Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 april 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij op basis van een interim
functievervullingsovereenkomst. Deze overeenkomst bepaalde dat de inlener de
overeenkomst kan beëindigen in geval van zwangerschaps- en bevallingsverlof,
ouderschapsverlof of ziekte, indien de periode waarin niet kan worden
gewerkt, langer is dan tien procent van interim functievervullingsperiode.
Verzoekster werd zwanger en de arbeidsverhouding tussen de wederpartij en
verzoekster werd daarom beëindigd.
De Commissie concludeert dat artikel 7:646 BW van toepassing is op een
arbeidsverhouding tussen inlener en ingeleende. Voorts concludeert de
Commissie dat sprake is van direct onderscheid tussen mannen en vrouwen,
aangezien de gewraakte bepaling uit de interim-functievervullingsovereenkomst
verwijst naar de zwangerschap en daarmee naar het geslacht van verzoekster.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 september 1997 verzocht mevrouw (….) te Maastricht (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (….) te Nederweert (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht als
bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij als voorlichter op basis van
een interim functievervullingsovereenkomst. Verzoekster is van mening dat de
wederpartij de arbeidsverhouding heeft beëindigd vanwege haar zwangerschap.
Zij is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. De Commissie heeft de wederpartij, tegelijk met het verzoek om op de
klacht van verzoekster te reageren, meegedeeld te overwegen de vereenvoudigde
behandeling toe te passen zoals bedoeld in artikel 31 van het Besluit
werkwijze Commissie vanwege het vermoeden van kennelijk onderscheid. De
wederpartij heeft in haar schriftelijke reactie, door de Commissie op 5
november 1997 ontvangen, met klem betwist dat sprake is van kennelijk
onderscheid en uitdrukkelijk verzocht de normale procedure te volgen teneinde
de gelegenheid te hebben haar overwegingen mondeling toe te lichten. Gelet op
de taak van de Commissie om niet alleen te oordelen over de vraag of in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling is gehandeld maar ook om toe te
zien op de naleving ervan, heeft de Commissie bepaald dat de zaak op de
gewone wijze wordt behandeld.

2.3. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 5 januari 1998.
Vanwege het schriftelijk gemotiveerde verzoek van de wederpartij de zitting
te verplaatsen, zijn partijen vervolgens opgeroepen voor een zitting op 3
maart 1998.

2.4. Bij de zitting waren aanwezig:

Van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)
– dhr. (….) (echtgenoot verzoekster)

Van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (hoofd Personeel en Organisatie)
– mw. (….) (personeelsfunctionaris)
– dhr. (….) (Adviseur Personeel en Organisatie van de Algemene Inspectie
Dienst)

Van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– dhr. mr. S.A. van Zeeland (secretaris Kamer).

2.5. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.4.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is als ambtenaar in dienst van de Algemene Inspectiedienst
van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Zij is door deze
werkgever uitgeleend voor de periode van 1 april 1997 tot 1 januari 1999,
gedurende welke periode zij op interim-basis bij de wederpartij (de inlener)
werkzaam is als voorlichter.

De wederpartij is een gemeente waarbij ongeveer 140 personen werkzaam zijn.
De wederpartij neemt deel aan het LIFT-project (Limburgs
Interimfunctievervullingstraject). In Limburg nemen aan dit project
verschillende instellingen deel met als doel uitwisseling van personeel.

3.2. De uitlener, de wederpartij en verzoekster hebben een interim
functievervullingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) getekend.

Artikel 1 van de overeenkomst bepaalt dat onder de interim funktievervulling
wordt verstaan het vrijwillig, tijdelijk, met behoud van rechtspositie en met
een terugkeergarantie vervullen van een andere funktie.

Artikel 3 van de overeenkomst bepaalt onder andere dat de werkzaamheden van
verzoekster plaats vinden onder verantwoordelijkheid van de inlener. Tevens
is in genoemd artikel bepaald dat verzoekster zich bij de uitoefening van
deze werkzaamheden dient te houden aan de opdrachten, regels en instructies
van de inlener die gedurende de interim functievervullingperiode als haar
feitelijk beoordelaar zal optreden.

Artikel 12 lid 5 van de overeenkomst bepaalt dat de inlener de overeenkomst
kan beëindigen ingeval van zwangerschaps- en bevallingsverlof,
ouderschapsverlof of ziekte, indien de aaneengesloten periode waarin als
gevolg van genoemde gebeurtenissen niet kan worden gewerkt, langer is dan
tien procent van de interim functievervulling-periode.

3.3. Verzoekster is zwanger geworden en heeft de wederpartij aangekondigd
eind november/begin december 1997 met zwangerschapsverlof te willen gaan.
Bij brief van 7 oktober 1997 heeft de wederpartij aan verzoekster medegedeeld
de overeenkomst met ingang van 1 november 1997 te beëindigen onder verwijzing
naar het bepaalde in artikel 12 lid 5 van de overeenkomst.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt het volgende.

Zij heeft destijds de overeenkomst getekend, omdat artsen haar hadden
verzekerd dat zij er niet op hoefde te rekenen op natuurlijke wijze kinderen
te krijgen. Verzoekster werd echter toch zwanger. De wederpartij heeft het
contract met verzoekster verbroken, omdat het organisatiebelang niet gediend
zou zijn met verzoeksters afwezigheid gedurende vier maanden. De uitlener was
niet van plan verzoekster terug te nemen voordat haar zwangerschapsverlof in
zou gaan, maar ging er wel mee akkoord dat het contract ontbonden werd op het
moment dat haar zwangerschaps- en ouderschapsverlof in zou gaan.

Verzoekster stelt dat haar afwezigheid in verband met zwangerschaps- en
ouderschapsverlof geen geldige reden is om haar contract te beëindigen. De
wederpartij vindt afwezigheid in verband met haar zwangerschap wel een
probleem terwijl afwezigheid ten gevolge van ziekte van een mannelijke
collega geen probleem is. Verzoekster wijst er op dat haar afwezigheid in
verband met zwangerschap ruim van tevoren bij de wederpartij bekend was,
zodat deze maatregelen kon nemen. De functie die verzoekster vervulde wordt
nu echter in het geheel niet vervuld. Noodzakelijke taken zijn overgenomen
door collega’s. De uitlener heeft aangeboden verzoekster te laten vervangen
gedurende de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof. Op dat aanbod is
de wederpartij niet ingegaan.

3.5. De wederpartij brengt het volgende naar voren.

Zij moest tot 1 januari 1999 voorzien in de vacature van voorlichter in
verband met het feit dat de vaste voorlichter op tijdelijke basis met een
project bezig was. Vanwege de tijdelijkheid van de functie is gekozen voor de
constructie van inlening op basis van detachering.

Voorlichting en communicatie zijn speerpunten in het beleid van de
wederpartij. Er liepen diverse grote projecten en de verkiezingen van 1998
waren in aantocht. De intenties van de wederpartij ten aanzien van
voorlichting en communicatie konden niet worden gerealiseerd zonder adequate
bezetting van de betreffende formatieplaats. De voorlichtingsfunctie waarin
verzoekster was gedetacheerd is een solistische functie. In een kleine
organisatie als die van de wederpartij is een en ander niet anders in te
richten.

De achterliggende gedachte van het in geding zijnde artikel 12 van de
overeenkomst is dat in beginsel de rechtspositionele gevolgen van langdurige
afwezigheid worden gedragen door de uitlener als werkgever en de financiële
gevolgen van kortdurende afwezigheid wegens ziekte en andere omstandigheden
door de inlener. Dit geldt zowel voor mannen als voor vrouwen. Daarnaast moet
de inlener voldoende ruimte hebben om het contract te beëindigen. Er zijn
veel bedrijven die deelnemen aan het LIFT-project. Als mogelijkheden om het
contract te beëindigen, zoals de zwangerschapsbepaling, niet zouden worden
geboden, zouden weinig organisaties behoefte hebben om aan het project deel
te nemen.
De wederpartij betwist het standpunt van verzoekster dat bij langdurige
ziekte van mannen een ander beleid zou worden gevoerd. Het besluit tot
beëindiging van het contract is volledig gebaseerd op het feit dat er sprake
was van langdurige afwezigheid. De reden van de langdurige afwezigheid
speelde geen enkele rol. Het standpunt van verzoekster is niet met feiten
onderbouwd. De wederpartij ontkent met klem dat zij mannen en vrouwen
ongelijk behandelt. Zij wijst er tevens op dat verzoekster intensief
betrokken is geweest bij de opstelling van de overeenkomst. Tegen de bepaling
van artikel 12 van de overeenkomst heeft verzoekster geen bezwaar gemaakt.

Ten aanzien van de vervanging van verzoekster stelt de wederpartij dat de
uitlener weliswaar heeft aangegeven voor vervanging te zorgen, maar geen
geschikte kandidaat heeft kunnen vinden. De wederpartij constateerde dat
aantrekking van iemand die verzoekster zou moeten vervangen geen oplossing
bood voor haar problemen. Het inwerken van een vervang(st)er zou immers de
nodige tijd vergen terwijl het nut daarvan slechts een korte periode zou
bestrijken, waarna weer overdracht van zaken (met de vereiste oriëntatie- en
inwerktijd) nodig zou zijn. Een en ander zou ten koste gaan van de
continuïteit en bedrijfszekerheid. Er was al enige tijd sprake van
regelmatige uitval.
Het organisatiebelang van de wederpartij vereiste derhalve een andere
oplossing dan handhaving van de arbeidsverhouding met verzoekster. Bij het
besluit om de overeenkomst met verzoekster te beëindigen heeft de wederpartij
uitdrukkelijk overwogen dat zij terug kan keren in haar oorspronkelijke
functie en dat haar rechten, voortvloeiende uit de rechtspositie bij
zwangerschap, niet tekort werden gedaan. Het contract is overigens beëindigd
in overeenstemming met de uitlener, die begrip had voor de lastige positie
waar de wederpartij in terecht was gekomen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij, door de overeenkomst met
betrekking tot de detachering van verzoekster te beëindigen, onderscheid
tussen mannen en vrouwen heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.

4.2. Ter beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen van
belang.

Artikel 1b van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (hierna: WGB)
bepaalt dat in geval het bevoegd gezag een ander onder zijn gezag arbeid laat
verrichten, anders dan krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of
ambtelijke aanstelling, de artikelen 646 en 647 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek (hierna: BW) van overeenkomstige toepassing zijn.

Artikel 7:646 lid 1 BW bepaalt onder meer dat een werkgever geen onderscheid
mag maken tussen mannen en vrouwen bij het aangaan en de beëindiging van een
arbeidsovereenkomst.

Artikel 7:646 lid 5 BW bepaalt dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen
moet worden verstaan direct en indirect onderscheid. Onderscheid op grond van
zwangerschap, bevalling en moederschap is op grond van deze bepaling een vorm
van direct onderscheid. Onder onderscheid vanwege zwangerschap wordt mede
begrepen onderscheid wegens de afwezigheid als gevolg van zwangerschap.

4.3. De eerste vraag die beantwoord moet worden is, of de wetgeving gelijke
behandeling van toepassing is op de arbeidsverhouding tussen verzoekster en
de wederpartij.

De Commissie stelt vast dat de uitlener de werkgever van verzoekster is.
Tevens kan onder verwijzing naar de overeenkomst zoals weergegeven onder 3.2.
worden geconstateerd dat verzoekster arbeid verricht onder gezag van de
wederpartij. De Commissie concludeert dan ook dat artikel 1b WGB van
toepassing is. Derhalve dient het handelen van de wederpartij getoetst te
worden aan het in artikel 7:646 BW vervatte verbod op het maken van
onderscheid.

4.4. De vraag die vervolgens voorligt is of het feit dat verzoekster zwanger
was (mede) aanleiding is geweest bij de beslissing van de wederpartij om de
arbeidsverhouding met verzoekster te beëindigen. De Commissie overweegt
hieromtrent als volgt.

De wederpartij verwijst ter zake haar handelen jegens verzoekster naar
artikel 12 lid 5 van de overeenkomst. Commissie stelt vast dat de wederpartij
daarmee rechtstreeks verwijst naar afwezigheid vanwege zwangerschaps-,
bevallings- en ouderschapsverlof.
Met betrekking tot afwezigheid of verminderde inzetbaarheid als gevolg van
een zwangerschap en/of bevalling heeft de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid (de voorgangster van de huidige Commissie)
herhaalde malen uitgesproken (Zie onder andere Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 november 1992, oordeel 421-92-59 en
21 juni 1993, oordeel 449-93-24.), dat dit een onlosmakelijk en
onvermijdelijk gevolg is van de zwangerschap en daardoor op één lijn te
stellen is met de zwangerschap zelf. De huidige Commissie onderschrijft dit
standpunt. Het beëindigen van een arbeidsverhouding op grond van beperkte
inzetbaarheid of afwezigheid in verband met zwangerschap levert dus direct
onderscheid op grond van geslacht op.

4.5. De wederpartij heeft uitvoerig gemotiveerd waarom haars inziens geen
andere keuze kon worden gemaakt dan beëindiging van de arbeidsverhouding met
verzoekster. Deze motivering betrof met name het feit dat de functie van
verzoekster een tijdelijk karakter had.

