20 mei 2022 – Conferentie over verbetering van wetgeving tegen seksuele intimidatie op het werk

Mirjam Decoz en Alie Kuiper organiseren een conferentie over een goede ratificatie van  ILO-Verdrag 190 inzake uitbanning van geweld en intimidatie op de werkvloer en het verbeteren van de wetgeving tegen seksuele intimidatie op het werk. De conferentie is een vervolg op de, ook door de VVR getekende, petitie voor verbetering van wetgeving op dit terrein. De petitie is op 8 februari j.l  aangeboden aan Karien van Gennip, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De conferentie vindt plaats in de Burcht in Amsterdam op vrijdagmiddag 20 mei 2022, van 13.30 – 16.45 uur. Na afloop is er gelegenheid na te praten met een hapje en een drankje.

Kosten voor deelname bedragen € 27,25 ex. BTW. Een digitale reader is beschikbaar ter voorbereiding. Meer informatie over programma en wijze van aanmelding: Conferentie over verbetering van wetgeving tegen seksuele intimidatie op het werk_20 mei 2022

E. Cremers-Hartman – Noot bij HvJ EU 24 februari 2022, nr. C-389/20, JAR 2022/90

Huishoudelijk werkers die bij een particulier thuis werken, hebben wereldwijd te maken met beduidend minder sociaalrechtelijke bescherming dan andere werknemers. Doorgaans gaat het hierbij om vrouwen. In 2011 is ILO-verdrag 189 inzake fatsoenlijk werk voor ‘domestic workers’ tot stand gebracht om hier iets aan te doen. Dit verdrag is door Nederland ondertekend maar niet geratificeerd, omdat de Regeling dienstverlening aan huis dan zou moeten worden afgeschaft (Kamerstukken II 2012/13, 29544, nr. 425, p. 8), waarvoor geen meerderheid bestond.

Deze regeling geldt hoofdzakelijk voor werknemers die in dienst van een particuliere werkgever huishoudelijk en/of verzorgend werk verrichten op minder dan vier dagen bij die particulier thuis. De regeling geldt ook voor zorgverlening waarvoor de overheid een persoonsgebonden budget (pgb) verstrekt aan de particuliere werkgever.

Het arbeidsrecht plaatst deze werknemers in een uitzonderingspositie:
– loon bij ziekte slechts gedurende zes weken (art.7:629 lid 2 BW)
– geen preventieve ontslagtoets (art.7: 671 lid 1 sub d BW)
– beperkter recht op informatie (art. 7:655 lid 4 BW)
– geen recht op girale betaling van het minimumloon (art. 7a lid 2 WML).
Het reguliere arbeidsrecht is wel volledig van toepassing als geen uitzonderingsbepaling geldt.

Voor de verplichte wettelijke sociale zekerheid geldt een categorale uitsluiting van deze werknemers. Ook vallen zij niet onder de werkingssfeer van de Wet Loonbelasting. Zie uitgebreid: E. Cremers-Hartman, De (deeltijdtijd) huishoudelijk werker en de particuliere zorgverlener, in: G.W. van der Voet (red.), Arbeidsrechtelijke themata – Bijzondere arbeidsverhoudingen, Boomjuridisch 2021.

De uitzonderingspositie van deze werknemers – meer dan 90 procent vrouwen – staat op gezette tijden ter discussie. Ook het onderhavige arrest van het HvJ EU zal stof doen opwaaien. Voor het eerst is geoordeeld dat de uitsluiting van huishoudelijk personeel van een werkloosheidsregeling in strijd is met het verbod op indirecte discriminatie van richtlijn 79/7/EEG.

Het Hof heeft op goede gronden de door de Spaanse regering en de uitvoeringsinstantie TGSS aangevoerde argumenten afgewezen als objectieve rechtvaardiging van deze uitsluiting. De Spaanse rechter heeft daarmee duidelijke aanwijzingen voor het vellen van het definitieve oordeel. Het Hof had echter een scherpere veroordeling kunnen uitspreken door zich aan te sluiten bij de objectieve rechtvaardigingstoets in de Conclusie in deze zaak van A-G Szpunar (ECLI:EU:C:2021:177). De A-G gaat namelijk uitgebreid in op de vraag of aan de uitsluiting een legitiem doel ten grondslag ligt, maar het Hof onderzoekt die vraag niet grondig.

