Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 22 april 1999

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


IPR. Partijen zijn begin jaren 90 in de VS gehuwd. De man heeft de Ned.
nationaliteit en de vrouw de Amerikaanse. Direct na hun huwelijk zijn ze in
Nederland gaan wonen. Er wordt één dag voor het huwelijk in de
huwelijksvoorwaarden een nihilbeding t.a.v. evt. alimentatierechten
overeengekomen. Tevens wordt overeengekomen dat het recht van de VS
(Pennsylvania) van toepassing is op eventuele alimentatiekwesties. In 1996
start de man een echtscheidingsprocedure en hij beroept zich op het
nihilbeding. De vrouw is niet behoeftig. De rechtbank oordeelt dat het beding
nietig is, want in strijd met art. 1:400 lid 2 BW. Ook de afspraak dat het
recht van de VS van toepassing zou zijn is nietig, aldus de rb. Het hof heeft
een ander oordeel. Het hof stelt dat pp. rechtsgeldig hebben gekozen voor
toepassing van ander recht. Dit recht leidt niet tot gevolgen die naar Ned.
recht onaanvaardbaar zijn.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1 De vrouw is in de zaak met rekestnummer 671/98, en de man is in de zaak
met rekestnummer 672/98 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de
beschikking van 17 juni 1998 van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam,
rekestnummer 96.4227F.

1.2. De zaken zijn met instemming van partijen gevoegd behandeld op 3
februari 1999 door de daartoe aangewezen raadsheer-commissaris
(tegelijkertijd met de zaak met rekestnummer 75/99).

1.3. In tegenstelling tot hetgeen bij de behandeling werd afgesproken, zijn
de ter zitting toegezegde stukken niet aan het hof toegezonden.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden

2. l. Partijen zijn op 11 mei 1991 met elkaar te Pittsburgh in de staat
Pennsylvania (Verenigde Staten van Amerika) gehuwd.
Uit hun huwelijk is geboren te Blaricum Nicholaas Reinhard (Nicholaas) op 3
september 1993.
De samenleving tussen partijen is op 4 maart 1996 verbroken.

2.2. De man heeft de Nederlandse nationaliteit, de vrouw de Amerikaanse
nationaliteit. Hun kind heeft de Nederlandse nationaliteit. Zowel de man als
de vrouw woonden ten tijde van het huwelijk in de staat Pennsylvania.
De man en de vrouw hebben na hun huwelijk geen gezamenlijk domicilie in de
Verenigde Staten gehad. Zij zijn, ieder afzonderlijk, enige maanden na hun
huwelijk naar Nederland vertrokken. Daar betrokken zij hun eerste
gezamenlijke woning na hun huwelijk.

2.3. Partijen hebben in de staat Pennsylvania voorafgaand aan hun huwelijk
een zogenoemd “Prenuptial Agreement” gesloten. Aan de totstandkoming van dit
contract is uitvoerig overleg voorafgegaan. Zo hebben er ten minste vier
voorbereidende sessies plaatsgehad. Elk van partijen is, ieder afzonderlijk,
door een rechtsgeleerd raadsman bijgestaan.
Uit de bewoordingen van het contract (art. 9) blijkt dat partijen indertijd
voorzagen dat zij een internationaal bestaan tegemoet gingen. Zij kozen
daarom voor toepassing van het recht van de staat Pennsylvania op hun
contract. Vooral de vrouw heeft aangedrongen op toepassing van dat recht,
omdat zij bezwaar had tegen toepasselijkheid van een haar vreemd recht.
Het contract is op 10 mei 1991, de dag voor hun huwelijk, ondertekend.

2.4. Beide partijen zijn vermogend. Voor elk van hun vermogens geldt dat dit
gedeeltelijk niet gemakkelijk liquide gemaakt kan worden, noch rendeert.
De vrouw ontvangt in elk geval een inkomen uit een familietrust groot US
Dollars 2.100 per maand.
De man verdient een aanzienlijk inkomen uit arbeid.

2.5. In hun contract van 10 mei 1991 hebben partijen in artikel 6 een beding
opgenomen waarbij zij over en weer afstand doen van aanspraken op alimentatie
na echtscheiding. Ook op die voorziening is het recht van de staat
Pennsylvania van toepassing.

2.6. De man woont sinds 1 juni 1998 samen met zijn huidige partner, haar
minderjarige dochter Austen uit een eerdere relatie en de uit de relatie
tussen de man en zijn partner op 20 maart 1998 geboren dochter, Eleanore, in
Lasne, België. De man heeft Eleanore erkend.

2.7. In geschil is de echtscheiding en de uitkering tot levensonderhoud van
de vrouw van ƒ 7.000 per maand met ingang van de datum van inschrijving van
de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand zolang
de vrouw de echtelijke woning bewoont en van ƒ 7.500 per maand zodra de vrouw
de echtelijke woning heeft verlaten. Deze beslissingen zijn gegeven op het
inleidend verzoek van de man de echtscheiding uit te spreken en op het
verzoek van de vrouw het verzoek van de man de echtscheiding uit te spreken
af te wijzen en subsidiair (indien het inleidend verzoek van de man tot het
uitspreken van de echtscheiding zou worden toegewezen) de uitkering tot haar
levensonderhoud te bepalen op ƒ 10.000 per maand.

De man verzoekt in het bijzonder het recht van de staat Pennsylvania op de
alimentatiekwestie toe te passen en te bepalen dat de vrouw op grond van het
contract van 10 mei 1991 geen aanspraak op een bijdrage in haar
levensonderhoud heeft.

De vrouw verzoekt na wijziging van haar standpunt ter zitting in hoger beroep
het inleidend verzoek van de man de echtscheiding uit te spreken alsnog af te
wijzen en de scheiding van tafel en bed tussen partijen uit te spreken.
Voorts verzoekt de vrouw de uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen op
ƒ 13.000 per maand zolang zij de echtelijke woning bewoont en op ƒ 15.000 per
maand zodra zij eigen woonruimte zal hebben betrokken.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. Ook in appèl geldt dat partijen toepassing van Nederlands recht op het
echtscheidingsverzoek wensen.
De vrouw heeft verzocht de scheiding van tafel en bed uit te spreken in
verband met de mogelijkheid tot verlenging van haar verblijfsstatus. De man
heeft verzocht de echtscheidingsbeslissing te bekrachtigen, omdat hij
voornemens is met zijn huidige partner in het huwelijk te treden.

3.2. De vraag of het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, behoeft
geen bespreking meer, omdat de vrouw haar betwisting te dien aanzien heeft
laten varen.

3.3. De man heeft nagelaten om – overeenkomstig de daartoe ter zitting in
hoger beroep gemaakte afspraak – de stukken waarop hij zich beroepen heeft
ter ondersteuning van zijn standpunt over de verblijfsstatus van de vrouw in
het geding te brengen. Het staat het hof thans vrij om recht te doen zonder
over die stukken te beschikken.

3.4. Nu tijdens de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken
dat de vrouw de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet
betwist, kan het echtscheidingsverzoek in beginsel als op de wet gegrond
worden toegewezen.
Hetgeen de vrouw heeft aangevoerd over haar verblijfsstatus in Nederland,
staat niet aan toewijzing in de weg, ook niet in het licht van de mogelijke
gevolgen voor Nicholaas. De stellingen van de vrouw zijn daarvoor –
daargelaten de verdere betekenis daarvan – te vaag. Zij beroept zich slechts
op een risico dat zou bestaan, terwijl zij desgevraagd ter zitting in hoger
beroep niet tot een nadere uiteenzetting in staat was. Daar komt bij dat
hetgeen de vrouw voor ogen staat – eerst een regeling van het ouderlijk gezag
en de omgang en pas daarna de echtscheiding – rechtens niet mogelijk is.
De echtscheidingsbeslissing van de rechtbank komt dus voor bekrachtiging in
aanmerking.

3.5. Vervolgens moet de vraag onder ogen worden gezien of de
alimentatieregeling die partijen in hun “Prenuptial Agreement” hebben
voorzien, in de weg staat aan toewijzing van het verzoek van de vrouw ten
behoeve van haar een uitkering tot levensonderhoud te bepalen.

3.6. Bij de bespreking van deze vraag stelt het hof voorop dat de vrouw
erkend heeft dat zij in het genoemde contract rechtsgeldig afstand van
alimentatie heeft gedaan naar het recht van de staat Pennsylvania.

3.7. De man heeft zich ter afwering van het alimentatieverzoek op die
contractuele regeling beroepen. De vrouw heeft tijdens de behandeling ter
terechtzitting in hoger beroep in het bijzonder aangevoerd dat de rechtskeuze
van partijen voor het recht van de staat Pennsylvania in strijd is met de
openbare orde, omdat de vrouw naar Nederlands recht niet op voorhand afstand
kan doen van alimentatie-aanspraken. De Nederlandse rechtssfeer dient haars
inziens hier voorop te staan, omdat partijen vrijwel vanaf hun huwelijk in
Nederland hebben verbleven.
Bovendien behoeft zij in financieel opzicht bescherming. Haar slotsom is dat
aan de rechtskeuze van partijen moet worden voorbij gegaan.

3.8. Geen regel van Nederlands internationaal privaatrecht staat er – gelet
op alle omstandigheden van het geval – aan in de weg om de rechtskeuze van
partijen te volgen, ook niet de in het Haags Alimentatieverdrag voorziene
regels (vgl. HR 21-02-97 NJ 98,416).
Voorts is het hof van oordeel dat de openbare orde exceptie in casu geen
toepassing dient te vinden. Het recht van de staat Pennsylvania is ten
aanzien van afstand van alimentatie- aanspraken in een geval als dit niet
onaanvaardbaar en toepassing van genoemd recht leidt niet tot gevolgen die
naar Nederlandse opvatting niet mogen worden geduld. De rechtskeuze voor het
recht van Pennsylvania komt niet in strijd met fundamentele rechtsbeginselen
in onze rechtsorde. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking de grondige
voorbereiding van het “Prenuptial Agreement”, de omstandigheid dat partijen
toentertijd goede reden hadden het toepasselijke recht te fixeren en dat zij
uitdrukkelijk toepassing van het recht van de staat Pennsylvania wensten,
alsmede dat die keuze weloverwogen met bijstand van deskundigen is gemaakt.
Ook is nog van belang dat de vrouw zonder alimentatie niet behoeftig
achterblijft.
De tussen partijen gedane rechtskeuze dient dan ook te worden gerespecteerd.
In zoverre slagen de grieven van de man.

3.9. De vrouw heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep
nog aan de orde gesteld dat in artikel 6 van het contract van 10 mei 1991 een
uitzonderingsmogelijkheid is voorzien. Desgevraagd heeft de vrouw daarop naar
voren gebracht dat de man zich heeft schuldig gemaakt aan overspel als
bedoeld in sectie 3301 van de Pennsylvania Divorce Code. De man heeft
gemotiveerd betwist dat er sprake zou zijn van bedoeld overspel. Voor het
geval de vrouw zijn huidige relatie zou bedoelen, heeft hij aangevoerd dat
het gezin reeds jaren gescheiden leefde, toen hij zich met zijn huidige
partner in België vestigde, hetgeen geen overspel in de zin van de
Pennsylvania Divorce Code oplevert.
Nu de vrouw pas in een zeer laat stadium van de procedure een beroep gedaan
heeft op de uitzonderingsmogelijkheid van art. 6, en vervolgens, hoewel
daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft nagelaten om tegenover de
gemotiveerde betwisting van de man voldoende concreet feiten en
omstandigheden aan te voeren ter ondersteuning van haar standpunt, verdient
dit standpunt geen nader onderzoek in rechte.
Het hof zal derhalve aan dat beroep voorbij gaan.

3.10. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, wordt het inleidend verzoek
van de vrouw tot het vaststellen van een uitkering tot haar levensonderhoud
afgewezen. In zover slagen de grieven van de man.

3.11. Hetgeen partijen voorts te berde hebben gebracht behoeft geen verdere
bespreking meer.

3.12. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Het hof:

wijst het inleidend verzoek van de vrouw strekkende tot uitkering in haar
levensonderhoud af en vernietigt de beschikking waarvan beroep in zoverre;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het
hof onderworpen voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de kosten van de hoger beroepen aldus, dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

Rechters

Mrs Torrenga, Den Ottolander en Van der Reep

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 21 april 1999

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Pleegouders, die 8 pleegkinderen in hun gezin hebben opgenomen, worden
beschuldigd van mishandeling en seksueel misbruik van twee pleegdochters.
Pleegouders vorderen van de voogdij-instellingen een schadevergoeding van ƒ
25.000 terzake van onrechtmatig handelen, gelegen in de onterechte
beschuldigingen. De vordering wordt afgewezen omdat de instellingen
zorgvuldig hebben gehandeld door de klachten die zijn binnengekomen over de
pleegouders te onderzoeken.

Volledige tekst

Verloop van de procedure.

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of
proceshandelingen:
– de gelijkluidende dagvaardingen,
– conclusie van eis,
– conclusie van antwoord met bewijsstukken,
– conclusie van repliek met bewijsstukken,
– conclusie van dupliek.

SiJA en AJL hebben stukken overgelegd ter verkrijging van vonnis.

Gronden van de beslissing.

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) betwist,
alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van overgelegde
bewijsstukken, staat het, volgende vast.

a. B. en B.-S. waren ten tijde van de dagvaarding sinds 15 jaren pleegouders
van kinderen die door verschillende voogdij-instellingen bij hen waren
geplaatst. In juni 1994 verbleven de volgende pleegkinderen in hun gezin:

1. D. M., qeboren op 12-10-1983, geplaatst in 1985 door de Stichting Jeugd en
Gezin.
2. M. H., geboren op 18-09-1983, geplaatst in 1987 door gedaagde sub 1.
3. C. H., geboren op 14-02-1986, geplaatst in 1987 door gedaagde sub 1.
4. P. v. G., geboren 4-9-1982, geplaatst in 1992 door gedaagde sub 2.
5. T. O., geboren 4-3-1981, geplaatst in 1994 door gedaagde sub 2.
6. R. A., geboren 19-7-1988, geplaatst in 1993 door de Stichting
Pro-Juventute
7. A. A., geboren 22-06-1990, geplaatst in 1993 door Stichting Pro-Juventute.
8. R. T., geboren 22-01-1987, geplaatst door gedaagde sub 2.

b. Op 8 november 1993 heeft de directeur van de basisschool van C. H.,
hierboven genoemd, het volgende bericht gestuurd aan R. L., teamleider bij
SiJA en in die hoedanigheid betrokken bij het pleeggezin.

Datum verslag: 8 november 1993
Verslag over: C.H.
Geboortedatum: 14-02-1986
Groep: 3
Opsteller verslag: de groepsleerkracht

Algemene houding :
C. maakt een droeve indruk. Ze is erg gesloten, trekt zich heel vaak terug
(in het toilet of op de gang). Ze heeft met de groep weinig contact en echte
vriendinnen heeft ze niet. C. heeft nu wel voldoende vertrouwen in mij als
klassejuf om ze af en toe wat te vertellen van thuis. Haar concentratie,
motivatie en werkhouding zijn zeer zwak. Ze knutselt heel graag in haar
eentje en sluit zich dan helemaal af van de groep.

