Instantie: Commissie gelijke behandeling, 29 mei 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft bij de wederpartij (een instelling op bijzondere grondslag)
gesolliciteerd naar een functie van universitair docent
Godsdienstwetenschappen, een functie waarin zij gedurende zes jaar op
tijdelijke basis bij de wederpartij werkzaam is geweest. Zij is afgewezen met
als motivering dat het toezichthoudend college dat de benoeming moest
goedkeuren de voorkeur gaf aan een katholieke kandidaat. Verzoekster was als
nummer drie op de voordracht geplaatst. Nadien is besloten nummer één van de
voordracht -die evenmin katholiek was- te benoemen. De wederpartij heeft geen
beroep gedaan op de grondslag. Verzoekster stelt dat hiermee onderscheid is
gemaakt naar godsdienst.
De Commissie constateert dat de wederpartij, door het heropenen van de
selectieprocedure en het zoeken naar een katholieke kandidaat en door
verzoekster en de andere kandidaten schriftelijk mede te delen dat zij
vanwege het feit dat zij niet katholiek waren niet in aanmerking konden komen
voor de functie, grote onduidelijkheid heeft doen ontstaan over vraag of het
hebben van een katholieke geloofsovertuiging een vereiste was voor de
functie. Bij een dergelijke onzorgvuldigheid komt het risico voor het maken
van onderscheid voor rekening van de wederpartij. Dit leidt tot het oordeel
dat bij de vervulling van de vacature direct onderscheid is gemaakt naar
godsdienst. Doordat verzoekster als nummer drie op de voordracht stond en
uiteindelijk een kandidaat is benoemd die evenmin katholiek is, is jegens
verzoekster geen onderscheid naar godsdienst gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 18 december 1997 verzocht mevrouw (….) te Amsterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of de Katholieke Theologische Universiteit Utrecht (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene
wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar een functie van
universitair docent Godsdienstwetenschappen, een functie waarin zij gedurende
zes jaar op tijdelijke basis bij de wederpartij werkzaam is geweest.
Verzoekster is voor de functie afgewezen, waarbij in eerste instantie als
motivering werd gegeven, dat de voorkeur zou worden gegeven aan een
katholieke kandidaat. Verzoekster was als nummer drie op de voordracht
geplaatst. Nadien is besloten nummer één van de voordracht te benoemen, welke
kandidaat evenmin van katholieke huize is. Verzoekster is van mening dat de
wederpartij, door haar na zes jaar naar tevredenheid functioneren, tegen te
werpen dat zij niet katholiek is onderscheid heeft gemaakt naar godsdienst,
als bedoeld in de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 27 april 1998.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig

van de kant van verzoekster
– mw. dr. (….) (verzoekster)
– mw. mr. S. Wehl (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. (….) (secretaris)
– dhr. mgr. dr. (….) (vicaris-generaal Aartsbisdom Utrecht, adviseur van
College van Toezicht van de wederpartij)
– dhr. mr. L.P. Kruidenier (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. L.M. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is met ingang van 1 april 1991 voor een periode van twee
jaar bij de wederpartij aangesteld als universitair docent
Godsdienstwetenschappen. Deze aanstelling is driemaal verlengd, laatstelijk
met ingang van 1 juli 1995. Met ingang van 1 juli 1997 is verzoekster bij de
wederpartij uit dienst getreden.

Verzoekster was bij de wederpartij aangesteld ter vervanging van de
toenmalige universitair docent Godsdienstwetenschappen, die tijdelijk elders
was gedetacheerd. Met ingang van 1 juli 1997 is laatstgenoemde elders in
dienst getreden. De vacature die hierdoor bij de wederpartij ontstond is
opengesteld. In de advertentie waarmee de wederpartij deze vacature bekend
maakte staat bij de vereisten voor de functie onder andere:
“De aan te stellen UD dient de doeleinden van de KTU te onderschrijven en
voorts te voldoen aan de vereisten die vanwege de betrokken kerkelijke
overheid voor het vervullen van de functie zijn gesteld in Titel III van de
Sapientia Christiana en in Titel III van de Ordinationes”.
Verzoekster heeft naar deze functie gesolliciteerd.

3.3. De sollicitatiecommissie, bestaande uit twee hoogleraren, twee studenten
en drie gepromoveerde universitair docenten, heeft op 26 mei 1997 een rapport
uitgebracht aan de Universiteitsraad. Dit rapport is op 10 juni 1997 in de
Universiteitsraad besproken. De Universiteitsraad heeft vervolgens conform
het voorstel van de sollicitatiecommissie bij brief van 16 juni 1997 een
voordracht gedaan aan het College van Bestuur. De voordracht bevatte de namen
van drie kandidaten. Verzoekster was als derde op de voordracht geplaatst.
Over de religieuze achtergrond van de kandidaten staat in de voordracht het
volgende:
“Alvorens echter op de drie kandidaten afzonderlijk in te gaan moet worden
gemeld, dat geen van hen een R.K.-achtergrond heeft. Gebleken is dat de
sollicitatiecommissie in eerste instantie erop gelet heeft of de kandidaten
interessant zijn voor het curriculum en niet zozeer op hun religieuze
achtergrond.
In de gesprekken met de kandidaten is wel gevraagd naar hun affiniteit met de
R.K.-kerk. Bij mw. X [de als eerste geplaatste kandidaat] is die positief, de
houding van de twee andere kandidaten is niet negatief.”
Met betrekking tot verzoekster staat in de voordracht onder meer het
volgende:
“Vanwege het feit dat mw. Y [verzoekster] al zes jaar aan de KTU verbonden
is, is nauwlettend bekeken of de twee andere kandidaten zoveel beter zijn dan
zij.”

In de vergadering van 23 juni 1997 heeft het College van Bestuur besloten de
als eerste op de voordracht geplaatste kandidaat voor benoeming in aanmerking
te laten komen. Conform de statuten van de wederpartij heeft het College van
Bestuur de benoeming van nummer één op de voordracht vervolgens ter
goedkeuring aan het College van Toezicht voorgelegd. Een eventuele benoeming
van verzoekster is niet aan het College van Toezicht voorgelegd.

Bij brief van 17 september 1997 heeft het College van Toezicht hierop
gereageerd. Deze brief bevat -voor zover van belang- de navolgende passages:
(…)
“Een vaste benoeming van een niet-katholiek betekent dat een van de weinige
onderwijs- en onderzoeksplaatsen in deze discipline voor duidelijk katholiek
wetenschappelijk werk verloren gaat, en dat voor langere tijd.”
(…)
“Volgens de mededeling van de sollicitatiecommissie zouden er geen
hoog-gekwalificeerde katholieke geleerden hebben gesolliciteerd. Normaal
lijkt dan dat, op het moment dat dit bleek, gepoogd zou worden zulke
hoog-gekwalificeerde kandidaten uit te nodigen. Want het al of niet aanwezig
zijn van katholieke kandidaten is ook van belang. Bij een benoeming van een
niet-katholiek en bij de daaraan verbonden aanvraag -te zijner tijd- van een
‘nihil obstat’ volgens de bepalingen van Sapienta Christiana zullen immers
sterke argumenten moeten gelden om de toepassing van artikel 18 van de aan
Sapienta Christiana toegevoegde Ordinationes te bepleiten. Dan mag geen
twijfel rond de argumentatie inzake bovenstaande aandachtspunten bestaan.”

Het College van Bestuur heeft deze brief opgevat als een besluit om geen
goedkeuring aan de benoeming te verlenen, omdat de kandidaat om de benoeming
van wie goedkeuring was verzocht niet katholiek is. Naar aanleiding daarvan
heeft het College van Bestuur alle drie kandidaten, waaronder verzoekster,
bij brief van 29 september 1997 middels een gelijkluidend schrijven te kennen
gegeven dat zij niet in aanmerking zouden komen. In deze brief staat onder
andere:
“Nadat de sollicitatieprocedure door de KTU-organen (sollicitatiecommissie,
Universiteitsraad en College van Bestuur) was afgerond is gebleken dat het
College van Toezicht -dat elke benoeming moet goedkeuren- er aan hecht dat de
functie waarnaar U gesolliciteerd hebt zal worden vervuld door een katholieke
man of vrouw.
Het College van Bestuur had deze stellingname niet verwacht en redelijkerwijs
ook niet kunnen verwachten, reden waarom destijds in de advertentietekst ook
geen melding is gemaakt van een bepaalde geloofsovertuiging als voorwaarde
voor benoembaarheid.”

3.4. Bij een overleg tussen het College van Toezicht en het College van
Bestuur van de wederpartij op 5 november 1997 is gebleken, dat het College
van Toezicht met haar brief niet tot uiting heeft willen brengen dat zij de
benoeming van een niet-katholieke kandidaat niet acceptabel achtte, maar dat
benoeming van een niet-katholiek eerst aanvaardbaar zou zijn nadat gebleken
was dat er ondanks serieuze inspanningen geen katholieke kandidaat
beschikbaar was.

Het College van Bestuur heeft vervolgens opnieuw bekeken of er een geschikte
kandidaat van katholieke huize beschikbaar was voor de onderhavige functie.
Toen een dergelijke kandidaat niet werd gevonden, is de oorspronkelijke
voordracht wederom aan het College van Toezicht voorgelegd, met het verzoek
om goedkeuring. Uiteindelijk is op 22 maart 1998 de kandidaat, die als eerste
op de voordracht geplaatst was, benoemd.

3.5. Het College van Bestuur heeft verzoekster enige malen uitgenodigd voor
een gesprek om over de situatie van gedachten te wisselen, waarbij uitleg
gegeven zou worden over de procedure en tevens oplossingen verkend konden
worden van de bij verzoekster gerezen problemen naar aanleiding van haar
sollicitatie. Verzoekster heeft aanvankelijk laten weten onvoldoende
aanknopingspunten te zien voor een dergelijk gesprek. Zij was daartoe eerst
begin maart 1998 bereid. Op 3 maart 1998 heeft een gesprek tussen partijen
plaatsgevonden.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt het volgende.

Hoewel de wederpartij gelet op haar levensbeschouwelijke grondslag in
beginsel als eis mag stellen dat de te benoemen kandidaat een katholieke
achtergrond heeft, mag zij deze eis niet aan verzoekster tegenwerpen.
Verzoekster is gedurende zes jaar bij de wederpartij werkzaam geweest.
Gedurende deze periode is het niet hebben van een katholieke
geloofsovertuiging nooit een obstakel geweest. Zij is daarom voor de
vervulling van de functie in feite gelijk te stellen met een katholiek. Ten
onrechte is nagelaten om het College van Toezicht te informeren over de
andere twee kandidaten. Daardoor heeft het College van Toezicht niet de
mogelijkheid gehad om te constateren dat, anders dan mogelijk bij de andere
kandidaten, de geloofsovertuiging van verzoekster, die gezien haar
arbeidsverleden bij de wederpartij voor de vervulling van de functie in feite
gelijk te stellen is met een katholiek, geen bezwaar had kunnen zijn. Om die
reden heeft verzoekster ook nu, na benoeming van de als eerste op de
voordracht geplaatste kandidaat, nog belang bij een oordeel.
In haar afwijzing van september 1997 verwijst het College van Bestuur
uitsluitend naar de vereiste godsdienstige overtuiging. Dit is later nooit
gecorrigeerd. Daardoor is een eventuele benoeming bij voorbaat uitgesloten.
De wederpartij heeft door haar handelwijze jegens verzoekster onderscheid
naar godsdienst gemaakt.

Verzoekster voert voorts aan, dat haar mondeling in 1991 en 1992 te kennen is
gegeven, dat als de gedetacheerde docent definitief zou vertrekken, zij
normaliter in die vacature benoemd zou worden. Zij betreurt het dat zij de
wederpartij niet heeft gevraagd dit schriftelijk vast te leggen. In de
sollicitatieprocedure hebben oneigenlijke factoren, die niets met haar
kwaliteiten van doen hebben, de doorslag gegeven. Haar godsdienstige
overtuiging speelde daarbij evenwel geen rol.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.

De wederpartij doet geen beroep op de in artikel 5, tweede lid, onderdeel c,
AWGB vervatte uitzondering voor instellingen van bijzonder onderwijs. Voor de
in het geding zijnde functie is niet noodzakelijk dat de te benoemen
kandidaat katholiek is. Op grond van artikel III van de Sapientia Christiana
valt de functie onder de categorie waarvoor een verklaring van geen bezwaar
voldoet. In de advertentie staat zulks ook niet vermeld. Men dient de
doelstellingen te onderschrijven en te voldoen aan de eisen gesteld in de
Sapientia Christiana en Titel III van de Ordinationes.

De wederpartij erkent dat verzoekster door de formulering in de brief van 29
september 1997 de indruk kan hebben gekregen dat zij is afgewezen vanwege
haar geloofsovertuiging. Het College van Toezicht heeft zich echter alleen
over de geschiktheid van de als nummer één op de voordracht geplaatste
kandidaat kunnen uitlaten. Een eventuele benoeming van verzoekster is door
het College van Toezicht niet beoordeeld. Van een afwijzing op grond van haar
geloofsovertuiging kan dan ook geen sprake zijn.
Er was sprake van een misverstand tussen het College van Bestuur en het
College van Toezicht, waardoor de eerste ten onrechte meende, dat alleen met
een katholieke kandidaat ingestemd kon worden. Daarop is aan alle (allen
niet-katholieke) kandidaten op de voordracht een eensluidende brief van die
strekking gestuurd. Toen bleek dat er geen sprake was van een absolute eis,
kon de eerste kandidaat gewoon benoemd worden, en er is dus geen sprake van
dat verzoekster op grond van haar godsdienst is afgewezen. De godsdienst van
de kandidaten heeft bij de uiteindelijke benoeming van de eerste (eveneens
niet-katholieke) kandidaat geen rol gespeeld.
Van meet af aan is verzoekster te kennen gegeven dat zij geen
vanzelfsprekende aanspraak zou kunnen maken op de vacature die zou ontstaan
wanneer degene die zij bij detachering verving definitief zou vertrekken. Er
is wel een extra afweging gemaakt bij het opstellen van de voordracht waarbij
is meegewogen, dat verzoekster al een aantal jaren op tijdelijke basis de
functie vervulde. Desalniettemin is verzoekster als derde op de voordracht
geplaatst, waarbij onder andere een rol speelde dat haar publicaties
inhoudelijk beperkter geacht werden dan die van de eerste kandidaat.

Het is niet gebruikelijk om kandidaten in te lichten over (hun plaats op de)
voordracht vóórdat de toestemming van het College van Toezicht is verkregen.
Daarom is verzoekster ook niet voorafgaande aan het voorleggen van de
voordracht aan het College van Toezicht op de hoogte gebracht van haar derde
plaats op de unanieme voordracht van de sollicitatiecommissie. In het rapport
van de sollicitatiecommissie wordt aangegeven dat de religieuze achtergrond
van kandidaten niet in eerste instantie een rol heeft gespeeld. Vermeld
wordt, dat wel is gevraagd naar hun affiniteit met de R.K.-kerk, welke bij de
als eerste geplaatste kandidaat positief werd geacht en bij de twee andere
kandidaten als niet negatief werd omschreven. Daarmee werden alle kandidaten
geacht te voldoen aan de eis dat zij de doelstellingen onderschrijven.

De wederpartij betreurt het dat door de brief van 29 september 1997 het
misverstand in het leven is geroepen dat verzoekster vanwege haar godsdienst
is afgewezen. Het ware beter geweest om dit anders te doen. Getracht is om
met verzoekster in overleg te treden om het misverstand uit te leggen en weg
te nemen, maar verzoekster was aanvankelijk niet bereid tot overleg. Bij het
gesprek dat uiteindelijk op 3 maart 1998 heeft plaatsgevonden heeft de
wederpartij verzoekster haar excuses aangeboden voor de gang van zaken.
Het misverstand neemt echter niet weg, dat uitsluitend kwalitatieve
overwegingen een rol hebben gespeeld bij het besluit verzoekster niet te
benoemen.
Er is dus geen sprake van onderscheid op grond van godsdienst.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door verzoekster niet aan te
stellen als universitair docent Godsdienstwetenschappen jegens haar
onderscheid heeft gemaakt naar godsdienst.

4.2. Artikel 5, eerste lid, onderdeel a, AWGB bepaalt onder meer dat
onderscheid verboden is bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking.

Artikel 5, tweede lid, AWGB bepaalt onder meer dat het eerste lid, onderdeel
c. onverlet laat de vrijheid van een instelling van bijzonder onderwijs om
eisen te stellen over de vervulling van een functie, die gelet op het doel
van de instelling nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag,
waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele
feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of
homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet onder meer ziet op onderscheid tussen
personen op grond van godsdienst.

4.3. Verzoekster stelt nog een belang te hebben bij een oordeel
niettegenstaande het feit dat inmiddels een andere kandidaat is benoemd die
evenmin als verzoekster katholiek is. Zij heeft immers een brief ontvangen
waarin haar godsdienst als enige reden voor de afwijzing voor de functie
wordt genoemd. Hierdoor heeft de wederpartij een situatie gecreëerd waarin
bij haar de indruk is ontstaan dat dit ook de enige reden was. Haar belang is
gelegen in het verkrijgen van een antwoord op de vraag of in de procedure al
dan niet ten aanzien van haar een onderscheid naar godsdienst is gemaakt.
De Commissie acht dit inderdaad een belang dat door de gelijke
behandelingswetgeving wordt beschermd.

4.4. Vaststaat dat verzoekster voor de vacature bij de wederpartij op de
derde plaats stond. Geen van de kandidaten op de voordracht was katholiek.
Alle kandidaten voldeden aan de eis dat zij de doelstelling van de
wederpartij onderschrijven.
Hoewel verzoekster meent dat bij het opstellen van de voordracht oneigenlijke
argumenten mede een rol hebben gespeeld, heeft zij desgevraagd bevestigd dat
die redenen niets van doen hebben met haar godsdienst. Derhalve kan worden
aangenomen dat bij het opstellen van de voordracht door de
sollicitatiecommissie en de besluitvorming daarover door de Universiteitsraad
en het College van Bestuur geen andere eisen gesteld zijn dan het
onderschrijven van de grondslag, zoals vermeld in de advertentie, en dat
verzoeksters godsdienst daarbij geen rol heeft gespeeld.

4.5. Het College van Toezicht is vervolgens verzocht de benoeming van de als
eerste geplaatste kandidaat goed te keuren. Een eventuele benoeming van
verzoekster werd niet aan het College van Toezicht ter goedkeuring
voorgelegd, omdat zij niet als eerste op de voordracht stond. Het College van
Toezicht heeft verzoekster dus ook niet beoordeeld.