De objectieve rechtvaardigingstoets, zoals toegepast in deze zaak, bestaat uit twee deelvragen:
1. Is sprake van een legitiem doel voor de wettelijke regeling waarmee het huishoudelijk personeel wordt uitgesloten?
2. Is de uitvoering van deze voor vrouwen benadelende regeling geschikt en noodzakelijk om legitiem te achten doelen te bereiken?

De eerste vraag kan volgens de A-G negatief worden beantwoord. Daarbij is opgemerkt dat lidstaten niet kunnen volstaan met louter een opsomming van enkele doelstellingen van sociaal beleid. Het Hof accepteert dat echter wel, terwijl in de jurisprudentie herhaaldelijk is geoordeeld dat algemene verklaringen onvoldoende zijn als legitimering (bijv. Kutz-Bauer, JAR 2003/130 en Steinicke, JAR 2004/16).

De A-G constateert vervolgens dat genderstereotyperingen ten grondslag liggen aan rechtvaardigingen die gebaseerd zijn op kenmerken van de beroepsgroep (laaggeschoolde werknemers die het minimumloon ontvangen) of kenmerken van hun werkgevers (gezinshoofden). TGGS heeft betoogd dat, mocht huishoudelijk personeel bescherming genieten tegen het risico van werkloosheid, het voor deze werknemers ”interessanter” zou zijn om “perioden van arbeid af te wisselen met perioden van rust die recht geven op een werkloosheidsuitkering, hetgeen fraude in de hand kan werken”. De A-G stelt dat als dit frauderisico daadwerkelijk samenhangt met die kenmerken, de logica gebiedt dat alle laaggeschoolde werknemers met minimumloon worden uitgesloten van de werkloosheidsuitkering. Hetgeen niet het geval is.

De uitsluiting van de werkloosheidsregeling acht de Spaanse regering gerechtvaardigd omdat het werkloosheidsrisico binnen deze vrouwensector gering zou zijn. Voorts zou de toegang tot een werkloosheidsregeling leiden tot kostenverhoging en ‘dus’ tot een toename van illegale arbeid. Volgens de A-G resulteert de uitsluiting daarentegen in een versterking van traditionele rolpatronen, temeer omdat dit de structureel zwakkere positie van huishoudelijk werkers misbruikt en de waarde van hun werk miskent.

De A-G concludeert dat de doelstellingen neigen naar discriminatie op grond van geslacht en dus niet legitiem zijn. De wettelijke bepaling moet derhalve buiten toepassing blijven. Hij laat het hier niet bij maar reikt ook bouwstenen aan voor het beantwoorden van de tweede hoofdvraag van de objectieve rechtvaardigingstoets.

Het Hof oordeelt echter dat in beginsel sprake is van legitieme doelstellingen van sociaal beleid, ondanks de genoemde bezwaren. Bij het antwoord op de tweede hoofdvraag speelt de conclusie van de A-G wel een duidelijke rol. Bij het oordeel dat de wettelijke bepaling niet geschikt is om de beoogde doelstellingen te bereiken, overweegt het Hof dat de uitsluiting van alleen huishoudelijk personeel in meerdere opzichten geen coherent en systematisch beleid vormt. Dit aspect had de A-G al betrokken bij diens oordeel dat de doelstelling niet legitiem is.

Het onderhavige arrest en de conclusie van de A-G zijn ook van groot belang voor de beoordeling van de Regeling Dienstverlening aan huis. De uitspraak van Rechtbank Rotterdam van december 2021 over deze regeling moet daarbij worden betrokken. De rechtbank oordeelde dat de uitsluiting van de sociale zekerheid van werknemers die als PGB-zorgverlener werkzaam zijn, in strijd is met art. 4  Richtlijn 79/7/EEG omdat deze uitsluiting niet objectief gerechtvaardigd is en indirect discriminerend voor vrouwen (USZ 2022/3, nt. G. C. Boot). Deze zaak krijgt nog een vervolg vanwege het aangetekende hoger beroep.

