Instantie: Rechtbank Arnhem, 6 april 1999

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Eiseres is verstandelijk en motorisch gehandicapt en de zes jaar jongere
zus van gedaagde. Zij heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door
gedaagde in de periode 1984-1988. Voor de ontuchtige handelingen gedurende
juli 1988 tot en met december 1988 is gedaagde door het Gerechtshof te
Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan
acht maanden voorwaardelijk. Gedaagde ontkent deze bewezen verklaarde strafbare
feiten en heeft cassatie ingesteld. De ontuchtige handelingen gepleegd
in de periode vóór juli 1988 heeft gedaagde tijdens het strafrechtelijk
onderzoek erkend, deze zijn echter strafrechtelijk verjaard. Eiseres vordert
in kort geding een voorschot van ƒ 25.000 op de door haar geleden materiële
en immateriële schade. Omdat eiseres door haar handicap de vermogens mist
zich te weer te stellen, is zij verhoogd kwetsbaar. De president acht het
aannemelijk dat het misbruik en de nasleep van de aangifte en de strafrechtelijke
procedures diep hebben ingegrepen in het gevoelsleven van eiseres. Een
en ander is extra schrijnend nu voor eiseres op dit moment een deugdelijke
therapie ontbreekt. Het standpunt van gedaagde komt er op neer dat gezien
diens huidige diverse schulden, eiseres voorlopig niet hoeft te rekenen
op een schadevergoeding. Daarmee miskent gedaagde de in artikel 3:277 BW
verankerde gelijkheid van de schuldeisers. Van gedaagde mag worden verlangd
dat hij zijn schuld aan eiseres in een totale afbetalingsregeling opneemt.
De vordering wordt toegewezen.

Volledige tekst

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Eiseres heeft gedaagde ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden
en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.
Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.
De raadslieden van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door
hen overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben zij over en weer produkties
in het geding gebracht. Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen
van vonnis overgelegd.

2. DE FEITEN

Eiseres (thans 22 jaar oud) is een zus van gedaagde (thans 28 jaar oud).
Op 15 mei 1996 heeft zij aangifte gedaan van seksueel misbruik door gedaagde
in de periode 1984-1988.
Voor ontuchtige handelingen in de periode juli 1988 tot en met december
1988 is gedaagde veroordeeld door de Rechtbank te Arnhem op 21 mei 1997
en het Gerechtshof te Arnhem op 23 november 1998, laatstelijk tot een gevangenisstraf
van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van
2 jaar met aftrek van voorarrest. Gedaagde heeft cassatie ingesteld bij
de Hoge Raad. De cassatieprocedure loopt nog. Gedaagde ontkent de bewezen
verklaarde strafbare feiten te hebben gepleegd.
Ten aanzien van de periode vóór juli 1988, die strafrechtelijk zijn verjaard,
heeft gedaagde tijdens het strafrechtelijk onderzoek erkend ontuchtige
handelingen met eiseres te hebben gepleegd.

3. DE VORDERING

3.1. Eiseres vordert, kort gezegd, betaling van een voorschot op schadevergoeding
van ƒ 25.000, te vermeerderen met wettelijke rente. Eiseres stelt dat het
door gedaagde gepleegde seksueel misbruik onrechtmatig jegens haar is en
dat deze haar veel schade heeft berokkend. Eiseres begroot de schade op
ƒ 30.000 wegens immateriële schade en op ƒ 11.732,16 wegens materiële kosten,
waarvan ƒ 840 wegens therapiekosten, ƒ 980 wegens reiskosten en ƒ 9.912,16
wegens preprocessuele kosten, te vermeerderen met wettelijke rente. Eiseres
stelt een spoedeisend belang bij het voorschot te hebben.

3.2. Gedaagde voert gemotiveerd verweer.

4. DE MOTIVERING VAN DE BESLISSING

4.1. Op grond van de bekennende verklaringen van gedaagde in het strafrechtelijk
onderzoek -waarop gedaagde in dit kort geding niet met zoveel woorden is
teruggekomen- is voldoende aannemelijk dat gedaagde eiseres seksueel heeft
misbruikt in de periode vóór juli 1988, hetgeen onrechtmatig is.
Wat de periode ná juli 1988 betreft is gedaagde strafrechtelijk veroordeeld
zoals hiervoor onder de feiten weergegeven. Weliswaar betwist gedaagde
tot op heden de in de strafvonnissen bewezen verklaarde strafbare feiten
gepleegd te hebben, maar op grond van deze vonnissen is voldoende aannemelijk
dat gedaagde eiseres ook in de laatste periode seksueel heeft misbruikt,
hetgeen onrechtmatig is.
Voor de door eiseres geleden en te lijden schade tengevolge van het seksueel
misbruik is gedaagde aansprakelijk.

4.2. Dat eiseres door het seksueel misbruik van gedaagde schade heeft geleden
is zonder meer aannemelijk. Gedaagde heeft dat als zodanig ook niet betwist.
Gedaagde betwist wel de hoogte van de door eiseres gestelde schade.
De exacte hoogte van de door eiseres geleden schade valt in dit kort geding
niet vast testellen. Hierover zal de rechtbank te zijner tijd een definitieve
beslissing moeten nemen. Vooruitlopend daarop wordt overwogen als volgt.

4.2.1. Eiseres begroot de immateriële schade thans op ƒ 30. 000. Eiseres
is van jongsaf verstandelijk en motorisch gehandicapt en daardoor verhoogd
kwetsbaar, omdat zij de vermogens mist om zich te weer te stellen. Het
is aannemelijk dat het seksueel misbruik en de nasleep van de aangifte
en de strafrechtelijke procedures diep hebben ingegrepen in het gevoelsleven
van eiseres. Een en ander is extra schrijnend nu voor eiseres op dit moment
een deugdelijke therapie ontbreekt. Het is daarom zeer waarschijnlijk dat
in een bodemprocedure een substantieel bedrag toewijsbaar wordt geoordeeld.

4.2.2. Met betrekking tot de materiële schade heeft gedaagde in het bijzonder
bezwaar gemaakt tegen de opgevoerde preprocessuele kosten van ƒ 9.912,16.
De hoogte van dit bedrag is als zodanig niet betwist, maar volgens gedaagde
had eiseres een toevoeging kunnen en moeten aanvragen om haar schade te
beperken. De omstandigheid dat eiseres in de preprocessuele fase geen toevoeging
heeft aangevraagd is een keuze die eiseres regardeert en is geen reden
om deze kosten nu voor haar eigen rekening te laten. Maar zelfs als eiseres
wel eerder een toevoeging zou hebben gehad, is daarmee niet gezegd dat
deze de kosten van rechtsbijstand volledig zou dekken.
De hoogte van de overige posten zoals hiervoor sub 3. 1. weergegeven heeft
eiseres voldoende aannemelijk gemaakt.

4.3. Gelet op hetgeen hiervoor sub 4.2. is overwogen is het zeer waarschijnlijk
dat de bodemrechter tenminste het thans in dit kort geding gevorderde bedrag
wegens materiële en immateriële schade zal toewijzen.

4.4. Gedaagde stelt niet in staat te zijn om het thans gevorderde voorschotbedrag
of een deel daarvan te betalen, ook niet in termijnen. Gedaagde heeft een
onregelmatig inkomen uit uitzendwerk, waarbij zijn lichamelijke gesteldheid
– gedaagde heeft nekklachten waarvoor hij operatief is behandeld en opnieuw
behandeld zal worden – zijn inzetbaarheid beperken. Gedaagde beschikt verder
niet over vermogensgoederen. Gedaagde heeft een schuldenlast van in totaal
ƒ 75.814, waarvan de schuld aan de ABN-Bank het grootst is. Over
deze schuld is met de bank een betalingsregeling getroffen. Op de schulden
aan Visa ad ƒ 6.860, Wehkamp ad ƒ 4.580 en Finata ad ƒ 8.760 wordt maandelijks
een bedrag door gedaagde betaald. Daarnaast wijst gedaagde op zijn maandelijkse
huurlasten. Gedaagde benadrukt voorts dat zijn partner met wie hij samenwoont
eveneens schulden heeft en hem niet financieel kan bijstaan.

4.5. Welbeschouwd komt het standpunt van gedaagde er op neer dat eiseres
voorlopig niet hoeft te rekenen op enige geldelijke vergoeding van de door
hem veroorzaakte schade, omdat dát de voldoening van de huidige schulden
aan onder meer Visa, Wehkamp en Finata zal bemoeilijken c.q. onmogelijk
maken. Daarmee miskent gedaagde de in artikel 3:277 BW verankerde gelijkheid
van de schuldeisers. Van gedaagde mag worden verlangd dat hij zijn schuld
aan eiseres in een totale (afbetalings)regeling opneemt. Niet gezegd kan
worden dat deze schadevergoeding overeenkomstig artikel 6:109 lid 1 BW
tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zal leiden. Onder deze omstandigheden
is er geen aanleiding het gevorderde voorschot te matigen. De vordering
zal daarom integraal worden toegewezen.

4.6. Als de in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde in de kosten van
dit kort geding worden verwezen.

5. DE BESLISSING

De president

5.1. veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een bedrag ad ƒ
25.000 (vijfentwintigduizend gulden), wegens voorschot op de door eiseres
geleden materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke
rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan die van algehele voldoening,

5.2.veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van
eiser bepaald op ƒ 2.156,68, waarvan te betalen aan de griffier van deze
rechtbank (op postbankrekening no.935462 ten name van Gerecht 533 arrondissement
Arnhem)
a. ƒ 1.550.voor salaris,
b. ƒ 166,68 voor in debet gestelde exploitkosten,
c. ƒ 330 voor in debet gesteld griffierecht
en het restant ad ƒ 110 aan de procureur van eiseres wegens het eigen aandeel
in het griffierecht,

5.3.verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. Steeg

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 6 april 1999

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Appellante heeft een verzekering afgesloten in de vorm van een beleggingsplan
tbv haar pensioenvoorziening. Als deze tussentijds zou worden afgekocht, zou
zij ruim ƒ 15.000 ontvangen. De gemeente merkt dit bedrag aan als vermogen in
het kader van de ABW. De Centrale Raad van Beroep stelt de gemeente in het
gelijk door te oordelen dat afkoop redelijkerwijs van appellante kan worden
gevorderd. Het beleid van de gemeente dat met 1½ maal de bijstandsnorm
ingeteerd wordt op het vermogen, is eveneens redelijk.

Volledige tekst

I ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellante heeft op bij beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Middelburg op
21 januari 1997 (geding 1) en op 28 augustus 1997 (geding II) tussen partijen
gewezen uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij faxberichten van 19 en 28 augustus 1997 heeft appellante in geding nadere
stukken ingediend.
Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 23 februari 1999, waar
appellant in persoon aanwezig was en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door A.v.d. Giessen, werkzaam bij gedaagdes gemeente.

II MOTIVERING

Appellante heeft op 2 januari 1996 een aanvraag ingediend om in aanmerking te
komen voor een bijstandsuitkering zulks in verband met het bereiken per 31
december 1995 van de maximale uitkeringsduur van de haar toegekende uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet.
Bij besluit van 4 (lees 9) januari 1996 is als volgt afwijzend op haar
aanvraag beslist:
‘In onze vergadering van 9 januari 1996 hebben wij besloten om u geen
bijstand te verlenen op grond van artikel 52n ABW
U hebt aan vermogen wat u ten gelde kunt maken een bedrag van ƒ 15.370,69.
Het vrij te laten bescheiden vermogen voor een alleenstaande bedraagt ƒ
9.300.
Hetgeen u teveel aan eigen vermogen hebt dient u op een verantwoorde wijze in
te teren. In uw geval betekent dit dat u ongeveer 1,5 maal de voor u geldende
bijstandsnorm kunt besteden per maand alvorens u wederom een
bijstandsaanvraag kunt indienen.’
Appellantes bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 12 april 1996
ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de artikelen 51 tot en met 54 van
de Algemene bijstandswet (ABW) is haar vermogen vastgesteld op ƒ 15.370,69.
Bij die vaststelling is de pensioenvoorziening die te gelde gemaakt kan
worden meegerekend. De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 januari 1997
appellantes beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Op 12 april 1996 heeft appellante een tweede bijstandsaanvraag ingediend.
Gedaagde heeft bij besluit van 23 mei 1996 beslist dat appellante – die in
het bezit is van een eigen woning – met ingang van 17 april 1996 in
aanmerking komt voor bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van
een krediethypotheek.
Bij besluit van 6 juni 1996 is – na taxatie van de woning – het maximum
bedrag van de geldlening vastgesteld op ƒ 26.656,17. Op 25 juli 1996 heeft
nogmaals een taxatie van de woning plaatsgevonden.
Bij besluit van 14 oktober 1996 heeft gedaagde de bezwaren van appellante
tegen de besluiten van 23 mei 1996 en 6 juni 1996 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 augustus 1997 appellantes beroep
tegen het besluit van 14 oktober 1996 eveneens ongegrond verklaard.

I. Bestreden besluit van 12 april 1996
Naar aanleiding van appellantes aanvraag van 2 januari 1996 is haar vermogen
vastgesteld. Daarbij is meegerekend de waarde van haar bij de Postbank
gekochte effecten, te weten ƒ 3.601,06 en de waarde ad ƒ 6.211,39 van de door
haar in 1990 bij Reaal Levensverzekering NV afgesloten verzekering in de vorm
van een beleggingsspaarplan, zulks bij wijze van pensioenvoorziening.
Appellante heeft bezwaar tegen het meeberekenen bij de vaststelling van het
eigen vermogen van de afkoopwaarde van de pensioenverzekering. Zij heeft
daartoe aangevoerd dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de
verzekering gedurende de eerste twaalf jaar niet kon worden afgekocht; voorts
vindt zij het onredelijk dat zij als het ware voor haar spaarzin wordt
gestraft.
Artikel 7, eerste lid, van de ABW bepaalt dat aan iedere Nederlander, die
hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken, dat
hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het
bestaan te voorzien, bijstand wordt verleend door burgemeester en wethouders.
Tot die middelen behoren ook de vermogensbestanddelen van de aanvrager in de
zin van artikel 51 van de ABW, te weten de waarde van de bezittingen waarover
de betrokkene bij aanvang van de bijstandsverlening beschikt of al
redelijkerwijs kan beschikken. Van het vastgestelde vermogen blijft ingevolge
artikel 54, eerste lid, onder a, van de ABW ten tijde van belang ƒ 9.300
buiten beschouwing.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 april
1996, nr 95/7042 ABW, vormt de afkoopwaarde van verzekeringen als hier aan de
orde vermogen waarover de betrokkene kan beschikken. De Raad heeft voorts in
hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond gezien om te oordelen dat,
bezien vanuit het oogpunt van de ABW, het afkopen van de betreffende
verzekering redelijkerwijs niet van appellante zou kunnen worden gevergd.
Daarbij is van belang dat aan de ABW en de daarop gebaseerde regelgeving het
beginsel ten grondslag ligt dat een betrokkene in de eerste plaats zelf
verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan.
Gelet op het vorenstaande kan de Raad slechts concluderen dat het vermogen
van appellante het vrij te laten vermogen ruimschoots overschrijdt, zodat
gedaagde terecht afwijzend heeft beslist op appellantes aanvraag van 2
januari 1996.
De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

II. bestreden besluit van 14 oktober 1996
Appellantes bezwaren tegen dit besluit houden (kort weergegeven) het volgende
in dat:
– ten onrechte haar bijstandsuitkering is toegekend per 17 april 1996 in
plaats van per datum aanvraag, 12 april 1996;
– haar woning te hoog is getaxeerd, waardoor zij een te hoge lening moet
accepteren; appellante is van mening dat de woning op ƒ 49.000, de
taxatiewaarde ingevolge de onroerendzaaksbelasting per 1 januari 1991.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellante op 12 april 1996 de beschikking
had over een direct opeisbaar vermogen van ƒ 9.649,44, dus een overschrijding
van het vrij te laten vermogen (ƒ 9.300) van ƒ 349,44. Gedaagde heeft het
interen van dit bedrag berekend op vijf dagen, zulks conform het vaste beleid
dat wordt ingeteerd met 1,5 maal de bijstandsnorm.
De Raad acht dit beleid en de door gedaagde hieraan gegeven uitvoering niet
onredelijk en ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd, geen aanleiding om
het bestreden besluit, voor zover betreffende de ingangsdatum van 17 april
1996, niet in stand te laten.
De Raad onderschrijft voorts niet appellantes bezwaar tegen de – in haar ogen
te hoge – taxatie van haar woning. Uit de gedingstukken blijkt dat de woning
eerst in overleg met appellante is getaxeerd door Westeinde Vastgoed te Goes,
waarbij de waarde is bepaald op ƒ 96.000.
Na appellantes bezwaar heeft gedaagde de woning nogmaals doen taxeren, nu
door Taxatie en adviesbureau Geschiere-Josiasse te Middelburg; de waarde is
bepaald op ƒ 108.000. Gedaagde heeft conform artikel 2, tweede en derde lid,
van het Besluit krediethypotheek bijstand de taxaties doen verrichten door
een beëdigd taxateur voor onroerende zaken en is ondanks de hogere hertaxatie
uitgegaan van het eerstvastgestelde bedrag van ƒ 96.000.
Weliswaar is de waarde van de woning voor de onroerendzaaksbelasting bepaald
op ƒ 49.000. doch deze taxatie werd vastgesteld per 1 januari 1991, terwijl
in dit geding moet worden uitgegaan van de waarde per april 1996.
Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat gedaagde de taxatie van
appellantes woning terecht op het bedrag van ƒ 96.000 heeft vastgesteld,
zodat het bestreden besluit ook met betrekking tot dit onderdeel in stand kan
blijven.
De aangevallen uitspraak dient op grond van al het vorenoverwogene te worden
bevestigd. De Raad heeft geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8.75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Rechters

Mrs. Kasdorp, De Vrey en Van Sloten

Instantie: President rechtbank Arnhem, 6 april 1999

Instantie

President rechtbank Arnhem

Samenvatting


Eiseres, verstandelijk en motorisch gehandicapt, is seksueel misbruikt door
haar broer. Hij is strafrechtelijk veroordeeld voor misbruik gepleegd in de
periode juli tot december 1988. Tegen dit vonnis loopt een cassatieprocedure.
Gedaagde erkent misbruik te hebben gepleegd in de periode vóór juli 1988,
welke feiten strafrechtelijk zijn verjaard. Hij ontkent ontuchtige
handelingen te hebben gepleegd in de periode juli tot december 1988. Eiseres
vordert ƒ 25.000 als voorschot schadevergoeding. De totale schade is begroot
op ƒ 61.000. De president wijst de vordering toe.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagde ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en
bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.
Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.
De raadslieden van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen
overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben zij over en weer produkties in het
geding gebracht. Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis
overgelegd.

2. De feiten

Eiseres (thans 22 jaar oud) is een zus van gedaagde (thans 28 jaar oud). Op
15 mei 1996 heeft zij aangifte gedaan van seksueel misbruik door gedaagde in
de periode 1984-1988. Voor ontuchtige handelingen in de periode juli 1988 tot
en met december 1988 is gedaagde veroordeeld door de Rechtbank te Arnhem op
21 mei 1997 en het Gerechtshof te Arnhem op 23 november 1998, laatstelijk tot
een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een
proeftijd van 2 jaar met aftrek van voorarrest. Gedaagde heeft cassatie
ingesteld bij de Hoge Raad. De cassatieprocedure loopt nog. Gedaagde ontkent
de bewezen verklaarde strafbare feiten te hebben gepleegd. Ten aanzien van de
periode vóór juli 1988, die strafrechtelijk zijn verjaard, heeft gedaagde
tijdens het strafrechtelijk onderzoek erkend ontuchtige handelingen met
eiseres te hebben gepleegd.

3. De vordering

3.1. Eiseres vordert, kort gezegd, betaling van een voorschot op
schadevergoeding van ƒ 25.000, te vermeerderen met wettelijke rente. Eiseres
stelt dat het door gedaagde gepleegde seksueel misbruik onrechtmatig jegens
haar is en dat deze haar veel schade heeft berokkend. Eiseres begroot de
schade en op ƒ 11.732,16 wegens materiële kosten, waarvan ƒ 840 wegens
therapiekosten, ƒ 980 wegens reiskosten en ƒ 9.912,16 wegens preprocessuele
kosten, te vermeerderen met wettelijke rente. Eiseres stelt een spoedeisend
belang bij het voorschot te hebben.

