Instantie: President rechtbank Arnhem, 13 augustus 1998

Instantie

President rechtbank Arnhem

Samenvatting


Op 30 maart 1998 heeft eiseres aangifte gedaan van seksueel misbruik van haar
drie kinderen door de buurman. De man is daarvoor op 28 juli 1998 veroordeeld
en hij moet schadevergoeding betalen.
In kort geding wordt nu een straat-/contactverbod en een voorschot op de
schadevergoeding van ƒ 36.132,24 gevorderd. Partijen wonen in een
twee-onder-één-kap woning. De president kent een contactverbod voor de
periode van één jaar toe en een straatverbod voor de periode van een half
jaar. Dit houdt in dat de buurman tijdelijk zijn onderkomen elders moet
zoeken. Tevens wordt een voorschot op de schadevergoeding van ƒ 10.000
toegewezen. De president ziet géén aanleiding voor een verhuisgebod.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen X, heeft gedaagde hierna te noemen Y ter
terechtzitting in kort geding van 6 augustus 1998 doen dagvaarden en bij
mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Y
heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.
De advocaten van beide partijen hebben de zaak bepleit, overeenkomstig de
door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben zij producties in het
geding gebracht.
Tenslotte hebben partijen de processtukken overgelegd voor het wijzen van
vonnis.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 30 maart heeft X aangifte gedaan van seksueel misbruik van haar drie,
in de aanhef van dit vonnis genoemde, minderjarige kinderen door Y. Omstreeks
die datum is ook door een andere moeder aangifte gedaan van seksueel misbruik
van haar zoon door Y. In verband hiermee is Y op 15 april 1998 aangehouden
voor verhoor en vervolgens in voorlopige hechtenis genomen.

2.2. Bij vonnis van deze rechtbank van 28 juli 1998 is Y wegens het meerdere
malen plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van
zestien jaren veroordeeld tot 240 uren onbetaalde arbeid en een
voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. In dat vonnis is de
vordering van de benadeelde partij (de minderjarigen (…)) in zoverre
toegewezen dat Y een bedrag van ƒ 1.140,64 moet betalen als materiële
schadevergoeding en een bedrag van ƒ 2.000 als voorschot op schadevergoeding
ten behoeve van X.

2.3. Y is op 28 juli 1998 vrijgekomen.

2.4. De gezinnen van X en Y bewonen ieder de helft van een
twee-onder-een-kap-woning. De wetenschap dat Y onder hetzelfde dak verblijft,
veroorzaakt met name bij X, maar ook bij de andere gezinsleden veel spanning
en onrust. M is in therapie bij forensisch psychiater seksuoloog F. Bruinsma
te Utrecht.

2.5. Bij de verkoop in 1993 van de woning door A aan Y heeft Y verklaard dat
hij de riolering van zijn woongedeelte zou aansluiten op de riolering in de
straat en toegezegd dat hij dan ook zou zorgen voor aansluiting van de
riolering van X op zijn riolering. Dat is echter nog niet gebeurd.

2.6. X heeft ter verzekering van haar vordering op 21 juli 1998 conservatoir
beslag doen leggen op het woonhuis van Y.

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1 De volledige vordering van X is weergegeven in het exploot van
dagvaarding waarvan een kopie aan dit vonnis is gehecht. Kort samengevat
vordert X
– Y een straat- en contactverbod op te leggen;
– Y te gebieden te verhuizen dan wel hem te veroordelen tot betaling aan haar
van een verhuisvergoeding alsmede tot het (doen) aanleggen van een riolering.
– Y te veroordelen tot betaling van een voorschot op schadevergoeding ten
behoeve van X ad ƒ 13.000;
– Y te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 23.132,24 als vergoeding
van de materiële schade.

3.2 Y heeft in de eerste plaats verzocht hem enige tijd te gunnen om alles op
een rij te zetten en na te gaan welk aanbod hij X kan doen om haar tegemoet
te komen. Dit voorstel is door X van de hand gewezen. Y heeft vervolgens
afwijzing van de vordering bepleit. Op de stellingen en weren van partijen
zal, voorzover nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

ten aanzien van het straat- en contactverbod en het verhuisgebod

3.3 Vooropgesteld moet worden dat een zogenoemd straat- en contactverbod en
een verhuisgebod, zoals X vordert, een inbreuk vormen op het in beginsel aan
een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te vestigen en te verplaatsen.
Voor toewijzing van een dergelijke ingrijpende maatregel moet in ieder geval
in hoge mate aannemelijk zijn dat er feiten en omstandigheden zijn die zo’n
inbreuk op de aan Y toekomende rechten kunnen rechtvaardigen.

3.4 X voert ter onderbouwing van haar vordering aan dat de nabijheid van Y
grote spanning en onrust veroorzaakt bij de kinderen, met name bij A, en dat
dit zijn weerslag heeft op het hele gezin. Zij stelt dat het voor het
verwerkingsproces en de gemoedsrust van haar kinderen van groot belang is dat
zij voorlopig niet geconfronteerd worden met Y en dat zij ook niet de kans
lopen op een confrontatie. Daarnaast betoogt X dat de kans op herhaling van
het seksueel misbruik niet uitgesloten is. Zij meent dat Y niet beseft wat
hij teweeg heeft gebracht nu hij onmiddellijk na zijn vrijlating naar huis
teruggekeerd is, ondanks daarover gemaakte afspraken. X stelt ten slotte dat
niet is uitgesloten dat zij zich op een bepaald moment niet weet te
beheersen. Het gevaar voor eigenrichting zou dan ook, zo betoogt zij, mede
reden zijn voor toewijzing van de vordering .

3.5 Y verklaart dat hij zich terdege realiseert wat hij heeft aangericht. Dat
hij na zijn vrijlating naar huis is gekomen omdat hij, anders dan was
afgesproken, niet bij zijn broer terecht kon, valt hem niet te verwijten, zo
stelt hij, en betekent niet dat hij de ernst van de situatie niet inziet. Y
is bereid de schade voorzover dat in zijn vermogen ligt te vergoeden. Hij
voert echter aan dat hij op dit moment onvoldoende zicht heeft op zijn eigen
(financiële) situatie om met een concreet voorstel tegemoet te komen. Hij
verklaart zich verder bereid zich van ieder contact met X en haar gezin te
onthouden, maar hij verzet zich tegen het gevraagde straatverbod en
verhuisgebod, omdat hij daardoor dakloos .zou worden.

3.6 Voorzover X haar vordering onderbouwt met een verwijzing naar het gevaar
voor herhaling gaat dit slechts ten dele op. Dit gevaar – zo dit al bestaat,
want Y betwist dit – bestaat immers ook wanneer Y al dan niet tijdelijk
elders zou gaan wonen. Daarom moet de ernst van de schade bij de kinderen,
die het slachtoffer van de ontuchtige handelingen van Y zijn geworden, en hun
ouders en het belang dat zij allen bij een ongestoord verwerkings- en
genezingsproces hebben de doorslag geven.

3.7 Y heeft niet weersproken dat de kinderen en hun ouders psychische en
emotionele schade hebben geleden en tijd nodig hebben om de gebeurtenissen te
verwerken. Hij betwist evenmin dat het genezingsproces nadelig kan worden
beïnvloed door (de dreiging van) een hernieuwde confrontatie met hem. Y voert
slechts aan dat andere factoren de (psychische) problemen mede kunnen hebben
veroorzaakt.

3.8 Naar het oordeel van de president is het belang van met name X, maar ook
van de andere gezinsleden, om ongestoord zonder de voortdurende dreiging van
een confrontatie, aan het herstel te werken zeer groot. De ernst van het leed
in het gezin van X en het belang dat zij hebben bij het zoveel mogelijk
beperken van het risico van een confrontatie, rechtvaardigen in beginsel
toewijzing van het gevorderde contactverbod zij het beperkt in duur. Daaraan
staat niet in de weg dat de problemen bij X wellicht niet uitsluitend het
gevolg zijn van de ontuchtige handelingen van Y, omdat het voldoende
aannemelijk is dat deze problemen in belangrijke mate door Y zijn
veroorzaakt. Y heeft verklaard dat hij niet van plan is contact met zijn
buren te zoeken, maar de feitelijke woonsituatie maakt het vrijwel onmogelijk
om een confrontatie te vermijden. Het gevorderde straatverbod zal daarom
eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat dit verbod zal worden
beperkt tot de directe omgeving van het woonhuis van het gezin van X zoals
gearceerd is aangegeven op de aan dit vonnis gehechte plattegrond en in duur
zal worden beperkt. Voor het overige wordt het contactverbod toereikend
geacht, nu niet aannemelijk is dat Y zich opzettelijk zal begeven naar de
straten waar de kinderen veelvuldig, soms zelfs dagelijks komen. Van Y mag
verlangd worden dat hij een confrontatie uit de weg gaat. Dat dit een
aanzienlijke beperking van zijn bewegingsvrijheid betekent, staat hieraan,
gezien het seksueel misbruik, niet in de weg.

3.9 Voor een verhuisgebod is vooralsnog geen aanleiding, aangezien op dit
moment nog volstrekt onduidelijk is wat de mogelijkheden van (ieder van)
partijen zijn om in deze situatie tot een voor beiden aanvaardbare oplossing
te komen. Daarover is tot op de dag van de zitting geen enkel overleg
geweest. Voorlopig is de president van oordeel dat met een contactverbod en
een beperkt straatverbod kan worden volstaan, aangezien Y reeds hierdoor
wordt genoodzaakt zijn onderkomen tijdelijk elders te zoeken. De aard van het
seksueel misbruik rechtvaardigt op dit moment geen verderstrekkende
maatregel.

3.10 Er is aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen en aan een maximum te
binden. Er is voorshands onvoldoende aanleiding om naast de dwangsommen en de
machtiging tot tenuitvoerlegging met behulp van de sterke arm ook de ten
uitvoerlegging door vervangende gijzeling toe te wijzen.

ten aanzien van de verhuisvergoeding

3.11 Deze door Y gevraagde voorziening strekt tot betaling van een geldsom.
Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan
aanleiding, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate
aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een
onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van
terugbetaling – bij afweging van de belangen van partijen – aan toewijzing
niet in de weg staat.

