Instantie: Hof van Justitie EG, 3 juni 1999

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Vrouw en man – beiden met de Spaanse nationaliteit – wonen in Duitsland. De man werkt bij het Spaanse consulaat in Hannover. Op grond van het EG-recht heeft de man de keuze tussen verzekering voor de sociale-zekerheidswetgeving op grond van het Spaanse of Duitse recht. De man kiest voor het Spaanse recht. De Duitse autoriteiten stellen dat het Duitse recht vanaf dat keuzemoment niet meer op de vrouw van toepassing is. Men stopt betaling van kinderbijslag. Het hof stelt de vrouw in het gelijk. Uit het EG-recht volgt niet dat – als de werknemer van een consulaire post – kiest voor het recht van de ‘zendstaat’, de echtgenote van deze werknemer geen aanspraak meer zou kunnen maken op toepasselijkheid van dewetgeving van de lidstaat waar zij woont. De vrouw heeft eigen rechten op grond van het feit dat zij in Duitsland woont.

Volledige tekst

Prejudiciële zaak
‘Sociale zekerheid Å¡ Artikel 16, lid 2, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 1408/71 Å¡ Keuzerecht Å¡ Gevolgen’
(Vijfde kamer)

Bij beschikking van 22 mei 1997 heeft het Landessozialgericht Niedersachsen krachtens artikel 234 EG (ex artikel 177) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad.

Die vragen zijn gerezen in een geding tussen P. Gómez Rivero en de Bundesanstalt für Arbeit (hierna: ‘Bundesanstalt’) betreffende een beschikking waarbij haar recht op Kindergeld (kinderbijslag) voor haar twee kinderen ten laste met ingang van 1 februari 1995 is ingetrokken.

Mevrouw Gómez Rivero en haar echtgenoot zijn in Duitsland woonachtige Spaanse onderdanen. De heer Gómez Rivero is in dienst van het Spaanse consulaat-generaal in Hannover, terwijl mevrouw Gómez Rivero, afgezien van een niet aan de sociale zekerheid onderworpen geringe werkzaamheid als hulp in de huishouding, geen beroepswerkzaamheid uitoefent.

Nadat de heer Gómez Rivero voor de toepassing van de Spaanse socialezekerheidswetgeving had gekozen (hierna: ‘uitoefening van het keuzerecht’), stopte de Bundesanstalt met ingang van 1 februari 1995 met de uitbetaling aan mevrouw Gómez Rivero van het Kindergeld dat voordien voor haar twee kinderen werd toegekend.

Van oordeel dat de uitoefening van het keuzerecht door de heer Gómez Rivero ook rechtsgevolg heeft voor zijn echtgenote, stelt de Bundesanstalt dat de Duitse wetgeving vanaf de datum van uitoefening van dit recht niet meer op laatstgenoemde van toepassing is. Bijgevolg heeft zij niet langer recht op Kindergeld.

Volgens de Spaanse socialezekerheidsregeling ontvangt noch mevrouw Gómez Rivero, noch haar echtgenoot kinderbijslag, daar het gezinsinkomen hoger is dan de inkomensgrens waaronder kinderbijslag wordt uitbetaald.

Het Landessozialgericht Niedersachsen is van oordeel dat het voor haar kinderen ontvangen Kindergeld binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt en dat de beslissing van het hoofdgeding afhangt van de vraag of de Duitse wetgeving inzake kinderbijslag van toepassing is op mevrouw Gómez Rivero, wat weer afhangt van de vraag of de uitoefening van het keuzerecht door de heer Gómez Rivero jegens zijn echtgenote rechtsgevolg heeft, zelfs indien zij niet met de uitoefening van dit keuzerecht heeft ingestemd.

In het hoofdgeding gaat het om Kindergeld, dat wordt toegekend aan eenieder die een kind ten laste heeft en in Duitsland mag wonen, onafhankelijk of hij, zijn echtgenoot, of zijn ouders bij een stelsel van sociale zekerheid is of zijn aangesloten.

Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de keuze van een lid van het bedienende personeel van een consulaire post, overeenkomstig artikel 16, lid 2, eerste zin, van verordening nr. 1408/71, voor de toepassing van de sociale wetgeving van de lidstaat welke zendstaat is en waarvan hij onderdaan is, tot gevolg heeft dat zijn echtgenoot geen aanspraak meer kan maken op een sociaalzekerheidsvoordeel dat deze laatste, onafhankelijk van de sociale dekking van zijn echtgenoot, ontleent aan de wetgeving van de lidstaat waarin hij woont.

Opgemerkt zij dat het voorschrift van het keuzerecht een bijzondere regel is die afwijkt van de algemene regel. Volgens deze algemene regel is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont. Het keuzerecht kan daarentegen tot gevolg hebben, dat de socialezekerheidsregeling van een andere lidstaat van toepassing is dan de lidstaat waarin de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend.

Het keuzerecht is een recht waarover de leden van het bedienende personeel van diplomatieke zendingen of consulaire posten en de particuliere bedienden in dienst van ambtenaren van deze zendingen of posten beschikken. Hun gezinsleden worden in dit artikel niet genoemd.

Niettemin heeft het al dan niet uitoefenen van het recht om voor de toepassing van de wetgeving van de zendstaat te kiezen, door een dergelijke persoon rechtstreekse gevolgen voor de omvang van de rechten die zijn gezinsleden op grond van deze eigenschap aan de sociale dekking van de werknemer kunnen ontlenen, al naargelang voor hem de wetgeving van de zendstaat geldt, dan wel de wetgeving van de staat waarnaar hij is gezonden.
De uitoefening van het keuzerecht kan de gezinsleden van de werknemer evenwel niet de socialezekerheidsvoordelen ontnemen die zij onafhankelijk van de sociale verzekering van de werknemer zelf, ontlenen aan de wetgeving van de lidstaat waar zij wonen.
Uit verordening nr. 1408/71 blijkt namelijk, dat de gezinsleden van een werknemer die nooit beroeps- of andere werkzaamheden in loondienst hebben uitgeoefend of deze niet uitoefenen, de rechten dienen te hebben die
voortvloeien uit de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar zij wonen, en wel onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.

Op een gezinslid van een werknemer, dat zelf werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van een lidstaat uitoefent, is de wetgeving van die staat van toepassing.

Indien zowel de werknemer die zijn keuzerecht heeft uitgeoefend, als zijn echtgenoot tijdens een zelfde tijdvak en voor een zelfde gezinslid op dezelfde gezinsbijslagen aanspraak blijken te kunnen maken Å¡ de een in de lidstaat waarvan hij onderdaan is, de ander krachtens de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats Å¡ moeten de anticumulatiebepalingen worden
toegepast die voor een dergelijke situatie gelden.

Dienaangaande bepaalt verordening nr. 574/72 in het bijzonder, dat het recht op gezins- of kinderbijslag die is verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, waarin voor het verkrijgen van het recht op deze bijslag geen voorwaarden inzake verzekering, werkzaamheden in loondienst of werkzaamheden anders dan in loondienst worden gesteld, wanneer tijdens een zelfde tijdvak en voor een zelfde gezinslid bijslag verschuldigd is krachtens verordening nr. 1408/71, wordt geschorst ten belope van het bedrag van die bijslag.

Het Hof verklaart voor recht:

‘De keuze van een lid van het bedienende personeel van een consulaire post, overeenkomstig artikel 16, lid 2, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, voor de toepassing van de sociale wetgeving van de lidstaat welke zendstaat is en waarvan hij onderdaan is, heeft niet tot gevolg, dat
zijn echtgenoot geen aanspraak meer kan maken op een sociaalzekerheidsvoordeel dat deze laatste, onafhankelijk van de sociale verzekering van zijn echtgenoot, ontleent aan de wetgeving van de lidstaat waar hij woont.’

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 16 juli 1998 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

‘1) Artikel 16, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een lid van het bedienend personeel van een consulaire post overeenkomstig artikel 16, lid 2, eerste zin, van die verordening kiest voor de toepassing van de wetgeving van de zendstaat, waarvan hij onderdaan is, die keuze ook gevolgen heeft voor zijn – niet in consulaire dienst zijnde – echtgenoot, die eveneens onderdaan is van de zendstaat is.

2) Voor de geldigheid van deze keuze is niet de voorafgaande toestemming of een andere vorm van medewerking van die echtgenoot vereist.’

Rechters

Instantie: Rechtbank Haarlem, 27 mei 1999

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Eiseres is gevlucht uit Irak uit vrees voor bloedwraak van haar broers, die
meenden dat zij de familie te schande had gezet. De beschikking van de IND is
onvoldoende gemotiveerd omdat de IND in een ambtsbericht heeft erkend dat
vrouwen kunnen worden mishandeld wanneer de familie meent in hun eer te zijn
aangetast.

Volledige tekst

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Eiseres, geboren (…) heeft de Iraakse nationaliteit. Zij verblijft
sedert (…) in Nederland. Op (…) heeft zij aanvragen ingediend om
toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf
wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij beschikking van 28 april
1998, aan de gemachtigde van eiseres verzonden op gelijke datum, heeft
verweerder de desbetreffende aanvragen niet ingewilligd. De aanvraag om
toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens kennelijke
ongegrondheid. Bij deze beschikking is aan eiseres een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf verleend met ingang van (…) geldig tot (…).
Eiseres heeft op 22 mei 1998 tegen deze beschikking een bezwaarschrift
ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 18 september 1998 het
bezwaarschrift ongegrond verklaard.

1.2 Bij beroepschrift van 14 oktober 1998 heeft eiseres tegen deze laatste
beschikking beroep ingesteld bij deze rechtbank. Verweerder heeft de op de
zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift
geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op (…).
Ter zitting hebben eiseres en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun
standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van
het bezwaarschrift in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of
dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan
doorstaan.

Wettelijk kader

2.2 Eiseres legt aan de aanvragen en het onderhavige beroep ten grondslag dat
zij in aanmerking komt voor toelating in Nederland als vluchteling dan wel
wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

2.3 Ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw wordt een
aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de kennelijke
ongegrondheid ervan, onder meer indien zij is gegrond op omstandigheden ten
tijde van de bestreden beschikking die, hetzij op zichzelf of in verband met
andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat
rechtsgrond voor toelating kon bestaan.

2.4 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning
tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.

2.5 Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en
werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid
een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen – behoudens verplichtingen
voortvloeiende uit internationale overeenkomsten – slechts voor verlening van
een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun verblijf hier
te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is
van klemmende redenen van humanitaire aard.

De onderbouwing van de aanvragen

2.6 Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvragen en het onderhavige
beroep het volgende naar voren gebracht.
Eiseres behoort tot de bevolkingsgroep der (…) en haar familie waren
sympathisant van de (…). Zij hebben in verband daarmee diverse malen
problemen ondervonden van de zijde van de (…) doch dit vormt niet de
aanleiding voor de vlucht van eiseres uit haar land van herkomst. In (…)
heeft eiseres zelfs haar banden met de (…) verbroken, onder meer omdat de
(…) de familie van eiseres niet heeft gesteund.
Eiseres is uit Irak gevlucht uit vrees voor bloedwraak van haar broers. In
(…) is (…) (de huidige echtgenoot van eiseres), vanuit Nederland, waar
hij reeds een aantal jaren met zijn eerste echtgenote en kinderen verbleef,
naar Irak gereisd om met eiseres in het huwelijk te treden. Tijdens
conflicten in (…) tussen de (…) en het Iraakse leger enerzijds en de
(…) anderzijds, is (…) in (…) door de Iraakse autoriteiten gearresteerd
omdat hij geen Iraakse identiteitspapieren bij zich had. Op (…) is (…) in
vrijheid gesteld. Eiseres heeft zijn invrijheidstelling mede kunnen
bewerkstelligen door aan de autoriteiten een vervalste huwelijksakte over te
leggen, waaruit bleek dat zij reeds op (…) waren gehuwd. Op (…) is in
(…) het huwelijk tussen eiseres en (…) voltrokken. Eiseres en haar
echtgenoot hebben vervolgens afwisselend in (…) en (…) verbleven. Op
(…) heeft haar echtgenoot (…) verlaten en is naar Nederland, naar zijn
andere echtgenote, teruggekeerd. Eiseres is teruggekeerd naar haar ouderlijke
woning in (…). In (…) heeft eiseres bericht gekregen van haar echtgenoot
dat hij van eiseres wenste te scheiden, onder meer omdat hij in Nederland in
de problemen was gekomen omdat hij twee echtgenotes had. Eiseres is met haar
vader naar de rechtbank gegaan. Omdat eiseres zwanger was van haar
echtgenoot, was een scheiding volgens de islamitische wetgeving niet mogelijk
en heeft de rechtbank het echtscheidingsverzoek nietig verklaard. Uit angst
dat haar broers, die eiseres al hadden bedreigd, haar iets aan zouden doen
omdat zij zonder hun toestemming een vervalste huwelijksakte op had laten
maken en van haar echtgenoot moest scheiden, hetgeen voor de familie een
schande betekent, is eiseres in (…) naar haar zuster in (…) vertrokken.
Haar broers zijn nog twee of drie keer in (…) geweest, maar eiseres heeft
zich voor hen verstopt. Eind juni 1997 heeft eiseres haar land van herkomst
in het bezit van een vervalst paspoort verlaten.
Eiseres is hier te lande op (…) bevallen van een dochter genaamd (…) Haar
echtgenoot, die voornemens is van zijn eerste echtgenote te scheiden, woont
inmiddels weer bij eiseres.

De bestreden beschikking en de standpunten van partijen

2.7 Verweerder heeft zich in de bestreden beschikking – onder verwijzing naar
en inlassing van de overwegingen in de primaire beslissing en voor zover hier
van belang en samengevat – op het standpunt gesteld dat er geen enkel
vermoeden bestaat dat eiseres in haar land van herkomst, gegronde reden heeft
te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en artikel
15 Vw. De enkele omstandigheid dat eiseres vreest vanwege bloedwraak door
haar broers te worden gedood, leidt niet tot een andere conclusie, nu eiseres
op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de bloedwraak verband
heeft met één van de gronden zoals genoemd in het Verdrag. De omstandigheid
dat de familieleden van eiseres vanwege hun sympathieën voor de (…)
problemen hebben ondervonden van de zijde van de (…), kan evenmin tot
vluchtelingenschap leiden, nu niet is gebleken dat deze problemen het gevolg
waren van een direct op de persoon van eiseres gerichte aandacht. Hierbij is
in aanmerking genomen dat eiseres, die geen activiteiten voor de (…) heeft
verricht en heeft verklaard de banden met deze partij te hebben verbroken, in
verband hiermee nimmer persoonlijk problemen heeft ondervonden. Genoemde
problemen lijken veeleer een gevolg te zijn geweest van de algemene situatie
in Irak.
Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of gekomen op grond
waarvan eiseres om klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit zou
behoren te worden gesteld van een vergunning, tot verblijf.

2.8 Eiseres heeft hiertegen in het gemotiveerd beroepschrift aangevoerd dat
verweerder bij de beoordeling van het relaas van eiseres onvoldoende rekening
heeft gehouden met hetgeen bekend is over de algemene situatie in Irak. Uit
de motivering van de bestreden beschikking blijkt niet dat de feiten op de
juiste wijze zijn vastgesteld en evenmin of deze vaststelling dient te
leiden, althans mag leiden, tot de genomen beslissing. De bestreden
beslissing is derhalve in strijd met artikel 3:46 Awb genomen. Eiseres is ten
onrechte niet in de gelegenheid gesteld in een hoorzitting een toelichting op
haar bezwaarschrift te geven. Eiseres komt, gelet op haar verklaringen, in
ieder geval in aanmerking voor een vergunning tot verblijf op grond van
klemmende redenen van humanitaire aard.

2.9 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals weergegeven in het
zich bij de stukken bevindende verweerschrift en aan het standpunt zoals
verwoord onder sub 2.7. toegevoegd dat eiseres bij eventuele problemen van de
zijde van haar broers de bescherming van de autoriteiten kan inroepen. Aan
eventuele problemen van de zijde van de (…) kan eiseres zich onttrekken
door zich te vestigen in de door de (…) beheerste gebieden. Er zijn
onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat juist eiseres het reële
risico loopt bij terugkeer naar haar land van herkomst onderworpen te worden
aan een behandeling die wordt verboden door artikel 3 EVRM.

Beoordeling van het beroep

2.10 Het standpunt van verweerder komt er in de kern op neer dat de vrees
voor bloedwraak niet valt te herleiden tot één der gronden van het
Vluchtelingenverdrag. De gestelde problemen liggen immers in de privésfeer
van eiseres. Verweerder acht daarbij voorts van belang dat eiseres, bij
eventueel voorkomende problemen, de bescherming van de autoriteiten kan
inroepen.

