Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 20 november 1998

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De Hoge Raad oordeelt dat onvoldoende is gemotiveerd dat aandacht is besteed
aan de essentiële stelling van de vrouw dat de man gezien zijn inkomen en de
door hem opgenomen spaargelden de gewraakte lening niet had behoeven aan te
gaan en in elk geval eerder had kunnen aflossen.

Volledige tekst

3.2. Het middel klaagt dat het Hof is voorbijgegaan aan essentiële stellingen
van de vrouw, die betrekking hebben op de vraag of en in hoeverre bij de
bepaling van de draagkracht van de man rekening dient te worden gehouden met
rente- en aflossingsverplichtingen jegens de Kredietbank te Overpelt. Deze
bank had hem in verband met de verwerving en de exploitatie van een
horeca-onderneming annex horeca-opleidingscentrum een tweetal leningen
verstrekt. welke, nadat hij medio 1993 de verliesgevende exploitatie van deze
ondernemingen had beëindigd en de inventaris had verkocht, waren omgezet in
een annuïteit van BF 2 000 000, af te lossen in maandelijkse termijnen van,
in Nederlandse guldens omgerekend, ƒ 2285,32. De man heeft betoogd dat met
deze verplichting ten volle rekening moest worden gehouden.

3.3. De Rechtbank heeft geoordeeld dat zij hiervan naar redelijkheid en
billijkheid slechts een bedrag van ƒ 1000 per maand, bestaande uit ƒ 300 aan
rente en ƒ 700 aan aflossing, in aanmerking wilde nemen; ter motivering van
dit oordeel heeft zij overwogen dat de man weliswaar aan de hand van
bescheiden had aangetoond dat hij hogere maandelijkse lasten voldoet, maar
dat zij onvoldoende aannemelijk gemaakt achtte (i) dat de schulden van de
door de man gedreven onderneming de door hem gestelde omvang hebben, (ii) dat
de door de man gestelde schulden in hun volle omvang betrekking hebben op de
door hem gedreven onderneming en (iii) dat de man de gestelde schulden niet
op andere wijze – voor een deel – heeft kunnen delgen.

3.4. In appel heeft de man – voor zover in cassatie van belang – aangevoerd
dat de Rechtbank ten onrechte van zijn schuld aan de Kredietbank te Overpelt
slechts een bedrag van ƒ 1000 per maand in aanmerking had genomen en dat de
Rechtbank ten onrechte had getwijfeld aan de juistheid van de door hem
gestelde cijfers. De vrouw heeft volhard bij haar in eerste aanleg ingenomen
standpunt en gesteld dat, ook indien men uitgaat van de door de man gestelde
resultaten van de twee door hem destijds geëxploiteerde ondernemingen, de man
gezien zijn inkomen en de door hem in die periode opgenomen, niet in die
ondernemingen gestoken spaargelden, de lening onnodig had aangegaan en deze
in elk geval al eerder had kunnen aflossen.

3.5. Het Hof heeft in zijn eindarrest uitsluitend overwogen dat het
genoegzaam aannemelijk acht dat op de man een betalingsverplichting van ƒ
2285,32 per maand jegens de Kredietbank rust, waarbij het rekening ermee
houdt dat het fiscaal aftrekbare rentebestanddeel van dit bedrag ƒ 520,65
bedraagt. Uit ’s Hofs arrest blijkt echter niet dat het Hof aandacht heeft
besteed aan de als essentieel aan te merken stellingen van de vrouw dat de
man gezien zijn inkomen en de door hem in die periode opgenomen spaargelden
de lening niet had behoeven aan te gaan en deze in elk geval eerder had
kunnen aflossen. Het Hof is dan ook in zijn motivering tekortgeschoten door
hetzij aan die stellingen voorbij te gaan, hetzij die stellingen zonder enige
redengeving te verwerpen Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 26 maart
1997;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het
Gerechtshof te Arnhem;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

VOETNOTEN
1. Op de vordering is Nederlands recht van toepassing; zie inl. dagv. blz. 2
en CVA sub 1 en 2.
2. Dat betekent dat het vroegere echtscheidingsprocesrecht (de art.
814-827-oud Rv) in deze zaak in alle instanties van toepassing is. Zie de
overgangsbepaling in art. V van de Wet herziening echtscheidingsprocesrecht
van 1 juli 1992, Stb. 373, in werking getreden op 1 januari 1993 (KB 1 okt.
1992, Stb. 530). Zie, voor zoveel nodig, ook de overgangsbepaling in art. X
van de wet van 7 juli 1994, Stb. 570.
3. Uitgaande van het oude echtscheidingsprocesrecht (zie noot 2). Vgl.
Veegens/Korthals Altes/Groen (1989) nr. 68.
4. Zie ook de samenvatting sub 2.3.2. in het Rb.-vonnis.
5. Zie ook de antwoordakte in het principaal appèl d.d. 14 november 1995,
waarbij de vrouw een tussen partijen gewezen kort geding-vonnis d.d. 25
februari 1994 heeft overgelegd. Op blz. 2 daarvan acht de president
aannemelijk dat de man ƒ 50 000 van een gemeenschappelijke (Engelse) rekening
heeft aangewend tot aflossing van zijn schulden bij een Belgische bank.

Rechters

Mrs Roelvink, Korhals Altes, Van der Putt-Lauwers; A-G Langemeijer

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 november 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster werkt in deeltijd bij de wederpartij. In verband met haar
zwangerschap en de noodzaak van kinderopvang heeft zij gevraagd haar
werktijden te wijzigen. In een tussenoordeel in deze zaak (98-109) is
partijen gevraagd hun standpunten te onderbouwen. Verzoekster voert aan dat
zij bij de door de wederpartij voorgestelde werktijden voor vijf hele dagen
kinderopvang dient te reserveren. De kosten daarvan staan niet in relatie tot
het inkomen als deeltijdwerker. De wederpartij voert ter onderbouwing van
haar keuze voor de huidige deeltijdregeling aan dat zij bij overwerk juist
deeltijdwerkers wenst in te zetten.
De Commissie overweegt dat de verplichting om in vijf hele dagen kinderopvang
te voorzien terwijl er vijf halve dagen wordt gewerkt zal leiden tot grotere
uitstroom van vrouwen op de arbeidsmarkt ingeval van moederschap. Het
voordeel van de wederpartij bij de huidige deeltijdregeling weegt niet op
tegen de grote financiële nadelen van verzoekster. Het door de wederpartij
gemaakte indirecte onderscheid is derhalve niet objectief gerechtvaardigd.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 18 juni 1998 verzocht mevrouw …. te Cuijk (hierna: verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) met spoed haar oordeel
uit te spreken over de vraag of door …. te Cuijk (hierna: de wederpartij)
onderscheid wordt gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft, in verband met haar zwangerschap en de noodzaak van
kinderopvang in de toekomst, aan haar werkgever om een wijziging van haar
werktijden gevraagd. De wederpartij heeft dit verzoek afgewezen. Verzoekster
is van mening dat hierdoor onderscheid wordt gemaakt naar arbeidsduur en dat
met name vrouwen hierdoor worden getroffen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en het verzoek om
een versnelde behandeling gehonoreerd. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 1
september 1998. Geen van beiden zijn aldaar verschenen. De wederpartij bleek
op het laatste moment verhinderd. Verzoekster heeft er na overleg van
afgezien om als enige partij te verschijnen.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

Van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. W. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het eindoordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

Op 2 oktober 1998 heeft de Commissie in een tussenoordeel, met oordeelnummer
98-109, partijen om nadere, schriftelijke, onderbouwing van hun standpunten
gevraagd. Naar aanleiding van deze informatie is de Commissie in raadkamer op
26 oktober 1998 tot een oordeel gekomen.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een slachterij waar pluimvee wordt verwerkt.
Verzoekster werkt sinds 1 maart 1989 als inpakster bij de wederpartij. In
1996 is verzoekster in deeltijd gaan werken voor 20 uur per week. Samen met
een andere deeltijdwerker vult verzoekster één werkplek. Verzoekster werkt
steeds halve dagen. De ene week in de ochtenddienst, de andere in de
middagdienst.

Verzoekster heeft onder andere in maart 1998 een verzoek ingediend tot een
andere invulling van haar werktijden, te weten 2,5 dag per week op vaste
dagen. Dit in verband met haar zwangerschap en kinderopvangmogelijkheden
vanaf oktober 1998. De wederpartij heeft dit verzoek afgewezen. De
wederpartij heeft verzoekster deeltijdarbeid aangeboden dagelijks van 11.45
uur tot 16.30 uur. Verzoekster heeft dit evenwel niet geaccepteerd.

In artikel 17 van de Verordening lonen en andere arbeidsvoorwaarden -welke
bij de wederpartij van toepassing is- wordt bepaald dat de normale werktijden
zich bewegen tussen 06.00 uur en 17.30 uur. Op een enkele uitzondering na (te
weten werknemers in de slachterij en de expeditie) wordt bij de wederpartij
normaal gesproken van 7.45 uur tot 16.45 uur gewerkt.

In de CAO wordt in artikel 23, lid 3 tevens bepaald dat een overwerktoeslag
alleen wordt betaald over uren die samenvallen met uren die ook voor
voltijdwerkers als overwerk gelden.

Bij de wederpartij werken 144 medewerkers waarvan 26 personen in deeltijd.
Een aantal medewerkers werkt 4 dagen per week, 2 medewerkers werken 2 ½ dag
per week en de overigen rouleren per week van ’s ochtends naar ’s middags en
omgekeerd.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

De huidige werktijden-indeling geeft problemen bij kinderopvang. Zowel voor
opvang in de privé-sfeer als in reguliere kinderopvang is een constructie met
één week opvang voor de ochtenden en de andere week opvang voor de middagen
zeer moeilijk te realiseren. Bij kinderopvang in de privé-sfeer ontstaat een
probleem indien de betreffende ‘gast-ouder’ ook in deeltijd werkt. Bij opvang
in een kinderdagverblijf is men verplicht om een volledige kindplaats te
nemen, terwijl men slechts een halve kindplaats nodig heeft.

Het argument dat de wederpartij heeft aangevoerd in verband met
organisatorische problemen bij ziekteverzuim van een deeltijdwerker indien de
werktijden anders zouden worden ingedeeld, gaat mank. Ook voltijdwerkers
werken hele dagen en moeten in geval van ziekte of verlof hele dagen worden
vervangen. Volgens deze redenering worden deeltijdwerkers anders behandeld
dan voltijdwerkers. Deeltijdwerkers zijn voornamelijk vrouwen.
De kans dat een deeltijdwerker ziek is op een dag dat deze niet hoeft te
werken, is even groot als op een dag dat deze wel moet werken. In het eerste
geval hoeft geen vervanging te worden geregeld. Verzoekster wijst op een
ander geval waarin door twee deeltijdwerkers op vaste dagen wordt gewerkt,
hetgeen volgens haar ook goed gaat.

Verzoekster verschaft desgevraagd na het tussenoordeel nadere toelichting
waarom zij de door de wederpartij voorgestelde werktijden niet kan
accepteren. Zij is voor kinderopvang aangewezen op een kinderdagverblijf waar
zij bij de voorgestelde werktijden voor vijf hele dagen kinderopvang dient te
reserveren. Dit brengt kosten met zich mee die niet in relatie staan tot het
inkomen als deeltijdwerker.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

De produktie van de wederpartij is afhankelijk van de vraag op de markt, van
onder andere supermarkten en poeliers. De vraag varieert sterk. De produkten
die de wederpartij levert zijn bederfelijk, reden waarom niet op voorraad
geproduceerd kan worden. Vaak is pas op de dag zelf bekend welke orders er
precies zijn. Het aanbod van levend pluimvee sluit daarnaast niet altijd aan
op de vraag. Deze factoren bepalen de zware druk en de flexibiliteit waarmee
de organisatie moet werken.
Gelet op de bedrijfsactiviteiten is flexibiliteit van de medewerkers
noodzakelijk. De medewerkers beseffen dat er in solidariteit ook tot ‘s
avonds laat doorgewerkt moet worden in geval van storing. Dit heeft tot
gevolg dat wanneer alle deeltijdwerkers ’s ochtends zouden werken -hetgeen
zij prefereren om de kans op overwerk te minimaliseren- dit zou leiden tot
onvrede bij de voltijdwerkers. Om die ongelijkheid te voorkomen, is er voor
gekozen om deeltijdwerkers de ene week ochtend- en de andere week
middagdiensten te laten werken.

Het verzoek van verzoekster om op 2 ½ dag per week te werken, is serieus
bekeken. Al eerder is met twee collega’s van verzoekster geëxperimenteerd op
de door verzoekster voorgestelde wijze. Het is echter te belastend voor de
organisatie indien zoveel verschillende groepen mensen met verschillende
werktijden werkzaam zijn. In overleg met de afdelingschefs is bepaald dat de
twee genoemde collega’s een uitzondering vormen.
Vanwege de onvoorspelbare wisselende werkdruk is het van belang dat voltijd-
en deeltijdwerkers elke dag werken. De afdelingschefs hebben dan de beste
mogelijkheden om op de dag zelf te bepalen hoe de diverse taken over de
beschikbare mensen verdeeld kunnen worden. Als het druk is, kan het zo zijn
dat werknemers (ook de deeltijdwerkers) moeten overwerken. Als het niet druk
is, is het mogelijk dat voltijdwerkers een vrije middag nemen. Daartoe
hanteert de wederpartij een lijst waarop werknemers kunnen aangeven dat zij
vrij willen als het werk dat toelaat.

De wederpartij beseft terdege dat het belang van werknemers gediend moet
worden om tot een gemotiveerd team te komen. Anderzijds moet een grens worden
getrokken om het bedrijfsbelang te dienen. De wederpartij heeft ook begrip
voor de problemen waarvoor een werknemer met de zorg voor een kind, die kiest
voor betaalde kinderopvang, komt te staan vanwege de wekelijks verspringende
werktijden. Om die reden biedt de wederpartij aan om opnieuw een uitzondering
te maken op haar werktijdenregeling, door verzoekster een
deeltijddienstverband aan te bieden, waarbij altijd het tweede dagdeel wordt
gewerkt. Verzoekster is ingedeeld op een afdeling waar ’s middags een iets
grotere werkdruk bestaat dan in de ochtend. Om die reden zal deze oplossing
ook binnen de organisatie geaccepteerd kunnen worden.
Zij is van mening dat door eerst de ondernemingsraad van de wederpartij in te
schakelen in overleg een oplossing had kunnen worden gevonden. De sfeer bij
de wederpartij leent zich daartoe uitstekend.

De wederpartij werd bij tussenoordeel verzocht nadere onderbouwing te leveren
voor de noodzaak van haar deeltijdregeling. De wederpartij geeft daarbij als
belangrijkste argument de flexibele inzet van deeltijdwerkers in geval van
overwerk.

De wederpartij heeft een sterke voorkeur voor de deeltijdmogelijkheid,
waarbij deeltijders per week rouleren van ’s ochtends naar ’s middags en
omgekeerd. Dit wordt veroorzaakt door de wens juist deeltijdwerkers in te
zetten in geval van overwerk. De wederpartij zet liever een beperkter aantal
deeltijdwerkers voor meer extra uren per dag in dan een hele afdeling een
korte tijd extra te laten werken.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij een verboden onderscheid maakt
naar arbeidsduur, dan wel indirect onderscheid naar geslacht, door te
weigeren de werktijden van verzoekster aan te passen.

4.2. In dat verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.

Artikel 7:648 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt onder andere dat de
werkgever geen onderscheid mag maken tussen werknemers op grond van een
verschil in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een arbeidsovereenkomst
wordt aangegaan, voortgezet, dan wel opgezegd, tenzij een dergelijk
onderscheid objectief gerechtvaardigd is. Dit artikel is opgenomen in de Wet
van 3 juli 1996, houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de
Ambtenarenwet in verband met het verbod tot het maken van onderscheid tussen
werknemers naar arbeidsduur (WOA).
Deze wet is op 1 november 1996 in werking getreden.

Artikel 7:646 lid 1 BW bepaalt dat de werkgever geen onderscheid mag maken
tussen mannen en vrouwen in onder andere de arbeidsvoorwaarden. Op grond van
het vijfde lid van artikel 7:646 BW wordt onder onderscheid tussen mannen en
vrouwen direct en indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen verstaan.
Onder direct onderscheid wordt mede verstaan onderscheid op grond van
zwangerschap, bevalling en moederschap. Onder indirect onderscheid wordt
verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het onderscheid op
grond van geslacht, bijvoorbeeld echtelijke staat of gezinsomstandigheden,
dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft. Het verbod van 7:646
lid 1 BW geldt niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is (7:646 lid 6 BW).

4.3. De Commissie dient eerst de vraag te beantwoorden welke van
bovengenoemde bepalingen van toepassing is op onderhavige casus.

Verzoekster stelt dat voltijdwerkers anders worden behandeld dan
deeltijdwerkers, aangezien de wederpartij voor deeltijdwerkers die ziek
worden geen vervanging voor de hele dag wenst te regelen, terwijl dat voor
voltijdwerkers wel geregeld kan worden. Hierdoor is deeltijdwerk alleen
mogelijk door halve dagen te werken. De wederpartij heeft zich evenwel in de
procedure bij de Commissie niet op dit argument beroepen, maar andere
praktische argumenten aangevoerd waardoor deeltijdarbeid op de door
verzoekster gewenste werktijden niet mogelijk zou zijn. Deze argumenten
resulteren niet in een ongelijke behandeling van voltijd- en deeltijdwerkers.

4.4. De Commissie zal de onderhavige casus derhalve toetsen aan artikel
7:646, leden 1 en 6 BW. De vraag is dan ook aan de orde of sprake is van
indirect onderscheid op grond van geslacht.

Het is een feit van algemene bekendheid dat met name vrouwen in deze
maatschappij in deeltijdbanen (willen) werken aangezien zij het betaald werk
veelal combineren met zorgtaken. Uit onderzoeksgegevens blijkt voorts dat met
name vrouwen de verzorging van kinderen op zich nemen
ÃNOOT 1#4#1Ž. Zij zullen daarom ook
eerder te maken hebben met problemen betreffende het vinden van passende
kinderopvang. De verplichting om in vijf hele dagen kinderopvang te voorzien
terwijl er vijf halve dagen gewerkt wordt zal leiden tot grotere uitstroom
van vrouwen op de arbeidsmarkt ingeval van moederschap.

Een maatregel als de onderhavige benadeelt zodoende overwegend vrouwen en
dient te worden beschouwd als indirect onderscheid zoals verboden in artikel
7:646, lid 1 BW.

4.5. De Commissie dient vervolgens na te gaan of dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is. De Commissie toetst hierbij, conform de jurisprudentie
van het Europese Hof van Justitie (HvJEG) aan de volgende criteria
ÃNOOT 2#4#2Ž:
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn,
– de middelen die zijn gekozen om het doel te bereiken, dienen te
beantwoorden aan een werkelijke behoefte (van de onderneming) en
– deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.

4.6. Ten aanzien van het doel van de werktijdenregeling voor deeltijdwerkers
overweegt de Commissie het volgende.

De wederpartij heeft aangegeven dat zij de genoemde werktijden hanteert om te
allen tijde aan de wisselende produktievraag te kunnen voldoen. Zij wenst
daarbij in relatieve zin een even groot beroep te doen op voltijdwerkers en
deeltijdwerkers, zodat zowel voltijdwerkers als deeltijdwerkers iedere dag
moeten komen werken. In die zin dient het doel van de werktijdenregeling de
continuïteit en een doelmatige verdeling van de werkzaamheden. Dat is naar
het oordeel van de Commissie een niet discriminatoir doel dat een zwaarwegend
belang dient.

4.7. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de werktijdenregeling
een geschikt en noodzakelijk middel is om het gestelde doel te bereiken.

Reeds eerder overwoog de Commissie dat, om te voorkomen dat de norm van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen wordt uitgehold, niet al te
gemakkelijk dient te worden aangenomen dat bepaalde oplossingen niet mogelijk
zijn ÃNOOT 3#4#3Ž.

De Commissie voelt zich hierin gesterkt door de nationale en internationale
ontwikkelingen op het punt van deeltijdarbeid ÃNOOT 4#4#4Ž.
De wederpartij dient derhalve afdoende aan te tonen dat deeltijdarbeid op de
door verzoekster gewenste wijze niet mogelijk is.
De Commissie tekent hierbij overigens aan dat het voorafgaande niet betekent
dat door de werkgever altijd tegemoet gekomen dient te worden aan de wens om
op bepaalde wijze in deeltijd te gaan werken. ÃNOOT 5#4#5Ž Zo kan er -binnen bepaalde
grenzen- van de werkneemster worden gevergd dat zij zelf opkomt voor een
zeker financieel nadeel dat zij ondervindt doordat zij door de inroostering
van de deeltijduren van haar werkgever meer kosten aan kinderoppas moet maken
dan in het door haar gewenste geval.

De wederpartij heeft in eerste instantie als redenen voor de weigering
opgegeven de onvoorspelbaar wisselende werkdruk enerzijds en het
overwerkrisico dat iedere werknemer in gelijke mate moet treffen anderzijds.
De Commissie ziet evenwel niet in dat deze argumenten uit oogpunt van
bedrijfsefficiency noodzakelijkerwijs leiden tot de regel dat deeltijdwerk
uitsluitend in de uren tussen 11.45 uur en 16.30 uur of alternerend
‘s-ochtends en ‘s-middags verricht kan worden.
Immers indien deeltijdarbeid van twee medewerkers wordt verdeeld in tweemaal
tweeëneenhalve dag achtereenvolgens zijn er dagelijks niet minder medewerkers
aanwezig dan in de door de wederpartij gewenste situatie. Evenmin levert deze
indeling van deeltijdarbeid een groter overwerkrisico voor de ene dan wel
voor de andere deeltijdwerker op.

Vanwege de door de wederpartij in tweede instantie verschafte informatie
wordt de situatie met betrekking tot het overwerken duidelijker. Het blijkt
dat overwerk met name door deeltijdwerkers wordt verricht. Als
deeltijdwerkers hun werktijden invullen door hele dagen te werken verliest de
wederpartij het voordeel van de flexibele inzet van deeltijdwerkers wat
arbeidsuren betreft.
Het voorafgaande betekent dat het voordeel van de deeltijdregeling geheel bij
de wederpartij ligt. Deeltijdwerkers krijgen immers voor overwerk dat wordt
verricht binnen de voor voltijdwerkers gebruikelijke werktijden geen
overwerktoeslag ÃNOOT 6#4#6Ž. Evenmin hoeft de wederpartij gebruik te maken van duurdere
oproep- en/of uitzendkrachten. Deeltijdwerkers kunnen daarentegen -nu het
bedrijf een dergelijke flexibele inzet van ze vergt- minder vrij over de tijd
beschikken die buiten de contractuele arbeidstijd valt. Het nadeel van de
produktiewijze bij de wederpartij wordt zodoende overwegend op
deeltijdwerkers afgewenteld.
De Commissie onderkent de mogelijkheid dat in veel gevallen deeltijdwerkers
geen bezwaar hebben tegen het overwerken bij de wederpartij. Dat wil evenwel
niet zeggen dat een regeling waarbij de mogelijkheden van deeltijdarbeid door
de werkgever worden vastgesteld zonder uitzondering voor bijvoorbeeld vrouwen
die in verband met zorgtaken minder flexibel kunnen werken ook een geschikt
en noodzakelijk middel is om het gestelde doel te bereiken. Integendeel,
juist omdat het om vrij weinig werknemers gaat ziet de Commissie niet in dat
het tijdelijk toelaten van uitzonderingen wat arbeidstijden van met name
moeders van heel jonge kinderen betreft zou leiden tot stagnatie in het
produktieproces.