3.12 Aan deze vereisten is geenszins voldaan. Het is immers onzeker of Y
genoodzaakt zal zijn te verhuizen, terwijl op dit moment evenmin kan worden
vastgesteld welke kosten daarmee gemoeid zullen zijn en in hoeverre deze
kosten aan Y zijn toe te rekenen.
Dit onderdeel van de vordering wordt daarom afgewezen.

ten aanzien van de riolering

3.13. X vordert, naar zij stelt, nakoming van een overeenkomst die ertoe
strekt dat Y voor zijn eigen rekening een aansluiting van het huis van X op
de riolering in de straat zal aanleggen.
Dat er tussen partijen een dergelijke overeenkomst tot stand zou zijn gekomen
is minst twijfelachtig. Het is veel aannemelijker dat, zoals X stelt, er bij
de overdracht van het huis is gesproken over de aansluiting van beide
woningen op de riolering, waarbij Y het voornemen heeft geuit dit zelf ter
hand te nemen en daarbij -bij wijze van vriendendienst- ook heeft toegezegd
de aansluiting van X aan te leggen. Achteraf is in de eerste plaats gebleken
dat het verstandig is de aansluiting van de riolering door een deskundige te
laten aanleggen en voorts dat dit aanzienlijke kosten (ƒ 26.000) met zich mee
zou brengen. Het is niet aannemelijk dat partijen dit bij het sluiten van de
overeenkomst voor ogen hebben gehad. Ook dit onderdeel van de vordering zal
daarom worden afgewezen.

ten aanzien van de materiële en immateriele schade

3.14 Het is voldoende aannemelijk geworden dat de kinderen, en met name A,
psychische problemen ten gevolge van de ontuchtige handelingen van Y
ondervinden. De rechtbank heeft in haar vonnis van 28 juli 1998 reeds een
bedrag aan schadevergoeding ten behoeve van A van ƒ 2.000 toegekend. Ten
aanzien van de vraag welk bedrag redelijk moet worden geacht, zal in een
bodemprocedure nader onderzoek moeten worden gedaan. Het komt de president
echter zeer aannemelijk voor dat ten behoeve van A een hoger bedrag aan
immateriële schadevergoeding zal worden vastgesteld en dat ook ten behoeve
van X en B enig bedrag wordt toegekend.
Eveneens is aannemelijk dat in verband met de problemen van de kinderen extra
kosten gemaakt zijn of moeten worden. Daarbij kan met name gedacht worden aan
de kosten van psychologische of psychiatrische begeleiding, extra opvang
thuis en reiskosten. Bovendien is niet onaannemelijk dat X en haar man enige
inkomstenderving hebben ondervonden of zullen ondervinden, omdat zij meer dan
anders tijd voor de kinderen vrij (hebben) moeten maken. In dit kort geding
is geen ruimte voor een onderzoek ten aanzien van de exacte omvang van het
verlies aan inkomsten. Dat zal in een bodemprocedure nader moeten worden
onderzocht. Voor een deel zijn deze kosten echter wel aannemelijk.
Alles bijeen genomen acht de president een voorschot op zowel materiële als
immateriële schadevergoeding van ƒ 10.000 redelijk. In zoverre zal de
vordering van X worden toegewezen.

ten aanzien van de proceskosten

3.15 Y zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden
verwezen in de kosten van dit kort geding.

4. De beslissing

De president

4.1. verbiedt Y om gedurende een jaar na betekening van dit vonnis direct of
indirect, via brieven, via derden of anderszins contact te zoeken met X en
haar gezin;

4.2. verbiedt Y om zich gedurende een half jaar na betekening van dit vonnis
te bevinden in of zich te begeven op het grondgebied van Y, zoals gearceerd
is aangegeven op de aan dit vonnis gehechte plattegrond, waarbij de aan de
rand van dat gebied liggende wegen onder het verbod zijn begrepen;

4.3. geeft machtiging tot tenuitvoerlegging van vorenstaande veroordeling
zonodig met behulp van de sterke arm;

4.4. bepaalt dat Y aan X een dwangsom verbeurt van ƒ 250 voor iedere
overtreding van de onder 4.1. en 4.2. gegeven verboden, met dien verstande
dat boven een bedrag van ƒ 100.000 geen dwangsommen meer zullen worden
verbeurd;

4.5. veroordeelt Y tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan X te betalen een
bedrag van ƒ 10.000 (tienduizend gulden) als voorschot op schadevergoeding;

4.6. veroordeelt Y in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de
zijde van X begroot op ƒ 1.550 voor salaris van haar procureur en op ƒ 495,79
voor verschotten (ƒ 370 wegens griffierecht en ƒ 125,79 wegens het uitbrengen
van de dagvaarding.

4.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.8. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd

Rechters

Mr van Rossem

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 7 augustus 1998

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


De vrouw volgt een opleiding tot verkeersvlieger. Zij heeft het
theorie-examen gedaan. Dit examen was volgens de standaardnorm geldig tot
juni 1997. Voor deze datum diende zij praktijkexamen te doen. In verband met
haar zwangerschap heeft zij verlenging van de geldigheidsduur van het
theorie-examen gevraagd. Door de Rijksluchtvaartdienst is dit afgewezen. De
Cgb heeft geoordeeld dat hier sprake is van indirecte discriminatie (Cgb 4
november 1997, RN 1998, 877). De Rijksluchtvaartdienst wil zijn beslissing
echter niet herzien. De vrouw gaat in beroep bij de rechtbank en vraagt eerst
een voorlopige voorziening aan. De voorlopige voorziening wordt afgewezen
omdat, volgens de president, de zwangerschap op zich niet als bijzonder geval
is te beschouwen. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen op grond
waarvan geoordeeld moet worden dat zwangerschap leidt tot een onvoorziene
situatie. In dit geval oordeelt de president dat daarvan geen sprake is.
Zeker gezien het feit dat niet kan gesproken kan worden van een goede
studieplanning.

Volledige tekst

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder van 10 maart 1998, kenmerk JBZ/L 98.210078.

2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerder heeft bij besluit van 18 juni 1997 het verzoek van verzoekster tot
verlenging van de geldigheidstermijn van haar theoretisch examen vliegbewijs
BI afgewezen.

Daartegen heeft verzoekster op 25 juli 1997 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van verzoekster
ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft mr. J.l. van der Winden, advocaat te Amsterdam, bij
beroepschrift van 17 april 1998 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Bij brief van 16 juni 1998 heeft mr. Van der Winden, voornoemd, zich namens
verzoekster tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek een
voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft desgevraagd de op de zaak betrekking hebbende stukken ter
griffie ingezonden.

Het verzoek is op 27 juli 1998 ter zitting behandeld. Verzoekster is in
persoon verschenen, bijgestaan door mr. van der Winden voornoemd. Verweerder
heeft zich laten vertegenwoordigen door M.P.C. Bruinhof, juridisch medewerker
bij de afdeling Juridische en Bestuurlijke Zaken van het Directoraat-Generaal
Rijksluchtvaartdienst van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, en M.N.A.
Burgers, hoofd Bewijzen van Bevoegdheid van de afdeling Vliegzaken van de
Directie Luchtvaartinspectie van het Directoraat-Generaal
Rijksluchtvaartdienst van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

3. MOTIVERING

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te
worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het
treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste
belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de
verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het
door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 Awb is de president bevoegd onmiddellijk uitspraak te
doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als
bedoeld in artikel 8:81 Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is
ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel
8:83, eerste lid Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan
de beoordeling van de zaak.

De president is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak
geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting
zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de
bevoegdheid in artikel 8:86 Awb, bestaat er geen beletsel voor toepassing van
dat artikel

Feiten
Verzoekster beschikt over een vliegbewijs A (privé-vlieger 1e klasse).
Verzoekster is tevens in het bezit van een geldig theoretisch examen voor het
vliegbewijs B3 (beroepsvlieger). Dit examen blijft geldig zolang zij houder
is van een geldig vliegbewijs A. In mei 1994 heeft verzoekster het
theoretisch examen voor het vliegbewijs B1 (verkeersvlieger 1e klasse)
behaald. Dit examen behoudt geldigheid gedurende de periode waarin een houder
in het bezit is van een geldig vliegbewijs B3. Bezoekster is niet in het
bezit van een geldig vliegbewijs B3, waardoor de geldigheidsduur van het
theoretisch examen verstreek op 31 mei 1997.

Op 6 mei 1997 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor het afleggen van
het praktisch examen B3.

Bij schrijven van 26 mei 1997 heeft verzoekster in verband met haar
zwangerschap verzocht om de geldigheidsduur van het theoretisch examen B1 te
verlengen met een periode van zes maanden en zes weken.

Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 18 juni 1997 afgewezen.

Verzoekster heeft zich vervolgens gewend tot de Commissie Gelijke Behandeling
(hierna de Commissie). De Commissie heeft op 4 november 1997 het oordeel
uitgesproken dat de Minister van Verkeer en Waterstaat jegens verzoekster
indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Bij bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoekster
tegen het besluit van 18 juni 1997 ongegrond verklaard en dit besluit
gehandhaafd. Verweerder heeft hierbij onder meer overwogen dat er geen sprake
is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 2 van de Regeling van 3
maart 1988 (Stcrt.54), houdende vaststelling geldigheidsduur bewijzen van
bevoegdheid en bevoegdheidsverklaringen.

Het standpunt van partijen
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet wordt
gedragen door een deugdelijke motivering en dat daarmee rechtsongelijkheid
wordt gecreëerd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verweerder ten onrechte het
Oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling heeft genegeerd. Verzoekster
bestrijdt dat bij verlenging van de geldigheidsduur van het theoretische
examen niet meer kan worden ingestaan voor de theoretische kennis van de
kandidaat.

Verweerder heeft medegedeeld dat in verband met de algehele vliegveiligheid
strikt de hand wordt gehouden aan de maximale geldigheidsduur van maximaal 36
maanden van het theoretisch examen. In bijzondere gevallen is verlenging van
deze termijn slechts mogelijk voor een maand. Ten aanzien van verzoekster is
er geen sprake van een bijzonder geval. Verweerder heeft er voorts op gewezen
dat in de meeste landen de termijn tussen het theoretisch examen en het
praktisch examen als absolute termijn wordt gehanteerd en met het oog op de
vliegveiligheid in het geheel geen verlenging van deze termijn wordt gegeven.
Nederland heeft zich inmiddels verplicht om voor 1 juli 1999 de JAR-FC
in de nationale regelgeving te implementeren; de in de JAR-FCL geregelde
termijn waarbinnen een vliegbewijs moet zijn afgegeven, is aanzienlijk minder
dan de nu geldende ternmijnen, aldus verweerder.

Overwegingen
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Luchtvaartwet is het bedienen van een
luchtvaartuig zonder een geldig bewijs van bevoegdheid verboden.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart
(hierna: RTL) wordt een bewijs van bevoegdheid of een bevoegdheidsverklaring
afgegeven aan ieder die daartoe een aanvraag indient, mits hij voor het
betreffende bewijs van bevoegdheid aan een viertal eisen voldoet. Een van die
eisen houdt in dat met goed gevolg de vereiste examens zijn afgelegd.

De bedoelde examens (een theoretisch examen en een praktisch examen) dienen
ingevolge artikel 22, tweede lid, sub c, RTL binnen een door de Minister vast
te stellen, onmiddellijk aan de afgifte van het bewijs van bevoegdheid
voorafgaande, termijn te zijn afgelegd.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Regeling van 3 maart 1988 (Stcrt.
54), houdende vaststelling geldigheidsduur bewijzen van bevoegdheid en
bevoegdverklaringen (hierna: de Regeling) kunnen bewijzen van bevoegdheid en
bevoegdverklaringen alleen worden afgegeven wanneer de in dit lid aangegeven
termijn tussen de examens en de afgifte van het vliegbewijs niet is
overschreden. De geldigheidstermijn van de theoretische examens B1 en B3
bedraagt 36 maanden. Het praktisch examen dient binnen deze termijn met goed
gevolg te zijn afgelegd en het betreffende vliegbewijs moet zijn afgegeven.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling kan van de in artikel 1 genoemde termijn
worden afgeweken indien er sprake is van een bijzonder geval.

In het kader van het streven naar een zo veilig mogelijke vluchtuitvoering
voert verweerder ten aanzien van de verlenging van de geldigheidsduur van het
theoretisch examen een zeer terughoudend beleid. Er dient voldoende samenhang
te bestaan tussen het theoretisch examen, het praktisch examen en de afgifte
van een vliegbewijs. In bijzondere gevallen kan de geldigheidsduur van het
theoretisch examen worden verlengd met maximaal een maand. Als bijzondere
gevallen worden slechts die gevallen aangemerkt waarbij sprake is van een
onvoorziene, zeldzame, individuele, niet in de persoon gelegen situatie. Er
moet dan bovendien sprake zijn van een goede studieplanning.

Ter zitting heeft verweerder als voorbeeld genoemd het geval wanneer de
kandidaat, ondanks een goede studieplanning, op de dag van het afleggen van
het praktijkexamen plotseling ziek is geworden of dat het examen door slechte
weersomstandigheden geen doorgang kan vinden. Onder een goede studieplanning
verstaat verweerder een zodanige planning van het praktisch examen dat de
kandidaat, rekening houdend met onverwachte situaties, redelijkerwijs binnen
een periode van 36 maanden in het bezit is van het betreffende vliegbewijs.

