Instantie: Rechtbank Assen, 26 februari 1999

Instantie

Rechtbank Assen

Samenvatting


Het kort geding is aangespannen tegen een verdachte die zowel door de
rechtbank Assen als door het Gerechtshof te Leeuwarden is veroordeeld in
verband met seksueel misbruik. Zijn advocaat is namens hem in cassatie gegaan
bij de Hoge Raad. Cliënte heeft derhalve twee instanties afgewacht, alvorens
in kort geding een voorschot op de schadevergoeding te verzoeken. Desondanks
houdt de President van de rechtbank Assen de zaak aan tot de zaak is
afgewikkeld bij de Hoge Raad.

Volledige tekst

OVERWEGINGEN

1. De vordering en het procesverloop

1.1. Eiseres heeft bij dagvaarding gevorderd dat de president bij vonnis,
voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal veroordelen aan
eiseres te betalen een bedrag van ƒ 15.000,00 als voorschot op de vergoeding
van de door haar geleden en nog te lijden immateriële schade, alsmede een
bedrag van ƒ 5.594,00 aan geleden materiële schade, vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening
en gedaagde zal veroordelen in de kosten van dit geding.
1.2. Ter zitting van 11 februari 1999 heeft eiseres bij monde van haar
advocaat van eis geconcludeerd overeenkomstig de dagvaarding.
1.3. Gedaagde heeft de vorderingen bestreden bij monde van zijn advocaat.
1.4. Beide partijen legden pleitaantekeningen over en brachten stukken in het
geding, waarna zij vonnis verzochten.

2. De feiten

2.1. Eiseres is 28 jaar. Zij woonde tijdens haar jeugd in Ruinen.
2.2. Gedaagde had in die tijd en heeft nog steeds een manege in
2.3. Eiseres kreeg als kind wekelijks paardrijles op deze manege en liep daar
later vanuit haar opleiding aan de Lagere Landbouwschool stage.
2.4. Eiseres heeft op 29 mei 1996 aangifte gedaan van seksueel misbruik door
gedaagde van 1 mei 1986 tot 1 augustus 1990.
2.5. Bij vonnis van 5 maart 1997 is gedaagde door deze rechtbank veroordeeld
voor seksueel misbruik van eiseres, alsmede andere slachtoffers. De rechtbank
heeft bewezen verklaard – zakelijk weergegeven – dat verdachte (i.c.
gedaagde) op verschillende tijdstippen in de periode van 1 mei 1986 tot en
met 31 juli 1990 telkens door geweld eiseres heeft gedwongen met hem buiten
echt vleselijke gemeenschap te hebben.
2.6. Gedaagde is van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof te
Leeuwarden, deze heeft arrest gewezen op 2 juli 1998. Het hof heeft –
zakelijk weergegeven – bewezen verklaard dat verdachte (i.c. gedaagde) op
verschillende tijdstippen in de periode van 1 augustus 1986 tot 3 november
1986 ontucht heeft gepleegd met de aan zijn opleiding toevertrouwde
minderjarig althans zijn minderjarige ondergeschikte, (eiseres) die als
stagiaire werkzaam was op zijn manege.
2.7. Gedaagde heeft tegen dit arrest cassatieberoep aangetekend bij de Hoge
Raad.

3. Het standpunt van eiseres

3.1. Eiseres stelt dat gedaagde onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Zij
voert daartoe aan dat gedaagde in twee instanties is veroordeeld voor
seksueel misbruik van eiseres. Volgens haar ligt het niet in de rede dat de
Hoge Raad tot een andersluidend oordeel zal komen en staat derhalve in
civielrechtelijke zin vast dat gedaagde gedurende een lange periode eiseres
op jonge leeftijd seksueel heeft misbruikt.
3.2. Als gevolg van dit handelen heeft zij immateriële en materiële schade
geleden. Zij vordert bij wijze van voorschot een bedrag ad ƒ 15.000,00
terzake van immateriële schade en een bedrag van ƒ 4.127,60 terzake van
materiële schade. Met betrekking tot de immateriële schade verwijst zij naar
een rapportage van een psychotherapeute en een psychologe die haar hebben
onderzocht. De gevorderde materiële schade bestaat uit reeds gemaakte
therapiekosten en kosten rechtsbijstand.
3.3. Zij stelt dat het spoedeisend belang van de zaak is gelegen in het feit
dat zij deze zaak voorlopig wil afronden. Zij hoort door in therapie te gaan
het hoofdstuk met gedaagde te kunnen afsluiten. Om deze kosten te kunnen
betalen vordert zij een voorschot op de schadevergoeding.

4. Het standpunt van gedaagde

4.1. Gedaagde betwist primair onrechtmatig jegens eiseres te hebben
gehandeld. Hij ontkent dat hij eiseres – ooit – heeft misbruikt.
4.2. De veroordeling van het. hof is niet onherroepelijk. Derhalve staat
strafrechtelijk noch civielrechtelijk vast dat gedaagde eiseres destijds
seksueel heeft misbruikt. Het hof heeft gedaagde bovendien vrijgesproken van
verkrachting en – slechts – veroordeeld terzake van ontuchtige handelingen.
Hij verwacht dat de Hoge Raad hem zal vrijspreken.
4.3. Subsidiair betwist hij dat eiseres schade heeft geleden.
4.4. Meer subsidiair betwist hij het spoedeisend belang.
4.5. Nog meer subsidiair betwist hij de hoogte van het gevraagde voorschot.
4.6. Volgens hem is de vordering verjaard.
4.7. Tenslotte concludeert hij uiterst subsidiair dat de vordering gelet op
het restitutierisico dient te worden afgewezen.

5. De beoordeling

5.1. Het spoedeisend belang wordt weliswaar betwist maar staat voor mij
voldoende vast.
5.2. De uitspraken van rechtbank en hof leveren geen dwingend bewijs op voor
de gestelde onrechtmatige handelingen, zolang er geen sprake is van een in
kracht van gewijsde gegaan arrest zoals bedoeld in art 188 Rv. Nu gedaagde
deze ontkent en cassatieberoep heeft ingesteld, gaat het mij te ver om in dit
stadium op grond van het arrest van het hof een veroordeling tot betaling van
een voorschot op schadevergoeding uit te spreken in kort geding. Dit geldt
temeer, nu het arrest van het hof nog niet is uitgewerkt en de
cassatiemiddelen in verband daarmee niet bekend zijn, zodat ik op geen enkele
wijze kan beoordelen, wat de kans van slagen van het cassatieberoep is.
5.3. Hier staat tegenover dat ik het, gezien de veroordelingen van rechtbank
en hof, niet onaannemelijk acht, dat er sprake is van enige vorm van seksueel
misbruik. Ik heb begrip voor het feit, dat eiseres tot een afronding van de
zaak wil komen. Een veroordeling tot betaling van een geldsom in kort geding
lijkt mij niet strikt noodzakelijk om eiseres in staat te stellen de therapie
te volgen, die nodig is. Voorzover de kosten hiervan al niet worden gedekt
door een ziektekostenverzekering, ga ik ervan uit, dat zij de kosten kan
voorschieten op grond van dezelfde feiten, die zij heeft aangevoerd ten
verwere tegen het door gedaagde gedane beroep op het restitutierisico,
namelijk dat zij en haar echtgenoot inkomsten hebben uit een bedrijf. Ik ben
dus van oordeel dat een toekenning van een voorschot kan wachten tot een
onherroepelijke uitspraak in de strafzaak.
5.4. Wel meen ik, dat een veroordeling tot betaling van immateriële- en
materiele schadevergoeding in kort geding, zodra de Hoge Raad uitspraak heeft
gedaan, die hiertoe aanleiding geeft, tegemoet kan komen aan de wens van
eiseres om tot een afronding te komen, als hiermede een bodemprocedure kan
worden voorkomen. Om de noodzaak om opnieuw te dagvaarden en extra kosten te
besparen, zal ik dit kort geding aanhouden tot na de uitspraak van de Hoge
Raad. De meest gerede partij kan de zaak weer aanhangig maken.

BESLISSINGEN:

De president:

Houdt elke uitspraak aan in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad.

Rechters

Mr. F. le Poole

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 17 februari 1999

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Eiseres is door gedaagde in Duitsland misbruikt tijdens haar zomervakantie.
Zij vordert schadevergoeding. Eiseres stelt dat de Nederlandse rechter
bevoegd is hierover te oordelen omdat de immateriële schade zich pas in
Nederland heeft gemanifesteerd. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van
het Hof van Justitie. Hieruit blijkt dat, wanneer de plaats waar een feit
zich heeft voorgedaan en de plaats waar de schade is ontstaan, niet
samenvallen, eiser mag kiezen voor de rechter van welk land gedaagde wordt
gedagvaard. Deze keuzemogelijkheid heeft eiser echter alleen als hiervoor een
voldoende rechtvaardiging aanwezig is. In het onderhavige geval is deze
rechtvaardiging te vinden in de eisen van een goede rechtsbedeling en nuttige
procesorde. Indien het misbruik komt vast te staan, zal immers moeten worden
onderzocht wat de omvang van de schade is en of er voldoende causaal verband
is. De Nederlandse rechter is derhalve bevoegd.

Volledige tekst

RECHTSOVERWEGINGEN

in de hoofdzaak en in het incident:

1. A. vordert W. te veroordelen tot betaling van een bedrag ad ƒ 50.000, te
vermeerderen met wettelijke rente, aangezien A. immateriële schade heeft
geleden door onrechtmatig handelen van W., bestaande uit seksueel misbruik te
Duitsland (Kieselbach en omgeving) tijdens een vakantie in de zomer van 1988.
A. stelt dat haar psychische klachten in Nederland zijn ontstaan, zodat op
grond van artikel 5 sub 3 van het EEG-Executieverdrag (EEX) de Nederlandse
rechter bevoegd is.

in het incident verder:

2. W. werpt de exceptie van onbevoegdheid op en stelt dat hij voor de Duitse
rechter dient te worden gedagvaard. Ingevolge de hoofdregel van artikel 2 EEX
is immers de rechter van de verdragsluitende Staat bevoegd, op welk
grondgebied de verweerder woont. De uitzondering van artikel 5 sub 3 EEX doet
zich niet voor. De psychische klachten en psychiatrische behandelingen zijn
uitingen en gevolgen van de directe schade, die in Duitsland is geschied.
Voorts eisen de, beginselen van een goede rechtsbedeling en een nuttige
procesinrichting dat de procedure in Duitsland wordt gevoerd.

3. Admiraal heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Voorop staat dat ingevolge artikel 2 EEX zij die woonplaats hebben op het
grondgebied van een verdragsluitende Staat dienen te worden opgeroepen voor
de gerechten van die Staat. Ingevolge artikel 3 EEX kunnen zij niet voor de
rechter van een andere verdragsluitende Staat worden opgeroepen dan krachtens
de in de afdelingen 2 tot en met 6 gegeven regels. In het tot afdeling 2
behorende artikel 5, aanhef en sub 3, is een regel van bijzondere bevoegdheid
gegeven, inhoudende dat de verweerder die zijn woonplaats heeft op het
grondgebied van een verdragsluitende Staat ten aanzien van een verbintenis
uit onrechtmatige daad kan worden opgeroepen in een andere verdragsluitende
Staat, namelijk: “voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende
feit zich heeft voorgedaan.”
In geschil is of Admiraal op grond van deze regel van bijzondere bevoegdheid
W. mag dagvaarden voor de Nederlandse rechter.

5. Ingevolge vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (de arresten Bier/Mines de Potasse van 30 november 1976, zaak
21/76, Jur. 1976, blz. 1735, NJ 1977, 494; Dumez France/Hessische Landesbank,
11 januari 1990, zaak C- 220/88, Jur. 1990, blz. 1-49, NJ 1991, 573;
Shevill/Presse Alliance, 7 maart 1995, zaak C-68/93, Jur. 1995, blz. 1-0415,
NJ 1996/269) berust de onder 4. genoemde regel van bijzondere bevoegdheid,
die ter keuze van de eisende partij staat, op het bestaan van een bijzonder
nauw verband tussen de vordering en een andere rechter dan die van de Staat
van de woonplaats van de verweerder, zodat de bevoegdheid van die andere
rechter wordt gerechtvaardigd door de eisen van een goede rechtsbedeling en
een nuttige procesinrichting. Het Hof van Justitie heeft voor recht verklaard
dat ingeval de plaats, waar zich een feit heeft voorgedaan dat een
aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan meebrengen, en de plaats, waar
door dit feit schade is ontstaan, niet samenvallen, de uitdrukking “plaats
waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” in artikel 5 sub 3 EEX
aldus moet worden verstaan dat zij zowel ziet op de plaats waar de schade is
ingetreden als op de plaats van de veroorzakende gebeurtenis. Het Hof heeft
echter in recente jurisprudentie (het arrest Marinari/
Lloyd’s Bank van 19 september 1995, zaak C-364/93, Jur. 1995, blz. 1-2733, NJ
1997, 52) aangegeven dat de aldus aan eiser geboden keuzemogelijkheid dient
te worden beperkt tot de bijzondere omstandigheden die ze rechtvaardigen,
aangezien anders de hoofdregel van artikel 2 EEX, volgens welke bevoegd zijn
de gerechten van de verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de
verweerder woonplaats heeft, zou worden uitgehold en uiteindelijk de
bevoegdheid zou worden erkend van de gerechten van de woonplaats van de
eiser, welke bevoegdheid het EEX uitdrukkelijk afwijst.

6. Gelet op het hiervoor onder 4. en 5. overwogene is de rechtbank van
oordeel dat A., die vergoeding vordert van uitsluitend in Nederland geleden
immateriële schade welke zich ook pas in Nederland heeft gemanifesteerd, de
bevoegdheid toekomt om W. te dagvaarden voor de Nederlandse rechter. Deze
bevoegdheid wordt gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden, namelijk
het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en een andere
rechter dan de rechter van het “Handlungsort”. Indien het misbruik komt vast
te staan, zal immers dienen te worden onderzocht wat de omvang van de door A.
geleden schade is alsmede of tussen die schade en de aan W. verweten
gedragingen voldoende causaal verband bestaat. De bevoegdheid van de
Nederlandse rechter wordt derhalve gerechtvaardigd door de eisen van goede
rechtsbedeling en nuttige procesinrichting. Van een te ruime uitleg van het
begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” als
bedoeld in het hiervoor onder 5. genoemde arrest van het Hof inzake Marinari/
Lloyd’s Bank van 19 september 1995, r.o. 14 en 15, is dan ook in het
onderhavige geval geen sprake.

7. Uit het bovenstaande volgt dat de incidentele vordering dient te worden
afgewezen, met veroordeling van W., als de in het ongelijk gestelde partij,
in de kosten van het incident.

8. Voor de goede orde zij opgemerkt dat krachtens artikel 157b, eerste lid,
Rv. hoger beroep slechts mogelijk is tegelijk met het hoger beroep tegen het
eindvonnis.