21 september 1993: C. heeft blauwe plekken op haar linkerwang en haar arm. Ze
zegt (als ik het vraag) dat ze van de trap gevallen was. Als ik er nog verder
op in ga, geeft ze geen antwoord meer. En als ik vraag of ze wel de waarheid
vertelt, zegt ze dat ze met M. (haar broer) gevochten heeft. Als ik meer wil
weten loopt ze weg.

1 oktober 1993: C. komt nog na-snikkend de klas binnen. Ze heeft een grote
blauwe bult op haar voorhoofd. Als ik haar vraag hoe dat komt barst ze in
snikken uit en zegt dat haar moeder haar hoofd tegen de wasbak had geduwd
omdat ze gilde toen haar gezicht werd gewassen. Ze liet haar linker bovenbeen
zien: een grote blauwe plek. Moeder had haar geschopt.

11 oktober 1993: C. komt de klas binnen lopen. Weer met een blauwe plek op
haar linkerwang. 0p mijn vraag hoe dat nu weer kwam zei ze: “Heeft mama
gedaan met haar ring”. Op het waarom zei ze dat ze stout was geweest. Ze had
gejokt. Op haar rechterdij (liet ze zelf zien) had ze een lange blauwe plek
van ongeveer 20 centimeter. Haar moeder had haar met een bezemstok geslagen.
Ze meest voor straf twee dagen in haar kamer blijven en mocht alleen voor het
eten naar beneden komen.

Ik hoop u zo voldoende op de hoogte te hebben gesteld omtrent de situatie van
C. tot op heden

Met vriendelijke groet,

namens de S. ,

Mevr. M.T.-v.O.,

directeur.

Op 16 november 1993 heeft de adjunct-directeur van de school het volgende
verslag gestuurd aan L.

Amsterdam 16 november 1993

Verslag: C. H.
Opsteller: de klasseleerkracht
Datum:16 november 1993

Geachte heer L.,

De afgelopen dagen heeft de groepsleerkracht van C. H. de volgende zaken
geconstateerd:

12 november 1993: C. heeft boven haar rechter knie een blauwe plek. Ze zei
dat haar moeder haar geschopt had. Het was al enige dagen geleden gebeurd. Ze
wist niet meer waarom en wanneer. De plek was niet meer echt blauw. Het was
al wat verbleekt, gelig.

15 november 1993: C. komt heel verdrietig de klas binnen. Ze huilt. Moeder
heeft voor straf (ze wilde niet douchen) haar haar afgeknipt. Op haar
linkerschouder was een nog gezwollen blauwe plek zichtbaar. Links op haar
heup was hetzelfde zichtbaar. Ze zegt dat moeder haar met de douchekop heeft
geslagen.

In het verlengde hiervan hebben we contact opgenomen met mevr. M. en de
schoolarts dr. C. E. De laatste heeft haar op maandagmiddag op school gezien
en zal een rapport opstellen.

Ik hoop u zo voldoende op de hoogte te hebben gesteld.

Met vriendelijke groet,

namens de S. ,

P.J.J. D.,

adjunct-directeur

c. Naar aanleiding van deze berichten heeft L. contact opgenomen met de Raad
voor de Kinderbescherming die het advies gaf de kinderen H. onmiddellijk uit
het pleeggezin te halen, op een geheim adres onder te brengen en vervolgens
te laten onderzoeken. Tevens heeft L. een vertrouwensarts geraadpleegd, die
hem adviseerde de kinderen H. zo snel mogelijk te laten onderzoeken. L. heeft
dit laatste advies opgevolgd.

d. Op 20 juni 1994 heeft het Multidisciplinair Werkverband voor Kinder- en
Jeugdzaken (MWKJ) te Amsterdam een rapport uitgebracht over C. H.. In dit
rapport staat dat het door MWKJ verrichte onderzoek geen antwoord kan geven
op de vraag naar de draagkracht van de pleegouders omdat hun medewerking aan
het onderzoek zich alleen tot een beeldvorming van de kinderen heeft beperkt.
Het rapport van het MWKJ vermeldt voorts dat er ten aanzien van C. sprake is
van een risicoplaatsing in een pleeggezin. Dit risico wordt in sterkere mate
bepaald door haar ontwikkelingsproblematiek dan door factoren vanuit de
pleegouders. Er zijn geen aanwijzingen voor het vermoeden dat er binnen het
pleeggezin sprake is van mishandeling, aldus het rapport.

e. Op 24 december 1993 heeft het MWKJ een rapport uitgebracht over R. T.,
geboren op 19 april 1989, die – met een onderbreking van ongeveer twee
maanden – in het pleeggezin verbleef sinds november 1992 en die onder voogdij
staat van AJL. In dit rapport komt naar voren dat R. niet bij haar leeftijd
passende seksuele ervaring heeft gehad. Naar aanleiding van dit rapport is R.
op 14 april 1994 opgenomen in de Residentiéle Afdeling van het Wim van
Halmhuis te Amsterdam. Op 16 juni 1994 heeft het Wim van Halmhuis onder meer
gerapporteerd dat R. ten aanzien van de seksuele ontwikkeling meer lijkt te
hebben meegemaakt en te hebben gezien dan bij haar leeftijd past. Dit valt
volgens het rapport op te merken uit hetgeen zij vertelt. Zij heeft onder
andere ter sprake gebracht dat haar pleegvader een seksuele handeling met
haar zou hebben verricht. Voorts meldt het rapport dat R. in verwarring lijkt
te zijn over zaken die de seksualiteit betreffen. Tevens lijkt er sprake te
zijn van emotionele betrokkenheid ten aanzien van seksualiteit en sex tussen
volwassenen. Het in het rapport van het MWKJ uitgesproken vermoeden dat R.
niet bij haar leeftijd passende ervaringen op seksueel gebied heeft gehad,
wordt in het rapport van het Wim van Halmhuis bevestigd en nader
gespecificeerd. De voornoemde seksuele ervaringen lijken in het opvanggezin
te hebben plaatsgevonden, aldus het rapport.

f. Naar aanleiding van bovengenoemd rapport hebben mevr. E. B., unithoofd bij
het AJL en L. de waarde van de uitspraken van R., zoals die naar voren komen
in het rapport, ter toetsing voorgelegd aan:
– de directie van Humanitas, de rechtsvoorganger van SiJA,
– het Bureau van de kinderrechter te Amsterdam,
– de Raad voor de Kinderbescherming,
– de Inspectie voor de jeugdhulpverlening,
– het Bureau Vertrouwensartsen
– een gedragswetenschapper
– de Pleegzorgcentrale.

Alle door B. en L. geconsulteerde instellingen waren van oordeel dat de zaak
zeer serieus moest worden genomen. De Raad voor de Kinderbescherming en de
Inspectie voor de Jeugdhulpverlening hebben geadviseerd om alle kinderen
onmiddellijk bij eisers weg te halen.

g. Op 20 juni 1994 heeft er op initiatief van B. en L. bij AJL een bespreking
plaatsgevonden. Bij deze bespreking waren onder andere aanwezig B. en L.
enerzijds en B. en B.-S. anderzijds. Tijdens deze bespreking heeft B. onder
meer een aantal keren gezegd dat er sterke vermoedens waren van seksueel
misbruik in het pleeggezin.

h. op woensdag 22 juni 1994 heeft er een verhoor plaatsgevonden door de
kinderrechter te Amsterdam naar aanleiding van de verzoeken van SiJA en AJL
tot het verkrijgen van vervangende toestemming ex artikel 1:336 a BW voor M.
en M. C. H. en voor P. v. G., in verband met het door de pleegouders
ingeroepen blokkaderecht met betrekking tot de verblijfplaats van deze
kinderen. Beide verzoeken zijn bij die gelegenheid door SiJA en AJL
ingetrokken omdat de pleegouders bereid bleken te zijn mee te werken aan een
onderzoek naar hun draagkracht. Tevens werd afgesproken dat er een onderzoek
zou worden ingesteld waarin uitsluitsel diende te worden gegeven over de
vraag of er grensoverschrijdende seksuele handelingen waren verricht binnen
het pleeggezin.

i. Op 21 februari 1995 heeft Prof.W.H.G. Wolters naar aanleiding van
bovengenoemde afspraken een rapport uitgebracht aan B. en L. waarin wordt
geconstateerd dat uit zijn onderzoek is gebleken dat er geen sprake is van
grensoverschrijdende seksuele handelingen binnen het pleeggezin.

j. Naar aanleiding van de rapportage van Prof. dr. W.H.G. Wolters heeft L.
een brief naar B. en B.-S. gestuurd waarin hij zijn verontschuldigingen
aanbiedt voor de gemaakte inschattingsfout met betrekking tot een vermoeden
van mishandeling en met betrekking tot vragen over seksueel misbruik.

k. Op 20 oktober 1995 heeft de Externe Klachtencommissie jeugdhulpverlening
Agglomeratie Amsterdam een uitspraak gedaan op basis van een klacht van B. en
B.-S. tegen SiJA, die onder andere en voorzover hier van belang inhoudt het
onzorgvuldig handelen van L. naar aanleiding van de beschuldigingen van
seksueel misbruik van R. T.. De Klachtencommissie heeft met betrekking tot
deze klacht het volgende overwogen:

De heer L. heeft in samenspraak met andere voogdij-instellingen besloten de
onder haar voogdij staande kinderen uit het pleeggezin B. weg te halen. De
commissie is van oordeel dat de handelswijze van de heer L. gezien vanuit
zijn verantwoordelijkheid voor de kinderen zorgvuldig en verdedigbaar is.
Daarnaast is de commissie van mening, dat de heer L. tekort is geschoten
m.b.t. informatievoorziening en verduidelijking naar de pleegouders toe. Uit
de beschikbare gegevens komt naar voren, dat de heer en mevrouw B. niet op de
hoogte waren van doel en inhoud van het gesprek in Baarn op 20 juni 1994 en
dat zij niet onmiddellijk in het bezit zijn gesteld van de onderhavige
rapportage.
De commissie meent derhalve dat de klacht gegrond is m.b.t.
informatievoorziening en verduidelijking.

2. B. en B.-S. vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad dat SiJA en AJL
zullen worden veroordeeld om aan B. en B.-S. tegen behoorlijk bewijs van
kwijting te betalen de som van ƒ 25.000 terzake van onrechtmatig handelen,
vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de
dagvaarding tot die der algehele voldoening.

3.1 B. en B.-S. voeren daartoe het volgende aan. L. heeft, als
vertegenwoordiger van SiJA, onrechtmatig jegens B.-S. gehandeld door haar te
beschuldigen van mishandeling van C. H.. Voorts hebben B., als
vertegenwoordigster van AJL en L., als vertegenwoordiger van SiJA,
onrechtmatig jegens B. gehandeld doordat zij op 20 juni 1994 B. er openlijk
van hebben beschuldigd dat hij R. seksueel zou hebben misbruikt, zonder dat
er enig bewijs was dat hij dit zou hebben gedaan. Door de gehele gang van
zaken heeft B. zich onder psychiatrische behandeling moeten laten stellen.
Hij en B.-S. hebben psychisch zeer veel schade ondervonden. SiJA en AJ
dienen dan ook de immateriële schade die zij hebben geleden te vergoeden.
Deze schade kan gesteld worden op ƒ 25.000.

4.1 SiJA stelt zich op het standpunt dat zij niet onrechtmatig jegens B.-S.
heeft gehandeld met betrekking tot de gang van zaken rond C. H.. SiJA betwist
uitdrukkelijk dat zij B.-S. heeft verdacht van mishandeling van C. H.. L.
heeft zich als vertegenwoordiger van SiJA jegens B.-S. zorgvuldig gedragen:
naar aanleiding van de door hem ontvangen signalen was SiJA, gezien de taak
van SiJA als voogdij-instelling, gehouden een onderzoek te laten instellen,
hetgeen vervolgens is gebeurd.

4.2 SiJA en AJL menen voorts dat zij niet onrechtmatig jegens B. hebben
gehandeld met betrekking tot de gang van zaken rond R. T.. L. en B. werden op
16 juni 1994 geconfronteerd met een door een deskundig instituut uitgesproken
vermoeden dat R. seksueel was misbruikt in het pleeggezin waar dit kind door
AJL was geplaatst. Zij konden niet anders handelen dan dat zij in concreto
hebben gedaan.

5.1 De rechtbank overweegt het volgende. SiJA en AJL zijn verantwoordelijk
voor het lichamelijk, sociaal en emotioneel welzijn van de onder hun voogdij
staande kinderen. Zij moeten deze kinderen dus behoeden voor mogelijke
gevaren. Als er signalen zijn die noodzaken tot een onderzoek door
deskundigen naar de juistheid van die signalen, moeten zij ter vervulling van
hun taak en de daarbij behorende verantwoordelijkheden tot dit onderzoek
kunnen besluiten. Het belang van de kinderen staat daarbij voorop. Daarnaast
moet rekening worden gehouden met de belangen van de pleegouders.

5.2 In de onderhavige procedure was er sprake van een gerechtvaardigd
vermoeden van mishandeling van C. H. door B.-S. op grond van de berichtgeving
die de basisschool van C. aan L. had doen toekomen en die hierboven is
weergegeven in rechtsoverweging 1.b. Gezien dit vermoeden van mishandeling
was SiJA op grond van de hierboven beschreven zorg die zij als
voogdij-instelling heeft voor C. H., gehouden te reageren en kon zij na een
afweging van de betrokken belangen, besluiten tot een onderzoek naar de
gegrondheid van dat vermoeden. Daarbij is
., gezien de in rechtsoverweging 1.c weergegeven feiten, tevens zorgvuldig
omgegaan met de belangen van B. en B.-S.. Anders dan B. en B.-S. beweren,
blijkt uit de gedingstukken niet dat L. voetstoots heeft aangenomen dat C. H.
de waarheid sprak en dus regelmatig mishandeld zou zijn door B.-S. Hij heeft
een aantal instanties geconsulteerd en vervolgens is C. onderzocht. L. heeft
dus niet onrechtmatig jegens B.-S. gehandeld. Daarmee staat vast dat ook SiJA
niet onrechtmatig jegens B.-S. heeft gehandeld.