2.11 De rechtbank kan het hiervoor weergegeven standpunt van verweerder niet
rijmen met hetgeen wordt gesteld in het algemeen ambtsbericht van de Minister
van Buitenlandse Zaken van 31 maart 1998 (met kenmerk: DPC/AM-568758) omtrent
de situatie in Noord-Irak, welk ambtsbericht op het moment van de bestreden
beschikking reeds was uitgebracht. Daarin leest de rechtbank dat “vooral
buiten de steden de (lees: gezins-)verhoudingen nog sterk door cultureIe en
sociale tradities bepaald zijn. Wanneer de familie meent dat haar eer is
aangetast, bijvoorbeeld in een overspelsituatie, kan het voorkomen dat de
vrouw fysiek wordt mishandeld. De positie die de betrokken man binnen zijn
clan bekleedt, bepaalt in belangrijke mate de bereidheid van de autoriteiten
tot optreden (vrees voor verlies van steun van de clan)”. In verband hiermee
wordt in het ambtsbericht geconcludeerd dat vrouwen die ten gevolge van een
conflict in de traditionele clansfeer geen afdoende bescherming van de
autoriteiten kunnen inroepen, in de gehele regio het risico lopen slachtoffer
te worden van mensenrechtenschendingen.
Voorts heeft verweerder in werkinstructie 148 (gedateerd op 17 september
1997) betreffende de positie van vrouwen in de asielprocedure benadrukt dat
het onderscheid tussen de privé en publieke sfeer niet altijd duidelijk te
trekken valt en dat in verband daarmee bijzondere aandacht moet worden
besteed aan de vraag of de betreffende vrouwelijke asielzoeker de
bescherming, van de autoriteiten kan inroepen alsmede aan de vraag of er een
binnenlands vestigingsalternatief bestaat.

2.12 Verweerder heeft er in de bestreden beschikking geen blijk van gegeven
vorenbedoelde bewoordingen uit het ambtsbericht voldoende te hebben onderkend
en de uitgangspunten uit genoemde werkinstructie voldoende in acht te hebben
genomen. Verweerder heeft het onder sub 2.10 verwoorde standpunt dan ook niet
zonder nader onderzoek en nadere motivering kunnen innemen.

2.13 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden
beslissing een zorgvuldige voorbereiding en een draagkrachtige motivering
ontbeert, zodat deze beschikking dient te worden vernietigd.

2.14 Het beroep is mitsdien gegrond. Verweerder zal een nieuwe beslissing
dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.15 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van
artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte
proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten
bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde
Besluit vastgesteld op ƒ 1.420 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor
het verschijnen ter zitting, wegingsfactor l).

2.16 De rechtbank zal tevens met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb
bepalen dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht ad ƒ 50 zal
vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van tien (bij inschakeling van de
ACV binnen veertien) weken opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van 22
mei 1998, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420 onder aanwijzing van
de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient
te vergoeden;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ 50.

Rechters

Instantie: Kantonrechter Wageningen, 26 mei 1999

Instantie

Kantonrechter Wageningen

Samenvatting


Eiseres werkt van 14 september 1979 tot 1 december 1992 in loondienst als
assistent archiefmedewerkster bij gedaagde. Zij bouwt geen pensioen op. De
pensioenregeling van werkgever bevat namelijk de regel dat minimaal 50 % van
de gebruikelijke werktijd per week moet zijn gewerkt om te kunnen deelnemen.
De vrouw stelt dat zij aan deze eis voldoet. Ook stelt zij dat er sprake is
van strijd met art. 119 EEG-verdrag en dat werkgever onrechtmatig handelt.
Werkgever beroept hij zich op verjaring. De kantonrechter oordeelt dat er een
verjaringstermijn van 5 jaar geldt (3:310 en 3:307 BW). De vrouw heeft de
verjaring pas op 11 mei 1995 gestuit, zodat de aanspraken voor 11 mei 1990
zijn verjaard. Verder bestaat pas vanaf 17 mei 1990 een beroep op opbouw van
pensioenaanspraken, indien er sprake zou zijn van ongelijke behandeling (Hof
van Justitie, NJ 1992, 436 (Barber-arrest) en NJ 1994, 71). De vrouw krijgt
de gelegenheid te bewijzen dat zij van 17 mei 1990 tot 1 december 1992
minstens 20 uur per week heeft gewerkt.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar wat daaromtrent
in het tussenvonnis van 10 juni 1998 is overwogen en beslist.

Beide partijen hebben aan het vonnis gehoor gegeven door het overleggen van
een akte.

De zaak is daarna wederom in staat van wijzen gekomen en de uitspraak daarvan
is bepaald op heden.

Het geschil en de verdere beoordeling daarvan:

1. Bij tussenvonnis van 10 februari 1999 werd partijen opgedragen om nog
enkele produkties over te leggen. In het geval van eiseres ging het om een
produktie die wel was vermeld in de conclusie van repliek, maar daarbij niet
werd aangetroffen.

2. Nadat partijen bij akte de verlangde stukken hadden overgelegd en opnieuw
vonnis was bepaald, constateerde de kantonrechter dat in het tussenvonnis het
grootste gedeelte van de overwegingen was weggevallen. Partijen hebben
niettemin de boodschap wel begrepen.

3.

4. Nu ook deze niet in het tussenvonnis zijn beland, zal de kantonrechter
allereerst de feiten en de standpunten van partijen nogmaals samenvatten.

3. De feiten zijn als volgt.

– Eiseres is van 14 september 1979 tot 1 december 1992 bij gedaagde in
loondienst geweest, laatstelijk in de functie van assistent
archiefmedewerkster.
– Aan de arbeidsovereenkomst van eiseres is een einde gekomen via een
“geregelde” ontbinding door de kantonrechter te Arnhem, met toekenning van
een vergoeding van ƒ 14.000 bruto aan eiseres.
– Eiseres heeft gedurende de looptijd van haar arbeidsovereenkomst geen
pensioenrechten opgebouwd.

4. Eiseres stelt vanaf het begin van het dienstverband te hebben voldaan aan
de voorwaarden voor deelneming in de pensioenregeling van gedaagde, zoals
vermeld in art. 2 van het pensioenreglement. Zij stelt gemiddeld minimaal 25
uur per week te hebben gewerkt. Volgens eiseres is zij ter zake van de opbouw
van pensioenrechten anders behandeld dan de overige werknemers van gedaagde
en is zulks in strijd met art. 119 van het EEG-verdrag.
Subsidiair voert eiseres aan dat gedaagde op grond van algemene normen die
gelden in het maatschappelijk verkeer is gehouden haar op gelijke wijze te
behandelen als de overige werknemers in dienst van gedaagde.
Eiseres schat het bedrag dat nodig is om haar pensioenrechten af te storten
op ƒ 40.000.
Primair vordert eiseres onder 1, hier kort samengevat, voor recht te
verklaren dat haar uitsluiting van het bedrijfspensioen strijdig was met art.
119 EEG, subsidiair dat gedaagde niet heeft gehandeld als een goed werkgever
betaamt en/of onrechtmatig heeft gehandeld door haar niet gelijk te
behandelden als de overige werknemers.
Daarnaast vordert eiseres onder 2, ook kort samengevat, primair om een
veroordeling van gedaagde tot betaling van ƒ 40.000 op een door eiseres aan
te geven wijze, subsidiair veroordeling van gedaagde tot storting van een
zodanig bedrag bij een levensverzekeringsmaatschappij dat zij in dezelfde
financiële positie wordt gebracht dan wanneer zij deelnemer in de
pensioenregeling van gedaagde was geweest, een en ander op straffe van een
dwangsom van ƒ 1.000 per dag en meer subsidiair veroordeling van gedaagde om
aan eiseres te voldoen een nader door eiseres op te geven bedrag om haar in
staat te stellen de verplichtingen van gedaagde ter zake van het
bedrijfspensioen na te komen.

4. Gedaagde betwist dat eiseres altijd meer heeft gewerkt dan 50% van de
gebruikelijke werktijd van 40 uur per week. Eiseres is niet anders behandeld
dan andere werknemers in dienst van gedaagde. Ook van indirecte discriminatie
is geen sprake. Het aantal mannelijke en vrouwelijke deeltijdwerkers bij
gedaagde lag in de periode dat eiseres bij haar werkte voortdurend ongeveer
gelijk. Subsidiair voert gedaagde aan dat op basis van jurisprudentie van het
Europese Hof ex art. 119 EEG pas gevorderd kan worden vanaf 17 mei 1990 en
wordt een beroep op verjaring gedaan. Gedaagde stelt zich op het standpunt
dat in dit geval een verjaringstermijn van vijf jaar geldt en dat de
verjaringstermijn is gestuit bij brief van eiseres d.d. 11 mei 1995.
Eiseres heeft bij het begin van haar dienstverband onder meer het
pensioenreglement uitgereikt gekregen (“het zwarte boek”) en is op de hoogte
gehouden van mutaties. Volgens gedaagde ontberen de vorderingen van eiseres
een juiste grondslag, c.q. onderbouwing, behalve de vordering om ten behoeve
van haar een bedrag af te storten bij een levensverzekeringsmaatschappij.

5. Ook na het bij akte overleggen van het pensioenreglement waarnaar in de
conclusie van repliek werd verwezen, is de kantonrechter nog niet duidelijk,
of de eis dat de werknemer minstens voor 50% in dienst van de werkgever moet
zijn om deelnemer te kunnen zijn in de pensioenregeling, in de hele periode
dat eiseres bij gedaagde werkzaam was, expliciet in het pensioenreglement
opgenomen is geweest. Vooralsnog is de kantonrechter geneigd om op basis van
het alsnog overgelegde reglement, waarvan de relevante bladzijde kennelijk
dateert van 6 januari 1986, deze vraag ontkennend te beantwoorden. Het bij
conclusie van dupliek door gedaagde overgelegde reglement is waarschijnlijk
niet van 1978, maar van 1987. Zie artikel 17, waarin is opgenomen dat het
reglement laatstelijk is gewijzigd per 1 januari 1986. Zie ook de bij
conclusie van eis, tevens akte houdende overlegging produkties, overgelegde
reglementen die inwerkingtreding per 1 januari 1988 vermelden (en dus niet
terugverwijzen naar 1978).

6. De kantonrechter leidt uit de stellingen van eiseres af dat zij erkent
vanaf 1988 te hebben kunnen weten van de 50% regel, naar aan te nemen valt,
via het zwarte boek. Ook als vanaf 1 januari 1998 de pensioenregeling afweek
van de regeling zoals die ten aanzien van haar voor die datum gold, bestaat
er voor gedaagde geen rechtsplicht om eiseres daaromtrent uitdrukkelijk,
behoudens door aanpassing van het zwarte boek, nog nader met nadruk,
bijvoorbeeld mondeling, te informeren. Dat betekent dat zowel haar primaire
vordering onder punt 2, strekkende tot betaling van een bedrag van ƒ 40.000
als de meer subsidiair gevorderde betaling van een ander door haar op te
geven bedrag, zijnde vorderingen tot vergoeding van schade, zijn verjaard
voor de datum van 11 mei 1990, daar eiseres pas op 11 mei 1995 een
stuitingshandeling heeft verricht Zie art. 3:3 10 BW. Ook haar subsidiaire
vordering onder punt 2 om gedaagde te veroordelen om ten behoeve van eiseres
een bedrag te storten bij een levensverzekeringsmaatschappij is als vordering
tot nakoming (art. 3:307 BW) tot 11 mei 1990 verjaard.

6. Voorts overweegt de kantonrechter dat het verweer van gedaagde doel treft,
inhoudende dat pas vanaf 17 mei 1990 recht op opbouw van pensioenaanspraken
bestaat voor na die datum vervulde tijdvakken van arbeid, indien art. 119 EEG
zou zijn geschonden. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
heeft beslist dat dit de uitleg is die aan het Barber-arrest (NJ 1992,436)
moet worden gegeven. Zie NJ 1994,71.

7. Het voorgaande heeft tot gevolg dat een bewijsopdracht aangaande het
aantal uren dat is gewerkt slechts zinvol is van 17 mei 1990 tot 1 december
1992. Naar het oordeel van de kantonrechter ligt het op de weg van eiseres om
te bewijzen dat, zoals door haar aangevoerd, in voornoemde periode door haar
minstens 20 uur per week werd gewerkt. Eiseres heeft zich in 1992 neergelegd
bij een ontbinding op basis van een werkweek van 19 uur en komt jaren na dato
met de stelling dat het toch anders was. In die situatie is het, mede in het
licht van de hoofdregel wie stelt moet bewijzen, niet redelijk de werkgever
met voornoemd bewijs te belasten.

8. Indien eiseres slaagt in evengenoemd bewijs heeft zij bij de onder 1
gevorderde verklaring voor recht geen belang meer. Indien zij niet slaagt in
het bewijs zal op dit aspect van de vordering nader worden ingegaan.
Tussentijds appèl tegen dit tussenvonnis zal worden uitgesloten.

Alle verdere beslissingen zullen worden aangehouden.

Rechtdoende:

Stelt eiseres in de gelegenheid en draagt haar voor zoveel nodig op om te
bewijzen dat zij in de periode van 17 mei 1990 tot 1 december 1992 minstens
20 uur per week heeft gewerkt.
Stelt eiseres in de gelegenheid opgave te doen bij schriftelijke akte ter
rolle van de eventueel te horen getuigen, waartoe de kantonrechter de zaak
zal verwijzen naar de openbare civiele terechtzitting van het kantongerecht
te Wageningen van woensdag 23 juni 1999 te 11.00 uur, waarna de kantonrechter
datum en uur zal bepalen van de eventueel te houden enquête.

Bepaalt dat van dit tussenvonnis niet dan tegelijk met het eindvonnis hoger
beroep kan worden in gesteld.

Houdt alle verdere beslissingen aan.

Rechters

gewezen door mr Vos en uitsproken door mr Vrijhoeven

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 mei 1999

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een homoseksuele onderwijzer is onterecht door een Christelijke school
afgewezen. Een school mag een sollicitant niet om het enkele feit dat hij als
homoseksueel ongehuwd met zijn partner samenwoont, weigeren. Een weigering op
deze grond is in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling. Dit oordeelt
de Commissie na een verzoek van een schoolbestuur dat wilde weten of haar
handelwijze in strijd was met de wet.

Volledige tekst

4.8. Uit de hierboven aangehaalde wetsgeschiedenis, blijkt dat de Commissie
een feitelijke beoordeling dient te geven ten aanzien van de vraag of door
verzoekers in strijd met het verbod op onderscheid op grond van het enkele
feit van homoseksuele gerichtheid hebben gehandeld. Daarbij kan de Commissie
niet anders dan tot haar uitgangspunt nemen dan dat het als homoseksueel
samenwonen met iemand van hetzelfde geslacht onder ‘het enkele feit van
homoseksuele gerichtheid’ moet worden begrepen. Uit de hiervoor aangehaalde
passages uit de parlementaire geschiedenis blijkt immers dat dit
uitgangspunt, ondanks alle debatten die daaraan tijdens de loop van de
behandeling van de AWGB zijn gewijd, niet is verlaten. Gedragingen die
voortvloeien uit het -behoudens bijkomende omstandigheden- uiting geven aan
een homoseksuele gerichtheid in een relatie met een persoon van gelijk
geslacht, zijn derhalve door middel van het enkele feit beschermd en mogen
geen grond voor onderscheid vormen. In het kader van de AWGB is derhalve het
in twijfel trekken van de geloofwaardigheid van de betreffende leerkracht
louter vanwege het enkele feit van zijn homoseksuele gerichtheid of vanwege
het feit van het samenwonen met iemand van hetzelfde geslacht, niet
toelaatbaar.