Zoals reeds aangegeven mag van de werkneemster worden gevergd dat zij enig
financieel nadeel voor haar rekening neemt. In dit geval weegt het nadeel
voor de werkgever bij een andere werktijdenregeling echter niet op tegen de
grote financiële nadelen voor de werkneemster. Daar komt nog bij dat de door
de wederpartij aan verzoekster aangeboden werktijden neerkomen op een totaal
van bijna 24 uur. Dit zijn meer uren dan door verzoekster gewenst. Ze wijken
bovendien af van het gebruikelijke aantal uren dat bij de wederpartij in
deeltijdarbeid wordt gewerkt.

Uit het voorafgaande vloeit voort dat het strikt hanteren van de
deeltijdregeling geen geschikt en noodzakelijk middel is om het door de
wederpartij gestelde doel te bereiken. Het door de wederpartij gemaakt
indirect onderscheid op grond van geslacht is derhalve niet objectief
gerechtvaardigd. De wederpartij heeft zodoende jegens verzoekster in strijd
gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat …. te
Cuijk jegens mevrouw …. te Cuijk indirect onderscheid op grond van geslacht
heeft gemaakt als bedoeld in artikel 7:646, lid 1 Burgerlijk Wetboek zonder
dat dit objectief gerechtvaardigd is en derhalve in strijd heeft gehandeld
met deze wet.

Aldus vastgesteld op 19 november 1998.

prof. mr. J.E. Goldschmidt mr. A.N. Veekamp
Kamervoorzitter secretaris Kamer

Oordeel 98-126
@@TNT=
[NOOT_1]
C.S. van Praag en M. Niphuis-Nell, Het Gezinsrapport, Sociaal Cultureel
Planbureau, Rijswijk, november 1997, par. 3.3.2. p. 70.
[NOOT_2]
HvJEG, 13 mei 1986, Bilka Kaufhaus GmbH versus Weber von Hartz,
C 170-84, Jur. 1986, p. 1607.
[NOOT_3]
Commissie gelijke behandeling, 10 augustus 1995, oordeel 95-32 en Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 21 december 1994,
oordeel 94-05.
[NOOT_4]
Zo liggen er op nationaal niveau in een vergevorderd stadium plannen om te
komen tot de wettelijke registratie van een recht op deeltijdarbeid en wordt
op internationaal niveau bepaald dat de werkgever -op grond van clausule 5
onder d lid 3 van Richtlijn 97/81/EG van 15 december 1997, betreffende de
door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake
deeltijdaarbeid, PBEG 1998, L 14/9- onder meer in overweging dient te nemen
maatregelen om de toegang tot deeltijdwerk te vergemakkelijken op alle
niveaus van de onderneming.
[NOOT_5]
Zie bijvoorbeeld ook Commissie gelijke behandeling, 13 juni 1995, oordeel
95-21.
[NOOT_6]
Artikel 23, lid 3 Verordening lonen en andere arbeidsvoorwaarden

Rechters

Mrs Goldschmidt, Van Veen, Mulder

Instantie: Hof van Justitie EG, 19 november 1998

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


De Deense wettelijke regeling die betrekking heeft op de inkomenscompensatie in geval van afwezigheid wegens aan zwangerschap gerelateerde arbeidsongeschiktheid vergoedt niet een honderd procent loonsdoorbetaling. Bovendien is het de werkgever toegestaan een zwangere werkneemster naar huis te sturen als hij meent dat hij van haar arbeid geen gebruik kan maken. In die situatie dient de helft van het loon doorbetaald te worden. De arbeidsongeschikte werknemer daarentegen krijgt in Denemarken tijdens ziekte wel zijn volledige loon doorbetaald. Het Hof acht dit in strijd met artikel 119 EG-verdrag en de EG-richtlijn 75/117.

Volledige tekst

Arrest

1. Bij beschikking van 20 februari 1996, ingekomen bij het Hof op 11 maart daaraanvolgend, heeft het Sø-og Handelsret krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 119 van dit Verdrag, richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB L 45, blz. 19), richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40), en richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 348, blz. 1).

2. Deze vraag is gerezen in geschillen tussen Høj Pedersen, Andresen, Pedersen en Sørensen, enerzijds, en hun werkgevers, respectievelijk Kvickly Skive, Bagner, Rasmussen en Hvitfeldt Guld og Sølv ApS, anderzijds, over het behoud van hun loon bij met hun zwangerschap verband houdende beëindiging van de werkzaamheden.

De gemeenschapswetgeving

3. Artikel 119 van het Verdrag bepaalt:

“Iedere lidstaat verzekert gedurende de eerste etappe en handhaaft vervolgens de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid.

Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt.

Gelijkheid van beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:

a) dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van eenzelfde maatstaf,

b) dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor eenzelfde functie.”

4. Richtlijn 75/117, die volgens de vierde overweging van haar considerans tot doel heeft de concrete toepassing van deze bepaling te vergemakkelijken, stelt in artikel 1 vast:

” Het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, neergelegd in artikel 119 van het Verdrag en hierna te noemen .beginsel van gelijke beloning’, houdt in dat voor gelijke arbeid of voor arbeid waaraan gelijke waarde wordt toegekend ieder onderscheid naar kunne wordt afgeschaft ten aanzien van alle elementen en voorwaarden van de beloning.

In het bijzonder, wanneer voor de vaststelling van de beloning gebruik wordt gemaakt van een systeem van werkclassificatie, dient dit systeem te berusten op criteria die voor mannelijke en vrouwelijke werknemers eender zijn, en zodanig te zijn opgezet dat ieder onderscheid naar kunne is uitgesloten.”

5. Richtlijn 76/207 bepaalt in artikel 2, lid 1:

Het beginsel van gelijke behandeling in de zin van de hierna volgende bepalingen houdt in dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie.”

6.Volgens artikel 2, lid 3, evenwel doet richtlijn 76/207

“geen afbreuk aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft”.

7. Artikel 5, lid 1, van dezelfde richtlijn preciseert vervolgens:

“De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht.”

8. Richtlijn 92/85 bepaalt in artikel 4:

“Evaluatie en informatie

1. Voor alle werkzaamheden waarbij zich een specifiek risico kan voordoen van blootstelling aan de agentia, procédés of arbeidsomstandigheden waarvan een niet-limitatieve lijst in bijlage I is opgenomen, moeten de aard, de mate en de duur van de blootstelling in de betrokken onderneming en/of inrichting van de werkneemsters in de zin van artikel 2 rechtstreeks door de werkgever of door bemiddeling van de in artikel 7 van richtlijn 89/391/EEG bedoelde beschermings- en preventiediensten worden geëvalueerd, ten einde:

ieder risico voor de veiligheid of de gezondheid, alsmede iedere terugslag op de zwangerschap of de lactatie van de werkneemster in de zin van artikel 2 te kunnen beoordelen, te kunnen vaststellen welke maatregelen moeten worden genomen.

2. Onverminderd artikel 10 van richtlijn 89/391/EEG worden in de betrokken onderneming en/of inrichting de werkneemster in de zin van artikel 2 en de werkneemsters die zich in een van de in artikel 2 bedoelde toestanden zouden kunnen bevinden en/of hun vertegenwoordigers geïnformeerd over de resultaten van de in lid 1 bedoelde evaluatie en over alle maatregelen op het gebied van de veiligheid en de gezondheid op het werk.”

9. In artikel 5 wordt vervolgens bepaald:

“Consequenties van de resultaten van de evaluatie

1. Onverminderd artikel 6 van richtlijn 89/391/EEG neemt de werkgever, indien uit de resultaten van de in artikel 4, lid 1, bedoelde evaluatie een risico voor de veiligheid of de gezondheid, alsmede een terugslag op de zwangerschap of de lactatie van een werkneemster in de zin van artikel 2 blijkt, de nodige maatregelen opdat door tijdelijke aanpassing van de arbeidsomstandigheden en/of werktijden van de betrokken werkneemster de blootstelling van deze werkneemster aan dit risico wordt vermeden.

2. Indien aanpassing van de arbeidsomstandigheden en/of werktijden technisch en/of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, neemt de werkgever de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de betrokken werkneemster een andere arbeidsplaats krijgt.

3. Indien overplaatsing technisch en/of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, wordt de betrokken werkneemster gedurende de gehele voor de bescherming van haar veiligheid of gezondheid noodzakelijke periode, overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, vrijgesteld van arbeid.

4. Het bepaalde in dit artikel is mutatis mutandis van toepassing wanneer een werkneemster die een werkzaamheid uitoefent die uit hoofde van artikel 6 verboden is, zwanger wordt of met de lactatie begint en haar werkgever hiervan in kennis stelt.”

10. Artikel 11 van dezelfde richtlijn bepaalt:

“Rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst

Ten einde de werkneemsters in de zin van artikel 2 te waarborgen dat zij de in dit artikel erkende rechten inzake de bescherming van hun veiligheid en gezondheid kunnen doen gelden, wordt het volgende bepaald:

1) in de in de artikelen 5, 6 en 7 bedoelde gevallen moeten de rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst, met inbegrip van het behoud van een bezoldiging en/of het genot van een adequate uitkering, van de werkneemsters in de zin van artikel 2 overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken worden gewaarborgd;

2) in het in artikel 8 bedoelde geval moeten worden gewaarborgd:

a) de andere dan de in onderstaand punt b) bedoelde rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst van de werkneemsters in de zin van artikel 2;

b) het behoud van een bezoldiging en/of het genot van een adequate uitkering van de werkneemsters in de zin van artikel 2;

3) de in punt 2, onder b), bedoelde uitkering wordt als adequaat beschouwd, wanneer zij een inkomen waarborgt dat gelijk is aan het inkomen dat de betrokken werkneemster zou ontvangen in geval van een onderbreking van haar werkzaamheden om gezondheidsredenen, binnen de grenzen van een eventueel, door de nationale wetten bepaald maximum.”

De nationale wettelijke regeling

11. Artikel 5 van lov nr. 516 om retsforholdet mellem arbejdsgivere og funktionærer van 23 juli 1987 (wet inzake de rechtsverhouding tussen werkgevers en werknemers; hierna: “werknemerswet”), bepaalt in lid 1:

“Indien de werknemer wegens ziekte niet in staat is zijn werkzaamheden te verrichten wordt het daardoor veroorzaakte arbeidsverzuim beschouwd als wettige verhindering voor de werknemer, tenzij hij zijn ziekte tijdens de arbeidsverhouding opzettelijk dan wel door grove nalatigheid heeft veroorzaakt, dan wel bij zijn indiensttreding heeft verzwegen dat hij aan die ziekte leed.”

12. Blijkens de verwijzingsbeschikking omvat het in deze bepaling gehanteerde begrip ziekte elke lichamelijke of geestelijke aandoening of kwaal waardoor de werknemer naar het oordeel van een arts zijn arbeid niet kan verrichten.

13. Volgens artikel 5 van lov nr. 852 om dagpenge ved sygdom eller fødsel van 20 december 1989 (wet betreffende de daguitkering bij ziekte of bevalling; hierna:
“daguitkeringswet”) krijgt de wegens ziekte volledig arbeidsongeschikte werknemer zijn volledige loon doorbetaald. De werkgever kan vervolgens de daguitkering vergoed krijgen waarop de werknemer recht zou hebben gehad.

14. Inzake zwangerschap en bevalling bepaalt artikel 7 van de werknemerswet voorts:

“1. Met het oog op de organisatie van de arbeid door de werkgever deelt de werkneemster ten laatste drie maanden vóór de verwachte bevallingsdatum mee, wanneer zij voornemens is haar zwangerschapsverlof te doen ingaan.

2. In geval van zwangerschap van een werkneemster is de werkgever verplicht gedurende maximaal vijf maanden na het intreden van de arbeidsongeschiktheid, doch uiterlijk vanaf drie maanden voor de bevalling tot drie maanden na de bevalling, haar de helft van haar loon te betalen. Een overeenkomstige verplichting geldt, indien de werkgever, ofschoon de werkneemster niet arbeidsongeschikt is, meent dat hij van haar arbeid geen gebruik kan maken. Indien de werkgever de werkneemster ontslaat, is hij verplicht haar volledige loon te betalen totdat het ontslag met de voor de werkneemster geldende opzegtermijn kan ingaan.”

15. Naar uit de verwijzingsbeschikking blijkt, brengt arbeidsongeschiktheid wegens zwangerschap en bevalling in beginsel niet dezelfde rechten mee als arbeidsongeschiktheid wegens ziekte.

16. Zo heeft de werkneemster blijkens de aangehaalde bepaling gedurende maximaal vijf maanden binnen een tijdvak dat op zijn vroegst ingaat drie maanden vóór en op zijn laatst eindigt drie maanden na de bevalling, van de zijde van haar werkgever slechts recht op de helft van haar loon.

17. Daarentegen heeft de werkneemster die tijdens de zwangerschap maar vóór de aanvang van het zwangerschapsverlof ziek wordt, slechts dan recht op haar volledige loon ingevolge artikel 5 van de werknemerswet, indien de ziekte geen verband houdt met de zwangerschap.

18. In geval van arbeidsongeschiktheid of wettige verhindering om een bijzondere, met de zwangerschap verband houdende reden, welke intreedt vóór het tijdvak van drie maanden voorafgaand aan de bevalling, heeft de werkneemster in beginsel namelijk geen recht op haar loon, maar ontvangt zij een uitkering overeenkomstig de daguitkeringswet en circulaire nr. 191 van 27 oktober 1994.

19. Zo de werkgever dit verlangt, moet de werkneemster de arbeidsongeschiktheid aantonen. Deze moet zijn vastgesteld door een arts. De werkneemster behoeft de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid niet aan te geven, maar zij moet wel aangeven of deze verband houdt met de zwangerschap.

20. Tenslotte kan de werkgever volgens artikel 7, lid 2, tweede volzin, van de werknemerswet weigeren, een zwangere werkneemster te laten werken, zelfs wanneer zij niet ongeschikt is voor haar werk, wanneer hij meent dat hij haar niet in dienst kan hebben. Hij moet haar dan de helft van haar loon betalen.

21. Volgens de verwijzende rechter is de achtergrond van deze bepaling, dat de werkgever, gezien de aard van een bepaalde functie, van de werkneemster een zodanige inzet kan vergen, dat dit rechtvaardigt dat zij eerder ophoudt met werken dan de drie maanden voorafgaand aan de bevalling. De werkgever moet het naar huis sturen van de werkneemster kunnen rechtvaardigen.

De hoofdgedingen

22. Høj Pedersen, Andresen, Pedersen en Sørensen vallen allen onder de Deense werknemerswet. Allen hadden zij vóór de drie maanden voorafgaand aan de verwachte bevallingsdatum een abnormaal zwangerschapsverloop.

23. Høj Pedersen en Andresen werden volledig arbeidsongeschikt verklaard en ontvingen hun loon niet meer van hun werkgever, die hen erop wees dat zij de daguitkering konden aanvragen.

24. Pedersen werd slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard. Zij stelde haar werkgever, Rasmussen, daarom voor, haar werk gedurende een beperkt aantal uren te hervatten, hetgeen deze weigerde. Vervolgens kreeg zij te horen, dat er iemand voor de volle werktijd was aangesteld om haar te vervangen en dat haar loon niet zou worden doorbetaald; ook zij werd erop gewezen, dat zij daguitkering wegens voortijdige bevalling kon aanvragen.

25. Ter terechtzitting is gebleken, dat er ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid van Sørensen nog onduidelijkheid bestond.

26. Verzoeksters in de hoofdgedingen wendden zich tot het Sø-og Handelsret en betwistten met een beroep op de regels van gemeenschapsrecht inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, de uitlegging van artikel 5 van de werknemerswet volgens welke vrouwen die vóór de periode van drie maanden voorafgaand aan de bevalling arbeidsongeschikt zijn om een met de zwangerschap verband houdende reden, geen recht hebben op hun volledige loon.

27. Van oordeel, dat de beslechting van deze gedingen afhing van de uitlegging van het gemeenschapsrecht, heeft de nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Staat het gemeenschapsrecht, onder meer artikel 119 van het Verdrag en de richtlijnen 75/117/EEG, 76/207/EEG en 92/85/EEG, eraan in de weg, dat een nationale wettelijke regeling de werkgever vrijstelt van de betaling van loon aan zwangere werkneemsters, wanneer
1) de werkneemster afwezig is op grond dat de zwangerschap leidt tot ernstige complicaties van een ziekte die voor het overige geen verband houdt met de zwangerschap,

2) de werkneemster afwezig is wegens een ziekte die wordt veroorzaakt door de zwangerschap,

3) de werkneemster afwezig is op grond dat de zwangerschap een pathologisch verloop heeft en voortzetting van de arbeid de gezondheid van de vrouw of de vrucht in gevaar zou brengen,

4) de werkneemster afwezig is wegens normale ongemakken in verband met zwangerschap, tijdens een normaal verlopende zwangerschap waarin voor het overige geen sprake is van arbeidsongeschiktheid,

5) de werkneemster afwezig is op grond van het advies van een arts de vrucht te ontzien, maar dit medisch advies niet is ingegeven door een pathologische toestand in eigenlijke zin of bijzondere risico’s voor de vrucht,

6) de werkneemster afwezig is daar de werkgever enkel op grond van de zwangerschap van mening is, dat hij de zwangere werkneemster, ofschoon deze niet ongeschikt is voor haar werk, niet in dienst kan hebben,

en in de onder 1, 2, 3 en 6 genoemde situaties de staat de zwangere werkneemster dezelfde daguitkering garandeert als zij bij ziekteverlof zou ontvangen, terwijl zij in de onder 4 en 5 genoemde situaties geen uitkering van de staat ontvangt, en wanneer voor het overige de werkgever ingevolge de nationale wettelijke regeling verplicht is, bij ziekte het volledige loon te betalen?”

Het eerste, het tweede en het derde geval

28. De verwijzende rechter wenst om te beginnen te vernemen, of artikel 119 van het Verdrag en de richtlijnen 75/117 en 92/85 in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt, dat een zwangere vrouw die vóór de aanvang van haar zwangerschapsverlof arbeidsongeschikt wordt wegens een door een medische verklaring gestaafde pathologische toestand verband houdend met haar zwangerschap, geen recht heeft op betaling van haar volledige loon door de werkgever, maar op een daguitkering die wordt betaald door een lagere overheid, terwijl de werknemer in geval van door een medische verklaring gestaafde arbeidsongeschiktheid ziekte, in beginsel recht heeft op betaling van zijn volledige loon door de werkgever.

29. Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat richtlijn 75/117 voornamelijk bedoeld is om de concrete toepassing van het in artikel 119 van het Verdrag opgenomen beginsel van gelijke beloning te vergemakkelijken, en dus op generlei wijze de inhoud en de strekking van dit beginsel, zoals in dit artikel omschreven, beïnvloedt (arrest van 3 december 1987, Newstead, 192/85, Jurispr. blz. 4753, punt 20).

30. Richtlijn 92/85 is vastgesteld op 19 oktober 1992 en moest overeenkomstig artikel 14 binnen twee jaar na die datum door de lidstaten zijn omgezet in nationaal recht. De omstandigheid dat de aan de hoofdgedingen ten grondslag liggende feiten zich voor het merendeel hebben voorgedaan vóór het verstrijken van deze uitvoeringstermijn, maar na de vaststelling van de richtlijn, belet niet dat de verwijzende rechter het Hof vragen stelt over de uitlegging daarvan (zie in die zin arresten van 18 december 1997, Inter-Environnement Wallonie, C-129/96, Jurispr. blz. I-7411, en 8 oktober 1987, Kolpinghuis Nijmegen, 80/86, Jurispr. blz. 3969).

31. Volgens vaste rechtspraak immers mag op grond van artikel 177 van het Verdrag, dat op een duidelijke scheiding van functies tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof berust, dit laatste zich niet uitspreken over de feiten van de zaak, noch over de overwegingen welke tot het verzoek hebben geleid; wanneer een nationale rechterlijke instantie om uitlegging van bepalingen van gemeenschapsrecht verzoekt, moet ervan worden uitgegaan, dat zij die uitlegging voor de beslechting van het geschil noodzakelijk acht (arrest van 5 oktober 1977, Tedeschi, 5/77, Jurispr. blz. 1555, punten 17-19).

32. Voorts zij eraan herinnerd dat, gelijk het Hof vaststelde in het arrest van 13 juli 1989, Rinner-Kühn (171/88, Jurispr. blz. 2743), het door de werkgever gedurende het ziekteverlof van een werknemer verschuldigde loon onder het begrip beloning” in de zin van artikel 119 van het Verdrag valt, welk begrip alle huidige of toekomstige voordelen in geld of in natura omvat, mits deze, zij het ook indirect, door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking worden toegekend, ongeacht of dit op basis van een arbeidsovereenkomst, uit hoofde van wettelijke bepalingen dan wel vrijwillig gebeurt (zie arresten van 17 mei 1990, Barber, C-262/88, Jurispr. blz. I-1889, punt 12, en 6 februari 1996, Lewark, C-457/93, Jurispr. blz. I-243, punt 21).

33. Vervolgens zij opgemerkt dat, ofschoon zwangerschap op geen enkele wijze vergelijkbaar is met een pathologische toestand (arrest van 14 juli 1994, Webb, C-32/93, Jurispr. blz. I-3567), zulks niet wegneemt dat zwangerschap een periode is waarin stoornissen en complicaties kunnen optreden die van dien aard kunnen zijn, dat de vrouw onder strikt medisch toezicht moet staan en, in voorkomend geval, gedurende de gehele zwangerschap of een gedeelte daarvan absolute rust moet houden. Deze stoornissen en complicaties, die tot arbeidsongeschiktheid kunnen leiden, behoren tot de risico’s die nauw verbonden zijn met zwangerschap, en zijn derhalve even specifiek als de zwangerschap zelf (arrest van 30 juni 1998, Brown, C-394/96, Jurispr. blz. I-0000, punt 22).

34. In casu blijkt uit de stukken, dat elke werknemer krachtens de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde wettelijke regeling, bij arbeidsongeschiktheid in beginsel recht heeft op behoud van zijn volledige loon.

35. Wanneer een vrouw vóór de aanvang van haar zwangerschapsverlof haar volledige loon derft ingeval haar arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een pathologische toestand verband houdend met haar zwangerschap, moet zulks derhalve worden geacht hoofdzakelijk op de zwangerschap te berusten en dus als discriminerend worden aangemerkt.

36. Dit zou slechts anders zijn, indien de bedragen die de werkneemsters ontvangen uit hoofde van de daguitkering, even hoog waren als hun beloning. In dat geval zou de verwijzende rechter nog moeten uitmaken, of de omstandigheid dat de daguitkering wordt verstrekt door een lagere overheid, niet tot een met artikel 119 van het Verdrag strijdige discriminatie leidt.

37. Bijgevolg levert de toepassing van wettelijke bepalingen als de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde, een met artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117 strijdige discriminatie van vrouwelijke werknemers op.

38. Door verweerders in de hoofdgedingen is aangevoerd, dat artikel 11 van richtlijn 92/85 de nationale wetgever toestaat, de uitkeringen die aan vrouwelijke werknemers kunnen worden toegekend bij zwangerschap, aan een maximum te binden. Voorts betogen zij, dat zo er sprake mocht zijn van discriminatie, deze wordt gerechtvaardigd doordat in de Deense wetgeving een verdeling van de risico’s en van de economische lasten in verband met zwangerschap tussen de zwangere werkneemster, de werkgever en de maatschappij tot uitdrukking komt, welke verdeling met name het resultaat is van een afweging tussen het streven de toegang van vrouwelijke werknemers tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken en de noodzaak hun bescherming te waarborgen in geval van zwangerschap.

