Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420 als kosten van verleende
rechtsbijstand.

13. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb, dient het griffierecht te worden
vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

14. De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze
uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ 210.

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420 (zegge
veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden
aan de griffier.

Rechters

Mr Tijselink

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem, 18 juni 1999

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem

Samenvatting


Eisers, geboren 1985 en 1986, vragen toelating bij hun moeder. Na scheiding
van de vader van eisers is moeder in 1992 in Turkije hertrouwd met een
Nederlandse man, bij wie zij zich begin 1993 in Nederland heeft gevestigd met
achterlating van eisers bij grootmoeder. Verweerder stelt dat, nu eerst na
vier en een half jaar een aanvraag is ingediend, de feitelijke gezinsband als
verbroken moet worden beschouwd. De rechtbank oordeelt dat aan dit
tijdsverloop geen doorslaggevende betekenis mag worden gehecht, gelet op
onder meer het feit dat referente zodra zij meende aan de voorwaarden te
voldoen een aanvraag voor eisers heeft ingediend, zij zich sedert haar komst
naar Nederland de nodige inspanning heeft getroost om aan de middeleneis te
voldoen, en sprake is van een aantoonbare blijvende betrokkenheid van
referente bij eisers welzijn. Het feit dat de echtgenoot van referente zijn
studie niet voortijdig heeft beëindigd om fulltime te gaan werken om zodoende
voldoende inkomsten te verwerven is geen aanleiding om de gezinsband
verbroken te beschouwen.

Volledige tekst

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1 Eisers, geboren op 24 augustus 1985 resp. 21 november 1986, verblijven in
Turkije en hebben de Turkse nationaliteit. Op 5 augustus 1997 hebben zij een
aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf,
met het oog op verblijf bij hun hier te lande verblijvende moeder (hierna:
referente). Bij besluit van 17 juni 1998 heeft verweerder deze aanvraag niet
ingewilligd. Eisers hebben op 13 juli 1998 een bezwaarschrift ingediend. naar
aanleiding waarvan referente op 11 november 1998 door een ambtelijke
hoorcommissie is gehoord. Op 16 december 1998 is dit bezwaar ongegrond
verklaard.

1.2 Op 5 januari 1999 hebben eisers tegen deze beslissing beroep ingesteld
bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken
ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring
van het beroep.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 2 juni
1999. Ter zitting hebben eisers en verweerder bij monde van hun gemachtigden
hun standpunten nader uiteengezet.

2. Overwegingen
2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van
het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit
besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan
doorstaan.

De onderbouwing van de aanvraag

Eisers leggen aan de aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig
verbiijf en het onderhavige beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komen
voor een vergunning tot verblijf, met als doel: verblijf bij moeder, Y.

De bestreden beschikking en de standpunten van partijen

2.3 Eisers hebben ter ondersteuning van hun aanvraag het volgende aangevoerd.
Nadat hun vader zich van referente had laten scheiden is referente eind 1992
in Turkije hertrouwd met een Nederlandse man, bij wie zij zich begin 1993 in
Nederland heeft gevestigd. In februari 1993 is zij in het bezit gesteld van
een vergunning tot verblijf. Het lag in haar bedoeling, eisers zo snel
mogelijk naar Nederland te laten overkomen. Het heeft echter geruime tijd
geduurd voordat referente en haar echtgenoot over de daarvoor vereiste
middelen en zelfstandige woonruimte konden beschikken. Omdat zij weinig
verdienden woonden zij tot voor kort in bij de ouders van de echtgenoot van
referente. Zodra referente meende aan de vereisten te voldoen heeft zij de
aanvraag voor eisers ingediend. Van duurzame opname van eisers in een ander
gezin is dan ook geen sprake geweest. Overigens heeft referente eisers steeds
financieel en emotioneel ondersteund.
Omdat de grootmoeder van vaders zijde, bij wie referente eisers destijds
heeft achtergelaten. niet langer voor eisers kan zorgen zijn er voorts
klemmende redenen van humanitaire aard die tot afgifte van een mvv nopen. De
overige in Turkije wonende familieleden. waaronder de vader van eisers,
kunnen of willen immers die zorg niet op zich nemen. Bovendien is referente
met haar familie in Turkije gebrouilleerd.

2.4 Verweerder heeft hiertegen aangevoerd dat referente in Nederland een
nieuw gezin heeft gesticht waarvan eisers nimmer deel hebben uitgemaakt. Mede
bezien de omstandigheid dat eerst na viereneenhalf jaar verblijf in Nederland
een poging is gedaan eisers naar Nederland te laten komen, concludeert
verweerder dat de feitelijke gezinsband als verbroken moet worden beschouwd.
Dat de echtgenoot van referente er voor heeft gekozen eerst zijn studie af te
maken in plaats van te kiezen voor een full time baan voor het verwerven van
voldoende inkomsten komt voor rekening van eisers.

2.5 Eisers hebben in beroep gesteld dat de studie van referentes echtgenoot
hen niet mag worden tegengeworpen; die studie moet juist een geregeld en
voldoende inkomen op termijn veiligstellen. Bovendien is de omstandigheid dat
referente nog inwoonde bij de ouders van haar echtgenoot niet voldoende
gemotiveerd weerlegd.
Nu de grootmoeder van eisers onlangs is overleden is voor hen een onhoudbare
situatie ontstaan. In Turkije is niemand die voor hen kan zorgen. Een rapport
van International Social Services (ISS) bevestigt dit.

2.6 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals weergegeven in het
zich bij de stukken bevindende verweerschrift en ter zitting zijn ingenomen
standpunt gehandhaafd.

Wettelijk kader

2.7 Ingevolge artikel 33d Vw worden beschikkingen omtrent de afgifte van visa
of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Souverein
Besluit van 12 december 1813 (Stcrt. 1814, 4), voor de toepassing van de
wettelijke voorschriften van bezwaar en beroep gelijkgesteld met
beschikkingen aangaande toelating, gegeven op grond van de Vreemdelingenwet.

2.8 De verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf kan, evenals een
vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw, aan een
vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. De
gronden voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf zijn, zoals
blijkt uit hoofdstuk A4/5.3 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) gelijk
aan die voor afgifte van een vergunning tot verblijf.

2.9 De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en
werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid
een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen – behoudens verplichtingen
voortvloeiende uit internationale overeenkomsten- slechts voor verlening van
een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun verblijf hier
te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is
van klemmende redenen van humanitaire aard.

Beoordeling van het beroep

2.10 Met eisers is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval in
redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de gezinsband tussen
eisers en referente is verbroken. Hoewel juist is dat er tussen het vertrek
van laatstgenoemde naar Nederland en de datum waarop zij ten behoeve van
eisers een mvv aanvraag heeft ingediend viereneenhalf jaar is verstreken,
heeft verweerder aan dit tijdverloop geen doorslaggevende betekenis kunnen
hechten, gelet op het navolgende.

2.11 Nadat de vader van eisers zich van referente had laten scheiden zou hij
niets meer van zich hebben laten horen en bleef referente naar eigen zeggen
achter in een moeilijke positie als alleenstaande vrouw met twee kinderen. In
1993 zag zij zich voor de keuze geplaatst ofwel, zonder haar nieuwe
Nederlandse echtgenoot, bij eisers in Turkije achter te blijven ofwel zich
met die echtgenoot in Nederland te vestigen. Onder maatschappelijke druk koos
zij voor die laatste optie, waarbij zij eisers bij de moeder van haar
ex-echtgenoot achterliet.
Laatstgenoemde was sedert 1980 weduwe en reeds ten tijde van het vertrek van
referente van relatief hoge leeftijd (geboren in 1926). Een en ander roept op
zichzelf al de vraag, op of het hier niet een tijdelijke oplossing betrof.
De omstandigheid dat referente om toestemming voor de overkomst van eisers
heeft verzocht zodra zij meende aan alle daarvoor geldende voorwaarden te
voldoen vormt in ieder geval een aanwijzing in die richting. Daarbij zij er
op gewezen dat zij (eerst) in juni 1997 de beschikking kreeg over passende
woonruimte en de aanvragen dateren van 5 augustus 1997. Dat verweerder eisers
het huisvestingsvereiste wellicht niet zou hebben tegengeworpen nu referente
weliswaar (nog) niet, maar haar echtgenoot wél de Nederlandse nationaliteit
bezat, doet daaraan niet af.
Blijkens de bestreden beschikking stelt verweerder zich overigens op het
standpunt dat eerst sedert 1 juli 1998, een tijdstip gelegen na indiening van
de aanvragen, aan de middeleneis wordt voldaan, zodat ook een eerder mvv
verzoek niet voordien zou zijn ingewilligd.
Voorts acht de rechtbank het zeker niet onaannemelijk dat referente zich
sedert haar komst naar Nederland de nodige inspanningen heeft getroost om aan
het middelenvereiste te voldoen, doch dat zij daarin, tegen haar eigen
verwachtingen in, eerst medio juli 1998 is geslaagd. Uit de stukken blijkt
dat referente sedert 1993 heeft gewerkt, zij het onder het vereiste
inkomensminimum en/of op tijdelijke (uitzend)basis. Daarbij dient te worden
bedacht dat referente de Nederlandse taal niet machtig was en slechts
beschikte over een vergunning tot verblijf: eerst recentelijk is zij
genaturaliseerd. Een en ander zal van invloed zijn geweest op haar
mogelijkheden tot het vinden van geschikte arbeid.
Verder geeft het dossier blijk van een blijvende betrokkenheid van referente
bij eisers’ welzijn. Kopieën uit het paspoort van referente bevestigen dat
zij eisers jaarlijks, met uitzondering van 1997, in Turkije heeft opgezocht.
Referente heeft verklaard dat zij zich tot haar spijt in verband met haar
beperkte aantal verlofdagen en inkomenspositie tot die bezoeken heeft moeten
beperken. Wel heeft zij een van die bezoeken geprolongeerd wegens ziekte van
een van beide eisers. Overigens heeft referente gemotiveerd gesteld dat zij
na haar vertrek uit Turkije in de kosten van opvoeding van eisers is blijven
bijdragen. Die stelling komt de rechtbank niet onaannemelijk voor, ook al kan
zij, vanwege de wijze waarop zij toen heeft bijgedragen, daarvan geen
(schriftelijk) bewijs leveren voor wat betreft de eerste jaren.

2.12 Anders dan verweerder ziet de rechtbank in het vorenstaande onvoldoende
aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de stelling van referente dat
haar van meet af aan hereniging met eisers voor ogen heeft gestaan. Het komt
haar in dit geval onredelijk voor om uit het enkele feit dat referente niet
op enig eerder moment een (kansloze) mvv aanvraag ten behoeve van eisers
heeft ingediend, het tegendeel af te leiden.
In het feit dat de echtgenoot van referente zijn studie niet voortijdig heeft
beëindigd teneinde reeds eerder full time aan het arbeidsproces te kunnen
deelnemen. ziet de rechtbank in de gegeven omstandigheden geen aanleiding om
de gezinsband tussen referente en eisers niettemin verbroken te beschouwen.

2.13 Reeds op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de
bestreden beschikking niet in stand kan blijven en derhalve dient te worden
vernietigd. Derhalve kan in het midden blijven of verweerder met juistheid
heeft aangenomen dat opvang van eisers, die sedert het overlijden van hun
grootmoeder feitelijk op zich zelf zouden wonen, in Turkije voldoende
verzekerd is.

2.14 Het beroep is mitsdien gegrond.

2.15 De rechtbank ziet in dit aanleiding verweerder te veroordelen in de
kosten van het geding.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;
3.2 vernietigt de bestreden beschikking van 16 december 1998 en draagt
verweerder op binnen veertien weken na verzending van deze uitspraak een
nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met in achtneming van deze
uitspraak;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1420 onder aanwijzing van
de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers dient
te vergoeden.

3.4 wijst de staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door eisers betaalde griffierecht ad ƒ 210.

Rechters

Mr. Grosheide

Instantie: Rechtbank Arnhem, 18 juni 1999

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Seksueel misbruik gedurende 13e tot 15e levensjaar, de periode waarin eiseres
werkzaam was als weekendhulp in het bedrijf van gedaagde. De strafrechter
veroordeelde de man op 27 oktober 1998 tot 4 weken onvoorwaardelijk/60 uur
dienstverlening en 4 weken voorwaardelijk. In dit kort geding wordt ƒ 50.000
gevorderd als voorschot op de schadevergoeding (waarvan ƒ 25.000
immaterieel). Er wordt zowel voor materiële als
voor immateriële schade een bedrag van ƒ 5000 toegekend.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagde ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en
bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.
Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.
De procureur van eiseres en de advocaat van gedaagde hebben de zaak bepleit,
overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.
Daarbij heeft de procureur van eiseres producties in het geding gebracht.
Tenslotte hebben partijen de processtukken voor het wijzen van vonnis
overgelegd.

De vaststaande feiten

1. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de producties –
alles voorzover niet dan wel onvoldoende weersproken – staat voorshands het
navolgende vast.
a. Eiseres is geboren op 5 juni 1979. Zij is in de periode 1993 tot en met
juli 1994, derhalve van haar 13e tot haar 15e jaar, door gedaagde seksueel
misbruikt. Dit misbruik heeft plaatsgevonden gedurende de tijd dat eiseres
als weekendhulp in het bedrijf van gedaagde werkzaam was.
b. Gedaagde is voor de door hem gepleegde feiten bij onherroepelijk geworden
vonnis van de politierechter te Arnhem van 27 oktober 1998 veroordeeld tot
een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken, om te zetten in 60 uur
dienstverlening, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken
met een proeftijd van 2 jaar.
c. Van jongs af aan heeft eiseres belangstelling gehad voor pony’s en
paarden. Het was de bedoeling van eiseres en haar ouders dat zij haar
toekomst zou vinden (als zelfstandig onderneemster) in de paardenwereld. Om
die reden koos zij na de basisschool voor het agrarisch onderwijs.
d. Deze schoolopleiding heeft eiseres niet afgemaakt. Vanaf medio 1993
ontstonden bij haar spanningen, die resulteerden in het maken van ruzie. op
school en thuis en het zich dwars en onhandelbaar gedragen.
e. In het najaar van 1995 is eiseres van school gegaan. Vanaf die tijd heeft
zij verschillende baantjes gehad, zoals paardenverzorgster,
assistent-instructrice in een manege, medewerkster in een tuincentrum, groom
in een hengstenhouderij en uitzendkracht. Deze werkzaamheden zijn door
problemen en spanningen aan de zijde van eiseres geëindigd. Ook heeft
eiseres, toen het seksueel misbruik in 1998 naar buiten kwam, een half jaar
een ziektewetuitkering gehad.
f. Vanaf 27 november 1998 is eiseres in verband met (de verwerking van) het
seksueel misbruik onder behandeling van een psycholoog-psychotherapeut.

