Instantie: Rechtbank Amsterdam, 28 oktober 1998

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Bij tussenvonnis van 6 augustus 1997 heeft de rechtbank een
deskundigenonderzoek bevolen tot vaststelling van inkomensschade die eiseres
heeft ondervonden als gevolg van seksueel misbruik. Gedurende haar tiende tot
21e levensjaar is eiseres door haar oom misbruikt met onderbreking van twee
jaar, toen eiseres in het buitenland verbleef. Ondanks aangifte van eiseres
dat zij aldaar ook door haar stiefvader is misbruikt, bepaalt de rechtbank
dat gedaagde voor de gehele schade als gevolg van seksueel misbruik
aansprakelijk is.
De arbeidspsycholoog concludeert dat eiseres’ feitelijke opleiding en
intellectuele ontwikkeling, gezien haar IQ-score, bij haar potentieel zijn
achtergebleven. Vervolgens luidt de conclusie van de arbeidsdeskundige dat
eiseres als gevolg van het trauma belemmerd was (en is) een reguliere en
duurzame studie- en arbeidsprestatie te leveren. Om naar redelijkheid en
billijkheid de omvang van de schade te laten begroten, wordt een vergelijking
gemaakt tussen een hypothetisch carrière-verloop zonder trauma en een
hypothetisch carrière-verloop met trauma. De tot heden geleden
inkomensschade, berekend over de periode vanaf haar twintigste tot haar 29e
jaar, haar huidige leeftijd, bedraagt een netto loonverschil van ƒ 5.580 per
jaar. Omdat eiseres periodiek evenwel is aangewezen op een RWW-uitkering,
zoals dat ook nu het geval is, kan de inkomensachterstand echter oplopen tot
netto ƒ 10.134 per jaar. Hierdoor ligt de totale inkomensschade tussen de ƒ
50.220 en ƒ 91.206, door eiseres echter beperkt tot een vordering van ƒ
50.000. De rechtbank neemt de bevindingen en de conclusies van de deskundigen
over en wijst de vordering toe.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of
proceshandelingen:
– tussenvonnis van 6 augustus 1997,
– deskundigenbericht van drs. P. Groen van 12 november 1997,
– deskundigenbericht van ing. K.W.A. Schouten, r.ad. van 13 februari 1998,
– akte van W,
– akte van N.
Alleen W heeft stukken overgelegd voor vonnis.

Gronden van de beslissing

1. Bij voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank twee deskundigen benoemd en
aan hen de volgende vragen voorgelegd:
– aan de arbeidspsycholoog P.W.J. Groen:
Wat zijn de capaciteiten, kwaliteiten en ontwikkelingsmogelijkheden van W op
verstandelijk gebied (IQ)?

– aan de arbeidsdeskundige K.W.A. Schouten:
Kunt u aangeven of – en zo ja, in hoeverre- W, gelet op de diagnose vermeld
in de verklaring van het RIAGG van 20 juli 1995 en de daarin genoemde
gevolgen van het seksueel misbruik en gelet op het resultaat van het
onderzoek van de arbeidspsycholoog, is beperkt in haar mogelijkheden een
opleiding te volgen en te voltooien, alsmede haar verdiencapaciteit?

-en aan beide telkens:
Hebt u nog opmerkingen die voor de beslissing van de rechtbank van belang
kunnen zijn?

2. De conclusie van de arbeidspsycholoog Groen luidt dat W qua intellectuele
aanleg geacht moet worden op een MBO opleidings- en werkniveau te kunnen
functioneren en dat de tests duidelijk maken dat haar feitelijke opleiding en
intellectuele ontwikkeling bij haar potentieel zijn achtergebleven. Uit het
deskundigenbericht blijkt dat de gewogen IQ-scores van W 112 punten is.

3. De conclusie van de arbeidsdeskundige Schouten luidt, voor zover hier van
belang, als volgt:
– Gelet op de diagnose vermeld in de verklaring van het Riagg van 20 juli
1995, en de aanvulling daarop door mevrouw Biesta, alsmede op grond van de
bevindingen uit het arbeidspsychologisch onderzoek en het arbeidsdeskundig
onderzoek, kan worden gesteld dat betrokkene als gevolg van het trauma
belemmerd was en is een reguliere en duurzame studie- en arbeidsprestatie te
leveren en dat derhalve haar carrière niet het niveau bereikte dat op grond
van haar intellectuele aanleg was te verwachten.

Of betrokkene in de toekomst wel in staat zal zijn een studie te voltooien
en/of duurzaam aan het arbeidsproces deel te nemen, is dubieus. Ze zal zich
open moeten stellen voor adequate begeleiding. De kans dat betrokkene in
staat zal zijn de achterstand nog volledig in te lopen die zij met betrekking
tot studie en carrière opliep is onzeker.

– De achterstand die betrokkene thans heeft met betrekking tot haar
verdiencapaciteit schat ik op ƒ 5.580 netto per jaar in de situatie dat zij
werkt en op ƒ 10.134 tot ƒ 14.889 netto per jaar in de situatie dat ze een
RWW-uitkering geniet. Hierbij werd nog geen rekening gehouden met
pensioenschade.

Aan deze conclusie liggen blijkens het deskundigenbericht -voor zover hier
van belang- de volgende overwegingen ten grondslag:
gesteld mag worden dat het verzoek van de rechtbank een moeilijke opgaaf is
en dat geen eenduidig antwoord verwacht mag worden, en wel om verschillende
redenen:

– De diagnose en de aangegeven gevolgen van het sexueel misbruik bieden geen
‘maat’ voor het bepalen van de achterstand die betrokkene als gevolg van het
trauma opliep in haar vermogen om een reguliere studie- of arbeidsprestatie
te leveren. Het verklaart wel het mechanisme achter de recidive mislukkingen
van betrokkene in haar opleiding en arbeidsleven.

– Het misbruik vond plaats vanaf jonge leeftijd tot aan haar volwassenheid.
Het is derhalve niet met zekerheid te stellen hoe betrokkene zich zou hebben
ontwikkeld zonder het trauma.

– Er is nog geen sprake van een medische eindsituatie. Gezien de prognose ten
aanzien van de duur van de behandeling, enige jaren, en het feit dat de
behandeling binnen één jaar werd afgebroken, en gezien de toestand van
betrokkene zoals die door Groen en mij werd aangenomen, is het niet
aannemelijk dat inmiddels sprake is van een psychisch herstel.

– Het is niet evident in hoeverre sprake zal zijn van blijvende
arbeidsongeschiktheid en/of recidive perioden van arbeidsongeschiktheid.
Daarmee is ook geen goede voorspelling te doen of betrokkene in staat zal
zijn de condities om met succes een inhaalslag te plegen.

Om toch enig inzicht te krijgen in de schade, en eventueel naar redelijkheid
en billijkheid de omvang hiervan te kunnen laten begroten, wordt hierna een
hypothetisch carrièreverloop geschetst, zonder trauma, zoals dat voor
betrokkene van toepassing had kunnen zijn, wanneer zij op haar twintigste in
het bezit was gekomen van een MBO-diploma “Mode en Textiel” en vervolgens als
verkoopster aan het werk was gegaan in het grootwinkelbedrijf. Met de keuze
voor het grootwinkelbedrijf wordt vermeden dat discussie ontstaat over de
hypothetische verdiencapaciteit. Immers, de functie van verkoopster in het
grootwinkelbedrijf betreft duizenden arbeidsplaatsen waarbij sprake is van
een redelijk voorspelbaar carrièreverloop en een beloning conform een CAO.

Vervolgens wordt, eveneens hypothetisch, een carrière geschetst met trauma.
Hierbij kan rekening worden gehouden met de genoten scholing en het tot nu
tot bekende arbeidsverleden van betrokkene. Voor de eenvoud wordt aangenomen
dat betrokkene, behoudens perioden van ziekte, na het verlaten van de school
geschikt en beschikbaar was en is voor passende gangbare arbeid.

Beide situaties kunnen daarna vergeleken worden, waarmee een indruk ontstaat
van de achterstand die betrokkene als gevolg van het trauma opliep.

Zonder trauma:
Betrokkene zou met een MBO-diploma in het grootwinkelbedrijf de volgende
carrière hebben kunnen maken:
– Aanstelling als aankomend verkoopster; CAO-functiegroep 1.
– Na interne opleiding van 1/2 jaar zou betrokkene verkoopster zijn;
functiegroep 2.
– Na ½ jaar werk als verkoopster zou bevordering volgen tot le medewerkster
(zelfstandig verkoopster); functiegroep 3.
– Indien betrokkene beschikt over leidinggevende capaciteiten, hiervoor
kunnen geen concrete aanwijzingen worden gevonden terwijl het tegendeel
evenmin gebleken is, zou ze na 1 jaar opgeleid worden tot ‘floormanager’;
functiegroep 4. Ongeveer 50% van de verkoopsters bereikt de functie van
floormanager.

Met trauma:
Betrokkene is geschoold op LBO-niveau en werkte bij verschillende werkgevers,
afgewisseld met perioden waarin zij geen werk had. Aangenomen wordt dat
betrokkene na het verlaten van de school een verdiencapaciteit had op het
niveau van het wettelijk minimumloon.

Na de verdiensten die bij de beide carrières horen in een schema te hebben
weergegeven waarbij is uitgegaan van de bruto lonen per maand
(respectievelijk CAO-loon en wettelijk minimum (jeugd-)loon) zoals van
toepassing per 1 juli 1997, en lopend van het twintigste tot het dertigste
levensjaar, komt de deskundige tot de volgende bevindingen:

Het netto loonverschil, de achterstand in verdiencapaciteit, bedraagt ƒ 5.580
per jaar. Periodiek blijkt betrokkene evenwel aangewezen op een RWW-
uitkering, zoals dat ook nu het geval is. De inkomensachterstand kan daarmee
oplopen tot netto ƒ 10.134 per jaar bij een normuitkering met maximale
toeslag en tot ƒ 14.889 bij een normuitkering zonder toeslag. In bovenstaande
beschouwing is geen rekening gehouden met het feit dat het grootwinkelbedrijf
een pensioenregeling kent.

W onderschrijft de conclusies van de deskundigen en stelt zich op het
standpunt dat de vordering tot vergoeding van schade wegens verlies aan
arbeidsvermogen, die zij heeft beperkt tot ƒ 50.000 voor toewijzing in
aanmerking komt, nu S haar inkomensschade begroot op een bedrag tussen de ƒ
5.580 en ƒ 10.134 netto per jaar. Het hogere bedrag van ƒ 14.899 netto komt
in de situatie van W niet in aanmerking. Met S kan worden uitgegaan van het
verwerven van inkomsten vanaf haar twintigste levensjaar. W is thans 29 jaar
oud, zodat de tot heden geleden inkomensschade tussen de ƒ 50.220 en ƒ 91.206
netto ligt, aldus W.

5. De op- en aanmerking van N op de beide deskundigenberichten worden
hieronder nader besproken.

6. De arbeidspsycholoog Groen is slechts gevraagd om een
capaciteitenonderzoek te verrichten opdat de arbeidsdeskundige mede aan de
hand daarvan zijn onderzoek zou kunnen doen. Gelet op de vraagstelling
behoeft deskundige Groen niet in te gaan op de vraag of W beperkt was in haar
mogelijkheden een opleiding te volgen en te voltooien als gevolg van het
seksueel misbruik door N.

7. In reactie op het deskundigenbericht van arbeidsdeskundige Schouten vraagt
N zich af of wel specifiek over gevolgen kan worden gesproken, als volgens de
deskundige geen maat aangegeven kan worden. Verder merkt Ng op dat Schouten
voetstoots heeft aangenomen dat het misbruik vanaf jonge leeftijd heeft
plaatsgevonden zonder acht te slaan op de verklaringen van N en de
bewezenverklaring in de strafzaak. W was 15/16 jaar toen het misbruik door N
begon en de stiefvader van W heeft voorafgaand aan de periode van het
strafrechtelijk bewezen misbruik door N getracht haar te misbruiken. De
deskundige constateert dat nog geen sprake is van een medische eindsituatie.
Bij psychisch herstel dient echter ook de eigen inzet van W te worden
betrokken. Dat zij niet wenst te wachten op groepstherapie kan N niet worden
tegengeworpen. Zij heeft haar herstel zelf in de hand. Nu uit het
deskundigenbericht
blijkt dat de GSD W niet heeft verwezen naar een medisch adviseur om haar
arbeidsongeschiktheid te bepalen moet het ervoor worden gehouden dat zij
arbeidsgeschikt is. Nu volgens Schouten geen maat te bepalen is, valt de
recidive evenmin te bepalen. Bij de schets van het hypothetisch
carrièreverloop vergeet Schouten in aanmerking te nemen dat W zou kunnen
trouwen of een geregistreerd partnerschap zou kunnen aangaan, in welk verband
zij zou kunnen besluiten geheel of gedeeltelijk te stoppen met werken. Voorts
is buiten beschouwing gelaten de werkdruk, het omgaan met collega’s,
werkomstandigheden, zoals late sluitingstijden, zondagsopening etc. Evenmin
is rekening gehouden met de structureel slechte omzet in de kledingbranche.
Schouten gaat er voorts van uit dat W geen studie kan oppakken, terwijl zij
na 1995 een typecursus en een basiscursus computergebruik heeft gevolgd. N
meent dat de uitgebrachte deskundigenrapportage, wegens de vele open einden,
niet kan leiden tot het vaststellen van een bepaalde schade terzake van de
mogelijkheden tot het voltooien van een opleiding en van de verdiencapaciteit
van W.

8. Ten aanzien van het betoog van N omtrent de aanvang van het sexueel
misbruik door hem en het eventueel door de stiefvader gepleegd sexueel
misbruik verwijst de rechtbank naar rechtsoverwegingen 4, 5 en 7 van het
tussenvonnis van 6 augustus 1997. In het licht daarvan heeft de deskundige
Schouten bij zijn onderzoek in dit opzicht geen relevante feiten buiten
beschouwing gelaten.

9. Vast staat dat W in ieder geval vanaf haar tiende/elfde jaar tot omstreeks
haar eenentwintigste jaar – met een onderbreking van ongeveer twee jaar –
sexueel is misbruikt door N. De vraag of W ten gevolge hiervan schade heeft
geleden door verlies van inkomsten uit arbeid moet worden beantwoord door
vergelijking van haar feitelijke inkomenssituatie (mèt trauma ten gevolge van
sexueel misbruik) met de hypothetische situatie zonder dat trauma. Nog
daargelaten dat in het rapport van Schouten niet staat dat er geen maat te
bepalen valt, zoals N betoogt, heeft te gelden dat N als pleger van het
sexueel misbruik degene is die aan W de mogelijkheid heeft ontnomen om
zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in de situatie zonder trauma zou
zijn geschied. In deze procedure gaat het dan ook om de redelijke
verwachtingen omtrent de verdiencapaciteiten van W in de hypothetische
situatie afgezet tegen de feitelijke situatie.

10. Schouten heeft een vergelijking gemaakt tussen de hypothetische
verdiencapaciteit van W mèt en zonder trauma en daarop zijn conclusies
gebaseerd. Zoals hij in zijn bericht heeft aangegeven heeft hij voor de
situatie zonder trauma gekozen voor een hypothetisch carrièreverloop van een
verkoopster in het grootwinkelbedrijf, waarbij sprake is van een redelijk
voorspelbaar verloop van de carrière en beloning overeenkomstig een CAO.
Tegen deze achtergrond zijn de opmerkingen van N over de slechte omzet in de
kledingbranche niet relevant. Dat werkdruk, het omgaan met collega’s en
overige werkomstandigheden door Schouten buiten beschouwing zijn gelaten is
inherent aan de noodzaak om van een hypothetische situatie uit te gaan en
valt niet te voorkomen. Schouten is bij de vergelijking uitgegaan van de
arbeidsgeschiktheid van W, zoals door N wordt verlangd.

N heeft niet bestreden de feitelijke juistheid van de door S hypothetisch
geschetste verdiencapaciteiten van W mèt trauma, te weten het minimum
(jeugd)loon vanaf haar twintigste tot heden en evenmin dat zij in perioden
van ziekte en werkloosheid was aangewezen op een uitkering. Onbetwist is dat
W vanaf haar twintigste levensjaar vaker niet dan wel heeft gewerkt, waarvan
blijkens de rapportage van Schouten de verklaring is gelegen in het seksueel
misbruik.
Aldus bestaat in het licht van de gemaximeerde vordering van W op grond van
het rapport van Schouten voldoende inzicht in de feitelijke verdiencapaciteit
van W tot heden, met als minimum een RWW-uitkering met toeslagen en als
maximum het minimumloon.

12. De conclusie van Schouten luidt dat kan worden uitgegaan van een
inkomensverlies van ƒ 5.580 netto per jaar bij vergelijking van het CAO-loon
in de hypothetische situatie met het minimum (jeugd-)loon dat W verdiend zou
hebben wanneer zij vanaf haar twintigste levensjaar zou hebben gewerkt en dat
haar inkomensachterstand in geval van een RWW-uitkering met maximale toeslag
ƒ 10.134 netto per jaar bedraagt.

13. W heeft haar vordering beperkt tot ƒ 50.000. Zij is thans 29 jaar oud.
Aan de hand van voornoemde cijfers, die N op zichzelf niet heeft bestreden en
die mede zijn gebaseerd op redelijke verwachtingen omtrent de hypothetische
verdiencapaciteiten van W in de situatie zonder trauma, stelt de rechtbank
schattenderwijs vast dat de door W tot heden geleden inkomensschade tenminste
het gevorderde bedrag omvat. Daarom hoeft niet nader te worden ingegaan op de
opmerkingen van N die de toekomst betreffen, zoals de vraag of rekening moet
worden gehouden met de mogelijkheid dat W in verband met relatie- of
gezinsvorming kan besluiten te stoppen met werken, wanneer van een medische
eindsituatie sprake zal zijn of W zich nog verder zal kunnen scholen.

14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de op- en aanmerkingen van N op
de uitgebrachte deskundigenberichten binnen het kader van de gemaximeerde
vordering geen afbreuk doen aan de bevindingen en de conclusies van de
deskundigen.

15. Tot slot van zijn betoog heeft N nog aangevoerd dat Schouten het
concept-rapport niet naar het juiste adres van (de procureur van) N heeft
verzonden en dat hij -N- niet meer in de gelegenheid gesteld kon worden tot
het doen van verzoeken en het stellen van vragen omdat het rapport reeds naar
de rechtbank was verzonden.

16. N heeft in dit verband niet gesteld dat hij andere op- en aanmerkingen op
het rapport van Schouten heeft dan hiervoor zijn besproken. Hij heeft niet
aangegeven dat hij -indien daartoe in de gelegenheid gesteld- van de
mogelijkheid tot het doen van verzoeken en het stellen van vragen aan de
deskundige gebruik zou maken. Hij heeft aan zijn betoog ook niet het verzoek
verbonden om alsnog aan de deskundige verzoeken te mogen doen en vragen te
mogen stellen, noch aan zijn betoog de conclusie verbonden dat de rechtbank
het rapport van Schouten buiten beschouwing moet laten.
De rechtbank kan bij gebreke van onderbouwing van het betoog van N niet
nagaan of Schouten het rapport inderdaad naar een onjuist adres heeft
verzonden. Maar ook ervan uitgaande dat N door Schouten niet behoorlijk in de
gelegenheid is gesteld om vragen te stellen en verzoeken te doen, dan nog
wordt geoordeeld dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, N door deze
omissie niet in zijn belangen is geschaad waardoor het rapport buiten
beschouwing zou moeten worden gelaten, of een eindoordeel nog langer zou
moeten worden uitgesteld om de omissie te herstellen. Hierbij wordt in
aanmerking genomen de aard van de aan Schouten gestelde vraag, de maatstaf
die hij heeft aangelegd en die op zichzelf door N niet is bestreden en het
feit dat N in deze procedure uitgebreid feitelijk commentaar heeft geleverd
op het rapport, welk commentaar in het kader van de gemaximeerde vordering op
geen enkel punt leidt tot aantasting van de bevindingen en conclusies van
Schouten. Het onder 15. verwoorde verweer heeft dus geen gevolgen.

17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen neemt de rechtbank de bevindingen
en de conclusies van de deskundigen over en maakt ze tot de hare. Zoals
hiervoor reeds aangegeven wordt de tot heden door W geleden schade ten
gevolge van het sexueel misbruik door N geschat op tenminste ƒ 50.000, zodat
de vordering toewijsbaar is.

18. N wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij belast met de
kosten van het geding, waaronder die van de deskundigen.

Beslissing

De rechtbank:

– veroordeelt N tot betaling aan W van ƒ 50.000 (vijftigduizend gulden),
vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 oktober 1995 tot aan de
voldoening;

– stelt de kosten van de deskundigen vast op ƒ 3.765;

– veroordeelt N in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de
zijde van W begroot op ƒ 6.588,45;
waarvan te betalen aan W:
ƒ 180 voor de bij haar gevallen kosten aan vastrecht;
en aan de griffier van deze rechtbank:
ƒ 1.720 aan overig vastrecht;
ƒ 2.750 aan salaris procureur;
ƒ 55,95 aan exploitkosten;
ƒ 1.882,50 aan kosten van de deskundigen;

– verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

– wijst het meer of anders gevorderde af.
(…)

Noot

Verlies aan verdiencapaciteit moet geheel worden vergoed bij seksueel
geweld-zaken

Het toekennen van schadevergoedingen bij seksueel geweld heeft een snelle
ontwikkeling doorgemaakt. Werd in het begin van de jaren tachtig slechts een
voorschot op de immateriële schade bij kort geding gevraagd van ƒ 5.000.-,
thans worden er aanzienlijke bedragen gevonnist.
De keuze voor het kort geding werd destijds vooral bepaald door de gedachte
dat getraumatiseerde slachtoffers geen lange procedures aan zouden kunnen.
Daar zat vaak een kern van waarheid in, doch de schade bij een slachtoffer
van seksueel geweld is aanzienlijk groter dan die ƒ 5.000.
Inmiddels zijn advokaten en rechters ervan doordrongen dat er in ieder geval
een bodemprocedure moet komen als er verlies aan verdiencapaciteit is. Deze
schade bedraagt vaak een veelvoud van de immateriële schade.
De jurisprudentie beziende, is er de volgende lijn.

I. Gooise hulpverlener

Een van de eerste zaken was gericht tegen een Gooise hulpverlener en de
instelling waar deze man werkte; de Stichting Jeugd en Gezin. Het meisje werd
in huis genomen door een hulpverlener van de Stichting, waardoor hij haar
pleegvader werd. Vervolgens misbruikte hij haar. De verantwoordelijke
gezinsvoogdes was zijn directe collega.
De gezinsvoogdes geloofde het meisje niet en stuurde haar naar Zetten, waar
zij wegliep. Zo zat het meisje vanaf haar zestiende met verpleeggeld van de
kinderrechter, later Abw, op kamers.
Zij had een IQ, voldoende voor de universiteit. Maar van een fatsoenlijke
middelbare school-opleiding en studeren was niets gekomen. Op haar 24e
besloot ze de zaak aan te pakken. De dader bekende en Rechtbank Zwolle
veroordeelde de hulpverlener/dader tot vergoeding van ƒ 15.000 immateriële
schade en ƒ 50.000 vanwege de achterstand in haar opleiding.
Daar bleef het niet bij, want betrokkene wilde ook de Stichting aanpakken.
Het moment daarvoor brak aan toen zij wilde gaan studeren op HBO-niveau. De
President van de Amsterdamse Rechtbank veroordeelde de Stichting tot twee
keer toe tot betaling van een jaar studiekosten en de kosten van
levensonderhoud. Toen het derde studiejaar aanbrak was de Stichting bereid
tot een deal. In totaal ontving betrokkene ƒ 204.650, nl. ƒ 65.000 van de
dader en ƒ 139.650 van de verantwoordelijke instelling als volgt:

vergoedingen
immateriële vergoedingen ƒ 25.000
verlies verdiencapaciteit ƒ 179.650

Zie: Nemesis 1995, 459, inzake een drietal vonnissen met als einde een akte
van dading.

