Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Zwolle, 29 maart 1999

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Zwolle

Samenvatting


Toelating o.g.v. art. 8 EVRM. Kinderen (geboren 1982 en 1987) van een
Afghaanse vrouw verblijven ten tijde van de in het geding zijnde beschikking
op basis van vvtv bij familie in Nederland. De echtgenoot van eiseres is
vermoord. Het verzoek van de vrouw om toelating bij de kinderen is conform
geldend beleid afgewezen vanwege het tijdelijk karakter van het
verblijfsrecht van de kinderen. De rechtbank oordeelt dat de minister van
Buitenlandse Zaken niet in redelijkheid tot het standpunt is kunnen komen dat
op de Staat geen positieve verplichting rust om eiseres in het bezit te
stellen van een mvv. Daarbij zijn van belang het onzekere perspectief in
Afghanistan, de psychische problemen van een van de kinderen, diens jonge
leeftijd en het feit dat de scheiding tussen eiseres en de kinderen
onvrijwillig tot stand is gekomen. Ten tijde van de bestreden beschikking
voerde de staatssecretaris van Justitie bovendien een vvtv-beleid ten aanzien
van Afghaanse asielzoekers zodat er objectieve belemmeringen bestonden voor
uitoefening van het gezinsleven in Afghanistan. Toelating komt voort uit art.
8 EVRM en niet uit enig in Nederland gevoerd beleid.

Volledige tekst

1. Procesverloop

1.1. Op 28 juli 1997 heeft C. (hierna: referent) zwager van eiseres een
aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf gedaan. Bij
beschikking van 9 oktober 1997 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

1.2. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 2 april
1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard

1.3. Bij beroepschrift van 9 april 1998 heeft eiseres beroep ingesteld bij de
rechtbank tegen deze beschikking. De griffier heeft de van verweerder
ontvangen stukken aan eiseres gezonden en haar in de gelegenheid gesteld
nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift
ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter
zitting van 13 januari 1999. Eiseres heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen
door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking
toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2. De aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf dient te worden
getoetst aan dezelfde criteria als die welke gelden ten aanzien van een
vergunning tot verblijf, nu eiseres verblijf in Nederland voor een periode
langer dan drie maanden beoogt.

2.3. Op grond van artikel 11, vijfde lid. Vw kan het verlenen van een
vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot
verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend.
Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie
hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen – behoudens
verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten – slechts
voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met
hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of
indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat gezinshereniging van
eiseres met haar hier te lande verblijvende zonen aan wie een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf is verstrekt, niet mogelijk is vanwege het tijdelijke
karakter van die verblijfstitel. Voor zover eiseres haar aanvraag heeft
ingediend om hier te lande toelating als vluchteling te vragen dan wel om een
vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard aan te
vragen heeft verweerder overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt
dat zij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging vanwege een van de in
het Vluchtelingenverdrag genoemde gronden. In de door eiseres gestelde zich
in haar geval voordoende dreigende schending van mensenrechten noch in de
positie van haar in Nederland werkende kinderen noch in de positie van
alleenstaande vrouwen in Afghanistan heeft verweerder klemmende redenen van
humanitaire aard aanwezig geacht die nopen tot toelating van eiseres. Het
door eiseres in bezwaar gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft
verweerder onvoldoende gemotiveerd geacht. De weigering eiseres in Nederland
verblijf toe te staan, is naar het oordeel van verweerder niet in strijd met
artikel 3 EVRM.

2.5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij van de moord op haar
echtgenoot door de Mudjaheddin nimmer enige onderbouwing zal kunnen geven.
anders dan de getuigenissen van haar in Nederland verblijvende familieleden.
De toestand in Afghanistan c.q. Kabul is zodanig dat geen officiële
overlijdensakte is of zal worden opgemaakt. Eiseres heeft voorts betoogd dat
de positie van alleenstaande vrouwen zonder steun van mannelijke familieleden
in Afghanistan sinds de komst van de Taliban klemmende redenen van
humanitaire aard oplevert op grond waarvan haar achterlating in Afghanistan
van onevenredige hardheid getuigt. Verder heeft eiseres aangevoerd dat in de
positie van haar twee minderjarige in Nederland verblijvende kinderen
klemmende redenen van humanitaire aard zijn gelegen op grond waarvan aan
eiseres verblijf in Nederland moet worden toegestaan. In dat verband heeft
eiseres gewezen op de rapportage van de behandelend kinderpsychiater van 26
mei 1997 en op de brief van de directeur en de leerkracht van de school van
haar jongste zoon van 14 mei 1997 en op de brief van de gezinsvoogd van 3
december 1997. Voorts heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat op
grond van de bijzondere omstandigheden van haar situatie, welke mede zijn
gelegen in de positie van haar in Nederland verblijvende kinderen, op
verweerder in het kader van artikel 8 EVRM de positieve verplichting rust
haar hier te lande toe te laten.

2.6. Ingevolge artikel 28, vijfde lid, aanhef en onder a. Voorschrift
Vreemdelingen is voor het indienen van een aanvraag om toelating als
vluchteling een machtiging tot voorlopig verblijf niet vereist. Voor zover
eiseres haar aanvraag mede heeft bedoeld in te dienen met het oog op een hier
te lande te doen verzoek om toelating als vluchteling, heeft verweerder naar
het oordeel van de rechtbank eiseres aanvraag om een machtiging tot voorlopig
verblijf in zoverre dan ook kunnen afwijzen.

2.7. Voor zover eiseres heeft betoogd dat in de positie van alleenstaande
vrouwen in Afghanistan, die verstoken zijn van steun van mannelijke
familieleden, grond is gelegen klemmende redenen van humanitaire aard
aanwezig te achten op grond waarvan haar achterlating van onevenredige
hardheid zou getuigen, overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat eiseres
is aan te merken als alleenstaande vrouw zonder steun van mannelijke
familieleden onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van zodanig
klemmende omstandigheden dat dit zonder meer noopt tot toelating in
Nederland. Voor een dergelijke conclusie bestaat slechts aanleiding indien
sprake is van bijkomende, eiseres persoonlijk betreffende feiten en
omstandigheden. Dit volgt ook uit de door eiseres aangehaalde uitspraak van
deze rechtbank van 1 oktober 1997 (AWB 97/694). Naar het oordeel van de
rechtbank is van dergelijke bijkomende omstandigheden voor wat betreft
eiseres persoonlijke situatie in Afghanistan onvoldoende gebleken.

2.8. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat de bestreden beschikking
strijdig is met artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank als volgt.

2.9. Eiseres zonen D (geboren op (…) 1982) en E (geboren op (…)1987)
verblijven in Nederland in het gezin van referent. Aan hen waren ten tijde
van de hier in geding zijnde beschikking voorwaardelijke vergunningen tot
verblijf verleend, welke blijkens het verweerschrift nadien zijn omgezet in
vergunningen tot verblijf zonder beperking. Verweerder heeft niet betwist,
dat D en E kinderen van eiseres zijn.

2.10. Hoewel er in de onderhavige zaak sprake is van familie- of gezinsleven
tussen eiseres en haar zonen, kan van inmenging in dit gezinsleven niet
worden gesproken, nu de weigering eiseres verblijf in Nederland toe te staan
er niet toe strekt haar een verblijfstitel te ontnemen die haar tot
uitoefening van dit familieleven in Nederland in staat stelde.

2.11. Ten aanzien van de vraag of op verweerder de positieve verplichting
rust om eiseres het uitoefenen van gezinsleven hier te lande mogelijk te
maken, geldt ligt volgende.

2.12. Gelet op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de mens
van 19 februari 1996 (Gül: RV 1996, 23) alsmede gelet op de uitspraak van de
rechtseenheidskamer van deze rechtbank van 15 mei 1996 (AWB 96/971) geldt als
uitgangspunt dat artikel 8 EVRM voor de Staat geen algemene verplichting
meebrengt de domiciliekeuze van echtparen te eerbiedigen of gezinshereniging
op haar grondgebied mogelijk te maken door immigratie toe te staan. Teneinde
de verplichtingen van de Staat te bepalen en de door de Staat gemaakte
belangenafweging te beoordelen, dienen de feiten en omstandigheden van het
individuele geval in ogenschouw genomen te worden en moet worden beoordeeld
of voor eiseres en haar in Nederland verblijvende zonen de toelating van
eiseres in Nederland de enige mogelijkheid is voor het ontwikkelen van hun
‘family life’ en meer in het bijzonder of het beleven van dat gezinsleven ook
in het land van herkomst mogelijk is.

2.13. Ten tijde van de bestreden beschikking voerde verweerder het beleid dat
Afghaanse asielzoekers in aanmerking kwamen voor een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf zodat er naar het oordeel van de rechtbank objectieve
belemmeringen bestonden voor uitoefening van het gezinsleven in Afghanistan.
Dit klemt te meer nu blijkens het ten tijde van het bestreden besluit
beschikbaar zijnde ambtsbericht geen zicht was op verbetering van de algehele
situatie in dat land. In het onderhavige geval komt daar nog bij dat uit de
door eiseres overgelegde rapportage van de kinderpsychiater, de brief van de
directeur en de leerkracht van de school en uit de brief van de gezinsvoogd
naar voren komt dat in elk geval E te maken heeft met in betekenisvolle mate
in aanmerking te nemen problemen welke rechtstreeks samenhangen met het gemis
van eiseres.

2.14. Uitgaande van het zich ten tijde van de bestreden beschikking
voordoende onzekere perspectief ten aanzien van de algehele situatie in
Afghanistan en van de aard en omvang van de toen reeds ten aanzien van E
bestaande problemen, een en ander gevoegd bij de jonge leeftijd van
laatstgenoemde, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bij afweging
van het belang van de Staat bij het voeren van een restrictief
toelatingsbeleid tegen het belang van eiseres bij uitoefening van het
gezinsleven niet in redelijkheid tot het standpunt is kunnen komen dat op de
Staat geen positieve verplichting rust eiseres in het bezit te stellen van
een machtiging tot voorlopig verblijf teneinde haar in staat te stellen het
familie- en gezinsleven hier te lande uit te oefenen. Daarbij acht de
rechtbank van belang dat uit de door eiseres overgelegde stukken genoegzaam
blijkt dat de opvang door referent en diens gezin en een beroep op terzake
deskundige hulpverlening niet afdoende zijn om de problemen van E het hoofd
te kunnen bieden. Voorts overweegt de rechtbank dat de in de persoon van E
gelegen bijzondere omstandigheden, gelet op diens jonge leeftijd, moeten
worden geacht eiseres als diens moeder rechtstreeks aan te gaan, terwijl
voorts niet zonder betekenis is dat, zoals blijkt uit het verslag van de
hoorzitting bij de ambtelijke commissie op 30 januari 1998, de scheiding
tussen eiseres en haar (inmiddels in Nederland verblijvende) zonen
onvrijwillig tot stand is gekomen.

2.15. Verweerder heeft nog betoogd dat het (tijdelijk) karakter van het
vvtv-beleid zinledig zou zijn, indien aan eiseres op grond van artikel 8 EVRM
een vergunning tot verblijf verleend zou moeten worden omdat eiseres daardoor
een sterkere status zou krijgen dan haar hier te lande verblijvende
familieleden. Dit betoog moet van de hand worden gewezen. Hierbij is van
belang dat een aan eiseres (eventueel) te verlenen vergunning tot verblijf
onder zodanige beperking kan worden verleend dat daarmee de afhankelijkheid
van eiseres verblijf van de verblijfsstatus van haar zonen tot uitdrukking
komt. Te denken valt hierbij aan het bepaalde in B1/11
Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994). Bovendien valt naar het oordeel van
de rechtbank niet in te zien dat het vvtv-beleid in haar algemeenheid zonder
meer in gevaar zal komen wanneer aan eiseres vanwege de uitzonderlijke
omstandigheden van dit geval een vergunning tot verblijf (onder beperkingen)
zou moeten worden verleend. Verder moet met verweerder weliswaar worden
geconstateerd dat het verlenen van een vergunning tot verblijf aan eiseres in
strikte zin niet valt te rijmen met het in B7/15.3.5 Vc 1994 neergelegde
beleid doch – nog daargelaten dat uit hetgeen hiervoor is overwogen
voortvloeit dat eiseres naar het oordeel van de rechtbank op grond van
artikel 8 EVRM en niet op grond van enig door verweerder gevoerd beleid in
Nederland zou moeten worden toegelaten – daartegenover staat dat verweerder
over de bevoegdheid beschikt om in voorkomende gevallen op grond van
bijzondere omstandigheden van het staande beleid af te wijken.

2.16. Gezien het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de
rechtbank niet in redelijkheid kunnen weigeren eiseres een machtiging tot
voorlopig verblijf te verlenen. De bestreden beschikking komt in aanmerking
voor vernietiging wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid Algemene wet
bestuursrecht (Awb).

2.17. Het beroep zal gegrond worden verklaard. De rechtbank ziet tevens
aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb te
dragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze
uitspraak is overwogen.

2.18. De rechtbank ziet in het vorenstaande tevens aanleiding om verweerder
te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten en
het door haar betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De rechtbank

– verklaart het beroep gegrond;
– vernietigt de beschikking van 2 april 1998:
draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen:
(…)

Rechters

Mr Steendijk

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 26 maart 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Kinderalimentatie waarin alimentatie voor vrouw is begrepen; wijziging.
In het echtscheidingsconvenant met een beding van niet-wijziging, is de
kinderalimentatie bewust en in belang van de man en de vrouw vastgesteld
op een hoger bedrag dan nodig is voor de kinderen. In dat bedrag is een
-niet nader bepaalde- component voor levensonderhoud van de
vrouw begrepen. Verzoek wijziging kinderalimentatie kan dan niet worden
gegrond op de stelling dat kinderalimentatie van aanvang af niet aan wettelijke
maatstaven heeft beantwoord dan wel nadien heeft opgehouden daaraan te
voldoen.
Het stond het Hof vrij zich los te maken van de grieven en zelfstandig
te beoordelen of ’s mans draagkracht nog voldoende is nu het Hof kennelijk
heeft aangenomen dat deze kwestie in volle omvang aan zijn oordeel was
onderworpen.

Volledige tekst

3.2.6. Zoals in 3.1.1. bleek heeft de man in zijn appelgrieven gesteld
‘dat de kinderen in werkelijkheid veel minder kostten dan dit bedrag’ (i.e.
dat van de kinderalimentatie). Hoewel het formeel om kinderalimentatie
gaat, zou het in strijd met de strekking van het niet-wijzigingsbeding
en met art. 1:159 BW zijn, indien het in werkelijkheid voor het levensonderhoud
van de vrouw bestemde gedeelte van de kinderalimentatie op grond van art.
1:401 BW, zoals de man gevorderd heeft op nihil gesteld zou worden.
Te bedenken is in dit verband voorts dat de wijziging van de uitkering
tot levensonderhoud zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij wat partijen
bij hun overeenkomst voor ogen stond. ÃNOOT 13#4#13Ž
Het wijzigen van het bestanddeel van de alimentatie dat materieel voor
het levensonderhoud van de kinderen bestemd is komt bij de behandeling
van onderdeel 6 aan de orde.

3.2.7. Onderdeel 6 klaagt, voor zover ‘het hof heeft geoordeeld dat wanneer
partijen bij een overeenkomst bewust afwijken van de wettelijke maatstaven
voor kinderalimentatie, zulks in de weg staat aan een wijziging op grond
van art. 1:401 BW’, deze beslissing rechtens onjuist is.

3.2.8. Indien de beschikking van het hof aldus gelezen zou moeten worden
dat een wijziging van de kinderalimentatie op grond van art. 1:401, lid
1, in het algemeen niet mogelijk is op de enkele grond dat de ouders bewust
van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, zou het middel m.i. terecht
zijn voorgesteld. ÃNOOT 14#4#14Ž

3.2.9. Evenwel zou ik menen dat het hof iets anders tot uitdrukking heeft
willen brengen, nl. het volgende.
Voor zover partijen bewust de kinderalimentatie hoger hebben vastgesteld
dan met de behoefte van de kinderen overeenkomt, is in feite sprake van
een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Deze kon het, zoals reeds
bleek, in dit geval niet vatbaar voor aanpassing op grond van art. 1:401
achten.
Voor zover de kinderalimentatie wel betrekking had op de werkelijke behoefte
van de kinderen, zou deze om geen andere reden dan gebrek aan draagkracht
bij de man kunnen worden aangepast. In r.o. 4.5 van de bestreden beschikking
gaat het echter niet om de draagkrachtfactor.

3.2.10. Uit het voorgaande blijkt dat onderdeel 5 in beginsel slaagt en
dat onderdeel 6 in een bepaalde lezing daarvan eveneens zou slagen.
Voor beide onderdelen geldt echter dat zij de door het hof gegeven motivering
bestrijden. Wat er zij van die motivering, leidt de beslissing van het
hof niet tot een onjuist resultaat. Dat betekent dat deze onderdelen per
slot van rekening geen doel treffen.

3.3.1. Zoals in 3.1.3 al is vermeld, heeft het hof in r.o. 4.5 ook beslist
dat de man, wat betreft de behoefte van de kinderen, geen beroep kan doen
op de leden 4 en 5 van art 1:401. Partijen zijn, naar het oordeel van het
hof, immers bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven.

3.3.2. Onderdeel 7 acht dit oordeel van het hof onjuist of onvoldoende
gemotiveerd, omdat het hof niet heeft vastgesteld of partijen de wettelijke
maatstaven grovelijk miskend hebben. Het hof heeft ook niet onderzocht
in hoeverre het partijen vrijstond om een van de wettelijke maatstaven
afwijkende regeling te treffen.
Partijen zouden nimmer de hoogte van de kinderalimentatie lager kunnen
vaststellen dan de wettelijke maatstaven en zeker nimmer op nihil.

3.3.3 Zoals in het voorgaande al aan de orde is gekomen, wisten partijen
destijds wel degelijk dat zij de kinderalimentatie te hoog vaststelden
(teneinde daarin een component alimentatie voor de vrouw op te nemen).
Ingeval partijen, zonder dat sprake is van onjuiste of onvolledige gegevens
ÃNOOT 15#4#15Ž, bewust afwijken van de wettelijke maatstaven komt hun geen beroep
toe op art. 1:40 1, leden 4 en 5. ÃNOOT 16#4#16Ž

3.3.4. Het zou anders zijn indien partijen de kinderalimentatie te laag
zouden hebben vastgesteld. Dat dit het geval is heeft de man in het onderhavige
geding (begrijpelijkerwijs, gezien het feit dat zijn vordering strekt tot
het op nihil (althans verlagen, van de alimentatie) niet aangevoerd. In
tegendeel:
‘de man (heeft) zich immer op het standpunt (…) gesteld dat de kinderen
veel minder kosten dan ƒ 850 per kind per maand heeft hij een gematigd
bedrag van ƒ 375 per maand aangehouden, hetgeen reëel kan worden geacht.’
ÃNOOT 17#4#17Ž

3.3.5. Het onderdeel treft geen doel.

3.4.l. Onderdeel 8 verwijt het hof niet te hebben onderzocht hoe groot
op het moment van behandeling van de zaak de bij de kinderen bestaande
behoefte aan alimentatie was.

3.4.2. In de gegeven omstandigheden had een dergelijk onderzoek geen nut.
Het bestanddeel van de totale alimentatie waaraan de kinderen geen behoefte
hadden, was bestemd voor de vrouw, en dat was niet wijzigbaar. Dat was
de regeling waartoe partijen zich hebben willen verbinden.
Daarop loopt de klacht vast.

3.5.1. De onderdelen 9 tot en met12 hebben betrekking op het oordeel van
het hof dat de man voldoende draagkracht heeft om ook in de toekomst de
overeengekomen kinderalimentatie te blijven voldoen.

3.5.2.1. Het hof heeft een overzicht opgesteld van de totale tot de meerderjarigheid
van het jongste kind resterende alimentatieplicht van de man, welke het
heeft becijferd op ƒ 116.393 (r.o. 4.6).
Vervolgens heeft het de elementen onderzocht die de rechtbank in aanmerking
heeft genomen voor de bepaling van de draagkracht van de man. Daartoe behoorde
in het bijzonder een arbeidsongeschiktheidsuitkering van een verzekeraar
ad ƒ 136.875 en rentebaten ad ƒ 47.050 (r.o. 4.7) en de door het hof relevant
geachte klachten van de man daarover (r.o. 4.8).

