Instantie: Kantonrechter ‘s-Gravenhage, 3 februari 1999

Instantie

Kantonrechter ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Werknemer heeft onzedelijke handelingen verricht bij een werknemer met een
labiele persoonlijkheid. De werkgever heeft aangifte gedaan bij de politie.
Nu heeft deze werknemer weer een labiele collega tot seksuele handelingen
gedwongen. Deze heeft zelf aangifte gedaan. Werknemer mag van de
rechter-commissaris niet op het werk verschijnen zolang het onderzoek loopt.
Omdat de stichting christelijk is, vraagt zij ontbinding
in plaats van ontslag op staande voet. De kantonrechter oordeelt dat de
onzedelijke gedragingen nog niet vast staan. Wel ontbindt hij wegens
verstoorde verhoudingen. Daarom krijgt de werknemer een vergoeding conform de
kantonrechters-formule (met een lagere leeftijdsfactor, omdat zijn
gemachtigde niet meer had gevraagd).

Volledige tekst

Het verzoek, de grondslag ervan en het verweer ertegen
2. K. heeft verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op een
zo korte mogelijke termijn te ontbinden wegens gewichtige redenen. Zij heeft
daaraan ten grondslag gelegd dat haar werknemer H. in het magazijn werkt, in
het verleden problemen heeft veroorzaakt door tegen de zin van een werknemer
met een labiele persoonlijkheid onzedelijke handelingen te verrichten bij
deze andere werknemer. Die werknemer heeft geweigerd hiervan aangifte te doen
bij de politie. Het hoofd personeel en organisatie van de stichting, de heer
M. heeft dit verhaal uit de mond van de betrokken medewerker zelf vernomen en
heeft van dit feit melding gemaakt bij de politie.
3. Voorts heeft K. aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd dat H. nu
wederom een werknemer tegen zijn zin gedwongen heeft tot seksuele
handelingen. Deze werknemer is eveneens een zeer labiele persoonlijkheid en
kan als minder begaafd worden omschreven en heeft wel aangifte gedaan bij de
politie, waarna er een proces-verbaal van aangifte is opgemaakt. Sinds deze
gebeurtenissen vormt H. een directe bedreiging voor de mentaal zwakkere groep
binnen de Stichting K. en voor de betreffende werknemer in het bijzonder.
4. Tenslotte heeft K. gesteld dat zij H. niet op staande voet heeft willen
ontslaan nu de stichting voortkomt uit de diaconie en dit niet past bij haar
christelijke grondslag. K. kiest er daarom voor om een ontbindingsverzoek in
te dienen primair gegrond op een dringende reden nu het van de werkgever op
grond van de bovenvermelde omstandigheden redelijkerwijze niet langer gevergd
kan worden de arbeidsovereenkomst met H. te laten voortduren.
5. Los daarvan is er sprake van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding.
Spanningen die de bovenstaande situatie met zich mee hebben gebracht, zijn
inmiddels zo hoog opgelopen dat een vruchtbare samenwerking niet langer tot
de mogelijkheden behoort. De rechter-commissaris heeft het H. verboden
gedurende het onderzoek bij de stichting te verschijnen en contact met
medewerkers van de stichting en in het bijzonder met het slachtoffer te
hebben.
6. Het is dus feitelijk onmogelijk voor H. om zijn werkzaamheden uit te
oefenen. Tot de strafzaak die op zijn vroegst in februari/maart 1999 zal
dienen, mag H. geen enkel contact zoeken met de stichting. H. kan zijn
werkzaamheden derhalve ook niet uitoefenen zodat de stichting ook een
praktisch probleem heeft nu zij een personeelslid moet missen.
7. H. is lid van de ondernemingsraad van de stichting. Op grond van art. 21
lid 5 Wet op de Ondernemingsraden kan de ondernemer de kantonrechter
verzoeken de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden. Op
grond van de bovengenoemde omstandigheden is K. van mening dat zij voldoende
aannemelijk heeft gemaakt dat haar verzoek geen verband houdt met het
lidmaatschap van H. van de ondernemingsraad.
8. Daartegen heeft H. gemotiveerd verweer gevoerd, neerkomende op het
volgende:
– De hem door K. verweten handelingen, worden door H. ontkend. Hij bestrijdt
nadrukkelijk dat hij tegen de zin van de werknemer bij hem onzedelijke
handelingen heeft verricht en dat hij daardoor problemen heeft veroorzaakt.
Juist is dat hij met deze werknemer gedurende ongeveer twee jaar een relatie
heeft gehad die enige tijd geleden is geëindigd. Daarover zijn in het
verleden nooit problemen ontstaan.
– Er zijn niet tegen de wil van een andere werknemer seksuele handelingen met
die andere werknemer verricht.
– Zijn relatie met de mede-werknemer is een privé-aangelegenheid met
weliswaar een effect op de werkvloer maar niet zo groot als de werkgever wil
laten geloven. Niet alleen wegens afwezigheid van een dringende reden maar
ook vanwege het ontbreken van een verandering van omstandigheden dient de
gevraagde ontbinding te worden afgewezen.
– Indien de kantonrechter twijfelt of de arbeidsovereenkomst moet worden
ontbonden, verzoekt H. om aanhouding van het verzoek totdat onherroepelijk
zal zijn beslist in de strafzaak.
– Mocht de kantonrechter van mening zijn dat de ontbinding dient te volgen op
grond van een verandering van omstandigheden, dan verzoekt H. om opname in de
beschikking dat K. wordt veroordeeld tot het betalen aan H. van een
vergoeding van bruto ƒ 12 460,50 dan wel een door de kantonrechter in goede
justitie te betalen bedrag, dit alles met veroordeling van K. in de kosten
van het geding.

De beoordeling van het geschil
9. Tussen partijen staat vast dat H. op 1 maart 1993 is begonnen met
werkzaamheden ten behoeve van K. en met ingang van 1 januari 1998 voor
onbepaalde tijd in het kader van de Melkert-regeling in dienst is getreden
bij Stichting K. laatstelijk in de functie van medewerker K., tegen een
laatstgenoten salaris van ƒ 2307,50 bruto per maand exclusief emolumenten.
Aanvankelijk gold de Stichting W. waarmee een détacheringsovereenkomst is
gesloten door K. als werkgever. H. is 48 jaar oud.
10. Voorshands is niet aangetoond dat H. de hem door 0. verweten gedragingen
heeft verricht. Derhalve kan voorshands niet van een dringende reden worden
gesproken.
11. Uit de processtukken en hetgeen ter mondelinge behandeling is aangevoerd,
is er echter wel van gebleken dat de verhouding tussen partijen zodanige
wijzigingen heeft ondergaan, zonder dat daarvan aan één der partijen een
verwijt kan worden gemaakt, dat bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst
op een vruchtbare samenwerking niet meer kan worden gerekend, zodat
voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet zinvol meer is.
12. Tengevolge van de relaties die H. met andere personeelsleden van 0.
onderhield, zijn er namelijk in elk geval minstens misverstanden ontstaan en
is er onrust op de werkvloer bij 0. opgetreden.
13. Op grond van deze veranderingen in de omstandigheden die van dien aard
zijn dat de onderhavige dienstbetrekking billijkheidshalve behoort te
eindigen, is ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen wegens
gewichtige reden dan ook onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid de
beste oplossing, dit per 1 maart 1999.
14. Gelet op de gegeven omstandigheden dient deze ontbinding naar billijkheid
vergezeld te gaan van een vergoeding, te betalen door K. aan H.
15. De gemachtigde van H. gaat uit van vijf maandsalarissen vermeerderd met
vakantiegeld. Dan komt men uit op 5 x ƒ 2307,50 x 1,08 = ƒ 12 460,50 aan
bruto salaris. Kennelijk achtte de gemachtigde van H. geen omstandigheden
aanwezig om voor de leeftijd van H. een factor 1,5 te rekenen.
16. Aan de toekenning van deze vergoeding ligt ten grondslag dat uit de
processtukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is
gekomen, ervan is gebleken dat H. betrekkelijk lange tijd namelijk minstens
vijf jaar voor 0. heeft gewerkt en dat voorshands de hem verweten gedragingen
niet zijn komen vast te staan.
17. Gezien de omstandigheid dat voorshands geen van beide partijen ernstige
verwijten te maken zijn ten opzichte van de wederpartij, is het redelijk dat
elke partij de eigen proceskosten draagt.
18. De kantonrechter zal ingevolge art. 7:685 lid 9 BW het voornemen
uitspreken de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van genoemde
datum te ontbinden onder toekenning van de hierboven vermelde vergoeding.

Rechters

Mr Th.W.M. Lippmann

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 februari 1999

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De klager en zijn partner zijn een partnerschapregistratie aangegaan. Kort
daarna is de partner aangemeld bij het pensioenfonds voor een
nabestaandenpensioen. Bij de vaststelling van de te betalen premie voor de
partner ging het fonds echter uit van de fictieve levensverwachting van een
vrouw, waardoor de premie hoger uitviel. Verzoeker is van mening dat de
premie berekend dient te worden op grond van de levensverwachting van een
man. Het pensioenfonds vindt dat door de gebruikte berekeningswijze gehuwden
en geregistreerden juist gelijk worden behandeld.
De commissie oordeelt dat het pensioenfonds in strijd handelt met de wet. Het
fonds houdt bij de vaststelling van de hoogte van de premie door de partner
van een gehuwde deelnemer wel rekening met het werkelijke geslacht van de
partner. Dit gebeurt ook bij de partner van geregistreerde heteroseksuele
paren. Alleen bij de vaststelling van de hoogte van de premie voor de partner
bij geregistreerde homoseksuele paren gaat het fonds uit van een fictieve
man-vrouw relatie.
Bij de vaststelling van de hoogte van de premie voor een nabestaandenpensioen
voor homoseksuele deelnemers mag men niet uitgaan van een fictieve man-vrouw
relatie maar dient men uit te gaan van het feitelijk geslacht van de
betrokkenen. Dit leidt tot direct onderscheid naar homoseksuele gerichtheid.
Op grond van jurisprudentie van het HvJEG oordeelt de Cgb dat er geen sprake
is van onderscheid naar geslacht.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 11 augustus 1998 verzocht de heer …. te Nijmegen (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over
de vraag of de …. te Utrecht (hierna: de wederpartij) jegens verzoeker
onderscheid maakt naar geslacht en homoseksuele gerichtheid als bedoeld in de
Algemene wet gelijke behandeling (hierna: AWGB).

1.2. Verzoeker is deelnemer in het door de wederpartij beheerde
pensioenfonds. Verzoeker heeft een mannelijke partner met wie hij een
geregistreerd partnerschap is aangegaan en hij verzekert ten behoeve van zijn
partner een nabestaandenpensioen bij de wederpartij. De wederpartij brengt
ter zake van nabestaandenpensioen bij geregistreerde partnerschappen de voor
gehuwde mannen geldende premies in rekening. Verzoeker en zijn partner worden
daarbij voor wat de premieheffing betreft beschouwd als een man-vrouw paar.
Volgens verzoeker leidt dit tot onderscheid naar geslacht en homoseksuele
gerichtheid.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld.

Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen voor een zitting op 14
december 1998.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. …. (verzoeker)
– dhr. …. (partner van verzoeker)
– dhr. mr. …. (deskundige)

van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. ….
– dhr. mr. ….
– dhr. C.J.J.C. van Nispen (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Er is sprake van een verplicht gestelde beroepspensioenregeling voor
medisch specialisten.
De wederpartij is opgericht door de …. (hierna: ….). In het bestuur van
de wederpartij hebben zitting een bestuurslid en een plaatsvervangend
bestuurslid, benoemd door het Centraal Bestuur van de …., alsmede vijf
overige bestuursleden die worden gekozen uit de deelnemers door de
ledenvergadering van de …..

Verzekerd worden onder meer een ouderdomspensioen voor alle medisch
specialisten die onder het deelnemersbegrip van de regeling vallen en een
nabestaandenpensioen voor de gehuwde deelnemers.
De premies worden afzonderlijk vastgesteld voor gehuwde en ongehuwde mannen
en gehuwde en ongehuwde vrouwen en zijn afhankelijk van geslacht, leeftijd en
burgerlijke staat. De actuariële omrekeningsfactoren zijn opgenomen in een
bijlage bij het pensioenreglement.
De premies voor het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen worden
afzonderlijk in rekening gebracht bij de deelnemers.

3.2. Verzoeker is sinds 1 januari 1992 deelnemer in het pensioenfonds van de
wederpartij en betaalde premie als ongehuwde mannelijke deelnemer. Op 20
april 1998 zijn verzoeker en zijn mannelijke partner een geregistreerd
partnerschap aangegaan. Op 7 mei 1998 heeft verzoeker dit aan de wederpartij
gemeld en aangegeven aanspraak te willen maken op de bij de wederpartij
geldende partnerpensioenregeling.

3.3. Bij brief van 21 juli 1998 heeft de wederpartij aan verzoeker bericht
dat de premie voor verzoeker en zijn partner zou worden gelijk gesteld aan
die van gehuwde deelnemers, waarbij gehandeld zou worden alsof sprake is van
een huwelijk. Bij de vaststelling van de hoogte van deze premie is rekening
gehouden met de statistisch hogere levensverwachting van de vrouw en haar
statistisch waarschijnlijke leeftijd. De premie die verzoeker in rekening
wordt gebracht is derhalve gebaseerd op deze fictieve levensverwachting van
een vrouw.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoeker stelt het volgende.

Bij de vaststelling van de premie wordt er ten onrechte vanuit gegaan dat
verzoeker een vrouwelijke partner zou hebben, terwijl bij wet is vastgesteld
dat hij samenleeft met een mannelijke

partner. Verzoeker is van mening dat de premie uitsluitend dient te worden
gebaseerd op de sterftekans van de man. De wederpartij dient bij man-man
relaties daarom aangepaste tarieven te hanteren.

De houding van de wederpartij impliceert de ontkenning van homoseksuele
relaties. Dit raakt verzoeker nog meer dan wanneer sprake zou zijn van
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid op zichzelf.

De stelling van de wederpartij dat het niet mogelijk is bij de vaststelling
van de premies uit te gaan van individuele omstandigheden is in strijd met
eerdere uitspraken. In een brief van 30 september 1994 heeft de wederpartij
aan verzoeker het volgende meegedeeld:
“Zoals u bekend is, is de pensioenregeling met ingang van 1 januari 1993
ingrijpend gewijzigd. Vanaf die datum worden er aparte premies gehanteerd
voor de ongehuwde mannelijke deelnemer, voor de gehuwde mannelijke deelnemer,
voor de ongehuwde vrouwelijke deelnemer en voor de gehuwde vrouwelijke
deelnemer.
Hiermee is de pensioenpremie zoveel mogelijk toegespitst op de individuele
situatie van de deelnemers.”

De wederpartij stelt dat als ijkpunt voor de premiehoogte de burgerlijke
staat van de deelnemer wordt gekozen. De wederpartij heeft de burgerlijke
staat tot nu toe steeds kunnen gebruiken om het geslacht van de partner te
bepalen en heeft op basis hiervan de individuele tarieven vastgesteld. Uit
een geregistreerd partnerschap kan het geslacht van de partner niet worden
afgeleid. Aangezien in de akte van partnerschapregistratie alle persoonlijke
gegevens zijn opgenomen, kan over het geslacht van de beide partners geen
twijfel bestaan. Het is voor de wederpartij dan ook mogelijk om haar tarief
op grond van het geslacht van de deelnemer en zijn of haar partner vast te
stellen.

3.5. De uitzondering in artikel 12c van de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (hierna: WGB) gaat over onderscheid op grond van geslacht,
voorzover gerechtvaardigd in verband met actuariële berekeningselementen. De
actuariële factoren, die thans in het geding zijn, nemen in aanmerking dat
een man gehuwd zal zijn met een gemiddeld jongere vrouw. In dit geval gaat
het om een mannelijke partner die gemiddeld iets ouder zal zijn en korter zal
leven. De actuariële berekeningselementen van de wederpartij zijn daardoor
gebaseerd op een ander geslacht dan dat van verzoekers partner. De
uitzondering in de WGB is niet voor deze categorie gevallen in het leven
geroepen en is mitsdien niet gerechtvaardigd.

Ten aanzien van de toepasselijkheid van de uitspraak van het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJEG) in de zaak Grant
ÃNOOT 1#4#1Ž en de wijze
waarop de Commissie deze zaak heeft toegepast in eerder oordelen ÃNOOT 2#4#2Ž brengt
verzoeker naar voren dat in casu in ieder geval sprake is van direct
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid in de zin van de AWGB.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.

Sinds de inwerkingtreding van de wet geregistreerd partnerschap kunnen
geregistreerden aanspraak maken op nabestaandenpensioen en worden zij door de
wederpartij volstrekt gelijk behandeld. Dit leidt ertoe dat ook de premie
voor gehuwden en geregistreerden gelijk is.

Van onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid is geen sprake.
Deelnemers die homoseksueel zijn worden immers exact hetzelfde behandeld als
gehuwden. Van onderscheid op grond van geslacht is evenmin sprake. De
stelling van verzoeker impliceert juist dat onderscheid op grond van geslacht
gemaakt zou moeten worden.

Ten onrechte gaat verzoeker er vanuit dat de pensioenregeling van de
wederpartij gebaseerd is op een semi-actuarieel berekeningssysteem, waarbij
de premiehoogte een resultaat is van een optelsom van objectieve
berekeningselementen. Een dergelijk systeem is administratief onhaalbaar en
ook overigens onwenselijk.

De nabestaandenregeling van de wederpartij gaat uit van gelijkheid van de
grondslag van de aan nabestaanden toegezegde prestatie. Elke achterblijvende
partner kan bij overlijden van de deelnemer immers aanspraak maken op een
nabestaandenpensioen ter grootte van 70 procent van het ouderdomspensioen dat
de deelnemer heeft of zou hebben opgebouwd tussen de datum van het huwelijk
of partnerschapsregistratie tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd.
De premieberekening voor ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen (zie 3.1.)
geschiedt op basis van een aantal objectieve actuariële factoren. Deze zijn
het geslacht, de leeftijd en de burgerlijke staat van de deelnemer. Deze
factoren worden onder alle omstandigheden consequent toegepast. Van alle
overige actuariële kenmerken van de deelnemer is geabstraheerd.
Het uitgangspunt is dat de mannelijke deelnemer getrouwd is met een vrouw die
gemiddeld twee jaar jonger is en zes jaar langer leeft.

Het principe van verzekeringen brengt per definitie een zekere mate van
geïnstitutionaliseerde ongelijkheid met zich, zeker wanneer het systeem
-zoals het onderhavige- deels op solidariteit gebaseerd is. Dit heeft een
zekere inkomensoverdracht tot gevolg. Daarom bestaat tussen solidariteit en
gelijke behandeling een spanningsveld. Echter, niet gezegd kan worden dat
solidariteit wettelijk laakbare ongelijke behandeling teweeg zou brengen.

De solidariteitsgedachte komt bij pensioenen onder andere tot uitdrukking in
de backserviceregeling: ook degenen die niet aan deze voorziening hebben
bijgedragen kunnen aanspraak maken op backservice. Een ander voorbeeld van
solidariteit is de afwezigheid van selectie bij toetreding.

Ten onrechte gaat verzoeker er vanuit dat door de premievaststelling de
homoseksuelen als groep worden getroffen. Verzoeker gaat er aan voorbij dat
vrouwelijke homoseksuelen door de regeling worden bevoordeeld. Het systeem
van premiedifferentiatie zoals verzoeker dat voorstelt zou bovendien tot het
maken van verboden onderscheid kunnen leiden. Gelijke premieregelingen zouden
immers als zodanig in strijd met het gelijkheidsbeginsel kunnen worden
aangemerkt doordat vrouwen als groep gedwongen zouden zijn solidair te zijn
met mannen als groep.
Er zijn onvoldoende statistische gegevens bekend over paren van gelijk
geslacht, zodat een verantwoorde premiestelling ook niet mogelijk is.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de vaststelling van
pensioenpremie ter zake van het nabestaandenpensioen voor wettelijk
geregistreerden onderscheid maakt op grond van geslacht of homoseksuele
gerichtheid als bedoeld in de AWGB.