BESLISSING

in het incident:

Wijst de vordering van W. af. Veroordeelt W. in de kosten van het incident,
tot op heden aan de zijde van A. begroot op nihil aan verschotten en ƒ 860
aan salaris voor de procureur, op de voet van artikel 57 b Rv. te voldoen aan
de griffier van deze rechtbank.

in de hoofdzaak:

Bepaalt dat de hoofdzaak weer zal worden uitgeroepen ter rolzitting van deze
rechtbank van 23 maart 1999 te 9.00 uur voor een conclusie van antwoord,
aanstonds peremptoir.

Rechters

Mr Kalbfleisch

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 16 februari 1999

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Tengevolge van een verkeersongeval heeft appellante letsel bekomen. Zij
vordert als schade onder meer de kosten voor huishoudelijke hulp. Het Hof
oordeelt dat ook door familieleden (onbetaald) verrichte huishoudelijke hulp
voor vergoeding in aanmerking komt.

Volledige tekst

– een conclusie van repliek, tevens akte houdende vermeerdering van eis van
de zijde van S.;
– een conclusie van dupliek van de zijde van Interpolis. Ten slotte is door
partijen onder overlegging van de stukken vonnis gevraagd.

Conclusies van partijen

De vordering van S. strekt er na vermeerdering van eis toe bij vonnis, voor
zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Interpolis te veroordelen:
– om aan S. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag ad ƒ
170.784, althans aan S. te vergoeden de schade zonodig door de rechtbank in
goede justitie te begroten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25
augustus 1995 – voor zover deze niet uit andere hoofde reeds eerder
verschuldigd was – tot die der algehele voldoening;
– tot afgifte van een belastinggarantie,
alles met veroordeling van Interpolis in de kosten van het geding.

Daartegen is door Interpolis verweer gevoerd met conclusie tot niet
ontvankelijkheid van S. in haar vordering, althans tot ontzegging daarvan als
ongegrond en onbewezen met veroordeling van S. in de kosten van het geding.

Motivering

1. Vaststaande feiten

1.1 Op 24 september 1988 was S. die toen 43 jaar was betrokken bij een
verkeersongeval te Dalfsen. Tengevolge van een voorrangsfout van een andere
automobilist werd de door S. bestuurde auto in de linkerflank geraakt, waarna
deze auto met de rechterkant tegen een boom tot stilstand kwam.

1.2 Ten gevolge van dit ongeval heeft S. letsel bekomen en heeft zij zich
onder doktersbehandeling moeten stellen.

1.3 Interpolis heeft de volledige aansprakelijkheid voor de gevolgen van het
ongeval erkend.

1.4 Op verzoek van Interpolis is S. begin maart en begin mei 1989 onderzocht
door N.W. van Gelder, arts te Zwolle.

1.5 Op 8 februari 1990 heeft dr. H.J. Gelmers, neuroloog te Almelo, S.
onderzocht. Zijn bevindingen zijn neergelegd in een rapport. Zijn diagnose
luidde – kort weergegeven – dat S. een costoclaviculair compressiesyndroom
links had, waarschijnlijk geprovoceerd door een ongeval, doch hij stelde
tevens vast dat er nog geen sprake was van een eindtoestand.

1.6 Op 17 januari 1991 heeft dr. Gelmers S. opnieuw onderzocht. Zijn wederom
in een rapport neergelegde diagnose luidde: ‘Status na costoclaviculair
compressiesyndroom links, thans geen klachten meer.’ Bovendien concludeerde
hij dat er sprake is van een eindtoestand en er geen blijvende functionele
invaliditeit is.

1.7 Op 7 juni 1993 is S. onderzocht door dr. H.L. Hamburger, neuroloog te
Amsterdam. De conclusie uit het door dr. Hamburger opgemaakte rapport luidt
als volgt: ‘Er is sprake van een nekdystonie syndroom na een verkeersongeval,
waarbij kan worden gesproken van een post-whiplashtrauma waarbij
bewegingsbeperkingen bestaan van de cervicale wervelkolom, een lichte benigne
paroxysmale positie nystagmus, op basis van de verschijnselen bij de proef
van Hallpike, en lumbago.
Verder is er een costoclaviculair compressiesyndroom en is er pijn ter
plaatse van het rechterschoudergewricht.’
Als diagnose stelt hij: ‘Zie conclusie. Ik acht echter de verschijnselen van
het costoclaviculair compressiesyndroom niet als zijnde een gevolg van het
ongeval dat betrokkene op 24.09.1988 overkwam, mijne inziens is het meest
waarschijnlijk congenitaal bepaald.

De cervicale dystonieklachten met uitstralende verschijnselen, de
bewegingsbeperking en de benigne paroxysmale positie nystagmus zijn mijns
insziens wel het gevolg van het ongeval op voornoemde datum.’

Verder stelt dr Hamburger in zijn rapport:
‘Mijns inziens is er met betrekking tot de ongevalsgevolgen een eindtoestand
bereikt.
Het percentage functionele invaliditeit berekend op basis van de Guides to
the Evaluation Of Permanent Impairment van de AMA, derde herziene editie,
bedraagt in totaal 9 %.
(…)
Met betrekking tot (…) dient betrokkene rekening te houden met een
beperking van haar bezigheden, waarbij zware en minder zware lichamelijke
arbeid niet meer kunnen worden verricht met nek-, schouder en
rugmusculatuur.’

1.6 Interpolis heeft S. inmiddels terzake van het ongeval een bedrag betaald
van ƒ 29.500. Dit bedrag is volgens het door Interpolis op 17 januari 1994
gedane regelingsvoorstel (productie 14 bij repliek) als volgt opgebouwd:
– kosten medische behandeling ƒ 1.742,95
– reiskosten ƒ 495,25
– overige onkosten ƒ 296,95
– kosten huishoudelijke hulp tot 1 januari 2017 ƒ 15.904,40
– smartengeld ƒ 10.000
ƒ 29.439,55
Het eindbedrag levert afgerond naar boven het door Interpolis betaalde bedrag
op.

2. Standpunt S.

2.1 Zij wordt nog steeds behandeld en lijdt thans nog aan de volgende
klachten:
– pijn in de nek;
– uitstralende pijn vooral in de rechter schouder;
– tintelingen in de rechter hand;
– pijn laag in de rug;
– lichte evenwichtsstoornissen;
– duizeligheid bij het draaien van het hoofd;
– emotionele labiliteit.

2.2 De door dr. Gelmers opgemaakte rapportage miskende de klachten van S..
Interpolis heeft vervolgens ingestemd met een vervolg-expertise onder de
uitdrukkelijke voorwaarde dat deze expertise als arbitrage wordt beschouwd.

2.3 De functionele invaliditeit van S. moet op basis van het rapport van dr.
Hamburger worden gesteld op 12%.

2.4 S. berekent de door haar geleden en te lijden schade als volgt:
– kosten huishoudelijke hulp ƒ 51.987
– verlies arbeidsvermogen ƒ 114.539
– medische kosten ƒ 6.195
– overige kosten ƒ 1.971
– immateriële schade ƒ 25.000
totaal ƒ 200.284

Verminderd met het reeds van Interpolis ontvangen bedrag van ƒ 29.500 levert
dit het gevorderde bedrag van ƒ 170.784 op.

3. Standpunt Interpolis.

3.1 Interpolis bestrijdt dat S. nog steeds aanzienlijke klachten zou hebben,
althans klachten die geheel of ten dele zonden zijn toe ze schrijven aan het
ongeval.

3.2 Het onderzoek door dr. Gelmers is uitgevoerd op initiatief van S. en was
bindend voor beide partijen. Interpolis heeft na ampele overweging ingestemd
met het onderzoek door dr. Hamburger, zij het zonder daaraan, althans wat
haarzelf betreft, de voorwaarde te verbinden dat zij zich zonder meer aan het
resultaat van die tweede expertise gebonden zou achten. Wel heeft Interpolis
aan haar instemming de voorwaarde verbonden dat juist S. zich bindend aan dat
resultaat zou moeten houden.

3.3 Primair stelt Interpolis zich op basis van de rapportage van dr. Gelmers
op het standpunt dat de eventuele tijdelijke beperkingen in S. functionele
validiteit en de eventuele tijdelijke klachten voor zover deze op het
litigieuze ongeval zijn terug te voeren, uiterlijk 17 januari 1991 in een
restloze eindtoestand hebben geresulteerd. Voor zover voordien klachten
hebben bestaan en nog bestaan zijn deze terug te voeren op het aangeboren
costoclaviculair compressiesyndroom links.

3.4 Subsidiair, en voor zover de bevindingen van Dr. Hamburger als de juiste
moeten worden aangehouden, merkt Interpolis op dat ook in de visie van dr.
Hamburger de verschijnselen die behoren bij het costoclaviculair
compressiesyndroom niet alle gevolg van het ongeval kunnen worden aangemerkt.

3.5 Interpolis stelt, dat uitgaande van de visie van dr. Gelmers zich geen
verdere schade voordoet aan welke inmiddels door Interpolis werd vergoed. Er
bestaat als gevolg van het ongeval geen verdere behoefte aan huishoudelijke
hulp, er is geen sprake van toekomstig verlies van arbeidsvermogen en een
relatief bescheiden smartengeld is op zijn plaats.

Voor zover (subsidiair) de visie van dr. Hamburger moet worden gevolgd,
bestrijdt Interpolis gemotiveerd de omvang van de door S. geleden schade.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De rechtbank kan Interpolis in haar verweer dat het rapport van dr.
Gelmers als uitgangspunt moet worden genomen, omdat dit voor beide partijen
bindend is, niet volgen. Nu Interpolis heeft ingestemd met het tweede
onderzoek door dr. Hamburger, valt niet in te zien dat de uitslag van het
tweede onderzoek voor S. wel en voor Interpolis niet bindend zou zijn, in die
zin dat Interpolis bij een haar niet welgevallige uitslag van het tweede
onderzoek weer terug kon vallen op het rapport van dr. Gelmers. De rechtbank
acht een dergelijke voorwaarde in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
Bovendien is voor het bestaan van deze voorwaarde in de door partijen in het
geding gebrachte correspondentie geen enkel aanknopingspunt te vinden. De
rechtbank zal bij haar verdere beoordeling uitgaan van het rapport van dr.
Hamburger.

4.2 Daar van uitgaande volgt de rechtbank het oordeel van de deskundige, dat
de verschijnselen van het costoclaviculair compressiesyndroom niet het gevolg
zijn van het litigieuze ongeval. De rechtbank laat het oordeel van de medisch
adviseur C.M. Hömann Felder, die daar blijkens de brief van 4 maart 1996
(productie 16 bij repliek) anders over denkt, buiten beschouwing, omdat dit
een eenzijdig door S. ingeschakelde deskundige betreft, die bovendien
blijkens de inhoud van de brief alleen de (door S. voorgelegde) stukken heeft
bestudeerd en zelf S. niet heeft onderzocht.

4.3 De rechtbank zal thans overgaan tot beoordeling van de afzonderlijke
schadeposten, zulke in het licht van het rapport van dr. Hamburger.

kosten huishoudelijke hulp

S. gaat in haar berekening welke ten grondslag ligt aan haar vordering uit
van 4 uur huishoudelijke hulp per week. Zij baseert zich daarbij ondermeer op
het oordeel van de Stichting Centraal Overijssel – een instelling voor
gezinsverzorging en maatschappelijk werk die in een brief van 9 juni 1993 aan
de gemachtigde van S. stelt (productie 6 bij antwoord) dat volgens de
richtlijnen rond gezinsverzorging 4 uur hulp per week noodzakelijk is.
In het regelingsvoorstel van Interpolis is deze post door Interpolis –
berekend tot 1 januari 2017 en gekapitaliseerd – gesteld op een totaalbedrag
van ƒ 16.904,40. Interpolis is daarbij uitgegaan van 2 uur huishoudelijke
hulp per week (althans vanaf 1 januari 1990, voordien van 4 uur per week)
tegen een uurtarief van ƒ 8,25.

De rechtbank acht het door Interpolis berekende bedrag alleszins redelijk. De
rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat tussen partijen vaststaat dat – tot
dusver – de huishoudelijke hulp is verleend door familieleden van S. waaraan
S. geen vergoeding is verschuldigd, alsmede dat de gevolgen van het
costoclaviculair compressiesyndroom moeten worden weggedacht.

verlies arbeidsvermogen

S. stelt dat zij ten tijde van het ongeval niet buitenshuis werkzaam was,
maar zich wijdde aan de huishouding en verzorging van de kinderen. Zij heeft
een driejarige opleiding tot kapster gevolgd. Zij is tot de geboorte van haar
eerste kind twaalf jaar in dit beroep werkzaam geweest. Na de bevalling heeft
S. een jaar part-time gewerkt. In de daaropvolgende periode – er werden nog
twee kinderen geboren – bij hoge uitzondering als invalkracht. Zij was echter
voornemens haar vroegere part-time werkzaamheden als kapster te hervatten in
augustus 1989, zodra haar dochter de schoolgaande leeftijd zou hebben
bereikt. De parttime werkzaamheden zouden naar verwachting worden verricht op
de vrijdag en de zaterdag. Zij stelt dat tengevolge van haar
bewegingsbeperking zij niet in staat is haar oude beroep als kapster te
hervatten. Hierdoor bedraagt haar geschatte verlies aan verdiencapaciteit ƒ
818,14 per maand – een bedrag dat is ontleend aan de opgave van een
plaatselijke kapper – gerekend tot het bereiken van het 55e levensjaar.

Interpolis stelt daar tegenover dat zij het buitengewoon opmerkelijk acht dat
thans een vordering wegens verlies aan arbeidsvermogen van ruim ƒ l00.000
wordt gepresenteerd, zulks terwijl in de 7 achterliggende jaren van contacten
tussen partijen en tussen hen gevoerd schaderegelingsoverleg een dergelijke
post nimmer ter sprake is geweest. Daargelaten dat volgens Interpolis niet
vaststaat dat de klachten welke S. zegt te hebben haar in meer of mindere
mate arbeidsongeschikt maken voor uitoefening van het beroep van kapster,
bestrijdt Interpolis dat redelijkerwijze zou mogen worden aangenomen dat S.
in haar pretens beoogde opzet zou zijn geslaagd. Overigens heeft volgens
Interpolis te gelden dat de klachten die S. wellicht gedeeltelijk in haar
werk zouden belemmeren, tenminste in substantiële mate zijn terug te voeren
op het costoclaviculaire compressiesyndroom en dat het verlies aan
arbeidsvermogen dat daardoor is ontstaan om die reden niet in de berekening
mag worden meegenomen.