39. In de eerste plaats zij erop gewezen, dat artikel 11, lid 3, van richtlijn 92/85 de toepassing van een bepaald maximum door een nationale wettelijke regeling slechts toestaat voor de beloning of uitkering die de werkneemster wordt betaald in het kader van het zwangerschapsverlof, zoals dit overigens is gedefinieerd in artikel 8 van deze richtlijn.

40. De wens om een verdeling van de risico’s en de economische lasten in verband met zwangerschap tussen de zwangere werkneemster, de werkgever en de maatschappij tot stand te brengen, kan de in punt 35 van dit arrest vastgestelde discriminatie niet rechtvaardigen. Deze wens kan immers niet worden aangemerkt als een objectieve factor die niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht in de zin van de rechtspraak van het Hof (zie arrest Lewark, reeds aangehaald, punt 31).

41. Uit het voorgaande volgt, dat artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117 in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt, dat een zwangere vrouw die vóór de aanvang van haar zwangerschapsverlof arbeidsongeschikt wordt wegens een door een medische verklaring gestaafde pathologische toestand verband houdend met haar zwangerschap, geen recht heeft op betaling van haar volledige loon door de werkgever, maar op een daguitkering die wordt betaald door een lagere overheid, terwijl de werknemer in geval van door een medische verklaring gestaafde arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, in beginsel recht heeft op betaling van zijn volledige loon door de werkgever.

Het vierde en het vijfde geval

42. Vervolgens wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117 in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt, dat een zwangere vrouw die vóór de aanvang van haar zwangerschapsverlof afwezig is van haar werk, hetzij wegens normale ongemakken verband houdend met de zwangerschap, terwijl er voor het overige geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, hetzij op grond van een medisch advies de vrucht te ontzien, dat niet is ingegeven door een pathologische toestand in eigenlijke zin of bijzondere risico’s voor de vrucht, geen recht heeft op betaling van haar loon door de werkgever, terwijl elke werknemer die arbeidsongeschikt is wegens ziekte daar in beginsel recht op heeft.

43. Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat naar ter terechtzitting is gebleken, op de vraag of Sørensen onder het vierde of het vijfde geval valt, door de verwijzende rechter nog niet definitief is beslist.

44. Derhalve moeten beide beschreven gevallen in de beschouwing worden betrokken.

45. Gelijk het Hof reeds oordeelde in het arrest van 12 juli 1979, Union laitière normande (244/78, Jurispr. blz. 2663, punt 5), noopt de noodzaak tot een voor de verwijzende rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te geraken, tot een omschrijving van het juridisch kader waarin de gevraagde uitlegging moet passen. Gelet hierop kan het, naargelang de omstandigheden, aangewezen zijn, dat de betrokken feiten vaststaan en de problemen van zuiver nationaal recht zijn opgelost op het moment waarop de zaak naar het Hof wordt verwezen, opdat dit kennis kan nemen van alle gegevens, zowel feitelijk als rechtens, die voor de verlangde uitlegging van het gemeenschapsrecht van belang kunnen zijn (arrest van 10 maart 1981, Irish Creamery Milk Suppliers e.a. (36/80 en 71/80, Jurispr. blz. 735, punt 6).

46. Deze overwegingen brengen evenwel generlei beperking aan op de beoordelingsbevoegdheid van de nationale rechter, die als enige rechtstreeks kennis heeft van de feiten van de zaak en van de argumenten van partijen, die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt en die derhalve het best in staat is te beoordelen, in welke stand van de procedure een prejudiciële beslissing van het Hof noodzakelijk is (arrest Irish Creamery Milk Suppliers e.a., reeds aangehaald, punt 7).

47. Vervolgens moet eraan worden herinnerd, dat, zoals blijkt uit punt 32 van het onderhavige arrest, de door een werknemer gedurende een ziekteverlof ontvangen beloning onder het begrip beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag valt.

48. Er zij echter op gewezen dat, anders dan in de eerste drie door de verwijzende rechter uiteengezette gevallen, de zwangere werkneemster vóór de aanvang van haar zwangerschapsverlof van haar werk afwezig is, niet wegens een pathologische toestand of bijzondere risico’s voor de vrucht, leidend tot door een medische verklaring gestaafde arbeidsongeschiktheid, maar wegens hetzij normale ongemakken verband houdend met de zwangerschap, hetzij een eenvoudig medisch advies, zonder dat in een van beide situaties sprake is van arbeidsongeschiktheid.

49. De gedeeltelijke zoniet gehele derving van salaris die de werkneemster wegens dergelijke niet aan arbeidsongeschiktheid te wijten afwezigheden treft, moet dan ook worden geacht niet hoofdzakelijk haar grondslag te vinden in de zwangerschap, maar in de keuze van de werkneemster om niet te werken.

50. Blijkens het voorgaande staan artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117 niet in de weg aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt, dat een zwangere vrouw die vóór de aanvang van haar zwangerschapsverlof van haar werk afwezig is, hetzij wegens normale ongemakken verband houdend met de zwangerschap, terwijl er voor het overige geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, hetzij op grond van een medisch advies de vrucht te ontzien, dat niet is ingegeven door een pathologische toestand in eigenlijke zin of bijzondere risico’s voor de vrucht, geen recht heeft op betaling van haar loon door de werkgever, wanneer elke werknemer die arbeidsongeschikt is wegens ziekte, daar in beginsel recht op heeft.

Het zesde geval

51. Tenslotte wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de richtlijnen 76/207 en 92/85 in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt, dat een werkgever die meent dat hij een zwangere werkneemster, ofschoon deze niet ongeschikt is voor haar werk, niet in dienst kan hebben, haar naar huis mag sturen zonder haar het volledige loon te betalen.

52. Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat overeenkomstig artikel 5 van richtlijn 76/207 voor mannen en vrouwen dezelfde arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, dienen te gelden.

53. Wanneer een wettelijke regeling zoals die in de hoofdgedingen aan de orde is, uitsluitend werknemers van het vrouwelijk geslacht treft, vormt zij een met deze bepaling strijdige discriminatie.

54. Waar artikel 2, lid 3, van richtlijn 76/207 de lidstaten het recht voorbehoudt, bepalingen ter bescherming van de vrouw wat zwangerschap en moederschap” betreft in stand te houden of in te voeren, erkent het de wettigheid, in het licht van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, van de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw tijdens en na de zwangerschap (arrest Webb, reeds aangehaald, punt 20).

55. Een wettelijke regeling zoals die in de hoofdgedingen aan de orde is, kan echter niet binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallen.

56. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt immers, dat de Deense wettelijke regeling niet zozeer beoogt de biologische gesteldheid van de zwangere vrouw, als wel de belangen van de werkgever te beschermen. Zo gaat volgens de verwijzende rechter een dergelijke wettelijke regeling uit van de gedachte, dat de werkgever, gezien de aard van de werkzaamheden, van de werkneemster een zodanige inzet kan vergen, dat dit rechtvaardigt dat zij ophoudt met werken op een datum vóór de periode van drie maanden voorafgaand aan de bevalling.

57. Wat richtlijn 92/85 betreft zij opgemerkt, dat deze in de artikelen 4 en 5 een evaluatie- en informatieprocedure vaststelt voor werkzaamheden waarbij zich een risico voor de veiligheid of de gezondheid en een terugslag op de zwangerschap of de lactatie van de werkneemsters kan voordoen. Deze procedure kan leiden tot tijdelijke aanpassing van de arbeidsomstandigheden en/of werktijden door de werkgever, of, indien een dergelijke aanpassing niet mogelijk is, tot verandering van arbeidsplaats. Alleen indien ook dit laatste onmogelijk blijkt te zijn, wordt de werkneemster gedurende de gehele voor de bescherming van haar veiligheid of gezondheid noodzakelijke periode, overeenkomstig de nationale wetten of praktijken vrijgesteld van arbeid.

58. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat een wettelijke regeling zoals die in de hoofdgedingen aan de orde is, niet voldoet aan de materiële en formele voorwaarden waaronder de werkneemster ingevolge richtlijn 92/85 van het verrichten van haar arbeid kan worden vrijgesteld. In de eerste plaats wordt het met verlof sturen van de werkneemster ingegeven door het belang van de werkgever; in de tweede plaats kan deze beslissing door de werkgever worden genomen zonder dat is onderzocht of de arbeidsomstandigheden en/of werktijden van de werkneemster kunnen worden aangepast dan wel of zij een andere arbeidsplaats kan krijgen.

59. Blijkens het voorgaande staan de richtlijnen 76/207 en 92/85 in de weg aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt, dat een werkgever die meent dat hij een zwangere werkneemster, ofschoon deze niet ongeschikt is voor haar werk, niet in dienst kan hebben, haar naar huis mag sturen zonder haar het volledige loon door te betalen.

Kosten

60. De kosten door de Franse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer) uitspraak doende op de door het Sø-og Handelsret bij beschikking van 20 februari 1996 gestelde vraag, verklaart voor recht:

1) Artikel 119 EG-Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, staan in de weg aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt, dat een zwangere vrouw die vóór de aanvang van haar zwangerschapsverlof arbeidsongeschikt wordt wegens een door met een medische verklaring gestaafde pathologische toestand verband houdend met haar zwangerschap, geen recht heeft op betaling van haar volledige loon door de werkgever, maar op een daguitkering die wordt betaald door een lagere overheid, terwijl de werknemer in geval van door een medische verklaring gestaafde arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, in beginsel recht heeft op betaling van zijn volledige loon door de werkgever.

2) Artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117 staan niet in de weg aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt, dat een zwangere vrouw die vóór de aanvang van haar zwangerschapsverlof van haar werk afwezig is, hetzij wegens hetzij normale ongemakken verband houdend met de zwangerschap, terwijl er voor het overige geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, hetzij op grond van een medisch advies de vrucht te ontzien, dat niet is ingegeven door een pathologische toestand in eigenlijke zin of bijzondere risico’s voor de vrucht, geen recht heeft op betaling van haar loon door de werkgever, wanneer elke werknemer die arbeidsongeschikt is wegens ziekte, daar in beginsel recht op heeft.

3) Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, en richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG), staan in de weg aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt, dat een werkgever die meent dat hij een zwangere werkneemster, ofschoon deze niet ongeschikt is voor haar werk, niet in dienst kan hebben, haar naar huis mag sturen zonder haar het volledige loon door te betalen.

Rechters

Mrs Kapteyn, Hirsch, Mancini, Murray, Schintgen

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 11 november 1998

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Man moet vrouw alimentatie van ƒ 5.000 betalen. Hiervan gaat hij in beroep en
hij wil dat de alimentatie op nihil wordt gesteld. De man wordt veroordeeld
tot het betalen van ƒ 6.000 alimentatie. Belangrijke overweging is dat de man
de winst uit zijn BV over dat jaar niet had mogen toevoegen aan de reserves
uit de BV, gelet op de omvang van die reserves dat jaar, maar ervoor had
moeten kiezen zich die winst volledig te doen uitkeren, gelet op de op hem
rustende dringende wettelijke verplichting te voorzien in de kosten van het
levensonderhoud van de vrouw.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar voormelde beschikking van de rechtbank, waarvan de
inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 11 mei 1998, heeft de man
verzocht voormelde beschikking te vernietigen voorzover hij daarbij is
veroordeeld te behoeve van de kosten van levensonderhoud van de vrouw aan
haar uit te keren een bedrag van ƒ 5.000 per maand, zulks met ingang van de
datum van inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke
stand en die onderhoudsbijdrage per die datum vast te stellen op nihil,
althans op een zodanig lager bedrag dan ƒ 5.000 per maand als het hof in
goede justitie zal bepalen, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 juni 1998, heeft de vrouw
het verzoek van de man bestreden. Daarbij heeft de vrouw tevens incidenteel
appèl ingesteld en daarin verzocht, verkort weergegeven, voormelde
beschikking te vernietigen voor wat betreft de daarbij vastgestelde, door de
man voor haar te betalen alimentatie en deze met ingang van de datum van
inschrijving van de bestreden beschikking in de registers van de burgerlijke
stand vast te stellen op ƒ 10.000 per maand, dan wel op zodanig bedrag en met
ingang van zodanige datum als het hof in goede justitie redelijk en billijk
acht, alles bij vooruitbetaling en uitvoerbaar bij voorraad voorzover de wet
dat toelaat, kosten rechtens.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 oktober 1998. Bij
die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
– de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;
– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 11
november 1997;
– de brief met bijlagen van de procureur van de vrouw van 18 september 1998;
– de brief met bijlagen van de advocaat van de man van 2 oktober 1998;
– de door de advocaat van de man tijdens de mondelinge behandeling
overgelegde productie en pleitaantekeningen.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van de man hebben betrekking op de volgende onderwerpen.

1. De behoefte van de vrouw (grief 1)
2. De inkomsten van de man uit PH (grief 2a)
3. De inkomsten van de man uit PHK (grief 2b)
4. Rente van en aflossing op de schulden van de man aan de vennootschappen
(grief 3A)
5. De kosten van levensonderhoud en studie van de meerderjarige zoon R.
(grief 3B)
6. De ziektekosten van de man (grief 3C)
7. De omstandigheid dat de vrouw bij een alimentatie van ƒ 5.000,
respectievelijk ƒ 10.000 per maand in een financieel betere positie komt te
verkeren dan de man (grief 4)

De grief van de vrouw is gericht tegen de hoogte van de door de man voor haar
vastgestelde alimentatie. De vrouw is van mening dat de man in staat is een
alimentatie van ƒ 10.000 per maand te betalen en dat zij daaraan ook behoefte
heeft.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 7 september 1967 met elkaar gehuwd.
Partijen leven sedert 14 oktober 1996 feitelijk gescheiden.
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen
uitgesproken. Die beschikking is ingeschreven in de registers van de
burgerlijke stand op 13 mei 1998.

4.2. In geschil zijn de door de rechtbank op ƒ 5.000 per maand vastgestelde,
door de man aan de vrouw te betalen alimentatie en de door de rechtbank op ƒ
6.000 per maand bepaalde alimentatiebehoefte van de vrouw.

4.3. De rechtbank is uitgegaan van een behoefte van de vrouw aan een door de
man te betalen alimentatie van ongeveer ƒ 6.000 per maand. De man betwist die
behoefte. De man stelt dat de vrouw die behoefte niet heeft aangetoond en
zeker niet de door haar gestelde behoefte aan een alimentatie van ƒ 10.000
per maand.

4.4. De vrouw baseert haar behoefte aan de door haar verzochte alimentatie op
de door partijen tijdens de laatste jaren van hun huwelijk gevoerde staat en
stand. In haar verweerschrift somt de vrouw een aantal uitgaven op die zij
zou willen kunnen verrichten, neerkomend op een behoefte van ƒ 10.250 netto
per maand. Geen van die uitgaven heeft de vrouw met in rechte geloof
verdiende bescheiden onderbouwd.
Naar het oordeel van het hof is een behoefte van de vrouw naar een door de
man te betalen alimentatie, hoger dan ƒ 6.000 (bruto) per maand door haar
niet aannemelijk gemaakt en ook anderszins niet aannemelijk geworden.

4.5. Anderzijds heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat de door de
rechtbank vastgestelde behoefte van ƒ 6.000 bruto per maand te hoog is.

Uit de brief van BDO CampsObers registeraccountants van 24 november 1997, in
het geding gebracht bij brief van de advocaat van de man aan de rechtbank van
dezelfde datum, blijkt van een gemiddeld bruto belastbaar gezinsinkomen over
de jaren 1994 t/m 1996 van ƒ 141.512, corresponderend met een netto bedrag
van ƒ 86.552. In 1994 bedroegen de huishoudelijke uitgaven van partijen ƒ
109.074 en in 1995 ƒ 85.929 terwijl de uitgaven over 1996 in deze brief niet
zijn aangegeven.
Daarbij komt nog dat de man voorts privé-uitgaven deed voor een auto en een
boot welke hij boekte in rekening-courant en dat de vrouw een auto tot haar
beschikking had van P.I.
In feite stond partijen derhalve meer ter beschikking dan het in de brief van
de accountant genoemde inkomen.
In dat licht acht het hof een behoefte van de vrouw van ƒ 6.000 per maand
niet bovenmatig.

4.6. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een
jaarsalaris van ƒ 105.000.
De rechtbank heeft daarbij mede rekening gehouden met inkomsten uit PHK
welke inkomsten echter zijn vervallen.
Het hof gaat uit van het volgende.
Het salaris van de man bedroeg in 1997 ƒ 84.662,96. De winst van P.H. bedroeg
in dat jaar ƒ 98.873. Gelet op de hoogte van de reserve per eind 1996 van
ongeveer ƒ 3.200.000, heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat het
noodzakelijk was die winst evenals de voorgaande jaren aan de reserve toe te
voegen. Gelet op de op hem rustende dringende wettelijke verplichting te
voorzien in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw had de man er naar
het oordeel van het hof voor moeten kiezen zich die winst volledig te doen
uitkeren.
Bovendien houdt het hof rekening met het feit dat P.I. sinds de ontbinding
van de arbeidsovereenkomst met de vrouw aan haar geen salaris meer is
verschuldigd. Nu partijen het erover eens zijn dat tegenover dit salaris van
de vrouw geen werkzaamheden van haar stonden, betekent dit een toename van
het resultaat van deze vennootschap, hetgeen eveneens aan de man ten goede
komt.

4.7. Het hof houdt rekening met de volgende lasten van de man.
De noodzakelijke kosten van levensonderhoud dient de man te bestrijden uit
het ABW-normgedrag voor een zelfstandig wonende alleenstaande, exclusief de
woonkostencomponent en inclusief de maximale toeslag.
De man woont samen met een partner die eigen inkomsten heeft. Die inkomsten
heeft de man verder niet aangeduid. Daarom gaat het hof ervan uit, dat de
partner in eigen levensonderhoud kan voorzien en de helft van de woonlasten
kan dragen, en wordt terzake van woonlasten van de man een bedrag van ƒ 795
per maand in aanmerking genomen.
Verder houdt het hof nog rekening met de door de man in hoger beroep
onbetwist gestelde ziektekosten van ƒ 3.821,28 per jaar.
Met de door de man gestelde kosten van levensonderhoud en studie van de
22-jarige meerderjarige zoon van partijen houdt het hof geen rekening. Niet
gesteld of gebleken is dat die zoon geen renteloze studielening zou kunnen
verkrijgen als hij daarom zou vragen.
Met de rente van en aflossing op de schuld in rekening-courant houdt het hof
geen rekening. Ook in hoger beroep is de noodzaak tot die betalingen
onvoldoende gebleken, terwijl de man te zitting bovendien heeft verklaard dat
hij deze betaling feitelijk niet verricht.

4.8. De conclusie uit het vorenstaande is, dat de man in staat moet worden
geacht een alimentatie voor de vrouw van ƒ 6.000 per maand te betalen. Ter
zitting is nog door de man aangevoerd, dat de vrouw mogelijk aanspraak zou
kunnen maken op enige arbeidsongeschiktheidsuitkering. Niet is gebleken dat
deze inmiddels is toegekend en nu de vrouw heeft toegezegd terzake
onmiddellijk de man te informeren, indien een dergelijke uitkering zal worden
toegekend, laat het hof deze omstandigheid thans buiten beschouwing.
Desgewenst kan de man in de daadwerkelijke toekenning van een dergelijke
uitkering aan de vrouw aanleiding vinden zich met een
alimentatiewijzigingsverzoek tot de rechtbank te wenden.
De grieven van de man behoeven na het vorenstaande geen afzonderlijke
bespreking; het namens hem ingestelde principieel appèl wordt verworpen.
De grief van de vrouw slaagt ten dele. In het namens haar ingestelde
incidenteel appèl wordt de alimentatie vastgesteld op ƒ 6.000 per maand.

4.9. De proceskosten van beide instanties worden gecompenseerd, nu partijen
gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof: In principaal appèl: Verwerpt het beroep.
In incidenteel appèl: Veroordeelt de man – met vernietiging van de
beschikking, waarvan beroep, uitsluitend in zoverre – om met ingang van 13
mei 1998 aan de vrouw tot levensonderhoud uit te keren een bedrag van ƒ 6.000
per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij
vooruitbetaling.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.
In principaal en incidenteel appèl voorts: Compenseert de in beide
instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van het
eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Aarts, Huijbers-Koopman en Vlaardingerbroek

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 6 november 1998

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Eiseres, inmiddels gepensioneerd stewardess, vordert met terugwerkende kracht
toelating tot de gunstiger KLM-pensioenregeling die was voorbehouden aan
mannelijke hofmeesters en assistent-pursers. Nadat de Kantonrechter Amsterdam
de eis vanaf 8 april 1976 had toegewezen (15 maart 1995, Prg. 1995/4438),
werd het vonnis in hoger beroep vernietigd. De Rechtbank Amsterdam oordeelde
dat geen sprake was van schending van artikel 119 EEG-verdrag, omdat de
functie van stewardess en de functies van assistent-purser en hofmeester geen
gelijkwaardige arbeid vormen (12 maart 1997). In cassatie oordeelt de Hoge
Raad dat de functies niet gelijkwaardig zijn, maar dit staat er niet aan in
de weg dat de uitsluiting van stewardessen van de gunstiger pensioenregeling
op grond van artikel 119 ongedaan moet worden gemaakt met terugwerkende
kracht vanaf 8 april 1976.

Volledige tekst

;1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie – verder te noemen: Bos – heeft bij exploit van 14 april
1993 verweerster in cassatie – verder te noemen: de KLM – en de Stichting
Algemeen Pensioenfonds der KLM, gevestigd te Amstelveen, verder te noemen:
het Algemeen Pensioenfonds, gedagvaard voor de Kantonrechter te Amsterdam en
gevorderd, voor zover in cassatie nog van belang:

1. te verklaren voor recht dat de KLM door de wijze waarop zij voor
vrouwelijke stewardessen die voor 1 januari 1977 in dienst waren bij haar,
een pensioenvoorziening heeft getroffen, heeft gehandeld in strijd met het
beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid zoals vastgelegd in art.
119 van het EG-verdrag;

2. de KLM te veroordelen het pensioen van Bos opnieuw te laten vaststellen,
zodanig dat het overeenkomt met het pensioen dat zij uit haar arbeid voor de
KLM zou hebben verdiend als zij een man was geweest;

3. de KLM te veroordelen om aan Bos te betalen, primair: het verschil tussen
het opnieuw vastgestelde pensioen als bedoeld in 2 en het door Bos ontvangen
pensioen sinds de ingangsdatum van het pensioen, zijnde 1 januari 1982, en
subsidiair: het verschil tussen het opnieuw vastgestelde pensioen als bedoeld
in 2 en het door Bos ontvangen pensioen vanaf 17 mei 1990;

De KLM en het Algemeen Pensioenfonds hebben zich tegen de vordering verweerd.
Het Algemeen Pensioenfonds heeft zich op onbevoegdheid van de Kantonrechter
beroepen voor wat de tegen dit fonds gerichte vordering betreft.
De Kantonrechter heeft bij vonnis van 15 september 1995 de KLM veroordeeld
het pensioen van Bos zodanig te laten vaststellen dat het overeenkomt met het
pensioen dat Bos uit haar arbeid zou hebben genoten indien zij, na haar
aansluiting bij het Algemeen Pensioenfonds, vanaf 8 april 1976 aangesloten
zou zijn geweest bij het Pensioenfonds voor het Vliegend Personeel, en voorts
KLM veroordeeld om aan Bos te betalen het verschil tussen het opnieuw
vastgestelde pensioen als vorenbedoeld en het door Bos sinds 1 januari 1982
ontvangen pensioen, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis hebben KLM en het Algemeen Pensioenfonds hoger beroep
ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam.
Bij vonnis van 12 maart 1997 heeft de Rechtbank voormeld vonnis van de
Kantonrechter vernietigd, met uitzondering van de proceskostenveroordeling,
en dit vonnis in zoverre bekrachtigd. Opnieuw rechtdoende heeft de Rechtbank
de vorderingen tegen de KLM afgewezen en zich onbevoegd verklaard van de
vorderingen tegen het Algemeen Pensioenfonds kennis te nemen.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft Bos beroep in cassatie ingesteld. De
cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De KLM heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot vernietiging van het
bestreden vonnis van de Rechtbank, tot bekrachtiging van het tussen partijen
gewezen vonnis van de Kantonrechter te Amsterdam van 15 september 1995, en
tot veroordeling van de KLM in de kosten van hoger beroep en cassatie.