II. Leeuwarden

De tweede belangrijke zaak betreft de Leeuwardense zaak, waar betrokkene ca.
ƒ 1.000.000.- ontving voor verlies aan verdiencapaciteit en immateriële
schadevergoeding. Het betrof een man die in zijn jeugd ernstig misbruikt was
door zijn stiefvader. Belangrijk in het voortraject was een bundeling van
expertises; de behandelend advokaat liet zich uitgebreid informeren over de
Gooise Zaak en is een ervaren letselschade-advokaat.

De zaak werd volledig als een letselschadezaak opgebouwd.
De feiten werden vastgesteld, de aansprakelijkheid werd vastgesteld, aan een
klinisch psycholoog en een psychiater werd gevraagd of er een causaal verband
bestond tussen het seksueel misbruik en maatschappelijk disfunctioneren. Men
antwoordde bevestigend. Vervolgens werd aan een arbeidsdeskundige gevraagd
welke schade betrokkene heeft geleden en nog zou gaan lijden, waaronder de
verdiencapaciteit. De arbeidsdeskundige antwoordde dat hij geen reële kansen
op de arbeidsmarkt zag. Het gevolg hiervan was dat het verlies aan
verdiencapaciteit tussen het 23e en 65e levensjaar werd berekend.

Het verlies aan verdiencapaciteit, berekend over 42 jaar, leverde een zeer
hoog bedrag op: de jongen werd in feite arbeidsongeschikt verklaard vanaf
zijn jeugd tot aan zijn 65e. En daarmee viel tot nu het hoogste bedrag in een
seksueel geweld-zaak terzake van de materiële schade.

Vergoedingen
immateriële vergoeding ƒ 35.000
verlies verdiencapaciteit ƒ 996.890

Zie: Rechtbank Leeuwarden, 2 juli 1997, Nemesis 1997, 786

III. Rb Den Bosch, 4 april 1997, H. 93/2526, RN 1999, 1021.

Dit vonnis betrof het vierde vonnis in deze zaak en behandelde nog
uitsluitend de inkomensschade. De Rechtbank kwam tot de conclusie dat er twee
jaar studievertraging – op MBO-niveau i.p.v. HBO-niveau – diende te worden
toegerekend aan de verkrachting en de gevolgen daarvan.
Het inkomen werd, zónder inschakeling van deskundigen, over de periode 1993 –
2000 berekend door eenvoudigweg een vergelijking te maken ‘met en zonder
verkrachting’. De schade bedroeg ƒ 33.600 en werd afgerond, vanwege eerdere
betalingen en de draagkracht van de dader, naar ƒ 25.000.

Vergoedingen
immateriële vergoeding onbekend
verlies verdiencapaciteit ƒ 25.000

IV. Rb Zutphen, 24 april 1997, 862 HAZA 95/160, RN1999, 1022.

Dit vonnis betreft een minderjarige die werd verkracht vanaf haar elfde tot
veertiende jaar door een zestigjarige huisvriend van haar moeder.

Uit het psychodiagnostisch onderzoek bleek dat zij een gemiddeld IQ heeft en
dat MAVO haalbaar moest zijn. Haar prestaties werden echter gedrukt door de
emotionele problematiek, waardoor zij was overgestapt naar het KMBO.
De Rechtbank achtte de schoolproblemen bewezen door de discrepantie tussen
het IQ en de te lage scores op de schoolrapporten en rekende de opgedane
schoolachterstand geheel toe aan de hele keten van gebeurtenissen, zijnde de
periode van misbruik, het doen van aangifte en het strafrechtelijk onderzoek.
Gesteld was dat betrokkene in de normale situatie drie jaar eerder aan het
werk had kunnen gaan en tenminste het minimum jeugdloon had kunnen verdienen.
De Rechtbank rekende vervolgens het toepasselijke bruto minimumloon over drie
jaar toe, en schatte dit op netto ƒ 36.500.
Opmerkelijk is dat de rechter terzake van materiële kosten zoals school en
boekengeld, ziektekosten en kosten van rechtsbijstand een onderscheid maakt
tussen ‘kosten behorende tot de opvoeding’ en andere kosten.
Van school- en boekengeld alsmede ziektekosten wordt gesteld dat dit ‘kosten
behorende tot de opvoeding’ zijn, dat deze ten laste komen van de ouders en
dus niet geclaimd konden worden. Voor rechtskundige bijstand ligt dit anders,
deze kosten konden wel, hoewel destijds door de ouders betaald, aan het
slachtoffer worden voldaan. Dit blijkt ook te gelden voor de kosten van de
strafprocedure.

Vergoedingen
immateriële vergoedingen ƒ 25.000
verlies verdiencapaciteit ƒ 36.500

V. Rb Amsterdam, 24 september 97, H 94.0616, RN 1999, 1023.

Dit betrof een geval van seksueel misbruik door een groepsleider in een
opvanghuis. Het meisje was destijds zestien – twintig jaar.

Immaterieel ging hier ƒ 40.000 over tafel – een hulpverlener wordt seksueel
misbruik zwaar aangerekend. Terzake van de inkomensschade stelde de rechtbank
vast dat deze er is vanwege het seksueel misbruik, de psychische nasleep en
de daaraan gerelateerde arbeidsongeschiktheid. De omvang daarvan acht de
rechtbank nog niet vast te stellen. De rechtbank wees daarom vordering, ‘op
te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet’, eenvoudigweg onverkort
toe. Hiermee stond vast dat de hulpverlener alle inkomensschade dient te
vergoeden, welke nader dient te worden vastgesteld in het tweede deel van de
procedure, de zogenaamde ‘schadestaatprocedure’.

VI. Rb Amsterdam, 28 oktober 1998, H. 95.3235, RN 1999, 1024.

Eiseres was seksueel misbruikt door een oom van haar tiende tot haar 21e
levensjaar.
In deze zaak bouwde de rechtbank de zaak, net als in Leeuwarden, geheel op
als een letselschadezaak. Nadat de feiten waren vastgesteld alsmede het
causale verband tussen de feiten en de schade was vastgesteld, werd een
arbeidspyscholoog en een arbeidsdeskundige ingeschakeld om de inkomensschade
vast te stellen.
De vraagstelling aan de beide deskundigen, zie het vonnis, komt wat mager
over; letselschade-advokaten zullen dit graag wat uitgebreider zien. De
betreffende deskundigen hebben er echter werk van gemaakt, waardoor het
allemaal wel goed komt.
De arbeidspsycholoog stelde het IQ vast op 112 en meldde dat betrokkene op
MBO-niveau kan functioneren, doch dat haar prestaties zijn achtergebleven.
Vervolgens werd door de arbeidsdeskundige een vergelijking gemaakt via een
hypothetisch carrièreverloop aan de hand van de vragen: Wat is de
verdiencapaciteit zónder trauma en wat is de verdiencapaciteit mét trauma?

Helaas had het slachtoffer de inkomensschade gefixeerd, reden waarom de
rechtbank alleen het gevorderde bedrag kon toewijzen. Indien dit niet was
gebeurd had de rechtbank naar verwachting het berekende bedrag toegewezen.

Vergoedingen
immateriële vergoeding ƒ 30.000
verlies aan verdiencapaciteit ƒ 50.000

Conclusies

Uit bovenstaand overzicht blijkt dat de opbouw van een seksueel geweld-zaak
met inkomensschade er thans als volgt uit ziet:
a. vaststelling van de feiten;
b. vaststelling van de aansprakelijkheid;
c. vaststellen van het causaal verband: zo nodig via het horen of inschakelen
van behandelaars en deskundigen;
d. een inschatting van het verlies aan verdiencapaciteit.

Wat punt c. betreft blijkt dat er verschillende wegen naar Rome leiden: De
rechtbank maakt zelf een grove berekening of er volgt een
schadestaatprocedure, hetgeen inhoudt dat in het eerste gedeelte van de
procedure slechts over de feiten en de aansprakelijkheid wordt geprocedeerd,
waarna er, bij vaststelling daarvan, in een aparte procedure over de hoogte
van de vergoeding wordt geprocedeerd en er zo nodig deskundigen worden
benoemd. Een andere mogelijkheid is dat de rechtbank deskundigen benoemt die
het verlies berekenen.

Belangrijke aspecten bij het berekenen van het verlies van verdiencapaciteit
zijn de volgende:
– Het IQ van het slachtoffer wordt vastgesteld door een arbeidspsycholoog;
– een arbeidsdeskundige bekijkt welke opleiding en beroepen met een dergelijk
IQ tot de mogelijkheden behoren;
– een arbeidsdeskundige bekijkt welke opleiding en beroepen er feitelijk
gevolgd zijn en maakt een vergelijking tussen het inkomen op grond van
opleiding en beroep zonder trauma en inkomen gebaseerd op opleiding en beroep
met trauma.
– Het verschil in inkomen tussen deze trajecten is het verlies aan
verdiencapaciteit.
– De volledige schade komt voor vergoeding in aanmerking.

Procedeertips
Wat procedeertips op basis van deze reeks:
Bespreek met uw cliënt het doorlopen schooltraject en carrière. Als er een
lagere carrièrelijn is dan verwacht mocht worden op basis van b.v. een
psychologische test waarbij het IQ is vastgesteld of een Citotoets, dan is er
wellicht sprake van verlies van verdiencapaciteit. Het is erg moeilijk om het
verlies aan verdiencapaciteit zelf te berekenen; dit is specialistenwerk. Het
heeft daarom voordelen om dit bedrag open te laten opdat deskundigen dit
uitrekenen.
Een schadestaatprocedure heeft bij seksueel geweld-zaken een aantal
voordelen: In de eerste ronde is de vaststelling van de feiten en de
aansprakelijkheid onderwerp van het geding met als gevolg dat er geen
bedragen worden genoemd en er ook geen hoge griffierechten zijn. Pas als de
aansprakelijkheid vaststaat volgt de tweede ronde; maar dan zijn hoge
griffierechten en kosten van deskundigen geen probleem meer.
Bij verlies van verdiencapaciteit moet tevens de rente gevorderd worden.
De vergoedingen zullen omdat het verlies van verdiencapaciteit volledig
vergoed moet gaan worden aanzienlijk stijgen. Bij een hulpverlener als dader
is het wijs om de verantwoordelijke werkgever en/of instelling meteen onder
te leggen beslagen te brengen en ook meteen mee te dagvaarden.
Als er extra kosten van opvoeding zijn geweest verdient het aanbeveling om de
ouders tevens als zelfstandige eisers op te voeren. De rechtbank Den Bosch,
die zelf een handmatige berekening maakte van het verlies van
verdiencapaciteit, heeft een creatieve oplossing gevonden voor het geval er
terugvordering van Abw of Rww wordt verwacht, namelijk het verlies van
verdiencapaciteit tot uitkering laten komen in een periode dat men niet
uitkeringsgerechtigd is. Maar het is de vraag of het verlies van
verdiencapaciteit losgekoppeld kan worden van de betreffende periode. Als
bijvoorbeeld een verzekeraar het verlies van verdiencapaciteit gaat uitkeren
over een periode waarin een uitkering is ontvangen, krijgt de
uitkeringsinstantie de uitkeringen terug en de betrokkene ontvangst slechts
het meerdere. Hetzelfde geldt als er een Wao-uitkering komt, waar een
Abw-uitkering is genoten.

Hoewel geld nooit een jeugd, een onbezorgde schooltijd of onderbroken
carrière teruggeeft, is bovenstaande toch goed nieuws. Want doordat het
verlies aan verdiencapaciteit vergoed wordt, ontstaan er tenminste
mogelijkheden tot reparatie.

Anne Legeland

Rechters

Mr C. Uriot

Instantie: Hof van Justitie EG, 27 oktober 1998

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Boyle e.a. achten de regelgeving inzake het zwangerschaps- en
bevallingsverlof discriminatoir. Gedurende het verlof ontvangen zij alleen
volledige inkomenscompensatie onder de voorwaarde dat zij terugkeren op hun
werkplek. In deze zaak toetst het Hof voor het eerst rechtstreeks aan
EG-zwangerschapsrichtlijn 92/85/EEG. Artikel 11 lid 3 van de
EG-zwangerschapsrichtlijn houdt volgens het Hof in dat de totale
inkomenscompensatie tijdens het verlof in ieder geval overeen dient te komen
met de door de nationale wetgever vastgestelde inkomenscompensatie tijdens
ziekte, ongeacht of die compensatie nu betaald wordt in de vorm van een
uitkering, loon of een combinatie van beide. Aan de hand van deze maatstaf
komt het Hof tot het oordeel dat de regelgeving niet in strijd is met de
zwangerschapsrichtlijn.

Volledige tekst

61. Bij een andere uitlegging zou aan het doel van het zwangerschapsverlof
afbreuk worden gedaan, aangezien dit verlof niet alleen dient ter bescherming
van de biologische gesteldheid van de vrouw, maar tevens ter bescherming van
de bijzondere relatie tussen moeder en kind tijdens de periode na de
zwangerschap en de bevalling. Het vóór en/of na de bevalling te nemen
zwangerschapsverlof van ten minste veertien aaneengesloten weken is met name
bedoeld om de vrouw te garanderen dat zij zich in de weken na de bevalling
aan haar kind kan wijden. Deze garantie kan haar dus, uitzonderlijke gevallen
daargelaten, niet worden ontnomen om gezondheidsredenen.

62. Een contractsbepaling die een vrouw verbiedt gedurende een door de
werkgever bovenop het zwangerschapsverlof van artikel 8 van richtlijn 92/85
verleend verlof ziekteverlof op te nemen, tenzij zij dit zwangerschapsverlof
definitief beëindigt, valt niet binnen de werkingssfeer van dit artikel.

63. In de tweede plaats moet erop worden gewezen, dat de derde prejudiciële
vraag bovendien beoogt te vernemen of de betrokken bepaling een discriminatie
oplevert wat het recht op ziekteverlof betreft; in zoverre heeft de vraag
betrekking op richtlijn 76/207, met name artikel 5, lid 1, betreffende de
arbeidsvoorwaarden. Artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117 zijn
derhalve niet aan de orde. De derde prejudiciële vraag dient dan ook
uitsluitend te worden onderzocht, voor zover de daarin genoemde bepaling van
de arbeidsovereenkomst betrekking heeft op het aanvullend zwangerschapsverlof
dat de werkgever de vrouwelijke werknemer verleent.

64. Het discriminatieverbod van artikel 5 van richtlijn 76/207 eist niet, dat
een vrouw gelijktijdig haar recht op het door de werkgever toegekend
aanvullend zwangerschapsverlof en haar recht op ziekteverlof kan uitoefenen.

65. Derhalve mag van een vrouwelijke werknemer die met zwangerschapsverlof
is, worden verlangd, dat zij om recht op ziekteverlof te hebben, het haar
door de werkgever toegekend aanvullend zwangerschapsverlof definitief
beëindigt.

66. Het antwoord moet derhalve luiden, dat een bepaling van een
arbeidsovereenkomst die een vrouw verbiedt ziekteverlof op te nemen tijdens
de periode van veertien weken zwangerschapsverlof waarop een vrouwelijke
werknemer ten minste recht heeft ingevolge artikel 8, lid 1, van richtlijn
92/85, tenzij zij besluit haar arbeid te hervatten en daarmee het
zwangerschapsverlof definitief te beëindigen, niet verenigbaar is met
richtlijn 92/85. Daarentegen is een bepaling van een arbeidsovereenkomst die
een vrouw verbiedt ziekteverlof op te nemen tijdens een door de werkgever
toegekend aanvullend zwangerschapsverlof, tenzij zij besluit haar arbeid te
hervatten en daarmee het zwangerschapsverlof definitief te beëindigen, wel
verenigbaar met de richtlijnen 76/207 en 92/85.

De vierde vraag

67. In de vierde plaats vraagt de nationale rechter, of artikel 119 van het
Verdrag, zoals uitgewerkt bij richtlijn 75/117, en de richtlijnen 76/207 en
92/95 in de weg staan aan een bepaling van een arbeidsovereenkomst, die de
periode waarin recht op vakantie wordt opgebouwd, beperkt tot de periode van
veertien weken zwangerschapsverlof waarop vrouwelijke werknemers ingevolge
artikel 8 van richtlijn 92/85 ten minste recht hebben, en de opbouw van dit
recht opschort tijdens het gehele aanvullende zwangerschapsverlof dat hun
door de werkgever wordt toegekend.

68. In de eerste plaats is de opbouw van recht op vakantie een aan de
arbeidsovereenkomst van de werkneemsters verbonden recht in de zin van
artikel 11, sub 2 a, van richtlijn 92/85.

69. Uit deze bepaling vloeit voort, dat een dergelijk recht uitsluitend moet
worden gegarandeerd in de periode van ten minste veertien weken
zwangerschapsverlof waarop werkneemsters ingevolge artikel 8 van richtlijn
92/85 recht hebben.

70. De duur van dit verlof is in het Verenigd Koninkrijk in beginsel
vastgesteld op veertien weken.

71. Deze richtlijn staat derhalve niet in de weg aan een bepaling als bedoeld
in de prejudiciële vraag, volgens welke de opbouw van recht op vakantie wordt
onderbroken tijdens het aanvullend zwangerschapsverlof dat door de werkgever
wordt toegekend aan werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en
tijdens de lactatie.

72. In de tweede plaats vormen de voorwaarden voor de opbouw van recht op
vakantie een integrerend onderdeel van de arbeidsvoorwaarden in de zin van
artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207 en kunnen zij dus niet tevens onder
artikel 119 van het Verdrag of richtlijn 75/117 vallen.

73. In dit verband wijzen verzoeksters in het hoofdgeding erop, dat volgens
het Staff Handbook van de EOC in geval van onbetaald verlof – ziekteverlof,
buitengewoon verlof of aanvullend zwangerschapsverlof – de duur van het
vakantieverlof evenredig aan de duur van het onbetaalde verlof wordt
verminderd. Aangezien evenwel een veel groter aantal vrouwen dan mannen
onbetaald verlof opneemt, doordat vrouwen aanvullend zwangerschapsverlof
opnemen, levert dit voorschrift, dat op het oog sexeneutraal is, een bij
artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207 verboden indirecte discriminatie van
vrouwen op.

74. Allereerst moet worden opgemerkt, dat alle werknemers van de EOC die
onbetaald verlof opnemen, gedurende die periode geen recht op vakantie meer
opbouwen. Volgens het Staff Handbook omvat het onbetaald verlof namelijk
zowel ziekteverlof en buitengewoon verlof, dat elke werknemer kan opnemen,
als het door de EOC toegekende aanvullend zwangerschapsverlof dat bovenop de
in de Employment Rights Act 1996 voorgeschreven periode van veertien weken
zwangerschapsverlof komt.

75. Een dergelijke bepaling vormt derhalve geen directe discriminatie,
aangezien de opbouw van het recht op vakantie gedurende de periode van het
onbetaald verlof zowel voor mannen als voor vrouwen die onbetaald verlof
opnemen, wordt
onderbroken. Derhalve moet worden onderzocht, of een dergelijke bepaling een
indirecte discriminatie kan opleveren.

76. Volgens vaste rechtspraak is er sprake van indirecte discriminatie
wanneer de toepassing van een nationale maatregel, al is hij op neutrale
wijze geformuleerd, in feite een groter aantal vrouwen dan mannen benadeelt
(zie met name arresten van 2 oktober 1997, Gerster, C-1/95, Jurispr. blz.
I-5253, punt 30, en Kording, C-100/95, Jurispr. blz. I-5289, punt 16).

77. Zoals de verwijzende rechter verklaart, nemen veel meer vrouwen dan
mannen in de loop van hun carrière onbetaald verlof op, doordat zij
aanvullend zwangerschapsverlof opnemen, zodat de betrokken bepaling in feite
voor een veel hoger percentage vrouwen dan mannen geldt.

78. Het feit dat een dergelijke bepaling vaker op vrouwen wordt toegepast, is
evenwel een uitvloeisel van de uitoefening van het recht op onbetaald
zwangerschapsverlof dat de werkgever hen heeft toegekend als aanvulling op de
beschermingsperiode die door artikel 8 van richtlijn 82/85 wordt
gegarandeerd.

79. Vrouwelijke werknemers die van dit recht gebruik maken onder de
voorwaarde dat tijdens het onbetaald verlof geen recht op vakantie meer wordt
opgebouwd, worden niet benadeeld ten opzichte van mannelijke werknemers. Het
onbetaald zwangerschapsverlof is immers een specifiek voordeel, dat verder
gaat dan de in richtlijn 92/85 voorgeschreven bescherming en is voorbehouden
aan vrouwen, zodat de onderbreking van de opbouw van het recht op vakantie
gedurende dit zwangerschapsverlof geen ongunstige behandeling van vrouwen kan
meebrengen.

80. Het antwoord moet dus zijn, dat de richtlijnen 92/85 en 76/207 niet in de
weg staan aan een bepaling van een arbeidsovereenkomst, die de periode waarin
recht op vakantie wordt opgebouwd, beperkt tot de periode van veertien weken
zwangerschapsverlof waarop vrouwelijke werknemers ingevolge artikel 8 van
richtlijn 92/85 ten minste recht hebben, en de opbouw van dit recht opschort
tijdens het gehele aanvullende zwangerschapsverlof dat hun door de werkgever
wordt toegekend.

De vijfde vraag

81. Blijkens de stukken wenst de verwijzende rechter met zijn vijfde vraag te
vernemen, of artikel 119 van het Verdrag, zoals uitgewerkt bij richtlijn
75/117, en de richtlijnen 76/207 en 92/95 in de weg staan aan een bepaling
van een arbeidsovereenkomst, die in het kader van een geheel door de
werkgever gefinancierde bedrijfspensioenregeling de opbouw van
pensioenrechten tijdens het zwangerschapsverlof beperkt tot de periode waarin
de vrouw een beloning ontvangt uit hoofde van deze arbeidsovereenkomst of de
nationale wettelijke regeling.

82. De opbouw van pensioenrechten in het kader van een geheel door de
werkgever gefinancierde bedrijfspensioenregeling maakt deel uit van de aan de
arbeidsovereenkomst verbonden rechten in de zin van artikel 11, sub 2 a, van
richtlijn 92/85..

83. Zoals in punt 69 van dit arrest is opgemerkt, moeten dergelijke rechten
overeenkomstig deze bepaling worden gegarandeerd gedurende de periode van ten
minste veertien weken zwangerschapsverlof waarop werkneemsters ingevolge
artikel 8 van richtlijn 92/85 recht hebben.

84. Weliswaar hebben de lidstaten overeenkomstig artikel 11, sub 4, van
richtlijn 92/85 de mogelijkheid om aan het recht op bezoldiging of adequate
uitkering de voorwaarde te verbinden dat de betrokken werkneemster aan de
door de nationale wetgevingen gestelde voorwaarden voor de opening van het
recht op deze inkomsten voldoet, doch deze mogelijkheid bestaat niet voor de
aan de arbeidsovereenkomst verbonden rechten in de zin van artikel 11, sub 2
a.

85. Voor de opbouw van pensioenrechten in het kader van een
bedrijfspensioenregeling tijdens het in artikel 8 van richtlijn 92/85
bedoelde zwangerschapsverlof mag dus niet als voorwaarde worden gesteld, dat
de vrouw gedurende die periode loon uit hoofde van haar arbeidsovereenkomst
of de nationale wettelijke regeling ontvangt.

86. Aangezien de in de vijfde prejudiciële vraag bedoelde bepaling in strijd
is met richtlijn 92/85, behoeven artikel 119 van het Verdrag, zoals
uitgewerkt bij richtlijn 75/117, en richtlijn 76/207 geen uitlegging.

87. Op de vijfde vraag moet derhalve worden geantwoord, dat richtlijn 92/95
in de weg staat aan een bepaling van een arbeidsovereenkomst, die in het
kader van een geheel door de werkgever gefinancierde bedrijfspensioenregeling
de opbouw van pensioenrechten tijdens het in artikel 8 van deze richtlijn
bedoelde zwangerschapsverlof beperkt tot de periode waarin de vrouw een
beloning ontvangt uit hoofde van deze arbeidsovereenkomst of de nationale
wettelijke regeling.