5.3 Gezien het gerechtvaardigd vermoeden van seksueel misbruik van R. T.,
zoals dat naar voren is gekomen in het door B. en B.-S. niet betwiste rapport
van het Wim van Halmhuis van 16 juni 1994, was AJL gehouden om in het belang
van R. tot actie over te gaan. Daarbij is tevens van belang dat er sprake was
van een herhaling van signalen. Het initiëren van een bespreking met het oog
op een tijdelijke uithuisplaatsing voor een nader onderzoek van alle kinderen
die op dat moment in het pleeggezin verbleven was, gezien het bovenstaande,
zeer verdedigbaar en daarmee zorgvuldig. Van belang voor de juistheid van
deze wijze van handelen zijn tevens de door B. en B.-S. niet betwiste
adviezen van de in rechtsoverweging 1.f genoemde instanties. Uit het verslag
van de bespreking van 20 juni 1994, hierboven genoemd in rechtsoverweging 1.g
en waarvan de inhoud door B. en B.-S. niet is betwist, blijkt dat er van een
openlijke beschuldiging van seksueel misbruik van B. geen sprake is geweest.
B. heeft een aantal keren gesproken van een sterk vermoeden dat één van de
kinderen seksueel was misbruikt. Zowel B. als
. hebben zich tijdens de bespreking zorgvuldig uitgelaten jegens B. en B.-S..
SiJA en AJL zijn onder verwijzing naar de vastgestelde feiten in
rechtsoverweging 1.d tot en met 1.g terecht van oordeel dat L. en B. in
concreto en getoetst aan de omstandigheden die op 20 juni 1994 bekend waren,
niet anders hebben kunnen handelen voor de uitoefening van de hierboven in
rechtsoverweging 5.1 verwoorde taak, dan dat zij hebben gedaan. Vervolgens
heeft er een hoorzitting bij de kinderrechter plaatsgevonden en hebben SiJA
en AJ
mede gezien de bereidheid van B. en B.-S. om mee te werken aan een onderzoek
naar hun draagkracht, hun verzoekschriften tot vervangende toestemming
ingetrokken. Van onrechtmatig handelen is derhalve op geen enkel moment
sprake geweest. Dat hun vermoeden achteraf is ontkracht door het rapport van
Wolters, maakt dit niet anders. De vordering van B. en B.-S. moet dan ook
worden afgewezen. Zij zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de
proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De rechtbank:

– wijst het gevorderde af;

– veroordeelt B. en B.-S. in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak
aan de zijde van SiJA en AJL begroot op ƒ 2160,

– verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. Broekhuijsen-Molenaar

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 19 april 1999

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Na het aantreffen van buitenlandse prostituees die niet in het bezit waren
van een geldige verblijfstitel en geen legitimatie konden tonen, heeft
de gemeente geweigerd eiseres, exploitante van twee prostitutiebedrijven,
gedoogbeschikkingen te verlenen wegens het niet naleven van één van de
voorwaarden voor het verlenen van een dergelijke beschikking, nl. dat prostituees
over een geldige vtv en legitimatie beschikken. Tevens is haar aangezegd
de exploitatie te beëindigen. De rechtbank oordeelt dat het beleid, voor
zover het de voorwaarde betreft dat de prostituee haar identiteit en verblijfstitel
moet kunnen overleggen, in strijd is met de Wet op de Identificatieplicht.
De gemeente komt alleen de bevoegdheid toe personen te gelasten zich te
identificeren, dan wel anderen een identificatieplicht op te leggen, als
daarin is voorzien bij wet in formele zin. Dat is hier niet het geval.
De gemeente mag feitelijke gegevens omtrent de verblijfsstatus van prostituees
derhalve niet ten grondslag leggen aan het bestreden besluit. Motiveringsgebrek.

Volledige tekst

Verweerder heeft betoogd dat het criterium dat de prostituee inzicht verschaft
over zijn/haar identiteit en verblijfstitel aan degene die belast is met
de zorg.voor de naleving van de APV niet in strijd is met de WID en heeft
daartoe aangevoerd dat dit criterium niet gesteld is met het motief om
de opsporing en vervolging van strafbare feiten en executie van sancties
te vergemakkelijken. Prostituee noch exploitant zijn strafbaar wanneer
niet aan de voorwaarde wordt voldaan. De voorwaarden dienen dan ook beschouwd
te worden als een instrument om het toezicht op de naleving van artikel
6.3 APV en het daarop geënte gedoogbeleid mogelijk te maken.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Blijkens de wetsgeschiedenis
heeft de WID beoogd in een beperkt aantal gevallen een identificatieplicht
in het leven te roepen. Die plicht is ingevoerd met betrekking tot bijvoorbeeld
financiële situaties, en situaties op het terrein van de sociale zekerheid,
het strafrecht en het vreemdelingenrecht. In de op deze onderwerpen betrekking
hebbende formele wetten zijn bepalingen opgenomen die de identificatieplicht
expliciet regelen. Het stelsel van de WID is naar het oordeel van de rechtbank
exclusief. Dit betekent dat verweerder alleen de bevoegdheid toekomt personen
te gelasten zich te identificeren, dan wel anderen een identificatieplicht
op te leggen, als daarin is voorzien bij wet in formele zin. De rechtbank
is gebleken dat de Gemeentewet noch een andere wet in formele zin een basis
bevat waaraan verweerder – of een met de naleving van de APV belaste ambtenaar
– de bevoegdheid zou kunnen ontlenen om personen op hun identiteit te (doen)
controleren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de in het beleid van
verweerder opgenomen voorwaarden 3 en 4 in strijd zijn met de WID en derhalve
onrechtmatig. Gelet hierop kan verweerder de door middel van toepassing
van deze voorwaarden verkregen feitelijke gegevens met betrekking tot de
verblijfsstatus van de in de percelen aangetroffen prostituees niet ten
grondslag leggen aan het bestreden besluit.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit berust op een
ondeugdelijke motivering en derhalve wegens strijd met het bepaalde in
artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient te worden vernietigd. Gelet
hierop dient het beroep gegrond te worden verklaard. Verweerder zal opnieuw
op de bezwaarschriften van eiseres dienen te beslissen met inachtneming
van het vorenstaande.

Nu het geschil tussen partijen blijkens het vorenstaande nog niet is beëindigd,
acht de rechtbank het niet aangewezen zich in dit geding uit te spreken
over het gedane verzoek strekkende tot vergoeding van schade. De rechtbank
zal derhalve de gevorderde veroordeling tot schadevergoeding thans afwijzen.
Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de rede dat verweerder, bij
zijn nadere beslissing op de bezwaarschriften tevens een beslissing neemt
over de vraag of aan eiseres schadevergoeding toekomt, en zo ja, in welke
mate. Verweerder kan de beslissing op dit punt ook separaat afgeven.

Gelet op de uitkomst van deze procedure zal verweerder, op grond van het
bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiseres gestorte
griffierecht dienen te vergoeden. De rechtbank ziet voorts aanleiding toepassing
te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb door verweerder te
veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van
het door haar ingestelde beroep heeft moeten maken, zijnde de kosten van
rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift + 1 punt voor het verschijnen
ter zitting x factor 1 x ƒ 710).

Beslist wordt als volgt.

IV. BESLISSING

De rechtbank,

– verklaart het beroep gegrond;
– vernietigt het bestreden besluit;
– veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van
eiseres begroot op ƒ 1.420 (zegge: éénduizend vierhonderd en twintig gulden),
te betalen door de gemeente Amsterdam aan eiseres;
– bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door eiseres betaalde griffierecht
ad ƒ 210 vergoedt.

Rechters

Mrs. De Vries, Van Ettekoven, Troostwijk

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 16 april 1999

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De moeder heeft alleen het gezag over de kinderen gekregen. De vader verzoekt
om gezamenlijk het gezag uit te oefenen. De moeder heeft hiertegen bezwaar
omdat tussen partijen geen goed overleg mogelijk is over de kinderen en dat
er nog regelmatig sprake is van hoogoplopende meningsverschillen. De vader
stemt ermee in dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw is en dat
zij de kinderen verzorgt en opvoedt. Hij is niet voornemens zich intensief
met de opvoeding van de kinderen te bemoeien. Deze houding van de vader,
waaruit respect voor de opvoeding en verzorging van de kinderen door hun
moeder blijkt, leidt het hof tot de opvatting dat niet voldoende aannemelijk
is gemaakt dat eenhoofdig gezag in het belang is van de kinderen.

Volledige tekst

Het geding
De man en de vrouw zijn in 1991 met elkaar gehuwd.
Bij beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 4 november 1998 is
tussen de man en de vrouw echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking is
voorts aan de vrouw ten laste van de man een alimentatie toegekend van ƒ 850
per maand.
Tevens is bepaald dat aan de vrouw voortaan alleen het gezag toekomt over de
minderjarige kinderen:
S.D., geboren op 17 juli 1987,
A.S., geboren op 5 april 1993 en
F.F., geboren op 8 oktober 1995
en is de door de man te betalen kinderalimentatie bepaald op ƒ 300 per maand
per kind.

De man is van deze beschikking tijdig in hoger beroep gekomen en heeft
verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze betrekking
heeft op het alleen bekleden van de vrouw met het ouderlijk gezag over de
minderjarige kinderen alsmede voor zover deze beschikking betrekking heeft op
de kinderbijdrage en de alimentatie ten behoeve van de vrouw en opnieuw
beschikkende bij beschikking te bepalen dat de man en de vrouw gezamenlijk
worden bekleed met het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen, alsmede
te bepalen dat de man geen alimentatie ten behoeve van de vrouw is
verschuldigd, en te bepalen dat de man een kinderalimentatie zal betalen van
ƒ 125 per kind per maand danwel een zodanig bedrag dat het hof vermeent te
behoren.
De vrouw heeft tijdig een verweerschrift ingediend waarin zij heeft verzocht
de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de man om een
omgangsregeling af te wijzen dan wel een regeling vast te stellen als het hof
vermeent te behoren.

Op 17 maart 1999 is de zaak mondeling behandeld. De vrouw is, hoewel daartoe
behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Beoordeling van de zaak in hoger beroep
1. Het hof stelt vast dat voor het eerst in hoger beroep de omgangsregeling
aan de orde is gesteld. De man heeft in het petitum van zijn beroepschrift
niet om een omgangsregeling verzocht, doch daarover alleen gesproken in zijn
grieven.
Zowel uit het verweerschrift van de vrouw, als uit hetgeen de man ter zitting
naar voren heeft gebracht, blijkt dat er een omgangsregeling bestaat die goed
verloopt. De man heeft om de veertien dagen gedurende een zaterdag contact
met zijn kinderen.
Indien de man deze regeling vastgelegd wenst te zien, of een uitgebreidere
regeling wenst, dient hij zich tot de rechtbank te wenden met een verzoek
daartoe.

2. In eerste aanleg heeft de rechtbank de vrouw belast met het gezag over de
drie minderjarige kinderen van partijen. In hoger beroep heeft de man zich
daartegen verzet. In eerste aanleg en in haar verweerschrift in hoger beroep
heeft de vrouw naar voren gebracht dat tussen partijen geen goed overleg
mogelijk is over de kinderen en dat er nog regelmatig sprake is van hoog
oplopende meningsverschillen.
Desgevraagd heeft de man ter zitting verklaard dat hij ermee instemt dat het
hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw is, en dat zij ze verzorgt en
opvoedt. Hij is niet voornemens zich indringend met de opvoeding van de
kinderen te gaan bemoeien.
Deze houding van de vader, waaruit respect voor de opvoeding en verzorging
van de kinderen door hun moeder blijkt, leidt het hof tot de opvatting dat
niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat eenhoofdig gezag in het belang van
de kinderen is.
Het hof zal dan ook de bestreden beschikking op dit punt vernietigen.

3. De vrouw vormt met de minderjarige kinderen een eenoudergezin. Per maand
bedraagt haar netto inkomen uit loon ƒ 1.955. Zij heeft gesteld dat alle
schulden door haar worden afgelost en dat zij de kosten van kinderopvang moet
betalen. In hoger beroep heeft zij aangevoerd dat zij een lening heeft moeten
afsluiten bij haar werkgever om schulden mee af te betalen.
De man heeft gewezen op de eigen inkomsten van de vrouw, en op de
omstandigheid dat de vrouw in de voorlopige voorzieningenprocedure haar
verzoek tot betaling van een voorlopige bijdrage in haar levensonderhoud
heeft ingetrokken, waaruit naar zijn mening blijkt dat de vrouw geen of
verminderde behoefte heeft.

4. De man is 36 jaar oud. Hij werkt op de bloemenveiling. Ter zitting heeft
de man een loonstrook van december 1998 laten zien, waarop een cumulatief
netto jaarinkomen staat vermeld van ƒ 33.810. De vrouw heeft erop gewezen dat
de man naast zijn werk bij de bloemenveiling uitzendwerk verricht. De man
heeft ter zitting medegedeeld dat hij in het verleden overwerkte op de
bloemenveiling, voor welk overwerk hij zich in tijd liet uitbetalen, en welke
tijd hij weer aanwendde om uitzendwerk in te verrichten. Dit deed hij om wat
extra’s voor het gezin te verdienen, doch dit doet de man nu niet meer, ook
al omdat het niet in overeenstemming is met de ARBO-wetgeving. Het hof zal
dan ook geen rekening houden met extra inkomsten uit uitzendwerk.
De man is alleenstaand.
De man betaalt ƒ 714 per maand aan huur voor de woning die hij eind november
1998 heeft betrokken.
De man heeft een auto aangeschaft, welke hij heeft gefinancierd met een
onderhandse lening, waarvan het saldo eind november 1998 nog ƒ 7.500 bedroeg.
Hij stelt deze auto nodig te hebben, omdat hij voor zijn werk op de
bloemenveiling vaak op onregelmatige tijden aanwezig moet kunnen zijn, ook ‘s
nachts.
Het hof zal rekening houden met een aflossing van ƒ 500 per maand.
De man heeft twee zaterdagen per maand omgang met zijn drie kinderen. Aan
omgangskosten houdt het hof rekening met het forfaitaire bedrag van ƒ 120 per
maand.
Ter zitting heeft de man nog naar voren gebracht dat rekening gehouden dient
te worden met een bedrag van herinrichtingskosten voor zijn nieuwe woning. Nu
de man echter niet heeft aangetoond welke herinrichtingskosten hij heeft
moeten maken en tot welk bedrag, gaat het hof hieraan voorbij.
De man heeft aangeboden ƒ 125 per maand per kind aan kinderalimentatie te
blijven betalen.

5. Uit het voorgaande volgt dat de draagkracht van de man naast een
kinderalimentatie van ƒ 125 per maand per kind, geen ruimte meer laat voor
een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.
Het bovenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking moet worden
vernietigd voor wat betreft de alimentatie voor de vrouw en voor de kinderen,
onder vaststelling van een bijdrage voor de kinderen van ƒ 125 per maand per
kind.

Beslissing van de zaak in hoger beroep
Het hof:
– vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft het gezag vanaf heden,
en opnieuw beschikkende:
– verstaat dat de ouders vanaf heden gezamenlijk het gezag uitoefenen over
hun drie minderjarige kinderen S.D., A.S. en F.F., met inachtneming van het
hiervoor onder 2. overwogene;
– vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de alimentatie voor de
vrouw en de kinderen, en opnieuw beschikkende:
– bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op ƒ 125
per maand per kind, voortaan bij vooruitbetaling te voldoen;
-verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
– wijst het inleidend verzoek van de vrouw, te bepalen dat de man aan haar
een bijdrage in haar levensonderhoud zal betalen van ƒ 850 per maand af;
– bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.