3.2. Gedaagde voert gemotiveerd verweer.

4. De motivering van de beslissing

4.1. Op grond van de bekennende verklaringen van gedaagde in het
strafrechtelijk onderzoek -waarop gedaagde in dit kort geding niet met zoveel
woorden is teruggekomen- is voldoende aannemelijk dat gedaagde eiseres
seksueel heeft misbruikt in de periode vóór juli 1988, hetgeen onrechtmatig
is. Wat de periode ná juli 1988 betreft is gedaagde strafrechtelijk
veroordeeld zoals hiervoor onder de feiten weergegeven. Weliswaar betwist
gedaagde tot op heden de in de strafvonnissen bewezen verklaarde strafbare
feiten gepleegd te hebben, maar op grond van deze vonnissen is voldoende
aannemelijk dat gedaagde eiseres ook in de laatste periode seksueel heeft
misbruikt, hetgeen onrechtmatig is. Voor de door eiseres geleden en te lijden
schade tengevolge van het seksueel misbruik is gedaagde aansprakelijk.

4.2. Dat eiseres door het seksueel misbruik van gedaagde schade heeft geleden
is zonder meer aannemelijk. Gedaagde heeft dat als zodanig ook niet betwist.
Gedaagde betwist wel de hoogte van de door eiseres gestelde schade. De exacte
hoogte van de door eiseres geleden schade valt in dit kort geding niet vast
te stellen. Hierover zal de rechtbank te zijner tijd een definitieve
beslissing moeten nemen. Vooruitlopend daarop wordt overwogen als volgt.

4.2.1. Eiseres begroot de immateriële schade thans op ƒ 30.000, -. Eiseres is
van jongsaf verstandelijk en motorisch gehandicapt en daardoor verhoogd
kwetsbaar, omdat zij de vermogens mist om zich te weer te stellen. Het is
aannemelijk dat het seksueel misbruik en de nasleep van de aangifte en de
strafrechtelijke procedures diep hebben ingegrepen in het gevoelsleven van
eiseres. Een en ander is extra schrijnend nu voor eiseres op dit moment een
deugdelijke therapie ontbreekt. Het is daarom zeer waarschijnlijk dat in een
bodemprocedure een substantieel bedrag toewijsbaar wordt geoordeeld.

4.2.2. Met betrekking tot de materiële schade heeft gedaagde in het bijzonder
bezwaar gemaakt tegen de opgevoerde preprocessuele kosten van ƒ 9.912,16. De
hoogte van dit bedrag is als zodanig niet betwist, maar volgens gedaagde had
eiseres een toevoeging kunnen en moeten aanvragen om haar schade te beperken.
De omstandigheid dat eiseres in de preprocessuele fase geen toevoeging heeft
aangevraagd is een keuze die eiseres regardeert en is geen reden om deze
kosten nu voor haar eigen rekening te laten. Maar zelfs als eiseres wel
eerder een toevoeging zou hebben gehad, is daarmee niet gezegd dat deze de
kosten van rechtsbijstand volledig zou dekken. De hoogte van de overige
posten zoals hiervoor sub 3.1. weergegeven heeft eiseres voldoende
aannemelijk gemaakt.

4.3. Gelet op hetgeen hiervoor sub 4.2. is overwogen is het zeer
waarschijnlijk dat de bodemrechter tenminste het thans in dit kort geding
gevorderde bedrag wegens materiële en immateriële schade zal toewijzen.

4.4. Gedaagde stelt niet in staat te zijn om het thans gevorderde
voorschotbedrag of een deel daarvan te betalen, ook niet in termijnen.
Gedaagde heeft een onrechtmatig inkomen uit uitzendwerk, waarbij zijn
lichamelijke gesteldheid – gedaagde heeft nekklachten waarvoor hij operatief
is behandeld en opnieuw behandeld zal worden – zijn inzetbaarheid beperken.
Gedaagde beschikt verder niet over vermogensgoederen. Gedaagde heeft een
schuldenlast van in totaal ƒ 75.814, waarvan de schuld aan de ABN-Bank het
grootst is. Over deze schuld is met de bank een betalingsregeling getroffen.
Op de schulden aan Visa ad ƒ 6.860, Wehkamp ad ƒ 4.580 en Finata ad ƒ 8.760
wordt maandelijks een bedrag door gedaagde betaald. Daarnaast wijst gedaagde
op zijn maandelijkse huurlasten. Gedaagde benadrukt voorts dat zijn partner
met wie hij samenwoont eveneens schulden heeft en hem niet financieel kan
bijstaan.

4.5. Welbeschouwd komt het standpunt van gedaagde er op neer dat eiseres
voorlopig niet hoeft te rekenen op enige geldelijke vergoeding van de door
hem veroorzaakte schade, omdat dat de voldoening van de huidige schulden aan
onder meer Visa, Wehkamp en Finata zal bemoeilijken c.q. onmogelijk maken.
Daarmee miskent gedaagde de in artikel 3:277 BW verankerde gelijkheid van de
schuldeisers. Van gedaagde mag worden verlangd dat hij zijn schuld aan
eiseres in een totale (afbetalings)regeling opneemt. Niet gezegd kan worden
dat deze schadevergoeding overeenkomstig artikel 6:109 lid 1 BW tot kennelijk
onaanvaardbare gevolgen zal leiden. Onder deze omstandigheden is er geen
aanleiding het gevorderde voorschot te matigen. De vordering zal daarom
integraal worden toegewezen.

4.6. Als de in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde in de kosten van dit
kort geding worden verwezen.

5. De beslissing

De president

5.1. veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een bedrag ad ƒ 25.000
(vijfentwintigduizend gulden), wegens voorschot op de door eiseres geleden
materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de
dag van dagvaarding tot aan die van algehele voldoening,

5.2. veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van
eiser bepaald op ƒ 2.156,68, waarvan te betalen aan de griffier van deze
rechtbank (op postbankrekening no. 935462 ten name van Gerecht 533
arrondissement Arnhem)
a. ƒ 1.550 voor salaris,
b. ƒ 166,68 voor in debet gestelde exploitkosten,
c. ƒ 330 voor in debet gesteld griffierecht en het restant ad ƒ 110 aan de
procureur van eiseres wegens het eigen aandeel in het griffierecht,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. Lebens de Mug

Instantie: Rechtbank Haarlem, 2 april 1999

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Verzoekster, een Iraanse vluchtelinge, dient een tweede asielverzoek in –
geruime tijd na afwijzing van de voorlopige voorziening in de eerste
procedure – waarin het vluchtverhaal sterk afwijkt van haar eerdere relaas.
In haar latere relaas stelt zij o.a. na arrestatie te zijn mishandeld en
verkracht. Het bezwaar tegen afwijzing van haar verzoek wordt ongegrond
verklaard. De rechtbank neemt, op grond van medische verklaringen, aan dat
verzoekster aan een posttraumatische stressstoornis leidt. Bij de beoordeling
van de verklaringen van eiseres voor de ingrijpende bijstelling van haar
relaas moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat het trauma al
bij binnenkomst in Nederland aanwezig was. Dat eiseres ook eerder met het
latere relaas had kunnen komen, is op zichzelf genomen niet voldoende reden
het relaas reeds op voorhand niet aannemelijk te achten. Tegen deze
achtergrond is het asielverhaal, zoals dat nu naar voren wordt gebracht, niet
onaannemelijk. Daarbij is onder meer van belang dat in de cultuur van eiseres
moeilijk over seksueel geweld gepraat kan worden, de angst van eiseres voor
verstoting door haar echtgenoot als gevolg van het seksueel misbruik, de
consistentie van haar tweede verklaring en de aard van het relaas over het
ondergane seksueel misbruik. Het beroep is gegrond.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Eiseres, geboren op (…) 1969, heeft de Iraanse nationaliteit. Zij
verblijft sedert 14 juli 1994 in Nederland. Op 15 juli 1994 heeft zij tezamen
met haar echtgenoot en minderjarigen kinderen aanvragen ingediend om
toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf
wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij beschikking van 31
augustus 1994, aan eiseres uitgereikt op 2 september 1994, heeft verweerder
de desbetreffende aanvragen niet ingewilligd. De aanvraag om toelating als
vluchteling is niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid. Eiseres
heeft op 23 september 1994 tegen deze beschikking een bezwaarschrift
ingediend. Op grond van artikel 32, eerste lid, Vw heeft verweerder bepaald
dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet
achterwege zal blijven.

1.2 Bij verzoekschrift van 27 september 1994 heeft eiseres de president van
de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot
schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te
laten, totdat op het bezwaarschrift is beslist.

1.3 Bij uitspraak van 2 februari 1996 met nummer AWB 94/4208 VRWET H heeft de
fungerend president van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, het
verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens is het bezwaar met
toepassing van artikel 33b Vw ongegrond verklaard.

1.4 Op 18 december 1996 heeft eiseres hernieuwde aanvragen ingediend om
toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf
wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

1.5 Bij beschikking van 28 oktober 1997, aan eiseres uitgereikt op 19
november 1997, heeft verweerder de desbetreffende aanvragen niet ingewilligd.
De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens
kennelijke ongegrondheid. Eiseres heeft op 20 november 1997 tegen deze
beschikking een bezwaarschrift ingediend.

1.6 Verweerder heeft bij beschikking van 8 mei 1998 het bezwaarschrift
kennelijk ongegrond verklaard. Voorts heeft verweerder eiseres in het bezit
gesteld van een vergunning tot verblijf onder de beperking ‘voor medische
behandeling’.

1.7 Bij beroepschrift van 4 juni 1998 heeft eiseres tegen deze laatste
beschikking beroep ingesteld bij deze rechtbank. Verweerder heeft de op de
zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift
geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.8 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 23
februari 1999. Ter zitting hebben eiseres en verweerder bij monde van hun
gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Eiseres is in verband met
haar psychische toestand niet in persoon verschenen.

II Overwegingen

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van
het bezwaarschrift in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of
dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan
doorstaan.

De onderbouwing van de aanvragen

2.2 Eiseres heeft, anders dan bij haar eerste aanvraag, thans verklaard dat
zij in de zomer van 1987 in Iran politiek actief is geworden voor de
Mujaheddin. Zij onderhield contact met de eveneens politiek actieve C.
Eiseres heeft pamfletten en posters van Mujaheddin-leiders opgeplakt, later
heeft zij ook pamfletten geschreven, gekopieerd en verspreid. Ook heeft
eiseres leden geworven voor de partij. Na een bomaanslag in Mashhad op 20
juni 1994 is de overheid begonnen met de arrestatie van verdachten. Eiseres
is gearresteerd en meegenomen voor verhoor. Bij dit verhoor is zij ernstig
mishandeld en verkracht. Eiseres was op dat moment acht maanden zwanger.
Uiteindelijk heeft zij de namen en adressen van twee van haar vriendinnen
gegeven. Toen eiseres de naam van haar zwager noemde (deze bekleedt een hoge
positie binnen de Sepah Pasdaran) stopte het verhoor en verscheen haar
zwager. Na nog een naam te hebben moeten geven, werd eiseres enkele uren
later vrijgelaten. Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet zou zijn
vrijgelaten, wanneer zij de naam niet had gegeven. Eiseres werd nog in
detentie gedwongen ter plekke telefonisch een afspraak te maken met de vrouw
wier naam zij had genoemd. Bij terugkeer naar Iran vreest eiseres te worden
geëxecuteerd/vermoord. Als gevolg van het gebeurde heeft eiseres ernstige
psychische problemen. Zij is suïcidaal. Eiseres heeft het bovenstaande ten
tijde van de eerste asielaanvraag niet verteld omdat zij de tolk niet
vertrouwde. Daarnaast wist haar man niets van hetgeen haar was overkomen.

2.3 In bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat wel degelijk verband bestaat
tussen hetgeen zij in Iran heeft meegemaakt en de psychische toestand waarin
zij zich bevindt. Dit blijkt ook uit de brief van het RIAGG, van 10 oktober
1996 waarin wordt geconstateerd dat eiseres lijdt aan een posttraumatische
stress-stoornis (PTSS). Samen met hetgeen door de behandeld psychiater is
verklaard, is de uitleg van eiseres waarom zij niet eerder melding heeft
gemaakt van haar activiteiten plausibel, zodat niet valt in te zien waarom
verweerder hiermee geen rekening heeft gehouden. Daarbij blijkt uit het
rapport van het eerste nader gehoor dat niet gevraagd is naar de details
betreffende de arrestatie, de detentie en de mishandeling. Het kan eiseres
dan ook niet worden verweten dat zij dit nu pas naarvoren brengt. Voorts is
eiseres van mening dat voldoende objectief verifieerbare informatie
voorhanden is om aannemelijk te achten dat zij seksueel is misbruikt door
leden van de Sepah Pasdaran.

De bestreden beschikking en de standpunten van partijen

2.4 Verweerder heeft in de bestreden beschikking overwogen dat eiseres geen
afdoende uitleg heeft gegeven voor het feit dat zij tijdens haar tweede
asielprocedure geheel andere verklaringen heeft afgelegd. Geen betekenis kan
worden toegekend aan de verklaring dat zij de tolk niet vertrouwde, nu niet
valt in te zien waarom zij dit wantrouwen niet in een latere fase van de
eerste procedure kenbaar had kunnen maken. Indien eiseres moet worden gevolgd
in haar uitleg dat zij zich vanwege de gestelde verkrachting voor haar
echtgenoot zou hebben geschaamd, is niet in te zien waarom zij in haar eerste
asielprocedure niet zou hebben kunnen verhalen over haar activiteiten voor de
Mujaheddin. Dit geldt temeer nu zij de Mujaheddin wel bij haar eerste
aanvraag heeft genoemd. Verweerder acht het asielrelaas van eiseres volstrekt
ongeloofwaardig, mede omdat eiseres een reeks tegenstrijdige verklaringen
heeft afgelegd. Aan de overgelegde dagvaarding wordt geen waarde gehecht,
aangezien het adres niet overeen komt met het adres dat eiseres aan de
contact-ambtenaar heeft opgegeven. Evenmin wordt betekenis toegekend aan de
brief van de Iraanse Vluchtelingen Zelforganisatie (IVZO). Hieruit kan immers
niet worden opgemaakt hoe IVZO aan de in de brief verstrekte informatie is
gekomen, zodat niet is uitgesloten dat de brief is opgesteld op aanwijzingen
van eiseres en haar echtgenoot. Nu de verklaringen van eiseres met betrekking
tot hetgeen haar is overkomen in Iran niet geloofwaardig zijn, kan een
causaal verband tussen de psychische klachten van eiseres en de beweerdelijke
gebeurtenissen in Iran niet worden aangenomen.

2.5 Namens eiseres is in de gronden van beroep betoogd dat verweerder voorbij
gaat aan de conclusies van de psychiater zoals die in de bezwaarprocedure
naar voren zijn gebracht. Zoals blijkt uit de tweede asielprocedure, geeft de
omstandigheid dat de echtgenoot van eiseres niet op de hoogte mocht worden
gesteld van het seksueel misbruik als gevolg van het feit dat zij actief was
voor de Mujaheddin aan waarom eiseres in de eerste procedure niet de waarheid
sprak. In de eerste procedure werd eiseres niet bijgestaan door een
psychiater/psychotherapeut die haar het vertrouwen en de kracht wist te geven
om de ware toedracht van haar vlucht te vertellen. De moeizame manier waarop
het nader gehoor in de tweede asielprocedure plaatsvond – eiseres moest
worden bijgestaan door haar psychotherapeut en haar hartsvriendin – geeft aan
dat eiseres grote weerstanden moest overwinnen om haar verhaal te doen. Voor
de afwijkende verklaringen is dus een plausibele en verschoonbare reden
aanwezig. Verweerder heeft daarom niet kunnen concluderen dat het bezwaar
kennelijk ongegrond was. Eiseres stelt zich op het standpunt vluchteling te
zijn, dan wel ten minste in aanmerking te komen voor een vtv op grond van het
traumatabeleid.

2.6 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals weergegeven in het
zich bij de stukken bevindende verweerschrift en ter zitting zijn ingenomen
standpunt gehandhaafd.

Wettelijk kader

2.7 Eiseres legt aan de aanvragen en het onderhavige beroep ten grondslag dat
zij in aanmerking komt voortoelating in Nederland als vluchteling dan wel
wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

2.8 Ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw wordt een
aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de kennelijke
ongegrondheid ervan, onder meer indien zij is gegrond op omstandigheden ten
tijde van de bestreden beschikking die, hetzij op zichzelf of in verband met
andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat
rechtsgrond voor toelating kon bestaan.

2.9 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning
tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.

2.10 Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en
werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid
een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen – behoudens verplichtingen
voortvloeiende uit internationale overeenkomsten – slechts voor verlening van
een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun verblijf hier
te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is
van klemmende redenen van humanitaire aard.

Beoordeling van het beroep

2.11 Ten aanzien van het beroep, voorzover het is gericht tegen de
ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de niet-inwilliging van de
aanvragen om toelating als vluchtelingen om verlening van een vergunning tot
verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard, overweegt de
rechtbank het volgende.

2.12 Centraal staat de vraag of verweerder zich op goede gronden op het
standpunt stelt dat eiseresses tweede asielrelaas niet geloofwaardig is,
zodat causaal verband tussen eiseresses psychische klachten en haar relaas
niet kan worden aangenomen. Gelet op de inhoud van de brieven van het RIAGG
van 10 oktober en 16 december 1996 alsmede van de brief van 8 april 1998 van
de medisch adviseur van het Ministerie van Justitie, die onder meer
inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelend psychiater van eiseres, is
bij beantwoording van deze vraag uitgangspunt dat eiseres lijdt aan een
posttraumatische stress-stoornis.

2.13 Daarmee is nog niet gezegd dat er causaal verband bestaat tussen de
stoornis en de thans aangevoerde asielmotieven. Het is aan eiseres om dat
verband aannemelijk te maken. Zij staat daarbij op achterstand omdat zij in
eerste instantie geen melding heeft gemaakt van haar activiteiten ten behoeve
van de Mujaheddin en van haar verkrachting toen zij gedetineerd was. Dit
brengt met zich dat voor deze ingrijpende bijstelling van het asielrelaas van
de zijde van eiseres plausibele verklaringen moeten worden aangevoerd. Bij de
beoordeling van die verklaringen moet rekening worden gehouden met de
mogelijkheid dat het later aan het licht getreden trauma al bij binnenkomst
in Nederland bij eiseres aanwezig was.

2.14 Onmiskenbaar bevatten verklaringen als bedoeld subjectieve elementen.
Hoezeer eiseres geblokkeerd is geweest om de waarheid te vertellen is in
abstracte moeilijk vast te stellen. Dat brengt mee dat bij de vaststelling of
de verklaringen voor het aanvankelijk verzwijgen toereikend zijn mede
betekenis dient toe te komen aan de mate waarin het latere relaas van eiseres
op zichzelf genomen aannemelijk is te achten. De omstandigheid dat eiseres
met dat latere relaas ook eerder had kunnen komen kan op zichzelf genomen
nimmer voldoende reden zijn om dat relaas reeds op voorhand niet aannemelijk
te achten.

