Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 25 juni 1998

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Draagkracht man met illegale partner. Volgens de man heeft hij geen
draagkracht aangezien hij samenwoont met een illegaal in Nederland
verblijvende vrouw zonder eigen inkomsten. Deze omstandigheden kunnen echter,
in de verhouding tussen de man en het gezin waarvan hij deel heeft uitgemaakt
en waarvoor hij nog steeds onderhoudsplichtig is, geen invloed hebben op de
draagkracht van de man. Hij dient als alleenstaande te worden aangemerkt.

Volledige tekst

HET GEDING

Bij beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 26 augustus 1997 is, op
verzoek van de gemeente, bepaald dat betrokkene ter zake van aan zijn ex-
echtgenote, mevrouw N.M. R. en zijn thans 4-jarig kind verstrekte bijstand,
aan de gemeente als verhaalsbijdrage dient te betalen:
– vanaf 1 maart 1995 tot 1 januari 1996 ƒ 474,43 per maand,
– vanaf 1 januari 1996 tot 1 januari 1997 ƒ 994,65 per maand,
– vanaf 1 januari 1997 ƒ 472,70 per maand.
Van die beschikking heeft de betrokkene tijdig hoger beroep ingesteld. Hij
heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de vordering van de
gemeente alsnog af te wijzen dan wel te verminderen tot een zodanig bedrag
per maand als redelijk wordt geacht.

De gemeente heeft een verweerschrift ingediend en verzoekt met ingang van 1
januari 1997 rekening te houden met een maandelijkse bijdrage van ƒ 994.65.

Op 29 januari 1998 is de zaak door mr. Van den Wildenberg, als raadsheer-
commissaris, behandeld.
De gemeente heeft zich ter zitting bereid verklaard aan de hand van de
financiële gegevens twee berekeningen te maken; een berekening waarin wordt
uitgegaan van een alleenstaande en een berekening waarbij rekening wordt
gehouden met de gezinsnorm. Aan de wederpartij is gelegenheid gegeven op de
berekeningen commentaar te geven.
Bij brief van 6 februari 1998 heeft de gemeente over de jaren 1995, 1996 en
1997 telkens twee draagkrachtberekeningen aan het hof en de raadsman van de
betrokkene toegezonden. De griffier heeft op 18 maart 1998 de raadsman van
betrokkene telefonisch verzocht het door hem ter terechtzitting toegezegde
commentaar voor 3 april 1998 aan het hof toe te zenden.
Van de zijde van de raadsman van de betrokkene is niets ingekomen, zodat het
hof een beschikking zal geven.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET INCIDENTEEL APPEL

1. Het op 23 januari 1998 door de gemeente per fax ingediende verweerschrift
bevat ook een incidenteel appèl, waar de gemeente verzoekt om de
onderhoudsbijdrage met ingang van 1 januari 1997 vast te stellen op ƒ 994,65
per maand.
De griffie van het hof heeft de gemeente bij brief van 3 november 1997
medegedeeld dat de gelegenheid bestond om tot uiterlijk 15 december 1997
incidenteel appèl in te dienen. De gemeente heeft derhalve de gegunde termijn
ruimschoots overschreden, reden waarom de gemeente in het incidenteel appèl
niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

DE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De betrokkene – 37 jaar oud- is in juni 1991 gehuwd en de echtscheiding is
uitgesproken bij beschikking van 8 januari 1996.
Zijn ex-echtgenote ontvangt nog steeds een bijstandsuitkering, mede ten
behoeve van het minderjarige kind.

2. De betrokkene stelt dat betreffende de perioden waarover de
verhaalsbijdragen zijn vastgesteld hij geen draagkracht had aangezien hij in
juni 1994 is gaan samenwonen met mevrouw A.F. B., afkomstig uit Ghana, die
geen eigen inkomsten heeft.
Mevrouw B. is Nederland illegaal binnengekomen, zij mag niet werken en aan
haar wordt geen bijstandsuitkering verstrekt. Deze omstandigheden kunnen
echter in de verhouding tussen de betrokkene en het gezin waarvan hij deel
heeft uitgemaakt en waarvoor hij nog steeds onderhoudsplichtig is, geen
invloed hebben op de draagkracht van de betrokkene, zodat hij als
alleenstaande dient te worden aangemerkt.
Voorts stelt de betrokkene dat uit die relatie op 29 juni 1994 een kind is
geboren. Dit is echter niet aannemelijk gemaakt.

3. Over alle jaren waarover de betrokkene verhaalsplichtig is zal derhalve
worden uitgegaan van de alleenstaande norm en zal het hof de door de gemeente
berekende bedragen overnemen.
Nu de betrokkene niet het bestaan van de door hem opgevoerde schuld en de
maandelijkse aflossing daarop heeft aangetoond, zal met die schuld geen
rekening worden gehouden.

4. In haar brief van 6 februari 1998 vermeldt de gemeente betreffende het
jaar 1995 dat gebleken is dat de betrokkene 3 inkomensbronnen had – GAK,
uitzendbureau en Dosca Huidenhandel. Opgeteld bedroeg het gemiddelde
maandelijkse inkomen ƒ 2.151 terwijl de raadsman van de man een bedrag
aangeeft van ƒ 2.199, van welk bedrag de gemeente uitgaat. Over dat jaar
bedroeg zijn huur ƒ 800 per maand. Uitgaande van de norm voor een
alleenstaande komt de gemeente op een bedrag van ƒ 287,42 uit.
Over het jaar 1996 had de betrokkene slechts één inkomen van Dosca
Huidenhandel. De gemeente komt op een gemiddeld maandinkomen van ƒ 2.648
terwijl de raadsman van de betrokkene uitgaat van een gemiddeld maandinkomen
van ƒ 2.633. In dat jaar heeft de betrokkene een huis gekocht waarvoor hij
een hypotheek van ƒ 435 per maand betaalt. Uitgaande van de alleenstaande
norm berekent de gemeente een bedrag van ƒ 729,37 per maand.
Over 1997 neemt de gemeente het door de raadsman berekende gemiddelde
maandinkomen ad ƒ 2.725 over en komt uitgaande van de alleenstaande norm op
een onderhoudsbijdrage van ƒ 766,89 per maand.

5. Het vorenoverwogene leidt er toe dat als volgt zal worden beslist.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de gemeente niet-ontvankelijk in het incidenteel hoger beroep;
vernietigt de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 26 augustus
1997 en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt vast dat door de betrokkene aan de gemeente zal worden voldaan terzake
van – ten behoeve van de vrouw en de minderjarige – reeds gemaakte en nog te
maken kosten van bijstand, zolang deze voortduurt, – vanaf 1 maart 1995 tot 1
januari 1996 ƒ 287,42 per maand;
– vanaf 1 januari 1996 tot 1 januari 1997 ƒ 729,37 per maand;
– vanaf 1 januari 1997 ƒ 766,89 per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs. Van den Wildenberg, Wigleven en Thomassen

Instantie: Rechtbank Zutphen, 23 juni 1998

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Meisje is de leeftijd van 8-15 jaar (1975-1982) door stiefvader seksueel
misbruikt. Zij vordert ƒ 20.000 tot 30.000 immateriële schadevergoeding en ƒ
25.000 materiële schadevergoeding. Verjaring kan niet worden ingeroepen omdat
het bewustzijn van het misbruik pas tijdens de therapie in 1993 is gekomen.
Deskundigenbericht. Eindvonnis: voorlopig deskundigenbericht geeft
onvoldoende aanknopingspunten dat er
sprake is geweest van seksueel misbruik. Dagboekfragmenten niet voldoende.

Volledige tekst

OVERWEEGT:

ten aanzien van het -procesverloop:

Dit verloop blijkt uit:

– het vonnis van 2 februari 1998;
– het ingevolge voormeld vonnis op 7 mei 1998 door dr. R. Bullens
uitgebrachte voorlopig deskundigenbericht;
– de schriftelijke reacties van partijen over en weer op de inhoud van
voormeld deskundigenbericht tevens houdende een verzoek van partijen om
vonnis.

ten aanzien van het recht:

1. De nadere beoordeling van het geschil:

1.1 Bij voormeld tussenvonnis is een voorlopig onderzoek door een deskundige
naar de navolgende vragen bevolen:
a. Zijn er bij K. al dan niet blijvende psychische beschadigingen en/of
trauma’s te constateren waarvan de oorzaak, naar kan worden aangenomen, ligt
in seksueel misbruik in haar jeugd?
b. Valt aan te nemen dat K. zich eventueel seksueel misbruik door Kw. op zeer
jeugdige leeftijd kan herinneren en zou dat (mede) tot de eventuele hiervoor
bedoelde beschadigingen en/of trauma’s hebben kunnen leiden?
c. Valt aan te nemen dat de stelling van Ko. betreffende seksueel misbruik
door Kw. aannemelijk is?
d. Valt aan te nemen, ingeval het er in zekere mate voor moet worden gehouden
dat het gestelde misbruik door Kw. heeft plaats gevonden, dat Kw. op grond
van een stoornis het gebeurde heeft verdrongen en daarom ontkent?
e. Kan worden aangegeven welk aandeel van de hiervoor bedoelde eventuele
aandoeningen van de vrouw is veroorzaakt door het gestelde misbruik door Kw.
f. Kunnen de hiervoor bedoelde eventuele aandoeningen van Ko. zijn verergerd
door andere, later opgetreden, oorzaken?
g. Geven de processtukken en het onderzoek U nog aanleiding tot het maken van
nadere opmerkingen die voor deze zaak van belang kunnen zijn?

1.2 De door de president benoemde deskundige dr. R. Bullens heeft van
voormelde vragen de vragen a tot en met d aldus beantwoord:

a. Vanuit het onderzoek is niet eenduidig komen vast te staan dat er
blijvende psychische beschadigingen en/of trauma’s zijn te constateren
waarvan de oorzaak in seksueel misbruik in haar jeugd zou liggen. De door mw.
Ko. te berde gebrachte psychische problemen kunnen evenzo voortvloeien uit de
zwakke ego- basis, welke grosso modo wordt gevormd in de eerste levensjaren,
derhalve nog voordat dhr. Kw. in haar leven kwam.

b. Op zich is het mogelijk dat mw. Ko. zich seksueel misbruik kan
herinneren dat op jeugdige leeftijd heeft plaatsgevonden en kan dit mede tot
de psychische beschadigingen en/of trauma’s leiden. De verklaring van mw. Ko.
blijkt echter veel te mager en te weinig specifiek te zijn. Daarnaast is niet
meer te traceren wat de langdurige therapie van haar voor invloed heeft gehad
op datgene wat zij thans te berde brengt terzake het vermeende seksueel
misbruik. Het ‘dagboek’ kan daarnaast niet als een in psychologische zin
betrouwbare toevoeging aan haar verklaring worden beschouwd (vanwege de in
paragraaf 5 genoemde argumenten).

c. Zoals bekend mag worden verondersteld, kan seksueel misbruik nog het
beste worden getypeerd als ‘het syndroom van de geheimhouding’. Dit houdt in
dat niemand anders dan de twee direct betrokkenen (in de regel) bij het
seksueel misbruik aanwezig zijn geweest. Uiteindelijk is het de rechter die
bepaalt seksueel misbruik al dan niet heeft plaatsgevonden. Van
gedragswetenschappers mag worden verlangd dat ze vanuit hun wetenschap die
argumenten pro en contra weergeven, die de rechter kunnen helpen bij het
wegen van zijn oordeel. In de overwegingen (paragrafen 5 en 9) zijn genoemde
gedragswetenschappelijke argumenten pro en contra in extenso aan bod gekomen
(…)

d. Op grond van het psychologisch onderzoek van dhr. Kw., zijn geen
redenen gevonden om aan te nemen dat Kw. op grond van een stoornis het
gebeurde heeft verdrongen en daarom ontkent.

Vanuit het onderzoek is geenszins een dergelijke stoornis
geconstateerd.

De deskundige heeft de overige vragen niet kunnen beantwoorden.

1.3 Met de deskundige is de president van oordeel dat Ko. in het kader van
het deskundigenbericht te weinig specifiek (qua aard en contextuele
inbedding) in haar verklaringen is geweest om het door Ko. gestelde seksueel
misbruik door Kw. genoegzaam aannemelijk te achten. Dit wordt niet anders
door bedoelde verklaringen te combineren met de inhoud van het door Ko. lang
nadat de gestelde gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden vervaardigde
“dagboek”, nu de deskundige de toegevoegde waarde daarvan gemotiveerd in
twijfel heeft getrokken, welk oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde
motivering de president overneemt. Daarenboven heeft de deskundige Kw. een
tweetal seksualiteitsvragenlijsten laten beantwoorden en heeft de deskundige
als zijn oordeel te kennen gegeven dat op geen van beide vragenlijsten enig
denken c.q. gevoel terzake seksueel deviant gedrag c.q. preferentie aanwezig
blijkt te zijn.

1.4 Ko. heeft als belangrijkste argument tegen het voorlopig
deskundigenbericht aangevoerd dat zij vóór het onderzoek aan de deskundige
heeft medegedeeld er erg veel moeite mee te hebben om over het gebeurde te
praten, er nog nooit tegen een man over te hebben gesproken en derhalve niet
te weten of dat zou lukken. Dit blijkt evenwel niet uit voormeld rapport. Uit
het slot van het rapport blijkt wel dat Ko. het integrale verslag van de
deskundige heeft gelezen alsmede dat zij volledig akkoord is met de weergave
van het gesprek dat de deskundige met haar heeft gevoerd (dit laatste wordt
door Ko. thans betwist). Voorshands is onvoldoende aannemelijk dat Ko.
tegenover de deskundige niet alles heeft kunnen zeggen wat zij van belang
achtte terzake van het door haar gestelde seksueel misbruik door Kw. Om die
reden al zal dezerzijds aan de nadien door Ko. in haar reactie op het
voorlopig deskundigenbericht gegeven nadere details terzake worden
voorbijgegaan. Aan de inhoud van de door Ko. in het geding gebrachte
krantenberichten, waarin ervaringen van Kw. met internet worden gerelateerd,
zal nog daargelaten de relevantie daarvan in het kader van de in de
onderhavige procedure centraal staande vraag, eveneens worden voorbijgegaan.
Niet gezegd kan worden dat voormelde oordelen van de deskundige over Kw.
daardoor genoegzaam worden ontkracht. Hetzelfde geldt voor de inhoud van de
door Ko. overgelegde schriftelijke verklaring van haar moeder d.d. 19 mei
1998.

1.5 Het vorenoverwogene brengt met zich dat de gevraagde voorziening
geweigerd dient te worden. Bij deze uitslag dient Ko. in de kosten van het
geding te worden veroordeeld. Tevens komt -gelet op het in artikel 57c RV
bepaalde- het uit ’s Rijks kas aan de deskundige betaalde, op de voet van
artikel 225 lid 3 RV voorlopig in debet gestelde, honorarium ad ƒ 3.731,20
als na te melden ten laste van Ko.

BESLIST:
Weigert de gevraagde voorziening.
Veroordeelt Ko. in de kosten van het geding, tot op de dag van deze uitspraak
aan de zijde van Kw. gevallen en begroot op ƒ 345 aan verschotten en ƒ 1.500
aan salaris van de procureur.

Veroordeelt Ko. om aan de griffier van deze rechtbank te betalen ƒ 3.731,20
door storting van voormeld bedrag op gironummer 862493 ten name van de
gerechten in het arrondissement Zutphen, onder vermelding van “in debet
gesteld honorarium deskundigenbericht Ko./Kw., K.G. nummer 15252 KG ZA
98-18″.

Tussenvonnis 2 februari 1998

OVERWEEGT:

ten aanzien van het procesverloop:

Ko. heeft -mede aan de hand van een pleitnota en onder overlegging van
produkties geconcludeerd voor eis overeenkomstig de dagvaarding, waarvan een
fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

Kw. heeft -aan de hand van een pleitnota en onder overlegging van produkties-
geconcludeerd voor antwoord tot afwijzing van het gevorderde.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.

ten aanzien van het recht:

1. De vaststaande feiten:
– Ko. is in 1967 geboren. Toen zij drie jaar oud was kwam Kw. als haar
stiefvader in haar leven.

– In 1993 is Ko. met haar moeder, die toen al van.Kw. was gescheiden, naar
Assen verhuisd.

– Vanaf april 1993 is Ko. die psychische klachten had, gedurende drie jaar in
therapie geweest bij het centrum voor psychiatrie en psychogeriatrie
APZ-Drenthe.

2.De vordering, de grondslag en het verweer:

2.1 Ko. vordert ten principale -samengevat- Kw. te veroordelen om aan haar
een bedrag van ƒ 10.000 te betalen als voorschot op de door haar geleden
materiële en immateriële schade.

2.2 Ko. baseert haar vordering op de vaststaande feiten alsmede op de
navolgende stellingen.

– Vanaf haar achtste tot haar vijftiende levensjaar is zij met regelmaat door
Kw. seksueel misbruikt, hetgeen onrechtmatig is jegens haar.

– Hierdoor heeft zij de navolgende klachten gekregen: depressiviteit
woedeaanvallen; extreme angstklachten, psychische (paniekstoornis met
agorafobie en aan het seksueel misbruik gerelateerde angstklachten);
herbeleving van de incest; angst voor lichamelijk contact; auto-mutulatie;
suïcidegedachten; negatief lichaamsbeeld; sociaal isolement
(vermijdingsgedrag); problemen met grenzen stellen en assertiviteit alsmede
slaapproblemen.

– Eerst gedurende voormelde therapie werd haar duidelijk wat de schade was
die door het sexueel misbruik van haar was aangericht en hoe omvangrijk deze
was.

– De immateriële schade begroot zij op een bedrag van ƒ 20.000 á ƒ 30.000.

– Haar materiële schade bestaat uit de eigen bijdrage voor de kosten van
therapie, inkomensschade (omdat zij als gevolg van de langdurige therapie
gedurende enige jaren niet full-time heeft kunnen werken) alsmede de kosten
van haar MEAO- opleiding, die zij zelf heeft moeten betalen omdat zij het
eerst in een later stadium kon opbrengen om te gaan studeren, hetgeen tot
gevolg had dat zij niet meer in aanmerking kwam voor studiefinanciering. Haar
materiële schade bedraagt circa ƒ 25.000.

– Kw. is gehouden haar schade te vergoeden.

– Zij heeft een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening omdat de
gevorderde schadevergoeding haar verwerkingsproces bevordert en het mogelijk
maakt verder te gaan met het leven dat zij nog voor zich heeft.

2.3 Kw. heeft -kort gezegd- het navolgende ten verwere aangevoerd.

– De vordering tot schadevergoeding is verjaard

– Hij betwist dat hij Ko. seksueel heeft misbruikt.

– Ko. heeft geen spoedeisend belang bij haar vordering.

– Er is een restitutierisico.

3. De beoordeling van het geschil:

3.1 Het beroep op verjaring wordt verworpen. Het moge zo zijn dat Ko. in 1982
besef kreeg van het feit dat, naar zij stelt, Kw. haar seksueel misbruikt
had, daarmee is nog niet gegeven dat zij zich er toen tevens van bewust was
welke schade dit bij haar had aangericht.
Het is immers een feit van algemene bekendheid dat dit besef in gevallen
waarin sprake is van seksueel misbruik gedurende de jeugd van het slachtoffer
veelal eerst vele jaren na het beëindigd zijn van het ondergane seksueel
misbruik ontstaat. Dat Ko. in 1989 in verband met spanningsklachten naar een
fysiotherapeut werd verwezen, die een verband aanwezig achtte tussen de
spanningsklachten van Ko. en het gestelde seksueel misbruik door Kw., is
-mede in aanmerking genomen dat het niet aan een fysiotherapeut is om een
dergelijke conclusie te trekken – ongenoegzaam om te kunnen oordelen dat bij
Ko. in 1989 besef van schade alsmede van de omvang daarvan in voldoende mate,
vereist om een vordering tegen Kw. in te stellen, aanwezig was. Ko. heeft
zelf bovendien onweersproken aangegeven dat zij vanaf 1992 in toenemende mate
te maken kreeg met psychische klachten waarvoor zij toen deskundige hulp
heeft ingeroepen.
Dezerzijds komt-het genoegzaam aannemelijk voor dat Ko. het besef van de
(omvang van de) schade als gevolg van het door haar gestelde seksueel
misbruik eerst heeft gekregen in de-loop van de in april 1993 gestarte
therapie bij APZ-Drenthe. Ten tijde van het uitbrengen van de dit kort geding
inleidende dagvaarding was de in deze geldende verjaringstermijn van 5 jaar,
welke moet worden geacht niet eerder dan in april 1993 te zijn aangevangen,
nog niet verstreken. Bovendien zijn er nog geen 20 jaar verstreken sinds het
gestelde plegen van 1 seksueel misbruik door Kw.