Het ligt in het kader van de interpretatie van de wetgeving derhalve niet
voor de hand om ervan uit te gaan dat voor bepaalde functies iedere
homoseksuele, al dan niet samenwonende leerkracht op voorhand kan worden
uitgesloten. Wel moet van te voren duidelijk zijn aan welke eisen
leerkrachten die solliciteren op een vacature moeten voldoen. Deze eisen
kunnen samenhangen met de wijze waarop de leerkracht zijn persoonlijk leven
vormgeeft, maar kunnen niet zover strekken dat op voorhand onder alle
omstandigheden het als homoseksueel samenwonen als grond voor afwijzing mag
fungeren.
Het wettelijk verbod op onderscheid op grond van ‘het enkele feit’ geldt voor
alle instellingen voor bijzonder onderwijs, dus ook voor die
onderwijsinstellingen waarbij uit de grondslag een afwijzing van homoseksuele
gerichtheid of van homoseksueel samenwonen voortvloeit. De AWGB bevat immers
geen nadere uitzondering ten aanzien van deze onderwijsinstellingen.
Hetzelfde geldt voor de functies waarbij – zoals in het onderhavige geval –
sprake is van de overdracht van normen en waarden in samenhang met de
grondslag. Ook ten aanzien van die functies is het verbod op onderscheid op
grond van het enkele feit van homoseksuele gerichtheid volledig van
toepassing.
De AWGB gaat derhalve uit van de veronderstelling dat het functioneren van
een homoseksuele leerkracht dan wel ongehuwd samenwonende leerkracht in een
instelling van bijzonder onderwijs in beginsel mogelijk moet worden geacht.
Wat dat betreft zou derhalve in casu sprake zijn van een verboden
onderscheid. Dat kan echter anders zijn ingeval sprake is van ‘bijkomende
omstandigheden’.

4.9. Ten aanzien hiervan overweegt de Commissie in het onderhavige geval als
volgt.

De enkele-feitconstructie bevat de mogelijkheid van een belangenafweging als
er sprake is van zogenaamde ‘bijkomende omstandigheden’. Door de wetgever is
erop vertrouwd dat deze belangenafweging in de praktijk tot een bevredigende
situatie zou kunnen leiden, voor wat betreft het voeren van een
personeelsbeleid dat leidt tot benoeming van personen die binnen de
instelling passen ÃNOOT 15#4#15Ž.
In het toetsingskader van de AWGB wordt derhalve van de onderwijsinstelling
een zorgvuldige opstelling ten aanzien van iedere homoseksuele of ongehuwd
samenwonende sollicitant verwacht.
Nu een beroep is gedaan op de enkele-feitconstructie, moet derhalve blijken
dat sprake is geweest van een belangenafweging waarbij de persoon van de
betrokken leerkracht en zijn gedragingen dan wel mogelijk opvattingen ten
opzichte van de grondslag van de instelling en de wijze waarop de functie
dient te worden vervuld, aanleiding hebben gegeven tot de conclusie dat
sprake is geweest van de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden die ertoe
leiden dat niet op grond van het enkele feit van homoseksuele gerichtheid
onderscheid is gemaakt. Daarbij ligt het in de rede dat verzoekers in ieder
geval aannemelijk moeten maken dat deze betrokken leerkracht wat dit betreft
niet bij de school paste, gelet op de uitgangspunten van de
onderwijsinstelling. Dit impliceert dat de betrokken leerkracht op zijn minst
de kans krijgt om naar voren te brengen hoe deze zijn of haar seksuele
gerichtheid of wijze van samenleven kan rijmen met de doelstellingen van de
onderwijsinstelling. De onderwijsinstelling kan vervolgens beoordelen of
mogelijk sprake is van omstandigheden die de persoon van de betrokken
leerkracht onverenigbaar maken met het functioneren binnen de instelling.

In casu is de betrokken leerkracht niet uitgenodigd voor een
sollicitatiegesprek. In een vroeg stadium is door verzoekers aangedrongen op
zijn terugtrekking uit de procedure.
Verzoekers hebben aannemelijk gemaakt dat hun handelwijze voor een groot deel
is ingegeven door hun perceptie van de ontstane situatie en de daaraan
voorafgaande gebeurtenissen, waarbij verzoekers zich in feite om de tuin
geleid hebben gevoeld door het bestuur van de vereniging, de handelwijze van
de toenmalige interim-directeur op de betreffende school en een aantal van de
leden van de toenmalige sollicitatiecommissie. Dit neemt evenwel niet weg dat
de Commissie moet constateren dat in casu van een toetsing van eventueel
aanwezige bijkomende gedragingen met betrekking tot de onderhavige
sollicitant geen sprake is geweest. Verzoekers zijn ervan uitgegaan dat de
grondslag van de school in samenhang met de wijze van functievervulling
zonder meer een beroep op de wettelijke uitzondering op het verbod op het
maken van onderscheid kan dragen.
De Commissie heeft vastgesteld dat er geen sollicitatiegesprek is gevoerd met
de betrokken sollicitant en dat zijn leefwijze in samenhang met zijn
functioneren op school derhalve niet aan de orde is geweest. Er is zodoende
in termen van de AWGB onvoldoende rekening mee gehouden dat onder het verbod
van onderscheid op grond van het enkele feit van homoseksuele gerichtheid het
als homoseksueel samenwonen beschermd is.
Het feit dat er geen concrete belangenafweging ten aanzien van de persoon van
deze leerkracht heeft plaatsgevonden, betekent naar het oordeel van de
Commissie dat geen recht is gedaan aan het afwegingskader dat met de
inwerkingtreding van de AWGB nu juist in het leven is geroepen ten behoeve
van het beschermen van beide belangen die in gevallen als het onderhavige in
het geding zijn.

Derhalve oordeelt de Commissie dat door verzoekers onderscheid is gemaakt op
grond van het enkele feit van homoseksuele gerichtheid.

4.10. Verzoekers hebben de Commissie tevens verzocht te beoordelen of in casu
onderscheid gemaakt is op grond van burgerlijke staat. De Commissie heeft
hiervoor vastgesteld dat het als homoseksueel samenwonen met iemand van
hetzelfde geslacht in het kader van de AWGB onder het enkele feit van
homoseksuele gerichtheid moet worden begrepen. Naar het oordeel van de
Commissie brengt dit met zich mee dat in casu een afzonderlijke beoordeling
van de vraag of sprake is van onderscheid op grond van burgerlijke staat
jegens de betrokken sollicitant niet meer aan de orde is.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de heer …. te Assendelft; de
heer …. te Westzaan; mevrouw …. te Assendelft; de heer …. te Westzaan
en de heer …. te Westzaan onderscheid hebben gemaakt op grond van het
enkele feit van homoseksuele gerichtheid bij de vervulling van een
openstaande betrekking als bedoeld in artikel 5 lid 2 sub c van de Algemene
wet gelijke behandeling en derhalve in strijd met de wet hebben gehandeld.

Aldus vastgesteld op 29 april 1999.

mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck mr. D. Jongsma
Kamervoorzitter secretaris Kamer
namens deze,
A.C. van Doornen

OORDEEL 99-38
@@TNT=
[NOOT_1]
Handelingen TK, p. 3515 en 3516.
[NOOT_2]
Handelingen EK, p. 1083.
[NOOT_3]
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014, nr. 3, pag. 14;
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014, nr. 5, pag. 21;
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014, nr. 7, pag. 12.
[NOOT_4]
Zie onder andere: Commissie gelijke behandeling, 17 oktober 1996, oordeel
96-85.
Commissie gelijke behandeling, 21 maart 1997, oordeel 97-23.
Commissie gelijke behandeling, 25 maart 1997, oordeel 97-24.
Commissie gelijke behandeling, 23 december 1997, oordeel 97-148.
Commissie gelijke behandeling, 24 december 1997, oordeel 97-149.
[NOOT_5]
Zie onder meer Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014, nr. 3, pagina
18.
[NOOT_6]
Zie onder meer Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22014, nr. 5, pagina
51.
[NOOT_7]
Zie onder meer Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1192, 22014, nr. 5, pagina
44.
[NOOT_8]
Zie onder meer Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22014, nr. 5, pagina
44 en 51.
[NOOT_9]
Zie onder meer Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22014, nr. 10, pagina
21.
[NOOT_10]
Zie onder meer Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22014, nr. 10, pagina
22.
[NOOT_11]
Zie TK 22014, nr. 3, p. 19. Zie ook Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991,
22014, nr. 3 p. 6; Tweede Kamer, 22014, nr.5, p.41; Tweede Kamer, 22014, nr.
10, p. 24; Tweede Kamer, 22014, nr. 5, p. 4a; Tweede Kamer, 22014, nr. 5, p.
50; Tweede Kamer, 22014, nr. 5, p. 82-83; Tweede Kamer, Handelingen 10
februari 1993,
47-3508, 47-3510; Tweede Kamer, Handelingen 10 februari 1993,
47-3514 t/m 47-3516; Tweede Kamer, Handelingen 11 februari 1993, 48-35901 t/m
48-3593; Tweede Kamer, Handelingen 11 februari 1993, 48-35901 t/m 48-3593;
Zie Eerste Kamer, 22014, nr. 212c, p. 10-11; Eerste Kamer, 22014, nr. 48a, p.
12.
[NOOT_12]
Tweede Kamer, Handelingen 10 februari 1993, 47-3508, 47-3510.
[NOOT_13]
Tweede Kamer, Handelingen 10 februari 1993, 47-3514 t/m 47-3516.
[NOOT_14]
Eerste Kamer, 22014, nr. 48a, p. 12.
[NOOT_15]
Zonder dat er een situatie ontstaat die ontaardt in ‘overtuigingsdwang’;
zie de formuleringen van de minister van Justitie, Tweede Kamer, Handelingen
10 februari 1993, 47-3508 t/m 47-3510.

Rechters

Mrs Timmerman-Buck, Dierx, Lagerwerf-Vergunst

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 mei 1999

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster werkt bij de vrijwillige brandweer. Ze stelt seksueel
geïntimideerd te zijn. De leidinggevende heeft daarop alle betrokkenen
gehoord en heeft toen geconcludeerd dat de klacht ongegrond was omdat er
sprake was van tegenstrijdige verhalen. Verzoekster is toen overgeplaatst en
heeft het werk hervat, echter zonder begeleiding. Na protesten van oude
collega’s is zij op non-actief gesteld en is haar gezegd dat ze een officiële
klacht moest indienen. Dit heeft zij gedaan, maar deze is afgewezen door de
klachtencommissie. De klachtencommissie bestond overigens uit
gemeenteraadsleden. Verzoekster is daarna ontslagen, welk ontslag is
vernietigd door de bestuursrechter.
De Cgb oordeelt dat de werkgever heeft blijk gegeven van een onvoldoende
actieve aanpak van seksuele intimidatie. Enkel een brochure uitreiken is
onvoldoende. Verzoekster is niet begeleid bij haar werkhervatting. Er was
geen sprake van een deskundige klachtencommissie en de procedurele regels
zijn onvoldoende bevonden door de Cgb. Verzoekster is bijvoorbeeld niet in de
gelegenheid gesteld te reageren op de verklaringen van haar collega’s.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 oktober 1998 verzocht mevrouw …. te Drachten (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel te geven over de vraag of door het College van Burgemeester en
Wethouders van de gemeente Smallingerland te Smallingerland (hierna: de
wederpartij) onderscheid naar geslacht is gemaakt als bedoeld in de wetgeving
gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is in dienst bij de wederpartij. Verzoekster stelt diverse
malen seksueel geïntimideerd te zijn. Verzoekster is op non-actief gesteld en
de wederpartij heeft haar ontslag aangezegd. Verzoekster stelt dat de
wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft
gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Partijen
zijn opgeroepen voor een zitting op
29 maart 1999.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster:
– mw. ….
– dhr. …. (toehoorder/echtgenoot van verzoekster)

van de kant van de wederpartij:
– mw. …. (hoofd Personeel en Organisatie)
– dhr. …. (Commandant Brandweer)

van de kant van de Commissie:
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is sinds 1 september 1997 in dienst bij de vrijwillige
brandweer van de wederpartij als aspirant-brandwacht. Na het volgen van de
benodigde opleiding is verzoekster sinds november 1997 werkzaam als
brandwacht.

Verzoekster stelt tijdens haar werkzaamheden door één van haar collega’s
seksueel geïntimideerd te zijn. Op 16 maart 1998 heeft verzoekster om hulp
gevraagd bij één van haar collega’s. Hierna kwam zij, na een gesprek met de
leiding, bij een vertrouwenspersoon van de wederpartij terecht. Op 31 maart
1998 vond een gesprek plaats tussen verzoekster, de vertrouwenspersoon en een
medewerker van personeelszaken over de wijze waarop de klacht van verzoekster
verder behandeld zou worden. Na dit gesprek besloot verzoekster dat zij geen
klacht zou indienen bij de Klachtencommissie Ongewenste Intimiteiten en ging
zij accoord met het houden van een intern onderzoek door de wederpartij.
Dit onderzoek werd uitgevoerd door de plaatsvervangend korpscommandant en een
medewerker van personeelszaken. Tijdens het onderzoek was verzoekster
vrijwillig non-actief. Op 7 en
8 april 1998 vonden gesprekken plaats tussen verzoekster en de wederpartij.
Hierna werd een gesprek gevoerd met de collega’s van verzoekster.

Op 14 april 1998 bezocht verzoekster een bedrijfsarts van de Arbodienst. Deze
arts deelde aan de wederpartij mee dat verzoekster arbeidsgeschikt en direct
inzetbaar was.
Hij adviseerde de wederpartij de voorlichting over seksuele intimidatie te
verbeteren door middel van het houden van een voorlichtingsavond, en tevens
een maatschappelijk werker een gesprek te laten houden met verzoekster en de
collega’s uit haar groep. Tijdens een daarop volgend gesprek tussen
verzoekster en wederpartij is verzoekster medegedeeld dat zij in een andere
groep (groep 2) geplaatst zou worden.

Op 22 april 1998 heeft verzoekster de collega’s uit haar oude groep (groep 5)
toegesproken. In haar verklaring lichtte verzoekster toe wat de intimidatie
bij haar teweeg heeft gebracht en gaf zij tevens aan dat niet iedereen er in
dezelfde mate aan heeft meegedaan.
Met ingang van 23 april 1998 is verzoekster overgeplaatst naar de andere
groep. Voorafgaand aan de overplaatsing heeft verzoekster de klacht over
seksuele intimidatie ingetrokken.

Bij brief van 6 mei 1998 aan de korpsleiding gaven de collega’s van
verzoekster een reactie op de klacht van verzoekster en tevens op de tekst
van de verklaring die verzoekster op
21 april 1998 heeft voorgedragen. In de brief van de collega’s wordt
geconcludeerd dat de klacht van verzoekster wordt gezien als een samenstelsel
van fictieve feiten, onjuiste citaten en uit het verband gerukte
verhoudingen. Ook vinden de collega’s het onaanvaardbaar als verzoekster
wordt overgeplaatst en derhalve in dienst blijft bij de wederpartij met het
risico dat zij toch weer met haar geconfronteerd zullen worden (bijvoorbeeld
bij vervangingen wegens vakanties).

Op 7 mei 1998 werd verzoekster opgeroepen voor een gesprek met de
wederpartij. In dit gesprek deelde de wederpartij aan verzoekster mee dat de
burgemeester een nieuw onderzoek wil houden en dat verzoekster op non-actief
gesteld zou worden. Verzoekster zou alsnog een klacht moeten indienen bij de
Klachtencommissie Ongewenste Intimiteiten. Op 11 en 12 mei 1998 vonden over
dit onderwerp wederom gesprekken plaats tussen verzoekster en de wederpartij.
In de periode van half mei tot half juni 1998 heeft een briefwisseling
plaatsgevonden tussen verzoekster en de wederpartij over het nadere onderzoek
en de non-actiefstelling van verzoekster. Van 9 juni tot 7 juli 1998 is
verzoekster op non-actief gesteld. Bij brief van 6 juli 1998 werd door de
wederpartij aan verzoekster meegedeeld dat zij van 7 juli tot
1 september 1998 werd geschorst.

Op 10 juni 1998 heeft verzoekster een klacht ingediend bij de
Klachtencommissie Ongewenste Intimiteiten. Deze Commissie is ingesteld bij
Besluit van Burgemeester en Wethouders van
29 maart 1995. In dit Besluit is in artikel 10.4 bepaald dat de Commissie
zorg draagt voor een voor beide partijen behoorlijke en zorgvuldige
behandelingsprocedure. Op 3 juli 1998 heeft een zitting van deze Commissie
plaatsgevonden, waarbij verzoekster is gehoord. Later zijn ook de collega’s
(buiten aanwezigheid van verzoekster) gehoord. Verzoekster kon niet instemmen
met het verslag van de hoorzitting van 3 juni 1998.
De Klachtencommissie heeft, bij brief van 10 juli 1998, een advies gegeven
inzake de door verzoekster ingediende klacht. De Klachtencommissie was van
mening dat de klacht van verzoekster ongegrond was. Ook gaf de
Klachtencommissie in haar advies aan dat zij gerede twijfels had bij het
realiteitsgehalte van de belevingswereld van verzoekster.