De Commissie merkt op dat een verbod op het maken van onderscheid bij
verminderde inzetbaarheid of afwezigheid vanwege zwangerschap en bevalling in
geval van werkzaamheden met een tijdelijk karakter inderdaad de vraag kan
oproepen of de grens geraakt wordt van wat de wetgeving gelijke behandeling
beoogt te beschermen. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid overwoog ten aanzien hiervan
(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeel
438-91-68, 2 oktober 1991.) dat deze wetgeving een duidelijke norm stelt ten
aanzien van direct onderscheid op grond van zwangerschap en bevalling zonder
uitzonderingen. De positie van zwangere vrouwen is nog steeds zeer kwetsbaar
en het gebruik van tijdelijke aanstellingen en andere flexibele
arbeidsrelaties is zo wijdverbreid, dat een uitzondering op het verbod om
onderscheid te maken door verwijzing naar zwangerschap te zeer de bescherming
van de wetgeving gelijke behandeling op dit punt zou ontnemen. De
communautaire en Nederlandse wetgever willen de zwangere vrouw een duidelijke
bescherming bieden tegen onderscheid in het arbeidsproces. Dit is bevestigd
door zowel het EG-Hof van Justitie als door de Hoge Raad (Hoge Raad, Dekker
versus Stichting VJV-Centrum, 13 september 1991, NJ 1992, 225. In deze zaak
is ook een arrest gewezen door het Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen, C-177/88, 8 november 1990.Zie tevens het Hof van Justitie der
Europese Gemeenschappen in de zaak Webb, 14 juli 1995. Dit arrest betrof de
zwangerschap van appellante, die was aangesteld in een vervangingsfunctie,
ontstaan door zwangerschap. Het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen
stelt onder meer, dat ontslag wegens zwangerschap directe discriminatie is en
niet kan worden gerechtvaardigd met een beroep op het feit dat de
werkneemster niet beschikbaar is tijdens de periode waarvoor zij is
aangenomen.).
De tegenwerpingen van de wederpartij kunnen derhalve niet afdoen aan de
eerdere vaststelling van de Commissie dat zij jegens verzoekster onderscheid
heeft gemaakt op grond van geslacht.

Direct onderscheid op grond van geslacht is verboden tenzij sprake is van een
wettelijke uitzondering. Deze -in artikel 646 lid 2 tot en met 4 BW genoemde-
uitzonderingen betreffen de geslachtsbepaaldheid van functies, bedingen met
betrekking tot de bescherming van de vrouw en een voorkeursbeleid. Gesteld
noch gebleken is dat deze uitzonderingen in dit geval van toepassing zijn.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de wederpartij door
met toepassing van artikel 12 lid 5 van de overeenkomst deze te beëindigen,
jegens verzoekster een verboden direct onderscheid op grond van geslacht
heeft gemaakt en derhalve gehandeld heeft in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

Dit betekent dat in overeenkomsten als de onderhavige de verwijzingen naar
zwangerschaps-, bevallings- en ouderschapsverlof als mogelijkheden tot
ontbinding van de overeenkomst dienen te worden geschrapt en ook overigens
naar de geest hiervan dient te worden gehandeld.

Wellicht ten overvloede merkt de Commissie op dat zij overtuigd is van de
afwezigheid van kwade bedoelingen bij de wederpartij jegens verzoekster. De
bepalingen in de wetgeving gelijke behandeling die direct onderscheid op
grond van geslacht verbieden, verbieden echter onderscheid zonder meer.
Evenmin worden in de wetgeving gelijke behandeling uitzonderingen ten aanzien
van handelen zonder kwade bedoelingen genoemd (Zie ook het in noot 3 genoemde
arrest van de Hoge Raad (Hoge Raad, Dekker versus Stichting VJV-Centrum, 13
september 1991, NJ 1992, 225).).

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Nederweert jegens
mevrouw (….) te Maastricht direct onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt als bedoeld in artikel 7:646 Burgerlijk Wetboek en derhalve in strijd
met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. L.M. Moerings(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), dhr. mr. S.A. van Zeeland(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 april 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker werkt bij de wederpartij als boswachter. In verband met inkrimping
van de formatie wordt hij als herplaatser aangemerkt. Bij de vervulling van
de overblijvende formatie is, wegens een voorkeursbeleid voor vrouwen, aan
een vrouwelijke collega de voorkeur gegeven. De wederpartij voert een
algemeen voorkeursbeleid, dat met betrekking tot vrouwen inhoudt dat bij
gelijke kwalificaties de voorkeur wordt gegeven aan een vrouw totdat het
aandeel van vrouwen boven de 60% komt. De Commissie oordeelt dat niet voldaan
is aan het vereiste dat het voorkeursbeleid gebaseerd moet zijn op een voor
het concrete geval vastgestelde achterstand. Het voorkeursbeleid voldoet
derhalve niet aan de criteria die gelden voor een dergelijk beleid. Overigens
overweegt de Commissie dat het op zich mogelijk is dat, gezien het feit dat
onder de tien kandidaten die voor plaatsing in aanmerking kwamen slecht één
vrouw was, een voorkeursbeleid bij plaatsing gerechtvaardigd had kunnen zijn.
Ten overvloede merkt de Commissie op dat bij het voorkeursbeleid evenmin
voldaan is aan de eisen met betrekking tot geschiktheid, proportionaliteit en
kenbaarheid. Strijd met wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 27 maart 1998 verzocht de heer (….) te Nootdorp
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna:
de Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of door het College
van Burgemeester en Wethouders Gemeente Den Haag te Den Haag (hierna: de
wederpartij) onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoeker werkt bij de wederpartij als boswachter. In verband met
inkrimping van de formatie wordt hij als herplaatser aangemerkt. Bij de
vervulling van de overblijvende formatieplaatsen is, wegens een
voorkeursbeleid voor vrouwen, aan een vrouwelijke collega de voorkeur
gegeven. Volgens verzoeker heeft de wederpartij hiermee onderscheid gemaakt
naar geslacht.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Verzoeker heeft de Commissie verzocht om de spoedprocedure toe te
passen. De Commissie heeft dit verzoek ingewilligd. Verzoeker heeft zijn
standpunt schriftelijk toegelicht. Partijen hebben tevens hun standpunten
mondeling ter zitting toegelicht. Na de zitting hebben partijen de Commissie
aanvullende informatie doen toekomen met betrekking tot het voorkeursbeleid
bij werving en selectie en de functie-eisen voor de in het geding zijnde
functie.

2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen voor een zitting op 14 april
1998.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (verzoeker)

van de kant van de wederpartij
– mw. mr. E. Wakka (advocaat)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is sinds 1 september 1978 werkzaam als boswachter bij de
Dienst Stadsbeheer van de wederpartij. De formatie boswachters bij deze
dienst bestond uit twaalf formatieplaatsen.

Voor de laatste vacature is begin 1996 geworven. In het interne
vacaturebulletin bij het Personeelsblad ‘Den Haag en wij’ van de Gemeente Den
Haag van 24 januari 1996 worden de functie-eisen genoemd:
– MBO werk- en denkniveau;
– bevoegdheid buitengewoon opsporingsambtenaar van de politie;
– goede kennis van de betreffende wet- en regelgeving en plaatselijke
verordeningen terzake;
– kennis van flora en fauna en van het jachtbedrijf;
– EHBO-diploma;
– goede mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid;
– flexibele instelling, stressbestendig en tactvol;
– bij voorkeur in bezit van rijbewijs BE.

Bij de algemene informatie betreffende interne vacatures staat dat vrouwen en
allochtonen bij gelijke geschiktheid voorkeur genieten en vrouwelijke
allochtonen bij voldoende geschiktheid.

In een memo van 19 februari 1997 werden alle boswachters
geïnformeerd over het voorgenomen besluit van de wederpartij.
In verband met bezuinigingen zouden vier arbeidsplaatsen vervallen bij de
boswachterij. De formatie boswachters zou worden ingekrompen van twaalf naar
acht formatieplaatsen.
Twee van de twaalf boswachters hebben gebruik gemaakt van een
afvloeiingsregeling. Verzoeker is, middels een brief van de
wederpartij van 9 februari 1998, als een van de twee herplaatsers aangewezen.
Een vrouwelijke collega is tegen de verwachting van verzoeker in, in het
kader van het toepassen van een voorkeurs-beleid, als plaatser aangemerkt.
Verzoeker heeft op 23 maart 1998 een bezwaarschrift ingediend tegen het
besluit van de wederpartij hem aan te merken als herplaatser. De wederpartij
heeft nog geen definitief besluit genomen over de herplaatsing van verzoeker.

In de brief van 9 februari 1998 van de wederpartij staat vermeld dat de
selectie van de acht boswachters aan de hand van de volgende criteria heeft
plaats gevonden:
– gebleken geschiktheid aan de hand van een recente, minimaal voldoende
beoordeling, en indien dat onvoldoende selectie oplevert:
– anciënniteit op basis van dienstjaren en leeftijd.
Ook staat in voornoemde brief vermeld, dat de in het draaiboek Sociaal
Beleidskader (SBK) Stadsbeheer vermelde voorkeursregels zijn toegepast.
In het draaiboek SBK Stadsbeheer staat in paragraaf 3 over het
voorkeursbeleid het volgende vermeld:
“- Bij de streefcijfers is de intentie van de directie om bij gelijke
kwalificatie voor een functie de keuze te maken voor de vrouw of allochtoon.
Als de evenredige vertegenwoordiging in de functie bij vrouwen boven de 60%
komt en bij allochtonen boven de 40% dan vervalt deze voorkeursregel.”.

Ten aanzien van de status van medewerkers vermeldt paragraaf 2 van het
Draaiboek SBK Stadsbeheer:
“De plaatsingscommissie of het hoofd van het bedrijfsonderdeel maakt een
overzicht van de oude en de nieuwe functies met de kwalificatie “gelijk” of
“niet gelijk”.
((….).)
De kwalificatie “niet gelijk” betekent, dat de betrokken
medewerker herplaatser is. De kwalificatie “gelijk” betekent,
dat iemand plaatser is, dus op zijn “gelijke” functie geplaatst zal worden.
Een medewerker kan echter ook herplaatser worden, doordat het aantal
formatieplaatsen van één functie inkrimpt. Hoe bepaal je welke medewerker(s)
de betreffende functie mag/mogen blijven uitoefenen? ((….).)
De kern van het SBK is selecteren op basis van geschiktheid.
Dit zal derhalve gehanteerd worden bij het bepalen van de status door:
1- het doorlichten van de beoordelingen (vastgesteld door de directeur).
Selecteren op basis van geschiktheid betekent de volgorde van de
kwalificaties van de beoordelingen volgen. T.a.v. de streef-
cijfers wordt verwezen naar paragraaf 3.
((….))”

De in paragraaf 3 genoemde streefcijfers zijn gekozen in overleg tussen de
directie van de betreffende Dienst en de Ondernemingsraad. De mogelijkheid
van voorkeursbehandeling bij werving en selectie is gebaseerd op het algemene
voorkeursbeleid zoals dat wordt gehanteerd door de wederpartij. Dit beleid is
alleen neergelegd in de Sollicitatiecode van de Gemeente Den Haag, waar onder
de paragraaf ‘Selectiecriteria’ staat:
” Om door de wet voorgeschreven minimum-percentages of door de tak van dienst
opgestelde streefcijfers te realiseren met
betrekking tot achterstandsgroepen, kan voorrang worden gegeven aan bepaalde
groepen, zoals vrouwen, migranten en gehandicapten”.

Bij de inkrimping van de boswachtersformatie moesten dus van de tien
resterende boswachters twee afvallen. Onder deze tien
boswachters waren negen mannen en één vrouw. Naast het functioneren van de
betrokkenen is gelet op anciënniteit, waarbij onder anciënniteit wordt
verstaan de som van de leeftijd en de dienstjaren in burgerlijke
overheidsdienst. Eén boswachter functioneerde onvoldoende. Er moest dus één
boswachter worden aangewezen. Op basis van het voorkeursbeleid is toen
gekozen voor de vrouwelijke collega van verzoeker, hoewel haar
anciënniteitsfactor 51 bedroeg en die van verzoeker 55.

Standpunten van partijen

3.2. Verzoeker stelt het volgende.

Doordat de wederpartij de vrouwelijke collega van verzoeker een
voorkeursbehandeling heeft gegeven wordt verzoeker
gediscrimineerd.
Een voorkeursbehandeling mag volgens de wet gelijke behandeling uitsluitend
toegepast worden:
– Bij de werving (dus de sollicitatie) van vrouwen. Dat is niet het geval
aangezien het hier een reorganisatie betreft.
– Indien wordt aangegeven met welke ‘reden’ een voorkeursbeleid wordt
gevolgd, hetgeen niet in het Sociaal Beleidskader Reorganisaties staat
vermeld.

Hij maakt bezwaar tegen de manier waarop de selectiecommissie de term
“Gelijke Kwalificatie” heeft toegepast.
De vergelijking van gelijke kwalificaties tussen een van de wel geplaatste
collega’s en verzoeker door de selectiecommissie is te summier en niet op
juiste gronden tot stand gekomen. Dit zou alleen gemeten zijn aan de hand van
de laatste beoordelingen. Alle kwalificaties zouden gelijk moeten zijn en
niet alleen de laatste beoordeling. Een van de collega’s is in feite nog
leerling, loopt in maart 1998 nog een stage en heeft nog geen ervaring met
het opmaken van processen-verbaal of bezwaarschriften en dergelijke. Er zijn
derhalve onvoldoende functiebestanddelen en vergelijkingsmateriaal van hem
aanwezig om deze collega een beoordeling te geven als ‘voldoende’ op basis
waarvan door de selectiecommissie nu een selectie is gemaakt naar
geschiktheid. Door de niet vergelijkbare beoordeling van deze collega vervalt
ook de regeling van geschiktheid en anciënniteit.

Voorts zouden alle aspecten gelijk moeten zijn, dus ook de
anciënniteit. Nu deze voor de vrouwelijke collega lager is, is er ook geen
sprake van gelijke kwalificatie, in de zin van het SBK.

Verzoeker legt dan ook de volgende vragen aan de Commissie voor:
– Is door de wederpartij de voorkeursbehandeling terecht
toegepast?
– Had er door de wederpartij naar meerdere aspecten gekeken
moeten worden om tot een objectieve beoordeling te komen over de gelijke
kwalificatie dan alleen het vergelijken van een laatste beoordeling tussen de
verzoeker en zijn collega?
– Hadden niet alle kwalificaties (zo ook de anciënniteitsjaren) van zijn
collega gelijk moeten zijn om voor een voorkeursbehandeling in aanmerking te
komen?