3.2 De andere onderdelen van het verweer kunnen een onderlinge samenhang in
hun afhandeling meebrengen, maar zijn in eerste instantie (mede) afhankelijk
van de vraag of voldoende aannemelijk is, dat Kw. Ko. seksueel misbruikt
heeft, zoals door haar gesteld. De stellingname van Ko. zoals ter zitting
door en namens haarzelf verwoord alsmede de verslagen van de diverse
therapeutische behandelingen, die door haar zijn ondergaan, bieden wel
aanknopingspunten voor de juistheid van het standpunt van Ko. maar zijn gelet
op de betwisting zijdens en door Kw.- in het kader van de onderhavige
procedure, waarin een voorschot wordt gevorderd op de door Ko. gestelde
schade als gevolg van het beweerdelijke seksueel misbruik door Kw., nog niet
genoegzaam. Met name dient in de onderhavige “bewijspositie” van deskundige
zijde meer explicite eigen inbreng naar voren te komen om de grondslag van de
vordering voldoende aannemelijk te doen zijn.
Onder deze omstandigheden komt het noodzakelijk voor om terzake een
deskundigenbericht in te winnen.

3.3. Het vorenoverwogene leidt tot na te melden beslissing. Iedere verdere
beslissing zal worden aangehouden.

BESLIST:

1. Beveelt een voorlopig onderzoek door een deskundige naar de navolgende
vragen:

a. Zijn er bij K. al dan niet blijvende psychische beschadigingen en/of
trauma’s te constateren waarvan de oorzaak, naar kan worden aangenomen, ligt
in seksueel misbruik in haar jeugd?

b. Valt aan te nemen dat Ko. zich eventueel seksueel misbruik door Kw. op
zeer jeugdige leeftijd kan herinneren en zou dat (mede) tot de eventuele
hiervoor bedoelde beschadigingen en/of trauma’s hebben kunnen leiden?

c. Valt aan te nemen dat de stelling van Ko. betreffende seksueel misbruik
door Kw. aannemelijk is?

d. Valt aan te nemen, ingeval het er in zekere mate voor moet worden gehouden
dat het gestelde misbruik door Kw. heeft plaats gevonden, dat Kw. op grond
van een stoornis het gebeurde heeft verdrongen en daarom ontkent?

e. Kan worden aangegeven welk aandeel van de hiervoor bedoelde eventuele
aandoeningen van de vrouw is veroorzaakt door het gestelde misbruik door Kw.?

f. Kunnen de hiervoor bedoelde eventuele van Ko. zijn verergerd door andere,
later opgetreden, oorzaken?

g. Geven de processtukken en het onderzoek U nog aanleiding tot het maken van
nadere opmerkingen die voor deze zaak van belang kunnen zijn?

2. Benoemt tot deskundige:

dr. R. Bullens,
postadres: (…)
telefoonnummer: (…)

tenzij partijen in onderling overleg een andere deskundige overeenkomen en
daarvan de president uiterlijk op 13 februari 1998 in kennis stellen.

Bepaalt dat de deskundige zo spoedig mogelijk tot het onderzoek overgaat en
een met redenen omkleed schriftelijke rapport zal indienen ter griffie van
deze rechtbank vóór 10 april 1998, onder bijvoeging van een gespecificeerde
rekening, een en ander onder vermelding van Ko./Kw. 15252 KG ZA 98-18;

Bepaalt dat de procesdossiers door partijen ter beschikking van de deskundige
zullen worden gesteld;

Bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid zal
stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat de deskundige in het
schriftelijke bericht doet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder
vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken;

Bepaalt dat, na het uitbrengen van het deskundigen bericht, op verzoek van de
meest gerede Partij voortzetting van de mondelinge behandeling van dit kort
geding zal plaatsvinden.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mr. J.J. van Oostveen

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 19 juni 1998

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De behoefte van de twee minderjarige kinderen aan alimentatie staat vast. De
vader is een eigen adviesbureau gestart in 1994. Hij is hertrouwd in 1991,
uit welk huwelijk drie kinderen zijn geboren en opnieuw getrouwd in 1995. De
huidige echtgenote heeft haar WW-uitkering doen beëindigen door in het
bedrijf van haar man enig administratief werk te verrichten. Volgens de vader
had hij anders personeel moeten inhuren. De echtgenote heeft thans de zorg
voor een kind, geboren in 1996, zodat volgens de vader niet kan worden
gesteld dat zij geheel in eigen levensonderhoud kan voorzien. Om die reden
heeft de rechtbank de vader ten onrechte als alleenstaande aangemerkt en ten
onrechte slechts de helft van de woonkosten te zijnen laste gebracht. Het hof
heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven, dat de beslissing van de
vader zijn huidige echtgenote te laten meewerken in zijn onderneming,
waardoor haar uitkering in het kader van de Werkloosheidswet is komen te
vervallen, tegen de achtergrond van zijn onderhoudsverplichtingen jegens zijn
kinderen, niet redelijk is. De Hoge Raad oordeelt dat in het licht hiervan
het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in de gedachtegang die heeft geleid
tot zijn oordeel dat de draagkracht van de vader de opgelegde
kinderalimentatie niet langer toelaat.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 20 mei 1996 ter griffie van de Rechtbank te Rotterdam ingekomen
verzoekschrift heeft verweerder in cassatie – verder te noemen: de vader –
zich gewend tot die Rechtbank met het verzoek om – met wijziging van de
beschikking van 8 maart 1994 van de Rechtbank te Dordrecht – ingaande de
datum van de te geven beschikking althans vanaf een door de Rechtbank in
goede justitie te bepalen datum de bijdragen in de kosten van verzorging en
opvoeding van de uit zijn inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk met
verzoekster tot cassatie – verder te noemen: de moeder – geboren kinderen R.,
geboren (…) 1981, en P., geboren (…) 1983, te stellen op nihil met
vaststelling van hetgeen de vader tot de datum van de beschikking
verschuldigd zal zijn op hetgeen hij tot op dat moment heeft betaald. De
moeder heeft het verzoek bestreden. De Rechtbank heeft bij beschikking van 26
februari 1997 het verzoek van de vader afgewezen. Tegen deze beschikking
heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage.
Bij beschikking van 7 november 1997 heeft het Hof voor voormelde beschikking
van de Rechtbank te Rotterdam vernietigd en – met dienovereenkomstige
wijziging van de Rechtbank Dordrecht – de alimentatie voor beide kinderen met
ingang van 1 maart 1996 bepaald op ƒ 75 per maand en per kind en het in hoger
beroep meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt
daarvan deel uit. De vader heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie
van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt vernietiging van de bestreden
beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam
ter verdere behandeling en beslissing.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1 Bij vonnis van de Rechtbank te Dordrecht van 26 oktober is tussen
partijen echtscheiding uitgesproken. Bij beschikking van die rechtbank van 8
maart 1984 is de moeder benoemd tot voogdes en de vader tot toeziend voogd
over de uit het huwelijk geboren kinderen R., geboren op (…) 1981, en P.,
geboren op (…) 1983, en is tevens bepaald dat de vader als bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal uitkeren ten tijde van
de bestreden beschikking van het Hof ƒ 397, 64.

3.2 In het onderhavige geding heef t de vader verzocht de bijdrage op nihil
te stellen. Nadat de Rechtbank dit verzoek had afgewezen, heeft het Hof bij
zijn bestreden beschikking de bijdrage, met dienovereenkomstige wijziging van
de beschikking van de Rechtbank te Dordrecht van 8 maart 1984, bepaald op ƒ
75 per kind per maand met ingang van 1 maart 1996.

3.3 Onderdeel 2 klaagt dat het Hof met betrekking tot het jaarinkomen van de
vader is uitgegaan van de gemiddelde winst uit zijn bedrijf over de jaren
1994, 1995 en 1996, te weten ƒ 47.438 terwijl de vader niet bij zijn
beroepschrift, maar eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is
opgekomen tegen het oordeel van de Rechtbank dat moet worden uitgegaan van
een bedrag van ƒ 52.639,92.
In zijn appelgrief IV heeft de vader aangevoerd, zakelijk weergegeven, niet
in staat te zijn de bijdrage te betalen. In verband daarmee heeft hij twee
draagkrachtberekeningen overgelegd, die van een verschillende winst uit
onderneming uitgaan, te weten ƒ 52.640 en ƒ 45.320. De moeder is in haar
verweerschrift op deze berekeningen ingegaan, naar aanleiding waarvan tussen
partijen een debat is ontstaan over de vraag of voor wat betreft de
ondernemingswinst van de vader een bepaald jaar dan wel het gemiddelde over
een aantal jaren als uitgangspunt voor de bepaling van zijn draagkracht moet
worden genomen. In dit debat heeft de vader zich bij de mondelinge
behandeling op het standpunt gesteld dat het redelijk is hiervoor de winst
over de afgelopen drie jaar te nemen. Het kennelijke oordeel van het Hof dat
dit standpunt niet een nieuwe grief oplevert maar neerkomt op een nadere
uitwerking van hetgeen de vader in het kader van de door appelgrief IV
ontsloten rechtsstrijd in hoger beroep had aangevoerd, is niet
onbegrijpelijk. Voor een verdere toetsing van dit aan de rechter die over de
feiten oordeelt voorbehouden oordeel, is in cassatie geen plaats. Het
onderdeel faalt derhalve.

3.4 De Rechtbank heeft geoordeeld dat de beslissing van de vader en zijn
huidige echtgenote om haar te laten medewerken in zijn onderneming, waardoor
haar inkomen uit hoofde van de Werkloosheidswet is komen te vervallen, tegen
de achtergrond van de onderhoudsverplichtingen van de vader jegens zijn
kinderen niet redelijk is. Op grond hiervan is de Rechtbank uitgegaan van de
alleenstaande-norm en van gedeelde woonlasten, en heeft zij voorts geoordeeld
dat, nu reeds personeelskosten ten laste van de ondernemingswinst van de
vader zijn gebracht, het niet redelijk is daarenboven rekening te houden met
een personeelspost voor wat betreft de door zijn huidige echtgenote verrichte
administratieve ondersteuning (ƒ 610 per maand).
Het Hof heeft het oordeel van de Rechtbank onderschreven, dat de beslissing
van de vader zijn huidige echtgenote te laten meewerken in zijn onderneming,
tegen de achtergrond van zijn onderhoudsverplichtingen jegens zijn kinderen,
niet redelijk is (rov. 3.1). In het licht hiervan heeft het Hof onvoldoende
inzicht gegeven in de gedachtegang die heeft geleid tot zijn oordeel dat de
draagkracht van de vader de opgelegde bijdrage voor de kinderen niet langer
toelaat. Vooreerst is niet duidelijk in hoeverre het Hof ook het standpunt
van de Rechtbank deelt ten aanzien van de toepassing van de
alleenstaande-norm en gedeelde woonlasten (rov. 3.6), terwijl uit de
bestreden beschikking evenmin blijkt of het Hof al dan niet rekening heeft
gehouden met een personeelspost van ƒ 610 per maand. Indien de bestreden
beschikking aldus moet worden verstaan dat het Hof wel is uitgegaan van de
alleenstaande-norm en gedeelde woonlasten en dat het die personeelspost niet
in aanmerking heeft genomen, is zonder nadere motivering, die evenwel
ontbreekt, niet begrijpelijk waarom naar ’s Hofs oordeel de draagkracht van
de vader de door de Rechtbank mogelijk geachte bijdrage niet toelaat.
Onderdeel 3 treft derhalve doel.

3.5 Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden beslissing niet in stand
kan blijven en dat de overige klachten van het middel geen behandeling
behoeven.

4. BESLISSING

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 7 november
1997;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling
en beslissing.

Rechters

Mrs. Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes, Neleman, De Savornin Lohman

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 18 juni 1998

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De vrouw heeft zich in 1979 laten steriliseren. In 1987 is zij toch zwanger
geraakt. Bij de Rechtbank Amsterdam heeft zij schadevergoeding gevorderd. De
rechtbank heeft dit op basis van een deskundigenbericht over de
informatieplicht van de specialist afgewezen. De deskundige stelt dat het in
1979 gebruikelijk was dat de nadruk bij de informatie meer lag bij het feit
dat de ingreep in principe definitief was en dat het niet gebruikelijk was
nadrukkelijk te wijzen op de mogelijkheid van zwangerschap na de
sterilisatie. De vrouw gaat in hoger beroep. In een tussenvonnis krijgt de
vrouw de opdracht om te bewijzen dat de arts haar niet heeft geïnformeerd
over de kans op mislukking van de door haar voorgenomen sterilisatie. Het hof
stelt dat ook in 1979 de gynaecoloog al een informatieplicht tegenover de
patiënt had en aan haar had moeten meedelen dat er kans bleef bestaan op een
normale zwangerschap. Bewezen is dat de arts niet heeft voldaan aan de op
haar rustende informatieplicht. De rats is in beginsel aansprakelijk voor de
daardoor ontstane schade. De arts heeft voorts betwist dat er causaal verband
bestaat tussen het gebrek aan informatie en de gestelde schade. De
zwangerschap ontstond eind 1986. Volgens de arts had de vrouw toen inmiddels
– door de aandacht in de media – kunnen weten dat een sterilisatie niet niet
honderd procent betrouwbaar is. Het hof verwerpt dit betoog en stelt dat
gedaagde onvoldoende feiten dienaangaande heeft gesteld.

Volledige tekst

; 1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellante, D., is bij exploit van 20 november 1996 in hoger beroep
gekomen van de vonnissen voor zover deze door de arrondissementsrechtbank te
Amsterdam onder rolnummer H 93.3464 tussen partijen zijn gewezen en die zijn
uitgesproken op 17 mei 1995 respectievelijk 28 augustus 1996, met dagvaarding
van geïntimeerde, K., voor dit hof.

1.2 D. heeft bij memorie vijf grieven tegen het tussenvonnis van 17 mei 1995
en twee grieven tegen het eindvonnis van 28 augustus 1996 aangevoerd en een
bewijsaanbod gedaan, met conclusie dat, kortweg, het hof de vonnissen waarvan
beroep vernietigt en, opnieuw rechtdoende, haar vorderingen alsnog toewijst
met veroordeling van K. in de kosten van de beide instanties.

1.3 K. heeft daarop bij memorie van antwoord de grieven bestreden, met
conclusie dat, kortweg, het hof de vonnissen waarvan beroep zal bekrachtigen
met veroordeling van D. in de kosten van het hoger beroep.

1.4 Ten slotte zijn de stukken van het geding in eerste aanleg en in hoger
beroep, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, voor het wijzen van arrest
aan het hof overgelegd. Het hof heeft het schriftelijke bericht van de
deskundige Van der Meulen van 17 december 1995 wel in het dossier van K.,
niet in dat van D. aangetroffen.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

3. Waarvan het hof uitgaat

De rechtbank heeft in het vonnis van 17 mei 1995 onder 1 a tot en met f een
aantal feiten vastgesteld. De juistheid van die feiten is niet in geding,
zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan, met verbetering van een
kennelijke schrijffout onder 1a, waar in plaats van 1978 1979 moet worden
gelezen.

4. Behandeling van het hoger beroep

4.1 Met de eerste grief heeft D. opnieuw (en in deze aanleg voldoende
duidelijk) de vraag aan de orde gesteld of K. haar geïnformeerd heeft over de
kans op mislukking van de voorgenomen sterilisatie.

4.2 D. heeft ter ondersteuning van haar stelling dat K. haar niet
geïnformeerd heeft over de kans op mislukking van de voorgenomen
sterilisatie, aangevoerd dat zij in 1979 kort met K. gesproken heeft over de
sterilisatie en dat zij zich het gesprek met K. nog levendig herinnert. In
dat gesprek is volgens D. niet meer aan de orde geweest dan het vraagpunt of
zij zich voldoende bewust was van het onomkeerbare karakter van de ingreep.

4.3 K., gynaecologe, heeft op 16 november 1979 met het oog op de door D.
gewenste sterilisatie een intakegesprek met haar gevoerd en haar
gynaecologisch onderzocht. Zij stelt dat bij dat gesprek met D. de kans op
mislukking ter sprake is gekomen en dat daarover voorlichting aan D. is
gegeven. Ter ondersteuning van die stelling voert zij aan dat zij, hoewel zij
geen specifieke herinnering aan dat gesprek met D. heeft, zich wel herinnert
dat toentertijd in dergelijke gepsrekken het accent lag op het definitieve,
onomkeerbare karakter van de ingreep en veel minder op de kans op mislukking
ervan. Zij was gewoon mee te delen dat er een kans op mislukking bestond,
maar zij deed dat toentertijd niet met nadruk.

4.5 Hetgeen D. ter ondersteuning van haar stellingen aangevoerd heeft, heeft
voldoende substantie om nader onderzoek in rechte te verdienen. Hetgeen K.
daartegenover heeft aangevoerd, is van voldoende gehalte om te oordelen dat
zij de stellingen van D. gemotiveerd bestreden heeft.

4.6 Het hof staat vervolgens voor de vraag wie van partijen in deze kwestie
met het bewijs moet worden belast. Dat is niet aanstonds duidelijk in een
zaak als deze.

4.7 Op de voet van artikel 177 Rv moet bij de beantwoording van die vraag
uitgangspunt zijn dat het in beginsel op de weg van D. ligt de door haar
gestelde feiten in rechte waar te maken, omdat zij aan die feiten rechten wil
ontlenen. Een bijzondere regel en de eisen van redelijkheid en billijkheid
kunnen meebrengen dat voor een andere verdeling van de bewijslast wordt
gekozen.

4.8 Dat de sterilisatie mislukt was, heeft D. begin 1987 ontdekt, toen zij
zwanger bleek te zijn. Haar zoon werd op 17 september 1987 geboren. Zij heeft
bij brief van 27 oktober 1992 de directie van het ziekenhuis waar de
sterilisatie had plaatsgehad, alsmede de arts die de sterilisatie had
uitgevoerd, A. van E., aansprakelijk gesteld. Die brief heeft de
geadresseerden niet bereikt, waarop de aansprakelijkstelling bij brief van 23
december 1992 herhaald is. K. is bij dagvaarding van 10 november 1993 in
rechte betrokken. K. heeft daarop inzicht gegeven in hetgeen zij als arts had
gedaan ter voorbereiding van de sterilisatie door aan te voeren hetgeen zij
zich terzake meer in het algemeen herinnerde, en door stukken uit het medisch
dossier in het geding te brengen. zij maken van de processtukken in kopie
deel uit: – haar aantekening van het gesprek met D. op 16 november 1979, –
haar brief aan de huisarts van D. van 22 november 1979, – het verslag van
pre-operatief onderzoek van D. op 20 december 1979, – het verslag van de
sterilisatie op 21 december 1979, – de brief namens A. Van E. aan de huisarts
van 10 januari 1980 aangaande de uitgevoerde sterilisatie alsmede – de status
(met gegevens van 16 november 1979 tot en met 7 februari 1980). Ook brengt K.
een kopie van een publicatie in Medisch Contact dd. 28 maart 1980 in het
geding aangaande zwangerschap na sterilisatie.

4.9 Die gang van zaken geeft geen dan wel onvoldoende aanleiding te oordelen
dat het te leveren bewijs in dit geval van K. zou moeten worden verlangd.

4.10 K. heeft D. voldoende aanknopingspunt geboden om haar standpunt in deze
procedure te kunnen ontwikkelen. Specifieke bewijsnood, omdat de nodige
gegevens zich in handen van de andere partij bevinden, doet zich voor D. niet
voor.

4.11 De omstandigheid dat de omstreden feiten op 16 november 1979 zouden
hebben plaatsgehad, bemoeilijkt bewijslevering. Dat geldt voor beide
partijen. Ten nadele van K. komt daar nog bij dat D. met het instellen van
haar vordering gewacht heeft tot 10 november 1993. Gesteld noch gebleken is
dat K. voordien rekening moest houden met de mogelijkheid dat zij ooit zou
moeten bewijzen hetgeen in het omstreden gesprek van 16 november 1979 was
gebeurd.

4.12 Dat het denken over de verplichting van de arts om de patiënt te
informeren over de kans op zwangerschap na sterilisatie na 16 november 1979
is geëvolueerd, brengt evenmin mee dat K. hier het bewijsrisico moet dragen.

4.13 Slotsom van deze overwegingen is dat D. met het bewijs moet worden
belast. Het hof zal haar overeenkomstig haar aanbod toelaten, tegenover de
gemotiveerde betwisting van K., om te bewijzen dat K. haar op 16 november
1979 niet geïnformeerd heeft over de kans op mislukking van de door haar, D.,
voorgenomen sterilisatie.

4.14 Het hof houdt er rekening mee dat het, in het geval D. bewijs door
getuigen zou willen leveren, om een klein aantal getuigen gaat. Dat verhoor
zou dan gecombineerd kunnen worden met een eventueel door K. gewenst
tegenverhoor. Het hof verzoekt partijen daarover met elkaar in overleg te
treden. De zaak zal naar de rol worden verwezen, opdat partijen zich bij akte
over en weer kunnen uitlaten, of zij bewijs door getuigen willen leveren,
eerst D. en daarna K.. Wordt getuigenverhoor gewenst, dan verzoekt het hof
partijen mede te delen hun verhinderdata (met inbegrip van die van de voor te
brengen getuigen) in de maand september 1998.

4.15 In deze fase van het geding komt het het hof verstandig voor eerst de
verlangde bewijslevering af te wachten en de overige grieven nog niet te
bespreken. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Tussentijds
cassatieberoep zal worden uitgesloten.

5. Beslissing

Het hof: laat D. toe tot het bewijs van hetgeen daartoe in rechtsoverweging
4.13 is overwogen; stelt de stukken weer in handen van partijen en bepaalt
dat de zaak wordt uitgeroepen ter rolle van 2 juli 1998 voor een akte aan de
zijde van D. als hierboven in rechtsoverweging 4.14 bedoeld; houdt iedere
verdere beslissing aan; bepaalt dat van dit tussenarrest pas beroep in
cassatie kan worden ingesteld tegelijk met het eindarrest.