Kosten

88. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Ierse en de
Oostenrijkse regering, alsook de Commissie wegens indiening van hun
opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking
komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een
aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke
instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door Industrial Tribunal te Manchester bij beschikking
van 15 oktober 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Artikel 119 EG-Verdrag, artikel 1 van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van
10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen
der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor
mannelijke en vrouwelijke werknemers, en artikel 11 van richtlijn 92/85/EEG
van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen
ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het
werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de
lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van
richtlijn 89/391/EEG) staan niet in de weg aan een bepaling van een
arbeidsovereenkomst, waarin voor de betaling van een beloning tijdens het in
artikel 8 van richtlijn 92/85 bedoelde zwangerschapsverlof die hoger is dan
de uitkeringen uit hoofde van de nationale wettelijke regeling inzake
zwangerschapsverlof, als voorwaarde wordt gesteld, dat de vrouwelijke
werknemer zich ertoe moet verbinden, na de bevalling haar werk gedurende ten
minste een maand te hervatten, en, indien zij dit niet hervat, het verschil
tussen het bedrag van het haar gedurende het zwangerschapsverlof betaalde
loon en deze wettelijke uitkeringen moet terugbetalen.

2) Artikel 8 van richtlijn 92/85 en artikel 5, lid 1, van richtlijn
76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging
van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien
van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de
promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, staan niet in de weg
aan een bepaling van een arbeidsovereenkomst, volgens welke een werkneemster
die te kennen heeft gegeven dat zij haar zwangerschapsverlof wil laten ingaan
in de loop van de zes weken voorafgaand aan de week waarin de bevalling wordt
verwacht, die onmiddellijk voorafgaand aan die datum met ziekteverlof is
wegens gezondheidsproblemen verband houdend met haar zwangerschap, en tijdens
dit ziekteverlof bevalt, verplicht de aanvangsdatum van het betaald
zwangerschapsverlof te vervroegen tot het begin van de zesde week voorafgaand
aan de week waarin de bevalling werd verwacht, of het begin van het
ziekteverlof, indien deze tweede datum na de eerste valt.

3) Een bepaling van een arbeidsovereenkomst die een vrouw verbiedt
ziekteverlof op te nemen tijdens de periode van veertien weken
zwangerschapsverlof waarop de vrouwelijke werknemer ten minste recht heeft
ingevolge artikel 8, lid 1, van richtlijn 92/85, tenzij zij besluit haar
arbeid te hervatten en daarmee het zwangerschapsverlof definitief te
beëindigen, is niet verenigbaar met richtlijn 92/85. Daarentegen is een
bepaling van een arbeidsovereenkomst die een vrouw verbiedt ziekteverlof op
te nemen tijdens een haar door de werkgever toegekend aanvullend
zwangerschapsverlof, tenzij zij besluit haar arbeid te hervatten en daarmee
het zwangerschapsverlof definitief te beëindigen, wel verenigbaar met de
richtlijnen 76/207 en 92/85.

4) De richtlijnen 92/85 en 76/207 staan niet in de weg aan een bepaling van
een arbeidsovereenkomst, die de periode waarin recht op vakantie wordt
opgebouwd, beperkt tot de periode van veertien weken zwangerschapsverlof
waarop vrouwelijke werknemers ingevolge artikel 8 van richtlijn 92/85 ten
minste recht hebben, en de opbouw van dit recht opschort tijdens het gehele
aanvullende zwangerschapsverlof dat hun door de werkgever wordt toegekend.

5) Richtlijn 92/95 staat in de weg aan een bepaling van een
arbeidsovereenkomst, die in het kader van een geheel door de werkgever
gefinancierde bedrijfspensioenregeling de opbouw van pensioenrechten tijdens
het in artikel 8 van deze richtlijn bedoelde zwangerschapsverlof beperkt tot
de periode waarin de vrouw een beloning ontvangt uit hoofde van deze
arbeidsovereenkomst of de nationale wettelijke regeling.

Rechters

G. C. Rodríguez Iglesias, president, P. J. G. Kapteyn (rapporteur), J.-P.Puissochet en P. Jann, kamerpresidenten, C. Gulmann, J. L. Murray, D. A. O.Edward, H. Ragnemalm, L. Sevón, M. Wathelet en R. Schintgen, rechters,

Instantie: Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 22 oktober 1998

Instantie

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

Samenvatting


Wanneer een lidstaat in zijn wetgeving het verschil in pensioenleeftijd
tussen mannen en vrouwen opheft, mag hij geen verschil in de berekeningswijze
van de pensioenen handhaven.
De gemeenschapswetgeving op het gebied van de sociale zekerheid verbiedt
iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht met betrekking tot de
berekening van sociale uitkeringen, waaronder ouderdomsuitkeringen. De
lidstaten mogen van dit beginsel echter afwijken op het punt van de
vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd en de gevolgen daarvan, met
name voor de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen.
Tot 1990 was in de Belgische wetgeving de pensioenleeftijd voor mannen
gesteld op 65 en voor vrouwen op zestig jaar. Het pensioen werd berekend op
basis van het in de loop der jaren verdiende arbeidsloon. Per gewerkt
kalenderjaar bedroeg het pensioen voor mannen 1/45e en voor vrouwen 1/40e van
dat loon. Volgens de nieuwe regeling die in 1990 werd ingevoerd, kunnen zowel
mannelijke als vrouwelijke werknemers op de leeftijd van zestig jaar met
pensioen gaan. De berekeningswijze van de pensioenen bleef ongewijzigd. De
Belgische wetgever verklaarde echter in een interpretatieve wet van 1996, wat
onder ‘rustpensioen’ moest worden verstaan, namelijk het vervangingsinkomen
dat toegekend wordt aan werknemers die door ouderdom arbeidsongeschikt zijn
geworden, welke toestand volgens deze wet voor mannen wordt geacht te
ontstaan op 65-jarige en voor vrouwen op zestigjarige leeftijd.
Wolfs, die dertien jaar in België had gewerkt, kreeg van de Rijksdienst voor
Pensioenen een jaarlijks rustpensioen toegekend van 13/45e van zijn loon.
Daar hij van mening was, dat de voor vrouwen geldende berekeningsmethode hem
een hoger bedrag zou hebben opgeleverd, namelijk 13/40e van zijn loon, stelde
hij beroep in tegen de Rijksdienst voor Pensioenen bij de Arbeidsrechtbank te
Brussel, die het Hof een aantal prejudiciële vragen stelde.
Het Hof verklaarde, dat de gemeenschapswetgever de lidstaten heeft toegestaan
op het punt van de vaststelling van de pensioenleeftijd van het beginsel van
gelijke behandeling af te wijken, om hen in staat te stellen tijdelijk de aan
vrouwen toegekende voordelen te handhaven en hun pensioenstelsels geleidelijk
aan te passen zonder het financiële evenwicht daarvan te verstoren.
Verder bevestigde het Hof zijn eerdere rechtspraak, dat wanneer in de
nationale regeling een verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en
vrouwelijke werknemers is gehandhaafd, de lidstaat het bedrag van het
pensioen verschillend mag berekenen naar gelang van het geslacht van de
werknemer. Wanneer daarentegen de nationale regeling het verschil in
pensioenleeftijd opheft, mag daarin, wat de berekening van het pensioen
betreft, geen verschil op grond van het geslacht blijven bestaan.
Het Hof herinnerde er wel aan, dat het uiteindelijk de taak van de nationale
rechter is, te bepalen of in de nationale regeling nu wel of niet een
verschil in de pensioenleeftijd van mannen en vrouwen wordt gehandhaafd.

Volledige tekst

Arrest
1. Bij beschikking van 22 april 1996, ingekomen bij het Hof op 7 mei
daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel krachtens artikel 177
EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de
artikelen 4, lid 1, en 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad
van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de
sociale zekerheid (hierna: ‘richtlijn’).

2. Die vragen zijn gerezen in een geding tussen L. Wolfs en de Rijksdienst
voor Pensioenen (hierna: ‘RVP’) over de berekening van zijn pensioen.

3. Koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en
overlevingspensioen voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 27
oktober 1967, blz. 11258; hierna: ‘koninklijk besluit nr. 50’), dat van
toepassing was tot 1 januari 1991, bepaalde de normale pensioenleeftijd voor
mannen op 65 jaar en voor vrouwen op 60 jaar.

4. Volgens artikel 10 van koninklijk besluit nr. 50 werd het recht op
rustpensioen verworven per kalenderjaar naar rato van een breuk van de lonen
waarvan het bedrag volgens bepaalde specifieke regels werd vastgesteld. Voor
mannen was het pensioenbedrag per kalenderjaar gelijk aan 1/45 en voor
vrouwen aan 1/40 van het aldus berekende loon.

5. Wanneer de duur van de loopbaan langer was dan 40 of 45 jaar, werden de
gunstigste kalenderjaren uit deze periode in aanmerking genomen.

6. Ingevolge een nieuw stelsel, ingevoerd bij de wet van 20 juli 1990 tot
instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor de werknemers en tot
aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen
welzijn (Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1990; hierna: ‘wet
van 1990′), kunnen sinds 1 januari 1991 zowel mannen als vrouwen ten vroegste
met pensioen gaan op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de
belanghebbende de leeftijd van 60 jaar bereikt.

7. Voor de berekening van het pensioen bepaalde de wet van 1990, dat het
recht op het rustpensioen per kalenderjaar werd verkregen naar rato van een
bij koninklijk besluit nr. 50 vastgestelde breuk van het loon van de
belanghebbende, en dat de noemer van deze breuk voor mannen 45 en voor
vrouwen 40 bleef.

8. Artikel 4, lid 1, van de richtlijn verbiedt iedere vorm van discriminatie
op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect, met betrekking tot de
berekening van de prestaties, waaronder begrepen de ouderdomsuitkeringen.

9. Artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn, op grond waarvan afwijkingen
van dat beginsel mogelijk zijn, bepaalt evenwel:

‘1. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om
van haar werkingssfeer uit te sluiten:
a) de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de
toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen
voortvloeien voor andere prestaties;

(…)’

10. In de zaak Van Cant, die geleid heeft tot het arrest van 1 juli 1993
(C-154/92, Jurispr. blz. I-3811), had de Arbeidsrechtbank te Antwerpen het
Hof gevraagd, of de wijze van berekening van het rustpensioen van mannelijke
gerechtigden, zoals uiteengezet, een discriminatie op grond van geslacht in
de zin van artikel 4 van de richtlijn opleverde.

11. In zijn arrest in die zaak overwoog het Hof (punt 13), dat ingeval een
nationale regeling het verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en
vrouwelijke werknemers heeft opgeheven – een feitelijke kwestie die ter
beoordeling van de nationale rechter staat -, artikel 7, lid 1, sub a, van
richtlijn 79/7 niet meer kan worden ingeroepen ter rechtvaardiging van de
handhaving van een verschil in de wijze van berekening van het rustpensioen,
dat samenhing met dat verschil in pensioenleeftijd.

12. In dat arrest verklaarde het Hof derhalve voor recht, dat de artikelen 4,
lid 1, en 7, lid 1, van de richtlijn zich ertegen verzetten, dat een
nationale wettelijke regeling die mannelijke en vrouwelijke werknemers
toestaat vanaf dezelfde leeftijd met pensioen te gaan, in de berekeningswijze
van het pensioen een verschil naar gelang van het geslacht handhaaft, dat
verband houdt met het in de vroegere wettelijke regeling bestaande verschil
in pensioenleeftijd.

13. In het onderhavige geval blijkt uit de stukken, dat de RVP Wolfs een
rustpensioen voor werknemers heeft toegekend van 109 026 BFR per jaar. Dat
pensioen is berekend op basis van een naar rato van zijn loopbaan berekende
breuk gelijk aan 13/45, waarbij de jaren 1955-1967 in aanmerking zijn
genomen. Wolfs heeft België in 1968 verlaten.

14. Wolfs heeft bij de Arbeidsrechtbank te Brussel beroep ingesteld tot
nietigverklaring van de pensioenbeschikking van de RVP, waarbij hij onder
verwijzing naar het arrest Van Cant heeft gesteld, dat de berekeningswijze
voor het pensioen voor vrouwen, waarbij wordt uitgegaan van de 40 gunstigste
jaren van arbeid, tot een hoger pensioen zou leiden dan wat hem is toegekend.

15. In het kader van dat beroep heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de
behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen
voorgelegd:

‘1)Geldt de uitsluiting bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn
79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 (betreffende de geleidelijke
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid) nog steeds voor een stelsel
van flexibele rustpensioenen dat door een lidstaat is ingesteld
overeenkomstig aanbeveling 82/857/EEG van de Raad van 10 december 1982
(betreffende de beginselen van een communautair beleid inzake de
pensioenleeftijd)(2), in die zin dat de vaststelling van een flexibele
pensioenleeftijd voor mannen en voor vrouwen, bij voorbeeld tussen 60 en 65
jaar, niet zonder meer kan worden gelijkgesteld met de vaststelling van een
voor iedereen identieke vertrekleeftijd en, zelfs zo daarbij een
verschillende wijze van berekening van het pensioen van mannen en vrouwen
wordt gehandhaafd, niet noodzakelijkerwijs in strijd is met het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zoals neergelegd in artikel 4, lid
1, van richtlijn 79/7/EEG, daar in een dergelijk stelsel elke toekomstige
gepensioneerde de mogelijkheid heeft vrij te bepalen, met inachtneming van
zijn loopbaan, wanneer hij met pensioen gaat; en dit in
het bijzonder indien de ingevoerde regeling beantwoordt aan een dwingende
doelstelling van sociaal beleid van de lidstaat en haar rechtvaardiging vindt
in redenen die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht?

2)Zo niet, legt dan de verwezenlijking van de doelstellingen van richtlijn
79/7/EEG en van aanbeveling 82/857/EEG, te weten de invoering van een
flexibele pensioenleeftijd voor iedereen en de gelijkheid van mannen en
vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, enerzijds, en de
gelijktijdige inaanmerkingneming van de formele gelijkheid en van de nog
bestaande reële discriminaties tussen mannen en vrouwen ter zake van de
wettelijke rustpensioenen, anderzijds, een Lid-Staat automatisch de
verplichting op, de voorwaarden voor toegang tot het rustpensioen naar
beneden toe gelijk te maken, door mannen en vrouwen naar keuze van de
belanghebbende recht op een rustpensioen toe te kennen vanaf de laagste
leeftijd en berekend op de wijze die tot dan toe gold voor de categorie die
al op die leeftijd recht op rustpensioen had; en dit ongeacht de gevolgen
daarvan voor het financiële evenwicht van pensioenstelsels die niet op basis
van die beginselen zijn ingevoerd?

3)Nog steeds indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet de
gunstigste oplossing voor de belanghebbende ingevolge het gemeenschapsrecht
voor de gehele loopbaan van de betrokkene gelden, of kan zij enkel worden
toegepast voor de jaren van de loopbaan van ofwel na de inwerkingtreding van
de wet waarbij de flexibele pensioenleeftijd is ingevoerd, ofwel na het
arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 1 juli
1993 in de zaak Van Cant/Rijksdienst voor Pensioenen?’

16. Bij brief van 12 mei 1997 heeft de verwijzende rechterlijke instantie het
Hof meegedeeld, dat de RVP bij het Arbeidshof te Brussel hoger beroep had
ingesteld tegen de beschikking van 22 april 1996 en met name had
geconcludeerd tot intrekking van de prejudiciële vragen. Overeenkomstig het
advies van de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Brussel heeft het Hof
daarop de prejudiciële procedure geschorst.

17. Bij brief van 18 juni 1998 heeft de eerste voorzitter van het Arbeidshof
te Brussel het Hof verzocht de behandeling van de prejudiciële vragen voort
te zetten.

De eerste vraag

18. Met zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter, kort samengevat,
vernemen, of een pensioenregeling waarbij zowel mannen als vrouwen op de
leeftijd van 60 jaar met pensioen kunnen gaan, maar waarin de
berekeningswijze naar geslacht verschillend blijft, onder de uitzondering van
artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn valt.

19. Deze vraag komt inhoudelijk overeen met die welke in het arrest Van Cant
is onderzocht. In tussentijd heeft zich echter een nieuwe ontwikkeling
voorgedaan met betrekking tot het stelsel dat zowel ten tijde van het arrest
Van Cant als op het tijdstip van de verwijzing van de onderhavige zaak van
toepassing was.

20. Op 19 juni 1996, dus na de verwijzingsbeschikking, heeft het Belgische
parlement namelijk een wet tot interpretatie van de wet van 1990 vastgesteld
(Belgisch Staatsblad van 20 juli 1996, blz. 19579; hierna:
‘interpretatieve wet’). Sedertdien wordt de wet van 1990 geacht, vanaf zijn
inwerkingtreding op 1 januari 1991 de strekking te hebben die er door de
interpretatieve wet aan wordt gegeven.

21. Volgens artikel 2 van de interpretatieve wet wordt voor de toepassing van
de artikelen 2, 1, 2, 3, en 3, 1, 2, 3, 5, 6, 7, van de wet van 1990
‘onder het woord – rustpensioen’ verstaan het vervangingsinkomen dat
toegekend wordt aan de gerechtigde die wordt geacht door ouderdom
arbeidsongeschikt te zijn geworden, welke toestand voor de mannelijke
gerechtigden wordt geacht te ontstaan op de leeftijd van 65 jaar en voor de
vrouwelijke gerechtigden op de leeftijd van 60 jaar.’

22. Voor een nuttig antwoord aan de nationale rechter moeten de bepalingen
van de richtlijn derhalve worden uitgelegd met het oog op de thans geldende
nationale voorschriften.

23. Daarbij moet erop worden gewezen, dat het Hof zich reeds in zijn arrest
van 30 april 1998, De Vriendt e.a. (C-377/96-C-384/96, Jurispr. blz. I-2105),
hiermee heeft beziggehouden.

24. In punt 25 van dat arrest herinnerde het Hof eraan, dat volgens vaste
rechtspraak de in artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn geregelde
afwijking strikt moet worden uitgelegd (zie, onder meer, arrest van 30 maart
1993, Thomas e.a., C-328/91, Jurispr. blz. I-1247, punt 8). Wanneer een
lidstaat met toepassing van dat artikel voorziet in een voor mannen en
vrouwen verschillende pensioenleeftijd voor de toekenning van ouderdoms- en
rustpensioenen, is de werkingssfeer van de toegestane afwijking beperkt tot
de discriminaties die objectief en noodzakelijk verband houden met het
verschil in pensioenleeftijd (arrest Thomas e.a., reeds aangehaald, en arrest
van 19 oktober 1995, Richardson, C-137/94, Jurispr. blz. I-3407, punt 18).
Indien daarentegen een nationale regeling het verschil in pensioenleeftijd
heeft opgeheven, mag de lidstaat geen verschil op grond van geslacht in de
wijze van berekening van het pensioen handhaven (arrest Van Cant, reeds
aangehaald, punt 13).

25. In punt 26 van het arrest De Vriendt e.a. merkte het Hof voorts op, dat
uit de aard van de in artikel 7, lid 1, van de richtlijn voorkomende
uitzonderingen kan worden
afgeleid, dat de communautaire wetgever de lidstaten heeft willen toestaan
tijdelijk de aan vrouwen toegekende voordelen op pensioengebied te handhaven,
teneinde hen in staat te stellen hun pensioenstelsels op dit punt geleidelijk
aan te passen zonder het ingewikkelde financiële evenwicht van die stelsels –
een aspect dat niet kon worden genegeerd – te verstoren (arrest van 7 juli
1992, Equal Opportunities Commission, C-9/91, Jurispr. blz. I-4297, punt 15).

26. Gelet op deze constateringen concludeerde het Hof in punt 27 van het
arrest De Vriendt e.a., dat dus moet worden vastgesteld, of de discriminatie
met betrekking tot de wijze van berekening van de rustpensioenen noodzakelijk
en objectief verband houdt met de handhaving van nationale bepalingen die de
pensioenleeftijd verschillend vaststellen naar gelang van het geslacht, en
derhalve onder de afwijking van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn
vallen.

27. Dienaangaande herinnerde het Hof in punt 28 van het arrest De Vriendt
e.a. eraan, dat blijkens punt 13 van het arrest Van Cant de vraag, of de
nationale regeling het verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en
vrouwelijke werknemers heeft gehandhaafd, een feitelijke kwestie is die ter
beoordeling van de nationale rechter staat.

28. Voor het geval dat dit verschil zou zijn gehandhaafd, merkte het Hof in
punt 29 van het arrest De Vriendt e.a. op, dat de vaststelling van de
leeftijd voor toekenning van het rustpensioen inderdaad bepalend is voor de
periode gedurende welke de betrokkenen bijdragen voor het pensioenstelsel
kunnen betalen.

29. Het Hof concludeerde in punt 30 van genoemd arrest, dat in een dergelijk
geval een discriminatie bij de berekening van de pensioenen, zoals die welke
uit de betrokken nationale wettelijke regeling voortvloeit, noodzakelijk en
objectief verband houdt met het verschil dat met betrekking tot de
pensioenleeftijd is gehandhaafd.

30. Gelet op het voorgaande, moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat
artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat
wanneer een nationale regeling een verschil in pensioenleeftijd tussen
mannelijke en vrouwelijke werknemers heeft gehandhaafd, de betrokken lidstaat
het bedrag van het pensioen verschillend mag berekenen naar gelang van het
geslacht van de werknemer.

De tweede en de derde vraag

31. Daar de tweede en de derde vraag slechts zijn gesteld voor het geval dat
de eerste ontkennend zou worden beantwoord, kunnen zij onbesproken blijven.

Kosten

32. De kosten door de Belgische regering en de Commissie wegens indiening van
hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in
aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de
procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale
rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Brussel bij beschikking
van 22 april 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december
1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale
zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een nationale regeling
een verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers
heeft gehandhaafd, de betrokken lidstaat het bedrag van het pensioen
verschillend mag berekenen naar gelang van het geslacht van de werknemer.

Rechters

Mrs Kapteyn, Mancini, Murray, Ragnemalm, Schintgen

Instantie: Hof van Justitie EG, 22 oktober 1998

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Berekening van rustpensioenen houdt noodzakelijk en objectief verband met de
handhaving van nationale bepalingen die de pensioenleeftijd verschillend
vaststellen al naar gelang geslacht. Daarom ook bij rustpensioenen
verschillende berekeningswijze nog toegestaan. In 1996 is een nieuwe wet
ingevoerd, de interpretatieve wet, ter interpretatie van de pensioenwet van
1990. Het is de vraag of deze wet de verschillende pensioenleeftijden opheft.
Het Hof laat dit aan de nationale rechter over. Margriet Kraamwinkel
concludeert in een noot dat het Hof bij de wettelijke pensioenen, anders dan
bij de aanvullende, de wetgever veel meer ruimte geeft om langs geleidelijke
weg tot opheffing van de verschillende pensioenleeftijden te komen.

Volledige tekst

Arrest

1. Bij beschikking van 22 april 1996, ingekomen bij het Hof op 7 mei
daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel krachtens artikel 177
EG- Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de
artikelen 4, lid 1, en 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad
van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de
sociale zekerheid (hierna: “richtlijn”).

2. Die vragen zijn gerezen in een geding tussen L. Wolfs en de Rijksdienst
voor Pensioenen (hierna: “RVP”) over de berekening van zijn pensioen.

3. Koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en
overlevingspensioen voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1967,
blz. 11258; hierna: “koninklijk besluit nr. 50”), dat van toepassing was tot
1 januari 1991, bepaalde de normale pensioenleeftijd voor mannen op 65 jaar
en voor vrouwen op 60 jaar.

4. Volgens artikel 10 van koninklijk besluit nr. 50 werd het recht op
rustpensioen verworven per kalenderjaar naar rato van een breuk van de lonen
waarvan het bedrag volgens bepaalde specifieke regels werd vastgesteld. Voor
mannen was het pensioenbedrag per kalenderjaar gelijk aan 1/45 en voor
vrouwen aan 1/40 van het aldus berekende loon.

5. Wanneer de duur van de loopbaan langer was dan 40 of 45 jaar, werden de
gunstigste kalenderjaren uit deze periode in aanmerking genomen.