De vordering

2. Eiseres vordert in dit geding gedaagde te veroordelen tot betaling van een
bedrag van ƒ 50.000 -, vermeerderd met de wettelijke rente, als voorschot op
een van gedaagde in een bodemprocedure te vorderen schadevergoeding.
Eiseres voert daartoe het volgende aan. Zij stelt dat zij als gevolg van het
seksueel misbruik door gedaagde immateriële en materiële schade heeft
geleden.
Wat betreft de immateriële schade verwijst eiseres naar het door haar
overgelegde rapport van de psychotherapeute drs. H.B.M. Wilken. De
immateriële schade begroot eiseres op ƒ 25.000.
Volgens eiseres hebben de gedragingen van gedaagde ook tot gevolg gehad dat
er van alles is mis gegaan in haar opleiding en dat zij thans werk verricht
dat niet aansluit bij haar capaciteiten. Eiseres zegt opnieuw een start te
willen maken en de opleidingsschade die zij heeft opgelopen te willen
inhalen. Het liefst zou zij zien dat zij, na het volgen van een
instructeursopleiding, haar kwaliteiten binnen de paardenwereld zou kunnen
geldend maken. Daarvoor is in de visie van eiseres een totaalbedrag
noodzakelijk van ruim ƒ 140.000. Teneinde te bepalen wat voor eiseres de
beste mogelijkheid is om een nieuwe start te maken zou een arbeidskundig
onderzoek nodig zijn gevolgd door een scholingstraject en begeleiding.
Eiseres noemt het bureau Terzet te Apeldoorn als terzake deskundig om haar,
gelet op haar specifieke problematiek, in deze bij te staan.
Naast de hiervoor genoemde schadebedragen vordert eiseres in de
bodemprocedure nog stallingskosten, reiskosten en therapiekosten. Totaal
bedraagt de vordering in die procedure, behoudens een aantal p.m.-posten,
bijna ƒ 180.000.
Met het aan haar in de onderhavige kort geding-procedure toe te wijzen
voorschot wil eiseres onder meer met een begeleidingstraject door het bureau
Terzet een start maken. De kosten hiervoor begroot zij tussen ƒ 10.000 en ƒ
30.000. Door die start zal naar de mening van eiseres een schadeverminderend
effect optreden. Bovendien zal toewijzing van een voorschot voor eiseres
erkenning van haar problematiek inhouden. Het spoedeisend belang bij de
gevraagde voorziening is volgens eiseres daarmee gegeven.

3. Gedaagde heeft tegen de vorderingen van eiseres gemotiveerd verweer
gevoerd.

De beoordeling van de vordering

4. Het spoedeisend belang van eiseres bij de gevorderde voorziening staat,
gelet op hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd, in voldoende mate vast.
5. Gegeven het feit dat gedaagde door de strafrechter onherroepelijk is
veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met eiseres staat vast
dat gedaagde onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Dat eiseres als gevolg
daarvan schade heeft geleden is zonder meer aannemelijk te achten Het mag als
algemeen bekend worden verondersteld dat seksueel misbruik tot ernstige
lichamelijke en psychische schade kan leiden.

6. Uit het rapport van de psycholoog-psychotherapeut mevrouw drs. Wilken is
af te leiden dat als gevolg van seksueel misbruik eiseres lijdt aan
posttraumatische stressstoornis en sociale angststoornis. Voorshands is
voldoende aannemelijk geworden dat deze klachten een gevolg zijn van de aan
gedaagde verweten ontuchtige handelingen. Door gedaagde worden de klachten
ook niet ontkend, noch betwist hij dat de klachten zijn voortgevloeid uit
zijn onrechtmatig gedrag. De psychische situatie waarin eiseres thans door
toedoen van gedaagde is komen te verkeren is voldoende reden voor het
toekennen van immateriële schadevergoeding. Deze zal, in afwachting van het
oordeel van de bodemrechter, voorshands naar redelijkheid en billijkheid
worden begroot op ƒ 5.000. Van de zijde van eiseres is nog aangevoerd dat in
gevallen, die vergelijkbaar zijn met wat eiseres is overkomen, door
rechterlijke instanties hogere bedragen aan immateriële schadevergoeding zijn
toegekend, maar zij laat na die stelling met bescheiden of anderszins te
onderbouwen, zodat daaraan voorbij moet worden gegaan.

7. Met betrekking tot de omvang van de materiële schade wordt het volgende
overwogen.
Gedaagde heeft de door eiseres gestelde omvang van die schade betwist. In het
kader van een kort geding-procedure valt de precieze hoogte van de schade
niet vast te stellen. Hierover zal in de bodemprocedure, zo nodig aan de hand
van een deskundigenrapport, duidelijkheid moeten worden verkregen. Niettemin
kan reeds thans worden geoordeeld dat de kosten voor therapeutische hulp aan
eiseres voor vergoeding in aanmerking behoren te komen. Door die hulp zal de
door gedaagde aan eiseres veroorzaakte psychische schade kunnen worden
verminderd. Voorts wordt aannemelijk geacht dat als gevolg van het
onrechtmatig gedrag van gedaagde eiseres de door haar gevolgde opleiding
heeft moeten afbreken en vervolgens niet in staat of bij machte is gebleken
haar leven op een evenwichtige wijze, ook wat betreft haar werk, in te
richten. Daardoor is voor eiseres schade ontstaan die gedaagde moet
vergoeden. De hoogte van die schade kan in ieder geval worden gerelateerd aan
de kosten van het door eiseres gewenste arbeidskundig onderzoek, waardoor zo
optimaal mogelijk haar kansen op de arbeidsmarkt in kaart worden gebracht en
zij haar door gedaagde verstoorde toekomst beter zal kunnen bepalen. Dat op
dit moment aanleiding zou bestaan om ook andere kosten, zoals die voor
scholing en reïntegratie, voor vergoeding in aanmerking te doen komen is,
mede nu de resultaten van het onderzoek nog onbekend zijn, onvoldoende reden.
Op grond van het hiervoor overwogene zal de materiële schadevergoeding,
eveneens naar redelijkheid en billijkheid, voorshands worden vastgesteld op ƒ
5.000.

8. Uit het voorgaande volgt dat, als voorschot op de door eiseres te vorderen
schadevergoeding, zal worden toegewezen een bedrag van ƒ 10.000.
De door eiseres gevorderde uitvoerbaarverklaring op de minuut wordt
afgewezen, nu op korte termijn een voor tenuitvoerlegging vatbaar afschrift
van dit vonnis beschikbaar is.
Aangezien partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld
zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

De beslissing

De president

veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een bedrag van ƒ 10.000
(tienduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der
dagvaarding tot aan die der algehele voldoening,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

weigert het anders of meer gevorderde,

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Rechters

Mr Hooft Graafland

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 juni 1999

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een postverwerkingsbedrijf heeft kledingvoorschriften voor postbodes.
Vrouwelijke postbodes kunnen daarbij onder andere kiezen uit een lange broek
of een broekrok. In het kledingpakket voor mannelijke postbodes laat het
bedrijf een vergelijkbare keuzemogelijkheid voor mannelijke postbodes,
namelijk die tussen een lange broek en een bermuda, achterwege. Mannelijke
postbodes hebben hiervan last bij hun werk bij warme zomerse dagen. De
Commissie gelijke behandeling oordeelt dat het bedrijf met het verbod op het
dragen van een bermuda in strijd handelt met de wetgeving gelijke
behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 augustus 1998 verzocht de AbvaKabo te Amsterdam (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of …. te Amsterdam (hierna: de
wederpartij) jegens hem onderscheid maakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. De wederpartij verstrekt bedrijfskleding. In haar kledingpakket is voor
mannelijke postbodes geen korte broek of bermuda opgenomen, terwijl voor
vrouwelijke postbodes wel een broekrok beschikbaar is. De wederpartij weigert
een korte broek voor mannelijke postbodes in haar kledingpakket op te nemen.
Verzoeker stelt dat de wederpartij daarmee onderscheid op
grond van geslacht maakt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk weergegeven.
Partijen zijn uitgenodigd hun standpunten nader toe te lichten tijdens een
zitting op 23 februari 1999.

Het verzoek in deze zaak werd aanvankelijk ingediend door de heer ….. Op
verzoek van laatstgenoemde heeft de AbvaKabo deze zaak, in de hoedanigheid
van verzoeker overgenomen. De Commissie beschouwt de door de heer ….
overgelegde stukken als onderdeel van het dossier in de onderhavige zaak.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– mw. mr. M. Greebe (gemachtigde)
– dhr. …. (bestuurder)
– dhr. …. (groepsleider)

van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. R.A.A. Duk (gemachtigde)
– dhr. …. (adviseur arbeidsvoorwaarden)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een postverwerkingsbedrijf, voorheen de
…..

Bij de wederpartij is de ….-CAO van toepassing. Artikel 18
uit deze CAO luidt als volgt:
“De werknemer is verplicht de door de werkgever voor de functie voorschreven
bedrijfskleding te dragen. De werknemer is hiervoor geen bijdrage
verschuldigd. De kosten van reiniging en onderhoud van de bedrijfskleding
zijn voor rekening van de werknemer.”

Deze CAO-bepaling is uitgewerkt in de Concernregeling bedrijfskleding. De
postbodes kunnen zelf hun kledingpakket samenstellen door een keuze te maken
uit de ‘catalogus bedrijfskleding’. Daarin staat over het kledingpakket het
volgende vermeld:

“Basispakket dames Basispakket heren
Blouse, korte/lange mouw Overhemd, korte/lange mouw
Polo, korte/lange mouw Polo, korte/lange mouw
Pantalon, winter/katoen Pantalon, winter/katoen
Broekrok, winter/katoen
Pull-over Pull-over
Schipperstrui Schipperstrui
Jack, universeel Jack, universeel
Sokken, katoen/zomer Sokken, katoen/zomer
Riem Riem
Shawl Shawl
Bandana Stropdas”.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker stelt het volgende.

De klacht betreft de beperkte keuzemogelijkheid die het kledingpakket van de
wederpartij de mannelijke postbodes biedt. Voor hen is alleen een lange broek
beschikbaar, terwijl vrouwelijke postbodes kunnen kiezen uit een lange broek
of een broekrok. In de zomermaanden kunnen vrouwelijke postbodes bij hoge
temperaturen hun lange broek verruilen voor de luchtiger broekrok. Het stoort
de mannelijke postbodes al gedurende een reeks van jaren, dat zij niet de
mogelijkheid hebben om op zomerse dagen hun lange broek te verwisselen voor
een korte broek. Soms wordt het illegaal dragen van korte broeken door
postbodes door de leiding gedoogd.

Kledingvoorschriften maken onderdeel uit van de arbeidsvoorwaarden. Artikel
7:646 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek verbiedt de werkgever onderscheid te
maken tussen mannen en vrouwen in de arbeidsvoorwaarden. Het tweede lid van
dit artikel geeft in samenhang met artikel 5 lid 3 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen een afwijkingsmogelijkheid voor
geslachtsbepaalde beroepsaktiviteiten, maar dan alleen bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst en het verstrekken van onderricht. Zelfs bij
geslachtsbepaalde beroepsaktiviteiten is onderscheid in de arbeidsvoorwaarden
niet toegestaan. De stelling van de wederpartij dat bij het afstemmen van
bedrijfskleding op het geslacht van de werknemer geen sprake kan zijn van
ongelijke behandeling, omdat als het geslacht bepalend is de wettelijke
regeling de werkgever daarvoor ruimte biedt, is onjuist.

De wederpartij heeft terecht opgemerkt dat de maatschappelijke opvattingen
(mede) bepalen welke kleding door mannen en door vrouwen gedragen kan worden.
Geen werkgever in Nederland behoeft te tolereren dat zijn mannelijke
werknemers een rok dragen.
De mannelijke postbodes verlangen ook niet dat zij uit het totale
kledingpakket van de wederpartij een volledig vrije keuze kunnen maken.
Vrouwen in lange broek zijn in de ogen van de wederpartij representatief. De
wederpartij heeft weliswaar aangegeven dat zij een rok representatiever acht
dan een broekrok, maar de tijd dat bedrijfskleding voor vrouwen alleen uit
een rok met toebehoren kon bestaan en voor mannen uit een broek met
toebehoren is al lang achter de rug. Verzoeker wijst op de trammaatschappij
te Rotterdam die het kledingpakket inmiddels met een -aan de Commissie ter
zitting getoonde- geklede korte broek voor mannen heeft uitgebreid. Ter
zitting toont verzoeker tevens een foto van een postbode op de fiets in
Nieuw-Zeeland, gekleed in een korte broek met gymschoenen aan. De mate van
representativiteit wordt bepaald door de wens van de klanten. Verzoeker heeft
navraag ter zake gedaan bij bedrijven en heeft ongeveer 20 verklaringen van
klanten, inhoudende dat zij geen bezwaar hebben tegen het dragen van een
geklede korte broek door de postbodes.