Het College van Toezicht heeft vervolgens de voordracht niet zonder meer
goedgekeurd maar heeft erop aangedrongen alsnog katholieke kandidaten uit te
nodigen voor de vacante functie.
Tussen het College van Toezicht en het College van Bestuur is een misverstand
ontstaan naar aanleiding van deze reactie van eerstgenoemd College op de
voordracht, die door het College van Bestuur aldus werd verstaan dat men
absoluut niet in kon stemmen met de benoeming van een niet-katholiek in de in
het geding zijnde functie. Op basis hiervan is op 29 september 1997 aan alle
kandidaten een gelijkluidende afwijzingsbrief gestuurd door het College van
Bestuur, waarin staat dat het College van Toezicht heeft aangegeven dat
uitsluitend een katholieke kandidaat in de functie benoemd kan worden,
weshalve alle drie kandidaten niet in aanmerking kunnen komen. Bij nader
overleg bleek dit niet overeen te komen met de opvatting van het College van
Toezicht. Nadat zonder succes getracht is om alsnog een geschikte kandidaat
van katholieke huize te vinden, is de oorspronkelijke voordracht aangehouden.
Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de benoeming van de eerste (niet
katholieke) kandidaat van de oorspronkelijke voordracht.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij de indruk heeft gewekt dat de
godsdienst van de kandidaten een relevant criterium was voor de onderhavige
vacature, zowel door het heropenen van de wervingsprocedure naar aanleiding
van de reactie van het College van Toezicht, waarin werd gerefereerd aan de
voorkeur voor een katholieke kandidaat, als door de kandidaten een brief te
sturen waarin hun godsdienst als enige reden wordt genoemd voor hun
afwijzing.
Reeds eerder heeft de Commissie geoordeeld dat een dergelijke handelwijze,
waarbij rechtstreeks gerefereerd wordt aan kenmerken als geslacht of
geloofsovertuiging en de stellige indruk wordt gewekt dat dit een relevant
criterium is bij de selectie, kan betekenen dat direct onderscheid wordt
gemaakt als bedoeld in de AWGB. (Commissie gelijke behandeling 7 oktober
1997, oordeel 97-105.) In dit geval constateert de Commissie dat, door het
heropenen van de selectieprocedure en het zoeken naar een katholieke
kandidaat en door verzoekster en de andere kandidaten schriftelijk mede te
delen dat zij vanwege het feit dat zij niet katholiek waren niet in
aanmerking konden komen voor de functie, de wederpartij bij de behandeling
van de openstaande vacature grote onduidelijkheid heeft doen ontstaan over
vraag of, anders dan vermeld in de advertentie, het hebben van een katholieke
geloofsovertuiging een vereiste was voor de onderhavige functie. Bij een
dergelijke onzorgvuldigheid komt het risico voor het maken van onderscheid,
volgens vaste jurisprudentie van de Commissie, voor rekening van de
wederpartij. Dit leidt tot het oordeel dat de wederpartij bij de behandeling
van de openstaande vacature direct onderscheid heeft gemaakt naar godsdienst.
Nu de wederpartij geen beroep doet op de in artikel 5, tweede lid, onderdeel
c, AWGB vervatte uitzondering voor instellingen van bijzonder onderwijs,
blijft onderzoek naar de toepasselijkheid hiervan achterwege.

4.6. Ten aanzien van de wijze waarop jegens verzoekster is gehandeld,
overweegt de Commissie het volgende.
Hoewel ten onrechte is verzuimd om het in de genoemde afwijzingsbrief
gestelde met betrekking tot de godsdienst van de kandidaten recht te zetten,
is naar het oordeel van de Commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat de
bewuste brief van het College van Bestuur een wat ondoordachte en overhaaste
reactie was op de brief van het College van Toezicht. Zulks wordt bevestigd
door het feit dat uiteindelijk een niet-katholieke kandidaat is benoemd.

Niettegenstaande het feit dat tengevolge van de door de brief van het College
van Toezicht aan het College van Bestuur en de daarop volgende reactie van
het College van Bestuur naar de kandidaten de indruk gewekt is, dat in de
loop van de procedure anders dan vermeld staat in de advertentie, eisen
gesteld zijn met betrekking tot de godsdienst van de kandidaten, is zulks
uiteindelijk niet het geval geweest. Hiervóór is geoordeeld dat bij de
procedure ter vervulling van de openstaande vacature in zijn algemeenheid
onderscheid is gemaakt op grond van godsdienst. Vervolgens kan de vraag
gesteld worden of de procedure ten aanzien van verzoekster voldoende
zorgvuldig is geweest, met name omdat niet in een eerder stadium is
aangegeven dat zij niet op de eerste plaats op de voordracht stond en omdat
is nagelaten de in de brief van 29 september 1997 genoemde reden voor haar
afwijzing schriftelijk recht te zetten. Daarmee is echter op zichzelf ten
aanzien van haar geen onderscheid gemaakt naar godsdienst bij de procedure
ter vervulling van de vacature.

Nu is komen vast te staan dat verzoeksters geloofsovertuiging noch door haar
niet als eerste te plaatsen op de voordracht voor de vacature voor docent
Godsdienstwetenschappen, noch bij de verdere behandeling van de voordracht
een rol gespeeld heeft, is bij de vervulling van de vacature jegens
verzoekster niet in strijd gehandeld met de gelijke behandelingswetgeving.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Katholieke Theologische
Universiteit te Utrecht
– bij de behandeling van de vacature voor de docent
Godsdienstwetenschappen direct onderscheid heeft gemaakt op grond van
godsdienst als bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Algemene Wet gelijke
behandeling en derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld;
– jegens mevrouw dr. (….) te Amsterdam bij de vervulling van de vacature
voor docent Godsdienstwetenschappen geen onderscheid heeft gemaakt op grond
van godsdienst als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Algemene wet
gelijke behandeling en jegens haar derhalve niet in strijd met deze wet heeft
gehandeld.

Rechters

Mw. prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), mw. mr. L.M. Mulder (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 28 mei 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeksters zwangerschapsverlof wordt meegeteld als ziekteperiode voor de
52-weken termijn die wordt gehanteerd als wachttijd voor een WAO-conforme
uitkering. Aangezien dit er toe leidt dat vrouwen eerder in een procedure
voor een WAO-conforme uitkering kunnen raken, is volgens verzoekster sprake
van onderscheid naar geslacht. De wederpartij, de uitvoeringsinstelling voor
de WAO-conforme uitkering, wijst erop dat de toepasselijkheid van deze
regeling voortvloeit uit de Wet privatisering ABP.
De Commissie onderkent dat de voorliggende regeling een algemeen belang van
vrouwen betreft. Verzoekster heeft zelf echter geen nadeel ondervonden
aangezien zij voor het verstrijken van de 52-weken termijn haar werk heeft
hervat. Er is derhalve geen onderscheid gemaakt ten nadele van verzoekster.
Haar verzoek is niet ontvankelijk. De Commissie komt derhalve niet toe aan
een inhoudelijke beoordeling van de zaak, aan de vraag in hoeverre de gelijke
behandelingsvoorschriften zich tot de wederpartij richten en of beoordeling
van deze klacht wordt verhinderd door artikel 4 sub c AWGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 mei 1997 verzocht mevrouw (….) te Bodegraven (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door de (….) te Heerlen (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeksters zwangerschapsverlof wordt meegeteld als ziekteperiode voor
de 52-weken termijn die wordt gehanteerd als wachttijd voor een WAO-conforme
uitkering. Volgens verzoekster wordt hierdoor onderscheid gemaakt naar
geslacht.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Vervolgens zijn partijen opgeroepen voor een zitting op 10 maart 1998. Op de
zitting hebben partijen hun standpunt nader toegelicht.
Ter zitting is deze zaak gevoegd behandeld met de zaak tegen de werkgever van
verzoekster. In die zaak heeft de Commissie een oordeel uitgesproken met
oordeelnummer 98-63.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. drs. (….)

van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. (….) (afdeling Bezwaar en Beroep (….))

van de kant van de wederpartij in de gevoegde zaak
– mw. mr. (….) (juridisch medewerkster afdeling PZ)

van de kant van de Commissie
– mw. Prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Op grond van artikel 32 Wet privatisering ABP is een aantal artikelen
van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), waaronder artikel
18 en 19, van toepassing op overheidswerknemers. Dit betreft de zogenaamde
WAO-conforme uitkering.
Artikel 19 lid 1 WAO bepaalt onder andere dat een verzekerde die
arbeidsongeschikt wordt na 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt te zijn
geweest, recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
krachtens de WAO. Op grond van het tweede lid van artikel 19 WAO worden voor
het bepalen van het tijdvak van 52 weken periodes van arbeidsongeschiktheid
welke elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
samengeteld.
Artikel 18 lid 1 WAO bepaalt dat zwangerschap en bevalling met ziekte gelijk
worden gesteld.

3.2. Verzoekster is als beleidsmedewerker in dienst bij de gemeente Alphen
aan den Rijn (wederpartij in de gevoegde zaak).
Verzoekster is van 26 augustus 1996 tot en met 15 december 1996 met
zwangerschaps- en bevallingsverlof geweest. Aansluitend heeft zij tot en met
6 januari 1997 vakantie opgenomen. Op 7 januari 1997 heeft zij zich
vervolgens ziek gemeld. Tijdens haar ziekteperiode heeft verzoekster een
aanvraagformulier voor een WAO-conforme uitkering ontvangen. Verzoekster
heeft haar werkzaamheden evenwel volledig hervat alvorens de WAO-conforme
uitkering op haar van toepassing werd.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster stelt het volgende.
Het optellen van de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof,
waardoor zij reeds een ziekteperiode van 16 weken had opgebouwd ten tijde van
haar ziekmelding, veroorzaakt een ongelijke behandeling ten opzichte van
zieke mannelijke collega’s. Het meetellen van de periode van het
zwangerschaps- en bevallingsverlof leidt ertoe dat indien vrouwen zich ziek
moeten melden op een tijdstip dat direct aansluit aan of valt binnen vier
weken na einde van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, zij sneller dan
mannen in een procedure voor een WAO-conforme uitkering kunnen raken.
Aangezien mannen niet zwanger kunnen worden, ontstaat zo onderscheid op grond
van geslacht.

3.4. De wederpartij stelt het volgende.
Haar betrokkenheid ontstaat bij de melding reïntegratie ten aanzien van de
arbeidsongeschikte werknemer.

Tijdens de aan de WAO-conforme uitkering voorafgaande 52 ziekteweken treedt
zij aan de hand van beleidsregels actief op met een aantal tussentijdse
meldingen.

De toepasselijkheid van de Wet privatisering ABP en de WAO wordt onderzocht
naar aanleiding van een aanvraag. De toepasselijkheid van artikel 18 en 19
WAO op overheidswerknemers als verzoekster volgt geheel uit de wet, namelijk
de Wet privatisering ABP.

4. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
maakt naar geslacht doordat voor de termijn na afloop waarvan het traject
voor de WAO-conforme uitkering wordt gestart, ook de periode van
zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt meegerekend.

4.2. In dat verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.

Artikel 1a lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
bepaalt dat het bevoegde gezag in de openbare dienst geen onderscheid mag
maken tussen mannen en vrouwen bij de arbeidsvoorwaarden. In artikel 1 WGB is
bepaald dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen wordt verstaan direct
en indirect onderscheid. Onder direct onderscheid wordt mede verstaan
onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap. De WGB maakt
het niet mogelijk rechtvaardigingsgronden aan te voeren voor direct
onderscheid anders dan de in de WGB opgenomen uitzonderingen.

4.3. Conform artikel 12 lid 1 Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) kan de
Commissie op schriftelijk verzoek een onderzoek instellen. Artikel 12 lid 2
onder a AWGB zegt dat een dergelijk verzoek onder meer kan worden ingediend
door degene die meent dat te zijnen nadele een onderscheid is of wordt
gemaakt als bedoeld in deze wet of (onder andere) de WGB.

4.4. Artikel 4c AWGB luidt: “Deze wet laat onverlet onderscheid dat gemaakt
wordt bij of krachtens enige andere wet, welke voorafgaand aan deze wet in
werking is getreden”.

4.5. Alvorens de vraag te onderzoeken of er in casu sprake is van een
arbeidsvoorwaarde zoals bedoeld in artikel 1 WGB, stelt de Commissie vast dat
uit het voorafgaande voortvloeit dat de Commissie verzoekster alleen in haar
verzoek kan ontvangen als zij door handelingen van de wederpartij enig nadeel
heeft ondervonden of dreigt te ondervinden.

4.6. Verzoekster voert aan dat de termijnregeling voor de WAO-conforme
uitkering indirect onderscheidend naar vrouwen werkt, omdat
zwangerschapsverlof en bevalling als ziekteperiode worden meegeteld.
De Commissie onderkent dat een regeling als de onderhavige een algemeen
belang van vrouwen betreft. Verzoekster heeft evenwel zelf geen nadeel
ondervonden van de uitvoeringshandelingen door de wederpartij. Zij is immers
vanwege de tijdige hervatting van haar werkzaamheden niet zelf onder de
werking van de wettelijke voorschriften gevallen. Evenmin heeft zij schade
ondervonden door het feit dat zij haar werkzaamheden vóór het verstrijken van
de termijn van een jaar heeft hervat.

Het voorafgaande heeft tot gevolg dat er ten nadele van verzoekster geen
onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in artikel 12 lid 2 onder a AWGB.

4.7. De Commissie is derhalve van oordeel dat verzoekster op grond van
artikel 12 lid 2 onder a AWGB niet ontvankelijk in haar verzoek is.

4.8. Wellicht ten overvloede wijst de Commissie er op dat bovenstaand oordeel
niet inhoudt dat zij de klacht van verzoekster mede op inhoudelijke gronden
afwijst. Door de niet-ontvankelijkheid komt zij evenwel aan een dergelijke
beoordeling niet toe. Evenmin komt de Commissie toe aan de vraag in hoeverre
de gelijke behandelingsvoorschriften zich tot de wederpartij als zodanig
richten of aan de vraag in welk opzicht artikel 4c AWGB een beoordeling van
de door verzoekster geformuleerde klacht verhindert.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat mevrouw (….) te Bodegraven op grond van
artikel 12 lid 2 onder a AWGB in haar verzoek niet ontvankelijk is.

Rechters

Mw. Prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 28 mei 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeksters zwangerschapsverlof wordt meegeteld als ziekteperiode voor de
52-weken termijn die wordt gehanteerd als wachttijd voor een WAO-conforme
uitkering. Aangezien dit er toe leidt dat vrouwen eerder in een procedure
voor een WAO-conforme uitkering kunnen raken, is volgens verzoekster sprake
van onderscheid naar geslacht. De wederpartij, verzoeksters werkgever,
beroept zich op haar verplichting om de wetgeving ter zake uit te voeren.
De Commissie onderkent dat de voorliggende regeling een algemeen belang van
vrouwen betreft. Verzoekster heeft zelf echter geen nadeel ondervonden
aangezien zij voor het verstrijken van de 52-weken termijn haar werk heeft
hervat. Er is derhalve geen onderscheid gemaakt ten nadele van verzoekster.
Haar verzoek is niet ontvankelijk. De Commissie komt derhalve niet toe aan
een inhoudelijke beoordeling van de zaak en aan de vraag in hoeverre de
wederpartij ten aanzien van de betreffende arbeidsvoorwaarde een eigen
verantwoordelijkheid draagt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 mei 1997 verzocht mevrouw (….) te Bodegraven (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door het College van Burgemeester en
Wethouders van de Gemeente Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in
de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeksters zwangerschapsverlof wordt meegeteld als ziekteperiode voor
de 52-weken termijn die wordt gehanteerd als wachttijd voor een WAO-conforme
uitkering. Volgens verzoekster wordt hiermee onderscheid gemaakt naar
geslacht.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Vervolgens zijn partijen opgeroepen voor een zitting op 10 maart 1998.
Ter zitting is deze zaak gevoegd behandeld met de zaak tegen de
uitvoeringsinstelling voor de betreffende uitkering. In die zaak heeft de
Commissie een oordeel uitgesproken met oordeelnummer 98-64.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….)

van de kant van de wederpartij
– mw. mr. (….) (juridisch medewerker afdeling PZ)

van de kant van de wederpartij in de gevoegde zaak
– dhr. mr. (….) (afdeling Bezwaar en Beroep USZO)

van de kant van de Commissie
– mw. Prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Op grond van artikel 32 Wet privatisering ABP (WPA) is een aantal
artikelen van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), waaronder
artikel 18 en 19, van toepassing op overheidswerknemers. Het betreft de
zogenoemde WAO-conforme uitkering.
Artikel 19 lid 1 WAO bepaalt onder andere dat een verzekerde die
arbeidsongeschikt wordt, na 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt te zijn
geweest, recht heeft op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
krachtens de WAO. Op grond van het tweede lid van artikel 19 WAO worden voor
het bepalen van het tijdvak van 52 weken, periodes van arbeidsongeschiktheid
welke elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
samengeteld.
Artikel 18 lid 1 WAO bepaalt dat zwangerschap en bevalling met ziekte gelijk
worden gesteld.

3.2. De Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Alphen aan den Rijn 1995 bepaalt
in artikel 7:1 lid 3 dat indien een ambtenaar, ter zake van de desbetreffende
verhindering tot het vervullen van zijn betrekking, recht heeft op een
WAO-conforme uitkering ingevolge artikel 32 WPA, het bedrag van die uitkering
in mindering wordt gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar ingevolge
artikel 7:1 lid 1 van Arbeidsvoorwaardenregeling recht heeft. In artikel 7:1
lid 1 wordt onder andere bepaald dat een ambtenaar die wegens ziekte
verhinderd is zijn betrekking te vervullen, gedurende 18 maanden de volledige
bezoldiging en vervolgens 80% van de bezoldiging geniet.

3.3. Verzoekster is als beleidsmedewerker in dienst bij de wederpartij.
Verzoekster is van 26 augustus 1996 tot en met 15 december 1996 met
zwangerschaps- en bevallingsverlof geweest. Aansluitend heeft zij tot en met
6 januari 1997 vakantie opgenomen. Op 7 januari 1997 heeft zij zich
vervolgens ziek gemeld. Tijdens haar ziekteperiode heeft verzoekster een
aanvraagformulier voor een WAO-conforme uitkering ontvangen. Verzoekster
heeft haar werkzaamheden evenwel volledig hervat alvorens de WAO-conforme
uitkering op haar van toepassing werd.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt het volgende.
Het optellen van de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof,
waardoor zij reeds een ziekteperiode van 16 weken had opgebouwd ten tijde van
haar ziekmelding, veroorzaakt een ongelijke behandeling ten opzichte van
zieke mannelijke collega’s.

Het meetellen van de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof leidt
ertoe dat indien vrouwen zich ziek moeten melden op een tijdstip dat direct
aansluit aan of valt binnen vier weken na einde van het zwangerschaps- en
bevallingsverlof, zij sneller dan mannen in een procedure voor een
WAO-conforme uitkering kunnen raken. Aangezien mannen niet zwanger kunnen
worden, ontstaat zo onderscheid op grond van geslacht.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.
Zij heeft de regelgeving omtrent zwangerschap en ziekte correct toegepast.
Overheidswerkgevers zijn gehouden de wet op te volgen. Mocht de Commissie
concluderen dat hier sprake is van een onderscheid tussen mannen en vrouwen,
dan zal, alvorens de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling kan worden
aangepast, eerst de WAO gewijzigd dienen te worden.

4. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
maakt naar geslacht doordat voor de termijn na afloop waarvan het traject
voor de WAO-conforme uitkering wordt gestart, ook de periode van
zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt meegerekend.