De bovenomschreven uitsluitingen van huishoudelijk personeel zijn van oudsher beargumenteerd met de stelling dat dat deze werknemers geen behoefte hebben aan dergelijke voorzieningen omdat sprake is van een bijbaantje. Dit is een evident discriminatoir argument en dus niet legitiem. Rechtbank Rotterdam overweegt dat het gebruikte behoefte-argument eigenlijk niet zo bedoeld zal zijn. Dit zou tegen de tijdsgeest ingaan (sic). Arbeidsmarkt-argumenten die pleiten voor de uitsluiting, sneuvelen vaak bij de eerste stap van de objectieve rechtvaardigingstoets omdat ze te algemeen zijn en vaak haaks staan op de beschermingsgedachte. Het administratieve lasten-argument keert ook telkens terug. Van oudsher stond daarbij de ‘eenvoudige’ huisvrouw model als werkgever.

Er is nog veel werk aan de winkel. Het scheelt dat meerdere EU-lidstaten voor betere oplossingen hebben gekozen die als voorbeeld kunnen dienen. Zie  ‘De toekomst van deeltijd huishoudelijk en verzorgend personeel’, § 14,7 in de hiervoor genoemde uitgave Bijzondere arbeidsverhoudingen en het SER-rapport, Verkenning Markt voor persoonlijke dienstverlening in internationaal perspectief: varianten en denkrichtingen, juli 2020.

Malva Driessen – Huishoudelijke hulp: wel werknemer, geen WW. Pyrrusoverwinning?, noot TRA 2022/36

In een noot bij de uitspraak van Rechtbank Rotterdam van 16 december 2021 over de uitsluiting van PGB-zorgverleners van sociale zekerheid betoogt Malva Driessen dat de rechtbank ten onrechte de Gelijkstellingsregeling Arbeidsuren en het Besluit gemiddeld aantal arbeidsuren uitzendkrachten en gelijkgestelde werknemers (Besluit GAA) niet bij haar overwegingen betrokken heeft.
Had de rechtbank dit wel gedaan dan was de door de zorgverlener opgenomen vakantie meegeteld als (vakantie)dagen waarover loon was betaald. Dan had de PGB-zorgverleenster wel voldaan aan de referte-eis (in 26 weken gewerkt te hebben van de 36 weken direct voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag).

TRA 202236 Huishoudelijke hulp wel werknemer, geen WW. Pyrrusoverwinning

EHvJ: uitspraak in Spaanse zaak over uitsluiting huishoudelijk personeel van werkloosheidsuitkering

Op 24 februari 2022 is het arrest van het Hof van Justitie van de EU over de uitsluiting van Spaans huishoudelijk personeel van werkloosheidsuitkeringen gepubliceerd (C-389/20).
Het HvJ EU acht de uitsluiting niet in overeenstemming met de derde gelijke behandelings richtlijn: 79/7/ EEG (gelijke behandeling in de wettelijke sociale zekerheid).

In Spanje geldt een specifieke regeling voor huishoudelijk personeel: ze vallen wel onder het sociale zekerheidsstelsel, maar niet onder de regeling voor werkloosheidsuitkeringen.
Het HvJ EU vond dat de wettelijke bepaling ter zake valt onder de werkingssfeer van richtlijn 97/7/EEG valt die discriminatie op grond van geslacht in de wettelijke sociale zekerheid verbiedt..
Ruim 95% van het huishoudelijk personeel bestaat uit vrouwen in Spanje. Daarmee is het vermoeden van indirecte discriminatie aannemelijk, tenzij sprake is van rechtvaardiging door objectieve factoren, die niets met discriminatie van geslacht te maken hebben. Dan moet de bepaling een legitieme doelstelling van sociaal beleid hebben, én geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.
Het HvJ acht de doelstellingen in beginsel legitiem, maar niet geschikt, in de zin van coherent en stelselmatig toegepast): ook andere categorieën werknemers die wel de uitkeringen ontvangen, hebben vergelijkbare kenmerken en arbeidsomstandigheden. Het is aan de verwijzende rechter om een en ander te beoordelen. Wel wijst het HvJ er nog op dat zelfs als de verwijzende rechter de doelstellingen van de bepaling legitiem acht en de middelen geschikt deze nog moet nagaan of de bepaling niet verder gaat dan noodzakelijk om de doelstelling te bereiken. Volgens het HvJ leidt de uitsluiting tot een groter gebrek aan sociale bescherming en daarom is de bepaling niet noodzakelijk om de doelstellingen te bereiken. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter acht het HvJ EU het uitsluiten van de werkloosheidsuitkering van de sociale zekerheidsuitkeringen die aan huishoudelijk personeel worden toegekend in strijd met art. 4 lid 1 van richtlijn 79/7/EEG.

