Instantie: Commissie gelijke behandeling, 9 maart 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een Iraakse man met de Nederlandse nationaliteit werd na negen werkdagen
in zijn proeftijd ontslagen. Volgens de man is hij bij het ontslag onheus
bejegend. Ook heeft het bedrijf meerdere malen naar zijn godsdienst gevraagd.
Het bedrijf heeft daarom volgens de man onderscheid op grond van ras en
godsdienst gemaakt.
De Commissie constateert dat het aannemelijk is dat het bedrijf ontevreden
was over de prestaties van de man. Het bedrijf voert als reden voor het
ontslag ook aan dat de man zich aan de telefoon moeizaam uitdrukte in het
Nederlands en het Engels. De Commissie concludeert echter dat de gestelde
taaleisen voor de functie noodzakelijk zijn en dat het bedrijf niet op
willekeurige wijze geoordeeld heeft dat de man niet aan deze eisen voldeed.
Het bedrijf heeft meerdere malen gevraagd naar de godsdienst van de man.
Het bedrijf doet dit om bij het inroosteren voor beurzen rekening te kunnen
houden met religieuze feest- en rustdagen van de betrokken werknemers.
De Commissie constateert dat de man is aangesteld en godsdienst daarbij
geen rol heeft gespeeld.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 30 mei 1997 verzocht de heer (….) te ’s Gravenhage (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of (….) te Rotterdam (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid
heeft gemaakt op grond van ras en/of godsdienst in strijd met de Algemene
wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker is van Iraakse afkomst en heeft de Nederlandse nationaliteit.
Verzoeker was sinds 22 april 1997 bij de wederpartij in dienst als verkoper
en werd na negen werkdagen, op 5 mei 1997, in zijn proeftijd ontslagen.
Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd heeft gehandeld
met de AWGB.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op 12 januari 1998.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (verzoeker)

van de kant van de wederpartij
– mw. (….) (algemeen manager)
– mw. (….) (districtmanager)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– mw. mr. I.M. Hidding (secretaris Kamer)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is van Iraakse afkomst en woont sinds 1973 in Nederland.
Hij heeft de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker heeft in Irak een economie-studie
gevolgd op een niveau dat vergelijkbaar is met een kandidaatsexamen economie
aan een Nederlandse universiteit.

3.2. De wederpartij is de verkooporganisatie in Nederland van een Amerikaanse
uitgeverij, met een hoofdkantoor in Chigaco. De Nederlandse verkooporganisatie
is onderverdeeld in verschillende districten, verspreid over Nederland.
Bij de wederpartij worden, door middel van het leggen van telefonische
en/of mondelinge contacten, het houden van presentaties en het verspreiden
van informatiemateriaal de produkten van de wederpartij verkocht. Deze
produkten omvatten onder meer encyclopedieën, woordenboeken, kunstboeken
en atlassen en worden verkocht aan particulieren, bedrijven en organisaties.
Bij de wederpartij zijn in totaal circa 30 medewerkers werkzaam; voor het
merendeel in de functie van vertegenwoordiger. Op de werknemers die in
dienst zijn van de wederpartij is Nederlands recht van toepassing. Van
de werknemers van de wederpartij zijn circa drie personen van allochtone
afkomst.

3.3. Verzoeker werd door het Nederlands Centrum Buitenlanders geattendeerd
op de vacature voor vertegenwoordigers bij de wederpartij. Verzoeker heeft
telefonisch gesolliciteerd bij de wederpartij, waarna afgesproken werd
dat hij op 7 april 1997 met een cursus verkooptechniek van de encyclopedie
(en overige produkten) van de wederpartij kon beginnen.

3.4. Verzoeker volgde in de periode van maandag 7 april 1997 tot en met
maandag 21 april 1997 een verkooptraining van de wederpartij. Deze training
werd met een positieve beoordeling afgesloten.
Vervolgens trad verzoeker op dinsdag 22 april 1997 in dienst bij de wederpartij
als verkoper op basis van een arbeidsovereenkomst voor zes maanden met
een proeftijd van twee maanden.

3.5. Op 2 mei 1997 werd het dienstverband door de wederpartij schriftelijk
beëindigd met ingang van 5 mei 1997. De relevante passage van de afwijzingsbrief
luidt als volgt:
“Hiermee bevestigen wij het onderhoud dat u heden had met [manager wederpartij].
Hierin zijn uw resultaten van de afgelopen periode besproken en hebben
wij moeten besluiten dat het voor beide partijen beter is om de tussen
u en ons gesloten arbeidsovereenkomst met ingang van 5 mei 1997 te beëindigen”.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoeker stelt het volgende.

De wederpartij heeft de arbeidsovereenkomst zonder duidelijke reden beëindigd
nadat verzoeker slechts acht dagen had gewerkt.
Verzoeker begon tegelijk met twee collega’s aan de cursus verkooptechniek.
Deze collega’s hebben ook allebei ontslag gekregen. De cursus werd gegeven
door twee docenten die bij de wederpartij in dienst zijn. Verzoeker vindt
het vreemd dat hij voor deze cursus ƒ 300,– moest betalen en geen reiskostenvergoeding
ontving.

Verzoeker stelde zich serieus op tijdens de training en werkte hard. Op
21 april 1997 nam de manager van de wederpartij verzoeker een test af die
op video werd opgenomen. Een van de docenten maakte ook een verkoop-demonstratietest
met verzoeker. Deze docent vond de verkooptechniek van verzoeker erg goed
en zei tegen de collega’s van verzoeker: “Is de manier van verkopen van
[verzoeker] niet fantastisch? Hij is enthousiast en heeft flair. Als hij
bij mij komt met deze techniek ga ik zeker de [encyclopedie van de wederpartij]
kopen en jullie zeker ook. Het is zeer goed, gefeliciteerd heer [verzoeker]”.

Gezien de positieve reacties op verzoeker tijdens de cursus en de resultaten
van de test, kreeg verzoeker de arbeidsovereenkomst. Het contract was niet
gewoon, moeilijk en voor tweeërlei uitleg vatbaar. Verzoeker vroeg de manager
daarom of hij het contract mee mocht nemen om het te bestuderen voordat
hij zijn handtekening eronder zou zetten. Het antwoord van de manager was:
“Jij tekent het contract nu of nooit”.

Het bureau van verzoeker stond ongeveer anderhalve meter van de manager
af. Zij kon daarom het werk van verzoeker heel systematisch controleren.
Verzoeker kreeg een Nederlandse en een Engelse tekst om te gebruiken voor
zijn telefonische contacten met de klanten. Verzoeker had in de periode
dat hij bij de wederpartij werkzaam was meer dan 400 telefonische contacten.
Hij heeft de telefoonstatistieken ingevuld en aan de manager gegeven, maar
zij zei na korte tijd dat de statistieken niet meer nodig waren. Tevens
deelde zij verzoeker mee dat hij potentiële klanten niet mee moest delen
hoeveel alle 32 delen van de encyclopedie van de wederpartij kosten. Het
invullen van statistieken is geen probleem omdat verzoeker een economische
studie heeft gedaan. Hij zou een dergelijke opdracht nooit weigeren .

Verzoeker kreeg adressen van klanten van de wederpartij en moest daarnaast
zelf adressen zoeken van potentiële klanten en afspraken met hen maken.
De adressen haalde hij bijvoorbeeld uit de Gouden Gids en uit telefoonboeken.
De manager maakte op vrijdag 2 mei om 11.00 uur nog een afspraak voor zichzelf
en verzoeker bij het Turkse consulaat. Verzoeker kreeg echter dezelfde
dag om 15.00 uur ontslag.

Verzoeker heeft in de periode dat hij bij de wederpartij werkte tien afspraken
gemaakt. Daarnaast had hij drie afspraken die door de wederpartij waren
gemaakt. Verzoeker heeft als verkoper van de wederpartij aan twee beurzen
deelgenomen. Tijdens de tweede beurs heeft verzoeker ongeveer 150 contacten
gelegd. De marketingmanager van de wederpartij was hierbij aanwezig en
vond dat verzoeker zijn werk goed deed. Verzoeker heeft verder met veel
inzet meer dan 1000 folders rondgebracht.

Verzoeker concludeert dat hij goed werk heeft geleverd en vraagt zich af
waarom hij is ontslagen. Negen werkdagen is naar zijn mening een te korte
periode om te kunnen beoordelen of hij geschikt was voor de functie. Verder
vraagt verzoeker zich af waarom de arbeidsovereenkomst zo onduidelijk is
en waarom hij zo weinig tijd kreeg om de overeenkomst te bestuderen.

Volgens verzoeker is de hele gang van zaken bij de wederpartij vreemd.
Er werden vragen gesteld over zijn godsdienst waardoor hij zich in een
hoek gedrukt voelde. Ook was vreemd dat op het hoofdkantoor in Rotterdam
zo weinig personeel werkzaam was.

3.7. De wederpartij stelt het volgende.

Iedere werknemer wordt door de wederpartij volledig gelijk behandeld. Hierbij
wordt zeer zeker geen onderscheid gemaakt naar ras en/of nationaliteit.

Verzoeker is kort na indiensttreding ontslagen omdat de wederpartij merkte
dat verzoeker niet werkte zoals de wederpartij dat gewend is; ook niet
nadat hij daarop herhaaldelijk door zijn manager gewezen was. Instructies
daaromtrent werden door verzoeker niet nageleefd. Hij weigerde zelfs de
telefoonstatistieken in te vullen. Deze statistieken moeten wekelijks door
de verkopers op daarvoor speciaal bestemde formulieren worden ingevuld.
De districtmanager rapporteert aan de hand hiervan een keer per maand aan
de algemeen manager over de geboekte resultaten in het district.

De statistieken zijn een zeer belangrijk instrument om de verkoopresultaten
in het oog te houden. Ze fungeren als het ware als barometer van de districten.
De districtmanager heeft verzoeker nooit gezegd dat de statistieken niet
behoefden te worden ingevuld.
Wel is verzoeker meegedeeld dat hij niet alle werkzaamheden van minuut
tot minuut hoefde te noteren in zijn bureauagenda. De hoofdreden van het
ontslag van verzoeker is gelegen in het feit dat hij weigerde de statistieken
in te vullen op de daarvoor gebruikelijke wijze. Dit is werkweigering.

Daarnaast merkte de wederpartij dat verzoeker moeite had met telefoneren
en dit ook veel te langzaam ging. Verzoeker drukte zich moeilijk uit, zowel
in de Nederlandse als in de Engelse taal. Maar de taalbeheersing was niet
de hoofdreden van het ontslag. Als een verkoper goed verkoopt, maakt het
niet uit of hij/zij zich in gebrekkig Nederlands (of Engels) uitdrukt.
Een Roemeense verkoper spreekt ook gebrekkig Nederlands, maar werkt tot
tevredenheid omdat hij goede resultaten behaalt. Vanwege de taal is verzoeker
juist op contacten met ambassades gezet. Dit is niet gebruikelijk als iemand
pas in dienst is.

Verzoeker had in totaal maar zeven afspraken gemaakt, waarvan hij er twee
van zijn manager had gekregen en één van een secretaresse. Uit deze afspraken
is geen omzet gekomen. De verwachting van een beginnende verkoper is dat
deze toch wel één a twee series encyclopedieën per week verkoopt of daarop
uitzicht heeft.
Verzoeker stelde zich niet enthousiast op en stelde vraagtekens bij de
prijs van de produkten en de verkoopwijze. Voor de verkoop van de produkten
is van essentieel belang dat de verkoper enthousiast is.

De wederpartij heeft verzoeker vanaf het begin op een positieve manier
op zijn fouten gewezen, maar door de eigenwijze instelling van verzoeker
– hij wist alles beter – verbeterde er helaas niets.
Op 2 mei 1997 heeft rond het middaguur een gesprek plaatsgevonden tussen
de districtmanager en de algemeen manager over het functioneren van verzoeker.
Op basis van de verkregen informatie en haar eigen indruk van verzoeker
heeft de algemeen manager besloten de arbeidsovereenkomst te beëindigen.
Dit heeft zij hem meteen (op 2 mei 1997) aan het begin van de middag meegedeeld.

Voordat iemand in dienst treedt, dient de arbeidsovereenkomst getekend
te zijn. Het meenemen van de arbeidsovereenkomst om deze nader te bestuderen
is geen punt, maar dan wordt de indiensttreding uitgesteld. Het is geen
probleem om te tekenen, omdat men tijdens de proeftijd dagelijks de mogelijkheid
tot opzegging heeft.

De opmerking van verzoeker over godsdienst is niet juist. Er wordt geen
onderscheid gemaakt op grond van godsdienst. Er is verzoeker slechts gevraagd
naar zijn godsdienst om daarmee rekening te kunnen houden bij het inroosteren
van werkzaamheden op religieuze feestdagen.
Zo vinden er bijvoorbeeld regelmatig beurzen plaats op zondag waarvoor
sommige medewerkers vanwege hun godsdienst niet ingeroosterd kunnen worden.
Er is ook een werknemer die al jaren bij de wederpartij in dienst is en
die evenals verzoeker moslim is.

Verzoeker heeft niets te maken met de hoeveelheid personeel in het kantoor
van de wederpartij te Rotterdam. Overigens kloppen de gegevens die verzoeker
hierover verstrekt heeft niet.
De twee collega’s die tegelijkertijd met verzoeker in dienst zijn gekomen
zijn zelf weggegaan tijdens hun proeftijd om persoonlijke redenen.

Met betrekking tot het standpunt van verzoeker dat het vreemd is dat verzoeker
ƒ 300,- moest betalen voor de verkoopcursus en hij geen reiskostenvergoeding
kreeg, stelt de wederpartij dat dit bedrag een eigen bijdrage is. De cursuskosten
zijn veel hoger dan dit bedrag, zodat deze investering slechts gedaan wordt
als de wederpartij de kandidaat daadwerkelijk in dienst wil nemen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
heeft gemaakt bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst op grond van
ras en/of godsdienst als bedoeld in de AWGB.

4.2. Artikel 5 lid 1 sub b AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB,
onder meer het maken van onderscheid naar ras en/of godsdienst bij de beëindiging
van een arbeidsverhouding.

Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie
van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens: huidskleur, afkomst,
of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991,
22 014, nr. 3, pag. 13.).

Het begrip godsdienst dat in de AWGB als non-discriminatiegrond is opgenomen,
omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het
zich daarnaar gedragen. (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 014,
nummer 5, pag. 39/40. Vergelijk ook Tweede Kamer, 13 872, vergaderjaar
1975-1976, nummer 3, pag. 29.)

