Instantie: Centrale Raad van Beroep, 12 mei 1999

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Wet pensioenverevening bij echtscheiding. Gedaagde dient na te gaan of bij de
scheiding voldoende rekening is gehouden met het niet of niet voldoende
opbouwen van pensioenrechten van de vrouw. Bij dat onderzoek dient gedaagde
zich te beperken tot hetgeen uit bijvoorbeeld huwelijksvoorwaarden, convenant
of vonnis blijkt. Indien uit dit onderzoek geen grond bestaat om van
verevening af te zien, dient gedaagde tot verevening over te gaan. Dat dient
ook te gebeuren indien er sprake is van een geschil tussen echtgenoten over
de vraag of bij de echtscheiding voldoende rekening is gehouden met het feit
dat de vrouw onvoldoende pensioen heeft opgebouwd. In casu is niet gebleken
van uitdrukkelijke onderlinge afspraken inzake de verdeling van het pensioen.
Het ABP heeft het verzoek van de vrouw om toepassing te geven aan art. 12 lid
2 Wet pensioenverevening bij echtscheiding, dan ook terecht ingewilligd.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden heeft mr M.J.
Hamer, advocaat te ‘s-Gravenhage, als voormalige gemachtigde van appellant
hoger beroep ingesteld tegen de op 18 oktober 1996 door de
Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage onder nummer 95/10532 ABP gegeven
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Mr I. Brand, advocaat te ‘s-Gravenhage, heeft bij brief d.d. 16 januari 1997
aan de Raad het standpunt van derde partij uiteengezet en voorts verzocht de
aangevallen uitspraak te bevestigen.

Appellant heeft bij brief d.d. 9 juli 1997 (met bijlage) het hoger beroep
nader toegelicht.

Bij brief d.d. 11 juli 1997 heeft mr 1. Brand voornoemd aan de Raad een
afschrift toegezonden van een beschikking van de Tweede Enkelvoudige Kamer
voor burgerlijke zaken van de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage d.d.
27 mei 1997, gegeven in een tussen appellant en derde partij gerezen geschil.

Het geding is behandeld ter zitting op 1 april 1999
Aldaar is appellant in persoon verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr M.J.W.A. Beulen-Darmstadt, werkzaam bij de
Stichting Pensioenfonds ABP. Voor derde partij is verschenen mr J. de Bie
Leuveling Tjeenk, advocaat te ‘s-Gravenhage

II. MOTIVERING

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat ten gronde in geding is de
toepassing van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) met
betrekking tot een pensioen ingevolge de (inmiddels ingetrokken) Algemene
burgerlijke pensioenwet (hierna te noemen: de Wet).

Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat de rechtbank zich terecht en op
goede gronden absoluut en relatief bevoegd heeft geacht van het beroep van
appellant kennis te nemen. De door de rechtbank in aanmerking genomen gronden
dienen ook als motivering van ’s Raads inzicht dat hij bevoegd is om in hoger
beroep van de gedingen kennis te nemen. De Raad wijst in dit verband nog op
de wetshistorie van de Wet VPS, waarvan in het bijzonder de Kamerstukken II,
1990-1991, 21 893 nr. 13, p. 16 onder 5, en de Kamerstukkken II, 1991-1992,
21 893 nr 5, p. 26 onder IV.

De Raad gaat ten behoeve van zijn oordeelsvorming uit van de feiten die de
rechtbank in rubriek 3 van de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft
aangenomen, welke feiten in hoger beroep niet in geschil zijn. Kern van deze
feiten is, dat de rechtsvoorganger van gedaagde met betrekking tot het aan
appellant ingevolge de Wet toegekende ouderdomspensioen ten gunste van derde
partij toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 12, tweede lid,
van de Wet VPS en dat appellant zich daarmee niet kan verenigen.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS is deze wet van
overeenkomstige toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden vóór 27
november 1981, mits het huwelijk ten minste 18 jaren heeft geduurd en er
tijdens het huwelijk minderjarige kinderen waren, en met dien verstande dat
het deel, bedoeld in artikel 2, tweede lid, slechts één vierde bedraagt van
het pensioen dat ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, zou moeten worden
uitbetaald, en dat er geen recht op pensioenverevening is voor zover reeds
aantoonbaar rekening is gehouden met de omstandigheid dat de tot verevening
gerechtigde echtgenoot geen of onvoldoende pensioen had opgebouwd. Ook in
geval van een geschil hieromtrent tussen de echtgenoten is het
uitvoeringsorgaan gehouden tot uitbetaling ingevolge artikel 2, derde lid,
zolang de rechter niet op verzoek van één der echtgenoten anders beslist.

Artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS is het resultaat van een gewijzigd
amendement van de leden Kalsbeek-Jasperse en Soutendijk-van Appeldoorn
(Kamerstukken II, 1992-1993, 21 893, nr. 30).
In het licht van de bij de parlementaire behandeling door de indieners van
dit amendement gegeven toelichting is de rechtbank tot het oordeel gekomen
dat ter zake van de toepassing van artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS op
het uitvoeringsorgaan een beperkte onderzoeksplicht rust, die erop neerkomt
dat het uitvoeringsorgaan in de eerste plaats heeft na te gaan of aan de in
de eerste volzin van artikel 12, tweede lid, genoemde objectieve criteria van
huwelijksduur en het bestaan van minderjarige kinderen is voldaan. Wat
betreft de vraag of aantoonbaar rekening is gehouden met de omstandigheid dat
de tot verevening gerechtigde echtgenoot geen of onvoldoende pensioen had
opgebouwd, dient het uitvoeringsorgaan zich naar het oordeel van de rechtbank
bij het onderzoek te beperken tot de vaststelling of uit bijvoorbeeld
huwelijksvoorwaarden dan wel uit echtscheidingsconvenant of – vonnis,
expliciet en uitdrukkelijk blijkt dat bij de scheiding rekening is gehouden
met het niet of onvoldoende opbouwen van pensioenrechten door de
vereveningsgerechtigde. Indien na deze beperkte en objectiveerbare
verificatie geen grond bestaat om reeds daarom van verevening af te zien,
dient het uitvoeringsorgaan tot verevening over te gaan overeenkomstig de in
de Wet VPS voorgeschreven wijze. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat,
naar ook volgt uit de laatste volzin van artikel 12, tweede lid, van de Wet
VPS, het uitvoeringsorgaan ook tot verevening dient over te gaan in het geval
sprake is van een geschil tussen de echtgenoten omtrent de vraag of bij de
scheiding aantoonbaar rekening is gehouden met de omstandigheid dat de tot
verevening gerechtigde echtgenoot geen of onvoldoende pensioen heeft
opgebouwd. Een zodanig geschil dient naar het oordeel van de rechtbank te
worden voorgelegd aan de civiele rechter.

De Raad acht het oordeel van de rechtbank juist en kan de daaraan ten
grondslag gelegde overwegingen volledig onderschrijven. Hetgeen door of
namens appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een
ander inzicht kunnen brengen.

Met inachtneming van het voorgaande stelt ook de Raad vast dat de
rechtsvoorganger van gedaagde gelet op de ter zake van de echtscheiding van
appellant en derde partij beschikbare gegevens op goede gronden heeft
geoordeeld dat niet is gebleken van uitdrukkelijke, niet voor tweeërlei
uitleg vatbare, afspraken inzake de verdeling van pensioenaanspraken, zodanig
dat met voldoende zekerheid valt aan te nemen dat aantoonbaar rekening is
gehouden met de omstandigheid dat derde partij geen dan wel onvoldoende
pensioen had opgebouwd. Dit brengt mee dat de rechtsvoorganger van gedaagde
het verzoek van derde partij om met betrekking tot het pensioen van appellant
ingevolge de Wet toepassing te geven aan artikel 12, tweede lid, van de Wet
VPS terecht heeft ingewilligd. Dit geldt naar het oordeel van de Raad temeer,
nu in hoger beroep voorts is gebleken dat de civiele kamer van de rechtbank
in een tussen appellant en derde partij gerezen geschil in het kader van de
toepassing van artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS bij – door appellant
niet in rechte aangevochten – beschikking d.d. 27 mei 1997 heeft beslist dat
in het kader van de financiële afwikkeling van de echtscheiding niet
aantoonbaar rekening is gehouden met pensioenderving door derde partij.

Op grond van het vorenstaande zal de Raad de aangevallen uitspraak dan ook
bevestigen. De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing
te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs Treffers, Garvelink-Jonkers en Beuker-Tilstra

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 12 mei 1999

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


In geding is of bij toepassing van art. 12 Wet pensioenverevening bij
echtscheiding (VPS) een tijdens het huwelijk uitgesproken scheiding van tafel
en bed van betekenis is. Art. 1 Wet VSP stelt echtscheiding gelijk aan
scheiding van tafel en bed. Volgens de Centrale Raad van Beroep is de wet VPS
derhalve van toepassing als de scheiding van tafel en bed vóór 27-11-1981 in
kracht van gewijsde is gegaan en het huwelijk op dat moment achttien jaar had
geduurd en er minderjarige kinderen waren tijdens het huwelijk.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding.

Namens appellante heeft mr R.K. van der Brugge, advocaat te ‘s-Gravenhage,
bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de op 20 december 1996 door de
Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage onder nummer 96/5509 ABP gegeven
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. In een aanvullend beroepschrift
is uiteengezet waarom appellante zich met de aangevallen uitspraak niet kan
verenigen.

Derde partij heeft zich bij brieven d.dis 25 en 27 april 1997 tot de Raad
gewend.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is – gevoegd met
enige andere gedingen – behandeld ter zitting van 1 april 1999. Daar is
appellante verschenen bij haar gemachtigde mr R.K. van der Brugge voornoemd
en heeft gedaagde zich doen vertegenwoordigen door mr M.J.W.A.
Beulen-Darmstadt, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP, en is derde
partij in persoon verschenen.

II Motivering

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat ten gronde in geding is de
toepassing van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) met
betrekking tot een pensioen ingevolge de (inmiddels ingetrokken) Algemene
burgerlijke pensioenwet (Abpw).

Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat de rechtbank zich terecht en op
goede gronden absoluut en relatief bevoegd heeft geacht van het beroep van
thans appellante (toen eiseres) kennis te nemen. De door de rechtbank in
aanmerking genomen gronden dienen ook als motivering van ’s Raads inzicht dat
hij bevoegd is om in hoger beroep van het geding kennis te nemen. De Raad
wijst in dit verband nog op de wetshistorie van de Wet VPS, waarvan in het
bijzonder de Kamerstukken II, 1990-1991, 21 893, nr. 13, p. 16 onder 5, en de
Kamerstukken II, 1991-1992, 21 893, nr 5, p. 26 onder IV. De Raad is niet
gebleken dat mede een geschil voorligt waarin een andere rechter, met name de
burgerlijke rechter, in absolute zin competent is.

De Raad gaat ten behoeve van zijn oordeelsvorming uit van de feiten die de
rechtbank in rubriek 3 van de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft
aangenomen, welke feiten in hoger beroep niet in geschil zijn. Kern van deze
feiten is, dat het huwelijk tussen appellante en derde partij ten gevolge van
scheiding van tafel en bed niet tenminste 18 jaar heeft geduurd en dat het
verzoek van appellante om te komen tot een verevening van het pensioen,
waarop derde partij ingevolge de Abpw recht heeft, is afgewezen op grond van
het bepaalde in artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS.

De Raad overweegt het volgende.

Naar de woorden van artikel 12, eerste lid, van de Wet VPS is deze wet niet
van toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden voor de datum van
inwerkingtreding van de wet (zijnde 1 mei 1995).
Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS is deze wet van niettemin
overeenkomstige toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden vóór 27
november 1981, mits – voor zover hier van belang – het huwelijk ten minste 18
jaren heeft geduurd.

Ook in hoger beroep neemt appellante de stelling in dat voor de toepassing
van artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS moet worden uitgaan van de duur
van het formele huwelijk en dat een staande huwelijk plaatsgevonden scheiding
van tafel en bed niet van betekenis is.
Indien deze stelling in rechte wordt gevolgd, zou appellante wel ingevolge
artikel 12, tweede lid, van de Wet aanspraak hebben op verevening van het
pensioen waarop derde partij op grond van de Abpw recht heeft.

De Raad kan deze stelling echter niet onderschrijven.

Hiertoe acht de Raad in de eerste plaats van betekenis dat ingevolge artikel
1, eerste lid aanhef en onder a, van de Wet VPS, voor de toepassing van het
bij of krachtens de VPS bepaalde onder scheiding wordt verstaan:
echtscheiding of scheiding van tafel en bed.
Tevens acht de Raad van belang dat in artikel 1, eerste lid onder b, van de
Wet VPS een regeling inzake het tijdstip van scheiding is neergelegd die voor
echtscheiding anders luidt dan voor scheiding van tafel en bed.

Gezien naar beide onderdelen van artikel 1, eerste lid, van de Wet VPS lijdt
het naar ’s Raads oordeel geen twijfel dat artikel 12, eerste lid, van de Wet
VPS zo moet worden uitgelegd, dat de Wet VPS in gevallen van scheiding van
tafel en bed naar de hoofdregel enkel van toepassing is op die gevallen,
waarin de beschikking tot scheiding van tafel en bed op of na 1 mei 1995 in
kracht van gewijsde is gegaan.
Voorts is de Raad van oordeel dat het tweede lid van artikel 12 van de Wet
VPS betekent dat de Wet VPS van overeenkomstige toepassing is op een
scheiding van tafel en bed (ook in het geval zij, zonder verzoening, door
echtscheiding is gevolgd) indien de desbetreffende beschikking op een
tijdstip vóór 27 november 1981 kracht van gewijsde heeft verkregen, mits het
huwelijk tot aan het desbetreffende tijdstip van scheiding 18 jaren heeft
geduurd.

De uitleg van artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS die appellante bepleit,
ontdoet de specifieke regeling die de Wet VPS geeft aangaande het tijdstip
van scheiding in geval van scheiding van tafel en bed van haar kracht. Dit is
daarom onaanvaardbaar, omdat juist het tijdstip van scheiding in artikel 12,
eerste en tweede lid, van de Wet VPS de temporele werking van de Wet VPS
bepaalt.

Met inachtneming van het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat de
rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat de
rechtsvoorganger van
gedaagde het verzoek van appellante om pensioenverevening op juiste wijze
heeft afgewezen. Mitsdien komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking.

De Raad, die tenslotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten, beslist als volgt.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende,

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs Treffers, Garvelink-Jonkers en Beuker-Tilstra

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 12 mei 1999

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Hoger beroep van rechtbank Den Bosch 4 april 1997 (Nemesis 1999/2, nr. 1019).
Appellant is in 1996 veroordeeld voor verkrachting van geïntimeerde. Het
onderhavige vonnis behandelt uitsluitend nog vergoeding van de inkomensschade
van de vrouw (geïntimeerde). De rechtbank heeft geoordeeld dat haar
studievertraging het gevolg is geweest van de terugval van de psychische
toestand van de vrouw na de verkrachting en stelt de duur van de vertraging
vast op twee jaar. De schadevergoeding wordt bepaald op ƒ 25.000. De man
betoogt in hoger beroep dat de studievertraging niet een gevolg is geweest
van de verkrachting, maar wordt veroorzaakt door de eigen keuze van de vrouw.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en stelt vast dat de
vertraging van twee jaar enkel is veroorzaakt door de psychische schade. Wat
betreft de keuze van de vrouw om eerst een jaar vrijwilligerswerk te gaan
doen, stelt het hof dat dit geen vrije keuze is geweest, maar dat de vrouw
dit op advies van haar therapeut heeft gedaan.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg (rolnr. H 93/2526)

Het hof verwijst dienaangaande naar voormeld vonnis alsmede naar de daaraan
voorafgaande tussenvonnissen d.d. 8 april 1994, 3 februari 1995 en 2 augustus
1996, waarvan de inhoud aan partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft B. grieven aangevoerd, producties overgelegd en
vervolgens geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot
afwijzing van de vorderingen van S.

Bij memorie van antwoord heeft S. de grieven bestreden.

Partijen hebben daarna de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak
gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Met de grieven stelt B. een deel van het vonnis d.d. 4 april 1997 ter
discussie.

4. De beoordeling

4.1. Op 28 januari 1993 is S. door B. verkracht op de wijze zoals is vermeld
in rov. 2.1. van het vonnis d.d. 3 februari 1995.

4.2. In verband hiermee heeft S. in dit geding van B. onder meer gevorderd:
a. Materiële schade wegens inkomstenderving
b. Immateriële schade.

4.3. Terzake materiële schade wegens inkomstenderving heeft de rechtbank een
bedrag van F. 25.000 toegewezen, te betalen per 1 augustus 1998, vermeerderd
met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 1998.