4.2. In dat verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.

Artikel 1a lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
bepaalt dat het bevoegde gezag in de openbare dienst geen onderscheid mag
maken tussen mannen en vrouwen bij de arbeidsvoorwaarden. In artikel 1 WGB is
bepaald dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen wordt verstaan direct
en indirect onderscheid. Onder direct onderscheid wordt mede verstaan
onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap. De WGB maakt
het niet mogelijk rechtvaardigingsgronden aan te voeren voor direct
onderscheid anders dan de in de WGB opgenomen uitzonderingen.

4.3. Conform artikel 12 lid 1 Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) kan de
Commissie op schriftelijk verzoek een onderzoek instellen. Artikel 12 lid 2
onder a AWGB zegt dat een dergelijk verzoek onder meer kan worden ingediend
door degene die meent dat te zijnen nadele een onderscheid is of wordt
gemaakt als bedoeld in deze wet of (onder andere) de WGB.

4.4. Artikel 4c AWGB luidt: “Deze wet laat onverlet onderscheid dat gemaakt
wordt bij of krachtens enige andere wet, welke voorafgaand aan deze wet in
werking is getreden”.

4.5. Alvorens te onderzoeken of er in casu sprake is van een
arbeidsvoorwaarde zoals bedoeld in artikel 1 WGB, stelt de Commissie vast dat
uit het voorafgaande voortvloeit dat de Commissie verzoekster alleen in haar
verzoek kan ontvangen als zij door handelingen van de wederpartij enig nadeel
heeft ondervonden of dreigt te ondervinden.

4.6. Verzoekster voert aan dat de termijnregeling voor de WAO-conforme
uitkering indirect onderscheidend naar vrouwen werkt, omdat
zwangerschapsverlof en bevalling als ziekteperiode worden meegeteld. De
Commissie onderkent dat een regeling als de onderhavige een algemeen belang
van vrouwen betreft. Verzoekster heeft evenwel zelf geen nadeel ondervonden
van de uitvoeringshandelingen door de wederpartij. Zij is immers vanwege de
tijdige hervatting van haar werkzaamheden niet zelf onder de werking van het
desbetreffende onderdeel van de rechtspositionele regeling gevallen. Evenmin
heeft zij schade ondervonden door het feit dat zij haar werkzaamheden voor
het verstrijken van de termijn van een jaar heeft hervat.

Het voorafgaande heeft tot gevolg dat er ten nadele van verzoekster geen
onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in artikel 12 lid 2 onder a AWGB.

4.7. De Commissie is derhalve van oordeel dat verzoekster op grond van
artikel 12 lid 2 onder a AWGB niet ontvankelijk in haar verzoek is.

4.8. Wellicht ten overvloede wijst de Commissie er op dat bovenstaand oordeel
niet inhoudt dat zij de klacht van verzoekster mede op inhoudelijke gronden
afwijst. Door de niet-ontvankelijkheid komt zij evenwel aan een dergelijke
beoordeling niet toe. Evenmin komt de Commissie toe aan de vraag in hoeverre
de wederpartij bij het hanteren van arbeidsvoorwaarden als de onderhavige een
eigen verantwoordelijkheid draagt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat mevrouw (….) te Bodegraven op grond van
artikel 12 lid 2 onder a AWGB in haar verzoek niet ontvankelijk is.

Rechters

Mw. Prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 mei 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft ontslag genomen naar aanleiding van de (voor haar
negatieve) gang van zaken rond haar zwangerschapsverlof en ouderschapsverlof
en de weigering van de wederpartij om in deeltijd te mogen werken. De
Commissie stelt dat ten aanzien van het weigeren van de wens in deeltijd te
werken sprake is van indirect onderscheid naar geslacht aangezien door een
dergelijke weigering meer vrouwen dan mannen worden getroffen. De Commissie
is van mening dat het gehanteerde middel niet noodzakelijk is voor het
bereiken van het doel, het mogelijk maken van een doelmatige verdeling van de
werkzaamheden en dat dan ook geen sprake is van een objectieve
rechtvaardiging. Ten aanzien van het niet in aanmerking laten komen van
verzoekster voor salarisverhoging c.q. een bonus en het niet toewijzen van de
productgroep aan verzoekster concludeert de Commissie dat geen sprake is van
strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1. Op 8 oktober 1997 verzocht mevrouw (….) te Amersfoort (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of
(….) te Naarden (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft
gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster was tot eind september 1997 werkzaam bij de wederpartij als
Product Manager. Zij heeft ontslag genomen naar aanleiding van de (voor haar
negatieve) gang van zaken rond haar zwangerschapsverlof en ouderschapsverlof
en de weigering van de wederpartij om in deeltijd te mogen werken.
Verzoekster stelt dat de wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk nader toegelicht.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 30 maart 1998.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)
– mw. (….) (getuige)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (algemeen directeur)
– dhr. (….) (financieel directeur)
– mw. (….) (personeelsfunctionaris)
– dhr. mr. P.M. van Harreveld (advocaat)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster werkte van 18 januari 1993 tot 21 september 1997 bij de
wederpartij in de functie van Product Manager, voor 40 uur per week. Zij had
een contract voor onbepaalde tijd. De wederpartij is een bedrijf dat zich
beweegt op de markt van de planten- en bloemenverzorging.

In april 1996 werd verzoekster zwanger. Halverwege juli 1996 heeft
verzoekster de wederpartij hiervan op de hoogte gesteld. Volgens verzoekster
reageerde de wederpartij op haar mededeling niet positief. Ook deelde
verzoekster aan de wederpartij mee dat zij na de geboorte van haar kind drie
dagen per week wilde gaan werken in een gewijzigde functieopzet. De
wederpartij ging niet akkoord met dit voorstel. Wél noemde de wederpartij de
mogelijkheid dat verzoekster gedurende een jaar vier dagen per week kon gaan
werken. Hierop gaf verzoekster aan dat zij eerst, gedurende een half jaar,
gebruik wilde maken van het wettelijk recht op onbetaald ouderschapsverlof.
Daarna wilde zij vier dagen per week werken. De wederpartij reageerde
negatief op dit voorstel. In oktober 1996 kreeg verzoekster last van bekken-
instabiliteit waardoor zij genoodzaakt werd 60% te gaan werken. Per 1
november 1996 is een tweede Product Manager in dienst getreden. Op 22
november 1996 diende verzoekster een schriftelijk verzoek in om vóór de
ingangsdatum van haar zwangerschapsverlof het jaarlijkse evaluatiegesprek met
haar te houden. In voornoemd schrijven deelde verzoekster mee dat zij in
ieder geval wilde spreken over de functieomschrijving Product Manager en de
invulling van de werkzaamheden in de periode dat zij wegens ouderschapsverlof
in deeltijd zou werken. De wederpartij heeft het verzoek om een
evaluatiegesprek niet gehonoreerd.

Nadat verzoekster op 7 januari 1997 van een zoon was bevallen hervatte zij
haar werk op 1 april 1997 voor drie dagen per week. Aan verzoekster werd door
haar afdelingschef meegedeeld dat er een derde Product Manager was aangenomen
die halverwege april 1997 in dienst zou treden. Ook zou de Traffic Manager
per
1 januari 1998 (junior) Product Manager worden. Deze medewerker moest door
verzoekster worden ingewerkt en zou haar tijdens de dagen dat zij afwezig was
vervangen. Tot de uitbreiding van de afdeling Marketing was, in de loop van
1996, besloten wegens ontwikkelingen op de afdeling, waaronder groei van het
aantal productgroepen en een meer strategische marketing. Verzoekster kreeg
de verantwoordelijkheid voor de productgroep (….) (gericht op de
professionele markt) en de twee overige Product Managers kregen de
verantwoordelijkheid voor de productgroepen (….) (gericht op de
consumenten). Bij een uitbreiding van het aantal Product Managers was het
logisch een taakverdeling toe te passen. Op basis van de beleidsvrijheid
heeft de wederpartij er voor gekozen om aan verzoekster de productgroep
(….) toe te kennen. Daarbij is rekening gehouden met de ervaring en de
capaciteiten van verzoekster en de andere Product Managers. Verzoekster gaf
aan dat zij het niet eens was met deze verdeling.

Voorts ontving verzoekster een evaluatieformulier waarin een beoordeling werd
gegeven van haar functioneren in 1996.

Op het formulier was bij punt 2. van onderdeel 4.(Samenvatting evaluatie) een
kruisje geplaatst. Bij punt 2. Staat vermeld:
“De taakvervulling voldoet in het algemeen aan de te stellen eisen (“normaal
goed”),”. Op 2 mei 1997 vond een evaluatiegesprek plaats tussen verzoekster,
de algemeen directeur en de afdelingschef. Tijdens dit gesprek werd gesproken
over de wens van verzoekster om vier dagen per week te werken. De wederpartij
bleef bij haar standpunt dat het niet mogelijk was om de functie van Product
Manager in deeltijd te vervullen. Daarnaast deelde de wederpartij aan
verzoekster mee dat zij geen salarisverhoging of bonus zou ontvangen. Op 6
mei 1997 ontving verzoekster een brief van de wederpartij waarin zij
meedeelde dat de functie van Product Manager een fulltime functie is en zij,
gezien de wijzigingen in het takenpakket van de Product Managers, deze
functie ook voor 40 uur per week ingevuld wil zien.

Op 21 juli 1997 heeft verzoekster haar baan schriftelijk opgezegd. In haar
brief staat vermeld dat zij haar baan met ingang van 21 september opzegt in
verband met het feit dat zij vanaf 24 september 1997 weer fulltime moest gaan
werken. Nadat verzoekster haar ontslagbrief had ingediend is zij drie weken
op vakantie gegaan. Toen zij weer met werken moest beginnen kreeg zij
klachten. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster zich, mede op
doktersadvies, gedurende de laatste vijf weken van haar dienstverband ziek
gemeld. Op 27 september 1997 heeft de wederpartij een advertentie geplaatst
voor een nieuwe Product Manager.

Momenteel zijn er bij de wederpartij vier parttime functies, waarvan twee in
het bedrijfsrestaurant, één in de grafische vormgeving en één op de afdeling
Personeelszaken.

Het standpunt van verzoekster

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

De reden voor het nemen van ontslag is dat zij haar functie, na de afloop van
het ouderschapsverlof, niet in deeltijd mocht vervullen. Daarnaast speelde
een rol dat de wederpartij verzoekster, nadat bekend werd dat zij zwanger
was, het haar zeer moeilijk heeft gemaakt goed te functioneren. De
wederpartij heeft het verzoekster kwalijk genomen dat zij (als eerste binnen
de organisatie) gebruik heeft gemaakt van het recht op ouderschapsverlof. In
de brief van verzoekster, waarmede zij haar ontslag indiende, staat onder
meer het volgende vermeld:” (..)
– Na mijn zwangerschapsverlof is mij zonder steekhoudende argumenten te
kennen gegeven dat ik niet in aanmerking kwam voor een salarisverhoging c.q.
bonus, daar waar alle collega’s van mijn afdeling er financieel op vooruit
gingen.
– Ruim voor mijn zwangerschapsverlof heb ik aangegeven om in aanmerking te
komen voor een bepaalde productgroep. Tijdens het genoemde verlof is deze
productgroep echter aan collega Productmanagers toegewezen zonder dat ik daar
ook maar op enigerlei wijze bij betrokken ben geweest. (..)
– Het meest zwaarwegend is het feit dat mijn verzoek aan de directie van
(….) om na te denken over een parttime voortzetting van mijn werkzaamheden
zonder steekhoudende argumenten van tafel is geveegd. (..)”.

Verzoekster is van mening dat zij onrechtmatig is behandeld en
gediscrimineerd op grond van haar geslacht. Zij hoopt middels de uitspraak
van de Commissie bevestigd te krijgen dat zij ongelijk behandeld is en de
wederpartij er min of meer toe te dwingen in de toekomst in haar
personeelsbeleid zorgvuldiger om te gaan met vrouwen.

Het standpunt van de wederpartij

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

Het beleid bij de wederpartij ten aanzien van het werken in deeltijd, is als
volgt. Met name door de betrekkelijk kleine omvang van de organisatie is er
weinig ruimte voor het werken in deeltijd. In principe zijn er bij de
wederpartij alleen fulltime functies. Bij uitzondering en afhankelijk van de
functie kan (op tijdelijke basis) een parttime dienstverband worden
overeengekomen. Voor relatief zware en moeilijk deelbare functies, zoals die
van Product Manager wordt parttime werken niet toegestaan.

Een deeltijdfunctie past niet in de gekozen werkwijze van het Product
Management. Bovendien bestaat het recht op deeltijdwerk in Nederland niet.
Een wetsvoorstel, dat dat mogelijk moest maken, is recentelijk afgewezen. Dit
geeft aan dat het een beslissing van de werkgever is of hij een werknemer
toestaat in deeltijd werkzaamheden te verrichten. In het geval van
verzoekster geldt als uitgangspunt dat een fulltime dienstverband is
aangegaan. Vervolgens heeft de wederpartij gekeken, zoals een goed werkgever
betaamt, of er in dit geval mogelijkheden voor deeltijdwerk waren. Zij kwam
echter tot een voor verzoekster negatieve conclusie.

De wederpartij wijst er op dat de rechter in de meeste gevallen het verzoek
om in deeltijd te mogen werken afwijst. Een dergelijk verzoek wordt dan
gebaseerd op “goed werkgeverschap” en niet op een verboden onderscheid tussen
mannen en vrouwen. De klacht van verzoekster is ongegrond als zelfs door de
rechter wordt geoordeeld, dat de werkgever niet als slecht werkgever handelt
door een werkneemster op haar verzoek geen deeltijdwerk aan te bieden. Indien
de werkgever immers daartoe gerechtigd is, kan toch niet gezegd worden dat
hij discriminerend handelt.

Er is geen sprake van discriminatie op grond van geslacht. Indien een
mannelijk personeelslid in de functie van Product Manager een verzoek om in
deeltijd te mogen werken zou hebben ingediend, dan zou dat eveneens niet zijn
gehonoreerd.

Bij de uitbreiding van het aantal Product Managers was het logisch een
taakverdeling toe te passen. De beslissing om aan verzoekster de productgroep
(….) toe te kennen, is niet gebaseerd op het feit dat verzoekster op dat
moment zwangerschapsverlof c.q. ouderschapsverlof had. Er werd immers vanuit
gegaan dat verzoekster weer fulltime zou gaan werken.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling
door haar
a. niet in deeltijd te laten werken,
b. na haar zwangerschapsverlof niet in aanmerking te laten komen voor
salarisverhoging c.q. een bonus,
c. na haar zwangerschapsverlof niet de productgroep toe te wijzen waaraan zij
de voorkeur gaf.

4.2. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen van
belang.

Ingevolge artikel 7:646 lid 1 Burgerlijke Wetboek (BW) is het verboden
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen in de arbeidsvoorwaarden.

Dit verbod betreft zowel direct als indirect onderscheid. Onder direct
onderscheid wordt mede verstaan onderscheid op grond van zwangerschap,
bevalling en moederschap.

Onder indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht, dat onderscheid op grond van geslacht tot
gevolg heeft (artikel 1 juncto artikel 6 Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen, (hierna: WGB). Indirect onderscheid ontstaat wanneer het nadelig
effect van een maatregel in overwegende mate personen van één geslacht treft,
terwijl daarvoor geen of niet voldoende objectieve rechtvaardigingsgronden
aanwezig zijn (HvJEG, 13 mei 1986, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz,
zaak 170/84; 13 juli 1989, Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebaüdereinigung
GmbH & Co. KG, zaak 171/88.)

Van direct onderscheid naar geslacht is niet alleen sprake wanneer
zwangerschap de enige of doorslaggevende reden was voor een verschil in
behandeling in de arbeidsvoorwaarden, maar tevens indien zwangerschap een rol
heeft gespeeld (Zie onder meer: Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995,
oordeel 95-15 en 13 november 1995, oordeel 95-47.).

Artikel 7:646 lid 1 BW en de artikelen 7 tot en met 9 WGB bepalen voorts dat
een werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen op het punt
van de beloning wanneer zij arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde
verrichten.

4.3. ad a. het niet in deeltijd laten werken van verzoekster

Eerst komt de vraag aan de orde of de wederpartij door verzoekster niet in
deeltijd te laten werken direct of indirect onderscheid op grond van geslacht
heeft gemaakt.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij geen direct onderscheid op grond
van geslacht heeft gemaakt. Daarvan zou immers slechts sprake zijn, indien
aannemelijk is dat de reden voor de weigering van het gevraagde parttime
dienstverband gelegen is in het geslacht van verzoekster, dan wel haar
zwangerschap of moederschap. In de onderhavige zaak lijkt de reden voor de
weigering gelegen te zijn in de wens van de wederpartij dat verzoekster haar
functie in voltijd vervuld.
Deze eis heeft op zich niet direct met geslacht van doen.

Vervolgens is de vraag aan de orde of sprake is van indirect onderscheid.
Het is een feit van algemene bekendheid dat met name vrouwen in deze
maatschappij in deeltijdbanen (willen) werken aangezien zij het betaald werk
veelal combineren met zorgtaken.
Daarnaast blijkt uit “Het Gezinsrapport”, een verkennende studie naar het
gezin in een veranderende samenleving (CPB, November 1997) dat onder vrouwen
met een voltijdbaan de behoefte aan een kortere werkweek groter is dan bij
mannen. Dit rechtvaardigt de conclusie dat het weigeren om in deeltijd te
werken relatief meer vrouwen dan mannen zal treffen, en dat er derhalve
sprake is van indirect onderscheid naar geslacht.

Vervolgens rijst de vraag of dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond wordt verstaan (HvJEG, 31 maart
1981, Jenkins versus Kingsgate, zaak 96/80. JUR 1981. p. 911; HvJEG, 13 mei
1986, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, zaak 170/84; HvJEG, 13 juli
1989, Rinner-Kühn versus
FWW Spezial Gebäudereinigung BmbH & Co. KG. zaak 171/88, JUR 1989, p. 2757.)
– dat aan het nagestreefde doel iedere discriminatie vreemd is,
– de ter bereiking van het doel gekozen middelen dienen te beantwoorden aan
een werkelijke behoefte (van de onderneming) en
– moeten geschikt zijn om dat doel te bereiken en
– daarvoor ook noodzakelijk zijn.

Het doel van de onderhavige voorwaarde is gelegen in het mogelijk maken van
een doelmatige verdeling van de werkzaamheden op de afdeling Marketing. Dit
doel is op zich niet discriminerend.

Het middel in dit geval is het afwijzen van het verzoek om in deeltijd te
mogen werken. De vraag rijst evenwel of dit middel in het onderhavige geval
ook noodzakelijk is. De Commissie is van mening dat de wederpartij
onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen mogelijkheden aanwezig
waren, respectievelijk konden komen, voor het werken in deeltijd in de
functie van Product Manager. Ten eerste overweegt de Commissie dat het aantal
Product Managers in de periode rond het ouderschapsverlof van een naar vier
is uitgebreid. Voorts stelt de Commissie vast dat het mogelijk is gebleken om
verzoekster gedurende een half jaar drie dagen per week in de functie van
Product Manager te laten werken (wegens ouderschapsverlof), al heeft de
wederpartij gewezen op het feit dat hierdoor tijdelijk een extra inspanning
van de andere medewerkers is gevergd die niet permanent van hen gevergd kan
worden. Dit impliceert dat een zekere verdeling van de taken, die eerst tot
de functie van verzoekster behoorden, noodzakelijk was. Bij een permanente
wijziging van de omvang van de aanstelling van verzoekster was ook ruimte
gekomen om extra personeel aan te stellen. De Commissie komt derhalve tot de
conclusie dat het gehanteerde middel niet noodzakelijk is om het doel te
bereiken, waarmede is vastgesteld dat er geen sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte indirecte onderscheid naar geslacht.