Rechters

Mrs Chorus, Van der Reep, Steenbergen

Instantie: Hof van Justitie EG, 17 juni 1998

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Artikel 119 EG-Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari
1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der
lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor
mannelijke en vrouwelijke werknemers, moeten aldus worden uitgelegd, dat
wanneer een veel hoger percentage vrouwelijke dan mannelijke werknemers zijn
arbeid verricht in de vorm van een tweelingbaan, zich verzetten tegen een
nationale wettelijke regeling volgens welke werknemers die van een
tweelingbaan overgaan naar een voltijdsbaan, op de salarisschaal voor
voltijds werkzaam personeel lager worden ingeschaald dan op de plaats die zij
voorheen op de salarisschaal voor in tweelingbanen werkzaam personeel
innamen, doordat de werkgever het criterium toepast dat enkel de in een
bepaalde functie effectief gewerkte tijd als diensttijd wordt meegeteld,
tenzij die wettelijke regeling wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren
die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.

Volledige tekst

1. Bij beschikking van 5 april 1995, ingekomen bij het Hof op 12 juli
1995, heeft de Labour Court krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie
prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 75/117/EEG van
de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de
wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke
beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB L 45, blz. 19; hierna:
‘richtlijn’).

2. Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen enerzijds Hill en Stapleton,
die voorheen in tweelingbanen (‘job-sharing’) werkten, en anderzijds de
Revenu Commissioners en het Departement of Finance, ter zake van het besluit
van laatstgenoemden om hen, toen zij weer voltijds gingen werken, op de
salarisschaal voor voltijds personeel lager in te schalen dan op de plaats op
de salarisschaal voor in tweelingbanen werkend personeel die zij voorheen
innamen.

3. Artikel 119 EG-Verdrag legt het beginsel van gelijke beloning voor
mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid vast. De tweede
alinea van deze bepaling luidt: ‘Onder beloning in de zin van dit artikel
dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris, en
alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of
indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt.’

4. De richtlijn knoopt in artikel 1 aan bij het beginsel van gelijke
beloning. Dit beginsel ‘houdt in dat voor gelijke arbeid of voor arbeid
waaraan gelijke waarde wordt toegekend ieder onderscheid naar kunne wordt
afgeschaft ten aanzien van alle elementen en voorwaarden van de beloning’.

5.De regeling van tweelingbanen is in Ierland in 1984 bij regeringsbesluit
ingevoerd, voornamelijk om banen te scheppen.

6. Deze regeling, die werd ingevoerd bij circulaire 3/84, voerde de
mogelijkheid in dat twee ambtenaren samen één voltijdsfunctie vervulden, in
dier voege dat beiden gelijkelijk de voordelen van het systeem genoten en de
personeelskosten gelijk bleven. Op voltijdsbasis aangesteld personeel kon aan
de regeling deelnemen met behoud van het recht om na afloop van de periode
waarin het voor het tweelingsysteem had geopteerd, weer voltijds te gaan
werken, mits er vacatures waren. In 1986 en 1987 op tweelingbasis aangeworven
personeel had binnen twee jaar na aanwerving recht op een
voltijdsaanstelling, eveneens onder het voorbehoud dat er vacatures waren.
Het personeel dat voor een tweelingbaan koos, moest zich schriftelijk
verbinden geen andere beroepswerkzaamheid te zullen verrichten. In 1988 werd
de regeling gewijzigd in die zin, dat op tweelingbasis aangeworven personeel
tijdelijke contracten kreeg en geen recht had op een voltijdsaanstelling.

7. In circulaire 3/84 was het volgende bepaald: ‘Voor elke rang waarin
tweelingbanen bestaan, geldt voor de in een tweelingbaan werkzame
personeelsleden een salarisschaal waarbij elke trap 50 % bedraagt van de voor
voltijds werkzame personeelsleden geldende trap. De ambtenaar wordt elk jaar
een trap hoger geplaatst, indien hij zijn taak naar tevredenheid vervult.’

8. In circulaire 3/84 werd niet vastgelegd, hoe de inschaling moest verlopen
bij de overgang van een tweelingbaan naar een voltijdsbaan, maar dit werd
uiteengezet in een brief van het Departement of Finance van 31 maart 1987 aan
de ministeries. Daarin werd gesteld: ‘Daar elk in een tweelingbaan vervuld
dienstjaar wordt aangemerkt als zes maanden voltijds, moet een ambtenaar die
twee jaar in een tweelingbaan heeft gewerkt, worden ingeschaald in de tweede
trap van de voltijdsschaal (gelijk te stellen met één voltijds dienstjaar).
Ingeval een ambtenaar meer dan twee jaar in een tweelingbaan heeft gewerkt,
moet de periodiekdatum in verhouding worden aangepast.’

9. Circulaire 9/87 is de eerste algemene circulaire over salarisverhogingen
en vervangt alle eerdere circulaires ter zake. Zij bepaalt in artikel 2: ‘Een
periodiek is een verhoging van het salaris, voorzien in een salarisschaal. In
de regel wordt ieder jaar een periodiek toegekend, mits de ambtenaar zijn
taak naar tevredenheid verricht.’

10. Hill en Stapleton werden na een algemeen examen voor Ierse
overheidsambtenaren aangeworven in de rang van ‘Clerical Assistant’ en
aangesteld bij de Revenu Commissioners. Hill werd aangeworven in 1981 en
begon in een tweelingbaan in mei 1988. Stapleton werd in april 1986 in een
tweelingbaan aangeworven. Hill en Stapleton werkten twee jaar in
tweelingbanen. Zij werkten precies de helft van de tijd van een
voltijdswerknemer, volgens het systeem één week wel/één week niet. In de tijd
waarin zij in een tweelingbaan werkten, gingen zij beiden ieder jaar een
salaristrap omhoog en ontvingen zij 50 % van het salaris van een ‘Clerical
Assistant’ dat bij de bereikte trap hoorde.

11. Hill ging in juni 1990 weer voltijds werken. Zij had op dat moment de
negende trap van de schaal voor tweelingbanen bereikt. Bij haar terugkeer
naar een voltijdsbaan werd zij aanvankelijk in trap 9 van de desbetreffende
schaal geplaatst, maar vervolgens werd zij teruggeplaatst naar trap 8, op
grond dat twee jaar arbeid in een tweelingbaan gelijkstond met één jaar
voltijdse arbeid.

12. Stapleton kreeg een voltijdsfunctie in april 1988. Zij was toen ingedeeld
in de derde trap van de voor tweelingbanen gehanteerde salarisschaal. Ook in
1989 en 1990 steeg zij op de salarisschaal, tot respectievelijk trap 4 en
trap 5, maar in april 1991 kreeg zij te horen dat zij onjuist was ingeschaald
zodat zij niet omhoog ging naar trap 6. Er werd haar meegedeeld, dat haar
twee jaren arbeid op tweelingbasis als één jaar voltijdse arbeid moesten
worden aangemerkt.

13. Hill en Stapleton betwistten het besluit tot herinschaling op basis van
section 7, paragraaf 1, van de Anti-Discrimination (Pay) Act 1974 bij de
‘Equality Officer’. Deze concludeerde in zijn advies onder verwijzing naar
het arrest van het Hof van 7 februari 1991, Nimz (C-184/89, Jurispr. blz.
I-297), tot toewijzing van hun vordering, op grond dat de werkgever geen
bepaling mocht toepassen volgens welke voor de berekening van de anciënniteit
alleen bezoldigde dienstjaren meetelden.

14. De Revenu Commissioners en het Departement of Finance vochten dit advies
aan voor de Labour Court. Hill en Stapleton vorderden uitvoering van het
advies.

15. Van oordeel, dat voor de beslechting van het geschil de uitlegging van
het gemeenschapsrecht vereist was, heeft de Labour Court uit hoofde van de
hem bij artikel 8 van de Anti-Discrimination (Pay) Act 1974 verleende
bevoegdheden het Hof de volgende drie prejudiciële vragen gesteld: Wanneer
aanzienlijk meer vrouwelijke dan mannelijke werknemers gedurende een deel van
hun loopbaan in een tweelingbaan werkzaam zijn:
1) is er dan kennelijk sprake van indirecte discriminatie, indien werknemers
die van een tweelingbaan overgaan naar een voltijdsbaan, in de voor
voltijdswerknemers geldende salarisschaal worden ingedeeld op basis van de
effectief gewerkte tijd, zodat zij, ofschoon hun salaris volstrekt evenredig
is aan het salaris van personeel dat steeds voltijds heeft gewerkt, in een
lagere trap van de voltijdsschaal worden geplaatst dan personen die in alle
opzichten met hen vergelijkbaar zijn behalve dat zij steeds voltijds hebben
gewerkt? Met andere woorden, is het in strijd met het beginsel van gelijke
beloning neergelegd in richtlijn 75/117/EEG, indien werknemers die van een
tweelingbaan overgaan naar een voltijdsbaan, achteruitgaan in periodiek en
daarmee in hun salaris, doordat de werkgever het criterium hanteert dat als
diensttijd alleen de in een bepaalde functie effectief gewerkte tijd telt?
2) Zo ja, moet de werkgever dan uitdrukkelijk motiveren waarom hij bij de
inschaling het criterium hanteert dat als diensttijd alleen de werkelijk
gewerkte tijd telt?
3)Zo ja, kan een praktijk waarbij voor de inschaling als diensttijd alleen de
werkelijk gewerkte tijd telt, objectief gerechtvaardigd zijn door andere
factoren dan dat in de loop der tijd een zeker niveau van kennis en ervaring
wordt bereikt?’

16. Met deze drie vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de
verwijzende rechter in wezen te vernemen, of er sprake is van discriminatie,
wanneer werknemers die van een tweelingbaan overgaan naar een voltijdsbaan,
hun periodieken en dus hun salaris omlaag zien gaan doordat de werkgever het
criterium hanteert dat als diensttijd alleen de effectief in een bepaalde
functie gewerkte tijd telt. Indien dit criterium tot indirecte discriminatie
leidt, vraagt de verwijzende rechter, of deze kan worden gerechtvaardigd.

17. Blijkens de stukken benadeelt de in geding zijnde nationale regeling
werknemers die van een tweelingbaan overgaan naar een voltijdsbaan, ten
opzichte van degenen die gedurende een even groot aantal jaren voltijds
hebben gewerkt, doordat de in een tweelingbaan werkzame werknemer bij de
overgang naar een voltijdsfunctie lager op de voltijdssalarisschaal wordt
geplaatst dan hij voorheen op de salarisschaal voor in een tweelingbaan
werkzaam personeel stond, en daardoor ook lager dan een voltijdswerknemer die
gedurende dezelfde periode werkzaam is geweest.

18. Vooraf moet eraan worden herinnerd, dat artikel 119 van het Verdrag het
beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor
gelijke arbeid vastlegt. Zoals het Hof reeds verklaarde in het arrest van 8
april 1976, Defrenne II (43/75, Jurispr. blz. 455, punt 12), is dit beginsel
een der grondslagen van de Gemeenschap.

19. Voorts oordeelde het Hof in het arrest van 31 maart 1981, Jenkins (96/80,
Jurispr. blz. 911), dat artikel 1 van de richtlijn, dat in de eerste plaats
bedoeld is om de concrete toepassing van het in artikel 119 van het Verdrag
opgenomen beginsel van gelijke beloning te vergemakkelijken, op generlei
wijze de strekking en de inhoud van dit beginsel, zoals het in laatstgenoemde
bepaling is omschreven, beïnvloedt.

20. Om de verwijzende rechter een zinvol antwoord te verschaffen, moet eerst
worden nagegaan, of de inschaling van werknemers die van een tweelingbaan
overgaan naar een voltijdsbaan, onder artikel 119 van het Verdrag en daarmee
onder de richtlijn valt.

21. Die inschaling is bepalend voor de ontwikkeling van de aan die werknemers
verschuldigde beloning als zodanig. Zij valt derhalve onder het begrip
beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag.

22. Zoals het Hof vaststelde in het arrest van 14 februari 1995, Schumacker
(C-279/93, Jurispr. blz. I-225, punt 30), is er slechts sprake van
discriminatie, wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare
situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op verschillende
situaties.

23. Zoals ook de Labour Court constateert, is niet komen vast te staan dat de
ongunstige behandeling van Hill en Stapleton rechtstreekse discriminatie op
grond van geslacht vormt. Derhalve moet worden onderzocht, of deze ongunstige
behandeling indirecte discriminatie kan vormen.

24. Volgens vaste rechtspraak verzet artikel 4, lid 1, van de richtlijn zich
tegen de toepassing van een nationale maatregel die, al is hij op neutrale
wijze geformuleerd, in feite een veel groter percentage vrouwen dan mannen
benadeelt, tenzij die maatregel zijn rechtvaardiging vindt in objectieve
factoren, die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht
(zie in die zin, arresten van 24 februari 1994, Roks e.a., C-343/92, Jurispr.
blz. I-571, punt 33, en 14 december 1995, Megner en Scheffel, C-444/93,
Jurispr. blz. I-4741, punt 24).

25. Blijkens de stukken van het hoofdgeding zijn 99,2 % van de ‘Clerical
Assistants’ die in tweelingbanen werken vrouwen, evenals trouwens 98 % van
alle in tweelingbanen bij de overheid werkzame werknemers. In die
omstandigheden heeft een bepaling die zonder objectieve rechtvaardiging de
rechtspositie van personen in de categorie van werknemers in tweelingbanen
nadelig beïnvloedt, een op geslacht gebaseerde discriminerende werking.

26. De Labour Court is van oordeel, dat tweelingbanen een aparte categorie
vormen, daar zij geen onderbreking van de dienst meebrengen. Het verschil
tussen arbeid in deeltijd en arbeid in een tweelingbaan zou zijn, dat in de
tweelingbaan het werk en de daaraan verbonden verantwoordelijkheden door twee
werknemers worden gedeeld. Blijkens de stukken van het hoofdgeding kan van
een werknemer in een tweelingbaan worden verlangd, dat hij zich ten volle aan
zijn taak wijdt en zijn werkzaamheden met zijn partner coördineert voor het
goed functioneren van de gedeelde arbeidsplaats.

27. Zoals de Labour Court heeft vastgesteld, verrichtten Hill en Stapleton
soortgelijk werk als hun collega’s die voltijds werkzaam zijn en in een
vergelijkbare situatie verkeren. In punt 6 van dit arrest is reeds
gepreciseerd, dat personeel dat voor een tweelingbaan koos, zich schriftelijk
moest verbinden geen andere beroepswerkzaamheid te zullen verrichten. De
Labour Court trekt niet in twijfel, dat een werknemer in een tweelingbaan
dezelfde ervaring kan opdoen als een voltijds werkzame werknemer. Het enige
verschil tussen een werknemer in een tweelingbaan en een voltijds werkzame
werknemer is de in de tweelingbaan effectief gewerkte tijd.

28. Ook moet eraan worden herinnerd, dat Hill en Stapleton gedurende de tijd
waarin zij in een tweelingbaan werkzaam waren, elk jaar een trap omhoog
gingen en dat hun bezoldiging gelijk was aan 50 % van het salaris van een
‘Clerical Assistant’ in de bereikte salaristrap.

29. Volgens de regels voor tweelingbanen, evenals die voor voltijds werkzame
werknemers, is de verhoging op de salarisschaal het resultaat van een
beoordeling van zowel de kwaliteit als de kwantiteit van het verrichte werk.
Wanneer men uitgaat van een gelijke kwalitatieve beoordeling van het werk van
de twee categorieën werknemers, krijgt de werknemer in een tweelingbaan,
wanneer hij volgens deze regeling werkzaam is, dezelfde verhogingen als de
voltijds werkzame werknemer. Elke trap op de salarisschaal correspondeert met
een bedrag dat gelijk is aan de helft van het salaris van de voltijdse
werknemer. Het uurloon voor beide categorieën werknemers is dus in elke
salaristrap hetzelfde.

30. Wanneer een werknemer in een tweelingbaan, waarin hij voor 50 % van de
volle werktijd heeft gewerkt en 50 % van het salaris behorend bij deze trap
van de salarisschaal voor voltijdswerknemers heeft ontvangen, overgaat naar
een voltijdsbaan, zouden derhalve zowel zijn arbeidsuren als zijn beloning
met 50 % moeten toenemen, evenals deze voor een werknemer die van voltijds
werk naar een tweelingbaan overgaat, met 50 % afnemen, tenzij er reden is
voor een andere behandeling.

31. In het aan het hoofdgeding ten grondslag liggende geval is dit echter
niet zo. Bij de overgang naar voltijdse arbeid wordt de situatie van de
werknemer in een tweelingbaan automatisch herzien in dier voege, dat de
betrokkene op de voltijdssalarisschaal lager wordt geplaatst dan waar hij
zich op de schaal voor tweelingbanen bevond.

32. De achteruitgang die de werknemer ondervindt wanneer hij voltijds gaat
werken of zijn voltijdse arbeid hervat, heeft rechtstreekse gevolgen voor
zijn beloning. Hij ontvangt immers een lager reëel salaris dan het dubbele
van wat hij in zijn tweelingbaan zou hebben ontvangen. Zijn uurloon gaat
derhalve omlaag. Het criterium van het aantal effectief gewerkte uren
gedurende de periode waarin de werknemer in een tweelingbaan was aangesteld,
zoals dat in de litigieuze regeling wordt gehanteerd, houdt geen rekening met
het feit dat tweelingbanen, zoals in punt 26 van dit arrest is vastgesteld,
een aparte categorie vormen doordat zij geen onderbreking van de dienst
meebrengen, noch met het feit, vastgesteld in punt 27 van dit arrest, dat een
werknemer in een tweelingbaan dezelfde ervaring kan opdoen als een voltijds
werkzame werknemer. Bovendien wordt achteraf een ongelijkheid aangebracht in
de beloningen van werknemers die zowel kwalitatief als kwantitatief dezelfde
taken verrichten. Deze ongelijkheid heeft tot gevolg, dat werknemers die
voltijds werken, maar vroeger in een tweelingbaan hebben gewerkt, anders
worden behandeld dan degenen die steeds voltijds hebben gewerkt.

33. Er bestaat derhalve binnen de categorie van voltijds werkzame werknemers
ongelijkheid van beloning ten nadele van werknemers die hun functie voorheen
in een tweelingbaan hebben vervuld en in een lagere positie op de
salarisschaal worden geplaatst dan zij voorheen innamen.

34. In die omstandigheden dient te worden vastgesteld, dat bepalingen als de
in het hoofdgeding aan de orde zijnde in feite vrouwelijke werknemers
discrimineren ten opzichte van mannelijke werknemers en in beginsel
onverenigbaar moeten worden geacht met artikel 119 van het Verdrag en daarmee
met de richtlijn. Dit zou alleen dan anders zijn, indien het verschil in
behandeling van de twee categorieën werknemers zijn rechtvaardiging zou
vinden in objectieve factoren, die niets van doen hebben met discriminatie op
grond van geslacht (zie in die zin, arresten van 13 mei 1986, Bilka, 170/84,
Jurispr. blz. 1607, punt 29; 13 juli 1989, Rinner-Kühn, 171/88, Jurispr. blz.
2743, punt 12, en 6 februari 1996,
ewark, C-457/93, Jurispr. blz. I-243, punt 31).

35. Het staat aan de nationale rechterlijke instantie, die bij uitsluiting
bevoegd is om de feiten te beoordelen en de nationale wetgeving uit te
leggen, om uit te maken of en in hoeverre een wettelijke regeling die
weliswaar ongeacht het geslacht van de werknemer van toepassing is, doch die
vrouwen in feite in sterkere mate treft dan mannen, haar rechtvaardiging
vindt in objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op
grond van geslacht (zie reeds aangehaalde arresten Jenkins, punt 14; Bilka,
punt 36, en Rinner-Kühn, punt 15).

36. Niettemin moet eraan worden herinnerd, dat het in het kader van een
prejudiciële procedure weliswaar aan de nationale rechterlijke instantie
staat om vast te stellen of in het bij haar aanhangige concrete geval
dergelijke objectieve factoren bestaan, maar dat het Hof, teneinde de
verwijzende rechter een zinvol antwoord op diens vragen te kunnen geven,
bevoegd is om op grond van het dossier van het hoofdgeding en van de
mondelinge en schriftelijke opmerkingen van partijen aanwijzingen te geven
die de nationale rechter in staat stellen uitspraak te doen (zie arresten van
30 maart 1993, Thomas e.a., C-328/91, Jurispr. 1993, blz. I-1247, punt 13, en
ewark, reeds aangehaald, punt 32).

37. Volgens de Revenue Commissioners en het Department of Finance wordt een
op de werkelijk volbrachte arbeidsduur gebaseerde methode van
salarisverhoging objectief gerechtvaardigd door criteria die voldoen aan de
in de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarden.