4.4. De rechtbank heeft deze beslissing als volgt gemotiveerd:
a. Uitgangspunt is dat S., ook indien zij niet verkracht was, van
studierichting veranderd zou zijn, te weten in plaats van een (HBO-) studie
pedagogiek een (HBO-) studie maatschappelijk werk zou zijn gaan volgen (rov.
2.3. van het beroepen vonnis);
b. Uitgangspunt is voorts dat S., indien zij niet verkracht zou zijn, een
MBO-studie maatschappelijk werk zou zijn gaan volgen van september 1993 tot 1
augustus 1995, daarna part-time zou zijn gaan werken op MBO-niveau vanaf 1
augustus 1995 en vanaf dat tijdstip tevens een HBO-studie maatschappelijk
werk zou zijn gaan volgen tot 1 augustus 1998. Vanaf 1 augustus 1998 zou zij
dan full-time zijn gaan werken op HBO-niveau.
c. In verband met de verkrachting is S. pas met haar MBO-studie begonnen per
1 augustus 1995, zodat zij pas in augustus 1997 (2 jaar later) aan haar
HBO-studie kon beginnen en dus pas 2 jaar later full-time op HBO-niveau kan
gaan werken.
d. Uitgaande van een full-time HBO-salaris van F. 2.500 gemiddeld netto per
maand en het feit dat S. tijdens de HBO-studie ƒ 1.110 gemiddeld netto per
maand als part-time MBO-salaris ontvangt, is de schade ƒ 1.400 per maand, en
dus over een periode van 2 jaar ƒ 33.600.
e. De verplichting tot betaling van dit totaal bedrag wordt gematigd tot ƒ
25.000 op grond van art. 6: 109, lid 1 BW (rov. 2.8.)

4.5. B. betoogt dat de vertraging van 2 jaar niet een gevolg is van de
verkrachting, omdat deze vertraging voortvloeit uit de eigen keuzes van S.,
te weten
a. de keuze te veranderen van studierichting;
b. de keuze eerst een MBO-studie te volgen in plaats van direct op HBO-niveau
te beginnen op full-time of part-time basis. Deze keuze vloeide voort uit het
feit dat S. verhuisde (van M.: toev. hof) naar N. en zij in de gemeente N.
niet met behoud van haar RWW-uitkering de HBO-studie kon volgen;
c. de keuze om eerst een jaar vrijwilligerswerk te doen. Daartoe bestond
volgens B. geen noodzaak. Niet gebleken is dat zulks door haar behandelend
therapeut was geadviseerd.

4.6. Het hof oordeelt omtrent dit betoog van B. als volgt.
4.6.1. Voorzover er vertraging in het studieverloop van S. is ontstaan als
gevolg van de verandering van studierichting en van de keuze eerst een
MBO-studie te volgen, is die studievertraging – en de daardoor ontstane
inkomstenderving – door de rechtbank niet in de schadeberekening betrokken.
In de schadeberekening van de rechtbank wordt er immers vanuitgegaan, dat S.
genoemde keuzes ook gemaakt zou hebben als zij niet was verkracht en dat een
eventuele daardoor ontstane vertraging niet aan de verkrachting is toe te
rekenen.

4.7. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vertraging van 2 jaar in de eerste
plaats een gevolg is van de terugval in de psychische toestand van S., welke
terugval een gevolg was van de verkrachting door B. (rov. 2.6. van het vonnis
d.d. 4 april 1997 in verbinding met 3.2. vonnis d.d. 2 augustus 1996). Door
die terugval was een tweede opname nodig, gevolgd door dagbehandelingen tot
juni 1994. Hiermee is een vertraging van een jaar tot augustus 1994 gegeven.
4.7.1. De rechtbank heeft voorts overwogen dat vanaf juni 1994 een periode
van nabehandeling is gevolgd en S. op advies van haar behandelend therapeut
niet direkt haar studie heeft hervat, maar eerst een jaar vrijwilligerswerk
heeft verricht. Deze handelwijze achtte de rechtbank redelijk, zodat de
verkrachting ook als oorzaak van deze verdere vertraging met een jaar bleef
gelden.

4.8. In eerste aanleg heeft S. gesteld (pag. 2 van akte d.d. 4 oktober 1996)
dat zij na afloop van de dagbehandelingen in de periode van juni 1994 tot
februari 1995 in het kader van een nabehandeling wekelijks therapie kreeg en
voorts (pag. 3 van die akte) dat de behandelend therapeut haar adviseerde na
afloop van de dagbehandeling eerst een jaar vrijwilligerswerk te gaan doen en
zo te werken aan een volledig herstel, alvorens met de opleiding te gaan
beginnen.
4.8.1. Bij antwoordakte d.d. 13 december 1996 heeft B. dit een en ander niet
weersproken, maar wel betwist dat er enige noodzaak was om eerst
vrijwilligerswerk te gaan doen en dat de financiële gevolgen van de keuze van
S. om zulks op advies van de therapeut te gaan doen voor rekening van S.
moeten blijven.

4.9. In hoger beroep handhaaft B. zijn standpunt en stelt hij dat de
rechtbank niet zonder nadere motivering had mogen aannemen dat S. op advies
van de therapeut een jaar vrijwilligerswerk is gaan doen.

4.10. Nu B. in eerste aanleg de stellingen van S., zoals hierboven vermeld
onder 4.8. niet had weersproken, stond het de rechtbank vrij aan te nemen dat
de therapeut S. heeft geadviseerd gedurende een jaar vrijwilligerswerk te
gaan doen.
4.10.1. Ook het hof gaat ervan uit dat de therapeut dit heeft geadviseerd, nu
B. dit in eerste aanleg niet heeft betwist en ook thans geen gronden aanvoert
die de conclusie wettigen dat de desbetreffende stelling van S. onjuist is.
Voorts acht ook het hof het redelijk dat S. dit advies van de therapeut heeft
gevolgd. Er zijn geen gronden om aan te nemen dat de belangen van S. beter
gediend waren wanneer zij na afloop van de dagbehandelingen in 1994 full-time
met de studie was begonnen dan wel part-time was gaan studeren en part-time
was gaan werken. Gelet op dit advies staat de schade wegens studievertraging
tengevolge van het jaar vrijwilligerswerk nog steeds in zodanig verband met
de verkrachting dat ook deze schade als gevolg van die verkrachting aan B.
kan worden toegerekend.

4.11. Op vorenstaande gronden falen de grieven van B. en moet het beroepen
vonnis worden bekrachtigd.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 4 april 1997, waarvan beroep;

veroordeelt B. in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van
S. gevallen en tot op heden bepaald op ƒ 590 wegens griffierecht en ƒ 1.700
wegens salaris procureur, op de voet van art. 57b Rv te voldoen aan de
griffier van dit hof

Rechters

Mrs Bod, Goossens en Kranenburg

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 12 mei 1999

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Hoger beroep van Rechtbank ‘s-Gravenhage 20 december 1996 (RN 1997, 798).
Volgens de Wet pensioenverevening bij echtscheiding (VPS) heeft de vrouw,
omdat zij voor 1981 is gescheiden, recht op een kwart van het
ouderdomspensioen van haar ex-man. De vrouw maakt aanspraak op de helft van
het pensioen. De rechtbank wijst de vordering af. De Centrale Raad van Beroep
bevestigt dit en oordeelt dat art. 12 lid 2 VPS niet in strijd is met
internationaal recht. De wetgever heeft aan de VPS zodanige motieven ten
grondslag gelegd dat van enige niet te tolereren vorm van ongelijke
behandeling geen sprake is.
ABP en 97/997 ABP)

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van de gedingen.

Namens appellanten heeft mr R.K. van der Brugge, advocaat te ‘s-Gravenhage,
bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de op 20 december 1996 door de
Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage onder nummer 95/11046 ABP gegeven
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. In geljikluidende aanvullende
beroepschriften is uiteengezet waarom appellanten zich met de aangevallen
uitspraak niet kunnen verenigen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn -tezamen met enige andere gedingen- gevoegd behandeld ter
zitting van 1 april 1999. Daar is appellante 1 verschenen bij haar
gemachtigde mr Van der Brugge voornoemd; appellante 2 is verschenen bij haar
voorzitter C.L. de Saint Aulaire en mr Van der Brugge; gedaagde heeft zich
doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr M.J.W.A. Beulen-Darmstadt,
werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP; derde partij is niet verschenen.

II Motivering

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat ten gronde in geding is de
toepassing van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) met
betrekking tot een pensioen ingevolge de (inmiddels ingetrokken) Algemene
burgerlijke pensioenwet (Abpw).

Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat de rechtbank zich terecht en op
goede gronden absoluut en relatief bevoegd heeft geacht van de beroepen van
thans appellanten (toen eiseressen) kennis te nemen. De door de rechtbank in
aanmerking genomen gronden dienen ook als motivering van ’s Raads inzicht dat
hij bevoegd is om in hoger beroep van de gedingen kennis te dragen. De Raad
wijst in dit verband nog op de wetshistorie van de Wet VPS, waarvan in het
bijzonder de Kamerstukken II, 1990-1991, 21 893, nr. 13, p. 16 onder 5, en de
Kamerstukken II, 1991-1992, 21 893, nr. 5, p. 26 onder IV. De Raad is niet
gebleken dat mede een geschil voorligt waarin een andere rechter, met name de
burgerlijke rechter, in absolute zin competent is.

De Raad gaat ten behoeve van zijn oordeelsvorming uit van de feiten die de
rechtbank in rubriek 3 van de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft
aangenomen, welke feiten in hoger beroep niet in geschil zijn. Kern van deze
feiten is, dat het huwelijk tussen appellante 1 en derde partij ten gevolge
van echtscheiding niet ten minste 18 jaar heeft geduurd en dat het verzoek
van appellante 1 om te komen tot een verevening van het pensioen waarop derde
partij ingevolge de Abpw recht heeft, is afgewezen op grond van het bepaalde
in artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS.

Met betrekking tot het hoger beroep van appellante 1 overweegt de Raad
het volgende.

Appellante 1 is van mening dat artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS strijdt
met diverse regels van internationaal en supra-nationaal recht en daarom
buiten toepassing gelaten moet worden. Appellante 1 heeft in dit kader een
appèl gedaan op artikel 119 van het EG-Verdrag en de Richtlijn 86/378/EEG,
artikel 14 van (in samenhang met het Eerste Protocol bij) het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden, artikel 26
van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en
op enige artikelen van het Verdrag inzake de uitbanning van discriminatie van
vrouwen (IVDV). Hiermee beoogt appellante 1 te bewerkstelligen dat zij – en
met haar ieder ander die vóór 27 november 1981 is gescheiden van echt dan wel
van tafel en bed – zonder onderscheid naar geslacht en gezinssituatie
ingevolge de Wet VPS aanspraak kan maken op een verevening van de helft van
het uit te betalen pensioen.

De Raad kan – en zal – dit appèl beoordelen zonder in te gaan op de betekenis
die elk van genoemde verdragen in casu heeft, aangezien voorschriften aan de
orde zijn die eenzelfde dan wel soortgelijke strekking hebben. Hierbij laat
de Raad overigens in het midden of de ingeroepen voorschriften van het IVDV
in het onderhavige geval een rechtstreekse werking hebben.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Wet VPS is deze wet niet van
toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden vóór de datum van
inwerkingtreding van de wet, die is vastgesteld op 1 mei 1995.
Het tweede lid van artikel 12 van de Wet VPS bepaalt dat deze wet niettemin
van overeenkomstige toepassing is op een scheiding die heeft plaatsgevonden
vóór 27 november 1981, mits het huwelijk ten minste 18 jaren heeft geduurd en
er tijdens het huwelijk minderjarige kinderen waren, en met dien verstande
dat het deel, bedoeld in artikel 2, tweede lid, slechts één vierde bedraagt
van het pensioen dat ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, zou moeten
worden betaald.

Artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS is het resultaat van een gewijzigd
amendement van de leden Kalsbeek-Jasperse en Soutendijk-van Appeldoorn
(Kamerstukken II, 1992-1993, 21 893, nr. 30). Uit de toelichting bij het
amendement komt naar voren dat het voorgestelde artikel 12, tweede lid, een
strikte uitzonderingsbepaling bevat in een wet die – als gememoreerd –
overigens betrekking heeft op (kort gezegd) scheidingen na 1 mei 1995. Uit de
behandeling van het Ontwerp in de Tweede Kamer van de Staten-Generaal is naar
voren gekomen dat het voorgestelde artikel 12, tweede lid, bedoeld is voor
een groep van oudere vrouwen met een langdurig huwelijk waaruit kinderen
moeten zijn voortgekomen, van welke groep de omvang is beperkt in verband met
in aanmerking genomen eisen van rechtszekerheid, onder andere meegebracht
door de belangen van de gewezen echtgenoten die ten tijde van hun scheiding
volstrekt geen rekening hoefden te houden met een eventuele toekomstige
pensioenverevening (TK 30 juni 1993, Handelingen II, 85-6239-6301).

In zoverre appellante 1 van mening is dat artikel 12, tweede lid, van de Wet
VPS een ongeoorloofd onderscheid uit hoofde van geslacht inhoudt, volgt de
Raad haar niet, reeds aangezien dit voorschrift naar de tekst ervan niet enig
onderscheid uit hoofde van geslacht bevat.

Gezien de zojuist beschreven wetshistorie heeft de wetgever met artikel 12,
tweede lid, van de Wet VPS wel het oog gehad op een bepaalde groep vrouwen.
Aan dit oogmerk heeft de wetgever evenwel zodanige motieven ten grondslag
gelegd dat, naar ’s Raads oordeel, van enige niet te tolereren vorm van
ongelijke behandeling als door appellante 1 overigens bedoeld, geen sprake
is.
Daarom slaagt het appèl van appellante 1 op de hiervoren genoemde
voorschriften van internationaal en supra-nationaal recht ook in dit opzicht
niet.

Hetgeen appellante 1 overigens naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet
tot een ander oordeel kunnen brengen.

Met inachtneming van het voorgaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat
de rechtbank bij de aangevallen uitspraak met juistheid heeft geoordeeld dat
de rechtsvoorganger van gedaagde het verzoek van appellante 1 om
pensioenverevening terecht en op goede gronden heeft afgewezen.
In zoverre komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Met betrekking tot het hoger beroep van appellante 2 is de Raad tot het
volgende gekomen.

Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep dat
appellante 2 tegen het besluit van gedaagde d.d. 19 oktober 1995 heeft
ingesteld, met toepassing van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht
(ab) niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Dit acht de Raad juist; hij kan de overweging van de rechtbank ter zake ten
volle onderschrijven. De Raad laat in dit verband wegen dat appellante 2 in
hoger beroep geen argumenten naar voren heeft gebracht die uitwijzen dat zij
wel is aan te merken als belanghebbende in de zin van genoemd wettelijke
voorschrift.
Ook in dit opzicht dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als
volgt.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Rechtdoende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover in hoger beroep aangevochten.

Rechters

Mrs Treffers, Garvelink-Jonkers en Beuker-Tilstra

Instantie: Hof van Justitie EG, 11 mei 1999

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


In Oostenrijk kunnen ziekenfondsen verschillende soorten psychotherapeuten in
dienst hebben, zoals artsen met een medische opleiding (vooral mannen) en
gediplomeerde psychologen (vooral vrouwen). De psychologen ontvangen op gond
van hun “CAO” een lager loon dan de artsen, terwijl hetzelfde werk wordt
verricht. Is er sprake van gelijke arbeid in de zin van artikel 119
EG-verdrag? Het Hof oordeelt dat bij beantwoording hiervan gekeken moet
worden naar de aard van de taken die aan deze groep werknemers (kunnen)
worden opgedragen, de vereiste opleiding en de arbeidsomstandigheden. De
artsen en psychologen blijken verschillende kennis en bekwaamheden te
gebruiken in hun werk. Ook zijn de artsen bevoegd op meer gebieden te werken
dan de psychologen. Er is geen sprake van gelijke arbeid.

Volledige tekst

Arrest

1. Bij beschikking van 5 mei 1997, ingekomen bij het Hof op 4 september
daaraanvolgend, heeft het Oberlandesgericht Wien krachtens artikel 234 EG (ex
artikel 177) zeven prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel
119 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 141 EG) en van richtlijn
75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar
brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het
beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB
45, blz. 19; hierna: “richtlijn”).

2. Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de Angestelltenbetriebsrat
der Wiener Gebietskrankenkasse (hierna: “Angestelltenbetriebsrat”) en de
Wiener Gebietskrankenkasse (hierna: “Gebietskrankenkasse”) over de beloning
van de als psychotherapeut werkzame gediplomeerde psychologen.

3. Blijkens de verwijzingsbeschikking wordt de beloning van de werknemers van
de Oostenrijkse socialeverzekeringsorganen geregeld in verschillende
Dienstordnungen die de vorm van collectieve arbeidsovereenkomsten hebben en
op de verschillende personeelsgroepen van toepassing zijn. Zo worden de
psychologen die bevoegd zijn hun beroep als zelfstandige uit te oefenen,
ingeschaald in salarisgroep F, rang 1, van Dienstordnung A (hierna: “DO.A”),
die van toepassing is op de administratieve medewerkers, het verplegend
personeel en de tandtechnici, terwijl de artsen-specialisten die bevoegd zijn
hun beroep als zelfstandige uit te oefenen, worden ingeschaald in
salarisgroep B, rang 111, van Dienstordnung B (hierna: “DO.B”), die van
toepassing is op artsen en tandartsen. Ter vergelijking: het netto
basissalaris van een werknemer in salarisgroep F, rang 1, van de DO.A.
bedroeg in 1995 tussen 24 796 en 51 996 ÖS, terwijl dat van een arts in
salarisgroep B, rang 111, van de DO.B tussen 42 197 en 73 457 ÖS bedroeg.