Rechters

mrs. Van den Wildenberg, Van Montfoort en Mulder

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 15 april 1999

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Seksueel misbruik van geïntimeerde door haar vader, appellant, in de periode
december 1976 tot augustus 1980 en in het jaar 1986. Vader is
strafrechtelijke veroordeeld voor het misbruik gepleegd in 1986, maar niet
voor de periode 1976-1986. Hij stelt dat de vordering tot schadevergoeding
van appellante is verjaard. Het hof oordeelt dat de termijn van twintig jaar
van art. 3:310 op 11 november 1993 (de datum van dagvaarding) nog niet was
verstreken. Ook als de termijn van vijf jaar toegepast zou moeten worden, dan
is deze nog niet verstreken omdat ervan wordt uitgegaan dat de datum waarop
de vrouw aangifte heeft gedaan bij de politie (6 oktober 1992), geldt als
datum waarop zij met de schade bekend was. Bekrachtiging van het vonnis van
de rechtbank: ƒ 25.000 schadevergoeding.

Volledige tekst

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan
beroep en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 1 februari 1994, 29
november 1994, 10 oktober 1995 en 27 februari 1996 die zich bij de
processtukken bevinden.

2. Het geding in hoger beroep

Van het eindvonnis van 21 januari 1997 is B. tijdig in hoger beroep gekomen.
Bij memorie van grieven heeft B. negen grieven aangevoerd en geconcludeerd
zoals in het petitum van de memorie van grieven nader staat omschreven.
Bij memorie van antwoord heeft M. de grieven bestreden en geconcludeerd tot
verwerping van het beroep, met veroordeling van B. in de kosten van het
geding.
Door B. is vervolgens pleidooi gevraagd, waarvoor een datum is bepaald,
waarop van pleidooi is afgezien.
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

De eerste acht grieven van B. richten zich tegen de overwegingen van de
rechtbank die in het bestreden vonnis onder 2. achtereenvolgens als tiende
tot en met vijftiende alinea zijn opgenomen; de negende grief richt tegen de
beslissing van de rechtbank. Aan de grieven doet B. een beroep op verjaring
voorafgaan.

4. De beoordeling
4.1 De grieven richten zich niet tegen de feiten zoals deze in het
tussenvonnis van 29 november 1994 onder 3.1 zijn vastgesteld, zodat het hof
ook in hoger beroep van deze feiten uitgaat.

4.2 Het beroep op verjaring dient verworpen te worden. Van toepassing is in
dit geval artikel 3:310 BW zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van de
wet van 7 juli 1994 (Stb. 529). M. heeft haar vordering gebaseerd op
onrechtmatig handelen in de periode december 1976 tot augustus 1980 en in het
jaar 1986. Afgezien van eventuele stuiting, was de twintigjaarstermijn van
deze bepaling op de dag van de inleidende dagvaarding, 11 november 1993, nog
niet verstreken. B. heeft dan ook kennelijk het oog op de vijfjaarstermijn
van deze bepaling, die een aanvang neemt op de dag volgend op die waarop de
benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon
bekend is geworden. De aansprakelijke persoon was bekend, zodat vastgesteld
dient te worden vanaf welke datum M. geacht kan worden bekend geweest te zijn
met de schade. Deze zelfde kwestie is aan de orde geweest in het arrest van
dit hof van 8 januari 1996 (NJ 1996/719). Onder verwijzing naar hetgeen het
hof in dat arrest onder 4.6 heeft overwogen, is het hof van oordeel dat ook
in het onderhavige geval de datum van de aangifte bij de politie kan gelden
als datum waarop de benadeelde met de schade bekend was. In dit geval is dat
6 oktober 1992; er is niets gesteld of gebleken dat zou pleiten voor het
hanteren van een eerdere aanvangsdatum van de verjaringstermijn. Dat betekent
dat ook de vijfjaarstermijn van artikel 3:310 BW nog niet was verstreken.

4.3 De eerste grief betreft de conclusies die de rechtbank aan het
deskundigenrapport verbindt en het verwerpen van het verweer van B. tegen dat
rapport.
Deze grief faalt. Uit het rapport blijkt het verband tussen de klachten die
bij M. zijn opgetreden en het seksueel misbruik door B.. Dit laatste is niet
het enige probleem waar M. mee te maken heeft (gehad), zoals ook uit het
rapport blijkt. Waar het evenwel om gaat, gezien ook de onbestreden
vraagstelling aan de deskundige, is dat voor de door deze vastgestelde
klachten geen andere oorzaken dan het seksueel misbruik zijn aangegeven,
terwijl het bij dit seksueel misbruik, gezien opnieuw de vraagstelling,
uitsluitend gaat om hetgeen B. M. heeft aangedaan. Het hof kan zich vinden in
de inhoud van het deskundigenbericht en in de conclusies die de rechtbank
daaraan heeft verbonden.

4.4 Grief II betreft het oordeel dat ‘het feit dat de omvang van de schade
als gevolg van het handelen van B. mede is bepaald door factoren, gelegen in
de persoonlijkheidsstructuur van M.’, een omstandigheid is die voor risico
van B. komt. Ook deze grief faalt, aangezien de rechtbank met deze overweging
terecht en op goede gronden tot uitdrukking heeft gebracht dat er hier geen
aanleiding is af te wijken van het in het algemeen gehanteerde uitgangspunt
dat predispositie van een benadeelde voor risico van de veroorzaker van de
schade komt.

4.5 Blijkens de toelichting op de derde en vierde grief stelt B. zich op het
standpunt dat de rechtbank meer heeft toegewezen dan M. heeft gevorderd
doordat de rechtbank de gestelde ontucht in de periode 1976-1980 niet bewezen
heeft geacht, terwijl dat wel mede ten grondslag aan de vordering heeft
gelegen en daarnaast problemen bij de ontwikkeling niet relevant geacht
hadden moeten worden. Het hof kan zich in dit standpunt niet vinden. B.
verliest uit het oog dat het niet gaat om de vaststelling van een
schadebedrag per incestueuze handeling, maar om de vaststelling van
onrechtmatig handelen, van aard en omvang van de geleden schade, van het
verband tussen het een en het ander en vervolgens om de bepaling van een
redelijke vergoeding van die schade. Gezien hetgeen in de loop van deze
procedure is komen vast te staan, is het door de rechtbank toegewezen bedrag
een redelijke schadevergoeding die niet uitgaat boven hetgeen M. heeft
gevorderd. Niet gezegd kan dus worden dat de rechtbank meer heeft toegewezen
dan gevorderd. Beide grieven falen derhalve.

4.6 Grief V betreft het feit dat de rechtbank in de omstandigheden van het
geval geen aanleiding heeft gezien tot matiging. De rechtbank heeft evenwel
terecht en op goede gronden aldus geoordeeld. Het hof sluit zich hierbij en
bij de hiervoor de rechtbank gegeven motivering aan, zodat ook deze grief
faalt.

4.7 Grief VI klaagt erover dat de rechtbank in de financiële omstandigheden
van B. geen aanleiding heeft gezien tot matiging en grief VII dat de
rechtbank geen betalingsregeling heeft vastgesteld. Ook deze grieven falen,
aangezien B. zijn stellingen op dit punt, ook in hoger beroep, onvoldoende
met concrete gegevens en bescheiden heeft onderbouwd. Het hof kan zich vinden
in hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen.

4.8 Grief VIII betreft de proceskostenveroordeling. Waar B. in het ongelijk
is gesteld, ligt het voor de hand dat hij in de proceskosten wordt
veroordeeld. De grief faalt derhalve
Dat geldt ook voor de laatste grief die naast de andere grieven geen
zelfstandige betekenis heeft.

4.9 Nu alle grieven falen, dient het vonnis van 21 januari 1997 bekrachtigd
te worden met veroordeling van B., als de in het ongelijk gestelde partij, in
de kosten van het geding.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Breda van 21 januari 1997
(rolnummer 8061/HA ZA 93-4982) waarvan beroep;

veroordeelt B. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze
uitspraak aan de zijde van M. begroot op de volgende bedragen die op grond
van artikel 57b van Rechtsvordering dienen te worden voldaan aan de griffier
van dit hof: ƒ 590 aan verschotten en ƒ 1.700 aan salaris procureur.

Rechters

Mrs Feith, De Groot-van Dijken en Meulenbroek

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 15 april 1999

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Appellante is in de periode 1979-1983 seksueel misbruikt door haar vader.
Naar aanleiding van aangifte in 1986 is de vader strafrechtelijk veroordeeld.
In 1996 start
appellante een civiele procedure waarin zij vergoeding vordert van geleden
materiële en immateriële schade. De rechtbank wijst de verordening af omdat
deze is verjaard. Het hof bekrachtigt dit vonnis. Het beroep van appellante
op art. 3:310 lid 4 BW faalt omdat de vordering reeds was verjaard vóór
inwerkingtreding van artikel 3:310 lid 4 op 1 september 1994. Ook het betoog
van appellante dat zij in 1986 aangifte heeft gedaan onder druk van anderen
en dat zij zich toen nog niet bewust was van de geleden schade, zodat de
verjaringstermijn pas in 1996 is gaan lopen, faalt. Het hof oordeelt dat de
verjaringstermijn uiterlijk in 1990 is gaan lopen, zodat deze uiterlijk in
1995 was verjaard.

Volledige tekst

Het geding

Appellante is bij exploit van 11 oktober 1997 in hoger beroep gekomen van het
vonnis van 20 augustus 1997 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage gewezen tussen
partijen. Zij heeft bij memorie van grieven vijf grieven tegen dit vonnis
aangevoerd, die door geïntimeerde, hierna te noemen: B., bij memorie van
antwoord zijn bestreden.
Appellante heeft bij akte een productie in het geding gebracht waarop B. bij
akte heeft gereageerd. Laatstgenoemde aktes zijn alleen in het dossier van
appellante aanwezig.
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in het kort om het volgende.
Appellante is de dochter van B. Zij heeft op 31 augustus 1986 aangifte gedaan
van incest, gepleegd door B. jegens haar in de periode van omstreeks 1979 tot
en met 1983. B. is bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te
‘s-Gravenhage voor deze feiten veroordeeld voor zover het de periode 1
september 1981 tot en met 1 mei 1983 betreft.
Appellante is op 27 mei 1987 meerderjarig geworden. In 1989 heeft zij toen
zij studeerde, tegen B. een procedure gevoerd ter verkrijging van een
bijdrage in haar levensonderhoud.
Bij dagvaarding van 3 december 1996 is appellante de onderhavige procedure
begonnen, waarin zij vergoeding vraagt van de materiële en immateriële schade
die zij heeft geleden als gevolg van de door B. jegens haar gepleegde feiten.
De rechtbank heeft t bij het bestreden vonnis appellante in haar vordering
niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze was verjaard.

2. De grieven I en II bestrijden het oordeel van de rechtbank dat de
vordering verjaard is.
Appellante beroept zich in de toelichting op deze grieven op artikel 3:310
lid 4 BW. Dit artikel is op 1 september 1994 in werking getreden tegelijk
met de wijziging van het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn voor het
recht tot strafvervolging voor zedendelicten jegens minderjarigen, in die
zin, dat niet de datum van het delict maar de datum waarop het slachtoffer de
meerderjarigheid bereikt bepalend is voor het aanvangstijdstip van de
verjaringstermijn. De onderhavige vordering zou, aldus appellante, derhalve
niet vóór 27 mei 1999 (12 jaar na het bereiken van haar meerderjarigheid)
zijn verjaard.
Vóór 1 januari 1993 was het oude burgerlijk recht op de verjaring van de
civiele vordering van toepassing, krachtens welk recht de vordering 30 jaar
na het laatst gepleegde strafbare feit zou zijn verjaard.
Van 1 januari 1993 tot 1 september 1994 was artikel 3:310 lid 1 BW op de
onderhavige vordering van toepassing, op grond waarvan deze vordering 5 jaar
na het in die bepaling genoemde aanvangstijdstip verjaart. Volgens appellante
heeft de wetgever met de wet tot wijziging van de artikelen 75 en 245 van het
Wetboek van Strafrecht en artikel 310 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek
bedoeld dit “gat” (het hof begrijpt dat hiermee is bedoeld de korte
verjaringstermijn van 5 jaar die voor dit soort vorderingen gold in de
periode van 1 januari 1993 tot 1 september 1994) te dichten door de nieuwe
wet ook van toepassing te verklaren op feiten die gepleegd zijn voor de datum
van inwerkingtreding van de wet.

3. Deze grieven falen.
Het overgangsrecht met betrekking tot bedoelde wetswijziging bepaalt
weliswaar dat de nieuwe regeling van toepassing is op strafbare feiten die
zijn gepleegd voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, doch blijkens
de toelichting op dit artikel (tweede nota van wijzigingen) betreft dit
slechts:
“strafbare feiten die zijn gepleegd vóór dat tijdstip en waarvoor het recht
tot strafvordering op dat tijdstip volgens het oude recht nog niet door
verjaring is vervallen”.
In casu gaat het om strafbare feiten waarvoor het recht tot strafvervolging
is vervallen doordat de vervolging reeds heeft plaatsgevonden en waarvoor dus
een strafrechtelijke overgangsregeling niet nodig was. Op geen enkele wijze
blijkt – nog daargelaten of dat mogelijk zou zijn – dat met de
overgangsregeling is beoogd dat de civiele vordering met betrekking tot reeds
berechte strafbare feiten die op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet
overeenkomstig het civiele recht reeds was verjaard, als het ware zou
herleven omdat voor die vordering de nieuwe langere verjaringstermijn zou
gelden.

4. Grief III richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de datum van
de aangifte dan wel van de procedure tot het verkrijgen van een bijdrage in
de kosten van levensonderhoud als startpunt voor de (civielrechtelijke)
verjaring dient te worden aangemerkt.
In de toelichting betoogt appellante dat zij aangifte heeft gedaan op
aandringen en onder druk van volwassenen en dat zij daartoe uit zichzelf niet
in staat was. Het feit, dat zij in 1989 tegen haar vader heeft geprocedeerd
betekent volgens haar nog niet dat zij zich op dat moment bewust was van de
schade veroorzaakt door de door B. jegens haar gepleegde feiten en van de
omvang daarvan. Zij stelt, dat zij zich pas op 26 januari 1996 tijdens een
ruzie tussen haar vader en haar toenmalige vriend realiseerde wat B. haar had
aangedaan.
Subsidiair stelt appellante dat wellicht de schade bekend kan zijn op een
tijdstip, dat is gelegen vóór de beëindiging van het verwerkingsproces, welk
proces kan voortduren gedurende een langere periode dan 5 jaar te rekenen
vanaf de dag van meerbedoelde bekendheid. Nu het onvermogen tot het nemen van
een weloverwogen beslissing over de vordering tot schadevergoeding inherent
is aan de schade die het gevolg is van het seksuele misbruik, is in een
voorkomend geval zeker niet op voorhand uit te sluiten dat het beroep van de
aansprakelijke op de (vijfjarige) verjaring van de vordering tot
schadevergoeding naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid als
onaanvaardbaar van de hand moet worden gewezen.