3.5.2.2. Het hof heeft de cijfers van de door de man beheerste besloten
vennootschap besproken. Uit het vermogen van deze b.v. kan volgens het
hof bij 5% rente per jaar een bedrag van ƒ 125.000 worden verworven (r.o.
4.9).
Tegenover lagere huurinkomsten heeft het hof rekening gehouden met een
boekwinst als gevolg van de verkoop van het onroerend goed te S. (ro. 4.
10).

3.5.2.3. Het hof heeft de dotaties ten behoeve van de pensioenreserve van
de man te hoog geacht.
Het heeft geen rekening gehouden met een jaarlijkse storting van ƒ 64.745
(naast de premie voor het pensioen van ƒ 163.000 per jaar vanaf het 65ste
levensjaar van de man), die zouden moeten leiden tot een pensioeninkomen
van 275.000 per jaar op 60jarige leeftijd (r.o. 4.11).

3.5.2.4. Op grond van een en ander is het hof (r.o. 4.12) tot de slotsom
gekomen:
‘Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat voor zover de
man al niet in staat zou moeten worden geacht door een aanpassing van zijn
uitgavenpatroon de thans geldende bijdragen voor de kinderen tot het moment
dat ieder van de kinderen de achttienjarige leeftijd zal hebben bereikt
te betalen uit zijn inkomsten uit AAW/WAO-uitkering en de redelijkerwijs
te behalen inkomsten uit de vennootschap, van hem kan worden gevergd dat
hij gedurende relatief korte tijd inteert op zijn vermogen.’

3.5.3.1. Onderdeel 9 noemt een twaalftal grieven die betrekking hadden
op diverse inkomsten en lasten van de man. Volgens het onderdeel had het
hof (elk van) deze grieven moeten bespreken en moeten ingaan op het in
de grief en zijn toelichting naar voren gebrachte. Verzuim van een en ander
zou ’s hofs beslissing onbegrijpelijk maken.

3.5.3.2. De stelling dat de appelrechter gehouden is alle voorgestelde
appelgrieven te onderzoeken, vindt geen steun in het recht. In het bijzonder
kan hij voorbijgaan aan grieven waarbij de appellant, hetzij van het begin
af, hetzij als gevolg van de beslissing over andere grieven, geen belang
heeft.
Een alimentatiegeding als het onderhavige vormt een illustratie daarvan.
Een alimentatieplichtige valt met een aantal grieven de beslissing van
de lagere rechter aan, volgens welke hij voldoende draagkracht heeft om
de vastgestelde bijdrage te betalen. De appelrechter stelt, na onderzoek
van één of meer van de grieven vast dat de betrokkene wèl voldoende draagkracht
heeft. De rechter kan dan aan de overige grieven die op de draagkracht
betrekking hebben, voorbijgaan.

3.5.3.4. De in de vorige paragraaf geschilderde situatie heeft zich hier
voorgedaan. Daarop stuit het onderdeel af.

3.5.4.1. Onderdeel 10 verwijt het hof dat het de man vereenzelvigd zou
hebben met de vennootschap waarvan hij aandeelhouder is.
Het hof zou bij zijn beoordeling rekening hebben gehouden met het in de
b.v. van de man aanwezige vermogen. Volgens het onderdeel valt niet in
te zien hoe dit vermogen kan strekken ten behoeve van de alimentatieverplichtingen
van de man, nu het om gescheiden vermogens gaat. Voorts had het hof, naast
dit vermogen ook rekening moeten houden met de kosten van de vennootschap.

3.5.4.2. Het hof heeft aangenomen dat de vennootschap van de man door deze
beheerst wordt (r.o. 4.9, zie hiervóór, 3.5.2.2). De vrouw heeft in cassatie
gesteld dat de man directeur en enig aandeelhouder van de b.v. is. ÃNOOT 18#4#18Ž
Naar mijn indruk gaat het om een besloten vennootschap die aanvankelijk
het karakter van praktijkvennootschap had, maar nadien (toen de man zijn
praktijk niet meer uitoefende) het karakter van pensioenvennootschap heeft
gekregen (vgl. bestreden beschikking r.o.4.9). Dat de man, zoals de vrouw
stelt, enig aandeelhouder is, staat feitelijk niet vast, maar is – juist
gezien het pensioen-b.v. karakter – wel waarschijnlijk.

3.5.4.3. Ik kan in de beschikking van het hof niet lezen dat het hof de
man en de vennootschap heeft vereenzelvigd. Het hof heeft de omvang van
de als pensioenpremie dienende dotaties van de man aan de b.v. onderzocht
en daarbij ook rekening gehouden met het de rente-inkomsten die de b.v.
uit haar vermogen kon behalen. Dat laatste onderzoek was nodig om te beoordelen
of de dotaties niet te hoog waren.
In de gegeven omstandigheden kon het hof rekening houden met de financiële
situatie van de BV voor het bepalen van de draagkracht van de man. ÃNOOT 19#4#19Ž
Dit vloeit voort uit diens aandeelhouderschap en heeft met vereenzelving
niet van doen.

3.5.3.4. Uit r.o. 4.9 blijkt dat het hof rekening heeft gehouden met de
gehele financiële situatie van de vennootschap, zoals deze blijkt uit de
opgestelde financiële verslaglegging over 1996. Het verwijt dat het hof
slechts met de inkomsten van de b.v. heeft gerekend en niet met de kosten
lijkt mij dan ook niet terecht gemaakt.
De alimentatierechter zal bij de bepaling van de draagkracht van een alimentatieplichtige
rekening mogen – zoal niet: moeten – houden met inkomsten uit een vennootschap,
waarvan de betrokkenen een aanzienlijk pakket (of alle) aandelen houdt.
Overigens meen ik dat het hof geen rekening heeft gehouden met inkomsten
uit de vennootschap, maar met inkomsten van de vennootschap, zulks ter
bepaling van de redelijkheid van door de man als pensioenpremie te verrichten
dotaties aan de b.v.
Verlaging van die dotaties zou dus niet behoeven te betekenen dat de vennootschap
op haar vermogen inteert. Daaraan doet niet af dat het hof het op zichzelf
aanvaardbaar heeft geacht indien dit gedurende enige tijd wèl zou gebeuren.
ÃNOOT 20#4#20Ž

3.5.4. Een en ander leidt tot de slotsom dat het onderdeel faalt.

3.5.5. Onderdeel 11 bouwt voort op onderdeel 1O en deelt het lot daarvan.

3.5.6.1. Onderdeel 12 klaagt erover dat het hof er geen blijk van heeft
gegeven de gewijzigde omstandigheden aan de kant van de man in zijn overwegingen
te hebben betrokken. Onder meer zou het dan gaan om de nieuwe gezinssituatie
van de man, de redenen van zijn verhuizing en het wegvallen van huuropbrengsten.

3.5.6.2 Het hof heeft de draagkracht van de man opnieuw berekend. Het zou
dit in casu niet hebben behoeven te doen als de omstandigheden aan de zijde
van de man niet gewijzigd waren. Dat het daarbij tot de slotsom is gekomen
dat deze draagkracht (ondanks al hetgeen de man had aangevoerd) nog steeds
aanwezig was, doet er niet aan af dat in de werkwijze besloten ligt dat
het wel rekening heeft gehouden met de gewijzigde omstandigheden waarin
de man verkeerde.
Het onderdeel mist derhalve feitelijke grondslag.

3.6. Volledigheidshalve merk ik nog het volgende op.
De enige grond waarop de vordering van de man succes had kunnen hebben
was dat zijn draagkracht niet toeliet de overeengekomen kinderalimentatie
te betalen. Het hof heeft beslist dat ’s mans draagkracht voldoende is.
De bevinding dat de onderdelen 8-12, die de aan de draagkracht van de man
gewijde overwegingen en beslissingen bestrijden, falen, moet daarom de
verwerping van het beroep tot gevolg hebben, ongeacht het lot van de voorafgaande
onderdelen.

4. CONCLUSIE

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep, met zodanige beslissing
over de kosten als de Hoge Raad adequaat zal achten.

[…]

Hoge Raad:

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 17 september 1996 ter griffie van de Rechtbank te Breda ingekomen
verzoekschrift heeft tot verzoeker cassatie – verder te noemen: de man
– zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de bij beschikking van deze
Rechtbank van 12juli 1994 voor de uit zijn door echtscheiding ontbonden
huwelijk met verweerster in cassatie – verder te noemen: de vrouw – te
S. geboren kinderen (1) J.W., geboren in 1980, (2) I.W., geboren in 1981,
en (3) R.W., geboren in 1983, vastgestelde bijdrage welke de man dient
te voldoen in de kosten van het levensonderhoud van deze kinderen, met
ingang van 1 juli 1996 nader vast te stellen op nihil, althans op een zodanig
bedrag als de Rechtbank in goede justitie juist oordeelt. Bij aanvullend
verzoekschrift van 22 januari 1997, ter griffie ontvangen op 27 januari
1997 heeft de man dit verzoek herhaald en eraan toegevoegd het verzoek
de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de door haar sedert die datum
ontvangen alimentatiebedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf 27 januari 1997.
De vrouw heeft de verzoeken bestreden.
Na zeer uitvoerig schriftelijk debat van partijen, een mondelinge behandeling
en het horen van het oudste kind, heeft de Rechtbank bij beschikking van
29 april 1997 het verzoek afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof
te ‘s-Hertogenbosch. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 11 maart 1998 heeft het Hof in het principaal appel
voormelde beschikking van de Rechtbank bekrachtigd en in het incidenteel
appel het beroep verworpen.
(…)

2. HET GEDING IN CASSATIE

(…)
De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het
beroep, met zodanige beslissing over de kosten als de Hoge Raad adequaat
zal achten.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1 Het gaat in dit geding, kort samengevat, om het volgende.
Partijen zijn in 1978 gehuwd en in 1994 op gemeenschappelijk verzoek gescheiden.
Bij de beschikking van 12 juli 1994, waarbij de echtscheiding werd uitgesproken,
is tevens de door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld, en wel,
conform het door partijen gesloten echtscheidingsconvenant, op ƒ 850 per
maand voor elk van de drie kinderen van partijen, welke kinderen op dat
moment 13, 12 en 11 jaar oud waren. In dit bedrag was een – niet nader
bepaalde – component begrepen als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud
van de vrouw, die daartegenover afzag van alimentatie voor zich zelf. Deze
in het convenant gekozen constructie bood beide partijen voordeel. Het
convenant bevatte een niet-wijzigingsbeding als bedoeld in het eerste lid
van art. 1:159 BW.
In dit bij verzoekschrift van 16 september 1996 aangevangen geding verzoekt
de man, wiens eerdere wijzigingsverzoek begin 1996 was afgewezen, wederom
wijziging van de kinderalimentatie. Hij wil deze met ingang van 1 juli
1996 nader zien vastgesteld op nihil, dan wel op een door de rechter te
bepalen bedrag. De man heeft dit verzoek in eerste aanleg daarop gebaseerd
dat sinds voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd
dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Hij beriep zich daartoe erop dat de tandartsenmaatschap waarvan hij destijds
deel uitmaakte, inmiddels per 1 juli 1996 was ontbonden en dat hij sindsdien
de praktijk niet meer uitoefent.
De Rechtbank heeft het verzoek van de man afgewezen. Zij stelde voorop
dat de behoeften van de kinderen aan de bijdrage niet was weersproken en
daarmee vaststond, en kwam na ampel onderzoek naar ’s mans draagkracht
tot de slotsom dat deze voldoende was om de geldende bijdragen (ten gevolge
van de wettelijke indexeringen inmiddels ƒ 870,52 per maand) te voldoen.
Het Hof heeft deze beschikking bekrachtigd.

3.2 In appel heeft de man veertien grieven aangevoerd; dertien daarvan
keerden zich tegen de beslissing omtrent zijn draagkracht, de eerste tegen
het uitgangspunt dat de behoefte van de kinderen niet was weersproken.
In zijn toelichting op deze grief voerde de man aan dat hij, zoals hij
al in eerdere procedures tussen partijen had gedaan, ook in dit geding
had bestreden dat de kinderen behoefte zouden hebben aan een bijdrage van
ƒ 850 per maand. Bij de mondelinge behandeling heeft de man dit herhaald,
maar daaraan toegevoegd dat hij wèl bereid was tot betaling van een kinderalimentatie
van ƒ 350 per maand per kind vanaf 1 juli 1996.
Het Hof heeft de eerste appelgrief van de man verworpen (rov. 4.5). Zijn
motivering komt neer op het volgende. Uitgangspunt moet zijn dat partijen
door in hun echtscheidingsconvenant in beider belang voormelde constructie
te kiezen bewust zijn afgeweken van de op het stuk van kinderalimentatie
geldende wettelijke maatstaven voor zover betrekking hebbend op de behoefte
van de onderhoudsgerechtigde, immers deze alimentatie hebben vastgesteld
op een hoger bedrag dan beantwoordde aan de behoeften van de kinderen.
Dit brengt mee dat een verzoek tot wijziging van deze alimentatie niet
kan worden gebaseerd op de stelling dat zij in zoverre aan die maatstaven
van de aanvang af niet heeft beantwoord of van meet af aan berust op grove
miskenning daarvan, dan wel nadien heeft opgehouden daaraan te voldoen.
In aanmerking genomen dat de daarvoor in het convenant bewust en in beider
belang gekozen constructie impliceert dat de kinderalimentatie in dit geval
mede strekt ter voorziening in de behoefte van de vrouw en in zoverre niet
voor wijziging vatbaar is, is ’s Hofs slotsom juist. De onderdelen 5-8,
die zich tegen deze slotsom en de daartoe leidende gedachtegang keren,
zijn mitsdien tevergeefs voorgesteld, voor zover de daarin opgeworpen rechtsklachten
al niet uitgaan van een blijkens het voorgaande onjuiste lezing van de
bestreden overweging, falen zij omdat ’s Hofs beslissing juist is, terwijl
de motiveringsklachten niet kunnen dienen ter bestrijding van een rechtsoordeel.

3.3 De onderdelen 9-12 keren zich tegen de rov. 4.6-4.12 in welke overwegingen
het Hof de vraag heeft onderzocht of – zoals de Rechtbank had geoordeeld
-’s mans draagkracht nog steeds voldoende is om de voormelde alimentatie
te betalen, en deze vraag op grond van een eigen, zich van voormelde grieven
los makende gedachtegang bevestigend heeft beantwoord.
Dat het Hof dit onderzoek nodig heeft geoordeeld, impliceert dat het ervan
is uitgegaan dat zich aan de kant van de man zodanige wijziging in de omstandigheden
hadden voorgedaan dat een hernieuwd onderzoek naar zijn draagkracht geboden
was. Onderdeel 12 dat ervan uitgaat dat het Hof met de door de man aangevoerde
wijziging in zijn omstandigheden geen rekening heeft gehouden, mist derhalve
feitelijke grondslag.
Onderdeel 9 dat erover klaagt dat het Hof zich heeft los gemaakt van de
grieven en in zijn eigen gedachtegang niet of onvoldoende heeft doen blijken
dat het rekening heeft gehouden met al hetgeen in die grieven en de daarop
gegeven toelichting is aangevoerd, miskent dat het het Hof, nu dit kennelijk
heeft aangenomen dat deze voormelde vraag in volle omvang aan zijn oordeel
onderwierpen, vrijstond zich los te maken van de grieven en zelfstandig
te beoordelen of ’s mans draagkracht nog voldoende is om de alimentatie
waarvan hij wijziging verzoekt, te voldoen, terwijl het Hof niet gehouden
was om daarnaast ook nog eens gemotiveerd rekenschap ervan te geven waarom
het in of bij de grieven aangevoerde naar zijn oordeel niet tot een andere
slotsom kon leiden.
De onderdelen 10 en 11 verwijten het Hof in het kader van zijn onderzoek
naar de draagkracht van de man deze te hebben vereenzelvigd met de door
het Hof in zijn rov. 4.8 en 4.9 genoemde vennootschap. Dit verwijt berust
op onjuiste lezing van de aangevallen overwegingen. Het Hof is ervan uitgegaan
dat het hier om een pensioenvennootschap gaat, wier vermogen ertoe strekt
de invaliditeits- en pensioenaanspraken van de man af te dekken en die
dan ook geheel door hem wordt beheerst. Dit uitgangspunt is niet onbegrijpelijk
in het licht van het in dit geding door de man ingenomen standpunt (hij
spreekt in zijn gedingstukken een en andermaal van: ‘de man, althans diens
vennootschap’, terwijl hij bij de mondelinge behandeling heeft gezegd:
‘De huidige kinderalimentatie kan ik alleen ten laste van de BV betalen’).
Daarvan uitgaande heeft het Hof klaarblijkelijk geoordeeld dat, wanneer
wordt uitgaan enerzijds van een redelijk te oordelen hoogte van de pensioenaanspraken
en anderzijds van het vermogen van de vennootschap en de daarvan in redelijkheid
te verwachten opbrengst, moet worden aangenomen dat de man uit deze vennootschap
inkomsten zou kunnen trekken welke te samen met zijn overige inkomsten
voldoende zijn om de alimentatie waarvan hij wijziging verzoekt, te betalen.
Het Hof heeft daaraan nog toegevoegd dat, zo dat al anders mocht zijn,
van de man kan worden gevergd dat hij gedurende relatief korte tijd – de
alimentatieverplichtingen van de man beginnen in 1998 terug te lopen en
eindigen in 2001 – inteert op zijn vermogen.
Laatstgemeld oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Daargelaten of dit
niet ten gevolge heeft dat de man belang mist bij zijn klachten over eerstvermeld
oordeel en de gedachtegang waarop dit steunt, die klachten stuiten daarop
af dat die gedachtegang niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting
en geenszins onbegrijpelijk is.

4. BESLISSING

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
@@TNT=
[NOOT_1]
Inleidend verzoekschrift, p. 1.
[NOOT_2]
Zie prod. 6A bij het aanvullend verzoekschrift van 22 januari 1997.
[NOOT_3]
Beschikking van 20 maart 1996, r.o. 3, 7e alinea in een eerder geding
tussen partijen (de inhoud van die beschikking moet, naar de rechtbank
in haar beschikking van 29 april 1997 – ro. 1, 3e streepje – heeft aangegeven,
worden beschouwd in laatstgenoemde beschikking te zijn overgenomen).
[NOOT_4]
Bedoeld moet zijn: art. 1, 2e alinea.
[NOOT_5]
Een indicatie voor de hoogte is te vinden in prod. 6B bij het aanvullend
verzoekschrift van 22 januari 1997; de aldaar ten tijde van de echtscheidingsprocedure
door de gemeenschappelijke advocaat opgestelde alimentatieberekening gaat
uit van een alimentatie van ƒ 300 per kind per maand en een totale alimentatiebijdrage
van ƒ 2571 per maand (vgl. ook de uiteindelijke hoogte: 3 x ƒ 850 = ƒ 2550).
Voor de alimentatiecomponent voor de vrouw betekent dit dus ƒ 2550 minus
ƒ 900 = ƒ 1650.
[NOOT_6]
Bestreden beschikking, r.o. 4.5, 1e alinea, laatste gedeelte.
[NOOT_7]
De fiscale kant van de gemaakte regeling blijft hier verder buiten beschouwing.
Het oudste kind is, na de vastlegging van bestreden beschikking, de meerderjarigheidsgrens
inmiddels gepasseerd.
[NOOT_8]
Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft de man aangeboden een bijdrage
te blijven betalen van ƒ 350 per kind per maand, zie p. 2 van het p-v d.d.
6 februari 1998 en r.o. 4.6 slot van de bestreden beschikking.
[NOOT_9]
Cursivering toegevoegd.
[NOOT_10]
Vgl. over niet-wijzigingsbedingen en kinderalimentatie Van Mourik/Verstappen,
Nederlands Vermogensrecht bij echtscheiding, 1997, p. 528-529.
[NOOT_11]
Vgl. Asser-De Boer, 1998, nr. 106 1, p. 792 e.v
[NOOT_12]
Zie ook de uiteenzetting in onderdeel 2 van het middel.
[NOOT_13]
HR 23 oktober 1987, NJ 1988, 438, m.nt. E.A.A. Luyten, r.o. 3.2.
[NOOT_14]
Vgl. het in de vorige noot genoemde arrest, r.o.3.3.
[NOOT_15]
Daarvan is niets gebleken. De wijze waarop partijen de hoogte van de
alimentatie zijn overeengekomen wijst geenszins in deze richting.
[NOOT_16]
Zie over art. 1:401, lid 5, BW (destijds lid 3): HR 15 november 1974,
NJ 1976, 122 m.nt. E.A.A. Luyten en 23 oktober 1987, NJ 1988, 438 m.nt.
E.A.A. Luyten.
[NOOT_17]
(Ongedateerde) reactie (41665/FA RK 96-4404) op het aanvullend verweerschrift,
gericht tot de rechtbank, nr. 28.
[NOOT_18]
Verweerschrift in cassatie, 2.9, waar elders de uitdrukking ‘grootaandeelhouder’
wordt gebruikt.
[NOOT_19]
Vgl. HR 31 maart 1989, NJ 1989, 508; HR 23 september 1994, NJ 1995,
25 en HR 7 november 1997, nr. 8936 (niet gepubl.);
[NOOT_20]
Vgl. Van Mourik/Verstappen,a.w., p. 489.