2.15 Tegen deze achtergrond is het voldoende aannemelijk dat eiseres ten
gevolge van haar trauma en haar angst voor de gevolgen, die open kaart spelen
voor het voortbestaan van haar huwelijk zou hebben, aanvankelijk niet de
volledige waarheid heeft verteld. De rechtbank acht, anders dan verweerder,
dan ook het asielrelaas van eiseres zoals thans naar voren gebracht niet
onaannemelijk. In dit verband zijn de volgende omstandigheden van belang:

I zoals verweerder ook erkent, hebben vrouwen uiteen cultuur als die van
eiseres grote moeite om over door hen ondervonden seksueel misbruik te
spreken;

II daar komt bij dat eiseres uit angst voor verstoting voor haar streng
religieuze echtgenoot verborgen heeft willen houden dat zij seksueel is
misbruikt;

III gelet op de Hezbollah-gezindheid van de familie van haar echtgenoot zou
bovendien de bekentenis van eiseres dat zij zelf had deelgenomen aan
activiteiten ten behoeve van de Mujaheddin de relatie met haar echtgenoot nog
extra onder spanning hebben gezet;

IV op zichzelf heeft eiseres in het tweede nader gehoor gedetailleerd,
uitvoerig en consistent verklaard over haar wederwaardigheden;

V dit relaas heeft bovendien ankerpunten in de verklaringen van eiseres
tijdens het eerste nader gehoor, namelijk dat zij contact had onderhouden met
een ten behoeve van de Mujaheddin actieve vriendin en dat zij tijdens haar
detentie was mishandeld;

VI de aard van het relaas van eiseres over het door haar ondergane seksueel
misbruik is zodanig dat het hoogst onaannemelijk is dat dit niet met de
werkelijkheid zou sporen;

VII de aannemelijkheid van dit onderdeel van het relaas wordt versterkt door
de inhoud van de brieven van mevrouw E, waarin deze, bij alle betrokkenheid
maar ook met een zekere distantie, verslag uitbrengt over onder meer de
moeite die eiseres heeft gehad om met de waarheid voor de dag te komen;

VIII voorts is niet erg aannemelijk dat eiseres ter verklaring van het bij
haar aanwezige trauma in een kennelijk door haar als vertrouwd ervaren
setting een geheel gefingeerd relaas zou doen;

IX daar komt nog bij dat alternatieve verklaringen voor de aanwezigheid van
een trauma van een aard en ernst als bij eiseres aanwezig niet bepaald voor de
hand liggen.

2.16 Afsluitend wordt nog het volgende opgemerkt. De rechtbank realiseert
zich dat verweerder met een zekere regelmaat geconfronteerd wordt met zaken
waarin na een procedure met een negatieve uitkomst op basis van een mogelijk
gefingeerd relaas wordt gepoogd te redden wat er te redden valt en acht het
dan ook begrijpelijk dat verweerder zeer kritisch staat ten opzichte van een
tweede asielrelaas. Dat ontslaat verweerder echter niet van de plicht om ook
een tweede asielrelaas met een open houding tegemoet te treden en met name
ook oog te hebben voor psychische mechanismen van zelfbescherming die bij
asielzoekers kunnen werken, en die een sterk vertekenend effect kunnen hebben
op hun opstelling in de asielprocedure.

2.17 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich
ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen afdoende uitleg
heeft gegeven voor het feit dat zij tijdens haar tweede asielprocedure andere
verklaringen heeft afgelegd en dus onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze
verklaringen niet geloofwaardig zijn te achten. Zodoende is de bestreden
beschikking genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid Awb, waarin is
bepaald dat de beschikking op bezwaar dient te rusten op een deugdelijke
motivering.

2.18 Het beroep is mitsdien gegrond. De bestreden beschikking komt voor
vernietiging in aanmerking.

2.19 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van
artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte
proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten
bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde
Besluit vastgesteld op ƒ 710.

2.20 De rechtbank ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:74,
eerste lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan eiseres het betaalde
griffierecht ad ƒ 50 zal vergoeden.

III Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking van 8 mei 1998;

3.3 draagt verweerder op om binnen tien weken na verzending van deze
uitspraak opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 710 onder verwijzing van
de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier
van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem moet voldoen;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ 50.

Rechters

Mrs A.H. Schotman, J.R.A. Verwoerd, F.G. Hijink

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 2 april 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Bij beantwoording van de vraag of hetgeen de man heeft betaald overeenkomt
met hetgeen hij gehouden was te betalen, heeft het Hof ten onrechte zonder
nadere motivering geen rekening gehouden met de wettelijke indexering waarmee
de verschuldigde alimentatie van rechtswege wordt verhoogd onverschillig of
op de verhoging aanspraak is gemaakt.
De Hoge Raad oordeelt dat nu ervan moet worden uitgegaan dat het
vorderingsrecht van de man tot terugbetaling van hetgeen hij te veel had
betaald telkens ontstond op het moment waarop hij te veel betaalde, ontstond
voor de vrouw ook iedere keer op dat tijdstip met betrekking tot haar
vorderingsrecht ter zake van te weinig betaalde alimentatie, voor zover toen
nog niet verjaard, een bevoegdheid tot verrekening die ingevolge art. 6:131
lid 1 BW niet is geëindigd door verjaring.

Volledige tekst

Hof:

Beoordeling van de zaak in hoger beroep

1. De procedure heeft in hoofdzaak betrekking op de uitleg van een door de
man zelf opgesteld convenant en wel in het bijzonder met betrekking tot
artikel 5 daarvan. De tekst luidt:
“De man zal vanaf de dag dat het vonnis van echtscheiding als voormeld aan de
burgerlijke stand zal zijn ingeschreven aan de vrouw voor haar
levensonderhoud betalen een som van ƒ 500 per maand, bij vooruitbetaling te
voldoen, welk bedrag zal worden verminderd voor het geval de vrouw voor 1986
inkomsten zal verwerven uit arbeid of verhuur van voormelde woning of een
deel daarvan ten bedrage van ƒ 700 of meer met 25% van laatstgemeld bedrag
doch met een maximum gelijk aan de helft van de huurwaarde van het in artikel
4 genoemd woonhuis. (…)”.

2. Partijen zijn het erover eens dat het convenant moest gelden tot uiterlijk
1986.

3. De man heeft onweersproken gesteld dat de jaarlijkse huurwaarde van de
bedoelde woning in de periode waarop de onderhavige procedure betrekking
heeft en waarin het convenant van toepassing is, namelijk van 1979 tot 1985,
varieerde tussen ƒ 2058 en ƒ 3813. De helft van de huurwaarde per maand
bedraagt derhalve uitgaande van het laatste bedrag ongeveer ƒ 160 per maand.

4. Ten aanzien van de berekening van het bedrag van de vermindering van de te
betalen alimentatie, indien de vrouw vóór 1986 inkomsten uit arbeid of
verhuur zal verwerven, kan het hof noch de man, noch de vrouw in hun
opvattingen volgen. Als zoveel mogelijk bij de tekst wordt aangesloten is er
sprake van een vermindering van de alimentatie met 25% van laatstgemeld
bedrag bij inkomsten van ƒ 700 per maand of meer. De rechtbank heeft
,,laatstgemeld bedrag”, afgaande op de verklaring van de man ter zitting
opgevat als ƒ 700. De man verzet zich tegen deze uitleg. Daarin kan het hof
de man volgen, echter niet in zijn interpretatie dat het meerdere boven ƒ 700
geheel in mindering van de alimentatie strekt. Redelijk lijkt dat 25% van de
inkomsten wordt genomen vanaf ƒ 700, hetgeen zo dicht mogelijk bij de tekst
blijft. Wat de woorden ,,doch met een maximum gelijk aan de helft van de
huurwaarde” betekenen is raadselachtig als uitgegaan wordt van de huurwaarde
per maand, omdat dit maximum lager is dan het minimum. Kennelijk heeft de man
bedoeld de helft van de huurwaarde per jaar als toetssteen voor het inkomen
van de vrouw per maand, zodat niet meer gekort wordt op de alimentatie dan
25% van de helft van ƒ 3813. Dat wil zeggen maximaal per maand (afgerond) ƒ
475. De man zou in deze visie die het hof het meest redelijk lijkt, gelet ook
op de hoogte van de aanvankelijk overeengekomen alimentatie, tot 1986 altijd
tenminste ƒ 105 per maand moeten blijven betalen. Grief 3 is derhalve
gedeeltelijk gegrond.

5. De man is blijkens zijn vierde grief van oordeel, dat de vrouw nog steeds
niet heeft aangetoond, dat zij over de periode 1 september 1979 tot 1
september 1984 niet meer inkomsten uit arbeid heeft gehad dan de door haar
met een verklaring gestaafde inkomsten uit een baan bij de RIAGG, welke
inkomsten neerkomen op een bedrag van ƒ 390 per maand. Het hof kan de
zienswijze van de man niet delen. Nu de vrouw de betreffende inkomsten
voldoende aannemelijk heeft gemaakt, lag het op de weg van de man feiten en
omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die meer inkomsten uit
arbeid aannemelijk maken. Dit heeft de man niet gedaan, noch te bewijzen
aangeboden, zodat de grief faalt.

6. Artikel 5 van het convenant spreekt alleen over inkomsten uit arbeid en
verhuur. De man meent dat voor wat betreft de vermindering van de door hem te
betalen alimentatie ook rekening gehouden dient te worden met de inkomsten
uit vruchtgebruik van een in mei 1974 opengevallen erfenis van de zuster van
de man. Ten tijde van het schrijven van de overeenkomst was er geen sprake
van inkomsten uit vruchtgebruik, terwijl deze ook niet te voorzien waren, zo
stelt hij. Het hof kan de man in deze zienswijze niet volgen. De overeenkomst
beperkt de inkomsten van de vrouw, die voor verrekening in aanmerking komen,
tot die uit arbeid en verhuur. De vrouw heeft niet behoeven te begrijpen. dat
de man ook inkomsten uit andere bron onder deze omschrijving zou willen
rekenen. Juist door de beperking tot deze twee vormen van inkomsten, terwijl
heel eenvoudig de bedoeling van de man tot uitdrukking had kunnen worden
gebracht door in het algemeen van inkomsten te spreken, verdient de
letterlijke tekst de voorkeur. Het hof ziet dan ook geen reden de inkomsten
die de vrouw heeft uit het vruchtgebruik bij toepassing van artikel 5 van het
convenant te betrekken bij de vermindering van de door de man te betalen
alimentatie, zodat grief 2 faalt.
7. De man verzet zich met grief 5 tegen de verlenging door de rechtbank van
de werking van het convenant tot na 1 januari 1986. Deze grief is gegrond.
Het enkele feit dat de man zich tot 1 juni 1988 naar het convenant heeft
gedragen, onkundig van het feit dat de vrouw hogere inkomsten dan ƒ 700 per
maand had, is onvoldoende om van stilzwijgende verlenging uit te gaan. De
vrouw had reeds in 1984 aan de man moeten melden wat haar inkomen was, toen
zij met ingang van 1 september ƒ 2400 per maand ging verdienen, welk inkomen
daarna nog is toegenomen. Haar inkomen was toen onbestreden hoger dan dat van
de man. Dat de vrouw toen nog behoefte had aan alimentatie is niet gebleken.
Het hof ziet geen reden na 1986 het convenant nog te laten werken.

8. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat zowel de rechtbank te
Haarlem in haar beschikking van 27 juni 1995 als de rechtbank te
‘s-Gravenhage in de beschikking van 10 januari 1989 van onjuiste gegevens
zijn uitgegaan, waarvan ook de man niet op de hoogte was, zoals hiervoor
onder 7 overwogen. Immers de vrouw had na september 1984, in ieder geval na 1
januari 1986 geen behoefte meer aan alimentatie en met dit gegeven is geen
rekening gehouden (kunnen) worden. Grief 6 van de man slaagt derhalve.

9. Voorzover de vrouw heeft beoogd incidenteel te appelleren tegen de
beslissing van de rechtbank dat de vrouw geen aanspraak meer kan maken op het
door de man wegens het niet toepassen van de indexering te weinig betaalde
over de periode van 1 september 1979 tot 1 september 1984, acht het hof op
grond van dezelfde redenering die de rechtbank heeft toegepast de grief
ongegrond.

10. Het vorenoverwogene voert tot de volgende uitkomst.
Periode 1 september 1979 tot 1 september 1984.
In deze periode had de vrouw aan inkomsten ƒ 390 netto per maand. Gedurende
genoemde periode is de man dan ook de volledige alimentatie verschuldigd
geweest, te weten de eerder vastgestelde alimentatie ad ƒ 580 per maand. In
zoverre moet het verzoek van de man worden afgewezen.

Periode 1 september 1984 tot 1 januari 1986.
Gelet op het onder 4 overwogene had de man over deze periode maandelijks ƒ
105 moeten betalen. Hij heeft derhalve per maand ƒ 475 te veel betaald.
Totaal derhalve ƒ 7600.

Periode 1 januari 1986 tot en met januari 1989.
Over deze periode heeft de man 20 x ƒ 580 en 5 x ƒ 100 betaald, terwijl 1 hij
gelet op het onder 7 overwogene geen alimentatie meer verschuldigd was. Hij
heeft derhalve over die periode ƒ 11 100 teveel betaald.

11. Het vorenoverwogene voert tot de conclusie, dat de bestreden beschikking
dient te worden vernietigd. Het hof ziet geen aanleiding om – zoals de man
heeft verzocht – de vrouw in de kosten van het geding in eerste aanleg en in
hoger beroep te veroordelen, en zal derhalve de kosten tussen de partijen.
ex-echtgenoten, compenseren.
(…)

Principaal cassatiemiddel:

Schending van het recht, onder meer van de artikelen: art. 1:402 a BW en
6:131 BW en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk
met nietigheid is bedreigd, of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid
voortvloeit uit de aard van de niet in achtgenomen vorm, omdat het
gerechtshof heeft overwogen en recht gedaan als vermeld in ’s hofs hier als
ingelast te beschouwen beschikking, zulks ten onrechte, immers onder
navolgende in onderling verband in aanmerking nemende redenen.

De vrouw verwijst, voor een overzicht van de diverse procedures die partijen
sedert het uitspreken van de echtscheiding op 9 april 1974 hebben gevoerd,
naar het namens haar op 10 april 1996 bij de rechtbank te ‘s-Gravenhage
ingediende verzoek wijziging alimentatie. De inhoud van dit verzoekschrift
maakt deel uit van de processtukken in hoger beroep en diende derhalve door
het hof bij zijn oordeelsvorming te worden betrokken. (Zie ook: appèl
verweerschrift vrouw, no. l).

In cassatie zijn de volgende stellingen van de vrouw van belang, waarop het
hof niet, althans onbegrijpelijk, heeft gereageerd.

Middel 1

De vrouw heeft in haar alimentatiewijzigingsverzoek aan de rechtbank, onder
no. 7, een berekening gegeven van de geïndexeerde alimentatiebedragen die de
man krachtens beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage d.d. 10 maart
1997 had moeten betalen over de jaren 1974 tot en met 1984. Ook in hoger
beroep heeft de vrouw deze berekening aan het hof voorgehouden. Bij
gelegenheid van de comparitie van partijen op 12 juni 1997 heeft de vrouw aan
het hof overgelegd een “alimentatie-overzicht” met daarin opgenomen de
bedragen die de man over de jaren 1974-1984 heeft betaald en hetgeen door hem
krachtens beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage d.d. 30 maart 1976 had
moeten worden betaald. Deze laatste berekening verschilt enigszins van de
eerdere berekening die het alimentatiewijzigingsverzoek van de vrouw aan de
rechtbank bevat.

Uit beide gedingstukken komt naar voren. dat de man over 1975 tot en met 1984
maandelijks ƒ 580 heeft betaald en derhalve geen acht heeft geslagen op de na
1976 (weer) van toepassing zijnde indexering. Zo had de man in 1984 ƒ 858,34
per maand in plaats van ƒ 580 per maand moeten voldoen.

De betreffende berekeningen zijn door de man niet betwist en ook het hof
heeft niet onderzocht en vastgesteld dat de berekening die de vrouw geeft van
de geïndexeerde alimentatie niet correct zou zijn, althans dat er in casu
redenen zouden zijn om geen indexering op de alimentatie toe te passen. In
cassatie kan er derhalve van worden uitgegaan dat de alimentatie over 1984 ƒ
858,34 per maand bedroeg,

Dit zo zijnde, bevat ’s hofs arrest een kennelijke misslag, althans is de
beslissing van het hof zonder nadere uitleg onbegrijpelijk. In no. 4 geeft
het hof een feitelijke uitleg aan de bedoeling van het destijds door partijen
ondertekende convenant. Het hof overweegt:
Het hof neemt bij zijn berekening, te weten enerzijds ƒ 475 en (tenminste) ƒ
105, tot uitgangspunt een alimentatieplicht van de man van ƒ 580 per maand
over de jaren 1 september 1979-1 januari 1986. Het laatste blijkt onder meer
duidelijk uit r.o. 10. te weten:
In r.o. 4 vermeldt het hof nog “ten minste”, hetgeen er op zou kunnen duiden
dat het hof acht heeft geslagen op het feit dat de alimentatie minimaal, dat
wil zeggen ongeïndexeerd, ƒ 580 bedroeg. In r.o. 10 gaat het hof echter
zonder voorbehoud en zonder enige toelichting uit van een alimentatie van ƒ
580 per maand met als gevolg dat de daarop geënte beslissing van het hof, te
weten ,,hij heeft derhalve ƒ 475 teveel betaald. In totaal derhalve ƒ 7600″,
onjuist is. Bij een alimentatieplicht in 1984 van ƒ 858,34 zou de man,
uitgaande van de in cassatie onaantastbare uitleg die het hof aan der
partijen convenant geeft, over 1984 ƒ 383,34 per maand hebben moeten betalen;
hij heeft betaald ƒ 590 ofte wel over dat jaar ƒ 196,66 per maand te veel.

Uit de gedingstukken komt niet naar voren wat de geïndexeerde alimentatie
over 1985 en 1986 zou zijn. Dit laatste is door het hof ook niet onderzocht
of vastgesteld. Dit neemt niet weg dat de berekening van het hof, te weten ƒ
7600 over de periode 1 september 1984 tot 1 januari 1986, op een aparte
rekenfout berust; zelfs als de lagere alimentatie over 1984 tot uitgangspunt
zou worden genomen, bedraagt het te veel betaalde maximaal 16 x ƒ 196.66 = ƒ
3146.56.

Mocht het hof bedoelen dat er in casu redenen zijn om de alimentatie van
oorspronkelijk (in 1975) ƒ 580 niet te indexeren, dan berust dit om een
schending van art. 1:402 a lid 1 BW, althans dan had het hof in ieder geval
inzicht dienen te geven in zijn gedachtengang op dit onderdeel.

Middel 2

De tweede klacht van de vrouw betreft het feit dat het hof vaststelt dat de
man over de perioden 1 september 1984 -1 januari 1986 ƒ 7600 en over 1
januari 1986 tot en met januari 1989 ƒ 11 100 te veel heeft betaald, zonder
daarbij acht te slaan op het uitdrukkelijke beroep dat de vrouw heeft gedaan
op verrekening met hetgeen de man over de jaren (daarvoor) te weinig heeft
betaald. De vrouw heeft in haar verzoek wijziging alimentatie aan de
rechtbank d.d. 10.4.1996 in dit verband gesteld: no. 8, laatste alinea:
“Wanneer het tussen partijen tot een afrekening zou moeten komen, kan slechts
het verschil tussen hetgeen door man werkelijk betaald werd en hetgeen hij
had behoren te betalen voor verrekening in aanmerking komen.”

en No. 14: “Voor de vrouw komt het voorgaande er op neer dat vaststaat dat de
man over de periode tot 1 september 1984 ƒ 6813,19 te weinig alimentatie
heeft betaald en dat voor terugvordering door de man van wat voor bedrag dan
ook absoluut geen grond bestaat;”
Ook in het verweerschrift in hoger beroep (onder meer no. 11) stelt de vrouw
opnieuw aan de orde dat de man over de jaren te weinig alimentatie heeft
betaald, terwijl door de vrouw aan het hof wordt overgelegd een
“alimentatieoverzicht berekening”, die er op neerkomt dat de man over de
jaren 1977 tot en met 1984 ƒ 15 789,75 te weinig heeft betaald.

Het hof had het beroep van de vrouw op verrekening met in achtname van art.
6:131 BW moeten onderzoeken en behandelen. Door dit na te laten, heeft het
hof recht geschonden en is zijn beslissing ook niet naar behoren gemotiveerd.
Het hof geeft immers niet aan, waarom het (impliciet) de (essentiële)
stelling van de vrouw verwerpt, dat de door de man te weinig betaalde
alimentatie verrekend dient te worden met hetgeen de man te veel heeft
betaald (waarbij dit te veel dan nog minder is dan hetgeen het hof vaststelt,
zie middel l). Dat de vrouw er in haar verzoekschrift van uitgaat, dat haar
rechtsvordering op de man verjaard is, ontslaat het hof niet van zijn
verplichting om het uitdrukkelijk beroep van de vrouw op verrekening bij zijn
besluitvorming te betrekken hetgeen in de context van art. 6:131 BW,
impliceert dat de vrouw (minimaal) ƒ 15 789,75 mag verrekenen, waarmee tevens
vaststaat dat ’s hofs beslissing, dat de vrouw ƒ 18 700 dient terug te
betalen, voor vernietiging in aanmerking komt.