6. Ingevolge een nieuw stelsel, ingevoerd bij de wet van 20 juli 1990 tot
instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor de werknemers en tot
aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen
welzijn (Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1990; hierna: “wet van 1990”),
kunnen sinds 1 januari 1991 zowel mannen als vrouwen ten vroegste met
pensioen gaan op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de
belanghebbende de leeftijd van 60 jaar bereikt.

7. Voor de berekening van het pensioen bepaalde de wet van 1990, dat het
recht op het rustpensioen per kalenderjaar werd verkregen naar rato van een
bij koninklijk besluit nr. 50 vastgestelde breuk van het loon van de
belanghebbende, en dat de noemer van deze breuk voor mannen 45 en voor
vrouwen 40 bleef.

8. Artikel 4, lid 1, van de richtlijn verbiedt iedere vorm van discriminatie
op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect, met betrekking tot de
berekening van de prestaties, waaronder begrepen de ouderdomsuitkeringen.

9. Artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn, op grond waarvan afwijkingen
van dat beginsel mogelijk zijn, bepaalt evenwel:

1. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten
om van haar werkingssfeer uit te sluiten:

a) de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de
toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen
voortvloeien voor andere prestaties;

10. In de zaak Van Cant, die geleid heeft tot het arrest van 1 juli 1993 (C-
154/92, Jurispr. blz. 1-3811), had de Arbeidsrechtbank te Antwerpen het Hof
gevraagd, of de wijze van berekening van het rustpensioen van mannelijke
gerechtigden, zoals uiteengezet, een discriminatie op grond van geslacht in
de zin van artikel 4 van de richtlijn opleverde.

11. In zijn arrest in die zaak overwoog het Hof (punt 13), dat ingeval een
nationale regeling het verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en
vrouwelijke werknemers heeft opgeheven – een feitelijke kwestie die ter
beoordeling van de nationale rechter staat -, artikel 7, lid 1, sub a, van
richtlijn 79/7 niet meer kan worden ingeroepen ter rechtvaardiging van de
handhaving van een verschil in de wijze van berekening van het rustpensioen,
dat samenhing met dat verschil in pensioenleeftijd.

12. In dat arrest verklaarde het Hof derhalve voor recht, dat de artikelen 4,
lid 1, en 7, lid 1, van de richtlijn zich ertegen verzetten, dat een
nationale wettelijke regeling die mannelijke en vrouwelijke werknemers
toestaat vanaf dezelfde leeftijd met pensioen te gaan, in de berekeningswijze
van het pensioen een verschil naar gelang van het geslacht handhaaft, dat
verband houdt met het in de vroegere wettelijke regeling bestaande verschil
in pensioenleeftijd.

13. In het onderhavige geval blijkt uit de stukken, dat de RVP Wolfs een
rustpensioen voor werknemers heeft toegekend van 109 026 BFR per jaar. Dat
pensioen is berekend op basis van een naar rato van zijn loopbaan berekende
breuk gelijk aan 13/45, waarbij de jaren 1955-1967 in aanmerking zijn
genomen. wolfs heeft België in 1968 verlaten.

14. Wolfs heeft bij de Arbeidsrechtbank te Brussel beroep ingesteld tot
nietigverklaring van de pensioenbeschikking van de RVP, waarbij hij onder
verwijzing naar het arrest Van Cant heeft gesteld, dat de berekeningswijze
voor het pensioen voor vrouwen, waarbij wordt uitgegaan van de 40 gunstigste
jaren van arbeid, tot een hoger pensioen zou leiden dan wat hem is toegekend.

15. In het kader van dat beroep heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de
behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen
voorgelegd:

“1) Geldt de uitsluiting bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn
79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 (betreffende de geleidelijke
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid) nog steeds voor een stelsel
van flexibele rustpensioenen dat door een lidstaat is ingesteld
overeenkomstig aanbeveling 82/857/EEG van de Raad van 10 december 1982
(betreffende de beginselen van een communautair beleid inzake de
pensioenleeftijd)(2), in die zin dat de vaststelling van een flexibele
pensioenleeftijd voor mannen en voor vrouwen, bij voorbeeld tussen 60 en 65
jaar, niet zonder meer kan worden gelijkgesteld met de vaststelling van een
voor iedereen identieke vertrekleeftijd en, zelfs zo daarbij een
verschillende wijze van berekening van het pensioen van mannen en vrouwen
wordt gehandhaafd, niet noodzakelijkerwijs in strijd is met het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zoals neergelegd in artikel 4, lid
1, van richtlijn 79/7/EEG, daar in een dergelijk stelsel elke toekomstige
gepensioneerde de mogelijkheid heeft vrij te bepalen, met inachtneming van
zijn loopbaan, wanneer hij met pensioen gaat; en dit in het bijzonder indien
de ingevoerde regeling beantwoordt aan een dwingende doelstelling van sociaal
beleid van de lidstaat en haar rechtvaardiging vindt in redenen die geen
verband houden met discriminatie op grond van geslacht?

2) Zo niet, legt dan de verwezenlijking van de doelstellingen van richtlijn
79/7/EEG en van aanbeveling 82/857/EEG, te weten de invoering van een
flexibele pensioenleeftijd voor iedereen en de gelijkheid van mannen en
vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, enerzijds, en de
gelijktijdige in aanmerkingneming van de formele gelijkheid en van de nog
bestaande reële discriminaties tussen mannen en vrouwen ter zake van de
wettelijke rustpensioenen, anderzijds, een Lid-Staat automatisch de
verplichting op, de voorwaarden voor toegang tot het rustpensioen naar
beneden toe gelijk te maken, door mannen en vrouwen naar keuze van de
belanghebbende recht op een rustpensioen toe te kennen vanaf de laagste
leeftijd en berekend op de wijze die tot dan toe gold voor de categorie die
al op die leeftijd recht op rustpensioen had; en dit ongeacht de gevolgen
daarvan voor het financiële evenwicht van pensioenstelsels die niet op basis
van die beginselen zijn ingevoerd?

3) Nog steeds indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet de
gunstigste oplossing voor de belanghebbende ingevolge het gemeenschapsrecht
voor de gehele loopbaan van de betrokkene gelden, of kan zij enkel worden
toegepast voor de jaren van de loopbaan van ofwel na de inwerkingtreding van
de wet waarbij de flexibele pensioenleeftijd is ingevoerd, ofwel na het
arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 1 juli
1993 in de zaak Van Cant/Rijksdienst voor Pensioenen?”

16. Bij brief van 12 mei 1997 heeft de verwijzende rechterlijke instantie het
Hof meegedeeld, dat de RVP bij het Arbeidshof te Brussel hoger beroep had
ingesteld tegen de beschikking van 22 april 1996 en met name had
geconcludeerd tot intrekking van de prejudiciële vragen. overeenkomstig het
advies van de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Brussel heeft het Hof
daarop de prejudiciële procedure geschorst.

17. Bij brief van 18 juni 1998 heeft de eerste voorzitter van het Arbeidshof
te Brussel het Hof verzocht de behandeling van de prejudiciële vragen voort
te zetten.

De eerste vraag

18. Met zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter, kort samengevat,
vernemen, of een pensioenregeling waarbij zowel mannen als vrouwen op de
leeftijd van 60 jaar met pensioen kunnen gaan, maar waarin de
berekeningswijze naar geslacht verschillend blijft, onder de uitzondering van
artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn valt.

19. Deze vraag komt inhoudelijk overeen met die welke in het arrest Van Cant
is onderzocht. In tussentijd heeft zich echter een nieuwe ontwikkeling
voorgedaan met betrekking tot het stelsel dat zowel ten tijde van het arrest
Van Cant als op het tijdstip van de verwijzing van de onderhavige zaak van
toepassing was.

20. Op 19 juni 1996, dus na de verwijzingsbeschikking, heeft het Belgische
parlement namelijk een wet tot interpretatie van de wet van 1990 vastgesteld
(Belgisch Staatsblad van 20 juli 1996, blz. 19579; hierna: “interpretatieve
wet”). Sedertdien wordt de wet van 1990 geacht, vanaf zijn inwerkingtreding
op 1 januari 1991 de strekking te hebben die er door de interpretatieve wet
aan wordt gegeven.

21. Volgens artikel 2 van de interpretatieve wet wordt voor de toepassing van
de artikelen 2, 1, 2, 3, en 3, 1, 2, 3, 5, 6, 7, van de wet van 1990
“onder het woord rustpensioen’ verstaan het vervangingsinkomen dat toegekend
wordt aan de gerechtigde die wordt geacht door ouderdom arbeidsongeschikt te
zijn geworden, welke toestand voor de mannelijke gerechtigden wordt geacht te
ontstaan op de leeftijd van 65 jaar en voor de vrouwelijke gerechtigden op de
leeftijd van 60 jaar.”

22. Voor een nuttig antwoord aan de nationale rechter moeten de bepalingen
van de richtlijn derhalve worden uitgelegd met het oog op de thans geldende
nationale voorschriften.

23. Daarbij moet erop worden gewezen, dat het Hof zich reeds in zijn arrest
van 30 april 1998, De Vriendt e.a. (C-377/96-C-384/96, Jurispr. blz. 1-2105),
hiermee heeft beziggehouden.

24. In punt 25 van dat arrest herinnerde het Hof eraan, dat volgens vaste
rechtspraak de in artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn geregelde
afwijking strikt moet worden uitgelegd (zie, onder meer, arrest van 30 maart
1993, Thomas e.a., C-328/91, Jurispr. blz. 1-1247, punt 8). wanneer een
lidstaat met toepassing van dat artikel voorziet in een voor mannen en
vrouwen verschillende pensioenleeftijd voor de toekenning van ouderdoms- en
rustpensioenen, is de werkingssfeer van de toegestane afwijking beperkt tot
de discriminaties die objectief en noodzakelijk verband houden met het
verschil in pensioenleeftijd (arrest Thomas e.a., reeds aangehaald, en arrest
van 19 oktober 1995, Richardson, C-137/94, Jurispr. blz. 1-3407, punt 18).
Indien daarentegen een nationale regeling het verschil in pensioenleeftijd
heeft opgeheven, mag de lidstaat geen verschil op grond van geslacht in de
wijze van berekening van het pensioen handhaven (arrest Van Cant, reeds
aangehaald, punt 13).

25. In punt 26 van het arrest De Vriendt e.a. merkte het Hof voorts op, dat
uit de aard van de in artikel 7, lid 1, van de richtlijn voorkomende
uitzonderingen kan worden afgeleid, dat de communautaire wetgever de
lidstaten heeft willen toestaan tijdelijk de aan vrouwen toegekende voordelen
op pensioengebied te handhaven, teneinde hen in staat te stellen hun
pensioenstelsels op dit punt geleidelijk aan te passen zonder het
ingewikkelde financiële evenwicht van die stelsels – een aspect dat niet kon
worden genegeerd – te verstoren (arrest van 7 juli 1992, Equal Opportunities
Commission, C-9/91, Jurispr. blz. 1-4297, punt 15).

26. Gelet op deze constateringen concludeerde het Hof in punt 27 van het
arrest De Vriendt e.a., dat dus moet worden vastgesteld, of de discriminatie
met betrekking tot de wijze van berekening van de rustpensioenen noodzakelijk
en objectief verband houdt met de handhaving van nationale bepalingen die de
pensioenleeftijd verschillend vaststellen naar gelang van het geslacht, en
derhalve onder de afwijking van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn
vallen.

27. Dienaangaande herinnerde het Hof in punt 28 van het arrest De Vriendt
e.a. eraan, dat blijkens punt 13 van het arrest Van Cant de vraag, of de
nationale regeling het verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en
vrouwelijke werknemers heeft gehandhaafd, een feitelijke kwestie is die ter
beoordeling van de nationale rechter staat.

28. Voor het geval dat dit verschil zou zijn gehandhaafd, merkte het Hof in
punt 29 van het arrest De Vriendt e.a. op, dat de vaststelling van de
leeftijd voor toekenning van het rustpensioen inderdaad bepalend is voor de
periode gedurende welke de betrokkenen bijdragen voor het pensioenstelsel
kunnen betalen.

29. Het Hof concludeerde in punt 30 van genoemd arrest, dat in een dergelijk
geval een discriminatie bij de berekening van de pensioenen, zoals die welke
uit de betrokken nationale wettelijke regeling voortvloeit, noodzakelijk en
objectief verband houdt met het verschil dat met betrekking tot de
pensioenleeftijd is gehandhaafd.

30. Gelet op het voorgaande, moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat
artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat
wanneer een nationale regeling een verschil in pensioenleeftijd tussen
mannelijke en vrouwelijke werknemers heeft gehandhaafd, de betrokken lidstaat
het bedrag van het pensioen verschillend mag berekenen naar gelang van het
geslacht van de werknemer.

De tweede en de derde vraag

31. Daar de tweede en de derde vraag slechts zijn gesteld voor het geval dat
de eerste ontkennend zou worden beantwoord, kunnen zij onbesproken blijven.

Kosten

32. De kosten door de Belgische regering en de Commissie wegens indiening van
hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in
aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de
procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale
rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Brussel bij beschikking
van 22 april 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december
1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale
zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een nationale regeling
een verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers
heeft gehandhaafd, de betrokken lidstaat het bedrag van het pensioen
verschillend mag berekenen naar gelang van het geslacht van de werknemer.

Rechters

P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, G.F. Mancini, J. L. Murray, H. Ragnemalm(rapporteur) en R. Schintgen, rechters, advocaat-generaal: M. B. Elmergriffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 oktober 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een man woont samen met zijn mannelijke partner. De werkgever van de man
heeft een regeling getroffen ten behoeve van haar werknemers die door de
inwerkingtreding van de Anw financieel benadeeld worden. De man kan niet
profiteren van deze regeling. Hij is van mening dat het bedrijf hierdoor
onderscheid naar burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid maakt.
Volgens artikel 5, lid 6, Awgb is onderscheid op grond van burgerlijke staat
bij pensioenvoorzieningen toegestaan. De Commissie stelt vast dat deze
uitzondering in de Awgb is opgenomen om de pensioenfondsen de gelegenheid te
geven de premies en de franchises aan te passen. De Commissie is van oordeel
dat in dit geval geen sprake is van een overgangssituatie zoals hiervoor is
weergegeven. Het bedrijf heeft eerst na de inwerkingtreding van de Awgb een
nabestaandenpensioenregeling tot stand gebracht. Van een situatie waarin
premies en franchises moeten worden aangepast en nadere voorzieningen moeten
worden gecreëerd is derhalve geen sprake. Het bedrijf maakt daarmee direct
onderscheid naar burgerlijke staat. De Commissie is van oordeel dat gelet op
de ratio van artikel 5, zesde lid Awgb onder deze omstandigheden geen beroep
op deze uitzondering mogelijk is.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 25 september 1996 verzocht de heer …. te Tilburg (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over
de vraag of …. te Den Haag (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid
maakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker woont samen met zijn mannelijke partner. Verzoekers partner
zou op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) na het overlijden van
verzoeker voor zijn 65e levensjaar niet voor een uitkering in aanmerking
komen. De wederpartij, verzoekers werkgever, heeft een regeling getroffen ten
behoeve van haar werknemers die door de inwerkingtreding van de Algemene
nabestaandenwet (Anw) financieel benadeeld worden. Verzoeker kan van deze
regeling niet profiteren. Verzoeker is van mening dat de wederpartij daarmee
onderscheid naar burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid maakt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht.

Vervolgens heeft de Commissie partijen uitgenodigd hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 1 juli 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig

van de kant van verzoeker
– dhr. …. (verzoeker)
– dhr. …. (partner van verzoeker)

van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. R.A.A. Duk (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. De Commissie heeft naar aanleiding van de zitting besloten de zaak
-evenals alle andere bij haar in behandeling zijnde partnerpensioenzaken- aan
te houden voor een diepgaander onderzoek. De reden hiervoor was gelegen in de
omstandigheid dat de partnerpensioenproblematiek in beweging is sinds de
oordelen van de Commissie d.d. 23 november 1995
ÃNOOT 1#4#1Ž.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Tot 1 juli 1996 was de AWW van kracht. Op grond van deze wet kwamen
gehuwden na het overlijden van hun partner voor een uitkering in aanmerking.
Deze uitkering was niet afhankelijk van het eventuele inkomen van de
nabestaande.

Sinds 1 juli 1996 is de Anw van kracht. Op grond van deze wet kunnen de
volgende categorieën personen voor een nabestaandenpensioen in aanmerking
komen:
– nabestaanden met een kind jonger dan 18 jaar;
– nabestaanden die zijn geboren voor 1 januari 1950;
– nabestaanden die tenminste 45% arbeidsongeschikt zijn.

De hoogte van de uitkering is afhankelijk van het inkomen van de nabestaande.
Inkomen uit arbeid wordt op de Anw in mindering gebracht.

Anders dan de AWW maakt de Anw geen onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd
samenwonenden. Beide categorieën kunnen aanspraak op nabestaandenpensioen
maken.

Voor nabestaanden geboren tussen 1 januari 1950 en 1 juli 1956 geldt een
overgangsregeling. Zij hebben recht op een uitkering als zij gehuwd waren en
als het overlijden plaatsvindt voor 1 juli 1999. De hoogte van de uitkering
is afhankelijk van het inkomen van de nabestaande.

De situatie waarin iemand op grond van de AWW wel en op grond van de Anw niet
voor nabestaandenpensioen in aanmerking komt en de situatie waarin de
uitkering ingevolge de Anw lager is dan ingevolge de AWW wordt aangeduid als
het ‘Anw-gat’.

3.2. De wederpartij heeft haar werknemers de mogelijkheid gegeven zich tegen
de financiële gevolgen van de invoering van de Anw te verzekeren. De premie
bedraagt 1,2% van het maandinkomen over een bedrag van maximaal ƒ 33.800 per
jaar. Van deze premie neemt de wederpartij 0,4% voor haar rekening.

De verzekering maakt onderdeel uit van de reglementen van het
bedrijfspensioenfonds. Deelname aan het pensioenfonds is verplicht. Dit geldt
echter niet voor bovengenoemde verzekering. Aangezien de Anw niet voor alle
medewerkers van de wederpartij een verslechtering inhoudt, is hen de
mogelijkheid gegeven om van deelname aan de verzekering af te zien.

3.3. Verzoeker is werknemer bij de wederpartij. Hij woont samen met zijn
mannelijke partner. Op grond van de AWW zou zijn partner niet voor
nabestaandenpensioen in aanmerking zijn gekomen, wanneer verzoeker was
overleden. Op grond van de Anw kan zijn partner evenmin aanspraak maken op
nabestaandenpensioen. Bij verzoeker is dus geen sprake van een Anw-gat.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoeker stelt het volgende.

De door de wederpartij aangeboden regeling ter compensatie van het Anw-gat
biedt alleen voordeel aan gehuwden. De wederpartij maakt daarmee indirect
onderscheid tussen gehuwden en andere samenlevingsvormen, in het bijzonder
samenlevers van hetzelfde geslacht. Het onderscheid dat uit de AWW
voortvloeide en dat door de wetgever in de Anw ongedaan is gemaakt, wordt op
deze manier door de wederpartij in stand gehouden. De wederpartij had gelijke
behandeling tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden kunnen bewerkstelligen
door ook voor laatstgenoemden een partnerpensioenregeling in het leven te
roepen. Door slechts voor gehuwden een voorziening te treffen maakt de
wederpartij onderscheid naar burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid en
handelt aldus in strijd met de AWGB.
De in artikel 5 lid 6 AWGB genoemde uitzondering is in deze situatie niet van
toepassing. Deze uitzondering heeft alleen betrekking op situaties die reeds
bestonden toen de AWGB in werking trad.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.

Verzoeker klaagt over een tijdelijke regeling die op aandrang van de
vakbonden in het leven is geroepen om voor gehuwden de nadelige gevolgen van
de Anw te verzachten. Het is de bedoeling om hiermee de bestaande situatie in
stand te houden en om van daaruit een nieuwe regeling tot stand te brengen.

Daarmee wordt onderscheid gemaakt naar burgerlijke staat. Dit onderscheid
vloeit echter voort uit het feit dat de invoering van de Anw uitsluitend
nadelige gevolgen heeft voor gehuwden. Voor ongehuwd samenwonenden is er
sprake van een verbetering.

Omdat de regeling niet voor alle werknemers van de wederpartij voordeel
oplevert heeft de wederpartij de mogelijkheid geschapen om van deelname af te
zien. De wederpartij handelt hiermee niet in strijd met de AWGB. Ingevolge
artikel 5 lid 6 AWGB is het maken van onderscheid op grond van burgerlijke
staat immers toegestaan.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij, door een verzekering aan te
bieden ter compensatie van de financiële gevolgen van het ‘Anw-gat’,
onderscheid heeft gemaakt op grond van burgerlijke staat of homoseksuele
gerichtheid als bedoeld in de AWGB.

4.2. Artikel 5, eerste lid, onderdeel d, AWGB verbiedt in samenhang met
artikel 1 AWGB onder meer het maken van onderscheid naar burgerlijke staat en
homoseksuele gerichtheid bij de arbeidsvoorwaarden.

In artikel 5, zesde lid, AWGB wordt bepaald dat het eerste lid, onderdeel d,
van dit artikel niet van toepassing is op onderscheid op grond van
burgerlijke staat, voor zover het betreft pensioenvoorzieningen.

Artikel 1 bepaalt dat onder onderscheid zowel direct als indirect onderscheid
begrepen wordt. Direct onderscheid is onderscheid waarbij rechtstreeks wordt
verwezen naar een van de in de wet genoemde discriminatiegronden. Indirect
onderscheid op grond van burgerlijke staat of homoseksuele gerichtheid is
onderscheid, dat op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan
burgerlijke staat of homoseksuele gerichtheid direct onderscheid op een van
die gronden tot gevolg heeft.

In artikel 2, eerste lid, AWGB is bepaald dat het in de wet neergelegde
verbod van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat
objectief gerechtvaardigd is.

4.3. De Commissie stelt vast dat de wederpartij door haar werknemers een
voorziening aan te bieden ter compensatie van het Anw-gat een regeling in het
leven heeft geroepen, die uitsluitend voordelen oplevert voor gehuwden.
Immers, slechts gehuwden konden profiteren van de voorzieningen op grond van
de AWW. Doordat de AWW is vervangen door de voor een deel van de gehuwden
minder gunstige Anw, is een deel van de gehuwden in een minder gunstige
situatie terecht gekomen. Deze minder gunstige situatie wordt aangeduid als
het ‘Anw-gat’. Door een voorziening aan te bieden die slechts voordelen
oplevert voor haar gehuwde werknemers maakt de wederpartij direct onderscheid
naar burgerlijke staat.

4.4. Op grond van artikel 5, zesde lid, AWGB is het maken van onderscheid bij
de arbeidsvoorwaarden niet verboden voor zover het pensioenvoorzieningen
betreft. Verzoeker heeft evenwel aangevoerd dat lid 6 in dit geval niet van
toepassing is, nu het een pensioenvoorziening betreft die na de
totstandkoming van de AWGB in het leven is geroepen.

De Commissie stelt vast dat de uitzondering van lid 6 in de AWGB is opgenomen
om te voorkomen dat pensioenfondsen, voordat de algemene herstructurering van
de wettelijke pensioenvoorzieningen zou zijn voltooid, nabestaandenpensioen
zouden moeten uitkeren aan ongehuwd samenwonenden. ÃNOOT 2#4#2Ž Doordat er bij de
vaststelling van de premies voor nabestaandenpensioen geen rekening mee is
gehouden dat ongehuwd samenwonenden een beroep op deze voorziening zouden
kunnen doen, zouden de pensioenfondsen hierdoor in financiële problemen
kunnen komen. Daarnaast hebben de pensioenfondsen tijd nodig om de franchises
aan te passen. Daarom is aan de pensioenfondsen een overgangstermijn gegeven
tot 1 januari 2000 om hiervoor voorzieningen te treffen.