38. De door de Revenue Commissioners en het Department of Finance aangevoerde
rechtvaardiging, dat het bij de overheid vaste praktijk is om alleen de
werkelijk volbrachte diensttijd ‘mee te tellen’, en het argument dat deze
praktijk een beloningssysteem is waarmee de motivatie, de inzet en het moreel
van het personeel op peil blijft, zijn geen van beide relevant. Het eerste
argument is slechts een algemene uitspraak, die niet met objectieve criteria
onderbouwd is. Wat het tweede betreft, kan het beloningssysteem van
werknemers die voltijds werken niet worden beïnvloed door de regeling voor
tweelingbanen.

39. Ten aanzien van de rechtvaardiging dat, indien een uitzondering werd
gemaakt voor tweelingbanen, dit tot willekeurige of onrechtvaardige situaties
zou leiden of zou neerkomen op ontoelaatbare discriminatie ten gunste van
vrouwen, moet eraan worden herinnerd dat, zoals uit punt 29 van dit arrest
volgt, er geen sprake is van discriminatie ten gunste van vrouwelijke
werknemers, indien aan een werknemer die voltijds gaat werken dezelfde
salaristrap wordt toegekend als hij in zijn contract voor een tweelingbaan
had.

40. Wat de rechtvaardiging op economische gronden betreft, moet eraan worden
herinnerd, dat een werkgever discriminatie die het gevolg is van een systeem
van tweelingbanen, niet kan rechtvaardigen op de enkele grond dat het
vermijden van die discriminatie hogere kosten voor hem zou meebrengen.

41. Alle partijen in het hoofdgeding en de verwijzende rechter zijn het
erover eens, dat het bij de Ierse overheid in tweelingbanen werkzame
personeel nagenoeg alleen uit vrouwen bestaat. Blijkens de stukken van het
hoofdgeding heeft 83 % van degenen die een tweelingbaan kozen, dat gedaan om
het werk te combineren met het gezin, waartoe steeds de opvoeding van de
kinderen behoort.

42. Het gemeenschapsbeleid op dit gebied is, te bevorderen dat de
arbeidsvoorwaarden zo mogelijk worden aangepast aan de zorg voor het gezin.
De bescherming van de vrouw in het gezinsleven alsook in het verloop van haar
beroepswerkzaamheid is, evenals die van de man, een beginsel dat in de
rechtsorden van de lidstaten algemeen wordt beschouwd als het logisch gevolg
van de gelijkheid van mannen en vrouwen en dat door het gemeenschapsrecht
wordt erkend.

43. Het is derhalve aan de Revenue Commissioners en het Department of Finance
om voor de verwijzende rechter aan te tonen, dat het hanteren van het
criterium van de diensttijd, gedefinieerd als de effectief gewerkte tijd, bij
de inschaling van werknemers die van een tweelingbaan overgaan naar een
voltijdsfunctie, wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets van
doen hebben met discriminatie op grond van geslacht. Indien deze autoriteiten
dit weten aan te tonen, is het enkele feit dat de nationale wettelijke
regeling veel meer vrouwelijke dan mannelijke werknemers treft, niet te
beschouwen als een schending van artikel 119 van het Verdrag en, bijgevolg,
van de richtlijn.

44. Derhalve moet worden geantwoord, dat artikel 119 van het Verdrag en de
richtlijn aldus moeten worden uitgelegd, dat, wanneer een veel hoger
percentage vrouwelijke dan mannelijke werknemers zijn arbeid verricht in de
vorm van een tweelingbaan, zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke
regeling volgens welke werknemers die van een tweelingbaan overgaan naar een
voltijdsbaan, op de salarisschaal voor voltijds werkzaam personeel lager
worden ingeschaald dan op de plaats die zij voorheen op de salarisschaal voor
in tweelingbanen werkzaam personeel innamen, doordat de werkgever het
criterium toepast dat enkel de in een functie effectief gewerkte tijd als
diensttijd wordt meegeteld, tenzij die wettelijke regeling wordt
gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets van doen hebben met
discriminatie op grond van geslacht.

Kosten
45. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie
wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor
vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het
hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen,
zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof van Justitie (Zesde kamer),

Uitspraak doende op de door de Labour Court bij beschikking van 5 april 1995
gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 119 EG-Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari
1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der
lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor
mannelijke en vrouwelijke werknemers, moeten aldus worden uitgelegd, dat
wanneer een veel hoger percentage vrouwelijke dan mannelijke werknemers zijn
arbeid verricht in de vorm van een tweelingbaan, zich verzetten tegen een
nationale wettelijke regeling volgens welke werknemers die van een
tweelingbaan overgaan naar een voltijdsbaan, op de salarisschaal voor
voltijds werkzaam personeel lager worden ingeschaald dan op de plaats die zij
voorheen op de salarisschaal voor in tweelingbanen werkzaam personeel
innamen, doordat de werkgever het criterium toepast dat enkel de in een
bepaalde functie effectief gewerkte tijd als diensttijd wordt meegeteld,
tenzij die wettelijke regeling wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren
die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.

Rechters

Mrs Ragnemalm, Schintgen, Mancini, Murray en Hirsch, A-G: La Pergola

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 16 juni 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was als vakantiemedewerker werkzaam bij de wederpartij als
bollenpelster. Verzoekster stelde ongelijk beloond te worden ten opzichte van
haar mannelijke collega’s, aangezien zij ƒ 7,00 per uur verdiende en een
aantal maatmannen ƒ 7,50 of meer per uur. Volgens de wederpartij was dit
verschil gelegen in het feit dat de maatmannen ouder waren en eerder voor de
wederpartij gewerkt hadden. De wederpartij hanteerde een beloningssysteem dat
niet schriftelijk was vastgelegd.
De Commissie heeft in samenwerking met de Arbeidsinspectie een onderzoek
ingesteld naar het beloningssysteem van de wederpartij. Zij concludeert dat
het uurloon voor zowel verzoekster als de maatmannen in overeenstemming is
met de door de wederpartij gehanteerde beloningsmaatstaven. De Commissie acht
het onvoldoende aannemelijk geworden dat de wederpartij het beloningsverschil
gebaseerd heeft op onderscheid tussen jongens en meisjes.
De Commissie beveelt de wederpartij aan de beloningsmaatstaven duidelijk aan
haar werknemers mede te delen om misverstanden te voorkomen.
Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 18 augustus 1997 verzocht mevrouw (….) te Kuinre (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de heer (….) en mevrouw (….) te
Creil (hierna: de wederpartij) onderscheid maken tussen mannen en vrouwen in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij als vakantiebollenpelster.
Verzoekster verdiende minder dan twee mannelijke collega’s, de heer (….)
(hierna: maatman 1) en de heer (….) (hierna: maatman 2), die dezelfde
functie bekleedden. Verzoekster is van mening dat zij ten onrechte minder
beloning ontving. Verzoekster stelt dat de wederpartij hiermee in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. De
Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld met ondersteuning van een
bedrijfskundige van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(hierna: de Arbeidsinspectie). In het kader van dit onderzoek zijn gesprekken
gevoerd met verzoekster, de wederpartij en de maatmannen. Van het onderzoek
ter plaatse is een rapport opgesteld, gedateerd 27 februari 1998.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 14 april 1998.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)
– mw. drs. (….) (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (waarnemend Kamervoorzitter)
– dhr. mr. drs. L.M. Moerings (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. mr. S.A. van Zeeland (secretaris Kamer)

van de kant van Arbeidsinspectie
– dhr. S. Bisschop (bedrijfskundige).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster (geboortedatum 23 januari 1980) was van 14 tot en met 25
juli 1997 voor vakantiewerk werkzaam bij de wederpartij als bollenpelster.

De wederpartij heeft een bloembollenbedrijf, waar naast de eigenaren geen
vaste medewerkers in dienst zijn. Tijdens de bloembollencampagne (ongeveer
drie weken in de maand juli) worden tien-twaalf vakantiemedewerkers
aangetrokken om onder meer bloembollen te pellen. De wederpartij verbouwt
daarnaast aardappels. Ook hierbij worden wel eens (andere) vakantiewerkers
ingezet voor het wieden van onkruid en het rooien van aardappels.

3.2. Verzoekster ontving een netto uurloon van ƒ 7,00 en de beide maatmannen
een netto uurloon van ƒ 7,50. Ten aanzien van de functies van verzoekster en
maatman 1 zijn partijen van mening dat beide functies geheel gelijk zijn. Een
vergelijking tussen het niveau van deze functies is derhalve niet nodig,
evenmin als het opstellen van functiebeschrijvingen. De functies kunnen van
(nagenoeg) gelijke waarde beschouwd worden.

Ten aanzien van maatman 2 hebben zowel verzoekster als de wederpartij
verklaard dat de functies in grote lijnen gelijk zijn, maar dat maatman 2
tevens belast is met het weghalen en opstapelen van volle kratten en kisten.
Het niveau van deze laatste taak stijgt niet uit boven dat van de taken van
een bollenpeller. De functies van verzoekster en maatman 2 kunnen van
(nagenoeg) gelijke waarde worden beschouwd.

3.3. De wederpartij gaat uit van vaste salarissen per leeftijdscategorie.
Voor 17-jarigen bedroeg deze beloningsmaatstaf in 1997 ƒ 7,00 netto per uur.
Een tweede beloningsmaatstaf is de ervaring van de betrokken medewerker. Per
ervaringsjaar bij de wederpartij ontvangt de vakantiemedewerker ƒ 0,50 per
uur netto meer. Een derde beloningsmaatstaf is een toeslag voor de zware
lichamelijke werkzaamheden bij het weghalen en opstapelen van volle kratten
en kisten. Deze toeslag bedraagt ƒ 0,50 netto per uur en wordt rechtstreeks
in het uurloon verwerkt.

De wederpartij heeft de beloningsmaatstaven niet schriftelijk vastgelegd. De
wederpartij legt alle vakantiewerkers oproepovereenkomsten voor ter
ondertekening. Op deze overeenkomsten staat onder meer het netto uurloon
aangegeven. Uit de oproepovereenkomsten van twee vakantiewerkers is gebleken
dat de gegevens van deze overeenkomsten overeenstemmen met de door de
wederpartij aangegeven beloningsmaatstaven.

3.4. Verzoekster was in 1997 voor de eerste maal bij de wederpartij werkzaam.
Zij was 17 jaar oud en ontving een netto uurloon van ƒ 7,00.
Maatman 1 was in 1997 voor de tweede maal bij de wederpartij werkzaam. Hij
was 17 jaar oud en ontving een netto uurloon van ƒ 7,50.
Maatman 2 was in 1997 voor de eerste maal werkzaam bij de wederpartij. Hij
was 17 jaar oud en was naast het bollenpellen belast met het weghalen en
opstapelen van volle kratten en kisten. Maatman 2 ontving een netto uurloon
van ƒ 7,50.

Voor zowel verzoekster als de twee maatmannen heeft de wederpartij de
beloningsmaatstaven toegepast conform het beleid van de wederpartij.

3.5 Verzoekster en de wederpartij hadden aanvankelijk het idee dat
verzoekster gedurende de gehele periode dat de bollencampagne duurde werkzaam
zou zijn. Normaal duurt deze periode ongeveer drie weken in de maand juli.
Verzoekster heeft slechts gedurende twee weken bij de wederpartij gewerkt,
waarna de arbeidsverhouding abrupt is afgebroken.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster stelt het volgende.

Verzoekster is samen met drie vrienden gelijktijdig bij de wederpartij
aangenomen voor vakantiewerk. Twee van deze vrienden waren eerder bij de
wederpartij werkzaam geweest en zij hadden verzoekster te kennen gegeven dat
de wederpartij nog vakantiewerkers wilde aannemen. Verzoekster wist dat de
wederpartij een goed salaris betaalde. Zij heeft vooraf geen afspraken met de
wederpartij gemaakt over de hoogte van het uurloon: zij ging af op de
informatie van haar vrienden.

Toen verzoekster de eerste dag kwam werken werd haar gezegd dat de andere
vakantiewerkers zouden uitleggen wat het werk inhield. De wederpartij was
vrijwel nooit aanwezig en heeft verzoekster nauwelijks aan het werk kunnen
zien. Op aanwijzingen van twee andere vakantiewerkers na, bepaalden de
vakantiewerkers zelf wie aan welke (bollensorteer-)band werkzaamheden
verrichtte.

Na de eerst werkweek werd op vrijdag het salaris door de wederpartij
uitbetaald. Toen bleek dat verzoekster ƒ 0,50 netto minder per uur kreeg
uitbetaald. Toen zij de wederpartij hierop aansprak, kreeg verzoekster als
antwoord dat de werkzaamheden aan de band waaraan verzoekster had gewerkt
lager beloond worden dan die aan de andere banden. Ook heeft de wederpartij
gezegd dat jongens ƒ 7,50 per uur krijgen en meisjes ƒ 7,00. De
vakantiewerkers ontvingen geen salarisstroken, maar de wederpartij noteerde
wel precies wat aan iedereen werd uitbetaald.

De moeder van verzoekster (tevens gemachtigde) heeft de wederpartij haar
ongenoegen meegedeeld over de salarisverschillen. Hierop heeft de wederpartij
aangegeven dat de jongens kratjes sjouwden en dat dit een hoger uurloon tot
gevolg heeft. Verzoekster is van mening dat zij dit werk ook wel had kunnen
doen. Zij heeft dit, evenals andere meisjes en maatman 1, echter nooit
gedaan. De wederpartij heeft verzoekster gebeld en gevraagd of zij niet
tevreden was over haar uurloon. Toen verzoekster aangaf dat dit inderdaad zo
was, heeft de wederpartij gezegd dat zij dan niet weer terug hoefde te komen.
Hierop heeft verzoekster aangegeven dat de wederpartij dan meteen twee
vakantiewerkers kwijt was, daar haar vriend ook niet meer terug zou keren.

Verzoekster spreekt tegen dat zij later aan het werk zou zijn gegaan vanwege
een vakantie. Hiervan was geen sprake. Tevens heeft ter zitting verzoekster
nog andere werknemers genoemd die anders beloond werden dan verwacht zou
mogen worden en op grond daarvan gesteld dat de beloningsmaatstaven niet
juist zijn gehanteerd.
De weigering om het kinderbijslagnummer te verstrekken, vond plaats nadat er
meningsverschillen over de beloning waren ontstaan.
Ten aanzien van de door de wederpartij gestelde taakverdeling op het werk,
merkt verzoekster nog op dat deze geheel willekeurig was. Ook is zij niet
aangesproken op haar werkhouding, zoals de wederpartij stelt.
Verzoekster heeft niet vooraf te horen gekregen hoeveel zij zou verdienen.
Het arbeidscontract heeft zij wel ondertekend, maar toen stond er nog geen
uurloon op vermeld.

3.7. De wederpartij brengt het volgende naar voren.

De wederpartij benadert ongeveer anderhalve maand voor het begin van de
bollencampagne de vakantiewerkers die het vorig jaar hebben gewerkt. Indien
er mensen afvallen, hebben deze vakantiewerkers altijd wel een vriend, broer
of zus die graag dit werk wil overnemen. De werkzaamheden vinden meestal
plaats in de maand juli en duren ongeveer drie weken. Zowel de wederpartij
als de vakantiewerkers gaan er vanuit dat zij voor de hele periode
werkzaamheden zullen verrichten.

Voor iedere vakantiewerker worden formulieren ingevuld, zoals de
loonbelastingverklaring, de aanvraag premievrijstelling marginale arbeid en
melding bedrijfsleven (MBV) en een oproepovereenkomst met uitgestelde
prestatieplicht (model zeswekenhulp). Deze formulieren worden zowel door de
vakantiewerker als de wederpartij ondertekend. Op de oproep-overeenkomst
staat het netto uurloon vermeld, zodat de betrokken medewerker ook vooraf
weet hoe hoog het uurloon is. Om aan vakantiewerkers netto uurlonen te mogen
betalen, is het noodzakelijk dat de bedrijfsvereniging over het
registratienummer WSF/SVB-kinderbijslag beschikt. Indien dit niet wordt
opgegeven is de werkgever gehouden ook sociale lasten af te dragen.
Verzoekster heeft geweigerd deze informatie te verstrekken, waardoor de
wederpartij genoodzaakt was voor haar meer kosten te maken. De salarissen
worden contant uitbetaald, waarbij de wederpartij wel nauwgezet registreert
wat er uitbetaald wordt.

De wederpartij heeft geen schriftelijk vastgelegd beleid omtrent de
beloningsmaatstaven, maar heeft voor zichzelf wel een duidelijk beeld hoe de
vakantiewerkers beloond dienen te worden. De hoogte van het uurloon wordt
bepaald door de leeftijd van betrokkene, door de aard van de werkzaamheden en
door het aantal malen dat men bij de wederpartij heeft gewerkt.

Indien iemand voor de eerste keer bij de wederpartij werkzaam is, betaalt de
wederpartij een lager uurloon, daar hij eerst wil weten wat de mogelijkheden
van de medewerker zijn. Het tweede jaar dat een vakantiewerker bij de
wederpartij werkzaam is wordt het uurloon met ƒ 0,50 verhoogd. Ook het derde
jaar krijgt een vakantiewerker er ƒ 0,50 per uur bij. Zo heeft de wederpartij
vakantiewerkers van 17 jaar die of ƒ 7,00 of ƒ 7,50 of ƒ 8,00 per uur
verdienen.

De werkzaamheden aan de grote band en de volgbanden verschillen wel
enigszins, maar zijn geen directe reden om een verschil in beloning aan te
brengen. Wel is het zo dat de wederpartij uitsluitend vakantiewerkers aan de
volgbanden plaatst, die al eerder bij hem gewerkt hebben. Hierdoor hebben
vakantiewerkers aan de volgbanden een hoger uurloon dan de eerstejaars
vakantiewerkers aan de grote band.

Enkele vakantiewerkers verwijderen de volle kratjes en kisten van de
transportband en stapelen deze op pallets. Per dag moeten ongeveer 200
kratten a 15-20 kg per band gestapeld worden. Indien de medewerkers deze
werkzaamheden niet verrichten worden ze bij het lezen en pellen van bollen
aan de volgbanden geplaatst, waarbij zij toegevoegd worden aan de vaste
medewerker van deze band. Het tillen van deze kratjes en kisten is een extra
taak ten opzichte van de taken van de andere bollenpellers. Door de zwaarte
van deze taak is de wederpartij de mening toegedaan dat het uurloon voor dit
werk ƒ 0,50 hoger moet liggen.

De wederpartij heeft in de praktijk steeds jongens ingezet bij het weghalen
van de kratten en kisten. Op de vraag of de wederpartij van mening is dat ook
meisjes dit werk kunnen doen, antwoordt hij dat hij zo’n meisje eerst zou
willen zien, alvorens hij haar voor dit werk zou aannemen. Dit geldt echter
eveneens voor jongens die dit werk willen doen. Bij dit werk dient men de
nodige spierkracht te bezitten. Bovendien wordt er tot zeker 1,50 meter hoog
getild, waardoor ook de lengte nog wel van belang is.

Maatman 1 wordt door de wederpartij getypeerd als een harde werker, die voor
het tweede jaar bij de wederpartij werkte. Hij is 17 jaar oud en verdiende ƒ
7,50 netto per uur. Hij verrichtte exact dezelfde werkzaamheden als
verzoekster. Dat zijn uurloon desondanks ƒ 0,50 hoger lag is te verklaren uit
het feit dat hij voor het tweede jaar bij de wederpartij werkzaam was.

Maatman 2 was 17 jaar oud en verdiende ƒ 7,50 netto per uur. Dit is te
verklaren door de werkzaamheden die hij verrichtte, namelijk het verplaatsen
van volle kratten en kisten. Toen deze maatman bij de wederpartij kwam werken
was het meteen de bedoeling dat hij bij het weghalen van de volle kratten en
kisten betrokken zou worden. De wederpartij had van de vrienden van maatman,
die het vorige jaar bij de wederpartij werkzaam waren, positieve geluiden
gehoord en had daarom voor maatman deze taak weggelegd. Dat maatman achteraf
over nog meer capaciteiten beschikte was voor de wederpartij meegenomen. Zo
kon hij een heftruck berijden, waardoor hij incidenteel ook ingezet kon
worden bij de aanvoer van bollen en het transporteren van volle pallets naar
de opslagloods.

In principe krijgt iedereen bij aanvang van de werkzaamheden een vaste plaats
toegewezen. Het is enkele malen voorgekomen dat de vakantiewerkers zelf van
plaats en werk wisselden. De wederpartij is hier tegen, omdat op deze wijze
ook eerstejaars pellers achter de volgbanen komen te staan, waar de
werkzaamheden kritischer dienen te worden uitgevoerd. Om die reden heeft de
wederpartij verzoekster enkele malen bij de volgbanen weggestuurd. De
wederpartij ontkent dat zij zou hebben gezegd dat jongens ƒ 7,50 verdienen en
meisjes ƒ 7,00.