Rechters

Mrs. Martens, Korthals Altes, Van der Putt-Lauwers, Fleers,De SavorninLohmann; A-G Mok

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 26 maart 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Partijen zijn op 12 mei 1958 gehuwd en op 5 november 1974 wordt de
echtscheiding uitgesproken. Op 1 juli 1997 heeft de man gedurende 22 jaar
alimentatie betaald. Hij verzoekt om nihil stelling van de alimentatie per
die datum op grond van de Wet limitering alimentatie na scheiding. De vrouw
beroept zich op de in die wet vervatte uitzondering, inhoudende dat de
alimentatie niet eindigt indien dit van zo ingrijpende aard zou zijn dat dit
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden
gevergd. De rechtbank stelt een gefaseerde afbouw van de alimentatie vast
omdat de terugval in het inkomen van de vrouw te ingrijpend zou zijn bij
beëindiging ineens. Ook het hof wijst het verzoek van de man af en verlengt
de alimentatieverplichting met drie jaar tot 1 juli 2000, welke termijn niet
opnieuw verlengd kan worden. De Hoge Raad stelt dat de vaste lijnen in de
rechtspraak uit de periode van vóór de Wet limitering na scheiding hun waarde
hebben behouden. Dit betekent dat hoge motiveringseisen worden gesteld aan de
beslissing waarbij het beroep van de alimentatiegerechtigde op de
uitzonderingsbepaling van de Wet limitering na scheiding wordt verworpen dan
wel slechts voor een beperkte termijn – zoals in casu – wordt gehonoreerd.
Alle relevante omstandigheden van het geval dienen in aanmerking te worden
genomen. Het hof heeft niet voldaan aan de hoge motiveringseisen door uit het
oog te verliezen wat de financiële omstandigheden van de
alimentatiegerechtigde zijn en door onvoldoende aandacht te besteden aan de
omvang van het door de vrouw belegde vermogen.

Volledige tekst

Bij de behandeling van laatstgenoemd wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de
regering voorts bij memorie van antwoord erop gewezen dat de rechtsgrondslag
van alimentatie de nawerking is van de wederzijdse verantwoordelijkheid van
de echtgenoten binnen het huwelijk, “die noodzaakt tot een billijke
vereffening van de economische nadelen als gevolg van dat huwelijk”, en dat
dit uitgangspunt fungeert als rechtvaardigingsgrond voor “een in duur
beperkte onderhoudsplicht” (Kamerstukken I 1993/94, 22170, nr. 109a, blz. 1
onderaan, blz. 2 bovenaan). In aansluiting hierop verklaarde de regering:

“Aan de hand van de concrete omstandigheden van partijen worden de mate
waarin en de periode waarvoor dergelijke nadelen aan de kant van de ene
echtgenoot redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de andere echtgenoot,
bepaald.
(…)
Artikel II, tweede lid, geeft aan dat voor wat betreft de vóór de
inwerkingtreding van deze regeling tot stand gekomen onderhoudsverplichtingen
in beginsel ná 15 jaar aan bedoelde verantwoordelijkheid een einde is
gekomen. De bepaling maakt duidelijk dat wanneer deze regel tot aperte
onbillijkheden, alle van belang zijnde omstandigheden van het geval in
aanmerking genomen, zou leiden, hiervan mag worden afgeweken.”

Vervolgens is van regeringszijde, voor zover hier van belang, nog opgemerkt
(Kamerstukken als voormeld, blz. 4 bovenaan, respectievelijk blz. 4 onderaan
en blz. 5 bovenaan):

“De leden van de fracties van de VVD en het CDA hadden de indruk dat het
redelijkheids en billijkheidscriterium waarnaar artikel 157, vijfde lid, en
artikel II, tweede lid, van het onderhavige wetsvoorstel verwijzen,
uitsluitend zien op de omstandigheden aan de zijde van de
alimentatiegerechtigde. Ik zou van een meer genuanceerde benadering willen
uitgaan. Enerzijds is het zo dat de alimentatiegerechtigde die een verzoek
tot verlenging indient, aannemelijk zal moeten maken dat hij/zij gelet op
zijn/haar situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van
alimentatie verstoken kan blijven. Anderzijds kunnen omstandigheden van de
alimentatieplichtige en de situatie van beide partijen en hun onderlinge
verhoudingen ten tijde van hun huwelijk mede bepalend zijn voor de situatie
waarin de onderhoudsgerechtigde zich alsdan bevindt. Er kan van worden
uitgegaan dat bij de beoordeling van een verzoek om verlenging alle ter zake
relevante factoren gewogen zullen worden.
(…)
De aan het woord zijnde leden vroegen of de regering het niet wenselijk acht
dat naast de onder ad genoemde aspecten in artikel II, tweede lid, van het
onderhavige wetsvoorstel ook rekening wordt gehouden met de
gezondheidstoestand van de alimentatiegerechtigde en de tussen man en vrouw
gedurende het huwelijk bestaande rolverdeling. De opsomming in genoemd
artikel II, tweede lid draagt geen limitatief karakter. De woorden “in ieder
geval” maken dit duidelijk. Wegens hun duidelijke relevantie wordt een aantal
factoren expliciet genoemd. Dat neemt niet weg dat het in een concreet geval
wenselijk kan zijn om ook andere omstandigheden mee te laten wegen.”

3.5 De onderdelen 2 en 3, gelezen in samenhang met onderdeel 1, klagen in
hoofdzaak dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten de belangen van partijen
tegen elkaar af te wegen en in het bijzonder de belangen en omstandigheden
aan de zijde van de man niet in zijn overwegingen heeft betrokken, althans
dat het Hof niet heeft voldaan aan de hoge motiveringseisen die moeten worden
gesteld aan een beslissing als de onderhavige.
De klacht is gegrond. Het Hof heeft weliswaar geen blijk gegeven van een
onjuiste rechtsopvatting en evenmin een onbegrijpelijk oordeel gegeven door
te overwegen dat in beginsel niet van de man gevergd kan worden dat de
onderhoudsverplichting “tot in de dood van één van partijen zal blijven
voortduren”, doch het heeft onvoldoende inzicht gegeven in de redenen die
hebben geleid tot zijn oordeel dat een definitief einde van die verplichting
reeds per 1 juli 2000 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de
vrouw kan worden gevergd. In het bijzonder blijkt niet dat het Hof in zijn
overwegingen andere omstandigheden aan de zijde van de man heeft betrokken
dan het – gelet op het uitgangspunt van de Wet limitering na scheiding, op
zichzelf zwaarwegende – belang van de man om een einde te zien aan zijn reeds
ruim 22 jaar geduurd hebbende alimentatieverplichting. Integendeel, door in
rov. 16 te overwegen dat de omstandigheid dat de man volgens de vrouw in veel
betere financiële omstandigheden verkeert dan zij, aan het eerder door het
Hof overwogene niet afdoet, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de
financiële omstandigheden van de man naar ’s Hofs oordeel niet behoren tot de
omstandigheden die behoren te worden meegewogen; een zelfde oordeel van het
Hof blijkt uit hetgeen het in rov. 10 heeft overwogen omtrent de stelling van
de vrouw dat de man tot 1986 ter zake van de alimentatiebetaling een
vergoeding heeft ontvangen op grond van de Wet Uitkering Oorlogsslachtoffers.
Aldus heeft het Hof uit het oog verloren dat, zoals blijkt uit hetgeen
hiervoor in 3.4 omtrent de wetsgeschiedenis is vermeld, alle relevante
omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen en dat de
financiële omstandigheden van de alimentatieplichtige in beginsel niet zonder
belang zijn voor het antwoord op de vraag wat naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid van ieder van partijen kan worden gevergd.

3.6 In onderdeel 2 wordt voorts onder 2.4.2 terecht erover geklaagd dat het
Hof niet heeft voldaan aan de te dezen geldende strenge motiveringseisen door
in rov. 16 wel te vermelden dat de vrouw de beschikking heeft over in een
vakantiehuisje belegd vermogen, maar niet vast te stellen welke omvang dit
vermogen heeft en in welke mate het invloed heeft gehad op ’s Hofs
beslissing. Dit klemt temeer nu het Hof in zijn rov. 15 had geconstateerd dat
door de man op geen enkele wijze is aangetoond dat de vrouw naast haar
huidige inkomen, “thans uit vermogen of anderszins nog substantiële inkomsten
genereert”.

3.7 Uit het vorenoverwogene volgt dat ’s Hofs beschikking niet in stand kan
blijven en verwijzing moet volgen. De in het voorgaande niet behandelde
klachten kunnen na verwijzing nog aan de orde komen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Leeuwarden van 26 november
1997;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het
Gerechtshof te Arnhem.

Rechters

Mrs. Roelvink, Korthals-Altes, Neleman, Heemskerk en Van der Putt-Lauwers

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 26 maart 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Beëindiging alimentatie op grond van de Wet limitering na scheiding. Indien
de alimentatiegerechtigde voldoende gemotiveerd stelt dat voor toepassing van
de uitzondering op limitering van de alimentatie grond is en zij/hij de
feiten waarop deze stelling steunt aannemelijk maakt (voor zover het gaat om
omstandigheden aan de eigen zijde), dan moet de rechter in beginsel bij het
nemen van zijn beslissing doen uitkomen welke omstandigheden hij in
aanmerking heeft genomen en hoe hij deze in zijn afweging heeft betrokken.
Ter wille van de hanteerbaarheid van het systeem moet als vuistregel worden
aanvaard dat geen nadere motiveringseisen voor de rechter gelden ingeval de
beëindiging van de uitkering voor de alimentatiegerechtigde geen of slechts
een relatief onbetekenende terugval in inkomen ten gevolge heeft. In
uitzonderlijke gevallen zal voor toepassing van deze vuistregel echter geen
plaats zijn.

Volledige tekst

Hof:

4.1 In eerste aanleg heeft de man verzocht de onderhoudsverplichting jegens
zijn vrouw te beëindigen. De rechtbank heeft dit verzoek bij de bestreden
beschikking toegewezen; daarvan is de vrouw in hoger beroep gekomen.

4.2 De vrouw stelt dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de
beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw zo
ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet
van haar kan worden gevergd, verwijzend naar artikel II, lid 2, van de op 1
juli 1994 in werking getreden Wet van 28 april 1994, Stb. 324, zoals
gewijzigd bij Wet van 28 april 1994, Stb. 325.

De ingrijpendheid van de beëindiging
4.3 Het hof zal eerst beoordelen of beëindiging van de bijdrage ingrijpend
is. De bijdrage die de vrouw op dit moment ontvangt bedraagt – omgerekend – ƒ
1591 netto per maand. De vrouw moet zich, sedert zij haar baan heeft
opgezegd, particulier verzekeren tegen ziektekosten. Door de beëindiging van
de bijdrage daalt het inkomen van de vrouw van ƒ 2089 bruto, omgerekend ƒ
1591 netto naar ƒ 1423 netto per maand, het bedrag van de bijstandsuitkering.
Daarmee zou een terugval in haar netto besteedbaar inkomen van ƒ 168 per
maand ontstaan. Nu de vrouw haar baan heeft opgezegd zou zij echter een
ziektekostenverzekering moeten afsluiten met een premie die ongeveer
overeenkomt met het verlagingsbedrag, terwijl zij als bijstandsgerechtigde
geen extra premiekosten heeft. Dit betekent dat er feitelijk geen terugval in
besteedbaar inkomen is. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de
beëindiging van de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw
in deze omstandigheden niet ingrijpend is. (…)

Cassatiemiddel:

Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid
voorgeschreven vormen, doordat het hof heeft overwogen en beslist als is
vervat in de ten deze bestreden beschikking, zulks ten onrechte om een of
meer van de navolgende, zo nodig in onderlinge samenhang te lezen redenen:

1. Op grond van het in r.o. 4.3 overwogene komt het Hof tot het oordeel dat
de beëindiging van de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de
vrouw niet ingrijpend is. Aldus bedoelt het Hof kennelijk tot uitdrukking te
brengen dat geen sprake is van de in artikel II, lid 2, van de Wet van 28
april 1994, Stb. 324 bedoelde situatie dat de beëindiging van de uitkering
van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden
gevergd. Door op de daartoe bijgebrachte gronden tot dit oordeel te komen
heeft het Hof het recht geschonden, althans is de beslissing onbegrijpelijk,
althans niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. Een en ander wordt in
de volgende onderdelen uitgewerkt.

2. Blijkens voornoemd artikel II, lid 2, dient de rechter bij beantwoording
van de vraag of de beëindiging van zo ingrijpende aard is dat deze naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de
uitkering gerechtigd is kan worden gevergd (en bij de bepaling van een nadere
termijn) in ieder geval rekening te houden met de leeftijd van degene die tot
de uitkering gerechtigd is, de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen
zijn geboren, de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de
verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed en de omstandigheid dat
de tot uitkering gerechtigde geen recht heeft op betaling van een deel van
het ouderdomspensioen van degene die tot uitkering is gehouden. Uit ’s Hofs
beschikking blijkt op geen enkele wijze dat bij de aan de beslissing ten
grondslag liggende afweging met deze elementen rekening is gehouden.
Weliswaar vermeldt het Hof in r.o. 3.5 de geboortedatum van de vrouw, dat zij
tot aan de geboorte van het oudste kind enkele jaren in de computerbranche
heeft gewerkt, dat zij daarna – met instemming van de man – zich heeft gewijd
aan de verzorging en opvoeding van de kinderen en aan de huishouding, dat zij
toen het jongste kind 15 jaar oud was een deeltijdbaan als schoonmaakster
heeft aanvaard, dat ze die baan heeft opgezegd omdat ze de werkzaamheden
wegens nek- en rugklachten niet meer kan opbrengen en dat zij geen aanspraak
kan maken op het door de man opgebouwde ouderdomspensioen. De enkele
vermelding van deze omstandigheden in r.o. 3.5 geeft echter geen inzicht in
de wijze en mate waarin deze elementen in de uiteindelijke afweging van het
Hof in r.o. 4.3 zijn betrokken. Voorzover het Hof meent dat de enkele
financiële afweging als gegeven in r.o. 4.3 meebrengt dat geen aandacht meer
behoeft te worden besteed aan de hiervoor (door het Hof in r.o. 3.5 ook
genoemde) vermelde omstandigheden, is de beslissing van het Hof rechtens
onjuist. Ook indien sprake is van financiële omstandigheden als door het Hof
in r.o. 4.3 aangeduid,
dienen de hiervoor genoemde, en in r.o. 3.5 gememoreerde, omstandigheden mede
te worden betrokken in de afweging die leidt tot het uiteindelijke oordeel.
De enkele omstandigheid dat thans de beëindiging van de bijdrage in het
levensonderhoud voor de vrouw weinig, of geen, financiële gevolgen heeft
(omdat de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt), laat immers onverlet dat
een oordeel als door het Hof gegeven voor de vrouw definitief beëindigt de
aanspraak op een bijdrage in haar levensonderhoud, en mitsdien ook haar
mogelijkheid om op grond van een eventuele wijziging van omstandigheden
verhoging van het alimentatiebedrag te vragen. Daarnaast valt niet in te zien
dat de enkele omstandigheid dat de vrouw indien de alimentatie wegvalt
aanspraak maakt op een in hoogte vergelijkbare bijstandsuitkering, maakt dat
op die enkele grond geoordeeld kan worden dat de beëindiging van de bijdrage
niet ingrijpend is in de zin van voornoemd artikel II, lid 2.

3. De in r.o. 3.5 genoemde, en hierboven in het vorige onderdeel herhaalde,
omstandigheden konden door het Hof ook daarom niet buiten de in r.o. 4.3 te
maken afweging worden gehouden omdat uit die omstandigheden blijkt dat de
verdiencapaciteit van de vrouw (en haar carrièrelijn) in die zin door het
huwelijk en de geboorte van de kinderen negatief is/zijn beïnvloed, dat de
vrouw op het moment van de geboorte van het oudste kind haar werkzaamheden
heeft gestaakt en zich uitsluitend heeft gewijd aan de verzorging en
opvoeding van de kinderen en zij eerst toen het jongste kind 15 jaar oud was
(en de vrouw 44/45 jaar oud) een deeltijdbaan als schoonmaakster heeft
aanvaard. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat onder deze
omstandigheden de beëindiging van de uitkering niet van zo ingrijpende aard
is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw
kan worden gevergd.

4. De in het vorige onderdeel verworpen klacht wordt ook aangevoerd voorzover
het Hof in r.o. 4.3 buiten beschouwing laat de omstandigheid (wel genoemd in
r.o. 3.5) dat de vrouw geen aanspraak kan maken op het door de man opgebouwde
ouderdomspensioen. Ook deze voor de vrouw nadelige omstandigheid wordt door
het Hof op geen enkele wijze in de in r.o. 4.3 vervatte afweging betrokken.
Aldus is de beslissing ook in die zin niet naar de eisen der wet met redenen
omkleed. (…)

Hoge Raad:

1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 2 mei 1997 ter griffie van de Rechtbank te Arnhem ingekomen
verzoekschrift heeft verweerder in cassatie – verder te noemen: de man – zich
gewend tot die Rechtbank en verzocht de bijdrage in de kosten van
levensonderhoud van verzoekster tot cassatie – verder te noemen: de vrouw –
op grond van artikel II van de wet van 28 april 1994, Stb. 324, zoals
gewijzigd bij wet van 28 april 1994, Stb. 1994, Stb. 325, per 1 juli 1997 te
beëindigen. De vrouw heeft het verzoek bestreden. De Rechtbank heeft bij
beschikking van 4 november 1997 het verzoek van de man toegewezen. Tegen deze
beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te
Arnhem. Bij beschikking van 31 maart 1998 heeft het Hof voormelde beschikking
van de Rechtbank bekrachtigd. (…)

2. Het geding in cassatie
(…)
De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het
beroep, met compensatie van kosten.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn op 23 december 1970 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van 29
juli 1980 is tussen hen echtscheiding uitgesproken, welk vonnis op 27
augustus 1980 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen zijn derhalve ruim 9 jaar met elkaar gehuwd geweest.
(ii) Bij het echtscheidingsvonnis is de man veroordeeld tot betaling van een
alimentatie van ƒ 1400 per maand aan de vrouw. Als gevolg van indexering
bedroeg de alimentatie ten tijde van de indiening van het inleidende verzoek
in de onderhavige zaak ongeveer ƒ 2042 per maand.
(iii) De vrouw is geboren op 18 november 1947. Uit het huwelijk van partijen
zijn twee thans meerderjarige kinderen geboren. Na de echtscheiding was de
vrouw met de voogdij over de kinderen belast. Het jongste kind woont bij haar
moeder.
(iv) De vrouw heeft tot aan de geboorte van het eerste kind gedurende enkele
jaren in de computerbranche gewerkt. Daarna heeft zij zich – met instemming
van de man – uitsluitend gewijd aan de verzorging en opvoeding van de
kinderen en aan de huishouding.
(v) In 1992 heeft de vrouw een deeltijdbaan als schoonmaakster aanvaard. Zij
heeft deze betrekking kort geleden opgezegd omdat zij de werkzaamheden wegens
nek- en rugklachten niet meer aankon. Zij ontving een aanvullende
bijstandsuitkering van ƒ 1136,21 netto per maand naar de norm van een
alleenstaande. Zij kan geen aanspraak maken op (een deel van) het door de man
opgebouwde ouderdomspensioen.
(vi) De man is sedert de beëindiging van zijn tweede huwelijk alleenstaand.
Zijn onderhoudsverplichting jegens zijn tweede echtgenote heeft hij afgekocht
voor een bedrag van ƒ 160 000. Aan zijn jongste dochter heeft hij eveneens
een bedrag ineens betaald, naar aanleiding van een door haar begonnen
procedure tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud
en studie. Zijn draagkracht laat betaling van de hiervoor onder (ii) vermelde
bijdrage toe.