Dit beleid wordt niet onredelijk of rechtens onjuist geacht.

De president ziet zich thans gesteld voor de vraag of verweerder zich terecht
op het standpunt heeft gesteld dat er ten aanzien van verzoekster geen sprake
is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 2 van de Regeling.

Ingevolge artikel 6, twintigste lid, van de Regeling inzake de eisen voor
lichamelijke en geestelijke geschiktheid (Stcrt 1988, 137) wordt een zwangere
vrouw in het eerste en het derde trimester van de zwangerschap medisch
ongeschikt geacht om een vliegtuig te bedienen.

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat zwangerschap op zichzelf
niet wordt beschouwd als een bijzonder geval. Zo al moet worden geoordeeld
dat zwangerschap onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een
onvoorziene situatie, is verweerder van mening dat in het geval van
verzoekster geen sprake is van een goede studieplanning.

Naar het oordeel van de president is het standpunt van verweerder, inhoudende
dat zwangerschap op zichzelf niet wordt beschouwd als een bijzonder geval, in
overeenstemming met het door verweerder ontwikkelde beleid. Er kunnen zich
evenwel omstandigheden voordoen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat
zwangerschap leidt tot een onvoorziene situatie. Een zodanige situatie doet
zich voor in het geval dat de dag waarop het praktisch examen zal worden
afgenomen valt in een periode van drie maanden voorafgaand aan de dag waarop
de geldigheidsduur van het theoretisch examen afloopt en betrokkene bij de
aanvang van deze periode zwanger raakt, met als gevolg dat zij gedurende deze
periode (eerste trimester van de zwangerschap) medisch ongeschikt is. Voor
het aannemen van een bijzonder geval zal dan nog wel sprake moeten zijn van
een goede studieplanning.

Ten aanzien van het geval van verzoekster wordt het volgende overwogen.

Blijkens de gedingstukken verbleef verzoekster na het behalen van het
theoretisch examen in mei 1994 enige tijd in het buitenland. Na haar
terugkomst in augustus 1996 heeft zij nog enkele maanden haar ouders
verzorgd. Begin november 1996 raakte verzoekster zwanger. Op 1 juni 1997
verstreek de geldigheidstermijn van het theoretisch examen.

Op grond van de Regeling inzake de eisen voor lichamelijke en geestelijke
geschiktheid kon verzoekster gedurende de maanden november en december 1996,
januari en mei 1997 geen praktisch examen afleggen wegens medische
ongeschiktheid. Verzoekster was gedurende de maanden februari, maart en april
1997 wel medisch geschikt en dus in staat om het examen af te leggen. Eerst
op 6 mei 1997, derhalve bij aanvang van het derde trimester van haar
zwangerschap en drie weken voor het verstrijken van de geldigheidstermijn van
het theoretisch examen B1, heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor het
afleggen van het praktisch examen B3.

Op grond van het vorenstaande moet worden geoordeeld dat zwangerschap in het
geval van verzoekster niet kan worden aangemerkt als een onvoorziene
situatie, terwijl evenmin kan worden gesproken van een goede studieplanning.
Dat verzoekster, naar haar zeggen, niet bekend was met het bepaalde in
artikel 6, twintigste lid, van de Regeling inzake de eisen voor lichamelijke
en geestelijke geschiktheid maakt dit niet anders, aangezien verzoekster
hiermee bekend had kunnen en behoren te zijn. Naar het oordeel van de
President heeft verweerder zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat
er geen sprake is van een bijzonder geval.

Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder het Oordeel van de Commissie ten
onrechte heeft genegeerd.

De Commissie heeft in haar Oordeel van 4 november 1997 onder meer het
volgende overwogen:

4.6. De wederpartij honoreert een verzoek om uitstel uitsluitend op grond van
de hierboven genoemde criteria, voorzover de gevraagde verlenging de
gebruikelijke tijd van een maand niet te boven gaat. Door het strak hanteren
van de termijn van een maand zullen vrouwen die zwanger zijn onevenredig
getroffen worden: uit de aard van de zwangerschap vloeit voort dat zij immers
vaker niet genoeg hebben aan een verlenging voor een maand. De commissie is
daarom van mening dat indirect onderscheid is gemaakt naar geslacht door bij
de weigering om verzoekster gevraagde verlenging te verlenen strak vast te
houden aan de termijn van een maand.

De Commissie heeft vervolgens geoordeeld dat geen objectieve
rechtvaardigingsgrond kan worden gevonden voor het door verweerder gevoerde
beleid en dat dit beleid daardoor in strijd is met artikel 4, eerste lid, van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Overwogen wordt dat het Oordeel van de Commissie uitsluitend betrekking heeft
op de termijn van een maand waarmee de geldigheidsduur van een theoretisch
examen kan worden verlengd. Verlenging van de termijn is in casu echter niet
aan de orde, nu het onderhavige geschil zich beperkt tot de vraag of sprake
is van een bijzonder geval op grond waarvan verlenging van de
geldigheidstermijn gerechtvaardigd is. Aangezien aan verzoekster geen
verlenging is toegekend, moet worden geoordeeld dat verweerder het Oordeel
van de Commissie terecht niet bij zijn uiteindelijke beslissing heeft
getrokken.

Verzoekster heeft ter zitting de President uitdrukkelijk verzocht om bij de
beoordeling van het bestreden besluit aandacht te besteden aan het Oordeel
van de Commissie. De President acht zich hiertoe niet bevoegd, aangezien de
duur van de verlengingstermijn in deze procedure niet aan de orde is en een
oordeel hieromtrent de grenzen van het onderhavige geschil te buiten zou
gaan.

Gelet op voorgaande overwegingen dient het beroep ongegrond te worden
verklaard.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding tot het
treffen van een voorlopige voorziening.

Voorts wordt geen aanleiding gevonden om gebruik te maken van de bevoegdheid
tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een grond aanwezig om te
bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De president,

– verklaart het beroep ongegrond;
– wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Rechters

Mr Gerritzen-Rode

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 6 augustus 1998

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De ouders van een kind dat door een medische fout ernstig letsel heeft
opgelopen, vorderen immateriële schadevergoeding van het ziekenhuis. De
rechtbank kent de vordering toe, Rb Amsterdam 5 juli 1995, NJ-kort 1995/35.
Het ziekenhuis gaat in beroep. Het hof oordeelt dat op grond van art. 1407 BW
(oud) slechts de gewonde zelf vergoeding kan vorderen van schade die hij
heeft geleden als gevolg van het hem toegebrachte letsel. Ook volgens huidig
recht (art. 6:107 BW) is het niet mogelijk. Wel is het mogelijk voor derden
om de zogenaamde verplaatste schade, zoals omschreven in lid 1 van dat
artikel te vorderen.
Het beroep van de ouders op artikel 8 EVRM, doordat de integriteit van het
gezinsleven geschonden is door de medische fouten en de daaraan gebonden
gevolgen, wordt verworpen. Artikel 8 strekt niet tot bescherming van het door
de ouders naar voren gebrachte belang.

Volledige tekst

1. Het procesverloop in hoger beroep
Bij exploot van 27 september 1995, waarbij appellanten (hierna: X-1 c.s.)
geïntimeerden (hierna Y-1 c.s.) voor het hof hebben gedagvaard, zijn X -1
c.s. in hoger beroep gekomen van het door de arrondissementsrechtbank te
Amsterdam onder rolnummer H 92.2816 tussen partijen gewezen en op 5 juli 1995
uitgesproken vonnis.

Bij memorie hebben X-1 c.s. zes grieven tegen het vonnis aangevoerd en
geconcludeerd dat het hof het rechtbankvonnis zal vernietigen en, opnieuw
rechtdoende, de vorderingen van Y-1 c.s. zal afwijzen, met veroordeling
-uitvoerbaar bij voorraad- van Y-1 c.s. in de kosten van de beide instanties.

Y-1 c.s. hebben bij memorie van antwoord de grieven bestreden, producties
overgelegd en -zelf incidenteel appellerend- drie incidentele grieven tegen
het rechtbankvonnis opgeworpen, alles met conclusie dat het hof het
principaal appel zal verwerpen en het door Y-1 c.s. in eerste aanleg
gevorderde zal toewijzen, met veroordeling van X-1 c.s. in de gedingkosten.

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel hebben X-1 c.s. de grieven
bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het appel, kosten rechtens.

Partijen hebben hun standpunten door hun procureurs doen bepleiten aan de
hand van overgelegde pleitaantekeningen.

Partijen hebben de gedingstukken in beide instanties, waarvan de inhoud als
hier ingelast geldt, aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende
voornoemde memories.

3. Waarvan het hof uitgaat

De rechtbank heeft in haar vonnis onder 1.a tot en met 1.h een aantal ten
processe vaststaande feiten opgesomd. Daartegen is geen grief gericht, zodat
ook het hof van die feiten uitgaat. Daarnaast staat in hoger beroep tussen
partijen vast dat op 7 maart 1994 tussen Y-1 c.s. in hun hoedanigheid van
wettelijk vertegenwoordigers van J. enerzijds en de Consumentenbond
anderzijds een overeenkomst van dading is gesloten, waarbij de
Consumentenbond -tegen finale kwijting- heeft erkend jegens haar wederpartij
ƒ 237.880 aan schadevergoeding verschuldigd te zijn in verband met door haar
in de jaren 1986 tot en met 1991 aan die wederpartij verleende ondeskundige
bijstand bij de afhandeling van de schadeclaim op X-1 c.s. terzake van de
door J. geleden schade, welke afhandeling had geleid tot de overeenkomst van
dading van 23 mei 1991. In de overeenkomst van dading van 7 maart 1994 staat
vermeld dat deze betrekking heeft ‘op alle schade hoegenaamd, zowel materieel
als immaterieel, door Y-1 q.q. geleden, en/of nog te lijden’. Voorts staat
daarin: ‘Met name verklaart Y-1 q.q. dat de schadecomponenten hoe ook genaamd
in de onderhandelingen ter sprake zijn gekomen. De finale kwijting geldt dus
voor alle schadeposten, gene uitgezonderd’.

4. Beoordeling van het principale en incidentele hoger beroep

4.1 Terecht is tussen partijen niet in geschil dat dit geding dient te worden
beslecht aan de hand van het vóór 1 januari 1992 geldende burgerlijke recht.

4.2 Y-1 c.s. vorderen van X-1 c.s. de schade die zij, Y-1 c.s., pro se
geleden hebben tengevolge van de aan X-1 c.s. toe te rekenen medische fouten.
Zij hebben allereerst aan die vordering ten grondslag gelegd dat X-1 c.s.
jegens hen tot vergoeding van die schade gehouden zijn op grond van de door
hen jegens J. gepleegde wanprestatie danwel hun onrechtmatig handelen jegens
J..

4.3 Y-1 c.s. beroepen zich in dit verband op anticipatoire toepassing van
artikel 6:107 BW, stellend dat de gevorderde schade als zogenaamd verplaatste
schade -zoals in lid 1 van dat artikel omschreven- voor vergoeding in
aanmerking komt. De rechtbank heeft de vraag naar die anticipatoire
toepassing in het midden gelaten, overwegende -zakelijk- dat indien en voor
zover sprake is van verplaatste schade in de zin van artikel 6:107 BW, die
schade reeds is vervat in de overeenkomst van dading van 23 mei 1991, zodat
terzake geen vorderingsrecht meer bestaat.