Bij brief van 14 juli 1998 werd verzoekster geïnformeerd over het voornemen
van de wederpartij om haar ontslag te verlenen, wegens ongeschiktheid tot het
verrichten van de werkzaamheden.
Verzoekster heeft tegen de besluiten (schorsing en voorgenomen ontslag) een
bezwaarschrift ingediend. Ook heeft verzoekster de rechtbank verzocht het
schorsings- en ontslagbesluit te schorsen. Op 13 augustus 1998 heeft hierover
een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank te Leeuwarden. Op 26 augustus
1998 besliste de rechtbank dat het ontslagbesluit tot twee weken na de
bekendmaking van de beslissing op bezwaar werd geschorst en wees de rechtbank
het verzoek om schorsing van het schorsingsbesluit af.

In september 1998 hebben collega’s uit de andere groepen, schriftelijk
verklaard dat men het ongewenst vond dat verzoekster bij de wederpartij zou
blijven werken.

De zitting in een tweede rechtszaak inzake de schorsing en het ontslagbesluit
heeft plaatsgevonden op 6 oktober 1998.
Op 22 december 1998 heeft de rechtbank uitspraak gedaan.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster tegen het
schorsingsbesluit ongegrond en vernietigde het ontslagbesluit van de
wederpartij. De rechtbank meent dat onvoldoende vast is komen te staan dat
verzoekster is behept met dusdanige karaktereigenschappen, dat zij niet
geschikt is om haar functie als aspirant brandwacht te vervullen, zoals
vereist is op grond van artikel 39 eerste lid sub g van de
Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
Smallingerland, waar het ontslag op was gebaseerd. De in de
rechtspositieregeling limitatief opgesomde gronden voor ongevraagd ontslag
bieden in het onderhavige geval geen aanknopingspunten voor andere, meer
toegespitste, ontslaggronden, zoals de verstoring van de verhoudingen tussen
verzoekster en het korps.

Op verzoek van verzoekster heeft de Arbeidsinspectie onderzocht of de
wederpartij voldoet aan de wettelijke voorschriften op het gebied van de
arbeidsomstandigheden. Bij brief van
2 november 1998 deelde de Arbeidsinspectie de resultaten van het onderzoek
aan de wederpartij mee. In de brief staat vermeld dat de wederpartij niet aan
de wettelijke voorschriften voldoet. Als één van de tekortkomingen die moeten
worden opgeheven staat vermeld, dat bij de beleidsuitwerking zoals bij onder
andere seksuele intimidatie niet specifiek rekening is gehouden met bepaalde
groepen zoals onder meer vrijwilligers bij de brandweer. In de bijlage bij de
bovengenoemde brief staat vermeld dat het beleid ten aanzien van seksuele
intimidatie onder meer moet resulteren in:
” – een zodanige bedrijfscultuur dat seksuele intimidatie niet tot de
geaccepteerde omgangsvormen behoort (o.a. door het geven van voorlichting, de
houding van het management, e.d.);
– repressieve maatregelen: sanctioneren van daders, beschikbaarheid van (een)
vertrouwenspers(o)on(en), adequate klachtenafhandeling en
hulpverleningsinformatie voor slachtoffers.”

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

Zij is, sinds zij in november 1997 haar werkzaamheden bij de wederpartij
daadwerkelijk uitoefent, tijdens het uitoefenen van haar werkzaamheden door
een collega, deels gesteund dan wel niet gecorrigeerd door andere collega’s,
stelselmatig seksueel geïntimideerd.

Er is geen sprake geweest van een zorgvuldige behandeling van haar klachten
bij het interne onderzoek dat is gedaan. Men wilde ook niet meewerken aan een
confrontatiegesprek, waardoor de situatie werd gecreëerd dat tegenover haar
woord dat van haar collega’s werd gezet.

Er is sprake van ongelijke behandeling bij haar eenzijdig afgedwongen
non-activiteit en bij de gedwongen schorsing. Er was sprake geweest van
gelijke behandeling als zowel verzoekster als haar aangeklaagde collega op
non-actief waren gesteld en geschorst of indien beiden gewoon aan het werk
hadden kunnen blijven.

Het feit dat de wederpartij geen maatregelen, waaronder het geven van
voorlichting, heeft genomen om seksuele intimidatie te voorkomen, betekent
dat er voor verzoekster geen veilige werkomgeving was gewaarborgd en zij
ongelijk behandeld is in vergelijking met mannelijke collega’s.

Doordat de wederpartij, in reactie op de brief van de mannelijke collega’s
uit groep 5, verzoekster heeft gedwongen mee te werken aan een nieuw
onderzoek met non-actiefstelling en schorsing, heeft de wederpartij
verzoekster als vrouw ongelijk behandeld ten opzichte van haar mannelijke
collega’s. In plaats daarvan had de wederpartij de collega’s van groep 5
kunnen dwingen mee te werken aan individuele gesprekken onder deskundige
leiding en als leiding een nader onderzoek kunnen houden. De handelswijze van
de wederpartij belemmerde een goed onderzoek naar verzoeksters klacht over
seksuele intimidatie, doordat degenen die tijdens het eerste onderzoek
ontkend hebben zich gesteund zagen in hun ontkenning.

Ook voelt verzoekster zich ongelijk behandeld doordat de wederpartij aan de
bevelvoerders van groep 5 en groep 2 meedeelde dat het beter zou zijn dat
verzoekster niet zou werken tijdens het onderzoek, terwijl verzoekster niet
in staat werd gesteld haar zienswijze naar voren te brengen.

Verzoekster voelt zich als klagende vrouw over seksuele intimidatie ongelijk
behandeld doordat de wederpartij haar realiteitsbeleving in twijfel heeft
getrokken. Volgens een brochure van het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en van het Ministerie van Justitie lopen met name vrouwen die
in een nieuwe baan in een typisch mannenberoep gaan werken, en een tijdelijke
baan hebben, het risico seksueel geïntimideerd te worden. Al deze typeringen
zijn op verzoekster van toepassing.

Het onmiddellijk aanzeggen van ontslag nadat de Klachtencommissie Ongewenste
Intimiteiten de klacht van verzoekster ongegrond had verklaard, zonder dat
gepoogd is de onderlinge verhoudingen te verbeteren, is in de ogen van
verzoekster ongelijke behandeling.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

Er werken nu vier vrouwen als brandwacht, waarvan een in 1989 in dienst is
gekomen, twee in 1991 en tenslotte verzoekster in 1997. Er heeft geen
specifieke voorbereiding plaatsgevonden om de leden van het korps voor te
bereiden op de komst van vrouwen. Alleen met verzoekster zijn tot dusverre
problemen.

Bij het behandelen van de klacht door de commandant werd deze geconfronteerd
met volstrekt tegenstrijdige verklaringen van verzoekster enerzijds en haar
collega’s anderzijds. De collega’s zijn los van elkaar gehoord en wisten niet
waar het gesprek over zou gaan. Dit was een dilemma: wie moest men geloven?
Het werd niet uitgesloten geacht dat de collega’s elkaar de hand boven het
hoofd hielden.

Verzoekster heeft een onjuiste weergave van de feiten gegeven omtrent de
verantwoordelijkheid van de wederpartij op het gebied van het voorkomen van
seksuele intimidatie. De wederpartij heeft een klachtenregeling en
vertrouwenspersonen. Door de vertrouwenspersonen is uitgebreid aandacht
besteed aan de regeling en het voorkomen van klachten op dit gebied. Dit
heeft geresulteerd in een heldere voorlichtingsbrochure voor (nieuwe)
medewerkers. Op het punt van de leden van de klachtencommissie moet de
brochure nog geactualiseerd worden. Zodra dat gebeurd is vindt wederom
integrale verspreiding plaats bij de medewerkers.
os van deze periodieke aandacht wordt ook op andere wijze aandacht besteed
aan ongewenste omgangsvormen, bijvoorbeeld in het Sociaal Jaarverslag, het
handboek personeel, het personeelsblad en het introductieprogramma voor
nieuwe medewerkers.

De behandeling van de klacht van verzoekster kan overigens gezien worden als
een bewijs van de serieuze wijze waarop door de wederpartij op klachten,
betreffende ongewenste omgangsvormen wordt gereageerd. Het feit dat de
Klachtencommissie Ongewenste Intimiteiten de klacht van verzoekster op alle
punten ongegrond heeft verklaard doet daaraan niet af.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In het geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid heeft gemaakt naar geslacht bij de arbeidsvoorwaarden en
voorgenomen beëindiging van de arbeidsverhouding als bedoeld in de wetgeving
gelijke behandeling.

4.2. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen van
belang.

Artikel 1a lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) bepaalt
dat in de openbare dienst het bevoegd gezag geen onderscheid mag maken tussen
mannen en vrouwen onder meer in de arbeidsvoorwaarden en bij de beëindiging
van het dienstverband.

Artikel 1 WGB bepaalt dat onder onderscheid wordt verstaan direct en indirect
onderscheid. Van direct onderscheid is sprake wanneer er rechtstreeks wordt
verwezen naar geslacht.

De Commissie hanteert een ruime opvatting van het begrip arbeidsvoorwaarden,
namelijk de mogelijkheid voor een persoon om zich binnen zijn/haar werk te
kunnen ontplooien en daar ervaring op te doen ÃNOOT 1#4#1Ž. Dit sluit aan bij het feit
dat het verbod om onderscheid te maken zich richt op alle aspecten van de
arbeidsverhouding, met inbegrip van de werksfeer, die mede bepalend is voor
de ontplooiing en het functioneren van personen ÃNOOT 2#4#2Ž. Een vrouwen intimiderende,
discriminerende werksfeer brengt met zich dat de gediscrimineerde
werkneemster niet in staat is op dezelfde wijze als collega’s haar werk te
verrichten hetgeen de arbeidsprestaties nadelig kan beïnvloeden ÃNOOT 3#4#3Ž.

4.3. Onder het verbod op onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden als genoemd in
artikel 1a lid 1 WGB worden mede begrepen omstandigheden als een
discriminerende bejegening op de werkvloer door de wederpartij. ÃNOOT 4#4#4Ž
De verplichting van de werkgever zich te onthouden van discriminatie op het
terrein van de arbeid brengt mee, dat de werkgever er op moet toezien dat ook
degenen waarover hij het gezag uitoefent zich van discriminatie onthouden ÃNOOT 5#4#5Ž.
Deze verplichting is ook vervat in artikel 4 lid 2 van de
Arbeidsomstandighedenwet 1998, waarin de zorgverplichting van de werkgever is
opgenomen om werknemers te beschermen tegen seksuele intimidatie. Deze
verplichting omvat mede een zorgvuldige klachtenbehandeling. ÃNOOT 6#4#6Ž

De vraag die onder meer gesteld moet worden is derhalve, of de wederpartij
zich voldoende gekweten heeft van deze zorgverplichting, waaronder mede valt
de vraag of zij adequaat heeft gereageerd op de klachten van verzoekster en
deze klachten met voldoende zorgvuldigheid heeft behandeld.

4.4. Eerst zal worden ingegaan op de vraag of de wederpartij zich voldoende
heeft ingespannen om een niet-seksistische werkomgeving te waarborgen.
Hierbij wijst de Commissie erop, dat er slechts enkele vrouwen werkzaam zijn
bij de brandweer en er sprake is van een onderdeel dat doorgaans wordt gezien
als een typische mannenwereld. Partijen hebben ook bevestigd dat er een
zekere ‘machosfeer’ heerst. Het is algemeen bekend dat seksuele intimidatie
zich met name voordoet in situaties waarin vrouwen nog niet zo lang werkzaam
zijn in een voorheen door mannen gedomineerde werkomgeving. In dit soort
situaties is een cultuurverandering noodzakelijk, waarbij van de
leidinggevenden een actieve rol wordt verwacht. Zij dienen afstand te nemen
van intimiderende omgangsvormen en daartegen op te treden. Daarbij wordt
tevens aangenomen dat een werkgever bij het nemen van maatregelen, in eerste
instantie af mag gaan op de lezing van het slachtoffer. ÃNOOT 7#4#7Ž In het onderhavige
geval is niet gebleken van een dergelijke actieve aanpak. Men heeft volstaan
met een algemene brochure die aan (nieuwe) medewerkers wordt uitgereikt.
Hiervan kan niet gezegd worden dat zulks voldoende is om de noodzakelijke
cultuurverandering te bevorderen.

Na kennisneming van de klacht van verzoekster heeft voorts de leidinggevende
in eerste instantie volstaan met het houden van een intern onderzoek
bestaande uit het horen van alle betrokkenen, samen met een medewerker van
personeelszaken. Deze leidinggevende beschikte noch in eigen persoon, noch
middels bijstand van anderen over specifieke expertise in het voeren van dit
soort gesprekken. Uit het feit dat er geen eensluidende weergave van het
gebeurde naar voren kwam is tenslotte geconcludeerd, dat de klacht niet
gegrond was.

Intussen is van verzoekster verwacht dat zij bij terugkeer, na een periode
waarin zij vrijwillig non-actief was geweest rekening, zou houden met de op
de werkvloer ontstane onrust, zonder dat evenwel maatregelen genomen zijn om
de bescherming van het slachtoffer, die uit oogpunt van goed werkgeverschap
geboden is, te waarborgen. Van de wederpartij kon immers verwacht worden dat
hij zich actief zou inspannen om te zorgen dat verzoekster al dan niet op een
andere plek in de organisatie haar werkzaamheden kon hervatten. ÃNOOT 8#4#8Ž Onder de
gegeven omstandigheden kan het zonder nadere begeleiding overplaatsen van
verzoekster naar een andere groep, en vervolgens na protesten van de kant van
de leden van die groep, op non-actief stellen, niet als voldoende inspanning
worden aangemerkt om een niet-seksistische omgeving te waarborgen.

4.5. Ter beantwoording van de vraag of er sprake is van een adequate reactie
van de wederpartij op de klachten van verzoekster, is in de eerste plaats van
belang of deze met de instelling van de klachtenregeling en -commissie
voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden. De werkgever is immers
verantwoordelijk voor een deskundige en zorgvuldige klachtenbehandeling. ÃNOOT 9#4#9Ž Bij
de wederpartij geldt de Klachtenregeling ongewenste intimiteiten, waarin een
vertrouwenspersoon en een klachtencommissie worden ingesteld alsmede een
klachtenregeling is vastgesteld. Aan dergelijke regelingen worden eisen
gesteld betreffende de ontvankelijkheid van klachten, de positie van de
klachtenbehandelaar en de te volgen procedure. ÃNOOT 10#4#10Ž
Wat de ontvankelijkheid betreft, merkt de Commissie op dat de in artikel 9.5
van de klachtenregeling vervatte termijn van een jaar waarbinnen beroep moet
worden ingesteld vermoedelijk in strijd is met de algemene wettelijke
verjaringstermijn. ÃNOOT 11#4#11Ž
Wat betreft de samenstelling van de klachtencommissie is gekozen voor een
commissie die bestaat uit leden van de gemeenteraad, benoemd door
burgemeester en wethouders op voordracht van de raad. Er worden geen
specifieke eisen gesteld met betrekking tot de deskundigheid op het terrein
van seksuele intimidatie, noch aan de bewaking van de kwaliteit. Daarmee
bestaat het risico dat de vereiste deskundigheid niet voldoende is
gegarandeerd.
De klachtenprocedure, tenslotte, is uiterst summier geregeld en voldoet
daarmee evenmin aan de eisen die aan een dergelijke regeling gesteld worden.
Hoewel de klachtenregeling een behoorlijke en zorgvuldige procedure gebiedt,
ontbreken regels omtrent de termijnen voor verweer, dupliek enzovoort,
informatierechten van aangeklaagde en klager. De regeling betreffende de
procedure bevat slechts een algemene bepaling in artikel 10.4 dat de
commissie zorg draagt voor een voor beide partijen behoorlijke en zorgvuldige
behandelingsprocedure. Deze algemene bepaling kan naar het oordeel van de
Commissie niet gezien worden als voldoende duidelijke waarborg voor een
zorgvuldige procedure.
Ook bij de feitelijke behandeling van de klacht is niet aan deze eisen
voldaan: zo is verzoekster niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op
de verklaringen van haar collega’s, hetgeen in strijd is met het beginsel van
hoor en wederhoor. Het verslag van de hoorzitting waarbij zij is gehoord is
niet door haar akkoord bevonden, zonder verdere gevolgen voor de procedure.
Evenmin heeft de Klachtencommissie door verzoekster genoemde deskundigen
gehoord, dan wel gemotiveerd waarom zulks achterwege is gebleven.