4.2. Artikel 1 AWGB verbiedt zowel direct als indirect onderscheid op grond
van geslacht en op grond van homoseksuele gerichtheid.
Van direct onderscheid bij het aanbieden van goederen of diensten is sprake
wanneer rechtstreeks wordt verwezen naar geslacht of homoseksuele
gerichtheid.
Van indirect onderscheid in de zin van artikel 1 sub c AWGB is sprake wanneer
onderscheid op grond van een bepaalde hoedanigheid of gedraging een nadelig
effect heeft voor overwegend personen met één van de door de AWGB bestreken
persoonskenmerken.

In artikel 2 lid 1 AWGB is bepaald dat het verbod van onderscheid niet geldt
ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.

Artikel 2 lid 2a AWGB bepaalt dat onderscheid op grond van geslacht niet
verboden is in de gevallen waarin het geslacht bepalend is. Artikel 1 sub h
van het Besluit gelijke behandeling ÃNOOT 3#4#3Ž bepaalt dat deze uitzondering van
toepassing is bij de verzekering van een risico dat afhankelijk is van het
leven van een persoon tegen een van het geslacht afhankelijke premie, voor
zover het verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen het verschil
in premie redelijkerwijs meebrengt.

Artikel 6 AWGB verbiedt het maken van onderscheid met betrekking tot de
voorwaarden voor en de toegang tot het vrije beroep en de mogelijkheden tot
uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep.

Artikel 4 sub a AWGB bepaalt dat de AWGB de toepasselijkheid van de WGB
onverlet laat.

Artikel 2 WGB bepaalt dat het niet is toegelaten onderscheid te maken tussen
mannen en vrouwen met betrekking tot de voorwaarden voor de toegang tot en de
mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep
alsmede wat betreft de regelingen tussen beroepsgenoten niet zijnde
pensioenvoorzieningen als bedoeld in artikel 12a WGB ÃNOOT 4#4#4Ž.

Artikel 12a WGB bepaalt dat onder een pensioenvoorziening wordt verstaan een
pensioenvoorziening ten behoeve van een of meer personen, uitsluitend in
verband met hun werkzaamheden in een onderneming, bedrijfstak, tak van beroep
of openbare dienst, in aanvulling op een wettelijk stelsel van sociale
zekerheid en, ingeval van een voorziening ten behoeve van een persoon, anders
dan door die persoon zelf tot stand gebracht.

Artikel 12b lid 1 WGB bepaalt dat het ook aan anderen dan de werkgever
bedoeld in artikel 7:646 BW niet is toegestaan onderscheid te maken tussen
mannen en vrouwen ten aanzien van de kring van personen voor wie een
pensioenvoorziening tot stand wordt gebracht, de bepaling van de inhoud van
een pensioenvoorziening of de wijze van uitvoering ervan.

Artikel 12c sub a WGB bepaalt dat onder meer de artikelen 1a en 12b WGB
buiten toepassing blijven ten aanzien van de omvang van de geldelijke
bijdrage aan de pensioenregeling, voor zover dat gerechtvaardigd is in
verband met voor mannen en vrouwen verschillende actuariële
berekeningselementen ingeval het pensioen niet wordt berekend op grond van de
geldelijke bijdrage van de tot de betrokken tak van beroep behorende persoon.

Artikel III van de wet van 12 maart 1998 ÃNOOT 5#4#5Ž brengt mee, dat ten aanzien van
pensioenvoorzieningen als bedoeld in de artikelen 12a en volgende WGB, de wet
terugwerkt tot 1 januari 1993.

4.3. De Commissie heeft reeds eerder geoordeeld dat een pensioenregeling van
beroepsgenoten, die -zoals blijkt uit de hiervoor onder 3.1. vastgestelde
feiten- tot stand is gekomen op initiatief van en krachtens besluitvorming
van de beroepsgroep zelf, getoetst kan worden aan de artikelen 12a tot en met
f WGB ten aanzien van onderscheid op grond van geslacht ÃNOOT 6#4#6Ž.

Ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 6 AWGB overweegt de Commissie
als volgt. Artikel 6 AWGB verbiedt onder meer onderscheid met betrekking tot
de voorwaarden voor het vrije beroep. In casu is sprake van een
pensioenregeling voor beroepsgenoten, die kan worden beschouwd als behorend
tot de voorwaarden voor het vrije beroep.
Blijkens de wetsgeschiedenis van de AWGB heeft de wetgever uitdrukkelijk
beoogd met artikel 6 AWGB een vergelijkbare werking in het leven te roepen
als artikel 2, later aangevuld met de artikelen 12a t/m f WGB.

De Commissie is derhalve van oordeel dat artikel 6 AWGB van toepassing is op
de onderhavige pensioenregeling ten aanzien van de vraag of sprake is van
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid.

4.4. De Commissie stelt vervolgens vast dat de wederpartij de premies voor
zowel het ouderdomspensioen als het nabestaandenpensioen baseert op de
burgerlijke staat, het geslacht en de leeftijd van de deelnemer. De klacht
van verzoeker richt zich tegen de vaststelling van de premie ter zake van het
nabestaandenpensioen. Bij de berekening van de premie van een gehuwde man of
een man die een geregistreerd partnerschap is aangegaan, berekent de
wederpartij de premie op basis van de statistische aanname dat de mannelijke
deelnemer een vrouwelijke partner heeft die gemiddeld twee jaar jonger is en
zes jaar langer zal leven.
Verzoeker is homoseksueel en het kenmerk van zijn partner is uiteraard dat
hij van hetzelfde geslacht is als verzoeker. Door in de premiestelling ter
zake van het nabestaandenpensioen het geslacht van de partner van een
deelnemer te betrekken en daarbij steevast uit te gaan van een ander geslacht
dan dat van de deelnemer, is de homoseksuele gerichtheid van de deelnemer in
het geding. De Commissie oordeelt derhalve dat in het onderhavige geval
homoseksuele gerichtheid de meest gerede grond is waaraan dient te worden
getoetst ÃNOOT 7#4#7Ž. Derhalve zal de Commissie allereerst nagaan of sprake is van
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid.

4.5. De Commissie overweegt vervolgens dat in het kader van toetsing aan de
AWGB de handelwijze van de wederpartij ten aanzien van deelnemers met een
partner van hetzelfde geslacht of van het andere geslacht vergelijkbaar moet
zijn. Ten aanzien van de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde premie
terzake van het nabestaandenpensioen moet worden vastgesteld, stelt de
Commissie vast dat dat in casu niet het geval is. Bij het vaststellen van de
premie van de gehuwde deelnemer wordt immers rekening gehouden met het
werkelijke geslacht van de partner van de deelnemer. Bij het vaststellen van
de premie die de geregistreerde deelnemer verschuldigd is wordt alleen bij
heteroseksuele paren uitgegaan van het werkelijke geslacht van de partner.
Bij de vaststelling van de premie van de homoseksuele deelnemers met een
geregistreerd partnerschap wordt steeds uitgegaan van een fictieve man-vrouw
relatie. Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid maakt op grond van
homoseksuele gerichtheid bij de vaststelling van de premie ter zake van het
nabestaandenpensioen ten behoeve van de partners van homoseksuele deelnemers.

De Commissie stelt voorts vast dat de Aanpassingswetgeving geregistreerd
partnerschap ÃNOOT 8#4#8Ž geen overgangsrecht of wetswijzigingen in de AWGB, de Pensioen-
en spaarfondsenwet dan wel de Wet betreffende verplichte deelneming in een
beroepspensioenregeling of anderszins relevante wetgeving met betrekking tot
premievaststelling bij (verplicht gestelde) pensioenregelingen bevat. De AWGB
is derhalve onverkort van toepassing.

De Commissie stelt vervolgens vast dat de inwerkingtreding van de wettelijke
bepalingen met betrekking tot geregistreerd partnerschap niet heeft geleid
tot enige aanpassing in het beleid van de wederpartij met betrekking tot de
premiestelling ten aanzien partners van gelijk geslacht. Aangezien in de AWGB
geen uitzonderingen zijn opgenomen ten aanzien van het maken van direct
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid ÃNOOT 9#4#9Ž, kan de Commissie niet
anders dan oordelen dat sprake is van direct onderscheid op grond van
homoseksuele gerichtheid dat niet is gerechtvaardigd.

4.6. De wederpartij heeft naar voren gebracht dat wanneer er al sprake zou
zijn van onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid, dit slechts een
deel van de personen met een homoseksuele gerichtheid betreft, aangezien
lesbische paren worden bevoordeeld. Los van de vraag of deze stelling van de
wederpartij juist geacht zou kunnen worden -twee lesbische vrouwen hebben
immers beiden een statistisch hogere levensverwachting, terwijl de
wederpartij over het gemiddelde leeftijdsverschil tussen vrouwen in een
lesbische relatie geen gegevens heeft overgelegd- brengt het gesloten systeem
van de AWGB met zich mee dat direct onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid alleen kan worden gerechtvaardigd door wettelijke uitzonderingen.
Nu daarvan in casu geen sprake is, kunnen noch deze stelling noch de overige
verweren van de wederpartij tot een ander oordeel leiden.

De wederpartij heeft in dat verband ook naar voren gebracht dat geen gegevens
voorhanden zijn op basis waarvan de levensverwachting bij paren van gelijk
geslacht zou kunnen worden verwerkt in de actuariële factoren. De Commissie
stelt vast dat gebleken is dat de wederpartij wel beschikt over actuariële
rekenfactoren met betrekking tot het geslacht en de leeftijd van de partners
van deelnemers.
De Commissie wijst er voorts op dat, nu de wederpartij bij de vaststelling
van de premies ter zake van nabestaandenpensioenen rekening houdt met het
geslacht van de partners van de deelnemers, de AWGB een verplichting met zich
brengt om wel betrouwbare gegevens te achterhalen dan wel een betrouwbare
schatting te maken van de in casu in aanmerking te nemen actuariële gegevens.
Daarbij wijst de Commissie erop dat de wederpartij bij het vaststellen van de
premiehoogte (of ook anderszins) op grond van de AWGB geen onderscheid op
grond van burgerlijke staat of homoseksuele gerichtheid mag maken.

4.7. Ten aanzien van de vraag of tevens onderscheid op grond van geslacht is
gemaakt overweegt de Commissie als volgt.

De Commissie heeft hiervoor vastgesteld dat de wederpartij direct onderscheid
op grond van homoseksuele gerichtheid maakt. Het is de vraag of in deze zaak
het handelen van de wederpartij vervolgens tevens moet worden getoetst aan de
discriminatiegrond geslacht, aangezien verzoeker niet louter op grond van
zijn geslacht wordt getroffen door het beleid van de wederpartij, maar op
grond van zowel zijn eigen geslacht als dan van zijn partner.
Voor zover derhalve al aan de discriminatiegrond geslacht zou moeten worden
getoetst, rijst de vraag of alsdan van onderscheid op grond van geslacht
sprake is. De Commissie heeft reeds eerder geoordeeld over een redenering
zoals ook door verzoeker wordt gehanteerd, namelijk dat sprake is van
onderscheid op grond van geslacht omdat mannen met een mannelijke partner wel
en mannen met een vrouwelijke partner geen nadeel ondervinden ÃNOOT 10#4#10Ž.
Daarbij werd verwezen naar de in voetnoot 1 aangehaalde zaak Grant. Daarin
heeft het HvJEG echter in een vergelijkbare situatie geoordeeld dat geen
sprake was van onderscheid op grond van geslacht, zoals bedoeld in artikel
119 EG-Verdrag of Richtlijn 75/117. Naar het oordeel van de Commissie brengt
de jurisprudentie van het HvJEG, in het bijzonder de overwegingen van het
HvJEG in de zaak Von Colson en Kamann ÃNOOT 11#4#11Ž mee dat nationale rechter en anderen
die met overheidsgezag zijn bekleed, gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden
de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te passen in het licht
van de bewoordingen en objectieve doelstellingen van -in dat geval- artikel
119 EG-Verdrag.
Aangezien de toetsing van de onderhavige zaak aan de artikelen 12a t/m f WGB
dient plaats te vinden en deze bepalingen een rechtstreekse uitwerking zijn
van het gemeenschapsrecht ÃNOOT 12#4#12Ž, is de Commissie van oordeel dat de wederpartij
geen onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt zoals bedoeld in de WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de …. te Utrecht jegens de
heer …. te Nijmegen
– direct onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid maakt, zoals
bedoeld in artikel 1 en artikel 6 van de Algemene wet gelijke behandeling,
– geen onderscheid op grond van geslacht maakt als bedoeld in de artikelen
12a tot en met f van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 2 februari 1999.

mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck mr. D. Jongsma
Kamervoorzitter secretaris Kamer
voor deze,
mr. A.N. Veekamp

OORDEEL 99-08
@@TNT=
[NOOT_1]
HvJEG, Grant versus South-West Trains Ltd, C-249/96, 17 februari 1998, AB
1998, 193.
[NOOT_2]
Zie onder meer Commissie gelijke behandeling, oordeel 98-110.
[NOOT_3]
Koninklijk Besluit van 18 augustus 1994, Staatsblad 657.
[NOOT_4]
Wetgeving van 12 maart 1998, Staatsblad 1998, nrs. 187-190.
[NOOT_5]
Zie voetnoot 5.
[NOOT_6]
Zie Commissie gelijke behandeling, oordeel 98-75.
[NOOT_7]
Zie ook A. Veldman, Het homoseksuele paar, hun treinkaartjes en het recht,
Nemesis 1998, nr. 1, p. 1-4.
[NOOT_8]
Wet van 12 december 1997, Staatsblad 1997, 660.
[NOOT_9]
De Commissie heeft in het in voetnoot 6 genoemde oordeel geoordeeld dat
onderscheid op grond van geslacht als gevolg van het toepassen van naar sekse
gescheiden actuariële berekeningselementen geoorloofd is in verband met de
wettelijke uitzondering in artikel 12c sub a WGB.
Er is in het kader van de AWGB in dit verband slechts een uitzondering met
betrekking tot onderscheid op grond van geslacht (zie de hiervoor genoemde
bepaling onder 4.2. alsmede voetnoot 4).
De uitzondering met betrekking tot burgerlijke staat in artikel 5, lid 6 AWGB
is in casu niet van toepassing.
[NOOT_10]
Commissie gelijke behandeling, 8 september 1998, oordeel 98-98 en 7
oktober 1998, oordeel 98-110; zie ook Commissie gelijke behandeling, 15
december 1998, oordeel 98-137.
[NOOT_11]
HvJEG, Von Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein-Westfalen, C-14/83,
10 april 1984, Jur. 1984, 1891.
[NOOT_12]
Te weten de Richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24
juli 1986, nr. 86/387/EEG, Publicatieblad EG 225/40 en 20 december 1996,
96/97/EU tot wijziging van eerdergenoemde richtlijn, Publicatieblad EG 46/20.

Rechters

Mrs Timmerman-Buck, Dierx, Lagerwerf-Vergunst

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 februari 1999

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Het hanteren van een leeftijdsgrens die hoofdzakelijk aansluit bij de
levensloop van mannen lijkt op het eerste gezicht niet in overeenstemming met
de internationale verplichtingen van het VN-vrouwenverdrag.
Er zijn evenwel geen gegevens bekend waaruit kan worden afgeleid dat vrouwen
door deze leeftijdsgrens in het algemeen meer van afmelding worden afgehouden
dan mannen en daardoor meer benadeeld worden.
Het ministerie van Justitie houdt ook bij het verlenen van een ontheffing van
de leeftijdseis van maximaal 31 jaar om toegelaten te worden tot de opleiding
voor de rechterlijke macht geen rekening met de specifieke levensloop van
vrouwen. Zo gelden omstandigheden die samenhangen met zwangerschap en
moederschap nooit als mogelijke reden om ontheffing te verlenen.
Het ministerie handelt hiermee in strijd met het Awgb.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 22 januari 1998 verzocht mevrouw …. te Amsterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door de Minister van Justitie te Den
Haag (hierna: de wederpartij) onderscheid wordt gemaakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Voor de toelating tot de Raio-opleiding, de opleiding voor de
rechterlijke macht, geldt de leeftijdsgrens van 31 jaar. Verzoekster is van
mening dat deze leeftijdsgrens indirect discriminerend is voor vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Vervolgens zijn partijen opgeroepen voor een zitting op 8 december 1998. Ter
zitting is deze zaak gevoegd behandeld met een soortgelijk verzoek gericht
tegen de wederpartij. In deze soortgelijke zaak heeft de Commissie een
oordeel uitgesproken met oordeelnummer 99-11.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. mr. ….

van de kant van verzoekster in de gevoegde zaak
– mw. mr. ….

van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. …. (Senior beleidsmedewerker Directie rechtspleging).

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De Raio-opleiding heeft ten doel toekomstige rechterlijke ambtenaren, de
kennis, de vaardigheden en de ervaring te verschaffen die nodig zijn om een
rechtsprekende functie, dan wel de functie van Officier van Justitie te
kunnen vervullen.
De opleiding duurt zes jaar en omvat een binnenstage, een buitenstage en een
theoretisch vormingsprogramma
ÃNOOT 1#4#1Ž.
Artikel 16 Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren (hierna: het Besluit)
ÃNOOT 2#4#2Ž bepaalt dat alleen gegadigden die niet ouder zijn dan 30 jaar kunnen worden
toegelaten tot de Raio-opleiding. Wanneer de Minister van Justitie daartoe
aanleiding aanwezig acht, kan hij, gehoord de selectiecommissie, ontheffing
verlenen van deze leeftijdseis. Genoemd artikel bepaalt voorts dat gegadigden
die niet voldoen aan de leeftijdseis en die geen ontheffing hebben verkregen,
terstond afgewezen worden.

Het is ook mogelijk om als zogenoemde buitenstaander toe te treden tot de
rechterlijke macht. Voor kandidaten die via deze regeling tot de rechterlijke
macht toetreden, bestaat een aangepast traject, waarvoor onder meer een
relevante juridische werkervaring van zes jaren is vereist.

3.2. Verzoekster, geboren op 10 februari 1966, begon haar rechtenstudie, na
een eerdere andere studiekeuze, in 1989.
Zij heeft in de zomer van 1997 na zeven en een half jaar (parttime) studeren
haar studie rechten met succes afgerond. Verzoekster is moeder van drie
kinderen, die respectievelijk in 1992, 1994 en 1996 geboren zijn.

Bij brief van 5 augustus 1997 heeft verzoekster de selectiecommissie voor de
Raio-opleiding verzocht haar toe te laten tot de selectieprocedure voor de
opleiding, ondanks het feit dat zij niet aan de leeftijdseis voldeed. Bij
brief van
18 augustus 1997 is dit verzoek afgewezen, waarbij er op gewezen is dat
slechts bij hoge uitzondering, met name wanneer sprake is van niet aan de
persoon zelf toe te rekenen omstandigheden, van dit leeftijdsvereiste kan
worden afgeweken.

3.3. Uit het CBS onderzoek over “Vruchtbaarheid: trends en prognoses” blijkt
dat het percentage vrouwen dat voor 28 jaar het eerste kind heeft gekregen,
afneemt bij de jongere generaties.
(1950-1954: 62% en 1960-1964: 41%) Dit onderzoek richt zich met name op
vrouwen geboren tussen 1950 en 1964 ÃNOOT 3#4#3Ž.
Het onderzoek wijst bovendien uit dat de kans om op jeugdige leeftijd een
eerste kind te krijgen kleiner wordt naarmate het opleidingsniveau van de
vrouw stijgt. In de groep geboren tussen 1960-1964 heeft 58% van de laag
opgeleide vrouwen een eerste kind gekregen voor het achtentwintigste
levensjaar en 16% van de hoog opgeleide vrouwen. In dit onderzoek wordt
voorts nog de verwachting uitgesproken, dat onder andere gelet op het steeds
stijgende opleidingsniveau van vrouwen in de tijd, het gemiddelde kindertal
zal dalen ÃNOOT 4#4#4Ž.