3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bos, geboren in 1931, is op 14 februari 1949 bij KLM in dienst getreden.
Nadat zij in een grondfunctie had gewerkt, is zij per 16 april 1953
tewerkgesteld als stewardess.
(ii) Aanvankelijk was Bos werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd. In 1964 is tussen de (toenmalige) vereniging van
KLM-stewardessen en KLM een regeling getroffen, volgens welke de stewardessen
met contracten voor onbepaalde tijd bij het bereiken van de 40-jarige
leeftijd op non-actief zouden worden gesteld.
(iii) Deze regeling is neergelegd in een tot de gedingstukken behorende brief
van KLM van 23 september 1964 aan het bestuur van genoemde vereniging; een
kopie van de brief is door allen die tot de genoemde groep behoorden, onder
wie Bos, voor akkoord getekend. Deze brief luidt, voor zover te dezen van
belang:
‘De stewardessen, die op 1 januari 1965 40 jaar of ouder zijn, zullen per die
datum op non-actief worden gesteld, welke non-activiteit zal voortduren
totdat de dienstbetrekking wegens het bereiken van de pensioengerechtigde
leeftijd (50 jaar) of om andere redenen eerder eindigt.
Tot de 1e januari na het bereiken van de 50-jarige leeftijd wordt hun een
wachtgeld toegekend ten bedrage van ƒ 1025 per maand. Hierop worden eventuele
andere inkomsten uit arbeid voor 50% in mindering gebracht. Tot het bereiken
van de 50-jarige leeftijd wordt de pensioenopbouw van betrokkenen voortgezet.
Zij betalen daartoe de gebruikelijke premie van 10% van genoemd wachtgeld.
Het wachtgeld zal worden verhoogd met kostencompenserende loonronden, zoals
huurbijslagen, AOW-premiecompensaties en dergelijke, indien en voor zover
deze ook aan de stewardessen in actieve dienst worden toegekend.
Voor stewardessen, die in de volgende jaren de 40-jarige leeftijd bereiken,
zal met ingang van de 1e januari nadien dezelfde regeling gelden’.
(iv) Overeenkomstig deze regeling is Bos bij het bereiken van de 40-jarige
leeftijd op non-actief gesteld. In 1981 heeft zij bij het bereiken van de
50-jarige leeftijd de dienst van KLM verlaten.
(v) Bos is ingevolge een door KLM gedane pensioentoezegging opgenomen in de
pensioenregeling die wordt uitgevoerd door de Stichting Algemeen
Pensioenfonds der KLM (hierna: het Algemeen Pensioenfonds); zij ontvangt
sedert het einde van de dienstbetrekking pensioen van dit fonds.
(vi) Met uitzondering van een periode in de jaren ’50, toen KLM ook
(mannelijke) stewards in dienst had, waren tot 1 november 1973 voor
mannelijke leden van het cabinepersoneel van KLM slechts beschikbaar de
functies van purser en hofmeester of assistent-purser; voor vrouwelijke leden
van het cabinepersoneel was slechts beschikbaar de functie van stewardess.
(vii) Met ingang van 1 november 1973 is bij KLM een afzonderlijke
salarisschaal ingevoerd voor de functie van eerste stewardess en zijn tot die
rang bevorderde vrouwen gelijkgesteld met hofmeesters en assistent-pursers.
(viii) Sinds 1 januari 1977 kan elk van de onder (vi) en (vii) genoemde
functies zowel door mannen als door vrouwen worden vervuld.
(ix) Voor de groep ex-stewardessen waartoe Bos behoort is steeds de door het
Algemeen Pensioenfonds uitgevoerde pensioenregeling blijven gelden. Voor de
pensioenregeling die wordt uitgevoerd door de Stichting Pensioenfonds voor
het Vliegend Personeel der KLM (hierna: het PVP) komen sinds jaar en dag
alleen vliegers, boordwerktuigkundigen, pursers en
hofmeesters/assistent-pursers in aanmerking.
(x) Sedert 1 januari 1977 voert de Stichting Pensioenfonds
KLM-Cabinepersoneel de pensioenregeling uit ten behoeve van de leden van het
cabinepersoneel die na 1 januari 1977 voor onbepaalde tijd of voor vijf jaar
zijn aangenomen en voor de stewardessen die voor 1 januari 1977 op een
vijfjaarscontract in dienst waren.

3.2.1. Zich beroepend op art. 119 van het EG-Verdrag en op HvJEG 17 mei 1990,
zaak 262/88 (Barber), Jurispr. 1990, p. I-1889, NJ 1992, 436 (verder te
noemen: het arrest Barber) heeft Bos bij dagvaarding van 14 april 1993 de
hiervoor onder 1 vermelde vordering ingesteld. Zij heeft aangevoerd, kort
gezegd, dat KLM in strijd handelt met het in dat artikel neergelegde beginsel
van gelijke beloning voor gelijke arbeid doordat haar mannelijke collega’s
die gelijke of gelijkwaardige arbeid verrichtten, werden opgenomen in het
PVP, terwijl stewardessen alleen konden deelnemen aan de pensioenregeling van
het Algemeen Pensioenfonds, welke regeling minder gunstig is dan die van het
PVP.
KLM heeft ten verweren tegen de vordering aangevoerd dat volgens het arrest
Barber een beroep op de rechtstreekse werking van art. 119 EG-Verdrag
teneinde gelijkheid van behandeling op het gebied van bedrijfspensioenen te
eisen, slechts kan worden gedaan wanneer het gaat om uitkeringen die
verschuldigd zijn uit hoofde van na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van
arbeid, tenzij de vordering vóór die datum is ingesteld; Bos heeft de dienst
van KLM in 1981 verlaten en dus geen arbeidsperiode na 17 mei 1990 vervuld,
terwijl zij evenmin vóór die datum een over ongelijke behandeling klagende
vordering heeft ingesteld, aldus K
M.

3.2.2. De Kantonrechter heeft dat verweer gehonoreerd voor zover de vordering
van Bos op het arrest Barber is gegrond. Overwegende dat Bos echter mede
heeft aangevoerd dat zij ongelijk is behandeld doordat zij niet bij dezelfde
bedrijfspensioenregeling is aangesloten waarbij haar mannelijke collega’s
waren aangesloten, heeft de Kantonrechter vervolgens geoordeeld dat het recht
op aansluiting binnen de werkingssfeer van art. 119 EG-Verdrag valt en dus
wordt bestreken door het in dit artikel geformuleerde discriminatieverbod, en
dat de in het arrest Barber neergelegde beperking in de tijd hiervoor niet
geldt, zodat Bos de rechtstreekse werking van art. 119 kan inroepen teneinde
met terugwerkende kracht tot 8 april 1976 gelijkheid van behandeling met
betrekking tot het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling te
eisen. De Kantonrechter verwees in dit verband naar de arresten van het HvJEG
in de zaken Defrenne (HvJEG 8 april 1976, zaak 43/75, Jurispr. 1976, p. 455,
NJ 1976, 510) respectievelijk in de zaak Vroege (HvJEG 28 september 1994,
zaak C 57/93, p. I-4541, NJ 1995, 385) en in de zaak Fisscher (HvJEG 28
september 1994, zaak 128/93, Jurispr. 1994 I-4583).
De Kantonrechter veroordeelde KLM het pensioen van Bos zodanig te laten
vaststellen dat het overeenkomt met het pensioen dat Bos uit haar arbeid zou
hebben genoten indien zij, na haar aansluiting bij het Algemeen
Pensioenfonds, vanaf 8 april 1976 aangesloten zou zijn geweest bij het PVP.
Voorts veroordeelde hij KLM aan Bos te betalen het verschil tussen het
opnieuw vastgestelde pensioen als vorenbedoeld en het door Bos sinds 1
januari 1982 ontvangen pensioen.

3.2.3. De Rechtbank heeft anders geoordeeld en de vordering tegen KLM
afgewezen. Zij zag zich naar aanleiding van de eerste appelgrief van KLM
gesteld voor de vraag “of ten aanzien van Bos zich de situatie heeft
voorgedaan dat zij voor gelijke of gelijkwaardige arbeid als haar mannelijke
collega’s een lagere beloning ontving in de vorm van een minder gunstige
pensioenregeling”. Derhalve, aldus de Rechtbank, moet een vergelijking worden
gemaakt “tussen de beloning (inclusief pensioenaanspraak) die Bos voor haar
werkzaamheden als stewardess ontving en de beloning die haar mannelijke
collega’s voor gelijke of gelijkwaardige arbeid ontvingen”.
Bos stelde zich op het standpunt dat haar werkzaamheden gelijk of
gelijkwaardig waren aan die van een hofmeester en een assistent-purser.
Hiertegenover stelde KLM dat de functie van hofmeester en van
assistent-purser een andere was naar functie-inhoud, hiërarchie en
salariëring. De Rechtbank oordeelde dienaangaande dat het verschil in
hiërarchische positie de functie van hofmeester en assistent-purser
onbruikbaar als vergelijkingsmaatstaf maakt (rov. 8). Nu Bos naast die
categorie geen andere mannelijke collega’s heeft kunnen aanduiden van wie de
beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid hoger zou zijn geweest dan de
hare, aldus de Rechtbank, moet de slotsom zijn dat op basis van de in dit
geding naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen schending van art.
119 EG-Verdrag kan worden vastgesteld (rov. 10).
De Rechtbank voegde hieraan toe – volgens haar: ten overvloede – dat “het
automatisme waarmee bij KLM destijds – kennelijk – mannen onafhankelijk van
hun aantal dienstjaren in hiërarchisch hoger geplaatste functies boven
vrouwelijke stewardessen werden geplaatst achteraf en in het licht van het
(…) beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen beschouwd,
onbillijk voorkomt”, maar dat zulks “hier in het kader van een beroep op
artikel 119 EG-Verdrag niet met terugwerkende kracht ongedaan (kan) worden
gemaakt” (rov. 11).

3.3.1. Onderdeel 1 van het middel klaagt in de eerste plaats dat de Rechtbank
met haar oordeel dat door het verschil in hiërarchische positie de functie
van hofmeester en assistent-purser onbruikbaar is als vergelijkingsmaatstaf,
blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting omtrent het begrip “gelijke of
gelijkwaardige arbeid”.
De klacht faalt. De Rechtbank heeft in rov. 8 van haar vonnis vooropgesteld
dat niet door Bos is gesteld, noch overigens is gebleken, dat de
hiërarchische verschillen die tussen de functie van hofmeester en
assistent-purser enerzijds en die van stewardess anderzijds bestonden, niets
om het lijf hadden. Voorts heeft de Rechtbank overwogen dat het karakter van
de door een werknemer verrichte arbeid wordt bepaald door de inhoud van diens
feitelijke werkzaamheden en de mate van zeggenschap over en
verantwoordelijkheid voor de eigen werkzaamheden en die van anderen. Aldus
heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat het hier ging om een reëel
verschil in zeggenschap en verantwoordelijkheid. Door hieraan de conclusie te
verbinden dat geen sprake was van gelijke of gelijkwaardige arbeid, heeft de
Rechtbank niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

3.3.2. Het onderdeel klaagt voorts over onbegrijpelijkheid van het bestreden
oordeel in het licht van de door de Rechtbank in rov. 8 en 9 van haar vonnis
vermelde stellingen van Bos dat op een doorsneevlucht de feitelijke
werkzaamheden van stewardess enerzijds en assistent-purser of hofmeester
anderzijds niet veel verschilden, en dat er destijds (intercontinentale)
vluchten waren waarop uitsluitend vrouwelijk cabinepersoneel werkzaam was en
de functie van assistent-purser door een vrouw werd uitgeoefend.
Deze klacht kan evenmin tot cassatie leiden. Kennelijk heeft de Rechtbank
zich door eerstvermelde stelling niet van het bestreden oordeel laten
weerhouden omdat zij een reëel verschil in zeggenschap en
verantwoordelijkheid van meer gewicht achtte dan de gestelde omstandigheid
dat de feitelijke werkzaamheden weinig verschilden; dit is niet
onbegrijpelijk. Wat de tweede hiervoor vermelde stelling betreft, heeft de
Rechtbank overwogen (rov. 9, tweede zin) dat het bij afwezigheid van een
meerdere waarnemen van diens functie niet de conclusie rechtvaardigt dat de
functie van de waarnemer en die van de waargenomene in hiërarchisch opzicht
vergelijkbaar zijn; ook deze overweging is niet onbegrijpelijk.

3.4. Onderdeel 2 komt op tegen de hiervoor in 3.2.3, laatste alinea,
weergegeven overweging (rov. 11) van de Rechtbank.
Bij de bespreking van dit onderdeel moet in de eerste plaats worden
aangetekend dat de Rechtbank de bestreden overweging heeft gekwalificeerd als
een overweging ten overvloede. Dat staat noch aan onderzoek, noch aan
gegrondbevinding van het onderdeel in de weg. Of de hiervoor in 3.2.3, eerste
en tweede alinea, weergegeven overwegingen van de Rechtbank haar beslissing
kunnen dragen, hangt immers, zoals hierna zal blijken, af van de vraag of de
bestreden overweging juist is.
Voor de beoordeling van het onderdeel is voorts het volgende van belang.
Blijkens het arrest van het HvJEG van 8 april 1976 in de zaak Defrenne kan op
de rechtstreekse werking van art. 119 EG-Verdrag geen beroep worden gedaan
ter staving van loonaanspraken voorafgaand aan de dag waarop dit arrest is
uitgesproken. Voor pensioenaanspraken is een verdere beperking in de tijd
aangebracht door voormeld arrest Barber, zoals verduidelijkt in HvJEG 6
oktober 1993, zaak C-109/91 (Ten Oever), Jurispr. 1993, p. I-4879. Deze
beperking geldt evenwel niet voor het recht op aansluiting bij een
bedrijfspensioenregeling, zoals volgt uit de genoemde arresten Vroege en
Fisscher. De Kantonrechter heeft een en ander terecht in acht genomen (zie
hiervoor in 3.2.2).
De Rechtbank daarentegen heeft, na in haar bestreden overweging te hebben
doen uitkomen dat het “automatisme” waarmee bij KLM destijds vrouwelijke
leden van het cabinepersoneel werden uitgesloten van de wel voor mannen
toegankelijke, hiërarchisch hogere functies van hofmeester en
assistent-purser, in het licht van het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen onbillijk is, ten onrechte nagelaten aan deze door haar
geconstateerde onbillijkheid de slotsom te verbinden dat de uit bedoeld
“automatisme” voortvloeiende ontoegankelijkheid voor stewardessen van de
gunstiger pensioenregeling van het PVP wel degelijk in het kader van een
beroep op art. 119 ongedaan kan en moet worden gemaakt met terugwerkende
kracht tot 8 april 1976. Anders dan de Rechtbank klaarblijkelijk heeft
aangenomen, staat aan die slotsom niet in de weg dat de door Bos beklede
functie niet (geheel) gelijkwaardig was aan die van de hiërarchisch hoger
geplaatste hofmeesters en assistent-pursers: vorenbedoeld “automatisme”, dat
hiervan de oorzaak was, was immers op zichzelf in strijd met het in art. 119
neergelegde beginsel.
In het onderdeel ligt de klacht besloten dat de Rechtbank heeft miskend dat
de KLM, door de ongelijkheid op het stuk van de pensioenvoorzieningen ten
nadele van Bos te laten doorwerken na 8 april 1976, heeft gehandeld in strijd
met het bepaalde in art. 119. Uit het vorenoverwogene volgt dat deze klacht
doel treft.

3.5. Het voorgaande brengt mee dat het vonnis van de Rechtbank niet in stand
kan blijven en dat onderdeel 3 geen behandeling meer behoeft.
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De eerste appelgrief van KLM, zoals
door de Rechtbank – in cassatie niet bestreden – in rov. 5 van haar vonnis
uitgelegd, komt erop neer dat de Kantonrechter zou hebben miskend dat zich
ten aanzien van Bos niet “de situatie heeft voorgedaan, dat zij voor gelijke
of gelijkwaardige arbeid als haar mannelijke collega’s een lagere beloning
ontving in de vorm van een minder gunstige pensioenregeling”. Uit het
hiervoor in 3.4 overwogene volgt dat deze grief dient te worden verworpen.
Ook de tweede grief is tevergeefs aangevoerd, aangezien de daardoor
aangevallen rechtsoverweging 8 van de Kantonrechter juist is. Het vonnis van
de Kantonrechter zal derhalve worden bekrachtigd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 12 maart 1997;
bekrachtigt het vonnis van de Kantonrechter te Amsterdam van 15 september
1995;
veroordeelt KLM in de aan de zijde van Bos gevallen kosten van het geding in
hoger beroep, begroot op ƒ 2.230, en van het geding in cassatie, tot op deze
uitspraak begroot op ƒ 681,20 aan verschotten en ƒ 3.500 voor salaris.

Rechters

Mrs Roelvink, Korthals Altes, Heemskerk, Hermann, Van der Putt-Lauwers

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 6 november 1998

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Op 1 september 1986 wordt Van der Linden in een café in Den Bosch door Gevers
mishandeld. Van der Linden houdt hieraan blijvend letsel over, waarvoor hij
Gevers aansprakelijk stelt. Gevers heeft een WA-verzekering, die echter
aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door opzet, uitsluit. De
verzekeringsmaatschappij, Aegon, weigert tot schadevergoeding over te gaan en
beroept zich op de opzetclausule. De Hoge Raad oordeelt dat een opzetclausule
alleen aansprakelijkheid uitsluit als het letsel door de dader/verzekerde is
beoogd of als de dader zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van
zijn handelen zou zijn. Of hiervan sprake is, kan onder omstandigheden uit de
gedragingen van de verzekerde worden afgeleid.

Volledige tekst

3.2. Van der Linden heeft in dit geding gevorderd – kort gezegd – dat Aegon
wordt veroordeeld tot vergoeding van de door hem geleden en te lijden schade.
Aegon heeft zich erop beroepen dat die schade het beoogde, althans het zekere
gevolg was van het handelen van Gevers. Ingevolge de hiervoor in 3.1 onder
(iii) vermelde opzetclausule dekt de verzekering daarom volgens Aegon niet de
aansprakelijkheid van Gevers.
De rechtbank heeft het beroep van Aegon op de opzetclausule gehonoreerd en de
vordering van Van der Linden afgewezen.

Het hof heeft Aegons beroep op die clausule verworpen en heeft de in hoger
beroep gewijzigde vordering van Van der Linden, strekkende tot het verkrijgen
van een verklaring voor recht dat Aegon gehouden is de schade die Van der
Linden heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het optreden van
Gevers, aan Van der Linden te vergoeden, toegewezen.
Het middel bestrijdt ’s hofs beslissing en de gronden waarop zij berust.

3.3. Het hof heeft overwogen dat uit de overgelegde processen-verbaal van
politie slechts kan worden opgemaakt dat Gevers opzettelijk Van der Linden
heeft mishandeld en dat deze mishandeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg
heeft gehad, maar dat daaruit niet valt op te maken dat Gevers het ingetreden
ernstige letsel heeft beoogd of dat dit letsel het zekere gevolg was van de
handelingen van Gevers en dat Gevers zich daarvan bewust had moeten zijn
(r.o. 8). Niet is immers uit het feitelijke relaas van de gebeurtenissen op
te maken, aldus het hof, dat het slaan met gebalde vuist voorzien van een
ring, het uitdelen van een kniestoot en het trappen met de geschoeide voet
tegen het hoofd van het slachtoffer tot het zekere gevolg zouden leiden dat
een letsel als het onderhavige zou worden toegebracht (r.o. 9). In r.o. 11
heeft het hof vervolgens de opvatting verworpen dat de onderhavige
opzetclausule tevens van dekking uitsluit de aansprakelijkheid van een
verzekerde voor schade die “normalerwijze als gevolg van de opzettelijk
verrichte handeling te verwachten” is. Naar het oordeel van het hof dient een
strenger criterium met betrekking tot het zekerheidsbewustzijn te worden
gevolgd. Eerst dan is sprake van opzet als zekerheidsbewustzijn, aldus het
hof, “indien de handelingen zoals die hebben plaatsgevonden tot het zekere
gevolg zouden leiden dat een letsel als het onderhavige zou ontstaan”.

3.4. Onderdeel 1a betoogt dat het hof bij de uitleg van de onderhavige
opzetclausule een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, respectievelijk dat het
oordeel van het hof berust op een onjuiste gedachte. Immers, aldus het
onderdeel, van oogmerk als zekerheidsbewustzijn is niet slechts sprake indien
het letsel dat in het concrete geval daadwerkelijk is ingetreden het voor de
verzekerde zekere gevolg was van zijn handelen, maar ook reeds indien enig
letsel van vergelijkbare ernst als het letsel zoals zich dat in concreto
heeft voorgedaan, normalerwijze als gevolg van de opzettelijk verrichte
handeling is te verwachten.
Het onderdeel faalt. Een in de voorwaarden van een
aansprakelijkheidsverzekering als de onderhavige opgenomen bepaling als de
opzetclausule heeft in een geval waarin een verzekerde letsel heeft
toegebracht, geen verdere strekking dan van de dekking uit te sluiten de
aansprakelijkheid van een verzekerde die het in feite toegebrachte letsel
heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn
handelen zou zijn: zie HR 18 oktober 1996, nr. 16 114, NJ 1997, 326, welk
arrest in deze zin moet worden verstaan. In het licht daarvan geven ’s hofs
op uitleg van de opzetclausule berustende oordelen omtrent de reikwijdte van
die clausule geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Overigens verdient nog aantekening dat de rechter onder omstandigheden uit de
gedragingen van de verzekerde kan afleiden dat deze het letsel heeft beoogd
of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou
zijn.

3.5. Onderdeel 1b keert zich met motiveringsklachten tegen de r.o. 8 en 9 van
het hof (hiervoor weergegeven in 3.3).
De klachten falen. In de r.o. 8 en 9 ligt besloten dat de aard van de
mishandeling op zichzelf nog niet de gevolgtrekking wettigt dat Gevers het
aan Van der Linden toegebrachte letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was
dat dit letsel het gevolg zou zijn van zijn handelen. Dit oordeel kan,
verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet
verder op juistheid worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk en behoefde
geen nadere motivering, ook niet in het licht van de door het middelonderdeel
bedoelde stellingen van Aegon.

4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Aegon in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze
uitspraak begroot op ƒ 1827,20 aan verschotten en ƒ 3000 voor salaris.