4.4 Tegen dit oordeel richt zich de tweede incidentele grief. Ook indien er
-veronderstellenderwijs- van wordt uitgegaan dat de gevorderde schade
verplaatste schade is in de zin van artikel 6:107 BW en dat die schade niet
in de overeenkomst van dading van 23 mei 1991 (tussen Y-1 c.s. en X-1 c.s.)
of in die van 7 maart 1994 (tussen Y-1 c.s. en de Consumentenbond) is
begrepen en dus niet op grond van die overeenkomsten aan Y-1 c.s. is vergoed,
baat dat Y-1 c.s. niet. Waar op grond van het vóór 1 januari 1992 geldende
burgerlijke recht de verplaatste schade als bedoeld in het huidige artikel
6:107 BW niet voor vergoeding in aanmerking kwam -gelet op hetgeen hierna
onder 4.11 e.v. omtrent artikel 1407 BW (oud) wordt overwogen-, is het recht
op dit punt bij de invoering van genoemd artikel in zodanige mate gewijzigd,
dat voor anticipatoire toepassing van dat artikel geen plaats is. Er zijn
geen feiten of omstandigheden aangevoerd of anderszins gebleken, die tot een
andersluidende slotsom nopen. De onder 4.2 omschreven grondslag van de
vordering van c.s. is derhalve ondeugdelijk. De rechtbank heeft zulks terecht
beslist, wat er ook zij van de daartoe door haar gebezigde motivering. De
tweede incidentele grief faalt.

4.5 De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat X-1 c.s. de in geding zijnde
overeenkomst (tot medische behandeling van J.) niet alleen met c.s. zijn
aangegaan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van J., doch
eveneens met Y-1 c.s. pro se. Tegen dat oordeel is de eerste principale grief
gericht.

4.6 Anders dan Y-1 c.s. stellen, kan aan de tekst noch aan de
wetsgeschiedenis van de sedert 1 april 1995 geldende artikelen 7:446 tot en
met 468 BW (waarvan hier met name artikel 465 lid 1 juncto artikel 453 van
belang is) een aanknopingspunt worden ontleend voor het oordeel dat in zaken
als deze, waarbij de ouders van een minderjarige in hun hoedanigheid van
diens wettelijke vertegenwoordiger met een arts contracteren, ook een
contractuele relatie ontstaat tussen die arts en de ouders pro se. Het beroep
dat Y-1 c.s. op die artikelen hebben gedaan, berust derhalve op onjuiste
grond, nog daargelaten dat de genoemde artikelen ten tijde van het aan X-1
c.s. verweten handelen niet van kracht waren.

4.7 Vervolgens dient te worden vastgesteld of er in het licht van de algemene
rechtsregels aangaande de totstandkoming van overeenkomsten, overigens grond
bestaat voor het oordeel dat Y-1 c.s. pro se met X-1 c.s. hebben
gecontracteerd. Hierbij dient uitgangspunt te zijn dat wettelijke
vertegenwoordigers van een minderjarige, die de minderjarige ter behandeling
aan een arts aanbieden en dienaangaande met de arts een overeenkomst sluiten,
zulks doen uit naam van de minderjarige omdat diens minderjarigheid (in het
bijzonder bij kinderen van de leeftijd die J. toentertijd had) er toe noopt
dat zijn in geding zijnde belangen vor hem door een ander behartigd worden en
op de wettelijke vertegenwoordigers terzake een wettelijke zorgplicht rust.
In het licht van dit uitgangspunt bezien, is slechts sprake van een door de
wettelijk vertegenwoordigers pro se met de arts gesloten overeenkomst, indien
de arts -behalve de aan de ouders q.q. aangeboden prestatie tot behandeling
van de minderjarige- tevens een (daarvan) te onderscheiden prestatie aan de
wettelijk vertegenwoordigers pro se heeft aangeboden en deze is aanvaard,
hetzij doordat een en ander met zoveel woorden door partijen is besproken,
hetzij doordat dat aanbod en die aanvaarding overigens uit de omstandigheden
van het geval moeten worden afgeleid. Y-1 c.s. hebben onvoldoende feiten en
omstandigheden gesteld om de slotsom te rechtvaardigen dat daarvan in casu
sprake is. Tussen partijen staat immers vast dat zij in woord noch geschrift
uitdrukkelijk hebben besproken ten behoeve van wie Y-1 c.s. de overeenkomst
met X-1 c.s. hebben gesloten. Bovendien zijn er geen feiten of omstandigheden
gesteld of gebleken die overigens enig nader licht werpen op de betreffende
feitelijke gang van zaken. Dat Y-1 c.s. een eigen belang hadden bij correcte
nakoming van de ten behoeve van J. gesloten overeenkomst, is -hoezeer ook te
respecteren- van onvoldoende gewicht om in voornoemde slotsom verandering te
brengen.

4.8 De rechtbank heeft derhalve ten onrechte een contractuele relatie tussen
X-1 c.s. en Y-1 c.s. pro se aangenomen. De eerste principale grief slaagt.
Ook de derde en vierde principale grief slagen, daar deze grieven terecht
opkomen tegen het rechtbankoordeel dat Y-1 c.s. recht hebben op materiële en
immateriële schadevergoeding op de grond dat X-1 c.s. jegens hen pro se
wanprestatie hebben gepleegd.

4.9 De rechtbank heeft geoordeeld dat X-1 c.s. niet jegens Y-1 c.s.
aansprakelijk zijn uit onrechtmatig handelen, omdat daartoe geen ruimte
bestaat naast de door de rechtbank uitgespoken aansprakelijkheid uit
wanprestatie. Tegen dit oordeel richt zich de eerste incidentele grief,
waarin Y-1 c.s. betogen dat daartoe wel ruimte bestaat. Zowel het
rechtbankoordeel als de grief gaan er ten onrechte van uit dat X-1 c.s.
contractueel jegens Y-1 c.s. pro se gebonden waren. Reeds hierom behoeven zij
geen verdere bespreking.

4.10 De tweede principale grief is gericht tegen het rechtbankoordeel
aangaande de toepasselijkheid van artikel 1407 BW (oud), welk oordeel
eveneens uitgaat van het bestaan van een contractuele relatie tussen X-1 c.s.
en Y-1 pro se. Omdat het hof die contractuele relatie niet aanwezig oordeelt,
ontvalt aan dat rechtbankoordeel iedere betekenis. X-1 c.s. hebben daarom
geen belang bij deze grief, zodat deze niet verder behoeft te worden
besproken.

4.11 Vervolgens dient het hof te beoordelen of de vordering van Y-1 c.s.
toewijsbaar is op grond van door hen als subsidiaire grondslag gesteld
onrechtmatig handelen van X-1 c.s. jegens hen. Bij deze beoordeling staat de
betekenis van het toepasselijke artikel 1407 BW (oud) centraal.

4.12 Artikel 1407 BW (oud) hield -naar vaste rechtspraak- in dat slechts de
gewonde zelf vergoeding kon vorderen van schade die hij had geleden als
gevolg van het hem toegebrachte letsel. Er was derhalve naast de vordering
door de gewonde zelf geen plaats voor een vordering tot vergoeding van
materiële of immateriële schade die anderen als gevolg van de kwetsing of
verminking leden. Zulks ligt voorts besloten in de wetsgeschiedenis van de
pendant van artikel 1407 BW (oud) in het huidige recht, het voornoemde
artikel 6:107 BW, waaruit bovendien blijkt dat de wetgever bij de invoering
van het huidige burgerlijke recht heeft beoogd het voornoemde recht niet te
wijzigen, anders dan door invoering van de mogelijkheid voor derden om de
zogenaamde verplaatste schade, zoals omschreven in lid 1 van dat artikel, te
vorderen.

4.13 Dat er buiten de door artikel 1407 BW (oud) bestreken gevallen na
verwonding of kwetsing van een ander mogelijkheden bestaan om geleden schade
te verhalen wanneer die schade gelegen is in aantasting van de persoon, doet
aan de genoemde werking van artikel 1407 BW (oud) niet af.

4.14 In dit licht bezien helpt het Y-1 c.s. niet dat zij hun schadevordering,
wat de immateriële schade aangaat, mede hebben gebaseerd op de aantasting
door X-1 c.s. van hun persoon, bestaande in de emotionele schok die zij
hebben ondergaan naar aanleiding van de door X-1 c.s. begane medische fouten.
Ook aldus geformuleerd moet die schade immers niet als gevolg van die schok
zelf worden gezien -in welk geval die schade buiten de werkingssfeer van
artikel 1407 BW (oud) had kunnen vallen-, maar als gevolg van hetgeen
waardoor die schok werd veroorzaakt: het door de medische fouten van X-1 c.s.
aan J. toegebrachte letsel. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade
volgt dit uit de aard van die schade. De gevorderde materiële schade behoeft
in dit verband geen bespreking nu Y-1 c.s. die schade blijkens hun stellingen
niet als onderdeel van de gestelde schokschade hebben gevorderd.

4.15 Artikel 1407 BW (oud) is onverkort op de vordering van Y-1 c.s. van
toepassing. Die vordering komt echter op grond van het onder 4.11 overwogene
niet voor toewijzing in aanmerking. Of X-1 c.s. jegens Y-1 c.s. onrechtmatig
hebben gehandeld, kan in dit verband dan ook in het midden worden gelaten.

4.16 Het voorgaande is niet anders op grond van het door Y-1 c.s. aan hun
vordering uit onrechtmatig handelen ten grondslag gelegde beroep op artikel 8
van het EVRM. Y-1 c.s. stellen dat X-1 c.s. door de medische fouten en de
daaraan voor hun gezinsleven verbonden gevolgen, de integriteit van dat
gezinsleven ernstig hebben geschonden, hetgeen een zelfstandige
schadevergoedingsgrond oplevert. Het beroep op artikel 8 EVRM moet worden
verworpen omdat dat artikel niet strekt tot bescherming van het in dit
verband door Y-1 c.s. gestelde en beweerdelijk geschonden belang. De daarop
betrekking hebbende derde incidentele grief faalt.

4.17 Hoe duidelijk ook moge zijn dat de door X-1 c.s. gemaakte medische
fouten zeer ingrijpende gevolgen hebben voor het persoonlijk leven van Y-1
c.s. en hoezeer de wijze waarop zij in het licht van die gevolgen hun leven
vorm geven ook dient te worden gerespecteerd, hun vorderingen tot vergoeding
van de door hen pro se geleden materiële en immateriële schade zijn -als niet
op de wet gegrond- niet voor toewijzing vatbaar.

4.18 Gelet hierop komt aan de vijfde en zesde grief geen zelfstandige
betekenis toe, zodat zij geen bespreking behoven.

5. Slotsom

De eerste, derde en vierde principale grief slagen. De tweede, vijfde en
zesde principale grief behoeven dientengevolge geen bespreking, evenals de
eerste incidentele grief. De tweede en derde incidentele grief falen. Het
vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. De vordering van Y-1 c.s.
dient alsnog te worden afgewezen. Y-1 c.s. zullen als de in het ongelijk
gestelde partij in de kosten van beide instanties worden verwezen.

Beslissing
Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

opnieuw rechtdoende, wijst de vorderingen van Y-1 c.s. af;

veroordeelt Y-1 c.s. in de gedingkosten van de beide instanties, aan de zijde
van X-1 c.s. tot op heden begroot op ƒ 10.000 in eerste aanleg, op ƒ
11.806,57 in principaal appel en op ƒ 4.650 in incidenteel appel;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

mrs. Van der Reep, Steenbergen en Veger

Instantie: Rechtbank Assen, 4 augustus 1998

Instantie

Rechtbank Assen

Samenvatting


Eiseres, een vrouw die haar ex-man in de rug heeft geschoten, zal binnenkort
onder elektronisch toezicht te worden geplaatst in haar huis. Zij vordert
oplegging van een straatverbod aan de man omdat hij een stalker/belager is.
De eis wordt afgewezen omdat de situatie niet bedreigend genoeg is voor de
kinderen van de vrouw.