Volgens artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan zowel direct als
indirect onderscheid. Onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid
dat verwijst naar een van de in de AWGB genoemde discriminatiegronden zoals
ras of godsdienst. Van indirect onderscheid is sprake indien op grond van
andere hoedanigheden of gedragingen dan ras of godsdienst onderscheid wordt
gemaakt dat direct onderscheid op grond van ras of godsdienst tot gevolg
heeft.
In artikel 2 lid 1 AWGB is bepaald dat het verbod van onderscheid niet
geldt, ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.

Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie is niet alleen sprake van
een door de Wet verboden onderscheid op grond van ras of godsdienst als
deze gronden de enige aanleiding vormen voor een ongelijke behandeling,
maar tevens als deze gronden méde aanleiding zijn tot een ongelijke behandeling.
(Zie onder meer Commissie gelijke behandeling, 19 augustus 1997, oordeel
97-91.)

4.3. Ten aanzien van de in het geding zijnde vraag overweegt de Commissie
het volgende.

Verzoeker is gedurende de proeftijd ontslagen. Ingevolge artikel 7:676
lid 2 BW is het toegestaan de dienstbetrekking zonder opzegging of zonder
inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen te beëindigen. In
de rechtspraak wordt evenwel uitgegaan van de doorwerking van het discriminatieverbod
gedurende de proeftijd (Zie onder andere Rechtbank Arnhem, 24 december
1987, PRg 1988, 2886.). Zo kan bij ontslag tijdens proeftijd sprake zijn
van misbruik van bevoegdheid wanneer het discriminatieverbod wordt overtreden
(Hoge Raad, 13 januari 1995, NJ 1995, nr. 430.).

4.4. Verzoeker stelt dat zijn afkomst een rol heeft gespeeld bij het besluit
van de wederpartij om hem tijdens de proeftijd te ontslaan. Verzoeker concludeert
dat er sprake is van onderscheid op grond van ras vanwege de in zijn ogen
onheuse bejegening door de wederpartij. De Commissie overweegt hieromtrent
het volgende.

4.5. De wederpartij heeft als reden voor het ontslag aangevoerd dat de
resultaten van verzoeker onvoldoende waren. Hij heeft te weinig afspraken
gemaakt. Uit deze afspraken is geen omzet gekomen. Ter zitting heeft zij
dit nader toegelicht. Zij was van mening dat verzoeker ook niet over het
juiste enthousiasme beschikte voor de produkten van de wederpartij.
De Commissie kan niet beoordelen of verzoeker voldoende afspraken heeft
gemaakt. Wel constateert de Commissie dat onbetwist is dat het verzoeker
niet gelukt is produkten te verkopen.

4.6. De wederpartij heeft voor de beëindiging van de arbeidsverhouding
met verzoeker aangevoerd dat hij weigerde de statistieken op de juiste
wijze in te vullen en in te leveren. Verzoeker betwist dit en heeft aangegeven
dat hij alle werkzaamheden precies genoteerd heeft in zijn bureauagenda
en dat de wederpartij het niet nodig vond dat hij de statistieken invulde,
alhoewel hij daartoe wel bereid was. Ter zitting is gebleken dat de wederpartij
onder de “statistieken” verstaat speciaal daartoe ontworpen formulieren
waarop de verkopers wekelijks moeten rapporteren hoe de resultaten van
die week zijn geweest. Vervolgens rapporteert de districtmanager aan de
algemeen manager over de statistieken met alle verkoopresultaten.

De Commissie constateert dat er tussen partijen verschil van mening bestaat
over de vraag of verzoeker geweigerd heeft de statistieken in te vullen
of dat de districtmanager van de wederpartij tegen verzoeker gezegd heeft
dat dit niet nodig was. Gelet op het feit dat de wederpartij de statistieken
zo’n belangrijk management-instrument acht om de verkoopresultaten te beoordelen,
acht de Commissie niet aannemelijk dat tegen verzoeker gezegd is dat hij
de statistieken niet hoefde in te vullen. Evenmin acht de Commissie het
aannemelijk dat verzoeker geweigerd zou hebben de statistieken in te vullen.
Verzoeker heeft immers aangegeven een succes van deze baan te willen maken
en onderkende vanuit zijn economische achtergrond het belang van statistische
gegevens. Wel acht de Commissie het aannemelijk dat verzoeker een opmerking,
dat het niet nodig was zijn bureauagenda van minuut tot minuut met alle
werkzaamheden in te vullen, verkeerd begrepen heeft en dat er sprake is
geweest van een communicatie-stoornis op dit punt.

Op grond hiervan concludeert de Commissie dat niet aannemelijk is geworden
dat er sprake was van werkweigering door verzoeker, maar wel dat tengevolge
van een misverstand de werkzaamheden (deels) niet zijn uitgevoerd op de
door de werkgever gewenste wijze.

4.7. Tenslotte heeft de wederpartij als reden voor het ontslag aangevoerd
dat de telefoongesprekken van verzoeker moeizaam verliepen onder meer omdat
verzoeker zich zowel in de Nederlandse als in de Engelse taal moeilijk
uitdrukte.
De vraag is derhalve of de wederpartij zodoende eisen heeft gesteld aan
de taalvaardigheid van verzoeker die in redelijkheid niet aan iemand in
een verkoopfunctie als deze gesteld kunnen worden.

De Commissie rekent het niet tot haar taak om te beoordelen of verzoeker
geschikt is voor de functie, zoals de Commissie in eerdere zaken (Zie onder
meer Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
2 september 1992, oordeel 420-92-50 en 15 september 1992, oordeel 414-92-53.)
ook heeft geoordeeld. De taak van de Commissie is om na te gaan of er bij
de beoordeling van de (mate van) geschiktheid onderscheid gemaakt is in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Daarbij wordt de beoordeling
van de geschiktheid slechts in zoverre betrokken dat aannemelijk moet zijn
dat de wederpartij de geschiktheid heeft bepaald op een wijze die niet
ondeugdelijk of willekeurig is.

4.8. Omtrent de eis van (voldoende) Nederlandse en Engelse taalvaardigheid
overweegt de Commissie het volgende.
De Commissie is van oordeel dat de in deze zaak gestelde functie-eis van
taalvaardigheid in de Nederlandse en Engelse taal door de wederpartij in
de gegeven omstandigheden geen direct onderscheid naar ras oplevert. Door
het hanteren van dit criterium wordt immers niet per definitie onderscheid
tussen personen op grond van hun etnische afkomst gemaakt (Zie ook oordelen
Commissie gelijke behandeling 18 juli 1995, oordeel 95-30 en 2 mei 1996,
oordeel 96-29.).

4.9. Ten aanzien van de eis met betrekking tot de Engelse taalvaardigheid,
stelt de Commissie vast dat deze functie-eis niet leidt tot indirect onderscheid
op grond van ras. Niet aannemelijk is dat personen van niet-Nederlandse
etnische of nationale afstamming door het hanteren van dit criterium in
overwegende mate nadeel zullen ondervinden bij functies van middelbaar
niveau als de onderhavige.

4.10. Vervolgens is de vraag aan de orde of de eis van voldoende beheersing
van de Nederlandse taal indirect onderscheid naar ras tot gevolg heeft.
Van indirect onderscheid is sprake als het nadelig effect van de taaleis
in overwegende mate personen treft van niet-Nederlandse etnische of nationale
afstamming.

Het is een algemeen bekend gegeven dat onder personen wier etnische of
nationale herkomst buiten Nederland ligt functie-eisen omtrent de Nederlandse
taalbeheersing eerder tot uitsluiting van verkoopfuncties als deze zullen
leiden dan voor personen, die buiten genoemde groepen vallen (Zie voor
oordelen over taaleisen Nationale Ombudsman 22 mei 1987, Rechtspraak Rassendiscriminatie
nr. 152 en Voorzitter scheidsgerecht Algemene Bond Uitzendbureaus 19 februari
1988, Rechtspraak Rassendiscriminatie nr. 171.).

Derhalve levert de onderhavige taaleis indirect onderscheid op grond van
ras op ( Zie ook: Commissie gelijke behandeling, 2 mei 1996, oordeel 96-29.).

4.11. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1
AWGB niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.
De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond
aan de volgende criteria (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 014,
nr. 3, pag. 14 en Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus
versus Weber von Hartz 13 mei 1986, zaak 170/84; Rinner-Kühn versus FWW
Spezial Gebaüdereinigung GmbH & Co. KG 13 juli 1989, zaak 171/88.):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn;
– de om het doel te bereiken gekozen middelen dienen te beantwoorden aan
een werkelijke behoefte van de organisatie;
– en moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde doel te bereiken.

Het doel dat nagestreefd wordt is het in dienst hebben van personeel dat
de functie van verkoopmedewerker naar behoren kan uitoefenen. De Commissie
stelt vast dat aan dit doel iedere discriminatie vreemd is, terwijl het
doel beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de organisatie.
Vervolgens moet worden beoordeeld of het middel, in dit geval de onderhavige
taaleis, geschikt en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken.

De Commissie is van oordeel dat voor deze functie noodzakelijk is dat betrokkene
over voldoende Nederlandse taalvaardigheid beschikt. Met name omdat het
leggen van telefonische contacten in het Nederlands een wezenlijk bestanddeel
van de functie vormt. In geding is de vraag welke mate van beheersing van
de Nederlandse taal noodzakelijk is voor de uitoefening van deze functie.
Daarbij speelt een rol dat het niveau van taalvaardigheid niet van te voren
door de wederpartij is aangegeven.

De Commissie stelt vast dat er geen sprake is geweest van een eis met betrekking
tot de (mate van) beheersing van de Nederlandse taal bij het aannemen van
verzoeker en bij het laten volgen van de verkoopcursus. Aan deze cursus
heeft verzoeker weliswaar een eigen bijdrage van ƒ 300,- geleverd, maar
de wederpartij heeft daarvoor ook een (veel grotere) investering gedaan.
De wederpartij heeft aangegeven dat een gebrekkige uitdrukkingsvaardigheid
in het Nederlands geen enkel probleem is, wanneer het toch lukt om de produkten
te verkopen.
Vanwege de gebrekkige beheersing van het Nederlands heeft de wederpartij
verzoeker juist ingezet op potentiële klanten, die ook het Nederlands niet
als moedertaal hebben, zoals ambassades. Zoals eerder gesteld is het verzoeker
niet gelukt produkten te verkopen. Tenslotte is ter zitting gebleken dat
er beperkingen zijn ten aanzien van de taalvaardigheid van verzoeker.

Op bovenstaande gronden concludeert de Commissie dat de wederpartij geen
hogere eisen aan de taalvaardigheid heeft gesteld dan voor de uitoefening
van de functie noodzakelijk is, noch dat de wederpartij op willekeurige
wijze heeft geoordeeld dat verzoeker daaraan niet voldeed. De Commissie
stelt dan ook vast dat het gekozen middel geschikt en noodzakelijk is en
beantwoordt aan de legitieme behoefte van de organisatie. Derhalve is voldaan
aan de hiervoor genoemde criteria voor een objectieve rechtvaardigingsgrond.
Hieruit volgt dat de wederpartij jegens verzoeker geen verboden indirect
onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.

4.12. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij zich ook ongelijk behandeld voelt
op grond van godsdienst omdat daarnaar meerdere malen gevraagd is. De wederpartij
heeft ter zitting toegelicht dat alle medewerkers naar hun godsdienst wordt
gevraagd bij hun aanstelling. De reden die de wederpartij hiervoor heeft
gegeven is dat zij rekening wenst te houden met religieuze feest- en rustdagen
van de betrokken werknemers voor het inroosteren op beurzen en dergelijke.
De Commissie constateert dat verzoeker is aangesteld en dat derhalve de
godsdienst van verzoeker daarbij geen rol heeft gespeeld. Nu de Commissie
niet is gebleken van feiten of omstandigheden waarbij de godsdienst van
verzoeker een rol zou hebben gespeeld gedurende de arbeidsverhouding of
bij de beëindiging daarvan, oordeelt de Commissie dat de wederpartij jegens
verzoeker geen onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Rotterdam jegens
de heer (….) te Den Haag geen onderscheid naar ras en/of godsdienst heeft
gemaakt bij de beëindiging van de arbeidsverhouding, zoals verboden in
artikel 5 lid 1 onder b van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G.Nicolai (lid Kamer), dhr. A. Kruyt (lid Kamer), mw. mr. I.M. Hidding (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 maart 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Nadat een vrouw in deeltijd ging werken, verviel haar recht op een volledige
studiekostenvergoeding voor de opleiding tot controleleider op de RA-afdeling.
De vrouw had bij indiensttreding toestemming gekregen om de opleiding af
te maken, ondanks dat zij geen controleleider wilde worden en niet op de
RA-afdeling werkzaam was. Het bedrijf vergoedt alleen de kosten voor opleidingen
die rendabel worden geacht. De functie van controleleider kan volgens het
bedrijf alleen in voltijd worden uitgeoefend. Nu de vrouw in deeltijd ging
werken, had verdere vergoeding voor de kosten van de opleiding geen zin.
De Commissie stelt vast dat zelfs indien geen sprake is van een verplichte
opleiding, een vergoeding tenminste naar rato van de omvang van het dienstverband
moet worden verstrekt. Deeltijd-werkers komen echter op grond van hun arbeidsduur
in het geheel niet in aanmerking voor een vergoeding. Hierdoor is er sprake
van een benadeling op grond van arbeidsduur. De Commissie acht het niet
aannemelijk dat de functie van de vrouw niet relevant was voor de toekomstige
functie ook als die niet op de RA-afdeling zou zijn. Er is dan ook geen
sprake van een objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid.
Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 mei 1997 verzocht mevrouw (….) te Zaandam (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit
te spreken over de vraag of door (….) te Hoorn (hierna: de wederpartij)
jegens haar onderscheid is gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Nadat verzoekster in deeltijd ging werken, verviel het recht op volledige
studiekostenvergoeding voor de opleiding tot registeraccountant. Volgens
verzoekster handelt de wederpartij hiermee in strijd met de Wet verbod
op onderscheid naar arbeidsduur (WOA).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Vervolgens
zijn partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten nader toegelicht
tijdens een zitting op 2 december 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (personeelsmanager)

van de kant van de Commissie
– mw. prof.mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. prof.mr. P.F. van der Heijden (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een maatschap die accountantswerkzaamheden verricht
alsmede bedrijfs- en belastingsadviezen verstrekt.
Zij heeft verscheidene vestigingen in Nederland. In de vestigingen van
de wederpartij worden zowel werkzaamheden op het gebied van de accountantsadministratie
(verder: AA-werkzaamheden) als registeraccountantswerkzaamheden (verder:
RA-werkzaamheden) verricht. In de RA-afdelingen vinden specifieke controlewerkzaamheden
plaats. De AA-werkzaamheden bedragen circa 50% en de RA-werkzaamheden circa
40% van het totale takenpakket. Voor het overige worden belasting- en organisatie-adviezen
verstrekt.