De constatering dat een rok (kort of lang) voor vrouwelijke postbodes geen
functionele dracht is, had de wederpartij kunnen doen besluiten de rok niet
langer als bedrijfskleding aan te bieden en iedere postbode, ongeacht het
geslacht, een broek te laten dragen. De wederpartij heeft er echter voor
gekozen de rok door een broekrok te vervangen en derhalve voor vrouwen de
keuze uit verschillende kledingstukken in stand te houden. In diverse
oordelen heeft de Commissie overwogen dat kledingvoorschriften voor mannen en
vrouwen in dezelfde werkomstandigheden gelijkelijk dienen te gelden.
Mannelijke en vrouwelijke postbodes bij de wederpartij verrichten dezelfde
werkzaamheden. Dat betekent dat aan de kleding van alle postbodes dezelfde
eisen ten aanzien van representativiteit en functionaliteit worden gesteld.

Dat de lange broek voor beide geslachten representatief is, staat niet ter
discussie. De lange broek is het grootste deel van het jaar ook prettig in
het gebruik. Dat geldt echter niet voor warme zomerse dagen. Dan plakken de
pijpen aan de benen en wordt de postbode bij het lopen, maar vooral bij het
fietsen en het trappen lopen in zijn bewegingsvrijheid belemmerd. Op zulke
dagen is een korte broek beslist functioneler dan een lange broek.
De wederpartij stelt dat haar imago geschaad wordt als mannelijke (en
vrouwelijke) postbodes de post in korte broek zouden bezorgen. Verzoeker
betwist dit.

De klacht is met opzet beperkt tot het kledingpakket van de postbodes.
Verzoeker bepleit niet dat het dragen van een korte broek in alle
werksituaties maatschappelijk geaccepteerd is.
Dat is het echter wel in beroepen die grotendeels buiten verricht worden en
een lichamelijke inspanning vereisen. Verzoeker is ervan overtuigd dat
niemand vreemd zal opkijken als op warme dagen de post bezorgd wordt door een
postbode die een ‘geklede’ korte broek draagt.

Door vrouwelijke postbodes naast de lange broek, de broekrok als (kennelijk
toch voldoende) representatief en functioneel kledingstuk aan te bieden,
verschaft de wederpartij vrouwen een keuzemogelijkheid die zij aan mannen
onthoudt. Twisten over de vraag of blote vrouwenbenen mooier en/of
representatiever zijn dan blote mannenbenen is niet nodig. Door vrouwen een
kledingpakket aan te bieden dat meer mogelijkheden biedt om de kleding aan te
passen aan jaargetijde en temperatuur en door mannen gelijkwaardige
keuzemogelijkheden (met een op hun geslacht toegesneden variant op de
broekrok in de vorm van een bermuda) niet toe te staan, maakt de wederpartij
direct onderscheid naar geslacht bij de arbeidsvoorwaarden.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

In de eerste plaats bestrijdt zij dat kledingvoorschriften
zoals de onderhavige aan te merken zijn als, in dit verband
van belang zijnde, arbeidsvoorwaarden. Weliswaar heeft de Commissie anders
geoordeeld in oordeel 98-65, maar dat oordeel komt de wederpartij onjuist
voor. Het gaat bij arbeidsvoorwaarden niet om ordevoorschriften als die welke
in dit geval ter discussie staan. Overigens betrof laatstgenoemd oordeel een
andere situatie dan de onderhavige. Daar ging het namelijk om de persoonlijke
inbreng van de werknemer in de vorm van zekere lichaamsversieringen en niet
om de toelaatbaarheid van de voorgeschreven kleding als zodanig.

3.4. In de tweede plaats bestrijdt de wederpartij dat sprake is van
onderscheid tussen mannen en vrouwen. Bij “letterlijke” toepassing van
gelijke behandeling kan de klacht geen effect sorteren. Deze zou dan immers
moeten luiden dat mannelijke medewerkers in de gelegenheid moeten worden
gesteld eveneens een broekrok te dragen. Sterker nog: zou de klacht gegrond
zijn dan zou aan alle mannen en vrouwen de vrijheid moeten worden gegeven om
uit alle artikelen van het assortiment bedrijfskleding een keuze te maken,
ook voor zover de wederpartij die bedrijfskleding thans heeft bestemd voor
het geslacht waartoe de betrokken werknemer niet behoort. Terecht betoogt
verzoeker dit niet.

Een werkgever die bedrijfskleding voorschrijft en daarbij een assortiment
voor mannen en een assortiment voor vrouwen hanteert, maakt geen verboden
onderscheid in de zin van de toepasselijke wetgeving, maar maakt een
onderscheid dat door het geslacht bepaald is zoals in artikel 2 lid 2 van de
Algemene wet gelijke behandeling bedoeld is. Uit de toelichting op de
bepaling blijkt niet dat vereist is, dat sprake is van een absolute noodzaak
om het onderscheid te maken.
In de Nederlandse cultuur bepaalt het geslacht de kleding
die men draagt. In ieder geval is het geslacht bepalend bij ordevoorschriften
als in dit geval aan de orde, die verband houden met de wijze waarop een
onderneming zich via zijn werknemers aan het publiek presenteert.
Uitgangspunt moet zijn dat het de werkgever is die op het punt van de
representativiteit naar buiten het beeld van zijn onderneming mag bepalen
(vgl. Ktr. Rotterdam, 3 augustus 1994, JAR 1994/206).
De werkgever dient zich bij dergelijke voorschriften te bewegen binnen de
grenzen van redelijkheid en billijkheid. Deze grenzen worden niet alleen
bepaald door de maatschappelijke opvattingen, maar ook door de aard van de
onderneming, de functie van de werknemer, de vraag of de kledingvoorschriften
noodzakelijk zijn voor een deugdelijke uitoefening van de functie, de plaats
van vestiging van het bedrijf en de klantenkring waarop het bedrijf zich
primair richt. Zie in dit verband onder meer, Ktr. Apeldoorn 30 november
1994, Prg. 1995, no. 4271 en Ktr. Amsterdam
22 maart 1996, JAR 1996/91. Speciaal op broeken heeft betrekking Ktr.
Heerenveen 8 oktober 1985, NJ 1985, 506. In dat geval oordeelde de
Kantonrechter dat, zelfs al zou een lange broek voor vrouwen maatschappelijk
algemeen aanvaard zijn, dit de werkgever niet verhindert om van het
vrouwelijke personeel, werkzaam op
een bank, te verlangen dat zij in een jurk of een rok met blouse gekleed
gaan. In dat geval werd het verbod aan die vrouwen tot het dragen van een
lange broek niet onredelijk geacht.
De wederpartij wijst er volledigheidshalve op, dat bij voornoemde rechtspraak
weliswaar ongelijke behandeling een zekere rol speelt, maar dat de kern van
de toetsing de norm van het goede werkgeverschap betreft, hetgeen in de
procedure bij de Commissie niet aan de orde is.

Onder omstandigheden zullen korte broeken voor postbodes
zeker functioneel zijn. De betwiste kledingvoorschriften houden echter niet
alleen verband met functionaliteit, maar ook met representativiteit. De
wederpartij presenteert zich op een bepaalde wijze. Het imago dat het bedrijf
aldus nastreeft,
wordt geschaad door mannelijke (en vrouwelijke) medewerkers die de post in
korte broek zouden bezorgen. Dat doet af aan de met succes nagestreefde
professionele uitstraling van de wederpartij.
Niet kan worden gezegd dat voor de toelaatbaarheid van
een voorschrift beslissend is hoe het publiek precies zal reageren. De
gegrondheid van de klacht hangt er niet van af
of (zoals verzoekster stelt) men al dan niet “niemand vreemd
zal opkijken” als mannelijke postbodes zich in korte broeken, broekrokken of
rokken hullen.

De wederpartij heeft de broekrok vanuit praktische overwegingen in haar
kledingpakket opgenomen. Weliswaar verdient vanuit representatieve
overwegingen een rok de voorkeur, maar de ervaring leert dat het niet steeds
eenvoudig is daarmee de vereiste bewegingsvrijheid aan de medewerksters te
geven, met name aan medewerksters die bij de uitoefening van hun werk van een
fiets of auto gebruik maken. In die gevallen komt noch een strakke noch een
wijde rok in aanmerking; een strakke rok heeft nadelen bij het in- en
uitstappen van de auto en het op- en afstappen van de fiets, maar ook bij het
fietsen op zich.
Een (te) wijde rok is weer bezwaarlijk bij het fietsen.
De broekrok wordt derhalve aan vrouwelijke postbode niet
louter toegestaan omdat hiermee de zomerse warmte beter kan worden doorstaan.

Kern van de zaak is dat de wederpartij op basis van geldende maatschappelijke
opvattingen een kledingpakket heeft samengesteld. Voor mannen gaat het
daarbij zowel ’s zomers
als ’s winters om broeken, en voor vrouwen om rokken, waarbij voor de
zomerperiode de rok functioneel kan worden aangepast
tot een broekrok. Dat is rechtens aanvaardbaar, omdat naar maatschappelijke
opvattingen mannen zich niet in een rok, maar zich wel in een broek kunnen
kleden. De basis van het verweer van de wederpartij is dat zij de
mogelijkheid heeft om aan mannen en vrouwen bij het uitvoeren van het werk
het dragen van een korte broek te verbieden, omdat zij dat in strijd acht met
het door haar nagestreefde imago.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
tussen mannen en vrouwen maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
door in het kledingpakket voor de vrouwelijke postbodes een broekrok op te
nemen, terwijl zij in het kledingpakket voor de mannelijke postbodes een
vergelijkbare keuzemogelijkheid (bermuda) achterwege laat.

4.2. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen van
belang.

Artikel 7:646 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt onder andere dat
de werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in de
arbeidsvoorwaarden. Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie worden
onder het begrip arbeidsvoorwaarden ook arbeidsomstandigheden begrepen
ÃNOOT 1#4#1Ž en
vallen kledingvoorschriften als de onderhavige onder het begrip
arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling ÃNOOT 2#4#2Ž.

Artikel 7:646 lid 5 BW bepaalt dat onder onderscheid moet worden verstaan
direct en indirect onderscheid.

De wet biedt geen ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid,
behoudens de uitzonderingen opgenomen in de leden 2 tot en met 4 van artikel
7:646 BW.

Artikel 7:646 lid 2 BW bepaalt onder andere dat van artikel 7:646 lid 1 BW,
voor zover het het aangaan van de arbeidsovereenkomst en het verstrekken van
onderricht betreft, mag worden afgeweken in die gevallen waarin het geslacht
bepalend is.

4.3. Alvorens in te gaan op de onderhavige zaak, maakt de
Commissie eerst een aantal algemene opmerkingen over de verhouding tussen
regelgeving ten aanzien van kleding en
de wetgeving gelijke behandeling.

Uit hoofde van artikel 7:660 BW is de werknemer verplicht zich te houden aan
de voorschriften omtrent de te verrichten arbeid alsmede aan die welke
strekken ter bevordering van de goede orde in de onderneming van de
werkgever, door of namens de werkgever binnen de grenzen van algemeen
verbindende voorschriften, overeenkomst of reglement aan hem, al dan niet
tegelijk met andere werknemers, gegeven.

Reeds eerder heeft de Commissie evenals de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen, voorgangster van de Commissie, overwogen dat de werkgever
bevoegd is voorschriften te geven met betrekking tot het dragen van uniforme
kleding of dienstkleding tijdens de uitoefening van de werkzaamheden. Een
voorschrift dat alleen geldt voor mannen of alleen geldt voor vrouwen, die
overigens in dezelfde werkomstandigheden verkeren, kan in strijd zijn met de
wetgeving gelijke behandeling. Een verschil in kledingvoorschriften tussen
mannen en vrouwen is toegestaan voor zover dit verschil noodzakelijk en
functioneel is en niet leidt tot een belemmering in gelijke kansen.

4.4. Ten aanzien van de onder 4.1. weergegeven vraag overweegt de Commissie
het volgende.

Vrouwelijke postbodes hebben de mogelijkheid te kiezen tussen
een pantalon en een broekrok. Mannelijke postbodes hebben
niet de mogelijkheid te kiezen tussen een pantalon en een equivalent van de
broekrok voor hun geslacht, namelijk een bermuda. Nu mannelijke en
vrouwelijke postbodes verkeren in dezelfde werkomstandigheden, is daarmee
sprake van een verschil in arbeidsvoorwaarden.

Een dergelijk verschil is toegestaan voorzover dit noodzakelijk en
functioneel is en ook overigens niet leidt tot ongelijke behandeling.
Ten aanzien hiervan stelt de Commissie allereerst vast dat de wederpartij de
redenen, die verzoeker heeft genoemd ter zake
van de functionaliteit van een bermuda, niet heeft bestreden.
De wederpartij heeft zelfs erkend dat een bermuda onder omstandigheden zeker
functioneel kan zijn.
Ten aanzien van het argument van de wederpartij dat een bermuda niet
representatief is, overweegt de Commissie als volgt.
Zoals ook blijkt uit de door de wederpartij aangehaalde rechtspraak van
kantonrechters is het uitgangspunt dat het de werkgever is, die op het punt
van representativiteit naar
buiten het beeld van zijn onderneming mag bepalen. Zoals eveneens blijkt uit
de door de wederpartij aangehaalde kantonrechtspraak, kunnen daarbij
maatschappelijke opvattingen, de functie van de werknemer en de klantenkring
waar het bedrijf zich primair op richt van belang zijn.

De Commissie overweegt dat verzoeker in dat kader naar voren heeft gebracht,
dat bij navraag 20 bedrijven geen bezwaar zouden hebben tegen het bij warme
zomerdagen dragen van een geklede bermuda door mannelijke postbodes.
Daargelaten de vraag of dit een substantieel deel van de klantenkring van de
wederpartij kan worden genoemd, moet worden vastgesteld dat de wederpartij
niet heeft gemotiveerd waarom -zoals zij stelt- het imago dat zij nastreeft
wordt geschaad, indien zij de kledingvoorschriften zou wijzigen. De Commissie
stelt vast dat de wederpartij niet is nagegaan danwel heeft ingeschat of de
opvattingen bij haar klantenkring reden zouden kunnen zijn om de betwiste
kledingvoorschriften te handhaven. Ook heeft de wederpartij niet gesteld dat
er een heersende maatschappelijke opvatting zou zijn, inhoudend dat
mannelijke postbodes bij warme zomerdagen vanwege
representativiteitsoverwegingen niet in een bermuda hun werkzaamheden zouden
mogen verrichten.