Volledige tekst

OVERWEGINGEN

1. De vordering en het procesverloop

1.1. Eiseres heeft bij dagvaarding gevorderd dat de president bij vonnis in
kort geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar:
a. gedaagde zal verbieden zich in de nabijheid van eiseres en/of haar
kinderen op te houden of persoonlijk of schriftelijk contact te zoeken of
zich op andere wijze hinderlijk jegens eiseres en/of haar kinderen te
gedragen, in het bijzonder gedaagde zal verbieden zich op te houden binnen de
gemeente Meppel en binnen een straal van 20 kilometer rond de gemeente Meppel
met uitzondering van de A28, zulks op straffe van lijfsdwang voor de duur van
dertig dagen per overtreding van het gevraagde verbod;
b. eiseres zal machtigen om zonodig met behulp van de sterke arm van justitie
en politie het vonnis ten uitvoer te leggen;
c. gedaagde zal veroordelen in de kosten van het geding.

1.2. Ter zitting van 28 juli 1998 heeft eiseres bij monde van haar advocaat
geconcludeerd overeenkomstig de dagvaarding.

1.3. Gedaagde heeft de vorderingen bestreden bij monde van zijn gemachtigde.

1.4. Beide partijen legden pleitaantekeningen over, waarna zij vonnis
verzochten.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking d.d. 30
september 1996 van de rechtbank Zwolle is de echtscheiding tussen partijen
uitgesproken. Deze beschikking is op 26 november 1996 ingeschreven in de
registers van de burgerlijke stand.
Uit het huwelijk zijn de volgende minderjarigen geboren:
– T., 8 jaar oud;
– F., 5 jaar oud.

2.2. Bij vonnis d.d. 14 augustus 1999 van de president van de rechtbank
Zwolle is het gedaagde verboden zich in de nabijheid van eiseres op te houden
en in het bijzonder zich op te houden in de gemeente Meppel voor de duur van
één jaar.

2.3. Op 29 december 1997 heeft eiseres gedaagde neergeschoten. Zij is
veroordeeld wegens poging tot moord en is momenteel gedetineerd in de PIZ.

2.4. De minderjarigen verblijven in het huis van eiseres en worden verzorgd
door de moeder van eiseres, die in het huis van eiseres verblijft.

2.5. Bij beschikking d.d. 19 februari 1998 van deze rechtbank zijn de
minderjarigen onder toezicht gesteld met aanwijzing van de Ambulante
Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening Leger des Heils (AJL) te Groningen
als gezinsvoogdij-instelling. In het kader van de ondertoezichtstelling zijn
de kinderen onderzocht in de polikliniek van het Kinderpsychiatrisch Centrum
‘De Ruyterstee’ te Assen.

2.6. Bij beschikking d.d. 19 maart 1998 heeft de rechtbank Zwolle het verzoek
van gedaagde tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen. Gedaagde
heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld, dat eind augustus zal
worden behandeld.

2.7. Ter zitting van 10 augustus 1998 zal door deze rechtbank het verzoek van
gedaagde tot het vaststellen van een omgangsregeling worden behandeld.

2.8. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om. geplaatst te worden onder
Elektronisch Toezicht (ET). Op deze aanvraag dient de Selectie Advies
Commissie van het Ministerie van Justitie nog te beslissen.

3. Het standpunt van eiseres

3.1. Eiseres stelt dat tijdens de echtscheidingsprocedure en daarna sprake
was van terreur van gedaagde aan het adres van eiseres en haar familie. Na
het opgelegde straatverbod d.d. 14 augustus 1996 heeft gedaagde zijn
dreigende houding en intimidatie jegens eiseres en haar familie voortgezet,
hetgeen is geëscaleerd in het neerschieten van gedaagde door eiseres.

3.2. Eiseres stelt een spoedeisend belang te hebben bij de gevraagde
voorzieningen. Zij stelt dat op 4 augustus 1998 wordt beslist op haar
aanvraag om geplaatst te worden onder ET. Door de betrokken instanties is
positief geadviseerd, zodat de verwachting is dat een positieve beslissing
zal worden genomen. Eiseres stelt dat zij op of omstreeks 6 augustus 1998
onder ET zal worden geplaatst en zo spoedig mogelijk haar intrek in haar
huis in Meppel zal nemen.

3.3. Het is voor de rust en geestelijke gezondheid van eiseres absoluut
noodzakelijk dat gedaagde niet in haar leven interfereert. Gezien de
ervaringen uit het verleden is met zekerheid te stellen dat gedaagde dat wel
zal doen. Ook momenteel houdt gedaagde zich menigmaal op bij het huis van
eiseres en brengt daardoor veel onrust te weeg bij de kinderen en hun
verzorger. In de afgelopen periode heeft gedaagde pogingen ondernomen om in
contact te komen met de kinderen, terwijl uit het rapport van de Ruyterstee
blijkt dat contact met gedaagde contra-geïndiceerd is. Gedaagde heeft in het
verleden onrechtmatig jegens eiseres gehandeld en er bestaat een dreiging
voor onrechtmatig handelen in de toekomst.

3.4. Reclassering Nederland Arrondissement Drenthe (die het ET zullen
begeleiden) en de A.J.L. ondersteunen de vordering van eiseres.

4. Het standpunt van gedaagde

4.1. Gedaagde betwist het spoedeisend belang. Het is onzeker of eiseres onder
ET zal worden geplaatst en wanneer. Bovendien blijkt uit het rapport van de
Ruyterstee, dat een in aanvang klinisch-psychiatrische behandeling voor
eiseres en de kinderen geïndiceerd is. Het is dus onzeker of eiseres op 6
augustus 1998 terugkeert naar haar huis in Meppel.

4.2. Door de A.J.L. is gedaagde enkel ontraden – zonder geldig gemotiveerde
reden – de minderjarigen te bezoeken. Gedaagde heeft het onderzoeksrapport
van de Ruyterstee pas op 20 juli j.l. ontvangen, zodat dit pas vanaf die
datum kan gelden. Bovendien wordt door
gedaagde nog overwogen een second opinion te vragen.

4.3. Gedaagde betwist dat hij zich bij het huis van eiseres heeft opgehouden
en onrust teweeg heeft gebracht. Hij betwist eveneens het gestelde
onrechtmatig handelen in het verleden en de dreiging van onrechtmatig
handelen in de toekomst. Gedaagde stelt, dat hij de kinderen tweemaal heeft
ontmoet, waarbij de kinderen enthousiast reageerden.

4.4. Gedaagde komt alleen in Meppel voor zijn kinderen en voor het bezoeken
van vrienden en relaties uit de door hem beoefende motorsport. Hij heeft een
nieuwe vriendin. Gelet op het feit dat eiseres hem in een moordaanslag in de
rug heeft geschoten heeft gedaagde geen enkele behoefte eiseres op enige
manier te benaderen.

4.5. Gedaagde stelt dat het gevorderde verbod buitenproportioneel,
tegenstrijdig en onaanvaardbaar is, gelet op het verzochte ET in het
woonhuis van eiseres en ten hoogste een beperkt aantal meters daaromheen.

5. De beoordeling

5.1. Het spoedeisend belang staat – hoewel betwist – voor mij voldoende vast,
nu eiseres stelt dat zij op 6 augustus 1998 thuis komt en dat er dreiging van
onrechtmatig handelen door gedaagde bestaat.

5.2. Aan de orde in dit geding is de vraag, of er op dit moment een dringende
reden is om gedaagde de gevraagde verboden op te leggen. Ik beantwoord die
vraag voorshands ontkennend. Ik overweeg daartoe het volgende.

5.3. Vast staat dat in het verleden het nodige tussen partijen is
voorgevallen, dat toen voldoende aanleiding gaf voor ingrijpen, maar eiseres
heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er nog steeds sprake is van een
serieuze dreiging van onrechtmatig handelen aan de zijde van gedaagde.

5.4. Eiseres heeft slechts gesteld dat op 4 augustus 1998 een beslissing
omtrent haar aanvraag onder ET geplaatst te worden zal worden genomen. Het
is echter niet zeker of daarop positief zal worden beslist en wanneer het
ET eventueel zal ingaan. Bovendien is er sprake van klinische behandeling
van eiseres en de kinderen. Het is dus volstrekt niet zeker dat eiseres op 6
augustus 1998 naar haar huis zal kunnen terugkeren.

5.5. Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat gedaagde de afgelopen periode
pogingen heeft ondernomen om in contact te komen met de kinderen terwijl uit
het rapport van De Ruyterstee blijkt dat contact contra-geïndiceerd is. Ter
zitting is mij echter gebleken dat het drie incidenten betreft, namelijk:
– T. heeft zijn vader één maal bij de snelweg gezien;
– gedaagde heeft de kinderen in de supermarkt gezien en met ze gesproken;
– gedaagde en zijn ouders hebben de kinderen bij de wandelvierdaagse gezien,
waarbij de ouders van gedaagde de kinderen hebben aangesproken.
Hoewel ik voorshands van oordeel ben, dat gedaagde zich voorlopig – in ieder
geval totdat positief op zijn verzoek tot het vaststellen van een
omgangsregeling zal zijn beslist of op initiatief van de AJL (proef)contacten
tot stand zijn gebracht – van alle vormen van contact met de kinderen dient
te onthouden, acht ik genoemde incidenten niet zodanig ernstig dat sprake is
van een gedragspatroon dat slechts met een rechterlijk verbod zou kunnen
worden doorbroken. Gezien de mate waarin een straat – en contactverbod
ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer van gedaagde zie ik voor het opleggen
van deze verboden thans geen gronden. Ik ben bovendien met gedaagde van
oordeel dat de gevorderde verboden qua duur en omvang te ingrijpend zijn,
mede gelet op de eventuele uitvoering van het ET, waarbij het eiseres
slechts zal zijn toegestaan zich in haar woning en een beperkt gebied rond
haar woning te bevinden.

5.5. Ik zal de gevraagde voorzieningen dan ook weigeren en – gelet op het
feit dat partijen ex-echtelieden zijn – de proceskosten compenseren als in
het dictum te bepalen.

BESLISSINGEN

De president:

1. Weigert de gevraagde voorzieningen.

2. Compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat elke partij de eigen
kosten draagt.

Rechters

Mr van der Vinne

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 31 juli 1998

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De moeder is na de scheiding belast met het gezag over de minderjarige
kinderen. De vader wenst wijziging van het gezag in die zin dat hij het
ouderlijk gezag over de kinderen krijgt. De communicatie tussen de ouders
verloopt zeer moeizaam. De vader is hertrouwd. De kinderen hebben te kennen
gegeven liever bij vader te wonen, hoewel zij het ook bij moeder naar de zin
hebben. Niet ter discussie staat dat de moeder de kinderen goed verzorgt en
opvoedt. Door de rechter wordt aan de vader het ouderlijk gezag opgedragen.

Volledige tekst

HET GEDING
Krachtens echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te Zwolle van 12
februari 1997 is de moeder alleen belast met het gezag over de minderjarige
kinderen van partijen, te weten: N. Geboren op 11 juli 1983, en M., geboren
op 22 januari 1986, en is de door de vader en moeder te betalen
kinderalimentatie bepaald op ƒ 375 per maand per kind.
Voorts is onder meer tussen de vader en de kinderen de navolgende
omgangsregeling vastgesteld: een weekend per veertien dagen van vrijdag 20.00
uur tot zondag 20.00 uur, drie weken tijdens de zomervakantie en telkens de
helft van de kerstvakantie, de krokusvakantie en de voorjaarsvakantie. De
vader heeft de rechtbank te Rotterdam verzocht bovengenoemde beschikking te
wijzigen in die zin, dat hij in plaats van de moeder wordt belast met het
ouderlijk gezag over de kinderen en daarbij te verstaan dat met ingang van
die wijziging de aan hem opgelegde kinderalimentatie zal zijn vervallen. Bij
beschikking van 23 januari 1998 heeft de rechtbank het verzoek van de vader
afgewezen. De vader is tijdig van de laatstgenoemde beschikking in hoger
beroep gekomen en heeft verzocht deze te vernietigen en opnieuw beschikkende,
alsnog zijn in eerste aanleg gedane verzoek toe te wijzen.
De moeder heeft een verweerschrift ingediend waarin zij verzoekt het verzoek
van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Op 24
juni 1998 is de zaak mondeling behandeld. De vader heeft aldaar zijn verzoek
aangevuld in dier voege dat hij bij toewijzing van het gezag van de kinderen
aan hem tussen de moeder en de kinderen een omgangsregeling zal bestaan zoals
deze thans tussen hem em de bestaat. De kinderen zijn in de raadkamer
gehoord.