Noot:
1. Dit arrest is vooral van belang door de volgende overweging (r.o. 3.4):
“Een in de voorwaarden van een aansprakelijkheidsverzekering als de
onderhavige opgenomen bepaling als de opzetclausule heeft in een geval waarin
een verzekerde letsel heeft toegebracht, geen verdere strekking dan van de
dekking uit te sluiten de aansprakelijkheid van een verzekerde die het in
feite toegebrachte letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit
letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn: zie HR 18 oktober 1996, nr.
16.114, NJ 1997, 326 (Veerman, M.), welk arrest in deze zin moet worden
verstaan.
” Zo zeer hechtte de Hoge Raad er blijkbaar aan de onduidelijkheid die het
Veermanarrest had opgeroepen, weg te nemen, dat hij door middel van de
geciteerde overweging een beslissing gaf in een feitelijke kwestie: de uitleg
van een, overigens gebruikelijke, opzetclausule in verzekeringsvoorwaarden.
2. De opzetclausule die in deze zaak een rol speelde, luidt: “Uitgesloten is
de aansprakelijkheid van een verzekerde voor de schade die voor hem het
beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten.” Bij de zogenoemde
categoriebenadering is bij de uitleg van de woorden “voor hem het beoogde of
zekere gevolg” niet beslissend of de slaande of schoppende dader nu precies
het feitelijk ingetreden gevolg van zijn gedraging voorzag. Omdat deze nadruk
op de innerlijke gezindheid ten aanzien van het gevolg een te eng keurslijf
wordt geacht, wordt in de categoriebenadering in het belang van een redelijke
uitleg een zekere objectivering voorgestaan. “Vereist is slechts dat enig
gevolg van vergelijkbare ernst, dus behorend tot dezelfde categorie van
gevolgen als het feitelijk ingetreden gevolg, zozeer te verwachten viel dat
de dader zich van de noodzakelijkheid van zo’n gevolg bewust moet zijn
geweest.” Zie mijn noot onder Veerman. Zie met betrekking tot de
categoriebenadering ook Asser-Clausing Wansink (1998), nr. 259, onder
verwijzing naar Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf 2 mei
1994, I-94/16, Scheltema-Mijnssen (1998), p. 204, onder verwijzing naar RvT
12 november 1984, I-84/15 en de Conclusie van de A-G in bovenstaande zaak
onder nr. 19.
Met zijn onder 1 genoemde overweging heeft de Hoge Raad de
categoriebenadering categorisch afgewezen: het gaat alléén om het in feite
toegebrachte letsel.
3. In weerwil van de rigoureuze, voor uitzonderingen geen ruimte latende
formulering van de Hoge Raad (zie sub 1) meen ik dat ook de Hoge Raad er niet
aan zal ontkomen om althans enige uitzonderingen op zijn streng geformuleerde
regel te erkennen ter vermijding van al te onredelijke gevolgen. Ik geef een
– helaas niet uitzonderlijk – voorbeeld. A raakt met mede-cafébezoeker B in
gevecht en werkt hem tegen de grond. Vervolgens trapt A de op de grond
liggende B meerdere malen hard in buik- en maagstreek. Tijdens deze actie
zegt A tegen omstanders dat het goed is dat hij schoenen met stalen neuzen
draagt, omdat dat beter trapt. Het resultaat is een gescheurde milt bij B
waaraan deze niet overlijdt. Tegenover de politie en de rechter-commissaris
verklaart A naar waarheid: “Gescheurde wat? Milt? Ik heb maar twee jaar
basisonderwijs en ik wist niet eens dat B zo’n ding had.” Het zal toch niet
werkelijk de bedoeling zijn dat het beroep van de verzekeraar op de
opzetclausule ook in zo’n geval faalt omdat de verzekerde in de woorden van
de Hoge Raad “het in feite toegebrachte letsel” (de gescheurde milt, M.) niet
“heeft beoogd” en zich er evenmin van “bewust was dat dit letsel het gevolg
van zijn handelen zou zijn”? Aan het Rapport van de Studiecommissie Opzet van
het Verbond van Verzekeraars in Nederland uit 1980 – waaruit de genoemde
opzetclausule is voortgekomen – is m.i. geen deugdelijk argument te ontlenen
voor een bevestigende beantwoording van deze vraag (zie p. 16-17). Blijkens
haar beschouwingen betrok de commissie het opzet vooral op de gedraging van
de dader en niet zozeer – als afzonderlijk aspect – op het gevolg van dat
handelen.
Instructief is ook een vergelijking met het Duitse recht. Onder vermelding
van rechtspraak van het Bundesgerichtshof en lagere rechtspraak zegt
Pr·lls-Martin, Versicherungsvertragsgesetz (1998), aantekening 82-83 op
Allgemeine Versicherungsbedingungen für die Haftpflichtversicherung (AHB), p.
1190 (cursivering van mij): “Der Vorsatz muss die Schadenfolgen umfassen.
(…) Auch sonstige Körperverletzungsschöden dürfen nicht durch einen von den
Vorstellungen des Töters wesentlich abweichenden Geschehensablauf entstanden
sein oder nach Art und Schwere von den vorgestellten Verletzungen wesentlich
abweichen. (…) Der Töter braucht auch die Folgen der Tat nicht in allen
Einzelheiten vorauszusehen (° 152 VVG, Rn. 2).”
Het is niet eenvoudig om bij of tegenover dit alles de redenering van de Hoge
Raad in bovenstaand arrest te achterhalen omdat hij, ondanks de in de
literatuur gebleken meningsverschillen en naar voren gebrachte argumenten,
zijn uitspraak niet heeft gemotiveerd.
4. Aan de reeds sub 1 geciteerde overweging voegt de Hoge Raad even verder
het volgende toe: “Overigens verdient nog aantekening dat de rechter onder
omstandigheden uit de gedragingen van de verzekerde kan afleiden dat deze het
letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van
zijn handeling zou zijn”. Grote praktische betekenis heeft deze overweging
niet. Het zal veelal ondoenlijk zijn uit de omstandigheden van het geval af
te leiden dat het in feite toegebrachte letsel nu precies datgene was wat de
dader beoogde of waarvan hij zich bewust was toen hij handelde. In ruimere
mate dan bij de categoriebenadering liggen hier casuïstiek en
rechtsongelijkheid op de loer. Men kan dit ook anders zeggen. Reeds
angemeijer kwam met het “grote bezwaar” dat wie – zoals thans de Hoge Raad –
sterk let op de innerlijke gezindheid, de feitelijke vaststelling of er grove
schuld is (of opzet, zo voeg ik er aan toe), zeer onzeker maakt. Zie zijn
Conclusie bij HR 12 maart 1954, NJ 1955, 386 (Codam-Merwede), p. 693 r.kolom.
Zie ook Van Eijk-Graveland, Verzekerbaarheid van opzet in het
schadeverzekeringsrecht, diss. Leiden 1999, p. 87: “De Studiecommissie Opzet
beval in 1980 een subjectieve clausule aan omdat men wilde voorkomen dat een
(…) verzekeraar zijn norm, zijn oordeel over het gedrag van de dader zou
opleggen. Maar de uitspraak van de Hoge Raad (inzake Aegon-Van der
inden, M.) leidt ertoe dat de verzekerde zijn norm gaat opleggen aan de
verzekeraar”.
5. Men behoefde geen profeet te zijn om te kunnen voorspellen dat
verzekeraars grote moeite zouden hebben met de door de Hoge Raad gegeven, qua
gevolg sterk aan de innerlijke gezindheid van het subject gebonden uitleg van
de gebruikelijke opzetclausule. Zie ook Van Eijk-Graveland (1999), p. 87.
Betrouwbare berichten leren dat men in kringen van verzekeraars thans werkt
aan een nieuwe formulering van deze clausule waarbij waarschijnlijk ook
consumentenorganisaties zullen worden betrokken. Zo’n nieuwe formulering kan
het voordeel hebben van grotere duidelijkheid voor verzekerden. Deze en
slachtoffers moeten echter ook ernstig rekening houden met een nadeel: de
dekking die de nieuwe opzetclausule biedt zou vooral op het punt van
agressieve handelingen wel eens (aanzienlijk) minder kunnen zijn dan die
welke de oude in het licht van de categoriebenadering bood.

Rechters

Mrs. Roelvink, Korthals Altes, Heemskerk, Herrmann, De Savornin Lohman; A-GStrikwerda

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage zp ‘s-Hertogenbosch, 5 november 1998

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage zp ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


De vader is binnen drie jaar gescheiden. Hij verzoekt een vergunning voor
voortgezet verblijf, onder andere op grond van het contact met zijn kind. De
vergunning wordt hem geweigerd. Hij heeft geen omgangsregeling met zijn kind
van een volledige dag (acht uur) per week of een weekend elke veertien dagen
dan wel een daarmee gelijk te stellen omgangsregeling. De vader heeft een
omgangsregeling van een dag per veertien dagen. Er is sprake van een
gefaseerde uitbreiding van de omgangsregeling die er op termijn toe moet
leiden dat de omgang een weekend per twee weken kan worden. Bovendien draagt
de vader niet aantoonbaar bij in de kosten van de verzorging en opvoeding van
het kind. En verzoeker doet een beroep op de openbare kas. De rechtbank acht
het uitgangspunt van de staatssecretaris van Justitie in zijn algemeenheid
niet onredelijk en acht de inbreuk in het gezinsleven van de vader en het
kind in casu gerechtvaardigd.

Volledige tekst

I. Procesverloop

Eiser bezit de Egyptische nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de
Vw.

Op 8 augustus 1996 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een
vergunning tot verblijf op humanitaire gronden. Bij besluit van 10 januari
1997 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd en tevens geweigerd de
geldigheidsduur van de met ingang van 8 augustus 1995 aan eiser verleende
vergunning tot verblijf te verlengen.

Eiser heeft tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Dit
bezwaar is door verweerder bij besluit van 1 september 1997 ongegrond
verklaard. Nadien heeft verweerder eiser doen horen door een ambtelijke
commissie. Op 14 april 1998 heeft verweerder zijn besluit van 1 september
1997 ingetrokken en wederom besloten tot ongegrondverklaring van eisers
bezwaar.

Tegen het besluit van 14 april 1998 heeft eiser bij beroepschrift van 6 mei
1998 beroep ingesteld bij de rechtbank. Op diezelfde datum heeft eiser tevens
de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen
teneinde uitzetting hangende de beroepsprocedure te voorkomen.

Het verzoek, geregistreerd onder nummer AWB 98/3680 VV, is bij uitspraak van
28 juli 1998 afgewezen omdat eiser hangende de procedure het land heeft
verlaten en sindsdien niet opnieuw tot Nederland is toegelaten en dus aan het
gevraagde verbod tot uitzetting uit Nederland elke zin is komen te ontvallen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van 24 september
1998. Eiser is niet verschenen, maar is ter zitting vertegenwoordigd door
zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen
door zijn gemachtigde mr J.H. van Malde, ambtenaar ten departemente.

II. Overwegingen

Beoordeeld dient te worden of het bestreden besluit stand kan houden. Hierbij
gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiser, geboren op […] 1964, is in september 1989 met een reisvisum
Nederland ingereisd. Op 21 juni 1991 is aan eiser op diens verzoek een
vergunning verleend voor verblijf bij Nederlandse partner mevrouw B en het
verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat verblijf,
geldig tot 5 maart 1992. Sinds 8 april 1992 woont eiser samen met de
Nederlandse mevrouw C. Een verzoek om een vergunning tot verblijf bij deze
partner is op 9 april 1992 afgewezen. Op 10 december 1992 is eiser met
mevrouw C in het huwelijk getreden en daags erna is aan eiser een vergunning
tot verbijf verleend voor de duur van een jaar voor verbiljf bij zijn
echtgenote en het verrichten van arbeid. Eiser heeft vervolgens de status
verkregen van vreemdeling aan wie het krachtens artikel 10, tweede lid, van
de Vw is toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven. Op […]
maart 1993 is uit het huwelijk een dochter geboren. Het gezinsverband tussen
eiser en zijn echtgenote is verbroken op 8 augustus 1995. Hierdoor heeft
eiser zijn status ex artikel 10, tweede lid, van de Vw van rechtswege
verloren.

Met ingang van 8 augustus 1995 is aan eiser een vergunning tot verblijf
verleend voor het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst met een
geldigheidsduur van een jaar, het zogenoemde zoekjaar. Op 8 augustus 1996
heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot
verblijf op humanitaire gronden. Bij besluit van 10 januari 1997 heeft
verweerder deze aanvraag niet ingewilligd en verlenging van de met ingang van
8 augustus 1995 aan eiser verleende vergunning tot verblijf geweigerd.

Door eiser is een aantal stukken overgelegd met betrekking tot zijn
werkzaamheden. Hieruit blijkt dat eiser van 2 januari 1996 tot 9 april 1996
eigenaar is geweest van een grillroom/broodjeszaak, dat eiser van 19
september 1996 tot 9 oktober 1996 via een uitzendbureau heeft gewerkt bij D
en dat hij dit werk niet langer kon doen wegens het ontbreken van een
zogenaamd C-document, en dat eiser van juni 1997 tot en met december 1997
enige portierswerkzaamheden heeft verricht in een horecagelegenheid. Voorts
is door eiser een brief overgelegd van D gedateerd 2 juni 1998 waarin D op
verzoek van eisers gemachtigde bevestigt dat tewerkstelling van eiser bij D
zonder meer mogelijk zou zijn, indien eiser in het bezit zou zijn van de
vereiste verblijfs- en vestigingsdocumenten. Ten tijde van het bestreden
besluit ontving eiser een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet.

Het ouderlijk gezag over eisers dochter wordt sinds de scheiding uitgeoefend
door de moeder van het kind. Met ingang van 9 november 1995 gold voor eiser
een omgangsregeling. Hij kon elke donderdag van 13.00 uur tot 16.30 uur
omgang hebben met zijn dochter. In september 1996 zijn er problemen ontstaan
bij de uitvoering van deze omgangsregeling omdat eiser op donderdagmiddag
moest werken. Op 21 oktober 1996 is een bezoekregeling afgesproken voor een
zaterdag per veertien dagen van 9.30 uur tot 17.30 uur. In de Kerstvakantie
1997 en de carnavalsweek 1998 heeft eiser drie dagen omgang met zijn dochter
gehad. Op 18 maart 1998 heeft de rechtbank te Maastricht vastgesteld dat de
omgang goed is verlopen en verder kan worden uitgebouwd. Er is door de
rechtbank een gefaseerde uitbreiding van de omgangsregeling vastgesteld die
ertoe moet leiden dat na de krokusvakantie 1999 eiser eenmaal per veertien
dagen gedurende een weekend omgang kan hebben met zijn dochter, alsmede
enkele dagen in de schoolvakanties. Ten tijde van het bestreden besluit hield
de regeling in dat eiser eenmaal per veertien dagen een zaterdag gedurende
acht uur omgang had met zijn dochter alsmede enkele dagen in de
schoolvakanties.

Overigens is het de rechtbank gebleken dat eiser op 25 juni 1998 heeft
verzocht om verlening van een terugkeervisum omdat hij zijn ernstig zieke
moeder in Egypte wilde bezoeken. Dit visum is hem op 3 juli 1998 geweigerd
omdat hij niet kon aantonen dat er sprake was van een dringende reden die
geen uitstel gedoogt. Zonder terugkeervisum is eiser op 14 juli 1998 naar
Egypte gereisd. Bij terugkeer in Nederland op 24 juli 1998 is hem op Schiphol
de toegang geweigerd. Tegen deze weigering van toelating heeft eiser bezwaar
gemaakt bij verweerder. Tevens heeft hij een verzoek gericht tot de president
van deze rechtbank tot het treffen van een voorlopige voorziening
(registratienummer AWB 98/5707 VV). Dit verzoek is gevoegd behandeld met
eisers verzoek van 6 mei 1998, genoemd onder rubriek 1 van deze uitspraak.
Bij uitspraak van 28 juli 1998 zijn beide verzoeken afgewezen. Op 29 juli
1998 is eiser Nederland uitgereisd. Bij de behandeling ter zitting van dit
beroep heeft eisers gemachtigde aangegeven dat zij heeft vernomen dat eiser
zeer onlangs omgang met zijn dochter in Nederland heeft gehad, maar eisers
huidige verblijfplaats is ook haar onbekend.

Eiser legt aan zijn beroep kort gezegd het navolgende ten grondslag. In de
eerste plaats meent eiser in aanmerking te komen voor een
vestigingsvergunning, omdat hij op de datum dat hij een verblijfsvergunning
aanvroeg, 8 augustus 1996, gedurende vijf jaar legaal in Nederland verbleef
en tevens voldeed aan de overige voorwaarden. Voorts stelt eiser zich op het
standpunt dat hij in aanmerking dient te komen voor voortgezet verblijf,
ondanks het feit dat hij op de peildatum 8 augustus 1996 niet beschikte over
werk. Eisers langdurig verblijf in Nederland en de omstandigheid dat hij een
Nederlandse dochter heeft, maken naar eiser stelt dat hij zodanig geworteld
is in de Nederlandse samenleving en uit humanitair oogpunt aanspraak maakt op
een vergunning tot verblijf. Tot slot is door eiser een beroep gedaan op
artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor
een vestigingsvergunning, noch voor voortgezet verblijf of een vergunning tot
verblijf op humanitaire gronden. Met betrekking tot eisers beroep op artikel
8 van het EVRM is verweerder kort gezegd van oordeel vat er weliswaar sprake
is van een inmenging door verweerder in het gezinsleven zoals dat bestaat
tussen eiser en zijn Nederlandse dochter, maar verweerder acht deze inmenging
gerechtvaardigd in de zin van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank overweegt het navolgende. Ingevolge artikel 13, derde lid,
aanhef en onder a van de Vw kan aan een vreemdeling die gedurende een tijdvak
van vijf jaren zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, een vergunning
tot vestiging slechts worden geweigerd indien niet redelijkerwijs is
gewaarborgd dat hij duurzaam zal kunnen beschikken over voldoende middelen
van bestaan.

Daargelaten dat eiser geen aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een
vergunning tot vestiging is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in
het bestreden besluit terecht heeft beroepen op bovengenoemd artikelonderdeel
bij diens weigering een vestigingsvergunning te verlenen. Op geen enkele
manier is immers aangetoond door eiser of is anderszins gebleken dat is
voldaan aan het in dit artikel opgenomen middelenvereiste. Ingevolge artikel
11, vijfde lid, van de Vw kan verlening van een vergunning tot verblijf
alsmede het verlengen van de geldigheidsduur daarvan, worden geweigerd op
gronden aan het algemeen belang ontleend.

Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie
hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen – behoudens
verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten – slechts
voor (voortgezet) verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid
hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of er sprake is van
klemmende redenen van humanitaire aard.

Verweerders beleid inzake verlening van een vergunning tot voortgezet
verblijf na verbreking van het huwelijk op basis waarvan een vreemdeling
eerder in Nederland is toegelaten, is neergelegd in hoofdstuk B1/2 van de
Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc).

In casu is toepassing gegeven aan het beleid zoals gegeven onder de paragraaf
‘huwelijk drie jaar of langer’ en is eiser na de verbreking van zijn huwelijk
in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voor het
verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’, geldig voor de duur van een
jaar, het zogenaamde zoekjaar. Het beleid houdt in dat indien na het
verstrijken van het jaar waarvoor die vergunning tot verblijf geldt niet
wordt beschikt over werk voor nog ten minste een jaar, de verlenging van de
geldigheidsduur van de vergunning wordt geweigerd.

Vaststaat dat eiser op de peildatum 8 augustus 1996, de dag waarop de
geldigheidsduur van zijn zelfstandige vergunning tot verblijf verstreek, niet
beschikte over werk voor nog ten minste een jaar. Eiser ontving op die datum
een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet. De rechtbank deelt dan ook
het standpunt van verweerder dat eiser aan bovengenoemd beleid geen aanspraak
op voortgezette toelating kon ontlenen. Op grond van deze beleidsregel is
immers bepalend de situatie op de peildatum. De omstandigheid dat eiser
enkele weken na de peildatum gedurende drie weken uitzendwerk heeft verricht
en naar zijn zeggen voor langere tijd dit werk had kunnen doen als zijn
C-document niet zou zijn ingenomen, doet aan het bovenstaande niet af. De
rechtbank is van oordeel dat deze beleidsregel, waarin de peildatum wordt
gehanteerd, niet onredelijk is en verwijst dienaangaande naar
rechtsoverweging 8.1 van de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van deze
rechtbank van 13 februari 1998 (AWB 97/10643, gepubliceerd in Jurisprudentie
Vreemdelingenrecht 1998/48).

Blijkens verweerders beleid zoals neergelegd in hoofdstuk B1/2 van de Vc
kunnen ook klemmende redenen van humanitaire aard leiden tot voortgezet
verblijf van de vreemdeling in Nederland na verbreking van diens huwelijk.
Gedacht kan worden aan de situatie dat de vreemdeling nauwe banden heeft met
Nederland of in Nederland wonende personen of dat diens terugkeer naar het
land van herkomst redelijkerwijs niet verlangd kan worden. Naar het oordeel
van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt
kunnen stellen dat eiser, die in Egypte is geboren en opgegroeid, daar 27
jaar heeft gewoond en daar zijn familie heeft wonen, nauwere banden heeft met
Egypte dan met Nederland. Dit ondanks het feit dat eiser de laatste acht jaar
in Nederland heeft verbleven en hier een Nederlandse dochter heeft. Eiser
moet in staat worden geacht zich in Egypte zelfstandig te kunnen handhaven.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan eiser op goede gronden
(voortgezet) verblijf is geweigerd. De rechtbank is niet gebleken dat eiser
aan enige andere door verweerder gehanteerde beleidsregel aanspraak op
verblijf in Nederland kan ontlenen.

Met betrekking tot eisers beroep op artikel 8 van het EVRM overweegt de
rechtbank als volgt.
In de onderhavige zaak staat vast dat tussen eiser en zijn Nederlandse
dochter gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM. Niet in
geschil is dat het niet langer toestaan van verblijf aan eiser een inmenging
betekent in het gezinsleven van eiser en zijn dochter. Resteert de vraag of
deze inmenging gerechtvaardigd kan worden geacht, gelet op het bepaalde in
het tweede lid van artikel 8 van het EVRM. Verweerder dient hiertoe een
redelijke afweging te maken tussen enerzijds het belang van het economisch
welzijn van Nederland en anderzijds het belang van eiser om zijn gezinsleven
in Nederland uit te oefenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, door
in het onderhavige geval aan het algemeen belang doorslaggevend gewicht toe
te kennen en aan eiser verblijf bij zijn dochter in Nederland te weigeren,
niet heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van het EVRM. Daartoe acht de
rechtbank het navolgende redengevend.

Bij de belangenafweging is op de eerste plaats van belang in hoeverre er
sprake is van een frequent en regelmatig contact tussen eiser, als
niet-verzorgende ouder, en het kind. Verweerder hanteert als uitgangspunt dat
indien er sprake is van een feitelijk nageleefde omgangsregeling van minimaal
een volledige dag (8 uur) per week of een weekeinde elke veertien dagen dan
wel een daarmee gelijk te stellen omgangsregeling, een inbreuk op het
gezinsleven niet gerechtvaardigd is te achten als de niet-verzorgende ouder
bovendien aantoonbaar bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van
het kind. De rechtbank acht dit uitgangspunt in zijn algemeenheid niet
onredeijk en onderschrijft tevens verweerders standpunt dat hieraan door
eiser niet wordt voldaan. Hoewel eiser, nadat de gezinsband in augustus 1995
werd verbroken, al vanaf november 1995 omgang heeft met zijn dochter op basis
van diverse regelingen, was er ten tijde van het bestreden besluit van 14
april 1998 nog altijd geen sprake van een omgangsregeling met een omvang als
hier aangegeven. Hieraan doet niet af dat de rechtbank te Maastricht op 18
maart 1998, derhalve kort voor het bestreden besluit, heeft vastgesteld dat
de omgang tot op dat moment goed is verlopen en dat gedacht kan worden aan
uitbreiding van de regeling. Het zou volgens de voorgestelde uitbreiding
immers nog tot de krokusvakantie 1999 duren voordat de regeling de benodigde
omvang zou kennen. De niet met stukken onderbouwde stelling van eiser dat hij
wel eens kleding en schoeisel voor zijn dochter aanschaft is voorts
onvoldoende om te kunnen spreken van een aantoonbare bijdrage van eiser in de
kosten van verzorging en opvoeding van zijn dochter.

