Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 maart 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een moslimorganisatie wenst een schoolgebouw van een gemeente te kopen
om daarin een moskeevoorziening te realiseren. De gemeente heeft de makelaar
opgedragen het pand niet te koop aan te bieden aan een islamitische organisatie
dan wel een ‘kerkelijke’ organisatie. Volgens de gemeente hield dit verband
met de publiekstrekkende functie van kerkelijke organisaties. Ook zou het
pand te dicht bij een andere moskee liggen. De gemeente maakt hierdoor
onderscheid op grond van godsdienst volgens de organisatie.
De Commissie acht het, gelet op de advertentietekst, niet aannemelijk dat
de door de gemeente gestelde reden van uitsluiting van ‘kerkelijke’ organisaties
is gelegen in hun publiekstrekkende functie. Nu er een verschil in behandeling
is gemaakt tussen kerkelijke en andere organisaties is sprake van direct
onderscheid naar godsdienst. De gemeente heeft als reden voor weigering
voorts genoemd dat de moskee te dicht bij een andere moskee zou komen.
De Commissie oordeelt dat de gemeente hiermee eveneens direct onderscheid
naar godsdienst heeft gemaakt.

Volledige tekst


Partijen verschillen van mening over de vraag of de uitsluiting van de
koop alleen islamitische organisaties betrof dan wel ‘kerkelijke’ organisaties
in het algemeen. Het begrip ‘kerkelijk’ wordt hierbij door de wederpartij
ruim geïnterpreteerd, aangezien door de laatste ook verzoekster als ‘kerkelijke’
organisatie wordt beschouwd. De wederpartij heeft ter zitting bevestigd
dat de opdracht aan de makelaar inhield, dat het betreffende pand niet
zou worden verkocht aan ‘kerkelijke’ organisaties. Vaststaat derhalve dat
deze werden uitgesloten.

Voor de vraag of dit handelen inhoudt dat direct of indirect onderscheid
wordt gemaakt, zijn de feiten en concrete omstandigheden van belang. Indien
sprake is van een gedraging waarvan het effect is dat ‘kerkelijke’ organisaties
in overwegende mate worden getroffen, dient het onderzoek van de Commissie
zich te richten op de vraag of sprake is van indirect onderscheid. Indien
echter uit de feiten en omstandigheden blijkt dat rechtstreeks wordt verwezen
naar de hoedanigheid van de organisatie als ‘kerkelijke’ organisatie zoals
door de wederpartij geïnterpreteerd, is sprake van direct onderscheid.

Ten aanzien van de feiten en de omstandigheden ter zake overweegt de Commissie
het volgende.
De reden voor uitsluiting van ‘kerkelijke’ organisaties is volgens de wederpartij
gelegen in hun publieksaantrekkende functie. De Commissie stelt echter
vast dat de advertentie met dit laatste niet is te rijmen aangezien de
daarin opgenomen gebruiksindicatie niet is toegespitst op de (omvang van
de) publieksaantrekkende functie. Immers, als gebruiksindicatie zijn onder
andere vermeld een opleidingsinstituut, een school en verenigingen. Deze
kunnen een met een ‘kerkelijke’ organisatie vergelijkbare publieksaantrekkende
functie hebben, zoals ook door de wederpartij ter zitting is erkend. Zoals
de wederpartij ter zitting tevens heeft toegegeven, zou ook verkoop aan
een klein kerkgenootschap niet op voorhand zijn uitgesloten.
Gelet op het voorgaande acht de Commissie het niet aannemelijk dat de door
de wederpartij gestelde reden van uitsluiting van ‘kerkelijke’ organisaties
is gelegen in hun publieksaantrekkende functie. Dit leidt tot de conclusie
dat sprake is van een verschil in behandeling tussen kerkelijke en andere
organisaties waarbij rechtstreeks wordt verwezen naar de hoedanigheid van
de betreffende organisatie als ‘kerkelijke’ organisatie. Derhalve is de
Commissie van oordeel dat de wederpartij, door de makelaar de opdracht
te geven het pand niet te verkopen aan ‘kerkelijke’ organisaties, direct
onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt als bedoeld in artikel
7 AWGB.

4.6. Ten aanzien van de onder 4.1. sub b gestelde vraag of de wederpartij
met het argument dat de afstand tot de Turkse moskee te gering is onderscheid
heeft gemaakt op grond van godsdienst, overweegt de Commissie als volgt.

De Commissie stelt voorop dat op zichzelf neutrale argumenten, zoals verkeers-
en parkeerdruk en een te grote concentratie van publieksaantrekkende functies
in één buurt, kunnen leiden tot weigering van verkoop van een pand zoals
in deze zaak, zonder dat dit strijd oplevert met de AWGB. Dit kan ook gelden
voor bezwaren van bewoners die geen verband houden met discriminatie zoals
bedoeld in de AWGB.

Verzoekster legt echter aan de Commissie specifiek de vraag voor of de
afstand van het pand tot de Turkse moskee als argument mag dienen gelet
op het in de AWGB gestelde. Aangezien de wederpartij heeft bestreden dat
zij een spreidingsbeleid zoals bedoeld door verzoekster voert, onderzoekt
de Commissie allereerst de feiten en omstandigheden terzake.

De wederpartij erkent in haar verweerschrift dat zij mede in aanmerking
heeft genomen dat er op redelijk korte afstand al een andere grote publieksaantrekkende
voorziening, namelijk een andere moskee, aanwezig is. Zij stelt daarbij
dat deze omstandigheid is meegewogen omdat deze voorziening, naast de overige
al aanwezige publieksaantrekkende voorzieningen, reeds voor extra drukte
in de wijk zorgt en niet met het oog op een spreiding van moskeeën.
De Commissie stelt echter vast dat in het verslag van de bespreking van
19 september 1997 tussen de wederpartij en verzoekster onder andere is
vermeld: “(..) dat de gemeente het niet verstandig vindt, dat twee Islamitische
organisaties zich op redelijk korte afstand van elkaar in Alkmaar-Zuidoost
vestigen. Daarvoor zijn objectieve argumenten, zoals verkeers- en parkeerdruk,
maar ook vooral maatschappelijke argumenten, zoals met name hoe de buurtbewoners
dit ervaren (gelet op de reacties m.b.t. De Quint zal dat beeld naar verwachting
niet positief zijn).” Tevens geeft de wethouder aan “dat de gemeente bereid
is, rekening houdende met het gewenste spreidingsbeleid, naar mogelijkheden
te blijven zoeken”.
Voorgaande citaten uit genoemd verslag geven aan dat het door de wederpartij
bedoelde spreidingsbeleid niet een spreidingsbeleid betreft in het kader
van alle reeds aanwezige publieksaantrekkende voorzieningen. Immers, van
andere in de buurt aanwezige publieksaantrekkende voorzieningen dan de
twee islamitische organisaties wordt in het geheel geen melding gemaakt.
Tevens wordt volgens het verslag bij de inschatting van de reacties van
de buurtbewoners uitsluitend verwezen naar de reacties op de locatie waar
de Turkse moskee is gevestigd.
De Commissie is er op grond van het voorgaande niet van overtuigd dat de
wederpartij heeft bedoeld te duiden op de moskee louter als een neutrale
publieksaantrekkende voorziening. Dit temeer gelet op het feit dat de beschuldiging
van discriminatie door verzoekster mede aanleiding vormde voor de bespreking
van 19 september 1997. Vanwege deze beschuldiging had het -indien de bezwaren
van de wederpartij louter de publieksaantrekkende functie van een moskee
zouden betreffen- voor de hand gelegen de door de wederpartij ter zitting
gestelde neutraliteit van de argumentatie juist tijdens genoemde bespreking
te expliciteren.
Ook in de brief van 16 december 1997 van de wederpartij aan verzoekster
wordt naast de overige genoemde aspecten wederom gesteld dat het gaat om
het feit dat twee moskeeën op redelijke afstand zouden zijn gevestigd.
Een omschrijving of nadere aanduiding waaruit zou blijken dat het bezwaar
van de wederpartij louter de publieksaantrekkende functie betreft, ontbreekt.

In genoemd verslag van de bespreking van 19 september 1997 en genoemde
brief van 16 december 1997 legt de wederpartij een verband tussen de maatschappelijke
onwenselijkheid van de vestiging van twee moskeeën dicht bij elkaar enerzijds
en de reacties van buurtbewoners anderzijds.
In laatstgenoemde brief wordt onder andere verwezen naar de brief van 23
september 1997 met bezwaren van een aantal buurtbewoners. De Commissie
stelt vast dat de daarin weergegeven bezwaren in ieder geval niet verwijzen
naar de omstandigheid dat er bij de verkoop aan verzoekster twee moskeeën
op relatief korte afstand van elkaar gevestigd zouden zijn.
De Commissie voegt hieraan toe, dat voor het eerst bezwaren door bewoners
kenbaar zijn gemaakt door middel van de brief van 23 september 1997, derhalve
ná het hierboven genoemde overleg van 19 september 1997. Voordat omvang
en aard van reacties van bewoners bekend waren, had de wederpartij derhalve
reeds besloten verzoekster als koper uit te sluiten. Dit klemt temeer aangezien
op grond van de onder 3.5. genoemde nota mag worden verwacht, dat wordt
getracht mogelijke weerstanden bij bewoners tegen de komst van een moskee
te inventariseren en weg te nemen.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie het aannemelijk dat bij
de wederpartij (mede) een rol heeft gespeeld dat er op redelijk korte afstand
van elkaar twee moskeeën gevestigd zouden worden waarbij de hoedanigheid
van beide voorzieningen als moskee van belang was. De wederpartij heeft
hiermee direct onderscheid op grond van godsdienst gemaakt als bedoeld
in artikel 7 AWGB.

4.7. Ten aanzien van de vraag of de wederpartij -zoals verzoekster stelt-
met het bestreden handelen zoals bij 4.1. onder a en b weergegeven tevens
onderscheid op grond van ras heeft gemaakt, overweegt de Commissie als
volgt.

Verzoekster is opgericht ten behoeve van de Marokkaanse islamitische gemeenschap
in Alkmaar en omgeving. Wat dit betreft kan er een grote mate van verwevenheid
zijn tussen de persoonskenmerken godsdienst en ras als bedoeld in de AWGB.
Daardoor kan het gemaakte onderscheid op grond van godsdienst tevens inhouden
dat er een onderscheid op grond van ras is gemaakt. Voor wat betreft de
opdracht aan de makelaar is evenwel gesteld dat ook ‘kerkelijke’ organisaties,
waarbij geen sprake is van etnische afkomst in de zin van de AWGB, als
koper geweigerd zouden zijn. Ook voor het overige ziet de Commissie in
de onderhavige zaak -althans in wat haar in deze spoedprocedure is gebleken
aan feiten en omstandigheden- onvoldoende grond om te concluderen dat de
wederpartij tevens onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Burgemeesters
en Wethouders van de gemeente Alkmaar jegens de (….) te Alkmaar

– onderscheid naar godsdienst heeft gemaakt als bedoeld in artikel 7, eerste
lid, onderdeel b van de Algemene wet gelijke behandeling en derhalve in
strijd heeft gehandeld met genoemde wet;

– geen onderscheid naar ras heeft gemaakt als bedoeld in artikel 7, eerste
lid, onderdeel b van de Algemene wet gelijke behandeling en derhalve niet
in strijd heeft gehandeld met genoemde wet.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M. den Boer(lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 maart 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een werkneemster is geplaatst in de functieschaal 45. Zij stelt ongelijk
beloond te worden ten opzichte van twee mannelijke collega’s. Deze collega’s
zijn in functieschaal 50 geplaatst. De Commissie heeft in oordeel 96-89
uitgesproken dat de functies van de vrouw en de maatmannen van gelijke
waarde waren en dat bij de inschaling onderscheid op grond van geslacht
was gemaakt. De Commissie overwoog dat het recht op gelijke beloning niet
automatisch meebrengt dat de werkneemster recht had op een onjuiste inschaling
in een hogere functieschaal. Wel heeft de Commissie het bedrijf aanbevolen
het feitelijke beloningsverschil aan de vrouw uit te betalen, hetgeen is
gebeurd. In de van toepassing zijnde CAO staat dat werknemers van 55 jaar
en ouder het maximum salaris van de schaal dienen te ontvangen, waarin
zij zijn ingedeeld. De vrouw is 55 jaar en vindt dat zij conform de CAO
het maximum van functieschaal 50 beloond zou moeten worden. De Commissie
oordeelt dat de vrouw niet automatisch privileges van een hogere functieschaal
kan claimen. Slechts indien deze privileges op de maatmannen van toepassing
worden, kan de werkneemster deze ook claimen. De maatmannen kunnen geen
gebruik maken van het privilege van de ’55 jarigen regeling’. De Commissie
ziet dan ook niet in waarom de vrouw wel van deze regeling zou moeten kunnen
profiteren. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 26 september 1997 verzocht mevrouw (….) te Doetinchem (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (….) te Doetinchem (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid op grond van geslacht maakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is bij de wederpartij werkzaam in FWG-schaal 45.
Zij is van mening dat zij conform het maximum van FWG-schaal 50 beloond
zou moeten worden. Door dit na te laten is er sprake van ongelijke beloning
ten opzichte van twee collega’s, te weten de heer (….) (hierna: maatman
1) en de heer (….) (hierna: maatman 2). Verzoekster is van mening dat
de wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling handelt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben de gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk
toe te lichten.

Verzoekster heeft in 1995 een verzoek om een oordeel bij de Commissie ingediend
over ongelijke beloning ten opzichte van maatman 1 en maatman 2. De Commissie
heeft in die zaak als oordeel uitgesproken dat er sprake was van ongelijke
beloning in strijd met de wetgeving gelijke behandeling (Commissie gelijke
behandeling, 12 november 1996, oordeel 96-89.). De wederpartij heeft naar
aanleiding van dit oordeel aan verzoekster een toelage op haar salaris
gegeven. Verzoekster is van mening dat de toelage de ongelijke beloning
niet in al zijn facetten wegneemt.
Daarom heeft zij opnieuw om een oordeel van de Commissie verzocht.

2.2. Partijen zijn uitgenodigd om hun standpunten nader toe te lichten
tijdens een zitting op 9 maart 1998.

Ter zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)
– mw. mr. (….) (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (directeur)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. P.F. van der Heijden (lid Kamer)
– mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer)

van de kant van de Arbeidsinspectie
– dhr. S. Bisschop (bedrijfskundige)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een ziekenhuis. Op de wederpartij is de CAO voor
het Ziekenhuiswezen van toepassing (hierna: de CAO).
De salariëring geschiedt volgens de in de CAO vastgelegde salaristabellen
en de daarbij behorende richtlijnen.

3.2. Artikel 8 van de CAO heeft betrekking op het minimumsalaris van werknemers
van 55 jaar en ouder. Dit artikel bepaalt dat aan de werknemer die tenminste
de 55-jarige leeftijd heeft bereikt en daaraan voorafgaand onafgebroken
vijf jaren in dienst van dezelfde werkgever is geweest, geen lager salaris
wordt toegekend dan het maximum vastgestelde salaris van de schaal, waarin
de betrokkene is ingedeeld. Toepassing van deze bepaling geldt uitsluitend
voor werknemers die een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan vóór 1 juli
1994.

3.3. Verzoekster (geboortedatum 18 juni 1940) is op 10 maart 1975 bij de
wederpartij in dienst getreden. Zij is sinds 1 juni 1988 ingeschaald in
FWG-schaal 45. Op 1 juli 1992 heeft zij het maximum van deze salarisschaal
bereikt.
Ten gevolge van het eerdere oordeel 96-89 van de Commissie ontvangt verzoekster
jaarlijks een toeslag ter grootte van het feitelijke beloningsverschil
tussen haar en maatman 1.

3.4. Maatman 1 (geboortedatum 30 september 1947) is op 1 april 1971 bij
de wederpartij in dienst getreden. Hij is per 1 januari 1988 in FWG-schaal
45 ingedeeld. Per 1 september 1993 is maatman 1 ingedeeld in FWG-schaal
50.

3.5. Maatman 2 (geboortedatum 1 september 1958) is op 1 november 1993 bij
de wederpartij in dienst getreden. Bij indiensttreding is hij ingeschaald
in FWG-schaal 50.

Standpunten van partijen

3.6. Verzoekster brengt het volgende naar voren.

Op 18 juni 1995 heeft verzoekster de 55-jarige leeftijd bereikt. De CAO
bepaalt dat een 55-jarige werknemer geen lager salaris mag ontvangen dan
het maximum van de betreffende functiegroep. Verzoekster heeft het maximum
van haar salarisschaal al in 1992 bereikt. De maatmannen ontvangen na het
bereiken van de 55-jarige leeftijd hun salaris op grond van het maximum
van functiegroep 50. Dit terwijl de functies die zij uitoefenen eigenlijk
in
FWG-schaal 45 thuishoren. Hierdoor ontstaat er een verschil in beloning
op grond van geslacht in strijd met artikel 7:646 lid 1 Burgerlijk Wetboek
(BW) en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB).

Bovendien handelt de wederpartij in strijd met de strekking van het eerdere
oordeel van de Commissie over haar beloning. (Commissie gelijke behandeling,
12 november 1996, oordeel 96-89). Hoewel in dit oordeel de ’55-jarigen
regeling’ niet expliciet aan de orde is geweest, heeft de Commissie overwogen
dat de compensatie voor de ongelijke beloning het beloningsverschil in
al haar facetten diende weg te nemen. Door verzoekster bij het bereiken
van de
55-jarige leeftijd niet te belonen volgens het maximum van
FWG-schaal 50, ontstaat er wederom een beloningsverschil tussen verzoekster
en haar maatmannen.

3.7. De wederpartij brengt het volgende naar voren.

Zij erkent dat er tussen verzoekster en de maatmannen een ongelijkheid
bestaat in de functie-indeling. Deze is echter niet veroorzaakt door ongelijke
behandeling op grond van sekse, maar door een verkeerde functie-indeling
in het verleden. Op grond van het eerdere oordeel van de Commissie wordt
het feitelijke beloningsverschil tussen verzoekster en maatman 1 door de
wederpartij aan verzoekster uitbetaald. Als verzoekster volgens het maximum
van FWG-schaal 50 beloond zou worden, zou dit betekenen dat aan haar meer
dan het feitelijke beloningsverschil vergoed zou worden, zolang de maatman
dat maximum nog niet heeft bereikt.

De wederpartij handelt conform het oordeel 96-89 van de Commissie. Hierin
is uitdrukkelijk aanbevolen het feitelijke (bruto) beloningsverschil aan
verzoekster uit te betalen.
Ook heeft de Commissie aangegeven dat het recht op gelijke beloning van
verzoekster, in dit geval niet automatisch meebrengt dat zij recht heeft
op een onjuiste inschaling in een hogere functieschaal. De wederpartij
is derhalve van mening dat zij jegens verzoekster geen onderscheid naar
geslacht maakt.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid op grond van geslacht maakt, door verzoekster
niet te belonen conform het maximum van FWG-schaal 50 bij het bereiken
van de leeftijd van 55 jaar.

4.2. Artikelen 7, 8 en 9 WGB bepalen dat een werkgever geen onderscheid
mag maken tussen mannen en vrouwen op het punt van de beloning wanneer
zij arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde verrichten. Van gelijke
beloning is sprake indien deze is berekend op grondslag van gelijkwaardige
maatstaven.
Artikel 7:646 lid 1 BW bepaalt dat onder meer bij de arbeidsvoorwaarden
geen onderscheid naar geslacht mag worden gemaakt. Onder de arbeidsvoorwaarden
valt de beloning.

4.3. In het oordeel 96-89 heeft de Commissie geconstateerd dat de functies
van verzoekster en de maatmannen van gelijke waarde waren. Het onderzoek
naar de beloning in deze zaak wees uit dat al deze functies in FWG-schaal
45 thuishoren. Tijdens het onderzoek is gebleken dat de hogere inschaling
van de maatmannen (in FWG-schaal 50) te wijten was aan een verkeerde functie-indeling
in het verleden. De wederpartij heeft erkend dat de maatmannen te hoog
waren ingeschaald.

4.4. Voor zover van belang heeft de Commissie in oordeel 96-89 het volgende
overwogen.
“De Commissie is van oordeel dat het recht op gelijke beloning van verzoekster
in dit geval niet automatisch meebrengt, dat zij recht heeft op een onjuiste
inschaling in een hogere functieschaal.
Door aan verzoekster compensatie aan te bieden voor de door deze indeling
ontstane ongelijke beloning kan in principe de ongelijkheid worden weggenomen.
Daarbij is wel vereist dat de compensatie de volledige periode van de ongelijke
beloning bestrijkt en tevens het gehele beloningsverschil in al zijn facetten
wegneemt. (…) De Commissie beveelt aan, de toeslag in de loop van de
tijd aan te passen aan het feitelijke (bruto) beloningsverschil teneinde
deze ongelijkheid te voorkomen”.

4.5. Deze uitspraak impliceert dat verzoekster niet automatisch privileges
van een hogere functieschaal kan claimen. Slechts indien deze privileges
op maatman 1 of maatman 2 van toepassing worden, kan verzoekster deze ook
claimen. Maatman 1 zal eerst op 30 september 2002 de 55-jarige leeftijd
bereiken en zou dus pas vanaf deze datum van de 55-jarigen regeling kunnen
profiteren. Maatman 1 bereikt echter al op 1 september 1999 het maximum
van FWG-schaal 50. Het bereiken van de 55-jarige leeftijd zal dus voor
hem geen salarissprong betekenen. Maatman 2 wordt pas op 1 september 2013
55 jaar. Maar ook hij bereikt het maximum van FWG-schaal 50 al eerder,
namelijk op 1 september 1998 (op 40-jarige leeftijd).

4.6. De Commissie stelt vast dat de beide maatmannen geen gebruik kunnen
maken van het privilege van de 55-jarigen regeling.
Zij ziet dan ook niet in waarom verzoekster wel van deze regeling zou moeten
kunnen profiteren. Het oordeel 96-89 van de Commissie hield in dat verzoekster
gelijk beloond diende te worden als de maatmannen, maar niet dat zij recht
had op inschaling in een hogere functieschaal. Op grond van het bovenstaande
concludeert de Commissie dat de wederpartij niet in strijd met de wet handelt
door verzoekster niet conform het maximum van FWG-schaal 50 te belonen
vanaf het moment dat zij 55 jaar is geworden. Pas op het moment dat één
van de maatmannen een beroep doet op de 55-jarigen regeling, kan verzoekster
aanspraak maken op een beloning conform het maximum van FWG-schaal 50.
De maatmannen komen echter niet voor deze regeling in aanmerking omdat
zij (en met hen verzoekster) al eerder beloond worden volgens het maximum
van hun salarisschaal. Daarbij constateert de Commissie dat verzoekster
per 1 september 1999 beloond zal worden conform het maximum van de betreffende
schaal.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit, dat (….)
te Doetinchem jegens mevrouw (….) te Doetinchem bij de beloning geen
onderscheid op grond van geslacht maakt bij de beloning als bedoeld in
artikel 7:646 lid 1 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 7 tot en met 9 Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen door haar niet conform het maximum
van FWG-schaal 50 te belonen vanaf het moment dat zij 55 jaar is geworden.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. P.F. vander Heijden (lid Kamer), mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer), mw. mr. A.K. deJongh (secretaris Kamer)

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 24 maart 1998

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Meisje van dertien jaar is seksueel misbruikt door paardentrainer van de
naast haar huis gelegen renbaan. Het meisje is gek op paarden en was altijd
in de stallen van de renbaan te vinden, totdat haar ouders achter het
misbruik komen. Er wordt aangifte gedaan en de man bekent het misbruik. Zij
verzoekt in kort geding een straat/contactverbod en toewijzing daarvan
betekent – gezien de ligging van de woning van aanvraagster en de direct
daarnaast gelegen renbaan – dat de paardentrainer feitelijk niet meer op de
renbaan zal kunnen komen. Tevens wordt het ontslag gevorderd als vorm van
passende schadevergoeding na seksueel misbruik. In een tussenvonnis wijst de
President het ontslaggebod af. In het eindvonnis wordt ook het
contact/straatverbod afgewezen. De President stelt zich op het standpunt dat
er sinds de aanrandingen in 1995 geen overlast meer is geweest. Een
straatverbod zou inhouden dat gedaagde niet meer naar zijn werk kan en dus
zijn baan zou verliezen. Ook het Hof wijst het gevorderde
straat/contact/gebiedsverbod af. Het Hof overweegt daarbij dat de door
partijen overgelegde bevindingen van de deskundigen elkaar tegenspreken,
waardoor deze bevindingen niet als houvast kunnen dienen voor de gevraagde
verboden. Een kort-geding procedure leent zich niet voor een diepgaander
onderzoek, aldus het Hof. Voor het Hof speelt ook mee dat gedaagde geen
contact meer heeft gezocht met eiseres of haar familie. Voorts wijst het Hof
een hogere schadevergoeding toe van ƒ 8.649,75.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg.

Het hof verwijst naar de vonnissen van 20 maart 1997 en 2 mei 1997 van de
president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem onder rolnummer KG
1997/130, die in fotokopie aan dit arrest zijn gehecht.