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

Het betreft een beperkte reorganisatie. Van de tien overblijvende boswachters
moesten er twee af. Over de wijze waarop dit moest gebeuren is overleg
geweest met personeelszaken en de
Ondernemingsraad. Als eerste is gekeken naar het functioneren, waarbij de
laatste beoordeling als uitgangspunt is genomen.
Als vangnet is vervolgens de anciënniteit ingezet. De anciënniteit wordt
vastgesteld aan de hand van de som van het aantal dienstjaren bij de
burgerlijke overheid en de leeftijd van betrokkene. Toen op één na allen
‘voldoende’ beoordeeld werden, moest naar de anciënniteit gekeken worden,
maar dat zou betekenen dat het voorkeursbeleid niet meer geëffectueerd kon
worden, omdat de enige vrouw een lagere anciënniteit had dan verzoeker.
Toen heeft het voorkeursbeleid geprevaleerd.
De cijfers van het voorkeursbeleid, waarin staat dat bij vrouwen een
voorkeursbeleid gevoerd wordt tot een aandeel van 60% is bereikt en bij
allochtonen tot 40% zijn niet gerelateerd aan specifieke gegevens zoals het
arbeidsaanbod. Ze hebben te maken met de ervaring van de wederpartij, dat
door verloop, deeltijd-banen en dergelijke anders geen resultaten geboekt
wordt.
Ten tijde van de bepaling van het streefcijfer is geïnformeerd naar de
samenstelling van de werkloze beroepsbevolking en daaruit kwam naar voren dat
die informatie niet per beroep(sgroep) verkregen kon worden.
Het voorkeursbeleid is neergelegd in algemene beleidsstukken van de gemeente
en in het SBK dat iedereen kan inzien, hoewel het vooral is bedoeld voor
personeelsfunctionarissen.

Bij de beoordeling van de kandidaten is geprobeerd om subjectieve verschillen
te elimineren en daarom is gekeken of er sprake was van voldoende of
onvoldoende functioneren. Verschillen in beoordeling kunnen immers te maken
hebben met verschillen tussen beoordelaars, omdat iedere medewerker door een
andere chef wordt beoordeeld, ook al geschiedt de beoordeling aan de hand van
vaste criteria. Tevens kan er sprake zijn van persoonlijke omstandig-heden
waardoor de één bijvoorbeeld meer processen-verbaal heeft kunnen opmaken dan
de ander.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door verzoeker als
herplaatser aan te merken en hem niet in aanmerking te laten komen voor de
functie van boswachter onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving
gelijke behandeling.

In dat kader zijn de volgende artikelen van belang.

4.2. Artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (hierna: WGB)
bepaalt dat in de openbare dienst het bevoegd gezag geen onderscheid mag
maken tussen mannen en vrouwen bij de aanstelling tot ambtenaar of
indienstneming op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, in de
arbeidsvoorwaarden, bij het verstrekken van onderricht, bij de bevordering en
bij de beëindiging van het dienstverband.

Artikel 3 lid 1 WGB bepaalt dat het niet is toegelaten bij de aanbieding van
een betrekking of bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen
en vrouwen.

Van het verbod vervat in de artikelen 1a en 3 mag krachtens
artikel 5 lid 1 WGB worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt
vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke
ongelijkheden op te heffen of te verminderen en het onderscheid in een
redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.

4.3. In het onderhavige geval is sprake van toepassing van voorkeursbeleid
bij herplaatsing bij reorganisatie. De wederpartij voert een algemeen
voorkeursbeleid, dat met betrekking tot vrouwen inhoudt dat bij gelijke
kwalificaties voorkeur wordt gegeven aan een vrouw totdat het aandeel van
vrouwen boven de 60% komt.

In de zaak Kalanke/Bremen (HvJEG, 17 oktober 1995, E. Kalanke versus Freie
Hansestadt Bremen, zaak C-450/93.) heeft het Europese Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) een nadere uitleg gegeven aan
voorkeursbeleid. In deze zaak kwam onder andere de vraag aan de orde of,
zolang het aandeel van vrouwen boven een bepaald functieniveau niet minstens
voor de helft uit vrouwen bestond, een voorkeursbeleid voor vrouwen gevoerd
mocht worden. Door het Hof werd deze vraag ontkennend beantwoord, omdat er
niet automatisch vanuit gegaan mag worden dat er sprake is van
ondervertegenwoordiging van vrouwen als hun aandeel in de hogere
salarisgroepen personeel niet minstens 50% is (Commissie gelijke behandeling,
25 februari 1997, oordeel 97-20.).

In de zaak Marschall/Land Nordrhein-Westfalen (HvJEG, 11 november 1997, H.
Marschall versus Land Nordrhein-
Westfalen, C-409/95.) heeft het Hof het volgende overwogen. Richtlijn
76/207/EEG verbiedt alle soorten van discriminatie op grond van geslacht. Op
grond van artikel 2 lid 4 van de Richtlijn zijn echter wel maatregelen
toegestaan die gelijke kansen voor mannen en vrouwen bevorderen door het
opheffen van feitelijke ongelijkheden van vrouwen. Anders dan de regeling die
in de zaak Kalanke aan de orde was, ging het hier om een regeling waarbij bij
ondervertegenwoordiging van vrouwen de voorkeur werd gegeven aan een vrouw,
voor zover de met de persoon van een medekandidaat verband houdende redenen
de balans niet in diens voordeel doen doorslaan. Volgens het Hof overschrijdt
de nationale regeling die in de zaak Marschall aan de orde was, de grenzen
van artikel 2 lid 4 niet indien zij waarborgen bevat dat mannelijke
kandidaten die geschikt zijn in elk individueel geval aan een objectieve
beoordeling worden onderworpen, waarbij rekening wordt gehouden met alle
criteria betreffende de persoon van de kandidaten en aan de kandidaat geen
voorrang wordt gegeven, wanneer één of meer van die criteria de balans in het
voordeel van de man doen doorslaan. Voorwaarde, die het Hof daarbij stelt is
wel dat de betreffende criteria niet discriminerend zijn ten opzichte van
vrouwelijke kandidaten.

Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie – in overeen-
stemming met de jurisprudentie van het Hof – dient voorkeursbeleid te voldoen
aan de volgende criteria met betrekking tot proportionaliteit en
zorgvuldigheid van het voorkeursbeleid (Commissie gelijke behandeling, 25
augustus 1995, oordeel 95-35 en Commissie gelijke behandeling m/v, 15
december 1993, oordeel 537-93-50.):
1. De achterstand moet worden vastgesteld in het concrete geval, dus per
functiesoort en -niveau, voor zover die een duidelijk eigen toestroom hebben.
Deze achterstand wordt bepaald door het concrete aandeel hierin van vrouwen
te vergelijken met het aandeel in het relevante potentiële aanbod van
vrouwen;
2. Per specifieke categorie moet worden vastgesteld welke maatregel en
intensiteit van voorkeursbehandeling geschikt is en voldoet aan eisen van
proportionaliteit;
3. Er moet duidelijk bekend gemaakt worden dat een voorkeursbehandeling van
toepassing is.

4.4. Het eerste criterium leidt ertoe dat een organisatie moet nagaan welke
functiesoorten en -niveaus binnen de organisatie een duidelijk eigen
toestroom uit de arbeidsmarkt hebben. Over het algemeen betekent dat, dat
binnen een organisatie een verdeling in functies naar bijvoorbeeld
functie-inhoud en/of beloningsniveau wordt gemaakt. Vervolgens wordt gekeken
wat het specifieke arbeidsaanbod is.

In het onderhavige geval is het voorkeursbeleid bij reorganisatie uitsluitend
gebaseerd op een algemeen streefcijfer van 60%, dat ook bij werving en
selectie wordt gehanteerd. Dit percentage wordt ten aanzien van werving en
selectie slechts onderbouwd aan de hand van algemene vooronderstellingen en
verwachtingen met betrekking tot doorstroom en arbeidsduur van vrouwen.
Daarmee is niet voldaan aan het eerste criterium, dat het voorkeursbeleid is
gerelateerd aan een specifieke achterstand.
In het algemeen acht de Commissie het verwijzen naar algemene cijfers niet in
overeenstemming met de eisen die aan een
voorkeursbeleid gesteld moeten worden. (Zie ook: Commissie gelijke
behandeling m/v, 25 februari 1993, oordeel 536-93-41.) De wederpartij heeft
bovendien niet aan kunnen tonen wat het aandeel van vrouwen is onder de
potentiële kandidaten voor de functie van boswachter.

In het onderhavige geval is sprake van een reorganisatie waarbij het aandeel
van in aanmerking komende vrouwen aanzienlijk kleiner is dan 60%.
De Commissie stelt vast dat niet is voldaan aan het eerste
criterium voor een rechtmatig voorkeursbeleid, namelijk dat het beleid moet
zijn gebaseerd op een voor het concrete geval vastgestelde achterstand. Op
grond van deze overwegingen stelt de Commissie vast dat het door de
wederpartij gevoerde voorkeursbeleid niet voldoet aan de criteria die gelden
voor een dergelijk beleid, en dat mitsdien de toepassing van het
voorkeursbeleid niet voldoet aan de eisen die voortvloeien uit artikel 5 WGB
en derhalve in strijd is met artikel 1a WGB.

4.5. Overigens overweegt de Commissie dat het op zich zeer wel
mogelijk is, dat gezien het relatief zeer geringe aandeel van vrouwen onder
de groep boswachters, een voorkeursbeleid bij herplaatsing gerechtvaardigd
had kunnen zijn.
Onder de tien kandidaten voor herplaatsing was immers slechts één vrouw.
Hiervoor gelden evenwel dezelfde procedurele eisen als onder 3.3. aangegeven.
De Commissie constateert echter dat ook het voorkeursbeleid bij herplaatsing
niet aan genoemde eisen voldoet en derhalve in strijd is met artikel 1a WGB.

4.6. Ten overvloede merkt Commissie op, dat bij het gevoerde
voorkeursbeleid evenmin wordt voldaan aan de overige gestelde eisen, te weten
eisen met betrekking tot geschiktheid, proportionaliteit en kenbaarheid.

Daarbij constateert de Commissie dat de wijze waarop anciënniteit wordt
berekend, afwijkt van hetgeen gebruikelijk is. Dit kan tot gevolg hebben dat
een medewerker met weinig dienstjaren op grond van leeftijd toch een grotere
anciënniteit heeft. Jongere, mannelijke medewerkers kunnen daardoor op basis
van hun leeftijd en geslacht disproportioneel getroffen worden, omdat zij een
lagere anciënniteit krijgen dan hun oudere collega’s èn bij een
voorkeursbeleid moeten wijken voor vrouwen.

Voorts is ter zitting gebleken dat invulling van het criterium gelijke
geschiktheid, teneinde niet objectiveerbare waarderingsverschillen bij de
beoordeling van medewerkers te elimineren, in de praktijk neerkomt op
‘voldoende geschiktheid’. Hiermee is het beleid niet in overeenstemming met
de door de wederpartij gepubliceerde regel dat bij gelijke geschiktheid de
voorkeur wordt gegeven aan een vrouw. Het is bovendien de vraag of hiermee
wordt voldaan aan de eis die in de zaak Marschall is gesteld door het Hof,
dat er voldoende waarborgen zijn dat mannelijke kandidaten die gelijk
geschikt zijn in elk individueel geval aan een objectieve beoordeling worden
onderworpen.
Tevens wijst de Commissie erop, dat het Hof in de zaak Marschall eveneens
heeft bepaald dat een maatregel vrouwen bij bevorderingen geen absolute en
onvoorwaardelijke voorrang mag garanderen, daar zij anders de grenzen van de
in deze bepaling voorziene uitzondering zou overschrijden.

Tenslotte wijst de Commissie erop dat het voorkeursbeleid bij reorganisatie
bekend is gemaakt middels het Draaiboek voor SBK. Dat betekent niet
automatisch dat het ook aan alle mogelijke betrokkenen bekend is. Daarmee is
ook niet voldaan aan het
criterium dat het beleid voldoende kenbaar is gemaakt.

Op grond van bovenstaande overwegingen zou derhalve het
gehanteerde voorkeursbeleid, ook als het wel zou hebben voldaan aan de
voorwaarde die is gesteld met betrekking tot de vaststelling van de
achterstand, niet in overeenstemming zijn met de geldende criteria
betreffende voorkeursbeleid.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Burgemeester en
Wethouders Gemeente Den Haag te Den Haag jegens de heer (….) te Nootdorp
direct onderscheid heeft gemaakt naar geslacht als bedoeld in artikel 1a Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 april 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is van Turkse afkomst en wilde van de wederpartij een zaal huren
ten behoeve van een familiefeest. De wederpartij deelde verzoeker mede dat
hij niet in aanmerking kwam voor de zaal, aangezien deze in de betreffende
periode reeds verhuurd was. Volgens verzoeker is de zaal hem geweigerd
vanwege zijn Turkse afkomst.
Door het Meldpunt discriminatie Tiel zijn een aantal praktijktesten
uitgevoerd om te beoordelen of allochtone en autochtone testpersonen door de
wederpartij gelijk behandeld werden.
De Commissie concludeert dat het niet aannemelijk is geworden dat er bij de
verhuur van de zaal sprake is geweest van onderscheid op grond van ras. De
Commissie beveelt de wederpartij echter wel aan om bij de zaalverhuur
aandacht te schenken aan een soepel verloop van de communicatie met minder
goed Nederlands sprekende personen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 9 april 1997 heeft de heer (….) te Tiel (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling verzocht een oordeel uit te
spreken over de vraag of (….) te Tiel (hierna: de wederpartij) onderscheid
heeft gemaakt op grond van ras in strijd met de Algemene wet gelijke
behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker is van Turkse afkomst. In september 1996 heeft hij met zijn
vrouw getracht bij de wederpartij een zaalruimte te reserveren voor het
vieren van een familie-feest. De wederpartij heeft aan verzoeker meegedeeld
dat hij niet in aanmerking kwam voor een zaal omdat alle zalen in die periode
volgeboekt waren. Verzoeker is van mening dat de wederpartij jegens hem in
strijd heeft gehandeld met de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek om een oordeel in behandeling genomen en
partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens zijn partijen opgeroepen en hebben hun standpunten nader
toegelicht tijdens een zitting op 16 februari 1998. Verzoeker heeft twee
getuigen meegebracht.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker:
– dhr. (….) (verzoeker)
– dhr. (….) (medewerker Meldpunt Discriminatie Tiel)

van de kant van de wederpartij:
– dhr. (….) (directeur)
– dhr. (….) (onderdirecteur)
– dhr. mr. S.H.A.J. Beckers (advocaat)

als getuigen:
– dhr. (….) (getuige I)
– mw. (….) (getuige II)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– mw. mr. G.H. Felix (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij exploiteert een restaurant. Tevens beschikt zij over
zaalaccommodatie waar bruiloften en partijen worden verzorgd. In september
1996 hebben verzoeker en zijn vrouw, beide van Turkse afkomst, getracht bij
de wederpartij een zaal te reserveren voor het vieren van een feest naar
aanleiding van de besnijdenis van hun zoon. Zij zijn daarvoor persoonlijk
naar de wederpartij toegegaan. De vrouw van verzoeker die goed de Nederlandse
taal beheerst, heeft het woord gevoerd. Nadat zij enkele data had genoemd
waarop verzoeker en zijn vrouw het feest wilden vieren, werd hen meegedeeld
dat zij niet voor een zaal in aanmerking kwamen omdat alle zalen tot eind
1997 volgeboekt waren.