Bij de belangenafweging in de zin van artikel 8, tweede lid van het EVRM is
tevens van belang in heoverre door eiser een beroep wordt gedaan op de
openbare kas. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering en heeft het zoekjaar dat
hem is geboden om werk te vinden onbenut gelaten. De rechtbank acht het dan
ook niet onredelijk dat verweerder aan eiser het ontbreken van
bestaansmiddelen tegenwerpt. De in algemene bewoordingen opgestelde brief van
D die inhoudt dat eiser, die daar in het verleden drie weken heeft gewerkt,
aldaar weer zou kunnen werken als hij in het bezit zou zijn van de vereiste
verblijfsdocumenten, doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet af.
Deze brief biedt aan verweerder geen enkele garantie dat eiser, ingeval hij
in Nederland zou worden toegelaten, daadwerkelijk en duurzaam zal beschikken
over voldoende bestaansmiddelen.

Tot slot overweegt de rechtbank dat het onthouden van een verblijfsrecht aan
eiser de omgang tussen eiser en zijn dochter zal bemoeilijken, maar dat eiser
in staat moet worden geacht ook vanuit Egypte enig contact te onderhouden met
zijn dochter in Nederland. Mitsdien faalt het beroep op artikel 8 van het
EVRM.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder zich met recht op het
standpunt heeft gesteld dat eiser geen aanspraak op verlening van een
vergunning tot verblijf kan maken. Ook overigens is de rechtbank niet
gebleken dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd
met geschreven of ongeschreven rechtsregels. Op grond van het voorgaande
dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Van omstandigheden op grond
waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de
andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken. Beslist
wordt mitsdien als volgt.

III. Beslissing.
De rechtbank,
verklaart het beroep ongegrond.
(…)

Rechters

Mrs Hilhorst-Hagen, Goyaerts-Antens, Drop

Instantie: Hoge Raad, 3 november 1998

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Verkrachting van een slapende vrouw. De dader is op het slachtoffer gaan
liggen en hij is met geslachtsgemeenschap begonnen terwijl zij nog sliep.
Nadat de vrouw ontwaakte en zich verzette, is de dader doorgegaan met de
verkrachting. De Hoge Raad stelt dat artikel 242 Sr ook van toepassing is als
een slachtoffer tot voorzetting van de gemeenschap wordt gedwongen. Niet
noodzakelijk is dat de dwang al bij aanvang van de gemeenschap aanwezig is.
Het oordeel van het hof dat de delictsinhoud van art. 242 Sr pas was vervuld
toen de vrouw ontwaakte en zich verzette, geeft dan ook geen blijk van een
onjuiste rechtsopvatting. Ditzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat de
enkele omstandigheid dat de dader op het slachtoffer is gaan liggen en
blijven liggen geen ‘geweld’ oplevert in de zin van artikel 242 Sr. De grens
tussen ‘geweld’ en ‘een andere feitelijkheid’ is niet steeds scherp te
trekken.

Volledige tekst

Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het
Gerechtshof te Leeuwarden van 25 augustus 1997 in de strafzaak tegen F.R., te
Oude Pekela, adv. mr. A. Fokkema te Groningen.

Hof:
Bewezenverklaring
Bewezenverklaard is dat hij op 5 januari 1995, in de gemeente (…), door
feitelijkheden een vrouw, genaamd J.B., heeft gedwongen tot het ondergaan van
handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van
die J.B., hebbende verdachte die J.B. gedwongen te dulden dat verdachte zijn,
verdachtes, penis in de vagina van die J.B. duwde/bracht, en bestaande die
feitelijkheden hierin dat verdachte bij die J.B. (die toen in haar woning in
bed in slaap lag) in bed is gegaan en vervolgens op die J.B. is gaan liggen
en
vervolgens – nadat die J.B. was ontwaakt – tegen de wil van die J.B. en
ondanks het verzet van die J.B. op die J.B. is blijven liggen.

Bewijsmiddelen
1. Een proces-verbaal (…) inhoudende:
als verklaring van J.B.:
Op 5 januari 1995 om half twee ben ik door mijn zwager naar huis gebracht.
Ik had ongeveer zes flesjes bier gedronken en was erg moe omdat ik de
afgelopen nachten slecht had geslapen. Ik ben toen ik thuis kwam meteen naar
bed gegaan en gelijk in slaap gevallen. Ik werd op een gegeven moment wakker
en ik merkte toen dat er iemand bovenop mij lag. Het voelde heel zwaar aan.
Ik voelde dat die persoon met zijn piemel in mijn vagina zat. Die persoon
ging met zijn lichaam heen en weer en was dus met mij aan het neuken. Ik wist
niet wat mij overkwam en was erg bang. Na korte tijd deed die persoon zijn
hoofd omhoog en herkende ik F.R. Ik heb meteen tegen hem gezegd: “Niet doen,
ga van mij af, je doet me pijn”. Hij luisterde niet naar mij. Hij bleef op
mij liggen en hield zijn piemel in mij.
2. Een proces-verbaal (…) inhoudende: als verklaring van de verdachte:
Op donderdag 5 januari 1995, om omstreeks twee uur, zat ik bij R.K. Ik had
bier gedronken. Omstreeks genoemd tijdstip zei ik tegen R. dat ik nog even
bij mijn ex-vriendin J. wilde kijken. Sinds december 1993 is onze relatie
geëindigd na een ruzie. Samen met R. en zijn buurman zijn we in mijn auto
naar het huis van J. (…) gereden. Ik heb toen eerst aangebeld en toen er
geen reaktie kwam heb ik opzettelijk met mijn linkervoet de onderste ruit van
de voordeur ingetrapt. Toen kon ik de voordeur openen. Samen met R. ben ik
naar binnen gegaan. Boven gekomen zag ik dat J. in bed lag. Hierop kwam R.
ook boven. Nadat R. was vertrokken kleedde ik mij uit. Daarna ben ik bij haar
in bed gestapt. Vervolgens hebben wij gemeenschap gehad. Ik ben toen ook in
haar klaar gekomen.

Nadere bewijsoverweging
Naar het oordeel van het hof moet de passage in de telastelegging waarin
wordt
omschreven dat verdachte J.B. heeft gedwongen te dulden dat verdachte zijn
penis
in de vagina van die J.B. duwde/bracht zo worden begrepen dat deze mede omvat
de
dwang om te dulden dat hij zijn penis in haar vagina hield.

Uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep de verdachte ter zake van “verkrachting”
veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf.

Cassatiemiddelen:

Middel I
Het in Nederland geldende recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd,
waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven, doordat het
Hof in de bewezenverklaring een onjuiste c.q. te ruime betekenis heeft
toegekend aan het bestanddeel “andere feitelijkheid”.
(…)

Middel II
Het in Nederland geldende recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd,
waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven, doordat het
Hof een onjuiste c.q. te ruime betekenis heeft toegekend aan de passage in de
telastelegging, waarin wordt omschreven dat verdachte J.B. heeft gedwongen te
dulden dat verdachte zijn penis in de vagina van die J.B. duwde/bracht.
(…)

Middel III
Het in Nederland geldende recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd,
waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven, doordat de
bewezenverklaring als innerlijk tegenstrijdig mag worden aangemerkt.

Toelichting
De bewezenverklaring van het Hof hinkt op twee gedachten. In het
kwalificatieve
gedeelte is sprake van een zogenaamde feitelijkheid, terwijl de feitelijke
uitwerking daarvan niet anders kan worden verstaan dan het hanteren van
geweld door rekwirant, waar het Hof immers overweegt dat rekwirant, nadat
J.B. was ontwaakt, tegen haar wil en ondanks haar verzet op die J.B. is
blijven liggen.

Conclusie wnd. A-G mr. Keijzer:
(…)
6. Alvorens toe te komen aan de bespreking van de middelen maak ik enkele
opmerkingen van meer algemene aard.
7. In de gedraging van de verdachte zoals door het slachtoffer verteld kunnen
twee fasen worden onderscheiden. In de eerste wordt het slachtoffer
gepenetreerd, doch zonder dat te beseffen; eerst in de tweede fase, wanneer
de penetratie al een feit is, verzet zij zich en wordt haar verzet door
geweld gebroken. In het licht van de wettelijke delictsomschrijving van
verkrachting (art. 242 Sr) zou wellicht de vraag kunnen rijzen of het geheel
wel een
strafbare gedraging oplevert, aangezien op het eerste gezicht geen van beide
fasen die delictsomschrijving geheel schijnt te vervullen.
Allereerst zou die vraag berusten op een drogredenering, vergelijkbaar met de
stelling dat een half leeg glas en nog een half leeg glas tezamen een geheel
leeg glas opleveren. Indien geen van beide onderdelen van de gedraging op
zichzelf strafbaar is kan het toch zijn dat de gehele gedraging het in art.
242 Sr strafbaar gestelde feit oplevert. Bovendien acht ik beide glazen
geheel gevuld: elk van beide fasen kan verkrachting opleveren.

8. Met betrekking tot de eerste fase kan men zich afvragen of wel sprake kan
zijn van dwingen, in de zin van art. 242 Sr, wanneer het slachtoffer het
ondergaan van het seksueel binnendringen niet beseft.
Die omstandigheid staat er echter mijns inziens niet aan in de weg, hier van
dwingen te spreken NOOT 1. Weliswaar kan van dwingen als bedoeld in art. 242
Sr slechts sprake zijn indien men het slachtoffer de bedoelde handelingen
doet ondergaan tegen haar wil NOOT 2, maar dat het slachtoffer niet wilde
kan, zoals in het onderhavige geval, ook achteraf blijken. Door zich niet
tevoren te vergewissen of deze met zijn handelen instemt loopt iemand die bij
een slapend persoon seksueel binnendringt ernstig risico dat dit gedrag
achteraf bezien zal
moeten worden aangemerkt als een die persoon dwingen dat binnendringen te
ondergaan, en indien geweld is toegepast kan daaruit in het algemeen worden
afgeleid dat de dader dat risico heeft aanvaard NOOT 3. Dat in casu het
slachtoffer zich in de eerste fase niet verzette staat aan de kwalificatie
dwingen niet in de weg NOOT 4, reeds omdat het, niet beseffend wat er
gebeurde, zich immers niet verzetten kon.

9. Met betrekking tot de tweede fase kan men zich afvragen of nog wel sprake
kan zijn van handelingen die bestaan of mede bestaan uit het seksueel
binnendringen van het lichaam, als bedoeld in art. 242 Sr, nu in die fase dat
binnendringen reeds een feit was.
De vraag komt voort uit de wat moeizame formulering van art. 242 Sr. De
overeenkomstige bepaling uit het Duitse Strafgesetzbuch maakt gebruik van de
term Beischlaf NOOT 5, de Engelse van sexual intercourse NOOT 6. Die termen
maken duidelijk dat het niet slechts gaat om de aanvang van de cohabitatie
maar ook om het voortduren ervan. “While rape is complete upon penetration it
has been held that the act of intercourse is regarded as continuing until
withdrawal”, aldus een gezaghebbend commentaar NOOT 7. Ook de Franse bepaling
maakt gebruik van een zelfstandig naamwoord dat een zodanige uitleg toelaat:
pénétration sexuelle NOOT 8.
Ook deze vraag moet mijns inziens bevestigend worden beantwoord.
Binnendringen
moet in het onderhavige verband worden opgevat als mede omvattende
binnengedrongen blijven. Deze opvatting is niet onverenigbaar met de algemeen
gangbare betekenis van binnendringen; dat woord kan zowel in statische als in
dynamische betekenis worden gebezigd NOOT 9. De opvatting vindt steun in de
wetsgeschiedenis. In art. 242 (oud) Sr werd gebruik gemaakt van de term
“vleselijke gemeenschap”; evenals de zojuist genoemde Duitse, Engelse en
Franse termen leende die zich tot de uitleg dat daaronder naast binnendringen
ook binnengedrongen blijven viel. De huidige terminologie “het ondergaan van
handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen
van
het lichaam” is geïntroduceerd tijdens de behandeling van het wetsontwerp dat
heeft geleid tot de Wet van 9 oktober 1991, Stb. 519, en wel bij de vierde
nota van wijziging. Blijkens de toelichting is die wijziging ingegeven door
de wens ook oraal en anaal binnendringen onder de delictsomschrijving te
brengen.
“Seksueel binnendringen omvat dan zowel vleselijke gemeenschap als andere
vormen
van binnendringen”, aldus die toelichting NOOT 10. Dat de wetgever
binnengedrongen blijven voortaan zou hebben willen uitsluiten blijkt
geenszins.

10. Blijkens het voorgaande – de andere delictsbestanddelen laat ik hier
buiten bespreking – ben ik van mening dat elk van beide fasen van de door het
slachtoffer in haar tot het bewijs gebezigde verklaring geschetste gang van
zaken op zichzelf verkrachting kan opleveren. De vraag of de telastelegging
op beide fasen is gericht of slechts op één daarvan zal aan de orde komen bij
de bespreking van het tweede middel.

11. Het eerste middel houdt in dat het Hof een onjuiste betekenis heeft
toegekend aan “andere feitelijkheid” als bedoeld in art. 242 Sr, door
blijkens de bewezenverklaring als zodanig onder meer aan te merken het bij
J.B., toen zij sliep, in bed gaan en op haar gaan liggen.

12. Het middel berust op de opvatting dat van een “andere feitelijkheid” als
bedoeld in art. 242 Sr slechts sprake kan zijn indien het slachtoffer van die
feitelijkheid wetenschap heeft. De dader dient “een situatie te creëren, die
zo bedreigend is dat het slachtoffer toegeeft aan de wensen van de dader
teneinde mogelijk erger te voorkomen”, aldus de toelichting op het middel.

13. Die opvatting is onjuist. Het middel ziet eraan voorbij dat art. 242 Sr
op twee verschillende actietypen ziet, namelijk (1) dwingen door geweld of
een andere feitelijkheid en (2) dwingen door bedreiging met geweld of een
andere feitelijkheid. Van (2) kan worden gezegd dat het impliceert “een
situatie te creëren, die zo bedreigend is dat het slachtoffer toegeeft aan de
wensen van de dader teneinde mogelijk erger te voorkomen”; dat ligt dan
besloten in de wettelijke term “bedreiging”, niet in de wettelijke term
“andere feitelijkheid”.
Het Hof heeft echter bedreiging niet bewezenverklaard. De bewezenverklaring
heeft kennelijk slechts het oog op actietype (1).

14. Het middel faalt derhalve.

15. Het derde middel houdt in dat de bewezenverklaring innerlijk
tegenstrijdig is. Betoogd wordt dat de bewezenverklaarde omstandigheid, dat
de verdachte na het ontwaken van J.B. tegen haar wil en ondanks haar verzet
op haar is blijven liggen, niet oplevert een feitelijkheid als bedoeld in het
kwalificatieve onderdeel van de telastelegging.

16. Kennelijk gaat het middel uit van de opvatting dat geweld niet een
feitelijkheid oplevert als in de bewezenverklaring overeenkomstig de
telastelegging en overeenkomstig art. 242 Sr bedoeld. Die opvatting is
onjuist.
Blijkens de in art. 242 Sr (tweemaal) voorkomende zinsnede “geweld of een
andere feitelijkheid” heeft de wetgever in geweld een van de vele vormen
gezien waarin
zich een feitelijkheid kan voordoen.

17. Het middel is derhalve ongegrond.

18. Het tweede middel houdt blijkens de toelichting de klacht in dat het Hof,
door onder de in de telastelegging voorkomende woorden “in de vagina van
(…) duwde/bracht” mede te begrijpen “in haar vagina hield”, de grondslag
van de telastelegging heeft verlaten.

19. Inderdaad meen ik dat het Hof in zijn nadere bewijsoverweging de gangbare
betekenis van duwde/bracht tezeer geweld heeft aangedaan en aan de
telastelegging een ruimere betekenis heeft gegeven dan daaraan op grond van
haar bewoording kan worden toegekend.
Ik zie er trouwens geen enkele aanwijzing voor, dat de telastelegging zou
zijn bedoeld in de door het Hof geformuleerde zin. Dat, zoals hierboven
betoogd, de wettelijke term “binnendringen” tevens omvat “binnengedrongen
blijven”, biedt onvoldoende steun aan de veronderstelling dat de steller van
de telastelegging op meer het oog heeft gehad dan de aanvang van de
cohabitatie. Ook de opsomming van de feitelijkheden waardoor de vrouw is
gedwongen wijst daar niet op. Dat de steller van de telastelegging in die
opsomming niet alleen heeft opgenomen dat de verdachte bij de vrouw in bed is
gegaan en op haar is gaan liggen, maar ook dat hij vervolgens, toen ze was
ontwaakt, tegen haar wil en ondanks haar verzet op haar is blijven liggen,
ontleent zijn zin immers daaraan dat alleen uit die
laatstbedoelde feitelijkheid – achteraf – blijkt dat het induwen/inbrengen
geschiedde tegen haar wil, hetgeen vereist is wil sprake kunnen zijn van
dwingen.

20. Toch kan het middel niet tot cassatie leiden, want de bewezenverklaring
en de verdere beslissingen van het Hof steunen niet op de aangevallen
overweging.
Niet blijkt dat de verdachte behalve wegens in duwen/brengen ook nog is
veroordeeld wegens in houden. Onder de wetsbepalingen waarop de
strafoplegging berust is art. 56 Sr niet vermeld. De door het Hof aan het
bewezenverklaarde gegeven kwalificatie “verkrachting” past bij de
bewezenverklaring zoals opgevat in de zin waarin de telastelegging kennelijk
is bedoeld.

21. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

(…)

Voetnoten:
M.b.t. bedreiging ligt het anders: HR 13 juni 1995, DD 95 387.

HR 16 juni 1987, NJ 1988, 156, m.nt. GEM; HR 29 november 1994, NJ 1995, 201;
HR
24 maart 1998 (106 832) (NJ 1998, 534; red.). Zie ook de Nota n.a.v. het
eindverslag, Kamerstukken II 1989-1990, 20 930, nr. 8, blz. 1-2.

HR 16 juni 1987, NJ 1988, 156, m.nt. GEM, r.o. 5.3.

Vgl. NLR, aant. 4 op art. 242 Sr.

° 177 StGB.

Sexual Offences Act 1956, section 1.

Blackstone’s Criminal Practice, 1996, blz. 178.

Art. 222-23 CP.
Vgl. bijvoorbeeld: “De fjorden dringen diep binnen in de Noorse kust”.
Kamerstukken II 1990-1991, 20 930, nr. 13, blz. 3.

Hoge Raad:

4. Beoordeling van de middelen
4.1. Bij de beoordeling van de middelen moet het volgende worden
vooropgesteld.
Het gaat in deze zaak om een veroordeling ter zake van het bij art. 242 Sr
voorziene misdrijf van verkrachting.
Dat artikel is gewijzigd bij de Wet van 9 oktober 1991, Stb. 519, in werking
getreden op 1 december 1991.
Voor die wetswijziging bevatte dat artikel als bestanddeel het hebben van
vleselijke gemeenschap. In plaats daarvan behelst het artikel thans het
bestanddeel “het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan
uit het seksueel binnendringen van het lichaam”.
Met die wijziging is blijkens de wetsgeschiedenis beoogd naast
geslachtsgemeenschap ook andere vormen van seksueel binnendringen van het
lichaam onder het bereik van artikel 242 Sr te brengen. Het lijdt geen
twijfel dat art. 242 Sr voor die wetswijziging niet alleen zag op de aanvang
van de geslachtsgemeenschap, maar ook op de voortduring daarvan. Die bepaling
strekte zich dus ook uit tot het geval waarin eerst sprake is van dwang nadat
de
geslachtsgemeenschap is aangevangen en het slachtoffer dus wordt gedwongen
tot voortzetting van geslachtsgemeenschap, die aanvankelijk zonder dwang, als
bedoeld in art. 242 Sr, is totstandgekomen. Gelet op de ratio van genoemde
wetswijziging is er geen aanleiding om aan te nemen dat de wetgever het
bereik van het huidige art. 242 Sr in dat opzicht heeft willen beperken.

4.2. Tegen de achtergrond van hetgeen onder 4.1 is vooropgesteld, geeft het
oordeel van het Hof dat de tenlastelegging aldus moet worden verstaan dat
deze mede het verwijt inhoudt dat de verdachte het slachtoffer heeft
gedwongen te dulden dat hij zijn penis in haar vagina hield – en dus in haar
lichaam binnengedrongen heeft gehouden -, geen blijk van een onjuiste
rechtsopvatting terwijl die uitleg, als niet onverenigbaar met de
bewoordingen van de tenlastelegging, in cassatie moet worden geëerbiedigd.
Van grondslagverlating is dus geen sprake zodat het tweede middel faalt.

4.3. Gelet op hetgeen het Hof op grond van die aldus opgevatte
tenlastelegging heeft bewezenverklaard en op de aan die bewezenverklaring
gegeven motivering, heeft het klaarblijkelijk geoordeeld dat de delictsinhoud
van art. 242 Sr in dit geval eerst was vervuld nadat het slachtoffer was
ontwaakt en zich heeft verzet tegen de handelingen van de verdachte waarvan
zij zich toen bewust werd.
In het licht van hetgeen hiervoor onder 4.1 is vooropgesteld en in aanmerking
genomen dat van dwang als in art. 242 Sr bedoeld, slechts sprake kan zijn
indien de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de in
dat artikel bedoelde handelingen tegen haar wil heeft ondergaan (vgl. HR 29
november 1994, NJ 1995, 201 en HR 24 maart 1998, NJ 1998, 534), geeft dat
oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin
onbegrijpelijk is.
Daarmee is niet onverenigbaar dat het Hof heeft geoordeeld dat het
slachtoffer
ook door de twee eerste in de bewezenverklaring genoemde en in de toelichting
op het eerste middel bedoelde feitelijkheden “is gedwongen”, nu de verdachte
met die feitelijkheden de toestand in het leven heeft geroepen waarin het
slachtoffer zich na haar ontwaken bevond. Ook het eerste middel is dus
tevergeefs voorgesteld.

4.4. Het derde middel tenslotte kan evenmin tot cassatie leiden.
Vooropgesteld moet worden dat de grens tussen “geweld” en “een andere
feitelijkheid”, in de zin van art. 242 Sr, niet steeds scherp zal kunnen
worden getrokken, zodat die afgrenzing in voorkomende gevallen mede zal
afhangen van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de
omstandigheden van het geval.
Het Hof, dat de verdachte heeft vrijgesproken van het in de tenlastelegging
voorkomende onderdeel “geweld”, heeft kennelijk geoordeeld dat de enkele
omstandigheid dat de verdachte op het slachtoffer is gaan liggen en is
blijven liggen geen “geweld” oplevert als bedoeld in art. 242 Sr. Dat oordeel
geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin
onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen
niet kan volgen dat het slachtoffer zich daartegen anders dan door de woorden
“niet doen, ga van mij af” heeft verzet.

5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden terwijl de Hoge Raad ook geen
grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren
te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs. Davids, Koster, Schipper

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 30 oktober 1998

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Partijen hebben een relatie gehad waaruit een kind is geboren. Het kind is
door de vader erkend. De moeder heeft de woning verlaten en het kind is door
de vader verzorgd. De vader verzoekt om met het gezag te worden bekleed. De
kantonrechter geeft hem het gezag. De rechtbank daarentegen bekleedt de
moeder met het gezag. Van contra-indicaties ten nadele van de moeder is de
rechtbank niet gebleken. De rechtbank gaat niet in op hetgeen over de vader
te berde is gebracht, onder andere door de Raad van de kinderbescherming.
Volgens de Hoge Raad dient de rechter in het licht van hetgeen in het belang
van het kind wenselijk is, de mogelijkheden die ieder der ouders aan het kind
biedt of kan bieden, af te wegen. Bij de beoordeling daarvan zal tevens
rekening moeten worden gehouden met mogelijke nadelen die voor het kind
verbonden kunnen zijn aan het enkele feit van een verandering van het
ouderlijk gezag en een daarmee verband houdende wijziging in de
verzorgingssituatie.