In de bespreking van onderzoek naar ‘Uitgesteld Ouderschap’ wordt opgemerkt
dat het opschuiven van de leeftijd waarop vrouwen nog kinderloos zijn,
hoogstwaarschijnlijk vooral te maken heeft met het toenemende onderwijsniveau
van vooral vrouwen. Veel genoemde ‘uitstelmotieven’ zijn: werk en/of
carrière, was nog niet aan kinderen toe, opleiding en/of studie, heb geen
(geschikte) partner, financiële zorgen, twijfel, geen overeenstemming met
partner, problemen met in verwachting raken, en geen goede kinderopvang
beschikbaar ÃNOOT 5#4#5Ž.

In 1995/1996 slaagden 1792 mannen en 2290 vrouwen (totaal 4082) voor het
doctoraalexamen recht ÃNOOT 6#4#6Ž. De gemiddelde leeftijd bij afstuderen lag in
1996/1997 voor de mannen op 27,2 jaar en voor vrouwen op 25,8 jaar ÃNOOT 7#4#7Ž.

In 1995 was de gemiddelde leeftijd van vrouwen bij de geboorte van het eerste
kind, 28,6 jaar. ÃNOOT 8#4#8Ž

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt het volgende.

Zij is na eerdere HBO-studies aan een parttime rechtenstudie begonnen toen
zij 24 jaar was. De rechterlijke macht behoorde gedurende de hele opleiding
rechten tot haar ambities. Haar partner begon in dezelfde tijd ook een
universitaire opleiding. Verzoekster heeft tijdens haar studie drie kinderen
gekregen, die zij vanwege diverse persoonlijke en maatschappelijke redenen
niet op latere leeftijd wilde krijgen. Zij is drie maal de volle periode van
de zwangerschap zo goed als uitgeschakeld geweest. Bovendien heeft
verzoekster gedurende haar studie door middel van een stage, welke geen
studiepunten opleverde, de praktische ervaring opgedaan waar zij behoefte aan
had.
Verzoekster was op de hoogte van de leeftijdsgrens voor de toelating tot de
Raio-opleiding doch rekende erop dat er begrip zou zijn voor haar positie en
dat zij ondanks haar leeftijd zou worden toegelaten.

Afgezien van de afspraken die partners binnen een gezin maken over de
verdeling van de zorg, betekent het krijgen van kinderen voor vrouwen altijd
een veel zwaardere belasting dan voor mannen. Zwangerschappen, bevallingen en
het voeden van een zuigeling is immers van nature een zaak van de vrouw.
Daarin bestaat geen keuze en het ligt niet in de invloedssfeer van een vrouw.
Een fictieve mannelijke collega-student in dezelfde positie als verzoekster,
had zijn studie kunnen afronden voor zijn eenendertigste verjaardag, compleet
met stage en al, en in die periode zoveel kinderen kunnen verwekken als hij
had willen krijgen. Mannen krijgen dus niet in dezelfde mate te maken met de
keuze of zij eerder dan wel later kinderen willen krijgen.

Terwijl de overheid enerzijds vrouwen aanspoort om door te leren en
anderzijds vrouwen maant het krijgen van kinderen niet te lang uit te
stellen, werd verzoekster door de wederpartij, ook een overheidsinstelling,
afgewezen. Er zijn geen mogelijkheden voor bezwaar of beroep. De
hardheidsclausule wordt restrictief toegepast. Het krijgen van kinderen en
het doen van een facultatieve stage werd op een hoop geveegd, namelijk als
aan verzoekster toe te rekenen omstandigheden, resultaat van een bewuste
keuze.
Het Ministerie van Justitie zou juist een voorbeeldfunctie in deze moeten
vervullen.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.

Zij onderschrijft verzoeksters stelling dat het krijgen van kinderen voor
vrouwen in de regel een zwaardere belasting is dan voor mannen, alhoewel dat
minder opgaat naar mate de taken rond kind en huishouden meer deel zijn gaan
uitmaken van het levenspatroon van mannen en arbeidstijden en
verlofregelingen daarop toegesneden zijn. Er kan echter niet gesteld worden
dat de leeftijdsgrens voor de Raio-opleiding zo nauw aansluit op de reguliere
afronding van de studie, dat betrokkenen voor onmogelijke impasses worden
gesteld. Met een goede planning van de opleiding kunnen hindernissen voor een
groot deel overwonnen worden.

De ratio van de leeftijdsgrens ligt in het praktijkgegeven dat personen van
boven de dertig veelal werkervaring hebben opgedaan waardoor voor hen de
opleiding niet meer passend is. Daarbij speelt ook mee dat gestreefd wordt
naar een homogeen gezelschap, dat een groepsvormingsproces doormaakt door een
intensieve opleidingsperiode. Op basis van jarenlange ervaring is ervoor
gekozen om deze eisen in een leeftijdsgrens te vertalen.
Het feit dat er wetgeving inzake leeftijdsdiscriminatie bij werving en
selectie op komst is, zou vèrstrekkende gevolgen voor de Raio-opleiding
kunnen hebben.

Indien de leeftijdsgrens voor de Raio-opleiding er toe zou leiden dat
verzoekster nimmer meer tot de rechterlijke macht kan toetreden, zou er
gegronde reden zijn dit criterium nog eens zorgvuldig tegen het licht te
houden. Voor personen die ouder zijn dan dertig jaar bestaat echter een
andere mogelijkheid om tot de rechterlijke macht toe te treden, namelijk de
aangepaste opleiding als ‘buitenstaander’, waarbij een op de behoeften van de
individuele kandidaat toegespitste mix van theoretische en praktische
opleiding kan worden aangeboden. Dat betekent dat verzoekster ook maar
betrekkelijk nadeel ondervindt van de leeftijdsgrens. Zij kan zich als zo
genoemde buitenstaander kwalificeren van een functie in de rechterlijke
macht.

Slechts bij wijze van hoge uitzondering, met name wanneer sprake is van niet
aan de persoon zelf toe te rekenen omstandigheden, wordt in de
beleidspraktijk van het leeftijdsvereiste afgeweken. De hardheidsclausule
wordt vanwege precedentwerking restrictief toegepast. De afgelopen drie jaar
is slechts één keer de hardheidsclausule toegepast. Gemiddeld is er vijf keer
per jaar een beroep op gedaan, terwijl er 1000 a 1500 sollicitanten per jaar
zijn, waarvan er 50 worden aangenomen.

Dat verzoekster de leeftijdsgrens heeft overschreden, wordt naast het krijgen
van kinderen, veroorzaakt doordat zij op latere leeftijd met haar
rechtenstudie is begonnen. Dit is niet iets waar speciaal vrouwen mee te
maken hebben. Veel mannen in de leeftijdscategorie van verzoekster hadden
bijvoorbeeld een jaar verloren door het vervullen van de militaire
dienstplicht.
Het feit dat verzoekster de leeftijdsgrens overschreden heeft, is het gevolg
van eigen keuzes.

Het had voor de hand gelegen dat verzoekster, die op de hoogte had kunnen
zijn van de leeftijdsgrens, hiermee in haar studieplanning rekening had
gehouden, bijvoorbeeld door de onverplichte stage niet te lopen. Of door
alles op alles te zetten om de studie eerder af te ronden.
Verzoekster heeft bovendien gewacht met het contact opnemen met de
selectiecommissie tot zij de leeftijdsgrens al had overschreden. Indien zij
zich goed had voorbereid op een toekomst als rechterlijk ambtenaar in
opleiding, dan had zij ruim van tevoren inlichtingen ingewonnen omtrent de
criteria die gelden voor ontheffing van de leeftijdsgrens. Door pas laat
contact op te nemen met de selectiecommissie, heeft zij onnodig risico
genomen dat de normen die zij hanteert niet door de
Raio-commissie gedeeld worden.

Het percentage vrouwen onder de afgestudeerde juristen bedroeg in het
academische jaar 1995/1996 56%. Van het aantal personen dat per jaar tot de
Raio-opleiding wordt toegelaten, is de afgelopen jaren 75% van het
vrouwelijke geslacht. Voor het aantrekken van kandidaten op zich werkt de
regeling derhalve niet in het nadeel van vrouwen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door het hanteren van de
leeftijdsgrens van 31 jaar bij de toelating tot de opleiding voor de
rechterlijke macht, onderscheid maakt naar geslacht als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling.

4.2. In dat verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.

Artikel 3 eerste lid Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
bepaalt dat het niet is toegestaan om bij de aanbieding van een betrekking of
bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

Onder onderscheid in de zin van de WGB moet worden verstaan direct en
indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen.
Onder direct onderscheid wordt mede verstaan, onderscheid op grond van
zwangerschap, bevalling en moederschap. Onder indirect onderscheid wordt
verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het geslacht,
bijvoorbeeld echtelijke staat of gezinsomstandigheden, dat onderscheid op
grond van geslacht tot gevolg heeft (artikel 1 WGB). Het in de WGB
neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten aanzien van indirect
onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is (artikel 6 WGB).

4.3. Ten aanzien van de in het geding zijnde vraag overweegt de Commissie als
volgt.

Verzoekster stelt dat de leeftijdsgrens die gehanteerd wordt bij de selectie
voor een aanstelling als rechterlijk ambtenaar in opleiding indirect
onderscheid naar geslacht oplevert. Verzoekster heeft haar stelling
onderbouwd door te verwijzen naar haar eigen situatie, waarbij het krijgen en
het zorgen voor kinderen tot een vertraging in het afronden van de juridische
opleiding heeft geleid. Hierdoor kan zij niet voldoen aan de leeftijdseis die
wordt gehanteerd.
Verzoekster stelt zich voorts op het standpunt dat het krijgen van kinderen
per definitie een zwaardere belasting voor vrouwen oplevert dan voor mannen.
De wederpartij heeft dit standpunt niet bestreden, maar heeft daarbij
aangetekend dat dit verschil in belasting minder wordt naar mate de taken
rond het kind en huishouden meer deel zijn gaan uitmaken van het
levenspatroon van mannen en arbeidstijden en verlofregelingen daarop
toegesneden zijn.

4.4. Met betrekking tot het hanteren van de leeftijdsgrens overweegt de
Commissie het volgende.
Het hanteren van leeftijdsgrenzen bij arbeid en scholing hangt in het
algemeen samen met de verwachting van een betrekkelijk uniforme levensloop
van mensen. Immers, de betreffende leeftijdsgrenzen zijn gebaseerd op een
specifiek patroon waarbij men zich na scholing direct richt op de betaalde
arbeid en vervolgens op de opbouw van een ononderbroken loopbaan.
Een dergelijk verwachtingspatroon kan beschouwd worden als ‘gendered’ omdat
het met name gebaseerd is op een levensloop zoals die zich in overwegende
mate bij mannen voordoet, waarbij geen of nauwelijks rekening wordt gehouden
met ‘barrières’ die worden veroorzaakt door zwangerschap(pen) en/of
zorgtaken. Door deze laatste omstandigheden is de levensloop van vrouwen niet
altijd zonder meer vergelijkbaar met die van mannen. ÃNOOT 9#4#9Ž

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (HvJEG) is sprake van discriminatie wanneer verschillende
regels worden toegepast op vergelijkbare gevallen of wanneer dezelfde regel
wordt toegepast op verschillende situaties. ÃNOOT 10#4#10Ž Deze laatste toets wordt met
name toegepast bij de beoordeling van de vraag of bepaalde onderdelen uit een
voorliggende regeling al dan niet discriminatie op grond van geslacht
inhouden. Gezien deze jurisprudentie ligt het in de rede dat de Commissie de
voorliggende rechtsvraag eveneens beoordeelt aan de hand van de vraag of met
het hanteren van de onderhavige leeftijdsgrens verboden onderscheid wordt
gemaakt door ongelijke gevallen gelijk te behandelen.

De Commissie acht deze interpretatie eveneens in overeenstemming met de
betekenis van artikel 5 lid 1 van het Vrouwenverdrag.
Deze bepaling verplicht lidstaten immers tot het nemen van passende
maatregelen ter uitbanning van gewoonten en gebruiken die gebaseerd zijn op
stereotype rollen van mannen en vrouwen.
De Commissie is van oordeel dat deze bepaling de lidstaten niet alleen
verbiedt om seksegebonden stereotypen te bevestigen, maar tevens om
beoordelingscriteria te hanteren die op het eerste gezicht sekseneutraal
lijken maar die bij nadere beschouwing terug te voeren zijn op gewoonten en
gebruiken die eenzijdig seksegebonden zijn. Een dergelijke toetsing houdt
immers in dat de andere sekse wordt afgewogen aan de hand van minder passende
maatstaven. Dat laatste betekent dat er een ongelijke behandeling van mannen
en vrouwen kan plaatsvinden in die zin dat ongelijke gevallen gelijk worden
behandeld.
Het hanteren van een leeftijdsgrens die hoofdzakelijk aansluit bij de
levensloop van mannen lijkt daarom op het eerste gezicht niet in
overeenstemming met de internationale verplichtingen van het Vrouwenverdrag.
Daarmee is evenwel nog niet komen vast te staan dat elke leeftijdsgrens in
strijd is met de WGB of de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).
Daargelaten de vraag of de overheid zich heeft gekweten van de
hierbovengenoemde verplichting voortvloeiend uit het Vrouwenverdrag, dient de
Commissie derhalve te onderzoeken of de onderhavige leeftijdsgrens
onderscheid als bedoeld in de gelijke behandelingswetgeving tot gevolg heeft.

Dat verzoekster om andere redenen later met de studie rechten is begonnen en
dat mede het niet voldoen aan de leeftijdseis heeft kunnen veroorzaken,
speelt daarbij geen doorslaggevende rol.
Als het hanteren van de onderhavige leeftijdsgrens bij de toelating tot de
Raio-opleiding in strijd is met het verbod op onderscheid op grond van
geslacht, wordt door het hanteren van die leeftijdsgrens immers ook jegens
verzoekster een verboden onderscheid gemaakt.

4.5. Voor de beoordeling van de vraag of er in het onderhavige geval sprake
is van ongeoorloofd onderscheid door het gelijk behandelen van ongelijke
gevallen heeft de Commissie bezien of op grond van de hierboven onder 3.3.
genoemde onderzoeksresultaten of uit andere bron gegevens beschikbaar zijn
waaruit blijkt dat gelijke behandeling van mannen en vrouwen, door het
hanteren van de onderhavige leeftijdsgrens, leidt tot uitsluiting van vrouwen
vanwege een verschillende levensloop.

Uit deze onderzoeksresultaten kan naar het oordeel van de Commissie evenwel
niet worden afgeleid dat vrouwen door de specifieke leeftijdsgrens van
toelating tot de opleiding worden uitgesloten. Evenmin wijzen algemene
gegevens omtrent de levensloop van vrouwen in een dergelijke richting. De
regeling laat namelijk een ruime marge tussen de gemiddelde afstudeerleeftijd
van vrouwen en de leeftijdsgrens voor toelating tot de opleiding. Vrouwen
zijn hierdoor in principe in de gelegenheid tijdens het studeren, na het
studeren of in de loop van de Raio-opleiding kinderen te krijgen. Hieraan
wordt niet afgedaan door het feit dat het met name vrouwen zijn die
vertraging ondervinden van het krijgen van en zorgen voor kinderen.
De Commissie erkent dat de combinatie van het ouderschap met een langdurige
opleiding of betaalde arbeid vrouwen ontegenzeglijk bepaalde beperkingen
oplegt. Dat wil evenwel niet zeggen dat deze feiten op zich een aan de
leeftijdsgrens toe te rekenen uitsluiting van vrouwen van de onderhavige
opleiding inhoudt.

4.6. De wederpartij heeft aangevoerd dat het percentage vrouwen en mannen in
de Raio-opleiding in de afgelopen jaren 75% respectievelijk 25% bedroeg. Het
percentage afgestudeerde vrouwelijke juristen bedroeg in 1995/1996 56%. Uit
deze cijfers kan echter niet worden geconcludeerd dat de leeftijdsgrens op
zichzelf niet in het nadeel van vrouwen zou kunnen werken. Immers, het
betreft een toelatingseis en niet bekend is hoe de aantallen geselecteerde
kandidaten zich zouden verhouden indien er geen leeftijdsgrens zou gelden.
Er zijn evenwel ook geen gegevens bekend waaruit kan worden afgeleid dat
vrouwen door deze specifieke leeftijdsgrens in het algemeen meer van
aanmelding worden afgehouden dan mannen en daardoor meer worden benadeeld.
Evenmin wijzen eerdergenoemde algemene gegevens in een dergelijke richting.

4.7. Een en ander overziend komt de Commissie tot de conclusie dat niet
vastgesteld kan worden dat het hanteren van de onderhavige leeftijdsgrens
uitsluiting van vrouwen tot gevolg heeft. Daardoor kan dus evenmin worden
geconstateerd dat sprake is van in die mate ongelijke gevallen die in zo’n
mate gelijk worden behandeld dat er sprake van strijd met de gelijke
behandelingsvoorschriften zou zijn.

4.8. Vervolgens gaat de Commissie in op de vraag of de wijze waarop de
ontheffingsmogelijkheid wordt gehanteerd in overeenstemming is met de gelijke
behandelingswetgeving. De wederpartij heeft te kennen gegeven dat de door
verzoekster aangevoerde omstandigheden niet voldoende geacht worden om
ontheffing van de leeftijdsgrens te rechtvaardigen, daar uitsluitend rekening
gehouden wordt met niet aan de persoon zelf toe te rekenen omstandigheden,
zoals langdurige ziekte. De wederpartij heeft daarbij benadrukt dat de
Raio-opleiding primair is bedoeld voor betrekkelijk recent afgestudeerden. De
leeftijdsgrens is gesteld omdat personen van boven de dertig veelal
werkervaring hebben opgedaan waardoor voor hen de opleiding niet meer passend
zou zijn. Voor degenen die ouder zijn dan dertig jaar en beschikken over
(ruimere) werkervaring bestaat daarom ook de mogelijkheid gebruik te maken
van het andere instroomtraject voor de rechterlijke macht. Daarmee gaat de
wederpartij geheel voorbij aan het feit dat het krijgen van kinderen, zoals
hierboven uiteengezet, leidt tot een specifieke levensloop van vrouwen. Juist
deze vrouwen zullen veelal tot een hogere leeftijd dan mannen nog steeds
weinig werkervaring hebben.
De wederpartij maakt evenwel alleen gebruik van de ontheffingsmogelijkheid
als er sprake is van niet aan de persoon zelf toe te rekenen omstandigheden.
In de praktijk wordt de clausule alleen toegepast in geval van ziekte.

De Commissie treedt niet in de vraag in hoeverre soms ook ziekte aan de
persoon zelf toegerekend dient te worden en in hoeverre dat ook bij
zwangerschap al dan niet het geval zou zijn.
De Commissie beoordeelt uitsluitend de vraag of de wederpartij door
zwangerschaps- en zorgbelasting categorisch van ontheffing uit te sluiten
handelt in strijd met de gelijke behandelingsvoorschriften.

Zoals hierboven al is gesteld volgt uit de jurisprudentie van het HvJEG dat
eveneens sprake kan zijn van discriminatie wanneer dezelfde regel wordt
toegepast op verschillende situaties. ÃNOOT 11#4#11Ž
Dit kan met name het geval zijn als het toepassingsbeleid dermate “gendered”
is dat vrouwspecifieke omstandigheden geheel ontbreken bij de beoordeling of
kandidaten in aanmerking komen voor ontheffing van de leeftijdsgrens. In die
gevallen worden mannen en vrouwen als ongelijke gevallen gelijk behandeld in
een mate die de grenzen van de gelijke behandelingsvoorschriften
overschrijdt.