2. Het verloop van de procedure in hoger beroep.

2.1 Bij exploot van 16 mei 1997 heeft appellant – H. – aan geïntimeerde – F.
– aangezegd in hoger beroep te komen van beide vonnissen en hem gelijktijdig
gedagvaard voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft H. vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd
dat het hof het vonnis van 2 mei 1997 zal vernietigen en alsnog, uitvoerbaar
bij voorraad, F. zal verbieden direct of indirect via brieven, de telefoon,
via derden of anderszins contact te zoeken met zijn dochter of haar familie
en om zich te bevinden of zich te begeven op het grondgebied volgens de aan
de dagvaarding gehechte en gemarkeerde plattegrond, op straffe van verbeurte
van een dwangsom van ƒ 500 per dag voor iedere overtreding van de gevraagde
verboden, met de bepaling dat indien F. deze dwangsom niet betaalt het arrest
uitvoerbaar zal zijn bij lijfsdwang en voorts met machtiging iedere
overtreding te doen beëindigen met hulp van de sterke arm van politie en
justitie; voorts F. zal veroordelen tot betaling van ƒ 37.224,13 met rente en
met zijn veroordeling in de proceskosten, een en ander als nader in die
memorie omschreven.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft F. het appèl bestreden en geconcludeerd
tot niet-ontvankelijkverklaring van appellanten in hun appèl, althans tot
ontzegging aan hen van de vordering met hun veroordeling in de kosten van het
geding in beide instanties.

2.4 Partijen hebben de zaak ter zitting van 4 februari 1998 doen bepleiten,
H. door zijn procureur en F. door mr. J.J.M. Cliteur. Na afloop zijn de
stukken overgelegd, waaronder pleitnoties van de raadslieden, die van mr.
Cliteur voorzien van het hierna te noemen strafvonnis van de rechtbank te
Arnhem als bijlage.

3. De grieven

H. is niet-ontvankelijk in het appèl tegen het vonnis van 20 maart 1997, nu
daartegen geen grieven zijn gericht.

3.1 De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen de beslissing van de president dat
voorshands geen aanleiding bestaat aan F. een contactverbod of straatverbod
op te leggen en keren zich tegen hetgeen de president dienaangaande heeft
overwogen in 2.4 en 2.5 van het bestreden vonnis.

3.2 Grief 3 is gericht tegen de beslissing van de president dat het niet
redelijk voorkomt te veroordelen tot het betalen van reiskosten en keert zich
tegen hetgeen de president heeft overwogen in 2.10 van diens vonnis.

3.3 Grief 4 is gericht tegen de beslissing van de president F. niet te
veroordelen tot het betalen van kosten van loonderving van H.

3.4 Grief 5 is gericht tegen de beslissing van de president onderscheid te
maken tussen de kosten van rechtsbijstand voor de strafzaak en de kosten voor
deze civiele zaak, alsmede – naar uit de toelichting blijkt – tegen de hoogte
van het door de president hiervoor toegewezen bedrag.

3.5 Er is nog een laatste bezwaar, dat niet afzonderlijk is genummerd. Dit
houdt in dat H. van het door de president vastgesteld bedrag aan vergoeding
voor materiële en immateriële schade van in totaal ƒ 5.000 (ook) het gedeelte
voor immateriële schadevergoeding, door hem berekend op ƒ 1.610,12, te laag
acht.

4. De vaststaande feiten

Het hof gaat van de volgende feiten uit.
4.1 In oktober 1994 is F. als paardentrainer in dienst getreden bij het
bedrijf van O. In de eerste helft van 1995 zijn H. en zijn gezin, waaronder
zijn op 12 maart 1982 geboren dochter Samantha, in een woning komen wonen die
grenst aan het bedrijf van O. De woning is naast de tot het bedrijfsterrein
behorende renbaan gelegen. Vanuit de woning heeft men ruim uitzicht op de
renbaan.

4.2 Samantha was regelmatig op het bedrijf van O. aanwezig om daar paard te
rijden en te helpen bij het verzorgen van de paarden.

4.3 Op 4 juli 1995 heeft H. aangifte gedaan bij de politie van ontucht door
F. met Samantha.

4.4 Na politieonderzoek is strafvervolging ingesteld. Bij onherroepelijk
geworden vonnis van de rechtbank te Arnhem van 10 april 1997 is F. wegens het
in de periode van 1 mei 1995 tot en met 22 juni 1995 met Samantha plegen van
ontuchtige handelingen, waaronder het met de vinger(s) binnengaan van de
vagina, veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van drie maanden
voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en 140 uur onbetaalde arbeid
ten algemene nutte ter vervanging van drie maanden gevangenisstraf, met
aftrek van twee uren wegens de in verzekering doorgebrachte tijd. De
rechtbank motiveerde deze strafoplegging onder andere met een verwijzing naar
het misbruik dat F. als paardenverzorger en als instructeur heeft gemaakt van
een 13-jarig meisje en met het grote leeftijdsverschil tussen F. en Samantha.
Dat verschil had voor F. reden moeten zijn afstand tot zijn slachtoffer te
bewaren, aldus de rechtbank. Daaraan voegde de rechtbank toe, dat het een
feit van algemene bekendheid is dat niet gewilde seksuele handelingen bij
jonge mensen ernstige schade kunnen toebrengen aan hun persoon en hun
seksuele ontwikkeling. Ter terechtzitting heeft de rechtbank Samantha
niet-ontvankelijk verklaard in de door haar als benadeelde partij ingestelde
vordering, omdat deze naar het oordeel van de rechtbank niet eenvoudig was en
zich niet leende voor behandeling in het kader van dat strafproces.

4.5 Op 23 oktober 1995 heeft Samantha aangifte gedaan van twee dagen daarvoor
gepleegde bedreiging door F. en zijn vriendin J tijdens paardenkoersen in
Dinslaken (Duitsland).

4.6 Op 5 september 1996 is Samantha, die op de fiets naar huis reed, door J.
gedwongen te stoppen. Cremers wilde met Samantha praten. Van dit voorval
heeft Samantha op 9 september 1996 melding gemaakt bij de politie, die een
rapport heeft opgemaakt, waarin Samantha heeft verklaard zich zeer angstig en
bedreigd te voelen door het handelen van Cremers.

4.7 In december 1996 heeft het Bureau Slachtofferhulp aan de Riagg advies
gevraagd omtrent eventuele verwijzing van Samantha naar de Riagg. Samantha
had te kennen gegeven in deze fase geen hulp te wensen. De Riagg heeft toen
geadviseerd geen druk uit te oefenen op Samantha en haar zelf te laten
bepalen wanneer zij aan hulpverlening toe was.

4.8 In juni 1996 is Samantha in het Academisch Ziekenhuis te Nijmegen
opgenomen in verband met een blessure waarvoor operatief werd ingegrepen. Bij
brief van 24 maart 1997 heeft drs. L. de Jong, als
psycholoog/gedragstherapeut verbonden aan de afdeling medische psychologie
van dat ziekenhuis, aan de raadsvrouw van H. geschreven, dat tijdens de
opname was gebleken dat Samantha psychische moeilijkheden had, waarvoor zij
naar drs. De jong doorverwezen was. De ouders hadden drs. De Jong verteld
over de angsten van Samantha met betrekking tot het sexueel misbruikt zijn.
Drs. De Jong heeft voorts meegedeeld, dat de verwerking van zowel het sexueel
misbruik als veelvoorkomend ook de iatrogene gevolgen van de juridische
nasleep psychotherapeutische hulp behoeven. ‘Echter, indien de bedreiging, in
dit geval verbaal en fysiek, voortduurt, is therapie gecontraïndiceerd. Dit
dient gestopt te zijn wil verwerking mogelijk zijn. Cru gezegd zou dat er op
neer komen dat men dweilt met de kraan open’, aldus drs. De Jong.

5 De beoordeling van het appèl

5.1 Geen hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van 2 mei 1997 voorzover
daarbij onder 3.3 H. in de proceskosten is veroordeeld aan de zijde van
Cremers en O.. In hoger beroep zijn uitsluitend nog aan de orde het tegen F.
gevraagde contact- en gebiedsverbod en het verlangde voorschot op
schadevergoeding.

5.2 Gesteld voor de vraag wat de ‘ontuchtige handelingen’ die F. jegens
Samantha heeft gepleegd nu precies hebben ingehouden, constateert het hof dat
noch de president, noch de rechtbank een preciese omschrijving geven; voorts
zijn partijen het over die inhoud wel grotendeels, maar niet geheel met
elkaar eens. Uit de stukken en het over en weer door partijen gestelde valt
echter het volgende op te maken. F. heeft, gehoord door de politie, verklaard
dat in de paardenstal waar hij werkte veel meisjes kwamen, waaronder
Samantha, vanwege de aantrekkingskracht van de paarden. Zij was vaak in de
stal te vinden. In de loop van de tijd ontstond een band tussen hem en
Samantha en op een gegeven moment – omstreeks mei 1995 – merkte hij dat zij
toenadering tot hem zocht. Op een gegeven moment is Samantha bij F. thuis
gaan komen op momenten dat diens vriendin Jutta afwezig was. Daar hebben een
aantal keren – volgens Samantha meer keren dan F. beweert – seksuele
contacten plaatsgevonden, variërend van tongzoenen en elkaar strelen tot
vingeren en aftrekken. Volgens Samantha heeft F. ook een keer met zijn penis
tussen haar benen gezeten, net onder haar vagina, niet erin, en heeft hij een
andere keer haar schaamlippen aan de buitenzijde gelikt, maar F. ontkent deze
beschuldigingen.

5.3 Samantha heeft tegenover de politie onder meer verklaard: ‘Ik vind het
allemaal heel vervelend wat er gebeurd is. Van de ene kant vond ik het in het
begin wel leuk en spannend. Ik had een keer gezegd dat ik het niet leuk vond
en dat hij het niet moest doen. Hij deed het dan ook niet meer, maar hij deed
dan verder ook heel vervelend tegen mij. Hij deed heel afstandelijk en maakte
stomme opmerkingen over mij. Ik deed dan alles fout en hij zei dat dan ook
hardop tegenover iedereen. Dat deed hij eerder nooit. Ik voel mij nu
schuldig. Dit komt omdat ik Reinier’ (de roepnaam van F.) ‘best wel achterna
heb gelopen. Ik was verliefd op hem. In het begin vond ik het dan ook best
wel leuk en spannend wat er allemaal gebeurde. Op een gegeven moment wist ik
echter niet meer hoe ik hier uit moest komen. Ik bedoel, ik had al wat
toegelaten en ik durfde als hij wat verder ging dan ook geen nee meer te
zeggen’. Voor Samantha speelde bij dit alles nog een rol, dat zij wist dat
een 15-jarige vriendin van haar eveneens seksuele betrekkingen met F.
onderhield en dat zij vond dat zij niet kon onderdoen voor haar vriendin en
daarom daarmee maar doorging.

5.4 De president heeft geoordeeld dat F. zich door het plegen van de
ontuchtige handelingen onrechtmatig jegens Samantha heeft gedragen en heeft
aannemelijk geacht dat Samantha daardoor schade heeft geleden, omdat algemeen
bekend is dat sexueel misbruik kan leiden tot ernstige lichamelijke en
psychische klachten. De president voegde daaraan toe, dat zelfs indien de
stelling van F. dat Samantha het initiatief heeft genomen juist zou zijn,
diens handelen onrechtmatig blijft, omdat het op zijn weg zou hebben gelegen
niet op de avances van Samantha in te gaan. Deze beslissingen van de
president zijn in hoger beroep – terecht – onbestreden gebleven, zodat zij
ook voor het hof uitgangspunt zijn. Ook op grond van het strafvonnis staat
het onrechtmatige van het handelen van F. vast.

5.5 Het hof laat in het midden welke van beide zojuist genoemde lezingen
omtrent de voorgevallen feiten, voor zover deze uiteenlopen, de juiste is.
Vaststaat dat er schade is geleden en partijen stellen niet dat het voor de
bepaling van de hoogte van het voorschot op de schadevergoeding van belang is
dat vaststaat welke lezing de juiste is en ook overigens blijkt niet dat dat
voor de uitslag van dit geding van belang is.

5.6 Het hof bespreekt eerst het gevraagde contact- en gebiedverbod. De beide
verboden zouden moeten dienen om Samantha rust en veiligheid te garanderen,
die nodig zijn om de post-traumatische stressstoornis te overwinnen, waaraan
zij door toedoen van F. lijdende is, aldus H.. Beide verboden grondt H. ook
daarop, dat F. Samantha onvoldoende vermijdt, nu hij op de renbaan achter het
ouderlijk huis van Samantha voor haar zichtbaar is en hij bij het inrichten
van zijn werk op de renbaan geen rekening houdt met het feit dat Samantha een
visuele confrontatie met hem niet meer aankan sinds de aangifte; F. werkt op
de renbaan zonder noodzaak ook op tijdstippen dat Samantha niet op school is
en hij organiseert dressuurparcoursen pal achter zijn huis, aldus H., terwijl
dat even goed uit het zicht van de woning van H. zou kunnen gebeuren op een
grasveld achter de boerderij. In de tweede plaats heeft F. volgens H.
nodeloos het risico genomen Samantha tegen te komen door op 26 maart 1997
aanwezig te zijn op een ander paardenbedrijf, waar Samantha thans paard rijdt
en vaak aanwezig is. Samantha heeft F. voorts een keer gezien op een
paardenkoers te Hilversum.

5.7 H. beroept zich in appèl ter ondersteuning van zijn standpunt op een
brief van 24 juni 1997 van de namens hem door zijn raadsvrouwe ingeschakelde
Dr. J.C. Hees-Stauthamer, klinisch pshcholoog/psychotherapeut te Arnhem. Haar
bevindingen luiden dat Samantha last heeft van slaapstoornissen, hevige
schrikreacties, voortdurende angstklachten, prikkelbaarheid,
concentratiestoornissen, gespannenheid, regelmatig starend voor zich
uitkijken, terugkerende suïcidale klachten en de overtuiging dat zij vies is
en vies gevonden wordt door anderen. Dr. Hees-Stauthamer rapporteert dat F.
Samantha behalve sexueel misbruikt ook vernederd en emotioneel gechanteerd
heeft, toen zij probeerde zich aan zijn invloed te onttrekken. Hij heeft haar
vernederd door haar in aanwezigheid van anderen voor schut te zetten en heeft
haar gechanteerd door te stellen dat zij van alles zou mogen wanneer zij op
de draverij ‘lief’ voor hem zou zijn, wat voor haar inhield zich sexueel door
hem laten gebruiken. Deze chantage had, aldus Dr. Hees, een grote emotionele
impact vanwege het leeftijdsverschil van 18 jaar en vanwege de machtspositie
van F. als trainer op de draverij waar Samantha als meisje dat gek is op
paarden, graag meehielp. De overgang van zijn gedrag, van adequaat naar
sexueel, was voor haar verwarrend en ontregelend. De omslag in zijn houding
daarna, van sexueel inpalmend naar intimiderend, was voor haar eens te meer
bedreigend, aldus Dr. Hees-Stauthamer. Zij meent dat Samantha lijdt aan een
post-traumatische stressstoornis en stelt zich op het standpunt dat het voor
Samantha op dit moment onmogelijk is zich daarvan te herstellen en om een
behandeling aan te gaan., daar zij voortdurend geconfronteerd wordt met F.,
nu hij vanwege zijn werk zo dicht en zichtbaar bij haar in de buurt blijft.

5.9 F. heeft in appèl overgelegd een op verzoek van zijn raadsman gemaakte
‘psychiatrisch-seksuologische beoordeling’ met bijlagen van de hand van F.
Bruinsma, forensisch psychiater-seksuoloog te Utrecht. Bruinsma heeft Dr.
Hees-Atauthamer bij brief van 23 augustus 1997, die zich als bijlage bij zijn
‘beoordeling’ bevindt, gevraagd toe te lichten hoe zij tot haar diagnose en
conclusie gekomen is. Als tweede bijlage bevindt zich daarbij het
schriftelijk antwoord van Dr Hees-Stauthamer van 28 augustus 1997. Zij
beschrijft hoe zij haar onderzoek heeft ingericht: zij heeft gesprekken met
Samantha en haar ouders en met Samantha individueel gevoerd en het dossier
doorgenomen, waaronder de dagboekaantekeningen van Samantha. Daar er uit
anamnese en hetero-anamnese geen relevante informatie over haar vroegere
ontwikkeling of anderszins naar voren kwam heeft zij zich ‘uit
privacy-overwegingen beperkt tot het formuleren van de diagnose op basis van
het bij Samantha bestaande toestandsbeeld’. Samantha was volgens de
onderzoekster zodanig ontregeld dat het niet zinvol was om haar met
testmateriaal te benaderen. Wel achtte zij het mogelijk haar ‘met gangbare
psychodiagnostische gesprekstechnieken te diagnosticeren. De toepassing van
de DSM-IV criteria op het op bovenstaande wijze verkregen verhaal en op mijn
eigen waarnemingen hebben geleid tot het stellen van de diagnose van een
chronische posttraumatische stress-stoornis. Het chronische karakter van het
toestandsbeeld kan afgeleid worden uit de lange duur van de klachten en uit
de zich steeds verder uitbreidende angst- en vermijdingsreacties’. Bruinsma
schrijft in zijn rapport, dat over het algemeen de gevolgen van sexueel
misbruik bij het slachtoffer niet direct samenhangen met dat misbruik maar
met de context van zogenoemde destructieve afhankelijkheid die het
slachtoffer tijdens het misbruik ervoer. Alleen wanneer het misbruik gepaard
ging met penetratie (vaginaal, oraal of anaal) of met extreme
gewelddadigheid, kunnen de lichamelijke gevolgen direct in verband met het mi

sbruik staan, aldus Bruinsma. Bruinsma vraagt zich vervolgens af of de
intensiteit en het actuele karaker van de verschillende vooral emotionele
reacties van Samantha niet juist tegen het chronische karakter van een
posttraumatische stressstoornis pleiten. Een slachtoffer kan primair door het
sexueel misbruik getraumatiseerd zijn. Van secundaire traumatisering wordt
gesproken als de gevolgen vooral samenhangen met de psychische en juridische
nasleep, nadat het misbruik bekend is geworden. Vaak zijn de gevolgen van de
secundaire traumatisering ernstiger van aard dan die van de primaire. Dat
hangt vooral samen met de als onveilig ervaren omgeving thuis en buitenshuis,
die een goede verwerking in de weg staat, aldus Bruinsma.

5.10 Volgens Bruinsma zal het opleggen van een straat/contactverbod aan F.
Samantha niet helpen zolang zij nog op allerlei prikkels reageert, die in
haar beleving, en niet in werkelijkheid samenhangen met het seksuele
misbruik. Zelfs als F. inderdaad zou verdwijnen, dan nog zou Samantha last
(kunnen) blijven houden van haar klachten. Bruinsma merkt op dat de
beschrijving van dr Hees-Stauthamer slechts voor een deel overeenkomt met de
criteria (volgens DSM-IV) van een posttraumatische stress-stoornis. Hij
vraagt zich af of de intensiteit en actualiteit van de klachten van Samantha
overeenstemmen met de chronische vorm van de stoornis. Zelf vermoedt hij dat
de symptomen een reactie zijn op een secundaire traumatisering van de
psychische en juridische nasleep. Bij een psychotherapeutische behandeling
gaat het vooral om de innerlijke belevingswereld van de cliënt en niet om
verandering van de feitelijke werkelijkheid. De aanwezigheid van F. kan
bijdragen tot de door Samantha als onveilig beleefde externe omgeving, maar
ook zonder diens aanwezigheid kan Samantha zich zo onveilig voelen dat zij
zich niet goed kan verweren tegen eventuele secundaire traumatiseringen,
aldus Bruinsma.

5.11 Bruinsma stelt aldus vraagtekens bij de bevindingen van dr
Hees-Stauthamer. Weliswaar heeft hij Samantha niet gezien, maar dat behoeft
niet bij voorbaat de eventuele waarde aan zijn kritiek te ontnemen, voor
zover deze gebaseerd is op observaties en beschouwingen van meer algemene
aard. Een onderzoek door een of meer door de rechter te benoemen deskundigen
zou mogelijk meer duidelijkheid verschaffen, maar de – door H. gekozen – kort
geding-procedure leent zich naar zijn aard niet voor een dergelijk
diepgaander onderzoek. Het hof kan aldus de bevindingen van Dr
Hees-Stauthamer voorshands niet overnemen.

5.12 Gelet op deze tegenstrijdige bevindingen van Dr Hees-Stauthamer en
Bruinsma bieden de bevindingen van Dr Hees-Stauthamer geen houvast om te
dienen als grond voor de gevraagde verboden. Het hof betrekt bij deze
beslissing ook het feit, dat F. geen contact meer heeft gezocht met Samantha
of haar familie, behoudens op 21 oktober 1995, toen F. volgens de aangifte
van Samantha van 23 oktober 1995 op de renbaan te Dinslaken tegen Samantha
zou hebben gezegd dat hij en Jutta Samantha niet meer wilden zien op de
koers, alsmede dat hij hield van Jutta en dat hij niet wilde dat Samantha dat
nog een keer kapot maakte. Wat hiervan zij, vaststaat dat F. sedertdien
Samantha niet meer heeft benaderd, aangesproken, geschreven, gebeld of op
andere wijze met haar of haar familie actief contact heeft gezocht, zodat in
zoverre op dit moment, nu er geen aanleiding is te vrezen dat F. zich opnieuw
schuldig zal maken aan onrechtmatig gedrag, geen aanleiding bestaat voor een
dergelijk verbod. Samantha en haar moeder hebben F. op 26 maart 1997 nog een
keer gezien op een paardenbedrijf in
obith waar Samantha vaak verblijft. Uit het weinige wat H. over dat voorval
stelt (Samantha en haar moeder zagen F. toen zij het terrein kwamen oprijden)
kan niet worden afgeleid dat F. zich onrechtmatig jegens Samantha heeft
gedragen. Om dezelfde reden bestaat er evenmin grond voor het gevraagde
gebiedsverbod, te minder waar dit het grondrecht van bewegingsvrijheid van F.
drastisch zou beperken en bovendien ertoe zou leiden dat hij zijn werk niet
meer kan verrichten. H. stelt dat Samantha er last van heeft dat zij F. op de
renbaan ziet, hetgeen mogelijk is doordat hij niet vermijdt dat zij hem kan
zien, nu hij – bijvoorbeeld – zijn werktijden niet aanpast aan haar
schooluren. F. ontkent dat hij provoceert en stelt dat hij zijn werktijden
juist wel aanpast aan de schooltijden van Samantha. Niet staat vast dat F.
hieromtrent onrechtmatig gedrag kan worden verweten. Al met al ontbreekt hier
de basis voor het gevraagde ingrijpen door de rechter.

5.13 H. houdt F. verantwoordelijk voor de genoemde voorvallen in oktober 1995
(Dinslaken) en september 1996 (tot stoppen dwingen), voorzover J. daarbij
betrokken is. Het hof kan hem daarin niet volgen. Voorzover de voorvallen
inhouden dat J. tegen de wil van Samantha contact met haar heeft gezocht, is
niet aannemelijk geworden dat F. aansprakelijk kan worden gehouden voor het
handelen van zijn vriendin, of dat geoordeeld kan worden dat hij via deze
vriendin contact heeft gezocht met Samantha of haar familie.

5.14 De slotsom van het voorgaande luidt dat de eerste vier onderdelen van
het petitum in hoger beroep niet toewijsbaar zijn.

5.15 Anders ligt het ten aanzien van het vijfde onderdeel. H. vordert in
appèl een bedrag van ƒ 37.224,13 aan schadevergoeding, als volgt
onderverdeeld:
1. Loonderving H. ƒ 3.862,96,
2. Extra reiskosten ƒ 7.256,14,
3. Extra telefoonkosten ƒ 105,
4. Advocaatkosten (strafzaak) ƒ 6.000,03,
5. Smartengeld ƒ 20.000.

5.16 Bij de eerste vier onderdelen gaat het om schade waarvan H. stelt dat
hij deze zelf (als ‘verplaatste schade’) heeft geleden. Het hof beoordeelt
deze vier onderdelen met inachtneming van het op dit onderwerp betrekking
hebbende artikel 6:107, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, dat aan een ‘derde’
– in dit geval H. – in beginsel een eigen recht toekent op vergoeding van
kosten die anders dan krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste
zijn gemaakt en die deze laatste, zo hij ze zelf zou hebben gemaakt, had
kunnen vorderen. De ‘derde’ heeft blijkens de parlementaire geschiedenis een
eigen recht op vergoeding, dat bestaat op grond van de aansprakelijkheid
jegens degene die het letsel heeft opgelopen (NvW. PG InvW 6. p 1282).

5.17 F. bestrijdt ten aanzien van de eerste drie onderdelen dat deze kosten
zijn gemaakt, nu daarvan geen enkel bewijs is overgelegd.

5.18 Wat het eerste onderdeel betreft (‘loonderving’) is het hof van oordeel
dat deze kosten tegenover de betwisting door H. inderdaad niet aannemelijk
zijn geworden. De in eerste aanleg overgelegde producties geven weliswaar een
berekening van het dagloon, maar niet aannemelijk is geworden dat H. het
gestelde aantal vakantiedagen heeft opgenomen.