4.6. Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de
wederpartij niet heeft voldaan aan de verplichting een discriminatie-vrije
werkomgeving te waarborgen. Daarmee is onderscheid op grond van geslacht
gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden en hieruit voortvloeiend ook bij de
schorsing en het ontslag van verzoekster.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat het College
van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Smallingerland te Drachten
jegens mevrouw …. onderscheid heeft gemaakt naar geslacht bij de
arbeidsvoorwaarden en bij de beëindiging van de arbeidsverhouding, zoals
bedoeld in artikel 1a lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Aldus vastgesteld op 25 mei 1999.

prof. mr. J.E Goldschmidt A.C. van Doornen
Kamervoorzitter secretaris Kamer

Oordeel 99-48
@@TNT=
[NOOT_1]
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 30
september 1993, oordeel 466-93-34;
Commissie gelijke behandeling, 21 januari 1997, oordeel 97-07.
[NOOT_2]
Tweede Kamer, 1991-1992, 22 014, nr. 5, p. 79.
[NOOT_3]
Commissie gelijke behandeling, 11 april 1996, oordeel 96-23.
[NOOT_4]
Commissie gelijke behandeling, 9 juli 1996, oordeel 96-62;
20 februari 1997, oordeel 97-18 en 17 juni 1997, oordeel 97-82.
[NOOT_5]
Commissie gelijk behandeling, 1 december 1997,
oordeel 97-122.
[NOOT_6]
Zie: R. Holtmaat, Seksuele intimidatie op de werkplek.
Een juridische gids, Ars Aequi, Nijmegen 1999 p. 30 e.v..
[NOOT_7]
Rechtbank Amsterdam, 6 februari 1997, Rechtspraak Nemesis 1997, 708 en
Kantonrechter Middelburg, 24 februari 1997, JAR 1997, 93.
[NOOT_8]
Kantonrechter Amsterdam, 22 december 1993, KG 1994, 138,
[NOOT_9]
Zie ook: Kantonrechter Alkmaar 19 augustus 1998, JAR, 1998, 191.
[NOOT_10]
Deze eisen zijn te vinden in het in noot 6 genoemde overzicht van R.
Holtmaat.
[NOOT_11]
President rechtbank Den Haag, 27 oktober 1995, Rechtspraak Nemesis 1996,
546.

Rechters

Mrs Goldschmidt, Nicolai, Van der Sluis

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 25 mei 1999

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Ontucht gepleegd door vier mannen, waaronder de oom en opa van appellante.
Opa, geïntimeerde, is strafrechtelijk veroordeeld, tegen welk vonnis cassatie
is ingesteld. Appellante vordert van geïntimeerde ƒ 30.000 als voorschot op
materiële en immateriële schadevergoeding. De president van de rechtbank
wijst de vordering af en verwijst appellante naar de bodemprocedure omdat
onvoldoende duidelijk is of geïntimeerde debet is geweest aan de psychische
schade van eiseres. Het hof daarentegen oordeelt dat, hoewel het
cassatieberoep tegen het strafvonnis loopt, kan worden uitgegaan van de tot
op dat moment bewezen geachte feiten. Evenmin is relevant of de handelingen
van de oom ernstiger zijn geweest dan de handelingen van geïntimeerde. Er is
sprake van causaal verband tussen ontucht en schade omdat algemeen bekend is
dat bij ontucht het risico van schade ontstaat. Het hof wijst ƒ 7500 toe als
voorschot voor immateriële schade en ƒ 4000 als vergoeding voor
buitengerechtelijke kosten.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg wordt verwezen naar de
inhoud van het tussen appellante (hierna te noemen: N. als eiseres en
geïntimeerde (hierna te noemen: S.) als gedaagde door de president van de
rechtbank te Arnhem in kort geding gewezen vonnis van 24 juni 1998, waarvan
een fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 7 juli 1998 heeft N. aan S. hoger beroep aangezegd van
voormeld vonnis, met gelijktijdige dagvaarding van S. voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft N. tegen dat vonnis drie grieven
aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof bij arrest,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormeld vonnis zal vernietigen
en, opnieuw rechtdoende, A) S. zal veroordelen tot betaling aan haar van een
bedrag van ƒ 20.999, =, of althans een zodanig bedrag als het hof redelijk en
billijk acht, verhoogd met de wettelijke rente vanaf 1 5-11 1996; B) S. zal
veroordelen tot het betalen van buitengerechtelijke kosten ten bedrage van ƒ
4.000, = (inclusief BTW, kosten medische informatie), of althans een zodanig
bedrag als het hof redelijk en billijk acht; C) S. zal veroordelen in de
proceskosten (in twee instanties).

2.3 Bij memorie van antwoord heeft S. verweer gevoerd en geconcludeerd dat
het hof de grieven van N. zal verwerpen en de vordering in appèl zal
afwijzen, met veroordeling van N. in de proceskosten van beide instanties.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het
wijzen van arrest.

3 De grieven

Grief 1
Ten onrechte overweegt de president dat het arrest van 22 januari 1998 in
deze procedure geen dwingend bewijs oplevert.

Grief 2
Ten onrechte overweegt de president dat het seksueel misbruik door “oom Henk”
ernstiger van aard was dan dat door de grootvader en dat onvoldoende
vaststaat dat de schade veroorzaakt is door de ontuchtige handelingen van de
grootvader.

Grief 3
Ten onrechte overweegt de president dat in het bijzonder de vraag of S. debet
is aan de huidige psychische gesteldheid van N. onvoldoende positief kan
worden beantwoord en dus onvoldoende vaststaat en ten onrechte wordt
vervolgens de eis afgewezen.

4 De vaststaande feiten

Nu deze in hoger beroep niet zijn bestreden gaat ook het hof uit van de
feiten, die de president in het bestreden vonnis als zodanig onder 1 tot en
met 6 heeft vermeld.

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 N. heeft het geschil in volle omvang aan het hof ter beoordeling
voorgelegd. Het hof zal derhalve de grieven als één geheel behandelen.

5.2 In de toelichting op haar eerste grief stelt N. dat door het door dit hof
op 22 januari 1998 gewezen arrest in de strafzaak tegen S., waarbij onder
meer bewezen is verklaard dat S. in de periode van juni 1991 tot augustus
1991 meermalen ontucht heeft gepleegd met – de toen aan zijn zorg en
waakzaamheid toevertrouwde minderjarige – N. ook in dit geding voldoende
aannemelijk is geworden dat S. die feiten jegens N. heeft gepleegd. Gelijk
ook N. in de toelichting op deze grief heeft geconcludeerd, levert het
vorenbedoelde arrest, nu S. daartegen beroep in cassatie heeft ingesteld,
geen dwingend bewijs op.

5.3 S. heeft gesteld dat voormeld arrest iedere bewijskracht mist, omdat hij
daartegen cassatieberoep heeft ingesteld. Blijkens de door hem overgelegde
pleitnota heeft hij in dit geding in eerste aanleg aangevoerd dat het beroep
in cassatie daarop is gegrond dat “hij onder druk tot een verklaring is
gebracht” en dat derhalve in dit geding “niet kan worden vastgesteld of er
een onrechtmatige daad is gepleegd.” In hoger beroep heeft hij daaraan
toegevoegd dat de pagina’s van het proces-verbaal in de strafzaak, waarnaar
de president in het vonnis, waarvan beroep, verwijst en waarop N. ook in
appel een beroep doet, niet tot enig bewijs kunnen dienen, omdat zij “nog
door de Hoge Raad getoetst zullen worden”.

5.4 Het hof heeft in het voormelde arrest in de strafzaak het verweer van S.
inhoudende dat tijdens “het tiende verhoor” door de verbalisanten op hem
onrechtmatige pressie zou zijn uitgeoefend en dat die verklaring derhalve op
onrechtmatige wijze is verkregen, verworpen, “aangezien het gegrond is op een
bewering die niet nader is onderbouwd en waarvan de feitelijke inhoud, mede
gelet op de inhoud van de eerdere verklaringen van verdachte, niet
aannemelijk is geworden.”. Dat S. in die strafzaak bij wijze van verweer zou
hebben aangevoerd dat hij tegenover de verbalisanten ook andere verklaringen
dan de “tiende” onder druk zou hebben afgelegd, heeft hij in dit geding niet
gesteld, terwijl dat evenmin volgt uit het door N. (in verkorte vorm)
overgelegde arrest in de strafzaak.

5.5 Met betrekking tot de vraag of in dit geding voorshands kan worden
aangenomen of S. de feiten, die in voormeld arrest bewezen zijn verklaard,
heeft gepleegd, overweegt het hof als volgt. N. heeft (ook) tegenover de
verbalisanten verklaringen afgelegd, die inhouden dat S. tegenover haar de
feiten heeft gepleegd, die door dit hof in de strafzaak bewezen zijn
verklaard. S. heeft in dit geding noch in eerste aanleg, noch ook in hoger
beroep ontkend dat hij de door het hof bewezen verklaarde feiten heeft
gepleegd. S. heeft voorts (ook) in dit geding zijn stelling dat op de
verklaringen, die hij tegenover de verbalisanten heeft afgelegd, niet mag
worden afgegaan, niet deugdelijk onderbouwd. De enkele stelling dat “hij
onder druk tot een verklaring is gebracht” acht het hof in dit verband niet
voldoende. S. heeft niet aangegeven welke verklaring(en) hij onder druk zou
hebben afgelegd en evenmin op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat
sprake is geweest van onrechtmatige druk. Behalve in de hiervoor onder 5.4
bedoelde “tiende” verklaring heeft S. ook in zijn “zesde” en “zevende”
verklaring tegenover de verbalisanten erkend dat hij tegenover N. “misschien”
wat te ver is gegaan.

5.6 Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat voorshands
voldoende aannemelijk is geworden dat S. in ieder geval de door de
strafrechter bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd. Daarbij overweegt het
hof dat, zelfs al zou de Hoge Raad in de strafzaak oordelen dat sprake is van
onrechtmatig verkregen bewijs, zulks niet tevens behoeft te impliceren dat S.
de betreffende feiten niet zou hebben gepleegd. S. moet derhalve voorshands
geacht worden door het plegen van de door dit hof in de strafzaak bewezen
verklaarde handelingen jegens N. een onrechtmatige daad te hebben gepleegd.

5.7 N. heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij immateriële schade,
zoals in de inleidende dagvaarding onder 3 omschreven, heeft geleden, reeds
in eerste aanleg een aantal brieven van hulpverlenende instanties overgelegd,
waaronder een brief van mevrouw G. Hustedt, vrijwillige hulpverlener bij het
Bureau Slachtofferhulp Nijmegen, van 28 mei 1998, waarin deze verklaart dat
zij in het kader van slachtofferhulp vanaf 28 december 1995 – enkele dagen
nadat N. bij de politie aangifte had gedaan van het plegen van incest – tot 8
januari 1997, in het eerste driekwart jaar gedurende één uur per week en
vervolgens gedurende één uur per veertien dagen, met N. gesprekken heeft
gevoerd. Hoewel zij in die brief niet expliciet aangeeft welke precies de
klachten van N. zijn en daarin wat dat betreft volstaat met verwijzing naar
het FIOM, leidt het hof voorshands uit die brief af dat volgens deze
instantie van immateriële schade sprake is. Reeds de duur van de behandeling
– ruim een jaar – vormt daarvoor een aanwijzing. Volgens de brief van de
Stichting Ambulante Fiom van 2 juni 1998 zouden die klachten bestaan in
hoofdpijn, buikpijn, ongecontroleerde emotionele uitbarstingen in de vorm van
huilen en kwaad worden, terwijl N. bovendien veel last zou hebben van
concentratieverlies en van het gevoel “overspannen” te worden.

5.8 Naar het hof uit het vonnis, waarvan beroep, en met name uit hetgeen
daarin onder 6 is overwogen, opmaakt heeft naar het voorlopig oordeel van de
president N. op zich wel immateriële schade geleden, doch zou onvoldoende
aannemelijk zijn geworden dat die schade het gevolg is van ontuchtige
handelingen van S.

5.9 S. heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat N. immateriële schade, als
hiervoor bedoeld, zou hebben geleden. Slechts in eerste aanleg is hij op
enkele van de stellingen van N. ter zake ingegaan. Zo heeft hij betwist dat
N. relationele problemen zou hebben, hetgeen volgens hem zou blijken uit het
feit dat zij sinds drie jaar samenwoont met een vriend. Opmerking verdient in
dit verband dat N. in de memorie van grieven heeft aangevoerd dat zij “sinds
enige maanden” samenwoont met haar partner. S. heeft voorts betwist dat N.
moeizaam zou studeren. Ter onderbouwing daarvan heeft hij aangevoerd dat N.
de MAVO en een toeristenopleiding heeft voltooid. Dat N. die opleidingen met
succes heeft afgerond behoeft echter op zich niet te betekenen dat niet juist
is de stelling dat N. als gevolg van het handelen van S. moeite zou hebben
gekregen met leren en studeren. In hoger beroep heeft S. in dit verband nog
slechts gesteld dat hij niet aansprakelijk is voor de “beweerdelijk geleden”
schade.

5.10 Op grond van al het bovenstaande komt het hof voorshands tot het oordeel
dat, hoewel, naar ook N. in hoger beroep heeft gesteld, de aard en de omvang
van het letsel nog niet exact kunnen worden vastgesteld, in ieder geval
immateriële schade heeft geleden.

5.11 Naar aanleiding van de vraag of deze schade voorshands geacht kan worden
het gevolg te zijn van de ontuchtige handelingen van S., overweegt het hof
als volgt. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het plegen van
ontuchtige handelingen het risico in het leven wordt geroepen dat het
slachtoffer van die handelingen immateriële en andere schade lijdt. Nu dus S.
door zijn onrechtmatig handelen een dergelijk risico in het leven heeft
geroepen, en dit risico zich heeft verwezenlijkt, moet die schade in beginsel
aan S. als gevolg van dat handelen worden toegerekend.

5.12 Dit laatste wordt niet anders indien, gelijk N. heeft gesteld, ook
anderen dan S. ontuchtige handelingen met haar zouden hebben gepleegd en dus
niet vaststaat door wiens handelingen de schade is ontstaan. Zowel naar
huidig recht ingevolge het bepaalde in art. 6:99 BW, als ook onder het – ten
deze toepasselijke – recht van vóór 1992 geldt dat ieder van de potentiële
veroorzakers van de schade daarvoor aansprakelijk is, tenzij hij bewijst dat
deze niet door zijn daad is veroorzaakt. S. heeft geen feiten of
omstandigheden gesteld, waaruit – indien zij zouden zijn bewezen – zou volgen
dat de door N. geleden schade niet door zijn handelingen is ontstaan. Het
enkele feit dat, naar de president heeft overwogen, het seksueel misbruik,
gepleegd door “oom Henk” ernstiger van aard zou zijn geweest dan het door S.
gepleegde, acht het hof in dit verband onvoldoende om aan te nemen dat de
schade niet door het handelen van S. zijn ontstaan.

5.13 S. heeft blijkens de door hem overgelegde pleitnota tijdens de
behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg een aantal andere feiten en
omstandigheden aangevoerd, die zich in het leven van N. hebben voorgedaan en
die volgens hem een rol kunnen hebben gespeeld “bij het ontstaan van haar
huidige toestand”: in het gezin van N. zou vroeger vaak sprake zijn geweest
van partnerruil; N. zou verscheidene keren zijn verhuisd; N. zou “een
scheiding” hebben meegemaakt en ze zou afwisselend bij haar vader en in het
nieuwe gezin van haar moeder hebben gewoond.

5.14 Dat mogelijk ook andere factoren, zoals de door S. bedoelde, een rol
hebben gespeeld bij het ontstaan van de schade van N. is met betrekking tot
de vraag of S. aansprakelijk is voor de door N. geleden schade eveneens
irrelevant. Doorslaggevend is dat, gelijk hierboven is overwogen, het
handelen van S. op zich als (voldoende) oorzaak van de door N. geleden schade
kan worden aangemerkt.

5.16 Nu (ook overigens) geen specifieke feiten of omstandigheden zijn gesteld
of aannemelijk geworden, waaruit het tegendeel zou volgen, moet dus op grond
van al het voorgaande voorshands worden aangenomen dat voor de door N.
geleden schade aansprakelijk is.