3.2. Verzoekster werkte van 1 juli 1995 tot 1 juli 1997 in een vestiging
van de wederpartij als assistent-accountant op de AA-afdeling op basis
van een volledig dienstverband.
Bij indiensttreding van verzoekster zijn partijen overeengekomen dat zij
een deel van de opleiding tot registeraccountant van het Nederlands Instituut
van Registeraccountants (verder: Nivra-opleiding) mocht afronden op kosten
van de wederpartij.
Het betrof de accountancy-2 opleiding, de zogenaamde NAC-2 opleiding. Deze
opleiding is qua niveau gelijk te stellen aan het staatspraktijkdiploma
boekhouden (SPD).
De Nivra-opleiding kent drie tussentijdse diploma’s: NAC-1, -2
en -3. De NAC-2 opleiding leidt op tot de functie van controleleider. Verzoekster
rondde in beginsel twee onderdelen per half jaar af. De wederpartij kende
vooraf een vergoeding per jaar toe voor goedgekeurde studieonderdelen.
Verzoekster heeft tot 1 oktober 1996 een volledige vergoeding ontvangen.
Een verzoek om studiekostenvergoeding van 12 december 1996 is niet gehonoreerd
door de wederpartij.

3.3. Bij de wederpartij is een Regeling vergoeding van studiekosten (hierna:
de Regeling) van toepassing. In de aanhef van de Regeling staat dat de
wederpartij het op prijs stelt, wanneer haar werknemers zich door studie
verder ontwikkelen, met dien verstande dat de betreffende studies gericht
moeten zijn op de bedrijfsactiveiten van de wederpartij. Indien zulks het
geval is, is de wederpartij bereid om een studiekostenvergoeding te verstrekken.

De Regeling bepaalt voor zover van belang het volgende:
“5. De volgende studiekosten komen voor een vergoeding in aanmerking:
a. Normale kursus- en inschrijfgelden (…).
b. Noodzakelijke reiskosten op basis van het in de bijlage bij deze regeling
opgenomen forfait (…).
c. Examen- en diplomagelden (…).
d. Verplichte literatuur.

6. De vergoeding, zoals bedoeld onder 5a, 5b en 5c bedraagt:

100% indien de kosten worden gemaakt gedurende de normale duur van de opleiding;
50% indien de kosten een eerste herhalingscursus of herexamen, danwel een
uitgesteld examen betreffen.

(…)
Voor de onder 5d. genoemde verplichte literatuur wordt een vergoeding toegekend
van 75% van de aanschafkosten.”

Onder 8. wordt de restitutie bij beëindiging van het dienstverband geregeld.
Deze restitutie-regeling houdt in dat na een examen, de studieschuld elke
maand met 4% daalt, zodat deze schuld na 25 maanden voldaan is.

Onder 9. bepaalt de Regeling ten aanzien van de opleiding tot registeraccountant
het volgende:
“a. Werknemers die een kursus volgen voor een onderdeel van de opleiding
tot registeraccountant, mogen hun werktijd onderbreken voor het volgen
van deze kursus en het daaraan verbonden reizen.
b. Gedurende deze opleiding wordt op het salaris van de werknemer 7% ingehouden
wegens verzuimde uren. Dit percentage is gebaseerd op 32 hele kursusdagen
of 256 werkuren per jaar. Per de jaar-ultimo zullen eventuele méér of minder
voor studie opgenomen uren worden verrekend.”

3.4. De wederpartij hanteert ten aanzien van studiekostenvergoedingen voor
de Nivra-opleiding het beleid dat verzoeken om vergoeding van die kosten
door deeltijdwerkers niet worden gehonoreerd. Voorts wordt de vergoeding
voor deze opleiding bij omzetting van een voltijd dienstverband naar een
deeltijd dienstverband niet gecontinueerd. Dit beleid is niet opgenomen
in de Regeling.

3.5. Na haar bevallingsverlof is verzoekster per 1 oktober 1996 in deeltijd
gaan werken voor 24 uur per week. Zij ontving vanaf die datum niet langer
een vergoeding voor de studiekosten voor de Nivra-opleiding die zij aan
het volgen was. De aan haar reeds toegezegde vergoeding voor de vakken
die zij al aan het volgen was in het jaar 1996 is wel uitgekeerd.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster stelt het volgende.

Met instemming van de wederpartij is zij na haar bevallingsverlof in deeltijd
gaan werken.
Bij haar aanstelling is overeengekomen dat zij de Nivra-opleiding tot en
met het onderdeel NAC-2 zou volgen en dan een verkorte opleiding tot AA-accountant
zou gaan volgen. Die opleiding is relevant voor de huidige werkzaamheden
van verzoekster.
Haar studiekostenvergoeding is echter volledig ingetrokken toen zij in
deeltijd ging werken. Dit is gebaseerd op een eenzijdige wijziging van
het beleid door de wederpartij, ten aanzien van de vergoeding voor de Nivra-opleiding.
In eerste instantie was nog gesproken over een studiekostenvergoeding naar
rato van haar dienstverband (3/5e deel). Het hoofdkantoor ging daar echter
niet mee akkoord.
Met een afgeronde Nivra opleiding tot register-accountant is men geschikt
om controleleider te worden. De wederpartij wilde echter geen deeltijd
controleleiders en daarom is haar vergoeding ook gestopt, ondanks de relevantie
voor de eigen AA-functie.

3.7. De wederpartij stelt het volgende.

Zij heeft de opleiding en ontwikkeling van haar werknemers hoog in het
vaandel staan. Deeltijdwerkers en voltijdwerkers komen in aanmerking voor
volledige studiekostenvergoeding mits er sprake is van relevante studies
en een juiste verhouding bestaat tussen investering en verwacht rendement.
Voor de wederpartij is het van essentieel belang dat de gedane investering
ten aanzien van een studie rendabel wordt gemaakt. Een vergoeding verstrekken
voor een studie waarvan duidelijk is dat daarmee die doelstellingen niet
worden gehaald en dat de investering derhalve niet voldoende rendement
zal opleveren, is zinloos. Een verzoek om een studie te mogen volgen, wordt
zeer zelden niet gehonoreerd.

Bij wijze van uitzondering is aan verzoekster bij indiensttreding toestemming
gegeven om een onderdeel van de Nivra-opleiding, namelijk NAC-2, af te
ronden op kosten van de wederpartij. Daarbij was niet bekend dat verzoekster
in deeltijd wilde gaan werken. Voor verzoeksters werkzaamheden op de AA-afdeling
achtte men het volgen van de Nivra-opleiding niet nodig. Verzoeksters collega’s
op de AA-afdeling volgen (andere) studies die relevant zijn voor de werkzaamheden
op de afdeling.
Wederpartij was niet bekend met de wens van verzoekster om de verkorte
opleiding tot AA-accountant te gaan volgen en ook niet dat zij de Nivra-opleiding
tot en met NAC-2 wilde volgen.
Naar aanleiding van het ter zitting naar voren gebrachte standpunt van
verzoekster dat de NAC-2 opleiding als basis voor de verkorte vervolgopleiding
tot AA-accountant wel degelijk relevant was voor haar werkzaamheden op
de AA-afdeling, bevestigt de wederpartij dat dit inderdaad zo is, al is
het geen gebruikelijke weg. Zij is echter bij de beoordeling van de vraag
of verzoekster nog in aanmerking kwam voor de studiekostenvergoeding na
de omzetting in een deeltijd dienstverband, er vanuit gegaan dat verzoekster
in de toekomst werkzaam wilde zijn op de RA-afdeling als controleleider.

De opleiding tot registeraccountant die door het Nivra wordt verzorgd,
wordt over het algemeen na 8 tot 11 jaren afgerond en kost per jaar ƒ 8000,-.
Aanvang van de studie op zo jong mogelijke leeftijd is, gezien het feit
dat er sprake is van de combinatie werken en studeren, voor zowel werknemer
als werkgever van belang. Het doel van deze opleiding is het opleiden tot
registeraccountant. Verwacht wordt dat degenen die deze opleiding doen,
het geleerde vervolgens toepassen in de praktijk als controleleider. Tot
de belangrijkste werkzaamheden van een controleleider behoren de controle
van de jaarrekening en het adviseren van cliënten.

3.8. Verzoeken om deeltijd te mogen werken, worden door de wederpartij
per individu en werksituatie bekeken. Ondanks dat in het geval van verzoekster
twijfels bestonden over de praktische kant ervan, is haar verzoek om in
deeltijd te gaan werken ingewilligd. Verzoekster is direct meegedeeld dat
haar besluit om in deeltijd te gaan werken gevolgen zou hebben voor haar
studiekosten- vergoeding. Dit hangt samen met het feit dat door haar deeltijdaanstelling
het mogelijke rendement van de studie voor de wederpartij sterk verminderde.
Doordat verzoekster in deeltijd wilde gaan werken, nam de relevantie van
haar studie voor het werk dat zij bleef doen nagenoeg volledig af. Het
afwijzen van het verzoek om vergoeding heeft dus te maken met het feit
dat investeren in niet realiseerbare doelstellingen onwenselijk is. Het
is de wederpartij niet bekend dat op de vestiging waar verzoekster werkzaam
was in eerste instantie over een naar rato vergoeding is gesproken.
De opleiding zou moeten uitmonden in een functie als controleleider. Een
controleleider dient te allen tijde voor zijn/haar cliënten beschikbaar
te zijn. Daarom zou het onwenselijk c.q. onverstandig zijn, gezien de bedrijfsstructuur
en de doelstelling van de onderneming in de huidige maatschappij, om deeltijd-controleleiders
in dienst te hebben. Ook kent de wederpartij geen deeltijdwerkers die de
Nivra-opleiding volgen. Deeltijdcontroleleiders en deeltijd-Nivra-studerenden
zouden het bestaansrecht van de wederpartij aantasten. De wederpartij heeft
ook nimmer verzoeken gehad van controleleiders of
Nivra-studerenden om in deeltijd te mogen werken.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld door de vergoeding
voor studiekosten voor de opleiding tot registeraccountant, bij verzoeksters
overgang naar een deeltijd
dienstverband, niet te continueren.

4.2. In dat verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.
Artikel 7:648 eerste lid Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt onder andere dat
de werkgever geen onderscheid mag maken tussen werknemers op grond van
een verschil in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een arbeidsovereenkomst
wordt aangegaan, voortgezet dan wel opgezegd, tenzij een dergelijk onderscheid
objectief gerechtvaardigd is (Dit verbod was tot 1 april 1997 vervat in
artikel 7A:1637ija BW.). Dit artikel is vervat in de Wet van 3 juli 1996,
houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de Ambtenarenwet in verband
met het verbod tot het maken van onderscheid tussen werknemers naar arbeidsduur
(WOA). Deze wet is op 1 november 1996 in werking getreden.

4.3. De Commissie onderzoekt eerst of de klacht van verzoekster getoetst
kan worden aan de WOA, in verband met de datum waarop deze wet in werking
is getreden.
De klacht van verzoekster heeft betrekking op het jegens haar genomen besluit
om geen studiekostenvergoeding toe te kennen voor haar Nivra-opleiding,
na de omzetting van het volledige dienstverband in een deeltijddienstverband
per 1 oktober 1996. Vaststaat dat verzoekster tot 1 oktober 1996 een volledige
vergoeding voor de vooraf goedgekeurde studieonderdelen heeft gekregen.
Een verzoek van verzoekster voor studiekostenvergoeding van 12 december
1996 is niet meer goedgekeurd door de wederpartij.
Op grond hiervan stelt de Commissie vast dat verzoekster na de inwerkingtreding
van de WOA getroffen is door het beleid van de wederpartij om voor deeltijdwerkers
geen vergoeding voor de opleiding tot registeraccountant te verstrekken.
De Commissie onderzoekt derhalve of sprake is van een verboden onderscheid
als bedoeld in artikel 7:648 eerste lid BW.

4.4. De systematiek die volgens de Memorie van Toelichting (MvT) bij toetsing
of een regeling in strijd is met de WOA, in casu artikel 7:648 eerste lid
BW, moet worden toegepast, is als volgt.
Eerst moet worden onderzocht of sprake is van een benadeling op grond van
arbeidsduur. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moet bekeken
worden of het onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

De eerste vraag die de Commissie dient te beantwoorden, gelet op het voorgaande,
is of sprake is van een verschil in behandeling door deeltijdwerkers geen
tegemoetkoming in de kosten van de opleiding tot registeraccountant te
verstrekken, en of sprake is van een benadeling op grond van arbeidsduur
(Tweede Kamer, 1995-1996, 24498, nr. 3, p. 9.).

In de MvT wordt ten aanzien van opleidingsfaciliteiten opgemerkt dat een
onderscheid moet worden gemaakt tussen opleidingen die door de werkgever
in het kader van de uit te oefenen werkzaamheden vereist worden en de andere
opleidingsfaciliteiten, bijvoorbeeld voor studiedoeleinden (Tweede Kamer,
1995-1996, 24498, nr. 3, p. 12. Zie ook Tweede Kamer, 1995-1996, 24498,
nr. 5, p. 12.). Ten aanzien van opleidingen welke niet vereist zijn in
het kader van de uit te oefenen werkzaamheden -niet verplicht-gestelde
opleidingen- waarvoor een vergoeding van kosten en/of uren geldt, wordt
in de MvT opgemerkt dat in het algemeen een vergoeding tenminste naar rato
uitgangspunt zal dienen te zijn. In hoeverre een hogere dan naar rato,
dan wel een volledige vergoeding in de rede ligt, zal mede afhankelijk
zijn van de mate waarin de betreffende opleiding ten goede komt aan de
functievervulling (Tweede Kamer, 1995-1996, 24498, nr. 3, p. 12. Zie ook
Tweede Kamer, 1995-1996, 24498, nr. 5, p. 12).

In het onderhavige geval betreft het een opleiding waarvoor verzoekster
een studiekostenvergoeding ontving, zolang zij in een voltijd dienstverband
werkzaam was. Bij de omzetting naar een deeltijd dienstverband is verzoekster
geen vergoeding meer toegekend. Partijen verschilden aanvankelijk van mening
over de vraag in hoeverre de opleiding die verzoekster volgde van belang
was voor haar werkzaamheden. De Commissie stelt vast dat ook indien de
wederpartij van mening was dat de opleiding van verzoekster als een niet-verplichte
opleiding was aan te merken, volgens de MvT voor het volgen van een dergelijke
opleiding aan een deeltijdwerker een vergoeding zou moeten worden verstrekt
die tenminste naar rato van de vergoeding die de voltijdwerker ontvangt,
moet zijn vastgesteld. Deeltijdwerkers komen echter op grond van hun arbeidsduur
in het geheel niet in aanmerking voor een tegemoetkoming van de kosten
van de Nivra-opleiding, omdat zij niet in aanmerking komen voor een mogelijk
daarop aansluitende functie, namelijk controleleider. De wederpartij heeft
als vast beleid dat deze functie niet in deeltijd kan worden vervuld. Op
grond hiervan concludeert de Commissie dat er sprake is van een benadeling
op grond van arbeidsduur.