Nu niet aannemelijk is gemaakt dat het verschil in arbeidsvoorwaarden tussen
mannelijke en vrouwelijke postbodes noodzakelijk en functioneel is, leidt het
verschil in arbeidsvoorwaarden tot direct onderscheid tussen mannen en
vrouwen zoals bedoeld in artikel 7:646 lid 1 BW.

4.5. Direct onderscheid tussen mannen en vrouwen is verboden tenzij sprake is
van een wettelijke uitzondering. Te dien aanzien overweegt de Commissie als
volgt.

Van het in artikel 7:646 lid 1 BW vervatte verbod op onderscheid tussen
mannen en vrouwen mag op grond van artikel 7:646 lid 2 BW worden afgeweken in
die gevallen waarin het geslacht bepalend is. Het beroep van de wederpartij
op geslachtsbepaaldheid kan echter niet slagen. Immers, genoemd artikel 7:646
lid 2 BW bepaalt dat van het verbod op het maken van onderscheid mag worden
afgeweken bij geslachtsbepaaldheid, voor zover het het aangaan van de
arbeidsovereenkomst en het verstrekken van onderricht betreft. Dat is in deze
zaak niet aan de orde.

Nu de uitzondering van artikel 7:646 lid 2 BW niet van toepassing is en
gesteld noch gebleken is dat sprake is van andere wettelijke uitzonderingen,
is de Commissie van oordeel dat de wederpartij direct onderscheid tussen
mannen en vrouwen heeft gemaakt en in strijd heeft gehandeld met de wetgeving
gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit
dat …. te Amsterdam jegens de …. te Zoetermeer direct onderscheid naar
geslacht maakt in de arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 7:646 lid 1
van het Burgerlijk Wetboek en derhalve in strijd met genoemde wet handelt.

Aldus vastgesteld op 17 juni 1999.

mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck A.C. van Doornen
Kamervoorzitter secretaris Kamer

Oordeel 99-56
@@TNT=
[NOOT_1]
Zie bijvoorbeeld voor wat betreft seksuele intimidatie onder andere
Commissie gelijke behandeling, 25 mei 1999, oordeel 99-48, en voor wat
betreft racisme op de werkvloer onder andere Commissie gelijke behandeling, 6
mei 1999, oordeel 99-41.
[NOOT_2]
Zie bijvoorbeeld Commissie gelijke behandeling,
7 juli 1993, oordeel 93-26; 12 juli 1993, oordeel 93-28;
9 juni 1998, oordeel 98-65 en 9 juli 1998, oordeel 98-82.

Rechters

Mrs Timmerman-Buck, Van Veen, Van der Sluis

Instantie: Rechtbank Den Haag, 10 juni 1999

Instantie

Rechtbank Den Haag

Samenvatting


Eiseres is voor 19 uur per week (0,5 formatieplaats) aangesteld als universitair
docent aan de universiteit van verweerder. Zij wil graag worden toegelaten
tot een onderzoekschool, die is opgericht door vijf Nederlandse universiteiten.
Eén van de toelatingscriteria is een publicatie-eis, die er in bestaat
dat over de aan de aanvraag voorafgaande vijf jaren tenminste vijf internationale
publicaties moeten zijn uitgebracht in wetenschappelijke tijdschriften
of boeken. De CGB bepaalde op 26 november 1996 (96-111) dat verweerder
indirect onderscheid op grond van geslacht maakt door deze publicatie-eis
als toelatingscriterium te hanteren zonder rekening te houden met de omvang
van het dienstverband. De onderzoekschool past vervolgens de publicatie-eis
aan door de termijn van realisatie van de publicaties te verlengen van
vijf tot acht jaar. Ook aan deze eis voldoet eiseres niet. De rechtbank
acht de eis van vijf publicaties redelijk en daarmee is het onderscheid
naar arbeidsduur gerechtvaardigd. Ten aanzien van de termijn van acht jaar
oordeelt de rechtbank dat de gemiddelde productie van stafleden 1,8 internationale
publicatie per jaar bedraagt. Een deeltijdwerker met een 0,5 aanstelling
zou derhalve 0,9 internationale publicaties per jaar moeten kunnen afleveren,
zodat ook de termijn van acht jaar redelijk is.

Volledige tekst

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT.

Het besluit van verweerder van 22 december 1997, kenmerk PR 15952 IBH/P&O.

2. ZITTING.

Datum: 4 mei 1999.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr.
B. ’t Hart,werkzaam bij de FNV Ledenservice. Verweerder heeft zich ter
zitting doen vertegenwoordigen door mr. C.B.M. Bruens, vergezeld door prof.
dr. T.H.A. van der Voort.

3. FEITEN.

Eiseres, die voor 0,5 van de volledige aanstelling (19 uur per week) als
universitair docent is verbonden aan de Faculteit […] van verweerders
universiteit en aldaar is belast met onderwijs en onderzoek, wil graag
toegelaten worden tot de onderzoekschool ‘Institute for the Study of Education
and Human Development’ (het ISED), die is opgericht door de Colleges van
Bestuur van vijf Nederlandse universiteiten. Een van de toelatingscriteria
van het ISED is de publicatie-eis, er in bestaande dat over de aan de aanvraag
voorafgaande vijf volle kalenderjaren als auteur of co-auteur tenminste
vijf internationale publicaties moeten zijn uitgebracht in wetenschappelijke
tijdschriften of boeken.

Op 7 augustus 1995 verzocht eiseres de Commissie gelijke behandeling (hierna:
de CGB) haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Universiteit Leiden
met deze publicatie-eis voor toelating tot het ISED onderscheid naar geslacht
maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Op 26 november 1996
heeft de commissie als haar oordeel uitgesproken dat de Universiteit Leiden
indirect onderscheid op grond van geslacht maakt als bedoeld in artikel
1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) jegens eiseres door
bij de toelating tot de onderzoekschool ISED bovengenoemde publicatie-eis
te hanteren als toelatingscriterium zonder hierbij rekening te houden met
de omvang van het dienstverband (uitspraak 96-111).

Bij brief van 6 januari 1997 heeft eiseres bij het ISED-bestuur een hernieuwd
verzoek om toelating tot het ISED ingediend.

Bij brief van 10 februari 1997 heeft eiseres zich tot verweerder gewend
met het verzoek te vernemen hoe verweerder jegens eiseres uitvoering denkt
te geven aan de uitspraak van de CGB.

Bij brief van 19 maart 1997 heeft verweerder advies gevraagd aan de Erkenningscommissie
Onderzoekscholen (ECOS). Deze heeft verweerder bij brief van 23 april 1997
van advies gediend.

In zijn brief van 7 juli 1997 heeft het ISED-bestuur aan eiseres meegedeeld
dat het in beginsel ongewenst is de toelatingseisen aan te passen aan de
omvang van de aanstelling, maar dat een uitzondering wordt gemaakt voor
personen met een gemengde taakstelling met een relatief kleine deeltijdaanstelling
die 0,5 of minder bedraagt. Voor die personen heeft het ISED-bestuur de
termijn waarbinnen de vereiste vijf internationale publicaties moeten zijn
gerealiseerd, opgehoogd van vijf tot acht jaar. Daarbij heeft het bestuur
tevens bepaald dat de beschikbare onderzoekstijd van deze personen tenminste
0,2 fte dient te zijn. Vervolgens heeft het ISED geconstateerd dat eiseres
vooralsnog noch aan deze toelatingsnorm, noch aan de alternatieve, door
verweerder gesuggereerde toelatingsnorm voor personen met een halve dagtaak,
te weten vijf internationale publicaties in tien jaar, lijkt te voldoen.

Bij schrijven van 22 juli 1997 is namens eiseres bezwaar (bezwaar I) gemaakt
tegen de fictieve weigering een beslissing te nemen op de aanvraag van
eiseres om toelating tot de onderzoekschool ISED, aangezien de brief van
het ISED van 7 juli 1997 niet is te beschouwen als een reactie van het
bevoegd orgaan, zodat er naar de mening van eiseres sprake is van een weigering
om de door eiseres gevraagde beslissing te geven.

Bij brief van 22 juli 1997 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat hij
het ISED heeft verzocht om het verzoek om toelating van eiseres opnieuw
te beoordelen. Daarbij heeft verweerder het standpunt van het ISED-bestuur
weergegeven zoals dit is neergelegd in genoemde brief van het ISED van
7 juli 1997. Tenslotte wordt hierin vermeld dat verweerder zal beslissen
over de toelating van eiseres zodra het oordeel van het ISED-bestuur verweerder
bekend is. Bij brief van 29 juli 1997 heeft het ISED, in reactie op verweerders
verzoek om een hernieuwde beoordeling, verwezen naar zijn eerdere brief
van 7 juli 1997, waaruit reeds blijkt dat eiseres vooralsnog niet voldoet
aan de gestelde eisen.

Bij brief van 8 augustus 1997 heeft eiseres bezwaar (bezwaar II) gemaakt
tegen de brief van verweerder van 22 juli 1997.

Bij brief van 3 september 1997 heeft verweerder eiseres, onder verwijzing
naar de brief van 29 juli 1997 van het ISED, meegedeeld dat zijns inziens
de bijgestelde toelatingseis in redelijkheid aan toekomstige leden van
de ISED-staf kan worden gesteld. Voorts heeft verweerder geconstateerd
dat eiseres derhalve geen aanspraak kan maken op tewerkstelling bij de
onderzoekschool ISED en dat het faculteitsbestuur terecht geen gebruik
heeft gemaakt van de bevoegdheid te bepalen dat eiseres deel zal nemen
in de onderzoekschool ISED, daar zij niet voldoet aan de selectienormen
en een voordracht van het ISED-bestuur ten aanzien van haar ontbreekt.

Eiseres is ten aanzien van beide bezwaarschriften door de Commissie voor
de beroep- en bezwaarschriften gehoord. Deze commissie heeft verweerder
advies uitgebracht, strekkende tot ongegrondverklaring van bezwaar I en
tot niet-ontvankelijkverklaring van bezwaar II. Bij het bestreden besluit
van 22 december 1997 heeft verweerder besloten conform vermeld advies.

Bij schrijven van 27 januari 1998, aangevuld bij brieven van 28 april 1998
en 3 maart 1999, is namens eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld
ter zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank op 23 maart 1999,
alwaar eiseres is verschenen tezamen met haar gemachtigde mr. W.F.C. van
Megen en verweerder is vertegenwoordigd door mr. C.B.M. Bruens. Het onderzoek
is na de zitting heropend en het beroep is ter verdere behandeling
verwezen naar de meervoudige kamer.

4. MOTIVERING.

In geding is of verweerder op goede gronden tot het bestreden besluit is
gekomen.

In de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat eiseres, anders dan
verweerder meent, belang heeft bij het onderhavige beroep. Eiseres is,
hoewel tijdelijk gedetacheerd bij […], nog steeds bij verweerder in vaste
dienst aangesteld. Verder heeft eiseres terecht aangevoerd dat haar belang
tevens is gelegen in de mogelijkheid tot het eventueel vorderen van schadevergoeding.

Thans komt de rechtbank toe aan de beantwoording van de vraag of verweerder
ten aanzien van de toelating tot de onderzoekschool een bevoegdheid toekomt.

Eiseres is van mening dat de voor toelating gestelde publicatie-eis discriminerend
uitwerkt voor haar als deeltijdwerker. Eiseres meent dat verweerder, in
zijn hoedanigheid van werkgever, haar dient te vrijwaren van discriminatie.
Eiseres heeft gewezen op de uit de CAO Universiteiten 1 april 1997 – 1
januari 1999 voortvloeiende verplichting tot goed werkgeverschap en de
CAO-bepalingen waaruit volgt dat de werkgever de eisen van bekwaamheid
vaststelt. Bij de reorganisatie van de FSW is voor de onderzoekskwaliteiten
die in functie van universitair docent vereist zijn verwezen naar de toelatingseisen
van de onderzoekschool ISED. Volgens eiseres is de publicatie-eis daarmee
een voor haar geldende functie-eis.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de bevoegdheid om een beslissing
te nemen ontbeert. In het bestreden besluit betoogt verweerder dat het
op grond van de overeenkomst tot instelling van het ISED tot de bevoegheid
van het ISED-bestuur behoort om de selectienormen voor de deelneming vast
te stellen. Ter zitting van 23 maart 1999 heeft verweerder voornamelijk
het standpunt ingenomen dat de bevoegheid tot toelating aan het faculteitsbestuur
toekomt. Verweerder zou, gelet op het feit dat het primaat van onderwijs
en onderzoek bij de faculteiten berust, in kwesties als de onderhavige
geen taak meer hebben. Wel meent verweerder een marginale toetsingsbevoegdheid
te hebben ten aanzien van besluiten van het faculteitsbestuur.

De rechtbank acht voor de beantwoording van de aan de orde zijnde vraag
de navolgende bepalingen van belang.

Op grond van artikel 1a van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
is het het bevoegd gezag niet toegestaan onderscheid te maken tussen mannen
en vrouwen in de arbeidsvoorwaarden.

Sedert 1 november 1996 is van kracht artikel 125g, eerste lid, van de Ambtenarenwet
ingevolge hetwelk het bevoegd gezag geen onderscheid mag maken tussen ambtenaren
op grond van een verschil in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een
aanstelling wordt verleend, verlengd dan wel beëindigd, tenzij een dergelijk
onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

Tot 19 maart 1997 gold ten aanzien van de bevoegdheid tot aanwijzing van
leden van een onderzoekinstituut de bepaling van artikel 9.49 van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Ingevolge dit
artikel bepaalt het faculteitsbestuur welke leden van het personeel in
het instituut werkzaam zijn, zulks onverminderd de bevoegdheden van het
college van bestuur, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de WHW.