5.19 Wat het tweede onderdeel betreft acht het hof evenals de president niet
toewijsbaar de reiskosten die opgevoerd worden wegens bezoek aan school en
Koppejan. De noodzaak van het desbetreffende vervoer is in de gegeven
omstandigheden voorshands niet aannemelijk geworden. Het gaat hier niet om
schade die in zodanig verband staat met het vastgestelde onrechtmatig gedrag
van F., dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de
schade, als een gevolg van dit gedrag kan worden toegerekend; voor het
overige voldoet dit onderdeel wel aan genoemde maatstaf, nu het hof voldoende
aannemelijk acht dat deze kosten zijn gemaakt. In 1995 is aldus toewijsbaar
(2108 km minus 528 respectievelijk 1320 km = 260 km maal ƒ 0,59=) ƒ 153,40,
in 1996 (225+45+45+20+180=515 km maal ƒ 0,60=) ƒ 309 en in 1997 (90+45 maal ƒ
0,61=) ƒ 82,35, in totaal, ƒ 544,75.

5.20 Het derde onderdeel acht het hof aannemelijk en geheel toewijsbaar.

5.21 Ten aanzien van het vierde onderdeel geldt dat de kosten voor zover zij
de strafzaak betreffen niet toewijsbaar zijn, behoudens voor zover het gaat
om de kosten van de vorige raadsvrouw, die wel toewijsbaar zijn (twee maal ƒ
587,50). In januari 1997 is in dit kort geding immers door de huidige
raadsvrouwe de sommatie aan F. verzonden en eind januari 1997 was de
behandeling ter terechtzitting van de strafzaak gepland. Niet valt in te zien
om welke reden ter verkrijging van schadevergoeding naast het
civielrechtelijke spoor daarna, en daarnaast, ook het strafrechtelijke spoor
moest worden gevolgd, zodat deze laatste kosten als niet noodzakelijk gemaakt
moeten worden beschouwd. Voorzover het gaat om kosten betreffende dit kort
geding merkt het hof op, dat terzake van verrichtingen ter voorbereiding en
ter instructie van deze zaak, zoals het maken van de dagvaarding jegens de
wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 BW kan worden
toegekend, nu daarop alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing
zijn. Het hof zal de kosten die niet daardoor worden gedekt en die van de
vorige raadsvrouwe in totaal begroten op ƒ 3.000 inclusief b.t.w.

5.22 Ten aanzien van het vijfde onderdeel is het hof van oordeel dat bij
wijze van voorschot op immateriële schade een vergoeding van ƒ 5.000 op zijn
plaats is. Het hof neemt de situatie waarin Samantha verkeert in aanmerking;
ook indien dat uitblijven van herstel mede oorzaak vindt in de persoonlijke
geestelijke predispositie van Samantha of samenhangt met haar
persoonlijkheidsstructuur, staat dat in beginsel niet aan toerekening van de
schade aan F. in de weg.

5.23 Hetgeen H. heeft aangevoerd omtrent toekomstige schade mondt niet uit in
een vermeerdering van eis. H. beperkt zich blijkens de memorie van
toelichting uitdrukkelijk tot reeds geleden schade en smartengeld, zoals ook
F. heeft begrepen, zodat het hof zich daarover niet uitlaat.

5.24 F. heeft in appèl herhaald zijn in eerste aanleg gevoerde verweer dat
spoedeisend belang bij de vordering ontbreekt. Het hof acht spoedeisend
belang bij een voorschot aanwezig, gelet op de aard van de vordering.

5.25 Het appèl slaagt al met al gedeeltelijk, namelijk voorzover een hoger
bedrag aan schadevergoeding wordt toegewezen. Voor het overige faalt het. De
grieven behoeven geen afzonderlijke bespreking meer. Het hof zal het
bestreden vonnis vernietigen voor zover daarbij ƒ 5.000 is toegewezen als
schadevergoeding en het hogere bedrag alsnog toewijzen. Nu het onrechtmatig
gedrag van F. vaststaat en een veroordeling tot betaling van schadevergoeding
volgt zal het hof de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand laten
en in hoger beroep de kosten als volgt vaststellen, waarbij rekening wordt
gehouden met het feit dat partijen over en weer op enige punten in het
ongelijk worden gesteld.

De beslissing

Het hof:
verklaart H. niet-ontvankelijk in het appèl tegen het vonnis van 20 maart
1997;

vernietigt het bestreden vonnis van 2 mei 1997 voor zover F. daarbij onder
3.1 veroordeelt tot betaling van ƒ 5.000 met rente en bekrachtigt dat vonnis
voor het overige;

veroordeelt F. tot betaling aan H. van ƒ 8.649,75 vermeerderd met de
wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de algehele
voldoening;

veroordeelt F. in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van H. gevallen
en tot op deze uitspraak begroot op ƒ 440 griffierecht, ƒ 132,60
explootkosten en ƒ 1.000 aan salaris;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer gevorderde af.

wijst het meer gevorderde af.

Rechters

Mrs. Fokker, Van Eupen en Katz-Soeterboek

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 24 maart 1998

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Een slapende vrouw wordt in haar bed verrast door een nachtelijke indringer.
De man doet zich voor als haar vriend en heeft vervolgens met de halfslapende
vrouw geslachtsgemeenschap. De rechtbank spreekt de man vrij van verkrachting
omdat er geen sprake was van ‘dwingen’ in de zin van art. 242 Sr; niet
is gebleken dat de weerstand is gebroken door het uitoefenen van dwang.
Het hof bevestigt dit (zie RN 1998, 721).
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet is uitgegaan van een onjuiste opvatting
omtrent de betekenis die aan het begrip “dwingen” als bedoeld in art. 242
moet worden toegekend. Daarvan en dus van overtreding van art. 242 Sr is
geen sprake indien het slachtoffer doordat zij (half) in slaap was door
misleiding van de kant van de verdachte omtrent zijn identiteit diens handelingen
heeft toegelaten.

Volledige tekst

1. De bestreden uitspraak

Het hof heeft in hoger beroep -met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank
te leeuwarden van 16 april 1996, voorzover in cassatie van belang, -de
verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1
tenlastegelegde.

2. Het cassatieberoep

Het beroep, dat uitsluitend is gericht tegen de gegeven vrijspraak, is
ingesteld door de Procureur-Generaal bij het Hof. De Procureur-Generaal
heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur
is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring
van de Procureur-Generaal in zijn cassatieberoep.

4. Tenlastelegging en vrijspraak

4.1. Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 28 september 1995 te of bij Workum, gemeente Nijefurd,
door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) H. heeft gedwongen tot
het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en)
uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die H,
hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die H gebracht/geduwd en/,
althans gehouden en/of die H gevingerd en/of de vagina/het kruis van die
H gestreeld/betast en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en)
hierin dat verdachte -die wist, althans redelijkerwijs kon weten, in elk
geval vermoeden, dat die H (vast) in slaap was en vervolgens/, althans
niet (geheel) wakker was- zich tegenover die H heeft voorgedaan als haar
(vaste) vriend/partner, althans het tegenover die H heeft doen voorkomen
alsof hij haar (vaste) vriend/partner was, in elk geval het idee/gevoel
van die H dat hij, verdachte, haar (vaste) vriend/partner was niet heeft
weggenomen, althans heeft laten voortbestaan en/of (daarbij) het slipje
van die H naar beneden heeft getrokken en/of (daarbij) die H bij de schouder
heeft gepakt en naar zich toe heeft gedraaid/getrokken en/of (daarbij)
met zijn (rechter)been van die H omhoog heeft geduwd en/of (daarbij) die
H heeft toegevoegd: “Schuif wat op, want het ligt hier zo moeilijk”, althans
woorden van een dergelijke strekking:

4.2. Het Hof heeft de verdachte van dit tenlastegelegde vrijgesproken en
daartoe overwogen:
” Het hof acht niet bewezen hetgeen aldus sub 1 aan verdachte is tenlastegelegd,
zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Met name acht het hof -evenals
de rechtbank- niet bewezen dat er sprake is geweest van dwang als bedoeld
in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht”.

4.3. Voor zijn oordeel dat er geen sprake is geweest van dwang als bedoeld
in art. 242 heeft het hof gerefereerd aan hetgeen de Rechtbank in zoverre
heeft geoordeeld:
“Van ‘dwang’ als bedoeld in art. 242 Sr is sprake indien op het slachtoffer
een dermate lichamelijke of psychische druk is uitgeoefend, dat hij of
zij daardoor tot capitulatie is gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank
hebbende tenlastegelegde en op zich bewijsbare feitelijkheden noch op zichzelf,
noch in hun onderlinge verband zodanige, de weerstand van het slachtoffer
brekende, dwang kunnen opleveren, dat gesproken kan worden van verkrachting”

5. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

5.1 Nu het beroep is gericht tegen een vrijspraak moet de Hoge Raad, gezien
het bepaalde in het eerste lid van art. 430 Sv, allereerst beoordelen of
de Procureur-Generaal in dat beroep kan worden ontvangen. Daartoe dient
te worden onderzocht of de gegeven vrijspraak een andere is dan die bedoeld
in de evengenoemde wetsbepaling. Dit brengt mee dat voor het onderhavige
geval vooreerst moet worden beantwoord de vraag of het Hof, door te overwegen
en te beslissen als hiervoor is weergegeven, de grondslag der tenlastelegging
heeft verlaten en van iets anders heeft vrijgesproken dan was tenlastegelegd.

5.2 In de tenlastelegging is het begrip dwingen kennelijk gebezigd in de
betekenis die aan dit begrip in art. 242 Sr toekomt. Van zodanig dwingen
kan slechts sprake zijn indien de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt
dat het slachtoffer de in art. 242 Sr bedoelde handelingen tegen haar wil
heeft ondergaan (vgl. HR 29 november 1994, NJ 1995, 201).
Daarvan en dus van overtreding van art. 242 Sr is geen sprake indien het
slachtoffer doordat zij (half) in slaap was door misleiding van de kant
van de verdachte omtrent zijn identiteit diens handelingen heeft toegelaten.

5.3 Door te overwegen als hiervoor onder 4.2 is weergegeven, heeft het
Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat hetgeen de verdachte
heeft verricht niet oplevert dat hij H. heeft gedwongen tot het ondergaan
van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het
seksueel binnendringen van het lichaam van die H.

5.4 Uit de onder 4.2 weergeven overweging blijkt derhalve niet dat het
Hof bij zijn beraadslaging en beslissing is uitgegaan van een onjuiste
opvatting omtrent de betekenis die aan het begrip ‘dwingen’, als bedoeld
in art. 242 Sr moet worden toegekend. Uit het voorgaande volgt dat het
Hof de grondslag van de tenlastelegging niet heeft verlaten en niet van
iets anders heeft vrijgesproken dan was tenlastegelegd.

5.5 Aangezien ook overigens niet blijkt van enige omstandigheid op grond
waarvan de vrijspraak zou zijn aan te merken als een andere dan de zodanige
waarop in voormeld art. 430, eerste lid, Sv wordt bedoeld, kan de Procureur-Generaal
in zijn beroep niet worden ontvangen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de Procureur-Generaal bij het Gerechtshof niet-ontvankelijk
in zijn beroep.

Noot

Voorwaarde om te kunnen (in)slapen is een gevoel van veiligheid. Een vertrouwen
dat niemand je lichaam betast of je lichaam binnendringt. Slapen onderscheidt
zich van waken doordat er geen sprake kan zijn van alertheid. Hoe dieper
de slaap hoe moeilijker de omslag is te maken naar het wakkere bestaan.
Wanneer drank of drugs in het spel zijn, dan is een alerte reactie wellicht
nog moeilijker. Wanneer je slaapt ben je extra kwetsbaar.
De twee uitspraken betreffen allebei slapende vrouwen die, volgens spraakgebruik,
worden verkracht. De eerste uitspraak is van de Hoge Raad en betreft de
Leeuwarder zaak waar een vrouw door misleiding tot seksuele gemeenschap
is gebracht (zie ook: Rechtbank Leeuwarden, RN 1996, 593; Hof Leeuwarden,
RN 1997, 721 m.nt. Katinka Lünnemann en Nicole Zeegers). De tweede uitspraak
is van de Rechtbank Groningen en betreft een man die in slapende toestand
seksuele gemeenschap heeft gehad met een vrouw die sliep. De overeenkomst
is dat het slachtoffer in beide gevallen sliep tijdens de ‘seksuele penetratie’.
Het verschil is dat in het ene geval de man door misleiding met de vrouw
geslachtsgemeenschap heeft – het draait om de vraag of sprake is van dwang
-, terwijl in het tweede geval de man zegt dat hij in ‘slapende toestand’
met een slapende vrouw geslachtsgemeenschap heeft gehad, waardoor de vraag
is of er sprake is van lichamelijke onmacht dan wel schennis van de eerbaarheid.
Eerst zal ik ingaan op de problematiek van dwang aan de hand van het arrest
van de Hoge Raad en vervolgens wordt aandacht besteed aan de interpretatie
van ‘onmacht’ aan de hand van de uitspraak van de Rechtbank.

Misleiding tijdens de slaap

De Hoge Raad stelt vast dat van dwingen slechts sprake is als de verdachte
opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de in art. 242 Sr bedoelde
handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Hiervan is geen sprake indien
het slachtoffer doordat zij (half) in slaap was door misleiding van de
kant van de verdachte omtrent zijn identiteit diens handelingen heeft toegelaten
(ro 5.2.). Vervolgens wordt gesteld dat het hof niet uit is gegaan van
een onjuiste opvatting en de grondslag van de tenlastelegging niet is verlaten
en niet van iets anders is vrijgesproken dan is tenlaste gelegd.
Er zijn twee visies op dwang te onderscheiden. De eerste visie neemt tot
uitgangspunt de wilsvrijheid als het te beschermen belang. Er is sprake
van dwang als het slachtoffer beroofd is van de vrijheid haar wil te bepalen.
Dit kan de ruime visie worden genoemd. De beperkte visie daarentegen legt
de nadruk op het breken van de weerstand van het slachtoffer; er moet een
dermate lichamelijke of psychische druk zijn uitgeoefend dat daardoor het
slachtoffer tot capitulatie is gebracht.
De ruime visie wordt uitgedragen door de procureur-generaal bij het Gerechtshof
Leeuwarden (Dorhout) in de middelen van cassatie. Hij stelt dat op grond
van de verklaringen van verdachte en de vrouw kan worden vastgesteld ‘dat
de verdachte gemeenschap met de vrouw heeft gehad, dat aangeefster de geslachtsgemeenschap
met verdachte niet heeft gewild en dat de verdachte naar de vrouw toeging
met de opzet gemeenschap met haar te hebben’. De dwang bestaat erin dat
door misleiding (de feitelijkheid) ‘de vrouw zich gedwongen voelde om toe
te geven aan het verlangen van de verdachte van wie ze dacht dat hij haar
vriend was, om gemeenschap met haar te hebben’. Van een feitelijkheid is
sprake als ‘de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt
dat het slachtoffer de in artikel 242 Sr bedoelde handelingen tegen zijn/haar
wil heeft ondergaan.’ (Zie NJ 1995, 201.) Het gaat er dan om of die feitelijkheid
de verdachte is toe te rekenen. Uit het arrest van 13 juni 1995 (NJB 1
september 1995, nr 103) kan worden afgeleid dat ‘dwingen in de zin van
door een feitelijkheid ruimer moet worden geïnterpreteerd dan in de zin
van door geweld of bedreiging met geweld dwingen’. Bovendien kan uit zowel
de conclusie van
eijten bij het arrest van 16 juni 1987, NJ 1988, 156 als uit het Hell’s
Angels arrest (Hof Amsterdam 20 oktober 1978, NJ 1979, 366) worden afgeleid
dat een vrouw in vrijheid moet kunnen beslissen of zij seksuele gemeenschap
wil. Dit leidt tot de conclusie dat ‘de vrouw (…) door toedoen van de
verdachte beroofd is van haar vrijheid om zelfstandig te beslissen of zij
met deze verdachte wel geslachtsgemeenschap wilde hebben’.
De Hoge Raad volgt echter niet het betoog van de procureur-generaal bij
het Hof Leeuwarden, maar de (technische) conclusie van de procureur-generaal
bij de Hoge Raad, Van Dorst, en oordeelt tot niet-ontvankelijkheid van
de procureur-generaal in zijn cassatieberoep.
Hiermee heeft de beperkte visie gezegevierd. De Hoge Raad heeft een kans
laten liggen om zich uit te spreken voor bescherming van de wilsvrijheid
van vrouwen (en sluit aan bij de beperkte visie op dwang die ook door De
Jong en Van der Neut wordt verwoord in het NJB, List, onmacht en verkrachting,
13 juni 1997, p. 1067-1073).

Het betreft een gewone cassatie, aangezien het openbaar ministerie bij
het hof cassatie heeft ingesteld (dus geen cassatie in het belang van de
wet, zoals abusievelijk in de noot onder de uitspraak van het hof is vermeld
in Nemesis, RN 1997, 721. In dat geval had de procureur-generaal bij de
Hoge Raad cassatie in moeten stellen). De vraag is of de Hoge Raad anders
had kunnen beslissen gezien de beperkte mogelijkheden tot cassatie in geval
van vrijspraak. Zie over deze problematiek: HR 14 februari 1995, NJ 1995,
552 met een uitgebreide conclusie van Van Dorst en noot van Knigge.
Alleen als sprake is van een onjuiste opvatting van dwang en dus gesproken
kan worden van een onzuivere vrijspraak, is het mogelijk het openbaar ministerie
ontvankelijk te verklaren. De Hoge Raad zal hiertoe echter niet snel overgaan
mede in het licht van de verschillende visies op dwang. De discussie betreft
de vraag of het technisch mogelijk is. Uitspraken van de Hoge Raad stranden
regelmatig op technische gronden. De motivering van het hof speelt hierbij
een belangrijke rol aangezien de Hoge Raad zelf geen feitenonderzoek verricht
en alleen kan oordelen of bepaalde feiten in het algemeen een bepaalde
conclusie kunnen dragen. Ook in onderhavige zaak concludeert Van Dorst:
‘Derhalve kan niet worden gezegd dat het hof door te oordelen als het heeft
gedaan de grondslag van de telastelegging heeft verlaten. (…) Het beroep
op de verklaringen van de verdachte en de vrouw (door de pg Dorhout, kl)
kunnen hieraan niet afdoen, reeds omdat het hof omtrent de inhoud van die
verklaringen niets heeft vastgesteld.’ Toch had de Hoge Raad naar mijn
mening wel kunnen casseren door misleiding als een vorm van dwang te erkennen.

Nog twee opmerkingen. Opvallend is de wijze waarop Van Dorst de zaak kort
typeert: ‘Het betreft de geruchtmakende zaak waarin een slaapdronken vrouw
geslachtsgemeenschap had met een man die bij haar in bed was gekropen en
die zij, naar later bleek, ten onrechte, voor haar vriend had gehouden.’
De vrouw wordt hier als actieve persoon getypeerd, in plaats van de man
die actief bij haar in bed was gekropen en haar door misleiding tot seksuele
gemeenschap had gedwongen. Bovendien kan de vraag worden gesteld of hier
sprake is van belaging. Duidelijk is dat de man al twee jaar achter deze
vrouw aanzit, maar gezien de beperkte informatie is niet duidelijk in hoeverre
de man regelmatig de privacy van de vrouw heeft verstoord.

Een slapende of dronken verkrachter?

De andere zaak betreft twee ‘slapende’ mensen. Man en vrouw kennen elkaar
al tien jaar. Na het nieuwjaarsfeest slaapt de vrouw bij de man. Beiden
hebben (overvloedig) alcohol gedronken. De man heeft geslachtsgemeenschap
met de vrouw. Zij wordt wakker tijdens de penetratie en hij op het moment
van de zaadlozing, aldus de Telegraaf (24 april 1998).
De officier van justitie legt primair artikel 243 Sr ten laste en subsidiair
artikel 239 Sr. De vraag is tweeërlei: is sprake van onmacht in de zin
van artikel 243 Sr en zo nee, is sprake van opzet de eerbaarheid te schenden
(art. 239 Sr). De rechtbank beantwoordt beide vragen ontkennend. Er is
geen sprake van staat van bewusteloosheid, noch lichamelijke onmacht gezien
de beperkte uitleg die blijkt uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie.
Evenmin heeft de verdachte de (voorwaardelijke) opzet gehad de eerbaarheid
te schenden, aldus de rechtbank.
Er zijn hier twee punten van belang, namelijk de uitleg van ‘onmacht’ in
artikel 243 Sr en de bescherming van kwetsbare groepen, in dit geval slapende
vrouwen.
Onder lichamelijke onmacht wordt verstaan fysieke weerloosheid die zijn
oorzaak vindt in een bij het slachtoffer zelf bestaand lichamelijk onvermogen
tot handelen. (HR 28 februari 1989, NJ 1989, 658, het betrof hier een geestelijk
gehandicapte vrouw.) De onmacht kan het gevolg zijn van een ziekelijke
toestand en van een van buiten komende oorzaak, zoals het toedienen van
verdovende injecties. Er moet sprake zijn van lichamelijke weerloosheid
tegen de ‘verkrachter’. Dat het slachtoffer zich nog wel enigermate bewust
is van haar omgeving, doet aan de onmacht ten opzichte van de pleger niet
af. (HR 4 december 1990, NJ 1991, 346; zie ook Rechtbank Arnhem 15 april
1980, NJ 1980, 507). Er hoeft dus geen sprake te zijn van een totale fysieke
weerloosheid. Het niet alert, dan wel onvoldoende alert reageren door een
combinatie van factoren als drank, verdovende middelen en vermoeidheid,
wordt daarentegen door het Hof Amsterdam niet beschouwd als lichamelijke
onmacht in de zin van artikel 243 Sr (Hof Amsterdam 4 september 1995, NJ
1997, 428). Rond de eeuwwisseling is door lagere rechtspraak slaap opgevat
als vorm van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht (RN 1996, 590; RN
1996, 591), maar de HR heeft zich er, zover ik weet, nooit over uitgesproken.
(Zie ook Verrijn Stuart, redactioneel Nemesis, 1996, nr 4.)
In de noot onder het arrest van het Hof Leeuwarden over de verkrachting
tijdens de slaap heb ik, samen met Nicole Zeegers, betoogd dat sprake is
van dwang als de man door misleiding een slapende vrouw tot het ondergaan
van seksuele gemeenschap brengt. Wanneer geen dwangmiddelen zijn toegepast,
zoals in het onderhavige geval, kan alleen artikel 243 Sr in aanmerking
komen. Gezien de hierboven behandelde jurisprudentie kan ‘slaap’ worden
beschouwd als een vorm van lichamelijke onmacht, weliswaar niet als gevolg
van een ziekelijke toestand, maar wel als gevolg van een innerlijk fysiologisch
proces. Door de slaap is de slapende persoon extra kwetsbaar, evenals degene
die lijdt aan een ziekelijke stoornis waardoor de wil onvolkomen bepaald
kan worden. De ratio van artikel 243 Sr is aan personen die door geestelijke
of lichamelijke oorzaken niet of onvolkomen in staat zijn hun wil te bepalen
of weerstand te bieden tegen seksuele toenaderingen extra bescherming te
bieden (zie ook: Rozemond, De teleologie van de bewusteloosheid en
de lichamelijke onmacht
, NJB, 1997, p. 1332-1333). Op grond van de
hierboven aangehaalde jurisprudentie, de strekking van artikel 243 Sr en
in het licht van de wetswijziging van de zedenmisdrijven in 1991, waar
bescherming van de wilsvrijheid voorop stond, is een extensieve interpretatie
van onmacht zeer wel mogelijk.

Wanneer de rechtbank wel bewezen had geacht dat sprake was van lichamelijke
onmacht, was vervolgens de vraag of bewezen verklaard kon worden of de
man de wetenschap had dat de vrouw in een toestand van lichamelijke onmacht
verkeerde. Gezien de summiere informatie over de feiten kan ik hier weinig
over zeggen. Nu er sprake is van alcoholgebruik en mede daardoor de man
minder/geen besef had van zijn seksuele handelingen, lijkt mij dat hem
de seksuele penetratie aangerekend kan worden; dronkenschap disculpeert
niet. De vraag is of de advocaat van de verdachte de nadruk legt op slaapwandelen
terwijl er in feite sprake is van dronkenschap. (Terzijde: de Rechtbank
achtte in deze zaak zelfs voorwaardelijke opzet op oneerbaar gedrag niet
aanwezig (239 Sr). Het komt vreemd over dat de slapende vrouw in onderhavige
zaak niet is beschouwd als lichamelijk onmachtig terwijl tegelijkertijd
het wilselement bij de verdachte niet aanwezig wordt geacht.)