Juist de ontheffingsregeling maakt het mogelijk om in gevallen waarin vrouwen
door een strikt hanteren van de leeftijdsgrens wel benadeeld worden op grond
van omstandigheden die samenhangen met zwangerschap en moederschap, die
benadeling op te heffen.
De wederpartij heeft echter aangegeven bij de toepassing van de
ontheffingsmogelijkheid nooit rekening te houden met de specifieke levensloop
van vrouwen. Daarmee staat vast dat vrouwen zoals verzoekster zelfs niet in
een beoordelingsprocedure voor ontheffing worden betrokken. Zwangerschap
wordt hiermee op gelijke wijze behandeld als allerhande andere factoren
waardoor mensen niet in staat zijn zich voor hun eenendertigste jaar bij de
selectiecommissie aan te melden. Zwangerschap en moederschap zijn evenwel
niet te vergelijken met allerlei andere factoren omdat deze onlosmakelijk met
het vrouwzijn zijn verbonden. Dat betekent dat de wijze waarop de
ontheffingsprocedure wordt toegepast, uitsluiting van vrouwen tot gevolg kan
hebben. Immers er wordt geen rekening gehouden met het feit dat zwangerschap
en moederschap seksespecifieke en bijzondere omstandigheden zijn.
De wederpartij behandelt in de beoordelingsprocedure voor ontheffing daardoor
volstrekt ongelijke gevallen op gelijke wijze.
Hiermee wil de Commissie overigens niet zeggen dat in alle gevallen waarin
een vrouw (mede) vanwege zwangerschap of moederschap een beroep op de
ontheffingsmogelijkheid doet, dit moet worden gehonoreerd, maar wel dat het
mogelijk moet zijn om in het licht van de regeling een afweging te maken of
een ontheffing op deze gronden mogelijk is.
Vrouwen als verzoekster ondervinden nadeel van het feit dat zulks in de
handelwijze van de wederpartij wordt uitgesloten. Door deze behandeling heeft
de wederpartij dan ook onderscheid op grond van geslacht gemaakt.

De Commissie voelt zich in bovenstaande conclusie gesterkt door de artikelen
4 en 7 van het Vrouwenverdrag. Immers in artikel 4 wordt vastgelegd dat
bijzondere maatregelen ter bescherming van het moederschap niet als
discriminatie zijn aan te merken, terwijl artikel 7 de lidstaten verplicht om
alle passende maatregelen te treffen waardoor discriminatie van vrouwen in
het openbare leven wordt uitgebannen.

De Commissie stelt derhalve vast dat het door de wederpartij gevoerde
ontheffingsbeleid in strijd is met artikel 3 lid 1 WGB.

Tenslotte wijst de Commissie op het feit, dat wetgeving in voorbereiding is
die het maken van onderscheid op grond van leeftijd bij de werving en
selectie verbiedt, en die in de toekomst aan de toelaatbaarheid van
regelingen als de onderhavige beperkingen zal opleggen. ÃNOOT 12#4#12Ž De Commissie is
thans nog niet bevoegd om dit aspect te toetsen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Justitie te Den
Haag jegens mevrouw mr. ….:
– geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt, zoals bedoeld in artikel 3
lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen door het hanteren
van een leeftijdsgrens bij de toelating tot de opleiding voor de rechterlijke
macht;
– onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 3 lid 1 van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij het door haar gevoerde
ontheffingsbeleid.

Aldus vastgesteld op 2 februari 1999.

prof. mr. J.E. Goldschmidt mr. A.N. Veekamp
Kamervoorzitter secretaris Kamer

@@TNT=
[NOOT_1]
Artikel 2 Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren. Koninklijk Besluit van
24 oktober 1985, Staatsblad 555.
[NOOT_2]
Zie noot 1.
[NOOT_3]
Maandstatistiek Bevolking, CBS, 1997/7, “Vruchtbaarheid: trends en
prognose”, J. de Beer.
[NOOT_4]
Vergelijk ook: “Het gezinsrapport”, SCP, 1997, Hoofdstuk 3, Verdeling van
arbeid en zorg, M. Niphuis-Nell en P. de Beer.
[NOOT_5]
Uit: Uitgesteld Ouderschap, Hoofdstuk 4, Kinderen worden later geboren: een
demografische analyse, Gijs Beets.
[NOOT_6]
Zakboek onderwijsstatistieken 1997, CBS, pagina 50.
[NOOT_7]
Academische examens 1996/1997, K.F.J.M. van der Heide en
dr. J.A. Hoeve, Kwartaalschrift Onderwijsstatistieken 1998-II, tabel 4.
[NOOT_8]
Sociale atlas van de vrouw, Deel 4, SCP, tabel 2.8.
[NOOT_9]
Zie ook: Tineke van Vleuten, Leeftijds- en vrowuendiscriminatie, Nemesis
1995, nummer 5, pagina 112-121.
[NOOT_10]
Zie onder meer r.o. 16, HvJEG, 13 februari 1996, Gillespie versus Northon
Health and Social Services Board, C-342/93, Rechtspraak Nemesis 1996, nummer
583.
[NOOT_11]
Zie ook Commissie gelijke behandeling, 10 december 1998,
oordeel 98-134.
[NOOT_12]
Tweede Kamer der Staten Generaal, 1997-1998 en 1998-1999,
nummer 25667.

Rechters

Mrs Goldschmidt, Mulder en Nicolai

Instantie: Rechtbank Zwolle, 2 februari 1999

Instantie

Rechtbank Zwolle

Samenvatting


Onterecht geuite beschuldigingen van seksueel misbruik door ouders t.o.v.
kind en kleinkind. Deze uitingen zijn gedaan aan een medewerker van de raad
voor de kinderbescherming. Eisers vorderen een veroordeling van gedaagde om
te verklaren door wie het misbruik is gepleegd of om te verklaren dat het
misbruik niet heeft plaatsgevonden.
De rechtbank komt tot de conclusie dat, hoewel zij het begrijpelijk acht dat
eisers zich in hun goede naam en eer aangetast voelden, er geen of niet
voldoende aanleiding is om te oordelen dat gedaagde in de gegeven
omstandigheden onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld. Er is geen
grondslag voor toewijzing van de vordering.

Volledige tekst

PROCESGANG

De zaak is bij op 19 september 1997 uitgebrachte dagvaarding aanhangig
gemaakt. Partijen zijn verschenen, waarna de volgende processtukken zijn
gewisseld:
– een conclusie van eis van de zijde van eisers,
– een conclusie van antwoord van de zijde van gedaagde,
– een conclusie van repliek van de zijde van eisers,
– een conclusie van dupliek van de zijde van gedaagde.

Ten slotte hebben partijen onder overlegging van de stukken vonnis gevraagd.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vorderingen van eisers strekken ertoe dat de rechtbank bij vonnis,
uitvoerbaar bij voorraad,
a) gedaagde zal veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het in
dezen te wijzen vonnis aan eisers af te geven een gedetailleerde verklaring
waar, wanneer, door wie en op welke wijze de door gedaagde gestelde seksuele
misbruiken zouden hebben plaatsgevonden,
en voor het geval zij daarmee in gebreke zal zijn,
b) gedaagde zal veroordelen om binnen zestien dagen na betekening van het in
dezen te wijzen vonnis aan eisers af te geven een door haar gedateerde en
ondertekende verklaring, luidende:
Hierbij verklaar ik, (…) dat de door mij geuite beschuldigingen tegen mijn
vader en moeder, dat zowel mijn zoon als ik seksueel misbruikt zijn door mijn
vader en dat mijn moeder hierbij betrokken zou zijn, niet waar zijn. Verder
verklaar ik dat ik mijn vader er ten onrechte van heb beschuldigd de vader
van of mogelijk de vader van mijn kind te zijn. Ten slotte verklaar ik dat ik
zonder enige grond beschuldigingen tegenover mijn familie heb geuit als zou
ik ritueel misbruikt zijn. Deze uitlatingen waren grievend en onrechtmatig.
Ik trek deze beschuldigingen geheel en onvoorwaardelijk in;
althans zodanige verklaring van gelijke strekking als de rechtbank in goede
justitie zal vermenen te behoren,
c) gedaagde zal verbieden om zich tegenover derden uit te laten omtrent
vermeende seksuele handelingen of rituele misbruiken die eisers jegens haar
en haar zoon zouden hebben gepleegd,
d) zal bepalen dat indien gedaagde niet zal voldoen aan het onder b)
gevorderde gebod, zij een dwangsom zal verbeuren van ƒ 100 per dag met een
maximum van ƒ 20.000 en indien zij het onder c) gevorderde gebod zal
overtreden, zij een dwangsom zal verbeuren van ƒ 10.000 per overtreding,
e) eisers zal machtigen om de door gedaagde af te geven verklaring op haar
kosten te publiceren op dezelfde wijze via hetzelfde medium als waarop
gedaagde onrechtmatige uitlatingen zal vermenen te moeten doen.

Gedaagde heeft de vorderingen van eisers betwist met conclusie dat de
rechtbank hen niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, althans die
vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van in de kosten van deze
procedure.

MOTIVERING

1. De feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist
– mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden
het volgende vast.

1.1 Eisers zijn de ouders van gedaagde.

1.2 Gedaagde heeft een relatie gehad met (…) (hierna: …). Uit die relatie
is op 14 juli 1993 een zoon geboren (hierna …).

1.3 Na het verbreken van de relatie is tussen gedaagde en … een procedure
gevoerd betreffende de vaststelling van een omgangsregeling tussen (…) en
(…). Gedurende de periode van 16 november 1995 tot juni 1996 gold een
proefomgangsregeling onder begeleiding van de raad voor de kinderbescherming.

1.4 Gedaagde heeft in april 1996 aan eisers en andere familieleden zonder
opgaaf van reden laten weten dat zij met hen had gebroken en dat zij niets
meer met hen te maken wilde hebben. Ook haar broer (…) heeft in april 1996
de band met de familie verbroken en wel omdat zijn ouders hem seksueel zouden
hebben misbruikt.

1.5. Gedaagde heeft op 2 mei 1996 aan een medewerker van de raad voor de
kinderbescherming meegedeeld dat zij vreesde dat seksueel was misbruikt door
eisers of door (…), dat zijzelf ook seksueel was misbruikt door eisers en
dat eiser sub 2 mogelijk de verwekker van (…) was. De raad voor de
kinderbescherming heeft (…) van deze uitlatingen in kennis gesteld in een
gesprek op 14 mei 1996. De uitlatingen zijn voorts vermeld in het rapport van
de raad voor de kinderbescherming van 23 oktober 1996, dat is opgesteld ten
behoeve van een zitting van de kinderrechter. Een afschrift van dat rapport
is aan gezonden. Gedaagde heeft ook in het verdere onderzoek met betrekking
tot de omgangsregeling staande gehouden dat zij en haar zoon seksueel waren
misbruikt.

1.6 (…) heeft eisers ingelicht over de onder 1.5 bedoelde uitlatingen van
gedaagde.

1.7 Eiser sub 2 heeft gedaagde vanwege haar hiervoor omschreven uitlatingen
in kort geding gedagvaard voor de president van de rechtbank te Amsterdam
teneinde rectificatie af te dwingen, alsmede om een gebod tot het onthouden
van het doen van dergelijke uitlatingen en tot medewerking aan een
DNA-onderzoek te verkrijgen. De president heeft de gevorderde voorzieningen
bij vonnis van 3 april 1997 geweigerd.

2. Het geschil

2.1 Volgens eisers heeft gedaagde onrechtmatig jegens hen gehandeld door de
onder 1.5 bedoelde uitlatingen te doen, terwijl die uitlatingen onwaar waren
en zij kon verwachten dat die uitlatingen bekend zouden worden in ruimere
kring. Eisers hebben ook gesteld dat gedaagde heeft gedreigd dat zij haar
uitlatingen voor de televisie zou herhalen.

2.2 Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Beoordeeld moet worden of de onder 1.5 bedoelde uitlatingen van gedaagde
in de gegeven omstandigheden onrechtmatig waren jegens eisers.

3.2 Gedaagde heeft de gewraakte uitlatingen gedaan in het kader van het
(vertrouwelijke) contact dat zij had met de raad voor de kinderbescherming
(en andere betrokken instanties, in het navolgende wordt daarin geen
onderscheid gemaakt) met betrekking tot een omgangsregeling tussen haar zoon
en (…). Haar kwam in beginsel de vrijheid toe om in dat kader aan de raad
mee te delen wat zij van belang achtte, ook als de goede naam van haar ouders
in het geding was. Met de aard van dat contact strookt niet dat achteraf
wordt getoetst of hetgeen gedaagde in dat contact te berde heeft gebracht het
belang van haar kind kon dienen.
De mogelijkheid dat haar uitlatingen in de rapportage van de raad aan de
kinderrechter zouden worden vermeld en dat haar ex-partner daarmee bekend zou
raken, behoefde haar niet te weerhouden om aan de raad mee te delen wat zij
van belang achtte. Het risico dat derden van de uitlatingen in kennis zou
stellen, was wellicht niet geheel onvoorzienbaar, maar evenmin voldoende om
gedaagde de mogelijkheid te ontnemen om in vrijheid en vertrouwelijk met de
raad te spreken. Ook hetgeen voor het overige is gesteld of gebleken biedt
onvoldoende grond om te oordelen dat gedaagde de gewraakte uitlatingen in het
vertrouwelijke contact met de raad niet had mogen doen. De conclusie is
daarom dat, hoewel begrijpelijk is dat eisers zich in hun goede naam en eer
aangetast voelden toen zij op de hoogte geraakten van de uitlatingen die
volgens hen onwaar zijn, er toch geen of niet voldoende aanleiding is om te
oordelen dat gedaagde in de gegeven omstandigheden onrechtmatig jegens eisers
heeft gehandeld door die uitlatingen te doen. In zoverre is er geen grondslag
voor toewijzing van de vorderingen van eisers.

3.3 Eisers hebben voorts gesteld dat gedaagde heeft gedreigd om haar
uitlatingen voor de televisie te herhalen. Gedaagde heeft dat ontkend.
De rechtbank maakt uit de stellingen van eisers op dat zij het oog hebben op
een eenmalige uitlating die gedaagde volgens hen in mei 1996 tegenover (…)
heeft gedaan. De rechtbank acht die ene uitlating, voor zover gedaan,
onvoldoende om het gevorderde toe te wijzen. Er zijn geen of niet voldoende
feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat er een reële
dreiging bestaat dat gedaagde (alsnog) daadwerkelijk ertoe zal overgaan de
gewraakte uitlatingen op de televisie te herhalen.

3.4 Uit het vorenstaande volgt dat de vorderingen van eisers moeten worden
afgewezen.

3.5 Omdat partijen bloedverwanten zijn zal de rechtbank de kosten van deze
procedure tussen hen compenseren zoals hierna zal worden aangegeven.

BESLISSING

De rechtbank wijst de vorderingen af.

De kosten van dit geding worden aldus gecompenseerd dat elke partij belast
blijft met de aan haar zijde gevallen kosten.

Rechters

Mr. W.J.J. Los

Instantie: Rechtbank Assen, 28 januari 1999

Instantie

Rechtbank Assen

Samenvatting


Overgangsrecht ANW. De rechtbank toetst de rechtmatigheid van de Algemene
Nabestaandenwet voor oud-AWW gerechtigden. I.c. betrof het de vraag of de
lagere inkomensvrijstelling van inkomsten in verband met arbeid (ten opzichte
van de de vrijlating van inkomsten uit arbeid) wel of niet gerechtvaardigd
is. De rechtbank oordeelde dat dat niet het geval is als het om een
WAO-uitkering gaat. Voor een WAO-uitkering moet dezelfde hogere vrijlating
gelden als bij inkomsten uit arbeid. In deze procedure is met succes een
beroep gedaan op het EVRM. Dit verdrag beschouwt uitkeringen als eigendom,
waaraan slechts in bijzondere gevallen getornd mag worden.

Volledige tekst

1. Procesverloop

Namens eiseres heeft mr (…) advocaat en procureur te Utrecht, beroep
ingesteld tegen het besluit d.d. 4 juni 1998 van verweerder, waarbij
verweerder het bezwaarschrift van eiseres tegen de beschikking van 21
november 1997 ongegrond heeft verklaard. Bij deze beschikking heeft
verweerder de nabestaandenuitkering van eiseres met ingang van 1 januari 1998
vastgesteld op ƒ 576,22 bruto per maand met bijbehorende vakantie-uitkering.

Verweerder heeft de gedingstukken en een verweerschrift ingestuurd.

Verweerder heeft bij beschikking van 30 juni 1998, met toepassing van de wet
van 18 juni 1998, Stb 377 (Wijzigingswet Anw) de nabestaandenuitkering van
eiseres met ingang van 1 juli 1998 vastgesteld op ƒ 704,12 bruto per maand
met bijbehorende vakantie-uitkering en voorts bepaald dat eiseres over de
periode 1 januari tot 1 juli 1998 een dienovereenkomstige nabetaling zal
ontvangen.

De gemachtigde van eiseres heeft desgevraagd de rechtbank meegedeeld dat met
de beschikking van 30 juni 1998 het beroep onverkort gehandhaafd blijft.

De rechtbank heeft de beschikking van 30 juni 1998 aangemerkt als een besluit
als bedoeld in artikel 6:18, tweede lid Awb, strekkende tot wijziging van het
besluit van 4 juni 1998, waarbij niet volledig aan het beroep van eiseres is
tegemoet gekomen. De rechtbank heeft dit (nieuwe) besluit van verweerder
geregistreerd onder nummer 98/564. Op grond van artikel 6:19 Awb, eerste lid,
wordt het beroep van eiseres mede gericht geacht tegen dit besluit.

Partijen hebben afschriften van de gedingstukken ontvangen.

Het beroep is -tezamen met een aantal andere beroepschriften die zich richten
tegen het overgangsrecht van de Algemene Nabestaandenwet (Anw)- behandeld ter
zitting van de vijfde meervoudige kamer op 5 november 1998. Eiseres is,
daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder
werd, daartoe eveneens opgeroepen, ter zitting vertegenwoordigd door de heer
(…), medewerker van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

II. Motivering

a. De feiten

Eiseres, geboren 23 juli 1950, heeft op 10 september 1979 een weduwenpensioen
krachtens de Algemene Weduwen en Wezenwet (AWW) aangevraagd omdat haar
echtgenoot, de heer J.P. op 1 september 1979 was overleden. Uit het huwelijk
van eiseres met de heer V. zijn twee kinderen geboren, respectievelijk op 4
juni 1973 en 2 december 1975.

Bij beschikking van 8 oktober 1979 is aan eiseres een AWW-uitkering toegekend
met ingang van 1 september 1979, ten bedrage van toen ƒ 1369,50 bruto per
maand.

Eiseres heeft op 27 juni 1996 desgevraagd aan verweerder opgegeven dat zij
sedert mei 1980 samenwoont met de heer O., geboren 3 september 1922.

Op 22 augustus 1997 heeft eiseres verweerder meegedeeld dat zij zelf en de
heer O. maandelijks ƒ 1892 bijdragen in de kosten van de gezamenlijke
huishouding.

In 1996 is de AWW-uitkering van eiseres omgezet in een uitkering krachtens de
Anw van gelijke hoogte.
Bij beschikking van 21 november 1997 heeft verweerder met ingang van 1
januari 1998 de Anw-uitkering van eiseres opnieuw vastgesteld, met toepassing
van het bepaalde in artikel 67 Anw, op een bedrag van ƒ 576,22 bruto per
maand.

Eiseres heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. Zij heeft in bezwaar
aangegeven dat zij er, ten gevolge van het daadwerkelijk op haar van
toepassing worden van de Anw, maandelijks bruto ƒ 1255,54 op achteruit gaat
en dat bij overlijden van de heer O. nog veel grotere financiële gevolgen
dreigen, waarvoor eiseres zich niet meer kan bijverzekeren, gelet op de
leeftijd van haar partner. De gemachtigde van eiseres heeft een aanvullend
bezwaarschrift ingediend, waarin hij zich beroept op schending van artikel 1
protocol 1 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM) en op strijd met algemene beginselen van
behoorlijk bestuur.

Eiseres heeft aangegeven geen prijs te stellen op een hoorzitting.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 4 juni 1998 het bezwaar
ongegrond verklaard, zij het dat bij beschikking van 30 juni 1998 de hoogte
van de uitkering van eiseres met terugwerkende kracht tot 1 januari 1998 is
aangepast aan de wijzigingswet Anw en met ingang van 1 juli 1998 is
vastgesteld op ƒ 704,12 bruto per maand.

b. Het wettelijk kader

Op 1 juli 1996 is de Anw in werking getreden ter vervanging van de AWW, die
op dezelfde datum is ingetrokken. In de artikelen 66a en volgende van de Anw
heeft de wetgever overgangsbepalingen opgenomen voor diegenen die voor de
inwerkingtreding van de Anw beschikten over een uitkering ingevolge de AWW.
Ingevolge artikel 67, vijfde lid, behielden deze personen in de meeste
gevallen tot 1 januari 1998 een Anw-uitkering ter hoogte van hun
AWW-uitkering.