Ingevolge artikel 4.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek (WHW) bepaalt het instellingsbestuur het personeelsbeleid en
voert het het personeelsbeheer. Het neemt daarbij de bij of krachtens de
wet gegeven voorschriften alsmede de eisen van zorgvuldigheid in acht.

Ingevolge artikel 9.23 van de WHW zoals dit vanaf 19 maart 1997 geldt,
wordt een onderzoekschool tussen twee of meer universiteiten in overeenstemming
met de decanen van de betrokken faculteiten ingesteld bij gemeenschappelijke
regeling als bedoeld in artikel 8.1 van die wet. In laatstgenoemd artikel
is bepaald dat met het oog op de samenwerking tussen twee of meer instellingen
de besturen daarvan een gemeenschappelijke regeling kunnen sluiten, waarbij
verder is aangegeven welke onderwerpen in de regelingen (kunnen) worden
bepaald. Ingevolge artikel 9.24 van de WHW kan het college van bestuur
besluiten van de decaan wegens strijd met het recht of het algemeen belang
geheel of gedeeltelijk vernietigen of schorsen. In artikel 8, vierde lid,
van de Overeenkomst tot instelling van de interuniversitaire onderzoekschool
ISED is bepaald dat het bestuur van de ISED selectienormen vaststelt voor
de deelneming van de leden van de wetenschappelijke staf in de school.
Op voordracht van het bestuur van de ISED bepaalt het bestuur van de betreffende
faculteit welke leden van de wetenschappelijke staf van die faculteit deelnemen
in de school, met dien verstande dat in ieder geval tussen bestuur en faculteit
overeenstemming dient te bestaan over de stafleden die aan de school deelnemen.
Uit artikel 11 blijkt dat het bestuur van de ISED verantwoording schuldig
is aan de penvoerende faculteit, zijnde verweerders FSW.

De rechtbank oordeelt dat de bevoegdheid van het bestuur van de FSW ten
aanzien van de toelating van leden tot de onderzoekschool onverlet laat
dat verweerder er voor zorg dient te dragen dat een besluit niet in strijd
met dwingendrechtelijke bepalingen wordt genomen. Dit, op grond van verweerders
taak ingevolge artikel 4.2 van de WHW en op grond van zijn bevoegdheid,
gegeven in artikel 9.24 van de WHW. De rechtbank ziet in de omstandigheid
dat verweerder na de uitspraak van de CGB het ECOS om advies heeft gevraagd
en bij het ISED-bestuur een herbeoordeling van de aanvraag van eiseres
heeft bevorderd, een uitoefening van de bevoegdheid die verweerder in deze
heeft. In de brief van 3 september 1997 heeft verweerder, in tegenstelling
tot het door hem aangaande zijn bevoegdheid ingenomen standpunt, de publicatie-eis
als toelatingscriterium en de handelwijze van het faculteitsbestuur wel
getoetst. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder tot die toetsing
terecht overgegaan.

Verweerders ongegrondverklaring van bezwaar I, gericht tegen de fictieve
weigering van verweerder om te beslissen op het verzoek om toelating, kan
op grond van het vooroverwogene niet in stand blijven. Verweerder kwam
ten aanzien van het verzoek om toelating een bevoegdheid toe en hij had
het bezwaar gegrond moeten verklaren, nu er gelet op de datum van aanvraag
sprake was van een overschrijding van de wettelijke beslistermijnen. Het
beroep is in zoverre gegrond.

Ten aanzien van de niet-ontvankelijkverklaring van bezwaar II overweegt
de rechtbank het volgende. Verweerder heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk
verklaard op de grond dat de brief van 22 juli 1997 naar zijn mening niet
aangemerkt kan worden als een besluit, omdat er geen rechtsgevolgen aan
zijn verbonden. De rechtbank kan verweerder in zoverre volgen. Echter,
in verweerders brief van 3 september 1997 wordt wel een inhoudelijke beslissing
gegeven.

Ingevolge artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht blijft niet-ontvankelijkverklaring
van een prematuur bezwaar achterwege indien het besluit ten tijde van de
indiening: a. wel reeds tot stand was gekomen, of b. nog niet tot stand
was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds
het geval was.

Verweerder is, zo oordeelt de rechtbank, ten onrechte tot niet-ontvankelijkverklaring
overgegaan. Eiseres kon, gelet op de inmiddels verstreken termijn, redelijkerwijs
menen dat reeds een besluit tot stand was gekomen. Verweerder had het bezwaar
dan ook gericht moeten achten tegen zijn besluit van 3 september 1997.
Ook op dit punt is het beroep gegrond. Verweerder had, zo volgt uit voormelde
oordelen van de rechtbank, de bezwaren van eiseres inhoudelijk moeten behandelen.
Het beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit
dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat verweerder
zijn inhoudelijk standpunt in het besluit van 3 september 1997 heeft gegeven
aanleiding om met toepassing van art. 8:72, vierde lid, van de Awb zelf
te voorzien in de zaak.

De partijen nog verdeeld houdende vraag is of de aangepaste publicatie-eis
van vijf wetenschappelijke publicaties in acht jaren zich verdraagt met
het verbod van discriminatie naar geslacht als bedoeld in artikel 1a van
de WGB en het verbod van discriminatie naar arbeidsduur als gegeven in
artikel 125g van de Ambtenarenwet. De rechtbank acht in dit verband van
belang hetgeen de CGB naar aanleiding van de aanvankelijk geldende publicatie-eis
van vijf publicaties in vijf jaren heeft overwogen. Volgens de CGB kan
verweerder wat betreft de kwantitatieve aspecten van de publicatie-eis
het nagestreefde doel van gewenst publicatiegedrag op andere wijze bereiken,
bijvoorbeeld door de termijn waarbinnen die publicaties moeten zijn verricht
aan te passen naar evenredigheid van de omvang van het dienstverband. Mogelijk
is, aldus de CGB, dat daarbij een bepaalde noodzakelijke ondergrens wat
betreft het aantal publicaties wordt aangehouden.

De rechtbank acht de beantwoording van de aan de orde zijnde vraag tweeledig,
namelijk de vraag of de eis van vijf publicaties redelijk kan worden geacht
en de vraag naar de redelijkheid van de periode waarin de publicaties moeten
zijn uitgebracht.

De eerste vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Zoals ook ter zitting
namens verweerder is uiteengezet, is de minimumeis van vijf publicaties
als hier bedoeld ingegeven door de werkzaamheden die het ISED-staflid verricht,
met name het begeleiden van promovendi die internationale publicaties moeten
verzorgen. Verweerder heeft aangegeven daarbij ook acht te hebben geslagen
op het feit dat zusteronderzoekscholen deze zelfde kwantitatieve eis stellen.
De rechtbank heeft geen grond voor het oordeel dat de bodemeis van vijf
publicaties in redelijkheid niet gesteld kan worden. Het ook aan deeltijdwerkers
stellen van deze eis is daarmee objectief gerechtvaardigd.

Ten aanzien van de vraag of voor deeltijdwerkers als eiseres een periode
van acht jaren voor het voldoen aan het vereiste mag worden gegund, overweegt
de rechtbank het volgende. Ter zitting is aangegeven dat de gemiddelde
productie van stafleden, ongeacht de omvang van hun aanstelling, 1,8 internationale
publicatie per jaar bedraagt. Verweerder vertaalt dit in een norm van 0,9
internationale publicatie per jaar voor een deeltijdwerker met 0,5 aanstelling,
zoals eiseres. Dit resulteert in 4,5 internationale publicaties in vijf
jaren, op grond waarvan verweerder heeft gemeend de termijn te moeten verlengen.
De rechtbank acht deze benaderingswijze onjuist noch onredelijk en komt
zodoende tot het oordeel dat de termijn van acht jaren niet onredelijk
kan worden geacht.

Op grond van het voorgaande kan het besluit van 3 september 1997 in stand
blijven. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal de
rechtbank het bezwaar van eiseres tegen dat besluit alsnog ongegrond verklaren.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met
de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet
van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld
op ƒ 1.775. Daarbij is 1 punt toegekend voor het indienen van een beroepschrift,
1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen
ter nadere zitting, met een wegingsfactor voor de zaak van 1 (gemiddeld).

5. BESLISSING.

De Arrondissementsrechtbank ‘s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verklaart met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar
van eiseres alsnog ongegrond;
veroordeelt verweerder in de kosten ad ƒ 1.775 onder aanwijzing van de
Universiteit Leiden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient
te vergoeden;
gelast dat dezelfde rechtspersoon aan eiseres het door haar betaalde griffierecht,
zijnde ƒ 210, vergoedt.

6. RECHTSMIDDEL.

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen
een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes
weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad
van Beroep.

Rechters

Mrs. Miedema, Dedel-Van Walbeek en Sentrop

Instantie: Hof van Justitie EG, 10 juni 1999

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


IPR. Man en vrouw – beiden Duitse nat. – zijn gehuwd in 1963. In 1986 zijn ze gescheiden met toepassing van het Belgische recht, zijnde het recht van de laatste gemeenschappelijke woonplaats. De vrouw vordert nu voor de Duitse rechter verdelingvan de ouderdomspensioenrechten die door de man tijdens huwelijk zijn opgebouwd tijdens zijn werk als ambtenaar bij de EG (de Commissie). De vrouw baseert zich daarbij op het Duitse recht. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vragen van de Duitse rechter als volgt.
1. De regelgeving van de EG (i.c. het ambtenarenstatuut, dat als doel heeft de rechtsverhouding tussen de Europese instellingen en hun ambtenaren te regelen) staat niet in de weg aan pensioenverrekening ogv het nationale recht.
2. Het EG-Verdrag (art. 12) verzet zich er niet tegen dat het recht van een lidstaat (i.c. het Duitse recht) ertoe leidt dat de managv zijn nationale recht zwaardere lasten draagt dan een ambtenaar van een andere nationaliteit in dezelfde situatie.

Volledige tekst

Bij beschikking van 3 september 1997 heeft het Amtsgericht Köln twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 6 EG- Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12 EG) en van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968, zoals gewijzigd bij verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 2799/85 van de Raad van 27 september 1985 (hierna: ‘Ambtenarenstatuut’), met name artikel 27 van bijlage VIII bij dat Statuut.

Die vragen zijn gerezen in een geding tussen J. J. (hierna: ‘verzoekster in het hoofdgeding’) en haar voormalige echtgenoot, H. J. (hierna: ‘verweerder in het hoofdgeding’), over de betaling aan verzoekster in het hoofdgeding van een bedrag wegens verrekening van de door verweerder in het hoofdgeding tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten.

Verzoekster en verweerder in het hoofdgeding, beiden van Duitse nationaliteit, zijn op 18 april 1963 in de Verenigde Staten gehuwd.

Het huwelijk van partijen is door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 28 april 1986 ontbonden volgens Belgisch recht, zijnde het recht van de laatste gemeenschappelijke woonplaats; de schuld werd volledig bij verzoekster gelegd. Dit vonnis heeft sinds 28 oktober 1998 kracht van gewijsde en is op 21 april 1995 door het Ministerie van Justitie van de deelstaat Nordrhein-Westfalen erkend.

Verweerder in het hoofdgeding ontvangt als voormalig ambtenaar van de Commissie sinds 1 juni 1996 een ouderdomspensioen van de Europese Gemeenschap.

Verzoekster in het hoofdgeding vordert verrekening van de door partijen opgebouwde pensioenrechten, daaronder begrepen de door verweerder in het hoofdgeding als ambtenaar van de Commissie verworven rechten, naar rata van de duur van het huwelijk, krachtens de 1587 ev. van het Bürgerliche Gesetzbuch (hierna: ‘BGB’) en 2 van het Gesetz zur Regelung von Härten im Versorgungsausgleich (wet tot regeling van onbillijkheden bij de verrekening van pensioenrechten).

Het Amtsgericht Köln heeft daarop de behandeling van de zaak geschorst en het Hof prejudiciële vragen gesteld.

De eerste vraag

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het Ambtenarenstatuut, met name artikel 27 van bijlage VIII bij dat Statuut, in de weg staat aan de toepassing van bepalingen van nationaal recht als de 1587 e.v. BGB, die de verrekening van pensioenrechten tussen gescheiden echtgenoten voorschrijven.

Het Ambtenarenstatuut heeft tot uitsluitend doel de rechtsverhouding tussen de Europese instellingen en hun ambtenaren te regelen; het schept een aantal wederkerige rechten en verplichtingen en verleent aan sommige gezinsleden van de ambtenaar rechten die zij bij de Europese Gemeenschappen geldend kunnen maken.

Derhalve staat het Ambtenarenstatuut er op generlei wijze aan in de weg, dat tussen ex-echtgenoten bepalingen van nationaal recht als de 1587 ev. BGB, die de verrekening van pensioenrechten tussen gescheiden echtgenoten voorschrijven, worden toegepast.

Wat meer in het bijzonder artikel 27 van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut betreft, moet worden vastgesteld, dat deze bepaling in het hoofdgeding niet toepasselijk is en dat zij niet hetzelfde doel dient als de door verzoekster in het hoofdgeding gevorderde pensioenverrekening. Zij staat dan ook niet in de weg aan de toepassing van bepalingen van nationaal recht
als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.

De tweede vraag

Met zijn tweede vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of artikel 6 van het Verdrag eraan in de weg staat, dat het recht van een lidstaat dat de consequenties van de echtscheiding van een ambtenaar van de Gemeenschappen en zijn ex-echtgenoot regelt, ertoe leidt, dat deze ambtenaar op grond van zijn nationaliteit zwaardere lasten te dragen krijgt dan en ambtenaar van een andere nationaliteit die in dezelfde situatie verkeert.

Het Hof beklemtoont, dat het in artikel 6 van het Verdrag neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit enkel van toepassing is binnen de werkingssfeer van het Verdrag.