De rechtbank is van oordeel dat S. haar stellingen die er op neer komen, dat
zij vanaf 43-jarige leeftijd na (bijna) 12 jaar niet meer als kapster te
hebben gewerkt, weer gedurende 15 uren per week als kapster aan de slag had
gekund als zij het ongeval niet zou hebben gehad, op geen enkele wijze
aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank acht de stellingen van S.
dienaangaande in hoge mate speculatief en zij acht dan ook geen termen
aanwezig een onderzoek door deskundigen te bevelen om vast te stellen of er
sprake is van arbeidsongeschiktheid c.q. op welke wijze aan de eventuele
restvaliditeit invulling kan worden gegeven.

medische kosten

Uit het debat tussen partijen leidt de rechtbank af dat partijen het over
deze kosten tot 1994 eens zijn, en dat Interpolis toegeeft dat in haar
berekening in het regelingsvoorstel een rekenfout voorkomt, tengevolge
waarvan het bedrag dat S. toekomt tot 1994 ƒ 750 hoger uitvalt.
Over de kosten in het jaar 1994 en toekomstige behandelingen verschillen
partijen van mening.
Interpolis bestrijdt niet dat S. in de toekomst nog behandelingen zal moeten
ondergaan.
Het is de rechtbank niet geheel duidelijk welke bedrag S. over 1994 vordert,
doch uit de producties is af te leiden dat zij in dat jaar 9 maal een
chiropractor te Zwolle heeft geconsulteerd. Per consult rekent de
chiropractor ƒ 75. Van deze kosten wordt 40 % vergoed door het ziekenfonds,
tot een maximum van ƒ 400 per jaar. Over de 10 jaar daarna vordert S. een
bedrag van ƒ 450 per jaar; dat betreft het eigen risico voor de consulten, de
reiskosten en parkeerkosten.
Uitgaande van een eigen risico op basis van gemiddeld 9 consulten per jaar (ƒ
275), de reiskosten (20 kilometer op basis van ƒ 0,35 per kilometer, op
jaarbasis dus een bedrag van ƒ 63) en een onbekend bedrag aan parkeergelden,
komt het de rechtbank voor dat een schadebedrag van ƒ 450 per jaar te hoog
is. De rechtbank zal dit onderdeel van de schade, waaronder begrepen het jaar
1994, ex aequo et bono vaststellen op ƒ 4.000. Het totale bedrag dat S. op
grond van de medische kosten nog toekomt bedraagt derhalve ƒ 4.750.

overige kosten

S. vordert een bedrag van in totaal ƒ 1.971,40 in verband met extra
reiskosten, extra telefoonkosten, parkeergelden, porti e.d. Volgens S. sloot
deze post ultimo 1993 op een bedrag van ƒ9 1.371,40; de in de periode daarna
gevallen kosten worden begroot op een bedrag van ƒ 600. In het
regelingsvoorstel van Interpolis is voor deze post een bedrag opgenomen van
in totaal ƒ 296,95. Interpolis stelt zich op het standpunt dat met betaling
van het bedrag van ƒ 29.500 dit in het voorstel opgenomen bedrag en dus deze
schadepost is voldaan. Zij betwist de juistheid van de omvang van de door S.
gevorderde schade. De rechtbank is van oordeel dat S. op geen enkele wijze
aannemelijk heeft gemaakt dat zij, naast het door Interpolis erkende bedrag
van ƒ 296,95, meer en andere kosten heeft gemaakt. Nu partijen het er over
eens zijn dat in het door Interpolis betaalde bedrag van ƒ 29.500 het bedrag
van acht dan ook geen termen aanwezig een onderzoek door deskundigen te
bevelen om vast te stellen of er sprake is van arbeidsongeschiktheid c.q. op
welke wijze aan de eventuele restvaliditeit invulling kan worden gegeven.

medische kosten

Uit het debat tussen partijen leidt de rechtbank af dat partijen het over
deze kosten tot 1994 eens zijn, en dat Interpolis toegeeft dat in haar
berekening in het regelingsvoorstel een rekenfout voorkomt, tengevolge
waarvan het bedrag dat S. toekomt tot 1994 ƒ 750 hoger uitvalt.
Over de kosten in het jaar 1994 en toekomstige behandelingen verschillen
partijen van mening.
Interpolis bestrijdt niet dat S. in de toekomst nog behandelingen zal moeten
ondergaan.
Het is de rechtbank niet geheel duidelijk welke bedrag S. over 1994 vordert,
doch uit de producties is af te leiden dat zij in dat jaar 9 maal een
chiropractor te Zwolle heeft geconsulteerd. Per consult rekent de
chiropractor ƒ 75. Van deze kosten wordt 40 % vergoed door het ziekenfonds,
tot een maximum van ƒ 400 per jaar. Over de 10 jaar daarna vordert S. een
bedrag van ƒ 450 per jaar; dat betreft het eigen risico voor de consulten, de
reiskosten en parkeerkosten.
Uitgaande van een eigen risico op basis van gemiddeld 9 consulten per jaar (ƒ
275), de reiskosten (20 kilometer op basis van ƒ 0,35 per kilometer, op
jaarbasis dus een bedrag van ƒ 63) en een onbekend bedrag aan parkeergelden,
komt het de rechtbank voor dat een schadebedrag van ƒ 450 per jaar te hoog
is. De rechtbank zal dit onderdeel van de schade, waaronder begrepen het jaar
1994, ex aequo et bono vaststellen op ƒ 4.000. Het totale bedrag dat S. op
grond van de medische kosten nog toekomt bedraagt derhalve ƒ 4.750.

overige kosten

S. vordert een bedrag van in totaal ƒ 1.971,40 in verband met extra
reiskosten, extra telefoonkosten, parkeergelden, porti e.d. Volgens S. sloot
deze post ultimo 1993 op een bedrag van ƒ9 1.371,40; de in de periode daarna
gevallen kosten worden begroot op een bedrag van ƒ 600. In het
regelingsvoorstel van Interpolis is voor deze post een bedrag opgenomen van
in totaal ƒ 296,95. Interpolis stelt zich op het standpunt dat met betaling
van het bedrag van ƒ 29.500 dit in het voorstel opgenomen bedrag en dus deze
schadepost is voldaan. Zij betwist de juistheid van de omvang van de door S.
gevorderde schade. De rechtbank is van oordeel dat S. op geen enkele wijze
aannemelijk heeft gemaakt dat zij, naast het door Interpolis erkende bedrag
van ƒ 296,95, meer en andere kosten heeft gemaakt. Nu partijen het er over
eens zijn dat in het door Interpolis betaalde bedrag van ƒ 29.500 het bedrag
van ƒ 296,50 was opgenomen, zal de rechtbank de vordering van S. op dit
onderdeel afwijzen.

smartengeld

Uit het verloop van het debat tussen partijen is af te leiden dat partijen
het er over eens zijn dat het percentage functionele invaliditeit op 12 %
moet werden gesteld, in plaats van de door dr. Hamburger berekende 9 %
functionele invaliditeit. Partijen twisten echter over de hoogte van het toe
te kennen bedrag aan smartengeld. Gelet op het rapport van dr. Hamburger en
zijn conclusie, zoals weergegeven in rechtsoverweging 1.7, het feit dat
weliswaar een eindtoestand is bereikt doch dat partijen er over eens zijn dat
medische behandeling ook in de toekomst nog noodzakelijk is, en het
percentage functionele invaliditeit, acht de rechtbank een bedrag van ƒ
17.500 terzake van smartengeld passend. In het regelingsvoorstel van
Interpolis is een bedrag voor smartengeld opgenomen van ƒ 10.000, zodat S.
voor dit onderdeel nog een bedrag toekomt van ƒ 7.500.

4.4 Op grond van het bovenstaande dient Interpolis aan S. nog een bedrag te
betalen van ƒ 12.250, zodat de vordering voor dit bedrag kan worden
toegewezen.
Nu de vordering terzake van verlies aan arbeidsvermogen wordt afgewezen,
treft die terzake van de afgifte van een belastinggarantie hetzelfde lot.

4.5 S. zal als de meest in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen
worden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt Interpolis om aan S. een bedrag van ƒ 12.250 te
betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 1995 tot
de dag der algehele voldoening.

Tot zover is dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Hetgeen meer of anders is gevorderd wordt afgewezen.

S. wordt veroordeeld in de kosten van dit geding. Deze kosten worden,
voorzover tot op heden aan de zijde van Interpolis gevallen, bepaald op ƒ
6.040.

Dit vonnis is gewezen door en in het openbaar uitgesproken op woensdag 6
november 1996 in tegenwoordigheid van de griffier.

Rechters

Mrs. A.M.J. Warner-Gorter, J.W.F. Houthof en J. van der Hulst

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 12 februari 1999

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vader verzoekt in hoger beroep dat beide ouders belast zullen blijven met
het ouderlijk gezag, terwijl de rechtbank het gezag alleen aan de moeder had
toegekend. Het hof oordeelt dat gebleken is dat partijen de afgelopen zes
jaar, toen de vader in de Verenigde Staten verbleef en de moeder alleen met
het kind woonde, duidelijke afspraken hadden over verdeling van de
verantwoordelijkheden: het kind verbleef bij de moeder en de moeder nam
uiteindelijk alle beslissingen. Niets wijst erop dat partijen dit thans niet
meer zouden kunnen. Gezamenlijk gezag wordt vastgesteld.

Volledige tekst

HET GEDING

De ouders zijn in 1985 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank te
Rotterdam van 17 augustus 1998 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken,
welke op 4 november 1998 is ingeschreven. Daarbij is bepaald dat aan de
moeder voortaan alleen het gezag toekomt over de minderjarigen Paul Loran,
geboren op 7 november 1984, en Eva Sarah, geboren op 13 januari 1990, en is
de door de vader te betalen kinderalimentatie bepaald op ƒ 250 per maand per
kind.

De vader, die bij de rechtbank niet was verschenen, is van deze beschikking
tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de bestreden beschikking te
vernietigen, en, opnieuw beschikkende, de moeder in haar verzoek alleen te
worden belast met het gezag over de minderjarige kinderen van partijen
niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen en te
bepalen dat partijen het gezag gezamenlijk zullen blijven uitoefenen. Voorts
heeft de vader verzocht een omgangsregeling te bepalen van één weekend per
twee weken, alsmede gedurende de helft van alle reguliere schoolvakanties.

De moeder heeft een verweerschrift ingediend waarin zij heeft verzocht de
vader in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze
verzoeken af te wijzen, onder bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Op 20 januari 1999 is de zaak mondeling behandeld De minderjarige Paul is
gehoord in raadkamer.

BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

1. De vader meent dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de
gezamenlijke uitoefening van het gezag niet in het belang van de
minderjarigen te achten is: hij acht de partijen in staat tot een goede
communicatie met betrekking tot de gezamenlijke gezagsuitoefening. Juist om
het contact met zijn kinderen niet te verliezen heeft hij zijn baan in de
Verenigde Staten van Amerika opgezegd en is hij in dienst getreden bij IKE
België. et ziet ernaar uit dat hij binnenkort een baan in Amsterdam krijgt
bij dezelfde werkgever.

2. De moeder heeft aangevoerd dat zij, sedert haar vertrek met de kinderen
uit de Verenigde Staten van Amerika in 1993, alleen de feitelijke zorg voor
hen draagt. Zij stelt dat constructief overleg met de vader over de kinderen
niet goed mogelijk is.

3. Ter terechtzitting is het volgende gebleken. Partijen hebben afgesproken
dat de gewone verblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn, die ook
de dagelijkse zorg voor hen heeft, net zoals zij dat de afgelopen zes jaar
heeft gehad, toen de vader nog in de Verenigde Staten verbleef en zij alleen
met de kinderen in Nederland woonde. De afgelopen zes jaar is er nooit
discussie geweest over de vraag of het wel goed ging met de kinderen bij de
moeder: de vader vindt de moeder een goede moeder. Hij zal zich ook thans
niet bemoeien met de dagelijkse zorg voor de kinderen, die helemaal bij de
moeder zal berusten. Ook als de kinderen in het kader van de omgangsregeling
bij de vader zijn, zal de vader zich niet mengen in eventuele problemen met
betrekking tot de dagelijkse zorg voor de kinderen. De moeder zal de vader
consulteren over belangrijke beslissingen over de kinderen met betrekking tot
gezondheid, godsdienst, schoolopleiding en dergelijke. De moeder is evenwel
degene die, bij onenigheid, de uiteindelijke beslissingen neemt. De vader
zegt uitdrukkelijk toe deze regeling te zullen respecteren. De vader zal de
door de moeder gewenste informatie verschaffen omtrent zijn werkplek, zijn
inkomen, het huis dat hij in eigendom heeft en dergelijke.

4. Het hof is van oordeel dat, gelet op de manier waarop de ouders hun zaken
hebben geregeld in de zes jaar dat ze gescheiden leefden en gelet op de
duidelijke zorgregeling die zij ook nu de vader in België verblijft hanteren,
er geen aanleiding is om thans, na echtscheiding, het gezag in handen van één
van hen te leggen. Ook al zouden partijen niet met elkaar kunnen
communiceren, dan zou dat, nu er sprake is van een duidelijke regeling, geen
aanleiding geven het gezag aan één van partijen op te dragen. Eventueel kan
één van partijen, bij onenigheid tussen de ouders over een belangrijke te
nemen beslissing, op grond van artikel 1:253a BW het geschil aan de rechtbank
voorleggen.

5. Met betrekking tot de omgangsregeling zijn de partijen overeengekomen dat,
zolang de vader in België verblijft, hij de beide minderjarigen eens per drie
weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 12.00 uur bij zich mag hebben. De
vader haalt de kinderen bij de moeder op en brengt hen ook weer terug. De
vakanties zullen in onderling overleg geregeld worden, met dien verstande dat
de kinderen in de zomervakantie in ieder geval twee weken aaneengesloten bij
de vader zullen doorbrengen en dat de vader hen daarvan een week mag meenemen
naar de Verenigde Staten.

6. Het bovenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking moet worden
vernietigd en dat als volgt moet worden beslist.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de gezagsvoorziening
betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de ouders gezamenlijk belast blijven met de uitoefening van het
ouderlijk gezag over voornoemde minderjarigen, met inachtneming van het onder
3. overwogene.

bepaalt een omgangsregeling tussen de minderjarigen en de vader, inhoudende
dat, zolang de vader in België verblijft, hij de beide minderjarigen één
weekend per drie weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 12.00 uur bij zich
mag hebben (waarbij de vader de kinderen haalt en weer terugbrengt), alsmede,
in ieder geval, twee weken aaneengesloten in de zomervakanties;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders verzocht is.

Rechters

Mrs Van Leuven, Van den Wildenberg en Zeven-Postma

Instantie: Rechtbank Roermond, 11 februari 1999

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw om haar alleen met het gezag te
belasten afgewezen, ondanks de bijzondere omstandigheden van het geval. Het
kind woont en verblijft bij de moeder in Nederland, terwijl de vader in
Ecuador woont en naar verwachting eenmaal per jaar naar Nederland zal komen
om zijn zoontje te bezoeken. De grote geografische afstand staat de
mogelijkheid tot overleg tussen partijen niet in de weg, volgens de rechter.
In verband met de angst voor ontvoering naar het buitenland worden een aantal
maatregelen afgesproken, zoals inlevering van het paspoort van de vader bij
de moeder, als de vader het kind meeneemt.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 8 oktober 1998 waarbij is
uitgesproken de echtscheiding tussen K en L voornoemd.
Voorts heeft de rechtbank bij die beschikking aangehouden de beslissing
omtrent het gezag over de minderjarige B. Geboren te Quito (Ecuador) op 23
januari 1996, alsmede een omgangsregeling, teneinde de echtgenoten in de
gelegenheid te stellen zich uit te laten als in de rechtsoverwegingen van de
beschikking vermeld.

Bij brief van 30 november 1998 heeft mr E. Valckx zich omtrent een
omgangsregeling uitgelaten.