3.2 De man heeft zich gewend tot de Rechtbank met het verzoek de alimentatie
te beëindigen op grond van het bepaalde in art. II lid 2 van de Wet van 28
april 1994, Stb. 324 (hierna: de Wet limitering na scheiding), zoals
gewijzigd bij wet van dezelfde datum, Stb. 325. De Rechtbank heeft dit
verzoek toegewezen en de alimentatie beëindigd met ingang van 1 juli 1997.
Het Hof heeft de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd op de grond dat de
beëindiging van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw in
de gegeven omstandigheden niet ingrijpend is (rov. 4.3). Daartoe heeft het
Hof overwogen: “De bijdrage die de vrouw op dit moment ontvangt, bedraagt –
omgerekend – ƒ 1591 netto per maand. De vrouw moet zich, sedert zij haar baan
heeft opgezegd, particulier verzekeren tegen ziektekosten. Door de
beëindiging van de bijdrage daalt het inkomen van de vrouw van ƒ 2089 bruto,
omgerekend ƒ 1591 netto naar ƒ 1423 netto per maand, het bedrag van de
bijstandsuitkering. Daarmee zou een terugval in haar netto besteedbaar
inkomen van ƒ 168 per maand ontstaan. Nu de vrouw haar baan heeft opgezegd,
zou zij echter een ziektekostenverzekering moeten afsluiten met een premie
die ongeveer overeenkomt met het verlagingsbedrag, terwijl zij als
bijstandsgerechtigde geen extra premiekosten heeft. Dit betekent dat er
feitelijk geen terugval in besteedbaar inkomen is.”

3.3 Bij de beoordeling van het hiertegen gerichte middel moet het volgende
worden vooropgesteld. In de van vóór de Wet limitering na scheiding
daterende, vaste rechtspraak van de Hoge Raad is de regel aanvaard dat aan
beslissingen die het recht op een bijdrage voor levensonderhoud van de ene
gewezen echtgenoot jegens de andere praktisch definitief doen eindigen, in
verband met hun ingrijpend karakter hoge motiveringseisen moeten worden
gesteld. Een niet minder ingrijpend karakter is eigen aan beslissingen
waarbij onder vigeur van art. II, tweede lid, van genoemde wet het beroep van
de alimentatiegerechtigde op de daarin vervatte uitzondering aanstonds wordt
verworpen, dan wel slechts voor een beperkte termijn en met uitsluiting van
de mogelijkheid van verlenging van die termijn wordt gehonoreerd. Aan
dergelijke beslissingen moeten daarom eveneens hoge motiveringseisen worden
gesteld. Daaraan doet niet af dat de Wet limitering na scheiding tot
uitgangspunt heeft dat de alimentatieverplichting niet onbeperkt behoort
voort te duren. Ter beantwoording van de voor het beroep op voormelde
uitzondering beslissende vraag of de beëindiging van de uitkering van zo
ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
niet van degene die tot de uitkering is gerechtigd, kan worden gevergd,
dienen – teneinde te beoordelen of toepassing van de hoofdregel in dit
individuele geval hoogst onrechtvaardig zou zijn – alle relevante
omstandigheden van het geval, zowel die aan de zijde van de tot alimentatie
gerechtigde als die aan de zijde van de alimentatieplichtige, in aanmerking
genomen te worden en in onderling verband te worden gewogen. Dat volgt uit de
tekst van de bepaling, is in overeenstemming met wat elders in het burgerlijk
recht met betrekking tot op de eisen van redelijkheid en billijkheid
steunende uitzonderingen geldt, en vindt steun in de wetsgeschiedenis. De
hoge motiveringseisen brengen daarom in beginsel mee dat de rechter, indien
de alimentatiegerechtigde voldoende gemotiveerd stelt dat
voor toepassing van de uitzondering grond is en de feiten waarop deze
stelling steunt bij betwisting, althans voor zover het gaat om omstandigheden
aan de zijde van de alimentatiegerechtigde, aannemelijk maakt, bij het nemen
van een beslissing als hiervoor bedoeld moet doen uitkomen welke
omstandigheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze in zijn
afweging heeft betrokken. Ter wille van de hanteerbaarheid van het systeem
dient daarbij evenwel als vuistregel te worden aanvaard dat ingeval de
beëindiging van de uitkering voor de alimentatiegerechtigde geen of slechts
een relatief onbetekenende terugval in inkomen ten gevolge heeft, de rechter
in beginsel zonder meer, en met name zonder in zijn motivering de verdere
omstandigheden van het geval te hoeven betrekken, mag aannemen dat het beroep
op de uitzondering faalt. In uitzonderlijke gevallen zal voor toepassing van
deze vuistregel echter geen plaats zijn. Dat zal zo zijn indien de verdere
omstandigheden van het geval onmiskenbaar zò zwaarwegende
billijkheidsargumenten tegen afwijzing van het beroep op de uitzondering
opleveren, dat de rechter daaraan in zijn motivering niet voorbij kán gaan en
moet laten uitkomen dat en hoe hij ook die verdere omstandigheden in zijn
afweging heeft betrokken.

3.4 Het middel klaagt in al zijn onderdelen dat het Hof art. II lid 2 van de
Wet limitering na scheiding onjuist heeft toegepast door de vraag of de
beëindiging van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd, ontkennend
te beantwoorden op de enkele grond dat die beëindiging niet van ingrijpende
aard is. Het middel betoogt dat, nu de rechter ingevolge voormelde
wetsbepaling bij de beantwoording van die vraag in ieder geval ook rekening
dient te houden met de daarin onder (a) tot en met (d) genoemde
omstandigheden, het Hof de in rov. 3.5 van zijn beschikking vermelde
omstandigheden – welke hiervoor in 3.1 onder (iii) tot en met (v) zijn
weergegeven – mede in zijn beoordeling had moeten betrekken. Het middel is
tevergeefs voorgesteld. Het Hof is in rov. 4.3 tot de slotsom gekomen dat bij
de beëindiging van de onderhoudsuitkering feitelijk geen terugval in
besteedbaar inkomen zal optreden. Naar uit het hiervoor in 3.3 overwogene
volgt, mag de rechter in een zodanig geval in beginsel zonder meer, en met
name zonder in zijn motivering de verdere omstandigheden van het geval te
betrekken, aannemen dat het beroep van de alimentatiegerechtigde op de in
art. II, tweede lid, van de Wet limitering na scheiding vervatte uitzondering
faalt. In het midden kan blijven of het Hof heeft onderkend dat vorenbedoelde
regel moet worden aangemerkt als een vuistregel, voor de toepassing waarvan
in uitzonderlijke gevallen geen plaats is. Hetgeen door de vrouw is
aangevoerd ten betoge dat de beëindiging van zo ingrijpende aard is dat deze
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden
gevergd, levert niet onmiskenbaar zò zwaarwegende billijkheidsargumenten
tegen afwijzing van het beroep op de uitzondering op, dat het Hof niet van de
toepasselijkheid van de vuistregel had mogen uitgaan en gehouden was bij de
beantwoording van de vraag of beëindiging van de uitkering van de vrouw kon
worden gevergd, ook de verdere omstandigheden van het
geval in zijn oordeel te betrekken.

Rechters

Mrs Mijnssen, Korthals Altes, Hermann, Fleers, De Savornin Lohmann

Instantie: Rechtbank Almelo, 22 maart 1999

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


Man en zijn echtgenote halen met valse papieren een 2-jarig Braziliaans
meisje naar Nederland om haar te adopteren. Het kind is hen “aangeboden” door
een Braziliaanse vrouw die stelde de biologische moeder te zijn. Aanklacht
wegens (uitlokken van) mensenroof (art. 278 Sr). De rb. oordeelt dat er
inderdaad sprake is van mensenroof. De echte biologische moeder heeft
namelijk niet ingestemd met het vertrek van het kind naar Nederland. Dit
blijkt uit het feit dat zij het meisje al in 1996 heeft afgestaan, terwijl
het kind pas een jaar later naar Nederland is gehaald. Verdachten worden
echter vrij gesproken omdat niet is bewezen dat zij wisten dat degene die het
kind aan hen “ter adoptie aanbood” niet de echte biologische moeder was.
Verdachten worden wel veroordeeld voor valsheid in geschrifte (art. 225 Sr).
Straf: 140 uur dienstverlening.

Volledige tekst

zij in of omstreeks de periode van 7 augustus 1997 tot en met 20 november
1997 in de gemeente(n) Enschede en/of Losser en/of Zuidhorn, ter uitvoering
van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om
tezamen en in vereniging met elkaar althans ieder voor zich opzettelijk een
vergunning tot verblijf (bij de vader van een kind, genoemd Lisa L. L. So.
Sl.) – zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te
dienen – valselijk te doen of laten opmaken zulks met het oogmerk om dat
geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, hierin bestaande dat verdachte
en/of haar mededader(s):
– op 20 november 1997 te Enschede een aanvraag tot een voornoemde
verblijfsvergunning bij de Vreemdelingendienst van de politie Twente
heeft/hebben ingediend of heeft/hebben doen of laten indienen, en/of
– (daartoe) mevr. mr. S.J.A. M. – advocaat te Enschede – heeft/hebben
gemachtigd, en/of
– bij de notaris mr. W. in Zuidhorn een akte heeft/hebben doen of laten
opmaken waaruit zou moeten blijken dat haar echtgenoot ‘als vader’ die Lisa
heeft erkend en/of – zakelijk weergegeven – dat de biologische moeder van die
Lisa afstand heeft gedaan ten behoeve van verdachte en/of haar echtgenoot,
terwijl de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Gezien de stukken;
Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;
Gehoord de vordering van de officier van justitie;
Gelet op de verdediging door en namens verdachte in het midden gebracht;

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging begane kennelijke
schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt daardoor in haar verdediging niet
geschaad.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de onderhavige strafzaak als volgt:
De tekst van artikel 278 van het Wetboek van Strafrecht luidt: “Hij die
iemand over de grenzen van het Rijk in Europa voert, met het oogmerk om hem
wederrechtelijk onder de macht van een ander te brengen of om hem in
hulpeloze toestand te verplaatsen, wordt als schuldig aan mensenroof …” Van
belang in de tekst van voormeld artikel zijn naar het oordeel van de
rechtbank de bestanddelen “over de grenzen van het Rijk in Europa voert, met
het oogmerk om hem wederrechtelijk onder de macht van een ander te brengen”.
In casu is aan het bestanddeel “over de grenzen van het Rijk in Europa”
voldaan nu het kind vanuit Brazilië over de grenzen van het Rijk in Europa is
gevoerd. De rechtbank leest in de tekst van artikel 278 van het Wetboek van
Strafrecht noch in de memorie van toelichting op dat artikel dat hiermee
uitsluitend mensenroof vanuit Nederland wordt bedoeld.

Aan het woord “voert” dient naar het oordeel van de rechtbank de betekenis te
worden toegekend van het “brengen”.

Van het in “hulpeloze toestand verplaatsen” is ten aanzien van dit kind geen
sprake geweest, nu het hier niet om een hulpbehoevend persoon gaat die voor
wat betreft het leven of gezondheid in gevaar is gebracht.

Tenslotte dient te worden besproken het bestanddeel “wederrechtelijk onder de
macht van een ander brengen” of vertaald naar de onderhavige strafzaak: “Lisa
zonder recht of toestemming onder de macht brengen van de verdachten Sl. en
D.”. Door en namens verdachten is aangevoerd dat er in het onderhavige geval
geen sprake is van wederrechtelijkheid, nu Lisa door haar biologische moeder
vrijwillig is afgestaan. Verdachten beroepen zich daarbij op de uitkomst van
het onderzoek dat in hun opdracht is uitgevoerd door het bureau Crime Control
en in het bijzonder in de persoon van H. Vlug van dat bureau. Met medewerking
van familieleden in Brazilië van de medeverdachte M. C. F. hebben de heer
Vlug, verdachte Sl. en een tolk, mevrouw De
eeuw, het dorpje Tres Marias bezocht, alwaar de biologische moeder zou wonen.
Zij hebben gesproken met deze vrouw die stelde Lisa te herkennen op de door
hen getoonde foto’s.

Deze vrouw heeft vervolgens materiaal afgestaan voor DNA-onderzoek, teneinde
vast te kunnen stellen dat zij daadwerkelijk de biologische moeder is van
Lisa. Door de verdediging zijn verklaringen overgelegd van deze vrouw waaruit
zou moeten blijken dat zij vrijwillig afstand heeft gedaan van Lisa, alsmede
dat zij vrijwillig heeft meegewerkt aan de afgifte van materiaal voor een
eventuele DNA-test. Een en ander is door de heer Vlug en verdachte Sl. op
video vastgelegd, van welke beelden de rechtbank ter terechtzitting kennis
heeft genomen.

De rechtbank wil het er zonder DNA-onderzoek voor houden dat deze vrouw
daadwerkelijk de biologische moeder van Lisa is. Echter, in haar verklaring
geeft deze vrouw aan dat zij het kind, dat destijds was genaamd Francinilda,
op 1 augustus 1996 uit vrije wil heeft afgestaan. Tevens verklaart zij dat
het kind is geboren op 21 maart 1996.

Vast is komen te staan dat Lisa in augustus 1997 naar Nederland is gekomen.
Nu de veronderstelde biologische moeder, blijkens haar eigen verklaring, haar
kind in 1996 heeft afgestaan en dit kind in 1997 naar Nederland is gekomen,
heeft het kind derhalve gedurende de tussenliggende periode van ongeveer een
jaar op een andere plaats in (hoogstwaarschijnlijk) Brazilië verbleven. Dit
brengt de rechtbank tot het oordeel dat het kind vanuit die andere plaats
zonder toestemming van de gezaghebbende naar Nederland is vervoerd. Dat geldt
temeer nu de rechtbank (gelet op de verklaringen van medeverdachten) bewezen
acht dat het kind vanuit Teresina, een plaats gelegen op enkele honderden
kilometers van Tres Marias, naar Nederland is gevoerd. In de verklaringen van
die medeverdachten komt het dorpje Tres Marias op geen enkel moment ter
sprake.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is
van mensenroof.

Ten aanzien van de verdachten Sl. en D. geldt dienaangaande evenwel het
volgende:
Om tot een veroordeling te komen terzake mensenroof c.q. het uitlokken
daarvan, moet wettig en overtuigend bewezen zijn dat verdachten dit feit
hebben begaan.
De rechtbank is van oordeel dat het wettige bewijs niet geleverd is, zodat
zij te dier zake vrijgesproken behoren te worden.
De rechtbank overweegt dienaangaande dat niet wettig bewezen kan worden dat
verdachten Sl. en D. destijds wisten, c.q. daartoe de aanmerkelijke kans
hebben genomen dat het kind onrechtmatig Brazilië zou worden uitgevoerd. Ten
aanzien van deze verdachten kan niet wettig bewezen worden verklaard dat zij
toentertijd op de hoogte waren van het feit dat de persoon genaamd Silvania
So., die zich voordeed als de biologische moeder van het kind en later een
afstandsverklaring heeft ondertekend, in werkelijkheid niet de biologische
moeder was.

Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor het sub 2 telastegelegde feit. Niet
wettig bewezen kan worden verklaard dat verdachten binnen de telastegelegde
periode op de hoogte zijn geweest van het feit dat Silvania So. niet de
biologische moeder was en het kind dientengevolge onttrokken is geweest aan
het wettig over haar gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit
desbevoegd over haar uitoefende.

De rechtbank bezigt als bewijsmiddelen:

ten aanzien van het sub 3 primair telastegelegde:

1. de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting,
zakelijk weergegeven:

In de periode van 7 augustus 1997 tot en met 20 november 1997 heb ik samen
met mijn man H. Sl. in de gemeente Enschede bewust gebruik gemaakt van een
valse notariële akte door deze akte als document bij de aanvraag voor een
vergunning tot verblijf voor Lisa in verband met gezinshereniging over te
leggen bij de vreemdelingendienst van de politie Twente. In deze akte stond
in strijd met de waarheid vermeld dat het kind genaamd Lisa L. L. So. Sl.
door mijn man was erkend.

2. een ordner, inhoudende een aantal, voor reproductie conform door de
officier van justitie te Almelo d.d. 10 december 1998 getekende, in de
wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, met bijlagen, d.d. 20 oktober
1998, dossiernummer PL0540/98-001229, van de politie Twente, district Zuid,
waarvan de bladzijden zijn genummerd 1 t/m 446, waaronder met name:

a. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, d.d. 16 september
1998, gemerkt blz. 233 en 234, inhoudende, als zakelijk weergegeven:
verklaring van J. W.:

Op 29 augustus 1997 heb ik een akte opgemaakt waarin mevrouw Silvania So.
verklaarde er volledig mee in te stemmen dat haar kind Lisa L. L. So. Sl.
blijvend in het gezin van de familie Sl. werd opgenomen. Silvania verklaarde
dat eerder genoemde Lisa erkend zou zijn door de vader de heer H. Sl.,
wonende te Enschede.

b. het als bijlage bij voormeld proces-verbaal gevoegde afschrift van een
notariële akte, gemerkt blz. 203, inhoudende, als zakelijk weergegeven:

Op negenentwintig augustus negentienhonderd zevenennegentig, verscheen voor
mij mr. J. W., notaris ter standplaats de gemeente Zuidhorn:
mevrouw Silvania So., geboren te Sao Luis (Brazilië) op zesentwintig maart
negentienhonderdzesenzestig. De comparante verklaarde het volgende:
Op zeven augustus negentienhonderd zesennegentig is in Brazilië uit
ondergetekende geboren het kind Lisa L. L. So. Sl.. Dit kind is erkend door
de vader de heer H. Sl., geboren te Enschede op twintig oktober
negentienhonderd achtenvijftig.

3. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, met bijlagen, d.d. 10
november 1998, van de regiopolitie Twente, district Zuid, afdeling bijzondere
taken, inhoudende, als zakelijk weergegeven:
verklaring van de verbalisant:
Op 29 oktober 1997 ontving de vreemdelingendienst Enschede een schrijven van
mr. S.J.A. M., die de belangen behartigde van dhr. H. Sl. en diens echtgenote
mevr. G.A.B. Sl.- D.. In dit schrijven stond vermeld dat mr. M. namens haar
cliënten een vergunning tot verblijf wilde aanvragen ten behoeve van Lisa L.
L. So. Sl., mede omdat dhr. Sl. dit kind erkend had. Als bijlagen werden
bijgevoegd twee machtigingen ondertekend door dhr. Sl. en mevr. Sl.-D.,
waarin stond dat zij de advocaat mr. M. machtigen om ten behoeve van
isa een aanvraag om een vergunning tot verblijf in te dienen.
4. een als bijlage bij voormeld proces-verbaal gevoegd schrijven van mr.
S.J.A. M., d.d. 29 oktober 1997, gericht aan de vreemdelingendienst van de
politie Twente, inhoudende, als zakelijk weergegeven:
Hierbij deel ik u mede dat ik de belangen behartig van de heer en mevrouw
Sl., alsmede van Lisa So. Sl.. Namens cliënten vraag ik hierbij een
vergunning tot verblijf in verband met gezinshereniging aan ten behoeve van
Lisa So. Sl..
5. een als bijlage bij voormeld proces-verbaal gevoegde machtiging,
ondertekend door H. Sl., inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ondergetekende, H. Sl., geboren te Enschede op 20 oktober 1958, geeft hierbij
toestemming aan mr. S.J.A. M. om een aanvraag ten behoeve van Lisa Lenni L.
So. Sl. in te dienen voor een vergunning tot verblijf bij haar vader en diens
gezin.
6. een als bijlage bij voormeld proces-verbaal gevoegde machtiging,
ondertekend door G.A.B. Sl.-D., inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ondergetekende, G.A.B. Sl.-D. geeft hierbij toestemming aan mr. S.J.A. M. om
een aanvraag ten behoeve van Lisa L. L. So. Sl. in te dienen voor een
vergunning tot verblijf bij haar vader en diens gezin.