Advocaat Generaal Szpunar ging een stap verder: die gaat uitgebreid in op de vraag of aan de uitsluiting een legitiem doel ten grondslag ligt. De A-G vindt van niet en merkt daarbij op dat lidstaten niet kunnen volstaan met louter een opsomming van enkele doelstellingen van sociaal beleid zie ook Kutz-Bauer (C-187/00) en Steinicke (C-77/02).

Eva Cremers schreef een annotatie in JAR (2022/90) die al online staat.
Anja Eleveld schreef een artikel in Tijdschrift voor Arbeidsrecht in Context (jaargang 11 – oktober 2022): ‘Huishoudelijke werkers in de particulieren huishouding gelijk behandeld met andere werknemers?’

Nieuwsbrief februari 2022

Uitsluiting PGB-zorgverleners van sociale zekerheid is verboden discriminatie!
De Rechtbank Rotterdam deed in de week voor kerst een opzienbarende uitspraak in een langlopend principieel dossier: de uitsluiting van huishoudelijk personeel in het sociaal recht. PGB-zorgverlener Carol Kollmann had zich in 2020 tot de VVR gewend, omdat ze graag de door de VVR uitgegeven handboeken over de rechtspositie van huishoudelijk personeel wilde gebruiken in haar procedures tegen het UWV. Kollmann wilde erkenning (registratie) van haar ene PGB-baan als arbeidsverleden voor de sociale zekerheid. Van haar andere PGB-baan, waarvoor wel premies waren ingehouden, werd ze werkloos na zeven maanden, omdat haar cliënte in een verzorgingstehuis terecht kwam. Maar het UWV wees haar WW-aanvraag af.
Gesteund door Bureau Clara Wichmann, Houthoff Pro Bono en de VVR, die een juridische steungroep vormde, heeft Kollmann nu van Rechtbank Rotterdam in de principiële zaak gelijk gekregen. Uitsluiting van PGB-zorgverleners van sociale zekerheid levert verboden discriminatie van vrouwen op. Inmiddels is duidelijk dat deze principiële zaak beoordeeld zal worden door de Centrale Raad van Beroep. Het UWV heeft hoger beroep aangetekend.

Telt vakantie mee voor de wekeneis in de WW?
De rechtbank vond echter dat Kollmann geen WW toekwam omdat ze niet in voldoende weken gewerkt zou hebben (25 in plaats van de vereiste 26). Daar is namens Kollmann hoger beroep tegen aangetekend. Vakantieverlof dient te worden meegeteld, ook als de betaling van het verlof via een toeslag van 7,69% in de maandelijkse uitbetaling van gewerkte uren was geregeld. Zo’n zogenaamd all-in uurloon komt veel voor bij flexwerk met grote wisselingen in het aantal te werken uren; vrouwen zijn oververtegenwoordigd in deze groepen werknemers. De SVB neemt het standaard op in de zorg/arbeidsovereenkomst bij PGB. Het zou van de zotte zijn als flexwerkers hun wettelijk recht op vakantie niet kunnen genieten omdat ze daarmee WW-rechten zouden verspelen. Zo bezien is ook dit een principiële zaak.