Een andere vraag is of hier sprake is van seksuele dwang tussen bekenden
waar geen fysiek geweld heeft plaatsgevonden, of dat er sprake was van
een door beide niet gewilde seksuele ervaring die voor de vrouw heel onplezierig
was. In het laatste geval lijkt strafrechtelijke regulering niet op zijn
plaats. Er zijn nu eenmaal onplezierige ervaringen in het leven, en zeker
in het kleurrijke gebied van vriendschap en liefde, aantrekken en afstoten,
wilsvrijheid en sociale conventies. Als echter beide partijen daar een
rol in hebben gespeeld en niemand uit was op het dwingen van de ander dan
lijkt er voor het strafrecht geen plaats. De feiten en omstandigheden van
de casus zijn dermate summier dat ik niet kan zeggen of er sprake was van
een onplezierige seksuele ervaring of van seksuele dwang. Wel moet in ogenschouw
worden genomen dat in geval van een zogenaamde date-rape vaak
geen (ernstig) fysiek geweld wordt gebruikt. Of iets als seksuele dwang
of een onplezierige seksuele ervaring wordt gedefinieerd is mede afhankelijk
van het perspectief waarmee naar de feiten en omstandigheden wordt gekeken.
Nog steeds is de mannelijke norm over seks en het trivialiseren van opgedrongen
seks (Beelen, Tussen verleiden en verkrachten, 1989) de dominante
norm, en wordt aan de seksualiteitsbeleving van de vrouw en de psychische
gevolgen van onvrijwillige seks minder waarde gehecht.

Tot besluit

De Jong en Van de Neut betogen in het artikel List, onmacht en verkrachting
dat de dwang ontbreekt wanneer door misleiding de vrouw seksuele gemeenschap
ondergaat en dat geen sprake is van lichamelijke onmacht in geval van (half)slaap.
Dwang wordt door hen beschouwd als ‘weerstand breken’ en onmacht wordt
restrictief uitgelegd (de beperkte visie). In het arrest van de Hoge Raad
en de uitspraak van de Rechtbank zien we hun argumentatie terug. De Jong
en Van der Neut wijzen tevens op artikel 239 Sr als vangnet. In de Groningse
zaak heeft de officier van justitie inderdaad artikel 239 Sr subsidiair
ten laste gelegd, zonder succes overigens. Dit gebruik van 239 Sr als vangnet
wordt echter vanuit juridisch en rechtvaardigheidsoogpunt niet wenselijk
geacht door De Jong en Van der Neut. Daarom bepleiten zij wetswijziging.
Maar wetswijziging is een lang proces en tot die tijd ontberen (half)slapende
vrouwen strafrechtelijke bescherming.
Juist tijdens de slaap ben je extra kwetsbaar en kan de alertheid ontbreken
om aan te geven dat je geen seks wilt of kan de alertheid ontbreken om
je te vergewissen wie zich in je bed bevindt. Een onplezierige seksuele
ervaring is niet hetzelfde als seksuele dwang, maar als sprake is van seksuele
dwang dan dient strafrechtelijke bescherming mogelijk te zijn. Door een
extensieve interpretatie waarbij de wilsvrijheid van vrouwen als uitgangspunt
wordt genomen was dit mogelijk geweest.

Katinka Lünnemann

Rechters

Mrs Haak, Davids, Schipper, Corstens, Aaftink

Instantie: Staatssecretaris van Justitie, 24 maart 1998

Instantie

Staatssecretaris van Justitie

Samenvatting


De vrouw is binnen de termijn gescheiden. Zij heeft vijf dochters. Tijdens
haar huwelijk is zij mishandeld. In eerdere instantie wordt haar verzoek
afgewezen. Aan de vrouw wordt uiteindelijk wel een vergunning toegewezen
omdat per november 1997 de aanvulling op de Vc van kracht is geworden.
Met deze aanvulling is onder meer een gunstiger beleid van kracht geworden
voor vrouwen die bescherming zoeken in opvanghuizen (Vc B1.4.4.1).

Volledige tekst

De staatssecretaris van justitie
Kenmerk Immigratie- en Naturalisatiedienst
nummer: 9411-23-0010

Op 13 mei 1997 is namens D van Turkse nationaliteit, geboren op 20 januari
1969, verder te noemen betrokkene, een bezwaarschrift ingediend, gericht
tegen de beschikking van 18 april 1997, waarbij een aanvraag om verlenging
van een vergunning tot verblijf niet is ingewilligd.

Bij beschikking van 29 oktober 1997 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

De inhoud van het dossier is bij de besluitvorming betrokken.

In heroverweging van de aspecten die in deze zaak dienen is besloten dat
in casu, na afweging van alle belangen, de humanitaire aspecten te laten
prevaleren boven het algemene belang dat is gediend met de hantering van
een restrictief toelatingsbeleid. Gelet hierop bestaat aanleiding de beslissing
van 29 oktober 1997 in te trekken en aan betrokkene om klemmende redenen
van humanitaire aard verblijf toe te staan.

De vergunning tot verblijf zal evenwel worden verleend onder de opschortende
voorwaarde dat betrokkene ten overstaan van de korpschef te Amsterdam aantoont
te beschikken over een geldig, nationaal paspoort, ten behoeve van haarzelf
en haar kinderen.

Gelet op het bepaalde bij en krachtens de Vreemdelingenwet en de Algemene
wet bestuursrecht;

Besluit:

1. de beslissing tot ongegrondverklaring van 29 oktober 1997 in te trekken;

2. het bezwaar gegrond te verklaren;

3. de geldigheid van de aan betrokkene verleende vergunning tot verblijf
te verlengen van 3 september 1996, tot 3 september 1997, onder gelijktijdige
verlenging tot 3 september 1998;

4. de vergunning te verlenen onder de beperking “humanitaire redenen” Arbeid
is vrij toegestaan, een tewerkstellingsvergunning is daarvoor niet vereist;

5. aan de verlenging van de vergunning tot verblijf de voorwaarde te verbinden
dat betrokkene ten overstaan van de korpschef te Amsterdam aantoont te
beschikken over een geldig, nationaal paspoort, ten behoeve van haarzelf
en haar kinderen.

Rechters

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 maart 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een man ontvangt sinds 1977 een ouderdomspensioen. Tot 1986 bestond voor
de inbouw van de AOW in het ambtelijk pensioen een verschillende regeling
voor gehuwde mannen en vrouwen, die ertoe leidde dat het aanvullend ouderdomspensioen
voor gehuwde mannen lager was dan voor gehuwde vrouwen. Per 1 januari 1986
is het gemaakte onderscheid komen te vervallen. Deze aanpassing is niet
met terugwerkende kracht ingevoerd terzake van de tijdvakken van arbeid
vóór 1 januari 1986, waardoor de man thans een lager aanvullend pensioen
ontvangt dan een gehuwde vrouw in dezelfde omstandigheden. Dit is volgens
de man in strijd met de wet.
Het Europees Hof heeft bepaald dat deze regeling in strijd is met artikel
119 EG-Verdrag. Maar ambtenaren kunnen slechts een beroep op rechtstreekse
werking van dit artikel kunnen doen die daartoe voor 17 mei 1990 een rechtsvordering
hebben ingesteld. De Commissie kan de zienswijze van het HvJEG niet op
zijn juistheid toetsen. In dit geval kan de Commissie dus niet voorbijgaan
aan de duidelijke overgangsbepalingen die het HvJ EG met betrekking tot
de toepassingsdatum van artikel 119 EG-Verdrag heeft gesteld ten aanzien
van pensioenuitkeringen. Dat betekent dat de man geen beroep kan doen op
de rechtstreekse werking van artikel 119 EG-verdrag.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 14 januari 1997 verzocht de heer (….) te Breda (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel te
geven over de vraag of door de Stichting Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds
te Heerlen (hierna: de wederpartij) onderscheid naar geslacht wordt gemaakt
als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker ontvangt sedert 1 januari 1977 een ouderdomspensioen van
(de rechtsvoorganger van) de wederpartij. Tot 1986 bestond voor de inbouw
van het wettelijk ouderdomspensioen in het ambtelijk pensioen een verschillende
regeling voor gehuwde mannen en vrouwen, die ertoe leidde dat het aanvullend
ouderdomspensioen voor gehuwde mannen lager was dan voor gehuwde vrouwen.
Per 1 januari 1986 is het gemaakte onderscheid komen te vervallen. Deze
aanpassing is niet met terugwerkende kracht ingevoerd terzake van de tijdvakken
van arbeid vóór 1 januari 1986, waardoor verzoeker thans een lager aanvullend
pensioen ontvangt dan een gehuwde vrouw in dezelfde omstandigheden. Verzoeker
is van mening dat de wederpartij in strijd met het gelijkheidsbeginsel
handelt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om een oordeel omtrent het handelen
van het Ministerie van Binnenlandse Zaken ingediend. Dit verzoek is door
de Commissie in behandeling genomen onder nummer 97/24. Beide zaken zijn
gevoegd behandeld.

2.2. Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 27 januari 1998. Verzoeker
heeft van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. (….)
– dhr. mr. G.R.J. de Groot (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (waarnemend Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Aangezien beide klachten van verzoeker zich richten op de uitvoering
van de toepasselijke pensioenregeling en de klacht tegen de Minister van
Binnenlandse Zaken inhoudelijk samenvalt met die tegen het pensioenfonds,
heeft de Commissie besloten beide zaken met het onderhavige oordeel jegens
het pensioenfonds af te doen.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker heeft een arbeidsverleden als gemeenteambtenaar en ontvangt
sedert 1 januari 1977 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Burgerlijke
Pensioenwet (hierna: ABPW) en sedert 1 januari 1996 op grond van het pensioenreglement
van de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna beiden ook aan te duiden als
‘de pensioenregeling’).

3.2. De pensioenregeling kent een ouderdomspensioen van maximaal 70% van
het laatstverdiende loon (het ambtelijk pensioen). In het ambtelijk pensioen
is het wettelijk ouderdomspensioen ingebouwd. Het ambtelijk pensioen verminderd
met de inbouw is het aanvullend ouderdomspensioen.

Tot 1 januari 1986 bestond er op grond van de artikelen J-4, J-6 en J-13
ABPW een verschillende inbouw van het wettelijk ouderdomspensioen voor
gehuwde mannen en vrouwen. Bij gehuwde mannen werd de inbouw afhankelijk
gesteld van het wettelijk ouderdomspensioen voor gehuwden, bij vrouwen
van het (lagere) wettelijk ouderdomspensioen voor ongehuwden. Dit heeft
tot gevolg dat het aanvullend ouderdomspensioen dat op grond van de pensioenregeling
wordt uitgekeerd aan gehuwde mannen lager is dan dat van gehuwde vrouwen.
Vanaf 1 januari 1986 geldt voor (gehuwde) mannen en vrouwen dezelfde inbouw
van wettelijk ouderdomspensioen. Met betrekking tot diensttijd voorafgaande
aan laatstgenoemde datum is de oude inbouw-regeling van kracht gebleven.
De betreffende regeling is na de privatisering van het ABP-fonds per 1
januari 1996 niet gewijzigd. In artikel 7, eerste lid Wet privatisering
ABP (hierna: WPA) is bepaald dat deelnemers in het pensioenfonds na de
privatisering aanspraak behouden op gelijkwaardige rechten die per 31 december
1995 ontleend konden worden aan de ABPW.

3.3. Verzoeker heeft het pensioenfonds bij brief van 30 juli 1992 verzocht
de vaststelling van het pensioen te herzien. Het pensioenfonds heeft hierop
bij brief van 7 augustus 1992 geantwoord dat dit verzoek aangehouden zou
worden in verband met een uitspraak hierover van de Rechtbank Den Haag
(Rechtbank Den Haag 28 februari 1990, nr. Abp 1988/21571.). Tegen deze
uitspraak was hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (hierna:
CRvB) die de zaak had geschorst en prejudiciële vragen had gesteld aan
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG).

Het HvJEG heeft op 28 september 1994 in het arrest Beune (HvJEG, Bestuur
van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds versus Beune, 28 september 1994,
C-7/93, JUR. 1994, 1-4471.) voor zover van belang bepaald dat een pensioen
als waarin de ABPW voorziet binnen de werkingssfeer van artikel 119 EG-Verdrag,
want binnen het loonbegrip van dit artikel valt. Ook heeft het HvJEG beslist
dat de verschillende AOW-inbouw in een aanvullend pensioen voor gehuwde
mannen en vrouwen in de ABPW in strijd is met het verbod op onderscheid
op grond van geslacht zoals neergelegd in artikel 119 EG-Verdrag.
Vervolgens heeft het HvJEG voor recht verklaard dat ingevolge het zogenaamde
Protocol nummer 2 bij artikel 119 EG-Verdrag alleen die ambtenaren een
beroep kunnen doen op de rechtstreekse werking van dat artikel, die om
gelijke behandeling te eisen met betrekking tot de betaling van uitkeringen
die verschuldigd zijn uit hoofde van een pensioenregeling als die van de
ABPW en die worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid tussen 8 april
1976 en 17 mei 1990, vóór 17 mei 1990 een rechtsvordering of een naar geldend
nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld. (Publicatieblad
EG C-191, 29 juli 1992, p. 68.)

In aansluiting daarop heeft de CRvB op 16 februari 1995 bepaald dat alleen
een beroep op artikel 119 EG-Verdrag kan worden gedaan indien vóór 17 mei
1990 een beroep gedaan is op gelijke behandeling op het gebied van pensioen
(CRvB, 16 februari 1995, AB 1995/396.).

De wederpartij heeft op 10 mei 1995 het verzoek om herziening van verzoeker
onder verwijzing naar deze jurisprudentie afgewezen. Tegen deze beslissing
heeft verzoeker bezwaar aangetekend, waarop de wederpartij op 29 januari
1996 negatief heeft beslist. Daartegen heeft verzoeker beroep ingesteld
bij de rechtbank te Den Haag. Hierin is verzoeker op 1 juli 1996 niet-ontvankelijk
verklaard wegens het niet tijdig voldoen van het griffierecht.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoeker stelt het volgende.

Er is sprake van ongelijke behandeling wanneer de inbouw van het wettelijk
ouderdomspensioen in het pensioen van gehuwde mannen anders wordt berekend
dan de inbouw in het pensioen van gehuwde vrouwen. De wederpartij heeft
dat ook erkend.
De overgangsregeling die in uitspraken van het HvJEG en de CRvB wordt gesteld,
zorgt ervoor dat de ongelijke behandeling blijft voortduren. Dit leidt
ertoe dat de wederpartij in strijd handelt met artikel 1 Grondwet, het
Verdrag van Rome (EU) en VN-Verdragen.

Voor verzoeker leidt het verschil in behandeling tot een nadeel van ongeveer
ƒ 7.000,- per jaar.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.

Nu de rechterlijke beslissing inzake verzoekers pensioenaanspraak in kracht
van gewijsde is gegaan, heeft hij geen belang meer bij een procedure. Het
bepaalde in artikel 14, eerste lid, onder b, AWGB is derhalve van toepassing.

Voorts wordt ingevolge artikel 4c AWGB onderscheid, dat wordt gemaakt bij
of krachtens wetgeving die voorafgaand aan de AWGB in werking is getreden,
onverlet gelaten. Het gemaakte onderscheid is gebaseerd op de ABPW die
van eerdere datum is dan de AWGB. Van strijd met de AWGB kan dus geen sprake
zijn, zoals de Commissie in een vergelijkbare zaak heeft geoordeeld. (Commissie
gelijke behandeling, 10 juni 1996, oordeel 96-40.)

Voor zover verzoeker betoogt dat artikel J-13 ABPW in strijd is met artikel
1 Grondwet wijst de wederpartij erop dat de rechter niet bevoegd is de
grondwettigheid van formele wetten en verdragen te toetsen, hetgeen meebrengt
dat de Commissie daartoe evenmin bevoegd is.

Aangezien het beoordelingskader van de Commissie beperkt is tot de wetgeving
gelijke behandeling is de Commissie niet bevoegd te oordelen over de vraag
of de wederpartij kan worden aangesproken op handelen in strijd met artikel
119 EG-Verdrag. (HvJEG, Von Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein-Westfalen,
10 april 1984, C-14/83, JUR 1984,1891.) De Commissie is echter gehouden
om artikel 5 AWGB te toetsen in het licht van artikel 119 EG-Verdrag en
de EG-Richtlijnen. De Commissie kan aan artikel 5 AWGB dan ook geen andere,
verdergaande invulling geven dan volgens het HvJEG in de onderhavige kwestie
voortvloeit uit artikel 119 EG-Verdrag.

3.6. Ten aanzien van de betekenis van artikel 26 Internationaal Verdrag
inzake Burger- en Politieke rechten (hierna: IVBPR) brengt de wederpartij
het volgende naar voren. Artikel 26 IVBPR kan geen verderstrekkende betekenis
hebben dan artikel 119 EG-Verdrag. De omstandigheid dat de CRvB op 7 november
1996 heeft geoordeeld dat ten aanzien van een wethouder getoetst diende
te worden aan artikel 26 IVBPR doet hieraan niet af. (CRvB 7 november 1996,
APPA 1993/3.) In die zaak betrof het een ambtenaar die gelet op het ontbreken
van de gezagsverhouding niet onder de werkingssfeer van artikel 119 EG-Verdrag
viel. Onder die omstandigheden heeft de CRvB getoetst aan artikel 26 IVBPR.
De CRvB heeft artikel 26 IVBPR vanaf 23 december 1984 rechtstreekse werking
toegekend onder verwijzing haar eerdere jurisprudentie met betrekking tot
het nabestaandenpensioen en met name haar uitspraak van 9 januari 1992.
Aangezien het HvJEG in de zaak Ten Oever heeft beslist dat artikel 119
EG-Verdrag vanaf 17 mei 1990 ook rechtstreeks werkt ten aanzien van nabestaanden
is de uitspraak van 9 januari 1992 achterhaald. (HvJEG, Ten Oever versus
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf,
6 oktober 1993, C-109/91, JUR. 1993, I-4879.) Dit klemt temeer nu de CRvB
in haar uitspraak heeft aangegeven, dat aan artikel 119 EG-Verdrag zou
zijn getoetst wanneer niet reeds wegens strijd met artikel 26 IVBPR tot
nietigverklaring zou zijn besloten. De CRvB zal de ABPW waarschijnlijk
beschouwen als een regeling die hij aan artikel 119 EG-Verdrag of aan Richtlijn
86/378 had willen toetsen (met betrekking op gelijke behandeling van mannen
en vrouwen in aanvullende regelingen inzake sociale zekerheid), ware het
niet dat een dergelijke toetsing niet voor de hand lag. Immers, op dat
moment was een EG-Richtlijn in voorbereiding betreffende gelijke behandeling
van mannen en vrouwen in wettelijke regelingen voor nagelaten betrekkingen.
Deze concept EG-Richtlijn is met het arrest Ten Oever achterhaald. Ten
overvloede wijst de wederpar

tij erop dat de CRvB met haar uitspraak een ongelijke behandeling creëert
tussen een wethouder op wie artikel 119 EG-Verdrag niet van toepassing
is en de werknemers voor wie genoemd artikel wel geldt.

Sinds juli 1996 heeft Rechtbank Den Haag een aantal uitspraken gedaan met
betrekking tot inbouwkwesties waarbij na 17 mei 1990 een rechtsvordering
is ingesteld. De rechtbank heeft overwogen dat bij dergelijke tardieve
vorderingen geen beroep op artikel 119 EG-Verdrag kan worden gedaan. Wel
acht de rechtbank het uit artikel J-13 voortvloeiende onderscheid in strijd
met artikel 26 IVBPR. De rechtbank heeft hieromtrent echter geoordeeld
dat het niet onaanvaardbaar is dat ongelijke behandeling in nationale wetgeving
geleidelijk wordt opgeheven. Indien de wetgever deze discriminatie niet
opheft komt er een moment waarop aan artikel 26 IVBPR niet langer rechtstreekse
werking kan worden ontzegd. Aangezien de discriminatie door de wetgever
met ingang van 1 januari 1986 ongedaan gemaakt is, kan een beroep op artikel
26 IVBPR er volgens de rechtbank niet toe leiden dat voor de periode voor
1 januari 1986 een herziening van het ouderdomspensioen zal plaatsvinden.

De betekenis van artikel 26 IVBPR is ook bij de behandeling van de zaak
Beune door de CRvB aan de orde geweest. De wederpartij heeft daaromtrent
ter terechtzitting aangevoerd dat een beroep op artikel 26 IVBPR in een
situatie waarin in beginsel het EG-recht van toepassing is, niet kan leiden
tot een oordeel dat verder reikt dan met EG-recht mogelijk zou zijn geweest.
Ter terechtzitting heeft Beune afgezien van een beroep op artikel 26 IVBPR,
waardoor de CRvB op dit punt niet is ingegaan in haar uitspraak. Het standpunt
van de wederpartij vindt echter impliciet steun in de uitspraak zelf. De
CRvB gaat uit van het EG-recht, artikel 26 IVBPR wordt niet (tevens) toegepast
om een voor belanghebbenden gunstiger resultaat te bereiken.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling heeft gemaakt door voor
hem een andere berekening van het aanvullend ouderdomspensioen te hanteren
dan bij een gehuwde vrouw in overigens dezelfde omstandigheden, waardoor
verzoeker een lager aanvullend ouderdomspensioen is toegekend.

4.2. Ten aanzien van de betekenis van artikel 14 tweede lid, AWGB stelt
de Commissie vast dat dit artikel de Commissie de bevoegdheid verleent
om af te zien van het instellen van een onderzoek indien het belang van
de verzoeker onvoldoende is. Nu de Commissie van deze bevoegdheid in dit
geval geen gebruik heeft gemaakt, is het artikel niet van betekenis in
het verder verloop van de procedure in de onderhavige zaak.

4.3. Alvorens de onder 4.1. gestelde vraag te kunnen beantwoorden dient
het volgende aan de orde te worden gesteld.

In de eerste plaats is aan de orde de vraag aan welke wettelijke gelijkheidsbepalingen
deze klacht van verzoeker dient te worden getoetst.

Op 1 maart 1975 trad de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (WGL) in
werking. Deze voorzag in een Commissie die bevoegd was te oordelen over
klachten inzake de WGL. De WGL bepaalde dat een werkgever geen onderscheid
mocht maken op het punt van de beloning. Bepaald werd dat pensioenregelingen
niet onder beloning werden begrepen.

De huidige Commissie gelijke behandeling heeft evenals haar voorgangster,
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (CGB
m/v), de bevoegdheid om klachten te behandelen die (mede) beoordeeld moeten
worden op grond van de gelijke behandelingswetgeving die gold voor 1 september
1994.

Een en ander houdt in dat de Commissie verzoekers klacht dient te beoordelen
aan de hand van de WGL.

4.4. Vervolgens is aan de orde de vraag wat de reikwijdte is van de uitzondering
betreffende aanspraken of uitkeringen ingevolge pensioenregelingen.
In de WGL werden pensioenregelingen nadrukkelijk uitgezonderd van de gelijkheidsvoorschriften.
Derhalve zal worden nagegaan of de Commissie bevoegd is een oordeel uit
te spreken over de onderhavige klacht die betrekking heeft op verschillen
tussen mannen en vrouwen wat de pensioeninbouw op grond van de pensioenregeling
betreft.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat de wetgever met de WGL mede een volledige
uitwerking heeft willen geven aan artikel 119 EG-Verdrag en de daarop gebaseerde
EG-Richtlijnen. Het HvJEG is blijkens haar overwegingen in de zaak Von
Colson en Kamann van mening dat nationale rechters en anderen, die met
overheidsgezag zijn bekleed, gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de
wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te passen in het licht
van de bewoordingen en objectieve doelstelling van -in dit geval- artikel
119 EG-Verdrag. (HvJEG, Von Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein-Westfalen,
10 april 1984, C-14/83, JUR 1984,1891.)

Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de uitdrukkelijke
uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen
als gemaakt in artikel 1 onder e, WGL moet interpreteren in het licht van
de jurisprudentie van het HvJEG over het loonbegrip van artikel 119 EG-Verdrag.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie, evenals haar voorgangster de
CGB m/v, de uitzondering genoemd in artikel 1 onder e, WGL zo op dat slechts
die pensioen-kwesties, terzake waarvan volgens het HvJEG geen beroep kan
worden gedaan op de rechtstreekse werking van artikel 119 EG-Verdrag, van
de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten. (Commissie
gelijke behandeling, 22 november 1996, oordeel 96-107; Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 22 juni 1994, oordeel
616-94-58.)

4.5. Vervolgens komt de vraag aan de orde of een ambtelijk pensioen als
de onderhavige pensioenvoorziening mede onder het bereik van artikel 119
EG-verdrag valt.
In het arrest Beune is het HvJEG ingegaan op de vraag of een pensioen als
waarin de ABPW voorziet, valt binnen de werkingssfeer van artikel 119 EG-Verdrag.
Die vraag werd bevestigend beantwoord (HvJEG, Bestuur van het Algemeen
Burgerlijk Pensioenfonds versus Beune, 28 september 1994, C-7/93, JUR.
1994, 1-4471). Een pensioenregeling als die waarin de ABPW voorziet valt
binnen het loonbegrip van artikel 119 EG-Verdrag en derhalve binnen de
werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling.

4.6. Voorts komt de vraag aan de orde tot wie het verbod tot het maken
van onderscheid op grond van geslacht in de betreffende pensioenvoorzieningen
zich richt.
De Commissie gelijke behandeling sprak reeds eerder uit dat niet alleen
de werkgevers, maar sinds 8 april 1976 ook pensioenfondsen onder de reikwijdte
van de wettelijke gelijke behandelingsvoorschriften vallen. (Zie onder
meer Commissie gelijke behandeling, 15 oktober 1996, oordeel 96-86.) Derhalve
richt het genoemde verbod zich ook tot de wederpartij als pensioenfonds.