Noch de bepalingen van internationaal privaatrecht die bepalen welk nationaal materieel recht van toepassing is op de gevolgen van een echtscheiding, noch de nationale bepalingen van burgerlijk recht die deze gevolgen in materiële zin regelen, vallen binnen de werkingssfeer van het Verdrag.

Artikel 6 van het Verdrag staat er derhalve niet aan in de weg, dat in het recht van een lidstaat de nationaliteit van de echtgenoten als aanknoping dient om te bepalen, welk nationaal materieel recht van toepassing is op de gevolgen van een echtscheiding.

Het Hof verklaart voor recht:

*1) Verordening (EEG, Euratom EGKS) hr 259168 van de Raad van 29 februari 1968 ter vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn zoals gewijzigd bij verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 2799/85 van de Raad van 27 september 1985, en met name artikel 27 van bijlage VIII bij dat Statuut, staat er niet aan in de weg dat in een geding tussen ex-echtgenoten
bepalingen van nationaal recht als de 1587 e.v. van het Bürgerliche Gesetzbuch, die de verrekening van pensioenrechten tussen gescheiden echtgenoten voorschrijven, worden toegepast.

2) Artikel 6 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12 EG) staat er niet aan in de weg dat het recht van een lidstaat dat, met de nationaliteit van de echtgenoten als aanknoping, de gevolgen van de echtscheiding van een ambtenaar van de Gemeenschappen en zijn ex-echtgenoot regelt, ertoe leidt, dat deze ambtenaar op grond van zijn nationaliteit zwaardere lasten te dragen krijgt dan een ambtenaar van een andere nationaliteit die in dezelfde situatie verkeert.”

Advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer heeft ter terechtzitting van de Eerste kamer van 18 maart 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

“1) Noch artikel 27 van bijlage VIII van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 2799/85 van de Raad van 27 september 1985 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, noch enige andere bepaling daarvan, verzetten zich tegen een verzoek waarbij de gescheiden echtgenote van een gepensioneerd ambtenaar van de Europese Gemeenschappen voor de rechterlijke instanties van een lidstaat verrekening van de pensioenrechten volgens het familierecht van deze lidstaat vordert.

2) Artikel 6 van het Verdrag verzet zich er niet tegen. dat de conflictregels van een lidstaat het criterium van de nationaliteit van de echtgenoten hanteren bij de bepaling van het op de gevolgen van een echtscheiding toepasselijk recht.”

Rechters

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 10 juni 1999

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Hoger beroep van president Rechtbank Amsterdam 11 juni 1998 (RN-kort 99/5,
nr. 1096). Seksueel misbruik door psychiater. Eiseres vordert in kort geding
voorschotten van ƒ 45.000 en ƒ 35.000 voor geleden materiële en immateriële
schade. De president wees ƒ 25.000 voorschot voor immateriële schade toe en ƒ
9003 als voorschot voor materiële schade. Het hof verlaagt het voorschot voor
immateriële schadevergoeding naar ƒ 5000: ‘alle omstandigheden in aanmerking
genomen acht het hof, mede gelet op hetgeen in overeenkomstige gevallen door
de rechter pleegt te worden toegekend, geen termen aanwezig bij wijze van
voorschot te dier zake een hoger bedrag toe te wijzen dan ƒ 5000′.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellant wordt in het navolgende (…) geïntimeerde (…).

1.2 (…) is bij dagvaarding van 25 juni 1998 in hoger beroep gekomen van een
vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 11
juni 1998 onder rol- nummer KG 98/1417 0dC gewezen tussen, (…) als eiseres
en (…) als gedaagde.

1.3 (…) heeft vervolgens in een memorie van grieven een viertal grieven
geformuleerd, zijn verweren in eerste aanleg aangevuld en geconcludeerd dat
het hof het vonnis van de president zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende,
alsnog aan vordering zal ontzeggen, c.q. vordering niet-ontvankelijk zal
verklaren met veroordeling van in de kosten van beide instanties.

1.4 (…) heeft bij memorie van antwoord de grieven van (…) weersproken en
harerzijds nog een tweetal producties overgelegd, waaronder een beslissing
van dit hof van 5 november 1998 in het hoger beroep dat (…) had ingesteld
tegen een beslissing van het medisch tuchtcollege te Amsterdam. Hierna heeft
(…) zich (ter rolzitting van 18 maart 1998) bij akte over die producties
uitgelaten.

1.5 Partijen hebben vervolgens hun dossiers in beide instanties overgelegd en
arrest gevraagd.

2. Grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

3. Feiten waarvan in hoger beroer wordt uitgegaan

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende: (…) is bij (…), die een
praktijk had als psychiater, in therapie geweest van 1986 tot in ieder geval
1989. Daarbij hebben zich, naar het oordeel van het medisch tuchtcollege en,
in beroep, van het hof in de hiervoor in 1.4 genoemde beslissing, handelingen
en intimiteiten voorgedaan die in een arts/patiënt relatie ontoelaatbaar
zijn. Het medisch tuchtcollege kwalificeerde in zijn uitspraak van 2 februari
1998 deze handelingen als “grove onkunde” en legde (…) een schorsing op van
zes maanden, welk oordeel in hoger beroep in hoofdzaak is gehandhaafd.

3.2 In dit kort geding vordert (…) een voorschot op de vergoeding van
materiële en immateriële schade, die zij als gevolg van het hiervoor in 3.1
bedoelde, onrechtmatig gedrag van (…) stelt te hebben geleden. De president
heeft deze vordering toegewezen tot een bedrag van ƒ 34.003 en (…)
veroordeeld in de kosten van het geding.

3. 3 De door (…) geformuleerde grieven richten zich niet tegen de feiten
zoals die door de president zijn vastgesteld in zijn vonnis onder 1 a en c
t/m i. Verdeeld zijn partijen met betrekking tot de feiten over de duur van
de therapie. Volgens (…) duurde deze tot september 1990, volgens (…) tot
in 1989. Partijen zijn bovendien verdeeld over de aard van de betrekkingen
die tussen hen hebben bestaan. (…) omschrijft deze als “sensueel”, (…)
als “seksueel”. Het hof zal met deze verschillende feitelijke stellingen en
interpretaties zo nodig rekening houden.

4. Beoordeling

4.1 De eerste grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen
afzonderlijke bespreking.

4.2 De tweede grief heeft betrekking op de overweging 4.1 van het vonnis,
waarin de president het beroep van (…) op verjaring van de rechtsvordering
van (…) door verloop van de in artikel 3:310, lid 1, BW omschreven termijn
heeft verworpen. Naar (…) stelt, was niet, zoals besloten ligt in de
aangevochten overweging, eerst op 6 juni 1992 of nadien met haar schade en de
aansprakelijke persoon bekend, maar had zij die bekendheid al bij het eind
van haar behandeling door (…) of kort nadien. Volgens (…) was de
behandeling reeds in 1989 (verhuizing (…)) beëindigd en volgens (…) zelf
was dat in september 1990. In ieder geval bestond – naar (…) stelt – die
bekendheid ruimschoots vóór juni 1992, toen (…) bezig was met aangifte.
Aldus, zo verstaat het hof de grief, was de in art. 310, lid 1 BW bedoelde
termijn van vijf jaar reeds verstreken toen de advocaat van (…) mr.
enters, bi j brief van 24 maart 1997 aan (…) ter voorkoming van verjaring
meedeelde dat (…) overwoog een procedure tegen hem aan te spannen.

4.3 Het hof acht voorshands niet voldoende aannemelijk dat (…) reeds bij
het einde van haar behandeling door (…) of kort nadien over de in artikel
3:310, lid 1 BW bedoelde bekendheid beschikte. Daarvoor zijn geen feitelijke
aanknopingspunten aannemelijk geworden, terwijl veeleer uit het feit dat de
contacten tussen partijen in de periode van juni 1992 tot maart 1995 –
derhalve zelfs na de hierna te bespreken brief van (…) aan (…)van 6 juni
1992 – zijn hervat, moet worden afgeleid dat (…) zoals de president heeft
overwogen, zich toen nog niet ten volle bewust was dat (…) haar schade
berokkende, althans, zo voegt het hof daaraan toe, dat (…) door aan (…)
toe te rekenen omstandigheden niet in staat was haar vordering geldend te
maken.

4.4 Derhalve acht het hof het, met de president, voorshands reëel voor de
aanvang van de verjaringstermijn uit te gaan van 6 juni 1992, omdat (…) in
haar brief van die dag aan (…) schrijft dat zij hem te kennen heeft gegeven
‘bezig te zijn jou (…) hof] aan te geven’, hetgeen onmiskenbaar op de in
artikel 3:310 BW bedoelde bekendheid wijst. Voor zover de grief inhoudt dat
die bekendheid als eerder dan 6 juni 1992 bij (…) aanwezig moet zijn
geweest, verenigt het hof zich in zoverre met het oordeel van de president
dat uit die brief niet kan worden opgemaakt dat die bekendheid eerder bestond
dan ten tijde van de toevallige ontmoeting tussen beiden, in juni 1992,
derhalve zeer kort voor het schrijven van deze brief. Feiten of
omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat die bekendheid reeds voordien
heeft bestaan zijn in dit kort geding ook overigens niet aannemelijk
geworden. De grief faalt.

4.5 (…) heeft zich – naar het hof begrijpt – subsidiair op rechtsverwerking
beroepen. Dit zou inhouden het recht om een klacht in te dienen wegens het
aangaan van onrechtmatige erotische betrekkingen zou hebben verwerkt, omdat
zij ook na beëindiging van die betrekkingen nog contact met (…) zou hebben
gezocht. Deze klacht faalt. Voorshands is niet gebleken van feiten of
omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat (…) er in redelijkheid van
mocht uitgaan dat (…) naar aanspraak niet zou vervolgen.

4.6 In de derde grief is de klacht geformuleerd, dat de president – kort
gezegd – ten onrechte het gedrag van (…) onrechtmatig heeft geacht. Het hof
verenigt zich evenwel met het oordeel van de president op dit punt. Het
aangaan van sensuele -zo (…)- dan wel seksuele betrekkingen – zo (…) – in
een psychotherapeutische relatie moet in beginsel als onrechtmatig worden
beschouwd, waar een dergelijke relatie tussen arts en patiënt, zoals ook in
dit geval in de tuchtprocedure is geoordeeld, moet gelden als onkundig
professioneel handelen, terwijl er bovendien van moet worden uitgegaan dat
zo’n relatie niet de vrucht is van gelijkwaardigheid van de partners.

4.7 Aan het onrechtmatig karakter van het – jarenlang volgehouden – gedrag
van (…) doet niet af, dat het hier zou gaan om, zoals in de toelichting op
de grief wordt gesteld, consensueel handelen. In dit verband zij overwogen
dat, naar de ervaring leert, als gevolg van het eerder genoemde tekort aan
gelijkwaardigheid tussen de partners, de door dit onrechtmatig handelen
veroorzaakte aantasting in de persoon (mede) kan bestaan uit het verwijt dat
de benadeelde zich maakt, dat hij/zij met dat handelen heeft ingestemd. De
grief snijdt geen hout.

4. 8 In de vierde grief klaagt (…) over het feit dat de president
aannemelijk heeft geacht dat (…) immateriële schade heeft geleden en nog
lijdt en dat buiten twijfel is dat de bodemrechter te dier zake,
desgevorderd, een schadevergoeding zal toewijzen. De grief miskent, dat
onrechtmatig handelen als in dit geval, moet worden beschouwd als een
aantasting in de persoon, welke aanspraak geeft op smartengeld. Voor het
vereiste causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van en de
immateriële schade door aantasting in de persoon van (…) biedt de brief van
prof. Van Dantzig, voldoende steun.

4.9 Het hof verstaat de grief voorshands tevens aldus dat (…) klaagt dat
niet voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter terzake van smartengeld een
bedrag van ƒ 25.000 zal toewijzen. In zoverre heeft de grief succes. Alle
omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof, mede gelet op hetgeen in
overeenkomstige gevallen door de rechter pleegt te worden toegekend, geen
termen aanwezig bij wijze van voorschot te dier zake een hoger bedrag toe te
wijzen dan ƒ 5.000.

4.10 Met betrekking tot de materiële schadevergoeding heeft de president
geoordeeld dat aannemelijk is dat (…) zodanige schade heeft geleden en deze
tot een bedrag van ƒ 9.003 (buitengerechtelijke kosten ter zake van de
tuchtprocedure) toegewezen. Daartegen is, voor het geval het hof daaraan zou
toekomen, geen grief aangevoerd. Het hof zal dit bedrag ook toewijzen,
eveneens bij wijze van voorschot op hetgeen in de bodemprocedure te dier zake
verschuldigd zal blijken te zijn.

4. 11 Het hof zal dan ook in totaal bij wege van voorschot een bedrag van ƒ
5.000 + ƒ 9.003 = ƒ 14.003 toewijzen.

5. Slotsom

De vierde grief slaagt gedeeltelijk, de overige grieven falen of leiden niet
tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het vonnis van de president zal
worden vernietigd. Het in 4.11 genoemde bedrag zal bij wijze van voorschot
worden toegewezen. Gezien de hoogte van de oorspronkelijke vordering en het
feit dat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, in er aanleiding
de kosten in beide instanties te compenseren. Beslist moet worden als volgt.

6. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en, opnieuw recht doende,

veroordeelt (…) aan (…) te betalen f. 14.003 (VEERTIENDUIZENENDRIEGULDEN)
te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 1997 tot de dag van
voldoening;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten in eerste en tweede instantie des dat iedere partij
zijn eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mrs Van Schendel, Peeperkorn en Winkel

Instantie: Rechtbank Almelo, 9 juni 1999

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


Seksueel misbruik van eiseres heeft plaatsgevonden in 1984. Zij is hiervoor
in 1996 in behandeling gegaan. De rechtbank oordeelt dat aansprakelijkheid
voor schade niet is verjaard omdat de vrouw zich pas rond september 1996
bewust is geworden van de schade door het seksuele contact, zo blijkt uit een
deskundigenrapport. Als zij direct in 1992 in behandeling was gegaan, dan was
zij zich toen al van de schade bewust geworden. Aangezien zij echter pas in
1996 in therapie is gegaan, is zij zich pas medio 1996 bewust geworden van de
schade. Wat betreft vaststelling van de schade oordeelt de rechtsbank dat een
deel van de aanwezige psychische klachten aan de dader kan worden
toegerekend. Van de materiële schade wordt daarom 25% van de opgevoerde
kosten toegewezen. De immateriële schade wordt begroot op ƒ 3000.