3.2. Vervolgens heeft verzoeker op 6 september 1996 de weigering om een zaal
te reserveren, gemeld bij het Meldpunt Discriminatie Tiel (hierna: het
Meldpunt). Naar aanleiding hiervan is het Meldpunt in oktober 1996 gestart
met het uitvoeren van praktijktesten om te onderzoeken of de wederpartij
discrimineert. In het totaal zijn er drie praktijktesten in de vorm van
telefoongesprekken gedaan. Een test bestond uit het voeren van twee
telefoongesprekken. De testen zijn uitgevoerd op: 2 en 3 oktober 1996, 21
december 1996 en 14 januari 1997 en 11 en 12 februari 1997. In totaal zes
personen, drie van allochtone afkomst en drie van autochtone afkomst, hebben
de wederpartij telefonisch benaderd met de vraag of zij een zaal konden
reserveren voor het vieren van een bruiloft. Van de praktijk-testen is een
verslag opgemaakt.
Uit het verslag blijkt dat bij de eerste praktijktest allochtone en
autochtone personen correct zijn behandeld. De autochtone persoon die een dag
later belde kreeg evenwel meer mogelijkheden aangeboden. Bij de tweede
praktijktest is de autochtone persoon, die drie en halve week later belde,
welwillender te woord gestaan dan de allochtone persoon.
Bij de derde praktijktest werd de allochtone persoon correct behandeld. Een
autochtone persoon die een dag later belde werden evenwel meer mogelijkheden
voorgelegd.

3.3. Vaststaat dat het aantal aanvragen voor een zaal bij de wederpartij
groter is dan het aantal zalen dat beschikbaar is.
Voor wat betreft de wijze waarop zalen worden gereserveerd is gebruikelijk
dat mensen eerst een optie nemen op een bepaalde zaal op een bepaalde datum.
Bij het eerste gesprek wordt uitgelegd welke opties er mogelijk zijn.
Voor het reserveren van zalen hanteert de wederpartij de huisregel dat een
ieder persoonlijk langs moet komen. Als een klant belt en een optie neemt op
een zaalruimte dan wordt de klant uitgenodigd langs te komen. Als een ander
al een optie heeft op de ruimte dan wordt intussen nagegaan of die optie is
omgezet in een reservering. Het kan voorkomen dat een zaal in eerste
instantie gereserveerd lijkt te zijn, terwijl een aantal dagen later blijkt
dat de zaal wel beschikbaar is gekomen.

De standpunten van partijen

Verzoeker stelt het volgende.

3.4. Verzoeker is samen met zijn vrouw bij de wederpartij langs gegaan en
heeft een aantal data voor het feest voorgelegd. Het kwam daarbij niet aan op
een maand, zelfs een paar maanden later zou ook kunnen. Verzoeker en zijn
vrouw hebben ook geen eisen gesteld met betrekking tot de verzorging van het
feest. Nadat de receptioniste navraag had gedaan, kwam zij terug met de
mededeling dat verzoeker geen zaal kon reserveren omdat alle zalen tot eind
1997 volgeboekt waren. Verzoeker stelt dat vervolgens nauwelijks antwoord
werd gegeven op de vraag waarom het niet kon. De wederpartij heeft geweigerd
inzicht te geven in de agenda om de afwijzing aannemelijk te maken of om
misverstanden te voorkomen. De wederpartij heeft vervolgens niet gereageerd
toen de vrouw van verzoeker zei dat het op discriminatie op grond van Turkse
afkomst leek. Verzoeker en zijn vrouw zijn toen verontwaardigd weggegaan.
Uiteindelijk hebben zij het feest op een andere locatie gevierd.

3.5. Nadat verzoeker het voorval had gemeld, heeft het Meldpunt besloten
eerst meer bewijs te verzamelen omdat de wederpartij bekend staat als een
druk bezocht restaurant waar tijdig gereserveerd moet worden. Het Meldpunt
geeft aan dat zij gedurende een lange tijd praktijktesten heeft uitgevoerd om
ook buiten de vakantieperiodes te kunnen testen. Naar aanleiding van de
testen heeft het Meldpunt sterk het vermoeden dat de wederpartij allochtone
klanten ontmoedigt een ruimte te reserveren, terwijl aan de wensen van
autochtone klanten vriendelijk tegemoet wordt gekomen.

3.6. Het verslag van de praktijktesten, opgemaakt door het Meldpunt, is door
de Commissie geanonimiseerd. Dit verslag vermeldt inhoudelijk het volgende.

Op 2 oktober 1996 heeft een Turkse vriend van verzoeker in bijzijn van drie
personen en verzoeker telefonisch het restaurant benaderd met het verzoek om
een zaal te huren voor een bruiloft. (Dit gesprek is op een bandje
vastgelegd.) De beller werd door de receptioniste doorverbonden met de
directie. Het resultaat was dat de voorgestelde dagen, op een paar
uitzonderingen na, volgeboekt waren. De beller werd gevraagd persoonlijk
langs te komen. Hij is naar de wederpartij toegegaan en zegt aardig te zijn
behandeld. Hij kreeg de mogelijkheid een zaal te huren.
Vervolgens heeft een dag later, op 3 oktober 1996, een autochtone man naar de
wederpartij gebeld. Hij werd onmiddellijk door de receptioniste geholpen. Een
aantal dagen die zogenaamd geboekt waren, bleken nog beschikbaar te zijn.
(Ook dit gesprek is op een bandje opgenomen).

Enkele dagen later vertelde een Turkse vrijwilligster bij het Meldpunt dat
zij zonder moeite een zaal kon huren bij de wederpartij. Zij werd ook aardig
geholpen, maar heeft door de hoge kosten het aanbod afgewezen en elders een
ruimte gehuurd. Zij was niet op de hoogte van de klacht van verzoeker.

Op 21 december 1996 is door een allochtone man naar het restaurant gebeld.
Door getuigen zijn aantekeningen gemaakt.
Het gesprek verliep als volgt:
– Goedemiddag, ik ben (….) uit (….) Ik zou graag wat willen weten over
zaalverhuur.
– Receptioniste: ja – momentje a.u.b.- stilte- kunt u over een half uurtje
terugbellen?
Tweede gesprek.
– Ik ben (….), ik zou graag een zaal willen huren.
– Receptioniste: Ik verbind u door.
– Ik zou een zaal willen huren voor zaterdag 5 april.
– Chef: Om hoeveel personen gaat het?
– veertig personen
– en hoe laat?
– van 16.00 tot 20.00 uur s’avonds
– met muziek?
– ja
– nee dat lukt niet
– kan het een week later?
– nee, bij ons is 13 april volgeboekt, het is vaak druk, april tot juni is
volgeboekt
– zondag dan?
– met eten?
– ja, met eten
– helaas, het restaurant is zondag vol, januari kan eventueel. Kom langs voor
een gesprek als het ook eerder kan.
Het gesprek verliep stroef en het “alternatief” januari voor een bruiloft in
april is een beetje onzinnig.

Op 14 januari 1997 heeft een autochtone vrouw naar de wederpartij gebeld met
dezelfde vragen als de vorige beller. Zij werd vriendelijk door de
receptioniste te woord gestaan en niet doorverwezen. 5 april was inderdaad
volgeboekt, maar 4 april werd gelijk als alternatief aangeboden. Reserveren
was alleen persoonlijk mogelijk, een aspect wat eerder niet gezegd was.
Verder legde zij ook uit dat de zaal eventueel met schuifdeuren aangepast kon
worden aan het aantal gasten. Terwijl de vorige beller moeite moest doen om
antwoord te krijgen moest zij moeite doen om het gesprek af te ronden, zo
uitvoerig was de receptioniste in haar uitleg over de mogelijkheden en
kosten.

Op 11 februari 1997 heeft een allochtone vrouw het restaurant gebeld. Zij
werd wederom doorverwezen naar de chef. Zij wilde reserveren voor 24 mei, 31
mei, 7 juni of 14 juni. Het antwoord was dat alles tot en met 1998 volgeboekt
was en men zo’n anderhalf tot twee jaar van tevoren moet boeken. Zij werd wel
uitgenodigd om langs te komen voor uitleg.
Op 12 februari 1997 belde een autochtone vrouw met dezelfde vragen. De
receptioniste heeft haar wederom vriendelijk en correct behandeld. De dagen
24 en 31 mei waren inderdaad volgeboekt, 7 en 14 juni waren echter nog vrij.
Zij kon zonder moeite een optie krijgen voor 7 juni.

3.7. De verklaring van getuige I.

De getuige verklaart dat voordat het Meldpunt met de praktijktest is gestart,
verzoeker nogmaals, telefonisch, contact heeft gehad met de wederpartij. De
vragen die hij moest stellen waren van te voren op papier gezet, omdat hij
niet goed de Nederlandse taal beheerst. Volgens de getuige werd verzoeker van
het kastje naar de muur gestuurd. De getuige weet niet of de testpersonen met
dezelfde medewerker van de wederpartij hebben gesproken.
De ervaring van de getuige is dat het verschil in behandeling aan de telefoon
te maken heeft met de mate van de taalbeheersing van het Nederlands. Mensen
van allochtone afkomst worden onbereidwillig en onvriendelijk behandeld.

3.8. De verklaring van getuige II.

De getuige was, als stagiaire van het Meldpunt, vanaf het begin aanwezig bij
het uitvoeren van de testen en heeft meegeluisterd. Zij stemt in met wat er
in het verslag van de praktijktesten is beschreven, maar herinnert zich niet
meer hoe het gesprek met de wederpartij dat zij zelf voerde, verliep. Zij
stelt dat naarmate er meer met een accent werd gesproken, het gesprek minder
vriendelijk verliep.

De wederpartij stelt het volgende.

3.9. De wederpartij geeft aan met verbazing kennis te hebben genomen van de
inhoud van de klacht. Op geen enkele wijze wordt er binnen de organisatie
gediscrimineerd. De wederpartij ervaart het als kwetsend dat zij zich moet
verweren. De wederpartij stelt dat de goede naam welke zij de afgelopen jaren
heeft opgebouwd van levensbelang is. Door de huidige gang van zaken loopt de
wederpartij het risico op negatieve wijze in de publiciteit te komen en
derhalve komt de broodwinning van de eigenaren en het gehele personeel in
gevaar.

De wederpartij is van mening dat op grond van een wel zeer insufficiënte (of
ontoereikende) test is overgegaan tot het indienen van een klacht bij de
Commissie. Vier maal is er door iemand van allochtone afkomst gebeld en in
twee gevallen is gebleken dat zij zonder meer welkom waren. Het op grond van
deze feiten aanhangig maken van een klacht bij de Commissie getuigt van
onzorgvuldigheid en ondoordachtheid. De wederpartij vraagt zich af of het
niet eenvoudiger was geweest als het Meldpunt naar aanleiding van de melding
van verzoeker (en de praktijktesten) zelf met haar in contact was getreden.

3.10. De wederpartij geeft aan dat in het algemeen iedereen welkom is een
feest bij de wederpartij te laten verzorgen. Uiteraard worden er
uitzonderingen gemaakt op grond van commerciële en organisatorische
overwegingen. Als ondernemer maakt de wederpartij immers steeds keuzes op
grond van commerciële redenen.
De wederpartij noemt de volgende voorbeelden:
– Het is niet mogelijk een feest te houden, indien daarbij de wens wordt
geuit om gebruik te kunnen maken van de keuken.
De bediening van de modernste keukenapparatuur vereist een gedegen opleiding
en organisatorisch is het niet mogelijk om de koks te confronteren met
‘vreemden’ in de keuken. Verder komt daar nog bij de eventuele
aansprakelijkheid bij ongelukken en het feit dat de koks tevens moeten zorgen
voor de bestellingen uit het restaurant.
– Het is niet mogelijk om zelfgemaakte spijzen en dranken, alsmede flessen
alcohol op tafel te zetten. Dit is om commerciële redenen bijzonder
onaantrekkelijk en de ervaring leert dat de directe beschikbaarheid van grote
hoeveelheden alcohol overmatig alcoholgebruik in de hand werkt, hetgeen vaak
leidt tot vechtpartijen.

De wederpartij stelt dat bovenstaande wensen meer van allochtonen afkomstig
zijn, maar als een autochtoon een dergelijke wens uit wordt daar ook niet aan
tegemoet gekomen.
Verder worden bijvoorbeeld lucratieve bijeenkomsten, examenfeesten,
danceparty’s voor jongeren en popconcerten geweigerd om te voorkomen dat de
goede naam van het bedrijf op het spel wordt gezet.

3.11. Bij de wederpartij is sinds begin 1996 de afspraak gemaakt dat
reserveringen slechts mogelijk zijn in direct gesprek met de directie.
Hierbij wordt niet gelet op uiterlijk of huidskleur, maar wordt geprobeerd te
achterhalen om wat voor een feest het gaat. In de week (op beperkte
tijdstippen) worden potentiële gasten aan de telefoon te woord gestaan door
de receptioniste. Gedurende de resterende tijd wordt de telefoon aangenomen
door een personeelslid die de opdracht heeft potentiële klanten door te
leiden naar de directie.