Beoordeling van de zaak in hoger beroep
1. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter
terechtzitting is het navolgende komen vast te staan. Beide partijen hebben
erkend dat de communicatie tussen hen slecht verloopt en dat zij met
betrekking tot de kinderen in het geheel niet met elkaar kunnen communiceren.
De vader is hertrouwd en woont thans met zijn echtgenote in Deventer. De
moeder heeft erkend dat de kinderen graag naar hun vader toe. De kinderen,
beiden jongens, hebben – ondanks dat zij het bij de moeder naar hun zin
hebben – desgevraagd te kennen gegeven dat zij liever bij hun vader wonen
omdat ze met hem een goede band hebben en beter met hem kunnen communiceren.
Ook kunnen zij goed opschieten met de huidige echtgenote van de vader en haar
minderjarige zoon. Voorts is gebleken dat de kinderen sociaal gezien zodanig
geïntegreerd zijn dat met een mogelijke verhuizing naar Deventer geen
problemen worden verwacht.

2. Niet ter discussie staat dat de moeder de kinderen goed verzorgt en
opvoedt. Het hof zal in het belang van beide kinderen, nu de beide ouders in
gelijke mate in staat zijn de kinderen te verzorgen en op te voeden en de
kinderen desgevraagd uitdrukkelijk hebben aangegeven bij de vader te willen
wonen, de vader belasten met het ouderlijk gezag. Om die reden zal ook de
alimentatieverplichting van de vader, zoals opgelegd bij beschikking van de
rechtbank te Zwolle van 12 februari 1997, komen te vervallen. Voorts zal het
hof een omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen bepalen conform het
aanvullende verzoek van de vader.

3. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking dient te worden
vernietigd.

Beslissing van de zaak in hoger beroep
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende :
bepaalt – zulks met wijziging van de beschikking van de rechtbank te Zwolle
van 12 februari 1997 – dat het gezag over voornoemde kinderen voortaan alleen
aan de vader toekomt;
bepaalt dat tussen de moeder en de kinderen een omgangsregeling zal bestaan,
inhoudende dat de moeder de kinderen bij zich mag hebben één weekend per
veertien dagen van vrijdag 20.00 uur tot zondag 20.00 uur, drie weken tijdens
de zomervakantie en telkens de helft van de kerstvakantie, de krokusvakantie
en de voorjaarsvakantie,
stelt vast dat de alimentatieverplichting van de vader met ingang van de dag
waarop hij alleen het gezag over de kinderen uitoefent is komen te vervallen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs Hehemann, Wigleven, Jansen

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 29 juli 1998

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Oom is veroordeeld wegens seksueel misbruik van zijn twee nichtjes tot een
gevangenisstraf van vierentwintig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk.
In kort geding is de oom veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan
de nichtjes tot een bedrag van ƒ 7.500 en ƒ 5.000.
De nichtjes vorderen nu een schadevergoeding van respectievelijk ƒ 52.000
(waarvan ƒ 50.000 immaterieel) en ƒ 36.000 (waarvan ƒ 35.000 immaterieel).
De rechtbank wijst de vordering toe tot een bedrag van respectievelijk ƒ
27.500 en ƒ 15.000 immateriële schadevergoeding en respectievelijk ƒ 2.000 en
ƒ 1.000 materiële schadevergoeding. De rechtbank ziet geen reden tot matiging
in verband met het geringe inkomen van de oom.

Volledige tekst

Gronden van de beslissing
1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende
weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de
overgelegde bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast.
a. Eiseressen hebben op respectievelijk 11 en 15 november 1991 aangifte
gedaan van het plegen van ontuchtige handelingen door gedaagde, die hun oom
is.
b. De Meervoudige Strafkamer van de rechtbank in Amsterdam heeft in juli 1993
gedaagde wegens seksueel misbruik van eiseressen veroordeeld tot een
gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden waarvan zes maanden
voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Gedaagde is tegen dit vonnis
in hoger beroep gegaan doch het Gerechtshof te Amsterdam heeft het vonnis
bevestigd.
c. De President van deze rechtbank heeft bij kort-gedingvonnis van 4 juni
1992 gedaagde veroordeeld tot betaling van voorschotten op de
schadevergoeding, respectievelijk aan E. ƒ 7.500 en aan G. ƒ 5.000. Gedaagde
heeft deze bedragen voldaan, maar heeft niet de kosten voldaan terzake van
vastrecht en procureur, in totaal ƒ 377,50.

De vordering en de grondslag daarvan
2. Eiseressen vorderen gedaagde te veroordelen om aan E. en G.
respectievelijk ƒ 52.000 en ƒ 36.000 te betalen als vergoeding van door hen
geleden materiële en immateriële schade, één en ander vermeerderd met de
wettelijke rente over genoemde bedragen vanaf 17 november 1995 tot aan de
voldoening, met gedaagdes veroordeling in de kosten van het geding.

3.1 Eiseressen leggen het volgende ten grondslag aan hun vorderingen.

3.2 Gedaagde heeft G toen zij negen jaar oud was meermalen onzedelijk betast
en eenmaal verkracht, waarvan zij nog dagelijks de psychische en lichamelijke
gevolgen ervaart.
Zij leed en lijdt aan concentratiestoornissen, die tot gevolg hadden dat zij
de school vroegtijdig moest verlaten. Zij is gedurende twee jaren door de
RIAGG behandeld wegens depressieve, psychosomatische en dissociatieve
klachten doch deze behandeling heeft niet tot resultaat geleid. Doordat zij
wantrouwen koestert tegenover mensen in het algemeen en mannen in het
bijzonder, verlopen haar sociale contacten problematisch.

3.3. Gedaagde heeft E vanaf haar vijfde of zesde jaar tot haar veertiende
jaar vele malen verkracht, waardoor zij veel pijn heeft geleden en angst
heeft doorgemaakt. Zij lijdt nog steeds aan destijds veroorzaakte inwendige
infecties en aan buikpijn en hoofdpijn, waarvoor geen lichamelijke oorzaak te
vinden is. Zij kampt dagelijks met gevoelens van angst, woede en depressie
over het gebeurde. Ook haar sociale contacten verlopen problematisch.

3.4. Gedaagde heeft door het plegen van genoemde seksuele handelingen
onrechtmatig tegenover eiseressen gehandeld en is derhalve aansprakelijk voor
de schade die als gevolg daarvan is ontstaan.

3.5. Eiseressen vorderen vooralsnog slechts aan materiële schadevergoeding de
kosten van rechtsbijstand en reiskosten, voor G begroot op ƒ 1.000 en voor E
begroot op
ƒ 2.000.
Terzake van immateriële schadevergoeding vordert G ƒ 35.000, – en E ƒ 50.000.

Het verweer
4.1. Gedaagde betwist allereerst dat hij ontuchtige handelingen met
eiseressen heeft verricht.
Hij voert daartoe aan dat de moeder van eiseressen, die de zuster van zijn
ex-echtgenote is, eiseressen samen met laatstgenoemde heeft aangezet om
aangifte tegen hem te doen, zich baserend op de omstandigheid dat hij en zijn
echtgenote met ruzie uiteen zijn gegaan.

4.2. Subsidiair betwist hij dat eiseressen immateriële schade
hebben geleden en voert aan dat de samenstelling van de gevorderde bedragen
onduidelijk is.

4.3. Daarnaast betwist gedaagde de gestelde materiële schade omdat eiseressen
geen bewijsstukken hebben overgelegd en de kosten niet hebben gespecificeerd.

4.4. Tenslotte verzoekt hij de rechtbank een eventueel toe te kennen
schadevergoeding te matigen. Hij acht de gevorderde bedragen onevenredig hoog
omdat hij al gestraft is doordat hij -wegens het wegblijven van klanten na
zijn veroordeling- zijn goedlopende rijschool van de hand moest doen.
Bovendien moet hij thans met zijn vrouw en twee kinderen leven van zijn
WAO-uitkering die slechts ƒ 1.800 per maand bedraagt.

De beoordeling van het geschil
5. Het verweer van gedaagde dat hij niet onrechtmatig jegens eiseressen heeft
gehandeld, wordt verworpen. Gedaagde ontkent weliswaar dat hij seksuele
handelingen met eiseressen heeft verricht, maar weerspreekt niet dat de
rechtbank hem voor deze strafbare feiten heeft veroordeeld tot de hiervoor
onder 1.b. genoemde vrijheidsstraf. Nu het op tegenspraak gewezen strafvonnis
in kracht van gewijsde is gegaan, levert dit ingevolge artikel 188 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv) in dit geding tussen partijen
dwingend bewijs op van die feiten. Behoudens tegenbewijs staan die dus vast.
Het door gedaagde op dit punt gevoerde verweer is niet voldoende onderbouwd
met voor bewijslevering vatbare feiten of omstandigheden om hem tot dat
tegenbewijs toe te laten, hetgeen hij overigens ook niet heeft aangeboden. De
mitsdien vaststaande ontuchtige handelingen zijn onrechtmatig jegens
eiseressen, die destijds minderjarig waren.

6. De volgende vraag die ter beantwoording voorligt, is of het onrechtmatig
handelen van gedaagde de door eiseressen gestelde schade heeft veroorzaakt.

Immateriële schade.
7.1. Gedaagde heeft de hiervoor onder r.o. 3.2 en 3.3 genoemde klachten en
omstandigheden van eiseressen niet uitdrukkelijk betwist, op grond waarvan
deze als vaststaand moeten worden aangenomen.

7.2. De rechtbank begrijpt dat gedaagde slechts een specificatie van de
gevorderde bedragen verlangt, hetgeen met betrekking tot de gevorderde
immateriële schade in elk geval niet aan de orde is. Op grond van het
bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) betreft dit immers
een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Nu in de onderhavige
gevallen aan de in genoemd wetsartikel genoemde voorwaarden voor toewijzing
van een dergelijke vordering is voldaan, staat aan de toewijzing daarvan in
beginsel niets in de weg.

7.3.1. Thans is aan de orde welke schadevergoedingen in de gegeven
omstandigheden billijk moeten worden geacht.

7.3.2. Als feit van algemene bekendheid moet ervan worden uitgegaan dat
seksuele contacten met jonge kinderen nadelige psychische gevolgen voor hen
kunnen hebben. Op een leeftijd waarop kinderen onbevangen zijn en moeten
kunnen vertrouwen op personen in hun naaste omgeving worden zij in die
onbevangenheid en hun vertrouwen ernstig aangetast indien, zoals in het
onderhavige geval, een oom voor zijn eigen genoegen seksuele handelingen met
hen verricht. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat personen die
dergelijke ervaringen in hun jeugd hebben opgedaan doorgaans wantrouwend
tegenover anderen staan, waardoor het leggen en onderhouden van sociale
contacten ernstig wordt bemoeilijkt.