In artikel 15, eerste lid, van de AWW was geregeld dat indien de weduwe
hertrouwde, haar recht op weduwenpensioen eindigde. De AWW kende geen
bepaling dat het weduwenpensioen ook eindigde bij samenwonen van de weduwe.

Artikel 16, eerste lid, aanhef en sub b van de Anw bepaalt dat het recht op
een nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande in het huwelijk
treedt dat wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten
behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.

Na 1 januari 1998 geldt -op grond van artikel 67, derde lid, van de Anw zoals
gewijzigd bij de Wijzigingswet Anw- voor voormalig AWW-gerechtigden vanaf een
bepaalde leeftijd die ten tijde van het van kracht worden van de Anw reeds
samenwoonden anders dan ter verzorging van een hulpbehoevende, dat zij, ook
als zij niet aan de voorwaarden van de Anw voldoen, recht houden op een
nabestaandenuitkering ter grootte van 30% van het bruto-minimumloon.

Voor niet-samenwonende voormalig AWW-gerechtigden is in artikel 67, eerste
lid sub c, juncto het tweede lid, bepaald dat zij hun Anw-uitkering (van 70%
van het minimumloon in de situatie dat er geen nog minderjarige, ongehuwde
kinderen verzorgd worden) behouden, doch dat bepaalde inkomsten op hun
uitkering in mindering komen.

Artikel 14, eerste lid, sub c Anw stelt als voorwaarde voor het ontstaan van
een (nieuw) recht op nabestaandenuitkering voor een nabestaande die niet
voldoet aan de onderdelen a (het verzorgen van minderjarige kinderen) en
(arbeidsongeschiktheid) van dat artikellid, dat de nabestaande is geboren
voor 1 januari 1950.
Artikel 66a, eerste en tweede lid van de Anw bepaalt dat een persoon, wiens
echtgenoot overlijdt binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet, wordt
aangemerkt als geboren voor 1 januari 1950, indien de nabestaande is geboren
voor 1 juli 1956 en op de dag van overlijden was gehuwd met de persoon die
nadien is overleden en recht zou hebben gehad op een AWW-pensioen als de
persoon zou zijn overleden voor de inwerkingtreding van de Anw.

c. Het standpunt van eiseres

Het beroep van eiseres is gericht tegen het overgangsrecht dat de wetgever
getroffen heeft; eiseres is het er niet mee eens dat haar
nabestaandenuitkering haar gedeeltelijk wordt ontnomen, hetgeen zij in strijd
oordeelt met het rechtzekerheids- en vertrouwensbeginsel. Zij stelt dat zij
er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om niet te hertrouwen, om zo haar
financiële zelfstandigheid niet te verliezen. Tengevolge van het grotendeels
wegvallen van haar nabestaandenpensioen is zij financieel afhankelijk
geworden van haar partner.

Eiseres stelt dat het getroffen overgangsrecht in strijd is met artikel 1 van
het eerste protocol bij het EVRM omdat de inbreuk op haar eigendomsrecht op
een ongekort nabestaandenpensioen onevenredig is.
Voorts heeft zij aangevoerd dat het overgangsrecht in strijd is met deel X
van de Europese Code inzake sociale zekerheid, dat niet de mogelijkheid van
anti-cumulatie met uitkeringen kent.

Ook is het overgangsrecht in strijd met het Internationale Arbeidsorganisatie
(IAO) Verdrag 128 welk verdrag rechtstreekse werking toekomt. Op grond van
artikel 23, juncto artikel 28 van dat verdrag heeft een weduwe met twee
kinderen recht op een uitkering van tenminste 45% van het minimumloon.
Ook maakt het overgangsrecht, waar het de bijverdienmogelijkheden betreft,
ten onrechte onderscheid tussen alleenstaande en samenwonende nabestaanden.
Eiseres acht dit in strijd met artikel 14 EVRM en artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR).
Tenslotte heeft zij aangevoerd dat voor haar een aanzienlijke
inkomensachteruitgang dreigt indien haar huidige partner komt te overlijden.
Particulier kan zij zich daar niet voor bijverzekeren en het overgangsrecht
van artikel 66a geldt alleen voor gehuwde nabestaanden.

d. Het standpunt van verweerder

Verweerder stelt dat de bestreden beschikking in overeenstemming met de Anw
is genomen. Toetsing van het in de Anw getroffen overgangsrecht aan algemene
rechtsbeginselen dient af te stuiten op het bepaalde in artikel 120 Grondwet
(GW). De omstandigheden waarop eiseres zich beroept zijn bij het tot stand
komen van de wet door de wetgever in de afweging betrokken.

Verweerder heeft geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde
toezeggingen gedaan dat nimmer op de nabestaandenuitkering van eiseres gekort
zou worden. Aan de onmogelijkheid voor eiseres om zich tegen het reeds
gerealiseerde risico bij te verzekeren, is de wetgever voldoende tegemoet
gekomen door voor personen van wie de partner reeds voor de inwerkingtreding
van de Anw is overleden, een gedeelte van de nabestaandenuitkering gelijk aan
30% van het bruto-minimumloon vrij te stellen van vermindering in verband met
inkomen. De wijze waarop bij de vormgeving van het overgangsrecht met de
belangen van de categorie rechthebbenden waartoe eiseres behoort is omgegaan,
is voorts mede ingegeven door een politiek-sociale afweging; deze afweging
dient de rechter te respecteren, gelet op de grenzen van de rechtsvormende
taak van de rechter. Van strijd met artikel 1 van het eerste protocol bij het
EVRM is geen sprake: de Anw is een wet in formele zin en kan worden geacht te
zijn ingegeven door overwegingen van algemeen belang. De rechter dient de
afweging van de wetgever die heeft geleid tot het overgangsrecht, te
respecteren. Van ongeoorloofd onderscheid tussen samenwonenden en
alleenstaande nabestaanden is geen sprake, omdat geen sprake is van gelijke
gevallen.

e. Beoordeling

Nu verweerder het besluit van 4 juni 1998 niet handhaaft voor zover dat
betrekking heeft op de daarin genoemde bedragen, ziet de rechtbank aanleiding
dit besluit in zoverre reeds om deze reden te vernietigen.

Met dit besluit, zoals overeenkomstig artikel VI van de Wijzigingswet Anw
gewijzigd bij de beschikking van 30 juni 1998, wordt ten aanzien van eiseres
het anticumulatie-regime van de Anw ten eerste male toegepast. Het feit dat,
alsmede het tijdstip waarop, dit regime ten aanzien van eiseres is toegepast
vloeit voort uit het bij de Anw behorende invoering- en overgangsrecht van de
Anw. De stellingen van eiseres kunnen aldus worden begrepen dat het
invoerings- en overgangsrecht in onvoldoende mate de onder de AWW verkregen
rechten respecteert waardoor het in strijd is met terzake geldende bepalingen
van de GW, algemene rechtsbeginselen en internationale verdragen.

Toetsing van het overgangsrecht van de Anw aan de Grondwet en aan
algemene rechtsbeginselen.

Dat het bestreden besluit in strijd zou zijn met de bepalingen van de Anw is
gesteld noch gebleken.

Voor zover door eiseres is betoogd dat de bepalingen van overgangsrecht zoals
die in de Anw zijn opgenomen, in strijd zijn met artikel 1 GW en met algemene
beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwens- en het
rechtszekerheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 120 GW
de rechter niet mag treden in de beoordeling van de grondwettigheid van
wetten. Ingevolge de uitleg van de Hoge Raad van deze wetsbepaling is het de
rechter evenmin toegestaan om wetten in formele zin te toetsen aan algemene
rechtsbeginselen, tenzij moet worden aangenomen dat het effect van de
wettelijke regeling door de wetgever niet is voorzien en niet is gewenst (HR
14 april 1989, NJ 1989, 469). De rechtbank is van oordeel dat van onvoorziene
en ongewenste effecten in voornoemde zin geen sprake is. Dat de invoering van
de Anw en het daarin getroffen overgangsrecht aanzienlijke financiële
gevolgen heeft voor ondermeer samenwonende weduwen en weduwnaars, is door de
wetgever nadrukkelijk onder ogen gezien.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat de wetgever er uiteindelijk voor
gekozen heeft om het huwelijk, zowel als ontstaansgrond als als
beëindigingsgrond voor een nabestaandenuitkering, gelijk te willen behandelen
met het op andere wijze voeren van een gezamenlijke huishouding tussen twee
meerderjarigen. Vergeleken met een weduwe die, in gelijke omstandigheden
verkerende, voor de inwerkingtreding van de Anw opnieuw in het huwelijk is
getreden, is de financiële situatie van eiseres thans nog immer gunstiger.

Toetsing aan internationale verdragen

De rechtbank gaat eerst in zijn algemeenheid in op de wijze waarop zij
nationale regelgeving aan verdragsrecht toetst.
Onder het begrip verdragsrecht, zoals hier gebruikt, wordt niet gerekend de
uit de eigen rechtsorde van de Europese Gemeenschappen voortvloeiende
regelgeving.

De verplichting tot naleving van verdragsrecht geldt zowel voor de
uitvoerende, de wetgevende als de rechterlijke macht binnen de grenzen van de
respectievelijke constitutionele taken.
Voor de constitutionele begrenzing van de taak van de rechter is met name van
belang artikel 94 GW, waarin de regel is opgenomen dat wettelijke
voorschriften die in strijd zijn met een ieder verbindende bepalingen van
verdragsrecht, buiten toepassing dienen te blijven.
Het is dan ook de kwalificatie “een ieder verbindende verdragsbepaling” die
de omvang van de rechterlijke bevoegdheid/plicht tot toetsing en het buiten
toepassing stellen bepaalt.

Ten aanzien van het ieder-verbindend karakter van verdragsbepalingen zijn
door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) reeds in de uitspraak van 16 februari
1989 (NJB 1989, 6) uitgangspunten geformuleerd. Een verdragsbepaling kan als
ieder verbindend worden aangemerkt:

“indien de desbetreffende verdragsbepaling naar haar aard en inhoud en
door toereikende duidelijkheid en toegespitstheid zich voor rechtstreekse
werking leent, maar wanneer tevens de casus waarop en de context waarin
toepassing van de verdragsbepaling wordt gevraagd voldoende gestructureerd en
geconcretiseerd is om dergelijke rechtstreeks afdwingbare toepassing
verantwoord te laten zijn. “

De kwalificatie “naar aard en inhoud” is door de CRvB onder meer nader
geconcretiseerd in de uitspraak van 29 mei 1996 (AB 1996, 501) waarbij “de
imperatieve redactie van de bepalingen in relatie tot zowel het
minimum-karakter van het verdrag in zijn algemeenheid als van deze bepalingen
in het bijzonder bewerkstelligen dat … kan worden gesproken van
verdragsbepalingen die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden in de zin
van 93 GW. Enkele bepalingen uit de IAO-verdragen 102 en 103 werden bij deze
uitspraak als ieder-verbindend gekwalificeerd.

Deze benadering heeft aldus tot gevolg dat afhankelijk van de concreet zich
voordoende situatie, met in achtneming van de hiervoor genoemde aspecten,
telkens bepaald zal moeten worden of de betreffende verdragsbepaling als een
ieder verbindend moet worden aangemerkt. Deze benadering kan tot gevolg
hebben dat dezelfde verdragsbepaling in het ene geval als wel
ieder-verbindend en in een ander geval als niet ieder-verbindend moet worden
beschouwd. Voorbeelden daarvan zijn met name voorhanden in de rechtspraak van
de Hoge Raad met betrekking tot artikel 26 IVBPR en artikel 8, juncto, 14,
EVRM (belastingrechtspraak en de rechtspraak inzake personen- en
familierecht).

Met deze benadering wordt niet alleen aard en inhoud van de verdragsbepaling,
maar ook de staatsrechtelijke positie van de rechter bij de kwalificatie van
een verdragsbepaling betrokken. Bijvoorbeeld in HR 23 september 1988 (NJ,
1989, 740) constateert de Hoge Raad dat sprake is van een schending van het
EVRM (geslachtsnaam kind volgt naam vader), maar overweegt tevens dat
opheffing van de ongelijke behandeling buiten de rechtsvormende taak van de
rechter valt, vanwege het feit dat het aan de wetgever is om te bepalen op
welke wijze op het onderhavige terrein het best aan het beginsel van gelijke
behandeling van artikel 26 IVBPR kan worden voldaan.

In dat geval werd de nationale regeling niet buiten toepassing gelaten. Gelet
op de imperatieve redactie van artikel 94 GW moet er dan vanuit worden gegaan
dat het verdragsrechtelijk verankerde gelijkbehandelingsvoorschrift in de
concrete casus als niet ieder-verbindend is aangemerkt (in de doctrine wel
aangeduid als gerelativeerde directe werking, J. de Boer, NJB 1995, 28, pag.
1028)

Concluderend: is in een verdragsbepaling, gelet op aard en inhoud, een
voldoende geconcretiseerde norm vervat en is er sprake van schending van deze
norm door nationale regelgeving, dan dient, alvorens wordt geconcludeerd tot
een ieder-verbindende verdragsbepaling (c.q. toepassing van artikel 94 GW),
de rechtsvormende taak van de rechter in de beoordeling te worden betrokken.

Artikel 1 Protocol 1, EVRM (herziene vertaling, Trb. 1990, 156).
Eiseres heeft zich nadrukkelijk op dit artikel beroepen, dat als volgt luidt:

“Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen
belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene
beginselen van internationaal recht. De voorafgaande bepalingen tasten echter
op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te
passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te
reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van
belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. “

Ter beantwoording van de vraag of aan dit artikel een ieder
verbindende-bepaling is in de zin van artikel 94 GW overweegt de rechtbank
dat deze bepaling, mede gelet op de daaraan door het Europese Hof voor de
Rechten van de Mens (EHRM) gegeven uitleg, een voldoende geconcretiseerde
norm bevat.

Vervolgens dient de rechtbank, in het licht van het voorgaande, na te gaan of
de wetgever de in dit artikel vervatte norm heeft geschonden. Daartoe dient
eerst te worden vastgesteld of het recht op een weduwenuitkering een eigendom
(in het Engels een “possession”) is in de zin van dit artikel. De rechtbank
beantwoordt deze vraag, gelet op het arrest van het EHRM van 16 september
1996 (RSV 1997, 234 Gaygusuz/Oostenrijk) bevestigend, evenals de CRvB dat
onlangs voor de AAW heeft gedaan (CRVB 16 januari 1998, RSV 1998, 160).
Daarbij merkt de rechtbank op dat naar haar oordeel niet de maandelijkse
weduwenuitkering van een bepaalde hoogte het object van dit eigendomsrecht
vormt, maar het uitkeringsrecht, zoals gedefinieerd in de wet (in casu de
AWW) ten tijde van het ontstaan van dat recht, derhalve met inbegrip van alle
op dat moment bestaande wettelijke beëindigingsmogelijkheden. Hieruit volgt
dat een beëindiging van een uitkeringsrecht op grond van de ten tijde van het
ontstaan van het rechts bestaande wettelijke gronden, zoals het bereiken van
de 65-jarige leeftijd, reeds daarom geen inbreuk op het eigendomsrecht vormt.
Verder dient beoordeeld te worden of de wijzigingen die dit uitkeringsrecht
heeft ondergaan ten gevolge van de intrekking van de AWW en het van kracht
worden van de Anw, een inbreuk vormt op dit eigendomsrecht; in dit geval gaat
het om het gedeeltelijke verlies van de uitkering bij samenwonen.

Voorts komt de vraag aan de orde of de inbreuk gerechtvaardigd is. Daartoe is
allereerst van belang of de inbreuk in het algemeen belang is geschied. Dit
acht de rechtbank het geval. De wetgever heeft de AWW, die paste bij de
maatschappelijke constellatie van de jaren vijftig, aan de eisen van de
huidige tijd willen aanpassen. In dat kader is, mede in het licht van de
toestand van ’s rijksfinanciën, ervoor gekozen om niet alle bestaande
uitkeringsrechten volledig buiten schot te laten. Aan de wetgever komt
volgens het EHRM een ruime “margin of appreciation” toe bij het uitvaardigen
van wetten op sociaal en economisch terrein -waarover de opvattingen in een
democratische samenleving sterk uiteen kunnen lopen-, waarbij volgens dit Hof
de keuze van wetgever wat in het algemeen belang is, gerespecteerd dient te
worden, tenzij deze keuze “manifestly without reasonable foundation” is (EHRM
20 november 1995/NJ 1996/553, Belgische
Loodsen). Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen
sprake.
Vervolgens is van belang of de inbreuk op het recht van de betrokkene
evenredig is met het algemeen belang dat de wetgever met de inbreuk
voorstaat, in welk kader met name ook compenserende maatregelen van belang
zijn.
Voor zover eiseres heeft betoogd dat alleen volledige compensatie de
proportionaliteitstoets kan doorstaan, kan de rechtbank dat betoog niet
volgen. Naar haar oordeel volgt een dergelijk oordeel ook niet uit de
jurisprudentie van het Hof (vgl. EHRM 9 december 1994, NJ 1996, 374, ro 71,
Griekse kloosters).

Indien een inbreuk alleen toegestaan zou zijn onder het aanbieden van
volledige schadevergoeding, zou een bezuiniging op sociale uitkeringen die
ook “bestaande gevallen” raakt, nimmer tot de mogelijkheden behoren en zou
het argument van uitputting van de staatsfinanciën de facto geen gewicht in
de schaal kunnen leggen, hetgeen de rechtbank niet juist voorkomt. Uit de
jurisprudentie kan worden afgeleid dat het niet aanbieden van enige
schadevergoeding slechts in uitzonderlijke gevallen -waarvan geen sprake is-
is toegestaan, doch dat evenmin een aanspraak bestaat op volledige
schadevergoeding.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het eigen karakter van een stelsel
van sociale zekerheid waarbij vele, politiek gekleurde, afwegingen gemaakt
dienen te worden, de wetgever eveneens een ruime mate van beleidsvrijheid
toekomt bij de bepaling van de hoogte en de vorm van de compensatie die aan
bestaande uitkeringsgerechtigden wordt verleend bij een ingreep in de omvang
van hun uitkeringsrechten. De toetsingsruimte van de rechter is
dientengevolge beperkt, indien een reële compensatie is aangeboden, zoals in
het onderhavige geval in het overgangsrecht Anw is gebeurd. De rechtbank acht
in hetgeen eiseres heeft aangevoerd en in hetgeen uit de stukken omtrent de
inkomenspositie van eiseres is gebleken, geen grond aanwezig om te oordelen
dat de door de wetgever in het overgangsrecht Anw neergelegde compensatie
deze toets in dat geval niet kan doorstaan, zodat zij in zoverre artikel 1
van het eerste protocol EVRM niet geschonden acht.

Artikel 14 EVRM juncto artikel 1 Protocol 1 EVRM en artikel 26 IVBPR

Eiseres heeft betoogd dat in artikel 67 ten onrechte onderscheid wordt
gemaakt tussen nabestaanden die samenwonen -dezen behouden slechts een
uitkering ter grootte van 30% van het minimumloon en alleenstaande
nabestaanden zonder minderjarige kinderen, van wie, afhankelijk van hun
overige inkomsten, de uitkering maximaal 70% van het minimumloon blijft
bedragen. Volgens eiseres is dit een onderscheid naar burgerlijke staat, dat
wordt verboden door de artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat artikel 14 van het EVRM bepaalt dat
bij het genot van de rechten die in dat verdrag zijn vermeld, geen
onderscheid mag worden gemaakt op -ondermeer- status of op welke grond dan
ook. Artikel 26 IVBPR is een vergelijkbaar, algemeen en open geformuleerd
discriminatieverbod op grond waarvan onderscheid ‘op welke grond ook’
verboden is indien voor dat onderscheid geen objectieve en redelijke
rechtvaardigingsgrond bestaat. De rechtbank merkt beide artikelen aan als
een-ieder verbindende verdragsbepaling in de zin van artikel 94 van de GW.