4.5. Nu de Commissie heeft vastgesteld dat sprake is van een benadeling
op grond van arbeidsduur, moet worden onderzocht of dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.
Uit de MvT bij artikel 7:648 eerste lid BW blijkt dat de wetgever verwacht
dat de rechter en de Commissie aansluiting zoeken bij de criteria die door
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) zijn ontwikkeld
in het kader van de objectieve rechtvaardiging van indirect onderscheid
op grond van geslacht (HvJEG, 13 mei 1986, Bilka-Kaufhaus versus Weber
van Hartz, zaak 170/84, Jur. 1986, p. 1620; Rinner-Kühn versus FWW Spezial
Gebäudereinigung GmbH & Co.KG, zaak 171/88, Jur. 1989, p. 2743.). In het
kader van het toetsen van de objectieve rechtvaardiging bij onderscheid
naar arbeidsduur is het niet altijd relevant om te toetsen of aan het nagestreefde
doel iedere discriminatie vreemd is, omdat bij onderscheid naar arbeidsduur
het onderscheid juist (mede) op verschil in behandeling is gericht.
De Commissie legt de door het HvJEG in het kader van indirect onderscheid
ontwikkelde toets ter beoordeling van een objectieve rechtvaardiging zodanig
uit, dat bij het onderscheid op grond van arbeidsduur getoetst moet worden
aan de volgende criteria:
– het met de betreffende handelwijze nagestreefde doel moet zwaarwegend
en legitiem zijn;
– de middelen die gekozen worden, moeten geschikt (doelmatig) en noodzakelijk
(proportioneel) zijn om het doel te bereiken.

4.6. Ten aanzien van de vraag of het doel van de wederpartij voldoende
zwaarwegend en legitiem is, overweegt de Commissie als volgt.

De ratio van de studiekostenregeling is een tegemoetkoming te verstrekken
in de kosten voor opleidingen die voor de functie van betrokken werknemer
relevant zijn en waarbij sprake is van een redelijke verhouding tussen
investering en verwacht rendement. Dit rendement vertaalt zich in een optimale
inzetbaarheid van de werknemer in de toekomst.

Om voor een vergoeding voor de Nivra-opleiding in aanmerking te komen,
dient men een voltijd dienstverband te hebben. De ratio van deze aanvullende
eis is dat het niveau van de functies op de RA-afdeling, waar men na afronding
van (het NAC-2 gedeelte van) deze opleiding geschikt voor is, niet in deeltijd
kunnen worden uitgeoefend. Gelet daarop zou het rendement van de voor de
onderhavige opleiding vereiste investering (8 tot 11 jaren van ƒ 8000,-
per jaar) niet voldoende zijn. Het uitvoeren van een dergelijke functie
in deeltijd zou, gelet op de aard van de functie en de dienstverlening
van de wederpartij, het bestaansrecht van haar onderneming aantasten.

Bij de indiensttreding van verzoekster op de AA-afdeling van de wederpartij,
is goedgekeurd door de wederpartij dat zij de
Nivra-opleiding bleef volgen. Ter zitting is gebleken dat verzoekster na
het afronden van de opleiding tot en met het niveau NAC-2, de verkorte
AA-opleiding tot accountant wilde volgen ten behoeve van haar (toekomstige)
werkzaamheden op de AA-afdeling. De wederpartij heeft ter zitting erkend
dat de NAC-2 opleiding op die wijze inderdaad voor de vervolgopleiding
tot AA-accountant relevant is. De Commissie stelt vast dat er tussen verzoekster
en wederpartij geen volledige duidelijkheid is geweest over de opleidingswensen
en ambities van verzoekster. Ondanks deze onduidelijkheid, is de wederpartij
wel bereid geweest de Nivra-opleiding te vergoeden, toen verzoekster in
voltijd dienstverband op de AA-afdeling werkzaam was.
De Commissie concludeert hieruit dat de wederpartij deze opleiding ook
voldoende relevant achtte voor de (toekomstige) werkzaamheden van verzoekster
op de AA-afdeling, gelet op de financiële investering.
De wederpartij heeft aangegeven dat het verwachte rendement van de Nivra-opleiding
zou komen te vervallen omdat de functie op het niveau van controleleider,
waarvoor deze opleiding vereist is, slechts in volledig dienstverband zou
kunnen worden uitgeoefend vanwege de dienstverlening aan cliënten. Gesteld
is dat gebruikelijk is bij de wederpartij en bij branche-genoten dat medewerkers
met een (gedeeltelijke) Nivra-opleiding op de
RA-afdeling in voltijd dienstverband werken. De Commissie overweegt dat
de vraag of dergelijke functies wel in deeltijd zouden kunnen worden uitgeoefend,
in het onderhavige geval niet relevant is omdat verzoekster een dergelijke
functie op de RA-afdeling niet wenste te gaan vervullen.

De Commissie is op grond van het voorgaande van oordeel dat de wederpartij
niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Nivra-opleiding in het geval van
verzoekster niet relevant was voor haar toekomstige functie, ook als die
op de AA-afdeling zou zijn.
Dit leidt tot de conclusie dat in dit geval het doel niet voldoet aan een
werkelijke behoefte van de onderneming en dat derhalve geen sprake is van
objectief gerechtvaardigde redenen voor het gemaakte onderscheid op grond
van arbeidsduur.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Hoorn jegens mevrouw
(….) te Zaandam een verboden onderscheid naar arbeidsduur in de arbeidsvoorwaarden
heeft gemaakt als bedoeld in artikel 7:648 Burgerlijk Wetboek door de studiekostenvergoeding
bij de overgang naar een deeltijd dienstverband niet te continueren.

Rechters

Mw. prof.mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. prof.mr. P.F. vander Heijden (lid Kamer), mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. mr.A.N. Veekamp (secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 4 maart 1998

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


De vrouw stemt wel toe in het gezamenlijk gezag na scheiding over het kind
maar wil graag dat de verblijfplaats van het kind wordt vastgelegd. Hiertoe
wordt in het echtscheidingsvonnis opgenomen dat de rechtbank ervan uitgaat
dat het minderjarige kind bij de vrouw zal blijven wonen.

Volledige tekst

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het op 26 januari
1998 ter griffie ingediende verzoekschrift.
De verwerende partij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Derhalve is een behandeling ter rechtzitting achterwege gebleven.
De verzoekende partij verzoekt dat tussen partijen echtscheiding wordt
uitgesproken op grond van duurzame ontwrichting van hun huwelijk.
De verzoekende partij heeft de Indonesische nationaliteit en de verwerende
partij heeft de Nederlandse nationaliteit.
De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe omdat de verzoekende partij ten
tijde van de indiening van het verzoekschrift langer dan twaalf maanden hier
ten lande woonde.
De verzoekende partij heeft gekozen voor toepassing van Nederlandrecht. Nu de
keuze onweersproken is gebleven wordt Nederland recht toegepast.
Er is geen verweer gevoerd tegen het verzoek, zodat het verzoek als niet
bestreden toewijsbaar is.
Hetzelfde geldt voor de hierna te noemen nevenverzoeken.
De rechtbank gaat ervan uit dat de minderjarige D. bij de vrouw zal blijven
wonen.
Met inachtneming van de Wet 30 oktober 1997 Stb. 506, in werking getreden op
1 januari 1998, waarin is bepaald dat het gezamenlijk gezag na echtscheiding
van rechtswege blijft voortduren, behoeft de rechtbank niet te voorzien in
het gezag.

Beslissing:

De rechtbank: spreekt echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Amstelveen
op 14 juni 1993;
bepaalt dat de vrouw huurster van de echtelijke woning te Amsterdam zal zijn;
verklaart voormelde nevenvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;
beveelt beide partijen met elkaar over te gaan tot verdeling van de tussen
hen bestaande gemeenschap van goederen en benoemt voor het geval van geschil
daaromtrent Mr. G. Strang, notaris te Amsterdam, dan wel de ambtelijke
bewaarder van diens protocol, teneinde de verdeling op een door hem te
bepalen plaats en tijd te bewerkstelligen, en voor het geval van
weigerachtigheid of nalatigheid tot medewerking, mr. M. Das, advocaat te
Amsterdam, en mr. E.H. Deur, advocaat te Amsterdam, ter vertegenwoordiging
van de man, respectievelijk de vrouw;

bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Rechters

Mr Hofman-Bijl

Instantie: Supreme Court of the United States, 4 maart 1998

Instantie

Supreme Court of the United States

Samenvatting


Oncale werd mishandeld en seksueel geïntimideerd door zijn mannelijke
collega’s. Alhoewel hij deze voorvallen heeft gemeld aan zijn chef, werd er
niet tegen opgetreden. Oncale stapte daarop naar de rechter. De lagere
rechter verklaarde de zaak niet ontvankelijk omdat “same-sex” seksuele
intimidatie niet valt onder Titel VII (non-discriminatie wet in de VS) welke
discriminatie op grond van sekse verbiedt.
Unaniem beslist Supreme Court dat onder titel VII ook seksuele intimidatie
valt als beide partijen van dezelfde sekse zijn.
Het Hof oordeelt dat van belang is of leden van het ene geslacht worden
blootgesteld aan bepaalde nadelen of condities binnen het werk in
vergelijking met leden van het andere geslacht. Het Hof zegt daarbij tevens
dat het seksueel intimiderende gedrag niet hoeft plaats te vinden vanuit een
seksueel verlangen om inbreuk te maken op de wet. Maar bewijstechnisch ligt
het in het ene geval toch veel moeilijker dan in het andere.

Volledige tekst

Justice SCALIA delivered the opinion of the Court.
This case presents the question whether workplace harassment can violate
Title VII’s prohibition against “discriminat[ion] .. because of… sex,”,
when the harasser and the harassed employee are of the same sex.

I The District Court having granted summary judgment for respondent, we must
assume the facts to be as alleged by petitioner Joseph Oncale. The precise
details are irrelevant to the legal point we must decide, and in the interest
of both brevity and dignity we shall describe them only generally. In late
October 1991, Oncale was working for respondent Sundowner Offshore Services
on a Chevron U.S.A., Inc., oil platform in the Gulf of Mexico. He was
employed as a roustabout *1001 on an eight-man crew which included
respondents John
yons, Danny Pippen, and Brandon Johnson. Lyons, the crane operator, and
Pippen, the driller, had supervisory authority, App. 41, 77, 43. On several
occasions, Oncale was forcibly subjected to sex-related, humiliating actions
against him by Lyons, Pippen and Johnson in the presence of the rest of the
crew. Pippen and Lyons also physically assaulted Oncale in a sexual manner,
and Lyons threatened him with rape. Oncale’s complaints to supervisory
personnel produced no remedial action; in fact, the company’s Safety
Compliance Clerk, Valent Hohen, told Oncale that
yons and Pippen “picked [on] him all the time too,” and called him a name
suggesting homosexuality. Id., at 77. Oncale eventually quit – asking that
his pink slip reflect that he “voluntarily left due to sexual harassment and
verbal abuse.” Id., at 79. When asked at his deposition why he left
Sundowner, Oncale stated “I felt that if I didn’t leave my job, that I would
be raped or forced to have sex.” Id., at 71. Oncale filed a complaint against
Sundowner in the United States District Court for the Eastern District of
ouisiana, alleging that he was discriminated against in his employment
because of his sex. Relying on the Fifth Circuit’s decision in Garcia v. Elf
Atochem North
America, 28 F.3d 446, 451-452 (C.A.5 1994), the district court held that “Mr.
Oncale, a male, has no cause of action under Title VII for harassment by male
co-workers.” App. 106. On appeal, a panel of the Fifth Circuit concluded that
Garcia was binding Circuit precedent, and affirmed. 83 F.3d 118 (1996). We
granted certiorari. 520 U.S., 117 S.Ct. 2430, 138 L.Ed.2d 192 (1997)