Volledige tekst

Rechtbank (Tussenbeschikking)

De rechtbank overweegt als volgt:

1. Nu het beroepschrift tijdig is ingediend is de moeder ontvankelijk in haar
verzoek.

2. De vader bezit de Nederlandse nationaliteit, de moeder bezit de
Braziliaanse nationaliteit. De vader en de moeder hebben van 1994 tot 8
januari 1997 een affectieve relatie gehad, uit welke relatie op 3 februari
1996 de minderjarige R. is geboren. Op 28 maart 1996 is R. door de vader
erkend.
De moeder heeft de woning op 8 januari 1997 met de minderjarige C. een kind
uit een vorige relatie verlaten. Zij verblijft thans met C. bij kennissen te
K.
R. verblijft bij de vader te A.

3. Bij beschikking van 20 februari 1997 heeft de Kantonrechter te Amsterdam
het gezag over R., dat tot die tijd van rechtswege door de moeder werd
uitgeoefend, gewijzigd in dier voege dat het ouderlijk gezag zal worden
uitgeoefend door de vader.

4. De moeder heeft tegen de voormelde beschikking, kort samengevat, de
volgende grieven aangevoerd:
Grief 1 richt zich tegen de omstandigheid dat de Kantonrechter reeds drie
dagen na het indienen van het verzoekschrift door de vader, te weten op 20
februari 1997, het verzoek van vader heeft toegewezen, terwijl de moeder niet
behoorlijk opgeroepen was.
Volgens de moeder had haar vader haar op de hoogte moeten stellen van de
procedure of had zij in ieder geval via een dagblad opgeroepen moeten worden.

5. Grief 2 richt zich tegen de beslissing van de Kantonrechter dat het
ouderlijk gezag voortaan zal worden uitgeoefend door de vader. Volgens moeder
heeft zij gedurende de relatie samen met de vader voor de kinderen, C. en R.,
gezorgd en is zij in staat om goed voor R. te zorgen. De moeder stelt dat zij
R. nooit heeft willen achterlaten bij de vader, maar dat zij daartoe
genoodzaakt was nu R. niet in de echtelijke woningaanwezig was toen zij door
de man uit huis gezet werd. Voorts stelt zij dat R. thans niet door de vader
zelf maar grotendeels door de ouders van de vader wordt verzorgt en opgevoed.

6. De vader stelt dat hij gedurende de relatie in overwegende mate voor R. en
de zoon van de vrouw, C. die thans 4 jaar oud is, gezorgd heeft. De vader
studeerde en de moeder werkte full-time als schoonmaakster.
De vader is thans freelance werkzaam als verzekeringsadviseur en hij werkt
vier halve dagen per week. R. verblijft tijdens zijn werkzaamheden bij zijn
ouders.
Volgens de vader heeft de moeder tijdens de relatie tussen partijen voor
zichzelf gekozen door full-time te werken en zo inkomsten te verwerven,
terwijl de vader zich inzette voor de verzorging van de kinderen. Voorts
stelt de vader dat de moeder, die geen verblijfsvergunning heeft, het
ouderlijk gezag over R. mede verzoekt om zo in Nederland een geldige
verblijfstitel te verkrijgen.
Vader betwist dat R. grotendeels bij zijn ouders verblijft; zij logeert
gemiddeld twee nachten per week bij zijn ouders.

7. De rechtbank heeft alvorens te beslissen behoefte aan advies aan de Raad
voor de Kinderbescherming omtrent de gezagsvoorziening.

8. De moeder heeft ter terechtzitting haar verzoekschrift aangevuld in dier
voege dat zij terstond afgifte aan haar van R. verzoekt, voorzover de
rechtbank daartoe bevoegd is. Tevens heeft zij ter terechtzitting
vaststelling van een omgangsregeling voor de duur van het raadsonderzoek
verzocht.

9. Partijen zijn ter terechtzitting een omgangsregeling voor de duur van de
procedure overeengekomen inhoudende dat R. een keer per veertien dagen een
weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede iedere
woensdag van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de moeder zal verblijven, waarbij de
moeder R. zal halen en brengen.

10. Nu de vader thans belast is met het ouderlijk gezag over R. en de
rechtbank, alvorens een verdere beslissing te kunnen nemen omtrent een
gezagswijziging, behoefte heeft aan advies van de Raad voor de
Kinderbescherming, acht de rechtbank het niet in het belang van R. haar
verblijfplaats gedurende het raadsonderzoek te wijzigen.
Mitsdien zal het verzoek van moeder daartoe worden afgewezen. Hierbij is mede
in overweging genomen dat partijen ter zitting een ruime omgangsregeling zijn
overeen gekomen, waardoor de contacten van moeder en kind gedurende het
raadsonderzoek voldoende gewaarborgd zijn.
Mitsdien zal worden beslist als volgt. (enz.)

Rechtbank (eindbeschikking):

Verder verloop van de procedure:

De rechtbank houdt rekening met de beschikking van deze rechtbank en kamer
van 28 mei 1997, waarbij -onder meer- de Raad voor de Kinderbescherming te
Amsterdam werd verzocht een advies uit te brengen omtrent de definitief op te
leggen gezagsvoorziening over het minderjarige kind van partijen R., geboren
op 3 februari 1996 te A.
Voorts werd een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij de
minderjarige een weekeinde per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot
zondag 17.00 uur, alsmede ieder woensdag van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de
moeder zal verblijven.
Ingekomen zijn:

-een rapport met advies van de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam
van 26 augustus 1997;
-een faxbericht -met bijlage- van 31 oktober 1997 van de procureur van de
moeder.
De nadere behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter terechtzitting met
gesloten deuren op 4 november 1997. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt:
1. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming is de vader met het gezag
over R. te belasten en de voorlopige omgangsregeling definitief vast te
stellen.
In de conclusie van het Raadsadvies is -onder meer- het navolgende gesteld:
De vader dient met het gezag over R. te blijven belast nu er op dit moment
onvoldoende contra-indicaties zijn ten aanzien van de vader om het gezag over
R. wederom te wijzigen. De vader wordt begeleid en gesteund door zijn ouders.
Zij zullen, indien dit nodig is, de vader op zijn verantwoordelijkheid als
vader aanspreken en zij zullen hem in emotioneel en financieel opzicht
steunen. De grootouders vervullen een zeer belangrijke rol voor R. en R. is
ook zeer aan hen gehecht.
De positie van de moeder in Nederland is onduidelijk. Daarnaast onderneemt de
moeder geen stappen om haar verblijf in Nederland veilig te stellen. De Raad
acht op dit moment de kans groot dat de moeder het land zal worden uitgezet,
dan
wel dat zij er zelf voor zal kiezen om Nederland te verlaten.

2. De moeder stelt dat zij van plan is om in Nederland te blijven en zij
heeft thans, met een zoon uit een eerdere relatie C., een huurwoning in
Amsterdam betrokken. Zij heeft nog een zoon J., die bij zijn grootouders in
Brazilië verblijft.
De procureur van d moeder heeft een verzoek voor een verblijfsvergunning
ingediend, hetgeen eerder niet kon omdat de moeder na de beschikking van de
Kantonrechter geen gezag meer had en ook geen omgangsregeling (tot de
beschikking van deze rechtbank en kamer van 28 mei 1997). Dit verzoek is
thans in behandeling bij het Ministerie van Justitie. De beslissing op het
verzoek kan lange tijd op zich laten wachten.
De moeder verwijt de vader dat hij ten tijde van de samenleving geen pogingen
heeft ondernomen om haar verblijfsstatus te regelen. De toenmalige werkgever
van de vader is met hem naar de vreemdelingendienst geweest om inlichtingen
te krijgen. De vader heeft, in afwachting van papieren uit Brazilië, geen
verdere stappen ondernomen.
De moeder stelt dat R. het grootste deel van de tijd bij de grootouders
doorbrengt en dat zij R. ook bij de moeder brengen en halen, terwijl R. veel
meer dagen bij de moeder verblijft dan in de voorlopige omgangsregeling is
vastgesteld.

3. De vader voert aan dat hij het aanvragen van een verblijfsvergunning
teveel werk vond en daarom geen enkele actie heeft ondernomen.
Hij bestrijdt verder dat R. veel bij zijn ouders verblijft en dat zij slechts
éénmaal van woensdag tot vrijdag bij de moeder heeft verbleven.
Hij heeft zijnbaan opgezegd om zich volledig op de verzorging en opvoeding
van R. te kunnen richten.
Hij biedt het kind rust en regelmaat, naar hij aanvoert.
Voorts voert hij aan dat de moeder lid is van de Portugese kerk en dat er bij
haar thuis diensten plaatsvinden. Zij zou onder grote invloed van dit geloof
staan.
De moeder stelt dat de Portugese kerk te vergelijken is met de
Pinkstergemeenschap in Nederland. Zij ondervindt steun van de geloofsgenoten,
doch er vinden bij haar thuis geen diensten plaats.

4. De rechtbank is van oordeel dat de beschikking van de Kantonrechter te
Amsterdam waarbij de vader met het gezag over R. werd belast dient te worden
vernietigt. De Kantonrechter heeft de moeder niet behoorlijk voor een zitting
opgeroepen, terwijl het verzoek van de vader reeds drie dagen na het indienen
van het verzoekschrift is toegewezen.
De rechtbank acht deze gang van zaken in strijd met de beginselen van een
goede procesorde, terwijl bovendien niet is voldaan aan de wetsartikelen in
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5. Voorts acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat het aan de
nalatigheid van de vader is te wijten dat de verblijfsstatus van de moeder
nog immers niet is geregeld. Het had op zijn weg gelegen -zulks temeer nu de
moeder de Nederlandse taal niet machtig is- om voor een en ander, tijdens de
samenleving van partijen, zorg te dragen. Dit klemt temeer nu enerzijds zijn
voormalige werkgever, die eveneens een Braziliaanse vrouw heeft, hem heeft
geadviseerd en bijgestaan en anderzijds de vader ter zitting heeft verklaard
gewoon geen zin meer te hebben gehad om een en ander te regelen.
6. Partijen staan lijnrecht tegenover elkaar in hun stellingen omtrent de
verblijfplaats van het kind en de omgangsregeling met de moeder.
Op grond van het raadsrapport en het ter zitting gestelde acht de rechtbank
het niet onaannemelijk dat de ouders van de vader een grote rol in het leven
van R. spelen en dat het niet onwaarschijnlijk is dat juist de grootouders de
contacten met de moeder onderhouden.

7. Nu de beschikking van de Kantonrechter om bovenvermelde reden niet in
stand kan blijven, dient, zoals terecht door de moeder is gesteld, te worden
beslist of er redenen zijn om in het belang van het kind de vader in plaats
van de moeder te belasten met het ouderlijk gezag. Zoals uit het raadsrapport
en het gestelde ter zitting blijkt, is het contact van de moeder met het kind
goed en is de moeder niet ongeschikt om met het gezag over R. te worden
belast. Van contra-indicaties ten nadele van de moeder is de rechtbank niet
gebleken.

8. De door de moeder aangevoerde grieven slagen derhalve en de rechtbank zal
voorts op grond van het vorenoverwogene het advies van de Raad niet volgen en
de moeder met het gezag over R. te belasten.
Misschien wordt als volgt beslist. (enz.)

Cassatiemiddel:

Het is tegen deze beslissing dat H. een verzoek tot cassatie indient bij uw
Hoge Raad der Nederlanden onder de aanvoering van het navolgende middel.

1. Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet
inachtneming nietigheid met zich brengt, meer in het bijzonder schending van
het bepaalde in artikel 253c Boek 1 BW, alsmede schending van het bepaalde in
artikel 12 van de Grondwet en regels van goede procesorde.
Doordien de rechtbank in eerdergenoemde tussenbeslissing van 28 mei 1997
heeft overwogen dat de rechtbank behoefte heeft aan een advies van de Raad
voor de Kinderbescherming te Amsterdam en bovendien heeft overwogen dat de
rechtbank het niet in het belang acht van R. dat haar verblijf gedurende het
onderzoek van den Raad zal worden gewijzigd, doch dat de rechtbank te
Amsterdam in de eindbeschikking van 28 november 1997 heeft overwogen dat het
advies van de Raad is de vader met het gezag over R. te belasten en de
voorlopige omgangsregeling definitief vast te stellen en verder in die
beschikking vervolgens heeft overwogen:

Zulks ten onrechte nu immers de rechtbank een verkeerd criterium aanlegt ten
aanzien van de beide beslissingen of niet de vader bij wie R. steeds heeft
verbleven, met het gezag moest worden belast, maar de moeder met het gezag
moest worden belast nu immers de rechtbank overweegt:
‘van contra-indicaties ten nadele van de moeder is de rechtbank niet
gebleken.’

Immers het effect van deze uitspraak zou zijn wanneer deze ten uitvoer zou
worden gelegd, hetgeen tot op heden nog niet het geval is, ondanks het feit
dat de beslissing uitvoerbaar is bij voorraad, dat R. zou worden weggehaald
bij de vader en terecht zou komen bij de moeder die vervolgens het gezag
alleen zou uitoefenen terwijl geen omgangsregeling tussen vader en R. is tot
stand gekomen of is bepaald. Zodat de rechtbank had moeten toetsen aan het
criterium of er contra-indicaties ten nadele van de vader zijn, die
overbrenging van R. van de vader naar de moeder wettigen. Immers van den
aanvang af heeft met name de vader voor R. gezorgd. Immers de moeder heeft
toegegeven full-time te hebben gewerkt, al was dat zwart.
In die periode zorgde, toen partijen nog bij elkaar waren, de vader ook voor
C., het tweede kind van de moeder, dat toen bij partijen in huis was.

Daarnaast komt de motivering zo komt het voor, voor zover die tenminste te
lezen is in overweging van de rechtbank, volkomen ongenoegzaam voor.
Bovendien is een belangrijke overweging innerlijk tegenstrijdig, althans
tegenstrijdig met het uiteindelijke resultaat.
Op grond van het raadsrapport overweegt de rechtbank dat de ouders van de
vader een grote rol spelen in het leven van R., maar in plaats van dat te
bezigen tot de beslissing met het gezag bij de vader zal blijven zodat dat
contact met de grootouders vaderszijde in stand zal blijven, wordt dat nu
verbroken doordat de moeder met het gezag wordt belast en de moeder dan naar
alle waarschijnlijkheid zal terugkeren naar Brazilië, zoals zij dat tegen de
Raad heeft gezegd.
Immers haar eerste kind woont nog steeds bij haar ouders in Brazilië. Als zij
haar eerste kind telefonisch spreekt, belooft zij dat eerste kind kennelijk
dat zij binnen afzienbare tijd naar Brazilië zal terugkeren met C. en R.

Onbegrijpelijk is dat de rechtbank het de vader verwijt dat de
verblijfsvergunning van de moeder niet geregeld is. De moeder moet zo’n
verzoek zelfstandig richten tot de politie. Op grond van de
vreemdelingencirculaire zou zij daarvoor in aanmerking zijn gekomen gezien de
situatie zoals die tussen partijen was, nl. partijen wonen samen maar zijn
niet met elkander gehuwd, als de vader garant zou staan en als de vader
voldoende draagkracht zou hebben. Dat had vader op een gegeven moment weer
wel en op een ander moment weer niet. Kennelijk heeft de moeder zelf
onvoldoende initiatief ontplooid om een en ander rond te breien. Overigens
als partijen gehuwd zouden zijn geweest, dan zou de inkomenstoets niet
gesteld zijn nu immers sprake is van enkele minderjarige kinderen, waarvoor
gedurende hun samenzijn partijen zorgden en met name de vader zorgde.
De moeder heeft een en ander gewoon slechts geregeld en dat is niet aan de
vader te wijten. Dat is eerder aan de moeder te wijten, omdat de moeder moest
zorgen voor documenten die uit Brazilië zouden komen. Immers de moeder moest
aantonen dat zij niet gehuwd was of althans gescheiden was. Dat heeft de
moeder niet gedaan en daarom kon de aanvraag tot een verblijfsvergunning niet
verder in behandeling worden genomen. Immers beide partijen ook bij een
samenwonen dat niet uitmondt in een huwelijk, moeten ongehuwd zijn. Van H.
stond vast dat hij gescheiden was, maar de situatie met betrekking tot S. was
volkomen onduidelijk.
Bovendien is de kans dat mevrouw thans een verblijfsvergunning zal krijgen om
hier haar verblijf te lande dat dus nooit legaal is geweest, voort te zetten,
is buitengewoon gering. Zij voldoet immers niet aan voorwaarden genoemd in de
vreemdelingencirculaire waaronder dat zou kunnen. Zij heeft nooit een
verblijfsvergunning gehad.
Thans is zij alleenstaande en onduidelijk is of zij inkomsten heeft. Doch als
zij al inkomsten heeft, dan heeft zij daarvoor geen
tewerkstellingsvergunning. Zij beschikt dus niet legaal over middelen van
bestaan en zij is evenmin gerechtigd tot een uitkering op grond van de Nieuwe
Algemene Bijstandswet.
Al mag het dus zo zijn dat zij in middels een verblijfsvergunning heeft
aangevraagd.
Die zal zij op grond van de wettelijke regelingen niet krijgen. Deswege is
het buitengewoon onverstandig om R. aan haar toe te vertrouwen, omdat haar
situatie zo onzeker is. Bovendien zal zij dan moeten uitvoeren hetgeen zij
ook tegen de Raad heeft gezegd, nl. dat zij zal terugkeren naar Brazilië. Dan
zal de band die zij heeft met haar vader en haar grootouders vaderszijde
worden verbroken hetgeen uiteraard een duidelijke contra-indicatie had moeten
zijn voor de rechtbank om het gezag aan de moeder toe te vertrouwen. Verder
is de motivering van de rechtbank ook onbegrijpelijk nu uit de stukken blijkt
dat de vader zijn baan heeft opgezegd om zich volledig te wijten aan de
verzorging en opvoeding van R. Hij het kind rust biedt en regelmaat en
bovendien hij kan terugvallen op 2 ouders waarop R. zeer gesteld is.
Dat H. zich het recht voorbehoudt om dit verzoekschrift aan te vullen met
gronden na kennisneming van het proces-verbaal van de zitting van de
rechtbank van 4 november 1997.

Hoge Raad:

1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 17 februari 1997 ter griffie van het Kantongerecht te Amsterdam
ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie -verder te noemen: de
vader- zich gewend tot de Kantonrechter aldaar met het verzoek hem conform
art 1:253c BW te belasten met het ouderlijk gezag over de uit zijn
relatie met verweerster in cassatie -verder te noemen: de moeder- op 3
februari 1996 te A geboren minderjarige R.
De Kantonrechter heeft bij beschikking van 20 februari 1997 het ouderlijk
gezag over R. voornoemd gewijzigd in dier voege dat deze thans zal worden
uitgeoefend door de vader.
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij de
Rechtbank te Amsterdam.
Na een ingevolge een tussenbeschikking van 28 mei 1997 op 26 augustus 1997
door de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam uitgebracht rapport en
advies omtrent een definitief op te leggen gezagsvoorziening en
omgangsregeling heeft de Rechtbank bij eindbeschikking van 26 november 1997
voormelde beschikking van de Kantonrechter vernietigd.
Opnieuw rechtdoende heeft de Rechtbank de moeder belast met het gezag over R.
voornoemd.(…)

2. Het geding in cassatie
Tegen de eindbeschikking van de Rechtbank heeft de vader beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is an deze beschikking gehecht en maakt daarvan
deel uit.
De moeder heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst Moltmaker strekt
tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De vader en de moeder hebben van 1994 tot 8 januari 1997 een affectieve
relatie gehad, uit welke relatie op 3 februari 1996 de minderjarige R. is
geboren. Op 28 maart 1996 is R. door de vader erkend.
(ii) De moeder heeft de tot dan toe door haar met de vader bewoonde woning op
8 januari 1997 verlaten. R. is bij de vader gebleven.

3.2 Op verzoek van de vader heeft de Kantonrechter het gezag over R., dat tot
die tijd van rechtswege door de moeder werd uitgeoefend, gewijzigd in dier
voege dat het ouderlijk gezag zal worden uitgeoefend door de vader.
Op het beroep van de moeder heeft de Rechtbank, voor zover thans van belang,
(i) de beschikking van de Kantonrechter vernietigd op de grond dat de
Kantonrechter de moeder niet behoorlijk voor een zitting had opgeroepen,
terwijl het verzoek van de vader reeds drie dagen na het indienen van het
verzoekschrift is toegewezen;
(ii) opnieuw rechtdoende, de moeder belast met het gezag over R.

3.3 De Rechtbank heeft in rov. 7 van haar eindbeschikking vooropgesteld dat,
nu de beschikking van de Kantonrechterniet in stand kon blijven, de rechtbank
diende te beslissen of er redenen zijn om in het belang van het kind de vader
in plaats van de moeder te belasten met het ouderlijk gezag. Zij heeft deze
vraag ontkennend beantwoord op grond van de volgende overwegingen:
‘Zoals uit het raadsrapport en het gestelde ter zitting blijkt, is het
contact van de moeder niet ongeschikt om met het gezag over R. te worden
belast. Van contra-indicaties ten nadele van de moeder is de rechtbank niet
gebleken.’
De Rechtbank heeft in dit verband geen aandacht besteed aan de stellingen die
de vader heeft aangevoerd ten betoge dat het belang van het kind meebracht
dat de vader in de plaats van de moeder het ouderlijk gezag zou worden
belast. Evenmin heeft de Rechtbank aandacht besteed aan de gegevens op grond
waarvan de Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om het ouderlijk
gezag bij de vader te laten.

3.4 Bij de beoordeling van een verzoek van de tot het gezag bevoegde vader
van het kind om hem met toepassing van het in art. 1:253c leden 1
en 2 BW bepaalde met het gezag te belasten in de plaats van de moeder, dient
de rechter, in het licht van hetgeen in het belang van het kind wenselijk is,
de mogelijkheden die ieder van de ouders aan het kind biedt of kan bieden, af
te wegen en aan de hand daarvan te beoordelen aan wie van de ouders het
ouderlijk gezag het best kan worden opgedragen. Bij de beoordeling daarvan
zal tevens rekening moeten worden gehouden met mogelijke nadelen die voor het
kind verbonden kunnen zijn aan het enkele feit van een verandering van het
ouderlijk gezag en daarmee verband houdende wijziging van de
verzorgingssituatie.
Door slechts aandacht te besteden aan de vraag of de moeder al dan niet
geschikt is om met het gezag over R. te worden belast, en geheel voorbij te
gaan aan de aan het slot van 3.3 vermelde stellingen en gegevens, heeft de
Rechtbank hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te
miskennen dat zij stond voor de vraag aan wie van de beide ouders met het oog
op het belang van het kind het ouderlijk gezag het best kan worden
opgedragen, hetzij haar beslissing onvoldoende gemotiveerd door niet aan te
geven waarom het belang van het kind meebrengt dat het gezag beter aan de
moeder dan aan de vader kan worden opgedragen. De hierop gerichte klachten
van het middel treffen derhalve doel.

3.5 Voor zover het middel klaagt over hetgeen de Rechtbank in rov.5 van haar
eindbeschikking heeft overwogen over nalatigheid van de vader om tijdens der
partijen samenleving voor regeling van de verblijfsstatus van de moeder te
zorgen, faalt het, omdat het opkomt tegen een overweging ten overvloede, die
de beslissing over het ouderlijk gezag niet draagt.

4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26
november 1997;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling
en beslissing.