3.12. Gelet op de geruime tijd die reeds is verstreken, is het niet mogelijk
een gedetailleerd antwoord te geven op de vraag waarom verzoeker niet in
aanmerking kwam voor het huren van een zaal. Uit de administratie is dit niet
op eenvoudige wijze op te maken. Mogelijk hebben verzoeker en zijn vrouw een
extreme wens geuit met betrekking tot het feest of wilden zij het feest op
een zondag (de dag waarop de wederpartij zich volledig richt op het a la
carte restaurant).
De wederpartij stelt dat het regelmatig voorkomt dat een zaal de ene dag
bezet blijkt en de andere dag beschikbaar is. Het komt helaas voor dat een
feest wordt afgezegd. Veel mensen die een feest willen houden nemen eerst een
optie op een zaal (soms meerdere) op een bepaalde datum en laten deze dan
vervolgens verlopen.
Regelmatig zijn er gasten van allochtone afkomst die uiterst tevreden zijn
over de wijze waarop zij behandeld zijn.
De wederpartij biedt onder andere allochtone rij-instructeurs de mogelijkheid
hun geloof te belijden in een van de ruimtes. Daarnaast heeft de wederpartij
diverse allochtonen in dienst (gehad).
Tenslotte voert de wederpartij aan het betreurenswaardig te vinden dat een
weigering om organisatorische dan wel commerciële redenen, heeft geleid tot
het idee dat er sprake was van discriminatie. Het spijt de wederpartij dat
zij er blijkbaar niet in is geslaagd de reden van de onmogelijkheid aan
verzoeker duidelijk te maken. Het personeel heeft uitdrukkelijk de opdracht
potentiële gasten zoveel mogelijk behulpzaam te zijn en de reden van de
weigering aan hen duidelijk te maken.

Gelet op het bovenstaande verzoekt de wederpartij de klacht ongegrond te
verklaren.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij het verhuren van zaalruimte
onderscheid heeft gemaakt op grond van ras als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub
b AWGB.

4.2. Artikel 7 lid 1 sub b AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB
onder meer onderscheid tussen personen op grond van ras bij het aanbieden van
goederen en diensten, indien dit geschiedt in de uitoefening van een beroep
of bedrijf. Onder het sluiten van overeenkomsten wordt mede verstaan het
weigeren een overeenkomst aan te gaan (Tweede Kamer, 1991-1992, 22014, nr. 5,
p. 7-8.).

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB dient overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim te worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.).

4.3. Verzoeker heeft het verslag van de praktijktesten overgelegd. Zowel de
civiele rechter als de strafrechter hebben de praktijktest als bewijsmiddel
geaccepteerd (Zie onder andere Rechtbank Amsterdam, 20 maart 1992,
Rechtspraak Rassendiscriminatie 287 (straf) en Rob Zutphen 26 juni 1980,
Rechtspraak Rassendiscriminatie 16 (civiel).). De Commissie oordeelde reeds
eerder ook dat door middel van praktijktesten, afhankelijk van de
omstandigheden, het bewijs van ongelijke behandeling kan worden geleverd
(Commissie gelijke behandeling, 10 juni 1997, oordeel 97-65.).

4.4. Teneinde de in geding zijnde vraag te beantwoorden overweegt de
Commissie het volgende.

De feiten waarover verzoeker zich heeft beklaagd speelden zich af gedurende
de maand september 1996. Volgens verzoeker is het gesprek onaangenaam
verlopen. De wederpartij heeft geen enkele herinnering aan het gesprek met
verzoeker en diens vrouw.
De Commissie vindt, mede gelet op het tijdsverloop, dat laatste begrijpelijk
nu het om een regulier gesprek ging waarvan er jaarlijks vele plaatsvinden.
De gang van zaken rond de boekingspoging van verzoeker dient derhalve in het
midden te blijven.

Ter zitting werd vastgesteld dat het sinds een aantal jaren vast beleid is
van de wederpartij om boekingen voor de zalen niet telefonisch maar in een
persoonlijk gesprek af te wikkelen. Tevens werd ter zitting vastgesteld dat
de beschikbaarheid van de zalen van de wederpartij sterk afhankelijk is van
de door de klanten gewenste accommodatie en de resultaten van de lopende
opties.

4.5. Er zijn door het Meldpunt naar aanleiding van de klacht van verzoeker
een drietal praktijktesten uitgevoerd.
Bij de eerste praktijktest zijn de allochtone en autochtone testpersoon alle
twee correct behandeld en zij konden allebei een zaal huren. De autochtone
testpersoon die een dag later belde kreeg meer mogelijkheden aangeboden, maar
niet is gebleken dat dit niet het gevolg van het optiesysteem is. Aan deze
test kan dus geen conclusie worden verbonden wat betreft een ongelijke
behandeling op grond van ras.

Bij de tweede praktijktest is de autochtone testpersoon
(op 14 januari 1997) welwillender te woord gestaan dan de allochtone
testpersoon (op 21 december 1996). Het lijkt alsof aan de autochtone
testpersoon ook meer mogelijkheden voor zaalhuur zijn aangeboden. Gezien het
tijdsverloop van drie en een halve week tussen de twee gesprekken en het
eerdergenoemde optiesysteem kan hieraan echter geen conclusie worden
verbonden wat betreft een verschillende behandeling van potentiële allochtone
en autochtone klanten.

Bij de derde praktijktest werden door een allochtone testpersoon vier
mogelijke data voor zaalhuur aan de wederpartij voorgelegd. Deze werden alle
vier als geboekt gemeld, waarbij de testpersoon voor een gesprek bij de
wederpartij werd uitgenodigd. Een dag later bleken bij informatie door een
autochtone testpersoon twee van deze vier data beschikbaar te zijn.
Ook deze test levert onvoldoende bewijs op voor de Commissie om vast te
stellen dat er sprake is van een ongelijke behandeling van allochtone en
autochtone potentiële klanten. De allochtone testpersoon is immers tot
overleg bij de wederpartij uitgenodigd. Tevens gaan opties niet door waardoor
het mogelijk is dat binnen één dag twee data opnieuw voor reservering
vrijkomen.

Voorts is van belang dat buiten de test om een Turkse
vrijwilligster van het Meldpunt voor zichzelf bij de wederpartij over
zaalhuur heeft gesproken terwijl zij nog niet op de hoogte was van de klacht
van verzoeker. Zij is aardig te woord gestaan en kon zonder moeite een zaal
huren.

4.6. De ter zitting gehoorde getuigen (die aan de praktijktesten hebben
meegewerkt) leggen eensluidende verklaringen af over het verloop van de
tijdens de praktijktesten gevoerde gesprekken. Deze verklaringen komen er
kort gezegd op neer dat allochtone testpersonen minder welwillend te woord
werden gestaan en de contacten met de wederpartij stroever en minder
uitnodigend verliepen naar mate de beheersing van het Nederlands slechter
was. De ervaringen van de andere testpersonen in de praktijktesten lijken
bovenstaand standpunt te ondersteunen.
De Commissie acht het derhalve aannemelijk dat de communicatie tussen de
wederpartij en personen die het Nederlands slecht beheersen moeizaam verloopt
en wellicht in het algemeen in een minder uitnodigende houding resulteert.

4.7. Aan de hand van de praktijktesten en de ter zitting afgelegde
verklaringen kan niet worden vastgesteld of de moeizame
communicatie met gebrekkig Nederlands sprekende allochtonen voor deze
personen ook inderdaad resulteerde in minder mogelijkheden tot zaalhuur dan
voor autochtone testpersonen of dat hier de eerdergenoemde zakelijke redenen
aan ten grondslag lagen. Dat zou eventueel anders zijn geweest indien de
praktijktesten zouden hebben uitgewezen dat allochtonen en autochtonen
ongelijk werden behandeld op onmiddellijk op elkaar volgende tijdstippen
onder nagenoeg gelijke omstandigheden.
De Commissie concludeert dan ook dat niet aannemelijk is geworden dat er in
het onderhavige geval bij de zaalverhuur sprake is geweest van onderscheid op
grond van ras.

4.8. Aanbeveling van de Commissie

De Commissie acht het aannemelijk dat een onwelwillende behandeling tot
gevolg kan hebben dat veelal niet vrijwillig van het aangaan van een
overeenkomst wordt afgezien. In die zin ondervinden mensen die gebrekkig de
Nederlandse taal beheersen nadeel.
In een multiculturele samenleving mag van ondernemers worden verwacht dat zij
adequaat inspelen op communicatieproblemen met mensen die de Nederlandse taal
minder goed beheersen. Het nalaten hiervan kan op gespannen voet komen te
staan met de
gelijkheidsvoorschriften.

Het is in de praktijk niet gemakkelijk te beoordelen of in voorkomende
gevallen sprake is van voldoende inspanning ter bevordering van de
communicatie. De verklaringen van de getuigen duiden erop dat daarvan in het
onderhavige geval geen sprake is geweest. De verklaringen van de wederpartij
dat aan allochtone instructeurs gebedsruimtes ter beschikking worden gesteld
duiden er echter op dat deze zich bewust is van de eisen van een
multiculturele samenleving en dat hierop positief wordt ingespeeld. De
Commissie beveelt de wederpartij aan bij de zaalverhuur aandacht te schenken
aan een soepel verloop van de communicatie met minder goed Nederlands
sprekende personen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat (….) te
Tiel bij de verhuur van een zaal jegens de heer (….) te Tiel geen
onderscheid op grond van ras heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 7 lid 1
sub b Algemene wet gelijke behandeling en derhalve niet in strijd met deze
wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. A. Kruyt (lid Kamer), mw. mr. G.H. Felix (secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage z.p. Amsterdam, 23 april 1998

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage z.p. Amsterdam

Samenvatting


De vrouw is getrouwd met een Nederlandse man. Deze man heeft haar dochter
erkend. De dochter heeft daardoor de Nederlandse nationaliteit verkregen.
Binnen het huwelijk worden de vrouw en de dochter ernstig mishandeld. De
vrouw scheidt binnen de termijn. Zij krijgt geen verblijfsvergunning op
grond van klemmende redenen van humanitaire aard.
Van eiseres mag worden verwacht dat zij zich in Kameroen staande kan houden.
Aan de Nederlandse nationaliteit van de dochter wordt weinig waarde gehecht.
Het feit dat de dochter de Nederlandse nationaliteit heeft verworven door
middel van erkenning door haar niet-biologische vader en het feit dat er
geen omgangsregeling is, houdt hiermee verband.
Hoewel eiseres door haar ex-echtgenoot is mishandeld, hoe betreurenswaardig
ook, levert op zichzelf onvoldoende grond op voor het verlenen van een
vergunning tot verblijf.

Volledige tekst

Ontstaan en loop van het geding

1. Eiseres, geboren op 17 juli 1965, bezit de Kameroense nationaliteit.
Bij besluit van 30 december 1996 heeft verweerder op de aanvraag om wijziging
van de aan eiseres verleende vergunning tot verblijf van 27 november 1996
afwijzend beslist. Eiseres heeft van 24 april 1997, aangevuld op 12 juni
1997 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 30 juli 1997 ongegrond
verklaard. Dit besluit is dezelfde dag aan de gemachtigde van eiseres gezonden.
Tegen dit afwijzende besluit heeft eiseres bij beroepschrift van 26 augustus
1997, aangevuld op 11 februari 1998 en 25 februari 1998, beroep ingesteld
bij de rechtbank. Op 23 januari 1998 zijn de op de zaak betrekking hebbende
stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van
24 februari 1998 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring
van het beroep.

2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 1998. Eiseres
is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr H.L.M. Lichteveld,
advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door
gemachtigde mr. drs P.M. Koeman, juridisch medewerker werkzaam bij advocaten
& notarissen Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn te ‘s-Gravenhage. Tevens
was ter zitting aanwezig een tolk in de Franse taal.

II. Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende
feiten. Eiseres is op 13 juli 1995 in Kameroen in het huwelijk getreden
met H, geboren op 6 september 1946, van Nederlandse nationaliteit. Eiseres
is op 29 december 1995 samen met haar dochter D, geboren op 24 juli 1987,
Nederland binnengekomen. De dochter van eiseres heeft in januari 1996 de
Nederlandse nationaliteit verworven doordat H haar heeft erkend. Op 3 januari
1996 heeft eiseres verzocht om verlening van een vergunning tot verblijf
met als doel verblijf bij Nederlandse echtgenoot. Op 27 november 1996 is
de gevraagde vergunning verleend. Uit ambtelijke informatie van 3 december
1996 van de vreemdelingendienst te W gebleken dat het huwelijk tussen eiseres
en H in ieder geval sinds november 1996 feitelijk is verbroken.