De Commissie is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een
overgangssituatie zoals hiervoor is weergegeven. Bij de wederpartij bestond
geen nabestaandenpensioenregeling. Deze is eerst na de inwerkingtreding van
de AWGB totstandgebracht. Van een situatie waarin premies en franchises
moeten worden aangepast en nadere voorzieningen moeten worden gecreëerd was
derhalve geen sprake. De wederpartij heeft er -ter beperking van de nadelige
gevolgen van de Anw- voor gekozen een regeling in het leven te roepen die
slechts ten voordele van een deel van haar werknemers -namelijk de gehuwden-
strekt. De wederpartij heeft daarmee een onderscheid, dat door de wetgever
met de inwerkingtreding van de Anw ongedaan is gemaakt, in het leven
geroepen. De Commissie is van oordeel dat de wederpartij gelet op de ratio
van artikel 5, zesde lid, AWGB onder deze omstandigheden geen beroep op deze
uitzondering toekomt en derhalve in strijd handelt met de AWGB.

4.5. Ten aanzien van het door verzoekers tevens gestelde onderscheid op grond
van homoseksuele gerichtheid overweegt de Commissie het volgende.

De regeling waarover verzoeker klaagt benadeelt niet alleen werknemers met
een homoseksuele gerichtheid, maar ook paren met een heteroseksuele
gerichtheid. Dit leidt tot de conclusie dat de homoseksuele gerichtheid niet
de grond vormt voor het verschil in behandeling. De Commissie is derhalve van
oordeel dat er geen sprake is van direct onderscheid op grond van
homoseksuele gerichtheid.

Vervolgens dient te worden onderzocht of er sprake is van indirect
onderscheid naar homoseksuele gerichtheid. In 4.3 is reeds geconcludeerd dat
de wederpartij direct onderscheid maakt naar burgerlijke staat. De Commissie
heeft eerder geoordeeld dat direct onderscheid op grond van een wettelijke
discriminatiegrond tevens indirect onderscheid op grond van een andere
wettelijke discriminatiegrond kan opleveren ÃNOOT 3#4#3Ž.
Van indirect onderscheid is sprake indien homoseksueel gerichte werknemers
met een samenlevingsverband relatief zwaarder getroffen worden dan
heteroseksueel gerichte werknemers met een samenlevingsverband.

De Commissie stelt vast dat in dit geval van de homoseksueel gerichte
werknemers die met een partner samenwonen een ieder wordt getroffen. Van de
heteroseksueel gerichte werknemers die met een partner samenwonen, wordt niet
een ieder getroffen. Immers, de gehuwden kunnen wel van de regeling
profiteren. Gezien de omstandigheid dat homoseksueel gerichte werknemers niet
de mogelijkheid hadden om met hun partner te huwen of anderszins een
vergelijkbare rechtspositie te creëren, werden zij onevenredig door het
voornoemde vereiste getroffen.

De Commissie merkt hierbij op dat dit onderscheid per 1 januari 1998 in elk
geval niet meer is toegestaan bij homoseksueel gerichte partners die hun
samenleving hebben laten registreren ingevolge de invoering van het wettelijk
geregistreerd partnerschap ÃNOOT 4#4#4Ž. De rechtsbescherming van deze regeling treedt in
vanaf het moment van registreren en komt geen terugwerkende kracht toe. Met
de inwerkingtreding van de bepalingen over het geregistreerd partnerschap is
tevens de ongelijke behandeling vanwege het huwelijksbeletsel voor
homoseksuelen, zoals dat zich voordoet in het onderhavige geval, komen te
vervallen. Op grond hiervan stelt de Commissie vast dat het bestreden
handelen na 1 januari 1998 geen indirect onderscheid (meer) op grond van
homoseksuele gerichtheid inhoudt.

Vervolgens rijst de vraag of tot 1 januari 1998 voor het indirecte
onderscheid naar homoseksuele gerichtheid objectieve rechtvaardigingsgronden
aanwezig zijn. De Commissie overweegt dat zij hiervoor onder 4.3. reeds heeft
geoordeeld dat sprake is van direct onderscheid op grond van burgerlijke
staat als bedoeld in de AWGB. Aangezien de personen die getroffen kunnen
worden door indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid een
deelverzameling vormen van de groep die in casu beschermd wordt door het
verbod van direct onderscheid naar burgerlijke staat, is de Commissie van
oordeel dat nader onderzoek naar een objectieve rechtvaardigingsgrond
achterwege dient te blijven. Het verboden directe onderscheid jegens een door
de wet beschermde groep sluit namelijk bij gelijke feiten en omstandigheden
een objectieve rechtvaardiging van indirect onderscheid jegens die groep op
een andere grond uit.

De Commissie is van oordeel dat de wederpartij jegens verzoeker tot 1 januari
1998 indirect onderscheid naar homoseksuele gerichtheid maakt zoals verboden
in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, AWGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat …. te Den Haag jegens de heer
…. te Tilburg:

– direct onderscheid op grond van burgerlijke staat maakt als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, onderdeel d van de Algemene wet gelijke behandeling en
derhalve in strijd met deze wet handelt;
– tot 1 januari 1998 indirect onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid maakt als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d van de
Algemene wet gelijke behandeling en derhalve tot voornoemde datum in strijd
heeft gehandeld met deze wet.

Aldus vastgesteld op 19 oktober 1998.

mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck
Kamervoorzitter

mr. D. Jongsma
secretaris Kamer

OORDEEL 98-115
@@TNT=
[NOOT_1]
Commissie gelijke behandeling, 23 november 1995, oordelen 95-41, 95-42,
95-50, 95-51 en 95-52.
[NOOT_2]
Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 123,
nr. 8, pag. 5.
[NOOT_3]
Zie onder andere Commissie gelijke behandeling, 23 november 1995, oordeel
95-50.
[NOOT_4]
Staatsblad 1997, 324.

Rechters

Mrs Timmerman-Buck, Moerings, Van Veen

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage z.p. Haarlem, 16 oktober 1998

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage z.p. Haarlem

Samenvatting


De Nigeriaanse vrouw werkte als huishoudster. Leden van de SSS waren op zoek
naar haar bazin in verband met verdenking op grond van heling maar omdat deze
niet aanwezig is wordt de huishoudster meegenomen. Tijdens haar detentie is
de vrouw meerdere malen mishandeld en verkracht door agenten. Zij heeft
kunnen ontsnappen met behulp van een leidinggevende. De staatssecretaris
heeft haar verzoek afgedaan als kennelijk ongegrond, niet omdat getwijfeld
wordt aan de plaatsgevonden mishandelingen en verkrachtingen maar omdat de
verklaring omtrent de ontsnapping niet geloofwaardig zou zijn. De rechter
oordeelt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de
vrouw niet het reële risico loopt te worden blootgesteld aan een onmenselijke
of vernederende behandeling. De conclusie dat dit niet zal gebeuren, is
slechts gebaseerd op de aanname dat betrokken op officiële wijze is
vrijgelaten. Dit had zij beter moeten toetsen. Ten aanzien van het niet
toepassen van het traumatabeleid overweegt de president dat bij deze stand
van zaken in het midden kan blijven of verweerder, gegeven het feit dat hij
aannemelijk acht dat verzoekster is mishandeld en tot zeven maal toe is
verkracht, verzoekster zonder nader onderzoek een vergunning tot verblijf op
grond van het zogenaamde traumata-beleid heeft kunnen weigeren.

Volledige tekst

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verzoekster, geboren op (…) heeft de (…) nationaliteit. Zij
verblijft sedert
6 oktober 1998 in Nederland. Op diezelfde dag heeft zij een aanvraag
ingediend om toelating als vluchteling. Bij beschikking van 6 oktober 1998 is
zij op grond van artikel 7a, tweede en derde lid, Vw geplaatst in het
Aanmeldcentrum Schiphol. Bij beschikking van 7 oktober 1998, aan verzoekster
in het aanmeldcentrum te Schiphol uitgereikt op gelijke datum, heeft
verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens
de kennelijke ongegrondheid daarvan. De beschikking strekt tevens tot het
niet verlenen van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen
van humanitaire aard. De ten aanzien van verzoekster toegepaste
vrijheidsontnemende maatregel van artikel 7a Vw is in de bestreden
beschikking gehandhaafd en wordt thans in de (…) ten uitvoergelegd.
Verzoekster heeft op 8 oktober 1998 tegen de niet-inwilliging van de aanvraag
om toelating als vluchteling en het niet verlenen van een vergunning tot
verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard beroep bij deze
rechtbank ingesteld. Verweerder heeft bepaald dat uitzetting gedurende de
periode dat het beroep aanhangig is, niet achterwege zal blijven. Verzoekster
dreigt op korte termijn uit Nederland te worden verwijderd.

1.2 Bij verzoekschrift van 8 oktober 1998 heeft verzoekster de president van
‘de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot
schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te
laten, totdat in beroep is beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking
hebbende stukken ingezonden en in zijn verweer geconcludeerd tot afwijzing
van het verzoek met toepassing van artikel 8:86 Awb.
1.3. Bij beroepschrift d.d. 3 oktober 1998, ter griffie van deze rechtbank
ontvangen op gelijke datum, heeft verzoekster beroep ingesteld tegen de
opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt tevens tot
toekenning van schadevergoeding

1.4. De openbare behandeling van deze geschillen heeft gezamenlijk
plaatsgevonden op 14 oktober 1998. Ter zitting hebben verzoekster en
verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.
Verzoekster is ter zitting gehoord.

2. Overwegingen

In de voorlopige voorziening

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de
rechtbank beroep is ingesteld de president van de rechtbank die bevoegd is in
de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde
spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2.Verzoekster legt aan haar aanvraag en het onderhavige verzoek nog slechts
ten grondslag dat zij in aanmerking komt voor verlening van een
verblijfsvergunning op grond van artikel 3 EVRM, danwel wegens overige
klemmende redenen van humanitaire aard en beoogt met dit verzoek haar
uitzetting hangende het verdere onderzoek in de bodemprocedure te voorkomen.
Ter zitting heeft zij namelijk verklaard niet langer aanspraak te willen
maken op de vluchtelingenstatus.

2.3. Uitzetting dient achterwege te blijven indien verzoeksters beroep tegen
de weigering haar een verblijfsvergunning te verlenen een redelijke kans van
slagen heeft. In dat geval dient uitzetting achterwege te blijven. Voorts
dient uitzetting achterwege te blijven ingeval deze anderszins in strijd is
met het recht.

2.4 De in het aanmeldcentrum aanwezige rechtshulpverlener van verzoekster
heeft geen
gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot correcties en aanvullingen op het
nader gehoor.

2.5 Ter ondersteuning van het verzoek heeft verzoekster – samengevat – het
volgende naar
voren gebracht. Verzoekster behoort tot … en is Christen. Verzoekster is op
enig moment na het overlijden van haar vader, acht jaar geleden, bij ….
gaan wonen. Deze vrouw financierde aanvankelijk haar opleiding. Later deed
zij dit niet meer en werkte verzoekster als huishoudster voor haar. Voorts
hielp verzoekster in de winkel van …. Ongeveer twee weken voor haar komst
naar Nederland kwamen leden van de SSS naar de winkel. Zij vroegen naar …,
die op dat moment niet aanwezig was. Verzoekster is met deze personen naar
huis gegaan en … ook daar niet aanwezig bleek is verzoekster door leden van
de SSS meegenomen en vastgezet. Verzoekster bleek te zijn vastgezet omdat …
werd verdacht van heling van goederen uit woning van …. (verdacht van
poging tot staatsgreep) en zou vastgehouden worden totdat … zich zou
melden. Verzoekster heeft verklaard niet te weten waar …. was.

Verzoekster is tijdens haar detentie mishandeld en meermalen verkracht, in
totaal ongeveer zeven keer, soms door meerdere agenten tegelijk. In
gevangenschap kwam verzoekster in contact met iemand van de CD die op bezoek
kwam bij verzoeksters medegevangenen. Naar aanleiding van dit contact is
verzoekster, in detentie, lid geworden van de CD. Via deze persoon is
verzoekster vervolgens in contact gekomen met ene … die ook werkte op het
bureau van DMI en volgens verzoekster een leidinggevende functie had. Van
…. vernam verzoekster dat zij zouden blijven vastzitten zolang zij … niet
kon aangeven en dat het raadszaam was het land te verlaten. Verzoekster is,
nadat zij naar een ander bureau was overgebracht, met … uit het bureau
gelopen. Verzoekster verbleef een nacht in een woning waar … haar naartoe
had gebracht. De volgende avond is verzoekster door …. naar het vliegveld
gebracht en is zij, verkleed als schoonmaakster, langs de douane geleid.
Verzoekster was nimmer in het bezit van een paspoort. Zij heeft … niets
hoeven betalen. …. was uit dezelfde plaats afkomstig als verzoekster en
mede daarom wilde hij verzoekster helpen.

2.6 Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

De president oordeelt als volgt.

2.7 Gelet op de uiterst korte termijn die verweerder zich in het zogenaamde
AC-model
gesteld heeft om op een asielverzoek een beslissing te nemen, zal voor
afdoening volgens dat model zich slechts een beperkt aantal zaken lenen,
namelijk die waarin het asielverzoek, gelet op zijn inhoud en behandeling,
binnen die korte termijn met de in de AC-procedure benodigde zorgvuldigheid
van voorbereiding kon worden afgehandeld. De vraag of in casu sprake is van
een dergelijk verzoek, wordt in het onderstaande (ontkennend) beantwoord.

2.8 Blijkens de bestreden beschikking heeft verweerder verzoeksters
asielaanvraag
kennelijk ongegrond geacht, niet omdat hij twijfelt aan haar verklaringen
over (de aanleiding van) haar detentie en de wijze waarop zij gedurende haar
gevangenschap zou zijn behandeld, maar omdat hij haar verklaringen over haar
ontsnapping daaruit (met behulp van een vermoedelijk leidinggevende en zonder
betaling) ongeloofwaardig, want niet aannemelijk (lees: onwaarschijnlijk),
acht. Verweerder acht het blijkens zijn beschikking veeleer aannemelijk dat
verzoekster op officiële wijze in vrijheid is gesteld. Omdat verzoekster
tijdens haar gevangenschap niet voor een rechtbank is geleid acht verweerder
voorts niet aannemelijk dat verzoekster na terugkeer opnieuw gedetineerd zal
worden, zoals zij stelt te vrezen. Die vrees is immers slechts louter
gebaseerd op niet nader onderbouwde vermoedens, aldus nog steeds de
beschikking. Het is op dezelfde gronden dat verweerder heeft overwogen dat er
geen sprake van is dat verzoekster bij terugkeer naar Nigeria een bijzonder
risico loopt op een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.
Tenslotte heeft verweerder haar verklaringen niet “van dien aard”geacht dat
van verzoekster als gevolg van traumatische ervaringen in redelijkheid niet
kan worden verwacht dat zij terugkeert naar X.

2.9 De president stelt voorop dat niet in geschil is dat de wijze waarop
verzoekster stelt in
detentie te zijn bejegend (mishandeling, daaronder meervoudige verkrachting
begrepen), valt onder het beschermingsbereik van artikel 3 EVRM dat – kort
gezegd – onmenselijke en/of vernederende behandeling verbiedt. Verzoekster
stelt bang te zijn dat zij opnieuw zal worden gedetineerd zolang X. niet zal
zijn gevonden.

2.10 Met verzoekster is de president van oordeel dat verweerder (met
voormelde overwegingen) niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom verzoekster
bij terugkeer niet het
reële risico zou lopen te worden blootgesteld aan de door voormelde
verdragsbepaling verboden gedragingen, zoals verzoekster stelt te vrezen.
Naar ter zitting nader is toegelicht, heeft verweerder zich immers op het
standpunt gesteld dat verzoekster niet het risico loopt opnieuw gevangen
genomen (en vervolgens mishandeld) te worden juist omdat zij op officiële
wijze is vrijgelaten. Die conclusie is echter kennelijk slechts hierop
gebaseerd dat het niet waarschijnlijk is dat verzoekster daadwerkelijk op de
door haar gestelde wijze is ontsnapt. Juist nu verweerder kennelijk geen
aanleiding heeft gezien om aan verzoeksters relaas te twijfelen waar het de
gestelde detentie en mishandeling betreft, had het – mede gelet op de ernst
van die mishandeling – op verweerders weg gelegen om – wellicht aan de hand
van nadere vraagstelling- zijn speculaties over de wijze waarop verzoekster
in werkelijkheid zou zijn vrijgekomen te toetsen alvorens verzoeksters
toedracht als ongeloofwaardig want onwaarschijnlijk te verwerpen. Die nadere
vraagstelling had dan overigens mede dienstig kunnen zijn aan het wegnemen
van daarnaast mogelijk nog bij verweerder levende twijfels.

2.11 Een en ander brengt met zich mee dat de bestreden beschikking niet
zorgvuldig is voorbereid, althans een deugdelijke motivering ontbeert.
Blijkbaar was de zaak niet van een gehalte als bedoeld in r.o. 2.7.. Hieruit
moet worden afgeleid, dat het beroepschrift tot vernietiging van de bestreden
beschikking zal leiden. De gevraagde voorziening zou kunnen worden
toegewezen.

2.12 Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of verweerder,
gegeven het feit dat hij aannemelijk acht dat verzoekster is mishandeld en
tot zeven maal toe is verkracht, verzoekster zonder nader onderzoek een
vergunning tot verblijf op grond van het zogenaamde traumata-beleid heeft
kunnen weigeren.

In het beroep

2.13. Nu niet is gebleken dat nader onderzoek in de bodemprocedure
redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, bestaat in dit
geval aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 8:86 Awb.
Het beroep zal gegrond worden verklaard.

2.14. Met de hierna uit te spreken vernietiging van de beschikking van 7
oktober 1998 kan ten aanzien van verzoekster het bepaalde in hoofdstuk
A6/4.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 1994 van toepassing worden geacht,
zodat zij de hernieuwde beslissing op haar aanvraag in Nederland zal mogen
afwachten. Derhalve heeft verzoekster geen belang meer bij toewijzing van de
gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

2.15. In dit geval ziet de president aanleiding verweerder in de hoofdzaak
met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door
verzoekster gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het bepaalde in
het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het
bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 1.420 (1 punt voor het
beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor l).
Aangezien ten behoeve van verzoekster een toevoeging, is verleend krachtens
de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75
Awb de betaling, van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

2.16. De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82,
vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoekster het zowel voor de
hoofdzaak als voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde
griffierecht ad telkens ƒ 50 zal vergoeden.

In het beroep ex artikel 34a Vw

217. ingevolge artikel 7a Vw is verweerder bevoegd een vreemdeling die
Nederland is binnengekomen aan boord van een schip of luchtvaartuig en aan
wie verdere toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als
bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij
zich dient op te houden, tenzij zijn vertrek daaruit nodig is om zich buiten
Nederland te begeven.

2.18. Ter uitvoering in het kader van de AC procedure van deze (per 1 juli
1998 gewijzigde) wettelijke bepaling heeft verweerder nadere beleidsregels
vastgesteld, die criteria voor de toepassing bevatten en die zijn vastgelegd
in het Tussentijdse Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1998/15 d.d. 24
juni 1998, Gepubliceerd in de Staatscourant 1998 nr 120, pag 12.

2.19. Ingevolge het bepaalde in artikel 34a Vw dient te worden beoordeeld of
de maatregel overeenkomstig de wet is toegepast en of toepassing van de
maatregel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid
gerechtvaardigd is te achten.

2.20. Blijkens de wetsgeschiedenis is met de wijziging van artikel 7a Vw in
de Leemtewet beoogd de situatie van vóór de wijziging van de Vreemdelingenwet
op 1 januari 1994 te herstellen, toen de toepassingsmogelijkheden van dit
artikel niet beperkt waren tot de periode, waarin de asielzoeker in
afwachting was van de beslissing op zijn aanvraag. Het toepassingsbereik van
artikel 7a Vw is ten opzichte van de situatie vóór 1 juli 1998 dus
toegenomen.

2.21. De bepaling en haar totstandkomingsgeschiedenis bieden geen
aanknopingspunten om aan te nemen dat thans zwaardere eisen aan de
(motivering van) de oplegging van de maatregel worden gesteld dan tot nog toe
het geval was, Dit neemt niet weg dat artikel 7a Vw, evenmin als dit vóór 1
juli 1998 het geval was, niet tot vrijheidsontneming verplicht, zodat het
bestuursorgaan de toepassing in individuele gevallen moet verantwoorden.

2.22. Nu in hantering van de bevoegdheid ex artikel 7a Vw is voorzien middels
formulering van criteria, neergelegd in bovengenoemde TBV, kan ter motivering
in beginsel worden volstaan met verwijzing naar een of meer van die criteria.
Wel moet in het concrete geval steeds worden nagegaan of er sprake is van
zodanig bijzondere omstandigheden dat een meer toegespitste motivering
geboden is, dan wel aanleiding bestaat van voortzetting van de oplegging van
de maatregel af te zien, aangezien in dit individuele geval de belangen van
de betrokken asielzoeker bij het achterwege laten van de maatregel moeten
prevaleren.

2.23 De rechtbank vat het gedane beroep ex artikel 34a Vw aldus op dat dit
zich zowel richt tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel als
tegen de beslissing tot handhaving daarvan zoals vervat in de afwijzende
beslissing op het asielverzoek.

2.24 Niet is gesteld noch gebleken dat de oplegging van de maatregel
onrechtmatig is geweest.

2.25 Ten aanzien van de voortzetting van de maatregel na het nemen van de
beslissing op de aanvraag, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder
heeft de voortzetting van de toepassing van artikel 7a, tweede juncto derde
lid na de beslissing op de aanvraag gemotiveerd door verwijzing naar het in
de TBV vermelde criterium dat de asielaanvraag binnen de AC-procedure als
kennelijk ongegrond kan worden afgedaan.

2.26 Nu blijkens het hiervoor overwogene aan voormeld criterium niet is
voldaan moet worden geoordeeld dat de grond voor voortgezette toepassing van
de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw,
ontbreekt. Het beroep ex artikel 34a Vw voor zover gericht tegen de
voortduring van deze maatregel na de beslissing op de aanvraag is derhalve
gegrond.

2.27 Omtrent de toekenning van schadevergoeding wordt als volgt overwogen. Nu
de toepassing van de maatregel van artikel 7a, tweede en derde lid, Vw vanaf
7 oktober onrechtmatig is geweest. wordt, gelet op het in het Grenshospitium
geldende regime, een schadevergoeding toegekend van ƒ 100.– per dag over
tien dagen.

2.28 In het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel zal verweerder
worden veroordeeld in de proceskosten, gesteld op ƒ 710 (1 punt voor het
beroepschrift).

3. Beslissing

De funderend president:

3.1. verklaart het beroep gegrond:

3.2 vernietigt de bestreden beschikking van 7 oktober 1998;

3.3 draagt verweerder op een nieuwe beschikking te nemen op de aanvraag van 6
oktober 1998 met doorverwijzing van verzoekster naar een onderzoeks- en
opvangcentrum overeenkomstig hoofdstuk B7/6 Vc 1994;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420 onder aanwijzing van
de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier
van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.6 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door verzoekster betaalde griffierecht ad tweemaal ƒ 50.

De rechtbank:

3.7 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ex
artikel 7a, tweede en derde lid, Vw gegrond en beveelt de opheffing van de
maatregel van de vreemdeling met ingang van 16 oktober 1998:

3.8. wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding toe;

3.9 kent aan de vreemdeling ten laste van de Staat (Ministerie van Justitie)
een vergoeding, toe van ƒ 1.000 (zegge: éénduizend), uit te betalen door de
griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem;

3.10 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 710,:–, onder aanwijzing
van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon, die deze kosten aan de
griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem moet voldoen.

Rechters

Mr Grosheide

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 16 oktober 1998

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Een in Nederland wonende vrouw van Pakistaanse afkomst verzoekt tot
nietigverklaring van het huwelijk dat in 1996 in Pakistan tussen haar en een
in Pakistan wonende man is gesloten op de grond dat het onder invloed van
onrechtmatige ernstige bedreiging is gesloten. Zowel de Rechtbank Maastricht
als het Hof ‘s-Hertogenbosch, in beroep, hebben het verzoek afgewezen. De
Hoge Raad oordeelt dat de omstandigheid dat het huwelijk mogelijk hier te
lande niet kan worden erkend noch onverenigbaarheid met de Nederlandse
openbare orde grond opleveren voor nietigverklaring van het huwelijk. Het Hof
heeft kennelijk terecht kunnen besluiten dat de vrouw niet aan een
onaanvaardbare onrechtmatige druk blootstond om het huwelijk te sluiten.