Oproep: versterking werkgroep naamrecht
Bij de versoepeling van het naamrecht in de jaren negentig (ouders mochten gaan kiezen tussen vaders- of moedersnaam) werd een vangnetbepaling gemaakt: geen keuze of overeenstemming  ? Dan de naam van de vader. Directe seksediscriminatie dus, sindsdien al decennialang een zeurende kwestie – zie hier een link naar het VVR-dossier. CEDAW heeft al een paar keer onderstreept dat de Nederlandse wetgeving niet strookt met het VN-Vrouwenverdrag. Met het in 2021 ingediende wetsvoorstel introductie gecombineerde geslachtsnaam wordt het mogelijk de vangnetbepaling sekseneutraal te maken. Eind januari moest de inbreng voor het verslag ingeleverd worden (zie het commentaar van de Joke Smit stichting). Het bestuur heeft besloten een tijdelijke VVR-werkgroep naamrecht op te richten. Kom jij die versterken om de Kamerleden uit te leggen hoe ze het wetsvoorstel zo kunnen amenderen dat deze zeurende kwestie de wereld uit gaat? Aanmelden via het contactformulier.

Petitie verbetering wetgeving seksuele intimidatie
VVR-lid Mirjam Decoz nam samen met Alie Kuiper het initiatief om een petitie te organiseren met een dringende oproep aan het nieuwe kabinet om snel het ILO Verdrag tegen geweld en intimidatie op het werk te ratificeren. Verdrag 190 is in juni 2019 door de jaarlijkse Internationale Arbeidsconferentie aanvaard. Daarnaast moet het nieuwe kabinet een wettelijke regeling treffen voor de afhandeling van klachten en meldingen over seksuele intimidatie en zorgen voor een betere handhaving van bestaande verplichtingen. De VVR tekende de petitie meteen. Het bestuur roept leden op als individu eveneens te tekenen. U vindt de petitie op de VVR-website. Snel tekenen kan hier.

Verslag bijeenkomst huiselijk geweld in het familierecht staat online
Op 7 oktober 2021 organiseerde de VVR haar jaarlijks congres met een bijeenkomst over huiselijk geweld in het familierecht. Zo’n 60 leden en andere deelnemers uit het veld waren aanwezig in Kaffeetaria in Utrecht. Inmiddels staat het verslag van deze bijeenkomst op de VVR-website, net als de gepresenteerde powerpoints.

Start werkgroep personen- en familierecht
Op het congres werden deelnemers opgeroepen zich alvast aan te melden voor de werkgroep personen- en familierecht die verder met de problematiek huiselijk geweld in het familierecht aan de slag gaat (Corona volente). Diverse belangstellenden hebben zich al gemeld. Wie niet aan het congres kon deelnemen, maar wel geïnteresseerd is in het vervolg, is uiteraard ook welkom. Zij kunnen zich melden via het contactformulier.

Oproep: rechterlijke uitspraken over het Verdrag van Istanbul
De VVR is bezig een inventarisatie te maken van familierechtelijke jurisprudentie waarin wordt verwezen naar het Verdrag van Istanbul. Lang niet alle uitspraken worden op rechtspraak.nl gepubliceerd. Bent u bekend met een (niet-gepubliceerde) rechterlijke uitspraak waarin wordt verwezen naar het Verdrag van Istanbul? Dan wordt u vriendelijk verzocht om deze te anonimiseren en te sturen naar de werkgroep en webredactie via info@oud-vvr.computersaysno.eu. De jurisprudentie wordt dan in de jurisprudentierubriek op de website geplaatst. Bij voorbaat veel dank! De VVR zal, wanneer dat weer mogelijk is gelet op de coronasituatie, een expertmeeting organiseren waarin deze jurisprudentie wordt besproken en geanalyseerd.

Voorstel voor Wet Seksuele Misdrijven
Afgelopen december is het wetsvoorstel seksuele misdrijven ter advies aangeboden aan de Raad van State. Volgens het wetsvoorstel is iemand straks strafbaar wegens verkrachting als deze wist of een ernstig vermoeden had dat de ander geen seks wilde en toch heeft doorgezet. Dwang, geweld en bedreiging zijn hierbij strafverzwarende factoren, maar niet langer een vereiste voor een veroordeling. Waarschijnlijk wordt het wetsvoorstel in het voorjaar ingediend bij de Tweede Kamer. Op de website van de VVR kunt u de reacties van de VVR op het voorontwerp en het eerdere wetsvoorstel vinden. Voormalig minister van Justitie en Veiligheid Grapperhaus heeft aangegeven dat de nieuwe wetgeving waarschijnlijk in 2024 in werking kan treden. Dit heeft geleid tot kritiek van onder meer Amnesty. De VVR schaart zich achter deze kritiek. Het is tijd dat de wet eindelijk in overeenstemming wordt gebracht met de maatschappelijke realiteit en de nieuwe minister zou zich ervoor moeten inspannen om de wet zo snel mogelijk op effectieve en verantwoorde wijze te implementeren.