De rechtbank is door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen, waarop na te
melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen
dat verdachte het sub 3 primair telastegelegde heeft begaan, met dien
verstande dat:

zij in de periode van 7 augustus 1997 tot en met 20 november 1997 in de
gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk gebruik
heeft gemaakt van een valse notariële akte, – zijnde een geschrift dat
bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift
echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en haar
mededader voornoemde akte als document bij een aanvraag van een vergunning
tot verblijf in verband met gezinshereniging ten behoeve van een kind, genoemd
isa L. L. So. Sl. hebben doen of laten overleggen aan de Vreemdelingendienst
van de politie Twente en bestaande die valsheid hierin dat in die akte in
strijd met de waarheid was vermeld dat:
– het kind, genoemd Lisa L. L. So. Sl. door de vader H. Sl. was erkend;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten
en omstandigheden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan verdachte sub 3 primair meer of
anders is tenlastegelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezene levert op:

voor wat betreft sub 3 primair het misdrijf:
“Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als
ware het echt en onvervalst”,

strafbaar gesteld bij art. 225 jo. 47 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is deswege strafbaar aangezien van geen haar strafbaarheid
uitsluitende omstandigheid is gebleken.

De rechtbank overweegt voor wat de straf betreft, dat op grond van de aard
van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van
verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is
gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze
hierna zal worden bepaald.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder overwogen:
In het onderhavige geval zijn de verdachten Sl. en D., buiten elke officiële
adoptieprocedure om en na uiteindelijk in totaliteit een groot geldbedrag te
hebben betaald, in het “bezit” gekomen van een Braziliaans kind. Door een
feit als het onderhavige wordt de rechtsorde in ernstige mate geschokt, nu
een klein meisje als was zij handelswaar naar Nederland is gehaald. In de
loop van deze strafzaak zijn verdachten, met hulp van het bureau Crime
Control, op zoek gegaan naar de biologische moeder van het kind. De
achterliggende gedachte hiervoor was te bewijzen dat in casu geen sprake was
van mensenroof, zodat hen geen verwijt gemaakt zou kunnen worden. Het feit
dat door dit onderzoek de gegevens van de biologische moeder van het kind (en
misschien ook haar vader) bekend zijn geworden, zodat het kind – indien zij
hieraan later behoefte mocht hebben – haar ouder(s) kan bezoeken is een
omstandigheid die voor het kind van wezenlijk belang kan zijn, maar dit heeft
niet als primair doel voorop gestaan bij het door verdachten ingestelde
onderzoek. Indien het eigen belang van verdachten bij de onderhavige
procedure niet zo groot was geweest, zou de ware identiteit van het kind
hoogstwaarschijnlijk niet, en zeker niet op zo korte termijn zijn
achterhaald.

Voor wat betreft de strafafdoening is de rechtbank van oordeel dat verdachten
gelijkelijk gestraft dienen te worden. Weliswaar is er bij de verdachte Sl.
een feit meer bewezen verklaard, zodat er wellicht onderscheid gemaakt zou
moeten worden in de strafmaat, maar de rechtbank dicht de verdachte D. een
grotere initiërende rol toe in het geheel.

Gelet op de ernst van hetgeen bewezen is verklaard acht de rechtbank in
beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden
passend In plaats van dat onvoorwaardelijk gedeelte zal de rechtbank, gelet
op de ter terechtzitting gebleken persoonlijke omstandigheden van verdachte,
het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte opleggen. Verdachte
heeft ter terechtzitting een daartoe strekkend aanbod gedaan, en aannemelijk
is dat een geschikt project voorhanden is. De straf zal het hierna te
vermelden aantal uren betreffen, zulks overeenkomstig de door de rechtbank
gehanteerde tabel.

De na te noemen straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de
artikelen 22b en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Rechtdoende:

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte sub 1 primair en subsidiair en 2
is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het sub 3 primair telastegelegde in voege als boven
omschreven door verdachte is begaan;

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals
hierboven vermeld;

Verklaart verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt verdachte te dier zake tot het verrichten van onbetaalde arbeid
ten algemenen nutte, gedurende 140 uren, dit in de plaats van
drie maanden gevangenisstraf.
Bepaalt dat met deze onbetaalde arbeid zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
binnen twee maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis, moet worden
aangevangen.
Bepaalt dat deze arbeid moet zijn verricht binnen 12 maanden na aanvang
daarvan.
Bepaalt dat veroordeelde werkzaamheden zal verrichten, verbonden aan een door
de coördinator dienstverlening van de Reclassering Nederland, arrondissement
Almelo, aan te wijzen project, zoals dit is goedgekeurd door het openbaar
ministerie.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte sub 3 primair meer of anders
is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan
vrij;

Rechters

Mr De Klerk-Leenen

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 19 maart 1999

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Eiseres, een Congolese vrouw, vraagt asiel aan danwel een verblijfsvergunning
op humanitaire gronden. De rechtbank oordeelt dat de vrouw als vluchteling
dient te worden aangemerkt. Met voldoende zekerheid kan worden geconcludeerd
dat het lidmaatschap en de verdwijning van de echtgenoot van eiseres ertoe
heeft geleid dat eiseres tevens als politiek tegenstander werd beschouwd, ook
al was zij zelf niet politiek actief.

Volledige tekst

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres geboren op 2 oktober 1948, bezit de Congolese nationaliteit Zij
verblijft sedert 4 augustus 1994 als vreemdeling in de zin van de
Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Laatstelijk op 19 december 1995 heeft zij
een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een
vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Hierop
is door verweerder op 27 september 1996 afwijzend beslist. De aanvraag om
toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid
ervan. Eiseres heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Nadat
eiseres op 17 april 1997 door een ambtelijke commissie is gehoord, heeft
verweerder bij besluit van 6 juni 1997 het bezwaar gegrond verklaard,.
voorzover dit was gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de
asielaanvraag en ongegrond verklaarde voorzover het betrof de weigering
eiseres toe te laten als vluchteling. Bij ditzelfde besluit is eiseres in het
bezit gesteld van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.

2. Op 1 juli 1997 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de
rechtbank Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken
ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring
van het beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 16 februari
1999. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar
gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn
gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig de heer A.O. Muambi tolk

II OVERWEGINGEN

1. Allereerst wordt overwogen dat eiseres eerder, te weten op 10 augustus
1994 heeft verzocht om toelating als vluchteling, danwel wegens klemmende
reden van humanitaire aard. Bij beschikking van 5 oktober 1994 zijn deze
aanvragen afgewezen. Eiseres heeft daartegen een bezwaarschrift ingediend,
alsmede aan de president van de rechtbank verzocht om een voorlopige
voorziening, ertoe strekkend dat verweerder zou worden verboden haar te doen
verwijderen alvorens op haar bezwaar zou zijn beslist. De president heeft bij
uitspraak van 29 mei 1995 dit verzoek afgewezen en onder toepassing van
artikel 33b Vw tevens het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Op 30 juni
1995 met onbekende bestemming vertrokken. Op 19 december 1995 heeft eiseres
opnieuw aanvragen ingediend om toelating als vluchteling, danwel wegens
klemmende redenen van humanitaire aard.

De weigering eiseres toe te laten als vluchteling heeft verweerder
aanvankelijk gebaseerd op artikel 15b, eerste lid aanhef en onder b. Vw,
waarin is bepaald dat een aanvraag om toelating als vluchteling niet wordt
ingewillig wegens de niet-ontvankelijkheid ervan indien de vreemdeling reeds
eerder in Nederland op gelijke gronden om toelating heeft gevraagd, terwijl
daarop onherroepelijk tot niet-inwilliging is besloten.

Bij de thans bestreden beslissing heeft verweerder het bezwaar van eiseres,
voorzover dit was gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring gegrond
verklaard, maar is tevens tot het oordeel gekomen dat het beroep op
vluchtelingschap ongegrond was. Hiertoe is hoofdzakelijk overwogen dat
eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij wordt beschouwd als belangrijk
politiek tegenstander en in de negatieve belangstelling staat van de
autoriteiten van haar land.

2. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in
rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de
toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Nu
eiseres bij het bestreden besluit in het bezit is gesteld van een vergunning
tot verblijf zonder beperkingen is in het onderhavige beroep uitsluitend nog
aan de orde de handhaving van de weigering eiseres als vluchteling toe te
laten.

3. De rechtbank overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van
vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88). zoals gewijzigd bij Protocol van New
York van 1967 (Trb. 1967, 76) en artikel 15, eerste lid, Vw is van
vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land
waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn
godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn
nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een
bepaalde sociale groep.

4. Vooropgesteld moet worden dat de algemene situatie in de Democratische
Republiek Congo (het voormalige Zaïre) niet van dien aard is dat
vreemdelingen afkomstig uit dat land zonder meer als vluchteling kunnen
worden aangemerkt. Eiseres zal derhalve aannemelijk moeten maken dat met
betrekking tot haar persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die haar
vrees in vluchtelingrechte zin rechtvaardigen.

5. Eiseres heeft aan haar aanvragen en het onderhavige beroep ten grondslag
gelegd dat haar echtgenoot militant lid was van de Parti Lumumbiste Unifié
(Palu) in het voormalige Zaïre. Eiseres was zelf niet politiek actief. Haar
problemen begonnen toen haar echtgenoot op 5 mei 1992 niet terugkeerde van
een conferentie. Eiseres is naar hem gaan zoeken en heeft op enig moment
tijdens die zoektocht bewakers van de ‘Conference Nationale Souveraine’
uitgescholden. Enige tijd later is eiseres door leden van de
veiligheidsdienst thuis gearresteerd en daarbij geslagen en bedreigd. Zij
werd. samen met haar enkele weken oude baby overgebracht naar de
Makala-gevangenis, waar zij in een cel is verkracht. Eiseres is vervolgens
gedurende twee jaar in deze gevangenis vastgehouden. Tijdens haar detentie is
zij niet verhoord. Eiseres heeft uiteindelijk met hulp van haar zwager de
gevangenis kunnen vertalen Zij had haar zwager toestemming gegeven om haar
vrachtwagen te verkopen teneinde met de opbrengst daarvan een aantal
vooraanstaande personen om te kopen. Eiseres heeft het voormalige Zaïre op 4
augustus 1994 verlaten.

6. De rechtbank is -anders dan verweerder- van oordeel dat wel aannemelijk is
geworden dat eiseres gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging in
vluchtelingrechtelijke zin. De rechtbank overweegt hiertoe in de eerste
plaats dat de verklaringen die eiseres heeft afgelegd consistent zijn en
geloofwaardig voorkomen, terwijl er bovendien geen aanleiding bestaat de
betrouwbaarheid ervan in twijfel te trekken.

In dit verband wordt mede overwogen dat uit de motivering van het bestreden
besluit niet valt af te leiden dat verweerder het relaas van eiseres niet
geloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft de afwijzing in bezwaar doen
steunen op de overweging dat -naar zijn oordeel- niet aannemelijk is geworden
dat eiseres wordt beschouwd als een belangrijk politiek tegenstander en in de
negatieve belangstelling van de autoriteiten is komen te staan, waarmee
kennelijk bedoeld is om aan te geven dat het relaas van eiseres onvoldoende
zwaarwegend is bevonden voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap.

De rechtbank overweegt dat -temeer nu door de Palu het lidmaatschap en de
verdwijning van de echtgenoot van eiseres zijn bevestigd- uit de voorhanden
gegevens in het dossier met voldoende zekerheid kan worden geconcludeerd dat
de echtgenoot van eiseres een vooraanstaand lid van de Palu was en voor die
partij nauw was betrokken bij de C.N.S. Zijn verdwijning waarvoor het
toenmalige Zaïrese regime verantwoordelijk moet worden gehouden. moet worden
beschouwd als een daad van vervolging. Eiseres heeft -naar aanleiding van de
verdwijning van haar echtgenoot- zelf openlijk kritiek geleverd op het
optreden van de autoriteiten tegen haar echtgenoot en op de weigering haar
omtrent zijn lot opheldering te verschaffen. Tegen die achtergrond dienen de
arrestatie en detentie van eiseres naar het oordeel van de rechtbank te
worden beschouwd als vluchtelingrechtelijk relevant. In elk geval acht de
rechtbank het niet goed denkbaar dat eiseres uitsluitend vanwege haar
bejegening van enkele bewakers van de ‘Conférence Nationale Souveraine’ is
gearresteerd en gedurende twee jaren gevangen is gehouden, indien dit door de
autoriteiten als een commuun vergrijp zou zijn aangemerkt. Eiseres heeft
weliswaar verklaard dat zij zelf niet politiek actief was en niet op de
hoogte was van de aard van de activiteiten die haar echtgenoot voor de Palu
verrichtte, maar, zij heeft wel hardnekkige pogingen in het werk gesteld om
bij de autoriteiten en bij de Palu opheldering te verkrijgen omtrent de
verdwijning van haar echtgenoot. Daarbij heeft zij zoveel commotie teweeg
gebracht dat de toenmalige autoriteiten het kennelijk nodig hebben geoordeeld
haar als politiek tegenstander te detineren.

Verweerders conclusie, dat de omstandigheid dat eiseres door omkoping haar
vrijlating heeft weten te realiseren, er niet op wijst dat zij gegronde vrees
heeft voor vervolging, wordt door de rechtbank niet gedeeld. Het is de
rechtbank uit vele andere zaken van Congolese asielzoekers ambtshalve bekend
dat vrijlating door omkoping in het voormalige Zaïre regelmatig voorkwam.
Voor de stelling dat dit uitsluitend gevallen betrof waarin de betrokkene
niet als politiek opposant te boek stond, wat verweerders conclusie lijkt te
impliceren, acht de rechtbank geen grond aanwezig.

7. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij
het bestreden besluit zijn weigering eiseres toe te laten als vluchteling
niet in redelijkheid heeft kunnen handhaven.

8. Nu gedwongen verwijdering van eiseres naar de Democratische Republiek
Congo niet aan de orde is, wordt toetsing van het bestreden besluit terzake
van eventuele strijdigheid met het bepaalde in artikel 3 EVRM achterwege
gelaten.

9. Het beroep is -gelet op al het voorgaande- gegrond Het bestreden besluit
komt voor (gedeeltelijke) vernietiging in aanmerking.

10. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van
artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte
proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit
proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ 1.420 (1 punt voor het
beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt ƒ
710 en wegingsfactor l). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is
verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient dit bedrag ingevolge
artikel 8:75, tweede lid Awb te worden betaald aan de griffier.

III BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank ‘s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit, voorzover daarbij is geweigerd om
eiseres toe te laten als vluchteling;

3. draagt verweerder op opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift, zulks met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420, onder aanwijzing van
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze
kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiseres
betaalde griffierecht ad ƒ 55,.- vergoedt.

Rechters

Mr. Sentrop

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem, 15 maart 1999

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem

Samenvatting


Verdachte van vrouwenhandel is tegen de (strafrechtelijke) veroordeling in
cassatie gegaan bij de Hoge Raad. De IND heeft het verzoek van het
slachtoffer om verlenging van de verblijfsvergunning afgewezen. De rechtbank
oordeelt dat de IND, die blijkens de tekst van Vc B17-1994 met het oog op de
vervolmaking van de bewijsvoering kennelijk belang hecht aan de aanwezigheid
van het slachtoffer dan wel getuige-aangever van vrouwenhandel hier te lande,
de verlenging van de vergunning tot verblijf niet heeft kunnen weigeren met
de enkele verwijzing naar de omstandigheid dat met het instellen van cassatie
de berechting in feitelijke aanleg zoals bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk
B17 Vc-1994 eindigt en met een mogelijke terugverwijzing naar het Hof als
onzekere toekomstige gebeurtenis geen rekening hoeft worden gehouden. Verder
onderzoek in de bodemprocedure kan tevens benut worden om enig houvast te
krijgen bij de beoordeling van de vraag of de autoriteiten van de Oekraïne
verzoekster bescherming kunnen dan wel willen bieden tegen eventuele
represailles van de hier in Nederland aangehouden en veroordeelde personen
wanneer deze na hun detentie terugkeren naar de Oekraïne, nu zij mede op
basis de verklaringen van verzoekster zijn veroordeeld.

Volledige tekst

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Verzoekster, geboren op (…) 1974 heeft de Oekraïense nationaliteit. Zij
verblijft sedert 28 november 1995 in Nederland. Op 12 juni 1996 heeft
verzoekster zich gemeld bij het hoofd van de politie te Den Haag en een
aanvraag ingediend om vergunning tot verblijf onder de beperking zoals
genoemd in hoofdstuk B17 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994.
Verzoekster is op 12 juni 1996 in het bezit gesteld van de gevraagde
vergunning tot verblijf, geldig tot 12 december 1996.

1.2 Op 13 december 1996 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om verlening
van een vergunning tot verblijf met als doel: “artikel 9 zonder beperkingen,
humanitaire redenen”. Bij beschikking van 8 mei 1998, op gelijke datum aan de
gemachtigde van verzoekster verzonden, heeft verweerder de aanvraag niet
ingewilligd. Verzoekster heeft op 10 juni 1998 tegen deze beschikking een
bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op 8 september 1998 op grond van
artikel 32, eerste lid, onder b, Vw bepaald dat uitzetting gedurende de
periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal blijven.

1.3 Bij verzoekschrift van 15 september 1998 heeft verzoekster de president
van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan
tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege
te laten, totdat op het bezwaarschrift is beslist. Verweerder heeft de op de
zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift
geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek met toepassing van artikel 33b
Vw.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 5 maart
1999. Ter zitting hebben verzoekster en verweerder bij monde van hun
gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan -onder meer- indien voorafgaand aan
een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt,
de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak,
op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet
op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Verzoekster legt aan de aanvraag primair ten grondslag dat zij in
aanmerking komt voor verlenging van de laatstelijk aan haar verleende
vergunning tot verblijf en subsidiair dat zij in aanmerking komt voor een
vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard.
Verzoekster beoogt met het onderhavige verzoek haar uitzetting hangende het
verdere onderzoek in de bodemprocedure te voorkomen.

2.3 Aan de orde is de vraag of de uitvoering van de beslissing van verweerder
om hangende de afdoening, van het bezwaar uitzetting niet achterwege te laten
voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding
tot het door een onmiddellijke uitvoering van die beslissing te nemen belang.
Daarbij is van belang of er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het
bezwaar gericht tegen het besluit van verweerder een redelijke kans van
slagen heeft. In dat geval dient uitzetting achterwege te blijven. Voorts
dient uitzetting achterwege te blijven ingeval deze anderszins in strijd is
met het recht.

2.4 Verzoekster stelt zich primair op het standpunt dat de beslissing van
verweerder van 8 mei 1998 onbevoegd en in strijd met de “Algemene
machtigingsregeling IND” en de “Algemene ondermandaatregeling van het hoofd
van de IND” is genomen. Het betreft in casu een beslissing op een verzoek om
voortgezet verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard en
een dergelijke beslissing mag niet tot het niveau van medewerker worden
(door)gemandateerd. Subsidiair stelt verzoekster zich op het standpunt dat de
geldigheidsduur van de op aan haar verleende vergunning tot verblijf onder de
beperking zoals genoemd in hoofdstuk B17 Vc 1994 dient te worden verlengd, nu
één van de verdachten (…) die in hoger beroep, op basis van onder meer de
verklaringen van verzoekster, is veroordeeld tot vier jaar onvoorwaardelijke
gevangenisstraf, in casu is gegaan en de strafzaak tegen deze verdachte
derhalve nog niet is afgerond. Meer subsidiair is verzoekster van mening dat
klemmende redenen van humanitaire aard nopen tot toelating hier te lande.
Verzoekster vreest bij terugkeer naar haar land van herkomst voor
represailles van de zijde van de twee verdachten (…) die na afloop van hun
detentie hier te lande naar de Oekraïne zullen worden gestuurd.