Volledige tekst

Gehoord partijen.

Gezien de stukken, waaronder het tussen partijen op 18 november 1999 gewezen
tussenvonnis.

Overweegt:

Over het procesverloop:

De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in voormeld tussenvonnis
is overwogen.

Naar aanleiding van dat tussenvonnis hebben partijen ieder een akte genomen
waarin vragen en opmerkingen voor de deskundige zijn geformuleerd. Deze
vragen en opmerkingen zijn aan de deskundige voorgelegd en deze heeft op 26
januari 1999 gereageerd. Vervolgens hebben partijen ieder een conclusie na
deskundigenbericht genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken, waarvan de inhoud voorzover niet reeds
weergegeven als hier ingelast geldt, overgelegd en is vonnis gevraagd.

Over het recht:

1. De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in voormeld
tussenvonnis is overwogen.

2. De deskundige geeft in zijn rapport van 30 juli 1998 aan dat er bij A
sprake is van psychische beschadiging en/of trauma. Hij omschrijft dit als
dystymie en stelt dat de seksuele relatie tussen A en B tot verheviging
daarvan heeft geleid. A heeft, aldus de deskundige, geworsteld met de
problematiek voortvloeiende uit het seksuele contact met B hetgeen ertoe
heeft geleid dat zij de schuld bij zichzelf heeft gelegd. Zij was, zo
begrijpt de rechtbank de deskundige, door de psychische stoornis niet in
staat te beseffen dat zij schade leed door het seksuele contact in 1984. De
deskundige merkt voorts op dat indien A in 1992 direct in behandeling was
gegaan, zij zich medio 1992 van de schade van het seksuele contact in 1984
bewust zou zijn geworden.

3. De rechtbank ziet in hetgeen door B is aangevoerd onvoldoende grond de
bevindingen en conclusies van de deskundige in twijfel te moeten trekken.

4. A is in 1992 niet direct in behandeling gegaan. Zij was zich derhalve toen
nog niet bewust van de schade. De deskundige haalt in zijn rapport van 26
januari 1999 de brief van X van 14 juli 1998 aan waarin deze stelt dat A het
seksuele contact voor het eerst meldde op 13 september 1996. Gelet hierop
moet worden aangenomen dat A zich pas rond september 1996 bewust is geworden
van de schade van het seksuele contact. Uit het voorgaande volgt dat de
vordering van A niet is verjaard.

5. In het tussenvonnis van 25 februari 1998 is de onrechtmatigheid van de
gedragingen van B al vastgesteld. Thans staat bovendien vast dat de vordering
van A niet is verjaard. B is dan ook gehouden de uit de onrechtmatige
gedragingen voortvloeiende schade te vergoeden.

6. A heeft bij akte van 25 maart 1998 voorgesteld de deskundige te vragen
naar de mate van de psychische beschadiging, de blijvende schade en de
beperkingen. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 15 april 1998
overwogen dat deze vragen pas aan de orde zijn zodra vaststaat dat de
vordering niet is verjaard. Ondanks dat omtrent dit laatste duidelijkheid is
verkregen ziet de rechtbank thans geen noodzaak meer de door A voorgestelde
vragen aan de deskundige voor te leggen nu zij, de rechtbank, zich op grond
van de rapporten van de deskundige alsmede door de zijdens partijen
ingebrachte akten en conclusies voldoende voorgelicht acht om dienaangaande
een beslissing te kunnen nemen.

7. De deskundige heeft geconcludeerd dat de bij A bestaande problematiek is
verhevigd door het seksuele contact. Een deel van de bij A aanwezige
psychische klachten kan dan ook aan B worden toegerekend. Gelet hierop is de
rechtbank ten aanzien van de materiële schade van oordeel dat in redelijkheid
25% kan worden toegewezen van de door A opgevoerde posten met betrekking tot
het Riagg en de daarbij behorende reiskosten, de eigen bijdrage thuiszorg
voor CAK Bijzondere Zorgkosten alsmede de reiskosten in verband met de opname
in het A ziekenhuis, welke posten in totaal ƒ 3.585 bedragen.

8. De kosten voor medicijnen verstrekt door apotheek Y komen niet voor
toewijzing in aanmerking. Naar het oordeel van de rechtbank is door A
onvoldoende gesteld om aannemelijk te doen zijn dat deze medicijnen door
artsen zijn voorgeschreven in het kader van de psychische behandeling.
Hetzelfde geldt voor de post betreffende de eigen bijdrage voor het Z.
Evenmin komen de vorderingen terzake van de kosten van de consulten voor de
natuurgeneeskundige de acupunctuurbehandelingen en de magnesiumpillen voor
toewijzing in aanmerking. Door A is ten aanzien van die vorderingen
onvoldoende gesteld om causaal verband te kunnen aannemen tussen deze kosten
en de schadeveroorzakende gebeurtenis.

9. A vordert ook vergoeding van de eigen bijdrage verschuldigd voor circa 50
(op 10 september 1997 nog) toekomstige behandelingen bij het Riagg en de
daarmee samenhangende reiskosten. A had op 10 september 1997 al 48
behandelingen ondergaan. Zij stelt dat nadien nog circa 50 behandelingen
noodzakelijk waren of zijn. B heeft hiertegen ingebracht dat het hier slechts
de verwachting van A betreft en dat een medische onderbouwing ontbreekt. De
rechtbank is echter van oordeel dat gelet op de rapporten van de deskundige
en de daarin opgenomen gegevens afkomstig van de overige behandelende artsen
van A, voldoende aannemelijk is dat A na 10 september 1997 nog vele
behandelingen diende te ondergaan. Een aantal van 50 komt de rechtbank niet
buitensporig hoog voor. Gelet hierop is het redelijk 25% van deze kosten,
welke in totaal ƒ 2.000 bedragen, aan materiële schadevergoeding toe te
wijzen.

10. Voorts kunnen de reiskosten naar de advocaat als niet betwist worden
toegewezen tot een bedrag ƒ 300.

11. Nu vaststaat dat de gedragingen van B hebben geleid tot een verheviging
van de psychische klachten van A is een veroordeling tot het vergoeden van de
immateriële schade op zijn plaats. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de
immateriële schade met inachtneming van alle omstandigheden van het geval
moet worden begroot op ƒ 3.000.

12. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal B worden
veroordeeld in de kosten van dit geding.

RECHTDOENDE

I. Verklaart voor recht dat B een onrechtmatige daad heeft gepleegd ten
opzichte van A.

II. Veroordeelt B tot betaling aan A van ƒ 4.696,25 vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 23 juni 1997 tot aan de dag der algehele voldoening.

III. Veroordeelt B in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de
zijde van A begroot op ƒ 3.243,33 aan verschotten en ƒ 4.745 wegens het
salaris van haar procureur.

IV. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs. Juc, Verhoeven en Schreuder

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 8 juni 1999

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


A., Italiaanse, is werkzaam geweest in Nederland als prostituee. Haar aanvraag
om een bijstandsuitkering is afgewezen omdat zij geen verblijfsvergunning
had, noch een schriftelijke verklaring conform art. 45 Vreemdelingenvoorschrift.
De Raad oordeelt dat gedaagde zelfstandig had dienen te onderzoeken of
A. rechtstreeks aan het gemeenschapsrecht een verblijfsrecht kon ontlenen.
Onvoldoende is onderzocht of zij op grond van een van de EG-Richtlijnen
voor economisch niet-actieven een recht op (voortgezet) verblijf had. Een
nader onderzoek had in de rede gelegen, omdat A. kort voor haar bijstandsaanvraag
in Nederland arbeid als prostituee heeft verricht, die arbeid wegens ongeschiktheid
als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk niet heeft kunnen uitoefenen
en werkzoekend was. Zo ontbreekt feitelijke informatie over de vraag of
aannemelijk is dat appellante als prostituee daadwerkelijke en reële arbeid
heeft verricht, of zij ten tijde van haar aanvraag om bijstand nog arbeidsongeschikt
was alsmede of zij toen reëel uitzicht had op werk. Indien mocht blijken
dat A. ten tijde van de bijstandsaanvraag geen verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht
kon ontlenen, dan ziet de Raad een beroep op het Europees Verdrag inzake
Sociale en Medische Bijstand niet slagen. In dat geval moet het er voor
worden gehouden dat in de hier relevante periode voor A. niet een verblijfsvergunning
of andersoortige vergunning (in de Engelse tekst ‘or other such permission’)
van kracht was en dat haar verblijf in die periode onrechtmatig was geworden.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 16 oktober 1997 heeft gedaagde de aanvraag van appellante
om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) afgewezen.
Namens appellante heeft mr. S. Stenfert Kroese, advocaat te Rotterdam,
bij brief van 13 november 1997 beroep ingesteld tegen dat besluit.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Stenfert Kroese, voornoemd, heeft bij brief van 21 oktober 1998 (met
bijlagen) de gronden van het beroep nader aangevuld. Zij heeft bij brief
van 5 maart 1999 nog enige stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 16 maart 1999, waar
appellante in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Stenfert Kroese,
voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
E. van Lunteren en mr. E.A.J. Bruinsma, beiden werkzaam bij de gemeente
Rotterdam.

II. MOTIVERING

Appellante, in het bezit van de Italiaanse nationaliteit, is op 1 maart
1987 in het bezit van een geldig paspoort Nederland ingereisd. Zij heeft
over de periode van 23 april 1987 tot 18 april 1991 – met een aantal onderbrekingen
– beschikt over een geldige op 3 januari 1997 een aanvraag ingediend om
een vergunning tot verblijf. Die aanvraag is bij beschikking van 24 juni
1996 – verzonden op 5 augustus 1997 – afgewezen. Appellante heeft tegen
die beschikking op 28 augustus 1997 administratief beroep ingesteld heeft
de Staatssecretaris van Justitie het administratief beroep gegrond verklaard
en aan appellante, met ingang van 23 oktober 1997, een vergunning tot verblijf
verleend geldig tot 23 oktober 1998.
Op 4 september 1997 heeft appellante bij gedaagde een aanvraag ingediend
om een uitkering ingevolge de Abw. Daarbij is gebleken dat appellante laatstelijk
op 9 augustus 1997 werkzaam is geweest als prostituée en op genoemde datum
tijdens haar werkzaamheden gestoken waardoor zij voor behandeling in het
Dijkzigt Ziekenhuis te Rotterdam moest worden opgenomen. Appellante is
op 14 augustus 1997 uit dat ziekenhuis ontslagen.
Op 30 september 1997 heeft de korpschef van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond
ten aanzien van appellante een verklaring als bedoeld in art. 45a van het
Voorschrift Vreemdelingen (hierna: de verklaring) afgegeven, waaruit blijkt
dat op appellante niet het Abw van toepassing is en dat zij niet langer
met instemming van de Nederlandse overheid in Nederland verblijft.
Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 16 oktober 1997 appellantes
aanvraag afgewezen op grond van de volgende overwegingen:
‘Op 04-09-1997 vroeg u een uitkering aan op grond van de Algemene bijstandswet
(Abw) voor de noodzakelijke kosten van het bestaan.
Wij hebben besloten uw aanvraag af te wijzen, omdat u met uw verblijfstitel
niet in aanmerking kunt komen voor bijstand. U kunt als vreemdeling in
aanmerking komen voor bijstand als (art. 7, tweede lid en art. 12 Abw):
– u beschikt over een verblijfsvergunning op grond van art. 9 of 10 Vreemdelingenwet;
of
– ten behoeve van u een schriftelijke verklaring conform art. 45 Vreemdelingenvoorschrift
is afgegeven door het hoofd van de vreemdelingenpolitie, waaruit blijkt
dat u gerechtigd bent in Nederland te verblijven.
In uw geval is hiervan geen sprake.
Evenmin is aannemelijk, dat er ten aanzien van u zeer dringende redenen
aanwezig zijn waardoor wij, gelet op alle omstandigheden, hierop een uitzondering
moeten maken.’
Appellante kan zich met dit besluit niet verenigen. Zij heeft zich op het
standpunt gesteld dat zich zeer dringende redenen hebben voorgedaan als
bedoeld in art. 11 van de Abw. In dat verband heeft zij gewezen op het
feit dat zij slachtoffer is van een ernstig geweldsmisdrijf en, dat zij
in een financiële noodsituatie verkeerde en dat haar verblijf hier te lande
als getuige in een strafproces noodzakelijk is geweest.
Voorts is aangevoerd dat gedaagde had dienen te onderzoeken of zij als
onderdaan van een Staat die partij is bij het Europees Verdrag inzake Sociale
en Medische Bijstand (EVSMB) op grond van dat verdrag aanspraak heeft op
bijstand ingevolge de Abw. Ten slotte heeft zij zich op het standpunt gesteld
dat zij onderdaan is van een Lid-staat van de Europese Unie en dat gedaagde
zelfstandig had dienen te onderzoeken of zij een verblijfsrecht aan het
gemeenschapsrecht kon ontlenen.
De Raad overweegt het volgende.
Vast staat dat appellante onderdaan is van een Lid-staat van de Europese
Unie en dat gedaagde derhalve in het spoor van de uitspraak van de Raad
van 5 augustus 1997, gepubliceerd in RSV 1997/268, een zelfstandige onderzoeksplicht
heeft met betrekking tot de vraag of appellante ten tijde van belang rechtstreeks
aan het gemeenschapsrecht een verblijfsrecht kon ontlenen.
Nu gedaagde blijkens de stukken dat onderzoek niet heeft verricht, is de
conclusie gerechtvaardigd dat het bestreden besluit wegens strijd met art.
3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking
komt.
Hetgeen namens gedaagde ter zitting ter zake naar voren is gebracht heeft
de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
Ook de Raad gaat er van uit dat appellante geen daadwerkelijke en reële
arbeid verrichtte toen zij op 4 september 1997 haar aanvraag om bijstand
indiende en pas op 23 oktober 1997 de hoedanigheid van werknemer verkreeg
toen zij in dienst trad bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer.
Dat neemt echter niet weg dat onvoldoende is onderzocht of appellante op
grond van een van de EG-Richtlijnen voor economisch-niet actieven een recht
op (voortgezet) verblijf had. Een nader onderzoek had in dit geval in de
rede gelegen omdat uit de gedingstukken naar voren komt dat appellante
kort voor haar bijstandsaanvraag hier te lande arbeid als prostituée heeft
verricht, die arbeid wegens ongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval
in ieder geval tijdelijk niet heeft kunnen uitoefenen en werkzoekend was.
Zo ontbreekt feitelijke informatieover de vraag of aannemelijk is dat appellante
als prostituée daadwerkelijke en reële arbeid heeft verricht, of zij ten
tijde van haar aanvraag om bijstand nog arbeidsongeschikt was alsmede of
zij toen reëel uitzicht had op werk.
Gedaagde zal een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van het
vorenstaande.
Ten overvloede merkt de Raad nog het volgende op.
Wanneer uit het nader door gedaagde in te stellen onderzoek mocht blijken
dat appellante ten tijde hier in geding niet aan het gemeenschapsrecht
een verblijfsrecht kon ontlenen, dan ziet de Raad – uitgaande van de thans
ter beschikking staande gegevens – het beroep op het EVSMB niet slagen.
In dat geval zal het er voor moeten worden gehouden dat in de hier relevante
periode van 4 september 1997 tot en met 16 oktober 1997 voor appellante
(naar de tekst van art. 11, onder a, van dat Verdrag) niet een verblijfs-
of andere soortgelijke vergunning permission’) van kracht was en dat haar
verblijf in die periode onrechtmatig was geworden. Appellante was immers
kort tevoren, bij een op 5 augustus 1997 aangetekend verzonden brief, bevolen
om Nederland binnen vier weken te verlaten. Weliswaar heeft zij tegen de
weigering haar een verblijfsvergunning te verlenen op 28 augustus 1997
administratief beroep ingesteld, maar van de zijde van appellante is geen
enkel concreet gegeven aangedragen waaruit de Raad is kunnen blijken dat
aan dat administratief beroep schorsende werking wat betreft de uitzetting
was verbonden. Uit de door gedaagde overgelegde gegevens blijkt zulks evenmin.
Wel blijkt uit de op 30 september 1997 door de korpschef van de regiopolitie
Rotterdam-Rijnmond afgegeven verklaring dat appellante op dat moment niet
langer met instemming van de Nederlandse overheid in Nederland verbleef
en Nederland moest verlaten.
Ten slotte merkt de Raad nog op dat het beroep op art. 11 van de Abw eerst
in beeld komt indien alsnog komt vast te staan dat appellante aan het gemeenschapsrecht
in de hier van belang zijnde periode geen recht op (voortgezet) verblijf
zou kunnen ontlenen. in genoemd artikel kan in het algemeen slechts sprake
zijn in geval van een acute noodsituatie, te weten een situatie die van
levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot
gevolg kan hebben. Van zeer dringende redenen als bedoeld in genoemd artikel
kan in het algemeen slechts sprake zijn in geval van een acute noodsituatie
te weten een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig
letsel of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van art. 8:75 van de Awb gedaagde
te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot
op ƒ 1420 voor verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot
ƒ 1420, te betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het gestorte griffierecht van ƒ 55
vergoedt.