Oproep sociale media redacteur
Het bestuur is op zoek naar een (student-)vrijwilliger die kan helpen met het bijhouden van de sociale media pagina’s van de VVR. Ben jij vaak te vinden op Twitter of Linkedin? En lijkt het je leuk om af en toe een vlotte post voor op onze pagina’s te bedenken? Neem dan contact op via het contactformulier. We horen graag van je!

 

 

Commentaar Joke Smit Stichting op wetsvoorstel introductie gecombineerde geslachtsnaam

VVR-lid Jeroen de Wildt, secretaris van de Joke Smit Stichting, kwam er net op tijd achter dat de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van de Tweede Kamer opeens spoed wil zetten achter het wetsvoorstel introductie gecombineerde geslachtsnaam (35990). In de procedurevergadering van 20 januari 2022 werd besloten dat de inbreng voor het verslag al een week later moest worden geleverd.
De Joke Smit Stichting heeft een commentaar naar de leden van de vaste commissie gezonden en daarbij tevens gerefereerd aan de kritiek van de VVR is eerdere fasen van de parlementaire voorbereiding (zie hieronder).
Brief Joke Smit Stichting over seksediscriminatie bij naamskeuze voor kinderen (wetsvoorstel 35990).
Uit het verslag blijkt dat verschillende kamerleden hun voordeel hebben gedaan met de brief.

Het was een te korte termijn voor de VVR om nog te reageren en te verwijzen naar de eerder aan de Raad van State gezonden brief, die op zijn beurt weer verwees naar de gedegen VVR-inbreng voor de internetconsultatie van een voorontwerp van het wetsvoorstel. In beide stukken betoogde de VVR dat het onjuist is dat het kabinet vast houdt aan de directe discriminatie in de zogenaamde vangnetbepaling in het naamrecht. Die bepaalt dat de naam van de vader in de geboorte acte wordt ingeschreven als twee gehuwde (geregistreerde) ouders het niet eens worden over de achternaam van hun (eerste) kind.

Petitie verbetering wetgeving seksuele intimidatie

VVR-lid Mirjam Decoz nam samen met Alie Kuiper het initiatief om een petitie te organiseren met een dringende oproep aan het nieuwe kabinet om snel ILO Verdrag tegen geweld en intimidatie op het werk te ratificeren. Verdrag 190 is in juni 2019 door de jaarlijkse Internationale Arbeids Conferentie aanvaard.
De VVR heeft de petitie onmiddellijk ondertekend. Het bestuur heeft ook leden opgeroepen de petitie te ondertekenen.
Petitie voor betere wetgeving tegen seksuele intimidatie

Wat betekent de uitspraak voor andere PGB zorgverleners?

Op 16 december 2021 deed de Rechtbank Rotterdam uitspraak in twee zaken over de rechtspositie van huishoudelijk werkers, die minder wettelijke sociale rechten hebben dan andere werknemers. Dat is vastgelegd in de regeling Dienstverlening aan Huis. De meeste PGB zorgverleners vallen ook onder deze regeling: ze werken dan meestal op minder dan vier dagen per week. Carol Kollmann, die met steun van Bureau Clara Wichmann en de Vereniging voor Vrouw en Recht, beide zaken aan de rechter voorlegde is PGB-zorgverleenster.

Rechtbank Rotterdam oordeelde dat uitsluiting van PGB-zorgverleners van sociale zekerheid verboden discriminatie van vrouwen oplevert. Het UWV moet van de rechtbank PGB-zorgverleners een WW-uitkering verstrekken als ze werkloos worden. Ook moet het UWV de jaren die een PGB zorgverlener werkt registreren als arbeidsverleden, net als bij andere werknemers. Daarmee ontstaat recht op een langere WW-uitkering, als ze werkloos raken. Eigenlijk betekent de uitspraak dat de regeling Dienstverlening aan Huis niet meer toegepast mag worden bij publiek gefinancierde zorg, zoals een Persoons Gebonden Budget.