II (1) Title VII of the Civil Rights Act of 1964 provides, in relevant part,
that “it shall be an unlawful employment practice for an employer … to
discriminate against any individual with respect to his compensation, terms,
conditions, or privileges of employment, because of such individual’s race,
color, religion, sex, or national origin.” 78 Stat. 255, as amended,, 42
U.S.C. S 2000e-2(a) (1). We have held that this not only covers “terms” and
“conditions” in the narrow contractual sense, but “evinces a congressional
intent to strike at the entire spectrum of disparate treatment of men and
women in employment.” Meritor Savings Bank, FSB v. Vinson, 477 U.S. 57, 64,
106 S.Ct. 2399, 2404, 91
.Ed.2d 49 (1986) (citations and internal quotation marks omitted). “When the
workplace is permeated with discriminatory intimidation, ridicule, and insult
that is sufficiently severe or pervasive to alter the conditions of the
victim’s employment and create an abusive working environment, Title VII is
violated.” Harris v. Forklift Systems, Inc., 510 U.S. 17, 21, 114 S.Ct. 367,
370, 126 L.Ed.2d 295 (1993) (citations and internal quotation marks omitted).
(2)(3)(4) Title VII’s prohibition of discrimination “because of …sex”
protects men as well as women, Newport News Shipbuilding & Dry Dock Co. v.
EEOC, 462 U.S. 669, 682, 103 S.Ct. 2622, 2630, 77 L.Ed.2d 89 (1983), and in
the related context of racial discrimination in the workplace we have
rejected any conclusive presumption that an employer will not discriminate
against members of his own race. “Because of the many facets of human
motivation, it would be unwise to presume as a matter of law that human
beings of one definable group will not discriminate against other members of
that group.” Castaneda v. Partida, 430 U.S. 482, 499, 97 S.Ct. 1272, 1282, 51
.Ed.2d 498 (1977). See also id., at 514 n. 6, 97 S.Ct., at 1290 n. 6 (Powell,
J., joined by Burger, C.J., and REHNQUIST, J., dissenting). In Johnson v.
Transportation Agency, Santa Clara Cty., 480 U.S. 616, 107 S.Ct. 1442, 94
L.Ed.2d 615 (1987), a male employee claimed that his employer discriminated
against him because of his sex when it preferred a female employee for
promotion. Although we ultimately rejected the claim on other grounds, we did
not consider it significant that the supervisor who made that decision was
also a man. See id., at 624-625, 107 S.Ct., at 1447-1448. If our precedents
leave any doubt on the question, we hold today that nothing in Title VII
necessarily bars a claim of discrimination “because of … sex” merely
because the plaintiff and the defendant (*1002 or the person charged with
acting on behalf of the defendant) are of the same sex.
Courts have had little trouble with that principle in cases like Johnson,
where an employee claims to have been passed over for a job or promotion. But
when the issue arises in the context of a “hostile environment” sexual
harassment claim, the state and federal courts have taken a bewildering
variety of stances. Some, like the Fifth Circuit in this case, have held that
same-sex sexual harassment claims are never cognizable under Title VII. See
also, e.g., Goluszek v. H.P. Smith,697 F.Supp. 1452 (N.D.Ill.1988). Other
decisions say that such claims are actionable only if the plaintiff can prove
that the harasser is homosexual (and thus presumably motivated by sexual
desire). Compare McWilliams v. Fairfax County Board of Supervisors, 72 F.3d
1191 (C.A.4 1996), with Wrightson v. Pizza Hut of America, 99 F.3d 138 (C.A.4
1996). Still others suggest that workplace harassment that is sexual in
content is always actionable, regardless of the harasser’s sex, sexual
orientation, or motivations. See Doe v. Belleville, 119 F.3d 563 (C.A.7
1997).
(5)(6) We see no justification in the statutory language or our precedents
for a categorical rule excluding same-sex harassment claims from the coverage
of Title VII. As some courts have observed, male-on-male sexual harassment in
the workplace was assuredly not the principal evil Congress was concerned
with when it enacted Title VII.
But statutory prohibitions often go beyond the principal evil to cover
reasonably comparable evils, and it is ultimately the provisions of our laws
rather than the principal concerns of our legislators by which we are
governed. Title VII prohibits “discriminat[ion] … because of … sex” in
the “terms” or “conditions” of employment. Our holding that this includes
sexual harassment must extend to sexual harassment of any kind that meets the
statutory requirements.
(7)(8) Respondents and their amici contend that recognizing liability for
same-sex harassment will transform Title VII into a general civility code for
the American workplace. But that risk is no greater for same-sex than for
opposite-sex harassment, and is adequately met by careful attention to the
requirements of the statute. Title VII does not prohibit all verbal or
physical harassment in the workplace; it is directed only at “discriminat
[ion] … because of … sex.” We have never held that workplace harassment,
even harassment between men and women, is automatically discrimination
because of sex merely because the words used have sexual content or
connotations. “The critical issue, Title VII’s text indicates, is whether
members of one sex are exposed to disadvantageous terms or conditions of
employment to which members of the other sex are not exposed.” Harris, supra,
at 25, 114 S.Ct., at 372 (GINSBURG, J., concurring).
(9)(10)(11)(12) Courts and juries have found the inference of discrimination
easy to draw in most male-female sexual harassment situations, because the
challenged conduct typically involves explicit or implicit proposals of
sexual activity; it is reasonable to assume those proposals would not have
been made to someone of the same sex. The same chain of inference would be
available to a plaintiff alleging same-sex harassment, if there were credible
evidence that the harasser was homosexual. But harassing conduct need not be
motivated by sexual desire to support an inference of discrimination on the
basis of sex. A trier of fact might reasonably find such discrimination, for
example, if a female victim is harassed in such sex-specific and derogatory
terms by another woman as to make it clear that the harasser is motivated by
general hostility to the presence of women in the workplace. A same-sex
harassment plaintiff may also, of course, offer direct comparative evidence
about how the alleged harasser treated members of both sexes in a mixed-sex
workplace. Whatever evidentiary route the plaintiff chooses to follow, he or
she must always prove that the conduct at issue was not merely tinged with
offensive sexual connotations, but actually constituted “discrimina[tion] …
because of … sex.”
(13)(14) And there is another requirement that prevents Title VII from
expanding into a general civility code: As we emphasized in Meritor and
Harris, the statute does *1003 not reach genuine but innocuous differences in
the ways men and women routinely interact with members of the same sex and of
the opposite sex. The prohibition of harassment on the basis of sex requires
neither asexuality nor androgyny in the workplace; it forbids only behavior
so objectively offensive as to alter the “conditions” of the victim’s
employment. “Conduct that is not severe or pervasive enough to create an
objectively hostile or abusive work environment – an environment that a
reasonable person would find hostile or abusive – is beyond Title VII’s
purview.” Harris, 510 U.S., at 21, 114 S.Ct., at 370, citing Meritor, 477
U.S., at 67, 106 S.Ct., at 2405-2406. We have always regarded that
requirement as crucial, and as sufficient to ensure that courts and juries do
not mistake ordinary socializing in the workplace–such as male-on-male
horseplay or intersexual flirtation–for discriminatory “conditions of
employment.”
(15)(16) We have emphasized, moreover, that the objective severity of
harassment should be judged from the perspective of a reasonable person in
the plaintiff’s position, considering “all the circumstances.” Harris, supra,
at 23, 114 S.Ct., at 371. In same-sex (as in all) harassment cases, that
inquiry requires careful consideration of the social context in which
particular behavior occurs and is experienced by its target. A professional
football player’s working environment is not severely or pervasively abusive,
for example, if the coach smacks him on the buttocks as he heads onto the
field–even if the same behavior would reasonably be experienced as abusive
by the coach’s secretary (male or female) back at the office. The real social
impact of workplace behavior often depends on a constellation of surrounding
circumstances, expectations, and relationships which are not fully captured
by a simple recitation of the words used or the physical acts performed.
Common sense, and an appropriate sensitivity to social context, will enable
courts and juries to distinguish between simple teasing or roughhousing among
members of the same sex, and conduct which a reasonable person in the
plaintiff’s position would find severely hostile or abusive.

III Because we conclude that sex discrimination consisting of same-sex sexual
harassment is actionable under Title VII, the judgment of the Court of
Appeals for the Fifth Circuit is reversed, and the case is remanded for
further proceedings consistent with this opinion.
It is so ordered.

Justice THOMAS, concurring.
I concur because the Court stresses that in every sexual harassment case, the
plaintiff must plead and ultimately prove Title VII’s statutory requirement
that there be discrimination “because of … sex.”

Noot

Recently, the Supreme Court of the United States decided that a man who was
harassed on the job by his fellow male co-workers and supervisors could file
a law suit using a Federal Law which prohibits discrimination based on ‘sex’.
(Oncale v. Sundowner Offshore Services, No 96.568) Previous to the Supreme
Court decision lower federal courts were divided regarding how to interpret
same-sex sexual harassment. Some courts flatly rejected inclusion of this
type of harassment under the federal law claiming that harassment could only
take place between members of the opposite sex. A typical example of opposite
sex sexual harassment would be when a male colleague asked a woman co-worker
for non-consented sexual favors. Other courts, however, extended protection
to same-sex sexual harassment situations.

After the Supreme Court decision in Oncale, many commentators are claiming
the Supreme Court unified the lower court’s varied opinions by allowing a
same-sex sexual harassment suit. They note that, the Chief Justice, writing
for an unanimous court, said that a man who was subject to a co-worker
putting his penis on his neck and arm, and who was held by a co-worker while
his supervisor attempted to force a bar of soap into his anus, could claim he
was sexually harassed. However encouraging the Court decision sounds,
American lesbians and gays should be extremely guarded in their celebration.
Additionally, the decision may signal a retreat from the protection women
have only recently secured.

Caution is needed because the Supreme Court warned that not all same sex
sexual harassment would violate the federal law. The Supreme Court indicated
that plaintiff’s must prove up their cases by either offering ‘direct
comparative evidence about how the alleged harasser treated members of both
sexes in a mixed-sex workplace’, or showing there was a general hostility ’to
the person harassed because of the gender of the individual’. As to the
latter method, the Supreme Court offers an example where ‘a female victim is
harassed in such a sex-specific and derogating terms by another woman as to
make it clear that the harasser is motivated by general hostility to the
presence of women in the workplace’. This might be a situation where a car
saleswoman harasses another woman by constantly calling her a ‘bitch’,
‘whore’, and where she leaves notes on her desk that she should find work
elsewhere.

Considering the first method of proof, it is difficult to picture how the
plaintiff in Oncale will be able to use comparative evidence since there were
no women oilriggers. Thus, plaintiff is left with the second method of
proving up his case. He will have to show that the men on the oil rig had a
general hostility toward men which also seems like an impossible task. What
happened in Oncale is a group of men singled out one male for extremely
hostile treatment. There is no indication in the facts that these men didn’t
like men in the workplace. Indeed, they seemed to band together like a pack
of wild male dogs. A more likely explanation of the harassment is that the
plaintiff, who is a non-gay soft-spoken male of slight stature, does not
appear to be a ‘manly-man’, and was harassed because he failed to conform to
the oil-rig standard of what males should be. In other words, Mr. Oncale was
harassed because he appeared to be gay.

Adding confusion to an already difficult task, the Supreme Court
subsequently, but on the same day, disposed of two same-sex sexual harassment
cases differently. In the first case, a gay supervisor repeatedly
propositioned and offered employment benefits in exchange for sexual favors
to a male waiter. When the waiter reported the matter to management, the
supervisor retaliated. The lower court found that this type of same-sex
sexual harassment violated the federal law. The Supreme Court denied to hear
the case. The effect of denying to hear is to agree with the lower court. In
the second case, co-workers constantly referred to one of the plaintiffs, a
young man 16 years old perceived by the other workers to be gay, as a ‘fag’,
or ‘queer’. The young man was told by his co-workers they were going to take
him to the woods where they would ‘get him up the ass’, and they backed him
up to a wall and grabbed his testicles to find out if he was a ‘girl or boy’.
The lower court said the young man had a right to sue under the federal law.
In this case the Supreme Court remanded (sent back) in light of Oncale.

Quite obviously, these two cases indicate that the Supreme Court is quite
comfortable in letting relief be offered to a straight who has been harassed
by a gay, but has a difficult time when a person is harassed because they are
queer or because they appear to be queer. Despite the fact the Oncale case
was held as including same-sex sexual harassment, American queers have still
not achieved equity with non gays. In fact, just the opposite is true.
According to the cases after Oncale if you are a queer and you harass, the
person harassed will have a remedy. If you are queer and you are harassed, it
is unlikely that you will be protected.

One explanation is that the Supreme Court does not want to get involved in
issues of sexual orientation or sexual stereotypes when it involves queers.
Thus the Court struggles to limit what sex means. Sometimes, the Court
indicates the word sex means anatomical structure or physical attributes of a
person. The comparative proof required by the Court comports with this
meaning of sex that is, a harasser treats males differently from females. The
other method of proof, at least by example of the cases remanded or refused
to be heard, indicate that the court has sexual activity in mind. Nothing
else explains the decision to let a case stand where a gay supervisor
harasses a male waiter, and then remanding when a group of presumedly
straight males harass a gay appearing young man.

A better approach would be to not focus on the harasser’s sexual orientation
or the harrasser’s sexual intent. In essence, it is unimportant whether the
harrasser is motivated by his desire to impose his ideas of gender conformity
on non-conforming individuals, or is motivated by his own sexual desire, or
is consumed by hatred or jealously of a member of a particular sex. What is
important is that the harasser is using some definition of the victim’s
gender or sexual identity as a means to intimidate, assert power over or take
advantage of a person’s perceived weakness. Thus, regardless of the nature of
the motivation, each discriminatory act has a ‘sex’ component, creates a
hostile workplace and interferes with the worker’s ability to work. As such,
it would seem clear that queers should fall within the gambit of protections
offered under American sexual harassment laws. However, given the current
make-up of the court, it is not likely that the discrimination faced by
queers and others who defy their gender’s stereotypes will come under the
umbrella of protection offered by sexual harassment laws.

It is interesting to note, as the plaintiff’s attorney in Oncale observed,
the Supreme Court could have resolved the case by merely following its own
precedent, which gives a broad definition to sex/sexual harassment and which
found that discrimination on the basis of gender stereotypes is
impermissible. In this earlier case, the Supreme Court ruled that a woman
could not be fired because she failed to fit the feminine stereotype by being
aggressive, swearing and not wearing traditional feminine apparel. This
precedent, if applied to facts like those represent in Oncale, should mean
that men cannot also be discriminated against because of their failure to fit
a stereotypical and elusive male ideal. For reasons known only to the Supreme
Court, this line of reasoning has not been applied either to queers or to men
like the plaintiff in Oncale. The Supreme Court’s failure to see the truth in
the nature of the discrimination presented in Oncale raises grave concerns
both for queers and for women. For queers it becomes painfully clear that
they can only be the harasser but never the harassed. For women, Oncale
signals that the Supreme Court may have also changed the way that courts will
examine harassment against women. According to Oncale’s attorney, the Court
seems to have changed the type of proof needed.

These cases indicate that, for queers to be guaranteed protected from
harassment, new legislation will have to be passed. But, the future of
federal legislation which would protect all Americans including queers in the
workplace is an unlikely event. Unlike other countries, American gays and
lesbians are destined to play the waiting game for nation-wide protection.

Charlene Smith

Rechters

Mrs Thomas, Scalia

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 4 maart 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een man werkt als amusementsmedewerker. Hij stelt dat de bedrijfsleider
van het bedrijf waar hij werkte hem de opdracht gaf om bezoekers van allochtone
afkomst te weren. Hij wenste daar niet aan te voldoen en heeft daarom ontslag
genomen. De man is van mening dat het bedrijf, door hem aan te zetten tot
discriminerend gedrag, in de arbeidsvoorwaarden onderscheid heeft gemaakt
naar ras.
De Commissie oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat de bedrijfsleider
in het bedrijf heeft aangezet tot discriminatie. Maar wel is komen vast
te staan dat hij een zodanig beleid heeft gevoerd dat daardoor willekeurig
kon worden opgetreden bij de toelating van bezoekers. De Commissie oordeelt
dat tevens is komen vast te staan dat de bedrijfsleider enkele malen allochtone
bezoekers discriminerend bejegende. De Commissie is op grond hiervan van
oordeel dat het bedrijf onderscheid naar ras heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 11 juli 1997 verzocht de heer (….) te Alkmaar (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of (….), te Alkmaar (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid heeft
gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker was bij de wederpartij werkzaam als amusementsmedewerker.
De bedrijfsleider van de wederpartij gaf verzoeker de opdracht om personen
van allochtone afkomst uit de zaak te weren. Verzoeker wenste daaraan niet
te voldoen en heeft daarom ontslag genomen. Verzoeker is van mening dat
de wederpartij door hem aan te zetten tot discriminerend gedrag onderscheid
heeft gemaakt naar ras.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen en hebben hun standpunten nader
toegelicht op een zitting van 12 januari 1998. De Commissie heeft tevens
een aantal getuigen opgeroepen.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (verzoeker)
– mw. (….) (gemachtigde)
– dhr. (….) (medewerker ADB)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (commercieel-manager)
– dhr. mr. (….) (gemachtigde)

als getuigen
– dhr. (….) (oud medewerker van de wederpartij)
– dhr. (….) (bezoeker van de amusementshal)
– dhr. (….) van Veen (direkteur van een adviesbureau voor recherche en
veiligheidsdiensten)
– mw. (….) (kassa- en zaalmedewerkster)
– dhr. (….) (zaalmedewerker)
– dhr. (….) (assistent-bedrijfsleider)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is exploitant van een amusementshal met speelautomaten.
Een belangrijk deel van de klantenkring van de wederpartij -ongeveer 40%
van de bezoekers- bestaat uit personen van allochtone afkomst. Aanvankelijk
gold voor toegang tot de amusementshal een minimumleeftijd van 16 jaar.
In juni 1992 is deze verhoogd naar 18 jaar. Sinds 3 maart 1997 geldt een
minimumleeftijd van 21 jaar.
De wederpartij is sedert medio 1996 in het bezit van een certificaat van
KEMA Nederland B.V. Een dergelijk certificaat beoogt een garantie te geven
voor een bepaald niveau van kwaliteit in de bedrijfsvoering van amusementscentra
en is onder meer afgestemd op de NEN-ISO 9000 serie. Om voor een dergelijk
certificaat in aanmerking te komen dient een onderneming aan een aantal
criteria te voldoen dat betrekking heeft op het neerleggen van processen,
het verlenen van service aan bezoekers, documentenbeheer, registratie,
keuringen van speelautomaten, opleidingen en dergelijke.