3. Eiseres meent dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating
nopen. Daartoe voert zij aan dat zij weliswaar niet voldoet aan het beleid
inzake voortgezet verblijf na verbreking huwelijk, echter wel is sprake
van klemmende redenen van humanitaire aard. Eiseres en haar dochter zijn
tijdens het huwelijk met H ernstig mishandeld en tevens is sprake van verkrachting
dan wel seksueel misbruik. In dit verband heeft eiseres aangifte gedaan
bij de politie, heft zij telkenmale bij de vreemdelingendienst melding
gemaakt van de gebeurtenissen en heeft zij gedurende enige tijd in een
Blijf-van-mijn-
ijf-huis verbleven. Eiseres beroept zich in dit verband op hetgeen per
17 december 1997 is opgenomen in hoofdstuk B1/2.4 van de Vreemdelingencirculaire
1994 met betrekking tot vrouwen wier relatie is verbroken ten gevolge van
seksueel geweld. Deze kunnen dientengevolge in aanmerking komen voor een
vergunning tot verblijf. Voorts is eiseres van mening dat onvoldoende gewicht
wordt toegekend aan het feit dat eiseres de zorg heeft voor haar schoolgaande
dochter van Nederlandse nationaliteit. De dochter is inmiddels ingeburgerd
in de Nederlandse samenleving. Tot slot voert eiseres aan dat zij in de
bezwaarfase gehoord had dienen te worden.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voortgezet verblijf aan eiseres
op juiste gronden is geweigerd. Niet is gebleken van dusdanige klemmende
redenen van humanitaire aard dat dit tot verblijfsaanvaarding had dienen
te leiden. In dit verband merkt verweerder op dat hoewel eiseres door haar
(ex-)echtgenoot seksueel is mishandeld, hoe betreurenswaardig ook, dit
op zich zelf onvoldoende grond oplevert voor het verlenen van een vergunning
tot verblijf. Van belang hierbij is dat eiseres en haar dochter zijn geboren
en getogen in Kameroen en van hen kan en mag worden verwacht dat zij zich
aldaar staande kunnen houden op dezelfde wijze als dat voor hun komst naar
Nederland is geschied. Gelet op de korte verblijfsduur in Nederland valt
niet in te zien dat zij Kameroen, waar zij tot 29 december 1995 heeft verbleven,
is ontgroeid. Dat eiseres als alleenstaande moeder in Kameroen problemen
zal ondervinden vormt evenmin reden om in het verblijf van eiseres hier
te lande te berusten. Immers, ook voor de komst van eiseres en haar dochter
naar Nederland heeft zij als alleenstaande moeder aldaar geleefd. Niet
gebleken is dat zij voor haar komst naar Nederland op 29 december 1995
hierdoor op sociaal en maatschappelijk gebied problemen heeft ondervonden.
Op geen enkele wijze is gebleken dat eiseres en haar dochter zodanig in
de Nederlandse samenleving zijn geworteld dat zij niet meer zouden kunnen
aarden in de Kameroense samenleving.
Gezien de leeftijd van de dochter van eiseres en de korte periode dat zij
in Nederland is, kan van haar redelijkerwijs worden gevergd om eiseres
naar het land van herkomst te volgen. Daarbij is nog in aanmerking genomen
dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verworven door erkenning – toen
zij reeds acht jaar oud was – door de (ex-)echtgenoot van eiseres, die
niet haar natuurlijke vader is en dat tussen laatstgenoemde en de dochter
geen omgangsregeling bestaat. Dat de levensomstandigheden in Kameroen minder
rooskleurig zijn dan die in Nederland, betekent niet dat de positie van
eiseres en haar dochter verschilt van die van vele van hun landgenoten
aan wie om die reden evenmin verblijf hier te lande kan worden toegestaan.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

6. Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat op grond van artikel
32, tweede lid, Vreemdelingenwet van het horen is afgezien.
Ingevolge artikel 32, tweede lid, Vreemdelingenwet kan van het horen worden
afgezien, indien verweerder bepaalt dat uitzetting op grond van het eerste
lid niet achterwege blijft. Verweerder heeft op 10 juli 1997 bepaald dat
eiseres de beslissing op het bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Verweerder
is op deze beslissing niet teruggekomen en heeft eiseres evenmin alsnog
uitstel van vertrek verleend. Teneinde te beoordelen of verweerder terecht
van het horen heeft afgezien, dient de rechtbank daarom de vraag te beantwoorden
of de schorsingsbeslissing ten tijde van de bestreden beschikking rechtmatig
was in de zin van artikel 32, eerste lid, Vreemdelingenwet.
Gelet op de motivering van het primaire besluit in samenhang beziend met
hetgeen in bezwaar is aangevoerd kan naar het oordeel van de rechtbank
niet zonder meer worden gesteld dat het bezwaar gericht tegen de weigering
eiseres een vergunning tot verblijf te verlenen, ten tijde van de bestreden
beschikking geen redelijke kans van slagen had. De rechtbank concludeert
dat verweerder ten tijde van de bestreden beschikking op grond van artikel
32, tweede lid, Vreemdelingenwet niet van het horen heeft kunnen afzien
en leverde artikel 7:3 Awb ook geen grond op om van het horen af te zien.

7. Nu verweerder in strijd met de hoorplicht heeft gehandeld, is het beroep
in zoverre gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

8. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:72, derde en vierde lid Awb heeft
de rechtbank na vernietiging de bevoegdheid zelf in de zaak te voorzien.
Gelet op hetgeen in bezwaar is aangevoerd – waarbij met name verwezen wordt
naar een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van 21 april 1997 – en hetgeen
in de onderhavige procedure naar voren is gebracht, acht de rechtbank zich
voldoende voorgelicht om zich thans een inhoudelijk oordeel te vormen omtrent
de vraag of verweerder de vergunning tot verblijf van eiseres mocht intrekken.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk dat het horen
van eiseres nog een nieuw licht op de zaak zou kunnen werpen. Dienaangaande
overweegt de rechtbank het volgende.

9. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot
verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.

10. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat
vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid
hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende
redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale
overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire
(Vc).

11. Niet gesteld noch gebleken is dat met de aanwezigheid van eiseres hier
te lande een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend.

12. Voorts is vast komen te staan dat eiseres niet in aanmerking komt voor
voortgezet verblijf. Eiseres voldoet immers niet aan de voorwaarden zoals
gesteld aan voortgezet verblijf na verbreking huwelijk, neergelegd in hoofdstuk
B1/2.2 Vc 1994.

13. Evenmin is gebleken dat eiseres aan enige andere door verweerder gehanteerde
beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen.

14. Thans ligt de vraag voor of het verblijf van eiseres wegens klemmende
redenen van humanitaire aard behoort te worden aanvaard. Met verweerder
en op de door verweerder aangevoerde gronden, zoals weergegeven onder rechtsoverweging
4, is de rechtbank van oordeel dat bovengenoemde vraag ontkennend dient
te worden beantwoord.

15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank in dit geval
in staat zelf in de zaak te voorzien. Waar het bestreden besluit materieel
juist was, zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden
besluit geheel in stand blijven.

16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk
gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met
de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten
maken. Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420,= als kosten van rechtsbijstand.

17. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb dient het griffierecht te worden vergoed
door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;
2. vernietigt het bestreden besluit;
3. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding
van het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ 210,=;
5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420,= (zegge
veertienhonderdtwinig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden
aan de griffier.

Rechters

Mr Wildenburg

Instantie: Staatssecretaris van Justitie, 23 april 1998

Instantie

Staatssecretaris van Justitie

Samenvatting


De vrouw is binnen de termijn gescheiden. Tijdens haar huwelijk is zij
ernstig mishandeld. Zij heeft een dochtertje met de Nederlandse
nationaliteit. De vader van de vrouw, woonachtig in Marokko heeft laten weten
dat de vrouw zelf mag terugkomen maar dan zonder haar dochtertje. Haar
bezwaar wordt gegrond verklaard. Aan haar wordt een vergunning verleend op
grond van de klemmende redenen van humanitaire aard.

Volledige tekst

Beschikking 24 september 1997

Op 2 juli 1997 heeft de vreemdelinge, van Marokkaanse nationaliteit (…)
geboren op 6 juli 1971, zich aangemeld bij de Korpschef van politieregio
Amsterdam-Amstelland en aldaar een aanvraag om een vergunning tot verblijf
ingediend met als doel “humanitaire redenen”.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet kan een vergunning
tot verblijf worden geweigerd op aan het algemeen belang ontleende gronden.

Betrokkene is op 25 april Nederland ingereisd in het bezit van een geldige
machtiging tot voorlopig verblijf afgegeven in verband met het haar op 13
augustus 1993 te Tanger gesloten huwelijk met de Nederlander (…).
Betrokkene heeft zich op 25 april 1994 aangemeld bij de korpschef van
Amsterdam en aldaar heeft zij een verzoek om verlening van een vergunning tot
verblijf met als doel “verblijf bij Nederlandse echtgenoot”, welke vergunning
haar werd verleend, laatstelijk verlengd tot 25 april 1996.

Volgens het terzake gevoerde beleid wordt het verzoek om verlenging van de
geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf niet afgewezen op de enkele
grond dat het verzoek te laat is ingediend, indien – voor zover hier van
belang – daarbij een termijn van zes maanden niet is overschreden. Is de
geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf inmiddels langer verstreken
zonder dat de vreemdeling aannemelijk kan maken dat deze overschrijding
verschoonbaar is, dan dient het verzoek te worden getoetst aan de voorwaarden
voor eerste toelating van vreemdelingen tot Nederland.

Betrokkene heeft zich eerst op 2 juli 1997 aangemeld bij de korpschef van
Amsterdam ter verkrijging van een verblijfstitel, zodat bovenbedoelde termijn
van zes maanden ruimschoots is overschreden. Betrokkene heeft geen afdoende
en bevredigende verklaring voor deze termijnoverschrijding gegeven.

Betrokkene heeft geen redenen aangevoerd waarom zij haar vergunning niet
tijdig heeft verlengd. Slechts is gebleken dat de echtgenoot van betrokkene
haar op 6 mei 1996 heeft afgemeld bij de Dienst Vreemdelingenpolitie te
Amsterdam als vertrokken naar Marokko. Betrokkene heeft slechts aangetoond
dat zij vanaf 1996 wel in Nederland heeft verbleven. Echter, deze gegevens
brengen niet met zich mee dat de termijnoverschrijding verschoonbaar zou
zijn. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene op 20 juni 1996 bij het
Consultatieburo van de GG & GD is geweest en aldaar onder andere is gesproken
over de mogelijkheid naar een blijf van mijn lijf huis te gaan vanwege
problemen tussen betrokkene en haar echtgenoot. Dat betrokkene wel
zelfstandig naar het consultatieburo mocht gaan van haar echtgenoot brengt op
zichze1f met zich mee dat zij zich ook kon melden bij de Dienst
Vreemdelingenpolitie ter verlenging van haar verblijfsvergunning. Dat haar
echtgenoot haar paspoort en verblijfsdocument heeft ingenomen vormt evenmin
een reden om de termijnoverschrijding als verschoonbaar te beschouwen.

Mitsdien dient de onderhavige aanvraag te worden getoetst aan de voorwaarden
voor eerste toelating van vreemdelingen tot Nederland.

Betrokkene behoort tot de categorie vreemdelingen die, om voor een verblijf
van langer dan drie maanden hier te lande in aanmerking te kunnen komen, bij
binnenkomst in Nederland in het bezit moet zijn van een geldige machtiging
tot voorlopig verblijf, die moet worden aangevraagd bij een Nederlandse
diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland, waar ook de
beslissing moet worden afgewacht.

Aan deze in het algemeen belang gestelde regel is in dit geval niet voldaan.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet kan een vergunning
tot verblijf worden geweigerd op aan het algemeen belang ontleende gronden.

Nederland is een dichtbevolkt land en in verband met de daaruit
voortvloeiende problemen, zoals gelegen in de bevolking- en
werkgelegenheidssituatie, wordt bij de toepassing van voornoemde bepaling een
restrictief toelatingsbeleid gevoerd.
Dit houdt in dat vreemdelingen -afgezien van verplichtingen voortvloeiend uit
internationale overeenkomsten- alleen dan in Nederland kunnen worden
toegelaten op grond van een vergunning tot verblijf, indien met hun verblijf
een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend, of indien er sprake is van
klemmende redenen van humanitaire aard.

Niet is gebleken dat aan betrokkene op grond van enige beleidsregel een
vergunning tot verblijf behoort te worden verleend.

Mitsdien kan aan betrokkene een vergunning tot verblijf op basis van het
terzake gevoerde beleid worden geweigerd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of gekomen op grond
waarvan betrokkene om klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit zou
moeten worden gesteld van een vergunning tot verblijf.

De stelling van betrokkene dat zij door haar echtgenoot is mishandeld levert
geen grond op om betrokkene om die reden verblijf hier te lande toe te staan,
hoe erg mishandeling op zichzelf ook is.

Niet is aannemelijk geworden dat betrokkene zodanig is geïntegreerd in de
Nederlandse samenleving en de Marokkaanse samenleving zozeer is ontwend dat
haar terugkeer naar het land van herkomst niet kan worden verlangd. Daarbij
is nog in aanmerking genomen dat betrokkene naar gesteld geen kennissen of
familieleden in Nederland heeft. Voorts is aannemelijk dat er nog
familieleden van betrokkene in het land van herkomst aanwezig zijn, zodat zij
bij terugkeer niet geheel van sociaal- of maatschappelijk contact verstoken
zal zijn.

Voorzover de situatie voor betrokkene in het land van herkomst minder
rooskleurig is dan in Nederland is dat geen reden om in afwijking van het
beleid verblijf toe te staan. Betrokkene verschilt daarin niet van vele van
haar landgenoten aan wie evenmin om die reden verblijf wordt toegestaan.

De weigering om aan betrokkene voortgezet verblijf hier te lande toe te staan
betekent geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of
gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

In dit geval is immers geen sprake van familie- of gezinsleven als hiervoor
bedoeld, tussen betrokkene en haar echtgenoot, aangezien geen sprake meer is
van een feitelijke band tussen betrokkene en haar echtgenoot. Gebleken is dat
de relatie feitelijk is ontwricht.
De weigering om aan betrokkene voortgezet verblijf hier te lande toe te staan
betekent geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of
gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Indien echter moet worden aangenomen dat in dit geval sprake is van inmenging
in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als hiervoor
bedoeld, te weten tussen betrokkene en haar kind, is deze inmenging
gerechtvaardigd in het belang van het economisch welzijn van Nederland, welk
belang wordt bedoeld in het tweede lid van voornoemde Verdragsbepaling.

Tegenover vorenbedoeld – algemeen – belang staat het persoonlijk belang van
betrokkene, dat is gediend met het hier te lande onderhouden van het familie-
of gezinsleven met haar kind.
Afweging van die belangen leidt in dit geval tot het oordeel dat in
redelijkheid aan het algemeen belang meer gewicht kan worden toegekend.

Daarbij is het volgende in aanmerking genomen:
Niet is gebleken dat betrokkene beschikt over voldoende zelfstandige middelen
van bestaan. Voorts is niet gebleken dat er contact is tussen de vader en het
kind. Evenmin is gebleken dat de echtgenoot van betrokkene een bijdrage
levert in de kosten en de opvoeding van dit kind.