5. De grief faalt.
Uit de memorie van toelichting op de hiervoor genoemde wet en het daarin
geciteerde deskundigerapport van A. Drayer (blz. 2) blijkt, dat de
problematiek bij minderjarige slachtoffers van zedendelicten er met name toe
leidt, dat soms pas na vele jaren aangifte wordt gedaan. Het feit dat
aangifte is gedaan, vormt dan ook naar het oordeel van het hof een sterke
aanwijzing, dat het verwerkingsproces is doorlopen.
Uit het feit, dat appellante aangifte heeft gedaan, haar leeftijd ten tijde
van de aangifte (17 jaar) het feit dat zij in 1989 tegen haar vader heeft
geprocedeerd en het feit dat zij – zoals zij ter comparitie van 20 augustus
1997 bij de rechtbank heeft verklaard – in 1989 in therapie is gegaan, leidt
het hof af, dat zij in elk geval in 1989 bekend was met de schade die zij in
deze procedure vordert. De verjaringstermijn is derhalve op zijn laatst op 1
januari 1990 begonnen. Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende
dagvaarding was de termijn van 5 jaar derhalve verstreken.

6. op grond van de sub 5 genoemde omstandigheden dient ook de subsidiaire
stelling te worden verworpen, nog daargelaten dat appellante niet met zoveel
woorden heeft gesteld dat deze algemeen geformuleerde stelling ook op haar
geval van toepassing zou zijn.

7. De grieven IV en V hebben geen zelfstandige betekenis en behoeven geen
afzonderlijke bespreking.

8. Nu alle grieven falen zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd en zal
appellante als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger
beroep worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

– bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

– veroordeelt appellante in de kosten van de het hoger beroep tot aan deze
uitspraak aan de zijde van B. bepaald op ƒ 1670 aan verschotten en op ƒ 1700
aan salaris voor de procureur.

Rechtbank Den Haag, 20 augustus 1997, rolnummer 97.710

Rechtsoverwegingen
Eiseres vordert veroordeling van gedaagde tot betaling aan haar van ƒ 200.000
te vermeerderen met rente en kosten (waaronder beslagkosten). Zij stelt
daartoe dat zij door gedaagde – haar vader – gedurende haar minderjarigheid
seksueel is misbruikt, waardoor zij schade heeft geleden. Gedaagde bestrijdt
de vordering gemotiveerd en doet daarbij onder meer een beroep op verjaring.

2. Eiseres grondt haar vordering op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden
in de periode van 1978 tot en met 1983. Sedertdien zijn bijna dertien jaren
verstreken voordat eiseres jegens gedaagde voor de eerste maal aanspraak op
schadevergoeding heeft gemaakt. Op haar vordering is (ingevolge de
overgangsbepalingen bij de invoering van het nieuwe burgerlijke recht eerst
sedert op 1 januari 1993) toepasselijk artikel 3:310, eerste lid, van het
Burgerlijk Wetboek. Dit artikel kent een verjaringstermijn van vijf jaar,
zodat de vordering van eiseres op 1 januari 1993 verjaard was.

3. Weliswaar kent de wet, juist voor situaties als die van eiseres, waarin
het voor de benadeelde vaak zeer moeilijk is om stappen te ondernemen jegens
degene die haar misbruikt heeft, in artikel 3:310 BW, vierde lid, een aparte,
langere verjaringstermijn, die in dit geval nog niet zou zijn verstreken.
Deze aparte bepaling was echter op 1 januari 1993 nog niet ingevoerd. De
invoering daarvan bij wet van 7 juli 1994 kon, gezien het bij die wet
behorende overgangsrecht, een voordien reeds verjaard vorderingsrecht niet
doen herleven.

Rechters

Mrs. In ’t Velt-Meijer, De Brauw en Dupain

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 14 april 1999

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Twee mannen hebben een langdurige relatie en wonen sinds kort samen.
Aangezien slechts één van hen huurder van de woning is, verzoeken zij om
verlening van het medehuurderschap aan de ander. De verhuurder weigert dit en
beroept zich op zijn beleid, inhoudende dat pas na twee jaar samenwoning het
medehuurderschap wordt verleend. De CGB heeft geoordeeld dat deze handelwijze
van de verhuurder direct onderscheid naar burgerlijke staat oplevert omdat
gehuwden op grond van de wet van rechtswege door het huwelijk het
medehuurderschap verkrijgen. De kantonrechter en rechtbank overwegen echter
dat zij artikel 7A:1623h BW dienen toe te passen, waarin is bepaald dat de
rechter het medehuurderschap pas kan verlenen na twee jaar samenwoning. De
aangevoerde omstandigheden leveren onvoldoende grond op om deze bepaling op
grond van de redelijkheid en billijkheid buiten beschouwing te laten. Geen
verboden onderscheid als bedoeld in art. 14 EVRM.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Voor de procesgang in eerste instantie, hetgeen daar over en weer is gesteld
en voor de overwegingen en beslissingen van de eerste rechter, wordt verwezen
naar het in deze zaak door de kantonrechter te Amsterdam op 2 december 1997
onder rolnummer 11841/97 tussen partijen gewezen vonnis, waarvan een kopie
aan dit vonnis is gehecht.
Bij dagvaarding zijn X en Y tijdig van dat vonnis in hoger beroep gekomen.
Bij daarop gevolgde memorie, met bewijsstukken, hebben zij vier grieven
aangevoerd.
Bij memorie van antwoord heeft E. de grieven bestreden.
Partijen hebben vervolgens stukken overgelegd ter verkrijging van vonnis in
hoger beroep.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. De grieven richten zich tegen rechtsoverweging 8 van het beroepen vonnis,
waarin de kantonrechter heeft overwogen dat hij artikel 7A:1623h van het
Burgerlijk Wetboek (BW) heeft toe te passen en niet buiten toepassing kan
laten en dat bij zijn beslissing het beleid van E. ten aanzien van verzoeken
om medehuurderschap niet ter discussie staat.

2. In hoger beroep zijn geen bezwaren aangevoerd tegen de vaststelling van de
feiten in het vonnis van de kantonrechter onder 1. tot en met 3., zodat ook
de rechtbank van die feiten uitgaat.

3. In hoger beroep vorderen X en Y het vonnis waarvan beroep te vernietigen
en alsnog te verklaren voor recht dat Y met ingang van 29 augustus 1996,
althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen tijdstip, medehuurder
is van de woning aan de (…) te Amsterdam, althans E. te veroordelen om hem
per 29 augustus 1996 als medehuurder te accepteren, met haar veroordeling in
de kosten van beide instanties.

4. Zij stellen daartoe dat de kantonrechter hier ten onrechte artikel
7A:1623h lid 3 aanhef en onder a. BW heeft toegepast terwijl de eisen van
redelijkheid en billijkheid meebrengen dat van deze formele wet had moeten
worden afgeweken. X en Y hadden immers, zo stellen zij, al tien jaar een
hechte relatie en zij hebben een samenlevingscontract en twee testamenten
doen opmaken. Hun relatie is dan ook gelijk te stellen aan een huwelijk en
onverkorte toepassing van artikel 7A:1623h BW leidt daarom tot een verboden
onderscheid naar burgerlijke staat, hetgeen in strijd is met artikel 8 en 14
van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM). X en Y verwijzen naar de tussen partijen
gewezen uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling van 14 april 1997,
waarin is overwogen dat E. niet wettelijk gehouden is om bij ongehuwden een
termijn van twee jaar te hanteren bij verlening van medehuurderschap en
terzake zelf criteria kan ontwikkelen, dat E. onvoldoende heeft onderbouwd
waarom zij desondanks op voorhand de termijn van twee jaar hanteert en dat
zij aldus jegens X en Y direct onderscheid maakt naar burgerlijke staat en
indirect onderscheid op grond van homoseksuele geaardheid.

5. E. heeft als verweer aangevoerd dat de kantonrechter terecht artikel
7A:1623h BW heeft toegepast, aangezien de rechter slechts in zeer bijzondere
gevallen op grond van de redelijkheid en billijkheid kan afwijken van de wet
in formele zin. Het gaat hier niet om een dergelijk zeer bijzonder geval,
aldus E.. De aard en duur van de relatie speelt immers geen rol, zo voert zij
aan, terwijl het samenlevingscontract en de testamenten – anders dan een
huwelijk – van de ene op de andere dag ongedaan kunnen worden gemaakt. Voorts
voert E. aan dat het huwelijk als instituut met de daaraan verbonden rechten
en verplichtingen in de Europese wetgeving (artikel 12 EVRM) is erkend en dat
het huwelijk een rechtsbetrekking is die geacht wordt duurzaam te zijn
aangegaan terwijl de duurzaamheid bij een samenwoning zoals die van X en Y
blijkt uit een samenleving in een gehuurde woning gedurende twee jaren. De
regeling van artikel 7A:1623h BW is gebaseerd op objectieve maatstaven, is te
rechtvaardigen en staat in evenredigheid met het beoogde legitieme doel, dat
de wetgever zich bij een afweging van de belangen van enerzijds de huurder en
de gegadigde voor het medehuurderschap en anderzijds de verhuurder heeft
gesteld, aldus E..

De beoordeling

6. Anders dan X en Y betogen heeft de kantonrechter terecht artikel 7A:1623h
BW toegepast. De omstandigheden die zij aanvoeren, te weten de aard en duur
van hun relatie, het doen opmaken van een samenlevingscontract en twee
testamenten, leveren onvoldoende grond op om tot het oordeel te komen dat de
eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de genoemde wetsbepaling
buiten toepassing moet blijven en dat de gevorderde verklaring voor recht
door de kantonrechter had moeten worden toegewezen ook al was de termijn van
twee jaar nog niet verstreken. Het wetsartikel is immers mede bedoeld voor
samenwonenden in de situatie als die van X en Y, zodat er geen ruimte is voor
het buiten toepassing laten op grond van de eisen van redelijkheid en
billijkheid.

7. Ook een toetsing van de wetsbepaling aan artikel 8 en 14 EVRM levert niet
het door X en Y verlangde resultaat op. De regeling voorziet immers ten
aanzien van ongehuwd samenwonenden in de mogelijkheid voor ieder hunner om
zich onder bepaalde voorwaarden tot de rechter te wenden ter verkrijging van
bescherming van zijn recht op zijn huis. Deze regeling, die berust op een
afweging van de belangen van elk der samenwonenden en van de verhuurder, kan
niet gezegd worden in strijd te zijn met de genoemde verdragsbepalingen. De
omstandigheid dat gehuwden van rechtswege medehuurder zijn ingevolge het
bepaalde in artikel 7A:1623g BW maakt dit niet anders: de in artikel 7A:1623h
BW gestelde voorwaarde van de tweejaarstermijn is een objectief
gerechtvaardigde eis die aan de relatie van samenwonenden kan worden gesteld
teneinde recht te doen aan het belang van de verhuurder bij de bestendigheid
van die relatie en levert geen verboden onderscheid op als bedoeld in artikel
14 EVRM.

8. De kantonrechter heeft, artikel 7A:1623h BW toepassende, terecht overwogen
dat het door E. gevoerde beleid bij zijn beoordeling niet ter toetsing
voorlag. De kantonrechter moest immers de vordering afwijzen aangezien de
voorwaarde van de tweejaarstermijn ten tijde van zijn uitspraak niet was
vervuld, ongeacht om welke reden E. het verzoek om in te stemmen met het
medehuurderschap van Y had afgewezen. De kantonrechter kon dan ook de
uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling buiten beschouwing laten. In
die uitspraak was het beleid van E. wel getoetst, maar als gezegd kwam de
kantonrechter daar niet aan toe.

9. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing van de kantonrechter juist was.
Het hoger beroep leidt echter in zoverre tot het verlangde resultaat dat
thans, anders dan ten tijde van het vonnis van de kantonrechter, de
afwijzingsgrond van artikel 7A:1623h lid 3 aanhef en onder a. BW niet meer
aan de orde is. Aangezien in hoger beroep gesteld noch gebleken is dat de
vordering op andere gronden zou stranden, terwijl Y sinds 1 februari 1996 in
de woning zijn hoofdverblijf heeft en met X een duurzame gemeenschappelijke
huishouding heeft, is de vordering thans dan ook toewijsbaar.

10. Krachtens genoemde wetsbepaling kan Y eerst na twee jaar, dus vanaf 1
februari 1998 als medehuurder worden aangemerkt.

11. Uit de vordering en de toelichting op de grieven volgt dat X en Y zich
primair op het standpunt stellen dat Y reeds vanaf 29 augustus 1996
medehuurder is omdat op die dag E. het verzoek om medehuurderschap had moeten
toewijzen in plaats van afwijzen. Uit het hiervoor overwogene volgt echter
dat de rechter krachtens artikel 7A:1623h BW de vordering niet eerder kan
toewijzen dan na twee jaar samenwonen in het gehuurde, zodat de vordering met
ingang van 1 februari 1998 zal worden toegewezen.

12. De slotsom luidt dat het vonnis van de kantonrechter zal worden
vernietigd, behoudens ten aanzien van de proceskosten, en dat de vordering
van X en Y alsnog zal worden toegewezen. In de omstandigheid dat enerzijds X
en Y hadden kunnen volstaan met indiening van een nieuw verzoek aan E. om in
te stemmen met het medehuurderschap na 1 februari 1998 (in plaats van hoger
beroep in te stellen) en dat anderzijds E. na die datum de verlangde
instemming spontaan had kunnen geven, vindt de rechtbank aanleiding om de
proceskosten in hoger beroep te compenseren.

BESLISSING IN HOGER BEROEP

De rechtbank:

– vernietigt het op 2 december 1997 tussen partijen onder rolnummer11841/97
gewezen vonnis van de kantonrechter te Amsterdam voor zover daarbij de
vorderingen zijn afgewezen;

en opnieuw rechtdoende:

– verklaart voor recht dat Y met ingang van 1 februari 1998 medehuurder is
van de woning op het adres (…) te Amsterdam;
– bekrachtigt dat vonnis voor het overige;
verrekent de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen
kosten draagt;
– wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mrs. Ros, Van Hees en Uriot

Instantie: Rechtbank Middelburg, 14 april 1999

Instantie

Rechtbank Middelburg

Samenvatting


Eiseres is als minderjarige door haar stiefoom, gedaagde, seksueel misbruikt.
Zij vordert nu schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat de vordering is
verjaard omdat eiseres op 1 februari 1993 in staat was om aangifte te doen.
Zij heeft toen bij een haar bekende ambtenaar van politie naar de
mogelijkheid van het doen van aangifte geïnformeerd. Uit dit feit leidt de
rechtbank af dat eiseres toen in staat was om in verband met hetgeen haar was
overkomen rechtsmaatregelen te nemen. De verjaringstermijn eindigde vijf jaar
daarna op 1 februari 1998.

Volledige tekst

1. Het procesverloop

De volgende processtukken zijn verwisseld:
– conclusie van eis;
– conclusie van antwoord;
– conclusie van repliek;
– conclusie van dupliek;
– akte van eiseres.
Door partijen zijn producties in het geding gebracht.