Aanvullend principaal cassatiemiddel:

AD I
Inmiddels is beschikbaar gekomen en aan uw Raad toegezonden het
proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting van 12 juni 1997.
De inhoud daarvan geeft aan, dat de vrouw in hoger beroep uitdrukkelijk bij
de rechtsstrijd heeft betrokken haar stelling dat de door de man over de
jaren 1974-1984 betaalde alimentatie onderworpen dient te zijn indexering
alsmede dat de verrekening dient plaats te vinden van de door de man te veel
betaalde alimentatie met hetgeen hij over de jaren te weinig heeft betaald.

Incidenteel cassatiemiddel:

De man voert als MIDDEL VAN CASSATIE aan:
“Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, althans verzuim van
vormen. waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich mede brengt doordat
het Hof heeft overwogen. dat de man over de periode van 1 januari 1986 tot en
met januari 1989 heeft betaald 20 x ƒ 580 en 5 x ƒ 100 terwijl hij geen
alimentatie meer verschuldigd was”, zulks ten onrechte om de navolgende
redenen. De Rechtbank heeft in haar beschikking van 15 oktober 1996 overwogen
(onder “de feiten” blz. 2), dat de man vanaf dat moment (waarmede kennelijk
bedoeld is; het moment van de beschikking van de Rechtbank d.d. 30 maart
1976) ƒ 580 per maand is blijven betalen.

In haar beschikking d.d. 15 oktober 1996 (r.o. 5) heeft de Rechtbank
overwogen, dat partijen beiden hebben gesteld dat zij zich, ook na de
beschikking van de Rechtbank d.d. 30 maart 1976, en ook na 1985 naar de
inhoud van het convenant zijn blijven gedragen. Daaruit vloeit voort, dat de
man over de periode van 1 januari 1986 tot 1 juni 1988 (tenminste) ƒ 580 per
maand heeft betaald. Voorts heeft de Rechtbank overwogen in haar beschikking
d.d. 15 oktober 1996 (r.o.7), dat de man na 1 juni 1988 nog drie maal ƒ 580
en 5 maal ƒ 100 heeft betaald. Tegen al deze overwegingen heeft de vrouw geen
hoger beroep ingesteld. Al deze overwegingen kunnen tot geen andere conclusie
leiden dan dat de man heeft betaald:
1 januari 1986 tot 1 juni 1988
(29 maanden) ƒ 580 ƒ 16 820
per maand
na 1 juni 1988 3 x 1740 f 580
en 5 x ƒ 100 500 ƒ 19 060.

Mitsdien is volstrekt onbegrijpelijk de overweging van het Hof, dat de man
over de periode van 1 januari 1986 tot en met januari 1989 heeft betaald 20 x
ƒ 580 en 5 x ƒ 100, zodat de beschikking van het Hof niet naar de eis der wet
met redenen is omkleed.

Met betrekking tot de in het middel bestreden overweging merkt de man nog op,
dat deze overweging een kennelijke verschrijving bevat. Het Hof berekent 20 x
ƒ 580 plus 5 x ƒ 100 op ƒ 11 100. Dit moet zijn ƒ 11 200. De man zal het Hof
vragen zijn beschikking op dit punt te verbeteren.

Hoge Raad:

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 11 april 1996 ter griffie van de Rechtbank te ‘s-Gravenhage
ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie – verder te noemen:
de vrouw – zich gewend tot die Rechtbank en verzocht, met wijziging van de
beschikking van de Rechtbank te Haarlem van 27 juni 1995, te bepalen dat de
alimentatieverplichting van verweerder in cassatie – verder te noemen: de man
– jegens de vrouw per 1 september 1994 wordt gesteld op nihil, en in de
periode daarvóór op de door de man daadwerkelijk betaalde bedragen, een en
ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 1996, met wijziging van
voormelde beschikking van de Rechtbank te Haarlem in zoverre, de door de man
met ingang van 1 september 1994 te betalen uitkering tot levensonderhoud van
de vrouw op nihil bepaald en de vóór 1 september 1994 door de man
verschuldigde alimentatie op hetgeen door hem feitelijk terzake is betaald of
op hem is verhaald, behoudens een bedrag van ƒ 2410,47, welk bedrag derhalve
de vrouw aan de man verschuldigd is, en het meer of anders verzochte
afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te ‘s-Gravenhage.

Na een ingevolge beschikking van het Hof van 18 april 1997 op 12 juni 1997
gehouden comparitie van partijen heeft het Hof bij eindbeschikking van 3
oktober 1997, zoals gerectificeerd bij beschikking van 19 december 1997, de
beschikking van de Rechtbank van 15 oktober 1996, voor zover aan zijn oordeel
onderworpen, vernietigd. In zoverre opnieuw beschikkende heeft het Hof, met
dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de Rechtbank te Haarlem
van 27 juni 1995, de door de man voor 1 september 1994 verschuldigde
alimentatie bepaald op hetgeen door hem feitelijk terzake is betaald of op
hem is verhaald, behoudens een bedrag van ƒ 19 700.

Voorts heeft het Hof bepaald dat de vrouw een bedrag van ƒ 19 700 wegens
teveel ontvangen alimentatie aan de man dient terug te betalen en het meer of
anders verzochte afgewezen.
(…)

2. Het geding in cassatie
(…)

De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt zowel
in het principale als in het incidentele beroep tot vernietiging van de
bestreden beschikking en tot verwijzing ter verdere behandeling en
beslissing.

3. Beoordeling van de middelen in liet principale en het incidentele
beroep

3. 1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Tussen partijen is echtscheiding uitgesproken bij vonnis van de rechtbank
te ‘s-Gravenhage van 9 april 1974, welk vonnis op 2 mei 1974 is ingeschreven
in de registers van de Burgerlijke Stand. Bij dit vonnis is de man
veroordeeld aan de vrouw tot haar levensonderhoud ƒ 500 per maand te betalen,
verminderd met het in artikel 5 van het tussen partijen gesloten
echtscheidingsconvenant bedoelde bedrag voor het geval zich in de financiële
omstandigheden van de vrouw een wijziging als bedoeld in dat artikel mocht
voordoen.

(ii) Artikel 5 van het echtscheidingsconvenant houdt, voor zover van belang,
in: “De man zal vanaf de dag dat het vonnis van echtscheiding als voormeld
aan de burgerlijke stand zal zijn ingeschreven aan de vrouw voor haar
levensonderhoud betalen een som van ƒ 500 per maand. bij vooruitbetaling te
voldoen, welk bedrag zal worden verminderd voor het geval, dat de vrouw vóór
1986 inkomsten zal verwerven uit arbeid of verhuur van voormelde woning of
een deel daarvan ten bedrage van ƒ 700 per maand of meer, met 25% van
laatstgemeld bedrag doch met een maximum gelijk aan de helft van de
huurwaarde van het in art. 4 genoemd woonhuis (…)”.

(iii) Nadat de man was hertrouwd, heeft hij bij op 2 december 1975 ter
griffie ingekomen verzoekschrift de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht de
alimentatie voor de vrouw op nihil te stellen. De rechtbank heeft bij
beschikking van 30 maart 1976 dit verzoek afgewezen, maar zij heeft de
wettelijke indexering per 1 januari 1976 uitgesloten; de indexering per 1
januari 1975 is wel van kracht gebleven, waardoor de alimentatie zowel over
1975 als over 1976 ƒ 580 per maand bleef bedragen. Deze beschikking is door
het gerechtshof te ‘s-Gravenhage bekrachtigd.

(iv) Tot september 1978 heeft de vrouw geen inkomsten uit arbeid gehad. Van
september 1978 tot september 1984 heeft zij uit een deeltijdbetrekking
inkomsten van gemiddeld ƒ 390 netto per maand gehad. Sedert september 1984 is
zij in dienst bij de Belastingdienst; haar aanvangssalaris bedroeg ƒ 2400
bruto per maand. Zij heeft deze inkomsten niet aan de man gemeld.

(v) Bij beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 10 januari 1989 is,
met wijziging van het vonnis van 9 april 1974, de uitkering tot
levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juni 1988 bepaald op ƒ 100 per
maand. De man heeft tot september 1988 nog ƒ 580 per maand betaald en over de
maanden september 1988 tot en met januari 1989 ƒ 100 per maand, waarna hij de
betalingen heeft beëindigd.

(vi) Bij beschikking van 27 juni 1995 heeft de rechtbank te Haarlem op
verzoek van de man. waartegen de vrouw geen verweer heeft gevoerd,
laatstgenoemde beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage gewijzigd en de
door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang
van 1 september 1979 op nihil gesteld. De vrouw heeft tegen deze beschikking
hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 1 februari 1996 heeft het
gerechtshof te Amsterdam de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger
beroep, op de grond dat zij van de beschikking van de rechtbank in verzet had
moeten komen in plaats van hoger beroep in te stellen.

(vii) De man heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wegens
onverschuldigde alimentatiebetalingen een vordering op de vrouw heeft van ƒ
63 140. waartoe hij de vrouw heeft gedagvaard en waarvoor hij reeds
conservatoir derdenbeslag heeft gelegd.

3.2 In het onderhavige geding verzoekt de vrouw, met wijziging van voormelde
beschikking van de rechtbank te Haarlem, te bepalen dat de alimentatie met
ingang van 1 september 1994 op nihil wordt gesteld, en voor de periode
daarvoor op hetgeen de man daadwerkelijk heeft betaald. Zij heeft aan dit
verzoek ten grondslag gelegd dat de beschikking van de rechtbank te Haarlem
van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat van
onjuiste en/of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De man heeft hiertegen aangevoerd dat, zo van onjuiste gegevens zou zijn
uitgegaan, de vrouw vanaf 1984 een inkomen had van in ieder geval ƒ 2400,
zodat hij te veel alimentatie heeft betaald. Voorts heeft hij aangevoerd dat
de vrouw geen aanspraak kan maken op de niet geëxecuteerde
alimentatiebedragen, aangezien deze na verloop van vijf jaren niet meer
kunnen worden ingevorderd.

De Rechtbank heeft het verzoek van de vrouw grotendeels toegewezen. Het Hof
heeft bij zijn beschikking van 3 oktober 1997 de beschikking van de
Rechtbank, voor zover betrekking hebbend op de periode vóór 1 september 1994,
vernietigd en de door de man vóór 1 september 1994 verschuldigde alimentatie
bepaald op hetgeen door hem feitelijk is betaald of op hem is verhaald,
behoudens een bedrag van ƒ 18 700, welk bedrag de vrouw aan de man dient
terug te betalen. In zijn beschikking van 19 december 1997 heeft het Hof dit
bedrag in verband met een rekenfout verbeterd in ƒ 19700.

3.3 In zijn bestreden beschikking heeft het Hof drie perioden onderscheiden.
Met betrekking tot de periode van 1 september 1979 tot 1 september 1984 heeft
het Hot geoordeeld dat de vrouw inkomsten had van ƒ 390 netto per maand,
zodat de man de volledige alimentatie verschuldigd was, te weten de eerder
vastgestelde alimentatie van ƒ 580 per maand. In zoverre heeft het Hof -het
verzoek van de man- afgewezen, waarmee het Hof klaarblijkelijk het oog heeft
op het verzoek van de man in hoger beroep om, met vernietiging van de
bestreden beschikking, de alimentatie op nihil. althans op een geringer
bedrag vast te stellen.

Ten aanzien van de periode 1 september 1984 tot 1 januari 1986 heeft het Hof
op grond van zijn, in cassatie niet bestreden uitleg van de hiervoor in 3.1
onder (ii) weergegeven bepaling van het echtscheidingsconvenant geoordeeld
dat in verband met de inkomsten van de vrouw een bedrag van ƒ 475 per maand
op de verschuldigde alimentatie in mindering moet worden gebracht. Dit leidde
het Hof tot de slotsom dat de man over deze periode maandelijks ƒ 105 had
moeten betalen. zodat hij ƒ 475 per maand. en in totaal derhalve ƒ 7600 te
veel heeft betaald.

Voor wat betreft de periode na 1 januari 1986 heeft het Hof overwogen dat
enerzijds de in art. 5 van het convenant vervatte regeling niet meer gold, en
dat anderzijds de vrouw geen behoefte meer had aan alimentatie. Dit betekent,
aldus het Hof in zijn beschikking van 19 december 1997, dat de man, nu hij
over de periode van 1 januari 1986 tot en met januari 1989 20 x ƒ 580 en 5 x
ƒ 100 heeft betaald, in totaal ƒ 12 100 te veel heeft betaald.
Op grond van een en ander heeft het Hof beslist zoals hiervoor in 3.2 is
weergegeven.

3.4 Het middel in het incidentele beroep richt zich met een motiveringsklacht
tegen het oordeel van het Hof dat de man over de periode van 1 januari 1986
tot en met januari 1989 20 x ƒ 5 80 en 5 x ƒ 100 heeft betaald. De klacht is
gegrond. De Rechtbank heeft in hoger beroep niet bestreden, overwogen dat
partijen zich, ook na haar beschikking van 30 maart 1976 en na 1985 naar de
inhoud van het convenant zijn blijven gedragen, waarmee de Rechtbank
kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat de man toen ƒ 580 per maand is
blijven betalen. Voorts heeft de Rechtbank vastgesteld dat de man na 1 juni
1988 nog drie maal ƒ 580 en vijf maal ƒ 100 heeft betaald. Zonder nadere
motivering is dan ook niet begrijpelijk op grond waarvan het Hof ervan is
uitgegaan dat de man in de bedoelde periode 20 x ƒ 580, en niet 32 x ƒ 580
heeft betaald.

3.5.1 Bij de beoordeling van de middelen in het principale beroep moet worden
vooropgesteld dat het in het onderhavige geding gaat om de vaststelling van
de alimentatie voor de vrouw over de periode van 1 januari 1979 tot 1
september 1994, ten aanzien waarvan de vrouw had verzocht deze vast te
stellen op hetgeen feitelijk is betaald of op de man is verhaald. Kennelijk
met het oog op de beantwoording van de vraag in hoeverre dit verzoek voor
toewijzing vatbaar zou zijn, hebben Rechtbank en Hof, in zoverre in cassatie
niet bestreden, onderzocht of hetgeen de man in feite heeft betaald
overeenkwam met hetgeen hij gehouden was te betalen. Dit onderzoek heeft het
Hof, zoals reeds aangestipt, tot de slotsom geleid dat de alimentatie over
voormelde periode moet worden vastgesteld op hetgeen is betaald of op de man
is verhaald, verminderd met het bedrag dat de man volgens ’s Hofs
berekeningen teveel heeft betaald, van welk bedrag het Hot dan ook heeft
bepaald dat het door de vrouw aan de man moest worden terugbetaald. Voorts
moet ervan worden uitgegaan dat, volgens het in hoger beroep niet bestreden
oordeel van de Rechtbank, de wettelijke indexering met ingang van t januari
1977 weer toegepast had dienen te worden, alsmede dat de vrouw vóór 17 juli
1995 geen aanspraak heeft doen gelden op de bedragen waarmee de alimentatie
sedert 1977 ingevolge de indexering is verhoogd.

3.5.2 In rov. 10 van zijn arrest is het Hof met betrekking tot de periode van
1 september 1984 tot 1 september 1988 – in zoverre voortbouwend op hetgeen
het met betrekking tot de periode 1 september 1979 tot 1 september 1984 heeft
overwogen – klaarblijkelijk ervan uitgegaan dat de alimentatieverplichting
van de man, vóór de aftrek ingevolge het echtscheidingsconvenant, ƒ 580 per
maand bedroeg. Aldus overwegende heeft het Hof hetzij blijk gegeven van een
onjuiste rechtsopvatting omtrent de wettelijke indexering, doordat het heeft
miskend dat de verschuldigde alimentatie door de wettelijke indexering van
rechtswege wordt verhoogd en dat voor de vaststelling van de omvang van de
verplichting niet ter zake doet of al dan niet op de verhogingen aanspraak is
gemaakt. hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu, mede tegen de
achtergrond van het in hoger beroep niet bestreden oordeel van de Rechtbank
dat de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 1977 weer toegepast had
moeten worden, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is waarom in dit
geval voor de vaststelling van de verplichting van de man zou moeten worden
uitgegaan van het niet-geïndexeerde, vóór 1 januari 1977 geldende bedrag.
Middel 1 in het principale beroep is derhalve gegrond.

3.5.3 Middel 2 in het principale beroep verwijt het Hof bij zijn vaststelling
van hetgeen de man te veel heeft betaald, geen acht te hebben geslagen op het
beroep van de vrouw op verrekening met hetgeen de man eerder te weinig heeft
betaald. Met dit laatste heeft het middel kennelijk het oog op de
omstandigheid dat de man de verhogingen van de uitkering ingevolge de
wettelijke indexering niet heeft betaald.

Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de stelling moet worden verworpen op
de grond dat de vordering van de vrouw verjaard is, omdat zij geen aanspraak
heeft gemaakt op de verhogingen ingevolge de wettelijke indexering. Aldus
heeft het blijk gegeven van miskenning van de in art. 6:131 lid 1 BW
neergelegde – ook vóór 1 januari 1992 geldende – uitzondering op de regel dat
de schuldenaar, wil hij zich op verrekening kunnen beroepen, betaling van
zijn vordering moet kunnen afdwingen. Deze uitzondering berust hierop dat de
verjaring zwakke werking heeft, dat wil zeggen dat door verjaring weliswaar
de rechtsvordering tot nakoming komt te vervallen, maar de verbintenis in
stand blijft. Nu in het onderhavige geval ervan moet worden uitgegaan dat het
vorderingsrecht van de man tot terugbetaling van hetgeen hij te veel had
betaald, telkens ontstond op het tijdstip waarop hij te veel betaalde,
ontstond voor de vrouw ook telkens op dat tijdstip met betrekking tot haar
vorderingsrecht ter zake van te weinig betaalde alimentatie. voor zover toen
nog niet verjaard, een bevoegdheid tot verrekening, die ingevolge voormelde
bepaling niet is geëindigd door verjaring.

4. Beslissing

In het principale en in het incidentele beroep:
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 3 oktober
1997;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling
en beslissing.