4.7. De Commissie dient thans de vraag te beantwoorden of de gelijke behandelingsnorm
is geschonden vanwege de voor mannen en vrouwen verschillende pensioeninbouw
in de pensioenregeling ten tijde van de opbouw door verzoeker.
Deze vraag dient -zoals onder 4.4. reeds gesteld- te worden beantwoord
in het licht van de jurisprudentie van het HvJEG op dit punt.

4.8. Het HvJEG heeft in het Ten Oever-arrest bepaald dat op de rechtstreekse
werking van artikel 119 EG-Verdrag slechts een beroep kan worden gedaan,
wanneer het gaat om uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van na
17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid (HvJEG, Ten Oever versus Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf, 6 oktober
1993, C-109/91, JUR. 1993, I-4879). Voorts heeft het HvJEG in het hierboven
reeds aangehaalde Beune-arrest bepaald dat de verschillende AOW-inbouw
in een aanvullend pensioen voor gehuwde mannen en vrouwen in de ABPW, in
strijd is met artikel 119 EG-Verdrag. Het HvJEG heeft in dat arrest echter
tevens bepaald dat ingevolge het Protocol nummer 2 bij artikel 119 EG-Verdrag
alleen die ambtenaren een beroep kunnen doen op de rechtstreekse werking
van dat artikel, die, om gelijke behandeling te eisen met betrekking tot
de betaling van uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van een pensioenregeling
als die van de ABPW en die worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid
tussen 8 april 1976 en 17 mei 1990, vóór 17 mei 1990 een rechtsvordering
of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering
hebben ingesteld. (Publicatieblad EG C-191, 29 juli 1992, p. 68.)

4.9. Verzoeker heeft niet vóór 17 mei 1990 een zodanige vordering ingesteld,
terwijl hij na de datum van 17 mei 1990 geen pensioen heeft opgebouwd.
De Commissie kan -anders dan door verzoeker met zijn klacht wordt beoogd-
de zienswijze van het HvJEG in genoemde zaken niet op zijn juistheid toetsen.
De zaken zijn -prejudicieel- aan het HvJEG voorgelegd ter verkrijging van
een uniforme verdragsinterpretatie. In dit geval kan de Commissie dus niet
voorbijgaan aan de duidelijke overgangsbepalingen die het HvJEG met betrekking
tot de toepassingsdatum van artikel 119 EG-Verdrag heeft gesteld ten aanzien
van pensioenuitkeringen.
Dat betekent dat -zoals gesteld in de laatste alinea onder 4.4.- verzoeker
conform de jurisprudentie van het Hof geen beroep kan doen op de rechtstreekse
werking van artikel 119 EG-verdrag.

4.10. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van de hiervoor onder 3.6.
aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van 7 november 1996 waarbij
de regeling voor AOW-inbouw in de Wet Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
(hierna: APPA) is getoetst aan 26 IVBPR overweegt de Commissie als volgt.
De Commissie stelt vast dat zij haar bevoegdheid ontleent aan de wetgeving
gelijke behandeling, die mede tot stand is gekomen ter uitvoering van verplichtingen
die voortvloeien uit internationale verdragen. De Commissie acht zich bij
de uitleg van de wetgeving gelijke behandeling gehouden het uit internationale
verdragen voortvloeiende recht te betrekken, voorzover dit de materiële
inhoud van de wetgeving gelijke behandeling betreft.

Verzoeker heeft een belang bij het antwoord op de vraag of de toetsing
aan artikel 26 IVBPR zou kunnen leiden tot het alsnog (bijvoorbeeld met
ingang van 23 december 1984) verkrijgen van een recht op een uitkering
die met betrekking tot de tijdvakken van arbeid gelegen vóór 1 januari
1986 gebaseerd is op dezelfde AOW-inbouw als de uitkering van gehuwde vrouwen.
De CRvB heeft in eerdere jurisprudentie een onderdeel van de ABPW getoetst
aan artikel 26 IVBPR -het betrof het recht op weduwnaarspensioen- en heeft
bepaald dat terzake met ingang van 23 december 1984 een beroep op de rechtstreekse
werking van artikel 26 IVBPR kon worden gedaan teneinde een gelijk recht
op uitkering te ontvangen. (CRvB 9 januari 1992, TAR 1992/58.)
In de zaak Beune heeft de CRvB naar aanleiding van de hiervoor in voetnoot
2 aangehaalde Beune-uitspraak van het HvJEG vastgesteld dat slechts diegenen
die vóór 17 mei 1990 een rechtsvordering hebben ingesteld, een beroep kunnen
doen op de rechtstreekse werking van artikel 119 EG-Verdrag terzake van
tijdvakken van arbeid gelegen voor 17 mei 1990. (CRvB 16 februari 1995,
1990/15.)
In de hierboven aangehaalde uitspraak inzake de Wet APPA heeft de CRvB,
onder verwijzing naar de hierboven in voetnoot 16 aangehaalde uitspraak,
bepaald dat een beroep op de rechtstreekse werking van artikel 26 IVBPR
kan worden gedaan voorzover de pensioenuitkering is toe te rekenen aan
pensioengevende diensttijd van 23 december 1984 tot 1 januari 1986.
De rechtsvraag of deze uitspraak ook onverkort van toepassing geacht kan
worden op de ABPW is door de CRvB niet beantwoord. In de hierboven aangehaalde
uitspraak d.d. 16 februari 1995 in de zaak Beune heeft de CRvB geen enkele
overweging gewijd aan de toepasselijkheid van artikel 26 IVBPR. De Commissie
constateert derhalve dat de jurisprudentie van de CRvB zoals die tot nu
toe bekend is, onvoldoende houvast biedt om het door verzoeker gewenste
materiële effect van toetsing aan artikel 26 IVBPR uit de jurisprudentie
af te leiden. De Commissie kan dientengevolge in dit geval geen betekenis
toekennen aan artikel 26 IVBPR bij de uitleg van de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIECGB

De Commissie is van oordeel dat de Stichting Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds
te Heerlen jegens de heer (….) te Breda geen onderscheid heeft gemaakt
zoals verboden bij de Wet Gelijk Loon van 1 maart 1975.

Rechters

Mmw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (waarnemend Kamervoorzitter), mw. mr. J.R.Dierx (lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 maart 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een vrouw werkt als onderwijzeres. Haar werkgever past beloningsvoorschriften
voor het basisonderwijs toe, die door het ministerie zijn vastgesteld.
In verband met de verzorging van haar kinderen is de onderwijzeres een
aantal jaren gestopt met werken. Doordat zij haar diploma op latere leeftijd
heeft gehaald, andere dan onderwijservaring en andere onderwijs ervaring
heeft opgedaan, ondervindt zij nog steeds een salarisachterstand ten opzichte
van collega’s die hun loopbaan niet hebben onderbroken.
Het is een feit van algemene bekendheid dat meer vrouwen dan mannen hun
loopbaan onderbreken in verband met de zorgtaken voor kinderen. De Commissie
oordeelt dat de beloningsvoorschriften voor het basisonderwijs die door
het ministerie zijn voorgeschreven indirect onderscheid naar geslacht maken.
Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 8 augustus 1997 verzocht mevrouw (….) te Zoetermeer (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel te geven over de vraag of de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen te Zoetermeer (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid
maakt/heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is in verband met de zorg voor haar kinderen pas op latere
leeftijd ingetreden in het onderwijs. Zij is van mening dat bij haar inschaling
ten onrechte geen rekening is gehouden met haar (levens-)ervaring waardoor
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Verzoekster
heeft ook de school waar zij werkzaam is als wederpartij aangewezen. In
die zaak is een oordeel uitgesproken met het oordeelnummer 98-27.

Vervolgens zijn partijen uitgenodigd om hun standpunten mondeling toe te
lichten op een zitting op 10 februari 1998. Partijen hebben van deze uitnodiging
geen gebruik gemaakt.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster (geboren 28 december 1952) heeft in 1969 een opleiding
kinderverzorging KV/JV afgesloten en is daarna gaan werken in een kindertehuis
alsmede bij verschillende gezinnen tot medio 1971. In verband met haar
huwelijk en de zorg voor drie kinderen, heeft zij geen verdere carrière
opgebouwd. Zij heeft tussen 1972 en 1989 diverse vrijwilligerswerkzaamheden
en een aantal betaalde werkzaamheden verricht.
In 1989 is verzoekster begonnen met de opleiding voor basisonderwijs. Zij
heeft in 1993 haar diploma gehaald. Vanaf 24 augustus 1992 tot 1 juni 1993
is verzoekster als klasse-assistent werkzaam geweest bij een basisschool
in Assen. Van 1 juni 1993 tot haar indiensttreding bij de (….) heeft
verzoekster als groepsleerkracht bij de basisschool in Assen gewerkt. Bij
haar huidige werkgever, (….). is zij sinds 1 augustus 1995 werkzaam als
lerares.

3.2. De werkgever van verzoekster wordt gesubsidieerd door de Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW). Op de arbeidsovereenkomsten
van het onderwijspersoneel van de wederpartij is het Rechtspositiebesluit
onderwijspersoneel (RPBO) van toepassing. Vanaf 1 april 1985 geldt de functie
die een medewerker vervult als uitgangspunt bij de inschaling (Besluit
van 23 maart 1985, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
(Herziening Onderwijs Salarisstructuur), Stb. 1985, 155.). Voordien was
een systeem van functiebeloning van toepassing op basis waarvan bezoldiging
naar leeftijd en bevoegdheden werd vastgesteld.

Verzoekster is ingeschaald volgens de regels van het RPBO.
De volgende bepalingen uit hoofdstuk I-P van het RPBO zijn hier van belang.
Het salaris van een nieuwe medewerker wordt in beginsel vastgesteld op
het laagste bedrag in de laagste schaal behorend bij de desbetreffende
functie (I-P7). Is voorheen relevante ervaring opgedaan, dan kan een hogere
inschaling worden bereikt, omdat dan wordt aangesloten bij het laatstgenoten
salaris. Voor de medewerker die al eerder in het onderwijs werkte (I-P8)
of die al een andere onderwijsfunctie vervult en aanhoudt (I-P9), wordt
automatisch aangesloten bij het laatstgenoten salaris. Dit betekent dat
in dat geval geen individuele beoordeling van de opgedane ervaring plaatsvindt.
Voor werknemers met een onderbroken carrièrepatroon die voorheen (minimaal
vier jaar geleden) een onderwijsfunctie vervulden, dan wel een onderwijsbevoegdheid
behaalden, bepaalt artikel I-P11 dat, afhankelijk van de situatie voor
elke vier dan wel drie jaar onderbreking één extra periodiek wordt toegekend
(Zie de Ministeriële regelingen, ‘Nadere richtlijnen voor de inschaling
in het onderwijs of na een onderbroken carrière’ (toepassing artikelen
I-P9 en I-P10), 8 augustus 1985, C 850184, DI/AB 85-106/85-205; ‘Toepassing
artikelen I-P9 en I-P10 RPBO; Nadere richtlijnen voor de inschaling in
het onderwijs in aansluiting op een betrekking buiten het onderwijs of
na een onderbroken carrière’, 1 november 1989, DI/AB 89-21.).
Artikel I-P13 voorziet in een jaarlijkse periodieke verhoging waarop iedere
onderwijsgevende met een ononderbroken dienstverband recht heeft.

3.3. Verzoekster werd bij haar indiensttreding als klasse-assistent op
een basisschool in Assen ingedeeld in schaal 3 BBRA, regelnummer 6. Bij
haar indiensttreding als groepsleerkracht bij dezelfde basisschool is verzoekster
ingeschaald op schaal 9, regelnummer 2. Ten tijde van haar indiensttreding
bij de basisschool te Assen was verzoekster ingeschaald in schaal 9, regelnummer
4. Op grond van artikel I-P8 RPBO is verzoekster bij haar indiensttreding
bij de basisschool te Zoetermeer vervolgens ingeschaald in schaal 9, regelnummer
5.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt het volgende.

Zij doet haar werk graag en goed maar ervaart het als ongelijke behandeling
dat mensen met dezelfde leeftijd en capaciteiten als zij een hogere beloning
ontvangen. Leerkrachten die net zo oud zijn als zij en vanaf hun 22ste
jaar werkzaam zijn in het onderwijs verdienen netto ƒ 600,- tot ƒ 800,-
per maand meer dan verzoekster. Haar salaris is in vergelijking met iemand
die net de opleiding voor groepsleerkracht heeft afgerond erg laag gelet
op haar leeftijd en (vrijwilligers-)werkervaring. Zij is van mening dat
zij meer capaciteiten heeft dan iemand die beginnend leerkracht is.

Verzoekster heeft gelet op de zorg voor haar gezin geen carrière op kunnen
bouwen. Zij heeft zich via (veelal organisatorisch) vrijwilligerswerk verder
kunnen ontplooien. Deze ervaringen komen haar huidige werk zeer ten goede.

Verzoekster voert voorts een aantal financiële argumenten aan waarom zij
graag een hogere beloning zou ontvangen.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.

Het verschil in salariëring tussen verzoekster en haar collega’s wordt
niet door haar sekse veroorzaakt, maar door het verschil in werkervaring.
Hieruit vloeit geen directe of indirecte ongelijke behandeling in de zin
van de Wet gelijke behandeling voort.

De geldende beloningssystematiek voorziet erin dat werkervaring door een
jaarlijkse periodieke salarisverhoging wordt gewaardeerd. Er wordt uitgegaan
van functiebeloning, waarbij de functie en het aantal jaren dat deze wordt
uitgeoefend, bepalend zijn voor het salaris. Verzoekster wenst echter niet
werkervaring, maar onder meer haar leeftijd als criterium voor salarisverhoging
te zien. Leeftijd kan echter niet als basis dienen voor vaststelling van
de werkervaring van een belanghebbende.

Het feit dat verzoekster als echtgenote en als moeder geen gelegenheid
heeft gehad om carrière op te bouwen kan, evenmin als de aangevoerde financiële
argumenten en de omstandigheid dat zij haar werk goed doet, als argument
dienen voor een salarisverhoging. De werkgever heeft de mogelijkheid om
bij zeer goede of uitstekende functievervulling een buitengewone toelage
of gratificatie toe te kennen.

Ten aanzien van verzoeksters ervaring met vrijwilligerswerk merkt de wederpartij
op dat het in elk geval niet zo kan zijn, dat in geval van onvrede over
de hoogte van de beloning, de aanleiding voor salarisverhoging wordt gezocht
in de enkele omstandigheid dat ooit vrijwilligerswerk is verricht.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de gelijke behandelingswetgeving
heeft gehandeld door een salarissysteem op te stellen en te handhaven dat
bij het vaststellen van een aanvangssalaris (onvoldoende) rekening houdt
met onbetaalde (werk-)ervaring en dat de hierdoor ontstane ongelijkheid
laat voortduren.

4.2. In de eerste plaats zal moeten worden vastgesteld aan welke wettelijke
bepalingen de onderhavige zaak getoetst moet worden.

Artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) verbiedt
het bevoegd gezag om onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen bij
onder meer de arbeidsvoorwaarden.

Tussen verzoekster en de Minister bestaat geen arbeidsverhouding in de
zin van genoemde artikelen. De bepalingen van deze wetgeving richten zich
tot het bevoegd gezag. De wederpartij is niet als het bevoegd gezag aan
te merken, dat is de school waar verzoekster werkzaam is. Deze stelt immers
de hoogte van de beloning vast. Dat hierbij het door de overheid vastgestelde
RPBO als uitgangspunt wordt genomen, doet hier niet aan af.
Dat betekent dat het onderhavige verzoek tegen de Minister niet getoetst
kan worden aan de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid.

Artikel 5 lid 1 sub d Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) bepaalt eveneens
dat onderscheid verboden is bij onder meer de arbeidsvoorwaarden.
In tegenstelling tot artikel 1a lid 1 WGB kent dit artikel geen bepaalde
adressaat. Dat betekent dat het artikel zich ook tot anderen dan het bevoegde
gezag richt, met inbegrip van diegenen die betrokken zijn bij de (totstandkoming
van) de arbeidsvoorwaarden. Vanaf 1 september 1994 is artikel 5 AWGB derhalve
op de onderhavige situatie van toepassing.

Artikel 5 jo. artikel 1 AWGB verbiedt zowel direct als indirect onderscheid
naar geslacht. Van direct onderscheid bij arbeidsvoorwaarden is sprake
wanneer rechtstreeks wordt verwezen naar geslacht.
Van indirect onderscheid is sprake wanneer onderscheid op grond van een
bepaald criterium of voorschrift met name een nadelig effect heeft voor
personen van één geslacht, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging
bestaat.

De Commissie toetst niet of het RPBO juist is toegepast, zij beoordeelt
wel of er bij de inschaling en de beloning op basis van het RPBO onderscheid
naar geslacht is gemaakt.

4.3. De Commissie alsook haar voorgangster, de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid, heeft reeds eerder uitgesproken dat
een regeling die alleen die ervaring financieel waardeert die tot uiting
komt in het laatstgenoten salaris, en overige relevante ervaring geheel
of overwegend buiten beschouwing laat, onderscheid oplevert dat in overwegende
mate nadelig uitwerkt voor vrouwen (Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid, 29 oktober 1993, oordeel 503-93-42; 2 december
1992, 348 t/m 351-92-61 t/m 64; 2 december 1992, oordeel 367-92-66; 29
december 1992, oordeel 373-92-72 en Commissie gelijke behandeling, 30 mei
1995, oordeel 95-17.). De Commissie ziet zich in dit oordeel gesteund door
de overwegingen van de Hoge Raad alsmede van de Kantonrechter in de zaak
Pot/SCOSZ (Pot/Stichting Centrum voor Onderwijs-begeleiding voor de Zaanstreek,
Hoge Raad, 25 november 1988, NJ 1989, 730 en in dezelfde zaak Kantonrechter
Zaandam, 15 februari 1990, zie onder meer Nemesis 1990, nr 5, blz. 254-258.).
Ook de Rechtbank Amsterdam in de zaak Verhoeven/Amsterdamse Stichting voor
Katholiek Basisonderwijs achtte de hierboven beschreven systematiek van
het RPBO in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. (Rechtbank Amsterdam,
10 december 1997, JAR 1998, 13.)

Tevens is de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (hierna: HvJEG) van belang. In de zaak Danfoss oordeelde
het HvJEG dat anciënniteit weliswaar herintredende vrouwen kan benadelen
vergeleken met mannen, maar dat de werkgever anciënniteit mag belonen zonder
dat hij behoeft aan te tonen wat het belang ervan is voor de uitvoering
van de aan de werknemer opgedragen specifieke werkzaamheden. (Danfoss,
HvJEG, 17 oktober 1989, nr. 109/88, Jur. 1989, p. 3199.) Van dit standpunt
is het HvJEG later teruggekomen in de zaak Nimz/Freie und Hansestadt Hamburg.
Daarin heeft het HvJEG uitgesproken dat het verband tussen de aard en verwerving
van vaardigheden en het aantal dienstjaren in het specifieke geval moet
worden vastgesteld. (Nimz/Freie und Hansestadt Hamburg, HvJEG, 7 februari
1991, nr. 184/89, Rechtspraak Nemesis 1991, 164. Recent heeft het HvJEG
dit nog eens bevestigd in de zaak Gerster/Freistaat Bayern, 2 oktober 1997,
nr. 1/95, JAR 1997, 250 en in Kording/Senator für Finanzen, 2 oktober 1997,
nr. 100/95, JAR 1997, 251.) Het HvJEG overwoog dat anciënniteit niet per
definitie een betere vervulling van de taak oplevert en niet voor algemene
categorieën van werknemers kan gelden. Een automatische koppeling in de
arbeidsvoorwaarden tussen dienstjaren en werkervaring kan in strijd met
artikel 119 EG-Verdrag komen.

4.4. De Commissie constateert allereerst dat de wederpartij de criteria
bij inschaling bij mannen en vrouwen gelijk toepast.
Van een direct onderscheid tussen mannen en vrouwen is dan ook geen sprake.

De vraag rijst vervolgens of er bij de toepassing van het RPBO wat de inschaling
betreft sprake is van indirect onderscheid op grond van geslacht. Dit is
het geval wanneer het RPBO onderscheid maakt dat direct onderscheid op
grond van geslacht ten gevolge heeft.

4.5. Het is niet aan de Commissie om een oordeel te geven over de relevantie
van bepaalde ervaring bij het uitoefenen van
-zoals in casu- een functie in het basisonderwijs. De Commissie behoeft
derhalve niet in te gaan op de vraag welke ervaring van verzoekster bij
de inschaling een rol behoorde te spelen.
De Commissie constateert wel dat het uitgangspunt van de salarisregeling,
aansluiting bij laatstgenoten salaris, of, bij het ontbreken daarvan, inschaling
in de laagste schaal van de functie, onvoldoende ruimte biedt voor waardering
van relevante onbetaalde ervaring en andere dan de in het RPBO erkende
ervaring. De enige ervaring die door het RPBO wordt erkend, is betaalde
werkervaring binnen en buiten het onderwijs.

4.6. In de huidige maatschappelijke situatie geldt het als een feit van
algemene bekendheid dat in het verleden meer vrouwen dan mannen hun beroepsloopbaan
onderbraken in verband met de verzorging van kinderen. Bij herintreding
of bij herintreding na studie op latere leeftijd hadden zij dan ook minder
betaalde ervaring en anciënniteit. Dit veroorzaakt onder de inschalingssystematiek
van het RPBO een ongelijke inschaling.
Na de indiensttreding zet de ongelijke start zich voort in een ongelijk
salarisverloop dat pas vele jaren later gecorrigeerd kan worden, door het
bereiken van het eind van de salarisschaal.

Toepassing van de compensatie ex artikel I-P11 RPBO leidt voor die herintreedsters
die voorheen ook in het onderwijs werkzaam waren tot toekenning van een
extra periodiek voor elke vier jaar loopbaanonderbreking. Daarbij is evenwel
sprake van een automatisme dat onafhankelijk van de vraag of en welke relevante
ervaring in die periode is opgedaan, wordt toegepast.
Voor onderwijskrachten als verzoekster, die voorafgaande aan hun indiensttreding
andere onderwijservaring of andere dan onderwijservaring opdeden en/of
hun diploma’s op latere leeftijd behaalden, biedt het RPBO in het geheel
geen maatstaf waarmee hun ervaring kan worden gewaardeerd indien deze op
zich wel relevant zou kunnen zijn, hetgeen (zoals gezegd) niet aan de Commissie
ter beoordeling is.

De Commissie stelt vast dat de beloningsmaatregelen zoals hierboven geschetst
ertoe leiden dat tussen heringetreden vrouwen, vrouwen die op latere leeftijd
in het arbeidsproces zijn ingetreden en collega’s die arbeid van vergelijkbare
waarde verrichten, maar die hun loopbaan niet hebben onderbroken, beloningsverschillen
van enkele honderden guldens bruto per maand kunnen ontstaan. Deze verschillen
worden veroorzaakt door
a) het ontbreken van een maatstaf voor het beoordelen van alle mogelijke
relevante ervaring
b) het feit dat het salarisstelsel geen mogelijkheid biedt voor het inlopen
van een bij indiensttreding bestaand verschil in ervaring.
Nu meer vrouwen dan mannen hun loopbaan in verband met de zorg voor kinderen
onderbreken, worden vrouwen meer dan mannen door de nadelige gevolgen van
het inschalingssysteem getroffen.

4.7. De Commissie stelt dientengevolge vast dat sprake is van indirect
onderscheid naar geslacht bij de toepassing van de criteria laatstgenoten
salaris en relevante ervaring.

4.8. Het indirect onderscheid is gerechtvaardigd indien de wederpartij
hiervoor een objectieve rechtvaardigingsgrond aandraagt.
De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond
aan de volgende criteria: (Jenkins versus Kingsgate Ltd, HvJEG, 31 maart
1985, zaak 96/80, JUR 1981, p. 911 en Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz,
13 mei 1986, zaak C-170-84, JUR 1986, p. 1607.)
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn en
– de om het doel te bereiken gekozen middelen dienen te beantwoorden aan
een werkelijke behoefte en
– deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.

4.9. Het doel van de salarisvoorschriften van het RBPO is op een zoveel
mogelijk geobjectiveerde wijze te komen tot salariëring van het onderwijspersoneel.
Het doel van de onderdelen van het RBPO waarover in casu wordt geklaagd
betreft meer in het bijzonder de adequate honorering van relevante ervaring,
daarbij rekening houdend met herintreedsters. De Commissie stelt vast dat
deze doeleinden op zich legitieme doeleinden zijn, waaraan iedere discriminatie
vreemd is. Deze nagestreefde doelen beantwoorden tevens aan een werkelijke
behoefte van de wederpartij.

Als middel om het doel te bereiken is gekozen voor een systeem van aansluiting
bij het laatstgenoten salaris als er sprake is van betaalde werkervaring
buiten het onderwijs, aansluiting bij het laatstgenoten salaris plus één
periodiek als er sprake is van ervaring in een gelijksoortige onderwijsbaan
en inschaling in de laagste functieschaal als de andere inschalingscriteria
niet van toepassing zijn.