De wederpartij is niet te spreken over het functioneren van verzoekster. Zo
kon zij de eerste twee dagen, ondanks de met haar gemaakte afspraken, niet
werken omdat zij nog op vakantie was. Vervolgens begon zij direct te klagen
over de hoogte van haar uurloon. Tenslotte wilde zij het fiscaalnummer en
kinderbijslagnummer niet doorgeven, waardoor de wederpartij gedwongen werd
voor haar sociale lasten af te dragen. Gedurende het werk gedroeg zij zich
niet voorbeeldig. Zij zat te roken aan de band, te flirten met haar vriend en
zat op een zeer nonchalante wijze haar werkzaamheden te verrichten met de
voeten op de rand van de transportband. De wederpartij heeft haar hier enkele
malen op aangesproken, maar dit mocht niet baten.
Ook heeft de wederpartij een zeer onaangenaam telefoongesprek moeten voeren
met verzoeksters moeder over het kinderbijslagnummer. Hierbij voelt de
wederpartij zich zeer onheus bejegend door de moeder. Tenslotte heeft
verzoekster gezegd dat de werkgever haar heeft ontslagen. Dit is pertinent
onjuist. Hij heeft haar gebeld en gezegd dat hij haar onvrede met het uurloon
niet begreep. Hierbij heeft hij vervolgens gezegd dat als hij zo ontevreden
zou zijn als verzoekster nu is, hij niet weer terug zou komen. Hierop heeft
verzoekster aangegeven dat de wederpartij dan twee werknemers kwijt was
(verzoekster en haar vriend) en heeft zij de hoorn op de haak gesmeten. Zij
is niet weer bij de wederpartij terug gekomen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij tussen verzoekster en de
maatmannen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door
beloningdifferentiatie bij vakantiewerk toe te passen en daarmee in strijd
heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. Artikelen 7, 8 en 9 Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (WGB)
bepalen dat een werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen
op het punt van de beloning wanneer zij arbeid van gelijke of nagenoeg
gelijke waarde verrichten. Van gelijke beloning is sprake indien deze is
berekend op grondslag van gelijkwaardige maatstaven.
Artikel 7:646 lid 1 BW bepaalt onder andere dat bij de arbeidsvoorwaarden
geen onderscheid naar geslacht mag worden gemaakt. Onder de
arbeidsvoorwaarden valt de beloning.

4.3. Volgens artikel 7 WGB moet voor een vergelijking van de beloning in het
kader van de gelijke behandeling worden uitgegaan van het loon dat een
maatman, die werkzaam is in de onderneming waar de arbeider werkzaam is,
pleegt te ontvangen voor arbeid van gelijke waarde, dan wel van nagenoeg
gelijke waarde.
Verzoekster heeft ter zitting nog andere werknemers genoemd dan de eerder
door haar genoemde maatmannen waaruit de ongelijke beloning zou kunnen
blijken. Bij het onderzoek van de Commissie en de Arbeidsinspectie is
uitgegaan van de door verzoekster eerder genoemde maatmannen. Alle
omstandigheden in aanmerking genomen acht de Commissie onvoldoende gronden
aanwezig het onderzoek te heropenen en een nieuw loononderzoek voor een
vergelijking met deze andere werknemers te laten plaatsvinden.

4.4. Uit het onderzoek van de Arbeidsinspectie en op grond van de door
partijen erkende feiten blijkt dat de uitgeoefende functies van verzoekster
en de maatmannen van gelijke waarde zijn.

4.5. Vervolgens is het de vraag of bij verzoekster en de maatmannen
gelijkwaardige beloningsmaatstaven zijn toegepast. Verzoeker heeft gesteld
dat de wederpartij het verschil in beloning heeft verklaard met de woorden
dat jongens ƒ 0,50 meer dan meisjes verdienen. De wederpartij ontkent dit en
voert aan dat het verschil in beloning tussen verzoekster en maatmannen wordt
veroorzaakt door:

a. het verschil in leeftijd;
b. het verschil in werkervaring;
c. het verschil in lichamelijke belasting.

Met betrekking tot deze beloningsmaatstaven stelt de Commissie het volgende
vast.

Leeftijd

Verzoekster en de maatmannen zijn allen ingedeeld in de functie van
bollenpeller. Tussen verzoekster en de maatmannen bestaat geen verschil in
leeftijd, allen waren 17 jaar oud in 1997 toen zij bij de wederpartij
werkzaam waren.

Werkervaring

Verzoekster was in 1997 voor de eerste maal werkzaam bij de wederpartij en
verdiende ƒ 7,00 netto per uur. Maatman 1 was voor de tweede maal werkzaam
bij de wederpartij en verdiende overeenkomstig ƒ 7,50 netto per uur.

Lichamelijke belasting

Maatman 2 was in 1997 voor de eerste maal werkzaam bij de wederpartij. Naast
het bollenpellen was hij tevens belast met het weghalen en opstapelen van
volle kratten en kisten. Maatman 2 verdiende overeenkomstig ƒ 7,50 netto per
uur.

4.6. Op grond van bovenstaande concludeert de Commissie dat het uurloon voor
zowel verzoekster als de twee maatmannen volledig in overeenstemming is met
de door de wederpartij gehanteerde beloningsmaatstaven. Voorts acht de
Commissie het onvoldoende aannemelijk geworden dat de wederpartij het
beloningsverschil zou baseren op onderscheid tussen jongens en meisjes. De
Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij verzoekster gelijk heeft
beloond als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling en de wederpartij
jegens verzoekster geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.

4.7. Aanbeveling van de Commissie
Gezien de misverstanden die zijn gerezen omtrent de redenen voor de
gehanteerde beloningsverschillen, beveelt de Commissie de wederpartij aan om
aan zijn vakantiemedewerkers het te verkrijgen uurloon voorafgaand aan de
werkzaamheden duidelijk mede te delen. Tevens verdient het aanbeveling dat de
wederpartij bij eventuele vragen omtrent beloningsverschillen deze eenduidig
en aan de hand van de hiervoor genoemde beloningsmaatstaven aan haar
werknemers toelicht.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit, dat de heer
(….) en mevrouw (….) te Creil jegens mevrouw (….) te Kuinre geen
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de beloning als bedoeld
in artikel 7:646 lid 1 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 7 tot en met 9 Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (waarnemend Kamervoorzitter), dhr. mr. drs.L.M. Moerings (lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), dhr. mr. S.A.van Zeeland (secretaris Kamer)van de kant van Arbeidsinspectie dhr. S.Bisschop (bedrijfskundige)

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 16 juni 1998

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De man is door het gerechtshof te Leeuwarden veroordeeld wegens het meerdere
malen plegen van ontucht met twee meisjes jonger dan 16 jaar. Op
respectievelijk 22 december 1994 en 3 februari 1995 hebben de meisjes
aangifte gedaan bij de politie. op 8 april 1995 dienen beide meisjes een
schriftelijk verzoek in bij de hulpofficier van justitie, om tegen de
verdachte een strafvervolging in te stellen. Art. 164 SV stelt in het eerste
lid dat een klacht bestaat uit een aangifte en een verzoek tot vervolging.
Het eerste middel klaagt erover dat net als een vervolging ook een
opsporingsonderzoek en inverzekeringstelling achterwege hadden horen te
blijven zolang geen klacht is ingediend. De Hoge Raad stelt echter het
volgende:”Het belang van de klachtgerechtigde, dat ongewenste ruchtbaarheid
wordt vermeden, brengt in beginsel mee dat ook een onderzoek ter
voorbereiding van een vervolging achterwege blijft indien geen klacht is
gedaan. Die regel lijdt evenwel uitzondering indien de klachtgerechtigde, in
dit geval door het doen van aangifte, te kennen heeft gegeven een zodanig
onderzoek te wensen”.

Volledige tekst

Arrest

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep -met vernietiging van een bij verstek gewezen
vonnis van de Arrondissmentsrechtbank te Leeuwarden van 14 maart 1996- de
dagvaarding vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1
primair, 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van
1 meer subsidiair “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren
ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd” en 2 subsidiair “met
iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige
handelingen plegen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot twaalf maanden
gevangenisstraf.

2. Het cassatieberoep

2.1. Het beroep – dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraken
– is ingesteld door de verdachte. Van deze is ter griffie van de Hoge Raad
een geschrift ingekomen, hetwelk niet kan worden beschouwd als een schriftuur
houdende middelen van cassatie.

2.2. Namens de verdachte heeft mr R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij
schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest
gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd tot verwerping van het
beroep.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. De strafvervolging is aangevangen op 31 oktober 1995 door het uitbrengen
van de dagvaarding in eerste aanleg, welke dagvaarding behoort tot de aan
Hoge Raad op de voet van art. 433, derde lid, Sv toegezonden stukken.

4.2. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken houden voorts in dat:
(i) het slachtoffer W.H. S. op 22 december 1994 ten overstaan van A.M.
Knecht, hoofdagent van politie Drenthe, district Zuid-Oost en G. Platje
inspecteur van politie Drenthe, district Zuid-Oost aangifte heeft gedaan van
ontuchtige handelingen begaan door de verdachte;
(ii) het slachtoffer W.H. S. op 8 april 1995 schriftelijk aan J. Hofstra,
hulpofficier van justitie te Heerenveen, heeft verzocht om tegen de verdachte
een strafvervolging te doen instellen;
iii het slachtoffer W. S. op 3 februari 1995 ten overstaan van G. Wedman,
brigadier van politie, Regio Friesland, Eenheid criminaliteitsbeheersing
Heerenveen, aangifte heeft gedaan van ontuchtige handelingen begaan door de
verdachte;
(iv): het slachtoffer W. S. op 8 april 1995 schriftelijk aan J Hofstra,
hulpofficier van justitie te Heerenveen, heeft verzocht om tegen de verdachte
een strafvervolging te doen instellen.

4.3. Ingevolge het bepaalde bij het eerste lid van 164 Sv bestaat een klacht
uit een aangifte en verzoek tot vervolging en ingevolge het behaalde bij het
eerste lid van art 165 Sv zijn tot het ontvangen van die klacht uitsluitend
de officier van justitie en de hulpofficier van justitie bevoegd

4.4. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat
de Officier van Justitie ontvankelijk is in zijn vervolging nu tijdig klacht
is gedaan door W.H S. en W.S., geeft gelet op het vorenoverwogene geen blijk
van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.Tot nadere
motivering van zijn oordeel was het Hof nu terzake ter terechtzitting geen
verweer is gevoerd niet gehouden.

4.5. Voorzover het middel bedoelt er over te klagen dat ook een
opsporingsonderzoek en inverzekeringstelling achterwege hadden behoren te
blijven zolang geen klacht was gedaan faalt het eveneens. Het belang van de
klachtgerechtigde, dat ongewenste ruchtbaarheid –
die door de door het delict getroffene als pijnlijk wordt ervaren – wordt
vermeden, brengt in beginsel mee dat ook een onderzoek ter voorbereiding van
een vervolging achterwege blijft indien geen klacht is gedaan. Die regel
lijdt evenwel uitzondering indien de klachtgerechtigde – in dit geval door
het doen van aangifte naar uit de vaststellingen van het Hof in de onder 1
tot en met 4 gebezigde bewijsmiddelen blijkt – te kennen heeft gegeven een
zodanig onderzoek te wensen (HR 3 mei 1977, NJ 1978, 692).

4.6. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

5. Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel
101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording
van rechtsvragen in het belang van de rechteenheid of van de
rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook
geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou
behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mr. Hermans, Bleichrodt en Orie

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 11 juni 1998

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Seksueel misbruik door psychiater. Eiseres is vanaf februari 1986 bij
gedaagde in therapie geweest. Daarnaast onderhielden partijen
vriendschappelijke contacten. Deze contacten hebben zich ook voorgedaan
tijdens de periode van therapie, te weten van 1986 tot 1989. In de zomer van
1990 zijn de contacten gestaakt. In juni 1992 zijn deze echter weer hervat
nadat eiseres gedaagde bij brief van 6 juni 1992 had laten weten dat zij
overwoog aangifte tegen hem te doen. Pas in 1995 is het contact definitief
verbroken. Bij brief van 24 maart 1997 stelt de raadsvrouw van eiseres
gedaagde aansprakelijk voor de geleden schade. Op 2 februari 1998 oordeelde
het Medisch Tuchtcollege dat gedaagde blijk heeft gegeven van grove
professionele ondeskundigheid. De handelingen die zich tussen partijen hebben
voorgedaan zijn ontoelaatbaar in een arts-patiënt relatie. Daarbij kan in het
midden kan blijven of hetgeen is gebeurd seksueel genoemd moet worden, aldus
het College. Eiseres vordert thans in kort geding voorschotten van ƒ 45.000
en ƒ 35.000 voor geleden materiële en immateriële schade. Gedaagde stelt dat
de vordering is verjaard omdat de verjaringstermijn van vijf jaar een aanvang
heeft genomen hetzij op het moment waarop de behandeling is geëindigd (1989)
hetzij enige tijd voorafgaand aan de brief die eiseres aan gedaagde stuurde
(6 juni 1992). Dit verweer wordt verworpen. Het is niet aannemelijk dat
eiseres zich vóór juni 1992 bewust is geworden van de geleden schade. Dit kan
onder meer blijken uit het feit dat zij na juni 1992 opnieuw een relatie met
gedaagde heeft aangeknoopt. De verjaringstermijn van vijf jaar is in ieder
geval niet vóór 6 juni 1992 gaan lopen. Bij brief van 24 maart 1997 is de
verjaring derhalve tijdig gestuit. Verder overweegt de rechtbank, evenals het
Medisch Tuchtcollege, dat gedaagde zich bewust had moeten zijn van zijn
psychische overmacht op haar. Dat zijn handelen met instemming van eiseres
gebeurde, doet daar niet aan af. Het feit dat hij desondanks jarenlang met de
relatie is doorgegaan, maakt
het handelen in hoge mate onrechtmatig. Er wordt ƒ 25.000 voorschot voor
immateriële schade toegekend. Het voorschot voor materiële schade wordt
vastgesteld op ƒ 9003, zijnde de kosten die eiseres tot op dat moment voor
rechtsbijstand heeft moeten maken.

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

Ter terechtzitting van 29 mei 1998 heeft Van W. gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. S. heeft
verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na
verder debat hebben partijen stukken, waaronder van weerszijden producties en
pleitnotities, overgelegd voor vonniswijzing.
Gronden van de beslissing:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten:

a. S. is psychiater. Vanaf februari 1986 is Van W. bij S. in therapie
geweest. Daarnaast onderhielden partijen vriendschappelijke contacten.

b. In de loop van 1989 heeft S. zijn praktijk van Voorhout naar Amsterdam
verplaatst. In de zomer van 1990 zijn de contacten gestaakt.

c. In juni 1992 hebben partijen elkaar weer ontmoet.

d. Bij brief van 6 juni 1992 heeft Van W. onder meer aan S. geschreven:
‘Chantage vond ik het, om op het moment mij zo iets ergs te vertellen, nadat
ik jou te kennen gaf dat ik bezig ben jou aan te geven, alsof het een poging
weer was om op mijn kwetsbare moedergevoel in te spelen’.

e. De contacten tussen S. en Van W. zijn in juni 1992 weer hervat. In maart
1995 zijn de contacten definitief verbroken.

f. Op 24 maart 1997 heeft mr H. Lenters als raadsvrouw van Van W. onder meer
aan S. geschreven: ‘Cliënte is van oordeel dat zij door uw handelwijze
materiële en immateriële schade heeft geleden en overweegt terzake een
procedure bij de Rechtbank te entameren. Om verjaring van deze
rechtsvordering te voorkomen, deel ik u dit mede.’

g. In april 1997 heeft Van W. een klacht bij het Medisch Tuchtcollege (MTC)
te Amsterdam tegen S. ingediend. De klacht is op 13 januari 1998 behandeld en
bij beschikking van 2 februari 1998 heeft het MTC S. voor de duur van een
half jaar geschorst in de uitoefening van de geneeskunst. Het MTC overwoog
daartoe: ‘In het midden kan blijven of hetgeen zich tussen partijen heeft
voorgedaan sexueel dan wel sensueel genoemd moet worden. Uit de verklaringen
van verweerder zelf, alsmede uit een aantal van de door klaagster overgelegde
brieven, blijkt dat zich in de periode van de therapie, derhalve in ieder
geval van 1986 tot 1989 tussen verweerder en klaagster handelingen hebben
voorgedaan die in een arts-patiënt relatie ontoelaatbaar zijn. Ook indien het
initiatief daartoe niet van verweerder zou zijn uitgegaan – hetgeen gelet op
de discussie van partijen daarover niet valt vast te stellen – valt hem een
ernstig verwijt van het plaatsvinden van die handelingen te maken. Dat hij
dacht er goed aan te doen door klaagster niet af te wijzen en haar te
koesteren, zoals hij zelf zegt, zonder tevens onmiddellijk een einde te maken
aan hun therapeutische relatie en klaagster daarvoor door te verwijzen naar
een collega, geeft blijk van grove professionele ondeskundigheid. Verweerder
had zich bewust moeten zijn van zijn psychische overmacht (…) De conclusie
van het voorgaande moet zijn dat de klacht grotendeels gegrond is en dat
verweerder door zijn handelen als hiervoor bekritiseerd blijk heeft gegevan
van grove onkunde.’

h. Bij brief van 29 augustus 1997 heeft mr Van Driem S. aansprakelijk gesteld
voor materiële en immateriële schade aan Van W. berokkend als gevolg van zijn
handelen en hem gesommeerd een voorschot van ƒ 35.000 te voldoen.
i. Bij brief van 3 september 1997 heeft prof. dr A. van Dantzig (psychiater)
onder meer als volgt aan mr Van Driem geschreven: (…) Mevrouw R. wendde
zich tot mij met problemen rond de verhouding met de psychiater waarvan U in
Uw brief melding maakt. Deze problemen bestonden uit paniekgevoelens,
depressie, agressieve uitbarstingen, en algemene gevoelsverwarring omdat zij
zeer ambivalent tegenover hem geworden was. (…) Ik ken maar één kant van
het verhaal, maar als ik van de waarheid van de verhouding uitga, acht ik
samenhang tussen de klachten en de relatie aannemelijk.’

2. In dit geding vordert Van W. om S. te veroordelen haar voorschotten te
betalen van respectievelijk ƒ 45.000 en ƒ 35.000 met rente vanaf 29 augustus
1997 op de door haar geleden materiële en immateriële schade. Zij voert
daartoe aan dat S. als psychiater onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld
door een sexuele relatie met haar aan te gaan terwijl zij patiënte bij hem
was en dat S. voor de daardoor ontstane schade aansprakelijk is. Zij begroot
haar immateriële schade op ƒ 80.000. Haar huidige klachten betreffen
depressies, slapeloosheid, geen vertrouwen in hulpverleners, sociaal
isolement, concentratieproblemen, paniekstoornissen, angsten en algeheel
verlies van levensvreugde. Haar materiële schade begroot zij op ƒ 52.237,
gespecificeerd als volgt:
f. 25.853 voor bijdragen doktersbezoek en psychotherapie,
f. 11.000 meerkosten accountant,
f. 536 autokosten,
f. 500 loonderving echtgenoot,
f. 9.348 buitengerechtelijke kosten.

3.1 Allereerst heeft S. aangevoerd dat de vordering tot schadevergoeding is
verjaard. De schadevordering hangt samen met de behandelperiode en die is
geëindigd in 1989. De verjaringstermijn van 5 jaar nam toen – in zijn visie –
een aanvang. Als wordt uitgegaan van het aanvangen van de verjaringstermijn
op het moment dat Van W. een zodanige fase in het verwerkingsproces bereikte
dat zij in staat was rechtsmaatregelen te nemen, ook dan is de vordering
verjaard. Immers in juni 1992 heeft Van W. hem geschreven dat zij bezig was
met het doen van aangifte tegen hem. Aangenomen moet worden dat er enig
tijdsverloop bestaat tussen het moment van bezig zijn met aangifte en het
daaraan voorafgaande moment van in staat zijn tot het nemen van een
dergelijke beslissing. Op 24 maart 1997, toen voor het eerst werd gemeld dat
schade zou zijn geleden, was de vordering dus reeds verjaard. Overigens is de
brief van mr
enters niet aan te merken als een schriftelijke aanmaning die de verjaring
zou stuiten, aldus S..

3.2 Ter afwering heeft S. voorts aangevoerd dat hij niet onrechtmatig heeft
gehandeld. Tussen partijen is een affectieve relatie ontstaan en de contacten
vonden plaats buiten het behandelingskader. De ‘sensuele’ contacten vonden
plaats met instemming van Van W. en het enkele gegeven dat Van W. in die
periode bij hem in therapie was, maakt zijn handelen nog niet orechtmatig,
aldus S.. Hij is het niet eens met het oordeel van het MTC dat hem een
verwijt kan worden gemaakt en zal dat in hoger beroep bestrijden. Hij
bestrijdt voorts dat zijn behandeling voor Van W. niet heilzaam is geweest of
dat zij schade heeft ondervonden. In 1989 is de therapie beëindigd en in de
zomer van 1990 zijn ook de vriendschappelijke contacten verbroken. In juni
1992 heeft hij Van W. toevallig weer ontmoet. Op initiatief van Van W. hebben
van 1993 tot maart 1995 incidenteel schriftelijk en telefonisch contacten
plaatsgevonden. In die laatste periode is Van W. niet bij hem in therapie
geweest, aldus S..

3.3 Tenslotte betwist S. de hoogte van de gestelde schade. De klachten die
Van W. aanvoert voor haar immateriële schade, bestonden reeds voordat zij bij
hem in therapie kwam. Bovendien is een bedrag van ƒ 80.000 buitensporig hoog.
S. stelt voorts dat de door Van W. gestelde eigen bijdrage aan de
behandelkosten te hoog is. Blijkbaar voert Van W. ook nog andere
hulpverleners op. De door de echtgenoot van Van W. gemaakte extra kosten is
geen eigen schade van Van W. en dienen voor rekening van de echtgenoot te
blijven, aldus ten slotte S..