4.4. ad b. het niet in aanmerking laten komen van verzoekster voor
salarisverhoging c.q. een bonus

Thans komt de vraag aan de orde of verzoeksters zwangerschap mede een rol
heeft gespeeld bij de beslissing van de wederpartij om verzoekster niet in
aanmerking te laten komen voor salaris-
verhoging c.q. geen bonus te verlenen zodat de wederpartij hierdoor direct
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.

Verzoekster stelt dat de wederpartij tijdens het evaluatiegesprek op 2 mei
1997 aan haar meedeelde dat geen sprake zou zijn van een salarisverhoging
c.q. bonus, in verband met het feit dat zij een hele tijd uit de roulatie was
geweest en had aangegeven weg te zullen gaan.
Tijdens de zitting is gebleken dat het toekennen van salaris-verhogingen en
bonussen bij de wederpartij is gekoppeld aan het functioneren van de
medewerkers. Het niveau van functioneren wordt jaarlijks beoordeeld aan de
hand van een beoordelingssysteem (evaluatieformulieren). Tijdens de zitting
en met name uit het evaluatieformulier van 27 december 1996 is niet gebleken,
dat de zwangerschap van verzoekster een rol heeft gespeeld bij de beslissing
van de wederpartij om verzoekster niet voor een salarisverhoging c.q. een
bonus in aanmerking te laten komen. De Commissie concludeert derhalve dat
niet aannemelijk is dat sprake is van direct onderscheid naar geslacht.

4.5. ad c. het niet toewijzen van de productgroep aan verzoekster
waaraan zij de voorkeur gaf

Voorts komt de vraag aan de orde of verzoeksters zwangerschap dan wel haar
geslacht een rol heeft gespeeld bij de beslissing van de wederpartij (tijdens
het zwangerschapsverlof van verzoekster) om aan verzoekster niet de
productgroep (….) toe te wijzen.

Verzoekster stelt dat zij ruim voor haar zwangerschapsverlof reeds heeft
aangegeven dat zij in aanmerking wilde komen voor de productgroep (….).
Tijdens haar verlof heeft de wederpartij zonder met verzoekster te overleggen
deze productgroep aan een collega Product Manager toegewezen.

De wederpartij heeft tijdens de zitting toegelicht dat er een taakverdeling
moest worden toegepast in verband met de uitbreiding van het aantal Product
Managers. Op basis van haar beleidsvrijheid heeft zij er voor gekozen om aan
verzoekster de productgroep (….) toe te kennen. Daarbij is rekening
gehouden met de ervaring en de capaciteiten van verzoekster en de andere
Product Managers. De beslissing is verder gebaseerd op zaken als bijvoorbeeld
het toekomstpotentieel van de productgroepen en kennis, ervaring en opleiding
van de betreffende Product Managers.
De wederpartij ging er verder vanuit dat verzoekster, na afloop van het
ouderschapsverlof, weer fulltime zou gaan werken.
Gelet op het vorenstaande acht de Commissie het niet aannemelijk dat het
ouderschapsverlof dan wel de zwangerschap van verzoekster een rol hebben
gespeeld bij de beslissing van de wederpartij om de productgroep (….) aan
verzoekster toe te wijzen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Naarden jegens
mevrouw (….) te Amersfoort:
– bij de beslissing om haar niet in deeltijd te laten werken indirect
onderscheid heeft gemaakt naar geslacht als bedoeld in artikel 7:646 lid 1
Burgerlijk Wetboek en derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld;
– bij de beslissing om haar eind 1996 niet in aanmerking te laten komen voor
salarisverhoging c.q. een bonus en bij de beslissing om haar na haar
zwangerschapsverlof niet de productgroep (….) toe te wijzen geen
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 7:646 lid 1
Burgerlijk Wetboek en ten aanzien daarvan derhalve niet in strijd met deze
wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. P.M. van der Sluis(lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen (secretarisKamer)

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 21 mei 1998

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vrouw is binnen de termijn gescheiden. Zij heeft een dochter uit een
eerder huwelijk. Eiseres kan in eigen onderhoud voorzien. De vrouw werd
binnen haar huwelijk ernstig mishandeld. De relatie is verbroken in november
1994. Pas in november 1997 is opgenomen in de Vc dat het in geval van een
beroep op de klemmende redenen van humanitaire aard ook getoetst dient
te worden of er sprake was van (seksueel) geweld binnen het huwelijk dat
heeft geleid tot de feitelijke verbreking van het huwelijk. Toch stelt
de rechter dat het feit dat de mishandeling niet bij de belangenafweging
is betrokken, onzorgvuldig is. Het besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank acht het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit.

Volledige tekst

I. Procesverloop

Eiseres bezit de Poolse nationaliteit en is vreemdeling in de zin van artikel
1 van de VW.

Op 10 juli 1993 is eiseres Nederland ingereisd. Op 27 juli 1993 is eiseres,
mede ten behoeve van haar minderjarige dochter, in het bezit gesteld van
een vergunning tot verblijf onder de beperking “verblijf bij Nederlandse
partner en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende
dat verblijf”. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is laatstelijk
verlengd tot 27 juli 1995. Bij besluit van 6 juni 1995 heeft verweerder,
nadat gebleken was dat de relatie van eiseres met de Nederlandse partner
was verbroken, de verblijfsvergunning onder genoemde beperking ingetrokken
en tevens geoordeeld dat eiseres niet in aanmerking kwam voor voortgezet
verblijf. Het besluit is aan eiseres uitgereikt op 27 juni 1995. Daarbij
is eiseres medegedeeld dat nog aan de hand van de inhoud van een eventueel
bezwaarschrift zal worden beslist of zij de behandeling ervan in Nederland
mag afwachten.

Op 21 juli 1995 is namens eiseres bezwaar gemaakt bij verweerder.

Op 6 mei 1997 is eiseres gehoord door een ambtelijke commissie van het
Ministerie van Justitie. Bij besluit van 14 mei 1997 heeft verweerder het
bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres op 9 juni 1997 bij de rechtbank beroep
ingesteld. Het beroep is op 10 juni 1997 ter griffie ontvangen.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroep de op de zaak
betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter terechtzitting van 25 februari 1998 alwaar
eiseres in persoon is verschenen en zich heeft laten bijstaan door haar
gemachtigde. Verweerder is ter zitting verschenen bij gemachtigde mr. H.M.
Schaak, ambtenaar ten departemente.

II. Overwegingen

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit
van 14 mei 1997, waarbij eiseres voortgezet verblijf is geweigerd, in rechte
stand kan houden.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de VW kan verlening van een vergunning
tot verblijf worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie
hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen -behoudens
verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten- slechts
voor verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te
lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of er sprake is van klemmende
redenen van humanitaire aard.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden
besluit terecht op het standpunt gesteld dat met de voortgezette aanwezigheid
van eiseres hier te lande geen wezenlijk Nederlands belang is gediend.
Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat met de door eiseres
ten tijde van het bestreden besluit verrichte werkzaamheden als schoonmaakster
geen wezenlijk Nederlands belang wordt gediend omdat er immers voor deze
werkzaamheden blijkens het (algemeen) arbeidsmarktadvies van 20 maart 1997
voldoende prioriteit genietend aanbod voorhanden is. De stelling van eiseres
dat er in de praktijk voor dit soort werkzaamheden nauwelijks Nederlanders
te vinden zijn doet daaraan niet af, terwijl overigens deze stelling niet
nader is onderbouwd.

Als uitwerking van de beleidsregel dat op grond van klemmende redenen van
humanitaire aard een vergunning tot verblijf kan worden verleend, hanteert
verweerder voor een aantal categorieën vreemdelingen specifieke criteria.
Eén van de categorieën betreft vreemdelingen die in aanmerking wensen te
komen voor een zelfstandige verblijfstitel nadat hun relatie op grond waarvan
hen verblijf was toegestaan is beëindigd.
Het terzake gevoerde beleid is neergelegd in hoofdstuk B1/4 van de Vreemdelingencirculaire
(Vc) 1994. De rechtbank merkt hierbij op dat waar zij in de onderhavige
uitspraak verwijst naar de Vc 1994 zij doelt op beleid zoals dit gold ten
tijde van het bestreden besluit d.d. 14 mei 1997.

Ingevolge het beleid inzake verblijf na verbreking relatie, neergelegd
in hoofdstuk B1/4.3 van de Vc kan een vreemdeling in aanmerking komen voor
een zelfstandige verblijfstitel, indien de relatie is verbroken drie jaar
of langer nadat op grond van die relatie een vergunning tot verblijf is
verleend.
Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat de relatie van eiseres
nog geen drie jaar bestond op het moment van verbreking van deze relatie
-op 19 november 1994- is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht
op het standpunt heeft gesteld dat eiseres op grond van het terzake genoemde
beleid geen aanspraak kan maken op een zelfstandige verblijfstitel.

Ingevolge hoofdstuk B1/4.2 van de Vc 1994 komt een vreemdeling indien de
relatie, op grond waarvan een afhankelijke verblijfstitel is verleend,
minder dan drie jaar heeft bestaan, in beginsel niet in aanmerking voor
voortgezet verblijf, tenzij er sprake is van overige klemmende redenen
van humanitaire aard.

In hoofdstuk B1/2.4 van de Vc wordt het begrip klemmende redenen van humanitaire
aard ingevuld voor de situatie van alleenstaande gescheiden vrouwen. In
voornoemd hoofdstuk B1/2.4 Vc, dat enkel ziet op partnerrelaties, wordt
de invulling van het begrip klemmende redenen van humanitaire aard in hoofdstuk
B1/2.4 Vc van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit hoofdstuk luidt
als volgt:

“Schrijnende gevallen komen direct na verbreking van het huwelijk in aanmerking
voor zelfstandig voortgezet verblijf om klemmende redenen van humanitaire
aard. Hierbij kan gedacht worden aan een vreemdeling die nauwe banden heeft
met Nederland of in Nederland wonende personen of een vreemdeling wiens
terugkeer naar het land van herkomst redelijkerwijs niet verlangd kan worden.

In het geval dat het gaat om gescheiden vrouwen zal er een belangenafweging
plaatsvinden, waarbij een combinatie van de volgende factoren een rol speelt:
– de situatie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst;
– de maatschappelijke positie van de betrokkene in het land van herkomst;
– de vraag of in het land van herkomst een naar de maatstaven van dat land
aanvaardbaar te achten opvang aanwezig is;
– de zorg die betrokkene heeft voor kinderen die hier te lande zijn geboren
en/of getogen;
– aangetoond (seksueel) geweld binnen het huwelijk, wat heeft geleid tot
de feitelijke verbreking van het huwelijk (dit kan onder meer worden aangetoond
aan de hand van processen-verbaal, medische rapporten, verklaring van opvanghuizen).”

Namens eiseres is – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Nadat eiseres
op 27 juli 1993 mede ten behoeve van haar minderjarige dochter verblijf
had gekregen bij haar Nederlandse ex-partner, verliep het samenwonen aanvankelijk
voorspoedig doch na verloop van tijd veranderde dit in een situatie waarin
eiseres en haar dochter door haar ex-partner fysiek en psychisch mishandeld
werden. De mishandeling bestond onder meer uit een poging tot verkrachting
van eiseres. Op 19 november 1994 hebben eiseres en haar dochter de woning
waar zij gedrieën woonden definitief verlaten en hebben een nieuw bestaan
opgebouwd.
Eiseres beschikt thans over nieuwe huisvesting en heeft voor haar werkzaamheden
als schoonmaakster welke zij reeds gedurende haar verblijf bij haar partner
verrichtte een vast dienstverband voor onbepaalde tijd gekregen. Eiseres
en haar dochter wonen inmiddels bijna vijf jaar in Nederland en zijn geïntegreerd
in de Nederlandse samenleving. De dochter van eiseres spreekt nauwelijks
Pools meer. Zij zit nu op de Mavo. Als zij naar Polen terug zou gaan zou
zij als puber naar de lagere school moeten nu zij nauwelijks meer Pools
spreekt. In Polen zal eiseres zich als alleenstaande vrouw niet kunnen
handhaven. Er is buitengewoon hoge werkloosheid in Polen. Haar beroep als
laborante biedt geen enkele kans op werk. In Polen is geen enkele opvang.
Haar inmiddels zeer oude en ook nog zieke ouders zijn niet in staat om
haar enige opvang te bieden. Eiseres onderhoudt hen gedeeltelijk door geld
te sturen.

Voorts is namens eiseres aangevoerd dat verweerder zowel in haar bestreden
besluit als in het verweerschrift niet is ingegaan op het aspect van de
mishandeling door de ex-partner van eiseres en dat er geen belangenafweging
heeft plaatsgevonden in het kader van het beleid neergelegd in B1/2.4 van
de Vc.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Eiseres heeft, tot aan haar vertrek naar Nederland, 31 jaar in Polen gewoond
en aldaar deelgenomen aan het maatschappelijk leven. Zij heeft er een opleiding
tot laborante gevolgd en gewerkt zodat, mede gelet op haar leeftijd, er
vanuit gegaan mag worden dat zij zich in Polen zelfstandig zal kunnen handhaven.
Ondanks dat eiseres 4 jaar in Nederland heeft gewoond, gewerkt en hier
een bestaan heeft opgebouwd dient er vanuit gegaan te worden dat zij in
Polen geworteld is.
Met betrekking tot de vraag of er voor eiseres in Polen naar de maatstaven
van dat land aanvaardbaar te achten opvang aanwezig is merkt de rechtbank
op dat eiseres weliswaar in Polen geen eigen woning meer ter beschikking
heeft, maar zij kan zich voor onderdak wenden tot haar ouders die in Polen
woonachtig zijn, danwel andere familieleden of kennissen. De positie van
eiseres als alleenstaande vrouw verschilt niet wezenlijk van die van haar
landgenoten aan wie om diezelfde reden evenmin verblijf hier te lande wordt
toegestaan. De dochter van eiseres heeft hier te lande 4 jaar onderwijs
gevolgd en belangrijke jaren van haar leven hier te lande doorgebracht.
Het is echter niet onaannemelijk geworden – alle omstandigheden in samenhang
bezien – dat eiseres en haar dochter de Poolse samenleving zozeer zijn
ontgroeid dat terugkeer naar Polen van hen in redelijkheid niet kan worden
gevergd. De omstandigheid dat de dochter van eiseres de Poolse taal niet
meer machtig zou zijn en mede hierdoor bij terugkeer naar Polen mogelijk
in een achterstandspositie zal komen te verkeren leidt niet tot een andere
conclusie, temeer nu de dochter van eiseres in staat is gebleken zich in
korte tijd de Nederlandse taal eigen te maken en er dus ook vanuit gegaan
mag worden dat zij ook binnen korte tijd weer Pools kan lezen en spreken.

Voorzover namens eiseres is aangevoerd dat verweerder ten onrechte is voorbijgegaan
aan de stelling dat eiseres en haar dochter door de partner van eiseres
zijn mishandeld, stelt de rechtbank vast dat verweerder hierop zowel in
het primaire besluit als in het bestreden besluit inderdaad niet is ingegaan.
Ook in het verweerschrift wordt hieraan geen overweging gewijd, terwijl
namens verweerder ter zitting evenmin is ingegaan op de gestelde mishandeling.
De rechtbank acht de omstandigheid dat deze stelling door verweerder niet
nader is onderzocht en niet bij de belangenafweging is betrokken, onzorgvuldig
en is voorts van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende
is gemotiveerd. De rechtbank acht derhalve het beroep gegrond en zal het
bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel
8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten.
Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht
en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal ƒ 1.420,= voor kosten
van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
*1 punt voor het indienen van een beroepschrift;
*1 punt voor het verschijnen ter zitting;
*waarde per punt ƒ 710,=
*wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de staat der Nederlanden aan eiseres
het door eiseres gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming
van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld
op ƒ 1.420,= en te voldoen aan de griffier.

Rechters

Mr M.C. Franken

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 mei 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker, een vijftienjarige asielzoeker die in een Opvang Centrum verbleef,
liep tijdens het sporten een in tweeën gespleten voortand op. De dienstdoende
tandarts weigerde verzoeker te helpen omdat hij niet begeleid werd door een
medewerker van het Opvang Centrum. De tandarts stelde namelijk deze
voorwaarde van begeleiding aan de behandeling van asielzoekers als er geen
assistente in de praktijk aanwezig was. De tandarts heeft als nadere
verklaring voor de eis van begeleiding aangegeven dat moslims haar Joodse
uiterlijk niet accepteren en dat Afrikaanse mannen haar vrouw-zijn niet
accepteren.
De Commissie stelt eerst vast dat de groep asielzoekers als zodanig, niet
zonder meer valt onder het begrip ras zoals bedoeld in de AWGB. De Commissie
overweegt dat in dit geval door het optreden van de tandarts niet zozeer
asielzoekers in het geheel als groep anders behandeld worden, maar dat in
feite asielzoekers met een bepaalde etnische afkomst anders behandeld worden
dan bijvoorbeeld andere asielzoekers of patiënten van Nederlandse herkomst.
Een ongelijke behandeling van moslims kan zowel plaatsvinden op grond van
religie als op grond van etnische afkomst. De Commissie concludeert dat de
beperkende voorwaarden voor behandeling bedoeld zijn voor moslims die in
Nederland asiel zoeken. Nu deze moslims afkomstig zijn uit een beperkt aantal
gebieden geeft het aspect van nationale of etnische afstamming de doorslag en
is sprake van onderscheid op grond van ras. De groep Afrikanen valt zonder
meer onder het begrip ras als bedoeld in de AWGB.
Dit betekent dat genoemd onderscheid van moslims en Afrikanen een ongelijke
behandeling is op grond van ras.
Doordat aan alle asielzoekers beperkende voorwaarden worden gesteld, is er
tevens sprake van onderscheid op grond van nationaliteit.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 19 augustus 1996 verzocht de heer (….) te Nunspeet (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over
de vraag of mevrouw (….) te Nuenen (hierna: de wederpartij) onderscheid op
grond van ras en/of nationaliteit heeft gemaakt zoals bedoeld in de Algemene
wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker is een vijftienjarige asielzoeker uit Somalië die gedurende
enige tijd in het Opvang Centrum (OC) voor asielzoekers te Eindhoven
verbleef. Verzoeker liep in die tijd door een ongeluk tijdens het sporten een
in tweeën gespleten voortand op. De wederpartij, ten tijde van het ongeval
dienstdoend tandarts, weigerde verzoeker te helpen omdat hij niet begeleid
werd door een medewerker van het OC. Verzoeker is van mening dat de
wederpartij hiermee onderscheid heeft gemaakt naar ras en/of nationaliteit,
in strijd met de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen voor een zitting op 15
september 1997. Op verzoek van de wederpartij is de zitting kort voordat deze
zou plaatsvinden tot nader orde uitgesteld. Dit bericht heeft de gemachtige
van verzoeker niet bereikt en zij is alsnog verschenen. De Commissie heeft de
gemachtigde gehoord en haar verklaring schriftelijk vastgelegd. Vervolgens is
de wederpartij uitgenodigd voor een zitting op 30 september 1996. Aangezien
zij verhinderd was te verschijnen heeft zij na overleg met de Commissie
schriftelijk gereageerd op de verklaring aan de wederpartij. Vervolgens heeft
de Commissie het onderzoek afgesloten.