2. De feiten

2.1. Eiseres is geboren op 13 juni 1966. Gedaagde is een stiefoom van
eiseres. Gedurende een aantal jaren, eindigend in de eerste helft van 1981,
heeft gedaagde eiseres meermalen over het gehele lichaam gestreeld en betast.
Op 1 februari 1993 heeft eiseres aangifte gedaan terzake van het plegen van
ontuchtige handelingen door gedaagde jegens haar. Bij brief van 2 september
1994 heeft de Officier van Justitie te Middelburg haar bericht dat de zaak in
verband met verjaring van de mogelijk gepleegde strafbare feiten was
geseponeerd.

2.2. Toen eiseres aangifte deed volgde zij een (deeltijd)therapie bij het
RIAGG te Deventer. Sinds de zomer van 1994 is zij opgenomen in het algemeen
psychiatrisch ziekenhuis ‘Brinkgreven’te Deventer.

2.3. Eiseres heeft gedaagde op 25 mei 1998 voor het eerst aansprakelijk
gesteld voor de door haar gestelde, ten gevolge van de handelingen van
gedaagde door haar geleden, schade.

3. Het geschil

3.1. Eiseres vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
1. voor recht verklaart dat gedaagde aansprakelijk is voor de door eiseres
geleden schade;
2. gedaagde veroordeelt tot het betalen van schadevergoeding, nader op te
maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
3. gedaagde veroordeelt in de kosten van deze procedure.
Eiseres stelt daartoe dat zij tengevolge van de met haar door gedaagde
gepleegde ontuchtige handelingen schade heeft geleden: zij heeft zich onder
psychiatrische behandeling moeten stellen en is thans arbeidsongeschikt. Zij
stelt dat de vordering nog niet is verjaard. Als aanvangmoment voor de
verjaring dient te worden genomen het moment waarop eiseres een zodanige fase
van het verwerkingsproces heeft bereikt, dat zij tot het nemen van
rechtsmaatregelen in staat was; dat moment lag begin 1998. Subsidiair stelt
eiseres dat het moment van aangifte als aanvangsmoment voor verjaring dient
te worden genomen; in dat geval eindigt die termijn – die in verband met art.
73 OW in casu 6 jaar bedraagt – op 1 februari 1999.

3.2. Gedaagde stelt primair dat de vordering van eiseres is verjaard. Het
moment waarop eiseres met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon is
bekend geworden lag in 1981, toen de aan gedaagde verweten gedragingen zijn
gestopt. De vordering was op 1 januari 1993 verjaard. Indien als
aanvangsdatum de aangifte dient te worden genomen, dat was de vordering op 1
februari 1998 verjaard. Onjuist is -zoals eiseres doet- bij de
verjaringstermijn van 5 jaar nog een jaar op te tellen in verband met art. 73
OW. Subsidiair stelt hij dat eiseres noch de door haar gestelde schade noch
het causale verband tussen het handelen van gedaagde en de gestelde schade
aannemelijk heeft gemaakt.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Op de vraag of de vordering van eiseres is verjaard of niet, is art.
3:310, eerste lid, BW van toepassing. Dat artikel lid bepaalt -voor zover
hier van belang- dat een vordering tot vergoeding van schade verjaart door
verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgend op die waarop
benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon
bekend is geworden.

4.2. Partijen zijn verdeeld over de vraag welke moment moet worden genomen
als het moment waarop eiseres bekend was met de schade. Dat zij op het moment
dat de handeling van gedaagde stopten (begin 1981) met de schade bekend was
kan uit hetgeen over en weer is gesteld niet worden afgeleid; eiseres was
toen pas 15 jaar oud en gesteld noch gebleken is dat toen al de thans bij
eiseres aanwezige (psychische) problemen waren geconstateerd. Wel kan worden
vastgesteld dat zij in elk geval op het moment dat zij aangifte deed bij de
politie, dat wil zeggen op1 februari 1993, met de schade bekend is geweest.
Blijkens het proces-verbaal van die aangifte heeft eiseres toen verklaard
ziek te zijn. Zij heeft voorts verklaard dat zij die ziekte zag als een
gevolg van de met haar door gedaagde gepleegde handelingen en dat de bedoelde
gebeurtenissen haar verdere leven negatief hadden beïnvloed. Daarmee staat
naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat eiseres toen problemen
-schade- ervoer en die ook wist te benoemen.

4.3. Eiseres is als minderjarige slachtoffer geweest van door gedaagde
gepleegd seksueel grensoverschrijdend gedrag. Hoewel van strafrechtelijke
vervolging is afgezien, moeten de handelingen van gedaagde jegens eiseres –
uitgaande van hetgeen hij terzake heeft erkend – worden gezien als een
ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van eiseres.
Slachtoffers van dergelijke feiten hebben – naar de ervaring leert – lange
tijd nodig om hetgeen hen is overkomen te verwerken. Gedurende dat
verwerkingsproces zijn zij in het algemeen nauwelijks in staat om een
weloverwogen beslissing te nemen over het al of niet vragen van
schadevergoeding. Deze overweging heeft de wetgever er toe gebracht om bij
wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 529 (in werking getreden op 1 september 1994)
aan art. 3;310 BW een vierde lid toe te voegen, waarin de verjaringstermijn
voor schade, ontstaan door – kort gezegd – een zedenmisdrijf gepleegd ten
aanzien van een minderjarige, is verlengd. Gelet op het feit dat het recht op
strafvordering inmiddels door verjaring is vervallen, mist dat artikellid in
het onderhavige geval evenwel toepassing. Dat neemt niet weg dat – het
bovenstaande in aanmerking nemend – moet worden bezien of eiseres op het
onder 4.2 genoemde moment van “bekendheid met de schade”, gelet op de mate
waarin zij de gebeurtenissen toen had verwerkt, ook daadwerkelijk tot het
nemen van rechtsmaatregelen in staat was; alleen in dat geval zal dat moment
ook als aanvangsmoment van de verjaring kunnen gelden.

4.4. Vast staat dat eiseres op 1 februari 1993 in staat was om aangifte te
doen. Uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal kan worden afgeleid dat zij
destijds zelf bij een haar bekende ambtenaar van politie naar de mogelijkheid
van het doen van aangifte had geïnformeerd. Uit dat feit leidt de rechtbank
af dat eiseres toen in staat was om in verband met hetgeen haar was overkomen
(rechts-)maatregelen te nemen. Dat betekent dat de verjaring van een
vordering tot vergoeding van schade is begonnen te lopen op 2 februari 1993.
De verjaringstermijn eindigde vijf jaar daarna, op 1 februari 1998. Art. 73
OW heeft betrekking op verjaringstermijnen die reeds waren aangevangen vóór
inwerkingtreding op 1 januari 1992 van het thans geldende BW; die situatie
doet zich in casu niet voor. Nu voorts door eiseres niet zodanig zwaarwegende
omstandigheden zijn aangevoerd dat het in het onderhavige geval naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om aan de
wettelijk bepaalde verjaringstermijn van vijf jaar vast te houden, moet de
slotsom zijn dat de vordering tot schadevergoeding op 1 februari 1998
verjaarde.

4.5. De conclusie uit het bovenstaande moet zijn dat de vordering van eiseres
is verjaard en derhalve zal moeten worden afgewezen. Als de in het ongelijk
gestelde partij zal eiseres worden veroordeeld in de kosten van deze
procedure.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering af;

veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure, aan de zijde van
gedaagde tot op heden begroot op ƒ 370 aan verschotten en ƒ 1.720 aan salaris
procureur, te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Rechters

Mr. Van Dijk

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Amsterdam, 13 april 1999

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Amsterdam

Samenvatting


Voortgezet verblijf na verbreking relatie. De vrouw is langer dan drie jaar
gehuwd geweest en had de “10 lid 2-status”. Tussen de verbreking van het
huwelijk (en derhalve het vervallen van de 10 lid 2-status) en hernieuwing
van de relatie heeft de vrouw gedurende een half jaar geen
verblijfsvergunning gehad. De hernieuwde relatie wordt vervolgens in 1995
definitief verbroken na twee jaar. De rechtbank oordeelt dat eiseres in 1995
in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden op
grond van het oude beleid, zoals dat gold vóór 1- 7-1997.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op […] 1973, bezit de Surinaamse nationaliteit. Zij
heeft op 18 oktober 1996 een aanvraag ingediend om wijziging van de beperking
aan haar verleende vergunning tot verblijf in “voor het verrichten van arbeid
al dan niet in loondienst”. Bij besluit van 3 april 1997 heeft verweerder
afwijzend op deze aanvraag beslist. Bij datzelfde besluit is tevens afwijzend
beslist op de aanvraag ter verkrijging van het Nederlanderschap door
naturalisatie van eiseres van 9 augustus 1996. Het besluit is op 3 oktober
1997 aan de gemachtigde van eiseres verzonden. Bij brief van 30 oktober 1997
heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 december
1997 is het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond verklaard.
Het besluit is bij brief van dezelfde dag aan de gemachtigde van eiseres
gezonden. Daarbij is medegedeeld dat over het bezwaar tegen de afwijzing van
de aanvraag tot naturalisatie nader zal worden bericht.

2. Bij beroepschrift van 20 Januari 1998 heeft eiseres beroep ingesteld bij
de rechtbank tegen het besluit van 24 december 1997. De rechtbank heeft
partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. op 18 augustus
1998 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter
griffie ontvangen. In het verweerschrift van 2 november 1998 heeft verweerder
geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brieven van 16 en
17 november 1998 heeft eiseres haar standpunt nog nader onderbouwd.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 1998.
Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.F.C. Strok,
advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr.
J. Visser, advocaat te ‘s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende
feiten. Eiseres is Nederland op 13 juni 1990 ingereisd met een geldig visum
voor de duur van 1 maand. Sedertdien verblijft zij hier te lande als
vreemdeling in de zin van de Vw.
Op 30 januari 1991 heeft eiseres verzocht om verlening van een vergunning tot
verblijf met als doel: “verblijf bij Nederlandse vader”. Dit verzoek is niet
ingewilligd bij beschikking van 3 april 1991.
Eiseres heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen deze beschikking. Op 2
januari 1992 is eiseres hier te lande gehuwd met de Nederlander C. Zij heeft
op 1 april 1992 verzocht om verlening van een vergunning tot verblijf voor
verblijf bij haar echtgenoot. Deze aanvraag is ingewilligd. Op 1 april 1993
heeft eiseres ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a van het
Vreemdelingenbesluit (Vb) van rechtswege de status ex artikel 10, tweede lid,
Vw (oud) verkregen. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden op 19 juni
1995. Het verzoek tot echtscheiding dateert van 11 april 1995. Staande het
huwelijk zijn twee kinderen geboren: D (op [..] februari 1993) en E (op [..]
december 1994). In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de ouderlijke
macht is blijven voortbestaan.
Op 7 september 1995 heeft eiseres zich bij de vreemdelingendienst (VD)
gemeld. Zij heeft daar medegedeeld dat het huwelijk met C was verbroken en
vervolgens een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot
verblijf voor verblijf bij ex-echtgenoot en huidige partner C. De VD heeft
verweerder op 5 april 1996 geadviseerd eiseres geen verblijfsvergunning voor
verblijf bij partner te verlenen aangezien niet aan het middelenvereiste werd
voldaan, doch verweerder in overweging gegeven dat eiseres op grond van
artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden in aanmerking zou kunnen komen voor een
vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.
Blijkens het advies van de VD hadden eiseres en C op 7 september 1995 aldaar
verklaard dat zij niet zeker waren van hun relatie.
Bij besluit van 28 mei 1996 heeft verweerder eiseres een vergunning tot
verblijf verleend onder de beperking: “voor verblijf bij partner C”, geldig
van 7 september 1995 tot 7 september 1996. Ter toelichting op dit besluit
heeft verweerder aan de VD bericht dat eiseres zich tijdig had gemeld na de
feitelijke verbreking van haar huwelijk en derhalve in aanmerking kwam voor
een vergunning tot verblijf tot 11 april 1996 voor het zoeken naar werk.
Daarbij werd overwogen:
“Aangezien betrokkene thans geen arbeid verricht, maar nog steeds een
gezamenlijk huishouden voert met haar partner, ben ik van mening dat aan
betrokkene een vergunning tot verblijf kan worden verleend bij haar partner,
zonder dat de partner aan het middelenvereiste voldoet. Hierbij is mede in
aanmerking genomen dat zij tezamen twee kinderen hebben, die beiden de
Nederlandse nationaliteit bezitten. Op 17 augustus 1996 heeft eiseres een
aanvraag ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van de haar verleende
vergunning tot verblijf. Deze aanvraag is ingewilligd; de geldigheidsduur is
vervolgens verlengd tot 7 september 1997. Op 18 oktober 1996 heeft eiseres
bij de vreemdelingendienst gemeld dat de relatie met C definitief was
verbroken en dat zij niet meer met hem samenwoonde. Eiseres heeft toen een
aanvraag ingediend om wijziging van de beperking van de aan haar verleende
vergunning tot verblijf in “voor het verrichten van arbeid al dan niet in
loondienst”. Eiseres heeft bij die gelegenheid verklaard dat er nog geen
omgangsregeling was getroffen, maar dat C daartoe een advocaat in de arm had
genomen.
Bij brieven van 5 december 1996 is aan eiseres en C gevraagd om nadere
informatie over de ouderlijke macht en de omgang met de kinderen. Eiseres
heeft verweerder op 10 januari 1997 bericht dat zij en C na de echtscheiding
zijn blijven samenwonen in verband met de kinderen, dat C hen tot medio
oktober 1996 dagelijks zag en in hun levensonderhoud voorzag, dat er sinds de
definitieve scheiding geen schriftelijke omgangsregeling is getroffen en dat
het gezag sindsdien bij haar is. C heeft verweerder op 6 januari 1997 bericht
dat hij en eiseres de gezamenlijke ouderlijke macht uitoefenen, maar dat er
sinds medio oktober 1996 geen sprake (meer) is van regelmatig contact en
evenmin van een financiële relatie met de kinderen, volgens C omdat eiseres
elke medewerking aan een omgangsregeling weigerde. Op 30 januari 1997 heeft
de vreemdelingendienst verweerder bericht zich te onthouden van advies. De
ambtenaar van de vreemdelingendienst heeft daarbij over de bij het besluit
van 28 mei 1996 verleende verblijfsvergunning opgemerkt dat uit het – zijns
inziens onduidelijke – besluit blijkt dat het een vergunning tot verblijf na
verbreking huwelijk betreft. Bij besluit van 3 april 1997 heeft verweerder
afwijzend beslist op de aanvraag om wijziging van de beperking van de
vergunning van eiseres tot verblijf en op de aanvraag om naturalisatie. Tegen
dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Op het bezwaar tegen de weigering
tot naturalisatie is nog niet beslist.