Inmiddels is duidelijk dat deze principiële zaak beoordeeld zal worden door de hogere rechter: de Centrale Raad van Beroep. Als de uitspraak van de rechter in hoger beroep in stand blijft, heeft deze grote gevolgen voor de tienduizenden PGB zorgverleners die nu geen sociaal vangnet hebben. Zij kunnen dan aanspraak maken op WW en andere sociale zekerheidsregelingen. Het zal minimaal zes tot acht maanden duren voor de Centrale Raad van Beroep tot een uitspraak komt.

PGB-zorgverleners die nu werkloos of arbeidsongeschikt raken kunnen al wel een uitkering aanvragen bij het UWV met een beroep op de uitspraak van rechtbank Rotterdam, meer specifiek die in zaak ROT 20/836 (noem die!).

Reken je niet rijk, want de eerste aanvraag is al weer afgewezen! Dit betrof een PGB-zorgverleenster die 18 uur per week werkte verspreid over drie dagen in de week.
Tegen een afwijzing kun je een bezwaarschrift indienen. Eerst pro forma, zodat je wat meer tijd hebt om hulp te zoeken om de gronden te formuleren. Bij een rechtsbijstandsverzekering of bij een vakbond, als je lid bent.

Ook kunnen PGB-zorgverleners alvast een verzoek indienen om hun arbeidsverleden te laten registreren. Besef wel dat je dan zelf moet aantonen bij wie je hoe lang gewerkt hebt. Bijvoorbeeld via de loonstroken die je van de SVB hebt ontvangen.
We hopen met het UWV af te spreken dat alle aanvragen aangehouden worden tot de hoogste rechter uitsluitsel heeft gegeven. Of het lukt zo’n afspraak te maken is nu nog niet te zeggen. Hoe meer aanvragen hoe meer druk!

We blijven graag op de hoogte
Ben jij van plan om het UWV te vragen je arbeidsverleden te registreren of om een uitkering aan te vragen?  Zo ja, dan horen we graag hoe dit verloopt. Stuur in dat geval je verhaal via het contactformulier naar de VVR.

Hof verwijst wederom naar het Verdrag van Istanbul

Opnieuw verwijst het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden naar de verplichtingen uit het Verdrag van Istanbul. Een voor de Nederlandse rechtspraktijk belangrijke uitspraak.

In de beschikking van 23 december 2021 overweegt het hof dat het Verdrag van Istanbul aan de overheid verplichtingen oplegt om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, en aandacht te besteden aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld. (ECLI:NL:GHARL:2021:11968)

In de memorie van toelichting bij de goedkeuring van het Verdrag van Istanbul staat bij artikel 2 lid 2 dat het verdrag van toepassing is op alle slachtoffers van huiselijk geweld, dus ook mannen en kinderen. In dezelfde memorie van toelichting staat bij artikel 31 (over voogdij, omgangsregeling en veiligheid) dat ingevolge het eerste lid van artikel 31 Verdragspartijen wetgevende of andere maatregelen moeten nemen teneinde te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag. Het tweede lid van artikel 31 verplicht Verdragspartijen te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling of de voogdij niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.

Vervolgens onderkent het hof dat in de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang niet expliciet wordt genoemd dat geweld tegen vrouwen/mannen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing. Voor het hof is vanzelfsprekend dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet (gaan) doen; de veiligheid van de ouder en het kind zal daarom ook centraal moeten staan bij de te nemen beslissing over het ouderlijk gezag. Voor het hof betekent dit dat het bij de beslissing in deze zaak er rekening mee zal houden dat de rechten en de veiligheid van de moeder en van het kind gewaarborgd zijn.