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie in de volgende
samenstelling:
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. In december 1995 verbleef verzoeker, een vijftienjarige asielzoeker uit
Somalië in het OC te Eindhoven. Op 7 december 1995 omstreeks 15.30 uur liep
verzoeker door een ongeluk tijdens het sporten een in tweeën gespleten
voortand op.

3.2. Verzoeker heeft een getuigenverklaring overgelegd van de arts Medische
Opvang. Deze arts trachtte in eerste instantie tevergeefs contact op te nemen
met de wederpartij, de dienstdoend tandarts. De telefoon van de wederpartij
was doorgeschakeld naar een apotheek. De apotheek kon de wederpartij echter
niet bereiken. Toen de arts nogmaals de apotheek belde, nam de wederpartij
even later telefonisch contact met hem op. Tijdens dat telefoongesprek
vertelde de wederpartij aan de arts dat zij wegens redenen van persoonlijke
aard niet in staat was verzoeker te helpen.

3.3. Verzoeker ging vervolgens naar een andere tandarts. Deze stuurde hem
echter terug omdat de praktijk gesloten was en hij geen dienst had voor de
bewoners van het OC. Na telefonisch overleg met deze tandarts is verzoeker
alsnog omstreeks 21.00 uur door hem behandeld.

3.4. De directeur van het OC heeft hierop op 14 december 1995 een klacht bij
de wederpartij ingediend met een afschrift aan het bestuur van de Eindhovense
Tandartsen Vereniging. Tussen deze vereniging en OC Eindhoven, bestaat een
regeling in het kader waarvan de in het OC verblijvende asielzoekers door
leden van de vereniging dienen te worden behandeld.

3.5. Laatstgenoemd bestuur heeft vervolgens de brief van de directeur van het
OC aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) toegezonden. De inspecteur
heeft op 3 juli 1996 zijn oordeel aan de wederpartij toegezonden. De
inspecteur acht het onjuist dat de wederpartij een patiënt heeft verwezen
naar een collega, zonder dat zij met deze collega had overlegd en zonder zich
ervan te verzekeren dat de collega de patiënt zou behandelen.

3.6. Medio 1996 is een andere regeling voor tandheelkundige behandeling van
asielzoekers overeengekomen tussen de Eindhovense Tandartsen Vereniging en
het OC. Voortaan behandelen bepaalde tandartsen de asielzoekers ter plaatse
in het OC.

3.7. Door verzoeker is tevens een klacht bij het College voor Medisch
Tuchtrecht te Eindhoven aanhangig gemaakt. De conclusies van partijen en de
uitspraak van het College zijn aan de Commissie overgelegd. Het College heeft
de klacht van verzoeker op 27 oktober 1997 ongegrond verklaard.
Daarbij heeft het College overwogen dat niet vast is komen te staan wat de
precieze inhoud van de afspraken is geweest tussen de Eindhovense
Tandartsenvereniging, het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers, OC Eindhoven
en de wederpartij omtrent de mate waarin en de wijze waarop door de
wederpartij tandheelkundige zorg binnen haar weekdienst zou worden verleend.
Het College oordeelt dat derhalve niet aannemelijk is geworden dat op 7
december 1995 op de wederpartij de plicht rustte om het zich ten opzichte van
verzoeker voordoende spoedgeval te behandelen. Evenmin kon dus worden
vastgesteld dat de wederpartij haar plicht heeft verzaakt door verzoeker niet
van tandheelkundige hulp te voorzien. Het College oordeelt dat ook niet is
komen vast te staan dat de wederpartij de schijn opgewekt zou hebben dat zij
haar dienst aan een collega had overgedragen. Aangezien de klacht ongegrond
is verklaard is het college niet ingegaan op de klacht dat die gedragingen
tevens een discriminatoir karakter hadden.

De standpunten van partijen

Verzoeker stelt het volgende.

3.8. Verzoeker had erg veel pijn en de wond bloedde hevig. Hoewel de
wederpartij de dienstdoende tandarts was, was zij aanvankelijk niet
bereikbaar. In tweede instantie gaf zij te kennen verzoeker om redenen van
persoonlijke aard niet te kunnen helpen. De wederpartij wekte bij de arts
Medische Opvang de indruk dat zij haar dienst had overgedragen aan een andere
tandarts. Verzoeker heeft vijfeneenhalf uur vreselijk pijn geleden door het
feit dat de wederpartij hem niet wilde helpen.
3.9. Verzoeker heeft als bijlage 3 bij het verzoek aan de Commissie een
verklaring overgelegd van de directie van het OC Eindhoven. Daarin wordt
onder meer aangegeven dat er op 4 december [1995] een bijeenkomst is geweest
met de wederpartij. Zij heeft daarbij aangegeven in het verleden een slechte
ervaring te hebben gehad, waardoor het haar niet gemakkelijk valt
asielzoekers te behandelen. Zij had verwacht dat er begeleiding met cliënten
mee zou komen. Zij heeft moeite met het feit dat moslims haar joodse
uiterlijk niet accepteren, en dat Afrikaanse mannen haar vrouw-zijn niet
accepteren.

3.10. De gemachtigde van verzoeker geeft ter zitting aan dat zij betwijfelt
of de ervaring van de wederpartij kan leiden tot het vereiste dat zij stelt.
De wederpartij is immers slechts bereid tot behandeling van asielzoekers als
deze begeleid worden. Asielzoekers zijn niet per se gevaarlijker dan andere
mensen. Het enkele feit dat enkele asielzoekers zich een keer misdragen
zouden hebben, legitimeert niet dat de wederpartij alle asielzoekers afwijst.
Hiermee discrimineert zij in feite alle asielzoekers en maakt zij als
tandarts onderscheid tussen mensen op grond van hun verblijsstatus c.q. ras.

De wederpartij stelt het volgende.

3.11. De wederpartij heeft direct noch indirect onderscheid gemaakt op de in
de AWGB genoemde discriminatiegronden.
De wederpartij heeft het OC-Eindhoven tijdens een overleg op 4 december 1995
laten weten dat zij bereid is tot behandeling van asielzoekers op voorwaarde
dat deze begeleid zouden worden door een medewerker van het OC. Achtergrond
van deze mededeling vormen de traumatische ervaringen met asielzoekers van de
wederpartij in het verleden. Zij is in verband hiermee in het verleden onder
behandeling geweest van een psycholoog. Daarbij kwam dat de wederpartij op 1
december 1995 wederom in een bedreigende situatie is geraakt toen zij
trachtte een viertal asielzoekers te behandelen die zonder begeleiding naar
haar praktijk waren gestuurd. De wederpartij heeft zich toen genoodzaakt
gevoeld bij de politie aangifte te doen wegens bedreiging.

3.12. De wederpartij heeft in het onderhavige geval niet geweigerd de
betrokken asielzoeker te behandelen, maar als voorwaarde gesteld dat hij
begeleid zou worden. Het OC is weigerachtig geweest de betrokken asielzoeker
bij een bezoek aan de wederpartij te begeleiden.

3.13. Bij de wederpartij bestaat de indruk dat veel asielzoekers, vanuit hun
culturele achtergrond, grote moeite hebben met behandeling door een
vrouwelijke tandarts. Velen van hen zijn getraumatiseerd hetgeen meebrengt
dat, nog afgezien van de taalkundige problematiek, het vaak niet goed
mogelijk is met hen te communiceren. De wederpartij acht zich taalkundig en
sociaal niet geëquipeerd tot behandeling van een dergelijke categorie
patiënten. Voorts laat haar praktijk het niet toe dat daartoe speciale
aanpassingen worden gepleegd.

3.14. De wederpartij heeft stellig niet de indruk gewekt dat zij haar dienst
zou hebben overgedragen aan een collega. Zij heeft de arts Medische Opvang
meegedeeld dat haar collega na 18.00 uur beschikbaar was en hem geadviseerd
verzoeker een pijnstiller te geven om de tijd tussen het telefonisch
onderhoud en de behandeling door de collega te overbruggen.

3.15. De wederpartij wilde slechts, gelet op haar traumatische ervaringen,
veiligheidsmaatregelen in acht nemen die gelet op de ernst van de ervaringen
redelijk en begrijpelijk zijn. De wederpartij acht de klacht van verzoeker
dan ook onterecht en is van mening niet in strijd te hebben gehandeld met de
AWGB.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
heeft gemaakt op grond van ras en/of nationaliteit als bedoeld in de Algemene
wet gelijke behandeling.

Artikel 7 lid 1 onder a AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1 AWGB, het
maken van onderscheid naar ras en nationaliteit onder meer bij het aanbieden
van diensten in de uitoefening van een beroep.
Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras en nationaliteit.

Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.).
Het begrip nationaliteit in de AWGB dient te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van feitelijke woon- of
verblijfplaats. (Handelingen Eerste Kamer, 22 januari 1994, blz. 1086.)

4.2. Partijen spreken elkaar tegen over de feitelijke gang van zaken en over
de interpretatie die aan het handelen van de wederpartij moet worden gegeven.
Een en ander is voor het College voor Medisch Tuchtrecht aanleiding geweest,
over hetzelfde feitencomplex, getuigen te horen. De getuigenverklaringen
bleken evenwel te beperkt of te vaag en onzeker ten opzichte van de gestelde
gebeurtenissen. De Commissie acht het derhalve niet zinvol om ook zelf de
getuigen te horen. Het College heeft de klacht van verzoeker ongegrond
verklaard.
Het oordeel van het College verhindert echter niet dat de Commissie zich een
eigen oordeel over het voorgevallene vormt.
Het College heeft immers op grond van het medisch tuchtrecht de vraag
beoordeeld of er sprake is van handelingen die het vertrouwen in de stand der
geneeskunde c.q. de stand der tandartsen ondermijnen en/of van nalatigheid
waardoor voor klager ernstige schade is ontstaan. In dit verband is
onderzocht of de wederpartij haar plicht heeft verzaakt om verzoeker van
tandheelkundige hulp te voorzien en de vraag of de wederpartij de schijn
heeft gewekt dat zij haar dienst van 7 december 1995 had overgedragen aan een
andere tandarts.

De Commissie dient zich evenwel uit te laten over de vraag in bredere zin of
de wederpartij bij de aanbieding van haar diensten jegens verzoeker
onderscheid heeft gemaakt als verboden in de AWGB.

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van discriminatoir handelen
is voor de Commissie – anders dan bij het College in dit geval- de inhoud van
de afspraken van de wederpartij met genoemde derden niet doorslaggevend. Bij
de beoordeling door de Commissie van deze vraag behoort immers ook de wijze
waarop de wederpartij haar diensten meer in het algemeen aanbiedt. Uit de
bewoordingen van artikel 7 AWGB en de totstandkomingsgeschiedenis van deze
wet blijkt immers dat er geen direct verband behoeft te bestaan tussen het
aanbieden van diensten enerzijds en het sluiten, uitvoeren of beëindigen van
overeenkomsten terzake anderzijds (Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22
014, nr. 5, blz. 87.).
Het betreft hier van elkaar te onderscheiden handelingen. Zowel bij het
aanbieden als bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten kan
onderscheid in de zin van de AWGB worden gemaakt.

4.3. De vraag die derhalve voorligt is of de wederpartij bij het aanbieden
van tandheelkundige diensten ten behoeve van asielzoekers c.q. bewoners van
een opvangcentrum (hierna: asielzoekers), onderscheid maakt naar ras en/of
nationaliteit als verboden in de AWGB.

4.4. De Commissie zal allereerst nagaan of er sprake is van onderscheid op
grond van ras als onder paragraaf 4.1. beschreven. Dit is enerzijds
afhankelijk van de feitelijke gang van zaken. Anderzijds dient voorafgaand te
worden bezien of er sprake is van een eventuele ongelijke behandeling van een
groep personen welke kan worden aangemerkt als onderscheid op grond van ras
in de zin van de AWGB.

De Commissie is van oordeel dat de groep asielzoekers als zodanig, niet
zonder meer valt onder het begrip ras zoals bedoeld in artikel 1 AWGB. Er is
immers geen sprake van een coherente groep met collectieve fysieke, etnische,
geografische of culturele kenmerken. Evenmin onderscheiden asielzoekers zich
van andere bevolkingsgroepen door gemeenschappelijke kenmerken of
gedragspatronen.

Bovenstaande betekent evenwel niet dat de wederpartij met de handelingen
waarover in casu wordt geklaagd geen onderscheid op grond van ras in de zin
van de AWGB kan hebben gemaakt.

Van onderscheid op grond van ras in de zin van de AWGB kan ook sprake zijn
als de wederpartij door haar optreden niet zozeer asielzoekers als groep in
zijn geheel anders behandelt, maar in feite asielzoekers met bepaalde
etnische afkomst anders behandelt (in negatieve zin) dan bijvoorbeeld andere
asielzoekers of patiënten van Nederlandse herkomst.

In de onderhavige zaak staat vast dat de wederpartij slechts bereid was
asielzoekers te behandelen als zij werden begeleid of als de behandeling
plaats kon vinden in een situatie waarbij er een vorm van toezicht was
(aanwezigheid van een assistente). De Commissie stelt derhalve vast dat er
sprake is van beperkende voorwaarden voor behandeling van deze groep van
personen.
De wederpartij heeft als verweer aangevoerd dat zij haar niet bekende
Nederlanders ook uitsluitend in het bijzijn van een assistente behandelt. Dit
verweer is niet steekhoudend. De wederpartij heeft immers daarbij niet als
voorwaarde voor het aanbieden van haar tandheelkundige diensten gesteld dat
ook haar onbekende Nederlanders, buiten haar spreekuur om, slechts onder
begeleiding behandeld kunnen worden.

Door de wederpartij wordt het verweer gevoerd – conform haar verweerschrift
aan het Medisch Tuchtcollege – dat zij zich getraumatiseerd voelt door
vervelende ervaringen met asielzoekers. Daarbij wordt gesteld dat bij haar de
indruk bestaat dat veel asielzoekers vanuit hun culturele achtergrond grote
moeite hebben met behandeling door een vrouwelijke tandarts.

Zij acht zich taalkundig en ook sociaal niet geëquipeerd tot behandeling van
een dergelijke – veelal getraumatiseerde – categorie patiënten.
Uit de aan de Commissie overgelegde verklaring van de directie van het OC
blijkt dat de wederpartij als nadere verklaring voor haar voorwaarde dat
asielzoekers begeleid moeten worden aangeeft dat moslims haar joodse
uiterlijk niet accepteren en dat Afrikaanse mannen haar vrouw-zijn niet
accepteren. Deze stelling is door de wederpartij niet betwist.

Een ongelijke behandeling van moslims kan zowel plaatsvinden op grond van
religie als op grond van etnische afkomst. De beperkende voorwaarden voor
behandeling zijn bedoeld voor moslims die in Nederland asiel zoeken. Deze
zijn afkomstig uit een beperkt aantal gebieden. Daardoor geeft het aspect van
nationale of etnische afstamming de doorslag. De groep Afrikanen valt zonder
meer onder het begrip ras als bedoeld in de AWGB. Dat betekent dat genoemd
onderscheid van moslims en Afrikanen een ongelijke behandeling is op grond
van ras.

4.5. Aangezien de wederpartij niet kan selecteren welke individuele
asielzoekers zij slechts onder begeleiding wenst te behandelen worden aan
alle asielzoekers beperkende voorwaarden voor de behandeling gesteld.
Hierdoor wordt door de wederpartij tevens onderscheid op grond van
nationaliteit gemaakt om de navolgende redenen.

Bewoners van een opvangcentrum zijn veelal nog verwikkeld in een
asielprocedure en zijn dus niet in het bezit van het Nederlanderschap.
Mogelijk is evenwel dat zij na de asielprocedure nog in het opvangcentrum
verblijven in afwachting van doorstroom naar een andere Nederlandse gemeente.
Ook in dat geval voldoen zij normaal gesproken niet aan het
verblijfsduurvereiste van de Rijkswet op het Nederlanderschap. (19 december
1984, Stb. 628.) Uitgangspunt is daarom dat bewoners van een opvangcentrum
niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit zijn. Het stellen van
bepaalde voorwaarden aan bepaalde groepen bewoners van een opvangcentrum die
aan Nederlanders niet worden gesteld komt zodoende neer op onderscheid tussen
Nederlanders en niet-Nederlanders. Dit onderscheid is derhalve tevens aan te
merken als onderscheid op grond van nationaliteit.

4.6. Zoals gezegd wordt door de wederpartij met betrekking tot de ongelijke
behandeling in kwestie het verweer gevoerd dat zij zich getraumatiseerd voelt
door vervelende ervaringen met asielzoekers in het verleden. De AWGB kent
evenwel in geval van direct onderscheid een beperkte mogelijkheid van
uitzondering op het wettelijk verbod. De uitzonderingen moeten uitdrukkelijk
zijn voorzien in de Wet of het daarbij behorende besluit. Is dit laatste niet
het geval dan geldt onverkort het verbod van onderscheid.
De wetgever heeft geen ruimte gelaten voor uitzonderingen op het
gelijkheidsbeginsel op grond van ras en nationaliteit, als aangevoerd door de
wederpartij in haar verweer. Zij dient dan ook voor een ieder op
gelijkwaardige wijze in tandheelkundige behandeling te voorzien. De Commissie
kan begrijpen dat persoonlijke traumatische ervaringen de zienswijze en
handelingen van personen beïnvloeden. Dit mag er echter niet toe leiden dat
aan groepen van personen schijnbaar collectieve eigenschappen (in negatieve
zin) worden toegerekend.

4.7. Een en ander overziend komt de Commissie tot de conclusie dat de
wederpartij door haar handelen bij het aanbieden van haar tandheelkundige
diensten zowel onderscheid maakt op grond van ras als onderscheid op grond
van nationaliteit.