Rechters

Mrs. Roelvink, Neleman, Heemskerk, Herrmann, De Savornin Lohman; A-G De VriesLentsch-Kostense

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 2 april 1999

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Arbeidsovereenkomst van werknemer wordt ontbonden wegens plegen seksuele
intimidatie. Werknemer krijgt wel een vergoeding omdat ontbinding niet
noodzakelijk was geweest omdat de geïntimideerde werkneemster zelf niet heeft
aangegeven
werknemer’s opmerkingen vervelend te vinden en de klachten enkel betrekking
hebben op het ontstaan van een broeierige sfeer. Ontbinding is echter
onontkoombaar wegens verstoorde verhoudingen. Dit is aan werkgever toe te
rekenen. Daarom correctiefactor 1,4.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure
(…)

Beoordeling van het verzoek
1. Als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) weersproken wordt van de
volgende feiten uitgegaan:
1.1. Verweerder thans 47 jaar oud, is sedert 1 augustus 1996 in dienst van
verzoekster, sinds 1 januari 1999 als regionaal sales manager. Het
brutosalaris bedraagt ƒ 8.000 per maand excl. vakantiegeld en emolumenten.
1.2. Op 23 februari 1999 is verweerder op non-actief gesteld.
2. Verzoekster verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens
gewichtige redenen en stelt dat verweerder zich zodanig heeft gedragen dat
dit een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678, eerste lid, BW heeft
opgeleverd. Subsidiair stelt verzoekster dat sprake is van een verandering in
de omstandigheden van zodanige aard dat de arbeidsovereenkomst tussen
partijen billijkheidshalve dadelijk behoort te eindigen. Verzoekster stelt
daartoe – zakelijk weergegeven – dat verweerder zich heeft schuldig gemaakt
aan ongewenste intimiteiten ten opzichte van een aan hem ondergeschikte
werkneemster, dat hij bij een aantal klanten een ongeziene gast is vanwege
zijn ongewenst intiem gedrag en dat hij misbruik heeft gemaakt van de door
verzoekster aan haar werkneemsters ter beschikking gestelde auto’s. Bij de
behandeling heeft verzoekster daar nog aan toegevoegd dat verweerder ernstig
disfunctioneert.
3. Verweerder betwist dat zich een dringende reden voor ontslag op staande
voet heeft voorgedaan en ook dat er overigens gewichtige redenen voor
ontbinding zijn in de door verzoekster bedoelde zin. Aan ongewenste
intimiteiten heeft hij zich niet schuldig gemaakt. Hij ontkent misbruik te
hebben gemaakt van de auto’s van zijn ondergeschikten. Hij ontkent te
disfunctioneren.
4. Bij de behandeling heeft verzoekster te kennen gegeven onder geen enkele
voorwaarde het dienstverband met verweerder te willen voortzetten. Na een
schorsing heeft verweerder erkend dat moet worden vastgesteld dat de goede
verstandhouding, noodzakelijk voor een verdere samenwerking tussen partijen,
blijvend is komen te ontbreken. Hij heeft daarop zijn vordering tot het
treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen is
daarom gerechtvaardigd met ingang van 3 mei 1999.
5. Verweerder heeft ingeval zijn arbeidsovereenkomst ontbonden zou worden
aanspraak gemaakt op toekenning van een vergoeding ten laste van verzoekster
van ƒ 90.720 bruto. Alleen als de ontbinding wegens gewichtige redenen
bestaande uit veranderde omstandigheden is toegewezen dient een oordeel over
een vergoeding te worden gegeven.
6. Verzoekster heeft gesteld dat de zaak tegen verweerder aan het rollen kwam
omdat er vragen waren gerezen over het gebruik van de lease-auto’s van A en
S, twee werkneemsters die door verweerder zijn/worden opgeleid. Verweerder
liet zowel A als S tijdens hun opleiding bij hem thuis komen waarna zij
tezamen vertrokken met zijn auto. De lease-auto van respectievelijk A en S
bleef dan bij verweerder voor de deur staan. Hun autosleutels lieten zij bij
verweerder (thuis) achter. De echtgenote van verweerder heeft tijdens de
opleidingsdagen in de respectieve auto’s van A en S gereden. Toen S ongeveer
1 maand in dienst was heeft de directeur van verzoekster, haar in een
evaluerend gesprek op 19 februari 1999 gevraagd naar vorenbedoelde gang van
zaken. Bij die gelegenheid heeft S hem incidenten verteld, door haar kort
opgeschreven en als prod. 8 bij het verzoekschrift gevoegd, die door
verzoekster zijn gekwalificeerd als seksuele intimidatie door verweerder van
S. Op 23 februari1999 heeft de directeur een gesprek gehad met verweerder.
Verweerder ontkende de hem gemaakte verwijten. Verzoekster had inmiddels een
eerder gerucht nagetrokken inhoudende dat verweerder tijdens een
personeelsfeestje ongewenst
intiem en handtastelijk zou zijn geweest ten opzichte van een medewerkster
van een klant van verzoekster. Dit incident werd door een van de collega’s
(R) van de betrokkene verteld aan A. Verweerder zou onder de tafel de knie
van ene M hebben betast terwijl tijdens het dansen zijn handen ‘daar waren
waar zij niet behoorden te zijn’, aldus A. A zelf heeft hier overigens niets
van gemerkt. R. heeft over dit incident een verklaring opgesteld, voorzover
van belang luidende: ‘… Na een aantal glaasjes alcohol begon X iets
loshandig te worden; een arm om de stoel, hand op de schouder en later op de
knie. Zijn hand is met nadruk van haar knie afgeschoven en er is hem verteld
dat wij daar niet van gediend waren.
ater op de avond heeft hij het weer gedaan. Wij hebben er weer iets van
gezegd en de rest van de avond hebben wij X zoveel mogelijk genegeerd. Ook
met dansen was hij iets te vrij, waarna wij de dans hebben gestaakt…’.
Na de schorsing van verweerder heeft verzoekster ontdekt dat verweerder
ernstig disfunctioneerde (levering onjuiste producten, verkopen in strijd met
marktstrategie, inefficiënte planning van klantbezoeken, nodeloze
tijdsoverschrijding daardoor en weggestuurd worden bij klanten). In de
pleitnotities heeft verzoekster voornoemde klachten voor het eerst opgesomd
terwijl op de dag van de behandeling nog een verklaring van een collega van
verweerder over dit disfunctioneren is overgelegd.
7. Dat verweerder schade zou hebben toegebracht aan verzoekster door misbruik
te maken van aan haar werkneemsters ter beschikking gestelde lease-auto’s is
een wat zwaar aangezette beschuldiging voor hetgeen daaromtrent is vast komen
te staan. Verweerder heeft aangevoerd dat hij de auto van de ‘leerling’ bij
hem voor de deur liet staan omdat hij dit veiliger vond dan dat deze auto
ergens op een parkeerstrook bleef staan. Dat standpunt van verweerder is te
volgen. Waarom het echter nodig was dat de autosleutel van de betreffende
auto vervolgens bij hem thuis bleef heeft hij niet overtuigend kunnen
toelichten. Anderzijds is niet komen vast te staan dat de echtgenote van
verweerder misbruik heeft gemaakt van de situatie, zoals verzoekster stelt,
door met de respectieve auto’s van de leerlingen te rijden anders dan om deze
auto naar een (telefonisch) afgesproken plaats te rijden opdat de leerling
niet nodeloos ver mee terug moest met verweerder om haar auto op te halen
(standpunt verweerder). Aan verweerder had meegedeeld kunnen worden dat zijn
handelwijze onjuist was. De noodzaak voor verderstrekkende maatregelen is
niet aannemelijk geworden.
8. Het incident op het personeelsfeest in juli 1998 was al kort nadien door A
ter sprake gebracht in een gesprek met de directeur en verweerder. Toen heeft
verweerder ontkend. Verdere stappen zijn toen niet ondernomen. Hetgeen
hierover thans naar voren is gekomen (zie onder 6) is niet voldoende ter
ondersteuning van de stelling dat verweerder ‘bij een aantal klanten op grond
van zijn ongewenst intieme gedrag niet langer welkom is’ (zie verzoekschrift
onder 10) noch is dit, gelet op de ontkenning door verweerder, voldoende om
in februari 1999 de arbeidsrechtelijke sanctie van schorsing of ontbinding
van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden te rechtvaardigen.
9. Dat verweerder disfunctioneerde is onvoldoende komen vast te staan.
Ingaande 1 januari 1999 is hij nog gepromoveerd tot regionaal sales manager,
zij het voor de duur van één jaar (proef). Tegen de verwijten die hem pas op
de dag van de behandeling zijn gemaakt heeft hij zich niet naar behoren
kunnen verweren. Deze verwijten worden verder buiten beschouwing gelaten.
10. Kern van deze ontbindingszaak is het verwijt dat verweerder zich schuldig
heeft gemaakt aan seksuele intimidatie van S. Verzoekster heeft op
opmerkingen hieromtrent (zie onder 6) van S gereageerd met schorsing van
verweerder. Beoordeeld moet worden of die opmerkingen van S over het optreden
van verweerder, zoals neergelegd in de van haar hand overgelegde verklaring,
voldoende grondslag opleverden voor zijn schorsing en het daarmee
samenhangende onderzoek dat vervolgens door verzoekster is ingesteld naar
seksueel intimiderend handelen van verweerder binnen en buiten haar bedrijf.
De schorsing en het onderzoek in samenhang met het daarop gevolgde
ontbindingsverzoek wegens een dringende reden hebben immers verstrekkende
gevolgen voor een werknemer in een kleine organisatie (12 personeelsleden).
11. S heeft van 18 januari 1999 (begin van haar dienstverband) tot 23
februari 1999 (schorsing verweerder) samen met verweerder klanten bezocht. ‘s
Morgens ca. 08.00 uur kwam S met haar auto naar verweerder toe. Zij
vertrokken dan in de auto van verweerder. Zij bezochten 3-5 klanten
(parfumeriezaken) per dag en maakten lange dagen. Aan het einde van de dag
reden zij naar een parkeerplaats ca 5 km van de woonplaats van verweerder
alwaar zij (in de auto) de gegevens verwerkten.
12. S noemt ‘vreemde opmerkingen’ die verweerder vanaf de 2e week maakte.
Zakelijk weergegeven gaat het om het volgende:
– X (= verweerder) had commentaar als ik geen rokje aan had en zei dat ook
regelmatig;
– X maakte regelmatig de opmerking dat ik er erg goed uitzag;
– X vertelde verhalen die met sex te maken hadden (bijv. In een winkel had de
eigenaar een verhouding met een van de werkneemsters en deze vrouw bleek
achteraf een ‘nymf’ te zijn, aldus X);
– X voelde zich een casanova. Hij zou best 2 dagen ruzie met zijn vrouw
willen hebben mocht hij een slippertje maken met een vrouw die daarvoor de
moeite waard was;
– Naar aanleiding van een uitzending van Jambers op tv over mannen die een
relatie hadden met een veel jongere vrouw vroeg X mijn mening. Ik vond het
belachelijk, kon het me nog enigszins voorstellen van zo’n jonge vrouw
(vaderfiguur). X zei ‘het overkomt je’.
– X vroeg me of ik van lingerie hield, wat voor kleur en of ik er ook veel
geld aan uitgaf;
– X heeft me meerdere keren gevraagd of ik wilde blijven slapen.
13. Verweerder heeft hetgeen hiervoor is opgenomen niet woord voor woord
bestreden. Hij ontkent echter dat hij de bedoeling heeft gehad S seksueel te
intimideren. Hij heeft zijn standpunt naar aanleiding van hetgeen hiervoor
onder 11 en 12 is weergegeven als volgt toegelicht:
– Omdat S aanvankelijk uitsluitend lange broeken droeg heeft hij haar gezegd
dat de Marbert-medewerkers representatief dienen te zijn. Man in kostuum en
vrouw in mantelpak of rokje.
– Dat S het vervelend heeft gevonden om aan het einde van de dag de orders in
te voeren op een parkeerterrein heeft zij nooit laten merken. Verweerder
stelt aldus zakelijk en privé (bij hem thuis invoeren) te scheiden.
– Als het laat was geworden heeft verweerder, die leeft met een echtgenoot en
twee volwassen dochters, S wel aangeboden dat zij bij hen mocht blijven
slapen. Het bespaarde haar de rit van Geertruidenberg naar Leusden vice
versa.
– Verweerder ontkent zich onbetamelijk of onzedelijk tegenover S te hebben
gedragen. Hij heeft haar niet uitgedaagd of willen verleiden. Het dagelijks
intensief met elkaar optrekken brengt wel met zich dat persoonlijke
onderwerpen ter sprake komen.
14. Het is voorstelbaar dat voor S door de onder 11 en 12 weergegeven
feitelijkheden een onaangename werkomgeving is geschapen. Dat betekent dat
aan de wettelijke omschrijving van seksuele intimidatie is voldaan.
Verzoekster heeft dan ook terecht op het signaal dat zij hierover van S kreeg
gereageerd. Daarbij wordt wel overwogen dat voornoemde feitelijkheden niet
zodanig zijn dat eenieder zich daardoor onaangenaam zal gaan voelen. Dit
klemt temeer nu S op geen enkele manier aan verweerder heeft laten merken dat
zij zijn opmerkingen/verhalen en werkwijze onaangenaam vond, althans dit is
niet geschied terwijl zij een zonder meer als positief te kenschetsen
evaluatie over haar leerperiode van 4 weken bij verweerder heeft opgemaakt
(prod. 2 verweerschrift).
15. Seksueel intimiderend gedrag behoeft niet vanzelfsprekend tot schorsing,
ontslag op staande voet of ontbinding wegens een dringende reden te leiden.
De van een werkgever te verwachten reactie op seksuele intimidatie in zijn
bedrijf dient in overeenstemming te zijn met de ernst van de klachten (in dit
geval is door de onder 12 weergegeven ‘opmerkingen’ van verweerder een door S
als onaangenaam ervaren, wat broeierige sfeer opgeroepen) en met de te
respecteren belangen van degene(n) die het seksueel intimiderend gedrag
wordt/worden verweten. Door de aanpak van verzoekster (schorsing van
verweerder en nader onderzoek) is de positie van verweerder binnen het
bedrijf onmogelijk geworden. In zoverre kon verweerder niet anders dan
berusten in de ontbinding (zie hiervoor onder 4). Dat verweerder een zodanig
verwijt voor zijn seksueel intimiderend gedrag kan worden gemaakt dat
schorsing/ontbinding op grond van een dringende reden daardoor wordt
gerechtvaardigd is niet komen vast te staan. Daarbij wordt ook van belang
geacht dat A geen problemen met verweerder heeft gehad noch enige andere
collega binnen het bedrijf van verzoekster.
16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt het vastlopen van de
arbeidsverhouding verzoekster aangerekend. Bij de vaststelling van een
vergoeding wordt rekening gehouden met de lengte van het dienstverband en de
leeftijd van verweerder. Voorts wordt rekening gehouden met de schade die
voor verweerder het gevolg is van de ontbinding. Dat verweerder op korte
termijn weer vergelijkbaar werk zal vinden wordt niet aannemelijk geacht
omdat hij nog maar kort zijn huidige positie had en vanwege de aanleiding
voor deze ontbindingszaak (die ook buiten het bedrijf bekend is geworden).
Voor toekenning van immateriële schade zijn onvoldoende termen.
17. Gelet op voornoemde omstandigheden van het geval acht de kantonrechter
het redelijk en billijk dat verzoekster verweerder in de voor hem nadelige
gevolgen van het eindigen van zijn arbeidsovereenkomst tegemoet zal komen
door middel van een betaling van een bruto bedrag groot ƒ 45.000. Dit bedrag
zal verweerder dan ook als vergoeding worden toegekend.
18. De proceskosten worden gecompenseerd, behoudens in het geval dat
verzoekster het verzoek intrekt, in welk geval verzoekster in de kosten aan
de zijde van verweerder wordt veroordeeld.

Beschikt als volgt
I. Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 3 mei 1999.
II. Kent aan verweerder een vergoeding toe ten laste van verzoekster ter
hoogte van
ƒ 45.000 bruto, een en ander strekkende tot aanvulling van door verweerder te
ontvangen uitkeringen dan wel elders verdiend loon.
III. Veroordeelt verzoekster tot betaling van deze vergoeding op door
verweerder binnen twee weken na 29 april 1999 aan verzoekster bij
aangetekende brief mee te delen – fiscaal correcte – wijze of bij uitblijven
van die mededeling op door verzoekster te bepalen – fiscaal correcte – wijze.
IV. Bepaalt dat het onder 1 t/m III gestelde rechtskracht ontbeert indien het
verzoek door verzoekster uiterlijk op 29 april 1999 wordt ingetrokken.
V. Bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen, behoudens in het
geval de verzoekster het verzoek zal intrekken, in welk geval verzoekster
wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van
verweerder, die tot op heden worden begroot op ƒ 1.250 voor salaris van zijn
gemachtigde, voorzover verschuldigd, inclusief BTW.
VI. Wijst het meer of anders verzochte af.

Rechters

Mr. Von Meijenfeldt

Instantie: Kantonrechter Rotterdam, 31 maart 1999

Instantie

Kantonrechter Rotterdam

Samenvatting


Bejaardenhelpster, 4 jaar in dienst, beschuldigt haar collega van seksuele
intimidatie. Deze collega wordt om deze reden ontslagen. Er worden vervolgens
10 getuigenverklaringen aan de werkgever overlegd, inhoudende dat er een
affectieve relatie bestond tussen beiden en dat verweerster geen problemen
had met de toenaderingen. Om deze
reden verzoekt de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst met haar.
De kantonrechter wijst het verzoek toe omdat is gebleken dat het verwijt
van seksuele intimidatie sterk overdreven is.

Volledige tekst

DE TUSSEN PARTIJEN VASTSTAANDE FEITEN

– verweerster is ingaande 1 mei 1995 als bejaardenhelpster in loondienst
van verzoekster, tegen een salaris van ƒ 2176,20 per maand bruto;

– de werktijden van verweerster zijn in het weekend en ’s avonds;

– op 22 december 1998 heeft verweerster zich arbeidsongeschikt gemeld,
waarna zij op 31 december 1998 een toelichtende brief daarover aan verzoekster
schrijft, gedateerd 31 december 1998;

– in deze brief meldt zij dat zij lange tijd slachtoffer is van seksuele
intimidatie danwel avances zijdens de heer H., clusterhoofd bij De Schans
en derhalve collega van verweerster;

– mede naar aanleiding van de klachten van verweerster en een eerder in
het verleden plaatsgehad hebbend incident waarbij H. was betrokken, heeft
verzoekster initiatieven genomen die leidden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst
met genoemde H.;

– ten tijde van de indiening van het verzoekschrift was verweerster arbeidsongeschikt;

– verzoekster heeft een op 10 maart 1999 door Cadans goedgekeurd voorlopig
reïntegratieplan betreffende verweerster in het geding gebracht;

– bij brief van 26 januari 1999 hebben een tiental collega’s van verweerster
zich gericht tot verzoekster waarin zij het opnemen voor de hiervoor genoemde
heer H. en waarbij wordt gemeld van een affectieve relatie tussen H. en
verweerster, terwijl zij van zijn toenaderingen gecharmeerd zou zijn.

DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

1. Verzoekster wenst de ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst
op grond van een gewichtige reden, bestaande uit wijziging van de omstandigheden.
Zij stelt dat verweerster zich ten onrechte heeft beklaagd over H. in de
zin zoals zij dat heeft gedaan. Daardoor heeft verzoekster stappen ondernomen
die hebben geleid tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met H.
Zij acht deze houding van verweerster onbehoorlijk.

2. De verwerende partij is het daarmee niet eens. Zij ontkent de juistheid
van de reactie van haar collega’s. Zij blijft bij haar klacht ten aanzien
van de handelwijze van H. jegens haar. Intussen is zij van oordeel dat
de arbeidsverhouding als gevolg van de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden,
niet meer in stand kan blijven. Zij verlangt een vergoeding van ƒ 45.000
en ƒ 5000 wegens psychische schade. Verder vraagt zij een vergoeding van
ƒ 2000 in de kosten van juridische bijstand. Tenslotte is zij van oordeel
dat verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek is omdat het reïntegratieplan
dat is ingediend niet afdoende is.

3. De kantonrechter overweegt dat verzoekster wel ontvankelijk is in haar
verzoek. Weliswaar is het op 10 maart 1999 door Cadans goedgekeurde reïntegratieplan
voorlopig, doch dat staat de ontvankelijkheid niet in de weg nu verweerster
zelf de arbeidsovereenkomst met verzoekster niet wil continueren en reïntegratie
mitsdien niet mogelijk is.