4. Verder blijkt uit de verwijzingsbeschikking dat de betrokken organen drie
verschillende categorieën psychotherapeuten in dienst kunnen hebben. artsen
met een voltooide huisartsen- of specialistenopleiding, gediplomeerde
psychologen die bevoegd zijn hun beroep in de gezondheidssector als
zelfstandige uit te oefenen, en ten slotte personen die een algemene en een
gespecialiseerde opleiding in de psychotherapie hebben gevolgd, doch niet de
titel van arts of psycholoog bezitten.

5. De Angestelltenbetriebsrat verzocht het Arbeits- und Sozialgericht vast te
stellen, dat op de dienstbetrekkingen ontstaan uit arbeidsovereenkomsten
tussen de Gebietskrankenkasse en de psychotherapeuten met een met een
doctordiploma afgesloten studie psychologie, DO.B van toepassing was, en dat
de betrokkenen in dezelfde salarisgroep moesten worden ingeschaald als de als
psychotherapeut werkzame artsen (dat wil zeggen in salarisgroep B, rang III).
Tot staving van deze vordering voerde hij met name aan, dat deze inschaling
naar analogie gerechtvaardigd was wegens de opleiding en activiteit van de
psycholoog-psychotherapeuten, die ook onder DO.B vallende therapeutische
handelingen verrichten, en dat de lagere beloning van deze groep vooral
vrouwen trof

6. De Gebietskrankenkasse betwistte de gegrondheid van deze vordering, die
haars inziens voorbijgaat aan het verschil in opleiding en kwalificatie en
erop zou neerkomen, dat gediplomeerde psychologen worden gelijkgesteld met
artsen-specialisten. Dat de als psychotherapeut werkzame psychologen vooral
vrouwen zijn, is zuiver toeval en in haar poliklinieken zijn meer vrouwen dan
mannen als arts werkzaam.

7. Het Arbeits- und Sozialgericht wees de vordering van de
Angestelltenbetriebsrat af, op grond dat het Gleichbehandlungsgesetz 1979
niet eventuele differentiaties binnen beroepsgroepen, doch alleen de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen in het beroepsleven regelt. Het merkte met
name op, dat de verschillende beloning van de als psychotherapeut werkzame
artsen en psychologen door de partijen bij de collectieve
arbeidsovereenkomsten in onderling overleg is vastgelegd en inzonderheid
wegens het verschil in de op betrokkenen rustende verplichtingen
gerechtvaardigd is, aangezien alleen de als specialisten aangestelde artsen
in noodgevallen verplicht zijn ook andere medische handelingen te verrichten.

8. In hoger beroep stelde het Oberlandesgericht Wien onder meer vast, dat
partijen het eens waren over de volgende feiten: de Gebietskrankenkasse heeft
in totaal 248 artsen, waaronder 135 vrouwen, in dienst; in de door de
Angestelltenbetriebsrat bij name genoemde polikliniek zijn 6 psychologen,
waaronder 5 vrouwen, en 6 artsen, waaronder 1 vrouw als psychotherapeut
werkzaam; van de in totaal 34 in de socialeverzekeringsorganen als
psychotherapeut werkzame personen zijn er 24 gediplomeerd psycholoog,
waaronder 18 vrouwen, en 10 arts, waaronder 2 vrouwen. Het Oberlandesgericht
merkte ook op, dat in Oostenrijk 1 125 mannelijke en 2 338 vrouwelijke
psychologen als psychotherapeut in het beroepsregister zijn ingeschreven.

9. Van oordeel dat, gelet op deze gegevens, voor de oplossing van het geschil
de uitlegging van een aantal communautaire bepalingen nodig is, heeft het
Oberlandesgericht besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof
de volgende vragen te stellen:

“1) Is er ook sprake van gelijke arbeid’ of van ‘een zelfde functie’ in de
zin van artikel 119 EG-Verdrag of richtlijn 751117/EEG wanneer dezelfde
werkzaamheid gedurende langere tijd (verschillende salarisperiodes) wordt
uitgeoefend door werknemers die niet dezelfde bevoegdheid hebben om hun
beroep uit te-oefenen?

2) Is het voor de beoordeling van het bestaan van een discriminatie in de zin
van artikel 1119 EG-Verdrag respectievelijk richtlijn 75/117/EEG eveneens van
doorslaggevend belang, of

a) de beloning enkel wordt bepaald door de partijen bij de
arbeidsovereenkomst, respectievelijk het hen vrijstaat, collectieve
regelingen daarin over te nemen,

b) algemene regelingen (collectieve arbeidsovereenkomsten) minimumbeloningen
voor alle werknemers van een sector bindend voorschrijven, dan wel

c) de beloningen bindend en uitputtend door collectieve arbeidsovereenkomsten
worden geregeld?

3) Wanneer in een collectieve arbeidsovereenkomst die een uitputtende
regeling betreffende de beloning bevat, de beloning voor een gelijke of
gelijkwaardige werkzaamheid wordt gedifferentieerd naar gelang van de
bevoegdheid tot de uitoefening van het beroep, dient dan bij de samenstelling
van referentiegroepen ter beoordeling van de eventuele discriminerende
werking van een maatregel te worden uitgegaan van

a) de concreet in de onderneming van de werkgever werkzame werknemers,

b) de werknemers die onder de collectieve arbeidsovereenkomst vallen,

c) alle personen die bevoegd zijn het beroep uit te oefenen?

4) Moet in een dergelijk geval (vragen 2 en 3) de verhouding tussen het
aantal mannen en vrouwen in de benadeelde groep of in beide groepen in
aanmerking worden genomen?

5) Wanneer de concreet beschouwde identieke werkzaamheid van beide
beroepsgroepen enkel een onderdeel vormt van de onder de bevoegdverklaring
vallende werkzaamheden, dient dan rekening te worden gehouden met

a) alle, met dit type bevoegdverklaring in het betrokken referentiekader
(onderneming, collectieve arbeidsovereenkomst – zie vraag 3) werkzame
personen (alle medische specialisten en psychologen),

b) al degenen die concreet voor deze werkzaamheid geschikt zijn (medische
specialisten in psychiatrie …), of

c) of enkel degenen die deze concreet identieke werkzaamheid verrichten?
6) Kan in geval van gelijke tewerkstelling in de onderneming een
verschillende opleiding een rechtvaardigingsgrond zijn voor een lagere
beloning? Is een omvangrijkere bevoegdverklaring, los van de concrete
tewerkstelling in de onderneming, een objectief criterium voor een
verschillende beloning?

Is dus beslissend, of

a) de beter gesalarieerde groep werknemers in de onderneming ook voor andere
werkzaamheden kan worden ingezet, of

b) is daarvoor het concrete bewijs van het verrichten van die andere
werkzaamheden vereist?

Is het van belang, dat de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten
mede in ontslagbescherming voorzien?

7) Vloeit uit artikel 222 EG-Verdrag of uit de overeenkomstige toepassing van
artikel 174 EG-Verdrag voort, dat een eventueel uit artikel 119 EG-Verdrag of
richtlijn 75/117/EEG af te leiden aanspraak op salariëring volgens een andere
(tussen dezelfde partijen gesloten) collectieve arbeidsovereenkomst eerst
bestaat vanaf de datum van de beslissing van het Hof van Justitie?”

De eerste vraag

10. Artikel 119, eerste alinea, van het Verdrag luidt als volgt: “Iedere
lidstaat verzekert gedurende de eerste etappe en handhaaft vervolgens de
toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en
vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid”. Artikel 119, derde alinea,
bepaalt: “Gelijkheid van beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in: a)
dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis
van een zelfde maatstaf, b) dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde
is voor een zelfde functie.”

11. Artikel 1, eerste alinea, van de richtlijn luidt als volgt: “Het beginsel
van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, neergelegd in
artikel 119 van het Verdrag (…), houdt in dat voor gelijke arbeid of voor
arbeid waaraan gelijke waarde wordt toegekend ieder onderscheid naar kunne
wordt afgeschaft ten aanzien van alle elementen en voorwaarden van de
beloning.” De tweede alinea van dit artikel preciseert: “In het bijzonder,
wanneer voor de vaststelling van de beloning gebruik wordt gemaakt van een
systeem van werkclassificatie, dient dit systeem te berusten op criteria die
voor mannelijke en vrouwelijke werknemers eender zijn, en zodanig te zijn
opgezet dat ieder onderscheid naar kunne is uitgesloten.”

12. De Angestelltenbetriebsrat stelt voor de eerste vraag bevestigend te
beantwoorden. Zijns inziens geldt het door het Hof in zijn arrest van 27
oktober 1993, Enderby (C-127192, Jurispr. blz. 1-5535) gehuldigde beginsel
dat groepen van werknemers met verschillende beroepen en bevoegdverklaringen
gelijkwaardige functies kunnen uitoefenen, a fortiori wanneer identieke
functies op basis van uiteenlopende bevoegdverklaringen worden vervuld.

13. Volgens de Gebietskrankenkasse en de Commissie daarentegen is er geen
sprake van gelijke arbeid in de zin van bovengenoemde bepalingen wanneer
werknemers met een verschillende bevoegdverklaring die verband houdt met
uiteenlopende bekwaamheden en verplichtingen, eenzelfde werkzaamheid
uitoefenen. Zij beklemtonen met name het belang van de beroepsopleiding en
-kwalificatie. De Commissie wijst er verder op, dat het Hof in het arrest
Enderby (reeds aangehaald) de betrokken beroepswerkzaamheden niet als gelijke
arbeid heeft aangemerkt.

14. De Duitse regering herinnert eraan, dat volgens vaste rechtspraak van het
Hof een verschillende beloning voor gelijke arbeid kan worden gerechtvaardigd
door een verschillende beroepsopleiding of bevoegdverklaring. Haars inziens
staat het evenwel aan de nationale rechter de feitelijke gegevens van de voor
hem aanhangige zaak te beoordelen.

15. Allereerst zij erop gewezen, dat er volgens vaste rechtspraak sprake is
van discriminatie wanneer verschillende regels worden toegepast op
vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op
verschillende situaties (zie met name arrest van 13 februari 1996, Gillespie
e.a., C-342/93, Jurispr. blz. 1-475, punt 16).

16. Aangaande het argument van de Angestelltenbetriebsrat kan worden volstaan
met de vaststelling, dat het Hof in het arrest Enderby (reeds aangehaald)
geen standpunt heeft ingenomen over de gelijkwaardigheid van de door
werknemers van verschillende beroepsgroepen uitgeoefende functies. Het Hof
heeft alleen geantwoord op vragen waarin werd aangenomen dat die functies
gelijkwaardig waren, zonder zelf na te gaan of die onderstelling juist was
(zie arrest Enderby, reeds aangehaald, punten 11 en 12).

17. Om uit te maken of werknemers gelijke arbeid verrichten, dient te worden
onderzocht, of deze werknemers, gelet op een reeks van factoren zoals de aard
van het werk, de opleidingsvereisten en de arbeidsomstandigheden, kunnen
worden geacht zich in een vergelijkbare situatie te bevinden (zie in die zin
arrest van 31 mei 1995, Royal Copenhagen, C-400/93, Jurispr. blz. 1-1275,
punten 32 en 33).

18. Wanneer een op het eerste gezicht identieke activiteit wordt uitgeoefend
door verschillende groepen van werknemers die niet dezelfde bevoegdheid of
kwalificatie hebben om hun beroep uit te oefenen, dient te worden nagegaan,
of gelet op de aard van de taken die aan deze respectieve groepen van
werknemers kunnen worden opgedragen, op de voor het vervullen van die taken
vereiste opleiding en op de arbeidsomstandigheden waaronder zij worden
verricht, deze verschillende groepen van werknemers gelijke arbeid in de zin
van artikel 119 van het Verdrag verrichten.

19. Zoals de advocaat-generaal in punt 32, sub c, van zijn conclusie heeft
opgemerkt, is de beroepsopleiding dus niet slechts een van de factoren die
een verschil in beloning van werknemers die gelijke arbeid verrichten,
objectief kunnen rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 17 oktober 1989,
Handels-og Kontorfunktionaerernes Forbund i Danmark, “Danfoss”, 109/88,
Jurispr. blz. 3199, punt 23). Zij is ook een van de criteria aan de hand
waarvan kan worden nagegaan, of de werknemers gelijke arbeid verrichten.

20. Blijkens de verwijzingsbeschikking oefenen de bij de Gebietskrankenkasse
als psychotherapeut werkzame psychologen en artsen weliswaar een op het
eerste gezicht identieke werkzaamheid uit, doch bij de behandeling van hun
patiënten gebruiken zij kennis en bekwaamheden die zij in zeer verschillende
studierichtingen hebben verworven, de enen in een studie psychologie en de
anderen in een studie medicijnen. Verder wijst de nationale rechter erop, dat
ook al passen zowel de artsen als de psychologen concreet psychotherapie toe,
eerstgenoemden ook bevoegd zijn voor de uitoefening van activiteiten die
vallen binnen een ander gebied dan dat waarvoor laatstgenoemden, die alleen
als psychotherapeut kunnen werken, bevoegd zijn. In deze omstandigheden
kunnen twee groepen werknemers met een verschillende beroepsopleiding, die
wegens de verschillende omvang van de op grond van die opleiding verkregen
bevoegdverklaring op basis waarvan zij zijn aangeworven, met verschillende
taken of functies kunnen worden belast, niet worden geacht zich in een
vergelijkbare situatie te bevinden.

22. Dat voor psychotherapie één enkel tarief geldt, doet niet af aan deze
vaststelling. Deze tarifering kan namelijk op overwegingen van sociaal beleid
berusten.

23. Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat van gelijk arbeid
in de zin van artikel 119 van het Verdrag of van de richtlijn geen sprake is
wanneer eenzelfde activiteit gedurende langere tijd wordt uitgeoefend door
werknemers die niet dezelfde bevoegdheid hebben voor de uitoefening van hun
beroep.

De andere vragen

24. Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeven de andere vragen van
de verwijzende rechter niet te worden beantwoord.

Kosten

25. De kosten door de Duitse regering en de Commissie wegens indiening van
hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in
aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de
procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale
rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Oberlandesgericht Wien bij beschikking van 5
mei 1997 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Van gelijke arbeid in de zin van artikel 119 EG-Verdrag (thans, na
wijziging, artikel 141 EG) of van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10
februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der
lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor
mannelijke en vrouwelijke werknemers, is geen sprake wanneer eenzelfde
activiteit gedurende langere tijd wordt uitgeoefend door werknemers die niet
dezelfde bevoegdheid hebben voor de uitoefening van hun beroep.

Rechters

Mrs. Rodriguez Iglesias, Puissochet, Hirsch, Jann, Moitinho de Almeida,Gulmann, Edward, Ragnemalm en Wathelet

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 9 mei 1999

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


De vrouw heeft van 1973 tot 1978 als schoonmaakster bij de gemeente gewerkt
op basis van een serie arbeidsovereenkomsten voor de duur van vijf maanden
met telkens een tussenruimte van 24 uur (draaideurconstructie). Door
toepassing van deze draaideurconstructie kwam zij niet in aanmerking voor
pensioenopbouw over de periode 1973-1978.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van indirecte discriminatie. Het
schoonmaakpersoneel bestond voor ongeveer 94 procent uit vrouwen. Voor dit
indirect onderscheid bestaat geen rechtvaardigingsgrond.
De rechtbank baseert haar oordeel op het Bilka-arrest van 13 mei 1987. De
terugwerkende kracht van dit arrest is beperkt tot 8 april 1976, de datum van
het arrest waarin het Hof van Justitie EG voor het eerst rechtstreekse
werking van artikel 119 EG-verdrag heeft aangenomen.
Het beroep op verjaring door de gemeente wijst de rechtbank af. De rechtbank
stelt dat de verjaringstermijn van vijf jaar dient aan te vangen op de dag
van het Bilka-arrest. Eiseres heeft haar vordering binnen deze termijn
ingesteld (1991). De pensioenopbouw van de vrouw moet dus ook plaatsvinden
over de periode van 8 april 1976 tot en met maart 1978. De gemeente moet over
deze periode het werkgeversdeel aan pensioenpremie betalen, terwijl de vrouw
het werknemersdeel dient te betalen.

Volledige tekst

Verloop van de procedure.
Voor de procesgang tot aan het in deze zaak door de kantonrechter te
Amsterdam op 1 april 1997 onder rolnummer 95-16040 tussen partijen gewezen
vonnis wordt naar dat vonnis verwezen. Bij genoemd vonnis heeft de
kantonrechter zich onbevoegd verklaard van de vorderingen van B.A. kennis te
nemen en de zaak in de stand waarin deze zich bevond ter verdere berechting
verwezen naar deze rechtbank.
Bij exploit van 13 augustus 1997 heeft B.A. de gemeente opgeroepen om voort
te procederen.

Bij conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in voorwaardelijke
reconventie heeft de gemeente onder overlegging van bewijsstukken de
vordering bestreden en in voorwaardelijke reconventie gevorderd als in die
conclusie omschreven.
Bij conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in
voorwaardelijke reconventie heeft B.A. in conventie haar standpunt nader
toegelicht en daarbij volhard en heeft zij zich in voorwaardelijke
reconventie gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Bij conclusie van
dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in voorwaardelijke
reconventie, heeft ook de gemeente haar standpunt nader toegelicht en daarbij
volhard.
Partijen hebben vervolgens de zaak doen bepleiten, B.A. door haar procureur
en de gemeente door mr P.A. de Jong, advocaat in Amsterdam. Het van de
zitting opgemaakte procesverbaal, met daaraan gehecht de door de raadslieden
overgelegde pleitnotities, bevindt zich bij de stukken.
Tenslotte hebben partijen stukken overgelegd voor vonnis.