3. Eiseres meent dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating
nopen. Daartoe heeft zij in beroep het volgende aangevoerd. Verweerder heeft
ten onrechte overwogen dat de relatie met C geen drie jaren heeft bestaan.
Ondanks het feit dat de echtscheiding al eerder was uitgesproken is de
feitelijke samenwoning eerst in oktober 1996 verbroken. Eiseres heeft dan ook
op grond van het beleid inzake voortgezet verblijf na verbreking huwelijk
recht op een zoekjaar. Zij had reeds in 1995 aanspraak op een zelfstandige
verblijfstitel. Omdat zij op het moment van de feitelijke verbreking van het
huwelijk langer dan drie jaar gehuwd was geweest en de zorg had voor twee
kinderen jonger dan vijf jaar, had zij op dat moment aanspraak op een
vergunning tot verblijf onder de beperking: ‘humanitaire redenen’. Eiseres
heeft in dit verband verwezen naar hoofdstuk B1/2.6 van de
Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994. Voorzover nog nodig, dient nog in
aanmerking te worden genomen dat eiseres nauwe banden met Nederland heeft.
Eiseres verblijft inmiddels meer dan acht jaar in Nederland en heeft de zorg
voor twee kinderen die in Nederland zijn geboren en de Nederlandse
nationaliteit hebben. Verder kan terugkeer naar Suriname in redelijkheid niet
van haar worden gevergd. Bovendien is inmiddels een voorlopige
omgangsregeling getroffen. De rechtbank heeft haar beslissing over een
gezagsvoorziening aangehouden. De beschikking van de Arrondissementsrechtbank
te Amsterdam van 24 december 1997 is overgelegd. Eiseres heeft voorts een
beroep gedaan op artikel 8 EVRM. Bij aanvullend beroepschrift van 17 november
1998 is naar voren gebracht dat de Raad voor de Kinderbescherming op 1
september 1998 de Kinderrechter te Amsterdam heeft verzocht de kinderen van
eiseres en C onder toezicht te stellen van een gezinsvoogdij-instelling. Een
dergelijke kinderbeschermingsmaatregel houdt voor eiseres een objectieve
belemmering in om het familie- of gezinsleven met haar kinderen in Suriname
uit te oefenen. Daarbij heeft eiseres een beroep gedaan op een
aantal uitspraken van deze rechtbank. Ter zitting is naar voren gebracht dat
de ondertoezichtstelling op 13 oktober 1998 is uitgesproken. De kinderen
verblijven bij eiseres. De contacten met C zijn sinds de
ondertoezichtstelling tot een minimum beperkt; er wordt naar gestreefd deze
op een voor beide ouders en de kinderen goede wijze opnieuw op te bouwen.
Eiseres heeft ter zitting nog verzocht om een verklaring voor recht dat
verweerder ten onrechte aan haar geen toestemming heeft verleend de door haar
ingestelde procedures tegen de weigering haar voortgezet verblijf te verlenen
in Nederland af te wachten. Zij heeft hier belang bij vanwege haar aanspraken
op uitkeringen ingevolge de volks- c.q. sociale verzekeringswetten. De
Kinderbijslag is al stopgezet.
4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in
aanmerking komt voor voortgezet verblijf. Haar relatie met C heeft geen drie
jaar bestaan. De periode waarin eiseres met C was gehuwd kan niet worden
meegerekend bij de bepaling van de duur van de relatie.
Eiseres heeft na de verbreking van haar huwelijk niet gevraagd om voortgezet
verblijf en daarin is dus ook niet bewilligd. Eiseres heeft er destijds
nadrukkelijk voor gekozen opnieuw een afhankelijke vergunning tot verblijf
(voor verblijf bij partner) aan te vragen. Het voorgaande betekent dat geen
sprake is van aaneengesloten legaal verblijf van meer dan vijf jaar.
Verweerder was dan ook niet gehouden het advies van de Adviescommissie voor
vreemdelingenzaken (ACV) in te winnen.
Eiseres kan evenmin aanspraak op toelating ontlenen aan artikel 8 EVRM.
Weliswaar betekent het bestreden besluit een inmenging hetzij in het familie-
of gezinsleven tussen eiseres en de Nederlandse kinderen hetzij in het
familie- of gezinsleven tussen C en de kinderen, maar deze inmenging is,
gelet op de “certain margin of appreciation’, die de lidstaten van het EVRM
toekomt, gerechtvaardigd. Er rust dan ook geen positieve verplichting op de
Nederlandse overheid om in het verblijf van eiseres te berusten. Allereerst
kan gelet op de jonge leeftijd van de kinderen van hen worden verlangd hun
moeder naar Suriname te volgen. Voorts wijzigt het bestreden besluit de
uitoefening van het familie- of gezinsleven tussen C en de kinderen niet in
aanzienlijke mate. Er was ten tijde van het bestreden besluit geen sprake van
enige omgang tussen C en de kinderen. Dat blijkt ook uit diens reactie op de
brief aan de vreemdelingendienst van 5 december 1996. Voorzover moet worden
aangenomen dat aan de voorlopige omgangsregeling uitvoering wordt gegeven,
betreft het slechts een middag in de twee weken, hetgeen niet als een
intensief contact kan worden bestempeld. Aangezien in het bezwaarschrift geen
nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd en ook overigens niet is
gebleken van feiten of omstandigheden die tot een andere beslissing behoren
te leiden, is het bezwaar ongegrond. Eiseres is in dit geval niet gehoord
omdat daartoe, gelet op artikel 32, tweede lid, Vw, geen verplichting bestaat
en dit evenmin door de zorgvuldigheid wordt gevorderd.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning
tot (voortgezet) verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan
het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat
vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun
aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan
wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende
uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is
neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

7. Het beleid van verweerder inzake voortgezet verblijf na verbreking relatie
is neergelegd in hoofdstuk Bl/4 Vc 1994. Voor zover hier van belang houdt dit
beleid in dat de vreemdeling in aanmerking kan komen voor een zelfstandige
vergunning tot verblijf indien de relatie is verbroken drie jaar of langer
nadat op grond van die relatie een vergunning tot verblijf is verleend. De
rechtbank stelt vast dat eiseres niet aan de voorwaarden van dit beleid
voldoet, nu de relatie op grond waarvan zij een vergunning tot verblijf heeft
verkregen is verbroken binnen drie jaar.
8. De rechtbank is echter van oordeel dat niet voorbij kan worden gegaan aan
de omstandigheid dat eiseres, voorafgaande aan de relatie met haar partner,
met deze partner gehuwd is geweest, en dat de feitelijke samenwoning tussen
eiseres en haar partner/ex-echtgenoot tussentijds niet verbroken is geweest.

9. Het beleid van verweerder inzake voortgezet verblijf na verbreking
huwelijk is neergelegd in hoofdstuk Bl/2 Vc 1994. Voor zover hier van belang
houdt dit beleid in dat de vreemdeling in aanmerking kan komen voor een
zelfstandige vergunning tot verblijf indien het huwelijk voor de verbreking
reeds drie jaar heeft bestaan, waarvan tenminste één jaar direct voorafgaande
aan de verbreking tijdens een op grond van artikel 9 of 10 toegestaan
verblijf in Nederland.

10. Ingevolge het beleid ten aanzien van verlenging van de geldigheidsduur
van een vergunning tot verblijf, neergelegd in hoofdstuk A4/6.7.2 Vc 1994,
geldt dat indien de aanvraag niet tijdig (ten minste vier weken voor het
verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning), doch binnen zes
maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur is ingediend, deze aanvraag
weliswaar wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf, maar
dat de vergunning wordt verleend vanaf datum aanvraag. In dat geval ontstaat
een gat in het verblijfsrecht. Ten aanzien van degenen die in het bezit zijn
(geweest) van de status genoemd in artikel 10, tweede lid, Vw (oud) voert
verweerder een bijzonder beleid. Indien zij binnen zes maanden na de
feitelijke verbreking van de gezinsband een aanvraag om voortgezette
toelating indienen, wordt de aanvraag aangemerkt als tijdig ingediend en
wordt de vergunning verleend met ingang van de datum van de feitelijke
verbreking, met als gevolg dat er geen gat in het verblijfsrecht ontstaat.

11. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres op 2 januari 1992 is
gehuwd. Sedert 1 april 1993 is zij van rechtswege in het bezit geweest van de
status genoemd in artikel 10, tweede lid, Vw (oud). Deze status is van
rechtswege vervallen op 11 april 1995, het moment waarop C een verzoek tot
echtscheiding heeft ingediend en waarop de gezinsband tussen eiseres en C
feitelijk verbroken moet worden geacht. Partijen verschillen daarover niet
van mening.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres destijds voldeed aan de
voorwaarden voor voortgezet verblijf na verbreking huwelijk.

12. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres zich binnen zes maanden na de
feitelijke verbreking van de gezinsband, dus tijdig, heeft gemeld. Ook dit is
tussen partijen niet in geschil.

13. Partijen zijn verdeeld over de vraag of aan eiseres voortgezet verblijf
is toegestaan nadat zij de verbreking van haar huwelijk heeft gemeld.
Verweerder heeft aangevoerd dat daarvan geen sprake is, nu eiseres niet een
aanvraag van die strekking heeft ingediend. Dit betoog gaat niet op. Naar het
oordeel van de rechtbank is niet van belang of eiseres aan de aanvraag de
formele kwalificatie “voortgezet verblijf” heeft gegeven. Zij heeft tijdig
gemeld dat haar huwelijk was verbroken, waarmee (ook) voor verweerder
duidelijk was dat haar status ex artikel 10, tweede lid, Vw (oud) van
rechtswege was vervallen, en bij dezelfde gelegenheid verzocht om toelating.
Dit kan niet anders worden opgevat dan als een aanvraag om voortgezet
verblijf. Hierbij is in aanmerking genomen dat, volgens hoofdstuk A4/9.2 Vc
1994, verweerder eiseres op dat moment ook in de gelegenheid had moeten
stellen een aanvraag om voortgezet verblijf in te dienen. Bovendien blijkt
uit de brief van verweerder aan de vreemdelingendienst van 28 mei 1996 dat
verweerder de aanvraag zelf als een aanvraag om voortgezet verblijf heeft
opgevat.

14. De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat
eiseres aanspraak had op voortgezet verblijf na de verbreking van het
huwelijk met C. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat in het
beleid inzake voortgezet verblijf na verbreking huwelijk onder Bl/2.6 Vc 1994
is bepaald dat lopende aanvragen (van vóór 1 juli 1997) van een-oudergezinnen
die op het moment van de peildatum de zorg hadden voor een kind jonger dan 5
jaar, worden ingewilligd en dat hen een vergunning tot verblijf wordt
verleend onder de beperking: “humanitaire redenen”. In het geval van eiseres
is sprake van een in dit beleid bedoelde situatie.

15. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder, hoewel hij destijds
een vergunning tot verblijf heeft verleend met ingang van 7 september 1995 en
eiseres derhalve over de periode van 11 april 1995 tot 7 september 1995 niet
in het bezit is geweest van een formele verblijfstitel, eiseres had dienen te
behandelen als ware zij gedurende die periode wel in het bezit van een
dergelijke verblijfstitel geweest.

16. Bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag had verweerder vervolgens
onder ogen moeten zien dat eiseres meer dan vijf aaneengesloten jaren
toelating genoten heeft bij C (dan wel daar recht op heeft gehad), waarvan
meer dan drie jaar op basis van haar huwelijk met hem. Gedurende deze gehele
periode hebben eiseres en C onafgebroken samengewoond. Na de echtscheiding is
ondanks het ontbreken van voldoende middelen aan eiseres voortgezet verblijf
bij C toegestaan. Onder deze omstandigheden heeft verweerder niet kunnen
volstaan met de constatering dat de niet-huwelijkse relatie tussen eiseres en
C geen drie jaar heeft bestaan, zodat eiseres na de verbreking van die
relatie geen aanspraak kon maken op voortgezet en dat er geen bijzondere
omstandigheden zijn aangevoerd die nopen tot verlening van een vergunning tot
verblijf in afwijking van het beleid. In dit geval had het, mede gelet op
hetgeen in bezwaar is aangevoerd, op de weg van verweerder gelegen om nader
te onderzoeken of de op zichzelf al bijzondere omstandigheden van dit geval
zodanig bijzonder waren dat gebruikmaking van de inherente
afwijkingsbevoegdheid geboden was. Hierbij is nog van belang dat verweerder
eiseres in de eerste aanlegfase nimmer in de gelegenheid heeft gesteld te
reageren op de verklaring van C van 6 januari 1997. Tevens is van belang dat
eiseres ten tijde van de echtscheiding de zorg had over twee hier te lande
geboren kinderen van Nederlandse nationaliteit, beiden jonger dan vijf jaar,
hetgeen volgens het hiervoor weergegeven beleid bij een aanvraag van vóór 1
juli 1997 leidt tot verlening van een vergunning tot verblijf zonder
beperkingen.

17. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden
besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en een draagkrachtige motivering
ontbeert. Daarbij overweegt de rechtbank dat gezien de hier van belang zijnde
aspecten verweerder ten onrechte heeft besloten niet af te zien van
verwijdering van eiseres tijdens de bezwaarfase, waarmee tevens is gezegd dat
eiseres ten onrechte op grond van artikel 32, tweede lid, Vw niet is gehoord.
Ook op grond van de zorgvuldige voorbereiding van het besluit had verweerder
overigens, naar het oordeel van de rechtbank, van het horen van eiseres niet
mogen afzien.

18. Met betrekking tot de hoorplicht overweegt de rechtbank nog het volgende.
Zoals in rechtsoverweging II.15 is overwogen dient eiseres te worden
behandeld als had zij gedurende (meer dan) vijf aaneengesloten jaren
onafgebroken toelating genoten. In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a,
Vw is bepaald dat in het geval de vreemdeling op het tijdstip waarop het
besluit wordt genomen gedurende vijf aaneengesloten jaren toelating heeft
genoten, terwijl, hij in Nederland hoofdverblijf heeft gehad, omtrent het
bezwaar advies ingewonnen wordt van de Adviescommissie voor
vreemdelingenzaken (ACV). De rechtbank is van oordeel dat, indien verweerder
in bezwaar alsnog tot het horen van eiseres overgaat, verweerder deze
bepaling op overeenkomstige wijze dient toe te passen.

19. Op grond van het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard,
onder vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder zal met inachtneming
van het voorgaande opnieuw op het bezwaar moeten beslissen.

20. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het
ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband
met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft
moeten maken. Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420 als kosten van verleende
rechtsbijstand.

21. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb dient het griffierecht te worden
vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze
uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ 210 (zegge tweehonderdentien
gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420 (zegge
veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden
aan eiseres.

Rechters

Mrs van Bennekom, Smit en Broekhuijsen-Molenaar

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 9 april 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Band tussen verzoek echtscheiding en voorlopige voorzieningen. Indien
echtscheiding door eerste rechter is uitgesproken, kan slechts op grond van
door appellerende echtgenoot aangevoerde bijzondere omstandigheden het hoger
beroep worden gebezigd teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het
verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen wordt hersteld
en dat op hetzelfde moment wordt beslist op die verzoeken. Bij voorlopige
voorziening aan de vrouw toegewezen echtelijke woning, waarvan het gebruik
bij voorlopige voorziening aan haar was toegewezen, als bedrijfspand gebruikt
om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien, is geen bijzondere
omstandigheid die noopt tot herstel band tussen verzoek echtscheiding en
verzochte nevenvoorzieningen.