Volledige tekst

3.2 Bij een op 2 september 1996 ingediend verzoekschrift heeft de vrouw zich
gewend tot de Rechtbank met het verzoek het huwelijk nietig te verklaren, nu
dit onder invloed van een onrechtmatige ernstige bedreiging was gesloten.
Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij in 1995, toen zij 20 jaar oud was,
ernstig onder druk is gezet om de huwelijksovereenkomst te ondertekenen, dat
haar vader haar toen heeft gedreigd dat hij haar, indien zij de overeenkomst
niet zou ondertekenen, naar Pakistan zou zenden, alwaar zij alsnog zou worden
uitgehuwelijkt, en dat zij onder die druk, wetende dat haar vader, indien zij
zou weigeren de overeenkomst te ondertekenen, in grote problemen zou komen,
de huwelijksovereenkomst uiteindelijk heeft ondertekend.
De Rechtbank en het Hof hebben het verzoek afgewezen.
3.3 Onderdeel I van het middel keert zich tegen ’s Hofs oordeel (r.ov. 4.2)
dat het huwelijk naar Pakistaans recht geldig is, omdat ingevolge art. 5 lid
4 van de Wet conflictenrecht huwelijk een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig
te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde
autoriteit. Het onderdeel betoogt dat dit oordeel blijk geeft van een
onjuiste rechtsopvatting althans zonder nadere motivering niet begrijpelijk
is, omdat het Hof ambtshalve had moeten onderzoeken of de huwelijksverklaring
inderdaad was afgegeven door een bevoegde autoriteit, en in het licht van de
circulaire van het Ministerie van Justitie van 8 mei 1996 (nr. 555 949/96/6)
tot de conclusie had moeten komen dat het huwelijk in Nederland eerst kan
worden erkend wanneer de huwelijksakte niet alleen is gelegaliseerd door het
Ministerie van Buitenlandse Zaken van Pakistan, maar ook is gelegaliseerd en
geverifieerd door de Nederlandse Vertegenwoordiging aldaar.
Het onderdeel kan bij gemis aan belang niet tot cassatie leiden, nu het
verzoek van de vrouw niet ertoe strekt voor recht te doen verklaren dat het
huwelijk niet voor erkenning in aanmerking komt, doch strekt tot
nietigverklaring van het huwelijk op de grond dat het onder invloed van een
ernstige onrechtmatige bedreiging is gesloten, en de omstandigheid dat het
huwelijk mogelijk hier te lande niet kan worden erkend wegens het ontbreken
van de vereiste legalisatie en verificatie van de huwelijksakte, geen grond
oplevert voor toewijzing van een verzoek tot nietigverklaring.
3.4 Onderdeel II keert zich tegen ’s Hofs r.ov. 4.4, waarin het Hof op grond
van zijn in r.ov. 4.3.1 neergelegde overwegingen tot de slotsom is gekomen
dat de omstandigheden waaronder de vrouw tot ondertekening van de
huwelijksovereenkomst is gekomen, niet zijn aan te merken als een
onaanvaardbare onrechtmatige bedreiging – waarmee het Hof kennelijk bedoelt:
een onrechtmatige ernstige bedreiging – op grond waarvan nietigverklaring van
het huwelijk zou kunnen worden uitgesproken.
Het onderdeel betoogt dat het Hof tot de conclusie had dienen te komen dat de
erkenning van het huwelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde,
omdat het is totstandgekomen zonder de volledige en vrije toestemming van
partijen. Deze klacht faalt, nu – zoals reeds in 3.3 is overwogen – het
verzoek van de vrouw strekt tot nietigverklaring van het huwelijk op de grond
dat het onder invloed van een onrechtmatige ernstige bedreiging is gesloten,
en onverenigbaarheid met de Nederlandse openbare orde geen grond voor
nietigverklaring oplevert.
3.5 Onderdeel III klaagt over onbegrijpelijkheid van ’s Hofs overweging
(r.ov. 4.3.1) dat de vrouw na de ondertekening van de huwelijksovereenkomst
blijkbaar wel in staat was aan de in 3.2 bedoelde druk weerstand te bieden,
zonder dat zij aannemelijk heeft kunnen maken dat zij door een wijziging van
de omstandigheden in een andere situatie was gekomen dan wel dat de op haar
uitgeoefende druk was verminderd of opgehouden.
De klacht faalt. Kennelijk heeft het Hof uit de omstandigheid dat de vrouw
enige tijd later naar een blijf van mijn lijf-huis is gegaan, in samenhang
met het feit dat de vrouw vanaf haar zesde jaar in Nederland woont en in
Nederland een HBO-opleiding volgt, afgeleid dat de vrouw in staat is
voldoende weerstand te bieden aan een dergelijke druk. Niet kan worden gezegd
dat deze gedachtengang onbegrijpelijk is.

4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Noot

Een Nederlandse vrouw van Pakistaanse afkomst poogt in Nederland het huwelijk
dat tussen haar en een Pakistaanse man in Pakistan werd voltrokken nietig te
laten verklaren. Dat huwelijk werd gesloten toen de vrouw twintig jaar oud
was. De vrouw betoogt dat zij door onrechtmatige ernstige bedreiging van haar
vader en zuster ertoe is gebracht de huwelijksovereenkomst te ondertekenen.
Bij haar thuiskomst in Amsterdam zouden haar vader en een vijftal
familieleden van de man geëist hebben dat zij de huwelijksovereenkomst zou
ondertekenen. Haar vader zou daarbij gedreigd hebben dat hij haar, indien zij
de overeenkomst niet zou ondertekenen, naar Pakistan zou zenden, alwaar zij
alsnog zou worden uitgehuwelijkt. Onder die druk en wetende dat haar vader,
indien zij zou weigeren de overeenkomst te ondertekenen, in grote problemen
zou komen, zou zij de huwelijksovereenkomst uiteindelijk ondertekend hebben.
Vervolgens zouden de vader en de familieleden geprobeerd hebben haar te
dwingen mee te werken aan het aanvragen van een vergunning tot verblijf voor
de man. Zij was daarop het ouderlijk huis uitgevlucht omdat, na verkrijging
van een vergunning tot verblijf voor de man, de huwelijksgemeenschap zou
kunnen worden uitgeoefend. Zowel de rechtbank van Maastricht (Rb. Maastricht
3 januari 1997, NIPR 1997, 330 en Migrantenrecht 1997, 56 (katern), noot
L. Jordens-Cotran) als het Hof ‘s-Hertogenbosch, in beroep (Hof
‘s-Hertogenbosch 24 september 1997, NIPR 1997, 274), wijzen het verzoek af.
Ook de voorziening van de vrouw in cassatie mislukt. De voorziening blijkt op
twee gronden te stranden: één van eerder juridisch-technische aard, nu de
vrouw kennelijk argumenten heeft aangehaald die niet passen in een verzoek
tot nietigverklaring van een huwelijk, maar eerder thuishoren in een
procedure tot niet-erkenning, en één van meer feitelijke aard, nu het Hof
kennelijk terecht kon besluiten dat de vrouw niet aan een onaanvaardbare
onrechtmatige druk blootstond om het huwelijk te sluiten.

In mijn bijdrage De Nederlandse drietrapsraket in de aanvechting van
internationale ‘gedwongen’ huwelijken: ontkenning van het bestaan, weigering
van erkenning en nietigverklaring
, te verschijnen in het Tijdschrift
voor Familie- en Jeugdrecht (afl. 6 (ipr-special), 2000), bespreek ik het
eerste aspect, waarbij ik voornamelijk inga op vragen van internationaal
privaatrechtelijke aard. In deze noot bespreek ik het tweede aspect, met name
de weigering door de rechter de omstandigheden waaronder het huwelijk werd
voltrokken aan te merken als een onrechtmatige ernstige bedreiging, en de
bekrachtiging hiervan door de Hoge Raad. In cassatie betreft het een
afwijzing door de Hoge Raad van de klacht van de vrouw dat het arrest van het
Hof ‘s-Hertogenbosch onvoldoende gemotiveerd was.

Volgens de Hoge Raad vermocht het Hof zeer wel uit een combinatie van twee
gegevens af te leiden dat de vrouw op het ogenblik van de
huwelijksvoltrekking voldoende weerstand bezat om zich tegen een eventuele
dwang te verzetten. De Hoge Raad stelt: ‘De klacht faalt. Kennelijk heeft het
Hof uit de omstandigheid dat de vrouw enige tijd later naar een Blijf van
mijn Lijf-huis is gegaan, in samenhang met het feit dat de vrouw vanaf haar
zesde jaar in Nederland woont en in Nederland een HBO-opleiding volgt,
afgeleid dat de vrouw in staat is voldoende weerstand te bieden aan een
dergelijke druk. Niet kan worden gezegd dat deze gedachtengang onbegrijpelijk
is.’
Hierna plaats ik bij de interpretatie door Hof en Hoge Raad van elk van beide
gegevens enkele vraagtekens.

I. Vooreerst de omstandigheid dat de vrouw ‘enige tijd later naar een Blijf
van mijn lijf-huis is gegaan’. Mag worden aangenomen dat het feit dat de
vrouw in staat bleek te vluchten als zodanig door Hof en Hoge Raad begrepen
wordt als een indicatie dat zij voldoende weerbaar is om een eventuele dwang
te weerstaan? De manier waarop de advocaat-generaal Strikwerda zijn conclusie
formuleert kan aanleiding geven tot deze veronderstelling (‘Het Hof doelt
kennelijk op de omstandigheid dat de vrouw naar een Blijf van mijn
Lijf-huis is gegaan. Dat het Hof (mede) uit deze omstandigheid heeft afgeleid
dat de vrouw blijkbaar in staat is haar eigen plan te trekken en weerstand te
bieden aan de druk van haar familieleden, is ook zonder nadere motivering
niet onbegrijpelijk’, aldus Strikwerda). Maar het zou wel heel bizar zijn als
het feit dat iemand er in slaagt te vluchten achteraf aan die persoon wordt
tegengeworpen als indicatie dat de betrokkene bijgevolg voldoende weerbaar is
en er derhalve geen sprake kan zijn geweest van dwang: dergelijke visie zou
impliceren dat van een ‘slachtoffer’ verondersteld wordt dat het nooit zelf
kan reageren; de betrokkene zou uiteindelijk nooit zelf kunnen opwerpen
slachtoffer geweest te zijn van een situatie van dwang. Trekt men deze
zienswijze door, dan moet uiteindelijk ook het feit dat een vrouw van vreemde
herkomst in Nederland een procedure begint waarin zij steunt op Nederlands
recht beschouwd worden als een teken dat zij er in slaagt zich te onttrekken
aan familiale of andere druk, een teken dat dan beschouwd wordt als zou zij
ook voorheen reeds een grote mate aan weerbaarheid bezitten.

Aangezien deze visie al te paradoxale en contradictoire consequenties
inhoudt, ligt het in de rede dat in casu door het Hof en de Hoge Raad
doorslaggevend werd geacht dat de vrouw niet direct bij de ondertekening van
de huwelijksovereenkomst vluchtte maar pas ‘enige tijd later’. De Hoge Raad
neemt in haar antwoord op het middel van de vrouw inderdaad expliciet het
element van het verloop van de tijdspanne op. En door het Hof
‘s-Hertogenbosch was inderdaad duidelijk belang gehecht aan de omstandigheid
dat de vrouw niet direct na het geschetste voorval maar pas vele maanden
later naar een ‘Blijf van mijn
Lijf-huis’ was gegaan. Tussen de huwelijksvoltrekking en het ontvluchten van
het ouderlijk huis was een tijdspanne verlopen, tijdens dewelke volgens het
Hof de omstandigheden waarin de vrouw zich bevond niet veranderd waren, de
familiale druk nog steeds aanwezig was, en de vrouw er desondanks plots wél
in slaagde zich aan die druk te onttrekken. Het Hof grijpt dit gegeven aan om
er de weerbaarheid van de vrouw op het ogenblik van de huwelijksvoltrekking
mee in te schatten en meent te mogen besluiten dat de vrouw al op het
ogenblik van de huwelijkssluiting als voldoende weerbaar mocht worden
beschouwd.

Maar is het wel zo vanzelfsprekend dat het verloop van een bepaalde
tijdspanne tussen de datum van ondertekening van de huwelijksovereenkomst en
de vlucht naar een Blijf van mijn Lijf-huis zomaar mag worden geïnterpreteerd
als een indicatie dat geen dwang voorhanden was op het ogenblik van de
ondertekening van de huwelijksovereenkomst?
Of is in het Nederlandse familierecht misschien een soort van
‘rechtsverwerking’ mogelijk die meebrengt dat na bepaalde gebeurtenissen of
na een bepaald tijdsverloop niet langer kan worden opgeworpen dat het
huwelijk onder dwang werd voltrokken om er de niet-erkenning of
nietigverklaring op te steunen, ook al zou wel sprake zijn geweest van een
gedwongen huwelijk? Ik wijs in dit kader op art. 71 lid 3 van het Nederlandse
BW, waarin wordt bepaald dat de echtgenote de bevoegdheid tot
nietigverklaring van het onder bedreiging gesloten huwelijk verliest ‘wanneer
de echtgenoten zes maanden hebben samengewoond sedert het ophouden van de
bedreiging’ zonder dat het verzoek is ingesteld. Maar van enige
rechtsverwerking lijkt in casu geen sprake te zijn geweest, nu tussen de
echtgenoten nooit enige samenwoning heeft plaatsgevonden.

Opmerkelijk is dat in het vreemdelingenrecht (met name waar het aanvragen
door migrantenvrouwen betreft om terug te keren naar de familie in Nederland,
gemotiveerd met het ontbreken van instemming met het huwelijk en met het
daaropvolgende ‘ook gedwongen’ verblijf in het land van herkomst) de duur van
het huwelijk en de gedraging van de vrouw ten opzichte van de dwang die op
haar werd uitgeoefend vaak een rol spelen in de afweging van de beslissing:
duidt deze gedraging op een berusting in haar nieuwe situatie, dan wordt de
stelling dat het om een gedwongen huwelijk gaat niet aanvaard (aldus
L. Jordens-Cotran, noot bij Rb. Maastricht 3 januari 1997, Migrantenrecht
1997, 56, p. 67).

De interpretatie achteraf van een berusting in of aanvaarding van de situatie
als een indicatie dat niet werkelijk sprake zou zijn geweest van dwang komt
mij enigszins wonderlijk voor. Grijpt men daarbij de omstandigheid dat de
vrouw pas na verloop van tijd reageert tegen de situatie van dwang door een
vluchtreactie en het instellen van een procedure voor de Nederlandse rechter
aan als indicatie dat hoegenaamd geen dwang aanwezig kan zijn geweest, dan
miskent men mijns inziens de manier waarop dwangsituaties (kunnen)
functioneren. Het Hof ‘s-Hertogenbosch en de Hoge Raad beredeneren de
situatie van de vrouw en haar reactie wel zeer rationeel; het beeld wordt
geschapen dat ‘weerstand’ iets is wat iemand nu eenmaal heeft of niet heeft,
waarbij bovendien degene die het potentieel van weerstand bezit, deze
weerstand in alle situaties en te allen tijde zou kunnen activeren (omgekeerd
zou dan ook iemand die géén weerstand bezit in principe nooit zover kunnen
komen te vluchten). ‘Weerstand’ wordt daarmee als een zeer statische
menselijke eigenschap beschouwd.
Daartegenover staat dat angst, gevoelens van bedreiging en afhankelijkheid
heel emotionele kwesties zijn; dat weerstand in vele gevallen moet worden
opgebouwd en dus veeleer evolutionair dan statisch is. Daarbij zou
iemand er door ‘nieuwe omstandigheden’ toe gebracht kunnen worden te
vluchten; maar zeer wel denkbaar is ook dat de opbouw van de weerstand ook
buiten het zich voordoen van enige nieuwe omstandigheid gebeurt.

In casu hadden zich volgens het Hof ‘s-Hertogenbosch binnen de bedoelde
tijdspanne geen nieuwe omstandigheden voorgedaan. Stel nu dat de vrouw in de
tijdspanne tussen het voltrekken van het huwelijk en het ontvluchten van het
ouderlijk huis (of het indienen van een verzoekschrift bij de rechter) is
opgegroeid van kind tot volwassene. Mogelijk ware in de zienswijze van het
Hof dit feit wél een ‘nieuwe omstandigheid’ geweest. Op dit vlak zouden enige
parallellen kunnen worden getrokken met aantijgingen van kindermisbruik door
slachtoffers die inmiddels volwassen zijn geworden. Alleszins blijkt,
rechtsvergelijkend beschouwd, de jonge leeftijd van de vrouw op het ogenblik
van de huwelijksvoltrekking soms aangegrepen te worden als een indicatie dat
zij nooit haar toestemming tot een huwelijk heeft gegeven (zie bv. Brussel 17
oktober 1995, AJT 1995-96, 291). Maar in casu was de vrouw reeds twintig jaar
op het ogenblik van de huwelijksvoltrekking.

De vrouw had echter een ander element aangehaald: zij had betoogd dat zij het
ouderlijk huis was ontvlucht omdat ‘na het verkrijgen van een vergunning tot
verblijf voor de man’ de huwelijksgemeenschap zou kunnen worden uitgeoefend;
na de formalisatie van het huwelijk zouden haar vader en de familie van de
man geprobeerd hebben de vrouw te dwingen mee te werken aan het aanvragen van
een vergunning tot verblijf in Nederland ten behoeve van man. Volgens mij
heeft de vrouw hier wel een punt. Het gaat er dan om dat voor de vrouw na de
huwelijksvoltrekking, die kon geschieden zonder daadwerkelijke ontmoeting van
de man en waarbij het latere huwelijksleven nog als enigszins veraf kon
worden beschouwd, een tweede, misschien nog groter – want op sommige punten
concreter en dichterbij – angstbeeld opdook, met name de vrees daadwerkelijk
te moeten gaan samenleven met de man en het huwelijk te consumeren. Het
huwelijk had tot stand kunnen komen zonder een ontmoeting met de man. Nu
wordt de ontmoeting steeds minder afwendbaar. De afspraak met de
vreemdelingenpolitie, in het kader van het verschaffen van een verblijfsrecht
aan de man, kan dan het element zijn geweest dat alles voor de vrouw heel
concreet maakte en haar de stap deed zetten tot het ontvluchten van het
ouderlijk huis. De repliek van de Hoge Raad op het middel van de vrouw waarin
zij betoogt dat de overweging van het Hof onbegrijpelijk is, lijkt mij op dit
punt toch wat al te summier.

II. Vervolgens steunen het Hof ‘s-Hertogenbosch en de Hoge Raad op het feit
dat de vrouw op zesjarige leeftijd naar Nederland is gekomen en in Nederland
een HBO-opleiding volgt om er haar weerstand uit af te leiden.
In eerste aanleg was dit gegeven van verbondenheid met de Nederlandse
samenleving door de rechter reeds aangebracht. De rechtbank van Maastricht
plaatst dit gegeven van verbondenheid in de context van het leerstuk van de
openbare orde: in het kader van de beoordeling van artikel 6 WCH overwoog de
rechtbank dat de vrouw vanaf haar zesde jaar in Nederland woonachtig is, dat
zij de Nederlandse nationaliteit heeft en dat zij in Nederland een hogere
beroepsopleiding volgt; de rechtbank besloot vervolgens dat ‘de rechtbank op
grond hiervan van oordeel is dat deze zaak voldoende aanknopingspunten heeft
met de Nederlandse rechtssfeer’. Mogelijk speelde in het achterhoofd van de
rechter de uitspraak van de rechtbank van Arnhem van 6 juni 1991 (NIPR 1991,
330) en wilde de rechter op deze manier de eventualiteit van een tussenkomst
in de vorm van nietigverklaring al onmiddellijk legitimeren. In de zaak die
voorlag bij de Rechtbank Arnhem kon de vrouw overtuigend aantonen dat zij
gedwongen was tot het aangaan van een huwelijk – zij had een bevestiging van
de gemeente-arts overgelegd waaruit haar mishandeling naar aanleiding van het
huwelijk bleek, en kon bewijs overleggen van het feit dat de politie haar uit
haar ouderlijke woning moest bevrijden waar zij door de vader vanwege haar
weigering om te huwen werd opgesloten. Desondanks werd haar verzoek tot
niet-erkenning van het huwelijk niet toegewezen: erkenning van het huwelijk
werd niét onverenigbaar gevonden met de Nederlandse openbare orde. Kennelijk
achtte de rechter de rechtsverhouding onvoldoende verbonden met de
Nederlandse samenleving om er de openbare orde voor in te schakelen. De
Arnhemse uitspraak werd in de rechtsleer sterk bekritiseerd, mede vanuit het
oogpunt van de afweging door de rechter van de intensiteit van de
rechtsverhouding met de Nederlandse rechtsorde (zie P. Vonken,
Internationaal privaatrecht in Personen- en familierecht, Deventer
(losbl.), onder titel, Huwelijk, p. 64 e.v.). Deze uitspraak is inderdaad wel
zeer ontmoedigend voor vrouwen
die zich in dergelijke schrijnende situaties bevinden, deze situatie zelf
aanklagen en daartoe overtuigende bewijzen weten aan te dragen.

In casu wordt de rechtsverhouding door de rechtbank van Maastricht sterk
verbonden geacht met de Nederlandse samenleving. Op het punt van de
bereidheid tot inschakeling van de openbare orde lijkt de rechter dus
welwillend ten aanzien van de vrouw. Maar, aangezien de rechtbank de
aantijging van dwang onvoldoende bewezen acht, volgt toch nog de uitspraak
dat ook in casu erkenning verenigbaar is met de Nederlandse openbare orde.
Het Hof ‘s-Hertogenbosch en de Hoge Raad van hun kant grijpen het gegeven van
verbondenheid aan om er uit te besluiten dat in casu eenvoudigweg geen dwang
aanwezig was – althans voldoende weerstand kon worden geboden. Het feit dat
de vrouw vanaf haar zesde jaar in Nederland woont en in Nederland een
HBO-opleiding volgt, wordt hier immers geïnterpreteerd als een element dat
haar weerbaarheid aantoont. Blijkbaar is de redenering dat hoe langer iemand
woont in Nederland – mogelijk ook, hoe hoger de opleiding -, des te sterker
de weerstand van de betrokkene mag worden ingeschat. De Hoge Raad wekt
daarmee de indruk dat het kunnen voorleggen van een band met Nederland mag
worden beschouwd als een aanduiding dat de betrokkene wellicht verondersteld
mag worden in staat te zijn zich los te maken van bepaalde vormen van
culturele dwang (ik wijs in deze context op een uitspraak van het Hof
‘s-Hertogenbosch van 16 juli 1993 (NIPR 1993, 412): de vrouw had als
echtscheidingsgrond – naar Marokkaans recht – ingeroepen dat zij tegen haar
wil was uitgehuwelijkt. In beroep oordeelde het Hof dat een werkelijke
maatschappelijke band van de vrouw met Marokko ontbrak: kennelijk werd
aannemelijk geacht dat ook al had de vrouw een bepaalde vorm van dwang
ondergaan, zij toch sterk verbonden was met de Nederlandse samenleving).

A la limite kunnen dan vrouwen van vreemde herkomst die gezien hun opleiding
en verblijf in Nederland verondersteld worden ‘geëmancipeerd’ te zijn nooit
’traditionele’ argumenten aanhalen in een Nederlandse procedure. Als men
logisch doordenkt kunnen de consequenties van deze visie nog verder worden
doorgetrokken, en wel naar zuiver internrechtelijk Nederlandse situaties.
Nederlandse autochtone vrouwen – zeker zij die een zeker opleidingsniveau
hebben – zouden in deze visie immers per definitie als ‘geëmancipeerd’ moeten
worden beschouwd. Voor hen zou het element van dwang, mogelijk ook van
slachtofferschap en bedreiging, dus sowieso niet meer kunnen spelen.