Gronden van de beslissing.
in conventie en voorwaardelijke reconventie

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) betwist,
alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van overgelegde
bewijsstukken, staat het volgende vast.
a. B.A. is op 1 oktober 1973 als schoonmaakster in dienst getreden bij de
Dienst der Gemeentelijke Was- en Schoonmaak-, Bad- en Zweminrichtingen (WSBZ)
van de gemeente. Tot en met 30 augustus 1978 heeft zij haar werkzaamheden
voor de WSBZ verricht op basis van een serie van dertien
arbeidsovereenkomsten voor de duur van vijf maanden, met telkens een
tussenruimte van 24 uur. Met ingang van 31 augustus 1978 kreeg zij een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
b. Op grond van de destijds geldende bepalingen van de Algemene burgerlijke
pensioenwet werden werknemers die onder hantering van de onder a. omschreven
draaideurconstructie bij de overheid in dienst waren, niet beschouwd als
ambtenaar in de zin van die wet (hierna: de ABP-wet), zodat zij geen pensioen
bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) opbouwden.
c. Tot de hantering van voornoemde draaideurconstructie is de gemeente
overgegaan in 1971, omdat in 1966 door een wijziging in de ABP-wet de
arbeidscontractanten, van wie er van oudsher veel bij de WSBZ werkzaam waren,
onder de werking van die wet waren komen te vallen en daardoor de
personeelskosten sterk stegen: de gemeente diende voortaan pensioenpremies te
voldoen en werd eigen-risicodraagster met betrekking tot het ziekengeld.
d. Per 1 april 1978 is B.A. toegelaten tot het ABP.

in conventie
2. B.A. vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dit
toelaat:

1. primair
a. te bepalen dat gedaagde jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld door
eiseres een aanstelling als ambtenaar te onthouden;
b. te bepalen dat gedaagde eiseres gedurende de periode van haar
dienstverband van 1 oktober 1973 tot en met 30 september 1978 dient te
behandelen als ware zij ambtenaar en eiseres in aanmerking te brengen voor
pensioenopbouw bij het ABP als ware zij ambtenaar gedurende genoemde periode;
c. te bepalen dat gedaagde het werkgeversdeel en werknemersdeel aan
achterstallige premies aan het ABP-fonds dient te voldoen;
d. te bepalen dat gedaagde aan eiseres dient te voldoen als immateriële
vergoeding vanwege discriminatie een bedrag van ƒ 15.000;

dan wel enig bedrag dat u in goede justitie voorkomt;

2. subsidiair
a. te bepalen dat gedaagde vanwege dit onrechtmatig handelen jegens eiseres
schadeplichtig is;
b. te bepalen dat gedaagde veroordeeld wordt om aan eiseres te betalen een
vergoeding ter hoogte van de geleden en nog te lijden pensioenschade,
vermeerderd met de wettelijke rente;
c. te bepalen dat gedaagde aan eiseres dient te voldoen als immateriële
vergoeding een bedrag van ƒ 15.000 vanwege discriminatie;

dan wel enig bedrag dat u in goede justitie voorkomt;

3. meer subsidiair
a. te bepalen dat gedaagde een schadevergoeding voor nader aannemelijk te
achten materiële en immateriële schade voldoet, nader op te maken bij staat,
tot een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal bepalen,
vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening;
b. te bepalen dat gedaagde aan eiseres dient te voldoen als immateriële
vergoeding een bedrag van ƒ 15.000 vanwege discriminatie

dan wel enig bedrag dat u in goede justitie voorkomt;

en gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van voormelde vaststaande feiten legt B.A. aan haar
vorderingen het volgende ten grondslag. Met haar beleid om
arbeidsovereenkomsten voor de duur van vijf maanden af te sluiten met
tussenpozen van 24 uur voorkwam de gemeente dat B.A. ambtenaar werd met alle
daarbij behorende rechten en voorkwam de gemeente tevens dat B.A. voldeed aan
de ABP-drempel van zes maanden.
Voornoemd beleid was in strijd met de regelgeving van de gemeente.
B.A. is nooit geïnformeerd over de rechtsgevolgen van de tussenperiode van 24
uur per contract, hetgeen temeer klemt nu zij van buitenlandse afkomst is.
Het schoonmaakpersoneel bestond voor ongeveer 94% uit vrouwen, zodat de
gemeente door haar beleid voornamelijk vrouwen heeft uitgesloten van
pensioenopbouw en er dus sprake was van indirecte discriminatie, zowel naar
intern Nederlands recht, als naar Europees recht. Het schoonmaakpersoneel
bestond daarnaast voor een – onbekend – groot gedeelte uit allochtonen, zodat
het beleid ook in die zin indirect discriminerend was.
Doordat in het beleid kennelijk ook onderscheid werd gemaakt naar burgerlijke
staat is in zoverre sprake van directe discriminatie.
Eiseres heeft door het onrechtmatig handelen van de gemeente schade geleden,
bestaande in pensioenschade en onthouding van de overige voordelen van de
ambtelijke status.

3. De gemeente heeft de vorderingen van B.A. betwist en daartoe het volgende
aangevoerd.
De vorderingen van B.A. zijn te beschouwen als geldvorderingen en derhalve
verjaard op grond van de wet van 31 oktober 1924, die bepaalt dat
geldvorderingen jegens de overheid verjaren door verloop van vijf jaren na de
opeisbaarheid van de vordering.
Het door de gemeente gehanteerde beleid is niet in strijd met de eigen
regelgeving.
Het beleid is tot stand gekomen in overleg met de vertegenwoordigers van de
personeelsorganisaties, die daartegen geen bezwaren hadden.
Hoewel juist is dat het schoonmaakpersoneel waarmee de vijfmaandscontracten
werden afgesloten grotendeels uit vrouwen bestond, levert dat beleid geen
directe of indirecte discriminatie op in de zin van het destijds geldende
interne Nederlandse of Europese recht.
De rechtstreekse werking van artikel 119 van het EG-Verdrag is door het Hof
van Justitie eerst aangenomen met ingang van 8 april 1976, zodat een
eventuele onrechtmatigheid in ieder geval geen betrekking kan hebben op
perioden voor die datum. B.A. heeft door het jegens haar gehanteerde beleid
in ieder geval geen immateriële schade geleden: partijen zijn zich er
destijds in het geheel niet van bewust geweest dat dat beleid als een vorm
van indirecte discriminatie zou kunnen worden beschouwd.

4. B.A. heeft zich ter ondersteuning van haar standpunt dat de door de
gemeente gehanteerde draaideurconstructie in strijd is met de eigen
regelgeving, beroepen op het bepaalde in artikel 103 van de
Arbeidsovereenkomstenverordening Amsterdam (AVA), dat als volgt luidt:
1. De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor een bepaald tijdvak, dat niet
langer is dan vijf maanden, tenzij het bepaalde in het tweede lid van
toepassing is.
2. Indien de dienstbetrekking zonder onderbreking wordt voortgezet, kan de
nieuwe arbeidsovereenkomst worden aangegaan óf voor een bepaald tijdvak, dat
niet langer is dan één jaar, of voor onbepaalde tijd.
Mede in aanmerking nemende dat de dienstbetrekking met B.A. nimmer zonder
onderbreking is voortgezet, zodat het bepaalde in het tweede lid niet van
toepassing was, kan de rechtbank niet inzien op welke wijze de
draaideurconstructie in strijd was met artikel 201 AVA.

5. De stelling van B.A. dat de draaideurconstructie indirect discriminerend
was ten opzichte van werknemers van buitenlandse afkomst acht de rechtbank
onvoldoende onderbouwd. B.A. heeft zich beperkt tot de stelling dat het
schoonmaakpersoneel voor een onbekend groot gedeelte uit allochtonen bestond,
welke stelling te vaag is om de conclusie te rechtvaardigen dat van indirecte
discriminatie van buitenlandse werknemers sprake is geweest.

6. Nadat de gemeente bij conclusie van dupliek had weersproken dat met
betrekking tot de draaideurconstructie ooit daadwerkelijk een onderscheid
naar burgerlijke staat is gemaakt – het zou slechts bij een gedachte zijn
gebleven – is B.A. bij pleidooi niet meer teruggekomen op haar stelling
dienaangaande. Deze stelling wordt derhalve als onvoldoende onderbouwd
verworpen.

7. Het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet en de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen, waarop B.A. zich heeft beroepen, zijn
beide pas ingevoerd nadat de gemeente was gestopt met het hanteren van de
draaideurconstructie. Deze kunnen dus bij de beoordeling van de
rechtmatigheid van het beleid van de gemeente geen rol spelen.
Evenmin is van belang de vanaf 2 April 1975 geldende Wet gelijk loon voor
mannen en vrouwen, nu uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen
uitdrukkelijk zijn uitgezonderd van het in die wet gehanteerde begrip ‘loon’.
Dat de draaideurconstructie in strijd was met destijds geldend intern
Nederlands recht kan dus niet worden vastgesteld.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat het schoonmaakpersoneel op wie door
de gemeente de meergenoemde draaideurconstructie is toegepast voor het
overgrote deel uit vrouwen bestond. Mede in aanmerking genomen dat niet is
gesteld of gebleken en ook in het geheel niet aannemelijk is dat deze
oververtegenwoordiging van vrouwen in bedrijfsonderdelen van de gemeente
waarin niet die constructie is gebezigd eveneens bestond, moet de conclusie
zijn dat de gemeente door het hanteren van de draaideurconstructie met name
vrouwen heeft uitgesloten van aanspraak op opbouw van ouderdomspensioen en
dat aldus sprake was van indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de
beloning.
De te beantwoorden vraag is vervolgens, of dat indirecte onderscheid ook een
verboden vorm van discriminatie was.

9. In zijn arrest van 13 mei 1987 (de Bilka-zaak) heeft het Hof van Justitie
van de EG (HjV) bepaald dat artikel 119 EG-verdrag, dat mannen en vrouwen
recht geeft op gelijke beloning, zich verzet tegen ongelijke
toetredingsregelingen voor ouderdomspensioenen voor mannen en vrouwen. De
terugwerkende kracht van deze uitspraak is beperkt tot 8 April 1976, de datum
van het arrest waarin het HvJ voor het eerst de rechtstreekse werking van
artikel 119 EG-verdrag heeft aangenomen.

10. De gemeente heeft aangevoerd, dat in de onderhavige zaak geen strijd met
artikel 119 EG-verdrag bestaat, omdat in dit geval, anders dan in de
Bilka-zaak, geen sprake was van ongelijke toetredingsregelingen voor mannen
en vrouwen, maar van hantering van de drempel van zes maanden uit de ABP-wet,
die niet direct of indirect discriminerend is.
Dit verweer kan de gemeente niet baten, omdat – wat er ook zij van de vraag
of genoemde, inmiddels afgeschafte, drempel strijdig was met artikel 119
EG-verdrag – de gemeente zelf door de hantering van de draaideurconstructie
ervoor heeft gezorgd dat met name vrouwen aan die drempel niet konden voldoen
en aldus met name vrouwen van opbouw van ouderdomspensioen heeft uitgesloten,
in strijd met haar uit artikel 119 EG-verdrag voortvloeiende plicht tot
gelijke beloning.
De hantering van de draaideurconstructie jegens het personeel van de WSBZ
moet dan ook vanaf 8 April 1976 als onrechtmatig worden aangemerkt, nu van
een rechtvaardigingsgrond in dit geding niet is gebleken.

11. De gemeente heeft zich beroepen op verjaring. Dit beroep moet worden
verworpen.
Voor zover in dit geval al sprake zou zijn van geldvorderingen in de zin van
de verjaringswet van 31 oktober 1924, moet worden geoordeeld dat in dit geval
zich de uitzondering voordoet zoals geformuleerd in het arrest van het HvJ
van 28 September 1994, waarin het HvJ heeft bepaald dat nationale regels
betreffende beroepstermijnen ook van toepassing zijn op vorderingen die op
het gemeenschapsrecht zijn gebaseerd, mits deze regels voor die vorderingen
niet ongunstiger zijn dan voor soortgelijke nationale vorderingen en zij het
in de praktijk niet onmogelijk maken om het aan het gemeenschapsrecht
ontleende recht uit te oefenen.
In aanmerking nemende dat het HvJ voor het eerst op 13 mei 1987 heeft beslist
dat toelating tot pensioenregelingen met een beroep op artikel 119 EG-verdrag
kan worden afgedwongen, moet worden geoordeeld dat hantering van de
vijf-jaarstermijn uit de verjaringswet, te rekenen vanaf de opeisbaarheid van
de vorderingen van B.A., het haar in feite onmogelijk zou maken haar aan het
gemeenschapsrecht ontleende rechten uit te oefenen. Het is daarentegen in
overeenstemming met de strekking van genoemd arrest om eerdergenoemde
vijf-jaarstermijn pas te doen aanvangen op de dag van het Bilka-arrest, zodat
de vorderingen van B.A. nog niet waren verjaard, toen zij dienaangaande in
1991 een procedure bij het ambtenarengerecht instelde.

12. B.A. heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat aan haar op
onrechtmatige wijze de status van ambtenaar is onthouden, terwijl ook niet is
gebleken dat zij daardoor schade heeft geleden.
De primaire vorderingen 1a. en 1b. kunnen dus slechts worden toegewezen voor
zover deze zien op (niet-)toelating bij het ABP en, gelet op eerderomschreven
beperking in de tijd, slechts over de periode vanaf 8 April 1976.

13. De gemeente zal worden veroordeeld de achterstallige premie over de
periode van 8 April 1976 tot en met 31 maart 1978 aan het ABP te voldoen.

14. De gevorderde vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen. De
enkele omstandigheid dat de gemeente zich door haar beleid van kortdurende
arbeidscontracten zonder pensioenopbouw heeft schuldig gemaakt aan een vorm
van indirecte discriminatie van vrouwen rechtvaardigt nog niet de conclusie
dat B.A., naast haar pensioenschade, ook immateriële schade heeft geleden die
voor vergoeding in aanmerking komt. Andere feiten of omstandigheden die tot
het oordeel kunnen leiden dat B.A. dergelijke schade heeft geleden zijn
echter gesteld noch gebleken.

15. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de gemeente worden veroordeeld
in de kosten van het geding.

in voorwaardelijke reconventie
16. Voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat de gemeente gehouden
is aan B.A. de in conventie gevorderde pensioenschade te vergoeden heeft de
gemeente gevorderd B.A. te veroordelen tot betaling aan haar van het over de
periode van januari 1973 tot en met maart 1978 ten onrechte niet op het loon
van B.A. ingehouden werknemersgedeelte van de pensioenpremie, met haar
veroordeling in de gedingkosten.

17. Aan de voorwaarde waaronder de gemeente haar eis heeft ingesteld is door
het voorgaande voldaan.
Nu B.A. het aanvankelijk door haar ingenomen standpunt dat de gemeente het
werknemersgedeelte van de premie zou moeten dragen niet heeft gehandhaafd en
de gegrondheid van de vordering van de gemeente niet heeft betwist, zal deze
vordering worden toegewezen, doch slechts voor zover zij betreft de periode
tussen 8 April 1976 en 31 maart 1978.

18. Als de in het ongelijk gestelde partij zal B.A. worden veroordeeld in de
kosten van het geding, die echter vanwege de geringe omvang van het debat van
partijen in reconventie zullen worden berekend op basis van één conclusie..

Beslissing
De rechtbank:

in conventie

– verklaart voor recht dat de gemeente jegens B.A. onrechtmatig heeft
gehandeld door haar in de periode van 8 April 1976 tot en met 31 maart 1978
niet in aanmerking te laten komen voor toelating tot het ABP;
– gelast de gemeente B.A. over de periode van 8 April 1976 tot en met 31
maart 1978 alsnog in aanmerking te brengen voor pensioenopbouw bij het ABP
als ware zij in die periode ambtenaar in de zin van de ABP-wet;
– veroordeelt de gemeente tot voldoening aan het ABP van het werkgeversdeel
en het werknemersdeel aan achterstallige pensioenpremie over de periode van 8
April 1976 tot en met 31 maart 1978;
– veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak
aan de zijde van B.A. begroot op ƒ 4.469,06, waarvan te betalen aan B.A. ƒ
92,50 voor bij haar gevallen kosten aan vastrecht en aan de griffier van deze
rechtbank ƒ 3.440 aan salaris procureur, ƒ 659,06 aan exploitkosten en ƒ
277,50 aan overig vastrecht;

in reconventie
– veroordeelt B.A. om aan de gemeente te betalen het over de periode van 8
April 1976 tot en met 31 maart 1978 ten onrechte niet op het loon van B.A.
ingehouden krachtens de ABP-wet verschuldigde werknemersdeel van de
pensioenpremie;
– veroordeelt B.A. in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de
zijde van de gemeente begroot op ƒ 430;

in conventie en in reconventie
– wijst het meer of anders gevorderde af;
– verklaart de bovenstaande betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

mrs A.J. Beukenhorst, J.C.W. Rang en P.F. van der Heijden

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 7 mei 1999

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres, een Sri Lankaanse vrouw, is in bezit gesteld van een vtv-medisch.
Zij heeft bezwaar aangetekend tegen de afwijzing van haar aanvraag om toelating
als vluchteling en de weigering een vtv-humanitair te verlenen. Daarbij
heeft zij zich beroepen op de zogeheten Tamil-brief van 7 oktober 1986
en gesteld dat werkinstructie 31 buiten beschouwing dient te blijven. Volgens
eiseres vereist de Tamil-trauma brief in tegenstelling tot werkinstructie
31 niet dat verkrachting een politieke achtergrond moet hebben. De rechtbank
overweegt dat de bewoordingen van de werkinstructie niet uitsluiten dat
ook overige traumatische ervaringen aanleiding kunnen zijn voor het verlenen
van een vergunning tot verblijf. De enkele constatering dat de verkrachtingen
geen politieke achtergrond hebben brengt derhalve niet met zich mee dat
reeds daarom een vergunning tot verblijf op grond van het traumatabeleid
geweigerd kon worden. Verweerder wordt opgedragen zich in een nieuw besluit
uit te laten over hetgeen eiseres ten aanzien van de Tamil-brief van 7
oktober heeft aangevoerd.