5.1 7 Het hof acht het redelijk dat S. aan N. bij wijze van voorschot op de
door hem te betalen schadevergoeding ter zake van door haar geleden
immateriële schade een bedrag van ƒ 7.500, = voldoet. Nu S. niet heeft
betwist dat N. buitengerechtelijke kosten ten bedrage van ƒ 4.000, = heeft
gemaakt, en ook overigens haar vordering ter zake van die kosten niet,
althans onvoldoende gemotiveerd, heeft bestreden, zal de vordering van N. op
dit punt volledig worden toegewezen. Naar het voorlopig oordeel van het hof
laten deze bedragen voldoende ruimte om – indien en voor zover nodig – in een
eventuele bodemprocedure bij de definitieve vaststelling van de te betalen
schadevergoeding rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het
geval, zoals bij voorbeeld met factoren, die betrekking hebben op de persoon
van N. en/of op de persoon en de financiële omstandigheden van S. die volgens
S. aanleiding zouden geven tot matiging van de te betalen schadevergoeding.

6 De slotsom

6.1 Nu, naar uit het voorgaande volgt, het hoger beroep gegrond is, dient het
bestreden vonnis te worden vernietigd.

6.2 S. zal alsnog worden veroordeeld om aan N. een bedrag van ƒ 11.500, = te
betalen, alsmede wettelijke rente over het bedrag van ƒ 7.500, =. Het hof
ziet voorts aanleiding om S. als de in het ongelijk gestelde partij te
veroordelen in de kosten van het geding in eerste instantie.

6.3 S. zal tevens als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld
in de kosten van het geding in hoger beroep.

7. De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep in kort geding:

7.1 vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt S. om aan N. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een
bedrag van
ƒ 11.500, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van ƒ 7.500, =
ingaande 1 5 november 1996 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt S. in de kosten van het geding in eerste aanleg; welke tot aan de
dag, waarop het vonnis waarvan beroep is uitgesproken, aan de zijde van N.
worden bepaald op
ƒ 3.1 51,49, waarvan ƒ 3.008,99 op de voet van art. 57b Rv te betalen aan de
griffier van de rechtbank door overmaking op postbankrekeningnummer 935462
ten name van de gerechten in het arrondissement Arnhem (zijnde ƒ 2.500, = ter
zake van salaris en ƒ 427,50 wegens in debet gesteld griffierecht, alsmede ƒ
81,49 wegens explootkosten) en ƒ 142,50 aan N. wegens door deze betaald
vastrecht;

7.2 wijst af het meer of anders gevorderde;

7.3 veroordeelt S. in de kosten van het hoger beroep, die aan de zijde van N.
tot aan de dag van de uitspraak in hoger beroep zijn bepaald op ƒ 2.498,08,
waarvan ƒ 1.700 wegens salaris procureur en ƒ 798,08 wegens verschotten;

7.4 verklaart bovenvermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr Hooft Graafland

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 20 mei 1999

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


In het kader van een echtscheidingsprocedure wordt getwist over het gebruik
van de echtelijke woning en over de hoogte en de duur van de alimentatie. Het
verzoek van de man tot gebruik van de woning wordt toegewezen. Hiertoe
overweegt het Hof dat de vrouw geen duurzaam belang heeft bij voortgezet
verblijf in de echtelijke woning, nu zij niet in staat is de woonlasten
daarvan op te brengen. Bij het bepalen van de draagkracht van de man wordt
geen rekening gehouden met woonlasten, voorzover deze een redelijke woonlast
te boven gaan. De man heeft limitering van de alimentatie verzocht tot 1
oktober 2002, zijnde de datum dat de vrouw Aow-gerechtigd zal zijn en daarbij
recht zal hebben op haar deel van het ouderdomspensioen van de man. Beide
partijen zouden dan, aldus de man, over een gelijk inkomen beschikken. Het
hof oordeelt echter, dat er in casu geen bijzondere omstandigheden zijn
gebleken of aangevoerd die aanleiding geven om – in afwijking van de
wettelijke termijn van twaalf jaar- de verplichting tot betaling van de man
van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te beperken tot 1 oktober
2002, mede gelet op de omstandigheid, dat thans niet kan worden beoordeeld
hoe de financiële positie van partijen op 1 oktober 2002 zal zijn. Geen
limitering, ondanks gelijke leeftijd partijen en pensioenverevening.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN HOGER BEROEP IN DE HOOFDZAAK

1.1. De vrouw is in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 oktober
1998 van de rechtbank te Haarlem, met rekestnummer E 46146/998.

1.2. De man heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij eveneens
hoger beroep ingesteld.

1.3. De vrouw heeft een verweerschrift in het hoger beroep van de man
ingediend.

2. HET GEDING INZAKE DE VOORLOPIGE VOORZIENINGEN

2. 1. De man heeft op 15 januari 1999 een verzoekschrift tot het treffen van
voorlopige voorzieningen bij het hof ingediend.

2.2. De vrouw heeft een, op 25 februari 1999 ter griffie ingekomen,
verweerschrift ingediend.

3. IN BEIDE GEDINGEN

3.1. Beide zaken zijn gevoegd behandeld op 17 maart 1999.

4. HET GESCHIL IN DE HOOFDZAAK IN HOGER BEROEP; IN DE
VOORLOPIGE VOORZIENINGEN-ZAAK EN DE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN

4.1. Partijen zijn op 21 juni 1967 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn
geboren M. in 1971 en J. op in 1976, die thans beiden zelfstandig wonen. Ten
tijde van de behandeling in hoger beroep was het huwelijk tussen partijen nog
niet ontbonden.

4.2. In geschil in de hoofdzaak is de toewijzing bij de beschikking waarvan
beroep van het verzoek van de man de echtscheiding tussen partijen uit te
spreken. Voorts is in geschil de toewijzing van het primaire verzoek van de
man te bepalen dat hij jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de
echtelijke woning van partijen en het gebruik van de bij de woning tot de
inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van
de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand voort
te zetten, alsmede de afwijzing van het verzoek van de vrouw tot gebruik van
de echtelijke woning. Tot slot is in geschil de uitkering tot levensonderhoud
van de vrouw van ƒ 1.100 per maand met ingang van de datum van inschrijving
van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand,
zoals bepaald bij de beschikking waarvan beroep. Deze beslissing is gegeven
op het verzoek van de man deze uitkering met ingang van datum inschrijving
echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot 1
oktober 2002 te bepalen op ƒ 800 per maand, alsmede op het verzoek van de
vrouw deze uitkering met ingang van datum inschrijving
echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te bepalen
op ƒ 3.000 per maand.

De vrouw verzoekt primair de beschikking waarvan beroep te vernietigen en het
inleidend verzoek van de man tot echtscheiding en nevenvoorzieningen alsnog
af te wijzen. Subsidiair verzoekt zij te bepalen dat zij jegens de man
bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning van partijen en het gebruik
van de bij de woning tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes
maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers
van de burgerlijke stand voort te zetten, alsmede de uitkering tot
levensonderhoud van haar te bepalen op ƒ 1.680 per maand met ingang van de
dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

De man verzoekt primair de beschikking waarvan beroep te vernietigen.
Subsidiair verzoekt hij bij toewijzing van het verzoek van de vrouw tot
gebruik van de echtelijke woning voor dit gebruik een vergoeding aan de man
van ƒ 800 per maand vast te stellen. Voorts verzoekt de man in incidenteel
appèl de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te bepalen op ƒ 800 per
maand eindigend op 1 oktober 2001 (naar het hof begrijpt: 2002).

De vrouw verzoekt het verzoek van de man in incidenteel appel af te wijzen.

4.3. De man verzoekt inzake de voorlopige voorzieningen bij beschikking
uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van het hoger beroep van de
echtscheidingsprocedure te bepalen dat hij uitsluitend gerechtigd zal zijn
tot het gebruik van de echtelijke woning van partijen en het gebruik van de
zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, met bevel aan
de vrouw dat zij de woning niet meer mag betreden. Voorts verzoekt hij de
uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te bepalen op ƒ 1.000 per maand.

De vrouw verzoekt inzake de voorlopige voorzieningen primair de verzoeken van
de man af te wijzen. Subsidiair verzoekt zij de toewijzing van haar verzoek
tot uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, alsmede een uitkering tot
levensonderhoud van haar op ƒ 1.680 per maand te bepalen. Meer subsidiair
verzoekt zij een uitkering tot levensonderhoud van haar op ƒ 1.680 per maand
te bepalen, alsmede te bepalen dat de man aan haar beschikbaar zal stellen de
goederen tot haar dagelijks gebruik strekkend.

4.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren in 1937.

Zij had tot voor kort inkomsten als interviewster op freelance-basis van rond
ƒ 2.550 per jaar. Thans is zij hiermee gestopt en doet zij vrijwilligerswerk
voor het ziekenhuis en de kerk, allen te B.

Zij is niet in staat de hypothecaire lasten van de woning te dragen.

4.5. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren in 1937. Hij ontvangt van het Pensioenfonds een vut-uitkering
als oudleraar natuurkunde aan het *college van rond ƒ 64.785 (exclusief
overhevelingstoeslag) in 1998. De man ontvangt geen vakantiegeld.

Hij heeft een hypothecaire lening van rond ƒ 190.572 tegen 6,3% rente. De
annuïteit bedraagt rond ƒ 2.145 per maand. Hij heeft de gebruikelijke andere
eigenaars- en woonlasten.

Hij betaalt ƒ 650 per maand aan bijdrage in de kosten van levensonderhoud en
studie van J. die naar verwachting in de zomer van 1999 zal afstuderen aan de
Hogeschool Amsterdam, studierichting sociale pedagogiek.

Hij betaalt voor de vrouw en zichzelf rond ƒ 320 per maand aan premie voor
een ziektekostenverzekering.

5. BEOORDELING VAN BEIDE ZAKEN

5.1. Gebleken is dat partijen thans beide nog in de echtelijke woning wonen.
Nu de vrouw ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij een
verzoening tussen partijen niet goed mogelijk acht en zij zich met de man op
het standpunt stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, dient zij in haar
appel tegen de echtscheidingsbeschikking niet ontvankelijk te worden
verklaard.

5.2. Partijen hebben beide verzocht te bepalen dat zij gerechtigd zullen zijn
de bewoning van de voormalige echtelijke woning en het gebruik van de bij de
woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de
datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van
de burgerlijke stand voort te zetten, alsmede gedurende de procedure in hoger
beroep. De vrouw heeft hiertoe aangevoerd dat zij in het kader van de
verdeling van de huwelijksgemeenschap wenst dat de echtelijke woning wordt
verkocht. Zij acht het onredelijk als de man in de echtelijke woning zou
blijven wonen waardoor hij als gevolg van zijn hoge woonlasten minder
alimentatie zou kunnen betalen. Zolang de woning niet is verkocht stelt zij
zich op het standpunt evenveel recht te hebben op het gebruiksrecht van de
woning als de man. De man heeft hiertegen aangevoerd dat hij, anders dan de
vrouw, in staat is de hypothecaire lasten van de echtelijke woning te
voldoen. Indien hij de echtelijke woning zou moeten verlaten zou hij
aangewezen zijn op een dure huurwoning en zou dit ten koste gaan van zijn
draagkracht, aldus de man.
Het hof is dienaangaande van oordeel dat het belang van de man bij het
beschikken over het gebruik van de woning zwaarder weegt dan het belang van
de vrouw. Hiertoe is in overweging genomen dat de vrouw geen duurzaam belang
heeft bij voortgezet verblijf in de echtelijke woning omdat zij niet in staat
is de woonkosten hiervan op te brengen.
Het verzoek van de man tot gebruik van de woning zal daarom zowel in de
hoofdzaak als in de voorlopige voorzieningen worden toegewezen.

5.3. Bij de bepaling van de draagkracht van de man wordt zowel in de
hoofdzaak als voor de duur van de voorlopige voorzieningenprocedure geen
rekening gehouden met een woonlast van de man voorzover deze een redelijke
woonlast te boven gaat, welke het hof, gelet op alle omstandigheden, bepaalt
op een bedrag in de orde van grootte van ƒ 1.100 netto per maand.

5.4. De man heeft aangeboden voor de duur van het geding een uitkering tot
levensonderhoud van de vrouw van ƒ 1.000 per maand te betalen en in de
hoofdzaak een bedrag van ƒ 800 per maand, naar het hof begrijpt, in het geval
de man niet een bijdrage van rond ƒ 650 per maand in de kosten van
levensonderhoud en studie van J. die op of omstreeks september 1999 haar
studie aan de Hoge School van Amsterdam hoopt af te ronden, behoeft te
betalen. Ter zitting is komen vast te staan dat de man de bijdrage zoals
hiervoor bedoeld thans maandelijks aan J. verstrekt. De vrouw heeft er geen
bezwaar tegen gemaakt dat de man in mindering op zijn draagkracht
vorenbedoelde bijdrage maandelijks aan J. voldoet. Bij de bepaling van de
draagkracht van de man wordt derhalve rekening gehouden met zijn bijdrage in
de kosten van levensonderhoud en studie van J. tot 1 september 1999.

5.5. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en
van hetgeen hiervoor is overwogen, is een met ingang vam de datum van de
echtscheidingsbeschikking tot 1 september 1999 door de man te betalen
uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van ƒ 800 per maand en in de
periode vanaf 1 september 1999 van ƒ 1.250 per maand in overeenstemming met
de wettelijke maatstaven. Voor de duur van het geding is een door de man te
betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van ƒ 1.000 per maand en
vanaf 1 september 1999 van ƒ 1.250 per maand in overeenstemming met de
wettelijke maatstaven.

5.6. De man heeft aangevoerd dat in de beschikking waarvan beroep ten
onrechte de alimentatie niet is gelimiteerd tot 1 oktober 2002. Vanaf die
datum heeft de vrouw immers recht op een AOW-uitkering en op haar deel van
het ouderdomspensioen van de man, zodat beide partijen over een gelijk
inkomen zullen beschikken. Het hof is dienaangaande van oordeel dat er in
casu geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken, of aangevoerd die
aanleiding geven om – in afwijking van de wettelijke termijn van 12 jaar – de
verplichting tot betaling van de man van een uitkering tot levensonderhoud
van de vrouw te beperken tot 1 oktober 2002, mede gelet op de omstandigheid
dat thans niet kan worden beoordeeld hoe de financiële positie van partijen
op dat moment zal zijn.

5.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. BESLISSING

Het hof:

in de zaak met rekestnummer 37/99:

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw
voor de duur van het geding op ƒ 1.000 (EEN DUIZEND GULDEN) per maand en
vanaf 1 september 1999 op ƒ 1.250 (EEN DUIZEND EN TWEE HONDERD EN VIJFTIG
GULDEN) per maand, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning op
het adres * te B en het gebruik van de bij de woning tot de inboedel daarvan
behorende zaken gedurende de duur van het hoger beroep voort te zetten;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de zaak met rekestnummer 1036/98:

verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar appel tegen de
echtscheidingsbeschikking;

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw
met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot
1 september 1999 op ƒ 800 (ACHT HONDERD GULDEN) per maand en vanaf 1
september 1999 op ƒ 1.250 (EEN DUIZEND EN TWEE HONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per
maand, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen en vernietigt de
beschikking waarvan beroep in zoverre;

bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning op
het adres * te B en het gebruik van de bij de woning tot de inboedel daarvan
behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand voort te
zetten en bekrachtigt de beschikking waarvan beroep in zoverre;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het
hof onderworpen voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs. Van de Vijver-Aeckerlin, Torrenga, Den Ottolander, Gerritzen-Gunst

Instantie: Regionaal Tuchtcollege Eindhoven, 19 mei 1999

Instantie

Regionaal Tuchtcollege Eindhoven

Samenvatting


Klacht van manisch depressieve patiënte over een verpleegkundige. De klacht
heeft betrekking op het feit dat de verpleegkundige een liefdesrelatie met
haar is aangegaan, dat hij haar onbevoegd een kalmerend middel heeft
toegediend en dat hij heeft geprobeerd de medische behandeling te
beïnvloeden. De eerste twee klachten worden gegrond verklaard.
Voorwaardelijke schorsing. Daarnaast wordt het hem verboden gedurende een
proeftijd van twee jaar zich bezig te houden met directe patiëntenzorg.