3.2. Sinds medio 1996 hielden zich groepen samenscholende jongeren in de
amusementshal op, die door de wederpartij worden aangeduid als ‘hangjeugd’.
Deze groepen bestonden voor een groot deel uit allochtone jongeren maar
ook uit autochtone jongeren. Zij versperden de toegang tot het amusementscentrum
en creëerden voor andere bezoekers een onaangename sfeer. Om deze hangjeugd
te weren is de toegangsleeftijd begin maart 1997 verhoogd tot 21 jaar.
Voorts werd de hulp van een adviesbureau voor recherche en veiligheidsdiensten
ingeschakeld. Het adviesbureau heeft de wederpartij gedurende de periode
van 19 maart tot 4 april 1997 begeleid bij het weren van groepen jongeren.

3.3. Verzoeker is van 13 februari 1995 tot en met 10 juni 1997 bij de wederpartij
werkzaam geweest. Verzoeker vervulde de functie van amusementsmedewerker.
Zijn taak bestond uit het instrueren van klanten, het bijvullen van speelautomaten,
het verstrekken van koffie, het verlenen van service, het begeleiden van
bezoekers en het houden van toezicht in de zaak.

3.4. Verzoeker heeft op 10 juni 1997 met onmiddellijke ingang ontslag genomen
tegen een vergoeding van drie bruto maandsalarissen. Hij heeft een schriftelijke
verklaring ondertekend waarin als reden voor ontslagname wordt vermeld
dat hij zich niet kan vinden in de nieuwe werksituatie die is ontstaan
nadat door de wederpartij het KEMA-certificaat is behaald.

3.5. Op 25 juni 1997 heeft verzoeker aangifte gedaan van discriminatie
door de wederpartij. Hij heeft verklaard dat de bedrijfsleider van de wederpartij
hem opdracht gaf personen van allochtone afkomst uit de amusementshal te
weren opdat het imago van de zaak zou verbeteren. Een oud-collega van verzoeker
heeft de volgende dag eveneens aangifte gedaan van discriminatie. Ook is
door twee bezoekers van de amusementshal aangifte van discriminatie gedaan.
Zij hebben verklaard dat hen de toegang tot de amusementshal door de bedrijfsleider
van de wederpartij werd geweigerd vanwege hun allochtone afkomst en dat
de bedrijfsleider zich daarbij op discriminerende wijze jegens hen heeft
uitgelaten. De desbetreffende processen-verbaal zijn aan de Commissie overgelegd.

Het standpunt van verzoeker

3.6. De bedrijfsleider van de wederpartij gaf sinds november 1996 zijn
personeel regelmatig opdracht om personen van allochtone afkomst uit de
amusementshal te weren, omdat zij de wederpartij een slecht imago zouden
bezorgen. Onder meer zei hij tegen verzoeker dat hij geen Turken en zwartjoekels
in de zaak moest toelaten. Ook kwam het voor dat, wanneer verzoeker met
een buitenlander stond te praten, hij bij de bedrijfsleider werd geroepen.
Die zei dan tegen verzoeker: “Het lijkt wel of je stroop aan je reet hebt
met die buitenlandse bezoekers. Ik wil niet dat je met ze omgaat en ik
wil dat je ze eruit stuurt.”
Daarnaast liet de bedrijfsleider zich herhaaldelijk discriminerend uit
tegen bezoekers met een donkere huidskleur.

In mei 1997 werd verzoeker opgehaald door zijn zoon, die donker haar en
donkere ogen heeft en van Antilliaanse afkomst is. De bedrijfsleider vroeg
de volgende dag aan verzoeker “Wat zat er voor smerige Turk op je te wachten?”
Verzoeker was hierdoor erg van slag.

Kort daarna zei de bedrijfsleider -waar klanten bij waren- tegen verzoeker
“Het moet nou afgelopen zijn met die buitenlanders in de zaak. Je gaat
met ze om en vandaag of morgen zetten ze een pistool tegen je kop.”

De stelling van de wederpartij, dat verzoeker in strijd met de regels personen
jonger dan 21 jaar toeliet, is onjuist. Nadat de leeftijdsgrens was verhoogd
naar 21 jaar, ontstonden er samenscholingen voor de deur van de amusementshal
doordat het voor de jongeren onduidelijk was waarom ze ineens niet meer
naar binnen mochten. Verzoeker heeft in die tijd veel gesprekken met de
jongeren gevoerd om de boel te sussen en de orde te bewaken.
De wederpartij beticht verzoeker ten onrechte van heling. Wanneer de wederpartij
hier daadwerkelijk voor vreesde, valt niet in te zien waarom zij dit niet
eerder ter sprake heeft gebracht en met concrete bewijzen is gekomen. Gelet
op het feit dat alles wat in de amusementshal gebeurt op video wordt opgenomen,
moet de juistheid van deze beschuldiging na te gaan zijn.
De kwestie omtrent een brief over verzoeker van iemand uit een Huis van
Bewaring is reeds in december 1996 afgesloten. Geconcludeerd werd dat deze
zaak niets te maken had met het werk van verzoeker. Verzoeker acht het
voorts opmerkelijk dat alle door de wederpartij overgelegde getuigenverklaringen
dezelfde punten aanhalen, terwijl verzoeker slechts met één van de getuigen
(een oudere collega) daadwerkelijk heeft samengewerkt.

Verzoeker wenste de discriminerende houding van de bedrijfsleider niet
over te nemen naar de klanten toe en heeft daarom ontslag genomen. Verzoeker
is van mening dat de wederpartij door hem aan te zetten tot discriminerend
gedrag onderscheid heeft gemaakt naar ras. De bedrijfsvereniging heeft
de reden voor ontslagname van verzoeker geaccepteerd en verzoeker geen
strafkorting op zijn werkloosheidsuitkering opgelegd. Wanneer de reden
voor ontslag gelegen was geweest in de door de wederpartij gestelde omstandigheden
zou dat nooit zijn gebeurd.

Het standpunt van de wederpartij

3.7. De stelling van verzoeker, dat de bedrijfsleider van de wederpartij
hem opdracht gaf buitenlanders uit de amusementshal te weren, is onjuist.
Verzoeker had de instructie om ‘hangjeugd’ te weren, een groot deel daarvan
was van buitenlandse afkomst. Dit weren diende zonder onderscheid naar
afkomst te geschieden. Bezoekers van de amusementshal kregen gratis koffie
en mochten gratis gebruik maken van het toilet. Deze faciliteiten golden
uiteraard niet voor de zogenoemde hangjeugd. Voor het weren van de hangjeugd
werd de toegangsleeftijd verhoogd tot 21 jaar. Voorts werd een adviesbureau
ingeschakeld om het personeel te begeleiden. Bij twijfel met betrekking
tot de leeftijd was men verplicht zich te legitimeren. Als jongeren van
allochtone afkomst werden geweigerd werden zij vaak agressief en zeiden
dat er sprake was van discriminatie.

De wijze waarop verzoeker zijn werkzaamheden uitvoerde leidde tot grote
onrust bij andere werknemers en tot een ongewenste sfeer in de amusementshal.
Onder meer liet verzoeker -in strijd met de instructies- jongeren toe die
jonger waren dan 21 jaar. Een vriend van de zoon van verzoeker, die eveneens
aangifte heeft gedaan wegens discriminatie, was regelmatig in de amusementshal
aanwezig, hoewel hij niet aan de minimum leeftijdseis voldeed. Aangezien
de andere werknemers zich wel aan deze instructie hielden, leidde dit tot
spanningen.

Daarnaast hield verzoeker zich bezig met voor de wederpartij duistere activiteiten.
In december 1996 ontving de wederpartij een brief van iemand uit een Huis
van Bewaring die zich beklaagde over verzoeker. In deze brief wordt de
indruk gewekt dat verzoeker als heler heeft opgetreden en vervolgens de
kennelijk gesloten koopovereenkomst niet is nagekomen. De medewerkers van
de wederpartij ondervonden verder dat verzoeker tijdens werktijd nogal
veel telefoongesprekken voerde over privé kwesties. Bovendien constateerden
zij dat aan verzoeker zaken te koop aangeboden werden die vervolgens door
verzoeker werden doorverkocht aan bezoekers van de amusementshal. Recentelijk
is gebleken dat verzoeker een scooter had verkocht voor ‘een zacht prijsje’
waarvan het registratienummer was weggeveild.
In verband met deze omstandigheden heeft de wederpartij verzoeker te kennen
gegeven dat hij de werkwijze en het gedrag van verzoeker niet aanvaardde
en dat hij het dienstverband met hem wilde beëindigen. Verzoeker heeft
naar aanleiding daarvan vrijwillig ontslag genomen. De aangifte wegens
discriminatie door de bedrijfsleider van de wederpartij is kennelijk ingegeven
door rancune.

Behalve verzoeker heeft ook een andere ex-werknemer van de wederpartij
aangifte gedaan wegens discriminatie. De arbeidsovereenkomst met deze ex-werknemer
is in verband met een arbeidsconflict door de kantonrechter ontbonden.
De aangifte door deze ex-werknemer is vermoedelijk eveneens ingegeven door
rancune alsmede door de vriendschap met verzoeker.
Een andere aangifte is gedaan door een vriend van de zoon van verzoeker.
De bedrijfsleider van de wederpartij heeft hem op 26 december 1996 uit
de zaak verwijderd omdat hij jonger was dan de toenmalige leeftijdsgrens
van 18 jaar, rond hing en zich op irritante wijze gedroeg. Toen hij de
bedrijfsleider begon uit te schelden heeft deze hem een draai om zijn oren
gegeven. Dit had hij natuurlijk niet moeten doen. Nadien heeft hij zijn
excuses aangeboden. De bedrijfsleider heeft zich echter niet op discriminerende
wijze uitgelaten.
Tenslotte is aangifte gedaan door een vriend van verzoeker. De bedrijfsleider
heeft hem uit de zaak verwijderd omdat hij op de speelautomaat sloeg. Zowel
allochtone als autochtone klanten die op speelautomaten slaan worden uit
de zaak verwijderd.
De wederpartij is van mening dat alle vier aangiften vals zijn.
Deze aangiften worden weerlegd door de verklaringen (opgesteld door de
gemachtigde van de wederpartij) van werknemers die aan de Commissie zijn
overgelegd. Deze verklaringen zijn eensluidend en consistent en daaruit
blijkt dat zij niet zijn aangezet tot discriminatie. Daarnaast hebben het
adviesbureau en de koepelorganisatie niet kunnen constateren dat er sprake
was van discriminatie.

Sinds het vertrek van verzoeker heeft de wederpartij niet meer te kampen
met samenscholende jongeren.

De verklaring van de getuigen

3.8. De getuige (….) verklaart dat zijn bedrijf voor advies en begeleiding
is ingeschakeld vanwege een openbare orde probleem met minderjarige jongeren,
dat dreigde te escaleren. De jongeren hingen rond, speelden niet en vaste
klanten bleven weg omdat ze het onveilig vonden. Verzoeker had contacten
met allochtone jongeren, die zowel binnen als buiten problemen veroorzaakten.
Hij hield lange gesprekken met hen. Als personeel “te close” wordt met
bepaalde jongeren wordt het moeilijk tegen hen op te treden. De getuige
heeft niets gemerkt van discriminatie in de periode van advisering. Indien
hij gemerkt zou hebben dat de opdracht enig verband hield met het weren
van jongeren op discriminatoire gronden, zou hij de opdracht niet hebben
aanvaard. Hij heeft zelf met een persoon van allochtone afkomst samengewerkt
bij een opdracht, voorts is hij met een vrouw van Marokkaanse afkomst gehuwd.

3.9. De getuige (….) verklaart dat er geen overlast was van buitenlandse
jongeren. Hij kreeg opdracht om zo maar allochtonen te weigeren :”die vieze
Turken moeten eruit” of dergelijke bewoordingen werden daarbij gebezigd.
De bedrijfsleider ging selectief om met de leeftijdsgrens. Buitenlanders
mochten geen gebruik maken van het toilet en kregen geen koffie. De getuige
werd overgeplaatst naar Rotterdam omdat hij niet goed zou functioneren.
Hij heeft zich daartegen verzet. De arbeidsovereenkomst werd door de Kantonrechter
op neutrale gronden ontbonden. Hij was het zoveelste personeelslid dat
op deze wijze de deur werd uitgezet. De getuige stelt dat hij zijn werk
niet goed deed omdat hij weigerde allochtonen uit de zaak te verwijderen.
Hierover heeft hij weleens gesproken met zijn collega, de heer Remijnse,
met wie hij veel samenwerkte. Deze collega was het met hem eens. Toen hij
op het hoofdkantoor vertelde over de mishandeling van een allochtone jongere
door de bedrijfsleider, moest men er hard om lachen.