Of gaat dergelijke afleiding uit het arrest te ver? Gaat de visie van het Hof
en de Hoge Raad misschien louter op voor de problematiek van de gedwongen
huwelijken, en moet daarbij bovendien worden aangenomen dat situaties van
gedwongen huwelijk zich enkel en alleen kunnen voordoen indien één of beide
partners van vreemde herkomst zijn? Dan zou de vooronderstelling luiden dat
het voltrekken van gedwongen huwelijken nu eenmaal één van die tradities
uitmaakt die ‘eigen’ zijn aan vreemde culturen, terwijl Nederlanders van
autochtone herkomst in hun onderlinge relaties gevrijwaard zijn van dwang bij
het voltrekken van huwelijken. Mij benieuwt het dan wel te weten welke
domeinen en praktijken nog meer ‘eigen’ aan vreemde culturen worden geacht?
Geldt deze vooronderstelling bijvoorbeeld ook inzake kwesties als
onderdanigheid van de vrouw of de praktijk van het slaan van vrouwen of
kinderen? Het lijkt mij een gevaarlijke vooronderstelling als men bepaalde
praktijken van dwang, mishandeling en afhankelijkheidsrelaties enkel in de
context van bepaalde culturen denkbaar acht. Een dergelijke voorstelling gaat
uit van een tendens tot dichotomisering en houdt kwalijke gevolgen in, onder
meer op het vlak van stereotypering en stigmatisering.
Alleszins zal niemand kunnen ontkennen dat situaties van kinder- en
vrouwenmishandeling en incest zich zeker ook in louter Nederlandse context
kunnen voordoen. Zou dan de Hoge Raad in dergelijke situaties een gans andere
zienswijze op het functioneren van dwang en het inschatten van weerstand ten
beste hebben gegeven, zo rijst de vraag?

Ik signaleer hierbij bovendien dat, als men dan toch wenst te denken in
termen van cultuurverschillen en het idee cultiveert dat mensen leven ’tussen
twee culturen’, men in casu evengoed andersom had kunnen redeneren: het feit
dat de vrouw zo nauw verbonden blijkt te zijn met de Nederlandse samenleving
kan in deze zienswijze evengoed als een element worden aangegrepen om te
betogen dat de op haar uitgeoefende druk dan wel heel erg sterk moet zijn
geweest. Ik situeer in deze context de aanklacht van bepaalde Nederlandse
auteurs (zie bv. C. Forder, ‘In het gezinsleven: Different but
equal
in Het vrouwenverdrag: een beeld van een verdrag, A. Heringa e.a.
(red.), Antwerpen, Maklu, 1994, 239 e.v.) dat het in gevallen van gedwongen
huwelijken veelal gaat om ‘volledig in een westers land ingeburgerde jonge
vrouwen met ouders die afkomstig zijn uit een culturele samenleving waarin
gedwongen huwelijken gebruikelijk zijn’. De rechtspraak van de westerse
rechters die met dit probleem geconfronteerd worden, zou daarbij blijk geven
van een onvermogen om de genuanceerde vormen van druk vanuit het ouderlijk
huis te onderkennen. Deze doctrine zet er toe aan extra alert te zijn wanneer
het gaat om vrouwen die behoren tot culturele minderheden. Kortom, de rechter
zou niet zulke hoge eisen mogen stellen aan vrouwen uit bepaalde minderheden,
anders gezegd, de rechter zou blanco-normen als ‘onaanvaardbare ernstige
bedreiging’ enigszins anders moeten invullen naargelang de cultuurgroep
waartoe de voor de rechter verschijnende rechtsonderhorige behoort (cfr.
hierover, enigszins kritisch, V. van den Eeckhout, Huwelijk en
echtscheiding in het Belgische conflictenrecht
, Antwerpen, Intersentia,
1998, 271 e.v.). Hier blijkt hoe het mogelijk is met argumenten inzake
verbondenheid met de Nederlandse samenleving in verschillende zin te
redeneren. Het Hof laat evenwel geenszins de ruimte tot het trekken van de
conclusie dat in de specifieke situatie waarin de vrouw zich bevond de dwang
dan wel heel sterk moet zijn geweest.

De beweringen van de vrouw worden integendeel zonder meer als onvoldoende
overtuigend terzijde geschoven.

De annotatrice bij de uitspraak in eerste aanleg achtte het ‘merkwaardig’ dat
de rechter ‘dermate hoge eisen stelt aan het bewijs van de vrouw’. Hier rijst
de vraag wat de rechter ertoe gebracht kan hebben geen geloof te hechten aan
de beweringen van de vrouw. Viel misschien te vrezen dat de vrouw niet te
goeder trouw handelde, dat zij een oneigenlijk gebruik van de procedure tot
nietigverklaring van het huwelijk maakte, kortom waren er redenen om kritisch
voorbehoud aan te tekenen bij de beweringen van de vrouw?
Ikzelf zie voor dit specifieke geval in de specifiek Nederlandse context niet
direct redenen om achterdochtig te zijn ten aanzien van hetgeen de vrouw
aanvoert.
Laten we er immers van uitgaan dat duidelijk is dat de vrouw het huwelijk wil
beëindigen. Welnu, de vrouw kan in Nederland sowieso het huwelijk beëindigen
via een procedure tot echtscheiding. In Nederland blijkt een echtscheiding,
ook in internationale gevallen, dermate gemakkelijk te bekomen dat er niet
direct noodzaak lijkt te zijn terug te grijpen tot een procedure van
nietigverklaring van het huwelijk om het huwelijk te kunnen beëindigen.

Het komt me bovendien voor dat de vrouw in casu met haar keuze voor een
procedure tot nietigverklaring hoogstwaarschijnlijk geen ‘wraak-motieven’ ten
aanzien van haar echtgenoot beoogd kan hebben. (Dit kan in bepaalde
procedures enigszins anders liggen. Zie bv. het m.i. bekritiseerbare H.R., 18
september 1998, RvdW 1998, nr 156. 1083). Alleszins op verblijfsrechtelijk
vlak zijn de gevolgen van een nietigverklaring van het huwelijk dan wel een
huwelijksontbinding door echtscheiding voor de echtgenoot dezelfde: de man
kan überhaupt geen huwelijksleven van drie jaar voorleggen en kan zodoende
sowieso geen zelfstandige verblijfstitel in Nederland verkrijgen. Mogelijk
zal in bepaalde gevallen het volgen van de ene dan wel de andere procedure
wél verschil in andere rechtsgevolgen opleveren, bijvoorbeeld inzake
(terug)betaling van bruidsschat, toekenning van alimentatie en dergelijke,
maar in casu wordt door de rechter op generlei wijze gewag gemaakt dat hij in
dit specifieke geval om die redenen voorzichtigheid geboden acht.

Uiteraard moeten de voor- of nadelen tussen het bekomen van een
huwelijksbeëindiging door nietigverklaring dan wel door echtscheiding niet
louter op juridisch vlak gesitueerd worden, maar eveneens op emotioneel vlak.
Mij komt het zeer wel denkbaar voor dat als de vrouw juridische grond heeft
tot het instellen van een procedure van nietigverklaring, zij om die
symbolische – reden voorkeur geeft aan een procedure tot nietigverklaring.
Deze bekommernis lijkt mij behartenswaardig.

Is het tenslotte denkbaar dat de rechter meende dat het in casu veeleer een
vertroebelde huwelijksrelatie betrof dan wel een onder dwang gesloten
huwelijk? Meer bepaald zou dan in hoofde van de rechter de bekommernis hebben
gespeeld een onderscheid te maken tussen relaties die vertroebeld zijn en
huwelijken waarbij één der partners daadwerkelijk gedwongen werd tot
huwelijk. In een arrest van 21 maart 1995 overwoog het Belgische Hof van
beroep van Brussel (AJT 1994-95, 565): ‘Attendu qu’il n’est nullement établi,
en l’espèce, qu’au moment où l’intimée a donné son consentement au mariage
devant l’officier de l’état civil, ce consentement était fictif ou vicié;
qu’au contraire, c’est après avoir réfléchi, qu’elle a décidé unilatéralement
de mettre fin a sa relation avec son mari.’ Ik signaleer hier dat in België
heden een tendens in de rechtspraak is waar te nemen waarin vorderingen tot
nietigverklaring van een huwelijk, ingesteld door één der huwelijkspartners
op de bewering dat het een schijnhuwelijk betrof, afgewezen worden: er wordt
daarbij rigoureus vastgehouden aan het onderscheid tussen de vordering tot
nietigverklaring van het huwelijk en de echtscheidingsprocedure, als
specifieke manieren om het huwelijk te beëindigen. Bij de afweging of het om
een schijnhuwelijk gaat, laten sommige Belgische rechters de overweging
meespelen dat de betrokkenen na de huwelijksvoltrekking een tijdlang hebben
samengewoond en besluiten zij (mede) hieruit dat de echtscheidingsprocedure
een meer aangewezen procedure tot beëindiging van het huwelijk is dan de
procedure tot nietigverklaring van het huwelijk. Zie bv. de uitspraak van de
Belgische rechtbank van eerste aanleg van Brussel (19 oktober 1994, Rev.
Trim. Dr. Fam
. 1995, 54). Zie hierover eveneens V. van den Eeckhout,
Rechtspraak op glad ijs: navolging van (rechts-)culturele tradities als
aanduiding van een reële huwelijkswil
(noot bij Rb. Brussel 9 april
1997, Echtscheidingsjournaal 1998, 47-52).

In casu lijkt het niet in de rede te liggen te veronderstellen dat de
huwelijksrelatie na een tijdje vertroebeld is. Niets lijkt er immers op te
wijzen dat er gedurende de bedoelde tijdspanne sprake was van enige vorm van
relatie tussen vrouw en man, al was het maar in de vorm van telefonisch
contact of briefwisseling. Uiteraard blijft nog steeds denkbaar dat het
huwelijk oorspronkelijk geen gedwongen huwelijk was maar een ‘geregeld’
huwelijk waarmee de vrouw wel degelijk akkoord was gegaan, maar waartegen zij
pas naderhand bezwaar maakte – in welk geval er geen grond zou bestaan om het
huwelijk nietig te verklaren op grond van dwang. Maar dit is dan wel de enige
reden die ikzelf kan bedenken om enige voorzichtigheid aan de dag te leggen.

Voor wat betreft het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 1998 stel ik,
concluderend, dat ik betreur dat de repliek van het Hof ‘s-Hertogenbosch en
de Hoge Raad niet omstandiger zijn uitgewerkt. In een uitvoeriger motivatie
had men mogelijk de indruk kunnen vermijden die nu – misschien ten onrechte –
wordt geschapen: de indruk dat de Nederlandse rechter in situaties van dwang
uitgaat van voorbarige vooronderstellingen en in deze thematiek wel heel
bizarre en paradoxale gedachtenkronkels maakt, dit niet alleen in zaken
waarbij vreemdelingen of leden van culturele minderheden zijn betrokken, maar
zelfs in zaken waar dwang, bedreiging, afhankelijkheid en mishandeling in
zuiver internrechtelijk Nederlandse context aan de orde zijn. Zeer zeker is
het zo dat de vrouw in casu de dwangsituatie maar moeilijk hard kan maken –
allicht mede omdat het in haar geval gaat om een aantijging van louter
psychische dwang. Maar, onverschillig of men voorhoudt dat in casu wel of
niet dwang aanwezig was, de replieken van het Hof ‘s-Hertogenbosch en de Hoge
Raad voldoen mijns inziens niet.

Veerle Van Den Eeckhout

Rechters

Mrs Roelvink, Korthals-Altes, Heemskerk, Herrman, van der Putt-Lauwers; A-GStrikwerda

Instantie: President rechtbank Alkmaar, 15 oktober 1998

Instantie

President rechtbank Alkmaar

Samenvatting


In deze zaak wordt de jurisprudentie van de Hoge Raad over de verrekening bij
echtscheiding toegepast. Partijen zijn op 1 mei 1991 op huwelijkse
voorwaarden gehuwd en in 1998 gescheiden. Tijdens het huwelijk heeft geen
verrekening plaatsgevonden. Partijen verschillen in het kader van de
scheiding en deling van mening over de omvang van het nog te verdelen
onverteerd inkomen.

Volledige tekst

1. De uitgangspunten
Partijen zijn op 1 mei 1991 op huwelijkse voorwaarden gehuwd.
Bij akte huwelijksvoorwaarden d.d. 15 april 1991 is in dat kader onder meer
het
volgende overeengekomen.
‘Art. 1
Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen bestaan.
Art. 8 lid 2.
De echtgenoten kunnen over en weer van elkaar vorderen dat ieders onverteerd
gebleven inkomen over een kalenderjaar wordt bijeengevoegd en vervolgens
tussen hen bij helft wordt verdeeld.
Art. 8 lid 1.
Onder inkomen wordt in dit verband verstaan datgene wat voor de heffing van
de inkomstenbelasting als zodanig wordt aangemerkt, met dien verstande dat
voor de bepaling van de winst van het door een echtgenoot uitgeoefend bedrijf
of beroep mede in acht behoren te worden genomen de terzake in het economisch
verkeer geldende algemene opvattingen.
Onder onverteerd inkomen dient te worden verstaan het als voormeld
vastgesteld inkomen voorzover dit aan het einde van het betreffende
kalenderjaar nog aanwezig is of herleid en waardeerbaar kan worden
teruggevonden in de door de echtgenoot in dat jaar gedane beleggingen en
investeringen. In dat laatste geval wordt uitgegaan van de waarde van de
beleggingen of investeringen aan het eind van dat kalenderjaar.
Art. 8 lid 3.
Het recht om verrekening te vorderen als hiervoor onder 1 in dit artikel
bedoeld eindigt na verloop van drie jaar volgende op het jaar waarop deze
verrekening betrekking heeft.’
Uit de staat van aanbrengsten blijkt dat de man zijn aandeel als
aandeelhouder dan wel als participant in het vermogen van diverse gelieerde
en samen als onderneming aan te merken vennootschappen, kort gezegd een
bloembollenbedrijf, heeft aangebracht. De vrouw heeft geen
vermogensbestanddelen aangebracht.
Uit de onderneming heeft de man over de jaren 1991 tot en met 1996 een in de
vorm van winst uit onderneming uitgekeerd inkomen genoten van gemiddeld ƒ
105.331 per jaar. In de diverse vennootschappen heeft in die periode een
aanzienlijke vermogenstoename plaatsgehad.
Bij beschikking van de Rb. Alkmaar d.d. 29 jan. 1998 is tussen partijen de
echtscheiding uitgesproken. Op 18 mei 1998 is het huwelijk middels
inschrijving van die beschikking ontbonden.
Tijdens het huwelijk van partijen heeft geen verrekening zoals bedoeld in
voornoemd art. 8 plaatsgevonden. Partijen verschillen in het kader van de
scheiding en deling van mening over de omvang van het nog te verdelen
onverteerd inkomen; wel hebben zij overeenstemming bereikt over het hanteren
van 31 dec. 1996 als einddatum van de periode waarover verrekening kan worden
toegepast.

2. De vordering
De vrouw vordert, zakelijk weergegeven, dat de president:
1. de man veroordeelt aan de vrouw in het kader van de verdeling van het te
verdelen onverteerbaar inkomen als voorschot te betalen een bedrag van ƒ
750.000, subsidiair een bedrag van ƒ 150.000;
2. de man gelast aan de vrouw de volledige jaarrekeningen van de tot de
onderneming van de man behorende vennootschappen over de jaren 1991 tot en
met 1996 af te geven, ter vaststelling van het te verrekenen vermogen, onder
verbeurte van een dwangsom wanneer de man daaraan niet voldoet, een en ander
met veroordeling van de man in de kosten van het geding.
(…)

4. De gronden van de beslissing
4.1 De jurisprudentie met betrekking tot de problematiek ten aanzien van het
verrekenbeding als het onderhavige heeft zich in de afgelopen jaren
trapsgewijs ontwikkeld tot het hierna onder 4.2, 4.4 en 4.5 genoemde thans
geldende recht.

4.2 Sedert het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 19 januari 1996,
NJ 1996, 61, wordt een beroep op de aan een verrekenbeding verbonden
vervaltermijn vrijwel steeds in strijd met de redelijkheid en billijkheid
geacht wanneer die vervaltermijn in algemene bewoordingen is gesteld, tenzij
de echtgenoot die dit beroep doet omstandigheden weet te bewijzen die het
beroep rechtvaardigen.

4.3 In de onderhavige zaak zijn dergelijke omstandigheden niet gesteld of
aannemelijk geworden zodat het terzake door de man gevoerde verweer wordt
verworpen.

4.4 Bij zijn beslissing van 3 oktober 1997, NJ 1998, 383, heeft de Hoge Raad
met betrekking tot de ingevolge het beding te verrekenen
vermogensbestanddelen helderheid verschaft, in die zin dat hij overwoog dat
een beding als het onderhavige naar zijn aard ertoe strekt dat hetgeen van de
inkomsten van partijen wordt bespaard periodiek tussen hen wordt verrekend en
wanneer partijen tijdens het bestaan van het huwelijk deling van het
overgespaarde achterwege laten en het recht om deling te vorderen blijft
bestaan, een redelijke en billijke uitleg in verband met de aard van het
beding meebrengt dat bij het einde van het huwelijk ook de
vermogensvermeerdering ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten
van een echtgenoot is gespaard maar onverdeeld gebleven, in de verrekening
wordt betrokken.

4.5 Volgens de Hoge Raad houdt die opvatting echter niet in dat, wanneer de
aan de echtgenoten in privé toebehorende, buiten de verdeling verblijvende
zaken geen inkomsten hebben opgeleverd, maar tijdens het bestaan van het
huwelijk wel in waarde zijn gestegen, een verrekenbeding als het onderhavige
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aldus zou moeten worden
uitgelegd dat (ook) zodanige waardestijgingen moeten worden verrekend als
ware zij voortgekomen uit overgespaarde inkomsten, omdat die opvatting immers
niet te rijmen valt met de aard van het beding, mede gelet op de in de
huwelijkse voorwaarden vooropgestelde uitsluiting van iedere gemeenschap van
goederen.

4.6 Het standpunt van de vrouw voorzover dat inhoudt dat, samengevat, iedere
vermogensvermeerdering – dus ook bijvoorbeeld waardevermeerdering van stille
reserves – voor verrekening in aanmerking komt, kan dan ook niet worden
gevolgd.

4.7 In de onderhavige zaak brengt vorenstaande mee dat vermogensvermeerdering
in de vennootschappen van de man voorzover daar op enige wijze onverteerde
inkomsten aan ten grondslag hebben gelegen voor verrekening in aanmerking
komen.

4.8 De vrouw is er thans niet in geslaagd een dergelijke
vermogensvermeerdering aannemelijk te maken.

4.9 Partijen bestrijden dienaangaande gemotiveerd elkaars standpunten en de
daaraan ten grondslag liggende stellingen. Daarom is bewijsvoering
noodzakelijk, waarvoor de onderhavige procedure ongeschikt is.

4.10 Bij de verdeling van die bewijslast kan verwacht worden dat de
bodemrechter de man belast met het bewijs dat aan de in zijn vennootschappen
opgebouwde vermogens geen inkomsten ten grondslag liggen zoals bedoeld in
art. 8 lid 2 van de akte van huwelijkse voorwaarden, hetgeen dus ook geldt
ten aanzien van de winst van het door hem uitgeoefende bedrijf omdat
daaromtrent mede in acht behoren te worden genomen de terzake in het
economisch verkeer geldende algemene opvattingen.

4.11 De vraag speelt immers in hoeverre daarbij een rol heeft gespeeld of
uitsluitend de man in staat was geweest naar eigen inzicht de winst van de
vennootschap uit te keren, dan wel te reserveren. Aannemelijk is geworden dat
de man de vrouw immer en zeker thans de relevante gegevens heeft onthouden.
Het antwoord op voornoemde vraag zal principieel moeten zijn in die zin dat
wordt nagegaan of hier onder inkomsten ook niet-uitgekeerde doch economisch
gezien wel als inkomensbestanddeel te kwalificeren elementen dienen te
vallen.

4.12 Vorenstaande houdt echter niet in dat thans een voorschot dat het door
de man erkende bedrag van ƒ 26.198 te boven gaat kan worden begroot. De man
heeft aannemelijk gemaakt dat het restitutierisico groot is, welke
omstandigheid, nu de vordering in feite neerkomt op toewijzing van een
geldvordering in kort geding, aan toewijzing van het meer gevorderde in de
weg staat.

4.13 Het onder 2 gevorderde dient gelet op het reeds hiervoor onder 4.11
overwogene te worden toegewezen. Het ligt immers voor de hand dat de vrouw in
de gelegenheid wordt gesteld de door de man in het kader van de
bodemprocedure te verstrekken gegevens te doen verifiëren. Dat geldt ook ten
aanzien van W BV nu die vennootschap met de overige vennootschappen een
fiscale eenheid vormt.

4.14 Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten worden
gecompenseerd als na te melden.
(…)

Rechters

Mr. Croes

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 13 oktober 1998

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. In 1992 heeft de vrouw de man met
een rubberen hamer op het hoofd geslagen. Hiervoor vordert de man ƒ 15.000
immateriële schadevergoeding en ƒ 1955 materiële schadevergoeding. Rechtbank
kent ƒ 750 immateriële en ƒ 65 materiële schadevergoeding toe en het Hof
veroordeelt de vrouw tot ƒ 1.500 immateriële schadevergoeding en ƒ 65
materiële schadevergoeding.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis,
waarvan de inhoud aan partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Van dat vonnis bij eerder genoemd exploot in hoger beroep gekomen, heeft
de man vier grieven voorgedragen en geconcludeerd tot vernietiging van het
vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot volledige toewijzing van zijn
vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide
instanties.

2.2. Daarop antwoordend heeft de vrouw die grieven bestreden, harerzijds in
incidenteel appel twee grieven aangevoerd en, kort gezegd, in incidenteel
appel geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de man.

2.3. Vervolgens heeft de man een memorie van antwoord in het incidenteel
appel genomen, de incidentele grieven bestreden en geconcludeerd tot
afwijzing van het in incidenteel appel gevorderde.

2.4. Op daartoe strekkend verzoek van de vrouw heeft het hof de datum bepaald
waarop partijen hun zaak kunnen doen bepleiten. De advocaat van de man heeft
het hof schriftelijk laten weten de zaak niet te zullen bepleiten. Op de
dienende dag zijn alleen de vrouw en haar advocaat verschenen. De advocaat
van de vrouw heeft een pleitnota overgelegd. De voorzitter heeft medegedeeld
dat het hof die pleitnota als ter zitting voorgedragen zal beschouwen.

2.5. De vrouw heeft haar procesdossier overgelegd en om uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Met de grieven in het principaal appel komt de man op tegen de hoogte van de
door de rechtbank toegekende materiële en immateriële schadevergoeding en
tegen de kostencompensatie. De grieven van de vrouw in het incidentele appel
zijn gericht tegen de verwerping door de rechtbank van haar beroep op eigen
schuld en op misbruik van procesrecht aan de zijde van de man.

4. De beoordeling

4.1. Tegen de door de rechtbank in onderdeel 2 van het vonnis vastgestelde
feiten zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof bij zijn beoordeling van
die feiten zal uitgaan.

4.2. De man heeft de memorie van antwoord in het incidentele appel niet
beperkt tot een verweer op de grieven in het incidentele appel. De vrouw
heeft hiertegen bij gelegenheid van de pleidooien terecht bezwaar gemaakt.
Het hof heeft dan ook op de inhoud van de memorie van antwoord in het
incidentele appel geen acht geslagen voorzover deze het kader van een memorie
van antwoord in het incidentele appel te buiten gaat. De man was wel
gerechtigd in het principale appel een akteverzoek tot het overleggen van
bewijsstukken te doen, vgl HR 22-1-93 NJ 93,216. Het hof zal de memorie van
antwoord in het incidentele appel daarom tevens aanmerken als een akte
overlegging producties in het principale appel en acht slaan op de inhoud van
de daarbij, overgelegde producties, nu de vrouw bij gelegenheid van het
pleidooi op de inhoud van die producties heeft kunnen reageren.