Van verboden discriminatie is in de uitleg van het EHRM sprake, wanneer voor
het gemaakte onderscheid geen objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond
aanwezig is. Ook hierbij komt aan de wetgever een “margin of appreciation’
toe.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat bij samenwonende nabestaanden
en niet-samenwonende nabestaanden geen sprake is van vergelijkbare gevallen,
en dat voor een verschillende behandeling van beide groepen in het kader van
het overgangsrecht Anw objectieve en redelijke rechtvaardigingsgronden
bestaan, zodat de rechtbank op dit punt schending van genoemde
verdragbepalingen niet aan de orde acht.

Verdrag betreffende uitkering bij invaliditeit en ouderdom en aan
nagelaten betrekkingen (1A0 Verdrag Nr. 128, Trb. 1968, 13 1.

De in deel IV “Uitkeringen aan nagelaten betrekkingen” van IAO-Verdrag 128
(hierna: Verdrag128) opgenomen normen met betrekking tot de hoogte van
uitkeringen aan nagelaten betrekkingen zijn minimumnormen. De rechtbank stelt
vast dat de in de betreffende artikelen opgenomen minimumnormen ten aanzien
van de aan de weduwe van een overleden kostwinner te verstrekken
minimumuitkering gedetailleerd en concreet zijn, en zich deswege in zoverre
voor toepassing door de rechter lenen. Gelet op het feit dat het gaat om de
naleving van internationaal overeengekomen minimumnormen is de rechtbank
voorts van oordeel dat toepassing van deze bepalingen de rechtsvormende taak
van de rechter niet te buiten gaat.
Voornoemde bepalingen dienen dan ook in casu als ieder-verbindende
verdragsbepalingen te worden gekwalificeerd.

In deel IV van het Verdrag-128 bieden de artikelen 21 e.v. bescherming bij
het verlies van bestaansmiddelen ten gevolge van het overlijden van een
kostwinner. Verweerder heeft terecht gewezen op de in artikel 32 eerste lid,
sub g, van Verdrag-128 opgenomen bepaling dat de uitkering aan een weduwe
geschorst mag worden, zolang de weduwe in concubinaat leeft.

De rechtbank acht de getroffen overgangsregeling dan ook niet in strijd met
Verdrag-128.

Het niet-ontstaan van een nieuw recht of herstel van het volledige
oude recht bij het overlijden van de nieuwe partner

De rechtbank begrijpt dit gedeelte van het betoog van eiseres aldus dat zij
zich niet kan verenigen met het overgangsrecht, zoals getroffen in artikel
66a Anw (ontstaan nieuw recht), dan wel met artikel 67, derde lid Anw,
laatste volzin (verhoging “oude” uitkering tot 70% van het
netto-minimumloon).
In artikel 66a wordt bij het ontstaan van een dergelijk Anw-recht onderscheid
gemaakt tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden, om welke reden eiseres
niet onder het toepassingsbereik valt, en artikel 67, derde lid, herstel van
de volledige nabestaandenuitkering slechts mogelijk maakt bij beëindiging van
de samenwoning tot 1 juli 1998, danwel bij een latere, door verweerder vast
te stellen datum indien het vasthouden aan de datum van 1 juli 1998 tot
onbillijkheden van overwegende aard zou leiden.

De rechtbank overweegt dat dit gedeelte van het beroep van eiseres zich richt
tegen een toekomstige situatie, waarvan in het geheel niet duidelijk is of
deze zich zal voordoen, Immers geenszins staat vast dat de heer O. voor
eiseres zal komen te overlijden en voordat eiseres de leeftijd van 65 jaar
heeft bereikt. Het ligt niet op de weg van de rechtbank om een wetsbepaling
aan internationale verdragen te toetsen, uitsluitend met het oog op
potentiële toekomstige belangen.
Uiteraard staat het eiseres vrij om, mocht genoemde eventualiteit zich
voordoen en haar door verweerder een nieuwe nabestaandenuitkering wordt
geweigerd danwel wordt geweigerd haar nabestaandenuitkering te verhogen, zich
alsdan tot de rechter te wenden, in welk geschil de bezwaren tegen dit
onderdeel van het overgangsrecht aan de orde gesteld kunnen worden.

Slotsom
De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen het door verweerder niet
langer gehandhaafde gedeelte van het besluit van 8 april 1998 gegrond
verklaren, onder vernietiging van dat besluit voor zoverre, en de beroepen
voor het overige ongegrond verklaren. De rechtbank acht, gelet op het
vorenstaande, termen aanwezig om verweerder te veroordelen in een gedeelte
van de proceskosten die eiseres voor de behandeling van haar beroep heeft
moeten maken, te begroten op een punt conform het Besluit proceskosten
bestuursrecht, waarbij de rechtbank het gewicht van de zaak aanmerkt als
zwaar.

Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

III. Beslissing

De rechtbank:

– verklaart het beroep gegrond, voor zover gericht tegen het in het besluit
van 8 april 1998 genoemde bedrag van de inkomensonafhankelijke uitkering van
ƒ 576,22 bruto per maand en vernietigt dat besluit in zoverre;
– verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.
– veroordeelt verweerder in de kosten aan de zijde van eiser gevallen ten
bedrage van ƒ 1.065, en bepaalt dat de Sociale Verzekeringsbank deze kosten,
alsmede het griffierecht ad ƒ 55 dient te vergoeden.

Rechters

Mrs. J.H. Kuiper, A.T. de Kwaasteniet, H.J. de Mooij

Instantie: Staatssecretaris van Justitie, 26 januari 1999

Instantie

Staatssecretaris van Justitie

Samenvatting


De moeder wil de achternaam van haar zoontje wijzigen in haar eigen
achternaam. Zij heeft het kind feitelijk sinds zijn geboorte alleen verzorgd
en opgevoed en met de vader bestaat geen contact. De achternaamswijziging
wordt in eerste instantie geweigerd op grond van een rapportage van de Raad
voor de Kinderbescherming, waarbij het argument dat het kind niet op de
hoogte zou zijn van zijn afstamming de voornaamste reden was het verzoek af
te wijzen. In de bezwaarfase heeft de moeder nadrukkelijk gesteld dat haar
zoontje wel op de hoogte is van zijn afkomst. Ook uit een nader onderzoek van
de Raad is gebleken dat het kind op de hoogte is. Het bezwaarschrift wordt
gegrond verklaard en de naam van het kind kan worden gewijzigd.

Volledige tekst

I. Verloop van de procedure

– Bij brief van 24 februari 1997 heeft mevrouw K (hierna te noemen: de
moeder), gevraagd om wijziging van de geslachtsnaam van P. K, geboren 17 mei
1993 in: K.
– Bij besluit van 15 juni 1998 heeft de Staatssecretaris het verzoek
afgewezen.
– Bij brief van 24 juni 1998 heeft de moeder een bezwaarschrift ingediend
tegen het besluit van 15 juni 1998.
– Op 1 september 1998 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de
hoorzitting is een verslag opgemaakt.

II Wettelijk kader

– het Burgerlijk Wetboek

In artikel 5 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald welke
geslachtsnaam een persoon heeft.

In artikel 7 van Boek I BW, is bepaald dat de geslachtsnaam van een persoon
op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, kan
worden gewijzigd. De naamswijziging geschiedt bij Koninklijk besluit.

Besluit van 6 oktober 1997, houdende regels voor geslachtsnaamswijziging

Verzoeken om naamswijziging worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in
het Besluit van 6 oktober 1997, houdende regels voor geslachtsnaamwijziging,
gepubliceerd in Staatsblad 1997, nummer 463 (hierna: Besluit naamswijziging).
Dit Besluit naamswijziging geeft aan in welke gevallen naamswijziging kan
worden verleend.

In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit naamswijziging
is bepaald, dat op verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger de
geslachtsnaam van een minderjarige in die van de ouder, van wie het kind de
naam niet heeft, wordt gewijzigd, indien deze ouder na de ontbinding van het
huwelijk of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de partner
gedurende tenminste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de
minderjarige heeft verzorgd en opgevoed.

In artikel 3, tweede lid van het Besluit naamswijziging is bepaald, dat de
genoemde termijn vijf jaren is indien het kind de leeftijd van twaalf jaren
nog niet heeft bereikt.

In artikel 3, vierde lid, worden afwijzingsgronden genoemd. Het verzoek om
naamswijziging wordt onder meer afgewezen, indien de belangen van het kind
zich tegen de inwilliging van het verzoek verzetten. Volgens de toelichting
op het Besluit naamswijziging behoort steeds bepalend te zijn dat de
geslachtsnaamswijziging de belangen van het kind dient. De belangen van de
ouders bij de geslachtsnaamswijziging zijn daaraan ondergeschikt.

In de artikelsgewijze toelichting op het Besluit naamswijziging worden de
volgende factoren genoemd die een rol spelen bij het begrip het belang van
het kind:
– de bekendheid van het kind met zijn afkomst;
– de eenheid van naam in het gezin;
– in het dagelijks verkeer draagt het kind al de gevraagde naam;
– de rol die de beide ouders in het leven van het kind hebben;
– de mate van contact tussen het kind en beide ouders;
– de bestendigheid van de gezinssituatie en de mate waarin het kind deze
situatie accepteert.

In artikel 8, eerste lid, van het Besluit naamswijziging is bepaald dat de
Richtlijnen voor de geslachtsnaamwijziging 1989 zijn ingetrokken. Ingevolge
het tweede lid van dat artikel zijn de Richtlijnen 1989 nog wel van
toepassing op verzoeken die zijn ingediend vóór 1 januari 1998, indien die
toepasselijkheid ertoe leidt dat het verzoek anders dan bij toepassing van
het Besluit naamswijziging wordt toegewezen.

III. Standpunt van de moeder (zakelijk weergegeven)

De moeder is het niet eens met het besluit omdat dit is gebaseerd op een
rapport van de Raad voor de Kinderbescherming dat meer aandacht besteedt aan
de kwestie van omgang dan de gevraagde naamswijziging. Ook bestrijdt de
moeder dat P. niet zou zijn voorgelicht over zijn afkomst; zij heeft P. wel
degelijk verteld wie zijn vader is.

IV Overwegingen

Uit de rapportage van de gemeente en van de Raad voor de Kinderbescherming
blijkt het volgende.
– De samenwoning van de vader en de moeder is in juni 1993 beëindigd.
– P. is niet op de hoogte van zijn afstamming
– P. accepteert de huidige gezinssituatie.
– Er bestaat geen contact tussen de vader en P.
– P. voert in het dagelijks verkeer reeds de gevraagde geslachtsnaam.

Beslissend voor de aanvraag kan worden toegewezen is of de aanvraag voldoet
aan de criteria welke in het Besluit naamswijziging zijn gesteld en of,
desondanks, het belang van P. zich niet tegen de geslachtsnaam verzet.

Uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt dat P. niet gedurende tenminste
vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag is verzorgd en opgevoed
door de moeder, wier geslachtsnaam wordt gevraagd. In artikel 3, eerste lid,
aanhef en onder a, b en c, van het Besluit naamswijziging is voor
minderjarigen jonger dan 12 jaar de termijn voor opvoeding en verzorging
bepaald op 5 jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek. Het verzoek
voldoet niet aan die voorwaarde. Het verzoek is evenwel ingediend vóór 1
januari 1998, zodat op grond van artikel 8, tweede lid, van het Besluit
naamswijziging de Richtlijnen voor geslachtsnaamswijziging 1989 moeten worden
toegepast, indien die tot toewijzing van het verzoek zouden hebben geleid. In
de Richtlijnen 1989 wordt voor een geval als het onderhavige een termijn
gesteld van 3 jaar. Het verzoek voldoet daaraan. Met toepassing van artikel
8, tweede lid, van het Besluit naamswijziging, voldoet het verzoek daarom aan
de gestelde termijn. De verzochte naamswijziging komt de eenheid van naam, en
daarmee de stabiliteit, binnen het gezin ten goede. Bovendien voert P. de
gevraagde naam reeds in de praktijk. De moeder speelt voor P. een belangrijke
rol in zijn leven. Met de vader bestaat geen contact.

Aan de hand van de criteria van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van
het Besluit naamswijziging wordt het belang van P. getoetst. Wanneer daaraan
zou worden voldaan, getoetst binnen de context zoals is weergegeven in de
toelichting bij het Besluit naamswijziging, zouden de belangen van P. met de
naamswijziging zijn gediend. Aangezien P. echter niet op de hoogte is van
zijn afstamming is niet aan de gestelde criteria voldaan, zodat aan de
aanvraag dan ook terecht is afgewezen.

In haar bezwaarschrift als ook tijdens de hoorzitting heeft de moeder evenwel
nadrukkelijk gesteld dat P. wel op de hoogte is van zijn afkomst. Uit een
nader door de Raad voor de Kinderbescherming ingesteld onderzoek is gebleken
dat P. inderdaad van zijn afkomst op de hoogte is; daarmee is aan de gestelde
criteria voldaan.
Desalniettemin is het denkbaar dat zich in uitzonderingssituaties feiten of
omstandigheden voordoen op grond waarvan, hoewel aan alle gestelde criteria
wordt voldaan, de inwilliging van de aanvraag in strijd moet worden geacht
met het belang van de desbetreffende minderjarige. Dergelijke feiten of
omstandigheden zijn in deze zaak niet gebleken.

Voor zover de stellingen van de vader, kenbaar gemaakt tijdens het door de
gemeente ingestelde onderzoek, strijdig zijn met deze belangen dienen zij te
worden verworpen. In het bijzonder geldt dit voor de stelling, dat er geen
contact bestaat tussen de vader en P.. Het gaat er in een
naamswijzigingsprocedure om de belangen van het kind op hun waarde te
schatten en deze af te wegen tegen het bezwaar van de vader. De
omstandigheden waarin het kind is komen te verkeren zijn een gegeven. De
vraag aan wie die situatie is toe te schrijven is niet van belang voor de
beoordeling van de aanvraag om naamswijziging. Ook wordt de stelling
verworpen dat P. nog te jong zou zijn voor naamswijziging; immers, kinderen
jonger dan twaalf jaren hebben in deze geen keuze.

De belangen van P. wegen zwaarder dan de belangen van de vader.

Omdat aan de criteria van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het
Besluit naamswijziging is voldaan en niet is gebleken van feiten of
omstandigheden op grond waarvan moet worden geconstateerd dat de belangen van
P. door de gevraagde naamswijziging zouden kunnen worden geschaad, is bij
besluit van 17 augustus 1998 ten onrechte het verzoek afgewezen.

Nu al hetgeen overigens is aangevoerd aan het voorgaande niet afdoet, zal het
bezwaarschrift gegrond worden verklaard.

V. Beslissing

Ik verklaar, gelet op het vorenstaande, het ingediende bezwaar gegrond. Ik
herzie mijn beslissing en bepaal dat ik op grond van artikel 7, zesde lid,
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 1995, 592, i.w.tr. 15 december
1995) aan belanghebbenden een voornemen kenbaar maak om aan Hare Majesteit de
Koningin een voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende tot
wijziging van de geslachtsnaam van K. in K.

Rechters

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 26 januari 1999

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Geïntimeerde is veroordeeld voor het opzettelijk toebrengen van zwaar
lichamelijk letsel. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij
tot vergoeding van (materiële en immateriële) schadevergoeding grotendeels
af, enkel omdat de (bekennende) verdachte verweer voert tegen de hoogte
daarvan. Dit maakt, aldus de rechtbank, de zaak te ingewikkeld om in het
strafproces te behandelen. Het hof laat zich niet beperken door het al dan
niet betwisten van de vordering en spreekt een eigen oordeel uit. Er wordt
smartegeld van ƒ 2500 toegewezen. Daarnaast bepaalt het hof dat het opleggen
van een straat- en contactverbod door de strafrechter niet als bijzondere
voorwaarde aan de opgelegde proeftijd kan worden verbonden. De benadeelde
partij had daarom gevraagd, maar zij had dit niet mogen doen, aldus het hof.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan
beroep dat zich onder de stukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep

Van dat vonnis bij eerdergenoemd exploot in hoger beroep gekomen heeft
appellante twee grieven voorgedragen en geconcludeerd:

dat het het hof behaagt, te vernietigen het strafvonnis van 29 oktober 1996,
door de rechtbank Maastricht uitgesproken, en, opnieuw rechtdoende,
geïntimeerde te veroordelen tot ƒ 5.000 immateriële schadevergoeding ofwel
een bedrag van ƒ 3.400 als aanvulling op de reeds toegewezen vordering van
appellante ad ƒ 1.600 en te bepalen, dat geïntimeerde een algeheel
contactverbod met appellante en haar kinderen krijgt opgelegd, een wijkverbod
voor de wijk, waarin appellante en haar kinderen wonen en leven, begrensd
door de A.- laan, B. -straat,. C. -laan en D. -straat., zoals aangegeven op
het kaartje bij de pleitnota van 15 oktober 1996, en tenslotte met
veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties c.q. dit
geding.

Geïntimeerde heeft de grieven bestreden bij memorie van antwoord en
geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep althans in
essentie met mogelijk enige wijziging in de motivering ervan en met
veroordeling van appellante in de kosten van het hoger beroep. Nadat partijen
vervolgens ieder nog een akte hadden verzocht, hebben partijen recht op de
stukken gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven luiden:

Grief I

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen, dat er schade is toegebracht tot
een bedrag van ƒ 1.600. Immers, appellante heeft ƒ 5.000 aan immateriële
schade gevorderd.

Grief II

Ten onrechte overweegt de Rechtbank, dat de vordering van de benadeelde
partij G.J.voor het overige zal moeten worden afgewezen, daar zij deze
bovenmatig acht.

4. Beoordeling

4.1. Met inachtneming van artikel 51a Wetboek van Strafvordering heeft
appellante zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces tegen
geïntimeerde. Appellante heeft ter terechtzitting van de rechtbank
veroordeling van geïntimeerde gevorderd tot betaling van ƒ 5.000 wegens
geleden immateriële schade tengevolge van het onrechtmatig handelen door
geïntimeerde jegens haar terzake waarvan geïntimeerde vervolgd werd. Voorts
heeft zij de rechtbank gevraagd als bijzondere voorwaarde bij het opleggen
van een proeftijd te bepalen dat geïntimeerde gedurende die proeftijd een
algeheel contactverbod zou krijgen met haar en de kinderen en ook een
wijkverbod voor de wijk waar zij en hun kinderen wonen en leven. De rechtbank
heeft geïntimeerde veroordelend terzake – onder meer – kort gezegd op 7 juli
1996 tweemaal pogen geïntimeerde opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te
brengen, geïntimeerde tevens veroordeeld aan appellante ƒ 1.600 te betalen
onder afwijzing van het meer gevorderde als bovenmatig. De rechtbank heeft
aan de aan geïntimeerde opgelegde proeftijd niet de door appellante
voorgestelde bijzondere voorwaarde verbonden.

4.2. De eerste grief richt zich tegen het ontzeggen van het meergevorderde
dan de toegewezen ƒ 1.600. Het hof heeft kennis genomen van het
proces-verbaal van politie, opgemaakt over de gebeurtenissen op 7 juli 1996
en het daaraan voorafgaande, alsmede van de toelichting bij appellantes
vordering in eerste aanleg. Rekening houdend voorts met het door geïntimeerde
in hoger beroep aangevoerde is het hof van oordeel dat het handelen van
geïntimeerde terzake waarvan hij strafrechtelijk is veroordeeld voor
appellante zodanig psychisch traumatiserend is, dat een smartegeld van in
totaal ƒ 2.500 ex aequo et bono op zijn plaats is. In zoverre is de eerste
grief gegrond.