2.6 De president stelt voorop dat, indien al zou moeten worden aangenomen
dat, zoals verzoekster stelt, de primaire beslissing van verweerder
onbevoegdelijk en in strijd met de door verzoekster aangehaalde machtigings-
en mandateringsregelingen is genomen, zulks niet tot toewijzing van de
gevraagde voorziening kan leiden, nu uitgesloten kan worden geacht dat
verweerder, enkel vanwege deze omstandigheid, in bezwaar tot een inhoudelijk
andere beslissing zal komen.

Omtrent de materiële aspecten van de onderhavige zaak oordeelt de president
als volgt.

2.7 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlengen van de
geldigheidsduur van een verleende vergunning tot verblijf aan een vreemdeling
worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Hiervan kan,
mede gelet op het bepaalde in artikel 12, aanhef en onder d, Vw sprake zijn
indien- voor zover hier van belang- de vreemdeling niet meer voldoet aan de
beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend.

2.8 Ingevolge het bepaalde in hoofdstuk B17/3 van de Vreemdelingencirculaire
(Vc) 1994 wordt aan slachtoffers van vrouwenhandel en getuige-aangevers van
vrouwenhandel een vergunning, tot verblijf verleend -gedurende het
opsporings- en vervolgingsonderzoek en de berechting in feitelijke aanleg van
de verdachte(n) van het plegen van het strafbare feit, waarvan aangifte is
gedaan. Een van de uitgangspunten van vorenbedoeld beleid is, blijkens het
bepaalde in paragraaf 1 van hoofdstuk B17 Vc 1994, dat het noodzakelijk kan
blijken dat de slachtoffers dan wel getuige- aangevers van vrouwenhandel
-gedurende langere tijd in Nederland verblijven om de bewijsvoering te kunnen
afronden.

2.9 In de onderhavige zaak doet zich de situatie voor dat één van de personen
die in verband met de vrouwenhandel waarvan verzoekster slachtoffer is
geworden is aangehouden en die -onder meer op basis van de verklaringen van
verzoekster- is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van
vier jaar, in cassatie is gegaan bij de Hoge Raad. Bij gebreke aan enig
inzicht in de merites van bedoelde strafzaak, kan niet op voorhand worden
uitgesloten dat de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond verklaart en de zaak
voor verdere berechting terugverwijst naar een Gerechtshof. Met een eventuele
terugverwijzing naar een Gerechtshof neemt de berechting in feitelijke aanleg
van de desbetreffende verdachte wederom een aanvang en kan de aanwezigheid
van verzoekster hier te lande gewenst zijn.

2.10 Verweerder die, blijkens hetgeen meer in zijn algemeenheid wordt
verwoord in de eerste paragraaf van hoofdstuk B17 Ve 1994, met het oog op de
vervolmaking van de bewijsvoering, kennelijk belang hecht aan de aanwezigheid
van het slachtoffer dan wel de getuige-aangever van vrouwenhanden hier te
lande, heeft verlenging, van de geldigheidsduur van de op 12 juni 1996 aan
verzoekster onder hoofdstuk B17 Vc 1994 verleende vergunning tot verblijf
niet kunnen weigeren met de enkele verwijzing naar de omstandigheid dat met
het instellen van cassatie de berechting in feitelijke aanleg zoals bedoeld
in paragraaf 3 van hoofdstuk B17 Vc 1994 eindigt en met een mogelijke
terugverwijzing naar een Gerechtshof als onzekere toekomstige gebeurtenis
geen rekening behoeft te worden gehouden. Reeds hierom heeft het
bezwaarschrift van verzoekster, gericht tegen de beslissing van verweerder
van 8 mei 1998, een redelijke kans van slagen.

2.11 Bij het vorenstaande dient te worden aangetekend dat verder onderzoek in
de bodemprocedure tevens benut kan worden om enig houvast te krijgen bij de
beoordeling van de vraag of de autoriteiten van de Oekraïne wanneer de
personen die hier te lande in verband met vrouwenhandel zijn aangehouden en
die op basis van -onder meer- de verklaringen van verzoekster zijn
veroordeeld na expiratie van hun detentie naar de Oekraïne terugkeren,
verzoekster bescherming kunnen dan wel willen bieden tegen eventuele
represailles van de zijde van die personen.

2.12 De president acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 33b Vw.

2.13 In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van
artikel 8:75, eerste lid, b Awb te veroordelen in de door verzoekster
gemaakte kosten, op de wijze als hierna vermeld.

2.14 De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82,
vierde lid, Awb te bepalen dat verweerder het voor het verzoek om voorlopige
voorziening, betaalde grifficrecht ad ƒ 210 zal vergoeden.

BESLISSING

De fungerend president:

3.1. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat
verzoekster de beslissing op het tegen het besluit van 8 mei 1998 ingediende
bezwaarschrift in Nederland zal mogen afwachten;

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420 onder aanwijzing van
de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier
van de rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.3 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding, van
het door verzoekster betaalde griffierecht ad ƒ 210.

Rechters

Mr G.W.S. de Groot

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 12 maart 1999

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Vervolg op Kantongerecht Amsterdam 15 juli 1998 (RN 1999, 1076). Partijen
hebben na wijzing van dit vonnis onderhandeld over de vraag in welke mate hun
werkervaring als standby-stewardess met terugwerkende kracht dient te worden
meegewogen voor vaststelling van het salarisniveau en de senioriteit. Dit
laatste is vooral van belang met het oog op de door eiseressen gewenste
promotie van stewardess tot (assistent)purser. De KLM wil 2 ½ jaar extra
senioriteit toekennen, terwijl eiseressen stellen dat zij – gerekend naar hun
vele vlieguren – in totaal ongeveer vijftien fulltime jaren als stewardess
hebben gevlogen. Eiseressen vorderen thans onmiddellijke toelating tot het
assessment voor assistent-purser. De K
M stelt dat dit haar huidige loopbaanregeling zou doorbreken en zij vreest
voor precedentwerking. De kantonrechter wijst de vordering toe op verbeurte
van een dwangsom van ƒ 500 per dag.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure
De volgende proceshandelingen zijn verricht:
– oproepingsexploit uitgebracht op 9 februari 1999
– mondelinge behandeling op 11 maart 1999, waar zijn verschenen en gehoord
partijen en haar gemachtigden.

Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden maar geen
proces-verbaal opgemaakt.

De inhoud van de overlegde stukken, waaronder van beide kanten produkties
alsmede de pleitnota van mr Knoppert, geldt als hier ingevoegd.

Ambtshalve heeft de kantonrechter kennis genomen van het dossier in de na te
noemen bodemprocedure.

2. Het geschil
2.1. Tussen partijen loopt ten overstaan van de kantonrechter een
bodemprocedure, rolnr. 11078/97. In die procedure is een tussenvonnis gewezen
op 15 juli 1998. Ingevolge dat vonnis – met name onder 3.4 tot en met 3.6 –
hebben partijen indringend onderhandeld in een poging tot overeenstemming in
der minne te bereiken over de twee kernpunten van hun geschil: het
salarisniveau en de senioriteit van eiseressen. Dit laatste is vooral van
belang met het oog op de door eiseressen al jaren gewenste promotie van
stewardess tot (assistent)purser.

2.2. Bij die onderhandelingen – waarin het salarisaspect een ondergeschikte
rol lijkt te spelen en het in de eerste plaats gaat om het aantal extra
senioriteitsjaren dat aan eiseressen (en aan een aantal collega’s in
vergelijkbare posities) met inachtneming van ieders dienstjaren als
standby-stewardess, gerekend vanaf datum indiensttreding als stewardess,
dient te worden toegekend – nam gedaagde het vertrekpunt in dat aan
eiseressen niet meer extra senioriteit toekomt dan zou sporen met de
uitkomsten van de door gedaagde met de vakorganisatie – de Vereniging voor
Nederlands Cabinepersoneel (hierna VNC) – gevoerde onderhandelingen. Gedaagde
wil immers – en met recht – een (verdere) ongelijke behandeling van gelijke
gevallen voorkomen. Ongewijzigde toepassing van die uitkomsten leidt voor
eiseressen tot toekenning van het met de VNC afgesproken maximale aantal van
2,5 jaar extra senioriteit.

2.3. De eiseressen verlangden veel meer extra senioriteit, op grond dat zij
ieder – gerekend naar hun zeer vele vlieguren in de langjarige
standby-perioden – in totaal circa 15 fulltime jaren als stewardess zouden
hebben gevlogen. Zij willen zich dan ook vooralsnog niet neerleggen bij de
uitkomsten van het overleg met de VNC.

2.4. Ieder van partijen heeft zich tijdens het onderlinge schikkingsoverleg
tot concessies bereid verklaard, zoals ter zitting summier geschetst.
Overeenstemming is echter (nog) niet bereikt. Inmiddels lijkt het overleg
stil te zijn gevallen. Enkele weken geleden is daarom – eveneens in het
voetspoor van het tussenvonnis van 15 juli 1998 – een datum voor comparitie
gevraagd en bepaald. De directe oorzaak van dit stilvallen komt naar voren
uit gedaagdes (door haar zelf in het geding gebrachte) brief aan eiseressen
van 28 januari 1999, voorzover van belang luidende:

‘Afgelopen week heeft u aangegeven niet verder over een schikking te willen
praten dan nadat KLM u toezegt dat u, ongeacht een al dan niet te bereiken
schikkingsresultaat over alle verdeelpunten, kunt deelnemen aan het
assessment in maart 1999.

Ik ben bereid u beiden in maart 1999 het assessment te laten volgen door het
creëren van extra plaatsen voor het assessment mits wij daarvoor tot een
schikking zijn gekomen over alle punten die ons verdeeld houden (de punten
die het debat vormen van de procedure bij de Kantonrechter).

Ik acht het, met het oog op de doorwerking die een uitzonderlijke maatregel
voor één of twee individuen heeft (zoals het toelaten tot een assessment)
niet mogelijk u onvoorwaardelijk toegang te verlenen tot het assessment in
maart 1999.

Overigens twijfel ik er niet aan dat verdere onderhandelingsgesprekken in de
maand februari 1999 constructief kunnen zijn. Het verleden heeft laten zien
dat beide partijen bereid zijn tot dergelijke intensieve gesprekken. Indien
onverhoopt in de maand februari geen schikking wordt bereikt, zal het
assessment in maart 1999 voor u geen doorgang vinden. Overigens heb ik er
begrip voor, indien u op dat moment in rechte eventueel een assessment poogt
af te dwingen. Voor de huidige stand van zaken in het schikkingsoverleg lijkt
mij de geboden oplossing die hiervoor is weergegeven alleszins redelijk
(voortzetting van de onderhandelingen en, bij het bereiken van een volledig
onderhandelingsresultaat op alle punten, deelname aan het assessment in maart
1999).’

3. De beoordeling van het geschil
3.1. Nu ook een verdere briefwisseling (op 2 februari 1999) niet heeft geleid
tot een onvoorwaardelijke deelname van eiseressen, vorderen zij in dit geding
om gedaagde bij wege van voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad, te
veroordelen tot hun toelating ’tot het assesment voor assistent-purser op 16
en 17 maart 1999 en – bij gebleken geschiktheid – toelating tot de cursus
voor assistent-purser die aanvangt op 19 april 1999, op straffe van een
dwangsom van ƒ 1.000 per dag’, met veroordeling van gedaagde in de
proceskosten.

3.2. In haar primaire verweer betoogt gedaagde dat eiseressen in hun
vordering niet kunnen worden ontvangen, omdat zij de in artikel (7) van de
krachtens de CAO voor KLM-cabine-personeel toepasselijke loopbaan- en
tewerkstellingsregeling (bijlage 6 bij de CAO) voorgeschreven weg van het
(tweeledige) ‘beroep’ niet hebben gevolgd. Eiseressen kunnen zich immers, zo
stelt gedaagde, niet verenigen met een op grond van die regeling ten aanzien
van hen genomen beslissing.

3.3. Dit verweer faalt. De bedoelde beroepsgang sluit, reeds door de erin
gebezigde ‘kan’-formulering, een gang naar de bevoegde (voorlopige
voorzieningen) rechter niet uit. Daar komt bij dat gedaagdes ‘beslissing’,
zoals daarvan blijkt uit de geciteerde brief van 28 januari 1999, ook in de
bijzondere omstandigheden van dit geval, bezwaarlijk bestempeld kan worden
als ‘een op grond van deze Bijlage t.a.v. hem genomen beslissing’ zoals
bedoeld in art. (7) van de regeling.

3.4. Gedaagdes argument dat de onderwerpelijke problematiek, gelet op het
complexe karakter ervan, zich niet leent voor een behandeling bij wege van
voorlopige voorziening kan evenmin worden aanvaard. De van weerskanten
aangedragen belangen zijn in een uitvoerige mondelinge behandeling met
schriftelijke toelichting, in samenhang met ieders kennis van het dossier in
de bodemprocedure, (meer dan) voldoende uit de verf gekomen om tot een
verantwoorde afweging te komen.

3.5. Inhoudelijk voert gedaagde tot haar verweer aan – kort gezegd – dat
toewijzing van de gevraagde voorziening op twee onderdelen haar als resultaat
van CAO-onderhandelingen tot stand gebrachte loopbaanregeling zou doorbreken,
te weten ten aanzien van (a) de vaststelling van de senioriteit en (b) een
bestaande promotie-eis. Hieraan voegt gedaagde toe (pleitnota sub 18):

‘KLM wordt, bij toewijzing van deze verzochte voorlopige voorziening,
geconfronteerd met precedentwerking op de navolgende wijzen:
a. werknemers zullen toelating tot het assessment verlangen op grond dat, met
het loslaten van de volgordelijst, zij hun geschiktheid voor promotie getest
willen zien;
b. andere ex-standby’s zullen eveneens een plaatsing op de kandidatenlijst
respectievelijk toelating tot het assessment vragen op grond van het
gelijkheidsbeginsel en het feit dat ook zij in redelijkheid hoger op de
volgordelijst geplaatst moeten worden zonder dat het overigens duidelijk
wordt op welke wijze senioriteit respectievelijk ervaring van die groep nu
gewogen zou moeten worden.
c. werknemers (niet standby’s) worden geconfronteerd met een eenzijdige
inbreuk op de systematiek van de volgordelijst en het gerechtvaardigd
vertrouwen dat zij daaraan kunnen ontlenen; terwijl verder geldt dat de
problematiek van de volgordelijst onderwerp van debat vormt tussen KLM en VNC
om te komen tot een herziening van de systematiek van de volgordelijst (zulks
mede in het belang van eiseressen). Dit is natuurlijk niet voor niets een
complexe discussie; vragen als: ‘hoe weeg je welke ervaring uit welke
periode’ zijn niet eenvoudig, laat staan eenduidig, te beantwoorden.’

Tenslotte benadrukt gedaagde dat het niet waar is dat de eiseressen,
uitgaande van hun (ongewijzigde) senioriteit, nog een jaar op een assessment
moeten wachten. Op basis van de huidige planning is volgens gedaagde ‘de
stellige verwachting dat eiseressen in augustus 1999, dus over vijf maanden,
in aanmerking komen voor het assessment en, bij gebleken geschiktheid, kunnen
deelnemen aan de geplande cursus die in september 1999 van start gaat’.

3.6. Eiseressen, die deze stellige verwachting niet delen, hebben ter zitting
gereageerd met het argument dat zij – nu zij, gelet op de uitkomst van het
overleg KLM-VNC, in elk geval een minimale (zij het door hen onvoldoende
geachte) aanspraak op extra senioriteit van 2,5 jaar hebben, terwijl zij al
jaren lang ten onrechte door gedaagde gepasseerd zijn in hun gerechtvaardigde
wensen tot het maken van promotie en ook gelet op hun leeftijd – nu niet nog
langer op toelating tot assessment en cursus behoren te wachten, ook al zou
waar zijn dat dit niet (veel) langer dan een half jaar zou duren. Zouden zij
nu niet mee mogen doen, dan worden zij wederom ten onrechte gepasseerd door
een groot aantal (jongere) collega’s die, volgens de bij gedaagde geldende
senioriteitenregeling, eenmaal geslaagd met hogere senioriteit dan de hunne
op de volgordelijst voor de functie van assistent-purser zouden komen. Dit
zou dus leiden tot verdere vergroting van hun toch al grote
achterstandspositie. Hun belang is dan ook, aldus eiseressen, zowel
zwaarwegend als spoedeisend.

3.7. Ook in haar inhoudelijke verweren kan gedaagde niet worden gevolgd. Om
te beginnen – maar terzijde – ziet de kantonrechter helemaal geen dubbele
doorbreking van de CAO-loopbaanregeling. Het gaat eiseressen in dit stadium
slechts om de (in hun ogen minimale) bijstelling van de enige hier van belang
zijnde promotie-eis, die van hun senioriteit als stewardess. Zou het
gevorderde worden toegewezen, dan kan – met het oog op de door gedaagde
geschetste uitkomst van het overleg met de VNC, een uitkomst die gedaagde
kennelijk tot nieuwe regeling wil (althans op het punt staat te) verheffen,
en in haar visie ook ten opzichte van eiseressen wier wensen vooralsnog
verder gaan – niet in ernst worden volgehouden dat zodanige toewijzing nog
zou leiden tot doorbreking van de CAO-loopbaanregeling. De huidige regeling,
zo zij (voor de ex-stand-byers) formeel nog zou gelden, is inmiddels –
kennelijk ook in de visie van gedaagde en VCN – inzake de senioriteit van het
voormalige standby-personeel toe aan een algehele herziening, en wel met
terugwerkende kracht naar rato van de standby-jaren van iedere betrokkene,
gemaximeerd tot 2,5 jaar extra senioriteit.

3.8. Aan zodanige herziening ontlenen eiseressen – onbestreden – minimaal
aanspraak op 2,5 jaar extra senioriteit (met een in het kader van het
schikkingsoverleg nog aangeboden modaliteit tot verdeling, aldus dat zij
slechts een klein deel van die 2,5 jaar ‘opsouperen’, voorzover dat nodig is
om voor het onderhavige assessment in aanmerking te komen, en dat de rest
wordt meegenomen als senioriteit op de volgordelijst voor assistent-purser
(indien gepromoveerd).

3.9. Dit alles zo zijnde heeft gedaagde, handelende als goed werkgeefster,
zich in redelijkheid niet op het in de brief van 28 januari 1999 verwoorde
standpunt kunnen stellen. Ook met begrip voor gedaagdes verlangen om met
eiseressen tot een minnelijke regeling ten principale te komen, met als kern
dat ook hun herziene senioriteit past binnen de uitkomsten van het overleg
met VCN, mag gedaagde aan eiseressen nu een extra senioriteit (van ruim
minder dan 2,5 jaar), welk extra hen aanstonds toegang zou bieden tot het
assessment van 16 en 17 maart a.s. – niet langer, zelfs niet voor de duur van
een half jaar, onthouden.

3.10. Dat eiseressen onlangs het schikkingsoverleg hebben afgebroken om
toegang tot het assessment af te dwingen vormt geen rechtvaardigheidsgrond
voor gedaagde om – met het in de brief van 28 januari neergelegde middel –
een poging te doen eiseressen onder druk te zetten om tot een, vooralsog
alleen voor gedaagde acceptabele, finale regeling te komen. Over de verder
gaande senioriteits- en/of salarisvorderingen van eiseressen kan ook na hun
toelating tot het assessment zeer wel in alle rust – ook ter comparitie van
27 april 1999 – verder worden gedebatteerd.

3.11. Tenslotte nog de door gedaagde aangedragen vrees voor precedentwerking.
Deze komt de kantonrechter, gelet op de vaststaande omstandigheden van het
geval, ongegrond voor. Het feit dat eiseressen onder de – voor het ex-standby
personeel te wijzigen of al gewijzigde – loopbaanregeling recht hebben op
minimaal 2,5 jaar extra senioriteit als stewardess en de nu al daaraan te
verbinden slotsom dat het hoogst onredelijk zou zijn om eiseressen nu nog
weer langer te laten wachten vormen gegevens die, zo meent de kantonrechter,
aan ieder ander bij de problematiek betrokken lid van het cabinepersoneel
zeer wel zijn uit te leggen (zo nodig door voorlezing van dit vonnis).

3.12. Mét eiseressen is de kantonrechter tegen deze achtergrond van oordeel
dat zij een zwaarwegend en spoedeisend belang hebben bij toewijzing van een
voorlopige voorziening als verzocht.