Beoordeling van het geschil.

4.1 Eerst wordt het beroep op verjaring behandeld. Anders dan S. stelt, is
niet aannemelijk dat Van W. zich reeds vóór juni 1992 ervan bewust is
geworden dat zij schade had geleden door het gedrag van S. tegenover haar.
Uit de brief van Van W. aan S. van 6 juni 1992 kan dat niet worden opgemaakt.
Sterker nog, Van W. heeft na die brief opnieuw een relatie met S.
aangeknoopt, waaruit veeleer valt op te maken dat Van W. toen nog niet (ten
volle) zich ervan bewust was dat het handelen van S. haar schade berokkende.
De conclusie is dat met de brief van 24 maart 1997 van mr
enters, die binnen 5 jaar na 6 juni 1992 is geschreven, de verjaringstermijn
van de vordering tot schadevergoeding is gestuit. Immers, door de mededeling
in die brief dat deze is geschreven om verjaring te voorkomen, blijkt
onmiskenbaar dat Van W. zich haar recht tot nakoming van de plicht tot
betaling van schadevergoeding voorbehoudt. Het beroep op verjaring moet
derhalve worden verworpen.

4.2 S. had als psychiater kunnen en moeten begrijpen dat zijn handelen geen
genezende maar eerder invaliderende werking op Van W. zou hebben. Zoals het
MTC ook heeft overwogen, gaf zijn handelen blijk van grove onkunde en had hij
zich bewust moeten zijn van zijn psychische overmacht op Van W. en haar
afhankelijkheid van hem. Dat zijn handelen met instemming van Van W.
gebeurde, doet hieraan niet af. Dat hij desondanks jarenlang met de relatie
is doorgegaan maakt zijn handelen in hoge mate onrechtmatig. Voldoede
aannemelijk is dat Van W. immateriële schade heeft geleden en nog lijdt,
gelet ook op de brief van prof. Van Dantzig. Buiten redelijke twijfel is dat
de bodemrechter desgevorderd een schadevergoeding zal toewijzen. Gelet op
alle omstandigheden van het geval, komt een voorschot van ƒ 25.000 aan
vergoeding van immateriële schade redelijk voor. Ook is aannemelijk dat Van
W. materiële schade heeft geleden. Dat de eigen bijdragen van Van W. door
doktersbezoek en psychotherapie (volledig) aan S. moeten worden toegerekend,
valt voorshands niet met voldoende mate van zekerheid aan te nemen. In ieder
geval is duidelijk dat aanzienlijke kosten aan rechtskundige bijstand zijn
gemaakt voor het voeren van een procedure bij het MTC, waarvoor mr Van Driem,
blijkens de overgelegde productie 65 en in tegenstelling tot het in de
dagvaarding genoemde bedrag aan buitengerechtelijke kosten, in totaal ƒ 9.003
heeft gedeclareerd. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. Voor het
overige kan in dit stadium niet worden voorzien welke schadeposten voor
vergoeding in aanmerking komen. In elk geval niet de kosten die de echtgenoot
van Van W. aan administratiekosten heeft moeten maken.

5. Het bedrag tot voldoening waarvan S. zal worden veroordeeld, geldt als
voorschot ter nadere verrekening met hetgeen hij ten gronde zal blijken
verschuldigd te zijn.

6. S. dient met de kosten van het geding te worden belast.

Beslissing:

1. Veroordeelt S. aan Van W. te betalen ƒ 34.003 (vierendertigduizendendrie
gulden) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 1997 tot de
dag van voldoening.

2. Veroordeelt S. in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van Van
W. begroot op ƒ 1.582,34 aan verschotten, waaronder ƒ 1.520 wegens vastrecht
en op ƒ 1.550 aan salaris procureur.

3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mr Orobio de Castro

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 juni 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is van Surinaamse afkomst en is als groepsleider bij de wederpartij
werkzaam geweest. Verzoeker meent dat de wederpartij zich schuldig heeft
gemaakt aan onderscheid op grond van ras in de arbeidsvoorwaarden en bij de
beëindiging van de arbeidsverhouding.
De Commissie stelt vast dat op de werkvloer jegens verzoeker beledigingen
zijn geuit en geweld heeft plaatsgevonden door één van de pupillen. Deze
beledigingen waren mede van racistische aard. De wederpartij heeft hierop
maatregelen jegens de pupil getroffen, die onder de omstandigheden als
adequaat kunnen worden beschouwd. Ten aanzien van de door verzoeker gestelde
discriminerende uitlatingen door collega’s, kan door de Commissie niet worden
vastgesteld dat dergelijke uitlatingen zijn gedaan. Ook is de wederpartij
zorgvuldig met de klachten van verzoeker over discriminatie omgegaan. Er is
derhalve geen sprake van onzorgvuldig handelen dat leidt tot onderscheid op
grond van ras in de arbeidsvoorwaarden.
Verzoeker heeft verder aangegeven dat zijn ontslag is gevolgd kort nadat hij
zich over discriminatie heeft beklaagd.
Aangezien verzoekers overeenkomst ongeveer een week daarna van rechtswege
eindigde moest de bevestiging van de afloop van het contract wel kort na de
klacht over discriminatie volgen.
Derhalve is niet aannemelijk geworden dat bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst onderscheid op grond van ras is gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 4 april 1997 verzocht de heer (….) te Amsterdam (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of
de (….) te Alphen aan den Rijn (hierna: de wederpartij) in strijd heeft
gehandeld met de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: AWGB).

1.2. Verzoeker is van Surinaamse afkomst. Hij is van 19 november 1996 tot 18
januari 1997 als oproepkracht, in de functie van groepsleider, bij de
wederpartij werkzaam geweest. Verzoeker stelt dat door pupillen en collega’s
discriminerende opmerkingen jegens hem zijn gemaakt. Door de wederpartij is
daarop niet adequaat gereageerd. Volgens verzoeker is jegens hem onderscheid
gemaakt op grond van ras in strijd met de AWGB.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader toegelicht tijdens een zitting op
19 januari 1998.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (verzoeker)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (directeur)
– mw. (….) Spreij (hoofd P&O, na januari 1997)
– mw. (….) (Unitmanager)
– dhr. mr. P. Scheffers (advocaat)

van de kant van de Commissie:
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. prof. mr. A.W. Heringa (lid Kamer)
– mw. mr. G.H. Felix (secretaris Kamer)

2.3. Na de zitting hebben partijen de Commissie desgevraagd van aanvullende
informatie voorzien. Tevens heeft de Commissie een schriftelijke verklaring
ontvangen van het bestuurslid van het ADB Midden Holland. De wederpartij
heeft op deze verklaring gereageerd bij brief van 10 april 1998. De Commissie
heeft vervolgens het onderzoek afgesloten.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is van Surinaamse afkomst. Verzoeker was in de functie van
groepsleider bij de wederpartij werkzaam van 19 november 1996 tot 18 januari
1997. Verzoeker en de wederpartij zijn een voorovereenkomst voor bepaalde
tijd aangegaan, geldend van 19 november 1996 tot en met 18 november 1997,
waarbij verzoeker zich bereid heeft verklaard op afroep werkzaamheden te
verrichten in de functie van groepsleider.
Onder verwijzing naar de voorovereenkomst zijn verzoeker en de wederpartij op
19 november 1996 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan. Uit
deze overeenkomst volgt dat deze op 18 januari 1997 van rechtswege eindigt.

3.2. De wederpartij is een instelling voor jeugdhulpverlening die zich
bezighoudt met de behandeling van jeugdigen met gedrags- en
opvoedingsproblemen. De instelling heeft in totaal 105 pupillen in
behandeling in de leeftijd van 10 tot 18 jaar. Van deze pupillen is 42% van
allochtone afkomst. De groep waar verzoeker werkzaam was bestond uit negen
pupillen in de leeftijd van 13 en 14 jaar. De wederpartij heeft in totaal 175
medewerkers, waarvan 6% van allochtone afkomst.

De wederpartij kent de volgende mogelijkheden om klachten over discriminatie
te melden:

– Elke medewerker kan een afspraak maken met de bedrijfsarts voor het
arbeidsgezondheidskundig spreekuur. Het spreekuur is bedoeld voor
gezondheidsklachten waarvan de medewerker denkt dat er een relatie met
zijn/haar werk of arbeidsomstandigheden bestaat. Een medewerker kan zelf het
initiatief nemen tot een afspraak of het kan zijn dat een medewerker van
zijn/haar leidinggevende het advies krijgt om een afspraak te maken.

– In het ARBO plan van 4 februari 1994 is er een Meldpunt klachten ingesteld.
Bij dit Meldpunt kunnen klachten met betrekking tot veiligheid en welbevinden
in de werksituatie worden neergelegd.

– De P&O functionaris van de wederpartij heeft tevens de functie van
vertrouwenspersoon.

– Tenslotte is in het ARBO plan 1998 de ontwikkeling van een protocol
klachtenprocedure discriminatie opgenomen.

3.3. Op 8 januari 1997 heeft één van de pupillen verzoeker, die alleen was in
de groep, in zijn kruis getrapt en discriminerende uitlatingen jegens hem
gedaan. Verzoeker heeft hiervan melding gemaakt bij de unitmanager.
De unitmanager heeft na overleg dezelfde dag besloten de pupil enkele dagen
te schorsen. De ouders van de pupil zijn die avond uitgenodigd om dit aan hen
te kunnen mededelen. Toen de ouders kwamen, bleek dat de vader van de pupil
jarig was. De wederpartij heeft toen besloten de pupil niet te schorsen omdat
dit eerder als een beloning dan als een straf kon worden opgevat. De pupil
heeft die avond kamerarrest gekregen. De pupil is medegedeeld dat bij
herhaling zijn verblijf bij de wederpartij niet zou worden voortgezet.

3.4. Vaststaat dat verzoeker zich op 10 januari 1997 heeft ziekgemeld met de
mededeling dat hij niet meer kon komen werken omdat hij zich gediscrimineerd
voelde. De unitmanager heeft hem uitgenodigd om hierover in gesprek te gaan
en hem geadviseerd contact op de nemen met het hoofd P&O. Verzoeker is hier
niet op ingegaan.
Op 16 januari 1997 kreeg verzoeker bericht dat zijn arbeidsovereenkomst per
18 januari 1997 van rechtswege zou eindigen.

3.5. Stichting Meldpunt Discriminatie Amsterdam heeft op 24 januari 1997 een
verslag van de ervaringen van verzoeker opgemaakt.
Op 25 januari 1997 heeft verzoeker aan de wederpartij schriftelijk mededeling
gedaan over zijn klachten tijdens zijn werkperiode bij de wederpartij. Het
bovenstaand Meldpunt heeft zich teruggetrokken nadat bleek dat verzoeker het
ADB Midden Holland al had benaderd.

3.6. Op 3 februari 1997 heeft het bestuurslid van het ADB Midden Holland,
namens verzoeker, een brief gestuurd aan de wederpartij. In deze brief worden
de klachten van verzoeker uiteengezet en de wederpartij wordt verzocht dit
met de medewerkers te bespreken.
Op 6 februari 1997 heeft de P&O functionaris verzoeker schriftelijk
uitgenodigd voor een gesprek op 10 februari 1997. Verzoeker is niet ingegaan
op deze uitnodiging.
Op 18 februari 1997 heeft er overleg plaatsgevonden tussen de wederpartij en
het bestuurslid ADB Midden Holland.
Verzoeker was niet in staat bij het overleg van 18 februari 1997 aanwezig te
zijn. Naar aanleiding van dit overleg heeft de wederpartij bij brief van 21
februari 1997 aan verzoeker medegedeeld het te betreuren dat verzoeker zich
gediscrimineerd heeft gevoeld.

3.7. Op 6 maart heeft de wederpartij aan verzoeker schriftelijk medegedeeld
dat bij het nalopen van de werklijsten is gebleken dat verzoeker nog salaris
over 23,5 uur tegoed had.
Op 8 april 1997 heeft de wederpartij schriftelijk te kennen gegeven dat de
ziekmelding van verzoeker van 10 januari 1997 met ingang van 19 januari 1997
(ten onrechte) is gewijzigd in een herstelmelding. De wederpartij heeft
toegezegd te onderzoeken hoe dat heeft kunnen gebeuren en stelt de juiste
gegevens inmiddels aan de bedrijfsvereniging te hebben doorgegeven.

De standpunten van partijen

Verzoeker stelt het volgende.

3.8. Verzoeker voert aan dat de voorovereenkomst die is gesloten een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met uitgestelde prestatieplicht is.
Van de werknemer wordt namelijk verwacht dat hij gedurende de overeengekomen
periode voor de werkgever ter beschikking staat om op afroep werkzaamheden te
verrichten. Deze arbeidsovereenkomst eindigde derhalve pas op 19 november
1997. Onduidelijk is waarom de wederpartij daarnaast een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd is aangegaan. Verzoeker stelt dat als deze
arbeidsovereenkomst naar geldend recht rechtmatig is, daarnaast de eerdere
arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht van kracht blijft tot 19
november 1997. Volgens verzoeker was hij wel degelijk ingepland om te werken
na 18 januari 1997. Hij kan dat echter niet meer bewijzen. Verzoeker stelt in
dat verband dat hij werd ontslagen door het unithoofd, nadat hij had
medegedeeld dat hij zich gediscrimineerd voelde.

3.9. Verzoeker stelt dat hij door de wederpartij is gediscrimineerd.
Verzoeker was als enige medewerker van allochtone afkomst werkzaam bij een
afdeling van de wederpartij. Door zijn collega’s werd hij genegeerd en door
hun houding voelde hij zich gediscrimineerd. Tevens werden er discriminerende
uitlatingen jegens hem gedaan. Verzoeker geeft de volgende voorbeelden.

Discriminerende uitlatingen.

Bij het derde sollicitatie-gesprek met verzoeker heeft het unithoofd gezegd:
“zo’n sterke grote man, het zal voorkomen dat de jongens soms zullen
schrikken”.
Een collega zei tegen verzoeker: “je kan zeker geen vaste baan vinden?”. Als
verklaring gaf zij dat dit kwam omdat verzoeker zwart is: “ze houden niet van
zwarte mensen in bepaalde instellingen”. Tevens heeft zij gezegd: “negers
zijn minderwaardige mensen”.
Verzoeker moest vaak de opmerking “jij bent zo’n sterke neger” aanhoren.

Gedrag en houding.

Op de afdeling waar verzoeker werkte, was de zwaarste groep onhandelbare
jongens geplaatst. Onder het vaste personeel bestond veel wrijving. De
negatieve ontladingen die daaruit volgden, werden afgereageerd op verzoeker.
Zoveel mogelijk werkzaamheden werden naar verzoeker toegeschoven, die zich
als tijdelijke kracht daar minder goed tegen kon verweren. Verzoeker kreeg
hoogst zelden extra ondersteuning en stond vaak alleen in een groep. Om zich
te handhaven koos verzoeker dan voor de aanpak van gezag. De wederpartij
stelde later dat verzoeker bij de aanpak van zijn werkzaamheden te veel
nadruk legde op ‘macht’. Verder noemt verzoeker dat zijn roosterindeling
opmerkelijk zwaar was.
Verzoeker werd vaak bij besprekingen niet uitgenodigd, terwijl andere
invalkrachten daarbij wel aanwezig waren. Het lijkt verzoeker logisch dat
werkbesprekingen door alle medewerkers met een verantwoordelijke functie
binnen een instelling als de wederpartij, worden bijgewoond. Door hem uit te
sluiten heeft de wederpartij in ieder geval de schijn gewekt discriminerend
op te treden.
Als verzoeker afgelost moest worden kwamen zijn collega’s te laat, zonder hun
excuses aan te bieden. Storend vond verzoeker dat iedereen elkaar gelukkig
nieuwjaar toewenste, terwijl ze hem oversloegen.
Toen één van de jongens riep “bosvarken en bosaap” waar zijn collega’s bij
waren, reageerde niemand.
Op 28 december 1996 werd verzoeker door het unithoofd gebeld om te komen
werken. Toen hij verscheen, bleek hij niet nodig te zijn. Hij moest terug
zonder excuses voor het ongemak.

3.10. Verzoeker heeft geprobeerd met het unithoofd over zijn problemen te
spreken, maar zij had nooit tijd voor een gesprek. De directie van de
wederpartij heeft zich niet om de situatie binnen de groep bekommerd, althans
is daar volgens verzoeker nooit poolshoogte komen nemen.

3.11. Verzoeker stelt dat hij nooit zijn waardering heeft uitgesproken over
de manier waarop het unithoofd heeft gehandeld na het incident met de pupil
op 8 januari 1997.

3.12. Pas toen verzoeker zich ziek meldde op 9/10 januari 1997 kreeg hij van
het unithoofd te horen dat het hoofd P&O bemiddelt bij klachten van het
personeel. Opmerkelijk is dat verzoeker pas een maand na zijn ziekmelding
werd uitgenodigd voor een gesprek. Daardoor is de gedachte dat de wederpartij
hem discrimineerde versterkt. Gedurende die maand heeft verzoeker zelf zijn
plan getrokken en zich tot diverse instanties gewend.

Verzoeker geeft aan dat hij hierin wellicht soms iets te ver is
doorgeschoten, maar in het licht van de ontstane emoties acht hij dit
alleszins begrijpelijk.

De wederpartij stelt het volgende.

3.13. Een vooroverkomst is een overeenkomst waarin is vastgelegd dat de
werkgever in geval van behoefte aan extra personeel de mogelijkheid heeft de
werknemer te vragen te komen werken. De werknemer is niet verplicht gehoor te
geven aan een oproep en het staat de werkgever vrij te besluiten of hij een
werknemer verzoekt te komen werken. In de voorovereenkomst zijn de
arbeidsvoorwaarden geregeld in geval de werknemer wordt opgeroepen en ook
daadwerkelijk gehoor geeft aan de oproep.

Gedurende de periode van 19 november 1996 tot en met 18 januari 1997 heeft de
wederpartij gebruik gemaakt van de diensten van verzoeker in verband met
ziekte van een aantal groepswerkers. Deze medewerkers hadden allen de
intentie terug te keren naar hun werkplek, hetgeen verzoeker bekend was. In
januari 1997 was de personeelsbezetting weer zodanig dat er geen beroep meer
hoefde te worden gedaan op een invalkracht. De arbeidsovereenkomst met
verzoeker is dus op 18 januari 1997 geëindigd.

3.14. De wederpartij stelt dat door de collega’s van verzoeker geen
discriminerende opmerkingen zijn gemaakt. Naar aanleiding van de
beschuldiging van verzoeker (vanaf zijn ziekmelding en later) hebben het
unithoofd en de gedragswetenschapper van de wederpartij, in opdracht van de
directeur, met de betrokken collega’s gesprekken gevoerd. De collega’s
ontkenden zich discriminerend te hebben uitgelaten en zij voelden zich
beledigd door de beschuldigingen van verzoeker. Er is van deze gesprekken
geen verslag opgemaakt. Het unithoofd heeft hiervan mondeling verslag gedaan
aan het hoofd P&O en de directeur van de wederpartij. Op basis van dit
verslag en de genomen maatregelen ten aanzien van de pupil zag de directeur
geen aanleiding om andere actie te ondernemen dan verzoeker uit te nodigen
voor een gesprek.
In een aantal begeleidingsgesprekken is wel aandacht besteed aan culturele
verschillen, mogelijk ook als oorzaak van een verschil in aanpak door
verzoeker van de pupillen. Een voorbeeld hiervan is de sinterklaasviering.
Toen dit ter sprake kwam is aan verzoeker gevraagd of hij een nadere
toelichting wilde omdat sinterklaas voor hem misschien niet zo
vanzelfsprekend was. Een ander voorbeeld is dat verzoeker bij zijn aanpak te
veel nadruk legde op macht. Het unithoofd heeft hem daarop aangesproken en
bekeken is op welke manier verzoeker dit anders zou kunnen aanpakken.
Overigens was het unithoofd best tevreden over verzoeker als invaller.

3.15. Met betrekking tot de behandeling van verzoeker geeft de wederpartij
het volgende aan:
Omdat verzoeker werkzaam was in een lastige groep is aan verzoeker extra
ondersteuning geboden in de vorm van dubbeldiensten ook in rustige tijden.
Gebruikelijk is dat in rustige tijden wordt volstaan met één medewerker, op
spitstijden met twee medewerkers. Indien binnen een leefgroep een aantal
vaste medewerkers arbeidsongeschikt is geeft dit onrust onder de jeugdigen en
dat maakt het werken er niet gemakkelijker op. De uitspraak van verzoeker dat
de sfeer binnen de leefgroep was verziekt wordt door de wederpartij als
ongefundeerd van de hand gewezen.

Verzoeker wilde graag veel werken. Er heeft zich de situatie voorgedaan dat
hij zelf vroeg om meer diensten, maar dat het unithoofd hem dat heeft
verboden omdat dat in strijd was met de bepalingen omtrent arbeidstijden.

Verzoeker was werkzaam als invalkracht. De regel is dat invalkrachten alleen
deelnemen aan overleg indien dat noodzakelijk is voor de voortgang van
dagelijkse werkzaamheden. De collega naar wie verzoeker verwijst, is in vaste
dienst.