Nu verzoeker vanwege de eerdergenoemde beperkende voorwaarden voor
behandeling pas enige uren na het ongeval tandheelkundige hulp is verleend,
werd ook jegens hem onderscheid op grond van ras en nationaliteit gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat mevrouw (….) te Nuenen vanwege de
beperkende voorwaarde bij het aanbieden van tandheelkundige diensten jegens
de heer (….) te Nunspeet verboden onderscheid op grond van ras en/of
nationaliteit heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a in
samenhang met artikel 1 van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. dr. L. Mulder (lidKamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. I.M. Hidding(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 mei 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster meent dat het FWG-systeem indirect onderscheid maakt op grond van
geslacht, omdat door de toepassing van het systeem functies waarin met name
vrouwen werkzaam zijn, lager worden gewaardeerd dan functies waarin met name
mannen werkzaam zijn. Het verzoek wordt ondersteund met het rapport van C.
Van den Herik en U. Janssen, Functiewaardering en sekseonderscheid in de
gezondheidszorg in opdracht van de AbvaKabo (1991). De Commissie
besluit op grond van artikelen 12 en 13 AWGB eigen onderzoek in te stellen.
Op basis van de verkregen resultaten, oordeelt de commissie dat het systeem
niet voldoet aan de criteria doorzichtigheid, het evenredig voorkomen van
mannen- en vrouwenkenmerken, objectiviteit, verhouding tot de vereiste
inspanning en gelijkwaardige benadering van wegingsmogelijkheden van mannen
en vrouwenkenmerken. Op grond hiervan is het FWG-systeem geen deugdelijk
stelsel als bedoeld in artikel 8 WGB, hetgeen tot gevolg heeft dat toepassing
van het systeem kan leiden tot onderscheid op grond van geslacht in strijd
met de (A)WGB.

Volledige tekst


5.5. De Commissie beveelt aan over te gaan tot het verwijderen van alle
seksespecifieke aanduidingen in de toelichtingen en referenties in het
FWG-systeem.

5.6. De Commissie beveelt aan over te gaan tot een analyse van de referenties
in het FWG-Handboek en om minimaal over te gaan tot het noemen van
voorbeelden van vrouwenfuncties op alle scoreniveaus, zodra sprake is van
voorkomende functiekenmerken.
De Commissie acht het evenwel verstandiger over te stappen op het noemen van
onderdelen van de taakuitoefening (activiteiten of verantwoordelijkheden) van
bepaalde functies, waarbij een directe koppeling gemaakt wordt met de
voorbeeldfuncties in het referentiebestand.

5.7. De Commissie beveelt aan over te gaan tot het opstellen van een door
deskundigen onder verantwoordelijkheid van de systeemhouder opgesteld en
centraal beheerd referentiebestand.
Dit referentiebestand dient te bestaan uit een representatieve set met
consistent beschreven en gewaardeerde referentiefuncties.

5.8. Daarnaast kunnen, uit efficiency-overwegingen, voor de instellingen in
de gezondheidszorg functieboeken worden opgesteld, die gebaseerd zijn op en
verwijzen naar de beschrijvingen en waarderingen van deze referentiefuncties.
De functie- en niveautyperingen in deze functieboeken dienen naar
verschillende hoofdkenmerken of gezichtspunten te verwijzen, zodat een
analytische vorm van beredeneerd vergelijken kan plaatsvinden.

5.9. De Commissie beveelt aan over te gaan tot het leggen van een directe
koppeling tussen het referentiebestand en de in het
FWG-Handboek genoemde voorbeeldfuncties, dan wel onderdelen van
taakuitoefening van bepaalde functies.

5.10. De Commissie beveelt aan bij het opstellen van functiebeschrijvingen
ten behoeve van het referentiebestand af te stappen van het opstellen van de
functiebeschrijving door de functiehouder zelf.

5.11. De Commissie beveelt aan over te gaan tot aanpassing van de referenties
met betrekking tot de scoreniveaus. Ook op de hogere C- en D-scoreniveaus
moet duidelijk gemaakt worden dat in een aantal situaties ook lagere
vrouwenfuncties deze scoringsmogelijkheden hebben. Dit is in het bijzonder
ten aanzien van het gezichtspunt Sociaal gedrag noodzakelijk.

5.12. De Commissie beveelt aan meer aandacht te besteden aan de overgang
tussen twee elkaar opvolgende scoreniveau’s. De grenzen van overgang naar
naastgelegen scoreniveau’s dienen zo nauwkeurig mogelijk omschreven te zijn,
zodat een eenduidige waardering wordt bevorderd.

5.13. De Commissie beveelt aan geheel af te stappen van het instrument van
scorebeperking.

5.14. De Commissie beveelt aan geheel af te stappen van het toekennen van
minimale A-scores.

5.15. De Commissie beveelt aan minimaal over te gaan tot het verwijderen van
de geconstateerde correlaties op de FWG-aspecten bij de gezichtspunten
Kennis, Zelfstandigheid, Sociaal gedrag en Risico’s, Verantwoordelijkheid en
Invloed, Zwaarte van het werk en Inspannende houding en eenzijdige beweging.
Het uitgangspunt dat iedere activiteit in principe moet kunnen scoren
afhankelijk van het daadwerkelijk voorkomen ervan is vanuit het oogpunt van
gelijke behandeling het meest wenselijke.

5.16. De Commissie beveelt aan minimaal over te gaan tot het voorkomen van
dubbel scoren op de gezichtspunten Zelfstandigheid, Sociaal gedrag en
Uitdrukkingsvaardigheid.

5.17. De Commissie beveelt aan over te gaan tot een beschrijving van de
uitgangspunten met betrekking tot het waarderen van leidinggeven in het
FWG-Handboek. Daarbij dient het algemene uitgangspunt te worden verlaten dat
de scores van leidinggevende taakelementen toenemen naarmate de omvang en
complexiteit van het organisatiedeel waaraan leiding wordt gegeven toeneemt.
Daarbij verdient het naar het inzicht van de Commissie aanbeveling
leidinggeven te waarderen door middel van het introduceren van een aantal
daartoe duidelijk bedoelde
FWG-aspecten en dient het ‘bij elkaar sprokkelen’ van puntentoekenningen op
een veelheid van FWG-aspecten die niet het leidinggeven, maar het uitoefenen
van een bepaald taakonderdeel waarderen, te worden vermeden, voorzover
leidinggeven daarbij niet als bijzondere wegingsfactor kan gelden.
De FWG-aspecten waarbij het scoren op basis van leidinggeven voorkomt, zouden
dienen te worden aangepast naar scoren op basis van de mate waarin de
desbetreffende activiteit daadwerkelijk onderdeel uitmaakt van de
desbetreffende functie. Het gaat daarbij in het bijzonder om de FWG-aspecten
I-2, I-3, I-5, I-11, I-12, II-2, II-7, II-11, II-12, III-1, III-3, III-8,
III-17, IV-3, VII-1 en VII-4.

5.18. Wanneer sociale partners op basis van arbeidsmarktgegevens van mening
zijn dat leidinggevende functies een hogere marktwaarde vertegenwoordigen,
verdient het aanbeveling dit buiten de waarderingsresultaten van het
FWG-systeem zichtbaar te maken in een hogere salariëring. De Commissie
onderschrijft het uitgangspunt van de wederpartij dat de te waarderen
activiteit centraal staat bij functiewaardering. Daarbij past niet dat
impliciete weegfactoren in verband met arbeidsmarktinvloeden in de waardering
zelf worden betrokken. Daarbij ligt het op de weg van sociale partners om aan
te tonen dat ook daadwerkelijk sprake is van een verschil in marktwaarde dat
een beloningsverschil rechtvaardigt.

5.19. Ten aanzien van de functiebeschrijvingen van de onderzoeksfuncties
beveelt de Commissie aan dat meer aandacht wordt geschonken aan een
objectieve beschrijving van alle voorkomende vormen van leidinggeven, ook de
indirecte vormen ervan.

5.20. De Commissie beveelt aan te onderzoeken hoe elementen van zorgfuncties
vollediger te waarderen zijn onder de FWG-aspecten.

5.21. De Commissie beveelt aan over te gaan tot een aanpassing van die
FWG-aspecten waarbij is gebleken dat elementen van zorgfuncties ten onrechte
worden uitgesloten dan wel niet of onvoldoende kunnen scoren.
Het gaat in het bijzonder om de FWG-aspecten I-2, I-3, I-5, I-11, I-12, II-2,
II-7, II-11, II-12, III-1, III-3, III-5, III-7,
III-8, III-17, IV-3, VII-2, VII-3, VII-4, IX-2, XI-1 en XI-3.
Daarbij verdient het aanbeveling te onderzoeken of toevoeging van
FWG-aspect(en) gewenst is die met name de elementen van zorgfuncties
waarderen. Daarbij dient met name aandacht te worden geschonken aan de
werkomstandigheden die specifiek te maken hebben met zorgfuncties, de
mogelijk voorkomende complexiteit van zorgsituaties, de psychische belasting
van zorgfuncties, ook in alledaagse taakuitoefening, en de vereiste
zelfstandigheid in verpleegkundige- en verzorgende functies.

5.22. Daarnaast raadt de Commissie aan de impliciete normen ten aanzien van
vrouwenaspecten te heroverwegen.
Daarbij dient er minimaal op gelet te worden dat lagere functies niet
automatisch worden gekoppeld aan de lagere scoreniveau’s.

5.23. De Commissie beveelt aan dat de hierboven gegeven aanbevelingen worden
betrokken bij de herziening van het FWG-systeem ten behoeve van de
totstandkoming van het FWG-II systeem.

5.24. De Commissie geeft de sociale partners in het kader van het ontwerpen
van het FWG-II ook in overweging de tot nu toe gebruikelijke opvattingen ten
aanzien van de puntentoekenning aan een nader onderzoek te onderwerpen, ten
einde na te gaan of de achterliggende argumentatie ten aanzien van de
onderlinge verhoudingen tussen de per scoringsniveau toe te kennen
puntentotalen nog steeds verdedigbaar is.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

6.1. De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het in het
FWG-Handboek neergelegde deel van het functiewaarderingssysteem
Functiewaardering Gezondheidszorg van de Nederlandse Zorgfederatie te Utrecht
geen deugdelijk stelsel van functiewaardering als bedoeld in artikel 8 Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen is, hetgeen tot gevolg heeft dat
toepassing van het FWG-systeem kan leiden tot onderscheid op grond van
geslacht in strijd met de artikelen 7A:1637ij en 7:646 Burgerlijk wetboek en
met ingang van 1 september 1994 artikel
5 Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 mei 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft bij de wederpartij (een uitzendbureau) gesolliciteerd naar
de functie van administratief medewerker bij een woningstichting. Verzoekster
stelt dat haar tijdens het sollicitatiegesprek werd meegedeeld dat de
woningstichting liever geen Turks meisje in dienst wilde nemen. Zij is door
de wederpartij niet voor de functie voorgedragen. Verzoekster stelt dat de
wederpartij daarmee onderscheid naar ras heeft gemaakt.
De Commissie acht het aannemelijk dat verzoekster is afgewezen, omdat zij
niet aan de functie-eisen voldeed. Nu ook overigens geen aanwijzingen naar
voren zijn gekomen die duiden op onderscheid naar ras, is de Commissie van
oordeel dat de wederpartij niet in strijd met de AWGB heeft gehandeld.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 1 juli 1997 verzocht mevrouw (….) te Hoorn (hierna: verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of
(….) te Diemen (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid naar ras
heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
administratief medewerker bij een woningstichting. Verzoekster stelt dat haar
tijdens het sollicitatiegesprek werd meegedeeld dat de woningstichting liever
geen Turks meisje in dienst wilde nemen. Zij is door de wederpartij niet voor
de functie voorgedragen. Verzoekster is van mening dat de wederpartij daarmee
onderscheid naar ras heeft gemaakt als bedoeld in de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op 7 april 1998. De
Commissie heeft een getuige opgeroepen.

Bij deze zitting waren aanwezig

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)
– dhr. R. Hovel (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (manager Arbeidszaken/Juridische zaken)
– dhr. (….) (hoofd verhuur bewonerszaken Woningstichting Hoorn)
– mw. mr. J.M. Caro (gemachtigde)

als getuige
– mw. (….) (intercedente bij de wederpartij)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een uitzendbureau. De vestiging Medemblik van de
wederpartij heeft in het Noordhollands Dagblad van 8 maart 1997 melding
gemaakt van een vacature voor administratief medewerker bij een
woningstichting in Hoorn.
In de advertentie stonden de volgende functievereisten:
– bekendheid met loongegevens;
– communicatieve vaardigheden.

De werkzaamheden voor de onderhavige functie betroffen het invullen van
aanvraagformulieren voor huursubsidie. Er werden drie kandidaten gezocht
waarvan twee samen met medewerkers van de woningstichting op een locatie in
een bepaalde wijk formulieren voor huursubsidie dienden in te vullen. Eén
kandidaat werd gezocht voor het invoeren van deze gegevens in de computer.
Het betrof een functie voor de duur van twee a drie maanden.

In de zogenoemde aanvraagnotering van de wederpartij voor de vacature zijn de
volgende functie-eisen genoemd:
– M.B.O.-opleiding en/of
– ervaring en bekendheid met loonopbouw en loongegevens;
– goede communicatieve vaardigheden;
– stressbestendigheid;
– representativiteit.

3.2. Verzoekster beschikt blijkens haar curriculum vitae (c.v.) over de
volgende opleiding en ervaring. Ze heeft een L.B.O./V.B.O.-opleiding gevolgd,
welke ze zonder diploma heeft afgesloten. Daarnaast heeft zij een cursus
administratie, op M.B.O.-niveau, van drie maanden gevolgd. Hiervan beschikt
zij over het certificaat. Verzoekster liep gedurende vier weken stage bij de
administratie van een verpleeghuis. Sinds december 1996 is zij werkzaam als
administratief medewerkster c.q. receptioniste/ telefoniste bij de Stichting
Rentree.

3.3. Op 11 maart 1997 heeft verzoekster telefonisch gereageerd op een
advertentie van de wederpartij. Bij dit oriënterend telefoongesprek is
verzoekster door de wederpartij uitgenodigd voor een inschrijfgesprek op 12
maart 1997. Verzoekster werd niet aangenomen voor de functie en stelt dat de
afwijzing verband houdt met haar Turkse afkomst.

Verzoekster heeft naar aanleiding hiervan contact opgenomen met het
arbeidsbureau, waarna een gesprek heeft plaatsgevonden. Daarbij waren
aanwezig: verzoekster, de intercedente, twee medewerkers van de
woningstichting en twee medewerkers van het arbeidsbureau. Verzoekster was
niet tevreden met de uitkomst van het gesprek en heeft op advies van het
arbeidsbureau contact opgenomen met het Antidiscriminatieburo (ADB). Het ADB
heeft op 21 april 1997 een gesprek gevoerd met de intercedente en de
gemachtigde van de wederpartij. Op 24 april heeft het ADB een gesprek gevoerd
met de woningstichting. Deze gesprekken hebben niet tot een oplossing geleid.

3.4. Uit de door de wederpartij overgelegde c.v.’s blijkt dat de drie vacante
arbeidsplaatsen voor betreffende functie zijn vervuld. De aangenomen
kandidaten zijn van Nederlandse afkomst. Zij beschikken over een HAVO- of
MAVO-diploma en hebben ruime ervaring op het werkterrein dat de functie
betreft.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt het volgende.

Op grond van de functie-eisen in de advertentie achtte verzoekster zich
geschikt voor betreffende functie. Tijdens de telefonische sollicitatie bij
het uitzendbureau heeft verzoekster aan de intercedente wat betreft haar
opleidingen en werkervaringen het volgende meegedeeld: een niet afgeronde
V.B.O.-opleiding, een cursus administratie op M.B.O.-niveau en het huidige
werk bij de Stichting Rentree. Op de vraag of zij ooit in een kantoor gewerkt
had heeft verzoekster ontkennend geantwoord. De intercedente deelde
verzoekster naar aanleiding van de gegeven informatie over opleiding en
werkervaring mee dat deze voldoende waren om voor de functie in aanmerking te
komen en nodigde haar uit voor een inschrijfgesprek. De intercedente heeft
niet gevraagd haar c.v. naar dit gesprek mee te nemen.

Het gesprek vond plaats op de vestiging van de wederpartij in Medemblik,
terwijl het een functie betrof in Hoorn waar de wederpartij ook een vestiging
heeft. Op verzoeksters vraag of het gesprek in Hoorn kon plaats vinden werd
ontkennend geantwoord.
Tijdens het gesprek vertelde de intercedente dat zij reeds contact opgenomen
had met de woningstichting en deze had gemeld dat een Turks meisje naar de
functie had gesolliciteerd. De intercedente zei dat de woningstichting toen
zou hebben aangegeven liever geen Turks meisje in te dienst te willen nemen,
omdat er reeds een werkneemster van Turkse afkomst werkzaam was met wie de
communicatie niet goed verliep.

De intercedente vertelde verzoekster tevens dat haar echtgenoot bij de
woningstichting werkzaam was en veel contacten had met de stichting Rentree,
maar dat hij verzoekster niet kende. Verzoekster heeft daarop geantwoord dat
dit wel mogelijk is, aangezien er veel mensen bij deze stichting werkzaam
zijn.

Verzoekster heeft om haar enthousiasme voor de functie te benadrukken
aangegeven dat zij van meerwaarde zou kunnen zijn door de Turkse huurders van
de woningstichting, die vaak moeite hebben met de Nederlandse taal, te helpen
bij het invullen van huursubsidieformulieren. De wederpartij heeft niet
aangegeven dat reeds iemand bij de woningstichting werkzaam was die dit zou
kunnen doen.

Tijdens het gesprek is niet naar haar opleiding en werkervaring gevraagd. Pas
toen zij vertrok is naar haar c.v. gevraagd. Deze heeft zij dezelfde dag naar
de intercedente gefaxt. Verzoekster was in opleiding voor administratief
werk. Zij vindt het vooroordeel-bevestigend dat zij produktiewerk door de
wederpartij kreeg aangeboden. Hierover en omdat zij afgewezen werd vanwege
haar Turkse afkomst werd zij kwaad. Bovendien had de wederpartij haar naar
Medemblik laten komen terwijl telefonisch eenvoudig nagegaan had kunnen
worden of zij geschikt zou zijn voor de betreffende functie. Overigens had de
intercedente ook al kennis kunnen dragen van verzoeksters opleidingsniveau
omdat zij telefonisch had meegedeeld dat zij bij de Stichting Rentree werkte,
die werk biedt aan laaggeschoolde niet-gediplomeerde mensen.

Verzoekster vindt het merkwaardig dat zij in eerste instantie geschikt werd
geacht voor de functie, terwijl dit later op grond van dezelfde informatie
niet zo zou zijn. Verzoekster heeft een M.B.O.-opleiding en ervaring op
administratief gebied. Niet valt in te zien waarom zij de functie niet had
kunnen vervullen.
Verzoekster is op grond hiervan van mening dat de wederpartij onderscheid
naar ras heeft gemaakt en derhalve in strijd met de AWGB heeft gehandeld.
Verzoekster wilde in eerste instantie slechts excuses van de wederpartij.
Vanwege de starre houding van de wederpartij heeft zij verdere stappen
ondernomen en onder meer een klacht bij de Commissie ingediend.

3.6. De wederpartij stelt het volgende

De relatie met de woningstichting in Hoorn wordt onderhouden door de
vestiging in Medemblik, omdat deze vestiging de woning-stichting als klant
heeft binnengehaald. Het is vast beleid van de wederpartij dat een vestiging,
die een relatie heeft opgebouwd met een werkgever, deze blijft onderhouden.
Vandaar dat verzoekster voor een inschrijfgesprek naar Medemblik diende te
reizen.