Gelet op de hiervoor aangehaalde reactie van de collega’s van verweerster
over haar H. betreffende klachten, acht de kantonrechter in dit geval bij
wijze van uitzondering gelet op de ernst van de over en weer gestelde feiten,
nader feitenonderzoek geboden. Wanneer mocht blijken dat verweerster zich
ten onrechte over de handelwijze van H. bij verzoekster heeft beklaagd
en zij, zoals haar collega’s zeggen, was gecharmeerd van zijn toenaderingen,
heeft zij naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter zich als slecht
werkneemster gedragen, te meer daar haar klachten aanleiding hebben gegeven
tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met H. Een dergelijke opstelling
van verweerster zou een dringende reden die aanleiding geeft de arbeidsovereenkomst
terstond te beëindigen, dicht naderen.
Het is aan verzoekster als de aanleggende partij de door haar gestelde
wijziging in de omstandigheden aannemelijk te maken. Dat kan zij doen door
op de hierna bepaalde datum getuigen te doen horen, waartoe zij ook bereid
is. Feiten die zij aannemelijk zal hebben te maken, worden hierna geformuleerd.
Het staat verweerster vrij desgewenst terstond tegenbewijs door middel
van getuigen te leveren. Wanneer zij prijs stelt op een separate datum
daarvoor, wordt haar die toegestaan.
De kantonrechter acht het gewenst dat partijen bij de getuigenverhoren
aanwezig zijn voor het verstrekken van inlichtingen.
(…)

DE VERDERE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Bij voormelde tussenbeslissing is verzoekster toegelaten door getuigen
aannemelijk te maken dat verweerster de heer H. valselijk heeft beschuldigd
ten aanzien van jegens haar gepleegde ongewenste, al dan niet seksueel
getinte, avances dan wel haar heeft lastig gevallen op een niet door haar
uitgelokte wijze.
Op grond van de verklaringen van de gehoorde getuigen is komen vast te
staan dat verweerster en de heer H. zich doorgaans op een normale collegiaIe
manier met elkaar verstonden. Een enkeling heeft zich gestoord aan de wijze
waarop zij met elkaar omgingen, die als te ‘close’ werd ervaren. Het uitgangspunt
van verweerster, dat zij in het geheel niet gediend was van de belangstelling
van de heer H., is niet aannemelijk geworden. Uit de getuigenverhoren is
naar voren gekomen dat zij tijdens avonddiensten H. opbelde met de mededeling
dat ‘de koffie klaar was’. H. en verweerster gingen dan uren in een kantoortje
zitten, hetgeen een collega, die als getuige is gehoord, niet leuk vond.
Verder is door een getuige bevestigd dat H. en verweerster geregeld samen
koffie dronken en met elkaar babbelden. De kantonrechter gaat ervan uit
dat een dergelijk samenzijn niet plaatsvindt, wanneer verweerster daarvan
niet is gediend.
Het is denkbaar dat verweerster op enig moment de aandacht van de heer
H. niet meer zo prettig vond, doch het door haar gemaakte verwijt dat zij
aanhoudend door hem is lastig gevallen, doet sterk overdreven aan. Bij
dit oordeel speelt ook een rol dat collega’s van verweerster op 26 januari
1999 uit eigener beweging een brief aan de directie van verzoekster hebben
gezonden, waarin zij hebben bevestigd dat verweerster gecharmeerd was van
de belangstelling van de heer H.
Verder acht de rechter van belang dat verweerster zich maar een keer tot
een leidinggevende heeft gewend en over de gedragingen van de heer H. heeft
geklaagd. Het is onvoldoende gebleken dat zij H. duidelijk heeft gemaakt
dat aan zijn gedrag een einde moest komen.
De voorgaande overwegingen hebben tot gevolg dat verweerster de gewijzigde
omstandigheden bestaande uit een slechte werkbare arbeidsomgeving voor
een wezenlijk deel zelf heeft tot stand gebracht. Als gevolg van haar te
zwaar aangezette informatie heeft verzoekster de heer H. uiteindelijk in
een geding betrokken, dat tot het einde van zijn arbeidsovereenkomst heeft
geleid.
Deze overwegingen hebben tot gevolg dat er geen termen van billijkheid
zijn aan verweerster de door haar gevraagde vergoeding toe te kennen. Nu
een voortzetting van de arbeidsovereenkomst ook in de optiek van verweerster
niet meer mogelijk is, zal de kantonrechter die ontbinden op grond van
een gewichtige reden die gebaseerd is op de hiervoor aangehaalde gewijzigde
omstandigheden. De rechter houdt 1 juni 1999 als ontbindingsdatum aan.
Omdat verzoekster geen proceskostenveroordeling ten laste van verweerster
heeft gevraagd, zal de kantonrechter de proceskosten op na te melden wijze
compenseren.
(…)

Rechters

Mr. Van Emden

Instantie: Centraal Tuchtcollege voor de Gezondsheidszorg, 30 maart 1999

Instantie

Centraal Tuchtcollege voor de Gezondsheidszorg

Samenvatting


Een plastisch chirurg krijgt zijn cliënten doorverwezen door een commercieel
schoonheidsinstituut dat veelvuldig adverteert in huis aan huis verspreide
folders en tijdschriften met grote oplagen. De vrouw klaagt over het feit
– dat de reclame, op grond waarvan de vrouw is verwezen naar deze chirurg,
misleidende reclame betrof;
– dat de arts de vrouw niet tijdig en behoorlijk heeft geïnformeerd over de
risico=s van implantatie van borstprotheses en over het resultaat, dat van
een dergelijke ingreep redelijkerwijs verwacht mag worden;
– dat de arts de ingreep niet zorgvuldig heeft uitgevoerd. Hij heeft een
groter prothese ingebracht dan was gevraagd.
Het Centraal Tuchtcollege acht de eerste klacht gegrond. De arts had zich
behoren te laten voorlichten over de wijze waarop dit commerciële bureau de
clientéle wierf, teneinde zich ervan te vergewissen dat bij die clientéle
geen verwachtingen werden gewekt die hij niet altijd waar zou kunnen maken.
Ook de tweede klacht is gegrond. De chirurg heeft de plicht de bedoelde
inlichtingen indien mogelijk zo tijdig en onder zulke omstandigheden te
verstrekken dat de patiënt in alle rust kan beraden over die inlichtingen.
Die plicht geldt met name voor ingrepen die niet uit medisch oogpunt
noodzakelijk zijn, doch slechts om cosmetische redenen worden gewenst.
Ten aanzien van de derde klacht verschillen partijen van mening en kan slecht
geconcludeerd worden dat niet aannemelijk is geworden dat de ingreep
onzorgvuldig is uitgevoerd.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure
Bij beslissing van 25 november 1996 heeft het Medisch Tuchtcollege te
Eindhoven een klacht van klaagster tegen de arts gegrond bevonden en aan de
arts terzake een geldboete van ƒ 10.000, opgelegd. Nadat de arts van deze
beslissing in beroep was gekomen bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch
heeft het Hof bij arrest van 7 oktober 1997 die beslissing vernietigd en de
zaak verwezen naar het Centraal Tuchtcollege ter beslissing of er termen zijn
voor waarschuwing of berisping. Bij schriftuur van 15 december 1997 heeft de
arts zijn standpunt toegelicht en verzocht de klacht alsnog af te wijzen,
althans rekening te houden met zijn argumenten en zijn blanco tuchtrechtelijk
verleden. Bij schriftuur van 9 februari 1998 heeft klaagster verweer gevoerd
tegen het standpunt van de arts en haar klacht volledig gehandhaafd. Het
Centraal Tuchtcollege heeft de zaak behandeld ter zitting van 3 december
1998. Beide partijen zijn daar verschenen en gehoord. Zij werden bijgestaan
door hun raadslieden.

2. De vaststaande feiten
Het Centraal Tuchtcollege gaat in beroep uit van de navolgende feiten en
omstandigheden, die op grond van de gedingstukken en de verklaringen, die
partijen hebben afgelegd op de zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep,
genoegzaam zijn komen vast te staan:
2.1. De arts is als plastisch chirurg verbonden aan het T. te M.. Toen
ingrepen als borstvergrotingen nog slechts in beperkte mate als verzekerde
ziektekosten in aanmerking werden genomen, liep het aantal van die ingrepen
in de reguliere ziekenhuizen terug. Daarom is de arts in 1993 begonnen met
het verrichten van die ingrepen in de U. te S. gedurende gemiddeld twee
dagdelen per maand.
2.2. Ruim de helft van het aantal vrouwen, dat zich bij de praktijk van de
arts in de U. vervoegde voor het ondergaan van een cosmetische borstoperatie,
was daarheen gestuurd door een zekere W., die een schoonheidsinstituut
exploiteerde met de handelsnaam ‘V.’.
2.3. Vele van die vrouwen waren in contact gekomen met mevrouw W. na lezing
van een advertentie, die door ‘V., adviesbureau voor cosmetische chirurgie’
waren geplaatst in huis aan huis verspreide folders en tijdschriften met
grote oplagen.
2.4. In die advertenties werd reclame gemaakt voor enkele cosmetische
chirurgische behandelingen, waaronder borstvergrotingen door middel van een
prothese. Deze borstvergrotingen werden in die advertenties aangeprezen als
‘100% veilig’ en ‘100% garantie’.
2.5. Mevrouw W. placht de vrouwen, die op deze advertenties reageerden, uit
te nodigen voor een gesprek op de lokatie van V. te X.. Daar besprak zij dan
de gewenste maat en het uiterlijk van de borsten van de cliënte. Ook
bemiddelde zij desgewenst bij de financiering van de kosten van de operatie
(ƒ 6.800, waarvan ƒ 1.100, voor de arts, ƒ 1.100, voor de anesthesioloog, ƒ
3.300, voor de kliniek en ƒ 1.300, voor V.). Nadat de betaling was geregeld
verwees mevrouw W. de vrouw naar de arts voor een voorbereidend consult. Dat
consult vond soms plaats op de lokatie van V. in X., maar kon desgewenst ook
vlak voor de operatie plaatsvinden in de U. te S..
2.6. Ook klaagster zocht na lezing van een advertentie als bovenomschreven in
het weekblad ‘Actueel’ contact met mevrouw W.. Zij werd door mevrouw W. op de
lokatie van V. te X. ontvangen. Daar werden de gewenste maat en uitvoering
van de borsten besproken. Ook werd de betaling en de financiering daarvan
geregeld. Daarna gaf mevrouw W. klaagster een plaats op het operatieprogramma
van de arts van 15 oktober 1994.
2.7. Toen klaagster zich op die dag op het afgesproken tijdstip op de U.
meldde heeft zij een gesprek gehad met de arts. Na afloop van dat gesprek is
terstond aangevangen met de anesthesie, gevolgd door de operatie door de
arts.
2.8. Aangezien klaagster niet tevreden was over het resultaat van deze
operatie (zij vond haar borsten nu veel te groot) heeft de arts op 5 februari
1995 gratis een heroperatie uitgevoerd. Met het resultaat van die heroperatie
was klaagster niet ontevreden.

3. De oorspronkelijke klacht
De oorspronkelijke klacht valt uiteen in drie onderdelen, die als volgt
kunnen worden samengevat.
3.1. De arts heeft patiënten, waaronder klaagster, gekregen op grond van
misleidende reclame van V..
3.2. De arts heeft klaagster niet tijdig en behoorlijk geïnformeerd over de
risico’s van implantatie van borstprotheses en over het resultaat, dat van
een dergelijke ingreep redelijkerwijs verwacht mag worden.
3.3. De arts heeft de ingreep op 15 oktober 1994 niet zorgvuldig uitgevoerd.
Hij heeft een grotere prothese ingebracht dan door klaagster was gevraagd.

4. De beslissing in eerste aanleg
4.1. Het Medisch Tuchtcollege te Eindhoven heeft deze klacht gegrond bevonden
en daartoe in hoofdzaak het volgende overwogen. ‘Met betrekking tot het
eerste verwijt heeft verweerder aangevoerd dat hij noch commercieel noch
organisatorisch enige bemoeienis heeft met V. dat hij volledig
onafhankelijk is in zijn medisch handelen van dat bedrijf, dat hij geen
invloed heeft op de wijze waarop V. reclame voert en op eventueel misleidende
aspecten van die reclame en dat dan ook onjuist is het verwijt dat hij
medewerking verleent aan de bedrijfsvoering van V.. Verweerder heeft ter
zitting met betrekking tot zijn praktijkvoering aangevoerd dat hij als
plastisch chirurg verbonden is aan het T. in M. en dat hij
daarnaast sedert september 1993 twee dagdelen per maand als plastisch chirurg
werkzaam is in de U., dat hij daar zowel spreekuur houdt als
operaties uitvoert, dat hij jaarlijks 50 a 75 plastische chirurgische
operaties uitvoert bij patiënten die door V. naar hem verwezen zijn en dat
hij die behandelingen ook bij V. in rekening brengt. Er is dus blijkbaar
sprake niet van een incidentele maar van een systematische samenwerking
tussen V. en verweerder en door de patiënten die, aangelokt door de reclame
van V., zich voor een medische cosmetische behandeling tot dat bedrijf
wenden, zal verweerder worden beschouwd als verlengstuk van V. en werkende
voor dat bedrijf. Daarbij is nog van belang dat de afspraken tussen V. en die
patiënten voor de behandeling in de U. blijkbaar rechtstreeks worden gemaakt
door V.. Daar verweerder de toegangsweg van de patiënten die hij in de U.
behandelde heeft laten verlopen via V., kon en behoorde hij te beseffen dat
in de beeldvorming van die patiënten hij van dat bedrijf deel uitmaakt
althans daar zeer nauw mee samenwerkt. Dit betekent weer dat hij ook in
tuchtrechtelijk opzicht medeverantwoordelijk is voor de wijze van
reclamevoering van V. en de daarbij gewekte verwachtingen. Toezeggingen als
‘100% veilig’ en ‘100% garantie’ kunnen voor de medische aspecte

n van de behandeling niet gestand gedaan worden en doen daarom afbreuk aan
het vertrouwen in de stand der geneeskunde. Het moet verweerder ernstig
worden aangerekend dat hij zich noch jegens V. noch jegens de patiënten die
zich via dat bedrijf tot hem wenden heeft gedistantieerd van deze wijze van
reclamevoering. Het College heeft ook kritiek op de wijze waarop de
preoperatieve informatie is gegeven. Verweerder heeft dienaangaande
aangevoerd dat hij de gewoonte heeft geruime tijd voor de dag van de operatie
aan patiënten uitgebreide informatie daarover te verstrekken, maar dat
klaagster P. niet bereid was voor een dergelijk gesprek naar X. te komen en
dat hij daarom geen andere keuze had dan haar die informatie kort voor de
ingreep te verstrekken. Het College verwerpt dit verweer, omdat, indien
inderdaad juist is dat klaagster P. niet bereid was voor een preoperatief
consult vanuit haar woonplaats Q. naar X. te reizen, hetgeen door haar
overigens is ontkend, verweerder haar had moeten meedelen dat hij onder die
omstandigheden van de ingreep afzag, omdat het niet verantwoord was deze uit
te voeren zonder behoorlijke preoperatieve informatie. Volgens klaagster P.
heeft het preope ratieve gesprek enkele minuten geduurd, volgens verweerder
een kwartier en misschien wel een half uur. Volgens de status heeft
verweerder gevraagd naar vroegere ziekten, waarbij hij heeft aangetekend
‘g.b.’, naar in het verleden uitgevoerde operaties, waarbij hij heeft
aangetekend dat klaagster aan een been was geopereerd, waarbij echter geen
bijzonderheden met betrekking tot de aard van de ingreep zijn vermeld en naar
de medicatie waarbij is vermeld dat klaagster orale anticonceptie gebruikte.
Er is echter niet gevraagd of klaagster kinderen had en of zij borstvoeding
had gegeven. Ook is de naam van klaagsters huisarts niet genoteerd.
Verweerder zegt dat hij informatie heeft verstrekt over de mogelijkheid van
littekenvorming, over optredende problemen met de tepels en over andere
complicaties en over de soort prothesen die hij wilde impla

nteren. Klaagster P. heeft echter betwist dat verweerder daarover heeft
gesproken en in de status is daarvan ook niets terug te vinden. Gezien de
zeer summiere aantekeningen in de status acht het College niet aannemelijk
dat het onderzoek van verweerder zich heeft uitgestrekt tot andere dan de
daar genoemde onderwerpen en dat hij aan klaagster een meer dan summiere
informatie over de ingreep, het te verwachten resultaat en de mogelijk
optredende complicaties heeft verstrekt. Het College is voorts van oordeel
dat, afgezien van de omvang van de informatie, deze reeds tekort schoot
wegens het tijdstip waarop de informatie is verstrekt. Klaagster P. heeft
immers niet de gelegenheid gehad die informatie te verwerken en zich te
beraden over de vraag of zij inderdaad de ingreep waarvoor geen medische
indicatie bestond wilde ondergaan. Opvallend is ook dat een verslaglegging
van de preoperatieve situatie van de borsten ontbreekt. Naar het oordeel van
het College is verweerder ook in de postoperatieve zorg tekort geschoten. Hij
heeft weliswaar aan klaagster een brief voor haar huisarts meegegeven, maar
er is geen controleconsult afgesproken. Het College acht verweerder niet
verantwoordelijk voor het gebruik door klaagster van een valiumtablet en de
omstandigheid dat klaagster, zoals zij stelt, daardoor de karige door
verweerder verstrekte preoperatieve informatie niet goed kon opnemen. Het
staat immers vast dat dit tablet aan klaagster is gegeven door een assistente
van W. en het is niet gebleken dat verweerder daarvan op de hoogte was. Met
betrekking tot de wijze van uitvoering van de operatie merkt het College nog
op dat het niet beschikt over voldoende gegevens om een oordeel te geven over
de vraag of het wellicht beter was geweest indien verweerder bij de ingreep
van 15 oktober 1994 de prothese had aangebracht onder de borstspier. Het
College kan zich niet verenigen met het derde verwijt. Gebleken is dat
klaagster heeft te kennen gegeven dat zij geen grote borsten wilde en dat zij
heeft gesproken over cupmaat B maar d

at zij verlangens en verwachtingen voldoende heeft duidelijk gemaakt en
geconcretiseerd is niet komen vast te staan. Afgezien daarvan kan een
operateur natuurlijk nooit met 100% zekerheid garanderen dat het
eindresultaat van de operatie geheel beantwoordt aan de voordien bij een
patiënt bestaande verwachtingen. Uit het vorenstaande volgt de gegrondheid
van de eerste twee onderdelen van de klacht van klaagster P. Verweerder heeft
door zich onvoldoende te distantiëren van de commerciële bedrijfsvoering van
V. het vertrouwen in de stand der geneeskunde in ernstige mate ondermijnd.
Daarnaast is hij ook in strikt medisch opzicht tekort geschoten door
onvoldoende preoperatief onderzoek en informatie vertrekking. Verweerder
heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn werkwijze bij andere patiënten die
door V. naar hem verwezen waren wezenlijk anders en beter was. Ter verklaring
van zijn samenwerking met V. heeft hij aangevoerd dat hij na invoering van
beperkingen voor Ziekenfondspatiënten ten aanzien van plastisch chirurgische
behandelingen de plastische chirurgie in volle omvang heeft willen blijven
uitoefenen. Hij had zich echter moeten realiseren dat hij ook in de
samenwerking met V. zich moest houden aan de professionele standaard. ‘
4.2. Het Medisch Tuchtcollege te Eindhoven heeft de arts terzake een
geldboete van ƒ 10.000, opgelegd, na daartoe als volgt te hebben overwogen.
‘Uit de behandeling van de klacht van klaagster P. is gebleken dat het hier
niet om een incident ging, maar dat de in het geval van klaagster P. getoonde
handelwijze eerder als illustratie kan worden opgevat van de aanpak van
verweerder bij de behandeling van al die patiënten die via V. naar hem werden
verwezen voor een borstvergrotende ingreep. Verweerder is in ernstige mate
tekort geschoten en wel in die mate dat hem de maximale geldboete als
tuchtrechtelijke maatregel moet worden opgelegd.’

5. Het arrest van het Gerechtshof te ‘sHertogenbosch
5.1. Het Gerechtshof te ‘sHertogenbosch heeft de beslissing van het Medisch
Tuchtcollege te Eindhoven vernietigd en daartoe in hoofdzaak het volgende
overwogen. ‘Het hof onthoudt zich van een oordeel over de vraag of en in
hoeverre appellant zich heeft schuldig gemaakt aan handelingen als in artikel
1 van de Medische Tuchtwet bedoeld, nu het de zaak niet zelf zal afdoen. Het
kan zich echter niet verenigen met de waardering door het College van de
besproken gedragingen en acht de opgelegde maatregel onevenredig zwaar. Nu
niet is gebleken dat appellant door in zijn vakkring uitgekristalliseerde
standpunten en richtlijnen was gewaarschuwd voordat hij aan zijn
werkzaamheden voor V. begon, acht het hof geen termen aanwezig voor het
opleggen van de relatief zware maatregel van geldboete. Het hof vindt
aanleiding de beroepen beslissing te vernietigen en de zaak op de voet van
artikel 7 lid 3 van de wet te verwijzen naar het Centraal College ter
beslissing of er termen zijn voor waarschuwing of berisping, nu het geval
daarvoor in aanmerking komt.’
5.2. Het hof heeft de zaak vervolgens verwezen naar het Centraal Tuchtcollege
ter beslissing of er termen zijn voor waarschuwing of berisping.