Op grond van dit toetsingskader ziet het hof reden om af te wijken van het uitgangspunt dat gezamenlijk gezag na scheiding wordt voorgezet. Moeder wordt alleen belast met gezag over het kind. Gelet op het huiselijk geweld dat heeft plaatsgevonden en de onveiligheid die nog steeds voelbaar is, bestaat er een contra-indicatie voor gezamenlijk gezag. Het hof acht het niet gewaarborgd dat de ouders gezamenlijke beslissingen over het kind kunnen nemen zonder met elkaar in conflict te raken. Moeder en kind hebben recht op veiligheid en rust, en recht op bescherming hiervan door de overheid en rechter.

Het is interessant de het hof expliciet benoemt dat de GI (de instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert) de focus vooral heeft gelegd op het verbeteren van de samenwerking tussen ouders. Het is echter niet uit te sluiten dat de door moeder ervaren onveiligheid reëel is. En dit is juist een contra-indicatie voor samenwerking tussen ouders.

Drie keer eerder verwees het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden naar de verplichtingen uit het Verdrag van Istanbul: (I) de beschikking van 21 januari 2021 (II) de beschikking van 10 juni 2021 en (III) de beschikking van 4 november 2021. Het is te hopen dat snel andere rechtbanken en gerechtshoven zullen volgen!

In het juridische tijdschrift Jurisprudentie in Nederland (JIN) van 19 maart 2022 publiceerde Ariane Hendriks een annotatie bij de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 december 2021

Uitspraak rechter: uitsluiting huishoudelijk werkers van sociale zekerheid is verboden discriminatie

Vandaag deed de Rechtbank Rotterdam uitspraak in de zaak over de rechtspositie van huishoudelijk werkers, specifiek de positie van PGB zorgverleners. In 2020 stapte Carol Kollmann met steun van Bureau Clara Wichmann en de Vereniging voor Vrouw en Recht naar de rechter. Kollmann werkte als thuishulp voor een oudere vrouw, die daarvoor een Persoonsgebonden Budget (PGB) kreeg. Toen de vrouw naar een verzorgingstehuis ging, kwam Kollmann zonder werk te zitten. Bij het UWV kwam zij erachter dat ze geen recht bleek te hebben op een WW-uitkering omdat zij zou vallen onder de ‘Regeling dienstverlening aan huis’.

De rechter oordeelde dat Kollmann in principe wel recht heeft op deze WW-uitkering, en dat de Regeling dienstverlening aan huis ervoor zorgde dat zij werd gediscrimineerd ten opzichte van andere werknemers. De uitspraak heeft mogelijk grote gevolgen voor de tienduizenden PGB zorgverleners die nu geen sociaal vangnet hebben.

REGELING DIENSTVERLENING AAN HUIS
Carol Kollmann is niet alleen in deze zaak. Rond de 30.000 andere PGB zorgverleners hebben nu nauwelijks een sociaal vangnet door de Regeling dienstverlening aan huis. Omdat de meeste mensen die onder deze regeling werken vrouw zijn, zorgt de regeling voor ongelijke behandeling van vrouwen. Door deze regeling bouwen huishoudelijk werkers die werken op basis van een PGB nu geen WW en andere sociale zekerheidsrechten op. De regeling was ooit bedoeld om particulieren met een hulp in de huishouding van administratie te ontlasten, maar werd al lange tijd volop ingezet om met publiek geld betaalde zorgverleensters een slechtere rechtspositie te geven dan alle andere werknemers.

“We zijn ontzettend blij met deze uitspraak, eindelijk erkenning van de rechter voor de duizenden vrouwen in de huishoudelijke dienstverlening en in de zorg, dat het inderdaad gewoon discriminatie was omdat ze door deze Regeling dienstverlening aan huis ongelijk behandeld werden voor wat betreft hun recht op bestaanszekerheid.”

– Sarah Jeddaoui, juridisch medewerker bij Bureau Clara Wichmann

“De rechtbank oordeelt nu dat er geen rechtvaardiging voor is dat PGB zorgverleners onder de Regeling dienstverlening aan huis vallen. De Commissie Kalsbeek had in 2014 al geconcludeerd dat in elk geval de met publiek geld bekostigde zorgverleners (en ook gastouders) niet onder de regeling zouden moeten vallen.”

– Leontine Bijleveld, voorzitter Vereniging voor Vrouw en Recht

Rechtbank Rotterdam gaf zelf ook een nieuwsbericht uit.