Weliswaar bezit het kind van betrokkene de Nederlandse nationaliteit, doch,
gelet op de zeer jeugdige leeftijd van het kind en op hetgeen hiervoor is
overwogen, kan van dit kind gevergd worden de vreemdeling te volgen.

Op grond van het bovenstaande kan een vergunning tot verblijf worden
geweigerd op aan het algemeen belang ontleende gronden.

Gelet op het bepaalde bij en krachtens de Vreemdelingenwet en de Algemene wet
bestuursrecht;

Besluit:

de aanvraag niet in te willigen.

Beschikking 23 april 1998

0p 29 september 1997 is namens X van Marokkaanse nationaliteit, geboren op 6
juli1971, verder te noemen betrokkene, een bezwaarschrift ingediend, gericht
tegen de beschikking van 4 september 1997, waarbij een aanvraag om een
vergunning tot verblijf niet is ingewilligd.

De inhoud van het dossier is bij de besluitvorming betrokken.

Hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd wordt hierbij als ingelast
beschouwd.

Betrokkene is op 10 december 1997 gehoord door een ambtelijke commissie. Dit
gehoor, waarvan een verslag is opgemaakt, is eveneens betrokken in de
besluitvorming.

Op grond van de thans bekende feiten en omstandigheden bestaat aanleiding aan
betrokkene verblijf in Nederland toe te staan.

Gelet op het bepaalde bij en krachtens de Vreemdelingenwet en de Algemene wet
bestuursrecht;

Besluit:
1. het bezwaar gegrond te verklaren;
2. aan betrokkene een vergunning tot verblijf te verlenen, met ingang van 2
juli 1997 geldig tot 2 juli 1998;
3. de vergunning te verlenen onder de beperking ‘klemmende redenen van
humanitaire aard’.
4. aan de vergunning het voorschrift te verbinden data betrokkene bij de
korpschef aantoont voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met
inbegrip van de kosten verbonden aan de opnamen en verpleging in een
sanatorium of psychiatrische inrichting.

Rechters

Instantie: Kantonrechter Rotterdam, 21 april 1998

Instantie

Kantonrechter Rotterdam

Samenvatting


Werkneemster vordert in een procedure ex 1638x BW schadevergoeding van
de werkgever omdat deze haar onvoldoende beschermd heeft naar aanleiding
van klachten over seksuele intimidatie. De arbeidsovereenkomst is inmiddels
ontbonden. Aan werkneemster werd toen een schadevergoeding toegekend. In
deze procedure wordt de vordering tot vergoeding van inkomensschade alsmede
de immateriële schade afgewezen omdat de inkomensschade al bij de ontbinding
is toegekend en er een immateriële schadevergoeding van ƒ 12.000,– is
overeengekomen.
De kantonrechter is echter van oordeel dat voldoende is gebleken dat door
gedaagde als werkgever de verplichting die voortvloeit uit art 7:685 is
geschonden. Van de werkgever had verwacht mogen worden dat hij uitgebreide
maatregelen nam om ongewenste en voor het slachtoffer schadelijke gedragingen
te voorkomen of in de kiem te smoren, of in ieder geval, wanneer melding
werd gemaakt van dergelijk gedrag te voorkomen dat verdere intimiteiten
zouden plaatsvinden. De enkele verwijzing in een brochure voor het personeel
naar het bestaan van een bedrijfsmaatschappelijk werker tot wie men zich
bij problemen van allerlei aard kan wenden moet in dit kader als onvoldoende
worden beschouwd.

Volledige tekst

Rechtsoverwegingen:

Vaststaande feiten:

1.1.
Eiseres is op 1 juni 1986 voor 20 uur per week in dienst getreden bij gedaagde
als medisch secretaresse ten behoeve van de longartsen met een brutosalaris
van ƒ 1.470,- per maand volgens salarisschaal 43/maximum. Zij werkte voor
B., longarts.

1.2.
De arbeidsovereenkomst is wegens een verandering van omstandigheden met
ingang van 1 september 1996 ontbonden bij beschikking van de kantonrechter
te Rotterdam d.d. 13 augustus 1996 onder toekenning van een vergoeding
aan eiseres van
ƒ 45.000,-.

1.3.
Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding heeft de kantonrechter
overwogen: “Ook de verwijten die verweerster aan verzoekster in verband
met haar herplaatsingsactiviteiten richt kunnen hier geen rol spelen omdat
niet is gebleken dat deze gegrond zijn. Ook de andere door verweerster
genoemde omstandigheden, waaronder het door het gedrag van Brouwers ondervonden
leed, geven geen grond de vergoeding te verhogen.”

1.4.
Vanaf 2 september 1994 heeft eiseres zich ziek gemeld.

1.5.
Bij brief van 1 december 1994 heeft eiseres haar direct leidinggevende,
mw. V. schriftelijk op de hoogte gebracht van de gedragingen van B. Naar
aanleiding van die brief heeft V. eiseres uitgenodigd een tijdje bij haar
te komen logeren om tot rust te komen.

1.6.
Medio 1995 heeft eiseres op arbeidstherapeutische basis werkzaamheden verricht
in het St. Clara Ziekenhuis. Bij brief d.d. 14 augustus 1995 heeft eiseres
per 1 september 1995, de datum waarop zij weer geschikt werd geacht te
werken, tewerkstelling gevraagd in haar werk als medisch secretaresse of
doktersassistente bij een andere arts of in een vergelijkbare functie.

1.7.
In augustus 1995 heeft eiseres bij de Geschillencommissie van gedaagde
een klacht ingediend over de sexuele intimidaties. In het oordeel van 26
september 1995 heeft de commissie vastgesteld dat er sprake is geweest
van ongewenste sexuele toenadering en ander verbaal, non-verbaal of fysiek
gedrag van sexuele aard. De commissie doet de aanbeveling dat binnen het
ziekenhuis een andere positie voor eiseres wordt gevonden.

1.8.
Vanaf december 1995 werd eiseres in de gelegenheid intern te solliciteren
op vacatures.

1.9.
Bij exploit van 13 mei 1996 heeft eiseres gedaagde gedagvaard en wedertewerkstelling
gevorderd in haar functie of een vergelijkbare functie.

1.10.
Middels een minnelijke schikking is door B. aan eiseres
ƒ 12.000,- betaald tot vergoeding van door hem veroorzaakte schade.

1.11.
De partner van eiseres is de ex-man van de echtgenote van B. Ook buiten
de werksituatie hadden B. en eiseres contact met elkaar en met de wederzijdse
partners.

De vordering;

2.1.
Eiseres vordert:
-veroordeling van gedaagde tot vergoeding van schade, nader op te maken
bij staat en te vereffenen volgens de wet, wegens schade die eiseres heeft
geleden en nog lijdt als gevolg van het handelen van gedaagde in strijd
met art. 1638x BW te verhogen met de wettelijke rente vanaf 21 januari
1997 tot aan de dag der algehele vordering;
-veroordeling van gedaagde tot betaling van een voorschot van ƒ 20.000,-
binnen een week na betekening van het vonnis.
-veroordeelde van gedaagde in de proceskosten.

2.2.
Gedaagde heeft jegens haar de verplichting voortvloeiend uit art. 1638x
BW geschonden door niet zodanige regelingen te treffen dat zij gevrijwaard
werd en bleef tegen gevaren voor lijf en eerbaarheid.
Gedaagde moest in elk geval vanaf 12 juli 1991, toen het SER-advies over
bestrijding van sexuele intimidatie op de werkplek werd uitgebracht kunnen
begrijpen dat deze zorgplicht onder art 3 sub a Arbowet valt en dat zij
wettelijk verplicht was maatregelen te nemen. Het ziekenhuis is ook kwalitatief
aansprakelijk voor de onrechtmatige daad van de arts ex, artt. 6:76 en
171 BW.

2.3.
Het verwijt van eiseres valt uiteen in drie onderdelen:
-het ontbreken van preventieve en beschermende maatregelen in de periode
van 1986 tot juli 1995;
-het niet adequaat reageren door verantwoordelijken in de organisatie op
signalen en klachten van eiseres over sexuele intimidaties;
-het niet bieden van bescherming tegen de nadelige gevolgen van sexuele
intimidatie.

2.4.
Maatregelen ter bescherming hebben ontbroken. De geschillencommissie is
ingesteld in juli 1995. Toekenning van een vergoeding bij een ontbinding
is niet aan te merken als finale vergoeding van schade wegens inkomensverlies.
Deze procedure heeft een andere grondslag.

2.5.
Vanaf 1992 heeft eiseres directe mededelingen gedaan aan haar direct leidinggevende
mevrouw V. over de ongewenste gedragingen van B. Eiseres heeft gedaagde
bij brief d.d. 21 januari 1997 aansprakelijk gesteld voor de schade.

Het verweer

3.1.
In het introductieboekje dat aan alle werknemers reeds in 1983 werd uitgereikt
wordt vermeld dat werknemers zich bij problemen thuis of in de werksituatie
kunnen wenden tot de bedrijfsmaatschappelijk werker met vermelding van
telefoonnummer en tijden van bereikbaarheid.

3.2.
Eiseres kon zich tevens wenden tot de vaste OR-commissie. Er bestaat daarnaast
sinds enkele jaren een interne geschillencommissie.

3.3.
Eiseres heeft haar problemen pas in 1994 kenbaar gemaakt aan mw.V. Zij
heeft getracht de problemen adequaat op te lossen.

3.4.
Gedaagde is niet aansprakelijk ex. art. 7:658 BW. Er is sprake van opzet,
danwel bewuste roekeloosheid aan de zijde van eiseres. Zij onderhield een
intieme relatie met B., die op grote schaal ook buiten de werksfeer werd
voortgezet en bovendien voor indiensttreding van eiseres bij het Sint Clara
Ziekenhuis is ontstaan.

3.5.
B. is een vrij gevestigd specialist. Gedaagde is derhalve slechts in beperkte
mate en hoogstens indirect verantwoordelijk voor zijn gedrag.

3.6.
Gedaagde heeft eiseres voor 4 verschillende functies als eerste kandidaat
voorgedragen. Eiseres kwam niet in aanmerking omdat haar typekwaliteiten
ver beneden het gewenste niveau lagen.

3.7.
In de door de kantonrechter vastgestelde beeindigingsvergoeding wordt inkomensschade
geacht te zijn inbegrepen. De kantonrechter heeft ook reeds geoordeeld
over het al dan niet toekennen van immateriële schadevergoeding. Eiseres
is bovendien reeds met B. een vergoeding terzake smartegeld overeengekomen.

3.8.
De loonschade wordt betwist, nu eiseres 100% arbeidsgeschikt is. Het causaal
verband tussen de loonschade en de schending van de zorgplicht wordt betwist.

De beoordeling

Aansprakelijkheid:

4.1.
De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is gebleken dat door gedaagde
als werkgever de verplichting voortvloeiend uit art. 7:658 is geschonden
door onvoldoende maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat eiseres
gevrijwaard bleef voor ongewenste intimiteiten.

4.2.
Dat de longarts B., voor wie eiseres werkte, haar in ieder geval tot 1992
heeft lastig gevallen met ongewenste intimiteiten tijdens het werk is door
gedaagde niet of onvoldoende weersproken. Evenmin is weersproken dat daarna
intimidaties van andere aard hebben plaatsgehad, samenhangend met de afwijzing
van de sexueel getinte avances van B. door eiseres.
Art. 7:658 verplicht de werkgever – kort samengevat – maatregelen te nemen
om te voorkomen dat de werknemer schade lijdt. Vanaf het eind van de tachtiger,
begin negentiger jaren is uitgebreid aandacht besteed in de media aan ongewenste
intimiteiten op de werkvloer, bovendien is in 1991 het SER-advies uitgebracht.
Van gedaagde als werkgever had in ieder geval vanaf dat moment verwacht
mogen worden dat zij uitgebreide maatregelen nam om dergelijke ongewenste
en voor het slachtoffer schadelijke gedragingen te voorkomen of in de kiem
te smoren, of in ieder geval, wanneer melding werd gemaakt van dergelijk
gedrag te voorkomen dat verdere intimiteiten zouden plaatsvinden.
De enkele verwijzing in een brochure voor het personeel naar het bestaan
van een bedrijfsmaatschappelijk werker tot wie men zich bij problemen van
allerlei aard kan wenden moet in dit kader als onvoldoende worden beoordeeld,
evenals de reactie van mevrouw V.

4.3.
Aannemelijk is dat eiseres schade heeft geleden door de gedragingen van
B jegens haar.

4.4.
Door gedaagde is gesteld dat de schade in belangrijke mate het gevolg is
van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dit verweer wordt
door de kantonrechter verworpen. Het feit dat B. en eiseres ook buiten
het werk contact met elkaar hadden, vormt geen excuus voor ongewenste intimiteiten
op de werkplek.

4.5.
De werkgever die niet voldoet aan zijn verplichting ex art. 7:658 is gehouden
de schade die daarvan het gevolg is te vergoeden. Daaraan doet in beginsel
niet af dat reeds een vergoeding is toegekend door de kantonrechter bij
ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Deze vergoeding is gebaseerd op
wat de kantonrechter billijk acht, terwijl het in deze procedure gaat om
een vergoeding van de volledige schade, die eiseres ten gevolge van de
tekortkoming van de werkgever in zijn zorgplicht ondervindt.

De schade:

4.6.
Eiseres vordert thans inkomensschade nader op te maken bij staat en daarnaast
vergoeding van immateriële schade.

4.7.
Omtrent de inkomensschade overweegt de kantonrechter het volgende:
Ten gevolge van de ongewenste intimiteiten is eiseres arbeidsongeschikt
geweest vanaf 2 september 1994.
Medio 1995 heeft zij op arbeidstherapeutische basis werkzaamheden verricht.
Per 1 september 1995 is zij weer volledig arbeidsgeschikt bevonden. In
de periode daarna, althans vanaf december 1995 is bekeken of voor eiseres
elders een werkplek bij gedaagde te vinden was. De arbeidsovereenkomst
is vervolgens per 1 september 1996 ontbonden, waarbij een vergoeding van
ƒ 45.000,- is toegekend door de kantonrechter, nadat gedaagde dit bedrag
als vergoeding had aangeboden.