In de advertentie staat niet als functie-eis vermeld dat sollicitanten over
een M.B.O.-denkniveau dienen te beschikken. Het is niet ongebruikelijk dat in
dergelijke advertenties geen concrete opleidingseis staat. De wederpartij
hoopt daarmee zoveel mogelijk reacties binnen te krijgen. Het is beleid van
de wederpartij om kandidaten uit te nodigen voor een inschrijfgesprek ook als
niet duidelijk is of de kandidaat voor de functie in aanmerking zou kunnen
komen, omdat dan meteen gekeken kan worden of deze eventueel voor een andere
functie in aanmerking kan komen.

De functie-eisen staan wel vermeld in de aanvraagnotering voor de vacature.
De betreffende opleidingseis is aan verzoekster tijdens het gesprek
meegedeeld.

Bij de wederpartij is 20% van de uitzendkrachten van allochtone afkomst. Op
de afdeling van de woningstichting waar de vacante functie was werken tien
personen waarvan twee van allochtone afkomst. Dit percentage van 20% komt
overeen met het percentage allochtone huurders bij de woningstichting.
Indien verzoekster dezelfde opleiding had gehad als de andere (aangenomen)
kandidaten dan was ze juist vanwege haar afkomst aangenomen. Immers, door
haar afkomst heeft zij een meerwaarde voor de communicatie met Turkse
huurders.

Er was geen sprake van een starre houding van de wederpartij in deze kwestie.
In tegendeel, zij heeft onmiddellijk tijd ingeruimd voor gesprekken met
verzoekster en het ADB om misverstanden uit de weg te helpen.

3.7. De verklaring van de getuige

De getuige is werkzaam bij de wederpartij als intercedente en heeft de
sollicitatie van verzoekster behandeld.
Verzoekster heeft tijdens het oriënterend telefoongesprek aan haar meegedeeld
dat zij een V.B.O.- en een M.B.O.- opleiding had gevolgd. Verzoekster heeft
niet gemeld wat de duur van haar deelname aan die opleidingen was. De getuige
heeft verzoekster vervolgens voor een gesprek uitgenodigd en gevraagd haar
c.v. mee te nemen. Mogelijk is een misverstand ontstaan rond de opleidingseis
toen verzoekster telefonisch is gevraagd of zij over een M.B.O.-opleiding
beschikte. Verzoekster heeft hierop met “ja” geantwoord omdat zij drie
maanden een M.B.O.-cursus had gevolgd. De wederpartij verstaat echter onder
M.B.O. een opleiding van drie of vier jaar.

De getuige heeft, zoals gebruikelijk, aan de woningstichting gemeld welke
telefonische reacties zij op de advertentie had gekregen.

Aangezien zij wist dat deelnemers van de Stichting Rentree regelmatig
stage-werkzaamheden bij de woningstichting verrichten, heeft zij gevraagd of
verzoekster misschien bekend was bij de woningstichting. Hierbij heeft zij
vermeld dat het om een Turks meisje ging. De woningstichting kende
verzoekster niet.

De getuige bestrijdt dat opleiding en werkervaring van verzoekster niet in
het gesprek aan de orde zouden zijn geweest. Verzoeksters opleidingen werden
doorgenomen en doorgevraagd is op het punt van de M.B.O.-opleiding. Toen
bleek dat dit een administratieve cursus van drie maanden betrof, terwijl een
M.B.O.-opleiding gewoonlijk drie tot vier jaar duurt, heeft zij tegen
verzoekster gezegd dat zij bang was dat verzoekster hierdoor niet in
aanmerking zou komen voor de functie. Bovendien bleek de werkervaring van
verzoekster bij de Stichting Rentree zeer beperkt. De getuige geeft aan, dat
uit het feit dat verzoekster de inschrijfkaart heeft ingevuld en de
werkervaring hierop door de getuige is ingevuld blijkt, dat verzoeksters
opleiding en werkervaring wel degelijk aan de orde zijn geweest.
Toen verzoekster wees op de meerwaarde van haar kennis van de Turkse taal
heeft de getuige geantwoord dat al iemand van Turkse afkomst bij de
woningstichting werkte die in voorkomende gevallen als tolk zou kunnen
optreden. Verzoekster gaf te kennen dat zij deze werkneemster kende.
Vervolgens is even over deze medewerkster gesproken.

Indien iemand niet voor betreffende functie in aanmerking komt, is het
gebruikelijk te vragen of betrokkene ander werk wil doen. Aan verzoekster
heeft de getuige gevraagd of zij produktiewerk wilde doen. Verzoekster werd
hierop kwaad en zei: “Jullie willen ons Turken altijd in een bepaalde hoek
drukken”. Hierop zei de getuige dat als dit het geval was, zij verzoekster
niet naar Medemblik had laten komen voor een gesprek, aangezien zij vanwege
het accent van verzoekster wist dat verzoekster van Turkse afkomst was.

De getuige bestrijdt dat zij gezegd zou hebben “ze willen geen Turks meisje”.
Dat zou zij nooit durven zeggen. Zij is een ervaren intercedente die goed
bekend is met de antidiscriminatie- code voor de uitzendbranche. De getuige
vermoedt dat verzoekster op grond van het door haar gemelde telefoontje met
de woningstichting argwanend is geworden. Andere verklaringen kan zij niet
geven voor de reactie van verzoekster.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking jegens verzoekster onderscheid op
grond van ras heeft gemaakt als bedoeld in de AWGB.

4.2. Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB
onderscheid op grond van ras bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking.
Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras dient in de AWGB overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim te worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 13.).

Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie is er niet alleen sprake van
een door de wet verboden onderscheid wegens ras als deze grond de enige
aanleiding vormt voor ongelijke behandeling, maar tevens als deze grond mede
aanleiding vormt voor ongelijke behandeling.

4.3. Ter beantwoording van de in het geding zijnde vraag overweegt de
Commissie het volgende.

Verzoekster heeft aangevoerd dat zij zich zelf op grond van de advertentie
geschikt acht voor de functie. Zij werd afgewezen door de intercedente omdat
de wederpartij geen werkneemster van Turkse afkomst in dienst wilde nemen.

4.4. Voor wat de geschiktheid voor de functie betreft rekent de Commissie het
naar vaste jurisprudentie niet tot haar taak om te beoordelen of een
sollicitant geschikt is voor een functie.
De taak van de Commissie is om na te gaan of de wederpartij bij de
beoordeling van de (mate van) geschiktheid onderscheid heeft gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling (Zie onder meer Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeel 423-92-50, 2
september 1992 en 414-92-53, 15 september 1992 en Commissie gelijke
behandeling oordeel 96-78.).
Indien de wederpartij de geschiktheid van verzoekster heeft bepaald op een
willekeurige wijze of de reden voor afwijzing ondeugdelijk is, kan daarin een
aanwijzing zijn dat onderscheid op grond van ras daarbij mede een rol heeft
gespeeld.

4.5. De Commissie stelt vast dat de wederpartij als reden voor de afwijzing
van verzoekster heeft aangevoerd dat zij niet voldeed aan de door de
wederpartij gehanteerde functie-eisen: een afgeronde M.B.O.-opleiding en
relevante werkervaring.
De Commissie stelt vast dat de advertentie-tekst, waarvan verzoekster
kennisgenomen had, geen opleidingseis bevatte.
Wat betreft de sollicitatieprocedure constateert de Commissie dat partijen
een verschillende uitleg geven aan de inhoud van het eerste telefoongesprek.
Verzoekster is van mening dat zij naar aanleiding van de door haar verstrekte
informatie over haar opleiding en ervaring uitgenodigd is voor het
inschrijfgesprek. De intercedente van de wederpartij geeft aan dat het eerste
gesprek een oriënterend karakter heeft waarbij globaal bekeken wordt of de
sollicitant voor de betreffende vacature in aanmerking komt. Zij geeft aan
dat er mogelijk een misverstand is ontstaan omtrent de opleidingseis toen
verzoekster de vraag of zij een M.B.O.-opleiding had gevolgd bevestigend
beantwoordde.
De intercedente bedoelde daarmee de gebruikelijke drie of vierjarige
M.B.O-opleiding, terwijl verzoekster er kennelijk van uit is gegaan dat de
M.B.O.-cursus van drie maanden die zij gevolgd had, voldoende was.

De wederpartij heeft bij het sollicitatiegesprek functie-eisen gehanteerd die
vastgelegd waren in de aanvraagnotering voor de vacature. Daarbij is, naast
relevante werkervaring, als eis opgenomen het beschikken over een afgeronde
drie- a vierjarige M.B.O.-opleiding. Laatstgenoemde functie-eis is
verzoekster tijdens dit gesprek meegedeeld. De wederpartij heeft op basis van
het sollicitatiegesprek geconcludeerd dat verzoekster niet over de vereiste
opleiding en werkervaring beschikt en derhalve niet geschikt is voor de
functie.

4.6. De Commissie acht het op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen
van partijen aannemelijk dat over de opleidingseis tijdens het oriënterend
telefoongesprek een misverstand is ontstaan. Verzoekster heeft vanwege het
feit dat zij werd uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek afgeleid dat zij
aan de functie-eisen voldeed. De Commissie acht het aannemelijk dat met een
M.B.O.-opleiding de gebruikelijke drie of vierjarige opleiding is bedoeld. De
Commissie concludeert op grond van het door verzoekster overgelegde c.v. dat
verzoekster een cursus administratie op M.B.O.-niveau heeft gevolgd en over
een werkervaring als receptioniste/telefoniste van ongeveer drie maanden
beschikte. Uit de verklaringen ter zitting is gebleken dat de wederpartij het
vorenstaande tijdens het sollicitatiegesprek ook heeft geverifieerd. Op grond
van het voorgaande concludeert de Commissie dat verzoekster niet aan de
functie-eisen voldeed.

De Commissie acht het op bovenstaande gronden voldoende aannemelijk dat de
wederpartij de geschiktheid van verzoekster voor deze functie heeft bepaald
op een wijze die niet willekeurig is en voorts de reden voor afwijzing van
verzoekster niet ondeugdelijk is.

4.7. Wat betreft het standpunt van verzoekster dat de wederpartij haar heeft
meegedeeld dat de woningstichting liever geen Turks meisje in dienst zou
willen nemen, stelt de Commissie vast dat de wederpartij ten stelligste heeft
ontkend een dergelijke mededeling te hebben gedaan. De Commissie kan derhalve
niet vaststellen of de hiervoor genoemde opmerking door de wederpartij is
gemaakt. De sollicitanten die wel zijn aangenomen zijn autochtone
Nederlanders. Uit hun c.v.’s blijkt echter dat zij over een meer adequate
opleiding en werkervaring beschikken dan verzoekster.

4.8. Verzoekster heeft aangegeven dat het aanbieden van productiewerk door de
wederpartij haar heeft geraakt omdat zij dit als vooroordeel- bevestigend
heeft ervaren. De Commissie heeft ter zitting geconstateerd dat verzoekster
zeer gemotiveerd is om zich op te werken tot administratief medewerkster. Het
is dus begrijpelijk dat zij teleurgesteld was door het aanbod. Aangezien uit
het c.v. van verzoekster blijkt dat zij ervaring heeft met productiewerk, kan
het aanbod van de intercedente voor werk op dit gebied echter niet als
onzakelijk of onterecht worden gezien.

4.9. Uit het onderzoek van de Commissie zijn overigens geen aanwijzingen naar
voren gekomen die duiden op onderscheid naar ras door de wederpartij of bij
de woningstichting. Dienaangaande overweegt de Commissie dat de wederpartij
heeft aangegeven dat 20% van de uitzendkrachten van allochtone afkomst is. Op
de afdeling van de woningstichting waar de vacante functie was is 20% van het
personeel van allochtone afkomst. Dit percentage van 20% komt overeen met het
percentage allochtone huurders bij de woningstichting.

4.10. Nu verzoekster niet voldoet aan de gestelde functie-eisen en niet
aannemelijk is geworden dat bij de afwijzing voor deze functie de afkomst van
verzoekster mede een rol heeft gespeeld, oordeelt de Commissie dat de
wederpartij jegens verzoekster geen onderscheid op grond van ras heeft
gemaakt zoals bedoeld in de AWGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat (….) te
Diemen jegens mevrouw (….) te Hoorn geen onderscheid op grond van ras heeft
gemaakt bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking
zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke
behandeling en derhalve niet in strijd met deze wet heeft gehandeld door
verzoekster voor betreffende functie af te wijzen.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 mei 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster, van Antilliaanse afkomst, werkte gedurende een maand als
receptioniste/telefoniste bij een bedrijf dat handelt in kantoor- en
afrekensystemen. Verzoekster werd tijdens haar proeftijd ontslagen. Volgens
verzoekster heeft haar afkomst daarbij een rol gespeeld.
De Commissie wijst er eerst op dat ook tijdens de proeftijd sprake kan zijn
van misbruik van bevoegdheid wanneer het discriminatieverbod wordt
overtreden. De Commissie stelt echter vast dat tussen partijen niet betwist
is dat verzoekster onvoldoende functioneeerde en dat zij daarop ook gewezen
is. Verzoekster onderbouwt haar klacht dat zij op grond van haar huidskleur
ontslagen is, door te verwijzen naar opmerkingen over haar afkomst die zouden
zijn gemaakt. De wederpartij ontkent dit echter ten stelligste. De Commissie
acht het begrijpelijk dat verzoekster door het ontslag is geraakt, omdat zij
zich volledig heeft ingezet. De Commissie kan echter niet vaststellen dat
sprake is van onderscheid op grond van ras. Het feit dat in het bedrijf
slechts een beperkt aantal werknemers van allochtone afkomst werkzaam is, is
op zich onvoldoende om een dergelijk oordeel te dragen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 31 juli 1997 verzocht mevrouw (….) te Amersfoort (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of (….) B.V. te Amersfoort (hierna: de wederpartij) jegens
haar onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, in strijd met de Algemene
wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster is tijdens haar proeftijd door de wederpartij ontslagen.
Verzoekster is geboren op Curaçao en heeft een zwarte huidskleur. Zij is van
mening dat de wederpartij haar vanwege haar afkomst ontslagen heeft en
daarmee in strijd heeft gehandeld met de AWGB.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op 6 april 1998. De
Commissie heeft een getuige opgeroepen.

Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (directeur)

de getuige
– de heer (….) (chef-helpdesk wederpartij)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. I.M. Hidding (secretaris Kamer)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een bedrijf dat handelt in kantoor- en
afrekensystemen. Er zijn 80 werknemers werkzaam waaronder een werknemer van
Marokkaanse afkomst, een werknemer van Turkse afkomst en een werknemer van
Arubaanse afkomst.

3.2. Verzoekster is geboren op Curaçao en heeft een zwarte huidskleur.
Verzoekster was van 3 februari 1997 tot en met 28 februari 1997 als
receptioniste/telefoniste werkzaam bij de wederpartij. Verzoekster beschikt
over het LEAO-diploma en het diploma van de opleiding
receptioniste/telefoniste. Verzoekster is door een uitzendbureau naar de
wederpartij verwezen voor de betreffende functie.
De wederpartij is met verzoekster een arbeidsovereenkomst voor een jaar
aangegaan met een proeftijd van twee maanden. Verzoekster is door de
wederpartij na vier weken in dienst te zijn geweest, in haar proeftijd
ontslagen.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster stelt het volgende.

Tijdens het dienstverband zijn er nooit echt klachten over haar geweest. Er
werden zelfs complimenten over haar mooie telefoonstem gemaakt. Ook heeft
verzoekster in die korte periode diverse mensen moeten inwerken. Dat duidt
erop dat verzoekster haar werk goed heeft gedaan en dat haar werkgever
vertrouwen in haar moet hebben gehad.

Voor zover verzoekster weet zijn er bij de wederpartij, een bedrijf dat
ongeveer 100 werknemers telt, geen mensen van allochtone afkomst werkzaam.
Slechts enkele keren heeft verzoekster een Marokkaanse werknemer gezien, maar
hij werkt in de buitendienst.

Ter zitting geeft verzoekster aan dat de leidinggevende en ook een andere
werknemer haar hebben meegedeeld dat zij de namen op moest schrijven van
degenen die opbelden. Dit is haar vaker gezegd. Men gaf aan dat alles verder
wel goed ging. Het eerste gesprek waarin haar expliciet werd meegedeeld dat
zij niet goed functioneerde was het gesprek waarbij zij werd ontslagen.
Tijdens dit gesprek met de chef-helpdesk kwamen er vreemde opmerkingen naar
voren, in de trant van “waar jij vandaan komt wonen hele vriendelijke
mensen”, en “waar jij vandaan komt zijn ze heel aardig”. Uit het gesprek
kwamen geen feiten of klachten naar voren die aanleiding konden zijn voor het
ontslag van verzoekster.

Na het gesprek stond een collega van verzoekster haar beneden uit te lachen.
Zij vertelde aan verzoekster dat zij van tevoren al wist dat verzoekster zou
worden ontslagen. Dat verklaarde voor verzoekster meteen waarom de sfeer die
dag zo vreemd was en haar collega zo vrolijk was. Toen verzoekster naar huis
liep, reden diverse collega’s haar voorbij die haar uitlachten.

Het werk van verzoekster wordt nu gedaan door een Nederlands meisje dat, voor
zover verzoekster weet, niet over de geëigende diploma’s beschikt.
Verzoekster is van mening dat zij is ontslagen vanwege haar huidskleur en dat
er daarom sprake is van ongelijke behandeling.

3.4. De wederpartij stelt het volgende.

De wederpartij ontkent met klem dat verzoekster ontslagen is vanwege haar
huidskleur.
Verzoekster is via een uitzendbureau voorgedragen voor deze functie. Er waren
meerdere kandidaten, waaruit zij is geselecteerd door de wederpartij. Bij
haar sollicitatie meende de wederpartij met verzoekster over een
gekwalificeerde, direct inzetbare telefoniste/receptioniste te kunnen
beschikken. In de praktijk bleek verzoekster absoluut niet aan de door haar
aangegeven kwaliteiten te voldoen. Er werden door haar aanhoudend teveel
fouten gemaakt bij het doorverbinden naar de juiste personen en zij vergat
voortdurend welke klant er ‘onder de knop’ zat en waarom deze had gebeld.
Teleurgesteld heeft de wederpartij bij monde van de chef-helpdesk aan
verzoekster meegedeeld dat de samenwerking daarom beëindigd werd. De
chef-helpdesk heeft desgevraagd ter zitting ten stelligste ontkend in de door
verzoekster gewraakte bewoordingen, letterlijk of impliciet, met haar
gesproken te hebben.

De wederpartij is buitengewoon gegriefd door de insinuatie van verzoekster
dat bij de beoordeling of selectie van haar medewerkers de huidskleur wordt
betrokken. Als dat het geval was, had de wederpartij aan verzoekster nooit de
gelegenheid gegeven om binnen de organisatie te komen werken.

3.5. De verklaring van de getuige

De getuige had de leiding over het team van drie personen waarin verzoekster
werkzaam was. Een medewerkster was ziek, de andere medewerkster werd na korte
tijd ontslagen. Verzoekster had een deeltijdaanstelling, maar heeft door deze
omstandigheden alleen en voltijds gewerkt.