Volledige tekst

I ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op (…) 1963, bezit de Sri Lankaanse nationaliteit.
Zij verblijft sedert 24 oktober 1994 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet
(Vw) in Nederland. Op 25 oktober 1994 heeft zij aanvragen (mede ten behoeve
van haar minderjarige dochter) ingediend om toelating als vluchteling en
verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen
van humanitaire aard.
Bij besluit van 17 mei 1995 heeft verweerder op deze aanvragen afwijzend
beslist. De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd vanwege
kennelijke ongegrondheid. Eiseres heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt
bij bezwaarschrift van 14 juni 1995. Bij uitspraak van 7 december 1995
heeft de president van deze rechtbank (zittingsplaats Amsterdam) het verzoek
om een voorlopige voorziening om uitzetting hangende de bezwaarfase achterwege
te laten, toegewezen. Eiseres is op 4 juni 1997 door een ambtelijke commissie
(AC) gehoord. Bij besluit van 26 juni 1997 heeft verweerder het bezwaar,
voorzover gericht tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating
als vluchteling, ongegrond verklaard. Aan eiseres is een vergunning tot
verblijf met als doel: ‘medische behandeling’ verleend, geldig van 4 maart
1997 tot 4 maart 1998. Het besluit is bij brief van dezelfde datum aan
de gemachtigde van eiseres gezonden.

2. Bij beroepschrift van 7juli 1997 heeft eiseres tegen dit besluit beroep
ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het
beroep versneld te zullen behandelen. Op 13 januari 1998 zijn de op de
zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen.
in het verweerschrift van 4 februari 1999 heeft verweerder geconcludeerd
tot ongegrondverklaring van het beroep.
Eiseres heeft bij schrijven van 23 februari 1999 van het beroep nog aangevuld.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 1999. Eiseres
is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.J. Schoorl, advocaat
te Alkmaar. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.P.
Heering, advocaat te ‘s-Gravenhage.

II OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.

2 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. In het kader van de aanvraag
van eiseres heeft de Geneeskundig inspecteur bij het ministerie van Justitie
(thans: Medisch Adviseur bij het Bureau Vreemdelingenadvisering: hierna
MA) op 4 maart 1997 een advies uitgebracht. Hierin staat onder meer dat
eiseres blijkens het rapport van een arts van Amnesty International in
het land van herkomst een geweldstrauma heeft doorgemaakt, dat zij nog
niet verwerkt heeft. Zij ervaart meerdere, met name psychische klachten,
welke verklaard kunnen worden door traumatische ervaringen zoals zij die
heeft doorgemaakt. Een behandeling in een voor haar rustige en veilige
omgeving is vooralsnog hier in Nederland noodzakelijk.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij in aanmerking komt voor
toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een vergunning tot
verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Daartoe heeft
zij het volgende naar voren gebracht. Eiseres heeft problemen ondervonden
vanwege het feit dat haar moeder Tamil is en haar vader Senegalees. In
augustus 1992 heeft eiseres als verpleegster een Tamil geholpen bij opname
in een ziekenhuis. Zij heeft daarbij haar adres aan deze man gegeven. In
december 1992 is de echtgenoot van eiseres verdwenen. De echtgenoot was
geen Tamil. Eiseres en haar dochter hebben hierna op verschillende adressen
gewoond. In februari 1993 en in juli 1993 is eiseres door, vermoedelijk,
Tamil-mannen meegenomen en verkracht. Eiseres heeft hiervan geen aangifte
bij de politie gedaan omdat de Tamils tegen haar hadden gezegd dat zij
in dat geval haar echtgenoot niet zouden vrijlaten. De mannen wilden dat
eiseres zich bij hen zou aansluiten. In maart 1994 hebben dezelfde mensen
eiseres toegezegd dat haar man zou worden vrijgelaten indien zij bij hen
bleef Eiseres heeft hierna ondergedoken gezeten. In mei 1994 en op 20 september
1994 hebben dezelfde mensen de school van de dochter van eiseres bezocht.
De dochter van eiseres weigerde mee te gaan. Eiseres vermoedt dat haar
echtgenoot door de Tamils is vermoord. Eiseres heeft in oktober 1994 Sri
Lanka verlaten.
In beroep is gesteld dat het bestreden besluit op een onzorgvuldige wijze
tot stand is gekomen. Hiertoe is het volgende aangevoerd. Eiseres is ter
zitting van de AC niet in gelegenheid gesteld om een klacht in te dienen
tegen de door verweerder ingeschakelde tolk in de Tamil-taal. Deze tolk
beheerste zowel de Senegalese taal als de Nederlandse taal onvoldoende.
In dit verband heeft verweerder bij brief van 18 juni 1997 een klachtenformulier
aan eiseres doen toekomen. Gelet hierop had verweerder de behandeling van
deze klacht moeten afwachten. Voorts is reeds ter zitting van de AC gesteld
dat de commissie zichtbaar vooringenomen was en dat zij – aangezien aan
het ‘Mosacriterium’ wordt voldaan – door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken
(Acv) had moeten worden gehoord. Eiseres heeft geen aangifte bij de politie
gedaan omdat deze haar niet serieus zou nemen en zij zichzelf in gevaar
zou brengen vanwege het feit dat zij half-Tamil is en haar echtgenoot door
een door de autoriteit beschermde Tamil-groepering is ontvoerd. Eiseres
had weliswaar nog niet te vrezen voor de autoriteiten, maar zij kon ieder
moment direct vervolgd worden vanwege haar contacten met de Tamils dan
wel dat de Tamils haar zouden aangeven indien zij ontevreden zouden raken
over haar gebrek aan medewerking. Verweerder gaat er ten onrechte van uit
dat vrees voor vervolging alleen dan gegrond is als de vervolging zich
reeds gemanifesteerd of geconcretiseerd heeft. Het is niet vreemd dat eiseres
de Tamils de Senegalese taal heeft horen spreken. De Tamils die in Colombo
opereren spreken vloeiend de Tamil-taal en men wist dat eiseres de Tamil-taal
niet machtig was.
Eiseres stelt voorts dat de beslissing om een vergunning tot verblijf voor
medische behandeling te verlenen, onbegrijpelijk is en in strijd is met
verweerders beleid. Zowel Amnesty International als de MA heeft geconstateerd
dat eiseres traumatische ervaringen heeft opgedaan in het land van herkomst,
welke een politieke dimensie heeft. De aan eiseres verleende vergunning
tot verblijf is de facto een vergunning tot verblijf zonder beperkingen
aangezien zij niet aan de voorwaarden voldoet voor een vergunning tot verblijf
voor medische behandeling. Voorts voert verweerder een beleid dat, indien
de vreemdeling langer dan een half jaar medisch behandeld moet worden,
er in beginsel een vergunning tot verblijf zonder beperkingen wordt verleend.
In dit geval heeft de MA zelf geconstateerd dat eiseres nog ten minste
een jaar moet worden behandeld. Eiseres heeft een brief van psycholoog/psychotherapeut
A. Wessendorp van 8 juli 1998 overgelegd, waaruit onder meer blijkt dat
de behandeling van eiseres minimaal 1,5 jaar kan duren.
Ter zitting is onder meer het volgende aangevoerd. Eiseres is anders dan
verweerder van mening dat werkinstructie nr.173 in casu niet van toepassing
is. Met betrekking tot het beroep op het traumatabeleid meent eiseres dat
van de zogeheten Tamil-brief van 7 oktober 1986 en niet de werkinstructie
nr. 31 dient te worden uitgegaan. Gelet op de inhoud van deze brief, betekent
de omstandigheid dat het trauma – zoals verweerder heeft betoogd – geen
politieke dimensie heeft, niet dat er geen aanspraak bestaat op een vergunning
tot verblijf op grond van het traumatabeleid.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking
komt voor toelating als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
Aan het feit dat de echtgenoot van eiseres sedert december 1992 wordt vermist
en eiseres in februari 1993 en juli 1993 is verkracht, wordt niet getwijfeld.
Een verband tussen de vermissing en de verkrachtingen is gelet op het tijdsverloop
evenwel niet aannemelijk. Niet valt in te zien dat een militante Tamil-beweging
onder dwang gebruik wilde maken van de verpleegkundige diensten van eiseres,
maar haar niet direct, zou benaderen. Dat de mannen die haar bedreigden
en verkrachtten dit verband wel zouden hebben gesuggereerd, doet hieraan
niet af. Hierbij is met name van belang dat zij eiseres nimmer hebben geconfronteerd
met haar echtgenoot. Dat eiseres geen aangifte heeft gedaan van de vermissing
van haar echtgenoot blijft bevreemding wekken. Eiseres had tot maart 1993
geen enkele aanleiding om de hulp van de politie niet in te roepen. Niet
aannemelijk is dat er van een bijzondere op de persoon van eiseres gerichte
belangstelling bestaat van de zijde van de Sri
Lankaanse autoriteiten. Van belang is dat eiseres zelf ook heeft verklaard
dat zij niet vreest voor de autoriteiten. Voorzover eiseres vreest voor
vervolging door een politieke regeringsgezinde Tamil-beweging is dit niet
aannemelijk geworden. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiseres over
geen enkele concrete aanwijzing beschikt welke beweging het zou zijn die
haar heeft bedreigd en de gemachtigde van eiseres hierover speculeert.
In dit verband wekt het bevreemding dat eiseres de mannen alleen Senegalees
hoorde praten. Voorts valt niet in te zien dat een regeringsgezinde Tamilbeweging
in Colombo of beweging een verpleegkundige als eiseres zou naderen. Regeringsgezinde
bewegingen als de EPR
F en de PLOTE kunnen immers zonder problemen in Colombo voor medische behandelingen
bij de reguliere ziekenhuizen en hulpverlening terecht. Ook overigens zijn
er geen aanwijzingen dat de verkrachtingen van eiseres een politieke achtergrond
hebben. Veeleer is aannemelijk dat eiseres het slachtoffer is geworden
van een criminele organisatie. Hiertegen had zij bescherming kunnen inroepen
van de Sri Lankaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat de autoriteiten
haar geen bescherming wilden of konden bieden. Daarbij is in aanmerking
genomen dat haar besluit om de door haar ondergane verkrachtingen niet
aan te geven niet is ingegeven door angst voor de autoriteiten. Eiseres
komt evenmin in aanmerking voor een vergunning tot verblijf. De verklaringen
van eiseres zijn niet van dien aard dat aannemelijk is dat van haar als
gevolg van traumatische ervaringen in redelijkheid niet kan worden verwacht
terug te keren naar het land van herkomst. Daarbij is van belang dat er
geen aanwijzingen zijn dat de verkrachtingen van eiseres een politieke
achtergrond hebben, terwijl eiseres geen vrees heeft voor de Sri
Lankaanse autoriteiten en niet is in te zien dat zij niet de bescherming
heeft ingeroepen. Nu eiseres in het bezit is gesteld van een vergunning
tot verblijf voor medische behandeling, is er thans geen sprake van schending
van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
In het verweerschrift is nog gesteld dat een vergunning tot verblijf zonder
beperkingen (ingevolge TBV 1998/20) wordt verleend indien eiseres een medische
behandeling krijgt die blijvend aan Nederland gebonden is. Dit is niet
het geval bij eiseres. Voorzover eiseres een beroep doet op het traumatabeleid,
is niet aannemelijk geworden dat de verkrachting van eiseres vanuit een
politieke achtergrond zou kunnen worden verklaard. Eiseres behoefde niet
door de ACV te worden gehoord aangezien zij niet op zekere hoogte aannemelijk
heeft gemaakt dat zij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging.
Voorzover de tolk bij de AC problemen heeft gehad met het vertalen, zijn
die problemen niet van dien aard geweest dat eiseres en de AC niet met
elkaar konden communiceren. Dit blijkt uit het feit dat eiseres op de gestelde
vragen steeds een antwoord heeft kunnen geven. Voorts heeft eiseres geen
inhoudelijke correcties en aanvullingen gemaakt op het verslag van de AC
die wezenlijk verschillen van het verslag. Eiseres is zorgvuldig door de
AC gehoord.
Ter zitting is onder meer gesteld dat het traumatabeleid zoals neergelegd
in werkinstructie nr. 31 een nadere invulling is van het beleid in eerdergenoemde
Tamilbrief Voorts is in verband met de uitleg van deze brief verwezen naar
een uitspraak van de Hoge Raad, NJ 93/762. Verweerders gemachtigde heeft
de verhouding tussen de Tamilbrief en werkinstructie nr. 31 niet kunnen
aangeven. Verweerder meent dat er sprake is van een contra-indicatie zoals
genoemd in werkinstructie 31, nu eiseres niet meteen na de gebeurtenis
uit het land van herkomst is vertrokken.

De rechtbank overweegt het volgende.
5. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status
van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met
artikel 15 Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die
afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor
vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging,
nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale
groep.

6. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot
verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid
het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij
met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend,
dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende
uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd
in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

7. Voorop wordt gesteld dat de situatie in Sri Lanka weliswaar zorgwekkend
is, maar niet zodanig dat asielzoekers behorende tot de Tamil bevolkingsgroep
afkomstig uit Sri Lanka in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen
worden aangemerkt. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraken van
de REK van 13 maart 1997 (AWB 96/10478 en AWB 96/11364). De individuele
situatie van eiseres, bezien in het licht van de algemene situatie in het
land van herkomst, is daarom beslissend.

8. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiseres aangevoerde persoonlijke
feiten en omstandigheden, bezien in het licht van hetgeen over de algehele
situatie in Sri Lanka bekend is, onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen
dat zij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging in de zin van
artikel 15 Vreemdelingenwet. Hiertoe wordt overwogen dat niet aannemelijk
is geworden dat eiseres in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse
autoriteiten staat. Eiseres is nimmer lid geweest van een politieke partij
of beweging. Voorts is van belang dat zij zelf heeft verklaard niet te
vrezen van de zijde van de autoriteiten. Evenmin is aannemelijk geworden
dat zij van de zijde van de Tamil-beweging heeft te vrezen. Voorzover moet
worden aangenomen dat de echtgenoot van eiseres door Tamil-leden is ontvoerd
en dat er een verband is tussen de ontvoering van haar echtgenoot en de
verkrachtingen van eiseres door Tamil-leden, is niet gebleken dat zij hiervan
aangifte heeft gedaan bij de autoriteiten en dat deze geen bescherming
hiertegen wilden dan wel konden bieden. Voorts is de verkrachting van eiseres
niet terug te voeren op één van de gronden als genoemd in het Verdrag.
Ten slotte kan niet worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat eiseres
na 20 september 1994 tot haar vertrek uit Sri
Lanka (in oktober 1994) geen problemen meer van de zijde van de Tamils
heeft ondervonden. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder
zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen vluchteling
is en dat eiseres bij terugkeer niet zal worden onderworpen aan een behandeling
die strijd zou kunnen opleveren met artikel 3 EVRM. Nu eiseres, gelet op
het hiervoor overwogene, niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt
te vrezen te hebben voor vervolging, bestond er voor verweerder geen wettelijke
verplichting eiseres door de ACV te doen horen.

9. Vervolgens is aan de orde de vraag of eiseres op grond van overige klemmende
redenen van humanitaire aard verblijf hier te lande zou moeten worden toegestaan.
Eiseres meent dat zij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf
zonder beperkingen. Hiertoe heeft zij onder meer een beroep gedaan op het
zogeheten traumatabeleid.

10. Verweerder heeft zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt
gesteld dat de verklaringen van betrokkene niet van dien aard zijn dat
aannemelijk is dat van haar als gevolg van traumatisch ervaringen in redelijkheid
niet kan worden verwacht terug te keren naar het land van herkomst. Daarbij
is van belang dat er geen aanwijzingen zijn dat de verkrachtingen van eiseres
een politieke achtergrond hebben, terwijl eiseres geen vrees heeft voor
de Srilankaanse autoriteiten en niet is in te zien dat zij niet de bescherming
heeft ingeroepen. De rechtbank leidt uit deze overweging af dat verweerder
kennelijk aansluiting heeft gezocht bij hetgeen in werkinstructie nr. 31
staat. Hierin staat het volgende: Het traumatabeleid betreft gevallen waarin
de persoonlijke beleving van bepaalde gebeurtenissen door een asielzoeker
zodanig traumatiserend is geweest, dat van hem of haar in redelijkheid
niet kan worden verlangd terug te keren naar het land van herkomst. Voorts
staat verkrachting van overheidswege dan wel door een politieke of militante
groepering vermeld als één van de traumatische ervaringen die aanleiding
kunnen zijn om iemand in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf.