4.8.
De vordering van de inkomensschade wordt afgewezen, daar niet is komen
vast te staan dat eiseres inkomensschade heeft ten gevolge van de ongewenste
intimiteiten. Op 1 september 1995 is eiseres arbeidsgeschikt bevonden,
hetgeen meebrengt dat zij in staat is te werken en daarmee inkomsten te
verwerven door dat werk. Dat zij niet meer bij gedaagde werkt, omdat daar
geen passende functie voorhanden was, brengt niet mee dar K. niet in staat
is inkomen door arbeid te verwerven. Voor de schade, die K. lijdt doordat
haar arbeidsovereenkomst werd ontbonden, is aan haar een vergoeding toegekend
bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarbij zijn blijkens de
beschikking van de kantonrechter de omstandigheden meegewogen. Dit blijkt
ook nog eens uit de hoogte van de vergoeding, die hoger is dan het geval
zou zijn geweest wanneer de kantonrechtersformule zonder correctiefactor
zou zijn toegepast. In die vergoeding wordt mogelijke pensioenschade geacht
te zijn inbegrepen.

4.9.
K. vordert voorts vergoeding van immateriële schade. Ook deze vordering
wordt afgewezen. Door eiseres is niet weersproken dat zij met B. een vergoeding
ad. ƒ 12.000,- terzake vergoeding van immateriële schade is overeengekomen.
Door eiseres is niets gesteld dat een vergoeding, uitgaande boven
ƒ 12.000,- wegens gederfde levensvreugde rechtvaardigt. Nu deze schade
reeds vergoed is door B., kan deze schade niet nogmaals van gedaagde gevorderd
worden.

4.10.
Nu de vordering geheel wordt afgewezen, dient eiseres veroordeeld te worden
in de kosten van de procedure.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt K. in de kosten van de procedure, tot hiertoe aan de zijde
van gedaagde begroot op ƒ 800,-.

Rechters

Mr drs L.A. van Son

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 21 april 1998

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Een man geeft een mannelijke kennis tegen diens zin een tongzoen. De man
wordt door het Hof ‘s-Gravenhage veroordeeld voor verkrachting en feitelijke
aanranding van de eerbaarheid tot twee jaar gevangenisstraf, waarvan zes
maanden voorwaardelijk. De verdachte stelt cassatie in.
De Hoge Raad oordeelt dat de term seksueel binnendringen ieder binnendringen
van het lichaam met een seksuele strekking omvat. De wetgever heeft geen
beperking willen aanbrengen in de wijze waarop het lichaam is
binnengedrongen. De Hoge Raad stelt dat ook ogenschijnlijk minder ernstige
vormen van binnendringen van het lichaam als een ingrijpende aantasting van
de lichamelijke integriteit kunnen worden ervaren en even kwetsend kunnen
zijn als gedwongen geslachtsgemeenschap. Het beroep wordt verworpen.

Volledige tekst

1. De bestreden einduitspraak

Het hof heeft in hoger beroep -met vernietiging van een vonnis van de
Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 8 augustus 1996 -de verdachte ter
zake van “verkrachting”en “feitelijke aanranding van de eerbaarheid”
veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden
voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de
vordering van de benadeelde partij toegewezen in voege als in het arrest
vermeld.
De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr D. Vermaat,
advocaat te Barendrecht, een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur
is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het
bestreden arrest voorzover inhoudende de beslissing waarbij het bewezene, als
verkrachting is gekwalificeerd, de aanhaling van art. 242 Sr en de
strafoplegging, en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof
teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

4. Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO,
geen nadere motivering aangezien het middel niet noopt tot beantwoording van
rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

5.1 gelet op de omstandigheid dat het Hof het bewezenverklaarde mede heeft
gekwalificeerd als “verkrachting”, heeft het Hof klaarblijkelijk geoordeeld
dat het bewezenverklaarde, voorzover inhoudende dat de verdachte zijn tong in
de mond van het slachtoffer heeft gebracht en gehouden, kan worden aangemerkt
als ‘seksueel binnendringen’ als bedoeld in art. 242 Sr. Zoals de Hoge Raad
heeft geoordeeld in zijn arrest van 22 februari 1994, NJ 1994, 379, moet op
grond van de wetsgeschiedenis worden aangenomen dat de term ‘seksueel
binnendringen’ in art. 242 Sr. ieder binnendringen van het lichaam met een
seksuele strekking omvat.
De vraag kan worden gesteld of voor wat het toepassingsbereik van die
bepaling betreft niettemin een uitzondering moet worden gemaakt voor die
gevallen waarin de wijze waarop het lichaam is binnengedrongen objectief niet
op één lijn kan worden gesteld met het binnendringen met een lichaamsdeel in
anus of vagina. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Naar volgt uit
het eerdergenoemde arrest van de Hoge Raad dwingt de wetsgeschiedenis tot de
opvatting dat de wetgever voor wat de toepassing van art. 242 Sr. betreft
geen beperking heeft willen aanbrengen in de wijze waarop het lichaam is
binnengedrongen.
Dat strookt ook met de ratio van die bepaling, te weten de bescherming van de
(seksuele) integriteit van het lichaam. Ook ogenschijnlijk minder ernstige
vormen van binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking kunnen
immers als een ingrijpende aantasting van de lichamelijke integriteit worden
ervaren en kunnen even kwetsend zijn als gedwongen geslachtsgemeenschap.
Gelet op de aldus door de wetgever beoogde reikwijdte van art. 242 Sr kan de
toepasselijkheid van die bepaling dan ook niet afhankelijk worden gesteld van
de wijze waarop het lichaam is binnengedrongen en de aard en de ernst
daarvan, nog daargelaten dat een dergelijke differentiatie op gespannen voet
zou staan met de eisen die vanuit een oogpunt van rechtszekerheid aan de
afgrenzing van de desbetreffende strafbepaling moeten worden gesteld.

5.2 In het licht van het vorenoverwogene geeft het oordeel van het Hof dat
het bewezenverklaarde mede ‘verkrachting’ oplevert, geen blijk van een
onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

6. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden terwijl de Hoge Raad ook geen
grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren
te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs Haak als voorzitter, Davids, Bleichrodt, Koster en Aaftink

Instantie: Schadefonds geweldsmisdrijven, 20 april 1998

Instantie

Schadefonds geweldsmisdrijven

Samenvatting


Een Nederlandse studente gaat met Nederlandse vrienden een weekje op vakantie
naar Frankrijk in een huisje. De eerste nacht wordt ze verkracht door een van
de vrienden. Ze verzoekt om een uitkering van het schadefonds. Deze wordt
geweigerd omdat de verkrachting niet op Nederlands grondgebied heeft
plaatsgevonden.

Volledige tekst

Beslissing meervoudige kamer

Geachte mevrouw H,
1. Aan de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven is op 26-04-1996 verzocht
een uitkering uit het fonds aan u toe te kennen.
Naar aanleiding van de door of namens u verstrekte inlichtingen is namens de
Commissie een onderzoek ingesteld.
2. Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven kan een
uitkering worden gedaan aan degene aan wie door een in Nederland
opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig letsel is toegebracht.
3. Uit uw opgave en uit het onderzoek is gebleken dat het misdrijf, waarop
het onderhavige onderzoek betrekking heeft, in Frankijk heeft plaatsgevonden.
4. De commissie verklaart op deze grond uw verzoek om toekenning van een
uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven niet-ontvankelijk.

Rechters

mr Hoogh (voorzitter), Brand, Van Essen, Jalink en Tan-de Sonneville

Instantie: Rechtbank Groningen, 20 april 1998

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


Man en vrouw belanden na een nacht feestvieren enigszins beschonken in
bed. De vrouw was haar sleutel kwijt waarop de man haar een slaapplaats
aanbood. De twee speelden samen in een band en hadden al vaker samen de
nacht doorgebracht zonder dat er sprake was van seks. De man wordt ten
laste gelegd dat hij de vrouw volgens art. 243 Sr in bewusteloze toestand
verkracht heeft. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is
gebleken dat de vrouw sliep toen de in de tenlastelegging omschreven handelingen
plaatsvonden. De rechtbank is, gezien de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie
met betrekking tot het tenlastegelegde art. 243 Sr, waaruit blijkt dat
een beperkte uitleg dient te worden gegeven aan de ‘staat van bewusteloosheid’
en ‘lichamelijke onmacht’, van oordeel dat in casu niet bewezen kan worden
dat de vrouw in staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeerde.

Volledige tekst

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

hij op of omstreeks 1 januari 1997 in de gemeente Groningen, met een persoon
genaamd W, van wie hij, verdachte, wist dat die W in staat van bewusteloosheid
of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige
ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die
W niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar
te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) heeft
gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen
van het lichaam van die W hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in
de vagina van die W gebracht, geduwd:
art. 243 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,
dat

hij op of omstreeks 1 januari 1997 in de gemeente Groningen zich opzettelijk
oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten in een woning, gelegen
aan de (…) met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden, terwijl daarbij
een persoon, genaamd W, haars ondanks tegenwoordig was;
art. 239 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

Bewezenverklaring

Met betrekking tot het primair tenlastegelegde overweegt de rechtbank het
volgende.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat aangeefster
sliep toen de in de telastelegging omschreven handelingen plaatsvonden.
De rechtbank is, gezien de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie met betrekking
tot het tenlastegelegde artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht waaruit
blijkt dat een beperkte uitleg dient te worden gegeven aan de ‘staat van
bewusteloosheid’ en ‘lichamelijke onmacht’, van oordeel dat in casu niet
bewezen kan worden dat de aangeefster W in staat van bewusteloosheid of
lichamelijke onmacht verkeerde.

Er dient dus vrijspraak te volgen voor het primair tenlastegelegde.

De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte
het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte moet daarvan
worden vrijgesproken.
Te dien aanzien overweegt de rechtbank dat uit het dossier noch uit het
onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte het opzet heeft
gehad om de eerbaarheid te schenden. Evenmin is er grond om aan te nemen
dat de verdachte bij het naar bed gaan welbewust rekening heeft gehouden
met de mogelijkheid dat hij zich zou komen te bevinden in een situatie
als door de officier van justitie tenlastegelegd en dat verdachte voorwaardelijk
zijn opzet daarop heeft gericht.

Rechters

Mrs Haak, Davids, Schipper, Corstens, Aaftink

Instantie: Hof Amsterdam, 16 april 1998

Instantie

Hof Amsterdam

Samenvatting


De vrouw heeft in 1991 voor de rechtbank gevorderd dat de man veroordeeld zou
worden tot betaling van een bedrag van materiële- en immateriële schade
vanwege seksueel geweld. De rechtbank heeft bij eindvonnis in juli 1993 de
vordering afgewezen. De vrouw heeft tegen het eindvonnis hoger beroep
ingesteld bij het Gerechtshof. Bij arrest van september 1995 heeft ht hof de
vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het eindvonnis.
Er is cassatie ingesteld van de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het hof.
De Hoge Raad stelt dat het Hof Leeuwarden een onjuiste maatstaf heeft
gehanteerd in zijn motivering tot niet-ontvankelijkverklaring. Nu gedaagde in
hoger beroep was verschenen had het hof ingevolge art. 94 Rv dienen te
onderzoeken of gedaagde door het gebrek in de appeldagvaarding was benadeeld
in zijn verdediging. De Hoge Raad verwijst de zaak naar het hof Amsterdam.
K. werd door het hof in de gelegenheid gesteld om haar stellingen bij akte te
preciseren. K. laat weten weinig interesse meer te kunnen op brengen voor de
procedure. Het bewijsaanbod wat zij inbrengt voldoet volgens het hof niet aan
de daaraan te stellen eisen. K. voldoet niet aan haar stelplicht. Het hof
concludeert dat K. niet wordt toegelaten tot de bewijslevering. De eerste
twee grieven falen. Bij gebreke aan voldoende terzake dienend bewijs dient de
vordering van K. als ongegrond te worden afgewezen. Het hof bekrachtigt het
vonnis waarvan beroep.

Volledige tekst

1. Verder verloop van het geding.
1.1 Het hof heeft in deze zaak tussen partijen op 27 november 1997 een
tussenarrest uitgesproken.

1.2 K. heeft vervolgens een akte genomen, waarop A. gereageerd heeft met een
antwoordakte.

1.3 Tot slot hebben partijen opnieuw de processtukken aan het hof overgelegd
voor arrest.

2.Verdere beoordeling.
2.1 Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest heeft overwogen.

2.2 K. werd door het hof in de gelegenheid gesteld om haar stellingen bij
akte te preciseren.
K. laat in haar akte weten weinig interesse meer te kunnen opbrengen voor
deze procedure. Wel stelt zij nog op nieuwjaarsdag 1963 meegenomen te zijn
door haar broer H. Zij acht het waarschijnlijk dat H. zich vergist heeft door
te spreken over 1962 in plaats van 1963. Zij is in maart 1963 op kamers gaan
wonen in Den Haag. Ten bewijze daarvan heeft zij een historisch uittreksel
uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Alkmaar in het
geding gebracht. Daaruit blijkt dat per 25 februari 1963 als haar adres is
ingeschreven: (…)

2.3 Met deze akte hebben de stellingen van K. niet de door het hof in zijn
tussenarrest verlangde substantie verkregen. Eerder roepen de thans in het
geding gebrachte persoonsgegevens in het licht van de eerdere stellingen van
Kallenberg en het veerweer van A. weer nieuwe vragen op.
Daarmee heeft K. niet alleen niet aan haar stelplicht voldaan, ook voldoet
dientengevolge haar bewijsaanbod niet aan de daaraan te stellen eisen.
Conclusie moet zijn dat K. niet wordt toegelaten tot bewijslevering.

2.4 Dat betekend dat de eerste twee grieven falen.
Bij gebreke van voldoende terzake dienend bewijs dient de vordering van K.
als ongegrond te worden afgewezen. Ook de derde grief faalt dus.

2.5 Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen. K. zal als de in het
ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger
beroep.

3. Beslissing.

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt K. in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten aan
de zijde A. tot heden op
ƒ 5.725.

Rechters

Mrs. van Reep, Steenbergen, Swinkels