Vaststellingen en overwegingen

Krachtens artikel 1 bezien in verband met artikel 13 eerste lid van het Haags
Kinderbeschermingsverdrag 1961 is de Nederlandse rechter bevoegd om in het
gezag over de minderjarige te voorzien, nu de minderjarige in Nederland
verblijft.

De rechtbank is van oordeel dat het belang van de minderjarige, nu de
minderjarige in Nederland verblijft, het best wordt gediend met toepassing
van Nederlands recht op de gezagsvoorziening.

Ingevolge de met ingang van 1 januari 1998 in werking getreden Wet van
30 oktober 1997 tot wijziging van, onder meer, Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek in verband met de invoering van gezamenlijk gezag voor een ouder en
zijn partner en van gezamenlijke voogdij
, blijven beide echtgenoten van
rechtswege belast met het ouderlijk gezag ná echtscheiding, tenzij de ouders
of een van hen de rechtbank verzoeken in het belang van het kind te bepalen
dat het gezag over een kind of de kinderen aan een van hen alleen toekomt.

De rechtbank is van oordeel dat de door K aangevoerde argumenten onvoldoende
zwaarwegend zijn om in het belang van de minderjarige af te wijken van het
gezamenlijk gezag.

De weliswaar grote geografische afstand tussen de ouders staat, naar het
oordeel van de rechtbank, niet aan de mogelijkheid tot overleg tussen K en L
aangaande de minderjarige in de weg. De rechtbank acht de door K
gesignaleerde problemen met betrekking tot mede-ondertekening door L van
papieren voor school, medische of financiële zaken de minderjarige
betreffende, niet aanwezig daar ondertekening door K als wettelijk
vertegenwoordiger voldoende is.

Nu in de onderhavige zaak beide ouders belast zullen blijven met het
ouderlijk gezag, zal de rechtbank beslissen als hierna vermeld.

Met betrekking tot de omgangsregeling overweegt de rechtbank als volgt.

L heeft via zijn procureur aan de rechtbank zijn standpunt betreffende een
omgangsregeling kenbaar gemaakt. Hij heeft aangegeven dat hij zijn bezoek aan
Nederland, naar verwachting éénmaal per jaar, tijdig zal aankondigen. Bij een
verblijf van twee weken wil hij de eerste vijf dagen gedurende vijf uur per
dag zijn zoon bezoeken, zonodig in het bijzijn van K. De rest van de periode
wil hij om de dag omgang met de minderjarige zonder aanwezigheid van K of
andere familieleden, gedurende méér dan vijf uren per dag.
Voorts heeft L de wens geuit tenminste éénmaal per maand bericht te ontvangen
over de minderjarige door middel van een briefje over de ontwikkeling van de
minderjarige, een tekening, een foto of een geluidsbandje. L is bereid hierop
te reageren.

K heeft de rechtbank bericht te willen meewerken aan een omgangsregeling. Aan
een omgangsregeling wil zij op de volgende wijze vorm geven.

Bij een verblijf van L in Nederland van twee weken of langer zal, in
aanwezigheid van K, omgang plaats hebben in die zin, dat L omgang heeft met
de minderjarige éénmaal per twee dagen gedurende twee a drie uren, op een
door K te bepalen tijdstip en plaats. Bij een korter verblijf dan twee weken
zal het bezoek frequenter kunnen plaats vinden.
Na een gewenningsperiode van twee weken zal L omgang kunnen hebben met de
minderjarige buiten aanwezigheid van K onder de navolgende voorwaarden:
– dat deze vorm van omgang maximaal driemaal per week plaatsvindt, telkens
gedurende maximaal vier uur,
– dat L zijn paspoort en terugreisticket van te voren afgeeft aan L.
K stelt daarbij wel als voorwaarde dat L haar zes weken van te voren van zijn
komst op de hoogte stelt.

Voorts zal K éénmaal per maand schriftelijke informatie verstrekken aan L,
waarop deze steeds dient te reageren op een voor de minderjarige
begrijpelijke wijze.

De rechtbank is van oordeel dat, alles afwegende, de omgangsregeling zoals
voorgesteld door K het meest in het belang van de minderjarige moet worden
geacht en de rechtbank zal dan ook beslissen zoals hierna is aangegeven. De
rechtbank acht het voldoende dat L K uiterlijk een maand van te voren van
zijn voorgenomen bezoek op de hoogte stelt.

Nu K bereid is, zoals door L verzocht, één keer per maand schriftelijke
informatie te verstrekken over het minderjarige kind, zal de rechtbank zulks
ook bepalen.

Beslissing:

De rechtbank:

regelt de omgang tussen de minderjarige

B, geboren op 23 januari 1996 te Quito (Ecuador)
en L op de navolgende wijze:

– L stelt K uiterlijk een maand tevoren van zijn voorgenomen bezoek op de
hoogte;
– bij een verblijf van L in Nederland van twee weken of langer zal, in
aanwezigheid van K omgang plaats hebben in die zin, dat L omgang heeft met de
minderjarige in die zin, dat L omgang heeft met de minderjarige éénmaal per
twee dagen gedurende twee á drie uren, op een door K te bepalen tijdstip en
plaats;
– bij een korter verblijf dan twee weken zal er frequenter omgang kunnen
plaats vinden, nader in onderling overleg te regelen;
– na een gewenningsperiode van twee weken zal L omgang hebben met de
minderjarige buiten aanwezigheid van K onder de navolgende voorwaarden:
– dat deze vorm van omgang maximaal driemaal per week plaatsvindt, telkens
gedurende maximaal vier uur;
– dat L zijn paspoort en terugreisticket van te voren afgeeft aan K;

bepaalt dat K éénmaal per maand schriftelijk informatie over voornoemde
minderjarige zal verstrekken aan L;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart de beslissing over de omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. Vermeulen

Instantie: Rechtbank Leeuwarden, 10 februari 1999

Instantie

Rechtbank Leeuwarden

Samenvatting


Eiseres vordert ƒ 839.860 schadevergoeding van gedaagde omdat deze haar
echtgenoot en vader van haar kinderen heeft vermoord. Gedaagde beroep zich op
matiging omdat hij verminderd toerekeningsvatbaar was en omdat hij een
minimuminkomen heeft. Deze verweren worden verworpen. Gedaagde dient het
gevorderde te betalen.

Volledige tekst

De rechtbank neemt hier over, hetgeen bij tussenvonnis van 25 juni 1997 is
overwogen.

Procesgang

Op 25 juni 1997 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Vervolgens heeft
eiseres een conclusie na interlocutoir vonnis, tevens akte tot overlegging
van producties genomen. Eiseres heeft haar vordering bij akte verminderd.

Vervolgens hebben de procureurs de stukken wederom overgelegd voor
vonniswijziging.

Rechtsoverwegingen

De vordering van eiseres

Na vermindering van eis luidt de vordering van eiseres, dat de rechtbank bij
vonnis – uitvoerbaar bij voorraad te verklaren- gedaagde zal veroordelen om
aan eiseres te betalen de som van ƒ 839.860, vermeerderd met de wettelijke
rente vanaf 4 juli 1992 tot aan de dag der algehele voldoening en met
veroordeling van de gedaagde in de kosten van het geding.

Gedaagde heeft zich niet nader uitgelaten over deze aldus verminderde
vordering.

Beoordeling van het geschil

Vaststelling van het schadebedrag

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres bij haar conclusie na
interlocutoir vonnis en op grond van de daarbij overgelegde producties,
voldoende aangetoond, dat een bedrag van
ƒ 3.511 als uitgangspunt mag worden genomen voor het netto maandinkomen, dat
haar overleden echtgenoot X gemiddeld verdiende. Uit de brief van de
werkgever d.d. 22 september 1997 blijkt dat X als stukloonmedewerker in
dienst was en dat zijn loon variabel was, gebaseerd op de aantallen
gefileerde kilo’s vis. Van incidentele vergoedingen (zoals bijvoorbeeld
terzake van overwerk) was in de afrekeningen derhalve geen sprake. De
schommelingen in het inkomen waren geheel afhankelijk van de verwerkte
hoeveelheden. Aldus zijn de vragen van de rechtbank bij tussenvonnis
voldoende beantwoord en mag worden aangenomen, dat X in staat was om
tenminste een nettoloon van ƒ 3.511 per maand te verdienen, inclusief
vakantietoeslag.

Op grond van het oordeel van de rechtbank, dat de schadeberekening slechts de
periode tot de pensioengerechtigde leeftijd van X zou moeten beslaan (en niet
de pensioengerechtigde leeftijd van Y) heeft eiseres een nieuwe actuariële
berekening overgelegd van het Raadgevend Actuarieel Bureau De Voogd Van der
Heide & Partners d.d. 8 september 1997, welke schadeberekening neerkomt op
een netto inkomensschade voor eiseres per 1 juli 1992 groot ƒ 461.923, welk
bedrag – naar het oordeel van de actuaris – dient te worden verhoogd van
netto naar bruto, zodat de totale inkomensschade van eiseres per 1 juli 1992
ƒ 839.860 bedraagt.

Eiseres heeft onbetwist gesteld, dat zij zelf weinig opleiding heeft genoten,
de Nederlandse taal niet machtig is en bovendien voor haar kinderen dient te
zorgen, zodat zij geen werk kan krijgen. Blijkens het actuarieel advies van
15 november 1994 (overgelegd bij conclusie van eis) bedroeg voor het
overlijden van X het netto maandinkomen van eiseres ƒ 750. Thans heeft
eiseres blijkbaar geen werk en verwacht zij ook geen werk meer te kunnen
vinden. De rechtbank acht het aannemelijk dat de vrouw nu en in de toekomst
niet in staat zal zijn een hoger netto maand inkomen dan ƒ 750 te kunnen
verdienen. Bij de vaststelling van de schadeloosstelling kan derhalve geen
rekening worden gehouden met een eigen verdiencapaciteit van de vrouw
zodanig, dat deze een verminderende factor zou kunnen betekenen terzake van
door haar geleden inkomensschade.

Uit de door eiseres na tussenvonnis verstrekte gegevens blijkt voorts, dat
geen van de kinderen voor hun 18e jaar zelf door arbeid in eigen
levensonderhoud voorzien of kunnen voorzien. Zij zijn allen studerende, c.q.
schoolgaand. Het is in de huidige maatschappij normaal, dat kinderen
tenminste tot hun 18e jaar een dagvullende opleiding volgen, terwijl zij
veelal na hun 18e geen deel meer van het gezin uitmaken en derhalve ook niet
in de gezinskosten bijdragen. Bij de berekening van de schadeloosstelling kan
derhalve geen rekening worden gehouden met bijdragen van kinderen in hun
levensonderhoud c.q. in de gezinskosten.

Gezien de bovenstaande overwegingen zijn de uitgangspunten van het actuarieel
rapport van 8 september 1997 juist en dient de inkomensschade van eiseres te
worden vastgesteld op het berekende bedrag van ƒ 839.860.

Matiging van het schadebedrag?

Gedaagde heeft zich beroepen op de wettelijke mogelijkheid van matiging van
zijn verplichting tot schadevergoeding (art. 6:109 BW).

Daarbij heeft gedaagde zich – aldus begrijpt de rechtbank de stellingen van
gedaagde – allereerst beroepen op de omstandigheid dat de strafrechter
gedaagde terzake van het door hem gepleegd strafbaar feit verminderd
toerekeningsvatbaar heeft verklaard. Daarnaast heeft gedaagde zich beroepen
op de omstandigheid, dat hij slechts een minimuminkomen geniet.

Wat betreft het eerste argument, oordeelt de rechtbank dat een verminderde
toerekeningsvatbaarheid (waarvan de aard en omvang uit de processtukken niet
blijkt) niet van invloed kan zijn op de civielrechtelijke aansprakelijkheid.
Ook al is gedaagde strafrechtelijk verminderd toerekeningsvatbaar geoordeeld,
dit ontslaat hem niet uit zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid.

Ook het beroep op zijn minimuminkomen kan gedaagde naar het oordeel van de
rechtbank niet baten. De rechtbank grondt dit oordeel op de volgende
overweging:

In deze zaak is door de strafrechter vastgesteld, dat gedaagde de man van
eiseres en de vader van haar kinderen heeft vermoord. Hier is dus sprake van
de meest ernstige vorm van onrechtmatige daad, die men in het recht kent. In
het geval van de meest ernstige vorm van onrechtmatige daad, die men in het
recht kent. In het geval van zodanig buitengewoon ernstige onrechtmatigheid
kan er naar het oordeel van de rechtbank geen plaats zijn voor matiging van
de civielrechtelijke aansprakelijkheid terzake van de schade brengende
gevolgen voor de nabestaanden, die voor hun levensonderhoud van de overledene
afhankelijk waren.

Slotsom

De rechtbank acht de door eiseres ingestelde vordering groot ƒ 839.860
derhalve voor toewijzing vatbaar.

Bij tussenvonnis is reeds beslist dat gedaagde tevens dient te worden
geoordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 8.309,47 terzake van de
begrafeniskosten. Nu eiseres haar vordering echter bij akte heeft verminderd
tot een bedrag van ƒ 839.860, zal de rechtbank gedaagde niet tot een hoger
bedrag kunnen veroordelen dan hetgeen uiteindelijk is gevorderd.

Nu eiseres terzake van de schade van de kinderen geen zelfstandige
schade-elementen naar voren heeft gebracht, dient zij voor wat betreft haar
vordering, voor zover als vertegenwoordigster voor haar kinderen ingesteld,
niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Gedaagde dient als in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in
de kosten van deze procedure.

Beslissing

De rechtbank:

met betrekking tot de vordering van eiseres pro se:

veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen wettig bewijs van kwijting te
betalen het bedrag van ƒ 839.860 (achthonderd negenendertig duizend en
achthonderdzestig gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit
bedrag vanaf 25 augustus 1995 (zijnde de dag der dagvaarding) tot aan de dag
der algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, aan de zijde van
eiseres gevallen, tot heden begroot op ƒ ……..;

wijst af hetgeen meer of anders door eiseres voor zichzelve is gevorderd;

ten aanzien van de vordering van eiseres q.q.:

verklaart eiseres q.q. niet-ontvankelijk in haar vordering, voor zover
ingesteld namens haar minderjarige kinderen.

Rechters

Mr Vos

Instantie: Kantonrechter Tiel, 10 februari 1999

Instantie

Kantonrechter Tiel

Samenvatting


Ontbinding op bedrijfseconomische gronden van arbeidsovereenkomst van
werkneemster die door zwangerschap niet in staat is te werken. Vraag is of
het reïntegratieplan, dat overlegd moet worden bij een verzoek tot ontbinding
van de arbeidsovereenkomst van een arbeidsongeschikte werknemer, vereist is.
De kantonrechter oordeelt van niet. Plan dient in dit geval geen enkel doel.

Volledige tekst

Overwegende

1. Mevrouw K. B.-E. (geboren op 10 oktober 1972), hierna te noemen
verweerster, is op 21 september 1998 bij Beveiligingsdienst NL’86 B.V, hierna
te noemen verzoekster, in dienst getreden. Verweerster oefent de functie van
administratief medewerkster P&O uit tegen een salaris van laatstelijk ƒ
2.650,48 (inclusief de cao-verhoging per 1 januari 1999 van 1,94%) bruto per
vier weken, exclusief 8% vakantietoeslag.