11. Verweerder heeft de door eiseres gestelde ervaringen niet betwist.
Verweerder heeft evenmin bestreden dat eiseres de gebeurtenissen als traumatiserend
heeft ervaren. Gelet hierop en op de ratio van het beleid kan verweerder
naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met de motivering dat er
geen aanleiding was eiseres in het bezit te stellen van een vergunning
tot verblijf aangezien er geen aanwijzingen zijn dat de verkrachtingen
van eiseres een politieke achtergrond hebben. Hiertoe wordt overwogen dat
in eerdergenoemde werkinstructie wordt weergegeven dat bepaalde traumatische
ervaringen – deze zijn genoemd in de werkinstructie – aanleiding kunnen
geven tot verlening van een vergunning tot verblijf en dat deze passage
gezien de bewoordingen van de instructie niet uitsluit dat ook overige
traumatische ervaringen aanleiding kunnen zijn voor het verlenen van een
vergunning tot verblijf Uit het voorgaande volgt dat de enkele constatering
dat de verkrachtingen geen politieke achtergrond hebben, niet met zich
brengt dat reeds hierom een vergunning tot verblijf op grond van het traumatabeleid
in redelijkheid kon worden geweigerd. Derhalve moet worden geconcludeerd
dat aan het bestreden besluit op dit onderdeel een motiveringsgebrek kleeft
en dat het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking
komt. Het beroep is mitsdien gegrond. Verweerder zal zich in een nieuw
te nemen besluit dienen uit te laten over hetgeen eiseres omtrent de Tamil-brief
van 7 oktober 1986 heeft aangevoerd.

12. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk
gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met
de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten
maken.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

II BESLISSING

De rechtbank
1. verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de weigering
eiseres in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf;
2. vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
3. verklaart het beroep ongegrond voor het overige;
4. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van
deze uitspraak;
(…)

Noot
1. Bij beschikking op bezwaar van 26 juni 1997 is aan eiseres een verblijfsvergunning
verleend onder de beperking van een medische behandeling. Deze verblijfsvergunning
is voor één jaar verleend met de mogelijkheid van een jaarlijkse verlenging.
Het komt vaker voor dat een vtv-medisch wordt verleend, daar waar een vtv-trauma
aangewezen is. In deze zaak procedeerde eiseres door.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bovengenoemde beschikking waarbij
zij stelt in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning zonder beperkingen
op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Zij beroept zich op
traumatische ervaringen die zij in haar land van herkomst Sri Lanka heeft
ondergaan in de vorm van verkrachting door Tamil-mannen.
De noodzaak om in beroep te gaan tegen de beslissing van 26 juni 1997 is
niet slechts gelegen in de beperking in het doel en de duur van deze verblijfsvergunning.
Evenzeer is van belang dat met de verlening van een verblijfsvergunning
onder beperking van een medische behandeling (vtv-medisch) de materieel
rechtelijke positie van betrokkene daardoor wordt beïnvloed.
Met de inwerkingtreding van de Koppelingswet per 1 juli 1998 is het nog
slechts aan vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven, toegestaan
van de sociale voorzieningen in Nederland gebruik te maken. Consequentie
daarvan is dat vreemdelingen die na 1 juli 1998 nog in afwachting zijn
van een beslissing op hun aanvraag voor een verblijfsvergunning geen gebruik
meer kunnen maken van de sociale voorzieningen nu de Nederlandse overheid
geen zorgplicht stelt te hebben voor vreemdelingen van wie het nog niet
vaststaat dat zij in Nederland mogen verblijven. Bij afzonderlijke regeling
in de vorm van AMVB heeft men voor een aantal categorieën vreemdelingen
hierop een uitzondering gemaakt. Heeft men tijdig bezwaar of beroep ingesteld
tegen een afwijzende beschikking dan kan men ook na 1 juli 1998 nog aanspraak
maken op bijvoorbeeld een ABW-uitkering en een Ziekenfondsverzekering.
De vtv-medisch geldt in het kader van de Koppelingswet als een titel van
rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van art. 1b aanhef en onder
1 van de Vw nu er sprake is van een verblijfstitel op grond van art. 9
Vw. Derhalve bestaat er nog immer een aanspraak op bijstand. Moeilijker
ligt het voor het verrichten van arbeid, kinderbijslag, studiefinanciering
en het verkrijgen van een inrichtingskrediet van de gemeente voor het inrichten
van de woning. In al deze gevallen wordt beargumenteerd dat het hier slechts
gaat om een tijdelijke verblijfsvergunning. De aanvrager is dan afhankelijk
van andere factoren die in zijn of haar situatie de doorslag kunnen geven
over de vraag of Nederland het middelpunt van zijn maatschappelijk leven
vormt (kinderbijslag); hij krijgt een lager bedrag dan een houder van een
vergunning zonder beperkingen (inrichtingskrediet) of betrokkene kan geheel
geen rechten aan zijn verblijfsvergunning ontlenen (betaalde arbeid en
studiefinanciering).

2. De gestelde verkrachting van eiseres kan een grond zijn voor verlening
van een vtv-trauma. De rechter dient in dat geval te toetsen aan wat werkinstructie
31 inzake het traumatabeleid daarover stelt. De rechtbank overweegt te
dien aanzien: (…) gezien de bewoordingen van de instructie niet uitsluiten
dat ook overige traumatische ervaringen aanleiding kunnen zijn voor het
verlenen van een vergunning tot verblijf. Uit het voorgaande volgt dat
de enkele constatering dat de verkrachtingen geen politieke achtergrond
hebben, niet met zich meebrengt dat reeds hierom een vergunning tot verblijf
op grond van het traumatabeleid in redelijkheid kon worden geweigerd.
Al eerder bepaalde de rechter dat voor een beoordeling van het traumatabeleid
de toets aan asielmotieven en achtergronden niet dusdanig van belang is,
dat, indien deze toets negatief is, het traumatabeleid buiten beschouwing
dient te blijven: (…) en dat niet is gebleken dat eiseres bescherming
heeft gezocht bij de hogere autoriteiten van haar land, treft evenmin doel,
nu uit de bewoordingen en strekking van het traumatabeleid volgt dat op
voet van dit beleid een vergunning tot verblijf wordt verleend op grond
van feiten en omstandigheden die niet rechtstreeks verband houden met het
asielrelaas van de betrokken vreemdeling. (Rechtbank Zwolle, 10 januari
1999, AWB 98/2410, NAV1999/64).
Dat het traumatabeleid alleen kan worden toegepast wanneer de betrokken
vreemdeling een formeel asielverzoek heeft ingediend, achtte de rechtbank
Haarlem gezien de inhoud en strekking van de instructie in zijn totaliteit,
een te rigide standpunt van verweerder (Rechtbank Haarlem, 6 november1998,
AWB 98/1138, niet gepubliceerd).
Wanneer men bedenkt dat het traumatabeleid dat de staatssecretaris hanteert,
een uitvloeisel is van het algemene toelatingsbeleid voor vreemdelingen,
bevreemdt de stellingname van verweerder in de hier besproken uitspraak
des te meer. De staatssecretaris verwoordde het destijds als volgt: (…)
op grond van het algemene toelatingsbeleid voor vreemdelingen komen (…)
slechts die vreemdelingen in aanmerking met wier aanwezigheid een wezenlijk
Nederlands belang wordt gediend of ten aanzien van wie er sprake is van
klemmende redenen van humanitaire aard. (…) kunnen zich per individueel
geval feiten en/of omstandigheden voordoen, die zodanige klemmende redenen
van humanitaire aard opleveren dat op grond daarvan verblijf dient te worden
toegestaan. Deze feiten en/of omstandigheden houden geen rechtstreeks verband
met de politieke situatie in het land van herkomst en houden ook geen verband
met enige politieke activiteit van de vreemdeling in het land van herkomst.
(Kamerstukken TK 1986/1987, 18490, nr. 28, pag. 2-3. Zie Spijkerboer &
Vermeulen, Vluchtelingenrecht,1994, pag. 313)
Dat verweerder nu blijkbaar een andere invulling aan het traumatabeleid
wenst te geven, kan mijns inziens zonder nadere motivering terecht geen
stand houden. Het is voor de staatssecretaris van tweeën één: óf het traumatabeleid
is voorbehouden aan diegenen van wie om humanitaire redenen niet gevergd
kan worden terug te keren naar het land van herkomst; óf de gestelde traumata
dienen meer dan nu het geval is een plaats te vinden in de toets aan de
criteria voor vluchtelingenschap.
In de hier besproken uitspraak is aan verweerder de vraag voorgelegd om
in te gaan op het verschil tussen de Tamil-brief van oktober 1986 en werkinstructie
31. Het kan interessant zijn om te bezien in hoeverre verweerder zal ingaan
op de meer principiële kant van de verhouding tussen deze twee documenten
bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, zoals door de rechter
is bepaald.

Rechters

Mr. Diemer

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 28 april 1999

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Op het aan appellante toegekende AOW-pensioen is een korting toegepast van
48%, veroorzaakt door het feit dat haar echtgenoot in de periode van 1
januari 1957 tot 25 juni 1983 gedurende drie tijdvakken niet ingevolge de AOW
verzekerd was. Appellante, huisvrouw en daarom niet behorend tot de
beroepsbevolking, bestrijdt dit met een beroep op artikel 26 IVBPR, artikel 1
Gw en het tot de algemene rechtsbeginselen behorende gelijkheidsbeginsel. In
navolging van HR 26 augustus 1998 (RSV 1999, 12), oordeelt de CRvB dat de
AOW-korting, voorzover berustend op het oordeel dat appellante niet verzekerd
is van 1 januari 1980 tot 25 juni 1983, niet in stand kan blijven.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 3 september 1996 heeft gedaagde, na bezwaar van appellante,
gehandhaafd zijn eerdere besluit van 17 januari 1994, waarbij aan appellante
met ingang van januari 1994 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet (AOW) is toegekend ten bedrage van 52 % van het wettelijke
pensioen voor een gehuwde.
De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 10 juli
1997 het beroep tegen het besluit van 3 september 1996 ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft mr P.J.G. van Osta, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand,
gevorderd deze uitspraak en gedaagdes bestreden besluit te vernietigen.
Gedaagde heeft verweer gevoerd bij schrijven van 17 december 1997.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 maart 1999. Van
partijen is daar alleen gedaagde verschenen, vertegenwoordigd door mr J.
Roose, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

II. Motivering

Op het aan appellante toegekende AOW-pensioen is een korting toegepast van 48
%, welke haar oorsprong vindt in het feit dat de echtgenoot van appellante
tijdens het huwelijk gedurende een drietal tijdvakken, gelegen in de periode
van 1 januari 1957 tot 25 juni 1983, niet ingevolge de AOW verzekerd is
geweest. Uit hoofde daarvan was appellante, op grond van het bepaalde in
artikel 2 van de opeenvolgende Koninklijke Besluiten ex (o.m.) artikel 6 AOW
betreffende de uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden
ingevolge de volksverzekeringen, eveneens niet verzekerd.
In inmiddels constante rechtspraak (zie onder meer RSV 1994/125 en 126) heeft
de Raad geoordeeld dat een korting als de onderhavige en de daaraan ten
grondslag liggende uitsluiting van de verzekering niet in rechte aantastbaar
zijn, met dien verstande dat een korting voortvloeiend uit niet verzekerde
tijdvakken gelegen vóór 23 december 1984 vanaf die datium achterwege dient te
blijven ten aanzien van vrouwen die binnen de personele werkingssfeer van de
EG-richtlijn 79/7 (de ‘derde richtlijn’) vallen.
In zoverre deze rechtspraak vatbaar was voor beroep in cassatie heeft de Hoge
Raad geoordeeld dat de uitsluiting van de verzekering van de gehuwde vrouw op
de hier aan de orde zijnde grond niet aantastbaar is met een beroep op
artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten (IVBPR), artikel 1 van de Grondwet of het tot de algemene
rechtsbeginselen behorende gelijkheidsbeginsel (zie RSV 1997/77). Uit die
rechtspraak kon worden afgeleid dat dit oordeel in ieder geval gold voor de
bedoelde uitsluiting van de verzekering tot augustus 1977.
In zijn uitspraak gepubliceerd in RSV 1997/201 heeft deze Raad aangenomen dat
de door de Hoge Raad in zijn vermelde rechtspraak aanvaarde redelijke en
objectieve rechtvaardiging voor de uitsluiting van de verzekering van de
gehuwde vrouw mede gold voor het tijdvak van augustus 1977 tot 23 december
1984.
Namens appellante is dit laatste in het onderhavige geding bestreden.
Zoals ook namens gedaagde ter zitting van de Raad is betoogd moet, op grond
van het arrest van de Hoge Raad van 26 augustus 1998 (RSV 1999/12), er thans
van worden uitgegaan dat de zojuist bedoelde zienswijze van deze Raad voor de
tijd vanaf 1 januari 1980 niet kan worden gehandhaafd. In dat arrest heeft de
Hoge Raad immers overwogen: ‘In zoverre het middel betoogt dat de Centrale
Raad ten onrechte de door de Hoge Raad gegeven objectieve en redelijke
rechtvaardiging mede van toepassing heeft geacht voor de periode van 1
augustus 1977 tot 23 december 1984, is het gegrond. Blijkens de geschiedenis
van de totstandkoming van de op 1 januari 1980 ingevoerde Wet van 20 december
1979, houdende nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziektewet (invoering
gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen), Stb. 708, was de wetgever
van oordeel dat hij, gelet op de toen aanwezige maatschappelijke
verhoudingen, niet meer ervan mocht uitgaan dat het in vrijwel alle gevallen
de man was die de kostwinner was. Om die reden kan worden aangenomen dat met
ingang van 1 januari 1980 de grond aan de objectieve en redelijke
rechtvaardiging van de onderhavige uitsluiting is komen te ontvallen. Dit
brengt mee dat het bepaalde in artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 19
oktober 1979, Stb 557, met ingang van 1 januari 1980 niet meer aan R-A kan
worden tegengeworpen.’
Uit een en ander vloeit voort dat het bestreden besluit voorzover berustend
op het oordeel dat appellante van 1 januari 1980 tot 25 juni 1983 niet
ingevolge de AOW verzekerd is geweest niet in stand kan blijven. Derhalve
dient dat besluit in zoverre te worden vernietigd, evenals de aangevallen
uitspraak, waarbij het besluit in stand is gelaten.
Er zijn termen om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante,
welke worden begroot op ƒ 710 aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg
en een gelijk bedrag voor die kosten in hoger beroep. Tevens dient gedaagde
het door appellante in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht
van ƒ 50 respectievelijk ƒ 160 aan haar te vergoeden.

III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en gedaagdes besluit van 3 september 1996
in voege als hiervoor vermeld;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van ƒ
1.420 aan kosten van rechtsbijstand;
Bepaalt dat gedaagde de door appellante betaalde griffierechten tot een
bedrag van ƒ 210 aan haar vergoedt.

Noot

De CRvB heeft het de laatste tijd niet gemakkelijk. Deze
sociale-verzekeringsrechter gaf in het verleden veelal een terughoudende
uitleg aan zowel de inhoud van het (internationaal) gelijkheidsbeginsel, als
aan het tijdstip waarop dit van toepassing werd op de sociale zekerheid. Op
deze manier werd de Nederlandse regering behoorlijk uit de wind gehouden,
vooral waar het ging om de gebrekkige wetgevingsoperatie uit de jaren tachtig
waarbij gelijke rechten werden doorgevoerd gepaard aan grote bezuinigingen.
Inmiddels lijkt de CRvB echter aan alle kanten ingehaald te worden door
andere (rechts)colleges. In RN 1107 wordt gewezen op de recente uitspraak van
het Human Rights Committee, die diametraal staat op de gangbare
jurisprudentie van de CRvB. Bij de hier te bespreken uitspraak is de Hoge
Raad in het geding die in zijn arrest d.d. 26 augustus 1998 (RSV 1999, 12) de
staande CRvB-jurisprudentie inzake de AOW-korting niet deelt.