3.13. De dwangsom, die uiteraard eerst wordt verbeurd na de eventuele
betekening van dit vonnis, wordt gemaximeerd als na te melden. De
proceskosten komen ten laste van gedaagde.

4. De beslissing
De kantonrechter:
– veroordeelt gedaagde om eiseressen toe te laten tot het assessment voor
assistent-purser op 16 en 17 maart 1999 en – bij vastgestelde geschiktheid –
toe te laten op de cursus voor assistent-purser die aanvangt op 19 april
1999, een en ander op verbeurte, na betekening van dit vonnis, van een
dwangsom van ƒ 500 aan ieder van de eiseressen voor elke dag gedurende welke
gedaagde niet in overeenstemming met deze veroordeling zou handelen en met
bepaling dat krachtens dit vonnis ten hoogste ƒ 50.000 aan ieder van de
eiseressen kan worden verbeurd;
– veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak
aan de zijde van eiseressen begroot op ƒ 851,49, waarvan ƒ 600 aan salaris
gemachtigde;
– verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
– wijst het meer of anders gevorderde af

Rechters

Mr Van Breda

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 12 maart 1999

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest en gescheiden. Zij hebben drie
minderjarige kinderen. Bij convenant van 22 november 1994 zijn partijen
overeengekomen dat de man zijn alimentatieverplichting ten aanzien van de
vrouw afkoopt over de periode vanaf 1 december 1994 en dat hij een afkoopsom
van ƒ 120.000 in 48 maandelijkse termijnen van tenminste ƒ 2.500 zal betalen.
De vrouw zou met ingang van 1 december 1994 afstand doen van haar aanspraken
op alimentatie voor zichzelf. De man is dit convenant tot en met juli 1997
nagekomen en is vervolgens gestopt met betalen, terwijl er nog ƒ 40.000 open
stond. De vrouw vordert betaling van dit bedrag. De man verzoekt het
convenant te vernietigen op grond van dwaling c.q. misbruik van
omstandigheden en subsidiair de tussen partijen gesloten overeenkomst te
wijzigen en de alimentatie ten behoeve van de vrouw, op grond dat deze is
aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, met
terugwerkende kracht tot 1 augustus 1997 te bepalen op nihil. Het Hof
oordeelt dat de betalingen van de man op grond van het convenant geen
alimentatiebetalingen zijn en daarom moet de vrouw nakoming van het convenant
door middel van een dagvaardingsprocedure vorderen. Zowel de vrouw als de man
worden in hun verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Volledige tekst

HET GEDING

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest en gescheiden. Bij beschikking van de
rechtbank te ‘s-Gravenhage van 19 januari 1994 is de door de man aan de vrouw
te betalen alimentatie bepaald op ƒ 2.500 per maand en de door de man aan de
vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de op 7 januari 1987
geboren Dennis Bernard Johan en de beiden op 17 oktober 1989 geboren Yvette
Josephine Sophie en Thomas Gerard Willem bepaald op ƒ 500 per maand per kind.

Bij convenant van 22 november 1994 zijn de partijen overeengekomen dat de man
zijn alimentatieverplichting ten aanzien van de vrouw afkoopt over de periode
vanaf 1 december 1994 en dat hij een afkoopsom van ƒ 120.000 in 48
maandelijkse termijnen van tenminste ƒ 2.500 zal betalen, waarvan de eerste
termijn op 1 december 1994 verviel en de laatste op 1 november 1998 zou
vervallen, terwijl de vrouw met ingang van 1 december 1994 afstand zou doen
van haar aanspraken op alimentatie voor zichzelf. De man is dit convenant tot
en met juli 1997 nagekomen en is vervolgens gestopt met betalingen.

Op 17 oktober 1997 heeft de vrouw de rechtbank nakoming van het hierboven
genoemde convenant verzocht, in die zin dat de man ƒ 40.000 zal betalen in 16
achtereenvolgende maandelijkse termijnen van ƒ 2.500, waarvan de eerste
termijn vervalt op 1 augustus 1997 en de laatste op 1 november 1998, dit
alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 1997 tot aan
de dag der algehele voldoening.

De rechtbank heeft – voor zover nodig met wijziging van voormelde beschikking
en convenant – bij beschikking van 25 augustus 1998 bepaald dat de man aan de
vrouw ƒ 40.000 dient te betalen, te voldoen in 16 achtereenvolgende
maandelijkse termijnen van ƒ 2.500, vermeerderd met de wettelijke rente over
de achterstallige termijnen vanaf 1 augustus 1997 tot aan de dag der algehele
voldoening.
Voorts is – op verzoek van de vrouw, gedaan in haar verweerschrift in
reconventie – bepaald dat de man ter zake van de wettelijke indexering over
de bij voormelde beschikking vastgestelde kinderalimentatie aan de vrouw ƒ
1.416,24 dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover
tot aan de dag der algehele voldoening.
Het verzoek van de man om het convenant te vernietigen althans te wijzigen en
om de kinderalimentatie met ingang van 1 december 1997 op nihil te bepalen is
door de rechtbank afgewezen.

De man is van de laatstgenoemde beschikking tijdig in hoger beroep gekomen en
verzoekt deze te vernietigen en opnieuw beschikkende:

met betrekking tot de alimentatie van de vrouw:
primair de op 22 november 1994 tussen de partijen gesloten overeenkomst te
vernietigen op grond van dwaling c.q. misbruik van omstandigheden en
subsidiair de tussen de partijen gesloten voormelde overeenkomst te wijzigen
en de alimentatie ten behoeve van de vrouw, op grond van deze is aangegaan
met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, met terugwerkende kracht
tot 1 augustus 1997 te bepalen op nihil, althans op een zodanig bedrag als de
man in feite sinds 1 augustus 1997 heeft betaald;

met betrekking tot de kinderalimentatie:
te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met
ingang van 1 december 1997 wordt bepaald op nihil, althans op een zodanig
bedrag als de man in feite sinds 1 december 1997 heeft betaald.

De vrouw heeft een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appèl
ingediend waarin zij verzoekt de grieven van de man te verwerpen. Voorts
verzoekt zij eveneens de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw
beschikkende, de man te veroordelen tot:
– nakoming van de op 22 november 1994 tussen de partijen tot stand gekomen
overeenkomst, inhoudende dat de man aan de vrouw ƒ 40.000 dient te betalen,
te voldoen in 16 achtereenvolgende maandelijkse termijnen van ƒ 2.500,
waarvan de eerste termijn verviel op 1 augustus 1997 en de laatste termijn op
1 november 1998;
– betaling van de wettelijke rente over de vanaf 1 augustus 1997 tot aan de
dag der algehele voldoening achterstallige termijnen;
– betaling van de achterstallige verhoging door indexering van de
kinderalimentatie, welke achterstand per 1 januari 1998 ƒ 1.416,24 bedraagt,
te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van verzuim tot aan
de dag der algehele voldoening;
– betaling van de proceskosten.

Op 15 jauari 1999 is de zaak mondeling behandeld.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof rondt bedragen af op hele guldens.

1. Tussen de partijen is onder meer in geschil wat voor soort overeenkomst
zij op 22 november 1994 hebben gesloten. De man stelt dat er sprake is van
een alimentatieovereenkomst, welke dient te worden vernietigd althans
gewijzigd.
De vrouw stelt dat de partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten
die nagekomen moet worden en waarvan de man geen wijziging kan verzoeken op
de grond dat zijn draagkracht het niet toelaat het in het convenant
overeengekomene na te komen.

2. Voor de vraag of het convenant al of niet als een alimentatieovereenkomst
moet worden beschouwd is bepalend wat de bedoeling van partijen
dienaangaande, gezien in het licht van de bewoordingen van het convenant, is
geweest. In het convenant hebben partijen onder meer in aanmerking genomen
dat zij in nader overleg zijn getreden over de afkoop door de man van de in
de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank op 19 januari 1994 vastgelegde
alimentatieverplichtingen van de man jegens de vrouw en dat tussen partijen
geldt dat, gelet op het karakter van de in dit convenant vastgelegde
afkoopverplichtingen, een hertrouwen of gaan samenwonen van de vrouw op die
verplichting geen invloed zal kunnen hebben. Het convenant luidt verder onder
meer als volgt.

1. De man koopt door ondertekening dezes zijn onderhoudsverplichtingen vanaf
1 december 1994 jegens de vrouw af en wel door betaling van een afkoopsom van
ƒ 120.000 bruto. Het gehele bedrag zal uiterlijk op 1 december 1998 voldaan
moeten zijn.

2. In mindering op het sub 1 bedoelde bedrag zal de man maandelijks, voor het
eerst op 1 december 1994 en zo vervolgens per de eerste van iedere volgende
maand totdat hij geheel aan zijn bovenomschreven verplichting zal hebben
voldaan, aan de vrouw op een door haar nader op te geven rekening voldoen een
bedrag van tenminste ƒ 2.500 per maand.

3. Daartegen doet de vrouw met ingang van 1 december 1994 voor de toekomst
afstand van haar aanspraken op alimentatie voor zichzelf, zodat zij, nadat
het bedrag van ƒ 120.000 geheel is voldaan, niets meer van de man te vorderen
zal hebben.

Uit dit convenant blijkt naar het oordeel van het hof dat het de bedoeling
van partijen was dat de man vanaf 1 december 1994 niet meer ter zake van
levensonderhoud aan de vrouw betaalde. Dat zulks anders was, zoals de man
betoogt en door de vrouw gemotiveerd wordt betwist, acht het hof onvoldoende
aannemelijk gemaakt. De tekst van het convenant en met name van artikel 3
gezien in samenhang met de hierboven reeds genoemde uitgangspunten, staat
daaraan in de weg. Daar komt nog bij dat in het convenant geen
indexeringsregeling is opgenomen noch daarvan uitdrukkelijk is afgezien.
Nadat partijen begin november 1994 in een restaurant mondeling
overeenstemming hadden bereikt, hebben zij deze overeenkomst, die inmiddels
door de toenmalige advocaat van de vrouw op schrift was gezet, op 22 november
1994 ondertekend. Van de man had verwacht mogen worden dat hij, gelet op zijn
kennis- en ontwikkelingsniveau, bezwaar tegen de tekst had gemaakt en het
convenant niet had ondertekend als het de bedoeling van partijen was geweest
dat de man ook na 1 december 1994 ter zake van het levensonderhoud aan de
vrouw zou betalen.
Nu de betalingen van de man op grond van het convenant geen
alimentatiebetalingen zijn, is het hof van oordeel dat de vrouw nakoming van
het convenant door middel van een dagvaardingsprocedure dient te vorderen.
Dit betekent dat de vrouw alsnog niet-ontvankelijk zal worden verklaard in
haar inleidend verzoek tot nakoming van het convenant en tot betaling door de
man van de wettelijke rente over de achterstallige termijnen.
Uit het voorgaande volgt dat ook de man in zijn verzoek tot vernietiging van
het convenant wegens dwaling niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Het
subsidiaire verzoek van de man tot wijziging van het convenant op grond van
grove miskenning van de wettelijke maatstaven dient, omdat het convenant geen
alimentatieovereenkomst is en artikel 1:401 BW om die reden toepassing mist,
te worden afgewezen.

3. De man heeft de behoefte van de kinderen aan alimentatie niet betwist,
docht hij meent dat de rechtbank heeft miskend dat ook de nieuwe echtgenoot
van de vrouw verplicht is tot het verstrekken van een bijdrage ten behoeve
van de kinderen van partijen. Voorts stelt de man dat hij geen draagkracht
heeft om de opgelegde kinderalimentatie te voldoen. Zelfs indien hij wel
draagkracht zou hebben meent de man dat de kinderalimentatie op nihil dient
te worden bepaald nu hij nauwelijks nog contact heeft met de kinderen.

4. De vrouw is op 26 mei 1995 hertrouwd met haar huidige echtgenoot. De man
heeft niet weersproken dat de geïndexeerde kinderalimentatie per 1 januari
1998 ƒ 532,75 per kind per maand bedroeg. Per 1 janauri 1999 bedraagt deze ƒ
550,33.
Nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat ook haar huidige echtgenoot
bijdraagt in het levensonderhoud van de kinderen van partijen, acht het hof
het redelijk dat de man, indien hij daartoe draagkracht heeft, de op basis
van de beschikking van 19 januari 1994 geldende bijdrage blijft betalen, aan
welke bijdrage de kinderen, gelet op de welstand van partijen ten tijde van
hun huwelijk, behoefte hebben.
Het beroep op HR 22 april 1998, NJ 1998, 386 kan de man niet baten. De in dat
arrest geschetste situatie doet zich hier niet voor. Bovendien heeft de man
onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de man en de stiefvader van de
kinderen in november 1997 afgesproken hebben dat de kinderen niet gedwongen
worden om hun vader te bezoeken en geeft de man aan dat hij in ieder geval de
zonen na november 1997 nog enige malen heeft gezien.

5. De man, 52 jaar oud, is directeur van een praktijkvennootschap B.G.G.M.
Ruygrok BV, een pensioen BV onder dezelfde naam en een
beheermaatschappij, Guts BV Voorts is hij maat van de VOF Hettema en
Disselkoen. Hij heeft een echtgenote die in haar eigen levensonderhoud
voorziet. Om die reden zal het hof de man als alleenstaande aanmerken, de
helft van de woonlasten in aanmerking nemen en uitgaan van een
draagkrachtspercentage van 60 %.

6. Bij het berekenen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de
door hem als produktie 36 overgelegde draagkrachtberekening, met uitzondering
van de daarin door de man opgevoerde administratiekosten ad ƒ 1.666 per maand
en de polis Nationale Nederlanden (ABN-schuld) ad ƒ 1.281 per maand en met
inachtneming van het reeds in rechtsoverweging 5 overwogene.
De door de man opgevoerde administratiekosten blijken reeds in de aan het hof
overgelegde jaarstukken van de man te zijn verwerkt en dienen derhalve niet
ten laste van zijn draagkracht te komen.
De polis Nationale Nederlanden ad ƒ 1.281 per maand betreft een premie
levensverzekering die door het hof als vermogensvormend wordt beschouwd. Deze
dient niet voor te gaan op de door de man verschuldigde kinderalimentatie.
Naar het oordeel van het hof heeft de man, uitgaande van het hier
bovenstaande, niet aannemelijk gemaakt dat hij niet langer in staat is de
ingevolge de beschikking van 19 januari 1994 thans geldende kinderalimentatie
te voldoen, zodat deze alimentatie nog steeds overeenkomstig de wettelijke
maatstaven is.
De vrouw heeft geen belang bij een veroordeling tot betaling van een bedrag
ad ƒ 1.416,24, zijnde de wettelijke indexering over de bij genoemde
beschikking opgelegde kinderbijdrage, aangezien executie van deze beschikking
op grond van de wet kan geschieden met inbegrip van wettelijke
indexeringsverhogingen. Zij zal daarom in dit verzoek niet-ontvankelijk
worden verklaard.
De door de vrouw verzochte wettelijke rente over het bedrag van ƒ 1.416,24
kan evenwel toegewezen worden.

7. Het hof ziet geen aanleiding, zoals door de vrouw is verzocht, de man te
veroordelen in de proceskosten, en zal deze tussen de partijen, gewezen
echtelieden, compenseren.

8. Dit alle leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER
BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

verklaart de man alsnog niet-ontvankelijk in zijn inleidend verzoek tot
vernietiging van het convenant;

verklaart de vrouw alsnog niet-ontvankelijk in haar inleidend verzoek tot
nakoming van het door de man aan haar te betalen bedrag van ƒ 40.000, alsmede
tot het betalen van de wettelijke rente over dit bedrag;

verklaart de vrouw alsnog niet-ontvankelijk in haar inleidend verzoek tot
betaling door de man van een bedrag van ƒ 1.416,24;

veroordeelt de man tot betaling van de wettelijke rente over ƒ 1,416,24 vanaf
het moment van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening en verklaart
deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep
aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Van den Wildenberg, Fockema, Andreae-Hartsuiker en Van Bellen.

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 12 maart 1999

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Indien de rechter redelijke zekerheid heeft dat zich een voor de
alimentatie-uitkering van belang zijnde omstandigheid zal voordoen, mag hij
daarmee reeds op voorhand rekening houden. Indien achteraf blijkt dat die
omstandigheid zich niet voordoet, kan op voet van art. 1:401 BW wijziging van
alimentatie worden verzocht. De feitelijke grondslag van de middelen kan
alleen worden gevonden in de bestreden uitspraak
en de stukken van het geding.

Volledige tekst

Hof:

4. De motivering van de beslissing

4.1 In geschil is de door de rechtbank vastgestelde vergoeding van ƒ 1250 per
maand – in totaal ƒ 7500 voor zes maanden – voor het voortgezet gebruik van
de echtelijke woning door de vrouw, en de bijdrage van ƒ 2900 per maand in de
kosten van levensonderhoud van de vrouw.

4.2 Ten aanzien van de door partijen tijdens de mondelinge behandelingen
geformuleerde vermeerderingen van hun verzoeken overweegt het hof dat deze
niet in behandeling kunnen worden genomen voor zover de wederpartij daarmee
niet uitdrukkelijk heeft ingestemd.

Ten aanzien van vergoeding voortgezet gebruik echtelijke woning:

4.3 De door de rechtbank vastgestelde vergoeding voor het voortgezet gebruik
van de echtelijke woning is niet in het dictum opgenomen en voorts heeft de
rechtbank niet bepaald dat de vrouw bevoegd is tot bewoning en gebruik van de
woning. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen het hof evenwel
eenparig verzocht zich thans over dit geschilpunt uit te spreken, hetgeen het
hof hierna zal doen.

4.4 Vast staat dat de vrouw gedurende de zes maanden na de inschrijving van
de echtscheidingsbeschikking de echtelijke woning en de inboedel heeft
bewoond respectievelijk gebruikt. Naar het oordeel van het hof volgt hier uit
dat de vrouw bevoegd was tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning
en de inboedel. Het feit dat de vrouw – zoals de rechtbank heeft geoordeeld –
geen belang meer had bij de toekenning van het recht tot gebruik van de
echtelijke woning doet hier niet aan af. Het hof acht het juist een redelijke
vergoeding vast te stellen voor het voortgezet gebruik van de echtelijke
woning en de inboedel.

4.5 De man heeft het hof in zijn verweerschrift in hoger beroep verzocht over
de periode van zes maanden na de inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking een vergoeding van ƒ 2500 per maand vast te
stellen. Het hof acht een huurwaarde van ƒ 2500 per maand redelijk mede
gezien de verkoopwaarde van de woning in de periode waarom het hier gaat. Bij
de vaststelling van de vergoeding houdt het hof enerzijds rekening met het
feit dat de man de hypotheekrente heeft voldaan en anderzijds dat de vrouw de
overige lasten voor haar rekening heeft genomen. Naar het oordeel van het hof
heeft de vrouw terecht aangevoerd dat ook andere – met name financiële –
omstandigheden in aanmerking genomen dienen te worden. Het hof acht daarbij
van belang dat de man een voordeel heeft gehad, nu niet hij, maar de vrouw
het huurwaardeforfait in de aangifte inkomstenbelasting diende aan te geven.
Voorts neemt het hof in aanmerking dat het huis gemeenschappelijk eigendom
van beide partijen is. Alles bij elkaar afwegend acht het hof – evenals de
rechtbank – een aan de man te betalen vergoeding van ƒ 1250 per maand voor
het voortgezet gebruik van de woning redelijk. Derhalve bedraagt de totale
door de vrouw over de periode van zes maanden verschuldigde vergoeding ƒ
7500. Met de rechtbank gaat het hof ervan uit dat partijen dit bedrag zullen
verrekenen bij de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap,
zodat een en ander bij de vaststelling van de alimentatiebehoefte van de
vrouw en de draagkracht van de man buiten beschouwing kan blijven.

Ten aanzien van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de
vrouw

De behoefte

4.6 De man heeft niet betwist dat behoefte bestaat aan een bijdrage in de
kosten van levensonderhoud van de vrouw.

4.7 Anders dan de rechtbank zal het hof bij de vaststelling van de behoefte
van de vrouw een bijdrage van Robert in de kosten van diens inwoning niet
laten meewegen, omdat aangenomen kan worden dat die bijdrage niet meer dan
kostendekkend is.

De draagkracht

4.8 De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de hem opgelegde
bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen.