3.10. De getuige (….) verklaart dat hij op tweede Kerstdag ging spelen
in de amusementshal. Toen hij aan de bedrijfsleider om een muntje vroeg
voor de koffie zei deze :”je gaat eruit vieze Turk”. Daarna ontstond een
discussie en gaf de bedrijfsleider hem een klap. De getuige kwam drie keer
per week in de hal toen de leeftijdsgrens 18 jaar was. Sinds het voorval
is hij er niet meer geweest. Hij kwam er met een groep vrienden en zij
werden gediscrimineerd want men wilde geen buitenlanders. Er waren ook
Nederlandse jongens die vervelend waren, die werden er niet uit gezet.

3.11. De getuige (….) is sinds 1 januari 1998 opgehouden met werken.
Zij werkte samen met verzoeker. Verzoeker was erg close met de jongens.
Nadat de leeftijdsgrens was verhoogd tolereerde hij ze wel, de anderen
deden dat niet. Zij heeft dat met de bedrijfsleider besproken. Het toelatingsbeleid
was duidelijk. Zij kent de klant die mishandeld is. Deze kwam ook na het
voorval in de hal. De getuige heeft hem zelfs nog een keer aan de arm de
hal uitgezet. De getuige heeft nooit opdracht gehad buitenlanders te weren.

3.12. De getuige (….) verklaart dat hij de klant die mishandeld is na
het voorval niet meer heeft gezien. Hij was aanwezig toen de ruzie ontstond
en er klappen vielen. Er werd gekkigheid gemaakt achter de rug van de bedrijfsleider.
Laatstgenoemde accepteerde dat niet, waarna er ruzie ontstond. De getuige
weet niet of er ook woorden zijn gevallen. De getuige vind het vreemd dat
een andere ex-werknemer aangifte van discriminatie heeft gedaan. De getuige
heeft zowel met verzoeker als de andere ex-werknemer gewerkt. Hij heeft
niet gezien dat zij dingen deden die niet door de beugel konden. Aan de
getuige is nooit opdracht gegeven om buitenlanders te weren. Voor wat het
toelatingsbeleid betreft verklaart de getuige dat niet iedereen om legitimatie
werd gevraagd, maar slechts degenen van wie vermoed werd dat zij jonger
waren dan 21 jaar.

3.13. De getuige (….) verklaart dat hij meerdere malen heeft meegemaakt
dat personen aan wie de toegang werd geweigerd zeiden dat zij er bij verzoeker
wel in mochten. De getuige werkt al 14 jaar bij de wederpartij als technicus
en valt wel eens in als amusementsmedewerker. Naar zijn mening heeft het
beleid van de wederpartij nooit tot discriminatie geleid. Er werden weleens
mensen verwijderd omdat ze vervelend waren. De getuige die mishandeld is
kent hij. Hij was niet aanwezig toen het incident plaatsvond, maar heeft
hem daarna nog weleens in de hal gezien.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
heeft gemaakt op grond van ras in de arbeidsverhouding door hem opdracht
te geven personen van allochtone afkomst uit zijn zaak te weren.

4.2. Artikel 5 lid 1 sub b AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB
onder meer dat het maken van onderscheid bij het beëindigen van een arbeidsverhouding.
Artikel 5 lid 1 sub d AWGB bepaalt dat het verboden is onderscheid te maken
in de arbeidsvoorwaarden.

Artikel 7 lid 1 sub a AWGB bepaalt onder meer dat het maken van onderscheid
verboden is bij het aanbieden van goederen of diensten indien dit geschiedt
in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet onder meer ziet op onderscheid tussen
personen op grond van ras. Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig
het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie
en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat
tevens: huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming. (Tweede
Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr. 3,
pag. 13.)

Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie is er niet alleen sprake
van een door de wet verboden onderscheid wegens ras als deze grond de enige
aanleiding vormt voor ongelijke behandeling, maar tevens als deze grond
mede aanleiding vormt voor ongelijke behandeling.

4.3. Teneinde de in het geding zijnde vraag te beantwoorden overweegt de
Commissie het volgende.

In de onderhavige zaak is onbetwist dat verzoeker zelf zijn ontslag heeft
genomen. Ter compensatie daarvan heeft de wederpartij hem een vergoeding
van drie maanden salaris als schadeloosstelling betaald. De redenen van
dit ontslag worden door partijen verschillend geduid. Verzoeker is van
mening dat hij bij het uitoefenen van zijn functie gedwongen werd onderscheid
naar ras te maken. De wederpartij wijt de beëindiging aan het onvoldoende
functioneren van verzoeker en het feit dat de indruk bestond dat hij ontoelaatbare
nevenactiviteiten uitoefende.

De Commissie constateert dat verzoeker niet van allochtone afkomst is.
Derhalve is niet aan de orde de vraag of de wederpartij jegens verzoeker,
persoonlijk, onderscheid heeft gemaakt op grond van ras bij de arbeidsvoorwaarden
of bij de beëindiging van de arbeidsverhouding. De vraag die voorligt is
of het aanzetten tot discriminatie door de werkgever van een werknemer
bij de uitoefening van zijn functie onder het bereik valt van artikel 5
AWGB.

Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie brengt de verplichting van
de werkgever zich te onthouden van discriminatie op het terrein van de
arbeid mee, dat de werkgever er op moet toezien dat ook degenen waarover
hij het gezag uitoefent zich van discriminatie onthouden (Commissie gelijke
behandeling, 2 oktober 1997, oordeel 97-104:
Commissie gelijke behandeling, 25 november 1997, oordeel 97-118.).

Dat betekent naar het oordeel van de Commissie dat een werkgever die in
zijn onderneming een klimaat creëert waarin onderscheid naar ras wordt
bevorderd, dan wel wordt getolereerd, tekort schiet in de hiervoor genoemde
verplichting. De Commissie zal derhalve onderzoeken of daarvan in het onderhavige
geval sprake is.

4.4. Het standpunt van verzoeker dat de bedrijfsleider van de wederpartij
zijn werknemers heeft aangezet om buitenlanders uit de zaak te weren wordt
bevestigd door de verklaringen in de processen-verbaal van aangifte van
discriminatie door een oud-collega en twee bezoekers. De getuigen van de
wederpartij verklaren daarentegen dat zij zelf geen opdracht hebben gekregen
tot het weren van buitenlanders en dat zij evenmin gemerkt hebben dat de
bedrijfsleider daartoe opdracht zou hebben gegeven aan andere medewerkers.
Nu de verklaringen elkaar tegenspreken kan niet worden vastgesteld of de
bedrijfsleider van de wederpartij heeft aangezet tot discriminatie.

Het beleid van de wederpartij is erop gericht om zogenoemde hangjeugd en
personen jonger dan 21 jaar uit de amusementshal te weren. De wederpartij
stelt (hetgeen door de onder 3.8. genoemde getuige wordt bevestigd) dat
de groepen jongeren die door de wederpartij worden aangeduid als ‘hangjeugd’
voor een belangrijk deel uit allochtonen bestonden. Voor wat betreft de
wijze waarop door de wederpartij het toegangsbeleid werd uitgevoerd, blijkt
uit de verklaringen van de bedrijfsleider en van een getuige dat niet aan
alle bezoekers om een legitimatie werd gevraagd, maar slechts aan die personen
waarvan de indruk bestond dat deze jonger dan 21 jaar waren. De Commissie
is van oordeel dat door niet consistent en eenduidig om een legitimatie
te vragen de kans bestaat dat daarbij willekeurig wordt opgetreden.
Hierdoor loopt de wederpartij het risico dat (onbedoeld) onderscheid naar
ras wordt gemaakt. Dit risico is nog groter nu de groep die geweerd moest
worden voor een belangrijk deel van allochtone afkomst was. Het ligt onder
deze omstandigheden op weg van de wederpartij aannemelijk te maken dat
bij de uitvoering van het toelatingsbeleid geen onderscheid op grond van
ras is gemaakt.

De Commissie acht het op grond van de verklaringen van verzoeker en een
aantal getuigen voldoende aannemelijk dat de bedrijfsleider van de wederpartij
zich in discriminerende bewoordingen uitliet over allochtone bezoekers.
Onbetwist is dat de bedrijfsleider zich discriminerend heeft uitgelaten
over een hem onbekende bezoeker, die hij op het beeldscherm zag in bijzijn
van verzoeker. Deze bezoeker bleek de zoon van verzoeker te zijn. Voorts
is ook onbetwist dat de bedrijfsleider een allochtone bezoeker heeft mishandeld.
De bedrijfsleider heeft ontkend dat hij deze bezoeker ook discriminerend
heeft bejegend.

De Commissie acht het echter op grond van de verklaringen van de bezoeker
en een aantal getuigen voldoende aannemelijk dat daarvan wel sprake is
geweest.

De Commissie is op bovenstaande gronden van oordeel dat weliswaar niet
is komen vast te staan dat de bedrijfsleider in het bedrijf heeft aangezet
tot discriminatie, maar wel dat hij een zodanig beleid heeft gevoerd dat
daardoor willekeurig kon worden opgetreden bij de toelating van bezoekers.
Daarbij is vast komen te staan dat de bedrijfsleider enkele malen allochtone
bezoekers discriminerend bejegende. Aannemelijk is dat verzoeker zich de
discriminerende bejegening persoonlijk heeft aangetrokken, toen dit ook
zijn zoon betrof.
De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij bij de arbeidsvoorwaarden
jegens verzoeker onderscheid op grond van ras heeft gemaakt. Onder de gegeven
omstandigheden acht de Commissie het aannemelijk dat dit voor verzoeker
(mede) een reden was om met de beëindiging van de arbeidsverhouding akkoord
te gaan.
Aan het vorenstaande doet geen afbreuk dat er getuigen zijn die verklaren
niets van discriminatie te hebben gemerkt. Voor verboden onderscheid op
grond van ras in gevallen als deze is niet vereist dat er sprake moet zijn
van een constante discriminerende bejegening.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat (….)
te Alkmaar jegens de heer (….) te Alkmaar onderscheid op grond van ras
heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 lid
sub d Algemene wet gelijke behandeling en derhalve in strijd met deze wet
heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. A. Kruyt (lidKamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 4 maart 1998

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Partijen zijn 22 jaar met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is in 1977
door
echtscheiding ontbonden. Er is toen een alimentatiebedrag vastgesteld.
Uit
het huwelijk zijn twee kinderen geboren. De vrouw was bij de scheiding
46
jaar oud en had geen inkomsten uit arbeid. Per 1 mei 1991 is de man gestopt
met het betalen van alimentatie. Hij is hertrouwd in 1991 en woont sindsdien
in Frankrijk. Met ingang van 1 mei 1995 ontvangt de man een AOW-uitkering.
De
vrouw ontvangt per 1 januari 1995 een AOW-uitkering. In verband met de
alimentatieachterstand heeft de vrouw in mei 1995 beslag laten leggen op
de
AOW-uitkering van de man. De man verzoekt nu aan de rechtbank de alimentatie
met ingang van 1 januari 1993, subsidiair met ingang van 1 januari 1995
op
nihil te stellen. Hij verzoekt ook kwijtschelding van de eventueel resterende
achterstand in de alimentatiebetaling.
De rechtbank verlengt de onderhoudsplicht van de man voor de duur van twaalf
jaar (tot 1 juli 2009). De rechtbank verwijst naar de traditionele
rolverdeling in het huwelijk en het feit dat de vrouw na de echtscheiding
niet (geheel) in haar eigen levensonderhoud heeft kunnen voorzien. De vrouw
ontvangt weliswaar een AOW-uitkering maar heeft een schuld opgebouwd omdat
de
man de alimentatiebetalingen in 1991 heeft stopgezet. Voorts meent de
rechtbank dat de vrouw recht heeft op een deel van het ouderdomspensioen
van
de man maar dit recht niet te gelde kan maken omdat de man het pensioen
heeft
afgekocht.
Het hof oordeelt daarentegen dat de situatie van de vrouw per 1 juli 1997
is
veranderd omdat de Wet limitering alimentatie van toepassing is. Hoofdregel
van deze wet is immers dat de alimentatie wordt beëindigd, tenzij de
beëindiging al te ingrijpend is te achten. Het hof vindt dat niet het geval
omdat de AOW-uitkering die de vrouw ontvangt gelijk is aan of uitstijgt
boven
het alimentatiebedrag waardoor (na het wegvallen van de alimentatie) zelfs
geen sprake is van teruggang van het inkomen. Het feit dat de vrouw in
de
periode van 1 januari 1995 tot 1 juli 1997 tijdelijk een hoger inkomen
heeft
ontvangen, doordat zij naast de AOW ook alimentatie heeft ontvangen, doet
hier niets aan af.
Het hof gaat ervan uit dat de financiële positie van de vrouw niet heeft
geleid tot een wezenlijke verandering van het levenspatroon van de vrouw
en
dat zij niet een hogere levensstandaard heeft ontwikkeld. Hieraan doet
ook
niet af het feit dat de vrouw geen recht op uitbetaling van een deel van
het
pensioen van de man heeft, aangezien de man dit in 1990 heeft afgekocht.
Het hof beëindigt met ingang van 1 juli 1997 de verplichting van de man
tot
alimentatie.

Volledige tekst

Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch, 4 maart 1998

1. Het geding in eerste instantie

Het hof verwijst naar voormelde beschikking van de rechtbank, waarvan de
inhoud aan partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 26 mei 1997 heeft de man
verzocht voormelde beschikking te vernietigen en (zakelijk en verkort
weergegeven):

primair

– de alimentatieverplichting van de man te beëindigen per 1 januari 1995,
althans 1 juli 1997;
– de mogelijkheid tot verlenging van de alimentatieverplichting van de
man af
te wijzen althans na 2009 uit te sluiten;

subsidiair

– de alimentatieverplichting van de man te beperken tot 1 januari 1995
onder
de verplichting van de man om alsnog bruto ƒ 20.000,= te voldoen, waarop
in
mindering strekken alle bedragen die na januari 1997 middels beslaglegging
door de vrouw geïncasseerd worden.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 26 augustus 1997, heeft
de
vrouw de grieven van de man bestreden. Tevens heeft de vrouw hierbij
incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking, waarvan
beroep, te vernietigen en te bepalen dat de man onverkort tot 1 juli 2009
–
met een verlengmogelijkheid nadien- een bijdrage voor de vrouw dient te
voldoen in de kosten van haar levensonderhoud van (per eind 1996) 1.202,99
per maand, bij vooruitbetaling en geïndexeerd per 1 januari 1997, met
veroordeling van de man in de kosten van de procedure in eerste aanleg
en in
hoger beroep.

2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 september 1997, heeft
de
man het verzoek van de vrouw in het incidenteel appèl bestreden.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 december 1997.
Bij
die gelegenheid zijn gehoord: de man, de vrouw en hun advocaten.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van:
– de produkties overgelegd bij het beroepschrift, verweerschrift/appèl
en het
verweerschrift in incidenteel appèl;
– een afschrift van het proces-verbaal der behandeling in eerste aanleg
d.d.
14 januari 1997, ingekomen ter griffie op 10 september 1997;
– een brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie
op 17 december 1997.