De zaak betreft andermaal de AOW-korting die wordt toegepast voor elk jaar
dat men niet verzekerd is geweest. Om tot de personenkring van de AOW te
behoren dient men onder andere ingezetene in Nederland te zijn. Ingeval van
langdurig verblijf in het buitenland, is men dus niet verzekerd voor de AOW.
De problematiek die hier centraal staat, betreft echter de gehuwde vrouw die
zelf wel ingezetene is geweest, maar wier echtgenoot vóór 1985 voor bepaalde
perioden in het buitenland verbleef. Omdat de gehuwde vrouw vóór 1985 geen
zelfstandig recht op AOW had, wordt de verzekeringsperiode voorzover gelegen
vóór 1985 afgemeten aan de verzekeringsperiode van haar echtgenoot.
In de zaak Verholen (RSV 1991, 227) oordeelde het HvJ EG dat de
genoemde situatie ‘doorwerking van discriminatie’ oplevert wat in strijd is
met de derde richtlijn (EG-richtlijn 79/9). Een bepaalde groep gehuwde
vrouwen, namelijk de huisvrouwen, kunnen echter geen beroep doen op
Verholen, omdat zij niet tot de beroepsbevolking behoren en
daarmee niet tot de personenkring van de derde richtlijn. Reeds begin jaren
negentig deed deze groep vrouwen daarom een beroep op artikel 26 IVBPR. In
zijn eerste uitspraak hierover herhaalt de CRvB, kort gezegd, dat voor wat
betreft de sociale zekerheid geen beroep op artikel 26 IVBPR mogelijk is voor
23 december 1984. Dat houdt vervolgens in dat voor het onderscheid in de AOW,
ontstaan door kortingen gerelateerd aan verzekeringstijdvakken gelegen vóór
23 december 1984, een objectieve rechtvaardiging bestaat. De CRvB ziet voorts
geen plaats voor toepassing van het principe van het verbod op doorwerking
van discriminatie, zoals toegepast in het EG-recht: ‘Een zo vergaande werking
als aan het beginsel van gelijke behandeling van man en vrouw is toegekend in
het (..) (communautair recht, AV), kan naar het oordeel van de Raad niet
geacht worden voort te vloeien uit de meer algemene normstelling inzake het
verbod van discriminatie als neergelegd in artikel 26 IVBPR’ (CRvB 26
november, RSV 1994, 126). In zijn algemeenheid lijkt deze stellingname
overigens achterhaald te zijn door de recente uitspraak van het HRC (zie RN
1107).

Na de bovenstaande uitspraak uit 1993 zetten de rechtsontwikkelingen zich
voort. Aanleiding hiervoor is het HR-arrest van 1 december 1993 (RSV 1994,
127) waarin deze rechter oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel reeds geruime
tijd voor de inwerkingtreding van artikel 1 Gw (17 februari 1983) behoorde
tot de ongeschreven beginselen van het Nederlandse recht. Met andere woorden,
de HR wijst hier op een ongeschreven gelijkheidsbeginsel waarop wellicht in
de tijd gezien eerder een beroep mogelijk is dan op grond van artikel 26
IVBPR. Daarop wordt het probleem van de AOW-korting met een beroep op dit
ongeschreven beginsel voorgelegd aan de HR, waarbij het in casu om
niet-verzekerde tijdvakken gaat die gelegen zijn vóór augustus 1977. De HR
oordeelt echter dat dit beroep op het ongeschreven gelijkheidsbeginsel faalt,
omdat voorzover het gaat om verzekeringstijdvakken gelegen vóór althans
augustus 1977, sprake is van een objectieve rechtvaardiging (HR 29 mei 1996,
Jurisprudentie Bestuursrecht 1996, 185). De AOW-korting is bedoeld om
cumulatie van pensioenopbouw in Nederland en het buitenland tegen te gaan,
waarbij ervan uit mocht worden gegaan dat dit (destijds) buitenlands
kostwinnerspensioen mede ten behoeve van de echtgenote strekte, aldus de HR.
Inmiddels is dus duidelijk dat kortingen gerelateerd aan tijdvakken gelegen
voor augustus 1977 niet aanvechtbaar zijn. Dat houdt echter nog de vraag open
of kortingen gerelateerd aan tijdvakken gelegen tussen augustus 1977 en 23
december 1984 (de datum die de CRvB aanhoudt) wellicht wel strijden met het
ongeschreven gelijkheidsbeginsel. Deze vraag wordt vervolgens aan de CRvB
voorgelegd. In 1997 oordeelt de Raad in zijn tweede uitspraak over de
AOW-korting, dat er onvoldoende reden is om aan te nemen dat de objectieve
rechtvaardiging voor het onderscheid haar werking niet over het gehele
tijdvak tot 23 december 1984 zou hebben behouden (CRvB 16 april 1997, RSV
1997, 201).
Maar ook hierbij blijft het niet, omdat inmiddels de weg naar de HR is
gevonden. De AOW-korting wordt opnieuw aan de HR voorgelegd met een beroep op
het ongeschreven gelijkheidsbeginsel, waarbij het in casu gaat om
niet-verzekerde tijdvakken tussen 1 januari 1980 en 25 juni 1983. Op 26
augustus 1998 oordeelt de HR dat vanaf 1 januari 1980 geen objectieve
rechtvaardiging voor het onderscheid meer bestaat, aangezien met de invoering
in 1980 van gelijke rechten in de AAW, WAO en Zw niet langer mag worden
aangenomen dat de man kostwinner is en zijn (buitenlands) pensioen derhalve
mede ten behoeve van zijn echtgenote strekt (RSV 1999, 12). De hier besproken
uitspraak betreft de derde AOW-uitspraak van de CRvB. De CRvB verlaat de lijn
die is ingenomen in de tweede uitspraak uit 1997 en brengt zijn zienswijze in
overeenstemming met het laatste arrest van de HR. Gehuwde vrouwen die niet
onder de derde richtlijn vallen, kunnen derhalve kortingen op de AOW ongedaan
maken indien deze gerelateerd zijn aan niet-verzekerde tijdvakken gelegen na
1 januari 1980.

Het ‘gepingpong’ tussen HR en CRvB maakt duidelijk dat het
gelijkheidsbeginsel, zowel qua inhoud als inwerkingtreding, nog steeds geen
rustig bezit is. Inmiddels heeft het er ook de schijn van dat het Human
Rights Committee wel degelijk een verbod op de doorwerking van discriminatie
begrepen acht onder artikel 26 IVBPR. Dit zou de rechtsdiscussie, ook na de
hier besproken uitspraak, weer open gooien. Op basis van dit principe valt
immers te betogen dat weliswaar kortingen over verzekeringsvakken voor 1
januari 1980 niet in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel, maar dat de
doorwerking van dit onderscheid in pensioenuitkeringen nadat het
gelijkheidsbeginsel in de AOW is doorgevoerd, derhalve vanaf 1985, wel in
strijd is met artikel 26 IVBPR. Op deze wijze zou de inhoud van het
Verholen-arrest van het HvJ EG, maar dan langs de weg van artikel
26 IVBPR, zo mogelijk ook kunnen gaan gelden voor gehuwde vrouwen die niet
onder de derde richtlijn vallen.

Albertine Veldman

Rechters

Mrs. Haverkamp, Zwart en De Vries

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 27 april 1999

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Eiseres werkt sinds 3 april 1998 via een uitzendbureau bij gedaagde en zij
treedt per 1 mei 1998 in dienst voor de duur van zes maanden. Op 8 mei deelt
zij werkgever mee dat zij zwanger is en dat haar verlof in juli ingaat. Dit
is voor werkgever reden de arbeidsovereenkomst (buitengerechtelijk) te
vernietigen. Werkgever stelt dat in de sollicitatiegesprekken uitdrukkelijk
is besproken dat aanwezigheid van eiseres gedurende de zomermaanden (juni,
juli en augustus) vereist was, in verband met de bezetting op het
secretariaat. Aangezien eiseres ontkent dat werkgever dit kenbaar heeft
gemaakt, dient werkgever bewijs te leveren, waarin werkgever slaagt door
middel van twee getuigenverklaringen. De kantonrechter oordeelt dat
zwangerschap in beginsel geen reden kan zijn om het dienstverband te
beëindigen. Echter, nu vast staat dat eiseres werkgever heeft misleid door te
verzwijgen dat zij niet beschikbaar zou zijn in juli en augustus, heeft
werkgever gedwaald bij het totstandkomen van de overeenkomst. Gedaagde had
derhalve goede grond de overeenkomst te vernietigen wegens dwaling.

Volledige tekst

TUSSENVONNIS:

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

(…)

GRONDEN VAN DE BESLISSING.

1. E. is sinds 3 april 1998 bij de Riagg werkzaam als secretaresse op basis
van 23,4 uur per week tegen een salaris van ƒ 2.540,94 per maand bruto,
exclusief emolumenten (peildatum 1 juli1998). De werkzaamheden werden
verricht op de vestiging (…). Aanvankelijk was E. werkzaam via een
uitzendbureau. Op 1 mei 1998 trad zij in dienst voor de duur van zes maanden
met uitzicht op verlenging.

2. In verband met haar zwangerschap is E. niet toegelaten tot haar
werkzaamheden en vanaf mei 1998 heeft zij geen betaling meer ontvangen.

3. Op 8 mei 1998 heeft E. aan de Riagg laten weten dat zij zwanger was. Haar
teamleidster zou aanvankelijk positief gereageerd hebben op die mededeling.
Op 13 mei 1998 heeft de Riagg evenwel middels een buitengerechtelijke
verklaring laten weten dat zij de arbeidsovereenkomst wenste te vernietigen,
omdat zij geen arbeidsovereenkomst zou zijn aangegaan, als zij geweten zou
hebben dat E. zwanger was. E. betwist dat zij hiervan op de hoogte was. Zij
erkent dat zij niet heeft gemeld dat zij zwanger was, maar een vraag
daaromtrent zou haar ook niet zijn gesteld. Zij meent daarom dat sprake is
van een nietig ontslag en dat de Riagg jegens haar toerekenbaar tekort
schiet. Op die gronden maakt zij aanspraak op betaling van loon en
emolumenten van 1 mei 1998 tot 1 november 1998.

4. De Riagg stelt dat zij met E. besprekingen heeft gevoerd waarbij uitvoerig
gesproken zou zijn over aanwezigheid, omdat een continue bezetting van het
secretariaat tijdens de zomermaanden noodzakelijk werd geacht. Tijdens de
sollicitatiebespreking is over de perioden van verlof gesproken en daarbij
zou E. hebben aangegeven dat zij in mei met vakantie zou gaan, waarop haar
zou zijn gezegd dat dat goed uitkwam. omdat zij dan de maanden juni, juli en
augustus aanwezig zou zijn. In dat licht zou de onderhavige overeenkomst voor
zes maanden zijn gesloten. Tengevolge van haar zwangerschap zou E. nu in juli
1998 verlof opnemen, wat niet strookte met de beoogde bezetting.

5. In beginsel kan de zwangerschap van een werkneemster, en dus van E., geen
reden zijn het dienstverband te eindigen. De wet kent enige bepalingen waarin
een verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens zwangerschap van
een werkneemster is vastgelegd dan wel waarin een beding terzake met
nietigheid wordt gestraft. Dit dient in het achterhoofd te worden gehouden
bij de beoordeling van het onderhavige probleem.

6. Echter, indien juist zou zijn wat de Riagg stelt: dat zij, vóór het
aangaan van de arbeidsovereenkomst met E., aan haar op niet mis te verstane
wijze heeft medegedeeld dat zij gedurende de zomermaanden beschikbaar diende
te zijn en dat op de positieve mededeling daarop van de kant van E. de
overeenkomst is gesloten, heeft E., wetende dat zij zwanger was, de Riagg
misleid door dat te verzwijgen zodat zij dus juist niet beschikbaar zou zijn
in die periode vanwege te verwachten zwangerschaps- en bevallingsverlof. De
kaarten liggen dan anders. De Riagg heeft dan gedwaald bij het tot stand
komen van de overeenkomst welke dwaling in dat geval recht geeft op
vernietiging van die overeenkomst.

7. Nu E. evenwel gemotiveerd bestrijdt dat het is gegaan zoals de Riagg
stelt, zal de Riagg haar stellingen dienen waar te maken. Er zal daarom een
bewijsopdracht aan haar worden verstrekt.

8. Deze zaak zal worden verwezen naar de rol van 25 mei 1999 teneinde de
Riagg in de gelegenheid te stellen zich uit te laten of zij het opgedragen
bewijs wil leveren en zo ja, met hoeveel getuigen, waarna een datum en
tijdstip voor een getuigenverhoor kan worden bepaald. Het verdient
aanbeveling, met het oog op de komende vakantieperiode, dat verhinderdata van
partijen en getuigen worden opgegeven.

BESLISSING

1. Aan de Riagg wordt opgedragen te bewijzen dat zij aan E. kenbaar heeft
gemaakt dat zij de arbeidsovereenkomst slechts wilde aangaan met het oog op
haar beschikbaarheid gedurende de zomerperiode van 1998 en dat E. dat had
kunnen begrijpen, zodat zij had dienen te melden dat zij zwanger was en dus
niet volledig beschikbaar.

2. Deze zaak wordt verwezen naar de rol van 25 mei 1999 teneinde de Riagg in
de gelegenheid te stegen zich uit te laten als bedoeld onder rechtsoverweging
8.

3. Verdere beslissingen worden aangehouden.

TEKST EINDVONNIS:

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

(…)

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Aan de Riagg was opgedragen te bewijzen dat zij aan E. kenbaar heeft
gemaakt dat zij de arbeidsovereenkomst slechts wilde aangaan met het oog op
haar beschikbaarheid gedurende de zomerperiode van 1998 en dat E. dat had
kunnen begrijpen, zodat zij had dienen te melden dat zij zwanger was en dus
niet volledig beschikbaar.

2. De Riagg heeft twee getuigen naar voren gebracht onder wie Reijerse. Deze
heeft indertijd met E. het sollicitatiegesprek gevoerd en de verdere aanname
geregeld. Zij zegt dat zij zeker weet dat zij het met E. heeft gehad over
aanwezigheid in de zomer. Toen de vakantieplannen ter sprake kwamen heeft E.
geantwoord dat de vakantie in mei zou vallen. Reijerse heeft toen gezegd:
‘dat is mooi, want dan ben je er in juli en augustus’. Op de vraag van E. in
een later telefoongesprek over haar in dienst treden of het niet gek was dat
zij in mei met vakantie zou gaan, is nog eens gezegd: ‘nee, want je bent er
dan in juli en augustus’.

3. De getuige Notmeijer heeft E. ingewerkt. Daarbij is volgens haar duidelijk
over aanwezigheid in de zomer gesproken. Van belang is vooral haar mededeling
dat, toen E. haar had gemeld dat zij zwanger was, zij (Notmeijer) vroeg
waarom zij dat niet eerder had verteld, waarop E. geantwoord heeft dat zij
dat al bij twee eerdere sollicitaties had gemeld en dat zij toen niet was
aangenomen.

3. In contra-enquête is E. als partijgetuige gehoord. Zij erkent dat over
haar vakantieplannen van mei is gesproken en dat Reijerse daarop gereageerd
heeft met de mededeling: ‘dat is mooi want dan ga je niet in augustus of
september’. Volgens haar is verder over aanwezigheid in de zomer niet
gesproken. De rest van hetgeen E. heeft verklaard, is niet relevant voor de
vraag of zij wist of kon weten dat de Riagg haar juist in de zomermaanden
wilde hebben.

4. De getuigenverklaringen in samenhang bekijkend is voldoende naar voren
gekomen dat de aanwezigheid van E. in de zomermaanden van belang was en dat
zij met het oog daarop werd aangenomen. Weliswaar werd een constructie via
een uitzendbureau gekozen en werd eerst later een arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd aangegaan, maar dat doet niet af aan de omstandigheid dat E.
kon weten dat het ging om haar aanwezigheid in de zomermaanden. Nog in het
telefoongesprek over het in dienst treden per 1 mei kwam aan de orde of het
niet gek was dat zij meteen al in mei met vakantie ging waarop geantwoord is
dat dat goed was omdat zij er dan in juli en augustus zou zijn. Het kan E.
niet zijn ontgaan dat die periode voor de Riagg belangrijk was. E. was toen
al zo lang zwanger dat zij wist dat zij in de zomermaanden vermoedelijk
met zwangerschaps- en bevallingsverlof zou zijn. Het had onder de gegeven
omstandigheden op haar weg gelegen de Riagg op de hoogte te stellen van haar
vermoedelijke afwezigheid in de zomermaanden. Zij heeft dat bewust niet
gedaan. Weliswaar om te vermijden dat zij niet zou worden aangenomen, zoals
kennelijk al eerder was gebeurd, maar nu de Riagg een bijzonder belang had te
weten dat zij op de aanwezigheid van E. moest kunnen rekenen en het niet
zomaar ging om een werkgever die huiverig tegenover zwangerschap van een
werkneemster staat, had E. moeten melden wat er aan de hand was. Partijen
hadden dan eerlijk tegenover elkaar gestaan.

5. Er was dus goede grond om de arbeidsovereenkomst met E.te vernietigen. De
vorderingen van E. dienen daarom te worden afgewezen, zij het dat het een
onredelijk gevolg van de vernietiging zou zijn als E. over de periode van 1
tot 8 mei geen salaris zou ontvangen. Volgens de Riagg is die periode via het
uitzendbureau betaald. Als dat zo is, is alles in orde. Mocht dat niet zo
zijn, dan dient de Riagg alsnog te bevorderen dat E. over de bedoelde periode
haar salaris ontvangt.

6. De slotconclusie is dus dat de vorderingen van E. worden afgewezen en dat
zij wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

1. De vorderingen van E.worden afgewezen.
2. E. wordt veroordeeld inde kosten van deze procedure
(…)

Rechters

Mr. Groenendaal

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 23 april 1999

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Partijen zijn gescheiden en procederen langdurig over de boedelscheiding. De
rechtbank Dordrecht heeft de man veroordeeld tot betaling van een voorschot
op de boedelscheiding. De man werkt daar niet aan mee en thans procederen
partijen over de executie van dat vonnis. De vrouw vordert bij de rechtbank
een aantal voorzieningen teneinde inzicht te krijgen in de verhaalspositie
van de man. Zij vordert o.a. uitvoerbaarverklaring van het vonnis onder
lijfsdwang. Dit wordt toegewezen. Het hof oordeelt nu in beroep over die
uitspraak. De vrouw wordt ook daar in het gelijk gesteld.
Lijfsdwang wordt toegestaan.