2. Verzoekster heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met
mevrouw K. B.-E. te ontbinden, daar de omstandigheden sedert de
indiensttreding zodanig gewijzigd zijn, dat op die grond de
arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden.
Verzoekster stelt dat haar grootste opdrachtgever, het Centraal Orgaan opvang
Asielzoekers (COA) besloten heeft per 1 januari 1999 de thans nog door
verzoekster uitgevoerde beveiligingswerkzaamheden op de asielzoekerscentra
aan twee andere beveiligingsorganisaties te gunnen, met als gevolg dat circa
80% van de door verzoekster verrichte werkzaamheden verloren gaat, hetgeen
neerkomt op een omzetreductie van circa
ƒ 40.000.000 per jaar. Dit heeft ertoe geleid dat verzoekster een drastische
reorganisatie heeft moeten doorvoeren, ook op haar kantoor in Culemborg. Een
en ander leidt er toe dat de functie van verweerster is komen te vervallen.
Verzoekster is bereid aan verweerster een vergoeding te betalen van ƒ
4.426,24 bruto.

3. Verweerster die wegens zwangerschap niet in staat is tot het verrichten
van arbeid heeft blijkens het procesverbaal van de mondelinge behandeling
zich alsnog gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter, zowel ten
aanzien van de verzochte ontbinding als de aangeboden vergoeding.

4. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst per 15 februari 1999,
daar het verzoek niet langer wordt betwist en voor het overige de
kantonrechter noch onrechtmatig, noch ongegrond voorkomt.

5. Aanvankelijk was het tussen partijen nog een vraag of verzoekster
niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden, omdat zij het reïntegratieplan
als vereist sedert 1 januari 1999 (artikel 7:685 eerste lid BW) niet had
overgelegd. Op dit punt had verweerster aanvankelijk formeel verweer gevoerd.
Verzoekster heeft alsnog bij brief d.d. 1 februari 1999 een
(re)integratieplan overgelegd. Op de in het reïntegratieplan vermelde vraag
of er voor verweerster mogelijkheden voor ander/aangepast werk zijn, is
geantwoord ‘nee’ met de toevoeging ‘sanering ontslagaanvrage bij
kantongerecht’.

6. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat naar zijn oordeel bij
indiening van een ontbindingsverzoek als het onderhavige (waarbij de
grondslag bestaat in reorganisatie van de onderneming met als gevolg het
vervallen van de functie van de werknemer) een reïntegratieplan vooralsnog
geen ontvankelijkheidsvereiste is daar, wanneer mocht komen vast te staan dat
reorganisatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden/dient plaats te vinden en
dat dit consequenties heeft voor de functie van de werknemer, reïntegratie
een achterhaalde zaak zal blijken te zijn. Bij niet-betwisting door de
werknemer heeft deze geen enkel belang bij het door de werkgever overleggen
van een ‘non-reïntegratieplan’.
Naar het oordeel van de kantonrechter dient voorkomen te worden dat de
flexibele procedure ex artikel 7: 685 BW, waaraan kennelijk in de praktijk
grote behoefte bestaat, belast wordt op een bureaucratische wijze, waarmee
geen enkel redelijk doel is gediend. Het aloude adagium ‘ni point ni interêt’
doet hier opgeld.

Beschikkende

1. ontbindt de tussen Beveiligingsdienst NL’86 B.V. en K. B.-E. bestaande
arbeidsovereenkomst wegens wijziging der omstandigheden met ingang van 15
februari 1999 onder toekenning aan verweerster ten laste van verzoekster van
een vergoeding groot ƒ 4.426,24 (vierduizend vierhonderdzesentwintig gulden
en vierentwintig cent) bruto:

2. compenseert de proceskosten, des dat beide partijen de eigen kosten
dragen;

3. wijst af het meer of anders verzochte.

Rechters

Mr Van Empel

Instantie: Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 9 februari 1999

Instantie

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

Samenvatting


De toegekende schadeloosstelling wegens schending van het recht op
bescherming tegen onrechtmatig ontslag, vormt beloning in de zin van artikel
119 EG-verdrag.
Om uit te maken of een maatregel van een lidstaat mannen en vrouwen dermate
verschillend treft, dat het indirecte discriminatie in de zin van artikel 119
EG-verdrag oplevert, moet de nationale rechter onderzoeken, of de beschikbare
statistische gegevens erop wijzen, dat een aanzienlijk kleiner percentage
vrouwelijke werknemers dan mannelijke werknemers aan de voorwaarde i.c. twee
jaar tewerkstelling kan voldoen. Tenzij de litigieuze bepaling
gerechtvaardigd is door objectieve factoren die niets van doen hebben met
discriminatie op grond van geslacht.
Ingeval een aanzienlijk kleiner percentage vrouwelijke werknemers dan
mannelijke werknemers in staat mocht zijn aan deze voorwaarde te voldoen,
dient de lidstaat aan te tonen dat die bepaling beantwoordt aan een wettige
doelstelling van sociaal beleid, dat die doelstelling niets van doen heeft
met discriminatie op grond van geslacht en dat hij redelijkerwijs mocht
oordelen dat de gekozen middelen geschikt waren ter bereiking van dat doel.

Volledige tekst

74. In punt 33 van het arrest Nolte, reeds aangehaald, overwoog het Hof, dat
de lidstaten bij de keuze van de maatregelen ter verwezenlijking van hun
doelstellingen van sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid over een ruime
beoordelingsmarge beschikken.

75. Dit neemt echter niet weg, dat hoewel het sociale beleid bij de huidige
stand van het gemeenschapsrecht in hoofdzaak tot de bevoegdheid van de
lidstaten behoort, de beoordelingsbevoegdheid waarover de lidstaten terzake
beschikken niet tot gevolg mag hebben, dat de tenuitvoerlegging van een
fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht, zoals dat van de gelijke
beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers, van haar inhoud wordt
beroofd.

76. Eenvoudige algemene beschouwingen ten betoge dat een bepaalde maatregel
de aanwerving van arbeidskrachten bevordert, volstaan niet om aan te tonen
dat het doel van de litigieuze bepaling niets van doen heeft met
discriminatie op grond van geslacht en verschaffen evenmin gegevens op grond
waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld, dat de gekozen middelen
geschikt waren ter bereiking van dat doel.

77. Mitsdien moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat het, ingeval een
aanzienlijk kleiner percentage vrouwelijke werknemers dan mannelijke
werknemers in staat mocht zijn aan de in de litigieuze bepaling gestelde
voorwaarde van twee jaar tewerkstelling te voldoen, de lidstaat, die de
beweerdelijk discriminerende bepaling heeft vastgesteld, dient aan te tonen
dat die bepaling beantwoordt aan een wettige doelstelling van sociaal beleid,
dat die doelstelling niets van doen heeft met discriminatie op grond van
geslacht en dat hij redelijkerwijs mocht oordelen dat de gekozen middelen
geschikt waren ter bereiking van dat doel.

Kosten

78. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie
wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor
vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het
hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen,
zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het House of Lords bij beschikking van 13 maart
1997 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) De ingevolge een rechterlijke beslissing toegekende schadeloosstelling
wegens schending van het recht op bescherming tegen onrechtmatig ontslag,
vormt beloning in de zin van artikel 119 EG-Verdrag.

2) De voorwaarden op grond waarvan wordt bepaald, of een werknemer in geval
van onrechtmatig ontslag recht heeft op een schadeloosstelling, vallen onder
artikel 119 van het Verdrag. De voorwaarden op grond waarvan wordt bepaald,
of een werknemer in geval van onrechtmatig ontslag recht heeft op
reïntegratie of wederindienstneming, vallen daarentegen onder richtlijn
76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging
van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien
van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de
promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.

3) Het staat aan de nationale rechter staat om, rekening houdend met alle
relevante juridische en feitelijke omstandigheden, te bepalen op welke datum
de wettigheid van een maatregel als de litigieuze bepaling moet worden
beoordeeld.

4) Om uit te maken of een maatregel van een lidstaat mannen en vrouwen
dermate verschillend treft, dat hij een indirecte discriminatie in de zin van
artikel 119 van het Verdrag oplevert, moet de nationale rechter onderzoeken,
of de beschikbare statistische gegevens erop wijzen, dat een aanzienlijk
kleiner percentage vrouwelijke werknemers dan mannelijke werknemers aan de in
de litigieuze bepaling gestelde voorwaarde kan voldoen. Zo dat het geval is,
is er sprake van indirecte discriminatie op grond van geslacht, tenzij de
litigieuze bepaling gerechtvaardigd is door objectieve factoren die niets van
doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.

5) Ingeval een aanzienlijk kleiner percentage vrouwelijke werknemers dan
mannelijke werknemers in staat mocht zijn, aan de voorwaarde van twee jaar
tewerkstelling, gesteld in de in punt 3 van het dictum omschreven bepaling,
te voldoen, dient de lidstaat, die de beweerdelijk discriminerende bepaling
heeft vastgesteld, aan te tonen dat die bepaling beantwoordt aan een wettige
doelstelling van sociaal beleid, dat die doelstelling niets van doen heeft
met discriminatie op grond van geslacht en dat hij redelijkerwijs mocht
oordelen dat de gekozen middelen geschikt waren ter bereiking van dat doel.

Noot

Het ging in deze zaak om twee vrouwen die binnen een periode van twee jaar na
indiensttreding door hun werkgever waren ontslagen. Beiden waren van mening
dat dit ontslag onrechtmatig was. Op grond van het Engelse recht konden zij
echter geen schadeloosstelling wegens onrechtmatig ontslag of herstel van de
dienstbetrekking vorderen, omdat de Engelse wetgeving slechts
ontslagbescherming toekent aan werknemers die twee jaar of langer bij één en
dezelfde werkgever in dienst zijn geweest. Naar het oordeel van Seymour-Smith
en Perez ging het hierbij om een (indirect) discriminerende regeling, welke
in strijd is met EG-richtlijn 76/207 inzake gelijke behandeling.

Het Hof stelt allereerst vast dat het geschil onder het bereik van artikel
119 EG-verdrag valt, nu beide eiseressen een schadevergoeding wensten ter
compensatie van het hen gegeven ontslag. Een dergelijke vergoeding dient als
uitgesteld loon beschouwd te worden. Hadden eiseressen herstel van de
dienstbetrekking gevorderd, dan was richtlijn 76/207 van toepassing geweest,
omdat het geschil dan betrekking gehad had op arbeidsvoorwaarden c.q. op de
voorwaarden die de toegang tot het arbeidsproces betreffen. Voor de uitkomst
van de betreffende casus had één en ander overigens geen verschil gemaakt, nu
de toetsing aan artikel 119 EG-verdrag respectievelijk aan artikel 5
richtlijn 76/207 in onderhavig geval op hetzelfde zou zijn neergekomen,
aangezien beide artikelen eenzelfde toets kennen met betrekking tot indirecte
discriminatie.

Statistieken
Een volgende vraag van de nationale rechter betreft de kwestie hoe groot het
verschil tussen de mate waarin mannen en vrouwen door een bepaalde maatregel
of wettelijke bepaling worden geraakt, moet zijn, wil er sprake zijn van een
vermoeden van indirecte discriminatie. In de Europese rechtspraak – en in
navolging daarvan ook in de Nederlandse – is steeds aangenomen dat er sprake
moest zijn van een >aanzienlijk= verschil of van een >overwegende= benadeling
van een bepaalde groep. In onderhavige zaak bepleitten eiseressen een
genuanceerdere benadering. Zij stelden namelijk dat >ook
indien er sprake is van verschillen op lange termijn die niet als
toevallig zijn aan te merken,
elk verschil in uitwerking dat
groter is dan een miniem verschil, in strijd moet worden geacht met de
verplichting uitvoering te geven aan het beginsel van gelijke
behandeling=
(r.o. 55). Het Hof wijst deze benadering niet direct af,
maar merkt enigszins corrigerend op dat, behalve indien er sprake is van een
aanzienlijk verschil, indirecte discriminatie ook aangetoond kan worden aan
de hand van statistische gegevens die >over een lange periode een minder
groot aanhoudend en vrij constant verschil aantonen=
tussen het aantal
mannelijke werknemers en vrouwelijke werknemers dat aan een bepaalde eis
voldoet. Deze benadering lijkt iets meer ruimte te bieden om minder
omvangrijke indirecte discriminatie aan te tonen dan de eis van het
aanzienlijke verschil. Het Hof past deze >nieuwe= benadering vervolgens
echter niet toe. Het kijkt enkel naar één peilmoment, namelijk het jaar 1985,
en niet naar een langere periode, en concludeert vervolgens dat het in dat
jaar geconstateerde verschil tussen door ontslag binnen twee jaar getroffen
mannelijke werknemers (77,4 procent van het totaal) en vrouwelijke werknemers
(68,9 procent van het totaal) niet groot genoeg is om een vermoeden van
indirecte discriminatie aan te nemen. Hoe groot het verschil zou moeten zijn
om wel relevant te zijn, wordt door het Hof helaas n

iet aangegeven. In de eindconclusie van het Hof komt de genuanceerdere
benadering in het geheel niet meer terug. Het Hof volstaat daar weer met de
oude formulering, inhoudende dat er enkel sprake kan zijn van indirecte
discriminatie als er een aanzienlijk verschil bestaat tussen het
percentage vrouwen en het percentage mannen dat door een maatregel nadelig
wordt getroffen.

Al met al is onduidelijk of het Hof nu daadwerkelijk met een iets minder
strakke eis wil instemmen dan de eis dat de statistieken een aanzienlijk
verschil tussen mannen en vrouwen moeten aantonen. Evenmin is duidelijk
wanneer een verschil zodanig is dat er sprake is van indirecte discriminatie.
De nationale rechter had gehoopt hierover meer duidelijkheid te verkrijgen
met zijn vraag aan de hand van welk juridisch criterium kan worden
bepaald of een maatregel indirect discriminerend is. Hij krijgt nu weliswaar
te horen dat de onderhavige maatregel dit niet is, maar zal in een volgend
geval weer met dezelfde vraag zitten.

Van belang is nog dat het Hof benadrukt dat bij het onderzoek of er sprake is
van indirecte discriminatie uitgegaan moet worden van relatieve en niet van
absolute cijfers. Toegepast op de situatie betekende dit dat een vergelijking
moest worden gemaakt tussen de percentages mannelijke en vrouwelijke
werknemers met een dienstverband van langer dan twee jaar ten opzichte van
het totaal aantal mannelijke en vrouwelijke werknemers in de Lid-staat en
niet tussen het aantal mannen en het aantal vrouwen dat daadwerkelijk was
ontslagen binnen die termijn. De laatste vergelijking biedt geen betrouwbaar
beeld omdat daarin niet de verschillen zijn verdisconteerd tussen het aantal
werkende mannen en vrouwen.