3.16. De wederpartij stelt bovendien dat door verzoeker tegenover het
unithoofd zijn waardering is uitgesproken over de wijze waarop de wederpartij
heeft gereageerd op het incident met de pupil op 8 januari 1997. Het
unithoofd heeft tijdens de periode dat verzoeker werkzaam was bij de
wederpartij niet aangevoeld dat verzoeker zich gediscrimineerd voelde. Bij
zijn ziekmelding heeft zij hem gewezen op de mogelijkheid om contact op te
nemen met de vertrouwenspersoon bij de wederpartij. Toen verzoeker dit naliet
heeft de vertrouwenspersoon zelf contact met verzoeker opgenomen.
Met betrekking tot de mogelijkheden om klachten over discriminatie te melden
bij de wederpartij, geeft de wederpartij aan dat het mogelijk is dat
verzoeker hier niet volledig van op de hoogte was.

3.17. Tijdens het gesprek op 18 februari tussen het bestuurslid van het ADB
Midden Holland, de directeur en het hoofd P&O van de wederpartij is de klacht
van verzoeker besproken. Het bestuurslid heeft zijn bemiddeling aangeboden om
aan verzoeker de financiële afwikkeling van zijn dienstverband te
verduidelijken. De wederpartij geeft aan dat zij daarbij nogmaals aan
verzoeker heeft laten weten graag een gesprek met hem te willen. Het
bestuurslid zou dit ook bespreken met verzoeker. Op basis van dit gesprek is
het bestuurslid blijkbaar tot de conclusie gekomen dat verdere actie niet
noodzakelijk was.

Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van de uitnodiging, maar wel veelvuldig
faxen gestuurd aan de wederpartij met meldingen over diverse acties die
verzoeker zou gaan ondernemen.

Hij heeft laten weten door te gaan met de strijd totdat een paar ex-collega’s
zouden zijn ontslagen.
Op 3 maart 1997 heeft de wederpartij schriftelijk aan verzoeker verzocht geen
contact meer te zoeken met de medewerkers van de wederpartij.
Het aanbod van de wederpartij om in gesprek te gaan met verzoeker geldt nog
steeds.

De verklaring van het bestuurslid van het ADB Midden Holland

3.18. Het bestuurslid verklaart dat van het gesprek op 18 februari 1997 geen
verslag is opgemaakt. Het bestuurslid geeft een weergave van zijn
aantekeningen.
Tijdens het gesprek is gesproken over de brief van 3 februari 1997. De
wederpartij was niet blij met de brief en betoogde dat met name het unithoofd
een positieve houding heeft met betrekking tot allochtonen. Afgesproken is om
een inhoudelijk gesprek op een later tijdstip te voeren. Het bestuurslid
verklaart de volgende punten nog tijdens het gesprek te hebben aangedragen:
– hoe is het te verklaren dat verzoeker vol goede moed, gezond en sterk
begint aan zijn nieuwe job op 19 november 1997, en nu op krukken loopt,
rugpijn heeft, zware medicijnen moet slikken en drie keer per week
fysiotherapie nodig heeft?
– verzoeker wilde een klacht indienen bij de leiding omdat hij meestal
opdraaide voor het zware werk, maar dat werd uit de weg gegaan.
– verder heeft het bestuurslid enkele klachten van verzoeker herhaald.
Tenslotte is tijdens het gesprek afgesproken dat de financieel zakelijke kant
op een rij zou worden gezet en op de juiste manier zou worden afgehandeld.

Het bestuurslid verklaart dat hij van mening is dat er sprake is van
discriminatie. Behalve een aantal lange telefoon-gesprekken en twee brieven
van verzoeker heeft hij inlichtingen ingewonnen bij twee medewerkers uit
verschillende units van de wederpartij. Op de door hem anoniem naar voren
gebrachte gebeurtenissen reageerden zij dat dit voor hen zeer herkenbaar was.
Het bestuurslid concludeert dat de goedwillende directie onvoldoende grip
heeft op de werkvloer. Er wordt rommelig gewerkt met zakelijke
aangelegenheden. Als bewijs voert hij de brieven van de wederpartij aan van 6
maart 1997 en 8 april 1998.
Ook na 3 februari 1997 heeft het bestuurslid menig telefoongesprek met
verzoeker gevoerd en heeft hij vele brieven mogen ontvangen. Ondanks dat af
en toe de inhoud verwarrend overkwam, bevestigen deze contacten het
totaalbeeld.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar ras heeft gemaakt in de arbeidsvoorwaarden, zoals bedoeld in artikel 5
lid 1 sub d van de AWGB en/of bij de beëindiging of het aangaan van een
arbeidsverhouding zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 sub b van de AWGB.

4.2. Artikel 1 sub b AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt
verstaan direct onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim moet worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 13.).

4.3. De Commissie heeft reeds in eerdere uitspraken geoordeeld dat het
besluit om een overeenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen, een besluit
betreffende het aangaan van een arbeidsverhouding is (Commissie gelijke
behandeling 15 september 1997, oordeel 97-101.).

4.4. Onder het verbod van onderscheid op grond van ras bij de
arbeidsvoorwaarden als genoemd in artikel 5 lid 1 onder d AWGB worden door de
Commissie mede begrepen omstandigheden als een discriminerende bejegening op
de werkvloer van de wederpartij (Commissie gelijke behandeling, 9 juli 1996,
oordeel 96-62; 20 februari 1997, oordeel 97-18 en 17 juni 1997, oordeel
97-82.).

Naar vaste jurisprudentie van de Commissie brengt de verplichting van de
werkgever zich te onthouden van discriminatie op het terrein van de arbeid
mee, dat de werkgever er op moet toezien dat ook degenen waarover hij het
gezag uitoefent zich van discriminatie onthouden (Commissie gelijke
behandeling, 17 juni 1997, oordeel 97-82.).

4.5. Ter beantwoording van de in het geding zijnde vraag overweegt de
Commissie het volgende.
Verzoeker heeft bij zijn ziekmelding aangegeven dat hij zich op de werkvloer
door pupillen en collega’s gediscrimineerd voelde en daardoor niet meer tot
werken in staat was. Voorts stelt verzoeker dat zijn ontslag gevolgd is nadat
hij zich over discriminatie heeft beklaagd.

Er is daardoor, naar zijn opvatting, een direct verband tussen de beëindiging
van de werkzaamheden en de arbeidsvoorwaarden.
De Commissie zal in dat verband eerst onderzoeken of er in de
arbeidsvoorwaarden onderscheid wegens ras jegens verzoeker is gemaakt. Daarna
zal worden onderzocht of er sprake is van onderscheid op grond van ras bij de
beëindiging dan wel bij het niet aangaan van een (nieuw) oproepcontract.

4.6. Voor wat betreft de vraag of er sprake is van onderscheid op grond van
ras bij de arbeidsvoorwaarden gaat het in dit geval om een klacht over
discriminatie door een pupil en door (een) andere werknemer(s).

Ten aanzien van de pupil

4.7. Onbetwist is dat er op de werkvloer van de wederpartij jegens verzoeker
beledigingen zijn geuit en geweld heeft plaatsgevonden door een pupil. Deze
beledigingen waren mede van racistische en discriminerende aard.
Reeds eerder werd door de Commissie geoordeeld dat het – gelet op de
wettelijke gelijkheidsvoorschriften – evenzeer tot de verplichtingen van de
wederpartij behoort, er op toe te zien dat degenen over wie zij het gezag
uitoefent zich onthouden van discriminerende gedragingen. Tekortschieten
daarin betekent dat wordt gehandeld in strijd met de wet. (Commissie gelijke
behandeling, 17 juni 1997, oordeel 97-82.)
De Commissie stelt vast dat de wederpartij het gezag uitoefent over de
pupillen in de inrichting. Derhalve is de vraag of de wederpartij tekort
geschoten is in de hiervoor genoemde verplichting.

4.8. Bij de wederpartij bestaan verschillende mogelijkheden om klachten over
discriminatie op de werkvloer te melden, te weten via de bedrijfsarts, via
het Meldpunt klachten en via de P&O functionaris die tevens fungeert als
vertrouwenspersoon. Ook klachten over het discriminerende optreden van
pupillen kunnen daar ter sprake worden gebracht. De wederpartij sluit niet
uit dat verzoeker niet bekend was met alle genoemde procedures. Dit is gelet
op de korte periode dat hij bij de wederpartij werkzaam was mogelijk.

4.9. Verzoeker heeft de wederpartij op de hoogte gesteld van een racistisch
incident met een pupil. Zoals hiervoor onder 3.4. vermeld heeft de
wederpartij terstond maatregelen tegen de pupil getroffen die – met het oog
op de bijzondere omstandigheden van het geval – als adequaat kunnen worden
beschouwd.

4.10. De Commissie is van oordeel dat bij de wederpartij voldoende
voorzieningen aanwezig zijn in geval van klachten over rassendiscriminatie.
De wederpartij is ook daadwerkelijk opgetreden toen verzoeker een klacht
kenbaar maakte over racistisch gedrag van een pupil. Het bovenstaande
betekent dat de wederpartij passende maatregelen heeft getroffen om verzoeker
van een discriminerende bejegening door pupillen te vrijwaren.
De wederpartij heeft verzoeker op dit punt dan ook de bescherming geboden
waartoe een werkgever op grond van artikel 5 lid 1 onder d AWGB is gehouden.

Ten aanzien van de collega’s

4.11. De wederpartij heeft betwist dat er door enkele medewerkers
discriminerende uitlatingen jegens verzoeker zijn gedaan.
Door de Commissie kon niet worden vastgesteld dat verzoeker in die zin
racistisch werd bejegend. Evenmin kon worden vastgesteld dat medewerkers niet
ingrepen als een pupil racistische scheldwoorden jegens verzoeker uitte.

Tevens wordt door de wederpartij betwist dat verzoeker werd uitgesloten of
benadeeld. In dit verband merkt de Commissie op dat verzoeker maar kort voor
de wederpartij heeft gewerkt. Het is daarom moeilijk te beoordelen of iemand
nog niet helemaal zijn plaats in de organisatie gevonden heeft of dat er
uitsluiting op grond van huidskleur plaatsvindt. In dit opzicht kan bovendien
een groot verschil bestaan tussen bepaalde feiten of gebeurtenissen zoals
deze zich voordoen of zoals deze door verzoeker kunnen worden ervaren. Zo
heeft de wederpartij aangegeven dat verzoeker werd uitgesloten van het
werkoverleg omdat hieraan in beginsel alleen vaste krachten deelnemen. Deze
verklaring acht de Commissie voldoende aannemelijk. Voorts heeft de
wederpartij door het overleggen van werkroosters geïllustreerd dat het
rooster van verzoeker niet zwaarder was dan dat van zijn collega’s.

Van de overige door verzoeker gestelde voorvallen kon ofwel niet worden
vastgesteld dat zij daadwerkelijk hadden plaatsgevonden ofwel ontbrak het
verband met zijn afkomst, zoals de verwarring rond zijn herstelmelding en de
financiële afwikkeling van zijn dienstverband.

4.12. De verklaring van het bestuurslid van het ADB Midden Holland maakt op
zich niet duidelijk dat er in geval van verzoeker sprake is van onderscheid
op grond van ras. Er wordt een aantal klachten van verzoeker herhaald. Deze
worden evenwel niet nader onderbouwd op het punt van onderscheid op grond van
ras. Ook worden in de verklaring feiten genoemd waarvan het verband met
eventuele rassendiscriminatie onduidelijk is.

Tenslotte geeft de getuige een oordeel over de gang van zaken op de werkvloer
van de wederpartij die op zich met onderscheid in de zin van de AWGB niets
van doen heeft. Een en ander betekent dat door de Commissie niet kan worden
vastgesteld dat de door verzoeker in dit opzicht gestelde feiten zich
inderdaad hebben voorgedaan.

4.13. Los van het feit of deze klachten op waarheid berusten, mag van de
werkgever verwacht worden dat hij klachten over discriminatie op de werkvloer
zorgvuldig behandelt.
Indien de werkgever daarin tekort schiet kan er sprake zijn van verboden
onderscheid als bedoeld in de AWGB. (Commissie gelijke behandeling 20
februari 1997, oordeelnummer 97-18.)

4.14. Zoals voorafgaand werd geconstateerd heeft de wederpartij mogelijkheden
voor medewerkers om klachten te melden inzake een racistische bejegening op
de werkvloer. Onbetwist is dat verzoeker zijn klachten over discriminatie aan
de wederpartij pas bij de feitelijke beëindiging van zijn werkzaamheden heeft
gemeld. Voorts dat daarna de vertrouwenspersoon van de wederpartij hem heeft
uitgenodigd voor een gesprek over een en ander. Verzoeker heeft hier geen
gebruik van gemaakt. De wederpartij heeft niettemin een onderzoek ingesteld
naar aanleiding van de klachten van verzoeker. Het onderzoek gaf geen
aanleiding andere actie te ondernemen dan verzoeker uit te nodigen voor een
gesprek. Verzoeker heeft aan deze uitnodiging geen gevolg gegeven.

4.15. De wijze waarop de wederpartij is omgegaan met de klacht getuigt van
een zorgvuldige behandeling van verzoekers klacht over rassendiscriminatie.
Er is in dit opzicht dus geen sprake van onzorgvuldig handelen dat leidt tot
verboden onderscheid als bedoeld in artikel 5 lid 1 onder d AWGB.

4.16. Een en ander overziend komt de Commissie tot het oordeel dat de
wederpartij in geen der gestelde opzichten jegens verzoeker in strijd met de
gelijke behandelingsvoorschriften heeft gehandeld.
Derhalve heeft de wederpartij jegens verzoeker geen onderscheid op grond van
ras bij de arbeidsvoorwaarden gemaakt.

4.17. Voor wat betreft de vraag of de wederpartij bij de beëindiging
onderscheid op grond van ras heeft gemaakt overweegt de Commissie het
volgende.

Verzoeker heeft aangegeven dat zijn ontslag is gevolgd nadat hij zich
(omstreeks 10 januari 1997) over discriminatie heeft beklaagd. De Commissie
constateert dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege
eindigde op 18 januari 1997.

Naar het oordeel van de Commissie kon het in deze dus niet anders dan dat de
bevestiging van de afloop van het contract kort na het beklag over
discriminatie moest volgen. Nu de wederpartij geen andere feiten heeft
gesteld en er geen sprake is van onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden,
concludeert de Commissie dat niet aannemelijk is geworden dat de wederpartij
bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst onderscheid op grond van ras
heeft gemaakt.

4.18. In de arbeidsverhouding tussen partijen bestond tot 18 november 1997 de
mogelijkheid dat er oproepcontracten voor bepaalde tijd gesloten konden
worden.
De vraag is dus of de wederpartij door het niet aangaan van nieuwe contracten
in strijd met de AWGB heeft gehandeld. Aan de beantwoording van deze vraag is
de Commissie niet toegekomen. Vanwege de (voortdurende) arbeidsongeschiktheid
van verzoeker was het immers enerzijds onmogelijk met hem nieuwe
oproepcontracten aan te gaan, terwijl anderzijds verzoeker aan de oproep van
de wederpartij voor een gesprek geen gevolg heeft gegeven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat de (….) te Alphen aan den Rijn jegens de
heer (….) te Amsterdam geen onderscheid op grond van ras in de
arbeidsvoorwaarden en bij de beëindiging heeft gemaakt zoals bedoeld in
artikel 5 lid 1 sub d en b van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. prof. mr. A.W. Heringa (lid Kamer), mw. mr. G.H. Felix(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 juni 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is van Sloveense afkomst en heeft de Sloveense nationaliteit. De
wederpartij houdt zich bezig met omscholing en plaatsing in functies in de
automatisering van werkloze HBO-ers en academici.
Verzoekster wilde bij de wederpartij een opleiding volgen. Zij slaagde voor
de selectietest van die opleiding maar werd na het selectiegesprek toch
afgewezen met als reden dat verzoekster beschikte over onvoldoende begrip van
de Nederlandse taal en onvoldoende mondelinge uitdrukkingsvaardigheid.
De Commissie acht voldoende onderbouwd dat voor de betreffende opleiding een
zodanige beheersing van de Nederlandse taal is vereist dat zowel op technisch
als op zakelijk niveau vlot gecommuniceerd moet kunnen worden. De wederpartij
heeft aan verzoekster dan ook niet willekeurig een taaleis gesteld.
De Commissie oordeelt dat de wederpartij de geschiktheid van verzoekster voor
de betreffende opleiding heeft bepaald op een wijze die niet als ondeugdelijk
of onwillekeurig kan worden aangemerkt. Uit het onderzoek zijn verder geen
aanwijzingen naar voren gekomen die duiden op direct onderscheid op grond van
ras of nationaliteit.
Vervolgens gaat de Commissie na of sprake is van indirect onderscheid op
grond van ras of nationaliteit. De Commissie oordeelt dat dat inderdaad het
geval is omdat door het stellen van een dergelijke taaleis eerder tot
uitsluiting leidt van personen van wie de etnische of nationale herkomst
buiten Nederland ligt of die van niet-Nederlandse nationaliteit zijn en hun
opleiding in het buitenland hebben gevolgd. De Commissie acht het gemaakte
indirect onderscheid echter objectief gerechtvaardigd omdat de wederpartij
geen hogere eisen aan de taalvaardigheid heeft gesteld dan voor het volgen
van de opleiding en de uitoefening van toekomstige functies noodzakelijk is.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 oktober 1997 verzocht mevrouw (….) te Rotterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of (….) te Amsterdam (hierna: de wederpartij) jegens haar
onderscheid op grond van ras en/of nationaliteit heeft gemaakt zoals bedoeld
in de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: AWGB).

1.2. Verzoekster wenste een opleiding te volgen bij de wederpartij. Zij werd
echter afgewezen omdat zij over onvoldoende begrip van de Nederlandse taal en
over onvoldoende mondelinge uitdrukkingsvaardigheid zou beschikken.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij daarmee onderscheid naar ras
en/of nationaliteit heeft gemaakt, zoals bedoeld in de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op 6 april 1998.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (directeur)
– mw. (….) (selecteur)
– mw. (….) (selecteur)
– dhr. mr. J.R. Berculo (advocaat)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. I.M. Hidding (secretaris Kamer)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een stichting die zich bezig houdt met omscholing en
plaatsing in functies in de automatisering van werkeloze HBO-ers en
academici. De toelating tot haar opleidingen wordt bepaald aan de hand van
een selectieprocedure bestaande uit een schriftelijke test en een
selectiegesprek.

3.2. Verzoekster is van Sloveense afkomst en heeft de Sloveense
nationaliteit. Zij slaagde op 22 april 1997 voor de selectietest van de
opleiding JAVA internet software engineer van de wederpartij. Na het
selectiegesprek, op 6 mei 1997, werd verzoekster echter afgewezen voor deze
opleiding. In de afwijzingsbrief van 7 mei 1997 wordt verzoekster geadviseerd
eerst haar beheersing van de Nederlandse taal te verbeteren indien zij een
opleiding/functie in de automatisering ambieert.
Verzoekster was het niet met de beoordeling van de selecteur eens en heeft
aan de wederpartij om een tweede gesprek gevraagd. Dit tweede gesprek met
andere selecteurs vond plaats op 29 mei 1997. Verzoekster werd opnieuw
afgewezen.

De standpunten van partijen

Verzoekster stelt het volgende.

3.3. Als reden voor afwijzing van verzoekster na het eerste selectiegesprek,
werden door de wederpartij onvoldoende begrip van de Nederlandse taal en
onvoldoende mondelinge uitdrukkingsvaardigheid genoemd. Verzoekster is het
niet eens met deze reden van afwijzing. Volgens verzoekster heeft de
wederpartij haar op haar uitspraak van de Nederlandse taal beoordeeld. Zij
acht haar begrips- en uitdrukkingsvermogen ruim voldoende. Verzoekster
onderstreept dit door erop te wijzen dat zij in het bezit is van een
certificaat van de Technische Universiteit Delft, waarin haar kennis van het
Nederlands voldoende wordt ingeschat om in Nederland te kunnen werken en
studeren. Ook is zij sinds november 1997, na een test en een selectiegesprek,
toegelaten tot een cursus exportmanagement bij de Erasmus Universiteit te
Rotterdam. Voor deze cursus werden haar woordenschat en begripsvermogen van
de Nederlandse taal meer dan voldoende geacht. Verzoekster is tevens van
mening dat voor een programmeur niet het Nederlands van belang is maar het
Engels en dat voor een ingenieur kennis van het Nederlands niet belangrijk
is. Bovendien had verzoekster al bij enkele bedrijven gewerkt, waar zij ook
met klanten moest communiceren. Daarover heeft zij geen klachten gehad.

3.4. In het eerste selectiegesprek werd door de selecteur aan verzoekster
gevraagd of zij vanwege economische redenen naar Nederland was gekomen. Deze
vraag beschouwt zij als pure discriminatie.