6. De omvang van het beroep
6.1. Het Gerechtshof te ‘sHertogenbosch heeft zich onthouden van een oordeel
over de vraag of het Medisch Tuchtcollege te Eindhoven terecht heeft
overwogen dat de arts zich heeft schuldig gemaakt aan handelingen als bedoeld
in artikel 1 van de Medische Tuchtwet.
6.2. Het Centraal College is derhalve gehouden tot een volledige
heroverweging van dit oordeel.

7. Beoordeling van het handelen van de arts
7.1. Met betrekking tot het eerste onderdeel van de klacht overweegt het
Centraal College als volgt.
7.1.1. Vast staat dat de arts wist dat ongeveer de helft van het aantal
vrouwen, dat zich op zijn praktijk in de U. vervoegde voor het ondergaan van
een borstcorrigerende ingreep, werd aangebracht door mevrouw W., die op
commerciële basis een ‘adviesbureau voor cosmetische chirurgie’ exploiteerde.
7.1.2. Vooral met het oog op dit laatste had de arts zich behoren te laten
voorlichten over de wijze, waarop mevrouw W. haar cliëntèle wierf, teneinde
zich ervan te vergewissen dat bij die cliëntèle geen verwachtingen werden
gewekt, die hij niet altijd waar zou kunnen maken. 7.1.3. Indien de arts zich
van deze plicht had gekweten, zou hij, naar moet worden aangenomen, zijn
geconfronteerd met de hierboven beschreven advertenties, waarin op
onverantwoorde wijze werd gesproken van ‘100% veilig’ en ‘100% garantie’.
7.1.4. Door deze plicht te veronachtzamen heeft de arts het vertrouwen in de
stand der geneeskundigen ondermijnd op een wijze als bedoeld in artikel 1 van
de Medische Tuchtwet. 7.2. Met betrekking tot het tweede onderdeel van de
klacht overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt.
7.2.1. Vast staat dat de arts, alvorens op 15 oktober 1994 aan te vangen met
de geplande operatie, een preoperatief gesprek met klaagster heeft gehad. De
vraag wat daar precies is besproken, wordt door partijen verschillend
beantwoord. Ook over de duur van het gesprek
bestaat tussen partijen verschil van mening. Bij die stand van zaken kan het
Centraal Tuchtcollege slechts concluderen dat niet aannemelijk is geworden
dat de arts zich niet of onvoldoende heeft gekweten van zijn thans in artikel
7:448 van het Burgerlijk Wetboek gecodificeerde, maar reeds in 1994 binnen de
beroepsgroep aanvaarde plicht om zijn patiënt vóór de operatie op duidelijke
wijze in te lichten over te verwachten gevolgen van de operatie en de
risico’s daarvan voor de gezondheid van de patiënt.
7.2.2. Evenzeer reeds in 1994 aanvaard binnen de beroepsgroep was de plicht
om bedoelde inlichtingen indien mogelijk zo tijdig en onder zulke
omstandigheden te verstrekken dat de patiënt zich in alle rust kan beraden
over die inlichtingen en over de vraag of hij daarin wellicht aanleiding ziet
om van de ingreep af te zien. Die plicht geldt binnen de beroepsgroep met
name voor ingrepen, die niet uit medisch oogpunt noodzakelijk zijn, doch
slechts om cosmetische redenen worden gewenst.
7.2.3. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft de arts aan deze
plicht niet voldaan. Doorslaggevend voor dit oordeel is de omstandigheid dat
het preoperatieve gesprek plaats vond nadat klaagster al voor de operatie had
betaald aan V. (mevrouw W.) en dat dit gesprek terstond na afloop werd
gevolgd door de operatie. Dat klaagster – naar door de arts wordt gesteld,
maar door klaagster wordt ontkend – zelf op spoed zou hebben aangedrongen,
vermag aan dat oordeel niet af te doen.
7.2.4. Ook in dit opzicht heeft de arts gehandeld in strijd met het bepaalde
in artikel 1 van de Medische Tuchtwet; hij heeft door zijn handelwijze het
vertrouwen in de stand der geneeskundigen ondermijnd.
7.3. Met betrekking tot het derde onderdeel van de klacht overweegt het
Centraal Tuchtcollege als volgt.
7.3.1. Partijen verschillen van mening over de vraag wat tussen hen is
afgesproken over de gewenste borstomvang. Bij die stand van zaken kan het
Centraal Tuchtcollege slechts concluderen dat niet aannemelijk is geworden
dat de operatie door de arts in strijd met die afspraak en dus onzorgvuldig
zou zijn uitgevoerd.

8. Beoordeling van de zwaarte van de maatregel
8.1. De arts heeft gesteld dat de gang van zaken bij het voorbereidend
gesprek, een incident is geweest en dat dit gesprek als regel wel degelijk
tijdig vóór de operatie plaats vindt. Hoewel uit de stukken ook aanwijzingen
voor het tegendeel zouden kunnen worden geput, zal het Centraal Tuchtcollege
op dit punt aan de arts het voordeel van de twijfel gunnen.
8.2. Het verzuim van de arts om zich te vergewissen van de aard van de
wervingsactiviteiten van mevrouw W. kan echter niet als een
incident worden aangemerkt.
8.3. Gezien de ernst van dat verzuim acht het Centraal College na te melden
maatregel geboden. 8.4. Het College vind om redenen, aan het algemeen belang
ontleend, aanleiding te bepalen dat de onderhavige beslissing op de wijze,
voorgeschreven in artikel 13b, eerste lid, van de Medische Tuchtwet zal
worden bekend gemaakt in na te melden tijdschriften.

9. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, rechtdoende na verwijzing:
– verklaart de klacht gegrond; – legt de arts terzake de maatregel van
berisping op; – bepaalt dat deze beslissing overeenkomstig artikel 13b van de
Medische Tuchtwet zal worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant
en door toezending aan de redactie van het tijdschrift voor Gezondheidsrecht
en Medisch Contact met verzoek tot plaatsing.

Rechters

Mr J.J.R. Bakker, voorzitter; Dr J.J. Hamming, Prof.Dr C.A.F. Tulleken, J.S.Pöll, Dr J.B.L. Hoekstra, ledengeneeskundigen; Mr P. Neleman; Mr H.J.SluytersHamburger, secretaris

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 30 maart 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Verdachte, werkzaam als sportmasseur, is veroordeeld tot 6 maanden
gevangenisstraf wegens het plegen van ontucht met iemand die zich als cliënt
aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd. Het werk als sportmasseur valt in
het onderhavige geval onder de werking van art. 249 lid 2 sub 3 Sr. Het hof
heeft de verklaring van verdachte, waarin hij het plegen van het delict
bekent, als bewijs mogen gebruiken, ook al heeft verdachte in een later
stadium ontkend. De rechter mag zelf beslissen welke waarde wordt toegekend
aan een bepaald bewijsmiddel.

Volledige tekst

DE BESTREDEN UITSPRAAK

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep met vernietiging van een vonnis van de
Arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 23 mei 1996 – de verdachte
vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde
en hem voorts ter zake van ‘werkzaam in de gezondheidszorg of
maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn
hulp of zorg heeft toevertrouwd’ veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf,
voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde
als in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de verdachte ontzet van
het recht het beroep van masseur uit te oefenen voor de tijd van vier jaren.
voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in
voege als in het arrest vermeld.

1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel
uit.

2. GEDING IN CASSATIE

Het beroep – dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak – is
ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr A.A.H.M. van der Wijst,
advocaat te Boxtel, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De
schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep
zal verwerpen.

3. BEOORDELING VAN HET EERSTE MIDDEL

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende
gemotiveerd, mede bewezen heeft verklaard dat de verdachte werkzaam was in de
gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg en dat het slachtoffer aan zijn
hulp en/of zorg was toevertrouwd.

3.2. Bij de Wet van 9 oktober 1991 tot wijziging van de artikelen 242 tot en
met 249 van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1991, 519) is aan het tweede lid
van art. 249 Sr onder 3 toegevoegd de strafbaarstelling van ‘degene die,
werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met
iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft
toevertrouwd’. Daarmede werd blijkens de Memorie van Toelichting
(Kamerstukken 11 1988-1989, 20930, nr. 3, blz. 7/8) beoogd ook
strafrechtelijke bescherming te bieden tegen seksuele benadering van de zijde
van de genoemde hulpverleners.

3.3. Uitgangspunt moet zijn dat de strafbaarstelling in art. 249, tweede lid
onder 3, Sr, gelet op de strekking daarvan, geldt voor alle gevallen waarin
tussen de betrokkenen een relatie als in deze wetsbepaling bedoeld bestaat.

3.4. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de
verdachte gediplomeerd sportmasseur is, dat hij ongeveer 31 jaar zijn
praktijk uitoefent, dat hij de personen die hij behandelt aanduidt als
patiënten, dat hij ongeveer 60 patiënten per week behandelt, dat het
slachtoffer vanwege langdurige rugklachten zich op advies van haar manuele
therapeut tot de verdachte heeft gewend om door hem haar rugspieren te laten
masseren en dat het slachtoffer, toen het feit werd gepleegd, voor de derde
keer bij de verdachte was om door hem te worden gemasseerd.

3.5. Uitgaande van de hiervoor onder 3.4 weergegeven vaststellingen heeft het
Hof geoordeeld dat de verdachte in de gezondheidszorg en/of de
maatschappelijke zorg werkzaam was en dat het slachtoffer zich aan zijn hulp
en/of zorg heeft toevertrouwd. Dit oordeel geeft geen blijk van een verkeerde
rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De klacht faalt derhalve.

3.6. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4. BEOORDELING VAN HET TWEEDE MIDDEL

4.1. Het middel houdt blijkens de toelichting daarop de klacht in dat het Hof
ten onrechte de bekennende verklaring die de verdachte ten overstaan van de
rechter-commissaris heeft afgelegd voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl de
verdachte in een later stadium een ontkennende verklaring heeft afgelegd
alsmede dat het Hof ten onrechte de verklaring van de echtgenoot van het
slachtoffer voor het bewijs heeft gebruikt.

4.2. Het middel miskent dat het is voorbehouden aan de rechter die over de
feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het
beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een
oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt. Daarbij mag de rechter
datgene terzijde stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. Deze
beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen waarvan in casu niet is
gebleken, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden
bestreden.

4.3. Het middel dient derhalve te worden verworpen.

5. BEOORDELING VAN HET DERDE MIDDEL

5.1. Het middel klaagt erover dat het Hof de verdachte heeft ontzet van het
recht om het beroep van masseur uit te oefenen aangezien de verdachte niet
werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg.

5.2. In het licht van het hiervoor onder 3 overwogene faalt ook dit middel.

6. SLOTSOM

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden terwijl de Hoge Raad ook geen
grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn
oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het
beroep worden verworpen.

7. BESLISSING

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
[…]

TEKST ARREST HOF:

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal en
van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere
bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging
over.

De bewezenverklaring

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte
primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair
ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij: op 3 oktober 1995
te O., terwijl hij, verdachte, toen (als masseur) werkzaam was in de
gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met X.,
die zich als cliënt aan zijn, verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd,
immers heeft hij, verdachte, tijdens een massage van genoemde X. telkens
ontuchtig:
– de benen van die X. uit elkaar geduwd;
– (onverhoeds) zijn, verdachtes, hand in/onder de onderbroek van
genoemde X. gedaan en/of
– één van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die X. geduwd of
gebracht en/of
– een arm/hand van die X. in de richting van en tegen zijn, verdachtes, penis
geduwd en/of
– de borsten van die X. betast en een borst van die X. gekust.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte
subsidiair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is
aangenomen, zodat de verdachte daarvan met worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen staan vermeld in de aanvulling als
bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering,
welke artikelen in artikel 415 van genoemd wetboek op het rechtsgeding bij
het gerechtshof van overeenkomstige toepassing worden verklaard; deze
aanvulling is aan dit arrest gehecht.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust
op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde
bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het
bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij
artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3, juncto artikel 249, eerste lid,
van het Wetboek van Strafrecht. Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna
in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de
verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en
ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het
bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en
ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de straftoemeting heeft het hof enerzijds ten bezware van de
verdachte rekening gehouden met:
– de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare
feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde
wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden
opgelegd;
– de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft
gebracht;
– de omstandigheid dat de verdachte geen inzicht heeft getoond in zijn
strafbare handelen, de ernst ervan, het misbruik van het vertrouwen dat in
hem, in zijn hoedanigheid van masseur, werd gesteld en de gevolgen van zijn
handelen bij het slachtoffer.
Anderzijds heeft het hof bij de straftoemeting in het voordeel van de
verdachte rekening gehouden met:
– de hoge leeftijd van de verdachte, namelijk 67 jaar;
– de omstandigheid dat de verdachte terzake soortgelijke strafbare feiten nog
niet eerder is veroordeeld;
– de bereidheid van de verdachte tot vergoeding van de teweeg gebrachte
schade.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van het rapport van de
psycholoog L.J. Rempt, van 28 januari 1996, omtrent de persoonlijkheid van de
verdachte, waaruit blijkt dat het door de verdachte gepleegde misdrijf hem
slechts in verminderde mate kan. worden toegerekend.

Het hof heeft, vorenstaande omstandigheden in aanmerking genomen, aanleiding
gevonden te bepalen dat de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm zal worden
opgelegd en dat daaraan de hieronder te vermelden bijzondere voorwaarde zal
worden verbonden.

Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt de ernst van het
bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht, maar de strafoplegging
anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Voorts zal het hof de verdachte ontzetten van het recht het beroep, als
masseur uit te oefenen voor na te melden duur. De verdachte heeft het feit
begaan ten tijde van de uitoefening van zijn beroep en het hof is van oordeel
dat ontzetting als bovenvermeld noodzakelijk is om de kans op herhaling –
zoals ook blijkt uit eerder vermeld psychologisch rapport – van het plegen
van soortgelijke feit zo veel mogelijk te verkleinen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat X., wonende te N.,
(…), als gevolg van het bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot
een bedrag van ƒ 2.647,50.
Het hof stelt de materiële schade op ƒ 147,50.
Uit het onderzoek is voorts gebleken dat het slachtoffer immateriële schade
heeft geleden, welke het hof naar billijkheid begroot op ƒ 2.500.
Het hof zal daarom aan de verdachte ter verplichting opleggen aan de Staat
een bedrag van ƒ 2.647,50 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

De vordering van de benadeelde partij

X., wonende te N., (…), heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het
Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als
benadeelde partij en een vordering ingediend. In hoger beroep heeft de
benadeelde parti gepersisteerd bij haar in eerste aanleg gedane vordering.
Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is gedeeltelijk betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is
komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het
bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden en wel:
– met betrekking tot de materiële schade een bedrag van ƒ 147,50;
– met betrekking tot de immateriële schade komt het hof tot een vergoeding
van een bedrag van ƒ 2.500.
De vordering dient tot het bedrag van ƒ 2.647,50 te worden toegewezen.
De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten
laste van de verdachte gebracht.

Het hof zal ingevolge artikel 361 van het Wetboek van Strafvordering bepalen
dat de benadeelde partij voor het overige deel van haar vordering
niet-ontvankelijk is, nu de vordering voor wat betreft het meer gevorderde
niet van zo eenvoudige aard is dat dat gedeelte zich leent voor behandeling
in het strafgeding en dat zij dat deel van haar vordering slechts bij de
burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Het hof zal bepalen dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting
tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 2.647,50 ten behoeve van het
slachtoffer X., daarmede de verplichting van de verdachte om aan de
benadeelde partij een bedrag van ƒ 2.747,50 te betalen komt te vervallen
(zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte aan de benadeelde
partij een bedrag van ƒ 2.647,50 heeft betaald, daarmee de verplichting tot
betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 2.647,50 ten behoeve van het
slachtoffer X. komt te vervallen).

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c,
27, 28, 31, 36f en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft
begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de
verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte subsidiair meer of anders is ten
laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte
daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
‘Werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht plegen met
iemand die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd’.

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van zes
maanden.

Beveelt dat de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd,
tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde de
voorwaarde niet heeft nageleefd zich voor het einde van een proeftijd van
twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, dan wel de volgende
bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
contact zal onderhouden met de Reclassering Nederland, Leeghwaterstraat 30 te
‘s-Hertogenbosch, althans met enig andere reclasseringsinstelling, en zich
zal houden aan de aanwijzingen en voorschriften hem te verstrekken door
voormelde instelling, zolang voormelde instelling zulks wenselijk acht.

Geeft opdracht aan de desbetreffende instelling de veroordeelde gedurende de
proeftijd hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere
voorwaarde.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in
verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering
van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden
gebracht.

Ontzet verdachte van het recht het beroep van masseur uit te oefenen voor de
tijd van vier jaar.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve
van het slachtoffer X., wonende te N., (…), te betalen een bedrag van ƒ
2.647,50 (zegge: tweeduizend zeshonderdzevenenveertig gulden en vijftig
cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor
de duur van vijfendertig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de
vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van
het slachtoffer niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte
om tegen bewijs van kwijting te betalen aan: X., wonende te N., (…), een
bedrag van ƒ 2.647,50.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding voor de
benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te
maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering voor
het overige verzochte en dat de benadeelde partij dat deel van haar vordering
slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de
vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de
verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling
van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de
verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van
het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn
verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is
voldaan.
[…]

AANVULLING BEWIJSMIDDELEN:

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor
zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt:

Ik ben gediplomeerd sportmasseur. X. is bij mij onder behandeling geweest
voor rugpijn. Ik heb op 3 oktober 1995 X. in O. behandeld. Zij was, gekleed
in een bh en een onderbroek, op de behandeltafel gaan liggen.
Ik heb toen eerst haar rug gemasseerd. Ik heb haar gevraagd of ze zich wilde
omdraaien. Ik heb haar borstspieren gemasseerd.
Ik ben met mijn vingers in de buurt van de vagina geweest.

2. De verklaring van de getuige X. ter terechtzitting in hoger beroep, voor
zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt:

Op 3 oktober 1995 had ik een afspraak bij de heer G. in zijn praktijk,
gelegen aan de (…) te O.
Ik had al tweeëneenhalf jaar rugklachten. Mijn manuele therapeut heeft mij
geadviseerd om door middel van massage mijn spieren in de rug los te laten
maken.
Ik kwam op 3 oktober 1995 voor de derde keer bij G. Ik moest mijn
bovenkleding uit doen en kon mijn onderbroek en bh aanhouden. Ik ging op mijn
buik op de massagetafel liggen. Hij heeft eerst mijn rug en mijn benen
gemasseerd. Vervolgens ben ik op mijn rug gaan liggen. Hij masseerde toen
mijn borsten. Toen hij mijn borsten masseerde sloeg ik lam. Ik dacht: ‘Wat
gebeurt hier nou’.
Vervolgens ging hij mijn benen masseren. Hij duwde mijn benen telkens uit
elkaar en ik duwde ze weer tegen elkaar aan. Hij raakte mijn slip aan en mijn
vagina. Hij legde zijn hand op mijn vagina. Hij heeft twee keer over de
vagina gewreven en hij heeft zijn vinger in mijn vagina gehad.
Op een gegeven moment pakte hij mijn hand en bracht mijn hand naar zijn broek
ter hoogte van zijn kruis. Hij zei tegen zij: ‘Houd hem maar stevig vast’. Ik
wilde dat niet en deed mijn hand terug tussen mijn benen.
Hij heeft mijn bh weggetrokken en is met zijn mond over mijn borsten gegaan.
Hij heeft mijn borst gekust. ook is hij nog met zijn hand over mijn vagina
gegaan.
Ik kon niet opstaan en weglopen. Ik had vreselijke pijn in mijn rug. De tafel
was hoog. Ik had een afstapje nodig om van die tafel af te kunnen komen. Ik
kon geen kant op.
Ik was zo verbouwereerd dat ik geen kant op kon. Ik kon wel schreeuwen maar
dat had geen zin, er was verder niemand.

3. Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling
van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch, RC-nr.:
95/770, d.d. 16 november 1995, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover
dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als verklaring van de verdachte aan de
rechtercommissaris:

Het klopt dat ik tijdens een behandeling van mw. X. met mijn vingers in haar
vagina ben geweest tijdens het masseren. Het klopt dat ik met een hand onder
haar onderbroek ben gegaan en met mijn vingers in haar vagina ben geweest. Ik
heb haar benen uit elkaar geduwd. Ook heb ik de bovenkant van haar borsten
gemasseerd en heb ik één maal een kus op haar borst gegeven. Ook is juist dat
ik twee keer een arm van haar tegen mijn broek ter hoogte van mijn penis heb
geduwd.
Ik behandel ongeveer 60 patiënten per week. Ik oefen reeds ruim 31 jaar mijn
praktijk uit.

4. Een proces-verbaal van aangifte van de Regiopolitie (…) District (…),
mutatienr: PL2140/95-413067, d.d. 4 oktober 1995, in de wettelijke vorm
opgemaakt, dossier – paragraaf 1.1, voor zover dit – zakelijk weergegeven –
inhoudt als de op 4 oktober 1995 afgelegde verklaring van X. aan de
desbetreffende verbalisant:

Ik doe aangifte. Ik ben door feitelijkheden gedwongen tot het dulden van
ontuchtige handelingen.
Tijdens de door G. gepleegde handelingen, voelde ik mij op dat moment
verlamd. Ik kreeg een gevoel van angst. Ik kon niet zomaar weg omdat ik hulp
nodig had om van dat bed af te komen.

5 . Een proces-verbaal van de Regiopolitie (…) District (…), mutatienr:
PL2140/95-413067, d.d. 4 oktober 1995, in de wettelijke vormt opgemaakt,
dossier-paragraaf 1.2, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als de
op 4 oktober 1995 afgelegde verklaring van V. aan de desbetreffende
verbalisant:

Op 3 oktober 1995 had mijn echtgenote X. een afspraak bij de heer G., masseur
te O. Toen ze thuis was, kwam ze naar mij toe en zei: ‘Hij heeft me genomen.’
Ik vroeg aan haar wat ze bedoelde, waarna ze zei: ‘De masseur heeft mij
gepakt.’ Ze vertelde mij dat G. haar had betast. Op de vraag hoe G. dat dan
gedaan had zei mijn echtgenote dat G. aan haar borsten had gezeten, dat hij
tussen haar benen aan haar vagina had gezeten en dat ze zijn penis had moeten
betasten.

CONCLUSIE A-G FOKKENS:

1. Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld terzake
van het plegen van ontucht met een cliënt, die hij tijdens een massage
ontuchtig heeft betast en gezoend. Volgens de bewezenverklaring heeft
verdachte deze handelingen gepleegd terwijl hij als masseur werkzaam was in
de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg werkzaam was.

2. Namens verdachte heeft mr A.A.H.M. van der Wijst, advocaat te Boxtel, drie
middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans
onvoldoende gemotiveerd, bewezen heeft verklaard dat verdachte werkzaam was
in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg en dat het slachtoffer aan
zijn hulp en/of zorg was toevertrouwd.

4. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd:
‘Daarnaast is cliënt niet werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke
zorg. Hij heeft een privé-sauna waar men ook gemasseerd kan worden. Cliënt is
geen lid van beroepsorganisaties, noch worden mensen door huisartsen of
specialisten naar hem doorverwezen.’ (pleitnota, p.2)
en:
‘De verdachte is niet beroepsmatig met zijn werkzaamheden bezig geweest, maar
als hobby. Er is geen sprake van een beroepssituatie en ik vraag derhalve
vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde.’ (p-v terechtzitting hoger
beroep, p. 5).

Verdachte zelf heeft ter terechtzitting onder andere gezegd:
‘Ik heb het werk als masseur nooit beroepsmatig gedaan.’

5. Het hof heeft in de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld:
(verklaring verdachte, bewijsmiddel 1 en 3)
‘ik ben gediplomeerd sportmasseur. X. is bij mij onder behandeling geweest
voor rugpijn (…). Het klopt dat ik tijdens de behandeling van mw X. met
mijn vingers in haar vagina ben geweest (…). Ik behandel ongeveer 60
patiënten per week. Ik oefen reeds ruim 31 Jaar mijn praktijk uit.’
(verklaring G., bewijsmiddel 2)
‘ (…) had ik een afspraak bij de heer G. in zijn praktijk. Ik had al
tweeënhalf jaar rugklachten. Mijn manuele therapeut heeft mij geadviseerd om
door middel van massage mijn spieren in de rug los te laten maken. Ik kwam op
3 oktober 1995 voor de derde keer bij G.’

Het is de vraag of dit feitencomplex toereikend is zijn om tot
bewezenverklaring van het tenlastegelegde ‘werkzaam in de gezondheidszorg
en/of maatschappelijke zorg’ te komen.

6. Bij Wet van 1 oktober 1991 (Stb. 519; in werking getreden op 1 december
1991) is aan artikel 249, tweede lid, Sr toegevoegd als:

3 degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg,
ontucht met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft
toevertrouwd.

7. De Memorie van Toelichting geeft weinig duidelijkheid over de inhoud van
de begrippen werkzaam in de gezondheidszorg of de maatschappelijke
dienstverlening. De strafbepaling is in de eerste plaats toegevoegd a) omdat
art. 249, lid 2, sub 2 personen die in een inrichting zijn opgenomen, geen
bescherming bood tegen anderen dan de in het artikel genoemde
functionarissen, wat in het bijzonder ten aanzien van psychiatrische
patiënten volgens de MvT een ernstige leemte was en b) omdat deze bepaling
geen bescherming bood aan degenen die ‘zonder in de inrichting te zijn
opgenomen de daar werkzame personen consulteren’. (MvT TK 1988-1989, 20 930,
p.7). Een tot a) beperkte uitbreiding van de strafbaarstelling in art. 249,
lid 2, sub 2 Sr zou in overeenstemming zijn geweest met de voorstellen van de
Commissie Melai (Eindrapport van de adviescommissie zedelijkheidswetgeving,
38-39). Het wetsvoorstel ging echter verder door na een verwijzing naar
‘steeds meer geluiden gehoord van patiënten die te lijden hebben gehad van
een of andere vorm van ongewenst seksuele benadering van de zijde van
hulpverleners’ voor te stellen de strafbaarstelling uit te breiden tot alle
personen werkzaam in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg, die
ontucht plegen met personen die zich als patiënt of cliënt aan hun zorg of
hulp hebben toevertrouwd. De Memorie van Antwoord zegt op een desbetreffende
vraag van leden van de CDA-fractie nog dat huisarts en tandarts ‘zeker’ onder
de categorie ‘werkzaam in de gezondheidszorg’ vallen (MvA 1988-1989, 20 930,
p. 16). Meer is er bij de parlementaire behandeling niet over opgemerkt.

8. Bij deze stand van zaken ligt het voor de hand om aan te sluiten bij wat
in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden verstaan onder
gezondheidszorg en maatschappelijke zorg. Ik merk daarbij op dat een beperkte
opvatting van gezondheidszorg weinig beperking ten aanzien van strafbaarheid
zal opleveren, omdat personen wier werkzaamheden (dan) net buiten de
gezondheidszorg vallen in het algemeen zullen worden beschouwd als personen
werkzaam in de maatschappelijke zorg. Hier heeft het hof, dat heeft
vastgesteld dat de verdachte
– gediplomeerd sportmasseur is;
– ongeveer 31 jaar zijn praktijk (een term die duidt op een (para)medisch
karakter van zijn werkzaamheden) uitoefent;
– de personen die hij behandelt aanduidt als patiënten;
– ongeveer 60 patiënten per week behandelt;
en dat X. zich
– vanwege langdurige rugklachten;
– op advies van haar haptonoom tot verdachte heeft gewend om door hem haar
rugspieren te laten masseren;
alsmede
– dat X., toen het feit werd gepleegd, voor de derde keer bij verdachte was
om door hem te worden gemasseerd,
kunnen oordelen dat dit geheel van omstandigheden betekent dat verdachte in
de gezondheidszorg en/of de maatschappelijke zorg werkzaam was en dat hij
zijn werkzaamheden beroepsmatig verrichtte.

9. Anders dan in het middel (overigens zonder nadere motivering) wordt
betoogd, is op basis van deze bewijsmiddelen evenmin onbegrijpelijk dat het
hof heeft geoordeeld dat X. zich aan de hulp en/of zorg van verdachte heeft
toevertrouwd. Voor toevertrouwen is weinig nodig (J. de Hullu, T&C Sr,
art.249, aantek.7d). Gelet op de tot het bewijs gebezigde verklaring X. dat
zij op advies van haar manuele therapeut naar verdachte is gegaan om door
middel van massage haar spieren in haar rug los te laten maken en gelet op
hetgeen is vastgesteld over de gang van zaken bij die massage, geeft ’s hofs
oordeel geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Ook deze klacht faalt.

10. Voor zover in de toelichting op het middel overigens feiten en
omstandigheden worden genoemd die erop zouden duiden zien dat de
werkzaamheden van verdachte geen beroepsmatig karakter hadden, mist het
feitelijke grondslag. Deze omstandigheden zijn namelijk niet eerder
aangevoerd en ook heeft het hof terzake niets vastgesteld. Het middel faalt.

11. Alvorens het tweede middel te bespreken, ga ik op het derde middel in,
dat rechtstreeks met het eerste middel samenhangt Het hof zou, zo wordt
gesteld, verdachte niet hebben mogen ontzetten van het recht het beroep van
masseur uit te oefenen. Verdachte was immers niet werkzaam in de
gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg.

12. Voorwaarde voor de ontzetting van de uitoefening van het beroep is in dit
geval dat de schuldige het misdrijf in de uitoefening van zijn beroep heeft
begaan (art 251, lid 2, Sr). Over het begrip beroep schrijft Hermans: ‘Om van
een beroep te kunnen spreken zullen de werkzaamheden een zekere samenhang
dienen te hebben, alsmede een zekere duurzaamheid.’
Een kostwinningvereiste volgt volgens Hermans niet uit de wet (H. Hermans,
Het verbeurde recht, 1988, p.84). N-L-R, Het wetboek van Strafrecht, noemt
wel het kostwinningvereiste, maar vervolgt: ‘(…) er moge daarbij dan van
énig beroep, van hoofdberoep of van nevenberoep
sprake zijn.’ En: ‘Overigens zal een bezigheid die praktisch altijd als
beroep wordt verricht dat karakter niet verliezen, wanneer iemand haar gratis
uitoefent maar op geheel gelijke voet als gebruikelijk is (N-L-R, Het Wetboek
van Strafrecht, Art. 28-31, aantek. 19).
Uitgaande van die omschrijvingen heeft het hof – gelet op hetgeen ik
hierboven over de werkzaamheden van verdachte heb weergegeven – kunnen
oordelen dat verdachte het misdrijf in de uitoefening van zijn beroep heeft
begaan. Het derde middel kan niet slagen.

13. In het tweede middel tenslotte wordt door de indiener bepleit dat het hof
ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, tot bewezenverklaring van
ontucht is gekomen. In het middel wordt onder andere aangegeven dat het hof
een verklaring van de verdachte voor de rechter-commissaris voor het bewijs
heeft gebruikt, terwijl de verdachte in een later stadium alsnog een
ontkennende verklaring heeft afgelegd. Daarmee miskent de indiener dat de
selectie en waardering van het bewijs aan de rechter is.
Het bezwaar tegen de verklaring van de echtgenoot van X. snijdt evenmin hout.
Weliswaar bevat die verklaring slechts hetgeen X. daarover kort na het feit
aan hem heeft verteld, maar een dergelijke verklaring kan bijdragen aan de
overtuiging dat X. de waarheid spreekt. Het middel is ondeugdelijk.

Nu er ook ambtshalve geen reden is voor vernietiging, concludeer ik dat het
beroep zal worden verworpen.
[…]

Rechters

Mrs. Davids, Schipper en Van Buchem-Spapens

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 30 maart 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Verdachte is door het hof te Den Haag veroordeeld tot tien maanden
onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor het meermalen plegen van ontuchtige
handelingen met een aan zijn zorg toevertrouwde negenjarige jongen. Verdachte
raakte als welpenleider van een scoutinggroep bevriend met de ouders van de
jongen. In verband met zijn problematische thuissituatie logeerde de jongen
geregeld bij verdachte thuis, die de jongen dan vervolgens seksueel
misbruikte. Het hof heeft naast de verklaringen van de verdachte en de moeder
van de minderjarige tevens de belastende verklaring van de minderjarige als
bewijsmiddel gebezigd. Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek heeft de
rechter-commissaris een deskundige benoemd en deze verzocht de
betrouwbaarheid van de belastende verklaring van de minderjarige, die met
behulp van een studioverhoor tot stand was gekomen, te beoordelen. De
verklaring werd als ‘betrouwbaar’ gekwalificeerd. De deskundige die door de
rechter-commissaris was aangesteld om zich uit te laten over deze conclusie
oordeelde echter dat de gehanteerde onderzoeksmethode niet wetenschappelijk
verantwoord was. Dit oordeel werd door een derde deskundige onderstreept.
Niettemin oordeelde het hof dat de noodzaak van nadere rapportage niet was
gebleken. Dit was volgens de verdediging, vooral in het licht van de
niet-onderzochte mogelijkheid van ‘pseudo-herinneringen’, onbegrijpelijk. Het
verweer dat het gehanteerde deskundigenonderzoek niet betrouwbaar was, werd
zonder motivering door het hof verworpen. Gelet op HR 28 februari 1989, NJ
1989, 748, had het hof volgens de verdediging echter een zodanige motivering
niet achterwege mogen laten. De Hoge Raad volgt deze redenering en vernietigt
het omstreden arrest.

Volledige tekst

1. De bestreden einduitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de
Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage van 13 februari 1997 – de verdachte
vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair en 2
tenlastegelegde en hem voorts ter zake van ‘ontucht plegen met een aan zijn
zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot tien
maanden gevangenisstraf.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a,
tweede lid Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep., dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken, is
ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te
‘s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De
schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de
bestreden uitspraak, met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof
teneinde deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te
doen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verzoek van de verdediging
om een deskundigenonderzoek te laten instellen naar de persoonlijkheid van de
in de tenlastelegging en bewezenverklaring bedoelde minderjarige, op
ontoereikende gronden heeft afgewezen.

3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft
de raadsvrouwe van de verdachte aldaar betoogd en verzocht, voorzover voor de
beoordeling van het middel van belang, hetgeen in de toelichting op het
middel is weergegeven.

3.3. Het Hof heeft in zijn arrest omtrent dit verzoek overwogen en beslist
zoals op blz. 2 van het verkorte arrest onder ‘verzoek om aanhouding’ is
weergegeven.

3.4. Het door de raadsvrouwe gedaan verzoek is een verzoek aan de rechter als
bedoeld in art. 328 in verbinding met 331 Sv om gebruik te maken van de in
art. 316 Sv omschreven bevoegdheid, waarop krachtens art. 330 Sv
uitdrukkelijk moet worden beslist. Ingevolge art. 415 Sv zijn deze bepalingen
van overeenkomstige toepassing op het geding in hoger beroep.

3.5. Het Hof heeft geoordeeld dat het verzoek diende te worden afgewezen
omdat ‘de noodzaak van het opmaken van nadere rapportage niet is gebleken’.
Aldus oordelend heeft het Hof de juiste maatstaf gehanteerd. In aanmerking
genomen dat het Hof reeds beschikte over verschillende onderzoeken met
betrekking tot de minderjarige, geeft het oordeel van het Hof geen blijk van
miskenning van die maatstaf en is het, ook zonder nadere motivering, niet
onbegrijpelijk.

3.6. Voorzover het middel zich richt tegen het tweede deel van de overweging
van het Hof, kan het niet tot cassatie leiden, reeds omdat het hier een
overweging ten overvloede betreft.

3.7. Uit het vorenstaande volgt dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof het rapport van de psycholoog Dr.
R. Bullens van 20 juli 1995 niet zonder nadere motivering voor het bewijs had
mogen bezigen nu de verdediging heeft betoogd dat het onderzoek van Dr.
Bullens vaktechnisch en methodisch onjuist en onbetrouwbaar is.

4.2. Het Hof heeft als bewijsmiddel sub 1 gebruikt de verklaring van de
verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, als bewijsmiddel sub 2 de ten
overstaan van de politie afgelegde verklaring van de minderjarige en als
bewijsmiddelen 3 en 4 verklaringen van de moeder van de minderjarige. Voorts
heeft het Hof op blz. 3 van de aanvulling op het arrest onder het opschrift
‘Bewijsoverweging’, het volgende overwogen.
‘Het hof bezigt het bewijsmiddel sub 2 (studioverhoor) mede op grond van een
rapport van de psycholoog dr. R. Bullens d.d. 20 juli 1995, bevattende een
analyse van het, onder 2 genoemde studioverhoor, opgesteld aan de hand van de
audiovisuele registratie en uitgewerkte verslagen van dit verhoor, welk
rapport als eindconclusie onder meer inhoudt:
‘Vanuit bovenstaande met name het redelijk rijk gedetailleerde verhaal van
L., de consistentie in verbale en non-verbale boodschappen en het ontbreken
van een motief om een valse verklaring af te leggen, dient – tegen de
achterarond van een in redelijkheid gesproken technisch correct uitgevoerd
interview – de verklaring van L. als betrouwbaar gekwalificeerd te worden’.

4.3. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep
gehechte pleitnota heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het verweer
gevoerd dat het door Dr. Bullens verrichte onderzoek, gelet op de gebruikte
methode, niet betrouwbaar moet worden geacht en dat de uitkomst van dit
onderzoek niet op de voet van art. 344, vierde lid, Sv voor het bewijs mag
worden gebruikt. De raadsvrouwe heeft in dat verband onder meer gewezen op de
commentaren die Prof. H. Merkelbach- die evenals Dr. Bullens door de
rechter-commissaris in deze zaak tot deskundige was benoemd – zowel
schriftelijk als mondeling ter terechtzitting van de Rechtbank heeft geleverd
op het rapport van Dr. Bullens, welke commentaren blijkens de pleitnota op
neerkomen dat de door Dr. Bullens gehanteerde methode niet betrouwbaar is.
Tevens heeft zij daarbij verwezen naar een brief van Prof. Wagenaar van 15
oktober 1997 waarin deze concludeert dat het antwoord op de vraag naar de
betrouwbaarheid van ’s verklaringen niet met een voldoende mate van
veiligheid op grond van onze wetenschap gegeven kan worden.

4.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het is
voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de
wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs
te bezigen hetwelk hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig
voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen
waarde acht. Deze beslissing behoeft behoudens bijzondere gevallen, geen
motivering.
In deze zaak heeft het Hof eerdergenoemd rapport van Dr. Bullens niet als
bewijsmiddel gebruikt. Wel heeft het – zoals uit het hiervoor onder 4.2
overwogene volgt – zijn beslissing om de verklaring van de minderjarige tot
het bewijs te bezigen en dus zijn oordeel dat die verklaring geloofwaardig is
mede gebaseerd op de eindconclusie van dat rapport. Gelet daarop en op de
inhoud van het onder 4.3 bedoelde – met een beroep op het oordeel van andere
deskundigen gestaafde – verweer had het Hof nader moeten motiveren waarom het
zich bij genoemde conclusie heeft gebaseerd op de eindconclusie van het
Rapport van Dr. Bullens en dat daaraan niet in de weg stond hetgeen aan het
verweer ten grondslag is gelegd. In het bestreden arrest ontbreekt een
zodanige motivering. Dat brengt mee dat de bewezenverklaring niet naar de eis
der wet met redenen is omkleed.

4.5. Het middel is dus terecht voorgesteld

5. Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mee dat het bestreden arrest voorzover aan het
oordeel van de Hoge Raad onderworpen niet in stand kan blijven en verwijzing
moet volgen.

6. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voorzover aan het oordeel van de
Hoge Raad onderworpen en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam
teneinde deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te
doen.

Rechters

Mrs. Davids, Schipper, Bleichrodt, Corstens, Van Buchem-Spapens