Ten aanzien van de geschiktheid en de noodzakelijkheid van het gekozen
middel overweegt de Commissie als volgt.
Onder omstandigheden kan een zekere objectivering van individuele omstandigheden
noodzakelijk zijn, maar voorwaarde is dat dit niet leidt tot strijd met
de wettelijke gelijkheidsvoorschriften.

De Commissie wijst in dit verband op de hiervoor onder 4.3. aangehaalde
uitspraak van het HvJEG in de zaak Nimz/Freie und Hansestadt Hamburg. Hieruit
leidt de Commissie af dat anciënniteit niet steeds automatisch tot grotere
vaardigheden leidt en dat hierin dus niet altijd zonder nadere rechtvaardiging
een reden tot differentiatie in loon hoeft te zijn gelegen.
Een dergelijke rechtvaardiging bestaat slechts dan, wanneer die ervaring
een medewerker daadwerkelijk in staat stelt zijn functie beter te vervullen.
In die situaties waarin het laatstgenoten salaris wel de weerspiegeling
vormt van eerder opgedane relevante ervaring, wordt een beloningsverschil
in aanvangssalarissen gerechtvaardigd door dit verschil in relevante ervaring.
Het ligt evenwel op de weg van de werkgever om van geval tot geval en van
tijd tot tijd na te gaan of een verschil in ervaring bij indiensttreding
na verloop van tijd nog voldoende rechtvaardiging biedt voor het laten
voortduren van het beloningsverschil.

Op grond van het RPBO ontvangen medewerkers jaarlijks ieder een periodieke
verhoging. Dit betekent dat een bij indiensttreding ontstaan beloningsverschil
pas bij het bereiken van het maximumsalaris verdwijnt. Een langdurige handhaving
van een beloningsverschil zoals uit het RPBO voortvloeit, komt naar het
oordeel van de Commissie op gespannen voet te staan met de voorschriften
uit de AWGB, die verplichten tot gelijke beloning voor arbeid van (nagenoeg)
gelijke waarde.
In de situatie waarin verzoekster arbeid van (ongeveer) gelijke waarde
zou verrichten als een mannelijke collega, zou zij in beginsel recht hebben
op een gelijke beloning.
Een beloningsverschil in de beginfase van verzoeksters herintreding zou
eventueel verklaard kunnen worden uit een surplus aan ervaring bij deze
collega. Het ligt evenwel op de weg van de werkgever om na verloop van
tijd verzoeksters salaris te heroverwegen en na te gaan of een beloningsverschil
gebaseerd op een verschil in ervaring bij indiensttreding nog is gerechtvaardigd.

In het onderhavige geval wordt de starheid en dientengevolge de willekeur
van de salarissystematiek nog onderstreept door het feit dat personen die
eerder wel in het onderwijs werkzaam waren en daarna gedurende een bepaalde
periode geen werkervaring hebben opgedaan automatisch een periodiek erbij
krijgen voor elke vier dan wel drie jaar dat zij hun loopbaan onderbraken,
terwijl relevante onbetaalde werkervaring van anderen niet wordt meegewogen.
Dit blijkt ook in het geval van verzoekster, die voorafgaand aan haar onderwijswerkzaamheden
onbetaalde arbeid heeft verricht als vrijwilligster in het onderwijs, maar
hiervoor geen extra beloning ontvangt.

Een mogelijkheid tot daadwerkelijke weging van relevante onbetaalde ervaring,
danwel tussentijdse of periodieke herziening, danwel het versneld doorlopen
of bijvoorbeeld het inkorten van carrièrelijnen ontbreekt op dit moment
geheel in het RPBO.

4.10. Door de wederpartij is geen rechtvaardigingsgrond voor het indirecte
onderscheid aangedragen. In verscheidene andere zaken die eerder bij de
Commissie aanhangig zijn geweest over dit onderwerp is er echter van de
zijde van de wederpartij op gewezen dat deze systematiek beantwoordt aan
de aanwezige behoefte om het bekostigingssysteem beheersbaar te houden,
zowel in financiële als in uitvoerende zin.

De Commissie wijst er om die reden ten overvloede op dat de noodzaak van
een geobjectiveerde salarisinpassing inclusief het waarderen van ervaring
met het oog op de landelijke toepassing van het salarissysteem niet zonder
meer als objectieve rechtvaardigingsgrond aanvaard zou kunnen worden. (Zie
onder andere de ministeriële circulaires in het kader van de verbetering
van de positie van onderwijspersoneel de ‘Regeling Toeslag begininkomens’,
9 december 1993, AB/IE-93085750 en de ‘Regeling Beloningsknelpunten’, 10
mei 1994, AB/IE-94020586.)
Het betrachten van doelmatigheid is op zichzelf een legitieme doelstelling.
Erkend moet worden dat in een omvangrijk, landelijk toepasbaar systeem
als het onderhavige, gelijkheid in individuele gevallen tot op de cent
nauwkeurig niet eenvoudig bereikbaar is. Het gelijkheidsbeginsel stelt
evenwel grenzen aan algemene regelingen als de onderhavige. Die grenzen
worden bereikt als de algemene regeling tot (disproportionele) ongelijke
behandeling van groepen personeel leidt die arbeid van (nagenoeg) dezelfde
waarde verrichten. Dit is het geval nu meer vrouwen dan mannen door de
inschalingssystematiek worden getroffen.

De Commissie constateert tevens dat het RPBO scholen -binnen de marges
van de functiebeloning- wel enige ruimte laat bij het hanteren van het
criterium laatstgenoten salaris, bijvoorbeeld ingeval van toepassing van
artikel I-P10, voor een individuele beoordeling van de opgedane ervaring
in een functie buiten het onderwijs. Bovendien blijkt uit maatregelen die
in het verleden getroffen zijn dat ook binnen de salarissystematiek van
het RPBO ruimte gevonden kan worden voor specifieke maatregelen, gericht
op het wegwerken van in het verleden ontstane achterstanden.
De mogelijkheid voor deze maatregelen is in de praktijk echter beperkt
door de geringe financiële ruimte.
De Commissie merkt hierbij overigens op dat zij niet kan beoordelen of
de anciënniteit van verzoekster voldoende is om zonder meer aan te nemen
dat zij in vergelijking met collega’s met meer anciënniteit haar werkzaamheden
op gelijkwaardige wijze verricht.

4.11. De keuze voor het onderhavige inschalingssysteem is mede tot stand
gekomen op grond van financiële overwegingen c.q. beperkingen. De Commissie
wijst er op dat financiële belemmeringen op zich niet voldoende zijn om
als enige zelfstandige en objectieve rechtvaardiging te fungeren. Eén en
ander vloeit voort uit jurisprudentie van het HvJEG en sluit aan bij eerdere
oordelen van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen. (Zie
bijvoorbeeld Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 2 december 1992, oordeel: 348 t/m 351-92-61 t/m 64 alsmede Commissie
gelijke behandeling, 6 februari 1996, oordeel: 96-7 en 12 februari 1996, oordeel:
96-8.)

4.12. Op grond van bovenstaande concludeert de Commissie dat er geen objectieve
rechtvaardigingsgrond aanwezig is voor het door het RPBO veroorzaakte indirecte
onderscheid. Inschaling uitsluitend aan de hand van de in het RPBO genoemde
criteria en het laten voortbestaan van de daardoor ontstane beloningsverschillen
wanneer anciënniteit niet meer relevant is, zijn in strijd met de gelijke
behandelingsvoorschriften.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
te Zoetermeer jegens mevrouw (….) te Zoetermeer indirect onderscheid
maakt op grond van geslacht als verboden in artikel 5 lid 1 sub d juncto
artikel 1 Algemene wet gelijke behandeling door bij de inschaling van mevrouw
(….) geen rekening te houden met eventuele voordien opgedane relevante
onbetaalde arbeidservaring en door de aldus ontstane beloningsverschillen
niet te herzien op het moment dat anciënniteit geen maatstaf voor betere
functievervulling meer biedt.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 maart 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een vrouw werkt als onderwijzeres. De school past beloningsvoorschriften
voor het basisonderwijs toe, die door de Minister zijn vastgesteld. In
verband met de verzorging van haar kinderen is de vrouw een aantal jaren
gestopt met werken. Doordat zij haar diploma op latere leeftijd heeft gehaald,
andere dan onderwijservaring en andere onderwijs ervaring heeft opgedaan,
ondervindt zij nog steeds een salarisachterstand ten opzichte van collega’s
die hun loopbaan niet hebben onderbroken.
Het is een feit van algemene bekendheid dat meer vrouwen dan mannen hun
loopbaan onderbreken in verband met de zorgtaken voor kinderen. De Commissie
oordeelt dat de school door de toepassing van de beloningsvoorschriften
voor het basisonderwijs indirect onderscheid naar geslacht maakt. Strijd
met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 8 augustus 1997 verzocht mevrouw (….) te Zoetermeer (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel te geven over de vraag of door (….) te Zoetermeer (hierna: de
wederpartij) onderscheid wordt gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster is in verband met de zorg voor haar kinderen pas op latere
leeftijd ingetreden in het onderwijs. Zij is van mening dat bij haar inschaling
ten onrechte geen rekening is gehouden met haar (levens-)ervaring waardoor
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Verzoekster
heeft ook de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als wederpartij
aangewezen. In die zaak is een oordeel uitgesproken met het oordeelnummer
98-28.

Vervolgens zijn partijen uitgenodigd om hun standpunten mondeling toe te
lichten op een zitting op 10 februari 1998. Partijen hebben van deze uitnodiging
geen gebruik gemaakt.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster (geboren 28 december 1952) heeft in 1969 een opleiding
kinderverzorging KV/JV afgesloten en is daarna gaan werken in een kindertehuis
alsmede bij verschillende gezinnen tot medio 1971. In verband met haar
huwelijk en de zorg voor drie kinderen, heeft zij geen verdere carrière
opgebouwd. Zij heeft tussen 1972 en 1989 diverse vrijwilligerswerkzaamheden
en een aantal betaalde werkzaamheden verricht.

In 1989 is verzoekster begonnen met de opleiding voor basisonderwijs. Zij
heeft in 1993 haar diploma gehaald.
Vanaf 24 augustus 1992 tot 1 juni 1993 is verzoekster als klasse-assistent
werkzaam geweest bij een basisschool in Assen. Van 1 juni 1993 tot haar
indiensttreding bij de wederpartij heeft verzoekster als groepsleerkracht
bij de basisschool in Assen gewerkt. Bij de wederpartij, een basisschool
in Zoetermeer, is zij sinds 1 augustus 1995 werkzaam als lerares.

3.2. Het onderwijs aan de school van de wederpartij wordt gesubsidieerd
door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW). Op de arbeidsovereenkomsten
van het onderwijspersoneel van de wederpartij is het Rechtspositiebesluit
onderwijspersoneel (RPBO) van toepassing. Vanaf 1 april 1985 geldt de functie
die een medewerker vervult als uitgangspunt bij de inschaling (Besluit
van 23 maart 1985, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
(Herziening Onderwijs Salarisstructuur), Stb. 1985, 155.). Voordien was
een systeem van functiebeloning van toepassing op basis waarvan bezoldiging
naar leeftijd en bevoegdheden werd vastgesteld.

Verzoekster is ingeschaald volgens de regels van het RPBO.
De volgende bepalingen uit hoofdstuk I-P van het RPBO zijn hier van belang.
Het salaris van een nieuwe medewerker wordt in beginsel vastgesteld op
het laagste bedrag in de laagste schaal behorend bij de desbetreffende
functie (I-P7). Is voorheen relevante ervaring opgedaan, dan kan een hogere
inschaling worden bereikt, omdat dan wordt aangesloten bij het laatstgenoten
salaris.
Voor de medewerker die al eerder in het onderwijs werkte (I-P8) of die
al een andere onderwijsfunctie vervult en aanhoudt (I-P9), wordt automatisch
aangesloten bij het laatstgenoten salaris.
Dit betekent dat in dat geval geen individuele beoordeling van de opgedane
ervaring plaatsvindt.
Voor werknemers met een onderbroken carrièrepatroon die voorheen (minimaal
vier jaar geleden) een onderwijsfunctie vervulden, dan wel een onderwijsbevoegdheid
behaalden, bepaalt artikel I-P11 dat, afhankelijk van de situatie voor
elke vier dan wel drie jaar onderbreking één extra periodiek wordt toegekend.
(Zie de Ministeriële regelingen, ‘Nadere richtlijnen voor de inschaling
in het onderwijs of na een onderbroken carrière’ (toepassing artikelen
I-P9 en I-P10), 8 augustus 1985, C850184, DI/AB 85-106/85-205; ‘Toepassing
artikelen I-P9 en I-P10 RPBO; Nadere richtlijnen voor de inschaling in
het onderwijs in aansluiting op een betrekking buiten het onderwijs of
na een onderbroken carrière’, 1 november 1989, DI/AB 89-21.)
Artikel I-P13 voorziet in een jaarlijkse periodieke verhoging waarop iedere
onderwijsgevende met een ononderbroken dienstverband recht heeft.

3.3. Verzoekster werd bij haar indiensttreding als klasse-assistent op
een basisschool in Assen ingedeeld in schaal 3 BBRA, regelnummer 6. Bij
haar indiensttreding als groepsleerkracht bij dezelfde basisschool is verzoekster
ingeschaald op schaal 9, regelnummer 2. Ten tijde van haar indiensttreding
bij de wederpartij was verzoekster ingeschaald in schaal 9, regelnummer
4. Op grond van artikel I-P8 RPBO is verzoekster bij haar indiensttreding
bij de wederpartij vervolgens ingeschaald in schaal 9, regelnummer 5.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt het volgende.

Zij doet haar werk graag en goed maar ervaart het als ongelijke behandeling
dat mensen met dezelfde leeftijd en capaciteiten als zij een hogere beloning
ontvangen. Leerkrachten die net zo oud zijn als zij en vanaf hun 22ste
jaar werkzaam zijn in het onderwijs verdienen netto ƒ 600,- tot ƒ 800,-
per maand meer dan verzoekster. Haar salaris is in vergelijking met iemand
die net de opleiding voor groepsleerkracht heeft afgerond erg laag gelet
op haar leeftijd en (vrijwilligers-)werkervaring. Zij is van mening dat
zij meer capaciteiten heeft dan iemand die beginnend leerkracht is.

Verzoekster heeft vanwege de zorg voor haar gezin geen carrière op kunnen
bouwen. Zij heeft zich via (veelal organisatorisch) vrijwilligerswerk verder
kunnen ontplooien. Deze ervaringen komen haar huidige werk zeer ten goede.

Verzoekster voert voorts een aantal financiële argumenten aan waarom zij
graag een hogere beloning zou ontvangen.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.

Zij is vrijwel geheel afhankelijk van de subsidie van het Ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Voor het bijzonder onderwijs geldt
het RPBO als bekostigingsvoorwaarde.
De wederpartij is derhalve gebonden aan de regels van het RPBO en afwijking
van deze regels zou aanzienlijke financiële sancties tot gevolg kunnen
hebben.

Verzoeksters inschaling heeft conform de geldende inschalingsregelingen
plaatsgevonden. Aangezien door het ministerie reeds tweemaal een verzoek
om verzoekster op basis van leeftijd en ervaring hoger te mogen inschalen
is afgewezen, lijkt het de wederpartij weinig zinvol om opnieuw een dergelijk
verzoek in te dienen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de arbeidsvoorwaarden
heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling, door bij
het vaststellen van verzoeksters (aanvangs-)salaris onvoldoende rekening
te houden met haar onbetaalde (werk)ervaring en de hierdoor ontstane ongelijkheid
te laten voortduren.

4.2. Artikel 7:646 Burgerlijk Wetboek (BW) verbiedt onderscheid tussen
mannen en vrouwen bij onder meer de arbeidsvoorwaarden. Zowel direct als
indirect onderscheid naar geslacht is verboden. Van direct onderscheid
bij de arbeidsvoorwaarden is sprake wanneer rechtstreeks wordt verwezen
naar geslacht. Van indirect onderscheid is sprake wanneer onderscheid op
grond van een bepaald criterium of voorschrift met name een nadelig effect
heeft voor personen van één geslacht, zonder dat daarvoor een objectieve
rechtvaardiging bestaat.

De Commissie toetst niet of het RPBO juist is toegepast, zij beoordeelt
wel of er bij de inschaling en de beloning op basis van het RPBO onderscheid
naar geslacht is gemaakt.

4.3. De Commissie alsook haar voorgangster, de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid, heeft reeds eerder uitgesproken dat
een regeling die alleen die ervaring financieel waardeert die tot uiting
komt in het laatstgenoten salaris, en overige relevante ervaring geheel
of overwegend buiten beschouwing laat, onderscheid oplevert dat in overwegende
mate nadelig uitwerkt voor vrouwen (Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid, 29 oktober 1993, oordeel 503-93-42; 2 december
1992, 348 t/m 351-92-61 t/m 64; 2 december 1992, oordeel 367-92-66; 29
december 1992, oordeel 373-92-72 en Commissie gelijke behandeling oordeel,
30 mei 1995, 95-17.). De Commissie ziet zich in dit oordeel gesteund door
de overwegingen van de Hoge Raad alsmede van de Kantonrechter in de zaak
Pot/SCOSZ (Pot/Stichting Centrum voor Onderwijs-begeleiding voor de Zaanstreek,
Hoge Raad, 25 november 1988, NJ 1989, 730 en in dezelfde zaak Kantonrechter
Zaandam, 15 februari 1990, zie onder meer Nemesis 1990, nr 5, blz. 254-258).
Ook de Rechtbank Amsterdam in de zaak Verhoeven/Amsterdamse Stichting voor
Katholiek Basisonderwijs achtte de hierboven beschreven systematiek van
het RPBO in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. (Rechtbank Amsterdam,
10 december 1997, JAR 1998, 13.)

Tevens is de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (hierna: HvJEG) van belang. In de zaak Danfoss oordeelde
het HvJEG dat anciënniteit weliswaar herintredende vrouwen kan benadelen
vergeleken met mannen, maar dat de werkgever anciënniteit mag belonen zonder
dat hij behoeft aan te tonen wat het belang ervan is voor de uitvoering
van de aan de werknemer opgedragen specifieke werkzaamheden. (Danfoss,
HvJEG, 17 oktober 1989, nr. 109/88, Jur. 1989, p. 3199.) Van dit standpunt
is het HvJEG later teruggekomen in de zaak Nimz/Freie und Hansestadt Hamburg.
Daarin heeft het HvJEG uitgesproken dat het verband tussen de aard en verwerving
van vaardigheden en het aantal dienstjaren in het specifieke geval moet
worden vastgesteld. (Nimz/Freie und Hansestadt Hamburg, HvJEG, 7 februari
1991, nr. 184/89, Rechtspraak Nemesis 1991, 164. Recent heeft het HvJEG
dit nog eens bevestigd in de zaak Gerster/Freistaat Bayern, 2 oktober 1997,
nr. 1/95, JAR,1997, 250 en in Kording/Senator für Finanzen, 2 oktober 1997,
nr. 100/95, JAR 1997, 251.) Het HvJEG overwoog dat anciënniteit niet per
definitie een betere vervulling van de taak oplevert en niet voor algemene
categorieën van werknemers kan gelden. Een automatische koppeling in de
arbeidsvoorwaarden tussen dienstjaren en werkervaring kan in strijd met
artikel 119 EG-Verdrag komen.

4.4. De Commissie constateert allereerst dat de wederpartij de criteria
bij inschaling bij mannen en vrouwen gelijk toepast.
Van een direct onderscheid tussen mannen en vrouwen is dan ook geen sprake.

De vraag rijst vervolgens of er bij de toepassing van het RPBO wat de inschaling
betreft sprake is van indirect onderscheid op grond van geslacht. Dit is
het geval wanneer het RPBO onderscheid maakt dat direct onderscheid op
grond van geslacht ten gevolge heeft.

4.5. Het is niet aan de Commissie om een oordeel te geven over de relevantie
van bepaalde ervaring bij het uitoefenen van
-zoals in casu- een functie in het basisonderwijs. De Commissie behoeft
derhalve niet in te gaan op de vraag welke ervaring van verzoekster bij
de inschaling een rol behoorde te spelen.
De Commissie constateert wel dat het uitgangspunt van de salarisregeling,
aansluiting bij laatstgenoten salaris of, bij het ontbreken daarvan, inschaling
in de laagste schaal van de functie, onvoldoende ruimte biedt voor waardering
van relevante onbetaalde ervaring en andere dan de in het RPBO erkende
ervaring De enige ervaring die door het RPBO wordt erkend is betaalde werkervaring
binnen en buiten het onderwijs.

4.6. In de huidige maatschappelijke situatie geldt het als een feit van
algemene bekendheid dat in het verleden meer vrouwen dan mannen hun beroepsloopbaan
onderbraken in verband met de verzorging van kinderen. Bij herintreding
of intreding na studie op latere leeftijd hadden zij dan ook minder betaalde
ervaring en anciënniteit. Dit veroorzaakt onder de inschalingssystematiek
van het RPBO een ongelijke inschaling. Na de indiensttreding zet de ongelijke
start zich voort in een ongelijk salarisverloop dat nauwelijks meer gecorrigeerd
kan worden.

Toepassing van de compensatie ex artikel I-P11 RPBO leidt voor die herintreedsters
die voorheen ook in het onderwijs werkzaam waren tot toekenning van een
extra periodiek voor elke vier jaar loopbaanonderbreking. Daarbij is evenwel
sprake van een automatisme dat onafhankelijk van de vraag of en welke relevante
ervaring in die periode is opgedaan, wordt toegepast.
Voor onderwijskrachten als verzoekster die voorafgaande aan hun indiensttreding
andere onderwijservaring of andere dan onderwijservaring opdeden en/of
hun diploma’s op latere leeftijd behaalden, biedt het RPBO in het geheel
geen maatstaf waarmee hun ervaring kan worden gewaardeerd indien deze op
zich wel relevant zou kunnen zijn, hetgeen (zoals gezegd) niet aan de Commissie
ter beoordeling is.

De Commissie stelt vast dat de beloningsmaatregelen zoals hierboven geschetst
ertoe leiden dat tussen heringetreden vrouwen, vrouwen die op latere leeftijd
in het arbeidsproces zijn ingetreden en collega’s die arbeid van vergelijkbare
waarde verrichten, maar die hun loopbaan niet hebben onderbroken, beloningsverschillen
van enkele honderden guldens bruto per maand kunnen ontstaan. Deze verschillen
worden veroorzaakt door
a) het ontbreken van een maatstaf voor het beoordelen van alle mogelijke
relevante ervaring
b) het feit dat het salarisstelsel geen mogelijkheid biedt voor het inlopen
van een bij indiensttreding bestaand verschil in ervaring.
Nu meer vrouwen dan mannen hun loopbaan in verband met de zorg voor kinderen
onderbreken, worden vrouwen meer dan mannen door de nadelige gevolgen van
het inschalingssysteem getroffen.

4.7. De Commissie stelt dientengevolge vast dat sprake is van indirect
onderscheid naar geslacht bij de toepassing van de criteria laatstgenoten
salaris en relevante ervaring.

4.8. Het indirect onderscheid is gerechtvaardigd indien de wederpartij
hiervoor een objectieve rechtvaardigingsgrond aandraagt.

De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond
aan de volgende criteria: (Jenkins versus Kingsgate Ltd, HvJEG, 31 maart
1985, zaak 96/80, JUR 1981, p. 911 en Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz,
13 mei 1986, zaak C-170-84, JUR 1986, p. 1607.)
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn en
– de om het doel te bereiken gekozen middelen dienen te beantwoorden aan
een werkelijke behoefte en
– deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.

4.9. Het doel van de salarisvoorschriften van het RBPO is op een zoveel
mogelijk geobjectiveerde wijze te komen tot salariëring van het onderwijspersoneel.
Het doel van de onderdelen van het RPBO waarover in casu wordt geklaagd
betreft meer in het bijzonder de adequate honorering van relevante ervaring,
daarbij rekening houdend met de positie van herintreedsters. De Commissie
stelt vast dat dit op zich legitieme doeleinden zijn, waaraan iedere discriminatie
vreemd is. De nagestreefde doelen beantwoorden tevens aan een werkelijke
behoefte van de wederpartij.

Als middel om het doel te bereiken is gekozen voor een systeem van aansluiting
bij het laatstgenoten salaris als er sprake is van betaalde werkervaring
buiten het onderwijs, aansluiting bij het laatstgenoten salaris plus één
periodiek als er sprake is van ervaring in een gelijksoortige onderwijsbaan
en inschaling in de laagste functieschaal als de andere inschalingscriteria
niet van toepassing zijn.

Ten aanzien van de geschiktheid en de noodzakelijkheid van het gekozen
middel overweegt de Commissie als volgt.
Onder omstandigheden kan een zekere objectivering van individuele omstandigheden
noodzakelijk zijn, maar voorwaarde is dat dit niet leidt tot strijd met
de wettelijke gelijkheidsvoorschriften.