Volledige tekst

Hof:

4. De ontvankelijkheid van het appèl van de vrouw in de hoofdzaak

4.1. De vrouw heeft verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de
beschikking waarvan beroep te vernietigen voor wat betreft de uitgesproken
echtscheiding. Nu het appèl van de vrouw zich richt tegen de toewijzing van
haar eigen inleidend verzoek waarbij de vrouw heeft verzocht de echtscheiding
tussen partijen uit te spreken, dient de vrouw niet-ontvankelijk te worden
verklaard in haar hoger beroep, zulks bij gebreke van enig rechtens te
respecteren belang. Bijzondere omstandigheden die in casu tot een andere
slotsom zouden kunnen nopen zijn niet aangevoerd of anderszins aannemelijk
geworden.

Cassatiemiddel:

Schending van het recht en/of verzuim van vormen,. waarvan de
nietinachtneming grond voor vernietiging vormt, doordat het gerechtshof heeft
verzuimd haar beschikking met redenen te omkleden en heeft overwogen als in
no. 4.1 van de beschikking waarvan beroep in cassatie is weergegeven en
(mede) op grond daarvan heeft beslist als in het dictum van die beschikking
is aangeduid; ten onrechte en in strijd met het recht in verband met het
navolgende:
In r.o. 4.1 overweegt het gerechtshof ten onrechte:
(…)
Toelichting:

Deze overweging van het gerechtshof is onjuist, onvoldoende gemotiveerd,
althans onbegrijpelijk. Verzoekster heeft er immers op geattendeerd dat zij
recht en belang heeft bij een uitspraak inzake de echtscheiding
tegelijkertijd met de vaststelling der nevenvoorziening inzake alimentatie.
Over de alimentatievoorziening zal door de arrondissementsrechtbank echter
eerst beslist worden nadat over de verrekening van de boedel van partijen
door de 2e kamer der arrondissementsrechtbank Amsterdam is beslist.
Derhalve hield de arrondissementsrechtbank Amsterdam 6e kamer voor
familiezaken de beslissing inzake de alimentatie voor onbepaalde tijd aan.
Haar verzoek om de hoofd- en nevenvorderingen niet te splitsen werd ten
onrechte gepasseerd door de arrondissementsrechtbank en eveneens werd in het
bijzonder haar grief daaromtrent door het gerechtshof gepasseerd. terwijl het
gerechtshof ten onrechte niet motiveert waarom deze grief gepasseerd werd.
Daarmee miskende het gerechtshof het belang van de vrouw om het door de
arrondissementsrechtbank Amsterdam verbroken verband tussen de
echtscheidingsvordering en de alimentatievordering te herstellen en miskende
het gerechtshof de bijzondere omstandigheden waar de vrouw in verkeert.
Het belang van de vrouw bij een uitspraak inzake echtscheiding op een later
tijdstip is gelegen in het feit dat zij in de echtelijke woning haar praktijk
uitoefent. Omdat zij meent over een zodanig geldsbedrag na verrekening recht
te hebben, dat zij deze woning (die op naam van de man staat) kan blijven
bewonen, heeft de arrondissementsrechtbank de alimentatievoorziening
uitgesteld totdat over deze verdeling (door een andere kamer van de
arrondissementsrechtbank Amsterdam) is beslist.
Zolang verzoekster geen alimentatie ontvangt van verweerder is zij financieel
geheel afhankelijk van haar inkomen uit de schoonheidssalon, die zij met haar
dochter in de echtelijke woning voert. Door nu de echtscheiding los te
koppelen van de nevenvoorzieningen, gaat de termijn van zes maanden
voortgezet gebruik van de echtelijke woning lopen, waardoor de man de vrouw
op korte termijn (desnoods met een kort geding waarmee hij meermalen dreigde)
uit die woning kan doen zetten, waardoor zij haar eigen en haar dochters
broodwinning verliezen zal.
Zij had er derhalve een groot en rechtens te respecteren belang bij dat de
hoofdvordering niet van de nevenvordering inzake alimentatie zou worden
losgekoppeld, hetgeen de arrondissementsrechtbank wél heeft gedaan en door
het gerechtshof werd bekrachtigd.
Bij de tweede kamer der arrondissementsrechtbank Amsterdam is de procedure
tot boedelverdeling krachtens een door partijen overeengekomen verrekenbeding
aanhangig, op grond waarvan verzoekster meent in ieder geval recht te hebben
op toedeling van een zodanig bedrag uit het vermogen dat staande huwelijk is
opgebouwd. dat zij in die echtelijke woning zal kunnen blijven wonen en er
haar praktijk als schoonheidsspecialiste kan voortzetten, welke zij tesamen
met haar oudste dochter aldaar uitoefent.
Ten overvloede wenst verzoekster op te merken dat zij de
echtscheidingsprocedure destijds niet startte omdat zij meende dat er sprake
was van duurzame ontwrichting van hun huwelijk. Zij had behoefte aan het
treffen van voorlopige voorzieningen inzake alimentatie, omdat haar
echtgenoot. psychisch in de war zijnde, geen gelden voor haar levensonderhoud
aan haar wilde verstrekken en van plan was snel te scheiden omdat hij met
zijn buitenechtelijke partner die terminaal ziek bleek te zijn, wilde
hertrouwen. In verband met deze achtergrond heeft verzoekster tegenover het
gerechtshof ook gesteld dat zij niet meent dat er (althans op het moment van
starten van de echtscheidingsprocedure door haarzelf) sprake is van duurzame
ontwrichting van haar huwelijk. Ten onrechte hield het gerechtshof op
generlei wijze rekening bij haar motiveringen met de door verzoekster
expliciet aangevoerde bijzondere omstandigheden, welke het noodzakelijk
maakten dat de beslissingen inzake de echtscheiding en de nevenvorderingen
niet losgekoppeld dienden te worden.

Hoge Raad:

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 4 december 1996 ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam
ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie – verder te noemen:
de vrouw – zich gewend tot die Rechtbank en verzocht echtscheiding tussen
haar en verweerder in cassatie – verder te noemen: de man – uit te spreken
met bepaling dat de man tot het levensonderhoud van de vrouw ƒ 2500 per maand
zal betalen. Voorts heeft zij verzocht te bepalen dat zij jegens de man
bevoegd zal zijn tot bewoning van de echtelijke woning alsmede tot het
gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken
gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking met
bepaling dat de man – zolang het voortgezet gebruik van de echtelijke woning
door de vrouw voortduurt – de hypothecaire lasten alsmede alle overige lasten
ten behoeve van dit pand voor zijn rekening zal nemen, zonder nadere
verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden. Daarnaast heeft de vrouw
verzocht partijen te veroordelen met elkander over te gaan tot verdeling van
de huwelijksgoederengemeenschap, althans tot verrekening op grond van de door
hen aangegane huwelijkse voorwaarden te geraken met benoeming van een notaris
en onzijdige personen als volgens de wet. Tevens heeft de vrouw verzocht haar
te belasten met de uitoefening van het gezag over het minderjarige kind van
partijen met bepaling dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van dat kind 750 per maand zal betalen.
De man heeft gesteld dat het ook zijn wens is dat de ontbinding van het
huwelijk door echtscheiding zal geschieden. maar verweer gevoerd tegen de
overige verzoeken van de vrouw.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 27 augustus 1997 de echtscheiding
tussen partijen uitgesproken, partijen bevolen met elkaar over te gaan tot
verdeling van de gemeenschap van goederen en bepaald de vrouw gedurende zes
maanden na inschrijving van de beschikking bevoegd zal zijn de bewoning van
de echtelijke woning voort te zetten. Met betrekking tot de uitkering tot
levensonderhoud van de vrouw heeft de Rechtbank iedere verdere beslissing
aangehouden.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te Amsterdam. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 2 april 1998 heeft het Hof, voor zover in cassatie van
belang, in het principaal appel de vrouw in de hoofdzaak (rekestnummer
744197) niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en in het
incidenteel appèl het verzoek van de man afgewezen en de beschikking van de
Rechtbank bekrachtigd voor zover aan zijn oordeel onderworpen.
(…)

2. Het geding in cassatie

(…)
De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot vernietiging van de
bestreden beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam, voor zover de vrouw
in de zaak met rekestnummer 744197 niet-ontvankelijk is verklaard in haar
hoger beroep, en tot verwijzing van de zaak naar dat hof ter verdere
behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3. 1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
(i) Met een op 4 december 1996 ter griffie van de Rechtbank ingekomen
verzoekschrift heeft de vrouw zich tot de Rechtbank gewend met het verzoek
om, voor zover in cassatie van belang, de echtscheiding tussen partijen uit
te spreken, te bepalen dat de man tot levensonderhoud van de vrouw ƒ 2500 per
maand zal betalen en dat zij jegens de man bevoegd zal zijn tot het
voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning en partijen te
veroordelen met elkander over te gaan tot verdeling van de
huwelijksgoederengemeenschap.
(ii) De man heeft gesteld dat het ook zijn wens is dat de ontbinding van het
huwelijk door echtscheiding zal geschieden, maar verweer gevoerd tegen de
overige verzoeken van de vrouw.
(iii) Op verzoek van de vrouw heeft de Rechtbank bij beschikking van 19
februari 1997 bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot
het gebruik van de echtelijke woning en dat de man ƒ 500 per maand zal
betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud. Bij beschikking
van 2 juli 1997 heeft de Rechtbank op een daartoe door de man gedaan
wijzigingsverzoek de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op nihil
gesteld.
(iv) De vrouw heeft zich ter terechtzitting van 13 augustus 1997 verzet tegen
een snelle echtscheiding zonder dat daarbij ook de financiële situatie van
partijen aan de orde is geweest en daaromtrent tegelijkertijd een beslissing
wordt gegeven. Zij heeft toen gesteld belang te hebben bij een zo lang
mogelijk voortgezet gebruik van de echtelijke woning, nu zij daarin haar
bedrijf, een schoonheidssalon, uitoefent. Dienaangaande heeft de Rechtbank
bij beschikking van 27 augustus 1997 overwogen dat het belang van de vrouw
ten aanzien van het zo lang mogelijk kunnen gebruiken van de echtelijke
woning geheel los staat van het verzoek tot echtscheiding dat, nu tussen
partijen vaststaat dat het huwelijk duurzaam ontwricht is, voor toewijzing
gereed ligt. Bij die beschikking heeft de Rechtbank de echtscheiding
uitgesproken, bevolen dat partijen met elkaar overgaan tot verdeling van de
gemeenschap van goederen (voorzover tussen hen bestand), bepaald dat de vrouw
jegens de man bevoegd zal zijn tot het voortgezet gebruik van de voormalige
echtelijke woning en de behandeling van de zaak omtrent de uitkering tot
levensonderhoud van de vrouw aangehouden.
(v) In hoger beroep heeft de vrouw verzocht de beschikking van de Rechtbank
te vernietigen voor wat betreft de uitgesproken echtscheiding. In haar
memorie van grieven heeft de vrouw gesteld dat zij recht en belang erbij
heeft dat de echtscheiding niet bij tussenbeschikking wordt uitgesproken,
doch eerst bij eindbeschikking, wanneer over de verdeling van de beperkte
gemeenschap van partijen en de alimentatie ten behoeve van de vrouw
definitief is beslist. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij haar bedrijf (een
schoonheidssalon) samen met haar dochter in de voormalige echtelijke woning
uitoefent en dat zij ernstig is gedupeerd wanneer zij na ommekomst van het
aan haar toegewezen voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning na
echtscheiding deze woning dient te verlaten. Bij pleidooi heeft de vrouw dit
betoog nader uitgewerkt en onder meer nog aangevoerd – zakelijk weergegeven –
dat zij in het kader van de verdeling van de gemeenschap van goederen de
voormalige echtelijke woning toebedeeld moet kunnen krijgen.
(vi) Het Hof heeft de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
Daartoe heeft het geoordeeld dat, nu het appèl van de vrouw zich richt tegen
de toewijzing van haar eigen inleidend verzoek waarbij zij heeft verzocht de
echtscheiding tussen partijen uit te spreken, de vrouw niet-ontvankelijk
dient te worden verklaard in haar hoger beroep, zulks bij gebreke van enig
rechtens te respecteren belang. Bijzondere omstandigheden die in casu tot een
andere slotsom zouden kunnen nopen. zijn niet aangevoerd of anderszins
aannemelijk geworden, aldus het Hof.

3.2. Het middel betoogt, naar de kern genomen dat het Hof op grond van de
door de vrouw voor het Hof aangevoerde bijzondere omstandigheden, hiervoor
vermeld in 3. 1 onder (v), tot het oordeel had moeten komen dat zij recht en
belang heeft bij een uitspraak inzake de echtscheiding tegelijkertijd met de
vaststelling van de nevenvoorziening inzake alimentatie. althans dat het Hof
zijn andersluidende oordeel onvoldoende, althans onbegrijpelijk, heeft
gemotiveerd.
Het middel faalt. Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat, indien eenmaal door
de eerste rechter de echtscheiding is uitgesproken, het hoger beroep slechts
op grond van door de echtgenoot die het instelt, aan te voeren bijzondere
omstandigheden kan worden gebezigd teneinde te bewerkstelligen dat de band
tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen wordt
hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken. ’s Hofs oordeel
dat de vrouw zodanige omstandigheden in het onderhavige geval niet heeft
aangevoerd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan,
verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet
verder op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of
onvoldoende gemotiveerd.
Anders dan door het middel kennelijk wordt aangenomen, vormen de door de
vrouw aangevoerde omstandigheden, hiervoor vermeld in 3. 1 onder (v), niet
zodanige bijzondere omstandigheden. Immers, de in art. 822, eerste lid.
onderdeel a, Rv. en art. 1: 165 lid 1 BW bedoelde maatregelen hebben geen
verdere strekking dan te voorzien in de moeilijkheden welke een
echtscheidingsprocedure kan meebrengen in verband met de huisvesting van de
echtgenoten en beïnvloeden de rechten van de echtgenoten niet verder dan het
doel van de maatregelen meebrengt (HR 11 maart 1977, nrs. 11071 en 11072, NJ
1978, 98). Met die beperkte strekking is niet te verenigen dat de vrouw door
het instellen van hoger beroep tegen de beschikking van de Rechtbank, voor
zover daarbij de echtscheiding was uitgesproken, en door te verzoeken dat
gelijktijdig over de echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen zal
worden beslist, tracht te bewerkstelligen dat voormelde voorlopige
voorziening ter zake van het gebruik van de echtelijke woning voorshands haar
kracht behoudt teneinde aldus te bereiken dat zij de echtelijke woning
voorshands als bedrijfsruimte kan blijven gebruiken om zo in haar
levensonderhoud te voorzien.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs. martens, Neleman, Heemsker, Herrmann, De Savornin Lohman; A-G Hartkamp