Volledige tekst

Het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven heeft het navolgende overwogen en
beslist in de klachtzaak van A, wonende te B, klaagster, tegen C,
verpleegkundige, wonende te D, verweerder.
Het College heeft kennis genomen van het klaagschrift, van het
verweerschrift, van de repliek, van de dupliek, van de bij deze stukken
overgelegde bescheiden en van de verpleegkundige aantekeningen betreffende
klaagster.
De klacht is behandeld op de zitting van woensdag 14 april 1999, waarbij zijn
gehoord klaagster, bijgestaan als raadsman door E, advocaat te F, en
verweerder, bijgestaan als gemachtigde door G, te B.
Het College heeft naar aanleiding van de klacht de navolgende feiten en
omstandigheden onderzocht en op grond van de inhoud van de gedingstukken en
van de ter zitting afgelegde verklaringen het navolgende vastgesteld:
Klaagster is geboren in 1960. Zij is op 11 juni 1997 met rechterlijke
machtiging opgenomen op de afdeling H van I te D. Op 11 oktober 1997 is zij
overgeplaatst naar de afdeling J, waar verweerder werkzaam was. Verweerder is
sinds september 1969 als verpleegkundige werkzaam in dit psychiatrisch
ziekenhuis. Klaagster was lijdende aan een manisch-depressief syndroom. Vanaf
de plaatsing op de afdeling J is tussen klaagster en verweerder geleidelijk
een liefdesverhouding ontstaan in het kader waarvan zij in de periode
mei/juni 1998 een aantal malen gemeenschap hebben gehad; dit geschiedde in I,
maar ook bij klaagster thuis en bij verweerder thuis.
Einde juni 1998 heeft klaagster de patiëntenvertrouwenspersoon over deze
liefdesverhouding ingelicht. Op diens advies heeft zij ook haar behandelend
arts ingelicht. Klaagster heeft verweerder op 2 juli bij een gesprek ten
huize van verweerder ingelicht over haar voornemen open kaart te spelen met
haar behandelend arts. Zij was bij dit gesprek gespannen en verweerder heeft
haar toen medicatie gegeven, te weten 10 mg Seresta forte. De
liefdesverhouding heeft een einde gevonden en verweerder is ontslagen als
verpleegkundige bij I.
De klacht behelst, zakelijk weergegeven, een drieledig verwijt te weten in de
eerste plaats dat verweerder als verpleegkundige is tekortgeschoten door het
aangaan van de liefdesrelatie met klaagster, in de tweede plaats, dat hij
niet bevoegd was tot het verschaffen van de hierboven genoemde medicatie en
in de derde plaats dat hij de medische behandeling van klaagster heeft
gepoogd te beïnvloeden.

Omtrent deze klacht moet het navolgende gelden: Verweerder heeft erkend dat
hij met klaagster een liefdesverhouding is aangegaan en dat hij die relatie
gedurende lange tijd heeft onderhouden en hij heeft eveneens erkend dat hij
daardoor een ernstige fout heeft gemaakt. Hij heeft echter een beroep gedaan
op clementie ten aanzien van de op te leggen maatregel en daartoe aangevoerd,
dat hij door het ontslag reeds ernstig is getroffen, dat hij enige tijd als
uitzendkracht werkzaam is geweest, doch thans werkloos is, dat hij is
opgeleid tot en nimmer anders werkzaam is geweest dan als psychiatrisch
verpleegkundige en dat hij voor het onderhoud van zijn gezin is aangewezen op
werkzaamheden in die sector.
Patiënten zijn door hun ziekte per definitie kwetsbaar en dit geldt a
fortiori voor psychiatrische patiënten die door hun aandoening behoefte
hebben aan geborgenheid. De hulpverlener die aan deze behoefte tegemoet wil
komen, moet zich steeds realiseren dat daarbij een zodanige distantie ten
opzichte van de patiënt in acht wordt genomen dat de hulpverlening een
professioneel karakter blijft dragen. Het aangaan van een liefdesrelatie is
daarbij volstrekt ontoelaatbaar, omdat een dergelijke verhouding in de weg
staat aan goede hulpverlening. Verweerder is ook tekortgeschoten door het
geven van medicatie op 2 juli 1998. Hij had moeten beseffen dat dit een
voorbehouden handeling was waartoe hij niet bevoegd was. Dat verweerder
klaagsters medische begeleiding heeft beïnvloed of pogingen daartoe heeft
aangewend, is niet gebleken.
Uit het vorenstaande volgt dat de twee eerste onderdelen van de klacht
gegrond zijn, doch dat het derde verwijt als ongegrond moet worden afgewezen.
Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij als verpleegkundige
behoorde te betrachten ten opzichte van klaagster met betrekking tot wier
gezondheidstoestand hij bijstand verleende. Het College oordeelt de door
verweerder gemaakte fouten zodanig ernstig dat niet volstaan kan worden met
een van de lichtere tuchtrechtelijke maatregelen, doch dat een maatregel moet
worden opgelegd die als effect heeft dat verweerder gedurende geruime tijd
niet in de directe patiëntenzorg werkzaam kan zijn. Verweerder kan in die
tijd wel andere werkzaamheden als verpleegkundige verrichten en heeft
inmiddels de mogelijkheid met deskundige hulp maatregelen te nemen waardoor
herhaling kan worden voorkomen. Daarnaast zal het College, omdat een
uitsluitend voorwaardelijke schorsing onvoldoende recht doet aan het gewicht
van de door verweerder gemaakte fouten, tevens een geldboete opleggen. Het
College acht het in het algemeen belang gewenst dat de onderhavige beslissing
in geanonimiseerde vorm zal worden bekend gemaakt in de Staatscourant en in
de hierna te noemen tijdschriften.

BESLISSENDE:

Verklaart de klacht gegrond voor wat betreft de eerste twee onderdelen;
Schorst voorwaardelijk voor de duur van een jaar de inschrijving van
verweerder als verpleegkundige in het register als bedoeld in artikel 3 van
de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg.
Stelt als voorwaarde dat verweerder binnen de proeftijd, die wordt bepaald op
2 jaar, zich zal onthouden van directe patiëntenzorg.
Legt verweerder tevens op een geldboete op ten bedrage van ƒ 2.500
(tweeduizendvijfhonderd gulden);

Bepaalt dat deze beslissing in geanonimiseerde vorm overeenkomstig artikel 71
van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg zal worden bekend
gemaakt in de Staatscourant en zal worden aangeboden met verzoek tot
publicatie aan de redacties van het Tijdschrift voor Ziekenverpleging, van
het tijdschrift Nursing en van het tijdschrift Verpleegkunde Nieuws.

Verklaart de klacht ongegrond voor wat betreft het laatste onderdeel.

Rechters

Mrs. Raaijmaakers, Walstock-Krens, Boumans, Teuwissen en Van Mierlo-Renia

Instantie: Rechtbank Den Haag zp Amsterdam, 19 mei 1999

Instantie

Rechtbank Den Haag zp Amsterdam

Samenvatting


Eiser, van Algerijnse nationaliteit, verblijft sinds 1991 in Nederland. Hij
is in 1993 gehuwd en in 1995 gescheiden . Zij ex-echtgenote bezit de
Nederlandse nationaliteit. Met betrekking tot het uit de relatie geboren kind
wordt in 1995 een omgangsregeling vastgesteld van twee uur per 14 dagen en ƒ
150 alimentatie per maand. De omgangsregeling wordt – tot hernieuwde
vaststelling door de rechter in 1997 – niet nagekomen. Sinds 1997 is er eens
per 14 dagen contact tussen vader en kind gedurende één dag van 11.00 tot
18.00 uur. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van family
life in de zin van art. 8 EVRM. Inmenging hierop is niet
gerechtvaardigd omdat het contact tussen vader en kind (mede gelet op de
leeftijd van het kind) voldoende intensief is en de vader bijdraagt in de
kosten van verzorging en opvoeding. Het beleid van de IND dat er sprake dient
te zijn van een omgangsregeling van minimaal 8 uur per week of een weekend
per 14 dagen, is geen ‘harde’ regel.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op 29 mei 1967, bezit de Algerijnse nationaliteit. Hij
verblijft sedert 23 september 1991 als vreemdeling in de zin van de
Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 22 juni 1995 heeft eiser bij de
korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om
een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 10 januari 1996 heeft verweerder
op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit op 6
februari 1996 bezwaar gemaakt. Op 7 oktober 1997 is eiser gehoord door een
ambtelijke commissie (AC). Van dit gehoor is een verslag opgemaakt. Bij
brieven van 17 november 1997, 17 december 1997, 28 januari 1998, 30 januari
1998 en 8 maart 1998 is het bezwaar nader aangevuld. Het bezwaar is bij
besluit van 25 maart 1998 ongegrond verklaard. Het besluit is diezelfde dag
aan de gemachtigde van eiser gezonden.

2. Bij beroepschrift van 20 april 1998 heeft eiser tegen dit afwijzende
besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De nadere gronden van het beroep
dateren van 27 mei 1998. In beroep heeft eiser verzocht het bestreden besluit
te vernietigen en verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen dan wel
te bepalen dat eiser in het bezit wordt gesteld van een vergunning tot
verblijf. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te
zullen behandelen. Op 26 oktober 1998 zijn de op de zaak betrekking hebbende
stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 29
maart 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het
beroep. Eiser heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij schrijven van 16
april 1999.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 1999. Eiser is
aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.L.M. Lichteveld, advocaat
te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.C.C.
van Oss, advocaat te ‘s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende
feiten. Eiser is Nederland ingereisd op 23 september 1991. Op 10 augustus
1993 is hij te Amsterdam gehuwd met E., geboren op 1 oktober 1967 en in het
bezit van de Nederlandse nationaliteit. Eiser staat sedert 19 augustus 1993
ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Amsterdam. Op 24
september 1993 heeft hij verzocht om een vergunning tot verblijf voor
verblijf bij Nederlandse echtgenote E. Op 31 maart 1994 is hij in het bezit
gesteld van de gevraagde vergunning tot verblijf. Deze vergunning is
laatstelijk verlengd tot 17 juni 1995. Uit het genoemde huwelijk is op 24
juni 1994 te Amsterdam een dochter geboren, genaamd F. F. bezit de
Nederlandse nationaliteit. Sedert 12 april 1995 staan eiser en E. niet meer
ingeschreven op hetzelfde adres in het bevolkingsregister. Bij beschikking
van 22 november 1995 is de echtscheiding tussen eiser en E. uitgesproken.
Tevens is in deze beschikking bepaald dat E. wordt belast met de uitoefening
van het gezag over F.en dat eiser F. in het kader van een omgangsregeling
eenmaal per veertien dagen op zondag om 12.00 uur tot 14.00 uur in de woning
van de broer van E. zal bezoeken. Voorts is bepaald dat eiser ƒ 150 per maand
zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van F. Deze
omgangsregeling is nooit daadwerkelijk nageleefd. Om die reden heeft eiser op
2 juli 1997 een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling ingediend bij de
rechtbank te Amsterdam. Op 13 augustus 1997 heeft een mondelinge behandeling
ter zitting plaatsgevonden. De behandeling is ter zitting aangehouden om
partijen in de gelegenheid te stellen zelf een omgangsregeling op te bouwen.
Afgesproken is dat eiser F., voor een periode van vier maanden, éénmaal per
veertien dagen zal bezoeken van 11.00 uur tot 12.00 uur in de woning van de
kennis. In overleg is deze regeling uitgebreid tot éénmaal per veertien dagen
op zaterdag van 11.00 uur tot 18.00 uur. Bij beschikking van 10 februari 1998
heeft de rechtbank
de op 22 november 1995 vastgestelde omgangsregeling gewijzigd en bepaald dat
eiser één keer per 14 dagen op zaterdag contact heeft met F. Eiser haalt haar
dan op bij haar moeder om 11.00 uur en brengt haar om 18.00 uur terug.

In de periode van 19 augustus 1994 tot 22 december 1994 is eiser werkzaam
geweest voor BBB Uitzendorganisatie BV. Op 30 januari 1995 is eiser, voor de
duur van vijf maanden in dienst getreden van Ancora Multidiensten BV te
Amsterdam. Op 28 juni 1995 heeft eiser een detacheringsovereenkomst
afgesloten met Uitzendbureau All Round BV i.o. Hieruit blijkt dat hij met
ingang van 3 juli 1995, tot 31 december 1995, werkzaam is voor genoemde
werkgever. Per 6 november 1995 is eiser, op basis van een jaarcontract, in
dienst getreden van de vennootschap onder firma X. gevestigd te Aalsmeer. Dit
contract is stilzwijgend verlengd. Het salaris bedraagt ƒ 3.122,58 bruto per
maand. Op 22 juni 1995 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend om een
vergunning tot verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst na
verbreking huwelijk. Sedert 11 december 1997 is eiser huurder van de woning
gelegen aan de (…) te Amsterdam.

3. Eiser meent dat met zijn aanwezigheid hier te lande een wezenlijk
Nederlands belang is gediend, dat klemmende redenen van humanitaire aard en
internationale verplichtingen tot toelating nopen. Daartoe voert hij aan dat
hij beschikt over een jaarcontract. Ten onrechte stelt verweerder dat het
family-life tussen eiser en zijn dochter zeer beperkt is. F. is nog erg jong.
Het bezoek aan zijn ex-zwager moet worden afgesproken en mag niet een te
grote belasting voor laatstgenoemde zijn. In de nabije toekomst zal de omgang
steeds worden uitgebreid. Hierbij wordt gedacht aan eenmaal per veertien
dagen een dag gedurende het weekend. Voor F. is het contact met eiser van
wezenlijk belang. De ex-echtgenote stemt hiermee in.

Ten overstaan van de AC is namens eiser het volgende naar voren gebracht.
Eiser beschikt wel degelijk over voldoende middelen van bestaan. Hij is tot
op heden werkzaam bij v.o.f. X. De op 22 november 1995 vastgestelde
omgangsregeling is niet nageleefd, aangezien er bij de echtscheiding veel
onverwerkte emoties waren bij E. Zij was ook bang dat eiser het kind zou
ontvoeren. Eiser heeft op 2 juli 1997 verzocht om een nieuwe omgangsregeling.
Op 13 augustus 1997 heeft de mondelinge behandeling plaats gevonden. Partijen
hebben toen een.proefomgangsregeling voor de duur van vier maanden
vastgesteld. De rechter zal vervolgens een definitieve omgangsregeling
vaststellen. Van de kinderrechter hebben partijen de opdracht gekregen de
omgangsregeling voorzichtig en geleidelijk op te bouwen gezien het feit dat
er enige tijd geen of weinig contact is geweest tussen eiser en het kind. Het
is geen vast beleid dat er sprake moet zijn van een omgang gedurende acht
uren per week. Dit is nergens gepubliceerd en bovendien afhankelijk van de
individuele omstandigheden. Uit jurisprudentie van het Europese Hof voor de
rechten van de mens kan worden geconcludeerd dat het niet zozeer gaat om de
frequentie of intensiteit van de omgang, als wel om de waarde die de vader
hecht aan het contact met het kind en het belang van het kind bij dit
contact. De zeer jonge leeftijd van F. brengt met zich dat haar belang bij
een goed contact met haar vader extra zwaar in haar voordeel moet worden
meegewogen. In dit verband wordt verwezen naar een uitspraak van deze
rechtbank, zittinghoudende te Zwolle, van 28 januari 1997 (MR 1997, 82). Van
belang is voorts dat
eiser – nog afgezien van de kleren en het speelgoed dat hij koopt voor F.
elke maand ƒ 150 bijdraagt in de kosten van levensonderhoud. Hij verblijft
bovendien al langer dan zes jaar in Nederland, hij heeft hier te lande een
relatie met een Nederlandse vrouw en komt niet ten laste van de openbare kas.
Terugzending naar Algerije zal betekenen dat het contact met zijn dochter
verbroken wordt, dat hij
geen financiële bijdrage kan leveren in het levensonderhoud van het kind en
dat hij moet leven in een land waar iedereen bang is het slachtoffer te
worden van bloedige aanslagen door de fundamentalisten. Voorts is aangevoerd
dat de bijdrage aan het levensonderhoud zal worden verhoogd tot ƒ 200 per
maand. Eiser zelf heeft bij de AC desgevraagd verklaard dat hij in 1994 terug
is geweest naar Algerije. Hij heeft tevens verklaard dat hij een half jaar
met zijn dochter heeft samengewoond en dat hij haar daarna een jaar niet
heeft gezien. In augustus 1997 heeft hij zijn dochter voor het eerst weer
gezien. Het contact met zijn ex-echtgenote verloopt goed. Hij ziet zijn
dochter twee uur per veertien dagen bij een kennis. De broer en de moeder van
eiser wonen in Algerije. Eiser onderhoudt telefonisch contact met hen. Bij
v.o.f. X. is eiser werkzaam als boxmedewerker. Eiser woont niet samen met
zijn Nederlandse partner.