Rechters

Mrs. Kasdorp, Van den Hurk, Goorden

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 4 juni 1999

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Huwelijk d.d. 1946. Echtscheiding 1980. Alimentatie bedraagt eerst ƒ 3000 per
maand en later (toen de vrouw AOW kreeg) ƒ 1400 per maand. Per 1-1-1999
verzoekt man beëindiging alimentatie ogv Wet Limitering (WLA)en ogv gewijzigde
omstandigheden (ontbreken draagkracht). Rechtbank stelt: in beginsel kan ogv
WLA alimentatie worden beëindigd. De beëindiging is voor de vrouw niet zó
ingrijpend dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van
haar kan worden gevergd. Het duur van het huwelijk, de leeftijd van de vrouw
op het moment van echtscheiding, de rolverdeling tijdens het huwelijk en, het
gemis aan pensioenvoorziening zijn onvoldoende grond hiervoor. De vrouw kan
ook zonder alimentatie een redelijk bestaan voeren. Zij heeft naast haar AOW
inkomsten uit (een aanzienlijk) vermogen. Het feit dat de inkomenspositie van
de man na stopzetting van de alimentatie, rooskleuriger is dan die van de
vrouw, doet hier niet aan af.

Volledige tekst

1. Inleiding en procesverloop

Partijen zijn op 21 januari 1946 in algehele gemeenschap van goederen met
elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren, die in overwegende
mate door de vrouw zijn verzorgd en opgevoed. Zij was daarnaast tijdens het
huwelijk belast met de huishouding en heeft geen betaalde arbeid buitenshuis
verricht. Bij vonnis van 4 juli 1980 is tussen partijen de echtscheiding
uitgesproken, welk vonnis op 18 augustus 1980 is ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand. De man was toen 58 jaar oud en de vrouw 57 jaar.
Bij dat vonnis is een door de man verschuldigde bijdrage in het
levensonderhoud van de vrouw vastgesteld van ƒ 3.500 per maand. In verband
met het bereiken van de 65-jarige leeftijd is de vrouw met ingang van 1 juni
1988 een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend.
Partijen zijn toen nader overeengekomen dat de man voortaan ƒ 1.400 per maand
alimentatie aan de vrouw zou gaan voldoen. Sedert 1 januari 1999 heeft de man
de bijdrage aan de vrouw op eigen initiatief gewijzigd in ƒ 700 per maand. De
vrouw heeft voorts vanaf de echtscheiding rente-inkomsten uit vermogen
ontvangen. Zij heeft geen aanspraak op een aanvullend pensioen, omdat noch de
man noch de vrouw aanvullende pensioenvoorzieningen hebben getroffen.

De man heeft primair verzocht het vonnis van deze rechtbank d.d. 4 juli 1980
te wijzigen en te bepalen dat de alimentatie voor de vrouw met ingang van 1
januari 1999 op nihil wordt gesteld. Subsidiair heeft hij verzocht een
termijn te bepalen gedurende welke de man nog (maar dan minder dan het eerder
overeengekomen bedrag van ƒ 1.400 per maand aan) alimentatie is verschuldigd.
De vrouw heeft het verzoek tot beëindiging van de alimentatieverplichting
bestreden en heeft tevens betwist dat sprake is van een wijziging van
omstandigheden die een verlaging van het overeengekomen alimentatiebedrag zou
rechtvaardigen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van:

– het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen ter griffie op 30
december 1998;
– het verweerschrift met bijlagen van de vrouw;
– een brief d.d. 29 april 1999 met bijlagen van de procureur van de man;
– een op 3 mei 1999 gedateerde brief met bijlagen van de procureur van de
vrouw.

Het verzoek is op 7 mei 1999 behandeld ter zitting, waartoe partijen zijn
opgeroepen. Verschenen zijn de man en vrouw in persoon, bijgestaan door hun
procureurs. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

2. De gronden van het verzoek

De man heeft zich voor de verzochte nihilstelling van de alimentatie primair
beroepen op het bepaalde in artikel II, tweede lid van de Wet van 28 april
1994 tot wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de
regeling van de limitering van de alimentatie na scheiding, Stb.1994, 324 en
325, verder aan te duiden als de Wet limitering na scheiding (WLA). Hij heeft
daartoe aangevoerd dat hij na de echtscheiding reeds 18,5 jaar heeft
bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en dat hij bij
gebreke van een pensioenvoorziening onevenredig moet interen op zijn vermogen
om deze bijdrage te kunnen blijven leveren.
Subsidiair heeft de man een beroep gedaan op gewijzigde omstandigheden, welke
hierin zijn gelegen dat de vrouw niet langer behoefte zou hebben aan een
bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud en voorts dat het
de man aan financiële draagkracht zou ontbreken om nog langer alimentatie
(althans tot een bedrag van ƒ1.400 per maand) te voldoen.

De vrouw heeft ter afwering van het verzoek gesteld, dat de beëindiging van
de door de man betaalde bijdrage van zó ingrijpende aard is dat deze naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.
Voorts heeft de vrouw betwist dat sprake is van een zodanige wijziging in
omstandigheden dat een beëindiging of verlaging (op termijn) van de uitkering
om die reden zou zijn gerechtvaardigd.

3. De beoordeling

De WLA heeft tot uitgangspunt dat in beginsel een einde komt aan de duur van
een langlopende alimentatieverplichting. Dit beginsel lijdt uitzondering
indien de beëindiging zó ingrijpend is dat deze naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Bij de
beantwoording van de vraag of daarvan sprake is dienen onder meer de volgende
factoren in ogenschouw te worden genomen:
– de leeftijd van de vrouw;
– de omstandigheid dat er uit het huwelijk kinderen zijn geboren;
– de datum en duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de
verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;
– de eventuele aanspraken van de vrouw op een (deel van een)
ouderdomspensioen van de man;
– andere relevante omstandigheden die in het voorliggende geval van belang
zijn.

De rechtbank stelt allereerst vast, dat de man ten tijde van de indiening van
het onderhavige verzoek reeds 18,5 jaar alimentatie aan de vrouw betaalde,
zodat onmiskenbaar sprake is van een langlopende alimentatieverplichting.
Voorts is evident dat een beëindiging van de alimentatie-uitkering van de
vrouw (ten bedrage van ƒ 1.400 per maand) ingrijpend is nu dit bij haar een
forse terugval in besteedbaar inkomen zal veroorzaken.

De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of gezegd moet worden
dat de beëindiging van de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de
vrouw per 1 januari 1999 van zó ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven
van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

Op grond van de navolgende overwegingen is de rechtbank van oordeel dat deze
vraag ontkennend moet worden beantwoord.

De duur van het huwelijk van partijen, de traditionele rolverdeling tijdens
het huwelijk, de leeftijd van de vrouw ten tijde van de echtscheiding, en het
uit deze factoren voortvloeiende verlies aan verdiencapaciteit bij de vrouw,
alsmede het gemis voor haar van een aanspraak op een pensioenvoorziening
vormen in dit geval voldoende rechtvaardiging voor een langlopende, zij het
niet een in tijdsduur onbeperkte, alimentatieverplichting van de man.

Gezien haar inkomens- en vermogenspositie, moet de vrouw thans echter ook
zonder alimentatie-uitkering in staat geacht worden een redelijk bestaan te
voeren overeenkomstig haar huidige plaats en positie in de samenleving,
waarbij zonodig ter compensatie van de teruggang in inkomsten wegens het
wegvallen van de alimentatie nog enigermate op haar vermogen kan worden
ingeteerd en wel zodanig dat de betaling van de vaste lasten (onder andere
verband houdende met de eigen woning) ook op termijn niet in het gedrang
behoeft te komen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de
vrouw een AOW-uitkering ontvangt alsmede rente-inkomsten uit vermogen van
circa ƒ 6.000 per jaar, en dat zij daarnaast de beschikking heeft over een
liquide vermogen van ongeveer ƒ 120.000 en tevens een niet met hypotheek
belaste eigen woning bezit met een WOZ-waarde van ƒ 256.000 (waardepeildatum
1 januari 1995). Voorts heeft de vrouw blijkens het verhandelde ter zitting
in 1998 eenmalig een bedrag van ƒ 50.000 (naar haar stelling op morele
gronden en voor een goed doel) geschonken aan een instantie in India.

Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien,
gevoegd bij het gegeven dat de man gedurende ruim 18 jaar onafgebroken een
bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw heeft betaald en het feit dat
zijn inkomsten uit lidmaatschap van de gemeentelijke welstandscommissie
(laatstelijk ƒ 8.580 op jaarbasis) inmiddels sedert 1997 zijn weggevallen,
zodat hij voor verdere alimentatiebetalingen in niet onbelangrijke mate mede
zijn vermogen dient aan te spreken, vormen naar het oordeel van de rechtbank
voldoende grond om de bestaande alimentatieverplichting per de verzochte
datum te beëindigen. De omstandigheid dat de inkomens- en vermogenspositie
van de man – na het wegvallen van de alimentatieverplichting – rooskleuriger
is dan die van de vrouw, maakt dit niet anders nu aan dit aspect in het kader
van de beoordeling of een reeds meer dan 15 jaar durende
alimentatieverplichting dient te worden gecontinueerd slechts geringe
betekenis toekomt.

Gelet hierop zal worden beslist als in het dictum is aangegeven.

Aangezien de man vanaf 1 januari 1999 nog een maandelijkse bijdrage in het
levensonderhoud van de vrouw heeft voldaan en betaalde alimentatie als regel
direkt voor het levensonderhoud pleegt te worden aangewend, zal de rechtbank
tevens bepalen, dat deze bedragen door de vrouw niet aan de man behoeven te
worden gerestitueerd.

Het vorenstaande brengt met zich dat het subsidiair gedane verzoek van de man
verder buiten bespreking kan blijven.

Nu partijen gewezen echtelieden zijn zullen de proceskosten tussen hen worden
gecompenseerd.

4. De beslissing

De rechtbank,

beëindigt met ingang van 1 januari 1999 de verplichting van de man tot het
verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw;

bepaalt dat de vrouw niet restitutieplichtig is ten aanzien van de bedragen
die zij uit hoofde van alimentatie nog na 1 januari 1999 van de man heeft
ontvangen;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen
kosten draagt.

Rechters

Mr Roelofs