Toen verzoekster na het tweede gesprek om concrete voorbeelden vroeg waaruit
zou blijken dat haar kennis van het Nederlands onvoldoende zou zijn, kon de
wederpartij die niet geven. Zij kreeg wel een uitnodiging voor een nieuwe
voorlichtingsbijeenkomst maar er werd haar geen andere opleiding aangeboden.
In 1994 is verzoekster geslaagd voor de PION-test. Haar taalvaardigheid werd
in de uitslag van die test als zeer hoog beoordeeld. In dat jaar kregen
allochtonen en autochtonen dezelfde test, maar werd de scoretabel voor beide
groepen op verschillende manieren ingevuld. Verzoekster heeft de testuitslag
aan de Commissie overgelegd.

3.5. Het feit dat de wederpartij niet kan aangeven waarom de beheersing van
het Nederlands door verzoekster onvoldoende is en het feit dat haar gevraagd
is of zij om economische redenen naar Nederland is gekomen, zijn voor
verzoekster redenen om te veronderstellen dat discriminatoire redenen ten
grondslag liggen aan de afwijzing.

De wederpartij stelt het volgende.

3.6. Ten aanzien van de gehanteerde selectieprocedure.
De wederpartij biedt twaalf tot vijftien opleidingen aan. Eén daarvan is de
JAVA-opleiding. JAVA is een ontwikkeltaal. Met deze taal worden
computerprogramma’s geschreven. Het is één van de zwaarste opleidingen voor
programmeurs. De diverse opleidingen worden via advertenties aangeboden.
Kandidaten die zich melden worden vervolgens geselecteerd via een
selectieprocedure.

Het eerste deel van de selectieprocedure bestaat uit een schriftelijke
capaciteitentest. Deze test moet iedereen maken ongeacht de opleiding die men
wenst te volgen. De test is multicultureel van aard, waardoor allochtonen
dezelfde succeskans hebben als autochtonen. De test geeft de score van een
aantal belangrijke capaciteiten en vaardigheden van de kandidaten. Voor de
JAVA- opleiding, die een hoog exact niveau vereist, wordt met name gelet op
de rekenvaardigheid, inzicht in cijferreeksen en stroomdiagrammen.

Het tweede deel van de selectieprocedure is het selectiegesprek. Dit duurt
ongeveer een uur en is in beginsel gericht op een bepaalde opleiding. In de
gespreksbeoordeling wordt gelet op gedragskenmerken als spreekvaardigheid,
luistervaardigheid, begripsvermogen van de Nederlandse taal en sensiviteit.

Dit laatste heeft onder meer betrekking op het reageren op nonverbale
aspecten, het goed ingaan op vragen, een goed begrip hebben voor het
vertelde, en op de relatie met de gesprekspartner.
De criteria liggen schriftelijk vast binnen de organisatie van de
wederpartij. Deze zijn niet vooraf aan de kandidaten bekend, maar wel wordt
aangegeven dat gelet wordt op communicatieve vaardigheden. Tijdens het
gesprek worden door de selecteur aantekeningen gemaakt. Aan het eind van het
gesprek worden deze getoetst aan de hand van bij de wederpartij bestaande
normen.
Periodiek wordt de wijze waarop de selectiegesprekken plaatsvinden
geëvalueerd en verder verbeterd.

Vervolgens worden in de selecteursvergadering besluiten over de kandidaten
genomen aan de hand van de resultaten van de test en het selectiegesprek.
Beoordeeld wordt of kandidaten een gerede kans maken om de opleiding te halen
en om door te stromen naar een werkgever. Ook als geoordeeld wordt dat een
kandidaat voor de opleiding geschikt is, gaat de wederpartij na of men als
persoon geschikt is voor de toekomstige functie.

Ten aanzien van de vereiste taalvaardigheid.
In de advertentie staat niets over de vereiste taalbeheersing. In eerste
instantie tracht de wederpartij de advertentie uitnodigend te houden. Er
wordt gevraagd naar HBO-niveau of universitair niveau en affiniteit met
automatisering. Voor het JAVA-programma is een exacte vooropleiding
noodzakelijk.
De criteria waarop de taalvaardigheid getoetst wordt, worden niet voor iedere
opleiding hetzelfde beoordeeld. In het algemeen kan gesteld worden dat voor
automatiseringsvakken het aspect communicatie in toenemende mate belangrijk
wordt. Dit hangt samen met de volgende ontwikkeling. Tot zes jaar geleden
werkten programmeurs alleen en in een afgescheiden ruimte. Tegenwoordig werkt
men als team en met cliënten. Sommige werkgevers vinden het
communicatie-aspect zelfs belangrijker dan de automatiseringswerkzaamheden op
zichzelf. De programmeurs moeten openstaan voor de wensen van klanten van het
automatiseringsbedrijf. Zij moeten deze kunnen inventariseren en klanten
kunnen binden. Vandaar dat de eis van begripsvermogen van de Nederlandse taal
en sensiviteit voor een opleiding als de JAVA-opleiding noodzakelijk is. Het
kan zijn dat de computertaal Engels is, maar het gaat erom dat de klanten
kunnen begrijpen waar de programmeur mee bezig is.

Ten aanzien van de relatie opleiding en baanperspectief.
Als kandidaten toegelaten worden, zijn er in het kader van de opleiding vaak
al contacten met werkgevers. Het grootste deel van de kandidaten heeft reeds
een contract als ze door de selectie heen zijn, maar nog niet aan de
opleiding zijn begonnen. Ook komen sommige werkgevers naar de opleiding om op
zoek te gaan naar potentiële werknemers.

Van de kandidaten die de opleidingen met succes hebben doorlopen komt 98% aan
het werk. Voor vrijwel iedereen die de opleiding die verzoekster wilde volgen
met succes afrondt, is een baan
beschikbaar.

Ten aanzien van gerichtheid van de opleiding op allochtonen.
De wederpartij heeft ruime ervaring met omscholing van personen van
allochtone afkomst. In 1987 bleek dat veel allochtonen niet door de
toelatingsprocedure kwamen. Vervolgens zijn specifieke selectie-instrumenten
ontwikkeld om dit wel mogelijk te maken.
Sinds haar oprichting heeft de wederpartij zich doorlopend ingezet voor de
plaatsing van mensen uit allochtoon-etnische groepen in Nederland. In 1994
organiseerde de wederpartij opleidingstrajecten uitsluitend voor allochtonen.
Door bezuinigingen was men genoodzaakt deze stop te zetten. In samenwerking
met de Vrije Universiteit (VU) te Amsterdam zijn speciale instrumenten en
methodieken ontwikkeld, die met succes zijn toegepast in een groot aantal
projecten voor allochtonen. Als enige in Nederland gebruikt de wederpartij
psychologische testonderzoeken die multi-cultureel van aard zijn, waardoor
allochtonen dezelfde succeskans hebben als autochtonen. De wederpartij heeft
naar aanleiding van deze projecten een bijzondere leerstoel ingericht aan de
VU om het onderzoek naar en de toepassing van dergelijke instrumenten en
methodieken te verzekeren. De wederpartij heeft derhalve een in Nederland
haast onovertroffen ervaring met het selecteren, opleiden, trainen,
begeleiden en plaatsen van allochtone kandidaten.

3.7. Ten aanzien van verzoeksters klacht
Verzoekster heeft de schriftelijke test wel gehaald, maar niet voldoende
gescoord voor toelating tot het JAVA-programma. Zij scoorde met name voor de
stroomdiagrammen zeer laag. Desondanks heeft de wederpartij verzoekster in
aanmerking laten komen voor het selectiegesprek. Dit gesprek werd met
verzoekster gevoerd door een zeer ervaren selecteur. Deze concludeerde dat
verzoekster onvoldoende begrip van de gestelde vragen had, dat zij
onvoldoende in staat was belangrijke zinswendingen te volgen en dat
verzoekster geen gerichte en concrete antwoorden op vragen gaf maar in
standaardantwoorden verviel. De selecteur was van mening dat de
spreekvaardigheid en het begripsvermogen van verzoekster onvoldoende
ontwikkeld waren, althans van zodanig niveau dat zij de JAVA-opleiding te
hoog gegrepen achtte voor verzoekster, hetgeen zij verzoekster heeft
meegedeeld. Verzoekster werd geadviseerd eerst aan die twee punten te gaan
werken en eventueel daarna te starten met een programma van de wederpartij.
Dat advies is haar ook nader toegelicht. Ter zitting geeft de wederpartij aan
dat wel vaker aan kandidaten geadviseerd wordt eerst de Nederlandse
taalvaardigheid te vergroten. Indien dit advies wordt opgevolgd leidt dit
veelal wel tot toelating tot de gewenste opleiding.

De directeur van de wederpartij heeft verzoekster bij wijze van hoge
uitzondering een “second-opinion-gesprek” toegestaan. Dit tweede
selectiegesprek werd gevoerd door een andere ervaren selecteur en een
senior-adviseur die tevens psychologe is.

Ook deze selecteurs kwamen tot de conclusie dat verzoekster niet voldeed aan
de eisen die ten aanzien van de te volgen opleiding werden gesteld. De
wederpartij is van menig dat aan verzoekster geen taaleisen zijn gesteld die
hoger zijn dan nodig is.

Het enige argument dat verzoekster aandroeg voor haar vermoeden van
discriminatie, is dat de wederpartij haar gevraagd zou hebben of zij om
economische reden naar Nederland is gekomen. Dat is volstrekt onjuist. De
wederpartij vraagt kandidaten altijd naar hun achtergrond om een goed beeld
te krijgen van de persoon. Aan elke kandidaat wordt gevraagd welke
geschiedenis men heeft en hoe men daar tegen aan kijkt. Opleidingen, verblijf
in het buitenland, werkervaring, etc. komen aan de orde. In voorkomende
gevallen wordt gevraagd naar de verblijfsstatus, omdat ook de toekomstige
werkgever daar naar vraagt. Wat dit laatste punt betreft waren er overigens
bij verzoekster geen problemen. Er is in het gesprek niet gesteld dat zij “om
economische redenen” naar Nederland zou zijn gekomen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
op grond van ras en/of nationaliteit heeft gemaakt
bij het laten volgen van onderwijs zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 sub c
AWGB.

4.2. Artikel 7 lid 1 sub c AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB,
onder meer het maken van onderscheid naar ras en/of nationaliteit bij het
aanbieden van goederen en diensten en bij het sluiten, uitvoeren of
beëindigen van overeenkomsten ter zake, indien dit geschiedt door
instellingen die werkzaam zijn op het gebied van volkshuisvesting, welzijn,
gezondheidszorg, cultuur of onderwijs.

Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 13.).

Het begrip nationaliteit in de AWGB dient te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon- of
verblijfplaats (Handelingen Eerste Kamer, 22 014, p. 1086, 22 februari
1994.).

Volgens artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan zowel direct als
indirect onderscheid. Onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid dat
verwijst naar een van de in de AWGB genoemde discriminatiegronden zoals ras
of nationaliteit. Van indirect onderscheid is sprake indien op grond van
andere hoedanigheden of gedragingen dan ras of nationaliteit onderscheid
wordt gemaakt dat direct onderscheid op grond van ras of nationaliteit tot
gevolg heeft.
In artikel 2 lid 1 AWGB is bepaald dat het verbod van onderscheid niet geldt,
ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie is niet alleen sprake van
een door de AWGB verboden onderscheid op grond van ras of nationaliteit als
deze gronden de enige aanleiding vormen voor een ongelijke behandeling, maar
tevens als deze gronden méde aanleiding zijn tot een ongelijke behandeling.
(Zie onder meer Commissie gelijke behandeling,
19 augustus 1997, oordeel 97-91.)

4.4. De Commissie stelt vast dat de wederpartij een instelling is die
werkzaam is op het gebied van onderwijs. De wederpartij biedt voorts diensten
aan in de vorm van onderwijs. Zij biedt immers opleidingen aan waarbij zij
zich tevens bezig houdt met de plaatsing van de betreffende personen.
Derhalve valt de wederpartij onder het bereik van artikel 7 lid 1 sub c AWGB.

4.5. Ter beantwoording van de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
direct onderscheid op grond van nationaliteit heeft gemaakt overweegt de
Commissie het volgende.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij als reden voor de afwijzing van
verzoekster voor de opleiding heeft aangevoerd dat zij over onvoldoende
begrip van de Nederlandse taal en over onvoldoende mondelinge
uitdrukkingsvaardigheid beschikt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie rekent zij het niet tot haar
taak om te beoordelen of iemand geschikt is voor een opleiding (Zie onder
meer Commissie gelijke behandeling, 14 april 1998, oordeel 98-35.).

De taak van de Commissie is om na te gaan of door de wederpartij bij de
beoordeling van de (mate van) geschiktheid voor de opleiding onderscheid
gemaakt is in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Daarbij wordt de
beoordeling van de geschiktheid slechts in zoverre betrokken dat aannemelijk
moet zijn dat de wederpartij de geschiktheid heeft bepaald op een wijze die
niet ondeugdelijk of willekeurig is.

In de onderhavige zaak is voorts van belang dat in de advertentie voor de
opleiding geen taaleisen zijn vermeld. Geconstateerd wordt dat de taaleis wel
een selectiecriterium is geweest. Derhalve zal tevens beoordeeld worden of de
door de wederpartij gehanteerde selectiecriteria deugdelijk zijn.

4.6. Voor wat de selectieprocedure betreft stelt de Commissie vast dat de
wederpartij, zowel bij de test als bij het gesprek standaard vaste criteria
hanteert waarbij de scores getoetst worden aan de hand van binnen de
wederpartij bestaande normen. Deze criteria en normen worden gehanteerd ten
aanzien van iedere kandidaat, terwijl de test zelf multicultureel van
karakter is. Voorts heeft de wederpartij verzoekster de mogelijkheid voor een
tweede selectiegesprek geboden, met andere selecteurs. De beoordeling is
geschied door ervaren selecteurs.

Aan de hand van de resultaten van de test en de gesprekken heeft de
wederpartij geconcludeerd dat verzoeksters beheersing van de Nederlandse taal
onvoldoende is voor deze functie. De wederpartij heeft aangegeven dat het
hier eisen betreft, die gesteld worden aan hoog gekwalificeerd werk. Ter
zitting is uitvoerig de spilfunctie van de programmeur in de communicatie
zowel binnen het team als tussen de werkgever en diens klanten toegelicht.
Ook is ten aanzien van beide gesprekken meer in concreto aangegeven op welke
punten de taalbeheersing gebreken vertoonde. De Commissie acht voldoende
onderbouwd dat voor de onderhavige opleiding zodanige beheersing van de
Nederlandse taal is vereist dat zowel op technisch niveau als zakelijk niveau
vlot gecommuniceerd moet kunnen worden.

Op bovenstaande gronden is de Commissie van oordeel dat de wederpartij aan
verzoekster bij de selectie voor de opleiding niet willekeurig een taaleis
heeft gesteld. Voorts is de Commissie van oordeel dat de wederpartij de
geschiktheid van verzoekster voor de betreffende opleiding heeft bepaald op
een wijze die niet als ondeugdelijk of willekeurig kan worden aangemerkt.

4.7. Uit het onderzoek zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen die duiden
op onderscheid op grond van ras of nationaliteit. Verzoekster heeft in dit
kader aangevoerd dat de wederpartij haar heeft gevraagd of zij vanwege
economische reden naar Nederland was gekomen. Zij ziet dit als een teken van
discriminatie.
De wederpartij heeft echter ten stelligste ontkend dat een dergelijke vraag
aan verzoekster is gesteld. De wederpartij heeft aangegeven dat aan iedere
kandidaat wel naar zijn/haar geschiedenis wordt gevraagd. Hoe men tegen de
eigen geschiedenis aankijkt.

De Commissie acht het niet uitgesloten dat bij verzoekster de indruk is
ontstaan dat deze vragen specifiek met haar achtergrond verband hield. De
Commissie is echter van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de
wederpartij bij de selectie van verzoekster voor de betreffende opleiding
jegens verzoekster direct onderscheid naar ras of nationaliteit heeft
gemaakt.

4.8. Vervolgens is de vraag of bij de selectie voor de betreffende opleiding
indirect onderscheid naar ras of nationaliteit is gemaakt. Van indirect
onderscheid naar ras/nationaliteit is sprake als het nadelig effect van de
taalvaardigheidseis in overwegende mate personen treft van niet-Nederlandse
etnische of nationale afstamming of nationaliteit (Zij bijvoorbeeld Commissie
gelijke behandeling, 27 augustus 1996, oordeel 96-75.).
Het is een algemeen bekend gegeven dat onder personen wier etnische of
nationale herkomst buiten Nederland ligt of die van niet-Nederlandse
nationaliteit zijn en hun opleiding in het buitenland hebben gevolgd, een eis
omtrent de Nederlandse taalvaardigheid eerder tot uitsluiting voor
opleidingen zoals de onderhavige leidt dan voor personen, die buiten deze
groep vallen.
Derhalve wordt door de betreffende taalvaardigheidseis indirect onderscheid
op grond van ras of nationaliteit gemaakt.

4.9. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1 AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond aan de volgende criteria (Tweede Kamer, vergaderjaar
1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 14 en Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz 13 mei 1986, zaak
170/84; Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebaüdereinigung GmbH & Co. KG 13 juli
1989, zaak 171/88.):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn;
– de om het doel te bereiken gekozen middelen dienen te beantwoorden aan een
werkelijke behoefte van de organisatie;
– en moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde doel te bereiken.

Het doel van de wederpartij is het opleiden en omscholen van werkloze hoger
opgeleide personen, met het oogmerk hen te laten instromen in het
arbeidsproces. De Commissie stelt vast dat aan dit doel iedere discriminatie
vreemd is, terwijl het doel beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de
organisatie.

Vervolgens moet worden beoordeeld of het middel, in dit geval de onderhavige
taalvaardigheidseis, geschikt en noodzakelijk is om het gestelde doel te
bereiken. Zoals hiervoor overwogen heeft de wederpartij aan verzoekster niet
willekeurig een taaleis gesteld. Gelet op het doel van de wederpartij om niet
alleen om te scholen maar ook de instroom in het arbeidsproces te bevorderen,
is van wezenlijk belang dat rekening gehouden wordt met eisen die door
potentiële werkgevers aan JAVA-programmeurs worden gesteld.
Vanwege het communicatie-niveau dat voor functies, die na de JAVA-opleiding
worden vervuld, vereist is, wordt een relatief hoge taalvaardigheidseis
gesteld. De vraag is of de wederpartij voor de onderhavige opleiding een
hogere taalvaardigheidseis heeft gesteld dan noodzakelijk is. Voorts is de
vraag of het nagestreefde doel niet op een andere wijze bereikt kan worden.

Verzoekster betwist dat haar niveau van taalvaardigheid onvoldoende is voor
de onderhavige opleiding. Zij wijst daarbij op het feit dat haar
taalvaardigheidsniveau voldoende is geacht door de Technische Universiteit
Delft en de Erasmus Universiteit. De Commissie stelt vast dat de
taalvaardigheid van verzoekster door deze instellingen in verband met een
ander doel is vastgesteld dan voor de vervulling van een functie in de
automatisering waartoe de JAVA-opleiding opleidt.
Het standpunt van verzoekster dat voor een computercursus de Engelse taal van
belang is en niet de Nederlandse taal, acht de Commissie niet overtuigend.
Niet betwist is dat de Engelse taal ook van belang kan zijn. Echter, zoals
hiervoor reeds gesteld is, is in automatiserings-functies als deze voor de
communicatie met cliënten en collega’s, de Nederlandse taalvaardigheid van
belang.

4.10. Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de
wederpartij geen hogere eisen aan de taalvaardigheid heeft gesteld dan voor
het volgen van de opleiding en de uitoefening van toekomstige functies
noodzakelijk is. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de wederpartij dit
doel op andere wijze kan bereiken waarbij geen indirect onderscheid naar ras
of nationaliteit wordt gemaakt. De Commissie stelt dan ook vast dat het
gekozen middel geschikt en noodzakelijk is en beantwoordt aan de legitieme
behoefte van de organisatie. Derhalve is voldaan aan de hiervoor genoemde
criteria voor een objectieve rechtvaardigingsgrond. Hieruit volgt dat de
wederpartij jegens verzoeker geen verboden indirect onderscheid op grond van
ras en/of nationaliteit heeft gemaakt.

4.11. Aanbeveling van de Commissie

Het is de Commissie gebleken dat het stellen van vragen over de persoonlijke
achtergrond van kandidaten bij de selectie aanleiding kan zijn tot
misverstand.
In het kader van deze zaak was er geen aanleiding te onderzoeken in hoeverre
het stellen van bedoelde vragen noodzakelijk is voor de selectie voor de
opleiding en de toekomstige functie. Teneinde te voorkomen dat (onbedoeld)
onderscheid naar ras of nationaliteit wordt gemaakt beveelt de Commissie de
wederpartij aan dit onderdeel van de procedure zorgvuldig te evalueren en
zonodig bij te stellen.
Voorts beveelt de Commissie partijen aan om desgewenst in goed overleg een
traject uit te stippelen waardoor de kansen van verzoekster op omscholing en
plaatsing in een automatiseringsfunctie, kunnen worden geoptimaliseerd.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Amsterdam jegens
mevrouw (….) te ’s Gravenhage geen onderscheid naar ras en/of nationaliteit
heeft gemaakt bij het aanbieden van onderwijs zoals verboden in artikel 7 lid
1 onder c in samenhang met artikel 1 van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. drs. B. vanSchijndel (lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. I.M.Hidding (secretaris Kamer)