4.3. De grieven in het incidentele appel zijn van de verste strekking. Het
hof zal daarom eerst deze grieven beoordelen.

4.4. Ter toelichting van haar beroep op eigen schuld bij de man heeft de
vrouw gesteld dat zij zich bedreigd voelde door de man, dat zij een rubberen
hamer had aangeschaft omdat de man haar fysiek in de echtelijke woning
opsloot en dat haar op de bewuste dag bleek dat de man de aan haar
toebehorende goederen elders – buiten haar bereik – had ondergebracht. Aldus
heeft de man volgens de vrouw direct bijgedragen aan de escalatie, zodat op
basis van artikel 6:101 BW elke vergoedingsplicht is komen te vervallen.

4.4.1. Aldus heeft de vrouw ook in hoger beroep dit verweer onvoldoende
gemotiveerd. Het hof verwijst hiervoor naar de door de rechtbank in de eerste
alinea van onderdeel 4 van het bestreden vonnis overgenomen passage uit de
verklaring die de vrouw over de toedracht aan de politie heeft afgelegd. Uit
die passage en ook uit de verdere inhoud van die verklaring blijkt niet dat
de man de vrouw ooit in de echtelijke woning heeft opgesloten. Evenmin komt
in het proces-verbaal naar voren, anders dan de vrouw heeft aangevoerd, dat
de vrouw zich door de man bedreigd voelde. Ook anderszins heeft de vrouw geen
feiten aangevoerd waaruit kan volgen dat de man haar bedreigde. De gestelde
huwelijksspanningen kunnen geen rechtvaardiging voor de mishandeling
opleveren.

4.5. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten
grondslag gelegde argumenten ten aanzien van het verweer van de vrouw dat de
man zijn bevoegdheid tot het instellen van de onderhavige vordering
misbruikt. Hetgeen de vrouw op dit onderdeel in hoger beroep nog heeft
aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.6. Het vorenstaande leidt ertoe dat de grieven in het incidentele appel
falen.

4.7. Met de tweede grief in het principale appel bestrijdt de man de
overweging van de rechtbank dat hij de door de vrouw betwiste stelling dat
hij nog steeds lijdt aan helse hoofdpijnen, concentratieverlies en
geheugenverlies, onvoldoende heeft onderbouwd om hem tot bewijs daarvan toe
te laten.

4.7.1. Vaststaat dat de man ten gevolge van de mishandeling door de vrouw een
fors bloedende scheurwond van ongeveer 3 cm, 2mm diep en een kleine wond van
ongeveer 2 cm, 1 mm diep op de behaarde hoofdhuid heeft opgelopen. Beide
wonden zijn in het ziekenhuis gehecht. De man is na behandeling weer naar
huis gegaan.

4.7.2. De rayonarts Gitmans heeft de man op verzoek van de politie op 11
januari 1994 gezien. In de naar aanleiding daarvan opgestelde verklaring d.d.
12 januari 1994 heeft Gitmans vermeld dat op de gemaakte röntgenfoto’s geen
afwijkingen te zien waren, dat er geen bewustzijnsverlies was maar dat de man
wel duizelig was. Verder is daarin als huidige klachten van de man wisselende
hoofdpijn en enige evenwichtsstoornis vermeld. Volgens de verklaring van
Gitmans zijn deze laatste klachten mogelijk een gevolg van een lichte
hersenschudding.

4.7.3. In de door de man in hoger beroep overgelegde verklaring van zijn
huisarts d.d. 13 maart 1998 is vermeld dat de man in de jaren na de klap, dit
in tegenstelling met de jaren voor 1992, regelmatig op zijn spreekuur is
geweest met klachten van hoofdpijn, misselijkheid en gestoorde nachtrust, dit
laatste door op het trauma betrekking hebbende droombeelden.

4.7.4. De man heeft niet gesteld dat hij voor de gestelde klachten onder
specialistische behandeling is (geweest). Dit kan evenmin worden afgeleid uit
voormelde verklaringen van de rayonarts en de huisarts. De man heeft de
verklaring van de rayonarts dat op röntgenfoto’s geen afwijkingen te zien
waren, niet weersproken. Niet is gesteld of gebleken dat anderszins onderzoek
heeft plaatsgevonden en dat daarbij afwijkingen zijn geconstateerd. De man
heeft gesteld dat de huisarts hem heeft medegedeeld dat hij met de
restgevolgen moest leren leven en dat in feite sprake was van een
eindtoestand. Dit valt echter niet in de overgelegde verklaring van de
huisarts te lezen.

4.7.5. Op grond van het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat uit de
aard van de mishandeling, de door de man opgelopen verwondingen en de inhoud
van voormelde verklaringen van de rayonarts en huisarts in voldoende mate
aannemelijk is geworden dat de man in elk geval gedurende enige periode
hoofdpijnklachten heeft gehad. De man heeft echter niet voldoende onderbouwd
dat (nog steeds) sprake is van ernstige hoofdpijnklachten en evenmin dat hij
ten gevolge van de mishandeling in een mate van betekenis lijdt aan
evenwichtsstoornissen, duizeligheid en concentratieverlies. De man had zijn
stellingen op dit onderdeel, tegenover de betwisting door de vrouw, dienen te
onderbouwen, in elk geval ten aanzien van de gestelde duizeligheid en het
concentratieverlies. Deze klachten kunnen immers bij specialistisch onderzoek
geobjectiveerd worden. De rechtbank heeft dan ook terecht het slechts in
algemene termen door de man gedane bewijsaanbod gepasseerd.

4.7.6. De man heeft in de memorie van grieven gesteld dat hij zijn klachten
geregeld heeft geuit bij huisarts e.d. en dat hij zal trachten hun
bevindingen in verklaringen te laten opnemen en te produceren. Daarop heeft
de man alleen voormelde verklaring van de huisarts overgelegd. Overigens
heeft de man in hoger beroep geen bewijs van de gestelde klachten aangeboden.
Voorzover in de stellingen van de man in hoger beroep niettemin een
bewijsaanbod moet worden gelezen, wordt hieraan als te vaag voorbijgegaan, nu
de man niet heeft aangegeven op welke wijze hij bewijs wil bijbrengen.

4.8. De eerste grief van de man is gericht tegen de hoogte van het door de
rechtbank toegekende smartengeld.

4.8.1. Gelet op het onder 4.7.5 overwogene en het relationele karakter van de
mishandeling in aanmerking nemend, begroot het hof de door de man geleden
schade ten gevolge van de mishandeling naar billijkheid op een bedrag van ƒ
1.500. Het hof laat de door de man gestelde psychische schade ten gevolge van
het optreden van het Openbaar Ministerie buiten beschouwing, nu eventuele
schade die de man daardoor heeft geleden niet aan de vrouw kan worden
toegerekend.

4.9. De derde grief van de man betreft de afwijzing door de rechtbank van de
gevorderde vergoeding voor een overhemd, pantalon, een paar slippers en een
bril. Deze grief faalt. Het hof verwijst naar en neemt hier over hetgeen de
rechtbank op dit onderdeel heeft overwogen. Het hof voegt daar nog aan toe
dat het feit dat deze zaken, zoals de man heeft gesteld, hem direct aan het
gebeuren herinneren niet het oordeel kunnen rechtvaardigen dat de schade aan
de vrouw dient te worden toegerekend.

4.10. De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, nu
zij over en weer in het ongelijk zijn gesteld. Hiertegen is de man met de
vierde grief opgekomen. De man heeft aanvankelijk de veroordeling van de
vrouw gevorderd voor een bedrag van in totaal ƒ 26.955. Bij conclusie van
repliek heeft hij zijn vordering verminderd tot ƒ 16.955. De rechtbank heeft
hiervan een bedrag van in totaal ƒ 815 toegewezen. De rechtbank heeft dan ook
terecht de proceskosten tussen partijen op voormelde wijze gecompenseerd. Dat
het hof in hoger beroep tot toewijzing van een iets hoger bedrag komt kan
niet leiden tot een vernietiging van deze beslissing van de rechtbank. De
vierde grief van de man wordt dan ook verworpen.

4.11. Het slagen van de eerste grief in het principale appel leidt ertoe dat
het vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven.

4.12. De man is in het principale appel grotendeels in het ongelijk gesteld.
Hij zal dan ook in de kosten daarvan worden veroordeeld. De kosten van het
pleidooi zullen echter gedeeltelijk voor rekening van de vrouw worden
gelaten, voorzover die kosten als nodeloos veroorzaakt moeten worden
aangemerkt. De vrouw had immers ook bij antwoordakte op de door de man
overgelegde producties kunnen reageren. De vrouw is in het incidentele appel
in het ongelijk gesteld. Zij zal worden veroordeeld in de daaraan verbonden
kosten.

5. De beslissing

Het hof:

op het principale en incidentele appel

5.1. vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te
Maastricht van 27 februari 1997 en doet als volgt opnieuw recht:

5.2. veroordeelt de vrouw om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man
te betalen een bedrag van ƒ 1.500 aan immateriële schade en ƒ 65 aan
materiële schade, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf 11 juli 1995 tot de dag der voldoening;

5.3. wijst af het meer of anders gevorderde;

5.4. compenseert de proceskosten in eerste aanleg aldus dat iedere partij
haar eigen kosten draagt;

5.5. veroordeelt de man in een gedeelte van de kosten van het principale
appel aan de zijde van de vrouw, tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 1.800
aan salaris procureur en ƒ 590 aan verschotten, op de voet van het bepaalde
in artikel 57b Rv te voldoen aan de financiële dienst van de gerechten te
‘s-Hertogenbosch en bepaalt dat partijen voor het overige elk de eigen
proceskosten dragen;

5.6. veroordeelt de vrouw in de kosten van het incidentele appel, aan de
zijde van de man tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 600 aan salaris
procureur en nihil aan verschotten, op de voet van het bepaalde in artikel
57b Rv te voldoen aan de financiële dienst van de gerechten te
‘s-Hertogenbosch;

5.7. verklaart de onderdelen 5.2, 5.5 en 5.6 uitvoer baar bij voorraad.

Rechters

mr. Hazen

Instantie: Arrondissementsrechtbank te Haarlem, 7 oktober 1998

Instantie

Arrondissementsrechtbank te Haarlem

Samenvatting


Vrouw, gedurende negentien jaar werkzaam als visfileerster, wordt op 1
oktober 1992 ziek wegens een tenniselleboog en psychische klachten. Ingaande
19 april 1996 wordt haar WAO/AAW beëindigd omdat zij minder dan 25 procent
resp. 15 procent arbeidsongeschikt wordt geacht. De verzekeringsarts stelt
dat de vrouw vijf kg. kan tillen en dat bovenhands werken beperkt is. De
vrouw stelt dat zij leidt aan het RSI-syndroom, waardoor zij niet in staat is
tot langdurige kortcyclische arbeid. Zij stelt de geduide functies niet te
kunnen vervullen, wat wordt ondersteund door een door de vrouw overlegde
contra-expertise van een revalidatie-arts. De door de rechtbank benoemde
deskundige constateert in grote lijnen dezelfde afwijkingen als de door de
vrouw geraadpleegde revalidatie-arts. De deskundige acht de vrouw
desalniettemin geschikt de geduide functies te vervullen, waarbij hij
benadrukt dat het RSI-syndroom een omstreden beeld is dat in brede medische
kring niet als ziekte is geaccepteerd. De rechtbank ziet geen aanleiding het
oordeel van de haar ingeschakelde deskundige in twijfel te trekken. Het
beroep wordt ongegrond verklaard.

Volledige tekst

1. Ontstaan en loop van het geding.
Bij besluit van 22 februari 1996 heeft verweerder met ingang van 19 april
1996 de uitkering van eiseres ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingetrokken,
omdat eiseres minder dan 25% respectievelijk 15% arbeidsongeschikt wordt
bevonden.

Eiseres heeft bij brief van 11 maart 1996 tegen dit besluit beroep ingesteld.
De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 augustus 1996.

Verweerder heeft de op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd
alsmede een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft W.C.G. Blanken, revalidatie-arts te
Driebergen-Rijssenburg, benoemd als deskundige voor het instellen van een
onderzoek. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een
schriftelijk verslag, gedateerd 20 oktober 1997.
Vervolgens heeft de rechtbank R. Tonneyck, psychiater te Haarlem, benoemd als
deskundige. Deze deskundige heeft zijn onderzoeksbevindingen neergelegd in
een verslag van 30 maart 1998.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze met betrekking tot de
verslagen naar voren te brengen.

Het geding is op 26 augustus 1998 behandeld ter zitting. Aldaar is eiseres in
persoon verschenen, bijgestaan door mr drs J.P.M. Bol, advocaat te Alkmaar.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr G.B.A. van Ginkel,
werkzaam bij GAK Nederland BV te Haarlem.

2. Overwegingen

Vaststaande feiten.

Eiseres, laatstelijk werkzaam als visfileerster, is op 1 oktober 1992
uitgevallen vanwege een tenniselleboog en psychische klachten.

Nadat eiseres gedurende de maximum periode een uitkering ingevolge de
Ziektewet (ZW) heeft genoten, is zij met ingang van 30 September 1993 in
aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de AAW en de WAO berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Het bestreden besluit tot intrekking van de uitkering ingevolge de AAW en WAO
heeft verweerder mede doen steunen op de ter zake door de verzekeringsarts en
de arbeidsdeskundige uitgebrachte rapporten van 19 december 1995,
respectievelijk 5 februari 1996. In deze rapporten trekken zij de conclusie
dat eiseres in staat moet worden geacht de haar geduide functies te
vervullen. In het bijzonder heeft de verzekeringsarts opgemerkt dat zij
eiseres niet als eenarmige beschouwd omdat eiseres haar rechter arm kennelijk
toch voldoende gebruikt. Zij heeft met eiseres besproken dat zij maximaal 5
kg kan dragen, -eventueel links- en met beide handen tot 5 kg kan tillen. Het
reiken is beperkt bij frequent geheel strekken. Voorts stelt zij dat
bovenhands werken tintelingen geeft dus beperkt is.

Standpunten van partijen.

Eiseres stelt dat zij ten gevolge van een RSI-syndroom elleboogproblemen
heeft op grond waarvan zij niet in staat is tot langdurige repeterende
kortcyclische arbeid. Daardoor is het onmogelijk de geduide functies te
vervullen, aldus eiseres. Tevens is zij van mening dat de bijzondere eisen
die gesteld worden aan hand- en vingergebruik, gebogen werken, reiken en
tillen deze functies eveneens ongeschikt maken. Voorts heeft eiseres nog een
aantal arbeidskundige grieven.

Ter onderbouwing van haar beroep heeft eiseres een contra-expertise
overgelegd van M.D.F. van Eijsden-Besseling, revalidatie-arts te Maastricht,
gedateerd 6 oktober 1995, alsmede een aanvulling hierop van 23 september
1996. Hieruit blijkt dat zij eiseres vanwege het voorkomen van (elementen
van) langdurige repeterende kortcyclische arbeid in elk der drie geduide
functies ongeschikt acht deze te vervullen.

Verweerder is van oordeel dat het bestreden besluit op goede gronden is
genomen.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder een brief overgelegd van
haar verzekeringsarts W.M. Koek van 18 oktober 1996. Zij stelt dat wel
degelijk rekening is gehouden met het gegeven dat eiseres niet in staat is
tot het verrichten van ‘kortcyclische in combinatie met monotone arbeid.’ De
verzekeringsarts is van mening dat hiermee bij het duiden van de functies
voldoende rekening is gehouden en dat de interpretatie van revalidatie-arts
Van Eijsden-Besseling van de in deze functies voorkomende werkzaamheden in
strijd is met de uitgebreide functie-omschrijvingen.

Wettelijk kader.

De artikelen 18 van de WAO en 5 van de AAW luiden voorzover hier van belang:
1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of
gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde
personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid
verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid
gewoonlijk verdienen. (…)

5. In het eerste en tweede lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan
alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is.

6. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten
beschouwing gelaten of de werknemer de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank merkt vooreerst op dat eiseres ter zitting uitdrukkelijk heeft
gesteld haar arbeidskundige grieven niet langer te handhaven. Derhalve
resteert de grief van eiseres dat zij in verband met haar beperkingen
ongeschikt is tot het verrichten van de geduide functies.

Aangezien de standpunten van partijen over de gezondheidstoestand van eiseres
uiteenlopen, heeft de rechtbank eerdergenoemde deskundigenonderzoek gelast.

Blijkens zijn rapportage is de deskundige revalidatie-arts Blanken van mening
dat bij eiseres sprake is van gegeneraliseerde pijnklachten in hoofd,
halswervelkolom, beide schouders, beide armen en voeten, alsmede van
epicondylitiden laterales beiderzijds. Er is sprake van bewegingsbeperking
van het rechter schouder- en heupgewricht. Voorts stelt hij dat hij in grote
lijnen dezelfde afwijkingen heeft geconstateerd als revalidatie-arts Van
Eijsden-Besseling, waarbij benadrukt dat het RSI-syndroom een omstreden beeld
is dat in brede medische kring niet als ziekte is geaccepteerd.

Hij kan zich voorts -vanuit zijn eigen vakgebied- verenigen met het door de
verzekeringsarts aangegeven arbeidsbeperkingen en hij acht op grond van het
door hem bij lichamelijk onderzoek vastgestelde eiseres per 19 April 1996 in
staat de in het advies van de arbeidskundige geduide functies volledig te
vervullen.

Bij dit oordeel heeft de deskundige rekening gehouden met de inlichtingen die
over eiseres zijn verstrekt door de terzake geraadpleegde behandelend artsen.
Tot slot geeft deskundige Blanken aan dat de behandelend psychiater Henneberg
van mening is dat op basis van de op zijn vakgebied bestaande depressiviteit
die in het verleden moeilijk behandelbaar is gebleken, eiseres niet
belastbaar is voor loonvormende arbeid. Op grond hiervan adviseert hij een
aanvullend onderzoek door een psychiater te overwgen, zo niet Henneberg in
zijn mening te volgen.

De vervolgens door de rechtbank benoemde deskundige psychiater Tonneyck is
blijkens zijn verslag van oordeel dat -evenals door hem vastgesteld bij zijn
eerdere psychiatrische expertise van 5 januari 1995- bij eiseres sprake is
van een somatisatie met depressieve symptomen zonder dat sprake is van een
compleet depressief beeld. Tevens zijn er klachten die wijzen op een
migraneus beeld.

Hij stelt het niet eens te zijn met de diagnose van behandelend psychiater
Henneberg -verwoord in zijn brief aan deskundige Blanken van 29 september
1997-, te weten een chronisch gemaskeerde depressie, om de volgende redenen:
‘ de concentratie is goed, er is geen anhedonie, er is geen apathie, de
eetlust is goed (behalve tijdens migraneuze perioden) het adequaat
modulerende effect, en het niet kunnen constateren van een sombere stemming.’
Deskundige Tonneyck concludeert dat bij eiseres op 19 April 1995 sprake is
van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Deze afwijkingen zijn
weliswaar aan te merken als ziekte, doch geven hem geen aanleiding zich niet
te kunnen verenigen met de arbeidsbeperkingen die verweerders
verzekeringsarts ten aanzien van eiseres heeft vastgesteld. Voorts ontmoet de
opgave van arbeidsmogelijkheden bij hem uit medisch oogpunt geen bezwaar.
Hij geeft aan helaas geen informatie van de behandelend sector te hebben
ontvangen.

Eiseres heeft, hoewel daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld, niet
schriftelijk gereageerd op de deskundigenverslagen.

Ter zitting heeft eiseres er met name nogmaals op gewezen dat zij lichamelijk
niet in staat is tot arbeid in loondienst, zeker niet voor volle dagen. Zij
verwijst hiertoe naar het rapport van revalidatie-arts Van Eijsden-Besseling
-die gezien dient te worden als de deskundige op het gebied van RSI-, alsmede
naar diens brief van 23 September 1993 waarin zij zegt dat eiseres voor geen
der geduide functies geschikt is. Zij vindt het vreemd dat de deskundige
Blanken het met Van Eijsden-Besseling eens is over de aard van de stoornis
maar tot een tegengestelde conclusie komt dat het belastingpatroon adequaat
is.

Voorts is eiseres van mening dat twee van de drie geduide functies ongeschikt
zijn vanwege de bijzondere eisen die worden gesteld aan hand- en
vingergebruik, op welk punt zij blijkens het belastbaarheidspatroon beperkt
is.
Tevens constateert zij dat de deskundige Tonneyck en behandelend psychiater
Henneberg eveneens ernstig verdeeld zijn.
Op grond van al het naar voren gebrachte is eiseres van mening dat haar het
voordeel van de twijfel moet worden gegund.

Met betrekking tot hetgeen eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van de
bijzondere eisen die gesteld worden aan het hand- en vingergebruik bij de
functies van modinette en monteur koffiezetters is de rechtbank van oordeel
-onder verwijzing naar het belastbaarheidspatroon van 14 december 1995
alsmede de bij de brief van 2 juli overgelegde van verweerders
verzekeringsarts ten aanzien van de markeringen bij de verwoordingen
functiebelasting- dat eiseres op dit punt slechts beperkt is voor zover er
sprake is van veel moeten draaien van de ellebogen en dat daarmee bij het
duiden van de functies voldoende rekening is gehouden. De rechtbank neemt
daarbij in aanmerking dat de deskundige Blanken kennelijk geen aanleiding
heeft gezien eiseres vanwege haar beperkingen op dit punt ongeschikt te
achten voor deze functies en voorts dat de door eiseres geconsulteerde
revalidatie-arts Van Eijsden-Besseling eiseres op andere gronden ongeschikt
acht deze functies te verrichten.

Met betrekking tot de constatering van eiseres dar de deskundige Blanken en
revalidatie-arts Van Eijsden-Besseling het weliswaar eens zijn over de aard
van de stoornis doch tot een tegengestelde conclusie komen ten aanzien van
het belastbaarheidspatroon, merkt de rechtbank op dat blijkens de
gedingstukken tussen beide artsen veeleer een verschil van mening bestaat
over de vraag of eiseres met haar beperkingen geschikt is tot het verrichten
van de geduide functies dan over de vraag of het door verweerders
verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheidspatroon de beperkingen juist
weergeeft.
Nu de deskundige Blanken blijkens zijn verslag de rapportages van Van
Eijsden-Besseling uitdrukkelijk bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken en
hij hierin kennelijk geen aanleiding heeft gezien een andersluidend standpunt
in te nemen, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van het
oordeel van haar deskundige op dit punt te twijfelen.

Met betrekking tot de verdeeldheid tussen de deskundige psychiater Tonneyck
en de behandelend psychiater Henneberg aangaande de psychische geschiktheid
van eiseres de geduide functies te verrichten, overweegt de rechtbank dat
haar deskundige gemotiveerd heeft uiteengezet waarom hij het niet eens is met
de diagnose van Henneberg dat bij eiseres sprake is van een chronisch
gemaskeerde depressie en dat zij derhalve in staat moet worden geacht deze
functies te verrichten.

Nu eiseres -zoals ter zitting naar voren is gebracht- tevens zelf van mening
is dat geen sprake is van een depressie doch eerder van invloed van
lichamelijke klachten op haar geestelijke weerbaarheid, ziet de rechtbank
gelet op het vorenstaande geen aanleiding aan de juistheid van het oordeel
van haar deskundige op dit punt te twijfelen.

Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken, en eiseres evenmin
aannemelijk heeft gemaakt -bijvoorbeeld door reacties van de door haar
geraadpleegde artsen op de deskundigenverslagen te overleggen-, dat de
verslagen van de deskundigen hetzij wat betreft de daarin getrokken
conclusies, hetzij wat betreft de wijze van totstandkoming, onvolledig of
onjuist zijn, kent de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de
bevindingen van de deskundigen.

Gezien het vorenstaande alsmede de overige medische en arbeidskundige
gegevnens, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de mate van
arbeidsongeschiktheid van eiseres niet onjuist heeft vastgesteld.

Nu ook anderszins niet is gebleken van termen om het omstreden besluit te
vernietigen, zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Proceskosten.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de aprtijen zou moeten worden
veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet
gebleken.

3. Beslissing.

De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel.
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad
van Beroep, postbus 16002, 3500 DA te Utrecht.
Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een
beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending
van de uitspraak door de griffier.

Rechters

Mr G. Guinau