4.3. De tweede grief, die in verband staat met het niet opleggen van een
wijk- en contactverbod is ongegrond: In eerste aanleg heeft appellante op
juiste wijze een contact- en straatverbod onder de aandacht van de rechter
gebracht, namelijk gevraagd deze als bijzondere voorwaarde kennelijk bij een
eventuele proeftermijn op te nemen. Als benadeelde vermocht appellante
dergelijke verboden niet te vorderen. Anders dan appellante in haar grief
aanvoert heeft de rechtbank dan ook niet overwogen dat appellantes vraag over
contact- en wijk-verbod een bovenmatige vordering was. Het was immers
helemaal geen vordering. De rechtbank heeft eenvoudig zonder motivering,
waartoe zij niet gehouden was, de voorgestelde bijzondere voorwaarden niet
aan de proeftijd verbonden noch een vordering als een wijk- of contactverbod
waarvoor in eerste aanleg geen mogelijkheid bestond in het bij wege van
eiswijziging of -vermeerdering te vorderen nu artikel 353 Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering artikel 134 van dat wetboek niet toepasselijk
verklaart. Het staat bij een hoger beroep in het kader van artikel 421
Wetboek van Strafvordering, ook al is dan de gewone rechtsgang van een
contentieus civiel hoger beroep van toepassing, niet vrij een in eerste
aanleg niet opgevoerde schadepost op te voeren of een wel gevorderde post te
verhogen. Wijk- en contactverbod kunnen dus niet worden opgelegd in dit
geding.

4.4. Nu partijen elkaars gewezen echtgenoten zijn en appellante slechts ten
dele in het gelijk wordt gesteld zullen de kosten van dit geding in hoger
beroep worden gecompenseerd zoals hierna bepaald.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten van dit geding in hoger beroep aldus dat iedere partij
haar eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. Van der Velden, De Kok en Koster-Vaags en
uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 januari 1999 door
mr. Van der Velden voornoemd in tegenwoordigheid van de griffier.

J.H.M. Puthaar P.A.L.M. van der Velden

De beslissing in het arrest van 26 januari 1999 dient gelet op 4.2. van het
arrest te luiden:

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep.

Opnieuw rechtdoende:

veroordeelt geïntimeerde om aan appellante naast het bedrag van ƒ 1.600
(zestienhonderd gulden) terzake van materiële schade een bedrag van ƒ 2.500
(vijfentwintighonderd gulden) terzake van immateriële schade te betalen.

Compenseert de kosten van dit geding in hoger beroep aldus dat iedere partij
haar eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. Van der Velden, De Kok en Koster-Vaags en
uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 mei 1999.

De beslissing in het arrest van 26 januari 1999 dient gelet op 4.2 van het
arrest te luiden – niet zoals gerectificeerd op 18 mei 1999 maar – :

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt geïntimeerde om aan appellante een bedrag van ƒ 2.500 terzake
van immateriële schade te betalen;

compenseert de kosten van dit geding in hoger beroep aldus dat iedere partij
haar eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. Van der Velden, De Kok en Koster-Vaags en
uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 juni 1999.

Rechters

Mrs. van der Velden, de Kok en Koster-Vaags

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 januari 1999

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster werd via een uitzendbureau bij de wederpartij te werk gesteld als
telemarketingmedewerker. Na korte tijd werd zij weggestuurd met de mededeling
dat zij niet was ingeroosterd. De intercedente van het uitzendbureau zei dat
afgezien werd van verzoeksters diensten omdat zij een te zwaar accent zou
hebben, maar te vermoeden dat er een andere reden zou zijn. Verzoekster
spreekt goed Nederlands en heeft voor de gemiddelde toehoorder geen accent.
Verzoekster stelt dat zij is afgewezen omdat zij een hoofddoek draagt.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Commissie dienen procedures
inzichtelijk, controleerbaar en systematisch uitgevoerd te worden, om te
voorkomen dat bewust of onbewust een verboden onderscheid in de zin van de
wet wordt gemaakt. In het geval van een ondoorzichtige procedure dient de
wederpartij aannemelijk te maken dat er geen onderscheid is gemaakt. In
analogie aan deze toets acht de Commissie het niet aannemelijk dat
verzoekster is afgewezen vanwege haar beheersing van het Nederlands. Nu de
wederpartij geen nader inzicht heeft gegeven in haar motieven voor de
afwijzing, zijn de criteria voor de afwijzing zijn niet inzichtelijk en
controleerbaar. Nu verzoekster daarnaast heeft aangetoond dat haar hoofddoek
vermoedelijk bij de afwijzing een rol heeft gespeeld en de wederpartij geen
nadere verklaring heeft verschaft voor haar handelwijze, acht de Commissie
het aannemelijk dat de afwijzing (mede) is ingegeven door het dragen van een
hoofddoek door verzoekster. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 16 juni 1998 verzocht mevrouw …. te Rotterdam (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of
…. te Rotterdam (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft
gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster werd via een uitzendbureau bij de wederpartij te werk
gesteld in de functie van telemarketingmedewerker. Korte tijd later werd zij
weggestuurd met de mededeling dat zij niet was ingeroosterd. Van het
uitzendbureau hoorde zij vervolgens dat afgezien werd van haar diensten omdat
zij een te zwaar accent zou hebben. De intercedente deelde echter mee te
vermoeden dat er een andere reden zou zijn. Verzoekster is thans elders
werkzaam, eveneens als telemarketing medewerkster. Zij spreekt Algemeen
Beschaafd Nederlands en heeft voor de gemiddelde toehoorder geen accent.
Verzoekster stelt dat zij is afgewezen omdat zij een hoofddoek draagt en dat
de wederpartij daarmee onderscheid heeft gemaakt naar godsdienst.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld.

Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Vervolgens heeft de
Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te lichten tijdens
een zitting op 25 november 1998. De wederpartij heeft aan deze oproep geen
gehoor gegeven, ondanks het feit dat een eerder bepaalde zittingsdatum op
haar verzoek en in overleg met partijen is verplaatst naar 25 november 1998.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig

van de kant van verzoekster
– mw. …. (verzoekster)
– dhr. G. Grubben (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Op 13 mei 1998 heeft verzoekster zich ingeschreven bij een
uitzendbureau. Daar werd haar meegedeeld dat zij de volgende dag als
telemarketing medewerkster kon beginnen bij de wederpartij. ’s Middags werd
zij door het uitzendbureau gebeld met de mededeling dat ze ook de week daarna
zou worden ingeroosterd.

Op 14 mei 1998 meldde zij zich ’s ochtends om 8.50 uur bij de wederpartij. Na
een half uur werd zij echter weggestuurd met de mededeling dat ze niet was
ingeroosterd.

Verzoekster heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met de
intercedente van het uitzendbureau. Deze had van de wederpartij vernomen dat
verzoekster was weggestuurd omdat ze een te zwaar accent zou hebben.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

De intercedente deelde verzoekster mee, dat de wederpartij haar weliswaar had
gezegd dat verzoekster was weggestuurd omdat ze een te zwaar accent zou
hebben, maar dat zij -de intercedente- vermoedde dat er een andere reden voor
het wegsturen zou zijn. Dit heeft de intercedente op 19 mei 1998 mondeling
bevestigd aan de gemachtigde van verzoekster. Volgens verzoekster is de
intercedente inmiddels door het uitzendbureau ontslagen.

Verzoekster acht het niet aannemelijk dat de wederpartij haar heeft afgewezen
vanwege het feit dat zij een te zwaar accent zou hebben. Verzoekster spreekt
Algemeen Beschaafd Nederlands en heeft geen accent. Zij is in het verleden
reeds werkzaam geweest als telemarketing medewerkster en is ook thans als
zodanig werkzaam. Zij heeft daarbij de functie van tafelhoofd, hetgeen
inhoudt dat zij naast het verrichten van telemarketingwerkzaamheden de nieuwe
medewerkers inwerkt.

De stelling van de wederpartij, dat aan verzoekster door de directrice was
meegedeeld dat zij niet werd aangenomen vanwege het feit dat zij een te zwaar
accent zou hebben, is onjuist. Haar werd meegedeeld dat ze nog niet was
ingeroosterd en dat ze met betrekking tot de eventuele voortgang contact
moest opnemen met de intercedente.
Aanvankelijk beweerde de wederpartij dat verzoekster drie uur had
proefgedraaid. Later werd daarop teruggekomen en erkend dat zij slechts een
half uur had gewerkt.

Verzoekster heeft niet met werknemers van de wederpartij gesproken, zodat
deze zich ook geen oordeel hebben kunnen vormen over haar Nederlands.
Verzoekster had eerst het uitzendbureau gebeld, maar de intercedente vroeg of
ze langs wilde komen. Op het uitzendbureau vertelde de intercedente dat ze
was weggestuurd omdat ze een te zwaar accent zou hebben. Daaraan voegde de
intercedente toe dat de opdrachtgever heel boos was geworden dat het
uitzendbureau zo iemand gestuurd had en dat verzoekster wel zou weten waarom
het ging. Desgevraagd bevestigde de intercedente verzoekster dat haar
hoofddoek de reden voor de afwijzing was. Bij de wederpartij heeft
verzoekster meerdere allochtonen aan het werk gezien, maar niemand met een
hoofddoek.

De gemachtigde van verzoekster heeft daarna telefonisch contact met de
intercedente gehad. De intercedente bevestigde dat het niet om het accent
ging. Toen de gemachtigde vroeg of het vanwege de hoofddoek was, heeft de
intercedente dit bevestigd. Op de vraag van de gemachtigde of de intercedente
hierover een verklaring wilde afleggen, antwoordde de intercedente negatief.
Voorts merkt verzoekster op dat de wederpartij in deze procedure telkens weer
is teruggekomen op eerder ingenomen standpunten (duur van de arbeid, reden
van het wegsturen).

Verzoekster meent dat zij is afgewezen vanwege het feit dat zij een hoofddoek
draagt. Zij draagt haar hoofddoek uit religieuze overwegingen en is daarom
van mening dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt naar godsdienst.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

Verzoekster heeft gedurende ongeveer een half uur werkzaamheden voor de
wederpartij verricht. De directrice van de wederpartij heeft haar naar
aanleiding daarvan meegedeeld dat haar taalgebruik onvoldoende was om voor de
functie in aanmerking te komen. Verzoekster is vervolgens teruggestuurd naar
het uitzendbureau. Verzoekster is daarna naar een ander bedrijf uitgezonden
waar zij naar volle tevredenheid functioneert.

Van onderscheid naar godsdienst is geen sprake.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking onderscheid heeft gemaakt op grond
van godsdienst als bedoeld in de AWGB.

4.2. Artikel 5 lid 1a AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid verboden is bij
de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet onder meer ziet op onderscheid tussen
personen op grond van godsdienst.

Laatstgenoemd artikel stelt tevens dat onder onderscheid zowel direct als
indirect onderscheid begrepen wordt. Onder direct onderscheid wordt verstaan
onderscheid dat verwijst naar een van de in de AWGB genoemde
discriminatiegronden. Indirect onderscheid op grond van godsdienst is
onderscheid, dat op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan
godsdienst direct onderscheid op een van die gronden tot gevolg heeft.

Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie is niet alleen sprake van
onderscheid als bedoeld in de AWGB als één van de in deze wetgeving genoemde
persoonskenmerken de enige of doorslaggevende reden vormt voor het bestreden
handelen, maar ook als dit (mede) een rol daarbij speelt
ÃNOOT 1#4#1Ž.

4.3. Ten aanzien van de vraag of het handelen van de wederpartij de
discriminatiegrond godsdienst betreft, overweegt de Commissie als volgt.

Het begrip godsdienst, dat in de AWGB als non-discriminatiegrond is
opgenomen, omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar
ook het zich daarnaar gedragen ÃNOOT 2#4#2Ž. Gedragingen die, mede gelet op hun karakter
en op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, een
rechtstreekse uitdrukking geven aan de godsdienstige overtuiging, worden
tevens beschermd door het verbod van onderscheid op grond van godsdienst. Het
dragen van een hoofddoek kan één van die uitdrukkingen zijn van de
geloofsovertuiging van een moslimvrouw. De Commissie stelt op grond van
hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast, dat voor verzoekster het
dragen van een hoofddoek verbonden is aan haar geloofsovertuiging.

De Commissie concludeert dan ook, dat in deze zaak godsdienst de grond voor
mogelijk onderscheid is en dat het handelen van de wederpartij dient te
worden getoetst aan het wettelijk verbod op het maken van dit onderscheid.

4.4. De Commissie rekent het niet tot haar taak te beoordelen of de door de
wederpartij gegeven reden voor de afwijzing van verzoekster voor de
betrekking rechtmatig is. De taak van de Commissie is te beoordelen of door
de wederpartij bij de afwijzing onderscheid naar godsdienst heeft gemaakt.

Ter beantwoording van deze vraag overweegt de Commissie het volgende.

4.5. Partijen hebben -na aanvankelijk betwisting door de wederpartij- erkend
dat verzoekster slechts een half uur werkzaam is geweest bij de wederpartij.

Verzoekster stelt dat de wederpartij haar had medegedeeld dat zij moest
vertrekken, omdat zij niet was ingeroosterd. De wederpartij heeft aangevoerd
dat verzoekster is weggestuurd vanwege tekortkomingen in haar taalgebruik.
Onbetwist is dat het uitzendbureau dit ook aan verzoekster heeft doorgegeven.
De Commissie gaat er derhalve vanuit dat het taalgebruik de genoemde reden is
om verzoekster weg te sturen.

De Commissie stelt vast dat verzoekster in het verleden reeds als
telemarketing medewerkster werkzaam is geweest en thans in de functie van
tafelhoofd in de telemarketing werkzaam is. Kennelijk is haar taalvaardigheid
voor dezelfde functie bij andere werkgevers geenszins problematisch. Ook de
Commissie is -gelet op de wijze waarop verzoekster mondeling ter zitting een
toelichting heeft verschaft- niet gebleken dat een gebrekkige taalvaardigheid
van of een accent een aannemelijke verklaring voor de afwijzing door de
wederpartij zou kunnen zijn.

De Commissie stelt ten aanzien van de afwijzing vast dat verzoekster heeft
aangevoerd dat de intercedente bevestigd heeft dat deze was gebaseerd op het
dragen van een hoofddoek. Deze bevestiging is eveneens aan de gemachtigde van
verzoekster verstrekt, evenwel zonder dat de intercedente bereid was hierover
een verklaring af te leggen. Naar het oordeel van de Commissie is hiermee het
vermoeden gerechtvaardigd dat de hoofddoek van verzoekster bij haar afwijzing
een rol heeft gespeeld.

4.6. Het is vaste jurisprudentie van de Commissie dat procedures
inzichtelijk, controleerbaar en systematisch uitgevoerd moeten worden. Dit is
noodzakelijk omdat anders bewust of onbewust een verboden onderscheid in de
zin van de wet kan plaatsvinden en anders geen (rechterlijke) controle over
de procedure mogelijk is ÃNOOT 3#4#3Ž. Ook het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (verder HvJEG) heeft gewezen op de noodzaak van
doorzichtigheid van procedures teneinde ongelijke behandeling te voorkomen.
Daarbij dient de wederpartij in het geval van een ondoorzichtige procedure
aannemelijk te maken dat er geen sprake is van een verboden onderscheid.
Indien de wederpartij daarin niet slaagt, dient geconcludeerd te worden dat
er sprake is van een verboden onderscheid ÃNOOT 4#4#4Ž.

Analoog aan deze toets van zorgvuldige procedures stelt de Commissie vast dat
de door de wederpartij aangevoerde reden, namelijk de taalvaardigheid, in het
onderhavige geval geen ter zake doende reden kan zijn geweest om verzoekster
af te wijzen. De wederpartij heeft geen nader inzicht gegeven in haar
motieven voor de afwijzing. De criteria voor de afwijzing zijn derhalve niet
inzichtelijk en controleerbaar. Tevens heeft verzoekster aangetoond dat haar
hoofddoek vermoedelijk bij de afwijzing een rol heeft gespeeld. Aangezien de
wederpartij geen nadere verklaring heeft verschaft voor haar handelwijze,
concludeert de Commissie dat de afwijzing van verzoekster (mede) is ingegeven
vanwege het dragen van een hoofddoek.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden is de Commissie van
oordeel dat de wederpartij jegens verzoekster verboden onderscheid naar
godsdienst heeft gemaakt door haar af te wijzen vanwege haar hoofddoek.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat …. te
Rotterdam jegens mevrouw …. te Rotterdam direct onderscheid op grond van
godsdienst heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 5 lid 1a van de Algemene
wet gelijke behandeling en derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Aldus vastgesteld op 25 januari 1999.

mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck mr. D. Jongsma
Kamervoorzitter secretaris Kamer
@@TNT=
[NOOT_1]
Zie onder meer Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeel 95-15;
13 november 1995, oordeel 95-47; 29 februari 1996, oordeel 96-10; 29 februari
1996, oordeel 96-11; 19 maart 1996, oordeel 96-16.
[NOOT_2]
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014, nummer 5, pag. 39/40.
Vergelijk ook Tweede Kamer, vergaderjaarc 1975-1976, 13872, nummer 3, pag.29.
[NOOT_3]
Commissie gelijke behandeling, 20 december 1995, oordeel 95-70. Zie verder
ook Commissie gelijke behandeling, 17 maart 1998, oordeel 98-25.
[NOOT_4]
HvJEG, 17 oktober 1989, Danfoss versus Handels- og Kontorfunktionaernes
Forbund i Danmark; zaak 109/88.

Rechters

Mrs Timmerman-Buck, Kruyt, Rodrigues

Instantie: Rechtbank Arnhem, 25 januari 1999

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Een 24-jarige wachtmeester van de marechaussee wordt vervolgd wegens
verkrachting en ontucht met een Ecuadoraanse reizigster op Schiphol. Hij
wordt vrijgesproken van de verkrachting die hem primair is ten laste gelegd.
Verdachte heeft erkend seksueel contact met de vrouw te hebben gehad terwijl
zij aan zijn gezag was onderworpen en aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd.
Zij was van hem afhankelijk. De bescherming van afhankelijke personen staat
bij artikel 249 lid 2 WvSr centraal. Daarbij is niet van belang of het
seksuele contact met wederzijdse instemming plaatsvond. De verdachte had zich
bewust moeten zijn, volgens de rechtbank, van zijn bijzondere
verantwoordelijkheid en zich ook bij instemming van aangeefster moeten
onthouden van het plegen van seksuele handelingen. Door desondanks seksueel
contact te hebben heeft hij zich schuldig gemaakt aan ontucht. Hiervoor wordt
hij veroordeeld tot acht maanden militaire detentie.

Volledige tekst

Verkort strafvonnis

1. DE TENLASTELEGGING

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. Een
kopie van de dagvaarding is hierna opgenomen als bijlage I.

Voorzover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten
voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn
verdediging geschaad.

2. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De zaak is op 28 december 1998 en 11 januari 1999 ter terechtzitting
onderzocht.

Daarbij is verdachte gehoord. Verdachte is bijgestaan door zijn raadsman mr.
M. Moszkowicz Sr., advocaat te Maastricht.

De officier van justitie heeft geëist terzake van het primair
tenlastegelegde: een gevangenisstraf voor de tijd van 30 (dertig) maanden,
met aftrek, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2
(twee) jaren.

3. DE BESLISSING INZAKE HET BEWIJS

Aangeefster is hoewel als getuige opgeroepen niet ter terechtzitting
verschenen. De officier van justitie meent dat niet van aangeefster gevergd
kan worden dat zij alsnog wordt opgeroepen voor een nadere behandeling ter
terechtzitting en verzet zich tegen aanhouding van de behandeling; zij doet
kennelijk afstand van het horen van deze getuige. De raadsman heeft formeel
geen afstand gedaan van het horen van aangeefster als getuige. Hij heeft zich
verenigd met het voorstel van de rechtbank dat de rechtbank bij de
beraadslaging in raadkamer zal beoordelen of het nodig is dat zij alsnog
wordt gehoord. De rechtbank acht het horen van aangeefster als getuige niet
noodzakelijk.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest
van dwang zodat verdachte zal worden vrijgesproken van de verkrachting die
hem primair ten laste is gelegd. Tegenover de lezing van aangeefster staat
wat dat betreft de lezing van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting
heeft geen feiten opgeleverd op grond waarvan aan haar verklaring meer waarde
zou moeten worden gehecht dan aan zijn verklaring.