4.9 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de
hiervoor onder 3.5 en 3.6 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover
hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.10 Gelet op de in 3.4 vermelde machtiging tot verkoop van de echtelijke
woning gaat het hof ervan uit dat deze woning om en nabij de datum van de
uitspraak verkocht en geleverd zal zijn. Het hof neemt dan ook de
hypotheekrente voor de woning tot die datum in aanmerking. Na die datum houdt
het hof in redelijkheid rekening met een (netto-) woonlast “all in” van ƒ
2500 per maand. Op het verzoek van de man tot toescheiding van de voormalige
echtelijke woning aan hem behoeft, naar uit het voorgaande blijkt, niet meer
te worden beslist.

4.11 Het hof zal de door de man opgevoerde rente en aflossing op de
rekening-courantschuld bij Instalat B.V. bij de berekening van de draagkracht
in aanmerking nemen, nu het een uit het huwelijk van partijen stammende
verplichting betreft en de noodzaak van deze schuld voldoende aannemelijk is
geworden.

4.12 Bij de berekening van de draagkracht zal het hof de door de man
opgevoerde servicekosten in aanmerking nemen. nu deze kosten niet onredelijk
zijn gezien het inkomen van de man.

4.13 De vrouw stelt dat de vergoeding voor het voortgezet gebruik van de
woning de draagkracht van de man verhoogt. Het hof zal hier aan voorbijgaan,
nu de vrouw na de in
4.1 genoemde periode nog zeer geruime tijd in de woning heeft gewoond zonder
daarvoor een vergoeding te hebben betaald. Het hof verwijst bovendien naar
hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen.

4.14 Het hof zal de door de man opgevoerde autokosten niet in aanmerking
nemen, nu niet aannemelijk is dat deze kosten (zakelijk) worden gemaakt,
althans dat deze feitelijk voor rekening van de man komen.

4.15 Het hof acht het begrijpelijk dat de man een bijdrage van ƒ 300 stort
ten behoeve van de familie van de huidige echtgenote in Vietnam, maar is mede
gelet op de lange duur van het huwelijk van partijen van oordeel dat die
bijdrage geen prioriteit geniet boven een bijdrage in de kosten van
levensonderhoud van de vrouw.

4.16 Het hof zal de door de man opgevoerde herinrichtingskosten ten bedrage
van ƒ 350 per maand niet in aanmerking nemen voor zover zij het door de
rechtbank vastgestelde, gebruikelijke bedrag van ƒ 250 per maand aan
herinrichtingskosten te boven gaan, daar de man het meerdere niet aannemelijk
heeft gemaakt.

4.17 Op grond van bovenvermelde feiten en omstandigheden en gelet op de
fiscale consequenties van een en ander acht het hof de man in staat de na te
noemen bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen.

Ten aanzien van de scheiding en deling van de
huwelijksgoederen-gemeenschap:

4.18 De man heeft in zijn incidenteel beroep aangevoerd dat hij zich niet kan
verenigen met een aantal overwegingen van de rechtbank, met name voorzover
het betreft overwegingen onder de rubriek “de scheiding en deling van de
huwelijksgoederengemeenschap”. De man is in dit beroep echter niet
ontvankelijk, nu dit deel van de beschikking een tussenbeschikking is en
daartegen geen hoger beroep mogelijk is.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient de bestreden
beschikking te worden vernietigd.

5.2 De navolgende beslissing wordt gegeven met compensatie van proceskosten.
nu partijen gewezen echtgenoten zijn.
(…)

Cassatiemiddel:

Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de schending met
nietigheid is bedreigd, doordat het Hof – zoals hierna verder uiteengezet zal
worden – zijn uitspraak niet naar de eisen der wet met redenen heeft omkleed
en een beslissing over de door verweerder aan verzoekster te betalen
alimentatie heeft gegeven die met het recht in strijd is, meer in het
bijzonder in strijd is met de wettelijke maatstaven die bij de vaststelling
van een uitkering voor het levensonderhoud van de gewezen echtgenote in
aanmerking behoren te worden genomen.

1. Blijkens ro. 4. 10 en 4.12 is het Hof ervan uitgegaan dat de voormalige
echtelijke woning om en nabij de datum van de uitspraak verkocht en geleverd
zal zijn en heeft het Hof in verband daarmee met ingang van 1 april 1998 de
uitkering voor het levensonderhoud van de vrouw nader bepaald.
In werkelijkheid was de echtelijke woning per 1 april 1998 wel verkocht maar
nog niet geleverd; de levering zal nog een aantal maanden duren omdat de
vrouw nog niet beschikt over vervangende huisvesting.
De uitspraak van het Hof berust dan ook op een “gok”, die naar gebleken is
niet in overeenstemming is met de werkelijkheid.
Het Hof heeft ook niet gemotiveerd en kan ook moeilijk motiveren dat bij de
vaststelling van de alimentatie moet worden uitgegaan per 1 april 1998 van
fictieve feiten die niet met de realiteit in overeenstemming zijn.
Dit klemt te meer, nu het Hof gemeend heeft ten aanzien van de man rekening
te houden met een netto woonlast van ƒ 2500 per maand.

2. De netto woonlast aan de zijde van de man waarmee het Hof rekening heeft
gehouden is niet in overeenstemming met zijn werkelijke woonlasten. Deze
bedragen namelijk, zoals in overweging 3.6 gesteld, ƒ 1542 per maand
inclusief servicelasten.
Vaststaat dat de echtelijke woning nog niet is geleverd en de koopsom nog
niet is betaald: de hypotheeklasten lopen derhalve door.
Er zijn twee mogelijkheden:
(1) er wordt ervan uitgegaan dat de man de hypotheeklasten blijft betalen tot
aan het tijdstip van levering (of een andere datum) waarmee rekening wordt
gehouden bij de vaststelling van de uitkering voor het levensonderhoud van de
vrouw, of
(2) er wordt ervan uitgegaan dat de vrouw de hypotheeklasten voor haar
rekening neemt, waardoor haar behoefte groter, en ook de draagkracht van de
man hoger is.
In beide gevallen zal als uitgangspunt hebben te gelden dat de man voor zijn
eigen huisvesting een bedrag betaalt, dat volgens het Hof ƒ 1542 inclusief
servicelasten bedraagt.

3. Het Hof heeft ook niet uitgelegd – en dit lijkt ook onmogelijk te zijn –
hoe het mogelijk is dat de alimentatie nagenoeg gelijk blijft (f 2610 per
maand respectievelijk ƒ 2500 per maand) terwijl in het eerste geval de man
nog de hypotheeklasten voor zijn rekening neemt en in het tweede geval niet
meer, omdat het Hof er in de tweede situatie van uit is gegaan dat de
echtelijke woning is verkocht.
In de optiek van het Hof immers, bedragen de lasten van de man vóór 1 april
1998 ƒ 2122 aan hypotheekrente van de echtelijke woning en ƒ 1542 aan huur en
servicekosten voor zijn eigen woning. Na 1 april 1998 valt volgens het Hof de
post hypotheekrente weg zodat hij dan alleen nog ƒ 1542 voor zijn eigen
woning heeft te betalen. Onmiskenbaar ontstaat hierdoor ƒ 2122 per maand meer
bruto ruimte welke in aanmerking behoort te worden genomen bij de
vaststelling van de uitkering voor het levensonderhoud van de vrouw.
Bovendien geldt nog als verschil dat de vrouw vanaf 1 april 1998 in de visie
van het Hof zelf huur moet gaan betalen.
Een en ander leidt er dus toe dat de draagkracht van de man ƒ 2122 hoger is
na de levering van de echtelijke woning en dat de behoefte van de vrouw met
een nog onbekend bedrag zal stijgen vanaf het moment dat zij over een andere
woning kan beschikken.
Het lijkt dus volkomen logisch te verwachten dat de alimentatie per de door
het Hof gekozen datum 1 april 1998 wordt verhoogd van ƒ 2610 per maand met ƒ
2122 per maand of een gedeelte daarvan in verband met de toegenomen
draagkracht. Verbazingwekkend is dat de alimentatie echter wordt gesteld op
een bedrag dat ƒ 110 per maand lager is !

4. Waar het Hof in r.o. 4. 10 heeft vastgesteld dat met een netto woonlast
aan de zijde van de man wordt rekening gehouden van ƒ 2500 per maand, is
sprake van een kennelijke vergissing, althans ontbreekt iedere motivering
daarvoor mede in het licht van het feit dat de werkelijke huurlasten van de
man met inbegrip van servicelasten ƒ 1542 per maand bedragen. Deze beslissing
van het Hof is volstrekt onbegrijpelijk en in strijd met de wettelijke
maatstaven. Wanneer het Hof werkelijk heeft bedoeld te zeggen dat de man ƒ
2500 netto mag verwonen en de vrouw maar ƒ 2500 bruto per maand alimentatie
krijgt voor haar volledige levensonderhoud inclusief woonkosten, hetgeen
correspondeert met ongeveer ƒ 1500 netto per maand, dan is dat zo volstrekt
in strijd met de gerechtvaardigde aanspraken van de zijde van de vrouw dat
dit onbegrijpelijk en onaanvaardbaar is, mede gelet op het feit dat het
huwelijk van partijen bijna 30 jaren heeft geduurd. dat zij een zoon hebben
uit dit huwelijk en gelet op de welstand waarin partijen tijdens het huwelijk
kennelijk hebben geleefd, mede in relatie tot het door het Hof zelf
vastgestelde jaarinkomen van ƒ 188 564.36 (r.o. 3.5) nog afgezien van
emolumenten uit het bedrijf waar hij werkzaam is.
Een netto bedrag van ƒ 1500 per maand voor de totale kosten van
levensonderhoud impliceert een component van ongeveer ƒ 350 per maand voor
woonkosten. terwijl een bedrag ad ƒ 2500 netto voor de man hem in staat zou
stellen een woonhuis aan te kopen van ongeveer ƒ 800. 000 tot ƒ 1 miljoen bij
volledige financiering.

5. Ook is onbegrijpelijk en niet dan wel onvoldoende gemotiveerd de
beslissing van het Hof in no. 4.5, 4.13 en het dictum inhoudende dat de
vergoeding voor het voortgezet gebruik van de echtelijke woning is bepaald op
ƒ 1250 per maand, dat deze moet worden verrekend bij de scheiding en deling
van de huwelijksgoederengemeenschap en buiten beoordeling blijft bij de
alimentatiebehoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.
Bij een hypotheeklast van ƒ 2122 per maand zoals door de man betaald, moet
worden vastgesteld dat zijn netto kosten ongeveer ƒ 850 hebben bedragen. De
hypotheekschuld bedroeg ƒ 370 000. De getaxeerde waarde van het huis was ten
tijde van de periode van het voortgezet gebruik ongeveer ƒ 560 000, en
rekening houdende met verkoopkosten toen in redelijkheid te stellen op
ongeveer ƒ 500 000. Bij eventuele verkoop zou dus een beperkt bedrag
beschikbaar zijn gekomen dat rentedragend had kunnen worden uitgezet tegen
ca. 4% op basis van de geldende rentevoet.
In het licht van deze omstandigheden is de vaststelling van een netto bedrag
ten behoeve van de man ad ƒ 1250 per maand (voor de helft van het huis)
volstrekt onbegrijpelijk, te meer daar belangrijke andere componenten van de
goederengemeenschap (de aandelen Instalat B.V.) in handen van de man waren en
zijn.
Daarnaast is het volstrekt onjuist een vergoeding voor het voortgezet gebruik
van de echtelijke woning te beschouwen als een vermogensmutatie. De
vergoeding vormt in ieder geval voor de vrouw een periodieke netto last,
terwijl deze vergoeding de man periodiek ten goede komt. Het is dus volkomen
logisch dat in de desbetreffende periode de gebruiksvergoeding repercussies
heeft voor de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw aan
alimentatie. Dit klemt te meer nu bij de vaststelling van de alimentatie wel
rekening is gehouden met de hypotheeklasten die de man voor zijn rekening
heeft genomen. Het oordeel van het Hof dat de gebruiksvergoeding buiten
beschouwing moet blijven bij de vaststelling van de alimentatiebehoefte van
de vrouw en de draagkracht van de man is dan ook onjuist en volstrekt
onbegrijpelijk, mede nu iedere motivering voor dit oordeel ontbreekt.

6. Ook onbegrijpelijk en niet gemotiveerd is het oordeel van het Hof in r.o.
4.11 dat aan de zijde van de man wordt rekening gehouden met de door hem
opgevoerde rente en aflossing op de rekening-courantschuld.
Het Hof gaat uit van ƒ 223 000 (r.o. 3.6), terwijl uit de stellingen van de
man zelf blijkt dat hij uitgaat van ƒ 146 225 (zie pleitaantekeningen van Mr.
Keijser bij het Hof, prod. 5, bijlage 7).
Voorts heeft het Hof niet verlangd dat werd aangetoond hoe hoog de rente
was/is en dat die ook daadwerkelijk wordt betaald; de Rechtbank achtte dit
niet daadwerkelijk gebleken.
Voorts is volstrekt onbegrijpelijk en evenmin gemotiveerd dat het Hof
rekening houdt met ƒ 1000 per maand aan aflossing op het
rekening-courantkrediet. Het gaat hier immers om een vermogensmutatie.
Daarbij speelt verder een rol dat de echtelijke woning verkocht is voor ƒ 700
000, dat de hypotheekschuld ƒ 370 000 bedraagt en er dus voldoende overwaarde
is om binnenkort de rekening-courantschuld af te lossen althans voorzover
deze “stamt uit het huwelijk” en voor het overige deel uit het aandeel in de
opbrengst van de man. Aflossing vormt een netto bedrag waarmee een
aanzienlijk hoger bruto bedrag aan inkomen aan de zijde van de man gemoeid
is. De hier gegeven beslissing van het Hof is in de ogen van de vrouw apert
onjuist en in strijd met de wettelijke maatstaven.
Zoals al opgemerkt gaat de man er zelf van uit dat de
rekening-courantschuldverplichting voor ƒ 146 225 een “uit het huwelijk van
partijen stammende verplichting betreft”. Voor het meerdere niet. De man
heeft niet aangetoond in hoeverre het hier gaat om rente over de ƒ 146 225,
terwijl voorts gesteld kan worden dat de ƒ 1000 aflossing per maand
betrekking heeft op de nadien door hem verkregen kredieten waardoor de
rekeningcourantschuld is opgelopen tot ƒ 223 000, welk gedeelte geheel voor
zijn rekening en risico komt.
De uitspraak van het Hof is verder inconsistent omdat blijkens no. 4.16
rekening wordt gehouden met een bedrag aan herinrichtingskosten, en tussen
partijen vaststaat dat de financiering van de herinrichtingskosten heeft
plaatsgevonden door uitbreiding van het rekeningcourantkrediet. Aldus vindt
een dubbeltelling plaats, uiteraard ook niet gemotiveerd. Wel volstrekt
onbegrijpelijk en vanzelfsprekend onjuist.

7. De door het Hof vastgestelde alimentatiebedragen voldoen niet aan de
wettelijke maatstaven

Hoge Raad:

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 23 april 1996 bij exploit aan verweerder in cassatie- verder te
noemen – de man – betekend ongedateerd verzoekschrift heeft verzoekster tot
cassatie – verder te noemen: de vrouw – zich gewend tot de Rechtbank te
Arnhem en verzocht echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Voor zover
in cassatie nog van belang heeft zij verzocht de man te veroordelen om aan
haar voor haar levensonderhoud een bedrag van ƒ 5000 per maand en voor de
zoon van partijen ƒ 500 per maand te betalen en te bepalen dat zij bevoegd is
het gebruik van de echtelijke woning voort te zetten.
De man heeft een verweerschrift ingediend en zijnerzijds eveneens verzocht
echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 21 november 1996 de echtscheiding
tussen partijen uitgesproken en iedere verdere beslissing aangehouden. Bij
beschikking van 27 november 1997 heeft de Rechtbank in aansluiting op de
beschikking van 21 november 1996 onder meer bepaald dat de man aan de vrouw
voor haar levensonderhoud vanaf 13 februari 1997
ƒ 2900 per maand zal betalen. Voorts heeft de Rechtbank overwogen dat de
vrouw aan de man een vergoeding van ƒ 7500 verschuldigd is wegens voortgezet
gebruik van de echtelijke woning.
Tegen laatstvermelde beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij
het Gerechtshof te Arnhem.
Bij beschikking van 31 maart 1998 heeft het Hof de beschikking van de
Rechtbank van 27 november 1997, voor zover aan zijn oordeel onderworpen,
vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, de vergoeding voor het
voortgezet gebruik van de echtelijke woning bepaald op ƒ 7500. Voorts heeft
het Hof bepaald dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal
voldoen:
– over de periode van 13 februari 1997 tot 1 september 1997 1500 per maand;
– over de periode van 1 september 1997 tot 1 april 1998 ƒ 26 10 per maand, en
– over de periode na 1 april 1998 ƒ 2500 per maand, en het meer of anders
verzochte afgewezen.

2. Het geding in cassatie

De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van
het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.l. De Rechtbank te Arnhem heeft bij beschikking van 21 november 1996 tussen
partijen echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 13 februari 1997
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Vervolgens heeft de
Rechtbank bij beschikking van 27 november 1997 beslissingen gegeven over het
voortgezet gebruik van de echtelijke woning door de vrouw en de vergoeding
daarvoor, over de alimentatie voor de vrouw en die voor de zoon van partijen,
alsmede over de boedelscheiding.
In hoger beroep heeft het Hof bij beschikking van 31 maart 1998 de vergoeding
voor het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, overeenkomstig het
oordeel van de Rechtbank dienaangaande, bepaald op ƒ 7500 in totaal. Het Hof
heeft de alimentatie voor de vrouw bepaald op ƒ 1500 per maand over de
periode van 13 februari 1997 tot 1 september 1997, op ƒ 2610 per maand over
de periode van 1 september 1997 tot 1 april 1998, en op ƒ 2500 per maand over
de periode na 1 april 1998.
Hiertegen richt zich het middel.

3.2. Bij zijn beoordeling van de draagkracht van de man is het Hof ervan
uitgegaan dat de echtelijke woning omstreeks de datum van de uitspraak
verkocht en geleverd zal zijn, en het heeft de ten laste van de man komende
hypotheekrente ten bedrage van ƒ 2122 per maand voor deze woning dan ook tot
die datum in aanmerking genomen. Voor de periode na die datum heeft het Hof
rekening gehouden met een (netto-) woonlast van ƒ 2500 per maand (rov. 4.
10).
Voor zover onderdeel 1 aanvoert dat de echtelijke woning op 1 april 1998 in
werkelijkheid weliswaar was verkocht maar pas over een aantal maanden zal
worden geleverd, kan het niet tot cassatie leiden. Met deze omstandigheid kan
in cassatie geen rekening worden gehouden, aangezien de feitelijke grondslag
van de middelen alleen kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de
stukken van het geding.
Voor zover het onderdeel klaagt dat het Hof geen rekening had mogen houden
met feiten die ten tijde van zijn beslissing nog niet vaststonden, is het
eveneens tevergeefs voorgesteld. Indien de rechter bij de vaststelling of
wijziging van een uitkering tot levensonderhoud een redelijke mate van
zekerheid heeft dat zich in de toekomst een omstandigheid zal voordoen, die
voor die uitkering van belang is, staat het hem vrij daarmee reeds op
voorhand rekening te houden, door de uitkering met inachtneming van die
omstandigheid vast te stellen of te wijzigen. Ingeval achteraf blijkt dat.
anders dan de rechter ten tijde van zijn beslissing verwachtte, die
omstandigheid zich niet heeft voorgedaan, kan op de voet van art. 1:401 lid 4
BW wijziging of intrekking van de uitspraak worden verzocht.
’s Hofs oordeel dat de echtelijke woning omstreeks 1 april 1998 zal zijn
verkocht en geleverd, berust op een aan het Hof voorbehouden uitleg van de
stukken van het geding en van de uitlatingen van partijen tijdens de
mondelinge behandeling voor het Hof. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en
kan voor het overige niet op juistheid worden getoetst. Het behoefde ook geen
nadere motivering. Ook in zoverre faalt het onderdeel.

3.3. De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot
cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101aRO, geen nadere motivering nu
de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van
de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs. Neleman, Herrmann, De Savornin Lohamn; A-G Langemeijer