Volledige tekst

Beoordeling van het principale hoger beroep

1. Het geding betreft de executie van een vonnis dat de President van de Rb.
te Dordrecht in kort geding op 26 juni 1996 tussen de partijen heeft gewezen.
Bij dat vonnis was de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een
bedrag van ƒ 100 000 als voorschot op de boedelscheiding. De partijen zijn
ex-echtelieden. Teneinde dat vonnis te kunnen executeren heeft de vrouw in
kort geding verzocht de man te veroordelen – zakelijk weergegeven – primair
tot opgave van zijn bronnen van inkomsten en subsidiair tot:
A. opgave van alle Nederlandse en buitenlandse bank- en giro-instellingen
waarmee de man relaties onderhoudt dan wel binnen 30 dagen na betekening van
het vonnis in deze zaak gaat onderhouden.
B. onherroepelijke schriftelijke volmachten te verstrekken, getekend door de
man, ten behoeve van de advocaat van de vrouw mr. P.J.A. Hovig, om het saldo
op te vragen van de rekening die bij de onder A genoemde bank- en
giro-instellingen aangehouden worden gedurende een periode van 30 dagen na
betekening van dit vonnis,
C. opgave van alle Nederlandse en buitenlandse vennootschappen waarmee de man
relaties onderhoudt en uit hoofde van die relaties inkomsten ontvangt, en
tevens uitvoerbaar-verklaring van die veroordeling bij lijfsdwang. In het
bestreden vonnis van 15 december 1997 heeft de president de subsidiaire
vordering van de vrouw toegewezen. Daartegen richt zich het hoger beroep van
de man. De primaire vordering van de vrouw werd afgewezen. Daartegen richt
zich haar incidentele hoger beroep, alsmede tegen het feit dat de president
tussen de partijen de kosten heeft gecompenseerd.

2. In de eerste grief verwijt de man de president dat deze bevoegdheid heeft
aangenomen, ondanks het feit dat de man woonplaats heeft in België. Hij
beroept zich daarbij op art. 2 e.v. EEG-Executieverdrag van 27 september
1968. De vrouw stelt dat de vordering huwelijksgoederenrecht betreft en
derhalve op grond van art. 1 niet onder de werking van het
EEG-Executieverdrag valt. De partijen zijn ex-echtelieden en sinds 1990
verwikkeld in de afwikkeling van de verdeling van hun gezamenlijke huwelijkse
vermogen. De vrouw heeft een voorschot op deze verdeling verzocht, welk
voorschot haar is toegekend. Het onderhavige geding heeft betrekking op de
executie van het vonnis waarin het voorschot op haar aandeel in de boedel aan
de vrouw is toegekend. Dit brengt mee dat de vordering betrekking heeft op
het huwelijksgoederenrecht, ook al baseert de vrouw deze op een bepaling van
procesrechtelijke aard. De president heeft zich terecht bevoegd geacht. De
grief faalt.

3. De grieven II en III lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij
betreffen, kort gezegd, de overwegingen van de president dat de stagnatie in
de afwikkeling van de boedelscheiding – mede – te wijten is aan het feit dat
de man, verbolgen over het feit dat de vrouw het convenant en de
boedelscheiding met succes heeft aangevochten, deze zoveel mogelijk
dwarsboomt en dat de vrouw, nu de man zich beijvert om de omvang van de
huwelijksgemeenschap tot nihil terug te brengen, spoedeisend belang bij de
door haar gevraagde voorziening heeft.

4. Het hof overweegt met betrekking tot deze grieven dat, nog afgezien van de
voor de man teleurstellende aantasting van het convenant, in alle procedures
met betrekking tot de ontbinding van der partijen huwelijk en de gevolgen
daarvan de vrouw in het gelijk is gesteld en de man tegen alle uitspraken
rechtsmiddelen heeft aangewend en daarbij in geen enkele procedure in het
gelijk is gesteld. De boedelscheiding is door al deze, door rechtsmiddelen
van de man gerekte, procedures ernstig vertraagd. De man heeft hierin dus een
groot aandeel gehad. De tweede grief faalt hierom. De man verzet zich in zijn
derde grief tegen de overwegingen die de president ten grondslag heeft gelegd
aan het oordeel dat de zaak spoed eist. Deze komen er in grote trekken op
neer dat de man zich inspant om de huwelijkse gemeenschap tot nihil terug te
brengen, dat de vrouw door het gebrek aan medewerking van de man slechts met
bijstand van een accountant zou kunnen aangeven waar het huwelijksvermogen is
gebleven en dat de procedure lang duurt, gevoegd bij het feit dat de man zich
tegen een verdeling blijft verzetten. Gelet op hetgeen hiervoor met
betrekking tot grief II is overwogen, doet naar het oordeel van het hof juist
de lange duur van de boedelscheiding het spoedeisende belang van de vrouw
toenemen, nu uitsluitend de man het beheer over het huwelijkse vermogen heeft
en heeft gehad en de vrouw geen inzicht heeft in de wijze waarop de man dat
beheer voert en heeft gevoerd. Dit klemt te meer, omdat de man zijnerzijds
stelt dat het vermogen in de jaren na de ontbinding van der partijen huwelijk
aanzienlijk is afgenomen, ja zelfs tot vrijwel nihil is geslonken. Bovendien
betreft de procedure de executie van een vonnis in kort geding, zodat alleen
al op grond daarvan spoedeisend belang aannemelijk is.

5. In de vierde grief bestrijdt de man de beslissing van de president dat
deze de vrouw toestaat het te wijzen vonnis bij lijfsdwang te executeren. De
man stelt dat hij zich reeds bereid had verklaard te voldoen aan onderdeel B
van de subsidiaire vordering, waaraan nog niet was voldaan, en dat hij aan de
onderdelen A en C van de subsidiaire vordering reeds had voldaan. Ten tijde
van de ontbinding van der partijen huwelijk bedroeg het deel van het vermogen
waarop de vrouw recht had in ieder geval meer dan ƒ 100 000. De man heeft dat
zelf in de echtscheidingsprocedure erkend. Evenmin heeft hij betwist dat het
vermogen van de partijen ten tijde van de echtscheiding en de daaraan
voorafgaande procedure aanzienlijk was. Thans stelt hij dat er van het
vermogen niets meer over is, maar hij maakt onvoldoende duidelijk wat daarvan
de oorzaak is. Alleen de stelling dat dit het gevolg zou zijn van een
ongunstige ontwikkeling binnen de aannemingsbedrijven X is daartoe
onvoldoende, gelet op de positieve informatie die de man daaromtrent zelf
naar de buitenwereld verspreidt en op het feit dat hij in de afgelopen jaren
aanleiding heeft gezien het aantal vennootschappen rondom die
aannemingsbedrijven aanzienlijk uit te breiden, tot thans een totaal van 17,
een activiteit waarmee zonder twijfel niet geringe kosten gemoeid zijn. In
dat licht bezien volstaat de enkele opgave van drie bank- en
giro-instellingen waarmee hij een relatie onderhoudt en waar zijn saldo nihil
blijkt te zijn, niet om te voldoen aan onderdeel A van de toegewezen
vordering van de vrouw. Evenmin volstaat de mededeling van de man dat hij,
ondanks het feit dat hij van het merendeel der vennootschappen directeur is,
geen inkomsten ontvangt om te voldoen aan onderdeel C daarvan. Uit hetgeen
uit de stukken is gebleken rijst een gerechtvaardigd vermoeden dat de man
financiële middelen onder zich heeft en financiële voordelen geniet op een
wijze waaromtrent hij tot op heden geen informatie heeft verstrekt. Voorts
wekt de proceshouding van de man gerede twijfel aan
de juistheid van zijn opgaven en aan zijn bereidheid om opgave te doen. Op
goede gronden overweegt de president dat, nu het voldoen aan de vordering
afhangt van de medewerking en het handelen van de man zelf, lijfsdwang de
enige manier is waarop de vrouw inzicht kan krijgen in haar mogelijkheden om
het vonnis houdende toewijzing aan haar van het voorschot van ƒ 100.000 te
executeren dan wel de boedelscheiding voort te zetten. De grief faalt.

6. De man heeft niet betwist dat hij de enige directeur is van het grootste
aantal vennootschappen van de “X-groep”. Daaruit moet volgen dat hij ook
zeggenschap in deze vennootschappen heeft. De vaststelling van de president
op dit punt is derhalve juist. De man presenteert zich voorts naar de
buitenwereld als dynamisch directeur van een succesvol bedrijf, onder
vermelding van een aantal projecten die dit bedrijf onder handen had in de
jaren 1995 en 1996. Dit maakt onaannemelijk dat de man, zoals hij zelf stelt,
nauwelijks activiteiten ten behoeve van de vennootschappen verricht en dat
hij uit de activiteiten die hij verricht geen inkomsten geniet. Gezien de
voorgaande overwegingen in deze alinea en gelet op de stelling van de man dat
hij geen enkele financiële draagkracht voor verhaal biedt, faalt zijn
betwisting dat hij vergoedingen of mogelijk te bedingen vergoedingen voor
zijn werkzaamheden voor de vennootschappen buiten het verhaal door de vrouw
heeft gebracht.

7. Grief VI richt zich tegen de overweging van de president dat de man actief
en passief de voortgang van de boedelscheiding tracht te belemmeren en dat de
vrouw terecht inzicht vraagt in alle financiële gegevens die er direct of
indirect toe zouden kunnen leiden dat de boedelscheiding weer op gang komt.
De man betwist dat hij “actief en passief de voortgang van de boedelscheiding
tracht te belemmeren”. Uit het voorgaande en uit het feit dat de man bij al
zijn processuele activiteiten in het ongelijk is gesteld blijkt genoegzaam,
dat hij onvoldoende medewerking verleent aan een voorspoedige afwikkeling van
de boedelscheiding, zoals dat (ook) tussen ex-echtelieden betaamt. Het hof
verwijst hier mede naar hetgeen met betrekking tot de vierde grief is
overwogen. Iedere deelgenoot heeft het recht van de andere inzicht te
verkrijgen in alle financiële gegevens die betrekking op de boedelscheiding
zouden kunnen hebben en waarmee een behoorlijke afwikkeling daarvan kan zijn
ingediend. Nu de drie door de man opgegeven rekeningen kennelijk niet
uitputtend de omvang van zijn financiële vermogen aangeven, dient de vrouw te
worden voorzien van middelen die haar in staat kunnen stellen de man ertoe te
brengen een volledig inzicht in zijn financiële situatie te geven, opdat zij
in staat zal zijn het aan haar in het kader van de boedelverdeling toegewezen
voorschot te verhalen. De man blijft immers kennelijk weigerachtig dat
vrijwillig te doen. De grief faalt.

8. Grief VII betreft de toewijzing van de vordering tot afgifte van
onherroepelijke volmachten aan de raadsman van de vrouw. De man is van mening
dat daartoe geen grond bestaat omdat hij zich al bereid heeft verklaard deze
te verschaffen en omdat het vonnis waarvan beroep op de datum van de memorie
van grieven nog niet was betekend en noch hij noch zijn raadsman met
betrekking tot die volmachten nog iets van de vrouw en haar raadsman hebben
vernomen. Hieruit blijkt dat de man zijn toezegging nog niet is nagekomen
zonder beletsel dat te doen. Overigens staat het feit dat de volmachten om
welke reden dan ook nog niet zijn verstrekt los van de vraag of de beslissing
van de president op dit punt juist is. Teneinde aan de subsidiaire vordering
sub A uitvoering te kunnen geven, is het verstrekken van de verzochte
volmachten noodzakelijk. Anders dan de man acht het hof de zinsnede
“gedurende een periode van 30 dagen na betekening van dit vonnis” duidelijk.
Daarmee is bedoeld dat de raadsman van de vrouw, gedurende een periode van 30
dagen na betekening van het vonnis, in de gelegenheid moet zijn om de
volmachten, die uiterlijk 2 dagen na betekening van het vonnis dienen te
worden afgegeven, te gebruiken, met aanzegging zoals omschreven in overweging
14 van het vonnis. De grief faalt.

9. De man stelt in grief VIII dat de president is getreden buiten de grenzen
van de rechtsstrijd met de overweging te begrijpen “dat de vordering tot
opgave van inkomsten betrekking heeft op alle voordelen, ook die niet vallen
onder het formele begrip (arbeids)inkomsten. De vordering zal dan ook worden
toegewezen in die zin, dat de man opgave dient te doen van en inzicht dient
te geven in zijn betrekkingen met vennootschappen, waaruit de man direct of
indirect enige onkostenvergoeding of anders genoemde vergoeding of beloning
toekomt of feitelijk gegeven is dan wel wordt”. Het hof deelt deze uitleg
door de president van de stellingen van de vrouw en haar daarop gebaseerde
vordering. Deze interpretatie treedt niet buiten de grenzen der rechtsstrijd,
zoals in hoger beroep door de vrouw verduidelijkt. Ook grief VIII faalt.

10. (…)

Beoordeling van het incidentele hoger beroep

11. Grief I in incidenteel appel richt zich tegen de afwijzing door de
president van de primair gevorderde veroordeling van de man om een opgave van
zijn bronnen van inkomsten te verschaffen. De vrouw beoogt met het geding
inzicht te krijgen in de financiële draagkracht van de man met het oog op de
executie van het aan haar in het kader van de boedelscheiding toegewezen
voorschot. Daartoe kunnen van belang zijn alle financiële gegevens met
betrekking tot alle vormen van inkomsten en vermogen waaruit enig inzicht kan
worden verkregen omtrent de draagkracht van de man voor het beoogde verhaal.
Vaststaat dat de omvang van de gezamenlijke boedel ten tijde van de
ontbinding daarvan in ieder geval het toegekende voorschot rechtvaardigt.
Niet valt dan in te zien waarom het verhaal door de vrouw beperkt zou moeten
blijven tot bronnen van inkomen en vermogen aan de zijde van de man die
rechtstreeks voortspruiten uit die boedel. Daarmee zou de man, nu de boedel
onder zijn beheer staat, het immers zelf in de hand hebben of hij verhaal
biedt. Voorzover er naast de bank- en girosaldi als bedoeld in de subsidiaire
vordering sub A, en naast de relaties met de vennootschappen als bedoeld in
de subsidiaire vordering sub C, nog andere bronnen van inkomsten c.q.
vermogen zouden zijn waardoor de verhaalsmogelijkheden van de vrouw zouden
kunnen worden uitgebreid, heeft de vrouw recht op kennisneming daarvan. Nu de
man heeft aangegeven dat hij bij geen der betreffende vennootschappen op de
loonlijst staat, en dus geen “arbeidsinkomen” geniet, – hetgeen formeel juist
kan zijn zoals de president overweegt – voorzag de president bij toewijzing
van dit deel van de vordering executiegeschillen waarmee het belang van de
partijen niet zou zijn gediend. Het hof acht de kans hierop evenwel niet
doorslaggevend, te minder omdat onder “bronnen van inkomsten” niet alleen
bronnen van arbeidsinkomsten dienen te worden verstaan, maar ook bronnen van
andere revenuen, voordelen en verstevigingen van zijn vermogenspositie, die
de man op wat voor wijze
dan ook geniet, waaronder mogelijk ook nog andere dan uit zijn inspanningen
voor de in de subsidiaire vordering sub C bedoelde vennootschappen. Ook dit
deel van de vordering dient derhalve naar ’s hofs oordeel te worden
toegewezen. De grief is gegrond.

12. De tweede grief van de vrouw is gericht tegen de beslissing van de
president de kosten tussen de partijen te compenseren. Nu de vrouw in hoger
beroep, anders dan in eerste aanleg, alsnog volledig in het gelijk wordt
gesteld, is hiervoor naar ’s hofs oordeel geen plaats en zal de man alsnog
worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste en in tweede
instantie.

Beslissing in het principale en het incidentele hoger beroep

Het hof, recht doende in kort geding:

– bekrachtigt het vonnis van 15 december 1997, door de President van de Rb.
te Dordrecht tussen de partijen gewezen, voor zover daarbij, uitvoerbaar bij
voorraad, de subsidiaire vordering van de vrouw is toegewezen en
tenuitvoerlegging van het vonnis door middel van lijfsdwang is toegestaan;

– vernietigt dit vonnis voorzover daarbij de primaire vordering van de vrouw
is afgewezen en de proceskosten gecompenseerd en, opnieuw rechtdoende:

– veroordeelt de man opgave te doen van zijn bronnen van inkomsten als
omschreven in overweging 10, binnen 30 dagen na betekening van dit arrest en
staat tenuitvoerlegging van deze veroordeling toe door middel van lijfsdwang;
wijst af het meer of anders gevorderde;

– veroordeelt de man in de kosten van het geding in eerste instantie en in
hoger beroep, aan de zijde van de vrouw tot deze uitspraak begroot op ƒ 5745,
gespecificeerd als volgt: in eerste aanleg: ƒ 345 vast recht en ƒ 1280
salaris procureur, in hoger beroep: ƒ 370 vast recht en ƒ 3750 salaris
procureur; verklaart dit arrest, voor zover veroordelingen inhoudende
uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs Koning, Wigleven en Van Bellen