Rechters

Mrs Roelvink, Korthals Altes, Neleman, Herrmann, De Savornin Lohman

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 30 oktober 1998

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Verzoek van de vader om hem in plaats van de moeder met het gezag te
belasten. Bij beoordeling van derglijk verzoek dient de rechter de
mogelijkheden die ieder van de ouders aan het kind kan bieden af te wegen.
Daarbij moet tevens rekening worden gehouden met mogelijke nadelen die voor
het kind verbonden zijn aan wijziging van het ouderlijk gezag.

Volledige tekst

Rechtbank (tussenbeschikking):
De rechtbank overweegt als volgt:

1. Nu het beroepschrift tijdig is ingediend is de moeder ontvankelijk in haar
verzoek.

2. De vader bezit de Nederlandse nationaliteit, de moeder bezit de
Braziliaanse nationaliteit. De vader en de moeder hebben van 1994 tot 8
januari 1997 een affectieve relatie gehad, uit welke relatie op 3 februari
1996 de minderjarige R. is geboren. Op 28 maart 1996 is R. door de vader
erkend.
De moeder heeft de woning op 8 januari 1997 met de minderjarige C. een kind
uit een vorige relatie verlaten. Zij verblijft thans met C. bij kennissen te
K.
R. verblijft bij de vader te A.

3. Bij beschikking van 20 februari 1997 heeft de Kantonrechter te Amsterdam
het gezag over R., dat tot die tijd van rechtswege door de moeder werd
uitgeoefend, gewijzigd in dier voege dat het ouderlijk gezag zal worden
uitgeoefend door de vader.

4. De moeder heeft tegen de voormelde beschikking, kort samengevat, de
volgende grieven aangevoerd:

Grief 1 richt zich tegen de omstandigheid dat de Kantonrechter reeds drie
dagen na het indienen van het verzoekschrift door de vader, te weten op 20
februari 1997, het verzoek van vader heeft toegewezen, terwijl de moeder niet
behoorlijk opgeroepen was.

Volgens de moeder had vader haar op de hoogte moeten stellen van de procedure
of had zij in ieder geval via een dagblad opgeroepen moeten worden.

5. Grief 2 richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter dat het
ouderlijk gezag voortaan zal worden uitgeoefend door de vader. Volgens moeder
heeft zij gedurende de relatie samen met de vader voor de kinderen, C. en R.,
gezorgd en is zij in staat om goed voor R. te zorgen. De moeder stelt dat zij
R. nooit heeft willen achterlaten bij de vader, maar dat zij daartoe
genoodzaakt was nu R. niet in de echtelijke woning aanwezig was toen zij door
de man uit huis gezet werd. Voorts stelt zij dat R. thans niet door de vader
zelf maar grotendeels door de ouders van de vader wordt verzorgd en opgevoed.

6. De vader stelt dat hij gedurende de relatie in overwegende mate voor R. en
de zoon van de vrouw, C. die thans 4 jaar oud is, gezorgd heeft. De vader
studeerde en de moeder werkte full-time als schoonmaakster.
De vader is thans freelance werkzaam als verzekeringsadviseur en hij werkt
vier
halve dagen per week. R. verblijft tijdens zijn werkzaamheden bij zijn
ouders.
Volgens de vader heeft de moeder tijdens de relatie tussen partijen voor
zichzelf gekozen door full-time te werken en zo inkomsten te verwerven,
terwijl de vader zich inzette voor de verzorging van de kinderen. Voorts
stelt de vader dat de moeder, die geen verblijfsvergunning heeft, het
ouderlijk gezag over R. mede verzoekt om zo in Nederland een geldige
verblijfstitel te verkrijgen.
Vader betwist dat R. grotendeels bij zijn ouders verblijft; zij logeert
gemiddeld twee nachten per week bij zijn ouders.

7. De rechtbank heeft alvorens te beslissen behoefte aan advies van de Raad
voor de Kinderbescherming omtrent de gezagsvoorziening.

8. De moeder heeft ter terechtzitting haar verzoekschrift aangevuld in dier
voege dat zij terstond afgifte aan haar van R. verzoekt, voorzover de
rechtbank daartoe bevoegd is. Tevens heeft zij ter terechtzitting
vaststelling van een omgangsregeling voor de duur van het raadsonderzoek
verzocht.

9. Partijen zijn ter terechtzitting een omgangsregeling voor de duur van de
procedure overeengekomen inhoudende dat R. een keer per veertien dagen een
weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede iedere
woensdag van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de moeder zal verblijven, waarbij de
moeder R. zal halen en brengen.

10. Nu de vader thans belast is met het ouderlijk gezag over R. en de
rechtbank, alvorens een verdere beslissing te kunnen nemen omtrent een
gezagswijziging, behoefte heeft aan advies van de Raad voor de
Kinderbescherming, acht de rechtbank het niet in het belang van R. haar
verblijfplaats gedurende het raadsonderzoek te wijzigen.

Mitsdien zal het verzoek van moeder daartoe worden afgewezen. Hierbij is mede
in overweging genomen dat partijen ter zitting een ruime omgangsregeling zijn
overeen gekomen, waardoor de contacten van moeder en kind gedurende het
raadsonderzoek voldoende gewaarborgd zijn.
Mitsdien zal worden beslist als volgt. (…)

Rechtbank (eindbeschikking):
Verder verloop van de procedure:
De rechtbank houdt rekening met de beschikking van deze rechtbank en kamer
van 28 mei 1997, waarbij – onder meer – de Raad voor de Kinderbescherming te
Amsterdam werd verzocht een advies uit te brengen omtrent de definitief op te
leggen gezagsvoorziening over het minderjarige kind van partijen R., geboren
op 3 februari 1996 te A.

Voorts werd een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij de
minderjarige een weekeinde per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot
zondag 17.00 uur, alsmede iedere woensdag van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de
moeder zal verblijven.

Ingekomen zijn:
– een rapport met advies van de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam
van 26 augustus 1997;
– een faxbericht – met bijlage – van 31 oktober 1997 van de procureur van de
moeder.
De nadere behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter terechtzitting met
gesloten deuren op 4 november 1997. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt:

1. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming is de vader met het gezag
over R. te belasten en de voorlopige omgangsregeling definitief vast te
stellen.
In de conclusie van het Raadsadvies is – onder meer – het navolgende gesteld:
De vader dient met het gezag over R. te blijven belast nu er op dit moment
onvoldoende contraindicaties zijn ten aanzien van de vader om het gezag over
R. wederom te wijzigen. De vader wordt begeleid en gesteund door zijn ouders.
Zij zullen, indien dit nodig is, de vader op zijn verantwoordelijkheid als
vader aanspreken en zij zullen hem in emotioneel en financieel opzicht
steunen. De grootouders vervullen een zeer belangrijke rol voor R. en R. is
ook zeer aan hen gehecht.

De positie van de moeder in Nederland is onduidelijk. Daarnaast onderneemt de
moeder geen stappen om haar verblijf in Nederland veilig te stellen. De Raad
acht op dit moment de kans groot dat de moeder het land zal worden uitgezet,
danwel dat zij er zelf voor zal kiezen om Nederland te verlaten.

2. De moeder stelt dat zij van plan is in Nederland te blijven en zij heeft
thans, met een zoon uit een eerdere relatie C., een huurwoning in Amsterdam
betrokken. Zij heeft nog een zoon J., die bij zijn grootouders in Brazilië
verblijft.

De procureur van de moeder heeft een verzoek voor een verblijfsvergunning
ingediend, hetgeen eerder niet kon omdat de moeder na de beschikking van de
Kantonrechter geen gezag meer had en ook geen omgangsregeling (tot de
beschikking van deze rechtbank en kamer van 28 mei 1997). Dit verzoek is
thans in behandeling bij het Ministerie van Justitie. De beslissing op het
verzoek kan lange tijd op zich laten wachten.

De moeder verwijt de vader dat hij ten tijde van de samenleving geen pogingen
heeft ondernomen om haar verblijfsstatus te regelen. De toenmalige werkgever
van de vader is met hem naar de vreemdelingendienst geweest om inlichtingen
te verkrijgen. De vader heeft, in afwachting van papieren uit Brazilië, geen
verdere stappen ondernomen.

De moeder stelt dat R. het grootste deel van de tijd bij de grootouders
doorbrengt en dat zij R. ook bij de moeder brengen en halen, terwijl R. veel
meer dagen bij de moeder verblijft dan in de voorlopige omgangsregeling is
vastgesteld.

3. De vader voert aan dat hij het aanvragen van een verblijfsvergunning
teveel werk vond en daarom geen enkele actie heeft ondernomen.
Hij bestrijdt verder dat R. veel bij zijn ouders verblijft en dat zij slechts
Eénmaal van woensdag tot vrijdag bij de moeder heeft verbleven.
Hij heeft zijn baan opgezegd om zich volledig op de verzorging en opvoeding
van R. te kunnen richten.

Hij biedt het kind rust en regelmaat, naar hij aanvoert.
Voorts voert hij aan dat de moeder lid is van de Portugese kerk en dat er bij
haar thuis diensten plaatsvinden. Zij zou onder grote invloed van dit geloof
staan.

De moeder stelt dat de Portugese kerk te vergelijken is met de
Pinkstergemeenschap in Nederland. Zij ondervindt steun van de geloofsgenoten,
doch er vinden bij haar thuis geen diensten plaats.

4. De rechtbank is van oordeel dat de beschikking van de Kantonrechter te
Amsterdam waarbij de vader met het gezag over R. werd belast dient te worden
vernietigd. De Kantonrechter heeft de moeder niet behoorlijk voor een zitting
opgeroepen, terwijl het verzoek van de vader reeds drie dagen na het indienen
van het verzoekschrift is toegewezen.

De rechtbank acht deze gang van zaken in strijd met de beginselen van een
goede procesorde, terwijl bovendien niet is voldaan aan de wetsartikelen in
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5. Voorts acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat het aan de
nalatigheid van de vader is te wijten dat de verblijfsstatus van de moeder
nog immers niet is geregeld. Het had op zijn weg gelegen – zulks temeer nu de
moeder de Nederlandse taal niet machtig is – om voor een en ander, tijdens de
samenleving van partijen, zorg te dragen. Dit klemt temeer nu enerzijds zijn
voormalige werkgever, die eveneens een Braziliaanse vrouw heeft, hem heeft
geadviseerd en bijgestaan en anderzijds de vader ter zitting heeft verklaard
gewoon geen zin meer te hebben gehad om een en ander te regelen.

6. Partijen staan lijnrecht tegenover elkaar in hun stellingen omtrent de
verblijfplaats van het kind en de omgangsregeling met de moeder.
Op grond van het raadsrapport en het ter zitting gestelde acht de rechtbank
het niet onaannemelijk dat de ouders van de vader een grote rol in het leven
van R. spelen en dat het niet onwaarschijnlijk is dat juist de grootouders de
contacten met de moeder onderhouden.

7. Nu de beschikking van de Kantonrechter om bovenvermelde reden niet in
stand kan blijven, dient, zoals terecht door de moeder is gesteld, te worden
beslist of er redenen zijn om in het belang van het kind de vader in plaats
van de moeder te belasten met het ouderlijk gezag. Zoals uit het raadsrapport
en het gestelde ter zitting blijkt, is het contact van de moeder met het kind
goed en is de moeder niet ongeschikt om met het gezag over R. te worden
belast. Van contra-indicaties ten nadele van de moeder is de rechtbank niet
gebleken.

8. De door de moeder aangevoerde grieven slagen derhalve en de rechtbank zal
voorts op grond van het vorenoverwogene het advies van de Raad niet volgen en
de moeder met het gezag over R. belasten.
Mitsdien wordt als volgt beslist.
(…)

Cassatiemiddel:
Het is tegen deze beslissing dat H. een verzoek tot cassatie indient bij uw
Hoge Raad der Nederlanden onder de aanvoering van het navolgende middel.
1. Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet
inachtneming nietigheid met zich brengt, meer in het bijzonder schending van
het bepaalde in artikel 253c Boek I BW, alsmede schending van het bepaalde in
artikel 12 van de Grondwet en regels van goede procesorde.
Doordien de rechtbank in eerdergenoemde tussenbeslissing van 28 mei 1997
heeft overwogen dat de rechtbank behoefte heeft aan een advies van de Raad
voor de Kinderbescherming te Amsterdam en bovendien heeft overwogen dat de
rechtbank het niet in het belang acht van R. dat haar verblijf gedurende het
onderzoek van de Raad zal worden gewijzigd, doch dat de rechtbank te
Amsterdam in de eindbeschikking van 28 november 1997 heeft overwogen dat het
advies van de Raad is de vader met het gezag over R. te belasten en de
voorlopige omgangsregeling definitief vast te stellen en verder in die
beschikking vervolgens heeft overwogen:

Zulks ten onrechte nu immers de rechtbank een verkeerd criterium aanlegt ten
aanzien van de beide beslissingen of niet de vader bij wie R. steeds heeft
verbleven, met het gezag moest worden belast, maar de moeder met het gezag
moest worden belast nu immers de rechtbank overweegt: “van contra-indicaties
ten nadele van de moeder is de rechtbank niet gebleken.” Immers het effect
van deze uitspraak zou zijn wanneer deze ten uitvoer zou worden gelegd,
hetgeen tot op heden nog niet het geval is, ondanks het feit dat de
beslissing uitvoerbaar is bij voorraad, dat R. zou worden weggehaald bij de
vader en terecht zou komen bij de moeder die vervolgens het gezag alleen zou
uitoefenen terwijl geen omgangsregeling tussen de vader en R. is tot stand
gekomen of is bepaald. Zodat de rechtbank had moeten toetsen aan het
criterium of er contra-indicaties ten nadele van de vader zijn, die
overbrenging van R. van de vader naar de moeder wettigen. Immers van den
aanvang af heeft met name de vader voor R. gezorgd.
Immers de moeder heeft toegegeven fulltime te hebben gewerkt, al was dat
zwart.
In die periode zorgde, toen partijen nog bij elkaar waren, de vader ook voor
C., het tweede kind van de moeder, dat toen bij partijen in huis was.

Daarnaast komt de motivering zo komt het voor, voor zover die tenminste te
lezen is in overweging van de rechtbank, volkomen ongenoegzaam voor.
Bovendien is een belangrijke overweging innerlijk tegenstrijdig, althans
tegenstrijdig met het uiteindelijke resultaat.

Op grond van het raadsrapport overweegt de rechtbank dat de ouders van de
vader een grote rol spelen in het leven van R., maar in plaats van dat te
bezigen tot de beslissing met het gezag bij de vader zal blijven zodat dat
contact met de grootouders vaderszijde in stand zal blijven, wordt dat nu
verbroken doordat de moeder met het gezag wordt belast en de moeder dan naar
alle waarschijnlijkheid zal terugkeren naar Brazilië, zoals zij dat tegen de
Raad heeft gezegd.
Immers haar eerste kind woont nog steeds bij haar ouders in Brazilië. Als zij
haar eerste kind telefonisch spreekt, belooft zij dat eerste kind kennelijk
dat zij binnen afzienbare tijd naar Brazilië zal terugkeren met C. en R.
Onbegrijpelijk is dat de rechtbank het de vader verwijt dat de
verblijfsvergunning van de moeder niet geregeld is. De moeder moet zo’n
verzoek zelfstandig richten tot de politie. Op grond van de
vreemdelingencirculaire zou zij daarvoor in aanmerking zijn gekomen gezien de
situatie zoals die tussen partijen was, nl. partijen wonen samen maar zijn
niet met elkander gehuwd, als de vader garant zou staan en als de vader
voldoende draagkracht zou hebben. Dat had vader op een gegeven moment weer
wel en op een ander moment weer niet.
Kennelijk heeft de moeder zelf onvoldoende initiatief ontplooid om een en
ander rond te breien. Overigens als partijen gehuwd zouden zijn geweest, dan
zou de inkomenstoets niet gesteld zijn nu immers sprake is van enkele
minderjarige kinderen, waarvoor gedurende hun samenzijn partijen zorgden en
met name de vader zorgde.

De moeder heeft een en ander gewoon slechts geregeld en dat is niet aan de
vader te wijten. Dat is eerder aan de moeder te wijten, omdat de moeder moest
zorgen voor dokumenten die uit Brazilië zouden komen. Immers de moeder moest
aantonen dat zij niet gehuwd was of althans gescheiden was. Dat heeft de
moeder niet gedaan en daarom kon de aanvraag tot een verblijfsvergunning niet
verder in behandeling worden genomen. Immers beide partijen ook bij een
samenwonen dat niet uitmondt in een huwelijk, moeten ongehuwd zijn. Van H.
stond vast dat hij gescheiden was, maar de situatie met betrekking tot S. was
volkomen onduidelijk.
Bovendien is de kans dat mevrouw thans een verblijfsvergunning zal krijgen om
hier haar verblijf te lande dat dus nooit legaal is geweest, voort te zetten,
is buitengewoon gering. Zij voldoet immers niet aan voorwaarden genoemd in de
vreemdelingencirculaire waaronder dat zou kunnen. Zij heeft nooit een
verblijfsvergunning gehad.

Thans is zij alleenstaande en onduidelijk is of zij inkomsten heeft. Doch als
zij al inkomsten heeft, dan heeft zij daarvoor geen
tewerkstellingsvergunning.
Zij beschikt dus niet legaal over middelen van bestaan en zij is evenmin
gerechtigd tot een uitkering op grond van de Nieuwe Algemene Bijstandswet.
Al mag het dus zo zijn dat zij inmiddels een verblijfsvergunning heeft
aangevraagd. Die zal zij op grond van de wettelijke regelingen niet krijgen.
Deswege is het buitengewoon onverstandig om R. aan haar toe te vertrouwen,
omdat haar situatie zo onzeker is. Bovendien zal zij dan moeten uitvoeren
hetgeen zij ook tegen de Raad heeft gezegd, nl. dat zij zal terugkeren naar
Brazilië. Dan zal de band die zij heeft met haar vader en haar grootouders
vaderszijde worden verbroken hetgeen uiteraard een duidelijke
contra-indicatie had moeten zijn voor de rechtbank om het gezag aan de moeder
toe te vertrouwen.

Verder is de motivering van de rechtbank ook onbegrijpelijk nu uit de stukken
blijkt dat de vader zijn baan heeft opgezegd om zich volledig te wijten aan
de verzorging en opvoeding van R. Hij het kind rust biedt en regelmaat en
bovendien hij kan terugvallen op 2 ouders waarop R. zeer gesteld is.

Dat H. zich het recht voorbehoudt om dit verzoekschrift aan te vullen met
gronden na kennisneming van het proces-verbaal van de zitting van de
rechtbank van 4 november 1997.

Hoge Raad:

1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 17 februari 1997 ter griffie van het Kantongerecht te Amsterdam
ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie – verder te noemen: de
vader – zich gewend tot de Kantonrechter aldaar met het verzoek hem conform
art. 1:253c BW te belasten met het ouderlijk gezag over de uit zijn relatie
met verweerster in cassatie – verder te noemen: de moeder – op 3 februari
1996 te A. geboren minderjarige R.

De Kantonrechter heeft bij beschikking van 20 februari 1997 het ouderlijk
gezag over R. voornoemd gewijzigd in dier voege dat deze thans zal worden
uitgeoefend door de vader.

Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij de
Rechtbank te Amsterdam.

Na een ingevolge een tussenbeschikking van 28 mei 1997 op 26 augustus 1997
door de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam uitgebracht rapport en
advies omtrent een definitief op te leggen gezagsvoorziening en
omgangsregeling heeft de Rechtbank bij eindbeschikking van 26 november 1997
voormelde beschikking van de Kantonrechter vernietigd. Opnieuw rechtdoende
heeft de Rechtbank de moeder belast met het gezag over R. voornoemd. (…)

2. Het geding in cassatie
Tegen de eindbeschikking van de Rechtbank heeft de vader beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt
daarvan deel uit.
De moeder heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst Moltmaker strekt
tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De vader en de moeder hebben van 1994 tot 8 januari 1997 een affectieve
relatie gehad, uit welke relatie op 3 februari 1996 de minderjarige R. is
geboren. Op 28 maart 1996 is R. door de vader erkend.

(ii) De moeder heeft de tot dan toe door haar met de vader bewoonde woning op
8 januari 1997 verlaten. R. is bij de vader gebleven.

3.2 Op verzoek van de vader heeft de Kantonrechter het gezag over R., dat tot
die tijd van rechtswege door de moeder werd uitgeoefend, gewijzigd in dier
voege dat het ouderlijk gezag zal worden uitgeoefend door de vader.
Op het beroep van de moeder heeft de Rechtbank, voor zover thans van belang,

(i) de beschikking van de Kantonrechter vernietigd op de grond dat de
Kantonrechter de moeder niet behoorlijk voor een zitting had opgeroepen,
terwijl het verzoek van de vader reeds drie dagen na het indienen van het
verzoekschrift is toegewezen;

(ii) opnieuw rechtdoende, de moeder belast met het gezag over R.

3.3 De Rechtbank heeft in rov. 7 van haar eindbeschikking vooropgesteld dat,
nu
de beschikking van de Kantonrechter niet in stand kon blijven, de Rechtbank
diende te beslissen of er redenen zijn om in het belang van het kind de vader
in plaats van de moeder te belasten met het ouderlijk gezag. Zij heeft deze
vraag ontkennend beantwoord op grond van de volgende overwegingen:

“Zoals uit het raadsrapport en het gestelde ter zitting blijkt, is het
contact van de moeder met het kind goed en is de moeder niet ongeschikt om
met het gezag over R. te worden belast. Van contra-indicaties ten nadele van
de moeder is de rechtbank niet gebleken.”

De Rechtbank heeft in dit verband geen aandacht besteed aan de stellingen die
de vader heeft aangevoerd ten betoge dat het belang van het kind meebracht
dat de vader in de plaats van de moeder met het ouderlijk gezag zou worden
belast.
Evenmin heeft de Rechtbank aandacht besteed aan de gegevens op grond waarvan
de Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om het ouderlijk gezag
bij de vader te laten.

3.4 Bij de beoordeling van een verzoek van de tot het gezag bevoegde vader
van het kind om hem met toepassing van het in art. 1:253c leden 1 en 2 BW
bepaalde met het gezag te belasten in de plaats van de moeder, dient de
rechter, in het licht van hetgeen in het belang van het kind wenselijk is, de
mogelijkheden die ieder van de ouders aan het kind biedt of kan bieden, af te
wegen en aan de hand daarvan te beoordelen aan wie van de ouders het
ouderlijk gezag het best kan worden opgedragen. Bij de beoordeling daarvan
zal tevens rekening moeten worden gehouden met mogelijke nadelen die voor het
kind verbonden kunnen zijn aan het enkele feit van een verandering van het
ouderlijk gezag en een daarmee verband houdende wijziging van de
verzorgingssituatie.

Door slechts aandacht te besteden aan de vraag of de moeder al dan niet
geschikt is om met het gezag over R. te worden belast, en geheel voorbij te
gaan aan de aan het slot van 3.3 vermelde stellingen en gegevens, heeft de
Rechtbank hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te
miskennen dat zij stond voor de vraag aan wie van beide ouders met het oog op
het belang van het kind het ouderlijk gezag het best kan worden opgedragen,
hetzij haar beslissing onvoldoende gemotiveerd door niet aan te geven waarom
het belang van het kind meebrengt dat het gezag beter aan de moeder dan aan
de vader kan worden opgedragen. De hierop gerichte klachten van het middel
treffen derhalve doel.

3.5 Voor zover het middel klaagt over hetgeen de Rechtbank in rov. 5 van haar
eindbeschikking heeft overwogen over nalatigheid van de vader om tijdens der
partijen samenleving voor regeling van de verblijfsstatus van de moeder te
zorgen, faalt het, omdat het opkomt tegen een overweging ten overvloede, die
de beslissing over het ouderlijk gezag niet draagt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26
november 1997;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling
en beslissing.

Rechters

Mrs Roelvink, Korthals Altes, Neleman, Herrmann, De Savornin Lohman