De Commissie wijst in dit verband op de hiervoor onder 4.3. aangehaalde
uitspraak van het HvJEG in de zaak Nimz/Freie und Hansestadt Hamburg. Hieruit
leidt de Commissie af dat anciënniteit niet automatisch tot grotere vaardigheden
leidt en dat hierin dus niet altijd zonder nadere rechtvaardiging een reden
tot differentiatie in loon hoeft te zijn gelegen. Een dergelijke rechtvaardiging
bestaat slechts dan, wanneer die ervaring een medewerker daadwerkelijk
in staat stelt zijn functie beter te vervullen.
In die situaties waarin het laatstgenoten salaris wel de weerspiegeling
vormt van eerder opgedane relevante ervaring, wordt een beloningsverschil
in aanvangssalarissen gerechtvaardigd door dit verschil in relevante ervaring.
Het ligt evenwel op de weg van de werkgever om van geval tot geval en van
tijd tot tijd na te gaan of een verschil in ervaring bij indiensttreding
na verloop van tijd nog voldoende rechtvaardiging biedt voor het laten
voortduren van het beloningsverschil.

Op grond van het RPBO ontvangen medewerkers jaarlijks ieder een periodieke
verhoging. Dit betekent dat een bij indiensttreding ontstaan beloningsverschil
pas bij het bereiken van het maximumsalaris verdwijnt. Een langdurige handhaving
van een beloningsverschil zoals uit het RPBO voortvloeit, komt naar het
oordeel van de Commissie op gespannen voet te staan met de voorschriften
uit het BW en de WGB, die verplichten tot gelijke beloning voor arbeid
van (nagenoeg) gelijke waarde.

In de situatie waarin verzoekster arbeid van (ongeveer) gelijke waarde
zou verrichten als een mannelijke collega, zou zij in beginsel recht hebben
op een gelijke beloning.
Een beloningsverschil in de beginfase van verzoeksters herintreding zou
eventueel verklaard kunnen worden uit een surplus aan ervaring bij deze
collega. Het ligt evenwel op de weg van de werkgever om na verloop van
tijd verzoeksters salaris te heroverwegen en na te gaan of een beloningsverschil
gebaseerd op een verschil in ervaring bij indiensttreding nog is gerechtvaardigd.

In het onderhavige geval wordt de starheid en dientengevolge de willekeur
van de salarissystematiek nog onderstreept door het feit dat personen die
eerder wel in het onderwijs werkzaam waren en daarna gedurende een bepaalde
periode geen werkervaring hebben opgedaan automatisch een periodiek erbij
krijgen voor elke vier jaar dan wel drie jaar dat zij hun loopbaan onderbraken,
terwijl relevante onbetaalde werkervaring van anderen niet wordt meegewogen.
Dit blijkt ook in het geval van verzoekster, die voorafgaand aan haar onderwijswerkzaamheden
onder meer onbetaalde arbeid heeft verricht als vrijwilligster in het onderwijs,
maar hiervoor geen extra beloning ontvangt.

Een mogelijkheid tot daadwerkelijke weging van relevante onbetaalde ervaring,
dan wel tussentijdse of periodieke herziening, dan wel het versneld doorlopen
of bijvoorbeeld het inkorten van carrièrelijnen ontbreekt op dit moment
geheel in het RPBO.

4.10. In verscheidene andere zaken die bij de Commissie gelijke behandeling
over dit onderwerp aanhangig zijn gemaakt is er
-ter rechtvaardiging van het indirecte onderscheid- van de zijde van de
minister van OCW op gewezen dat de systematiek van het RPBO beantwoordt
aan de aanwezige behoefte om het bekostigingssysteem beheersbaar te houden,
zowel in financiële zin als in uitvoerende zin.

De Commissie wijst er om die reden ten overvloede op dat de noodzaak van
een geobjectiveerde salarisinpassing inclusief het waarderen van ervaring
met het oog op de landelijke toepassing van het salarissysteem niet zonder
meer als objectieve rechtvaardigingsgrond aanvaard zou kunnen worden. (Zie
onder andere de ministeriële circulaires in het kader van de verbetering
van de positie van onderwijspersoneel de ‘Regeling Toeslag begininkomens’,
9 december 1993, AB/IE-93085750 en de ‘Regeling Beloningsknelpunten’, 10
mei 1994, AB/IE-94020586.)
Het betrachten van doelmatigheid is op zichzelf een legitieme doelstelling.
Erkend moet worden dat in een omvangrijk, landelijk toepasbaar systeem
als het onderhavige, gelijkheid in individuele gevallen tot op de cent
nauwkeurig niet eenvoudig bereikbaar is. Het gelijkheidsbeginsel stelt
evenwel grenzen aan algemene regelingen als de onderhavige. Die grenzen
worden bereikt als de algemene regeling tot (disproportionele) ongelijke
behandeling van vrouwen leidt, terwijl zij arbeid van (nagenoeg) dezelfde
waarde verrichten. Dit is het geval nu meer vrouwen dan mannen door de
inschalingssystematiek worden getroffen.

De Commissie constateert tevens dat het RPBO de wederpartij bij de toepassing
van bijvoorbeeld artikel I-P10 bij het hanteren van het criterium laatstgenoten
salaris binnen de marges van de functiebeloning wel enige ruimte laat voor
een individuele beoordeling van de opgedane ervaring in een functie buiten
het onderwijs. Bovendien blijkt uit maatregelen die in het verleden getroffen
zijn dat ook binnen de salarissystematiek van het RPBO ruimte gevonden
kan worden voor specifieke maatregelen, gericht op het wegwerken van in
het verleden ontstane achterstanden.
De mogelijkheid voor deze maatregelen is in de praktijk echter beperkt
door de geringe financiële ruimte.
De Commissie merkt hierbij overigens op dat zij niet kan beoordelen of
verzoekster voldoende anciënniteit heeft om zonder meer te kunnen aannemen
dat zij in vergelijking met collega’s met meer anciënniteit haar werkzaamheden
op gelijkwaardige wijze verricht. Het moet evenwel mogelijk zijn om eventuele
verschillen in te lopen.

4.11. De keuze voor het onderhavige inschalingssysteem is mede tot stand
gekomen op grond van financiële overwegingen c.q. beperkingen. De Commissie
wijst er op dat financiële belemmeringen op zich niet voldoende zijn om
als enige zelfstandige en objectieve rechtvaardiging te fungeren. Eén en
ander vloeit voort uit jurisprudentie van het HvJEG en sluit aan bij eerdere
oordelen van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen. (Zie
bijvoorbeeld Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 2 december 1992, oordeel: 348 t/m 351-92-61 t/m 64 alsmede Commissie
gelijke behandeling, 6 februari 1996, oordeel: 96-7 en 12 februari 1996,
oordeel: 96-8.)

4.12. Op grond van bovenstaande concludeert de Commissie dat er geen objectieve
rechtvaardigingsgrond aanwezig is voor het door het RPBO veroorzaakte indirecte
onderscheid. Inschaling uitsluitend aan de hand van de in het RPBO genoemde
criteria en het laten voortbestaan van de daardoor ontstane beloningsverschillen
wanneer anciënniteit niet meer relevant is, zijn in strijd met de gelijke
behandelingsvoorschriften.

4.13. De wederpartij beroept zich op haar afhankelijkheid van de subsidie
van OCW. Voor het bijzonder onderwijs geldt immers het RPBO als bekostigingsvoorwaarde.
De wederpartij acht zich derhalve gebonden aan de regels van het RPBO en
afwijking van deze regels zou aanzienlijke financiële sancties tot gevolg
kunnen hebben.

De Commissie volgt de wederpartij niet in haar verweer.
Immers, de wederpartij heeft een eigen verantwoordelijkheid voor de naleving
van de gelijke behandelingswetgeving. Ook het enkele feit, dat de werkelijke
(financiële) marges voor de wederpartij om een eigen beleid in deze te
voeren zeer beperkt zijn, doet niet af aan deze eigen verantwoordelijkheid.
Door toepassing te geven aan het RPBO maakt de wederpartij derhalve indirect
onderscheid naar geslacht als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat de (….) te Zoetermeer jegens mevrouw
(….) te Zoetermeer indirect onderscheid maakt op grond van geslacht als
verboden in de artikelen 7:646 lid 1 en lid 5 Burgerlijk Wetboek door bij
de inschaling van mevrouw (….) geen rekening te houden met eventuele
voordien opgedane relevante onbetaalde arbeidservaring en door de aldus
ontstane beloningsverschillen niet te herzien op het moment dat anciënniteit
geen maatstaf voor betere functievervulling meer biedt.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 maart 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een Surinaamse vrouw solliciteerde naar de functie van medewerker documentatie.
Zij is echter voor de functie afgewezen, volgens haar vanwege haar afkomst.
De Commissie komt tot de conclusie dat de Surinaamse afkomst van de vrouw
geen rol heeft gespeeld bij de afwijzing. De Commissie constateert evenwel
dat de onduidelijkheid omtrent het door het bedrijf gevoerde personeelsbeleid,
mede ten grondslag heeft gelegen aan de bij de vrouw ontstane indruk dat
zij was aangenomen. De Commissie beveelt het bedrijf aan nadere uitwerking
te geven aan het door haar gevoerde voorkeursbeleid, dat zal moeten voldoen
aan de wettelijke criteria. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 4 september 1997 verzocht mevrouw (….) te Amsterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (….) (hierna: de wederpartij)
onderscheid op grond van ras heeft gemaakt zoals bedoeld in de Algemene
wet gelijke behandeling (hierna: AWGB).

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie
van medewerker documentatie. Verzoekster is voor de functie afgewezen.
Verzoekster stelt dat de reden hiervoor is dat zij van Surinaamse afkomst
is. Verzoekster is van mening dat de handelwijze van de wederpartij in
strijd is met de AWGB.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op 17 februari 1998.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)
– mw. M. Krijgsman (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (directeur)
– mw. (….) (hoofd P&O)
– mw. (….) (hoofd documentatie)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een onafhankelijke organisatie die zich inzet voor
slachtoffers van schendingen van mensenrechten. In Nederland telt de organisatie
ruim 180.000 leden en donateurs. Op het landelijk secretariaat werken 65
betaalde medewerkers en 120 vrijwilligers.

Verzoekster heeft begin mei 1997 gesolliciteerd naar de functie van medewerker
documentatie, een functie voor 24 uur per week.
In de advertentie voor de functie staat vermeld dat de wederpartij streeft
naar een multiculturele samenstelling van haar personeelsbestand.

In haar sollicitatiebrief heeft verzoekster aangegeven van Surinaamse afkomst
te zijn. Verzoekster werd uitgenodigd voor een eerste kennismakingsgesprek
op 11 juni 1997 met enkele medewerk(st)ers. Tijdens dit gesprek is de afkomst
van verzoekster ter sprake gekomen. Voorts werd verzoekster uitgenodigd
voor een tweede selectiegesprek op 12 juni 1997. Bij dit gesprek waren
aanwezig het hoofd van de afdeling Documentatie, het hoofd van de afdeling
Personeel en Organisatie en de directeur. Na dit gesprek werden referenties
gevraagd. Tevens werd verzoekster uitgenodigd voor een nader gesprek met
het hoofd documentatie, welk gesprek op 13 juni 1997 heeft plaatsgevonden.
Over het doel van dit gesprek verschillen de partijen van mening. Op 16
juni 1997 werd door het hoofd afdeling Personeel en Organisatie aan verzoekster
meegedeeld dat zij niet was aangenomen.

De wederpartij streeft naar een multiculturele samenstelling van haar personeel.
Dit streven is niet uitgewerkt in een op schrift gesteld beleid. In een
interne notitie over werving en selectie staat onder meer vermeld dat wet-
en regelgeving van overheidswege op het gebied van werving, selectie, non-discriminatie
en voorrangsbeleid in acht worden genomen.
De wetgeving gelijke behandeling wordt met name genoemd.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

Tijdens het kennismakingsgesprek is de afkomst van verzoekster ter sprake
gekomen. Door de wederpartij werd de indruk gewekt dat zij de voorkeur
aan verzoekster gaf boven de andere kandidaten en dat het laatste gesprek
bedoeld was om twijfels weg te nemen. Verzoekster zou tijdens het gesprek
met het hoofd van de afdeling Documentatie nader kennis maken met de functionaris
met wie zij voornamelijk zou gaan samenwerken. Daarnaast zouden de referenties
worden nagetrokken bij de huidige werkgever van verzoekster. De huidige
werkgever (directeur) van verzoekster is verteld dat de aanstelling min
of meer rond was.

De bedoeling van het derde gesprek (met het hoofd van de afdeling Documentatie)
was haar niet geheel duidelijk. In dit gesprek is niet gesproken over het
accepteren van leiding of de zelfstandigheid van de functie.

Het hoofd van de afdeling Personeel en Organisatie kon verzoekster niet
goed duidelijk maken waarom zij voor de functie werd afgewezen. Zij gaf
aan dat het om een gevoelskwestie zou gaan. Ook zou het hoofd van de afdeling
Documentatie problemen verwachten met de communicatie. Verzoekster was
hierover verbaasd en heeft de directeur om opheldering gevraagd. Deze kon
echter ook geen duidelijke redenen aanvoeren voor de afwijzing. Daarnaast
ontkende hij dat het hoofd van de afdeling Personeel en Organisatie de
voorkeur aan verzoekster zou hebben gegeven.
Door de passage in de advertentie over het multiculturele personeelsbeleid
had zij de indruk gekregen, dat het wel raar moest lopen, wilde men haar
niet aannemen. Verzoekster heeft naderhand vernomen dat een autochtoon
de baan heeft gekregen.

Verzoekster is van mening dat, nu de wederpartij onvoldoende duidelijk
heeft gemaakt wat de objectieve redenen voor de afwijzing zijn geweest,
zij niet anders kan concluderen dan dat haar afkomst (mede) een rol heeft
gespeeld en dat de wederpartij bij de selectie onderscheid heeft gemaakt
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Overigens hebben zich tijdens
de sollicitatieprocedure geen feiten of omstandigheden voorgedaan waardoor
zij al eerder de indruk had dat haar afkomst een belemmering vormde om
haar aan te nemen.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

Er waren twee mensen voor een tweede sollicitatiegesprek uitgenodigd.
Omdat bij het tweede gesprek met verzoekster twijfel was gerezen of een
goede samenwerkingsrelatie tussen verzoekster en het hoofd van de afdeling
Documentatie mogelijk was, heeft de wederpartij een gesprek tussen beiden
gearrangeerd. Bij het maken van de afspraak voor dit gesprek met verzoekster
heeft het hoofd van de afdeling Personeel en Organisatie deze reden ook
genoemd. In reactie op opmerkingen van verzoekster heeft zij ook nog gezegd
dat ‘het geen gelopen race was’, met andere woorden dat genoemd gesprek
en de referenties onderdeel vormden van de selectieprocedure.
De twijfels hadden mede betrekking op het feit, dat verzoekster op dat
moment een zelfstandige functie uitoefende: het hoofd documentatie vroeg
zich af of zij zich realiseerde dat zij in de functie bij de wederpartij
met een direct leidinggevende te maken zou krijgen en of deze functie haar
wel voldoende uitdaging zou bieden. De aspecten leiding krijgen en zelfstandigheid
zijn in het tweede gesprek ook aan de orde geweest. Er is sprake van een
situatie waarin nauw samengewerkt wordt: men werkt in elkaars directe nabijheid
en heeft veelvuldig contact. Daarom is het van belang dat het goed klikt.
Daarover bleven bij het hoofd Documentatie twijfels bestaan na het derde
gesprek.
Het hoofd van de afdeling Documentatie heeft het gesprek met verzoekster
besproken met de directeur en het hoofd van de afdeling Personeel en Organisatie.
Na een zorgvuldige afweging werd geconcludeerd dat er van de kant van de
wederpartij onvoldoende vertrouwen was in een goede samenwerkingsrelatie.
De Surinaamse afkomst van verzoekster speelde daarbij geen enkele rol.

Zowel de directeur als het hoofd van de afdeling Personeel en Organisatie
hebben verzoekster de reden voor de afwijzing van verzoekster uitgelegd.
De wederpartij heeft er begrip voor dat de afwijzing moeilijk te accepteren
is voor verzoekster, omdat zij zelf geen twijfels had ten aanzien van de
samenwerking met het hoofd van de afdeling Documentatie.

De wederpartij streeft naar een multiculturele samenstelling van haar personeelsbestand.
Het daartoe te voeren beleid verkeert nog in de fase van ontwikkeling.
In personeelsadvertenties worden allochtone sollicitanten uitgenodigd te
reageren. Voorts wordt tijdens de sollicitatieprocedure gestreefd naar
een zorgvuldige behandeling van alle sollicitanten. Wanneer allochtone
sollicitanten aan de functie-eisen lijken te voldoen, dan worden zij met
voorrang voor een gesprek uitgenodigd. Vervolgens worden de kandidaten
op gelijke wijze behandeld en houdt de wederpartij rekening met haar streven
naar een multiculturele samenstelling van het personeelsbestand. Uit de
WBEAA-rapportage blijkt dat slechts één medewerker valt onder de categorie
allochtonen.
Men heeft wel het idee dat dit niet in verhouding staat tot het aanbod,
maar acht het moeilijk om cijfers voor alle doelgroepen precies te achterhalen.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In het geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
heeft gemaakt bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking of bij het aangaan van een arbeidsverhouding zoals bedoeld in
de AWGB.

4.2. Met betrekking tot mogelijk onderscheid op grond van ras zijn de volgende
wetsartikelen van de AWGB relevant.

Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt, in samenhang met artikel
1 AWGB, onder meer het maken van onderscheid naar ras bij de behandeling
bij de vervulling van een openstaande betrekking. Artikel 5 lid 1 sub b
AWGB verbiedt het maken van onderscheid naar ras bij het aangaan en het
beëindigen van een arbeidsverhouding.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
direct onderscheid op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB moet ruim worden uitgelegd, overeenkomstig de
definitie in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm
van rassendiscriminatie en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad. Ras omvat tevens: huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming
(Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.).

Van het verbod op onderscheid naar ras mag slechts worden afgeweken als
er sprake is van één van de wettelijke uitzonderingsgronden genoemd in
artikel 2 lid 3 en 4 AWGB, namelijk in geval van voorkeursbeleid ten behoeve
van etnische minderheden of in geval van rasbepaaldheid van de functie.
In dit geval is de uitzondering van artikel 2 lid 3 AWGB relevant. De tekst
van dit artikel luidt als volgt:
“het in deze Wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet, indien
het onderscheid tot doel heeft vrouwen of personen behorende tot een bepaalde
etnische of culturele minderheidsgroep een bevoorrechte positie toe te
kennen ten einde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te verminderen
en het middel in een redelijke verhouding staat tot dat doel”.

4.3. In het onderhavige geval is sprake van de behandeling van de vervulling
van een openstaande betrekking, waarop artikel 5 lid 1 sub a. AWGB van
toepassing is.

4.4. De vraag die vervolgens voorligt is of de etnische afkomst van verzoekster
(mede) een rol heeft gespeeld bij de afwijzing voor de functie van medewerker
documentatie door de wederpartij.

De Commissie rekent het niet tot haar taak om te beoordelen of verzoekster
geschikt is voor de functie, zoals de Commissie in eerdere zaken (Zie onder
meer Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
2 september 1992, oordeel 420-92-50 en 15 september 1992, 414-92-53. Commissie
gelijke behandeling, 5 november 1996, oordeel 96-91 en 19 november 1996,
oordeel 96-102.) ook heeft geoordeeld. De taak van de Commissie is om na
te gaan of er bij de beoordeling van de (mate van) geschiktheid onderscheid
gemaakt is als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
Verzoekster stelt dat de wederpartij haar niet goed duidelijk heeft kunnen
maken waarom zij, nadat zij voor een derde gesprek was uitgenodigd, toch
niet in aanmerking kwam voor de vervulling van de vacature op de afdeling
Documentatie. Door de verwijzing naar vage subjectieve argumenten is bij
haar de indruk ontstaan dat haar afkomst (mede) een rol heeft gespeeld.

De wederpartij stelt dat er van de kant van de wederpartij onvoldoende
vertrouwen was in een goede samenwerkingsrelatie tussen het hoofd van de
afdeling Documentatie en verzoekster.
Ter zitting heeft de wederpartij nader aangegeven waaruit deze twijfels
bestonden. Zij hadden te maken met het feit dat verzoekster tot dusverre
een zelfstandige functie vervulde en nu onder directe leiding van het hoofd
documentatie zou moeten werken. Deze laatste vroeg zich af of dat wel goed
zou gaan, ook omdat de nieuwe functie niet als een echte uitdaging voor
verzoekster gezien kon worden. Mede hierdoor twijfelde zij of zij met verzoekster
een goede samenwerking op zou kunnen bouwen.
Met het oog op de aard van de samenwerking, namelijk in elkaars directe
nabijheid, was men van mening dat de bestaande twijfels een te groot risico
vormden.

De vraag is, of de Surinaamse afkomst van verzoekster hierbij mogelijk
(mede) een rol heeft gespeeld. Verzoekster heeft aangegeven dat tijdens
de sollicitatie-procedure geen aanleiding is geweest om te vermoeden dat
haar afkomst een negatieve factor was bij haar sollicitatie.
Pas bij de mededeling dat zij niet was uitgekozen voor de functie is bij
verzoekster de indruk ontstaan dat haar afkomst (mede) een rol heeft gespeeld,
omdat de wederpartij onvoldoende duidelijkheid wist te verschaffen over
de aard van de bij haar bestaande twijfel.
Op grond van het feit dat verzoeksters afkomst in de sollicitatieprocedure
geen negatieve invloed heeft gehad en op basis van de door de wederpartij
ter zitting nader aangevoerde oorzaken van de bij haar bestaande twijfel,
komt de Commissie tot de conclusie dat hiervan geen sprake is.

4.5. De Commissie constateert evenwel dat de onduidelijkheid omtrent het
door de wederpartij gevoerde personeelsbeleid, met betrekking tot allochtonen,
mede ten grondslag heeft gelegen aan de bij verzoekster ontstane indruk
dat er sprake is van een voorkeursbeleid, op grond waarvan zij kon verwachten
dat zij aangenomen zou worden. De Commissie constateert tevens dat bij
de wederpartij slechts één van de betaalde medewerkers allochtoon is in
de zin van de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen (WBEAA),
terwijl het algemeen bekend is dat er in Amsterdam veel allochtone werkzoekenden
zijn.

Aan het door de wederpartij in advertenties opgenomen streven naar een
multiculturele samenstelling van haar personeelsbestand ligt evenwel geen
uitgewerkt voorkeursbeleid ten grondslag.
Dit kan, zoals ook in het onderhavige geval is gebleken, onnodige verwarring
veroorzaken.
De Commissie beveelt daarom de wederpartij aan nadere uitwerking te geven
aan het in deze te voeren beleid en dit schriftelijk vast te leggen, zodat
er bij de werving naar verwezen kan worden. De Commissie wijst er daarbij
op dat een dergelijk voorkeursbeleid moet voldoen aan de wettelijke criteria.
Daartoe moet voldoende aannemelijk gemaakt worden dat er sprake is van
een feitelijke achterstand van allochtone werkzoekenden. Voorts moet er
in de wijze waarop een voorkeursbeleid wordt gehanteerd sprake zijn van
een redelijke verhouding tussen middel en doel (proportionaliteit) (Commissie
gelijke behandeling, 28 november 1997, oordeel 97-121.).

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Amsterdam jegens
mevrouw (….) te Amsterdam bij de selectie voor de vacature voor een medewerkster
documentatie geen onderscheid naar ras heeft gemaakt als bedoeld in artikel
5 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. A. Kruyt (lid Kamer),dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 19 maart 1998

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De man is polygaam gehuwd. Hij woont met zijn eerste vrouw en kinderen
in Nederland. Daarna scheidt hij van zijn eerste vrouw en verzoekt voor
zijn tweede vrouw en zijn kinderen toelating tot Nederland op basis van
gezinshereniging. In 1995 is het polygamiebeleid verscherpt. Deze aanscherping
van het beleid brengt een onderscheid aan in het toelatingsbeleid tussen
enerzijds een situatie waarin een polygame situatie ten tijde van de aanvraag
is beëindigd en anderzijds de situatie waarin niet polygame huwelijken
elkaar in tijd opvolgen. Een beroep op bescherming van de openbare orde
is onvoldoende om dit onderscheid te rechtvaardigen, omdat niet is aangegeven
waarom gezinshereniging na opheffing van een polygame situatie nog een
inbreuk op of bedreiging van de openbare orde kan vormen. Verweerder dient
opnieuw een besluit te nemen.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Eiseres, geboren op (…) 1958, bezit de Marokkaanse nationaliteit.
Op 14 december 1995 heeft B, de echtgenoot van eiseres, hierna te noemen
referent, ten behoeve van eiseres en vier minderjarige uit hun huwelijk
geboren kinderen verzocht om verlening van een machtiging tot voorlopig
verblijf voor gezinshereniging. Op deze aanvraag is op 7 mei 1996 afwijzend
beslist. Eiseres heeft op 3 juni 1996 een bezwaarschrift ingediend tegen
de afwijzing van de aanvraag. Op 4 december 1996 is dit bezwaar (kennelijk)
ongegrond verklaard.
2. Bij beroepschrift van 20 december 1996, aangevuld bij brief van 7 april
1997, heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank
‘s-Gravenhage, zittinghoudend te Amsterdam. Verweerder heeft de op de zaak
betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift van 24
april 1997 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 juni
1997. Bij de uitspraak van dezelfde datum heeft de rechtbank het onderzoek
heropend omdat zij van oordeel was dat het onderzoek niet volledig was
geweest en zij het van belang achtte dat verweerder zijn standpunt inzake
het polygamiebeleid nader zou onderbouwen. Vervolgens heeft de rechtbank
het beroep ter verdere behandeling verwezen naar de Rechtseenheidskamer.
4. Op 25 augustus 1997 is door de Rechtbank een nader verweerschrift ontvangen.
Bij brief van 11 september 1997 heeft eiseres een nota van repliek aan
de rechtbank toegezonden. De rechtbank heeft die nota evenwel niet ontvangen.
5. Het beroep is opnieuw behandeld ter openbare zitting van 25 september
1997. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder
heeft zich eveneens doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens
was referent ter zitting aanwezig. De rechtbank heeft ter zitting kennis
genomen van de nota van repliek. Verweerder, aan wie eiseres een afschrift
van nota van repliek had toegezonden, was van de inhoud van de nota reeds
eerder op de hoogte.
6. Op 27 november 1997 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat
zij van oordeel was dat het onderzoek niet volledig was geweest. Hetgeen
ter zitting aan de orde was gekomen en hetgeen de rechtbank reeds ambtshalve
bekend was, leidde haar, in combinatie met hetgeen reeds uit de stukken
was gebleken, tot vragen. Die vragen zijn op 27 november 1997 op schrift
gesteld en ter beantwoording aan verweerder toegezonden. Bij brief van
19 december 1997 heeft verweerder de vragen van de rechtbank beantwoord.
Bij brief van 20 januari 1998 heeft eiseres een reactie op de antwoorden
van verweerder aan de rechtbank toegezonden. Partijen hebben desgevraagd
aan de rechtbank bericht er geen bezwaar tegen te hebben dat het beroep
niet opnieuw ter zitting behandeld wordt.