De rechtbank acht wel bewezen hetgeen aan verdachte subsidiair tenlaste is
gelegd, voorzover niet doorgestreept of gewijzigd in bijlage II. Verdachte
heeft, zoals hij zelf erkent, seksueel contact gehad met aangeefster terwijl
zij aan zijn gezag onderworpen en aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd. Zij
was van hem afhankelijk. De bescherming van afhankelijke personen staat bij
dit delict centraal. Niet van belang is of het seksuele contact met
wederzijds instemming plaatsvond. Verdachte had zich bewust moeten zijn van
zijn bijzondere verantwoordelijkheid en zich ook bij instemming van
aangeefster moeten onthouden van het plegen van seksuele handelingen. Door
desondanks seksueel contact te hebben heeft hij zich schuldig gemaakt aan
ontucht als bedoeld in artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd is niet
bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op
de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Het bewezenverklaarde levert op: ‘ontucht plegen als ambtenaar met een
persoon aan zijn gezag onderworpen of aan zijn waakzaamheid toevertrouwd”,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 249 lid 2 van het Wetboek van
Strafrecht.

Het feit is strafbaar.

5. DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Omtrent verdachte is een rapport op multidisciplinaire basis opgemaakt door
H.M.J. Vandenboorn, psycholoog NIP en kolonel-arts H.E.M. van Beek,
psychiater en Hoofd van de Afdeling Forensische en Sociale Psychiatrie/GZDKL,
gedateerd 8 december 1998, in welk rapport wordt geconcludeerd:
Onderzochte was/is ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde (indien
bewezen) en ten tijde van dit onderzoek niet lijdende aan een ziekelijke
stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling zijner geestesvermogens. Onderzochte
heeft de ongeoorloofdheid van het tenlastegelegde kunnen inzien en moet ten
aanzien van het plegen van het tenlastegelegde (indien bewezen) in
vergelijking met de gemiddeld normale volwassene normaal toerekeningsvatbaar
worden geacht.

De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van het rapport – dat door de
rechtbank bij haar beslissing in aanmerking wordt genomen – voormelde
conclusie van onderzoekers kan dragen en maakt die tot de hare.

Overeenkomstig genoemde conclusie kan niet gezegd worden dat verdachte niet
strafbaar is. Omstandigheden welk zijn strafbaarheid zouden opheffen of
uitsluiten zijn ook anderszins niet aannemelijk geworden.

6. DE MOTIVERING VAN DE SANCTIE(S)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:
a. de aard en de ernst van het gepleegde feit alsmede met de omstandigheden
waaronder dit is gepleegd;
b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Hierbij is onder meer gelet op:
– een omtrent verdachte door de reclassering Nederland, unit
‘s-Hertogenbosch, uitgebracht voorlichtingsrapport, gedateerd 15 december
1998
– voormeld rapport omtrent verdachte opgemaakt door H.M.J. Vandenboorn,
psycholoog NIP en kolonel-arts H.E.M. van Beek, psychiater en Hoofd van de
Afdeling Forensische en Sociale Psychiatrie/GZDKL, gedateerd 8 december 1998.
De rechtbank acht oplegging van een onvoorwaardelijke militaire detentie van
na te melden duur passend., gelet op hetgeen onder meer hiervoor is overwogen
en op grond van het navolgende:

Het door verdachte gepleegde feit is een ernstig feit omdat hij in zijn
functie van overheidsdienaar en gekleed in uniform inbreuk heeft gemaakt op
de bescherming die artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht afhankelijke
personen biedt. Hij heeft daarmee bovendien in Nederland en daarbuiten de
goede naam van de medewerkers van de Nederlandse grensbewaking en het
vertrouwen dat anderen in die medewerkers moeten kunnen hebben ernstig
aangetast. Een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is daarom op zijn plaats.
Gelet op het feit dat verdachte niet eerder met de strafrechter in aanraking
is geweest en hem bovendien ontslag wacht zal de rechtbank die straf
enigszins matigen.

7. TOEGEPASTE WETTELIJKE ARTIKELEN

De beslissing is gegrond, behalve op het reeds aangehaalde voorschrift, op de
artikelen 27 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 11 van het
Wetboek van Militair Strafrecht.

8. DE BESLISSING

De rechtbank, recht doende:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft
begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat het subsidiair tenlastegelegde in voege als boven
omschreven door verdachte is begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte
subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen
verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor
vermeld.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot militaire detentie voor de tijd van
8 (ACHT) MAANDEN.

Beveelt dat de tijd door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze
uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, overeenkomstig
het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, bij de uitvoering
van deze militaire detentie geheel in aftrek moet worden gebracht.

DAGVAARDING VAN DE VERDACHTE

Sector: 99
Parketnr: 05/078504-98
Volgr.: 0006
Naam: B (…)
Voornamen: F. (…) J. (…)
Geboren op: 07 november 1974 te Boxtel
Verblijvende: Militaire Penitentiair Centrum Nieuwersluis
Adres: (…)
Rang/rnr.: wachtmeester, (…)
Ingedeeld bij: (…) te Schiphol

Hierbij dagvaard ik u om als verdachte te verschijnen op maandag 28 december
1998, te 09.15 uur, ter terechtzitting van de meervoudige militaire kamer in
de arrondissementsrechtbank te Arnhem, Walburgstraat 2-4, teneinde terecht te
staan terzake van hetgeen hieronder is omschreven.

Ik verwijs naar de mededelingen onder 1,3,6,7, 8, 9 en 10 op de achterzijde
van dit blad.

Arnhem, 07 december 1998
De Officier van Justitie

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 17 september 1998 te of nabij Schiphol, in de gemeente
Haarlemmermeer door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met
geweld of een andere feitelijkheid S heeft gedwongen tot het ondergaan van
handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het
lichaam van die S, te weten het inbrengen van zijn penis in de mond en/of
anus en/of vagina van genoemde S welk geweld of andere feitelijkheid en/of
bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat
verdachte opzettelijk de deur van de (toilet)ruimte waarin hij zich met
genoemde S bevond heeft afgesloten en/of haar heeft gedreigd met zijn
dienstwapen door zijn hand naar dat wapen te brengen en/of het hoofd van
genoemde S heeft vastgepakt en/of naar beneden heeft geduwd en/of haar
gezicht naar zijn penis heeft gedwongen en/of zijn penis in haar mond en/of
(vervolgens) in haar anus en/of vagina heeft geduwd en/of haar in haar
borsten heeft geknepen;
art. 242 Wetboek van Strafrecht

hij op of omstreeks 17 september 1998 te of nabij Schiphol, in de gemeente
Haarlemmermeer, terwijl hij als ambtenaar in de rang van wachtmeester der
Koninklijke Marechaussee belast was met grensbewaking/vreemdelingen althans
indien het vorenstaande onder 1 niet tot vervolging leidt:

hij op of omstreeks 17 september 1998 te of nabij Schiphol, in de gemeente
Haarlemmermeer, terwijl hij als ambtenaar in de rang van wachtmeester der
Koninklijke Marechaussee belast was met grensbewaking/vreemdelingentoezicht
op de luchthaven Schiphol, ontucht heeft gepleegd met S, die komende vanuit
Equador, via Schiphol het Schengengebied wilde inreizen en die (aldus) aan
zijn, verdachtes, gezag onderworpen en/of aan zijn waakzaamheid toevertrouwd
en/of haar aanbevolen was, immers heeft toen en daar zijn penis in haar mond
en/of haar anus gebracht en/of gestoten en/of heeft hij haar borsten betast;
art. 249 lid 2 sub f/sub 3 Wetboek van Strafrecht.

hij op 17 september 1998 te Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer,
terwijl hij als ambtenaar in de rang van wachtmeester der Koninklijke
Marechaussee belast was met grensbewaking/vreemdelingentoezicht op de
luchthaven Schiphol, ontucht heeft gepleegd met S, die komende vanuit
Equador, via Schiphol het Schengengebied wilde inreizen en die (aldus) aan
zijn, verdachtes, gezag onderworpen en/of aan zijn waakzaamheid toevertrouwd
was, immers heeft toen en daar zijn penis in haar mond en/of haar anus
gebracht gestoten.

Aanvulling op verkort vonnis

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM MILITAIRE KAMER AANVULLING OP VERKORT
VONNIS

Parketnumrner: 05/078504-98

Aanvulling op het door de militaire kamer op 25 januari 1999 uitgesproken
verkort vonnis met betrekking tot verdachte:

B geboren op 7 november 1974 te Boxtel, wonende te (…)
wachtmeester,
nr. 74.11.07.182,
ingedeeld bij (…) te Schiphol,
thans verblijvende in het Militair Penitentiair Centrum Nieuwersluis te
Nieuwersluis, Zandpad 3. (raadsman mr. M. Moszkowicz te Maastricht)

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op
de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zijn:
c. de door verdachte ter terechtzitting van 11 januari 1999 afgelegde
verklaring, voor zover inhoudende:
Op 17 september 1998 deed ik als ambtenaar in de rang van wachtmeester der
Koninklijke Marechaussee dienst op de luchthaven Schiphol in de gemeente
Haarlemmermeer. Ik was belast met grensbewaking/vreemdelingentoezicht. Ik was
gekleed in uniform. Op een gegeven moment werd de in de tenlastelegging
genoemde vrouw S geweigerd het Schengengebied in te reizen. Zij kwam uit
Equador. Op een gegeven moment moest ik mevrouw van de doorlaatpost brengen
naar het passantenverblijf. Ik ben met haar daarheen gaan lopen en onderweg
week ik van de route af. Ik ging met haar de trap naar het casino op en ging
met haar in een invalidentoilet. In dat toilet heb ik seks met mevrouw gehad.
Ik had daar gemeenschap met haar. Tijdens deze seks is mijn penis in haar
mond geweest.

d. het in de wettelijke vorm door M.A. Oostinga, wachtmeester eerste klasse
der Koninklijke Marechaussee, district Luchtvaart te Schiphol, opgemaakte
proces-verbaal van aangifte, documentnummer 2.1.3 bij het stamproces-verbaal,
opgemaakt op 18 september 1998, voor zover inhoudende:
de op 18 september 1998 ten overstaan van verbalisant doorS afgelegde
verklaring:
Op 17 september 1998 arriveerde ik bij de paspoortcontrole op de luchthaven
Schiphol. De man van de immigratiedienst ging bellen en na enige tijd moest
ik van een andere geuniformeerde persoon wachten.
Een uur later hoorde ik dat ik geweigerd was en dat ik ergens heen gebracht
zou worden. Vervolgens verscheen een andere geuniformeerde persoon, die ik al
wel in de kantoorruimte had zien zitten en ik zag dat hij papieren in de hand
had. Ik moest de man volgen. Na een aantal minuten gingen we een roltrap op.
Op dat gegeven moment zag ik een bordje met gehandicaptentoilet. De man deed
een deur open en ik moest naar binnen. De man deed mijn zwarte jasje en mijn
blouse uit. De man deed zijn gulp open en had zijn penis in zijn hand. De man
duwde mijn mond naar zijn stijve penis en ik heb de penis in mijn mond
genomen. Enkele ogenblikken later draaide de man mij om en ik stond met de
rug naar hem toe. Vervolgens voelde ik dat de man met zijn penis mijn anus
was binnengedrongen. Direct daarna trok hij zijn penis terug en bracht hij
zijn penis vaginaal naar binnen. Daarna kwam de man in mij klaar.

De bewijsmiddelen zijn uitgewerkt en op januari 1999 door de voorzitter
vastgesteld en ondertekend.

Rechters

Mr. H.P.M. Kester, vice-president, mr. H. Eigenberg, luitenant-kolonel mr.J.R.G. Jofriet, en J.L. de Vos.

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 20 januari 1999

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Seksueel misbruik door gedaagde (vader), in de periode dat de eiseres
(dochter) tussen de zes en veertien jaar oud is. Gedaagde is door de
rechtbank veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf wegens ontucht met haar
en met een andere minderjarige. Hoger beroep tegen dit vonnis loopt nog.
Eiseres vordert ƒ 50.000 immateriële en ƒ 36.425 materiële schadevergoeding.
Naar het oordeel van de rechtbank is het misbruik voldoende aannemelijk
gemaakt. Het feit dat de strafzaak nog onder de rechter is, doet hier niet
aan af. Zelfs een strafrechtelijke vrijspraak zou een civiele veroordeling op
zich niet in de weg staan. De rechtbank wijst ƒ 20.000 immateriële
schadevergoeding toe. Daarnaast wordt de gevorderde materiële schade volledig
toegewezen.

Volledige tekst

Verloop van de procedure
De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of
proceshandelingen:
– dagvaarding,
– conclusie van eis met bewijsstukken,
– conclusie van antwoord,
– conclusie van repliek met bewijsstukken,
– conclusie van dupliek met een bewijsstuk,
– akte uitlating produkties.
Partijen hebben stukken overgelegd ter verkrijging van vonnis.

Gronden van de beslissing

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) betwist,
alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van overgelegde
bewijsstukken, staat het volgende vast.

a. L.. geboren op 31 december 1971, is de dochter van W. Zij heeft op 5
augustus 1996 bij de politie aangifte gedaan van seksueel misbruik door W.
van haar zesde of zevende tot haar veertiende jaar. In haar aangifte heeft
zij verklaard dat het misbruik aanvankelijk bestond uit het extra lang wassen
door haar vader bij haar billen en vagina. Ook moest zij haar vader wassen
als hij in bad lag, onder meer zijn geslachtsdeel. Verder voelde hij aan haar
borsten en in haar kruis als zij een nieuw badpak paste voor de door haar
beoefende sport schoonspringen.

L. heeft voorts in haar aangifte verklaard dat W. haar op haar veertiende
tijdens een vakantie op Tenerife over haar hele lichaam heeft betast, haar
borsten en vagina heeft gelikt en met zijn vingers in haar vagina is gegaan.
Daarna heeft hij haar, zo heeft zij verklaard, thuis nog in bed betast.

b. Mevrouw H.M. L., de moeder van de moeder van L., heeft op 15 augustus 1996
tegenover de politie verklaard dat haar dochter (de moeder van L. dus) haar
had verteld dat zij tijdens een vakantie op Tenerife haar man naakt uit de
kamer van L. had zien komen en L. huilend in bed had zien liggen.

c. H. G., voormalig middelbare school decaan van L., heeft op 15 augustus
1996 tegenover de politie verklaard dat L. hem in haar schooltijd had
aangegeven dat zij door haar vader op een vakantie was betast.

d. Bij vonnis van 5 maart 197 is W. door deze rechtbank veroordeeld tot een
gevangenisstraf van twee jaar terzake van onder meer vleselijke gemeenschap
en ontucht met de minderjarige D. P. alsmede ontucht met L. in de periode van
31 december 1977 tot en met 30 december 1987.
Tegen dit vonnis heeft W. hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof heeft nog
geen uitspraak gedaan.

2. L. vordert veroordeling van W., wegens onrechtmatige gedragingen jegens
haar, tot betaling van ƒ 50.000 als immateriële schadevergoeding en ƒ 36.425
als materiële schadevergoeding, alles te verhogen met de wettelijke rente
vanaf de dagvaarding (23 april 1997) tot aan de voldoening en met
veroordeling van W. in de proceskosten.
Haar materiële schade heeft zij als volgt toegelicht:
– verlies van een jaar inkomen als gevolg van doublure op VWO ƒ 24.000
– lager salaris na het staken van de rechtenstudie wegens emotionele
problemen ƒ 12.000
– eigen bijdrage advocaat ƒ 425
totaal ƒ 36.425

3. W. ontkent dat hij L. seksueel heeft misbruikt. Hij voert voorts aan dat
in de onderhavige civiele procedure de (onherroepelijke) uitspraak van het
gerechtshof in de strafzaak tegen W. moet worden afgewacht.

4. Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat in deze procedure voor de vraag
of de stellingen van L. bewezen zijn de bepalingen gelden van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en dat in civilibus andere bewijsregels
gelden dan in het strafrecht.
Voorts wordt overwogen dat artikel 188 Rv waarin staat dat een onherroepelijk
strafvonnis dwingend bewijs oplevert, hier toepassing mist omdat de strafzaak
nog onder de rechter is.

5. Dit laatste betekent echter niet dat de stellingen van L. niet bewezen
geacht kunnen worden zolang in de strafzaak geen uitspraak is gedaan. De
artikelen 176 en 177 Rv zijn immers onverkort van toepassing, terwijl een
strafrechtelijke vrijspraak een civiele veroordeling op zichzelf niet in de
weg staat.

6. Naar het oordeel van de rechtbank is – op grond van de hiervoor onder 1.a.
tot en met 1.c. aangehaalde schriftelijke bewijsstukken, te weten de aangifte
van L. en de verklaringen van mevrouw H.M. L. en H. G. – voldoende
aannemelijk dat het gestelde misbruik door W. heeft plaatsgevonden, behoudens
tegenbewijs. De inhoud van de schriftelijke verklaringen in onderling verband
en samenhang bezien geeft zonder andersluidende verklaringen, die ontbreken,
geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud daarvan. W. heeft geen
tegenbewijs aangeboden en de rechtbank ziet evenmin aanleiding voor een
ambtshalve opdracht daartoe, zodat in dit geding van de juistheid van de
stellingen van
. wordt uitgegaan.

7. Ten aanzien van de gevorderde schadebedragen heeft W. het volgende
aangevoerd.
De oorzaak voor het niet voltooien door L. van haar rechtenstudie moet
volgens hem gezocht worden in het feit dat zij de studie niet meer leuk vond
en dat zij bovendien in verband met een tweejarig verblijf van haar moeder in
Spanje niet erg goed functioneerde, zoals L. aan haar moeder zou hebben laten
weten.
Voorts heeft W. een beroep gedaan op matiging, gelet op het feit dat hij door
de strafzaak zijn baan heeft verloren en zijn nevenwerkzaamheden als muzikant
heeft moeten staken.

8. Daar tegenover heeft L. erop gewezen dat algemeen bekend is dat
slachtoffers van seksueel misbruik tot in lengte van dagen last houden,
hetgeen W. heeft erkend.
L. heeft onweersproken gesteld dat haar een zorgeloze jeugd is ontnomen, dat
zij lange tijd depressief is geweest en zelfs eenmaal een zelfmoordppoging
heeft gedaan. Haar schoolresultaten zijn achtergebleven en sinds november
1996 is zij in behandeling bij het Riagg.

9. Op grond van de genoemde omstandigheden, die impliceren dat L. bijzonder
ernstige gevolgen ondervindt van het misbruik, acht de rechtbank een
immateriële schadevergoeding van ƒ 20.000 billijk.

10. Ten aanzien van de gevorderde materiële schadeposten heeft W., behoudens
voor zover het de afgebroken rechtenstudie betreft, geen verweer gevoerd. De
posten ‘verlies van een jaar inkomen door doublure VWO’ en ‘eigen bijdrage
advocaat’ zijn dan ook toewijsbaar.
Daarnaast acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat L. in haar
carrièremogelijkheden is beperkt als gevolg van haar emotionele problemen. De
vordering van ƒ 12.000 is in dat verband niet bovenmatig, waarbij in het
midden kan blijven of het misbruik al dan niet (geheel) als oorzaak van het
afbreken van de studie kan worden aangemerkt.
De gevorderde materiële schade van ƒ 36.425 zal dan ook geheel worden
toegewezen.

11. Het beroep van W. op matiging wordt afgewezen aangezien niet gezegd kan
worden dat toekenning van volledige schadevergoeding tot kennelijk
onaanvaardbare gevolgen zou leiden, waarbij met name de aard van zijn
aansprakelijkheid meeweegt. Daar komt nog bij dat W. weliswaar heeft
aangevoerd dat hij de baan en nevenwerkzaamheden, die hij ten tijde van de
strafzaak had, is kwijtgeraakt, maar overigens geen inzicht heeft gegeven in
zijn financiële situatie.
Aan de vereisten van artikel 6:109 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is dan
ook niet voldaan.

12. W. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de
proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De rechtbank:

– veroordeelt W. tot betaling aan L. van ƒ 56.425 vermeerderd met de
wettelijke rente daarover vanaf 23 april 1997 tot aan de voldoening;

– veroordeelt W. in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de
zijde van L. begroot op ƒ 4.481,79 waarvan te betalen:
– aan L. ƒ 190 voor bij haar gevallen kosten aan vast recht en
– aan de griffier van deze rechtbank ƒ 2.750 aan salaris procureur, ƒ 1.450
aan overig vast recht en ƒ 91,79 aan exploitkosten;

-wijst het meer of anders gevorderde af

– verklaart de bovenstaande betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr M. van Hees