7.3.3. Naast deze algemene aspecten zijn de volgende bijzondere factoren in
het geval van G van belang. Gedaagde heeft haar toen zij negen jaar oud was
verscheidene keren onzedelijk betast en eenmaal verkracht. Als gevolg daarvan
kampte zij met concentratiestoornissen, waardoor zij de school vroegtijdig
moest verlaten, hetgeen als een ingrijpende factor in haar leven moet worden
beschouwd. Bovendien staat vast dat, hoewel zij wegens depressieve,
psychosomatische en dissociatieve klachten is behandeld, deze klachten zich
nog steeds voordoen. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen komt de
rechtbank een schadevergoeding van ƒ 15.000, billijk voor.

7.3.4. In het geval van E worden in het bijzonder de volgende omstandigheden
meegewogen. Zij heeft gedurende een achttal jaren blootgestaan aan de
seksuele wensen van haar oom en zij was bij de aanvang daarvan slechts vijf
of zes jaar oud. Zij wordt ook thans nog regelmatig geconfronteerd met de
ernstige gevolgen van deze gebeurtenissen aangezien zij nog steeds lijdt aan
lichamelijke en geestelijke klachten. Hieruit volgt dat deze gebeurtenissen
een zeer ingrijpende rol in haar leven hebben gespeeld en nog spelen. Gezien
in het licht van al deze omstandigheden komt de rechtbank een
schadevergoeding van ƒ 27.500 billijk voor.

7.4. Gedaagde heeft nog verzocht de op te leggen schadevergoedingen te
matigen. Eiseressen hebben in dit verband betwist dat hij als gevolg van de
strafrechtelijke veroordeling zijn rijschool van de hand moest doen en dat
hij momenteel leeft van een uitkering.
Hoewel gedaagdes stelling met betrekking tot zijn geringe inkomsten
gemotiveerd wordt betwist en hij deze derhalve in beginsel moet bewijzen,
ziet de rechtbank in het onderhavige geval daartoe geen aanleiding. Niet
gesteld of gebleken is immers dat toekenning van volledige schadevergoeding
in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou
leiden.

7.5. De rechtbank zal in het dictum van dit vonnis op genoemde bedragen de
aan respectievelijk E en G reeds betaalde bedragen van ƒ 7.500 en ƒ 5.000 in
mindering brengen, zodat het dictum de bedragen bevat die thans nog door
gedaagde dienen te worden voldaan.

Materiële schade.
8. Gedaagde heeft aangevoerd dat eiseressen hun vorderingen terzake
onvoldoende hebben gespecificeerd. Daarbij miskent gedaagde echter dat het
een begroting betreft en dat het de rechtbank vrijstaat de schade te
begroten. De rechtbank acht de begrote reiskosten en kosten van
rechtsbijstand (voor G ƒ 1.000 en voor E ƒ 2.000, -) in de gegeven
omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet
onaanvaardbaar en zal deze derhalve toewijzen.

9. Het voorgaande leidt ertoe dat gedaagde als de in het ongelijk gestelde
partij zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

Beslissing.
De rechtbank:
– veroordeelt gedaagde om aan E. van K. te betalen een bedrag van ƒ 22.000
(TWEEENTWINTIGDUIZEND GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente daarover
vanaf 17 november 1995 tot aan de voldoening;
– veroordeelt gedaagde om aan G. van K. te betalen een bedrag van ƒ 11.000
(ELFDUIZEND GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17
november 1995 tot aan de voldoening;
– veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van
eiseressen tot op heden begroot op ƒ 2.552,10, waarvan te betalen:
aan eiseressen: ƒ 180 voor de bij hen gevallen kosten aan
vastrecht;
en aan de griffier van deze rechtbank:
aan salaris procureur ƒ 2.200
aan overig vastrecht ƒ 110
aan exploitkosten ƒ 62,10

– verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr Tilleman

Instantie: Rechtbank Utrecht, 28 juli 1998

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Ontuchtige handelingen met slachtoffer in de leeftijd van 5 tot 8 jaar.
Verdachte pleegde deze handelingen als huisvriend van de familie van het
meisje. De vordering van het slachtoffer als beledigde partij, ter hoogte van
ƒ 1500, wordt toegewezen.

Volledige tekst

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Van
de dagvaarding is een kopie als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud
van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

2. De bevoegdheid

Verdachte was van 1 januari 1984 tot en met 20 december 1984 militair. De
rechtbank zal zich voor wat betreft deze in de tenlastelegging genoemde
periode onbevoegd verklaren nu verdachte toen was onderworpen aan de
rechtsmacht van de militaire rechter.

3. De bewijsbeslissing

3.1. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste
gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit
vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet
hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde
heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn
vervat.

4. De strafbaarheid van de feiten
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het
bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren ontuchtige handelingen
plegen, meermalen gepleegd.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de
verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening
gehouden met het volgende:
– de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan;
– de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze
zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking
genomen:
– de zeer ernstige aard van het bewezenverklaarde. Verdachte heeft gedurende
een lange periode zeer regelmatig ontuchtige handelingen gepleegd bij het
slachtoffer, bij wier familie verdachte als huisvriend frequent verbleef. Het
slachtoffer was in die tijd tussen de vijf en de acht jaar oud. Verdachte
heeft door dit te doen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit
van het slachtoffer. Voorts heeft hij misbruik gemaakt van het vertrouwen dat
hij genoot bij de familie van het slachtoffer en van het geestelijke en
lichamelijke overwicht dat hij op het slachtoffer had.
Bekend is voorts dat in het algemeen slachtoffers zeer langdurig met name op
psychisch gebied de schadelijke gevolgen van zodanig handelen ondervinden. In
dit geval heeft het slachtoffer zich in verband met de problemen die
verwerking van het handelen van verdachte bij haar teweegbrengt, onder
behandeling gesteld bij het RIAGG. Zij kan zich moeilijk concentreren en
heeft regelmatig nachtmerries.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het
bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit
het algemeen documentatieregister d. d. 11 december 1997, waaruit blijkt dat
de verdachte niet eerder in aanraking met politie en/of justitie is geweest.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een deels voorwaardelijke
gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De rechtbank heeft overwogen aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen
voor de duur van 9 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De rechtbank zal
verdachte – die daarmee heeft ingestemd – echter in plaats van het
onvoorwaardelijk deel van deze straf de straf van onbetaalde arbeid ten
algemenen nutte opleggen.

De vordering van de beledigde partij

De beledigde partij M. heeft opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De
vordering strekt tot vergoeding van geleden immateriële schade. Zij heeft
haar vordering doen beperken tot het voor deze vordering geldende maximum van
ƒ 1500.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de beledigde
partij als gevolg van de bewezenverklaarde strafbare feiten, derhalve door de
handelingen van verdachte, immateriële schade heeft geleden. De aard en de
omvang van de schade is door de verdachte niet betwist. De vordering kan dan
ook worden toegewezen.

7. De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behoudens op de reeds aangehaalde artikelen zijn de op te leggen straffen
gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 57, 247 (oud) van het Wetboek van
Strafrecht.

8. DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de feiten voor zover gepleegd in
de periode van 1 januari 1984 tot en met 20 december 1984.

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld
in bijlage H van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste
gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte
daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven
vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van zes
maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij
later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde
zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Veroordeelt de verdachte voorts tot het verrichten van één honderd en veertig
uren onbetaalde arbeid van administratieve/verzorgende aard of onbetaalde
onderhoudswerkzaamheden ten algemenen nutte.

De werkzaamheden zullen aanvangen binnen drie maanden nadat dit vonnis
onherroepelijk is geworden. De werkzaamheden moeten zijn verricht binnen zes
maanden na de aanvang daarvan. De werkzaamheden zullen worden verricht bij
een project dat na overleg met de veroordeelde door de Stichting Reclassering
Nederland, unit Utrecht wordt aangewezen uit de projecten voorkomende op de
“lijst van projecten d.d. 1 mei 1997” van genoemde Stichting.

Wijst de vordering van de beledigde partij M. S. toe.
Veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan deze beledigde partij, p/a Buro
voor Rechtshulp te 3811 HN Amersfoort, Stadsring 57, te betalen ƒ 1500 (zegge
één duizend vijf honderd gulden).

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de beledigde partij
gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de
tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Rechters

Mrs. Th.J. Clarenbeek, H.A.M. Pinckaers, P. Dondorp

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 24 juli 1998

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vader wil graag gezamenlijk gezag. De moeder wil graag alleen het
ouderlijk gezag over de kinderen uitoefenen. Het hof is van oordeel dat
tussen de ouders niet die goede onderlinge verstandhouding bestaat die
vereist is voor gezamenlijke uitoefening van het gezag. Omdat de kinderen bij
de moeder verblijven, wordt zij alleen met het gezag belast.

Volledige tekst

Het geding

In deze zaak is door het hof op 9 januari 1998 een beschikking gegeven,
waarbij de beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 9 juni 1997 is
vernietigd, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, waarbij het
verzoek van de moeder tot toekenning van alimentatie is afgewezen en waarbij
voorts is bepaald dat de vader geen alimentatie voor de minderjarige kinderen
verschuldigd is. De behandeling met betrekking tot het gezag is aangehouden,
teneinde te bezien of de partijen voor wat betreft de gezagsvoorziening tot
overeenstemming konden komen. Het hof verwijst naar die beschikking, waarvan
de inhoud als herhaald en hier ingelast dient te worden beschouwd.

In zijn faxbericht aan het hof van 26 maart 1998 schrijft mr. N.J.P.Scheek,
raadsman van de vader, dat de partijen voor wat het gezag betreft niet tot
onderlinge overeenstemming zijn gekomen.

Op 28 mei 1998 is de behandeling ter rechtszitting van het hof voortgezet
door mr. Van den Wildenberg als raadsheer-commissaris. De minderjarige J.D.
is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Beoordeling van de zaak in hoger beroep

De vader acht het, mede gezien het feit dat hij gedurende het huwelijk een
groot deel van de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich heeft
genomen en gelet op de leeftijd van de kinderen, in hun belang dat het
ouderlijk gezag van de beide ouders voortduurt, temeer nu er al een
uitgebreide omgang plaatsvindt.

De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij vreest dat, bij voortduring
van de gezamenlijke ouderlijke macht, zij degene zal zijn die de lasten met
betrekking tot de kinderen moet dragen, terwijl de vader degene is die het
voor het zeggen zal hebben, zoals ook gedurende het huwelijk het geval is
geweest.

De partijen hebben getracht om ook met betrekking tot het gezag tot
overeenstemming te komen, doch zijn hierin niet geslaagd.

Het hof is van oordeel dat ter terechtzitting is gebleken dat tussen de
partijen niet die goede onderlinge verstandhouding bestaat die vereist is
voor gezamenlijke uitoefening van het gezag. Omdat de kinderen bij de moeder
verblijven, zal het hof haar alleen met het gezag belasten, zoals de
rechtbank heeft gedaan .

Beslissing van de zaak in hoger beroep

Het hof: belast de moeder alleen met het gezag over J, geboren op 17 juli
1985 te Rotterdam, en M, geboren op 19 mei 1988 te Zwijndrecht; verklaart
deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst het in hoger beroep meer of
anders verzochte af.

Rechters

Mrs Van den Wildenberg, Koning, Thomassen

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 20 juli 1998

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Er wordt bezwaar gemaakt tegen een beslissing van het Schadefonds
Geweldsmisdrijven omdat de hoogte van de immateriële schadevergoeding te laag
is vastgesteld. Het hof honoreert dit bezwaar en verwijst de zaak terug
teneinde een nieuwe beslissing te nemen.

Volledige tekst

BESCHIKKING

op het op 18 mei 1998 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van:
P, geboren op 3 april 1990, in deze wettelijk vertegenwoordigd door zijn
moeder C., wonende te Bolsward, verder te noemen: verzoeker,
gemachtigde: mr G.A.M. van Dijk, advocaat te Alkmaar,

inzake de beslissing d.d. 3 april 1998 van de Commissie belast met het beheer
van het schadefonds geweldsmisdrijven, verder te noemen: de Commissie.

A. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 14 maart 1997 is de Commissie verzocht om toekenning van een uitkering uit
het schadefonds geweldsmisdrijven ter zake van een letselschade veroorzaakt
door in het jaar 1994 jegens verzoeker opzettelijk gepleegde
geweldsmisdrijven.

De Commissie heeft in haar bestreden beslissing aan verzoeker een uitkering
toegekend ten bedrage van ƒ 16.515 te weten ƒ 6.515 wegens materiële schade
en ƒ 10.000 wegens immateriële schade.

Een afschrift van deze beslissing is bij brief van 17 april 1998 toegezonden
aan de gemachtigde van verzoeker. Deze heeft namens verzoeker bezwaar gemaakt
tegen die beslissing in een verzoekschrift dat op 18 mei 1998 ter griffie van
dit hof is binnengekomen en dat bij brief d.d. 27 mei 1998 van nadere gronden
is voorzien.

B. HET BEZWAAR VAN VERZOEKER

Het bezwaar dat namens verzoeker is aangevoerd komt – kort gezegd – hierop
neer dat, gelet op de ernst van het door verzoeker opgelopen psychisch
letsel, het door de Commissie toegekende bedrag wegens immateriële schade te
laag is.

C. BEOORDELING VAN HET VERZOEKSCHRIFT

Verzoeker werd op vierjarige leeftijd meermalen door verschillende volwassen
mannen onder zeer gewelddadige omstandigheden verkracht. Het door verzoeker
als gevolg daarvan opgelopen psychisch letsel wordt door dr. R. Bullens,
psycholoog/psychotherapeut, bij wie verzoeker sinds februari 1997 in
behandeling is, in zijn brief d.d. 27 mei 1998 omschreven als een ernstige
vorm van posttraumatische stress-stoornis waarvan verzoeker naar verwachting
ook op volwassen leeftijd nog schade zal kunnen ondervinden.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de zeer ernstige omstandigheden
waaronder het seksueel misbruik plaatsvond, te weten de jeugdige leeftijd van
verzoeker en het grove geweld dat door de daders tijdens en ook na de
verkrachtingen werd gebruikt, alsmede de ernst van de door verzoeker als
gevolg daarvan geleden en nog te lijden psychische schade, verzoeker een
hogere uitkering wegens immateriële schade toekomt dan door de Commissie is
vastgesteld. Het hof denkt hierbij aan een uitkering overeenkomstig de
letselcategorie 6.

Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beslissing voor zover het de
uitkering wegens immateriële schade betreft niet in stand kan blijven en dat
de zaak moet worden teruggezonden aan de Commissie teneinde daarin, met
inachtneming van het vorenoverwogene, opnieuw te beslissen.

BESLISSING

Het hof vernietigt de bestreden beslissing voor zover dit de uitkering wegens
immateriële schade betreft en zendt de zaak terug aan de Commissie teneinde
daarin met inachtneming van het vorenoverwogene, opnieuw te beslissen.

Rechters

Mrs. Kok, Mulder en Wurzer

Instantie: Rechtbank Utrecht, 17 juli 1998

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Ontucht met een minderjarig zwakbegaafd nichtje.Verdachte wordt veroordeeld
wegens het plegen van ontucht met een minderjarige die aan zijn zorg was
toevertrouwd (art. 249 Sr) en ontucht met minderjarige onder de zestien,
bestaande uit seksueel binnendringen (art. 245 Sr). De benadeelde partij
vordert een voorschot van ƒ 2000 op later vast te stellen schadevergoeding.
De rechtbank wijst deze vordering toe, zonder dat een nadere onderbouwing van
de schade wordt vereist. Het is een feit van algemene bekendheid dat jonge
slachtoffers van zedenmisdrijven nog geruime tijd psychische schade
ondervinden, aldus de rechtbank.

Volledige tekst

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Op
vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 1 ten laste
gelegde feit ter terechtzitting toegestaan. Van de dagvaarding en van de
vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als
respectievelijk bijlage I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze
bijlagen geldt als hier ingevoegd.

2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft verklaard dat de officier van justitie niet ontvankelijk is
ten aanzien van de onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten. Hij
heeft hiertoe aangevoerd dat het klachtdelicten betreft en nu het slachtoffer
niet duidelijk de wens tot vervolging als bedoeld in artikel 165a van het
Wetboek van Strafvordering van zijn cliënt heeft geuit, zal dit moeten leiden
tot niet ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank acht de officier van justitie ontvankelijk in de onder 1 en 2
subsidiair ten laste gelegde feiten. De rechtbank heeft daarbij het volgende
overwogen. Het slachtoffer heeft in het studioverhoor bij de politie
verklaard dat zij misbruikt is. Aan de oproep om bij de rechter-commissaris
in het kader van de vervolging nog eens een verklaring af te leggen heeft het
slachtoffer gehoor gegeven. Hieruit leidt de rechtbank af dat het slachtoffer
wenst dat verdachte vervolgd zal worden.

3. De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de 1 en 2
primair ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in
bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier
ingevoegd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet
hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde
heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn
vervat.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het
bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien
jaren heeft bereik, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan
uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de
verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening
gehouden met het volgende:
– de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan;
– de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze
zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking
genomen:

– verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar
ontuchtige handelingen gepleegd met zijn zwakbegaafde nichtje, zijnde het
kind van zijn broer en de vrouw, waarmee verdachte een relatie onderhield. De
seksuele handelingen hebben bestaan uit het betasten en likken van de borsten
en de vagina en het binnendringen met zijn penis en vinger in de vagina van
het slachtoffer;

– verdachte heeft door zo te handelen ernstig inbreuk gemaakt op de
lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft tevens op grove wijze
misbruik gemaakt van vertrouwen en van het overwicht dat hij als volwassene,
als oom en als nieuwe relatie van de moeder van het slachtoffer op dit jonge
meisje had. Verdachte heeft zijn seksuele verlangens laten prevaleren boven
de belangen van zijn nichtje en heeft niet stilgestaan bij de gevolgen die
zijn handelen voor haar zou kunnen hebben. Het is van algemene bekendheid dat
slachtoffers van dergelijke zedendelicten nog geruime tijd psychische
problemen daarvan kunnen ondervinden;

– de bewezenverklaarde feiten worden door de samenleving als schokkend
ervaren.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het
bijzonder gelet op:

– de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen
documentatieregister d.d. 16 juli 1997, waaruit blijkt dat de verdachte
eerder is veroordeeld voor zedendelicten;

– een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting
Reclassering Nederland, unit Utrecht, d.d. 18 augustus 1997, opgemaakt door
A.R.J.M. O., reclasseringswerker;

– een psychologisch rapport betreffende de verdachte, d.d. 4 september 1997,
opgemaakt door drs. J.M. O., psycholoog, inhoudende als conclusie onder meer
-zakelijk weergegeven-:

‘Betrokkene is een intellectueel gemiddeld begaafde, onzekere man met een
passiefafhankelijke inslag, een laag zelfbeeld en een wisselend zelfgevoel,
die emotioneel en sociaal kwetsbaar, weinig weerbaar en weinig wendbaar is.
Achter zijn submissieve en openlijk conflictmijdende houding gaat een zekere
eigenzinnigheid schuil, die gepaard gaat met een neiging tot
passief-agressief verzet en het ontlopen van zijn verantwoordelijkheid. Zijn
problematiek kan omschreven worden als een persoonlijkheidsstoornis met
passief-afhankelijke en vermijdende trekken. Onderzochte was ten tijde van
het plegen van de hem ten laste gelegde feiten lijdende aan een zodanige
gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze feiten hem slechts in
verminderde mate kunnen worden toegerekend. Indien betrokkene onbehandeld
terugkeert in de maatschappij is er een reële kans op herhaling van dit soort
strafbare feiten. Er is geen sprake van een sterke of exclusieve gerichtheid
op kinderen, maar in situaties waarin hij met kinderen in contact komt worden
de aandacht en zorg die hij een kind wil geven vrij gemakkelijk
geseksualiseerd, waarna er toch vrij vanzelfsprekend allerlei seksuele
lustgevoelens losgewoeld worden, welke hij moeilijk kan beheersen. Teneinde
het recidive-risico te beperken is het nodig dat betrokkene voor zijn
stoornis behandeld wordt. Betrokkene was op het moment van zijn arrestatie al
in behandeling bij de heer S., als psychotherapeut werkzaam bij “De W.”.
Telefonisch overleg met de heer S. wees uit dat er geen contra-indicaties
zijn voor een eventuele voortzetting van de poliklinische behandeling en dat
er van zijn kant de bereidheid bestaat om de behandeling voort te zetten. Bij
een voortzetting van de behandeling zal deze volgens de heer S., gelet op
betrokkene’s terugval, voorlopig geïntensiveerd worden, met een hogere
frequentie van de therapiegesprekken en een combinatie met
groepspsychotherapie. Ondergetekende is van mening dat een dergelijke
poliklinische behandeling voldoende garanties biedt om de kans op
recidive tot aanvaardbare proporties terug te brengen. Wat betreft het
juridische kader zou een dergelijke behandeling – indien de strafmaat dit
toelaat – kunnen plaatsvinden in het kader van een bijzondere voorwaarde bij
een deels voorwaardelijke straf.”

De rechtbank neemt bovengenoemde conclusie over en maakt die tot de hare.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke
deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en
geboden.

De vordering van de benadeelde partij

De gemachtigde. van de benadeelde partij, mr. M. H. V. heeft namens de
wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij, D.R. overeenkomstig het
bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van
de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot een voorschot op de
vergoeding van geleden immateriële schade. De benadeelde partij verzoekt een
voorschot van ƒ 2.000 toe te wijzen, omdat op dit moment het totale bedrag
van de vordering nog niet valt te overzien.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de
benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor
behandeling in deze strafzaak.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij
onvoldoende onderbouwd is, zodat deze dient te worden afgewezen.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat het een feit van algemene bekendheid
is dat jonge slachtoffers van zedenmisdrijven nog geruime tijd gevolgen van
psychische aard daarvan kunnen ondervinden. De rechtbank acht het aannemelijk
dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde strafbare
feiten, derhalve door de handelingen van verdachte, psychische schade heeft
ondervonden en mogelijk nog in de toekomst zal ondervinden. De rechtbank acht
het daarom redelijk en billijk de vordering tot dit bedrag toe te wijzen.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte jegens het slachtoffer
naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare
feit is toegebracht.

7. De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behoudens op de reeds aangehaalde artikelen is de op te leggen straf gegrond
op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 245, 249 van het Wetboek van
Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten,
zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste
gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte
daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven
vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 24
(vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden,
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:
– de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit
schuldig maakt.
– de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:
– de veroordeelde zal zich gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting
Reclassering Nederland, unit Utrecht, ook indien dit inhoudt dat de
veroordeelde zich zal laten behandelen in de “De W” te Utrecht.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze
uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de
uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden
gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij D.R. toe. Veroordeelt de
verdachte tegen kwijting aan deze benadeelde partij, wonende te Amsterdam, te
betalen ƒ 2.000 (zegge tweeduizend gulden).
Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij
gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de
tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.
Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het
slachtoffer D.R. te betalen ƒ 2.000 (zegge tweeduizend gulden) bij gebreke
van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor
de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende
hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting
tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 2.000 ten behoeve van het
slachtoffer D.R. daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde
partij een bedrag van ƒ 2.000 te betalen komt te vervallen (zulks vice versa,
dat wil zeggen: indien verdachte aan de benadeelde partij een bedrag van ƒ
2.000 heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van
een bedrag van ƒ 2.000 ten behoeve van het slachtoffer komt te vervallen).

Rechters

Mrs. Meertens-Zeeman, Pinkaers en Frankena