I. Overwegingen

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van
het bezwaar in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende
feiten. Referent is op 5 september 1959 gehuwd met C. Laatstgenoemde kwam
in 1969 met de uit haar huwelijk met referent geboren kinderen naar Nederland.
Op 20 juni 1980 huwde referent met eiseres. Op […] 1981, […] 1984,
[…] 1988 en […] 1990 zijn uit dit huwelijk de kinderen van eiseres
geboren. Op 14 januari 1994 zijn referent en C van echt gescheiden. C en
de uit haar huwelijk met referent geboren kinderen wonen nog steeds in
Nederland. Op 26 januari 1995 kreeg referent de Nederlandse nationaliteit.

3. Eiseres legt aan haar aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig
verblijf en het onderhavige beroep ten grondslag dat zij in aanmerking
komt voor een vergunning tot verblijf voor gezinshereniging met referent.
Zij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat het polygamiebeleid op grond
waarvan haar een machtiging tot voorlopig verblijf is geweigerd, onredelijk
is. Zij heeft voorts aangegeven dat geen rekening is gehouden met de bijzondere
omstandigheden van haar geval. Zij wijst daartoe op het volgende. Het huwelijk
tussen referent en C was, hoewel pas in 1994 ontbonden, al sedert 1977
duurzaam ontwricht. Referent heeft al verder, in 1992, getracht een machtiging
tot voorlopig verblijf te verkrijgen voor eiseres en de uit hun huwelijk
geboren kinderen. Volgens de Vreemdelingendienst in Utrecht zou een aanvraag
geen kans van slagen hebben omdat referent niet beschikte over passende
huisvesting. Vervolgens heeft referent in 1993 alleen voor de oudste zoon
een vergunning tot verblijf verkregen. Bij de Vreemdelingendienst te Utrecht
was bekend dat het een zoon betrof uit haar huwelijk met referent. Gelet
op het voorgaande is bij referent en bij eiseres de verwachting gewekt
dat het geen probleem zou zijn om de rest van het gezin in Nederland toe
te laten zodra er passende huisvesting zou zijn. Eiseres meent voorts dat,
omdat zij reeds in 1992 heeft getracht een machtiging tot voorlopig verblijf
te verkrijgen, haar aanvraag getoetst moet worden aan het toen geldende
polygamiebeleid, beschreven in hoofdstuk B19 van de Vreemdelingencirculaire
1982, inhoudende dat na ontbinding van een huwelijk polygamie niet langer
aan de overblijvende echtgenote wordt tegengeworpen. Eiseres heeft er voorts
op gewezen dat referent ernstige gezondheidsklachten heeft en in toenemende
mate aangewezen zal zijn op verzorging door eiseres in Nederland, zodat
er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard om haar verblijf
toe te staan. Eiseres meent daarnaast dat de weigering haar verblijf in
Nederland toe te staan in strijd
is met het in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) genoemde recht
op respect voor het familie- of gezinsleven. Omdat referent de Nederlandse
nationaliteit bezit en voor zijn medische behandeling is aangewezen op
Nederland kan van hem niet gevergd worden dat hij zich definitief in Marokko
zal vestigen, zodat hij en zijn echtgenote voor het uitoefenen van zijn
recht op gezinsleven op Nederland zijn aangewezen. Eiseres heeft tenslotte
aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat haar bezwaar
kennelijk ongegrond is en dat verweerder het horen niet op grond van artikel
7:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb) achterwege had mogen laten. Zij eist
naast gegrondverklaring van het beroep schadevergoeding, in ieder geval
bestaande uit de in bezwaar gemaakte kosten voor rechtsbijstand.

4. Verweerder heeft gesteld dat aan eiseres terecht het polygamiebeleid
genoemd in de Vreemdelingencirculaire 1994 is tegengeworpen omdat eerst
op 14 december 1995 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf
is ingediend voor haar en de bij haar verblijvende kinderen. Verweerder
wijst er evenwel op dat de bedoeling van het polygamiebeleid, waarvan de
formulering per 17 september 1993 en per 13 april 1995 is veranderd, steeds
is geweest dat gezinshereniging in beginsel slechts met één vrouw en de
uit haar geboren kinderen mogelijk is; dat de keuze van de in Nederland
verblijvende echtgenoot eenmalig en definitief is. Als het huwelijk met
de echtgenote van zijn keuze door echtscheiding of overlijden eindigt,
komt de andere echtgenote met haar kinderen niet alsnog voor toelating
in aanmerking. De wijziging in de tekst van het polygamiebeleid per 17
september 1993 en per 13 april 1995 moeten dan ook worden gezien als redactioneel
verduidelijkingen, niet als een aanscherping van het beleid. Ook op grond
van het beleid dat gold bij de eerdere aanvraag in 1992 zou aan eiseres
een machtiging tot voorlopig verblijf zijn geweigerd. Verweerder heeft
voorts gesteld dat voor de oudste zoon van eiseres weliswaar op 30 september
1992 een vergunning tot verblijf is aangevraagd, maar dat daarop nimmer
is beslist. Vervolgens heeft de zoon, na illegale binnenkomst, op 17 oktober
1996 zelf verzocht om een vergunning tot verblijf, waarna aan hem abusievelijk
een zogenaamd c-document is verstrekt. Er kan derhalve geen sprake van
zijn dat door de handelwijze van de Vreemdelingendienst Utrecht gerechtvaardigde
verwachtingen zijn gewekt ten aanzien van de toelating van eiseres. Verweerder
heeft er ten slotte op gewezen dat de medische toestand van referent evenmin
aanleiding kan vormen om aan eiseres verblijf toe te staan. Klemmende redenen
van humanitaire aard moeten liggen bij de persoon die zich in het buitenland
bevindt, niet bij degene die reeds in Nederland verblijft.

5. Ingevolge artikel 33d Vreemdelingenwet (Vw) worden beschikkingen omtrent
de afgifte van visa of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens
het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke
voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met beschikkingen aangaande
toelating, gegeven op grond van deze wet.

6. De verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf kan, evenals
een vergunning tot verblijf, ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw aan een
vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.
De gronden voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf door
de Minister van Buitenlandse Zaken zijn gelijk aan die voor afgifte van
een vergunning tot verblijf door de Staatssecretaris van Justitie (Vreemdelingencirculaire
1994 onder A4/5.1).

7. De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings-
en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van artikel
11, vijfde lid, Vw een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen -behoudens
verplichtingen voortvloeiend uit internationale overeenkomsten- slechts
voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien
met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend
of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard. In het
kader hiervan heeft de Staatssecretaris van Justitie ook beleid geformuleerd
inzake aanvragen om gezinshereniging.

8. Niet is gebleken dat met het verblijf van eiseres en haar kinderen in
Nederland een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend.

9. Voor een vergunning tot verblijf voor gezinshereniging komen in aanmerking
de echtgeno(o)t(e) en minderjarige kinderen van een Nederlander of een
vreemdeling die is toegelaten op grond van artikel 9 of 10 Vw, mits is
voldaan aan een aantal algemene en bijzondere voorwaarden.

10. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de aanvraag van eiseres
beoordeeld moet worden op grond van het beleid zoals dat gold ten tijde
van die aanvraag. Dat referent eerder een poging heeft ondernomen een aanvraag
om een machtiging tot voorlopig verblijf in te dienen doet hieraan niet
af. Niet gebleken is immers dat referent op grond van onjuist handelen
of onjuiste informatie van de zijde van verweerder of de vreemdelingendienst
in 1992 van het indienen van een aanvraag heeft afgezien.

11. In de Vreemdelingencirculaire 1994 B1/1.2.1 is als weigeringsgrond
voor toelating voor gezinshereniging het zogenaamde polygamiebeleid opgenomen.
Sedert 13 april 1995 luidt dit beleid als volgt. ‘In alle gevallen waarin
sprake is of is geweest van een polygame situatie, kan er maar één vrouw
en de uit haar geboren minderjarige kinderen worden toegelaten tot Nederland.
Voor andere vrouwen waarmee ooit een polygame situatie is geweest en de
uit haar geboren kinderen geldt dat zij niet in aanmerking kunnen komen
voor toelating, ook niet als ten tijde van hun komst naar Nederland nog
slechts sprake is van één huwelijk. Ook indien de in Nederland verblijvende
hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, wordt geen
verblijf toegestaan aan de wettelijke echtgenote en de eventuele andere
gezinsleden.’

12. Voordien was het polygamiebeleid blijkens aanvulling 8 van de Vreemdelingencirculaire
1994, ingevoerd in januari 1994, in de volgende bewoordingen weergegeven.
‘Indien degene bij wie verblijf wordt beoogd met meer dan één vrouw is
gehuwd, geldt als regel dat slechts één vrouw en de uit haar geboren minderjarige
kinderen kunnen worden toegelaten. Nadat een echtgenote (met eventuele
kinderen) is toegelaten, kan niet na verloop van tijd de tweede echtgenote
naar Nederland komen, ook niet als de eerste echtgenote (met eventuele
kinderen) uit Nederland is vertrokken. Ook indien de in Nederland verblijvende
hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, wordt geen
verblijf toegestaan aan de wettelijke echtgenote en eventuele andere gezinsleden.’
Deze formulering, die toelating op grond van het polygamiebeleid niet uitsluit
indien de polygame situatie door ontbinding van een huwelijk is opgeheven,
wijkt zozeer af van de formulering van het polygamiebeleid die sedert 13
april 1995 in de Vreemdelingencirculaire is opgenomen, dat de rechtbank
verweerder niet kan volgen in zijn stelling dat met beide formuleringen
niettemin hetzelfde is bedoeld en dat in de oude formulering hetzelfde
moet worden gelezen als in de formulering van 13 april 1995. De tekstuele
wijziging van het polygamiebeleid van 13 april 1995 is dus naar het oordeel
van de rechtbank tevens een materiële beleidswijziging die een beperking
inhoudt van de mogelijkheden tot gezinshereniging.

13. De rechtbank constateert dat deze aanscherping van het beleid tot gevolg
heeft dat na een eerder tot stand gekomen gezinshereniging met een referent
ieder van gezinshereniging wordt uitgesloten, die ooit in een polygame
relatie tot dezelfde referent heeft gestaan of uit een polygame relatie
met die referent is geboren, ook als ten tijde van de aanvraag van een
polygame situatie geen sprake meer is. Deze aanscherping van het beleid
brengt voorts een onderscheid aan in het toelatingsbeleid tussen enerzijds
een situatie waarin een polygame situatie ten tijde van de aanvraag is
beëindigd en anderzijds de situatie waarin niet-polygame huwelijken elkaar
in de tijd opvolgen. In beide situaties betreft het een referent gehuwd
met één echtgenote, en is het mogelijk dat een eerdere echtgenote in het
kader van gezinshereniging met referent in Nederland is toegelaten. In
beide situaties kan voor het overige wel worden voldaan aan de voorwaarden
voor het gezinsherenigingsbeleid. Verweerder dient naar het oordeel van
de rechtbank te motiveren waarin het genoemde onderscheid zijn rechtvaardiging
vindt.

14. De rechtbank heeft daarom in haar brief van 27 november 1997 aan verweerder
het volgende geschreven. ‘Zoals uit de uitspraak van heden in de zaak AWB
97/8617 VRWET blijkt, is de rechtbank van oordeel dat de wijziging van
13 april 1995 in de formulering van het polygamiebeleid in de Vreemdelingencirculaire
1994 (Hoofdstuk B7/17.1) een aanscherping van het beleid betekent. Anders
dan vóór 13 april 1995 sluit de nieuwe formulering immers na een gerealiseerde
gezinshereniging ieder van gezinshereniging uit, die ooit in een polygame
relatie tot referent heeft gestaan of uit een polygame situatie is geboren,
ook als van een polygame situatie ten tijde van de aanvraag geen sprake
meer is. De rechtbank stelt vast dat door deze aanscherping een onderscheid
ontstaat in het toelatingsbeleid ten aanzien van enerzijds een in het verleden
met referent bestaand hebbende – maar inmiddels beëindigde – situatie van
polygamie en anderzijds een situatie waarin huwelijken elkaar in tijd opvolgen.
De rechtbank is voorshands van oordeel dat deze aanscherping van het beleid
niet voldoende gemotiveerd kan worden met alleen een verwijzing naar het
belang van bescherming van de openbare orde, waar door u in de onderhavige
procedure veel nadruk op is gelegd.
Het belang van het Nederlands economisch welzijn als motivering voor het
beleid is eerst op de zitting door u aan de orde gesteld. De gemachtigde
van de vreemdeling heeft dus slechts in beperkte mate de gelegenheid gehad
daarop te reageren. Bovendien heeft dit punt bij de rechtbank vragen opgeroepen,
die ter zitting niet aan de orde zijn gesteld.

Meer in het bijzonder wenst de rechtbank met betrekking tot de aanscherping
van het beleid een antwoord op de volgende vragen.
1. Welk aan het Nederlands economisch welzijn ontleend belang noopt er
toe om, nadat reeds eerder een echtgenote en/of de uit haar huwelijk met
referent geboren minderjarige kinderen is toegelaten, bij toelating van
een tweede echtgenote en/of haar kinderen onderscheid te maken tussen enerzijds
een in het verleden met referent bestaand hebbende – maar inmiddels beëindigde
– situatie van bigamie/polygamie en anderzijds een situatie waarin huwelijken
elkaar in tijd opvolgen?'(…)

15. Verweerder heeft op die vraag als volgt geantwoord: ‘De grondslag van
het in de Vreemdelingencirculaire weergegeven polygamiebeleid moet voornamelijk
gezocht worden in de openbare orde aspecten. Daarbij dient overigens wel
bedacht te worden dat bij de vormgeving van het restrictieve toelatingsbeleid
het Nederlands economisch welzijn altijd gewicht in de schaal legt. In
die zin speelt bij de formulering van het polygamiebeleid het Nederlandse
economisch welzijn eveneens een rol.
In de discussie in het kader van art. 8 EVRM, in zaken waarin polygame
situaties aan de orde zijn, speelt naast het openbare orde argument het
aan het Nederlands welzijn ontleende belang eveneens een rol. De toenmalige
ARRS oordeelt in haar uitspraak van 3 juli 1990 (RV 90, 25)dat een inmenging
in de zin van art. 8, lid 2 EVRM gerechtvaardigd is (volgens de huidige
jurisprudentielijn zou gesproken worden van de afwezigheid van een positieve
verplichting) omdat ‘het onderscheid dat verweerder in zijn toelatingsbeleid
maakt tussen kinderen uit monogame en kinderen uit polygame huwelijken
(…) het belang [dient] gelegen in het economisch welzijn van Nederland’.

Naast het openbare orde belang, dat dus primair ten grondslag heeft gelegen
aan het polygamiebeleid, is het Nederlands economisch welzijn in het kader
van de afweging die in verband met art. 8 EVRM dient te worden gemaakt
dus wel degelijk een factor waar belang aan gehecht moet worden.

Verder wijs ik er op dat een beleid dat de overkomst naar Nederland van
een tweede gezin na beëindiging van de polygame situatie met het eerste
reeds overgekomen gezin in beginsel mogelijk zou maken, gemakkelijk zou
kunnen leiden tot misbruik. De in Nederland verblijvende hoofdpersoon zou
er in eerste instantie voor kunnen kiezen met zijn eerste vrouw (en kinderen)
hier te lande te verblijven. Vervolgens zou hij na echtscheiding met de
eerste vrouw de weg vrij kunnen maken voor zijn tweede gezin. Als het verblijf
in Nederland van de eerste echtgenote staande huwelijk lang genoeg geduurd
heeft, zou de eerste echtgenote mogelijk na beëindiging van het huwelijk
voor zelfstandig verblijf in Nederland in aanmerking kunnen komen.
Overigens zouden eventuele voorkinderen in de in vraag 1 bedoelde situatie
vermoedelijk niet voor toelating in aanmerking komen op grond van het beleid
nu zij in de daar aan de orde gestelde casus waarschijnlijk niet feitelijk
behoren tot het in Nederland verblijvende gezin van de vader (of moeder).
In die zin zal de positie van de voorkinderen niet anders zijn dan die
van de in een polygame situatie geboren kinderen. Dit verschil doet zich
vanzelfsprekend wel voor als de voorkinderen voor de komst naar Nederland
reeds feitelijk behoorden tot het gezin van de vader (of moeder). In dat
geval is er echter wel een duidelijk onderscheid in de gezinssituatie van
de voorkinderen enerzijds en de in polygamie levende kinderen anderzijds
te onderkennen. De voorkinderen zullen immers deel uitmaken van het gezin
van hun vader en stiefmoeder (of moeder en stiefvader). De kinderen die
geboren zijn in een polygame situatie zullen veelal in het land van herkomst
in een polygaam gezin (met twee of meer echtgenotes) zijn opgenomen.’

16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met dit antwoord het onderscheid
tussen de in rechtsoverweging 13 aangeduide situaties, dat sinds 13 april
1995 op grond van het sedert die datum geldende beleid wordt gemaakt, op
onvoldoende wijze heeft gerechtvaardigd.

17. De rechtbank overweegt daartoe op de eerste plaats dat het beroep op
bescherming van de openbare orde onvoldoende is om het bedoelde onderscheid
te rechtvaardigen. De aanscherping van het beleid ziet immers op gevallen,
als het onderhavige, waarin op het moment van de aanvraag geen sprake meer
is van een polygame situatie. Verweerder heeft niet aangegeven waarom gezinshereniging
na opheffing van de polygame situatie nog een inbreuk op of bedreiging
van de openbare orde kan vormen. De rechtbank wijst er in dit verband op
dat na opheffing van de polygame situatie deze in de Nederlandse rechtsorde
meestal geen betekenis meer heeft. Zo kan het overgebleven huwelijk voor
andere regelingen en voor opname in het register van de burgerlijke stand
als monogaam en rechtsgeldig worden aangemerkt en is het polygame verleden
van referent hem bij zijn naturalisatie niet tegengeworpen.

18. De rechtbank is voorts van oordeel dat de bescherming van het economisch
welzijn, door verweerder aangegeven als algemeen uitgangspunt voor het
door hem gevoerde restrictieve toelatingsbeleid, niet kan gelden als voldoende
motivering voor de aanscherping van het polygamiebeleid. Met name is in
de door verweerder gegeven onderbouwing onduidelijk gebleven waarom op
grond van dat algemene uitgangspunt aan een situatie van inmiddels beëindigde
polygamie een andere betekenis moet toekomen dan aan de situatie van na
elkaar gesloten niet-polygame huwelijken.

19. Verweerder heeft bij de beantwoording van de in rechtsoverweging 14
aangehaalde vraag van de rechtbank nog medegedeeld dat het beleid zoals
door verweerder gevoerd, noodzakelijk is wegens gevaar voor misbruik. Verweerder
heeft dat gevaar voor misbruik echter niet onderbouwd met bijvoorbeeld
cijfers waaruit dat misbruik zou kunnen blijken. De rechtbank is voorts
van oordeel dat het door verweerder genoemde gevaar voor misbruik zich
evenzeer voordoet bij na echtscheiding opvolgende huwelijken, zodat dit
argument onvoldoende onderscheidend vermogen heeft. Voorts dient voor het
opstellen van beleid enkel ter voorkoming van misbruik, een zwaarwegende
en concrete grond aanwezig te zijn, wanneer zulk beleid ook vergaande consequenties
heeft voor gevallen waarin gevaar voor misbruik niet aanwezig is, zoals
bijvoorbeeld – in het door verweerder geschetste geval – wanneer aan de
polygame situatie een einde komt door het overlijden van een van de echtgenotes.
Zo’n zwaarwegende en concrete grond wordt in verweerders antwoord van 19
december 1997 niet vermeld.

20. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verweerder zich niet met
vrucht kan beroepen op de door hem aangehaalde uitspraak van de Afdeling
Rechtspraak van de Raad van State van 3 juli 1990 (RV 90, 25). Het betrof
in dat geval immers een aanvraag om toelating van kinderen uit een niet-beëindigde
polygame relatie. Dat de Afdeling het onderscheid tussen zodanige kinderen
en uit een monogame situatie geboren kinderen gerechtvaardigd achtte, heeft
geen betekenis voor de onderhavige situatie, waarin ten tijde van de aanvraag
van een polygame situatie geen sprake (meer) was.

21. Omdat er door verweerder derhalve geen gronden zijn aangevoerd die
in redelijkheid voldoende toereikend kunnen worden geacht om het onderscheid
te rechtvaardigen dat verweerder met de aanscherping van het beleid per
13 april 1995 in het leven heeft geroepen, kan naar het oordeel van de
rechtbank dit aangescherpte beleid niet aan besluiten inzake gezinshereniging
ten grondslag worden gelegd. Aangezien verweerder zijn besluit eiseres
en haar minderjarige kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te
weigeren heeft gebaseerd op het polygamiebeleid zoals dat geldt sedert
de wijziging van 13 april 1995 en omdat toetsing aan het beleid zoals voordien
geformuleerd naar het oordeel van de rechtbank evenmin tot een weigering
kan leiden, berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering.
Het beroep is mitsdien gegrond en het bestreden besluit dient te worden
vernietigd.

22. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding, in ieder geval bestaande
uit de in bezwaar gemaakte kosten voor rechtsbijstand. De rechtbank acht
geen termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel
8:73 Awb te veroordelen tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.
De procedure in bezwaar (evenals die in administratief beroep) is met name
gericht op bestuurlijke heroverweging van een besluit en derhalve ook op
herstel van gemaakte fouten.

Gegeven dat karakter is in de geschiedenis van de totstandkoming van de
wet van 16 december 1993, Stb. 650, tot uitdrukking gebracht dat de in
een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in de regel voor rekening
van de belanghebbende moeten blijven en slechts bij wijze van uitzondering
voor vergoeding in aanmerking komen. Daarvan kan sprake zijn indien de
primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont, dat gezegd
moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig
primair besluit heeft genomen. Voor bezwaar en administratief beroep is
dat niet anders. In het onderhavige geval kan niet gezegd worden dat verweerder
tegen beter weten in een onrechtmatig besluit jegens eiseres heeft genomen,
zodat er geen aanleiding is om de in het kader van het bezwaar gemaaktekosten
aan eiseres te vergoeden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 januari 1995, kenmerk
ABW 1994/248, AB 1995, nr. 233. De rechtbank ziet ook anderszins geen aanleiding
voor het toekennen van een schadevergoeding nu eiseres niet heeft aangegeven
waaruit de schade, anders dan de in bezwaar gemaakte kosten, bestaat.

23. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing
van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte
proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit
proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ 2485,= (1 punt voor het beroepschrift;
0,5 punt voor het indienen van repliek en 2 punten voor het verschijnen
op de zitting op 18 juni 1997 en op 25 september 1997; waarde per punt
ƒ 710,= en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging
is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel
8:75, tweede lid, Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

24. De rechtbank wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb
de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eiseres het betaalde
griffierecht ad ƒ 200,= dient te vergoeden.

III. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage,
Rechtdoende:
1. verklaart het beroep gegrond;
2. vernietigt het bestreden besluit;
3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 2485,= onder verwijzing
van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken) als rechtspersoon
die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;
5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiseres
betaalde griffierecht ad ƒ 200,= vergoedt.
(…)

Rechters

Mrs Claessens, De Groot, Van Bennekom