Rechtvaardigingsgrond
Voor het geval het Hof zou aannemen dat er sprake was van een vermoeden van
indirecte discriminatie omdat een groter percentage vrouwen dan mannen niet
zou blijken te voldoen aan de eis van twee jaar tewerkstelling, had de
Engelse regering aangevoerd dat dit vereiste gerechtvaardigd werd door de
eraan ten grondslag liggende doelstelling, zijnde de bevordering van de
aanwerving van arbeidskrachten. Het aanwerven van arbeidskrachten zou
belemmerd worden, aldus de regering, indien werkgevers bedreigd zouden worden
door procedures wegens onrechtmatig ontslag, gestart door slechts kort in
dienst zijnde werknemers. Het betreft hier het type argument dat in Nederland
wel gehanteerd is met betrekking tot de alfahulpen, namelijk dat het in het
eigen belang van de betrokken groep werknemers is dat zij niet teveel rechten
hebben omdat zij anders niet door werkgevers (wit) in dienst worden genomen.
Een dergelijke redenering kan al snel discriminatoir uitwerken. Het
achterstellen (door het bieden van een slechtere rechtspositie) van een
bepaalde groep wordt daarbij immers gerechtvaardigd door het feit dat het
niet achterstellen tot een nog ernstiger achterstelling leidt (namelijk het
niet in dienst worden genomen). Met andere woorden, de ene discriminatie
wordt door de mogelijke andere gerechtvaardigd in plaats van dat zij beide
worden bestreden.

Het EG-Hof ziet dit gevaar kennelijk niet en merkt de bevordering van de
aanwerving van arbeidskrachten wel aan als een rechtmatige doelstelling van
sociaal beleid. Wel laat het Hof hier op volgen dat nader zal moeten worden
aangegeven dat de doelstelling niets van doen heeft met discriminatie op
grond van geslacht en dat gegevens moeten worden verstrekt waaruit kan worden
afgeleid dat het niet gunnen van ontslagbescherming aan werknemers met een
kort dienstverband geschikt is om de aanwerving van arbeidskrachten te
bevorderen.

Op het arrest in de zaak Seymour-Smith en Perez werd met enige spanning
gewacht omdat gehoopt werd dat het Hof meer duidelijkheid zou verschaffen
over de vraag wanneer een maatregel van sociaal beleid als
rechtvaardigingsgrond kan dienen en, meer specifiek, welke gegevens een
Lid-staat nu precies dient te verstrekken ter onderbouwing van een dergelijke
rechtvaardigingsgrond. Aan duidelijkheid op dit gebied was behoefte, omdat
het Hof in eerdere uitspraken op het terrein van de sociale zekerheid
Lid-staten wel erg veel ruimte had gegeven bij het formuleren van
rechtvaardigingsgronden voor ten nadele van vrouwen uitwerkende maatregelen,
in geval deze rechtvaardigingsgronden gelegen waren in doelstellingen van
sociaal beleid. Met name in de uitspraken in de zaken Nolte en Megner &
Scheffel benadrukte het Hof dat
id-staten bij de keuze van de maatregelen ter verwezenlijking van hun
doelstellingen van sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid over een ruime
beoordelingsmarge beschikken. Daarbij sprong het Hof ook zeer lichtvaardig om
met de doel-middelentoets. Het enkele feit dat een Lid-staat redelijkerwijs
mocht aannemen dat een bepaalde wettelijke maatregel het gewenste effect zou
sorteren, achtte het Hof reeds voldoende om te constateren dat de maatregel
dus geschikt was om het doel te bereiken. Empirische onderbouwing werd niet
noodzakelijk geacht.

De vraag was nu of het Hof deze gemakkelijke acceptatie van
rechtvaardigingsgronden in de sociale zekerheid ook zou toepassen op
geschillen inzake gelijke beloning. Op het eerste gezicht lijkt dit niet het
geval te zijn. Het Hof herhaalt weliswaar dat lidstaten een ruime
beoordelingsmarge hebben bij het voeren van hun sociaal- en
werkgelegenheidsbeleid, maar stelt vervolgens dat eenvoudige algemene
beschouwingen, inhoudende dat een bepaalde maatregel de aanwerving van
arbeidskrachten bevordert, niet voldoende zijn om het mogelijke
discriminatoire karakter van de aan de orde zijnde maatregel (de eis van twee
jaar tewerkstelling) te weerleggen en niet duidelijk maken of de bewuste
maatregel geschikt is om dit doel te bereiken. Het Hof volgt ook niet het
standpunt van de Engelse regering die, voortbordurend op de arresten Nolte en
Megner & Scheffel, had gesteld dat voldoende is voor rechtvaardiging van een
indirect discriminerende maatregel dat een
id-staat redelijkerwijs mag aannemen dat een maatregel zal bijdragen aan de
verwezenlijking van een doelstelling van sociaal beleid. Het Hof vindt dit
kennelijk, gelet op bovengenoemde overwegingen, te vrijblijvend.

Helaas geeft het Hof vervolgens op geen enkele wijze aan aan welke eisen een
rechtvaardigingsgrond dan wel moet voldoen, wil deze acceptabel zijn.
Algemene beschouwingen volstaan kennelijk niet, maar wat dan wel? Had de
Engelse regering moeten aantonen dat werkgevers daadwerkelijk door het feit
dat er gedurende de eerste twee jaar dienstverband geen ontslagbescherming
bestaat, gemakkelijker personeel aannemen? Dat is nauwelijks te doen, alleen
al niet omdat het aannemen van personeel door vele factoren wordt beïnvloed,
zodat de rechtstreekse relatie tussen minder ontslagbescherming en
aanstelling (vrijwel) niet te achterhalen is. (Het kan aan werkgevers
gevraagd worden, maar of dat betrouwbare informatie oplevert, is de vraag.)
Dat zou betekenen dat deze rechtvaardigingsgrond überhaupt niet bruikbaar is.
Het is de vraag of het Hof zover wil gaan.

Met betrekking tot de vraag of het middel wel geschikt is voor het bereiken
van het gekozen doel, zijn de overwegingen van het Hof eveneens verwarrend.
Enerzijds geeft het Hof aan dat dit in concreto moet worden aangetoond
(>algemene beschouwingen volstaan niet=), maar anderzijds merkt het op dat
een Lid-staat aan de doel-middeltoets heeft voldaan indien hij
redelijkerwijs
mag oordelen dat een middel geschikt is om het gewenste
doel te bereiken. Het directe noodzakelijke verband tussen middel en doel
behoeft derhalve niet aangetoond te worden. Daarmee blijft de weg open voor
vagere, algemenere overwegingen. Beter was geweest indien – expliciet – was
geoordeeld dat het gekozen middel niet beantwoordde aan het doel, omdat het
doel ook op andere, niet discriminerende, wijze bereikt had kunnen worden.
Zeker bij een diffuus doel als de bevordering van de aanwerving van
arbeidskrachten geldt immers dat er meer wegen naar Rome leiden dan het
beperken van de ontslagbescherming van relatief kort in dienst zijnde
werknemers.

Conclusie en betekenis voor Nederlandse recht
Al met al is het arrest in deze zaak bepaald niet baanbrekend. Het Hof lijkt
steeds op twee gedachten te hinken. Enerzijds wil het ruimte bieden voor een
iets genuanceerdere benadering van statistische gegevens, maar vervolgens
wordt deze opening meteen weer dichtgetimmerd. Met betrekking tot de
rechtvaardigingsgrond lijkt een strengere toets gehanteerd te worden dan in
de arresten Nolte en Megner en Scheffer, maar wat een nationale rechter nu
precies moet doen in deze blijft zeer vaag. De doel-middeltoets behoeft
kennelijk niet streng te worden toegepast, maar anderzijds volstaan algemene
beschouwingen ook weer niet. De Engelse rechter zal niet veel zijn
opgeschoten met deze uitspraak. De vraag naar de onderbouwing van een
rechtvaardigingsgrond ligt nog (vrijwel) volledig open. Eiseressen zijn weer
terug bij af, nu het Hof de statistische gegevens niet alarmerend vindt.

Kan het arrest nog iets opleveren voor het Nederlandse (arbeids)recht? In elk
geval geldt dat het de moeite waard is om na te gaan of drempels die genomen
moet worden alvorens een bepaald recht wordt verkregen, bijvoorbeeld in de
vorm van vereiste perioden van tewerkstelling, niet indirect discriminerend
zijn. Dit geldt temeer nu er een tendens lijkt te bestaan om steeds vaker van
werknemers een kwalificatieperiode te eisen alvorens zij de volledige rechten
uit een arbeidsovereenkomst krijgen. Een dergelijke drempel in de vorm van
het vereiste van één jaar in dienst te zijn geweest, gold al voor het recht
op ouderschapsverlof en maakt nu ook deel uit van het wetsvoorstel aanpassing
arbeidsduur in de zin dat een verzoek tot wijziging van de arbeidsduur eerst
kan worden ingediend indien de werknemer tenminste één jaar in dienst is
geweest. Verder krijgen uitzendkrachten eerst na een dienstverband van een
bepaalde duur vergelijkbare rechten als >gewone= werknemers en komen drempels
voor in pensioenregelingen, waar bijvoorbeeld een bepaalde duur van het
dienstverband wordt geëist alvorens toetreding tot de pensioenregeling
mogelijk is.

Met betrekking tot de drempels in de regelingen voor ouderschapsverlof,
aanpassing arbeidsduur en uitzendwerk zou, nu het gaat om wettelijke
regelingen die voor alle werknemers gelden, eens bezien moeten worden of meer
mannen dan vrouwen, naar percentages op de arbeidsmarkt, aan de eisen
voldoen. Met betrekking tot drempels in pensioenregelingen ligt een
statistisch onderzoek op bedrijfstakniveau of op het niveau van de
onderneming meer voor de hand. Kan een relevant statistisch verschil worden
aangetoond, dan is de volgende vraag of dit gerechtvaardigd kan worden.
Daarvoor moet gekeken worden naar de ratio van de drempels. In de regeling
inzake het ouderschapsverlof is de drempel opgenomen omdat er volgens de
regering een zekere binding van de werknemer met het bedrijf moet zijn
alvorens van de werkgever geëist kan worden dat hij de nodige
organisatorische maatregelen treft om het verlof mogelijk te maken en de
arbeidsplaats voor de werknemer te behouden. Bij het wetsvoorstel aanpassing
arbeidsduur vond de regering het kennelijk al zo vanzelfsprekend dat een
recht op aanpassing van de arbeidsduur alleen gerealiseerd kan worden na een
dienstverband van een zekere duur dat ter rechtvaardiging van de drempel in
de memorie van toelichting wordt volstaan met de enkele opmerking dat er een
zekere binding moet zijn met de werkgever alvorens uitbreiding of
vermindering van de arbeidsduur aan de orde is. Bij het uitzendwerk was er
sprake van een uitruil tussen meer zekerheid voor werknemers en meer
flexibiliteit voor werkgevers en bij pensioenregelingen wil men kennelijk
voorkomen, om administratieve of principiële redenen, dat werknemers met een
kort dienstverband recht op pensioen krijgen.

Deze rechtvaardigingsgronden roepen de nodige vragen op. Om er een paar te
noemen: In hoeverre is het noodzakelijk voor het kunnen opnemen van
ouderschapsverlof of het in deeltijd kunnen gaan werken dat er een binding
met de werkgever bestaat? Kan deze binding alleen ontstaan na een jaar
dienstverband en waarom niet na een half jaar of twee jaar of op andere wijze
dan door tijdsverloop? Vormen de noodzaak tot het moeten nemen van
organisatorische maatregelen door een werkgever wel voldoende grond om juist
veel vrouwen rakende kwesties als het kunnen opnemen van ouderschapsverlof en
het kunnen aanpassen van de arbeidsduur in te perken?

Het zou goed zijn als in elk geval bij de parlementaire behandeling van het
wetsvoorstel aanpassing arbeidsduur nog enige aandacht aan de relevantie van
de daarin opgenomen drempel en aan de mogelijk indirect discriminerende
effecten ervan (zeker nu meer vrouwen dan mannen in deeltijd werken) besteed
zou worden. Thans wordt in de memorie van toelichting volstaan met één kort
zinnetje. Met betrekking tot de overige drempels is het vooralsnog aan de
rechtspraktijk en de wetenschap om nut, doel en rechtvaardigheid ervan aan de
orde te stellen.

Marlies Vegter

Rechters

Mrs. Rodríguez Iglesias, Kapteyn, Puissochet, Hirsch, Jann, Mancini, Moitinhode Almeida, Gulmann, Murray, Edward, Ragnemalm, Sevón, Wathelet, Schintgen,Ioannou

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 9 februari 1999

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster kreeg via de Pedagogische Academie een stageplaats bij een
openbare basisschool. Zij draagt vanwege haar geloofsovertuiging een
hoofddoek. De school besloot, kort na de aanvang van de stage dat het in de
klas dragen van een hoofddoek door verzoekster niet gewenst was.
Een openbare school mag, gelet op het karakter van het openbare onderwijs,
van het onderwijzend personeel eisen dat zij een open instelling heeft
tegenover de verschillende levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden.
Zo’n eis is op voorhand niet in strijd met de Awgb. Louter het gegeven dat
een vrouw een hoofddoek draagt betekent niet dat de vrouw deze open
instelling niet heeft en in staat is onderwijs te geven in overeenstemming
met het karakter van de school als openbare onderwijsinstelling. Direct
onderscheid op grond van godsdienst.
Verzoekster stelt dat in casu mogelijk tevens sprake is van indirect
onderscheid op grond van geslacht omdat uitsluitend vrouwen hoofddoeken
dragen. Zij heeft echter benadrukt dat de kern van haar klacht de godsdienst
betreft. De Commissie laat, mede gelet op hetgeen verzoekster heeft gesteld,
een nader onderzoek naar mogelijk onderscheid naar geslacht achterwege.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 april 1998 verzocht mevrouw …. te Haarlem (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haarlem (hierna:
de wederpartij) te Haarlem jegens haar onderscheid heeft gemaakt zoals
bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster kreeg via de pedagogische academie voor het basisonderwijs
(hierna p.a.b.o.) een stageplaats bij een openbare basisschool. De
wederpartij is het bevoegd gezag van deze school. Verzoekster draagt vanwege
haar geloofsovertuiging een hoofddoek. De wederpartij besloot, kort na
aanvang van de stage, dat het in de klas dragen van de hoofddoek door
verzoekster niet gewenst was. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) heeft het
verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben
hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen voor een zitting op 15
december 1998.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. …. (verzoekster)
– mw. mr. S. Gaasbeek-Wielinga (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. …. (voormalig directeur basisschool)
– dhr. …. (medewerker Stafbureau Afdeling Onderwijs)
– mw. …. (juridisch medewerkster Stafbureau Afdeling Onderwijs)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is studente aan de p.a.b.o.
In september 1997 is verzoekster in het kader van deze opleiding een
stageplaats toegewezen op de …. te Haarlem (hierna: de school). Enkele
dagen voor aanvang van de stage heeft verzoekster zich ter kennismaking op de
school gemeld.
Verzoeksters stage is op 18 september 1997 aangevangen.
Vanwege haar islamitische geloofsovertuiging draagt verzoekster buitenshuis
een hoofddoek.