In beroep heeft eiser gesteld dat de bestreden beschikking een deugdelijke
motivering ontbeert. Ten onrechte wordt daarin gesteld dat de weigering eiser
voortgezet verblijf toe te staan geen schending van artikel 8 EVRM zou
betekenen. De inmenging zou gerechtvaardigd zijn in het belang van het
economisch welzijn van Nederland. Niet kan worden ingezien in welk opzicht
het welzijn van Nederland geschaad wordt door het voortgezet verblijf van
eiser. Eiser heeft namelijk in elk geval sinds augustus 1994 in zijn eigen
levensonderhoud voorzien. Vanaf 6 november 1995 tot heden is hij werkzaam bij
X. Zijn salaris bedraagt ƒ 2.528 netto per maand. Daarenboven draagt hij ook
bij in het levensonderhoud van zijn dochtertje. Naast de alimentatie betaalt
hij ƒ 80 per maand aan de kosten voor de crèche van zijn dochtertje. Hierbij
wordt nog gewezen op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad
van State van 20 augustus 1994 (R02.92.2556). Voorts heeft verweerder
onvoldoende belang toegekend aan de omgang die eiser heeft met F. In de
beschikking van 10 februari 1998 is uitdrukkelijk overwogen dat het in het
belang van F. is dat zij geregeld contact heeft met haar vader en dat de
omgang in de toekomst kan worden uitgebreid. De ex-echtgenote van eiser is
ook deze mening toegedaan. Ten tijde van de bestreden beschikking was er
gedurende
éénmaal per veertien dagen gedurende een hele dag persoonlijk contact tussen
eiser en F. Daarnaast hebben zij meermalen per week telefonisch contact.
Gewezen wordt nog op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats
‘s-Gravenhage, van 23 september 1997 (AWB 9716687). Verder wordt nog
opgemerkt dat verweerder door eiser in het bezit te stellen van een
vergunning tot verblijf op grond van zijn huwelijk de mogelijkheid tot
gezinsvorming welbewust heeft aanvaard.

Bij schrijven van 16 april 1999 heeft eiser nog een aantal uitspraken
overgelegd.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen aanspraak op
voortgezet verblijf kan ontlenen, nu zijn huwelijk met E. geen drie jaar
heeft geduurd. Met de door eiser sedert 6 november 1995 verrichte arbeid bij
X. is geen wezenlijk Nederlands belang gediend. Hiertoe wordt verwezen naar
het advies van het Landelijk Bureau voor de Arbeidsvoorziening van 17
september 1997. Eiser heeft nauwere banden met Algerije dan met Nederland.
Hij is in Algerije geboren en opgegroeid, heeft daar 24 jaar gewoond en zijn
familieleden wonen daar. Eiser moet in staat worden geacht zich in Algerije
zelfstandig te kunnen handhaven. Niet valt in te zien waarom hij in Algerije
niet in staat zal zijn om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Eiser
heeft ook in Nederland zelfstandig gewerkt. Voorts kan eiser
zich – indien nodig – voor steun wenden tot de in Algerije aanwezige
familieleden, vrienden of kennissen. Vast staat dat er tussen eiser en zijn
Nederlandse dochter gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 EVRM en dat
het niet langer toestaan van verblijf aan eiser een inmenging betekent in het
gezinsleven van eiser en zijn dochter. In aanmerking nemende de feiten en
omstandigheden die voorlagen ten tijde van de bestreden beschikking meent
verweerder dat bij een afweging van alle betrokken belangen genoemd recht van
de dochter en de daarmee verband houdende belangen van eiser niet opwegen
tegen het door verweerder te behartigen algemeen belang van de bescherming
van het economisch welzijn. Hiertoe kent verweerder allereerst betekenis toe
aan de omstandigheid dat eiser en zijn dochter slechts gedurende zeer korte
tijd met elkaar in gezinsverband hebben samengeleefd, namelijk in de periode
van 24 juni 1994, tot, aldus de ex-echtgenote van eiser, februari 1995. Van
belang is voorts dat verweerder als uitgangspunt hanteert dat indien er
sprake is van een feitelijk nageleefde omgangsregeling van minimaal een
volledige dag (8 uur) per week of een weekeinde elke veertien dagen dan wel
een daarmee gelijk te stellen
omgangsregeling een inbreuk op het gezinsleven niet gerechtvaardigd is te achten als de
niet verzorgende ouder aantoonbaar bijdraagt in de kosten van verzorging en
opvoeding van het kind. Dit uitgangspunt is niet onredelijk. Gebleken is dat
de moeder van F. na de echtscheiding is belast met het ouderlijk gezag. Voor
de omgang tussen eiser en zijn dochter was een omgangsregeling vastgesteld,
welke inhield dat eiser zijn dochter éénmaal per veertien dagen mocht
bezoeken op zondag van 12.00 uur tot 14.00 uur. Gebleken is dat aan deze
omgangsregeling nooit uitvoering is gegeven. Eerst op 2 juli 1997 heeft eiser
bij de kinderrechter van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam verzocht de
eerdergenoemde omgangsregeling te wijzigen. Na bemiddeling van de
kinderrechter op 13 augustus 1997 heeft eiser zijn dochter daadwerkelijk
kunnen bezoeken. Uit de eerst kort voor de bestreden beschikking, op 10
februari 1998, opgemaakte nieuwe omgangsregeling, inhoudende dat eiser
eenmaal per 14 dagen op zaterdag van 11.00 uur tot 18.00 uur omgang met zijn
dochter F. kan hebben, kan niet worden afgeleid dat er ten tijde van het
bestreden besluit sprake was van een omgangsregeling met een omvang als
hierboven genoemd. De waarde die de vader zou hechten aan het contact met het
kind en het belang van het kind bij contact met de vader zijn hierbij
meegewogen. Overigens dient niet uit het oog te worden verloren dat het in
het Berrehab-arrest ging om een intensieve omgang gedurende enkele dagen per
week. Gelet op het vorenstaande is
er – hoewel eiser vanaf april 1997 heeft aangetoond mede te voorzien in de
kosten van levensonderhoud van zijn dochter en heeft gesteld telefonisch
contact met haar te hebben tussen de omgangsregelingen door – geen sprake van
een zodanige omgang tussen eiser en zijn dochter dat hierom aan het
persoonlijk belang van eiser een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan
aan het algemeen belang. De enkele stelling dat in de toekomst mogelijk een
uitbreiding van het aantal uren van de omgangsregeling plaats zal vinden,
doet hier n
iet aan af, nu dit een toekomstig onzekere gebeurtenis is. Het onthouden van
een verblijfsrecht aan eiser zal de omgang met zijn dochter weliswaar
bemoeilijken maar eiser moet in staat worden geacht ook vanuit Algerije
contact te onderhouden met zijn dochter in Nederland.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot
verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat
vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun
aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan
wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende
uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is
neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

7. Met verweerder en op de door verweerder in rechtsoverweging 11.4
aangevoerde gronden is de rechtbank van oordeel dat met de aanwezigheid van
eiser hier te lande geen wezenlijk Nederlands belang is gediend.

8. Niet is in geschil dat eiser geen aanspraak op toelating kan ontlenen aan
het door verweerder gevoerde beleid inzake voortgezet verblijf na verbreking
huwelijk, zoals dit is neergelegd in hoofdstuk B 1/2.2 van de Vc 1994.

9. Evenmin is gebleken dat eiser aan enige andere door verweerder gehanteerde
beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen.

10. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van
zodanige klemmende redenen van humanitaire aard dat op grond daarvan aan
eiser verblijf hier te lande had moeten worden toegestaan. De rechtbank kan
zich geheel verenigen met de
overwegingen daaromtrent in het bestreden besluit en het verweerschrift die
verweerder tot dit oordeel hebben gebracht. Deze overwegingen zijn
weergegeven in rechtsoverweging 4.

11. Met betrekking tot het beroep op artikel 8 EVRM wordt het volgende
overwogen.

In de onderhavige zaak staat vast dat tussen eiser en zijn Nederlandse
dochter familie- of gezinsleven bestaat in de zin van voornoemd artikel.

Het niet langer toestaan van verblijf aan eiser is een inmenging in het recht
op de uitoefening van het gezinsleven van eiser en zijn dochter. Om te
beoordelen of een dergelijke inmenging op grond van het tweede lid van
artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is, dient verweerder een redelijke afweging te
maken tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn
geheel.

In het kader van deze belangenafweging heeft verweerder het algemeen belang
van de bescherming van het economisch welzijn zwaarder laten wegen dan het
individuele belang van eiser bij (voortzetting van) de uitoefening van het
familieleven met zijn dochter hier te lande. Naar het oordeel van de
rechtbank kon verweerder in casu aan dit belang evenwel geen doorslaggevende
betekenis toekennen. Daartoe is redengevend dat eiser al enkele jaren een
vast dienstverband heeft. Hij heeft bovendien een inkomen dat aanzienlijk
hoger is dan het minimumloon en is nooit ten laste gekomen van de openbare
kas. De stelling van verweerder ter zitting dat eiser in de toekomst mogelijk
zijn baan zal verliezen, kan niet leiden tot een ander oordeel, nu dit een
toekomstig onzekere gebeurtenis is. Op dit punt berust het bestreden besluit
derhalve niet op een voldoende draagkrachtige motivering. Verweerder heeft
gesteld dat als uitgangspunt wordt gehanteerd dat een inbreuk op het
gezinsleven eerst dan niet gerechtvaardigd is te achten indien er sprake is
van een feitelijk nageleefde omgangsregeling van minimaal een volledige dag
(8 uur) per week of een weekeinde per veertien dagen of een daarmee gelijk te
stellen omgangsregeling, terwijl bovendien de niet-verzorgende ouder
aantoonbaar bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van de
minderjarige. Aan dit uitgangspunt wordt door eiser, aldus verweerder, niet
voldaan. De rechtbank stelt vast dat het hier niet gaat om een in het
gepubliceerde beleid van verweerder neergelegde regel. Hoewel het
uitgangspunt van verweerder in beginsel niet als onredelijk kan worden
beschouwd, leent dit uitgangspunt zich niet voor rigide toepassing en zal
verweerder in ieder individueel geval de van belang zijnde feiten en
omstandigheden in ogenschouw dienen te nemen. In het onderhavige geval is de
rechtbank van oordeel dat niet valt in te zien, mede in aanmerking genomen de
verwikkelingen die hebben plaatsgevonden tussen de ouders alsmede de leeftijd
van het minderjarige kind, dat een omgangsregeling
die, ten tijde van de bestreden beslissing, inhield dat eiser elke twee weken
zijn dochter gedurende zeven uur onder zijn hoede had, als een onvoldoende
intensief contact moet worden beschouwd. Van belang is verder dat eiser
aantoonbaar bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn
dochter. Daar komt verder nog bij dat uit de bestreden beslissing onvoldoende
blijkt in hoeverre de belangen van het minderjarige kind zijn meegewogen. Dit
klemt des te meer nu de kinderrechter in zijn beschikking van 10 februari
1998 uitdrukkelijk heeft overwogen dat het in het belang van F. is dat zij
geregeld contact heeft met haar vader en dat moeder daar ook achter staat.

Gezien het bovenstaande slaagt het beroep op artikel 8 EVRM.

12. Op grond hiervan dient het beroep gegrond te worden verklaard en het
bestreden besluit te worden vernietigd.

13. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het
ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met
de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten
maken. Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420 als kosten van verleende
rechtsbijstand.

14. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden
vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze
uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 210.

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420 (zegge
veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan
eiser.

Rechters

mr. Smit

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 18 mei 1999

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Na echtscheiding in 1997 is de vrouw belast met het ouderlijk gezag over de
kinderen. Deze kinderen zijn door de man sinds augustus 1997aan de ouderlijke
macht onttrokken en naar Marokko gebracht. Bij vonnis van 23 januari 1998 is
de man
veroordeeld tot afgifte van de kinderen, te executeren middels lijfsdwang
voor maximaal één jaar (gijzeling van de man). De gijzeling is op 26 mei 1998
aangevangen. De vrouw verzoekt
thans voortzetting van de gijzeling zolang de kinderen niet zijn
teruggegeven. De vordering wordt afgewezen omdat ogv art. 591 Rv niemand
langer dan een jaar voor dezelfde schuld kan
worden gegijzeld. Ic is er sprake van een ‘schuld’ van de man aan de vrouw.

Volledige tekst

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn gehuwd geweest.
Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 3 december 1997 is tussen partijen de
echtscheiding uitgesproken en is de vrouw belast met het ouderlijk gezag over
de minderjarigen: Nazha, geboren in 1985 te Rotterdam, Taoufik, geboren in
1989 te Rotterdam en Hafsa, geboren in 1991 te Rotterdam.

De minderjarigen Nazha en Taoufik zijn door de man begin augustus 1997 aan
het gezag van de vrouw onttrokken en in Marokko ondergebracht, alwaar zij
sindsdien hebben verbleven.
Bij vonnis van de president van deze rechtbank in kort geding d.d. 23 januari
1998 is de man veroordeeld tot afgifte van de minderjarigen Nazha en Taoufik
aan de vrouw in Nederland en is aan de vrouw verlof verleend om bedoeld
vonnis ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en deswege de man in gijzeling te
doen stellen totdat voormelde kinderen Nazha en Taoufik aan de vrouw zijn
afgegeven, zodanig gijzeling voor een tijd van ten hoogste één jaar.

Tevens is de vrouw bij genoemd vonnis d.d. 3 januari 1998 gemachtigd om
telkens wanneer de man opnieuw één of meer van de minderjarigen Nazha,
Taoufik en Hafsa aan het gezag van de vrouw onttrekt, de afgifte van deze
kinderen te bewerkstelligen door middel van lijfsdwang, zulks voor een tijd
van ten hoogste één jaar.
De gijzeling van de man is op 26 mei 1998 aangevangen.

3. De beoordeling

in conventie:
De vrouw vordert bij vonnis te bepalen dat de gijzeling van de man zal worden
gecontinueerd totdat de minderjarigen Nazha en Taoufik aan de vrouw zijn
afgegeven c.q. de vrouw te machtigen de man opnieuw in gijzeling te doen
nemen.

Anders dan door de man is betoogd, is de president van oordeel dat de vrouw
spoedeisend belang heeft bij haar vordering, nu het in casu gaat om twee
minderjarigen waarover zij het gezag heeft en die aan dat gezag werden
onttrokken. Dat die situatie reeds geruime tijd voortduurt doet aan dit
spoedeisend belang niet af.

De vordering van de vrouw moet worden afgewezen nu deze vordering niet op de
wet is gegrond. Immers, art. 591 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
bepaalt dat, niemand ter zake van dezelfde schuld langer dan een jaar in
gijzeling kan worden gehouden. De term “schuld” is in casu van toepassing op
de door de vrouw van de man verlangde afgifte van meergenoemde minderjarigen,
zijnde het verrichten van een handeling, welke onder de gegeven
omstandigheden uitsluitend van de wil van de man afhangt en alleen door hem
kan worden verricht (art. 587, aanhef en onder 2, Rv). Deze wettelijke
bepalingen verhinderen dat bij vonnis zal worden bepaald dat de gijzeling zal
worden gecontinueerd, zoals door de vrouw gevorderd. Een dergelijke
continuatie of verlenging vormt een inbreuk op de genoemde wettelijke
bepalingen en zou ertoe leiden dat de man voor dezelfde “schuld” langer dan
een jaar zou kunnen worden gegijzeld.

in reconventie:
De man vordert bij vonnis te gelasten dat de gijzeling uiterlijk op 22 mei
1999 dient te worden opgeheven op het einde van de dag. Deze vordering wordt
afgewezen.

Uit hoofde van meergenoemd vonnis d.d. 23 januari 1998 is de vrouw gerechtigd
de man te doen gijzelen gedurende een periode van maximaal één jaar. Deze
periode is aangevangen op 26 mei 1998 en zal na ommekomst van één jaar van
rechtswege eindigen. Een rechterlijke uitspraak is daarvoor niet noodzakelijk
en in die zin heeft de man geen belang bij zijn vordering.

De door de man genoemde datum van 22 mei 1998 is kennelijk gebaseerd op de
gedachte dat de door de man in gijzeling doorgebrachte periode van drie dagen
uit hoofde van het vonnis in kort geding d.d. 31 oktober 1997 bij de periode
van maximaal één jaar moet worden inbegrepen.

Deze zienswijze is niet juist. Na het ondergaan van de eerste gijzeling van
drie dagen is de man opnieuw in gebreke gebleven de twee minderjarigen aan de
vrouw af te geven en is er een nieuwe “schuld” ontstaan in de zin van art.
591 Rv.

in conventie en in reconventie:
Aangezien partijen gewezen echtelieden zijn en zowel de vordering van de
vrouw in conventie, als de vordering van de man in reconventie worden
afgewezen, ziet de president aanleiding de proceskosten tussen partijen te
compenseren.

Rechters

Mr De Klerk-Leenen