De afdeling telefonische helpdesk fungeerde daarbij als achtervang voor
verzoekster. Het was een hectische periode en het bedrijf heeft er alles aan
gedaan om voor voldoende bezetting zorg te dragen. De getuige verklaart dat
hij verzoekster er vaker op gewezen heeft dat zij niet goed functioneerde.
Hij heeft haar aangegeven dat zij bij het doorverbinden beter moest noteren
wie er belde en waarover. Er waren klachten daarover zowel binnen het bedrijf
alsook van klanten. Op de dag waarop hij het besluit nam over het ontslag van
verzoekster heeft hij eerst met een paar medewerkers over het functioneren
van verzoekster gesproken. Hij heeft zich laten informeren en niet aan hen
meegedeeld dat hij de arbeidsovereenkomst zou beëindigen. Indien een collega
beweert dat zij wist dat verzoekster zou worden ontslagen is dat een gok. Het
kan zijn dat zij zelf tot die conclusie is gekomen na dat gesprek. De getuige
ontkent bij het gesprek over de beëindiging bewoordingen gebruikt te hebben
zoals door verzoekster in de klacht weergegeven. Hij heeft na het ontslag
gebeld met het uitzendbureau om mee te delen dat verzoekster ontslagen was en
te vragen om een nieuwe kandidaat.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
op grond van ras heeft gemaakt bij het beëindigen van de arbeidsverhouding
zoals bedoeld in de AWGB, doordat de etnische afkomst van verzoekster daarbij
(mede) een rol heeft gespeeld.

4.2. Artikel 5 lid 1 sub b AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB,
onder meer het maken van onderscheid naar ras bij de beëindiging van een
arbeidsverhouding.
Volgens artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan zowel direct als
indirect onderscheid. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onderscheid tussen personen
op grond van ras een vorm van direct onderscheid is.
Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.).

4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie is er niet alleen sprake
van een door de wet verboden onderscheid wegens ras als deze grond de enige
aanleiding vormt voor ongelijke behandeling, maar tevens als deze grond mede
aanleiding vormt voor ongelijke behandeling (Zie onder meer Commissie gelijke
behandeling
14 april 1998, oordeelnummer 98-34.).

Ter beantwoording van de voorliggende vraag overweegt de Commissie het
volgende.

4.4. Verzoekster is gedurende de proeftijd ontslagen.
Ingevolge artikel 7:676 lid 2 BW is het toegestaan de dienstbetrekking zonder
opzegging of zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen te
beëindigen. In de rechtspraak wordt evenwel uitgegaan van de doorwerking van
het discriminatie-verbod gedurende de proeftijd (Zie onder andere Rechtbank
Arnhem, 24 december 1987, PRg 1988, 2886.). Zo kan bij ontslag tijdens
proeftijd sprake zijn van misbruik van bevoegdheid wanneer het
discriminatieverbod wordt overtreden (Hoge Raad, 13 januari 1995, NJ 1995,
nr. 430.).

4.5. De Commissie rekent het niet tot haar taak te beoordelen of de redenen
voor de beëindiging van de arbeidsverhouding rechtsgeldig zijn. De taak van
de Commissie is te beoordelen of door de wederpartij daarbij mede onderscheid
op grond van ras is gemaakt (Zie onder meer Commissie gelijke behandeling 13
november 1995, oordeel 95-17.).
Indien de redenen voor het ontslag niet deugdelijk zijn kan dit een vermoeden
opleveren dat onderscheid op grond van ras daarbij een rol heeft gespeeld.
Daarvan kan ook sprake zijn indien de wederpartij het functioneren van
verzoekster op onzorgvuldige wijze heeft beoordeeld.

4.6. De Commissie stelt vast dat de wederpartij als reden voor de beëindiging
van de arbeidsverhouding heeft aangevoerd dat verzoekster niet goed
functioneerde. Zij zou telefoontjes niet goed doorverbinden, vergeten welke
klant zij aan de telefoon had en waarom deze klant opbelde en zij zou
vergeten de namen van klanten te noteren. Uit de verklaring van de
leidinggevende van verzoekster blijkt dat hij meerdere malen verzoekster op
deze tekortkomingen heeft gewezen. Dit wordt door verzoekster niet ontkend;
verzoekster geeft echter aan dat zij de indruk had dat zij overigens goed
functioneerde.

De Commissie stelt vast dat het noteren van namen van degenen die opbellen en
een zorgvuldige doorverbinding van klanten een wezenlijk onderdeel vormt van
de functie van een telefoniste/receptioniste. Wat het functioneren van
verzoekster betreft blijkt uit de hiervoor genoemde verklaringen van partijen
dat niet betwist is dat verzoekster daarin te kort is geschoten en dat de
wederpartij verzoekster gewezen heeft op de tekortkomingen.
Voorts is voldoende aannemelijk dat de chef-helpdesk zich voor het nemen van
het ontslagbesluit ook heeft laten informeren over het functioneren van
verzoekster door andere medewerkers. De opmerking van de collega dat zij van
het (voorgenomen) ontslag van verzoekster op de hoogte zou zijn, daargelaten
de juistheid daarvan, duidt ook in die richting.
De Commissie is dan ook van oordeel dat de door de wederpartij gevolgde
procedure voor het beoordelen van de geschiktheid van verzoekster – gelet op
het karakter van de proeftijd – voor de functie niet als onzorgvuldig kan
worden aangemerkt. Voorts is de Commissie van oordeel dat de door de
wederpartij opgegeven reden voor de beëindiging van de arbeidsverhouding niet
ondeugdelijk is.

4.7. Verzoekster heeft haar klacht, dat zij om reden van haar huidskleur
ontslagen is, onderbouwd door te verwijzen naar opmerkingen over haar afkomst
die tijdens het ‘ontslaggesprek’ zouden zijn gemaakt. Voorts geeft
verzoekster aan dat het bedrijf nagenoeg geen allochtone werknemers telt.
De Commissie stelt vast dat de wederpartij ten stelligste heeft ontkend
bedoelde opmerkingen te hebben gemaakt. De Commissie kan derhalve niet
vaststellen dat deze opmerkingen door de wederpartij zijn gemaakt.

De Commissie heeft wel geconstateerd dat verzoekster haar werkzaamheden is
aangevangen in een hectische periode in het bedrijf waarbij er sprake was van
onderbezetting op de afdeling. Verzoekster heeft zich op korte termijn
voltijds beschikbaar gesteld. Het is begrijpelijk dat verzoekster door het
ontslag is geraakt nu zij zich volledig heeft ingezet. Voorts heeft het
ontslagbesluit verzoekster overvallen omdat zij de opmerkingen over haar
functioneren niet als wezenlijke kritiek heeft ervaren.
De Commissie concludeert echter dat op grond van de aan haar voorgelegde
feiten geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen die duiden op onderscheid
naar ras door de wederpartij. Het feit dat in het bedrijf van de wederpartij
slechts een beperkt aantal werknemers van allochtone afkomst werkzaam is, is
op zich onvoldoende om een dergelijk oordeel te dragen.

4.8. Op bovenstaande gronden oordeelt de Commissie dat niet aannemelijk is
geworden dat de afkomst van verzoekster mede een rol heeft gespeeld bij de
beëindiging van de arbeidsverhouding en derhalve de wederpartij jegens
verzoekster geen onderscheid op grond van ras heeft gemaakt zoals bedoeld in
de AWGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat (….) B.V.
te Amersfoort jegens mevrouw (….) te Amersfoort geen onderscheid naar ras
heeft gemaakt bij de beëindiging van de arbeidsverhouding zoals bedoeld in
artikel 5 lid 1 onder b in samenhang met artikel 1 van de Algemene wet
gelijke behandeling.

Rechters

Mmw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. drs. B. vanSchijndel (lid Kamer),- dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. I.M. Hidding (secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Dordrecht, 13 mei 1998

Instantie

Rechtbank Dordrecht

Samenvatting


Eiseres is in 1977 door de Raad voor de Kinderbescherming in een pleeggezin
geplaatst. Zij is daar door haar pleegvader seksueel misbruikt, waarna zij –
na verblijf van één jaar – het gezin is ontvlucht. De zaak is strafrechtelijk
verjaard. Eiseres vordert in een civiele procedure ƒ 80.000 vergoeding voor
immateriële schade en een nader vast te stellen bedrag voor materiële schade.
Bij tussenvonnis heeft de rechtbank bepaald dat het gedrag van de pleegvader
als onrechtmatig moet worden aangemerkt, omdat iedere seksuele relatie tussen
een pleegvader en een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige op grond van
art. 249 Sr is verboden en strafrechtelijk wordt aangeduid als ontucht.
Tevens bepaalde de rechtbank dat er een deskundigenrapportage diende te
komen, ter beantwoording van de vraag of de vaststaande feiten de door de
vrouw gestelde gevolgen zouden kunnen hebben gehad. Thans wijst de rechtbank
het eindvonnis. De rechtbank verwerpt diverse verweren met betrekking tot de
inhoud van het deskundigenrapport. De immateriële schade wordt vastgesteld op
ƒ 20.000 en materiële schade op ƒ 1500.

Volledige tekst

Het verdere procesverloop
Verwezen wordt naar de inhoud van het vonnis van deze rechtbank van 14 mei
1997, waarbij een deskundigenonderzoek is gelast en dr.
O.A.Jansen-Heijtmajer, psychiater en psychotherapeute, als deskundige is
benoemd.

Op 12 augustus 1997 is het deskundigenrapport met bijlagen ter griffie
gedeponeerd.

Partijen hebben ieder een conclusie na deskundigenbericht genomen. Daarbij
heeft X. haar eis verminderd in die zin dat zij thans vordert Y. te
veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te voldoen de
som van ƒ 80.000, althans een bedrag dat deze rechtbank in goede justitie
rechtvaardig acht voor vergoeding van schade, daaronder materieel en
immaterieel nadeel begrepen.

Tenslotte hebben partijen onder overlegging van de stukken vonnis gevraagd.

De verdere beoordeling van het geschil
1. De deskundige heeft de aan haar voorgelegde vragen gemotiveerd beantwoord.
Y heeft aangegeven zich met de inhoud van het deskundigenrapport te kunnen
verenigen.

2. Y voert daarentegen aan dat het deskundigenrapport buiten beschouwing
dient te blijven, omdat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld
opmerkingen of verzoeken te doen ten aanzien van het ingestelde onderzoek.
Dit verweer gaat niet op. In het deskundigenrapport is vermeld dat Y. in de
gelegenheid is gesteld opmerkingen of verzoeken te doen ten aanzien van het
door de deskundige in te stellen onderzoek. De deskundige heeft echter geen
reactie van Y. ontvangen. Bovendien heeft Y. kennelijk ook geen gebruik
gemaakt van het reeds in bovengenoemd tussenvonnis van 14 mei 1997 bepaalde
dat partijen alle relevante informatie zo spoedig mogelijk aan de deskundigen
dienen te verschaffen.

3. De rechtbank ziet geen redenen om aan te nemen -zoals Y. stelt- dat de
deskundige partijdig of vooringenomen zou zijn. Volgens Y. zou de deskundige
uitgaan van seksueel misbruik, terwijl dat nog door de rechtbank dient te
worden vastgesteld. In het op 14 december 1993 in deze zaak gewezen -door het
Gerechtshof te ‘s-Gravenhage op 16 juli 1996 bekrachtigde- tussenvonnis is al
overwogen dat het bedoelde seksuele gedrag van Y. ten opzichte van X. als
onrechtmatig dient te worden aangemerkt. De rechtbank leest het
deskundigenrapport aldus dat met de daarin gebruikte term misbruik het
hiervoor weergegeven onrechtmatig handelen wordt bedoeld. Ook overigens ziet
de rechtbank geen aanleiding om van partijdigheid of vooringenomenheid van de
deskundige uit te gaan.

4. De stelling van Y. dat het deskundigenrapport onbetrouwbaar is nu dit is
gebaseerd op door X. in het licht van door haar verdrongen ‘hervonden’
herinneringen ingevulde vragenlijsten vindt geen steun in het rapport en gaat
derhalve niet op. Allereerst blijkt uit het rapport niet dat X. het bedoelde
onrechtmatige gedrag van Y. heeft verdrongen. Daarnaast vermeldt de
deskundige dat X. de vragenlijst ‘kenmerken van de persoonlijkheid’ zeer
gewetensvol heeft ingevuld en de scores op de zelfscoringslijsten
overeenkomen met de indrukken uit de gesprekken.

5. In het door haar uitgebrachte rapport beantwoordt de deskundige de haar
gestelde vragen als volgt.

‘(…)
1. De psychische gesteldheid van X. (rechtbank: X.) is zodanig dat gesteld
kan worden dat er sprake is van pathologie. Zoals vermeld bij de
diagnostische overwegingen heeft zij diverse klachten die qua ernst en aard
vallen onder psychiatrische diagnose, samengevat onder PTSS [rechtbank:
Posttraumatische Stress Stoornis] en persoonlijkheidsstoornis NAO. Haar
klachten bestaan chronisch, soms qua stemming iets erger of iets minder erg.
(…) De beschreven klachten bestaan thans en en bestonden ook al in het
(recente) verleden. (…)

2.a. – De klachten vertonen een duidelijke samenhang en wijzen door hun aard
op een traumatische ontstaansgeschiedenis, die blijkens de inhoud van de
gevoelens en gedachten gekoppeld is aan het seksuele misbruik door gedaagde
[rechtbank: Y.]
2.b. – indien de ‘seksuele relatie’ tussen partijen vrijwillig en geheel
wederkerig was, zou onmogelijk een dergelijke posttraumatische stress
stoornis kunnen bestaan. Deze impliceert immers bij de gebeurtenis al een
gevoel van machteloosheid, afkeer, angst bij een bedreiging of beschadiging
van de fysieke integriteit van zichzelf (enz. zie definitie PTSS).
2.c. – andere gebeurtenissen in het leven van X. die ingrijpend waren, zijn
de dood van haar moeder en die van haar broer. Dit kan eventueel nog
doorwerken in haar gedaalde stemming of in het gevoel van het er alleen
voorstaan. Deze verliezen kunnen echter niet haar PTTS klachten verklaren,
evenmin haar gevoel van verlies van toekomstperspectief, achterdocht en
negatieve lichaamsbeleving. (…)
2.d. – in het dagelijks leven zijn de genoemde klachten steeds hinderlijk
aanwezig. Ze belemmeren interpersoonlijke contacten, intiem zowel als
sociaal; het lage zelfvertrouwen en negatieve, met schuldbeladen zelfbeeld
staan succesvol maatschappelijk presteren in de weg en belemmeren de
zelfontplooiing.
2.e. – er zal sprake zijn van blijvend psychisch letsel. (…)
2.f. – zoals vermeld werkt de psychische schade ook negatief door op het
vermogen regelmatige arbeid (in dienstverband) te verrichten. Teneinde
werkdruk en werkstress te kunnen verdragen zal zij eerst een heel eind
gevorderd moeten zijn in haar verwerkingsproces, waarvoor zij therapie nodig
heeft plus een dosis geluk in het dagelijks leven.
Ik schat dat daarvoor een periode van twee tot vier jaar zeker nodig is.
(…)’

6. De rechtbank neemt de voormelde conclusies van de deskundige over en maakt
die tot de hare. Uit deze conclusies volgt dat X. de door haar gestelde
psychische schade, een posttraumatisch stress-syndroom en door haar
beschreven psychische klachten, heeft geleden en daar nog steeds aan lijdt.
Deze schade werkt door op het vermogen regelmatige arbeid te verrichten. Deze
psychische schade kan in redelijkheid aan Y. als een gevolg van het door hem
gepleegde onrechtmatige handelen worden toegerekend. Uit het goed
gemotiveerde antwoord van de deskundige op vraag 2.a. en 2.b. leidt de
rechtbank af dat andere gebeurtenissen die zich in het leven van X. hebben
voorgedaan niet mede oorzaak zijn van voormelde psychische schade. Van
eventuele vrijwilligheid en wederkerigheid van de seksuele relatie tussen X.
en Y. is volgens de deskundige geen sprake. Echter, ook al zou deze relatie
vrijwillig en wederkerig zijn geweest zoals Y. stelt, dan is dit voor de
omvang van de schadevergoeding niet van belang. Vaststaat dat X. in ieder
geval de door haar gestelde schadelijke gevolgen, die zeer diep in haar
dagelijks functioneren ingrijpen, heeft geleden.

7. Terzake de hoogte van de schadevergoeding wordt het volgende overwogen.

8. X. vordert niet langer een vergoeding wegens inkomensderving. Op deze
vordering zal verder dan ook niet worden ingegaan. Y. heeft onvoldoende
gemotiveerd bestreden dat X. als gevolg van zijn onrechtmatige handelswijze
materiële schade terzake therapie- en reiskosten heeft gemaakt. Deze kosten
komen derhalve voor vergoeding in aanmerking. Uitgaande van de niet door Y.
betwiste hoogte van de therapiekosten van ƒ 1.105 begroot de rechtbank
eerdergenoemde kosten ex aequo et bono op ƒ 1.500. Terzake de kosten
juridisch advies -niet zijnde proceskosten- heeft X. op geen enkele wijze
aangegeven, waaruit deze bestaan. Deze kosten komen derhalve niet voor
vergoeding in aanmerking.

9. Ook naar het voor 1 januari 1992 geldende, hier toepasselijke recht heeft
iemand die als gevolg van onrechtmatig gedrag van een ander schade lijdt,
recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het door hem of
haar geleden nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. X. heeft derhalve
recht op immateriële schadevergoeding, hoewel geen enkele schadevergoeding in
geld het door haar gestelde leed ongedaan zou kunnen maken, maar hooguit zou
kunnen verzachten.

10. De rechtbank stelt de door X. geleden immateriële schade naar billijkheid
vast op een bedrag van ƒ 20.000. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat
X. tengevolge van meervermeld onrechtmatig gedrag van Y. (dat plaatsvond
gedurende de periode van bijna één jaar toen X. bij Y., die toen haar
pleegvader was, inwoonde) het door haar gestelde psychisch leed heeft
ondervonden en in de toekomst nog zal ondervinden, de ernst van dit gedrag
van Y., het feit dat X. niet op normale wijze aan het arbeidsproces kan
deelnemen, als ook dat door dit gedrag de lichamelijke integriteit van X. is
geschonden. Zij acht voormeld bedrag in overeenstemming met de dienaangaande
in Nederland geldende normen.

11. Y. zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van de procedure
(inclusief de kosten van de deskundige) dienen te dragen.

De beslissing
De Rechtbank:
Veroordeelt Y. tot betaling aan X. tegen behoorlijk bewijs van kwijting van
een bedrag van ƒ 21.500, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag
vanaf 18 juni 1993 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt Y. in de kosten van deze procedure, die tot aan deze uitspraak
worden vastgesteld op:
ƒ 75,56 voor dagvaardingskosten deurwaarder W.F. van Arkel;
ƒ 150 voor verschotten procureur van X.;
ƒ 3.300 voor salaris procureur van X.;
ƒ 1.100 voor in debet gesteld griffierecht;
ƒ 1.212 voor kosten deskundige;
++++++++++
ƒ 5.867,56 totaal, welk bedrag dient te worden voldaan aan de griffier van de
arrondissementsrechtbank te Dordrecht ingevolge artikel 57b van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs. Geertsema, Ter Veer en Tilman