Op de eerste stagedag vond een gesprek plaats tussen verzoekster en de
directeur van de school waarin laatstgenoemde het dragen van de hoofddoek
door verzoekster ter sprake bracht.
Op 19 september 1997 nam de directeur van de school telefonisch contact op
met verzoeksters stagebegeleidster. Hij deelde de stagebegeleidster mee dat
de teamvergadering had besloten, dat het dragen van de hoofddoek door
verzoekster in de klas niet gewenst was.
Op 23 september 1997 stelde de stagebegeleidster verzoekster in kennis van
voornoemd besluit. Verzoekster weigerde echter, met een beroep op haar
godsdienstige overtuiging, te voldoen aan het verzoek van de wederpartij om
de hoofddoek tijdens de stage af te doen. Zij keerde niet meer terug op de
school van de wederpartij.
Hierna heeft verzoekster een andere stageplaats op een Islamitische school te
Amsterdam gevonden. Vervolgens heeft zij stage gelopen op één bijzondere en
twee openbare basisscholen in Haarlem. Daar is het dragen van de hoofddoek
niet ter sprake gebracht.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

Tijdens de kennismaking, voorafgaande aan de stage, bleek verzoekster dat het
schoolpersoneel er enige moeite mee had dat zij haar hoofddoek niet afdeed in
de school. Haar werd meegedeeld dat de directeur dit nog met haar zou
bespreken. Tevens werd haar gezegd dat de school, via de ouders, bijna alle
buitenlandse meisjes zover had gekregen dat zij op school de hoofddoek
afdeden.
De eerste stagedag deelde de directeur verzoekster mee dat hij haar niet kon
dwingen om de hoofddoek af te doen. Als over het dragen van de hoofddoek
problemen met de ouders zouden ontstaan, zou zij zich tot hem kunnen wenden.
Verzoekster heeft deze dag stage gelopen zonder iets te hebben gemerkt van
enige onrust onder leerlingen of leerkrachten, in verband met het feit dat
zij een hoofddoek droeg.
De week daarop hoorde zij van haar stagebegeleidster dat de directeur de
stagebegeleidster telefonisch het besluit van de teamvergadering had
meegedeeld, inhoudend dat verzoekster met hoofddoek niet langer op de school
welkom was. Indien zij de hoofddoek in de klas zou afdoen, zou het probleem
opgelost zijn.

Verzoekster heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij wenst leerkracht te
worden op een school met kinderen van Nederlandse afkomst. Daarom wil zij op
een dergelijke school stage lopen, bij voorkeur in Haarlem.

3.3. Verzoekster is van mening door het personeel en de directeur van de
school gediscrimineerd te zijn omdat zij anders dan anderen is behandeld
vanwege haar godsdienst.
Bij de aanstelling van leerkrachten of ten aanzien van leerlingen mogen soms
eisen gesteld worden wat betreft het al of niet belijden van een bepaald
geloof. Dan moet het volgens de wetgeving gelijke behandeling echter een
school met een bijzonder karakter betreffen waarbij de godsdienst ook naar
buiten toe wordt beleden, zoals een islamitische of joodse school.
In dit geval is evenwel geen sprake van een dergelijke, wettelijke
uitzonderingssituatie waarbij de school bepaalde eisen mag stellen. Het gaat
immers om een openbare school die uitdrukkelijk geen onderscheid naar
godsdienst wil maken. Personen van alle godsdiensten dienen op een dergelijke
school te worden toegelaten en er mogen juist geen eisen gesteld worden met
betrekking tot het al dan niet belijden van een bepaald geloof. In het geval
van verzoekster staat het belemmeren van het belijden van haar geloof in
direct verband met het dragen van de hoofddoek: zonder het dragen van de
hoofddoek kan verzoekster haar geloof onvoldoende beleven.

Verzoekster is van mening dat het handelen van de wederpartij onder de
reikwijdte valt van artikel 5 AWGB en wel primair onder artikel 5 lid 1e
AWGB, dat handelt over het laten volgen van onderwijs voorafgaand aan een
arbeidsverhouding. Subsidiair acht zij artikel 5.1.4 AWGB van toepassing
omdat het in de onderhavige kwestie gaat om een arbeidsverhouding als bedoeld
in artikel
5 lid 1 AWGB. De Commissie neemt aan dat verzoekster met artikel 5.1.4 AWGB
doelt op artikel 5 lid 1 d AWGB.

Verzoekster heeft tevens de vraag opgeworpen of, naast direct onderscheid op
grond van godsdienst, tevens sprake is van indirect onderscheid op grond van
geslacht aangezien alleen vrouwen een hoofddoek dragen. Verzoekster heeft ter
zitting aangegeven dat het door haar gestelde onderscheid op grond van
godsdienst door haar van meer importantie wordt geacht.

3.4. De wederpartij stelt het volgende.

De wederpartij is van mening dat het dragen van een hoofddoek aangemerkt
dient te worden als een manifestatie van godsdienstige overtuiging die niet
binnen de openbare school gewenst is.
Zij beargumenteert dit standpunt als volgt.

Het karakter van het openbaar onderwijs is vastgelegd in artikel 29 van de
Wet op het basisonderwijs:
“Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of
levensbeschouwing” en “Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling
van de leerlingen met aandacht voor de levensbeschouwelijke en
maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met
onderkenning van de betekenis van de onderscheidenheid van die waarden”.
Dit betekent enerzijds dat aan de toegankelijkheid van de openbare school
voor leerlingen geen beperking op grond van godsdienst en levensbeschouwing
gesteld kan worden, maar anderzijds aan het onderwijspersoneel, waaronder
stagiaires, wel degelijk eisen moeten worden gesteld.

Van het onderwijzend personeel mag een open instelling tegenover de te
onderscheiden levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden geëist worden.
Een dergelijke instelling veronderstelt de noodzaak van een grote mate van
terughoudendheid in gedrag, waaronder de wijze van kleden waarmee een
onderwijsgevende zich zou manifesteren als te behoren tot een specifieke
godsdienstige of levensbeschouwelijke groepering.
Die noodzaak tot terughoudendheid geldt te meer als het gaat om een wijze van
kleden die de betrokkene vereenzelvigt met een groepering, die niet alleen
voor zichzelf zeer strenge opvattingen naleeft maar ook weinig blijk geeft
van tolerantie ten opzichte van andersdenkenden binnen dezelfde godsdienst.
Het lijkt evident dat een Islamitische vrouw die zelfs in de beslotenheid van
het eigen klaslokaal meent de hoofddoek te moeten dragen, ook in vergelijking
met de grote meerderheid van haar geloofsgenoten, getuigt van zeer stringente
opvattingen en daarmee impliciet bedreigend kan overkomen op de vrouwen en
meisjes van dezelfde godsdienst, die zich veelal met grote moeite het recht
op een vrijere leefwijze hebben verworven.
Bij het standpunt van de wederpartij speelt een rol dat juist het dragen van
een hoofddoek in het moederland Turkije wordt beschouwd als een symbool voor
de onderdrukking van de vrouw en uit dien hoofde sinds de stichting van de
Turkse Republiek is verboden. Het vasthouden aan een dergelijk symbool, ook
in situaties waarin dit volgens gangbare interpretatie van de Koran niet
wenselijk is, moet worden aangemerkt als een manifestatie die binnen de
openbare school niet gewenst is. Of deze onwenselijkheid zo zwaar moet wegen
dat verzoekster op geen enkele van de openbare basisscholen bij de
wederpartij als lerares benoemd zou kunnen worden, kan vooralsnog in het
midden worden gelaten.

3.5. De school van de wederpartij voert een ontmoedigingsbeleid ten aanzien
van het dragen van hoofddoekjes door leerlingen.
Hierbij heeft het personeel een voorbeeldfunctie. Het schoolpersoneel heeft
bijna alle meisjes die op school een hoofddoek droegen, na overtuiging van de
ouders, ertoe bewogen de hoofddoek op school af te doen. De reden voor dit
beleid is dat de meisjes zich zonder hoofddoek vrijer gedragen, minder
geplaagd worden en zich meer in de groep thuis voelen.
Voornoemd beleid is niet schriftelijk vastgelegd.
Binnen de school is discussie gevoerd over het dragen van de hoofddoek door
verzoekster. Het omgaan met deze religieuze uiting bleek binnen de
schoolgemeenschap gecompliceerd te liggen.
De meningen onder het personeel waren verdeeld en de binnen de
schoolbevolking bestaande diversiteit in religieuze stromingen leidden tot
tegengestelde opvattingen omtrent deze kwestie.
De wederpartij wilde de sfeer op school ‘neutraal’ houden maar ook de
overtuiging van verzoekster respecteren. Derhalve kwam de wederpartij tot het
‘compromis’ verzoekster te vragen om alleen in de klas de hoofddoek af te
doen.

Volgens artikel 22 lid 3 van de Wet op het basisonderwijs kan het bevoegd
gezag een student de verdere toegang tot de school ontzeggen, indien deze in
de school in strijd met de grondslag en de doelstellingen van de school
handelt. Ten aanzien van verzoekster is geen sprake geweest van een
dergelijke ontzegging, aangezien verzoekster reeds op grond van de mondelinge
mededeling van de schoolleiding en het schoolteam de school heeft verlaten.
Dit wordt betreurd aangezien er zodoende geen gelegenheid is geweest om het
standpunt van de school aan het standpunt van het bevoegd gezag te toetsen.
In het geval het bevoegd gezag het standpunt van de school zou hebben
overgenomen is de mogelijkheid van een bezwarenprocedure ongebruikt gebleven.
Formeel betekent dit dat geen besluit tot ontzegging van de toegang tot de
school is genomen en er derhalve geen sprake van ongelijke behandeling kan
zijn. Desalniettemin stelt de wederpartij voor haar toekomstig handelen een
inhoudelijk oordeel van de Commissie op prijs.

De wederpartij distantieert zich niet van het feitelijk optreden van de
directeur in onderhavige kwestie. Zij is van mening dat de direkteur op dat
moment een juiste beslissing heeft genomen.
De wederpartij betreurt echter wel de ontstane tweedracht rond onderhavige
kwestie. Derhalve zou zij thans niet besluiten om verzoekster vanwege het
dragen van de hoofddoek de toegang tot de school te ontzeggen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid op grond van
godsdienst heeft gemaakt zoals bedoeld in de AWGB, door verzoekster te
verbieden tijdens haar stage in de klas de hoofddoek te dragen.

4.2. Ter beantwoording van deze vraag zijn de volgende artikelen van belang.

Artikel 5 lid 1d AWGB bepaalt dat ingeval van een arbeidsverhouding het maken
van onderscheid verboden is bij de arbeidsvoorwaarden.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet onder meer ziet op onderscheid tussen
personen op grond van godsdienst.

Artikel 1 AWGB stelt tevens, dat onder onderscheid naar godsdienst zowel
direct als indirect onderscheid begrepen wordt. Onder direct onderscheid
wordt verstaan onderscheid dat verwijst naar een van de in de AWGB genoemde
discriminatie-gronden zoals godsdienst. Indirect onderscheid is onderscheid,
dat op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan godsdienst of de
andere in de AWGB genoemde gronden direct onderscheid op grond van onder meer
godsdienst tot gevolg heeft.

4.3. Ten aanzien van de vraag of het dragen van de hoofddoek door verzoekster
valt onder de reikwijdte van het begrip ‘godsdienst’ zoals bedoeld in de AWGB
en daarmee onder de bescherming van deze wet, overweegt de Commissie als
volgt.

Het begrip godsdienst dat in de AWGB als non-discriminatiegrond is opgenomen,
omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het zich
daarnaar gedragen
ÃNOOT 1#4#1Ž. Gedragingen die, mede gelet op hun karakter en op de
betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, een rechtstreekse
uitdrukking geven aan de godsdienstige overtuiging, worden tevens beschermd
door het verbod van onderscheid op grond van godsdienst. Het dragen van een
hoofddoek door een moslimvrouw of moslimmeisje kan één van die uitdrukkingen
zijn van haar geloofsovertuiging ÃNOOT 2#4#2Ž. De omstandigheid dat de naleving van die
voorschriften verschillend is en dat over het dragen van een hoofddoek (ook
in moslimkringen) verschillend wordt gedacht, doet daaraan voor de
bescherming van een persoon tegen ongeoorloofd onderscheid zoals bedoeld in
de AWGB niet af ÃNOOT 3#4#3Ž. Dit is slechts anders indien sprake zou zijn van een
individuele, subjectieve opvatting die niet meer algemeen als geloofsuiting
van leden van de geloofsgemeenschap of een bepaalde richting daarbinnen kan
worden beschouwd ÃNOOT 4#4#4Ž. Van dit laatste is bij het dragen van een hoofddoek geen
sprake. Conform reeds lang bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad ÃNOOT 5#4#5Ž is het
niet aan de Commissie om te treden in verschillen van mening over
theologische leerstellingen en interpretaties van de Koran.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het dragen van de hoofddoek door
verzoekster binnen de reikwijdte van het godsdienstbegrip valt zoals dat in
de AWGB is bedoeld. Aan deze wet kan derhalve worden getoetst.

4.4. Ten aanzien van de vraag of het handelen van de wederpartij valt onder
de reikwijdte van artikel 5 lid 1 AWGB nu de wederpartij niet de werkgever
van verzoekster is, overweegt de Commissie als volgt.

Artikel 5 AWGB heeft betrekking op arbeidsverhoudingen. Onder het begrip
arbeidsverhouding valt in de eerste plaats de arbeidsovereenkomst. Het begrip
arbeidsverhouding is echter ruimer: hieronder vallen alle vormen van arbeid
waarin onder gezag arbeid wordt verricht ÃNOOT 6#4#6Ž. De Commissie stelt vast dat bij de
uitvoering van de onderhavige stage de wederpartij opdrachten en aanwijzingen
aan de stagiaire geeft die zij dient op te volgen. Mitsdien concludeert de
Commissie dat verzoekster onder gezag van de wederpartij arbeid verrichtte en
sprake was van een arbeidsverhouding zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 AWGB.

Ten aanzien van de vraag of het niet mogen dragen van de hoofddoek in de klas
valt onder de reikwijdte van het begrip ‘arbeidsvoorwaarden’ zoals bedoeld in
artikel 5 lid 1d AWGB verwijst de Commissie naar haar jurisprudentie met
betrekking tot kledingvoorschriften ÃNOOT 7#4#7Ž.

4.5. Ten aanzien van de vraag of de wederpartij een verboden onderscheid op
grond van godsdienst heeft gemaakt door verzoekster niet toe te staan in de
klas de hoofddoek te dragen, overweegt de Commissie als volgt.

De wederpartij heeft een beroep gedaan op het karakter van het openbaar
onderwijs en betoogd dat van het onderwijzend personeel een open instelling
tegenover de te onderscheiden levensbeschouwelijke en maatschappelijke
waarden geëist mag worden. Deze eis is niet op voorhand in strijd met de
AWGB. Echter het feit dat verzoekster een bepaalde godsdienst belijdt en deze
door het dragen van een hoofddoek uit, sluit niet uit dat zij deze open
instelling heeft en in staat is onderwijs te geven in overeenstemming met het
karakter van de school als openbare onderwijsinstelling.

In de onderhavige zaak is gesteld noch gebleken dat verzoekster bedoelde open
instelling niet heeft. Het had op de weg van de wederpartij gelegen
verzoekster daarop te bevragen. Dit is echter niet geschied. De wederpartij
is uitsluitend van de vooronderstelling uitgegaan dat het dragen van een
hoofddoek door verzoekster in de klas blijk geeft van een bepaalde, door de
schoolleiding ongewenste, godsdienstige opvatting.

Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de wederpartij
direct onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst.

Direct onderscheid op grond van godsdienst is verboden, tenzij sprake is van
een van de in de AWGB genoemde uitzonderingen. Gesteld noch gebleken is dat
deze wettelijke uitzonderingen in deze zaak van toepassing zijn. Dit leidt
tot de conclusie dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met de AWGB.

4.6. Verzoekster stelt dat in casu mogelijk tevens sprake is van indirect
onderscheid op grond van geslacht omdat uitsluitend vrouwen hoofddoeken
dragen. Zij heeft echter benadrukt dat de kern van haar klacht de godsdienst
van verzoekster betreft. Nu de Commissie reeds heeft geconcludeerd tot een
verboden direct onderscheid op grond van godsdienst laat de Commissie, mede
gelet op hetgeen verzoekster heeft gesteld, een nader onderzoek naar mogelijk
onderscheid naar geslacht achterwege.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Burgemeester en
Wethouders van de gemeente Haarlem te Haarlem jegens mevrouw …. te Haarlem
direct onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst als bedoeld in
artikel 5 lid 1d van de Algemene wet gelijke behandeling en derhalve in
strijd met deze wet heeft gehandeld.

Aldus vastgesteld op 9 februari 1999.

mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck A.C. van Doornen
Kamervoorzitter secretaris Kamer

Oordeel 99-18
@@TNT=
[NOOT_1]
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014, nummer 5, pag. 39/40.
Vergelijk ook Tweede Kamer, vergaderjaar 1975-1976, 13872, nummer 3, pag. 29.
[NOOT_2]
Zie Commissie gelijke behandeling, 7 augustus 1995, oordeel 95-31, 19 maart
1996, oordeel 96-16 en 3 februari 1997, oordeel 97-14.
[NOOT_3]
Zie Commissie gelijke behandeling, 21 maart 1997, oordeel 97-23.
Zie ook Commissie gelijke behandeling, 26 maart 1997,
oordeel 97-24.
[NOOT_4]
zie voetnoot 3.
[NOOT_5]
Zie bijvoorbeeld HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201. De Hoge Raad oordeelde
dat de ‘beginselen van volkomen vrijheid van geloof en gelijkheid voor den
Staat van alle godsdienstige gezindten, welke ten onzent gelden (…)
meebrengen, dat de burgerlijke rechter geen partij mag kiezen in op het
terrein dier gezindten rijzende geschillen omtrent geloof en belijdenis en
met name ook niet (…) zijn uitspraak omtrent enig rechtspunt afhankelijk
mag stellen van zijn oordeel met betrekking tot theologische leerstellingen,
omtrent welker juistheid, onjuistheid of gewicht aldaar verdeeldheid
bestaat.”
[NOOT_6]
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014, nummer 3, pag. 16/17.
[NOOT_7]
Zie bijvoorbeeld Commissie gelijke behandeling, 3 februari 1997, oordeel
97-14 en Commissie gelijke behandeling, 9 juli 1998, oordeel 98-17.

Rechters

Mrs Timmerman-Buck, Van Schijndel, Lagerwerf-Vergunst

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 4 februari 1999

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


C. is de oom van K. K. voert aan dat C. toen zij ongeveer tien jaar oud
was ontuchtige handelingen met haar heeft gepleegd; hij heeft haar borsten
en vagina betast en zich meermalen door haar laten aftrekken. C. betwist
de ontuchtige handelingen. C. is strafrechtelijk vrijgesproken. Zowel de
rechtbank als het Hof oordelen dat de ontuchtige handelingen voldoende
zijn bewezen. Dit wordt gebaseerd op de geloofwaardigheid van de verklaring
van K., welke geloofwaardigheid is gebaseerd op overeenstemming in de verklaringen
van C. en K. op details buiten de directe ontuchtige handelingen, de gedetailleerdheid
van de verklaring van K., en het feit dat de verklaringen van K. op hoofdlijnen
congruent en consistent zijn. Dit wordt bevestigd door het deskundigenrapport
van de psycholoog Bullens. Tevens is de behandelend therapeute van K. als
getuige gehoord. Rechtbank en Hof beoordelen de verklaringen van C. als
niet geloofwaardig.
Het Hof komt tot de conclusie: ‘Dit alles betekent dat ook het Hof van
oordeel is dat de verklaringen van K. op waarheid berusten, in aanmerking
genomen het overige, hiervoor besproken, bewijs waaronder het op verzoek
van de rechtbank uitgebrachte deskundigenbericht. Nu deze verklaringen,
aldus beschouwd, strekken ter aanvulling van overigens nog onvolledig bewijs,
leveren zij bewijs ten voordele van K. op. De vrijspraak in de strafzaak
maakt dat niet anders’. Het Hof oordeelt dat een bedrag van ƒ 25.000 aan
immateriële schade alleszins gerechtvaardigd is.

Volledige tekst

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING IN HOGER BEROEP

1.1. Appellant, C., is bij dagvaarding van 10 maart 1998 bij het hof in
hoger beroep gekomen van het door de arrondissementsrechtbank te Amsterdam
onder rolnummer H 95.2901 tussen hem als gedaagde in conventie/eiser in
reconventie en geïntimeerde, K., als eiseres in conventie/verweerster in
reconventie gewezen en op 25 februari 1998 uitgesproken vonnis.

1.2. Bij memorie heeft C. elf grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd
en geconcludeerd, zakelijk, dat het hof dat vonnis zal vernietigen, het
door K. gevorderde alsnog zal afwijzen en K. zal veroordelen tot betaling
van een bedrag van ƒ 5.000 met rente, onder veroordeling van K. in de proceskosten
van de beide instanties.

1.3. K. heeft bij memorie van antwoord de grieven van C., bestreden en
geconcludeerd, zakelijk, dat het hof het aangevallen vonnis zal bekrachtigen
en C. zal veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

1.4. Daarna hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties
aan het hof overhandigd en gevraagd arrest te wijzen. De inhoud van deze
stukken geldt als hier ingevoegd.

2. DE GRIEVEN

Voor de grieven van C. tegen het vonnis waarvan beroep, verwijst het hof
naar de door hem genomen memorie. De grieven beogen het geschil in volle
omvang aan het hof voor te leggen en lenen zich daarom voor gezamenlijke
behandeling.

3. DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL IN HOGER BEROEP

3.1. K. is geboren op (…) 1976. C. is geboren op (…) 1929. De moeder
van K. is de zuster van de (in 1988 overleden) echtgenote van C. C. is
derhalve de oom van K.

3.2. C. heeft zo staat eveneens vast, in 1987 gedurende enige maanden diverse
werkzaamheden verricht in het ouderlijk huis van K. te Amsterdam. Hij heeft
onder meer een schrootjesplafond aangebracht en de trap opnieuw bekleed.

3.3. K. voert aan dat C. in die tijd – zij was toen ongeveer tien jaar
oud – ontuchtige handelingen met haar heeft gepleegd. Volgens K. heeft
C. haar borsten en vagina betast en zich meermalen door haar laten aftrekken.
Hoewel C. betwist dat hij deze ontuchtige handelingen heeft verricht, heeft
de rechtbank geoordeeld dat het door K. aangevoerde op waarheid berust
en de schadevergoeding die K. van C. vordert, in haar geheel toegewezen.
C. vraagt het hof dit oordeel opnieuw te toetsen. Daaromtrent geldt het
volgende.

3.4. K., door de politie en door de eerste rechter gehoord, heeft verteld
dat de ontuchtige handelingen zijn begonnen nadat zij spelend met een centimeter
haar oom in het kruis zou hebben geraakt. Zij mocht van haar oom daarover
niets tegen haar moeder zeggen en heeft haar oom moeten troosten door hem
te helpen bij het plassen. Dat is gevolgd door het meermalen moeten aftrekken
van C. en het door deze door het betasten van de borsten en de vagina van
K.

3.5. C., eveneens door de politie en de eerste rechter gehoord, heeft verteld
dat hij tijdens zijn werkzaamheden in het ouderlijk huis van K. inderdaad
door haar in het kruis is geraakt met, wat hij noemt, een rolmaat. Deze
overeenstemming in beide verklaringen ondersteunt in sterke mate de geloofwaardigheid
van het relaas van K..

3.6. Anders dan C. betoogt, zijn niet alleen op het hiervoor genoemde punt
maar ook overigens – onder meer wat plaats en wijze van handelen betreft
– de door K. afgelegde verklaringen over wat zich tussen haar en haar oom
zou hebben voorgedaan voldoende gedetailleerd om geloofwaardig te zijn.
De door K. afgelegde verklaringen zijn bovendien op hoofdlijnen congruent
en consistent. De door C. genoemde verschillen in de door K. afgelegde
verklaringen (zoals de data, het aantal keren dat K. haar oom heeft moeten
aftrekken en het op slot doen van de toegangsdeur) zijn van ondergeschikte
betekenis en kunnen zeer wel worden verklaard doordat het hier betreft
de herinnering aan gebeurtenissen die jaren geleden hebben plaatsgevonden,
toen K. nog maar tien jaar oud was.

3.7. Het vorenstaande vindt zijn bevestiging in het verslag van de psycholoog
R. Bullens die op verzoek van de rechtbank een deskundigenrapport heeft
uitgebracht over het seksueel misbruik waarvan K. melding heeft gedaan.
Hij heeft K. onderzocht en komt tot de conclusie dat zij diverse symptomen
vertoont die passen bij een posttraumatische stressstoornis. Haar verklaring,
aldus de deskundige, is contextueel ingebed en maakt een geloofwaardige
indruk. Motieven om een valse verklaring af te leggen, zijn bij het onderzoek
niet naar voren gekomen.

3.8. Verder heeft de eerste rechter de orthopedagoge L.M.J. Staats als
getuige gehoord. Staats is werkzaam bij de RIAGG waar K. sinds 1994 onder
behandeling is. Ook aan haar verklaring komt gelet op haar deskundigheid
en ervaring waarde toe. In haar verklaring zijn geen contra-indicaties
te vinden die de geloofwaardigheid van het relaas van K. zouden kunnen
aantasten. Integendeel, de orthopedagoge Staats heeft de indruk dat K.
de zaken niet groter maakt dan deze zijn.

3.9. Hiermee lijkt in tegenspraak dat Staats in een brief van 13 juni 1995
die zich onder de processtukken bevindt, mededeelt dat K. onder meer tegen
haar zou hebben verteld dat C. op haar was gaan liggen, hetgeen K. in de
door haar tegenover de politie en de eerste rechter afgelegde verklaringen
niet heeft gezegd. Het hof acht met de rechtbank deze tegenstrijdigheid
van ondergeschikte betekenis. In de door Staats tegenover de eerste rechter
afgelegde verklaring komt dit punt niet terug en bovendien is de mededeling
van horen zeggen zodat de gerede kans bestaat dat deze op een misverstand
berust.

3.10. De rechtbank heeft de verklaringen die C. heeft afgelegd, niet geloofwaardig
geoordeeld. Dat komt het hof begrijpelijk voor. Zo heeft C. tegenover de
eerste rechter verklaard dat zijn nichtje altijd naar school was als hij
aan het werk was. Dat is echter reeds in strijd met het relaas van C. over
het voorval met de centimeter of rolmaat. Toen dit voorval zich voordeed,
moet K. immers eveneens aanwezig zijn geweest. Verder is in het licht van
de overige inhoud van zijn verklaringen de tegenover de eerste rechter
gemaakte opmerking van C. ‘we zijn ook wel eens gestoord’ opvallend. In
de context waarin deze opmerking is gemaakt, kan het alleen om C. en K.
gaan, die – zo moet worden geconcludeerd – dus op die momenten samen in
de woning waren. De uitleg die C. geeft over de door hem niet bestreden
woordkeus ‘we zijn ook wel eens gestoord’ overtuigt niet.

3.11. Dit alles betekent dat ook het hof van oordeel is dat de verklaringen
van K. op waarheid berusten, in aanmerking genomen het overige, hiervoor
besproken, bewijs waaronder het op verzoek van de rechtbank uitgebrachte
deskundigenbericht. Nu deze verklaringen, aldus beschouwd, strekken ter
aanvulling van overigens nog onvolledig bewijs, leveren zij bewijs ten
voordele van K. op. De vrijspraak in de strafzaak maakt dat niet anders.

3.12. Vervolgens komt de door K. gevorderde schadevergoeding aan de orde.
Tegen de gevorderde materiële schade van ƒ 137 heeft C. geen bezwaren naar
voren gebracht. Wel bestrijdt hij de gevorderde immateriële schade van
ƒ 25.000.

3.13. Het is van algemene bekendheid dat degene die op jonge leeftijd seksueel
is misbruikt daarvan nog lang psychische problemen kan ondervinden. Voor
de verwerking van het seksueel misbruik is vaak deskundige begeleiding
en behandeling nodig. Ook in deze zaak is dit het geval.

K., die onder meer last had van dwangmatig handelen (het veelvuldig wassen
van de handen) en van nachtmerries, en in de relatie met haar vriend problemen
ondervond, heeft zich in 1994 onder behandeling van de RIAGG moeten stellen.
In 1997 was zij daar nog steeds onder behandeling. De orthopedagoge van
de RIAGG, Staats, verwachtte in 1997 dat K. nog wel een tijd therapie nodig
zal hebben. De psycholoog Bullens, door de rechtbank ingeschakeld, schat
de ernst van het trauma in als groot tot zeer groot.

3.14. De aard van de ontuchtige handelingen (een meisje van nog maar tien
jaar oud dat meermalen haar oom moet aftrekken) en het daardoor opgelopen
trauma (groot tot zeer groot ingeschat) brengen met zich dat een bedrag
van ƒ 25.000 aan immateriële schade alleszins gerechtvaardigd is. Daarbij
kan in het midden blijven of de maag- en darmklachten van K. en het exceem
waar K. in 1992 last van heeft gekregen, al dan niet aan het trauma kunnen
worden toegeschreven. Verder kan aan de toewijzing van een bedrag van ƒ
25.000 voor immateriële schade niet afdoen dat, zoals bij een ieder die
de weg naar volwassenheid moet afleggen, ook andere omstandigheden hun
invloed op de psychische toestand van K. zullen hebben uitgeoefend. Niet
naar voren is gekomen dat die andere omstandigheden in belangrijke mate
hebben bijgedragen aan het trauma van K.

4. SLOTSOM

De grieven van C. treffen geen doel en het vonnis waarvan beroep dient
derhalve te worden bekrachtigd. C. die tevergeefs in hoger beroep is gekomen,
zal de kosten daarvan moeten dragen.

5. BESLISSING

Het hof

– bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

– veroordeelt C. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot deze
uitspraak aan de zijde van K. begroot op ƒ 2.300 en ingevolge artikel 57b
Rv. te betalen aan de griffier van hof.

Rechters

Mrs. Frijda, Hermans, Koopmann