3. De gronden van het hoger beroep

In principaal appèl:
De grieven van de man hebben betrekking op de navolgende punten:
– de behoefte van de vrouw aan alimentatie;
– het AOW- en pensioeninkomen van de man;
– de kosten terzake van de woning van de man;
– de kwijtschelding van de alimentatieachterstand;
– de limitering van de onderhoudsverplichting;
– de draagkracht tot betaling van alimentatie.

In incidenteel appèl:

De grieven van de vrouw hebben betrekking op de navolgende punten:
– de kostencompensatie in eerste aanleg;
– het inkomen uit arbeid van de man;
– de voor eigen rekening komende ziektekosten van de man en de door hem
daarvoor ontvangen tegemoetkoming;
– de indexering van het inkomen van de man uit pensioen in de jaren 1991
tot
en met 1995;
– de woonlasten van de man en de overige lasten, verbonden aan zijn woning
in
Frankrijk;
– de draagkracht van de man tot betaling van alimentatie;
– de hoogte van de alimentatie voor de vrouw.

De beoordeling

In principaal en incidenteel appèl:

4.1. In hoger beroep is op grond van hetgeen partijen over en weer hebben
aangevoerd, aan de orde of de door de man te betalen alimentatie ten behoeve
van de vrouw dient te worden beëindigd en, zo ja, met ingang van welke
dat
dient te geschieden.
Aangezien de man een beroep doet op beëindiging van zijn
alimentatieverplichting per 1 juli 1997 krachtens het overgangsrecht behorend
bij de Wet Limitering Alimentatie, dienen een aantal factoren te worden
betrokken bij de vraag of de beëindiging van de alimentatie zo ingrijpend
is
dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid al of niet van
de
vrouw kan worden gevergd.
Relevante factoren in dit verband zijn haar leeftijd, of er kinderen zijn
geboren uit het huwelijk, de datum en duur van het huwelijk en de invloed
daarvan op de verdiencapaciteit van de vrouw alsmede eventuele
pensioenverevening/verrekening. Deze factoren komen hierna in de diverse
rechtsoverwegingen ter sprake.

4.2. Bij de beoordeling van de in hoger beroep voorliggende vragen, gaat
het
hof uit van de navolgende van belang zijnde omstandigheden:
– Partijen zijn op 1 juli 1955 met elkaar gehuwd. Dat huwelijk heeft circa
22
jaren geduurd.
Bij vonnis van de rechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 6 mei 1977 is tussen
hen
de echtscheiding uitgesproken. Dat vonnis is ingeschreven in de registers
van
de burgerlijke stand op 14 september 1977.
– Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren, een zoon op
5
juli 1963, en een dochter op 8 december 1965. Die kinderen waren ten tijde
van de echtscheiding resp. 14 en 11 jaar oud. De vrouw was toen 46 jaar
oud
(geboren 17-1-1931). Bij de echtscheiding is de vrouw alleen belast met
het
gezag over de kinderen en die zijn in ieder geval vanaf dat moment volledig
door de vrouw alleen opgevoed.
– De vrouw, die thans 67 jaar oud is, heeft vóór het huwelijk als telefoniste
gewerkt. Tijdens het huwelijk heeft zij, tot kort voor de geboorte van
het
eerste kind, gewerkt bij Philips, daarna niet meer. De vrouw heeft geen
eigen
inkomsten uit arbeid.

4.3. De man heeft allereerst verzocht zijn alimentatieverplichting ten
opzichte van de vrouw met ingang van 1 januari 1995 te beëindigen, omdat
de
vrouw per die datum in het genot is gesteld van een AOW-uitkering. Deze
AOW-uitkering is, aldus de man, hoger dan het bedrag dat zij voordien uit
hoofde van alimentatie genoot, zodat zij naar zijn oordeel geen behoefte
meer
heeft aan alimentatie zijdens de man.

4.3.1. De vrouw heeft de juistheid daarvan betwist, stellende dat zij ook
na
1 januari 1995 -het moment dat zij een AOW-uitkering is gaan ontvangen-
behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud.

4.3.2. Het hof is in dit opzicht van oordeel, dat de hoogte van het
alimentatiebedrag, dat de vrouw tot 1 januari 1995 ontving, niet zonder
meer
maatgevend is voor de behoefte van de vrouw tot die datum en daarna.
Weliswaar dient te worden opgemerkt, dat de vrouw gedurende 18 jaar na
het
huwelijk was aangewezen op een alimentatie die het bijstandsniveau niet
oversteeg, maar zulks wil niet zeggen dat haar behoefte automatisch tot
bijstandsniveau beperkt dient te blijven, nu aannemelijk is te achten dat
de
alimentatieuitkering zijn begrenzing vond in de beperkte financiële
draagkracht van de man.
Onder deze omstandigheden acht het hof het redelijk en billijk, dat de
vrouw
nog voor een korte periode vanaf 1 januari 1995 tot 1 juli 1997 naast haar
AOW-uitkering aanspraak kan maken op de volledige voor haar geldende
alimentatie.

4.4. In dit verband heeft de man zich ter zitting in hoger beroep bereid
verklaard tot 1 juli 1997 de op basis van het echtscheidingsvonnis geldende
alimentatie aan de vrouw te voldoen, indien die alimentatieverplichting
met
ingang van 1 juli 1997 zou worden beëindigd.
De aldus voor de man geldende alimentatie bedraagt tengevolge van de
wettelijke indexering ƒ 1.202,99 per maand tot 1 januari 1997 en vanaf
die
datum ƒ 1.233,44 per maand, naar onweersproken tussen partijen is komen
vast te staan ter zitting in hoger beroep.

4.5. De situatie van de vrouw is naar het oordeel van het hof een andere
voor
de periode na 1 juli 1997.
Immers dan is de Wet Limitering Alimentatie op het onderhavige geval van
toepassing. Hoofdregel van deze wet is dat de alimentatie wordt beëindigd,
tenzij de beëindiging al te ingrijpend is te achten. Een redelijke uitleg
van
de wet brengt met zich mee, dat pas sprake kan zijn van een al te ingrijpende
beëindiging, indien bij de alimentatiegerechtigde tenminste optreedt een
per
saldo min of meer aanmerkelijke achteruitgang van het inkomen.
Dat is uiteraard niet het geval, indien de AOW-uitkering, die de
alimentatiegerechtigde gaat ontvangen, gelijk is aan of uitstijgt boven
het
bedrag van de lopende alimentatie, waardoor (na het wegvallen van de
alimentatie) zelfs geen sprake is van een teruggang van inkomen.
Daaraan doet niet af, dat de vrouw in de periode van 1 januari 1995 tot
1
juli 1997 tijdelijk een hoger inkomen heeft ontvangen, doordat zij naast
AOW
ook een alimentatie heeft ontvangen.

4.5.1. Het hof gaat er immers van uit, dat de verbetering van de financiële
positie van de vrouw in die periode, nu het slechts om een beperkte periode
gaat, niet heeft geleid tot een wezenlijke verandering van het levenspatroon
van de vrouw en dat zij in die periode niet een hogere levensstandaard
heeft
ontwikkeld.

4.6. Evenmin doet daaraan af, dat de vrouw geen recht heeft op uitbetaling
van een deel van het pensioen van de man jegens het Philipspensioenfonds
aangezien de man dit pensioen in december 1990 heeft afgekocht, waartoe
hij
op zichzelf bevoegd was.
Overigens zou dit pensioen per 1 mei 1995 (de pensioneringsdatum van de
man)
slechts ƒ 1.951,28 bruto per maand hebben bedragen, indien hij op die
datum
gehuwd zou zijn geweest.

4.7. De beschikking, waarvan beroep, dient dus te worden vernietigd.

4.8. Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof
de in
beide instanties gevallen proceskosten tussen hen compenseren als na te
melden.

De beslissing

Het hof:

In het principaal beroep
Vernietigt de beschikking, waarvan beroep.
Beëindigt met ingang van 1 juli 1997 de verplichting van de man tot het
verstrekken van een uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw.
Wijst af het meer of anders verzochte.
Verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
In het incidenteel appèl:
Verwerpt het beroep van de vrouw.

In het principaal en incidenteel beroep voorts:

Compenseert de beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus,
dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 15 april 1997, nr E96/4863

1. De procedure

1.1. De rechtbank heeft kennis genomen van:

– het verzoekschrift (met bijlagen) van de man;

– het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek (met bijlagen) van de vrouw;
– het voorwaardelijk verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man;
– de correspondentie, waaronder de brief van 16 januari 1997 (met bijlagen)
van de procureur van de man en de brief van 21 januari 1997 van de procureur
van de vrouw.

1.2. De zaak is behandeld ter zitting van 14 januari 1997. Verschenen zijn
partijen en haar raadslieden. Het van de zitting opgemaakte proces-verbaal
bevindt zich bij de stukken.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn 22 jaar met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is op
14
september 1977 door echtscheiding ontbonden. Bij echtscheidingsvonnis van
6
mei 1997 is onder meer bepaald dat de man met ƒ 700,= per maand dient bij
te
dragen in het levensonderhoud van de vrouw. Bij arrest van het hof van
2
november 1977 is voormeld vonnis (met uitzondering van de uitsluiting van
de
wettelijke indexering) bekrachtigd. Als gevolg van de wettelijke indexering
bedraagt de alimentatie thans ƒ 1.202,99 per maand.

2.2. De man is in 1990 (vervroegd) gepensioneerd. Een in verband met zijn
pensionering eerder door de man ingediend wijzigingsverzoek van deze
rechtbank van 27 november 1990 is afgewezen. Per 1 mei 1991 is de man gestopt
met het betalen van de alimentatie. Hij is 22 augustus 1991 hertrouwd.
Hij
woont sinds 1991 in Frankrijk. Met ingang van 1 mei 1995 ontvangt de man
een
AOW-uitkering.

2.3. De vrouw -die vanaf 1 januari 1995 eveneens een AOW-uitkering ontvangt-
heeft in mei 1995 in verband met de alimentatie-achterstand beslag laten
leggen op de AOW-uitkering van de man.

3. Het verzoek, de grondslag daarvan en het verweer daartegen

3.1. De rechtbank leest het verzoek van de man aldus dat hij wijziging
verzoekt van de beschikking van deze rechtbank van 6 mei 1997 uitsluitend
voor wat betreft de alimentatie. Het verzoek strekt ertoe de alimentatie
ten
behoeve van de vrouw met ingang van 1 januari 1993, subsidiair met ingang
van
1 januari 1995 op nihil te bepalen, althans op zodanig bedrag en met ingang
van zodanige datum als de rechtbank billijk oordeelt. Tevens verzoekt de
man
kwijtschelding van de per wijzigingsdatum eventueel resterende achterstand
in
de alimentatiebetaling.

3.2. De man legt aan zijn verzoek de volgende gewijzigde omstandigheden
ten
grondslag:
a) de man is vanaf 1 mei 1991 financieel niet meer in staat de alimentatie
te
voldoen;
b) de vrouw is van mei 1991 tot 1 januari 1995 in staat gebleken in eigen
onderhoud te voorzien onder meer door verhuur van kamers. Zij dient rekening
en verantwoording af te leggen over de ‘alimentatieloze periode’, bij gebreke
waarvan de alimentatie met ingang van 1 januari 1993 op nihil behoort te
worden gesteld. De vrouw ontvangt per 1 januari 1995 een AOW-uitkering.
De
vrouw heeft derhalve met ingang van 1 januari 1993, maar in ieder geval
sinds
1 januaari 1995 geen behoeft meer aan een onderhoudsbijdrage van de man;
c) de man is 22 augustus 1991 hertrouwd.

Aan zijn verzoek tot kwijtschelding van de ontstane achterstand legt de
man
ten grondslag dat hij vanaf 1 mei 1991 de draagkracht mist tot het voldoen
van enige onderhoudsbijdrage aan de vrouw.

3.3. De vrouw voert verweer. Daartoe stelt zij primair dat deze rechtbank
onbevoegd is van het verzoek kennis te nemen. Subsidiair stelt de vrouw
dat
de man niet ontvankelijk is in zijn verzoek, dan wel dat het verzoek dient
te
worden afgewezen omdat de financiële situatie van de man is verbeterd in
plaats van verslechterd, terwijl de behoefte van de vrouw aan een bijdrage,
ondanks de AOW-uitkering, nog aanwezig is daar de vrouw een lening heeft
moeten aangaan in verband met het stopzetten van de alimentatiebetaling
door
de man.

3.4. Voorts verzoekt de vrouw in verband met de beëindiging van de
alimentatieverplichting per 1 juli 1997 vaststelling van een nadere
alimentatietermijn voor onbepaalde tijd, althans een door de rechtbank
in
redelijkheid te bepalen termijn. De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag
dat beëindiging van de alimentatie zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven
van redelijkheid een billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

3.5. De man heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de
vrouw
en een voorwaardelijk zelfstandig (tegen) verzoek -identiek aan zijn
oorspronkelijk verzoek- gedaan voor het geval de rechtbank niet bevoegd
zou
blijken te zijn.

4. De beoordeling

4.1. De vrouw heeft ter zitting haar verweer ten aanzien van de onbevoegdheid
van de rechtbank ingetrokken, zodat daaromtrent niet behoeft te worden
beslist.

Het toepasselijk recht

4.2. Nu de man in Frankrijk woont is op de alimentatieverplichting het
Haags
Alimentatieverdrag van 1973 van toepassing. Ingevolge artikel 8 van voornoemd
Verdrag is op de alimentatieverplichting Nederlands recht van toepassing,
zijnde het recht dat op de echtscheiding is toegepast.

Wijzigingsgrond

4.3. De man is ontvankelijk in zijn verzoek nu vaststaat dat zowel de man
als
de vrouw met ingang van mei 1995 respectievelijk januari 1995 een uitkering
krachtens de AOW ontvangen en de man in 1991 is hertrouwd. Dit zijn de
gewijzigde omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de financiële
situatie van partijen rechtvaardigen.

Behoefte

4.4. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond
dat
zij in de periode mei 1991 tot 1 januari 1995 geringe inkomsten uit de
verhuur van de zolderkamer en inkomsten uit oppaswerkzaamheden heeft
ontvangen en voor het overige was aangewezen op schenkingen van haar
schoonvader, alsmede leningen van de zoon van partijen van totaal ƒ 40.000,=.
Derhalve had zij in ieder geval tot 1 januari 1995 (pensioengerechtigde
leeftijd) behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

4.5. Met ingang van 1 januari 1995 ontvangt de vrouw een uitkering krachtens
de AOW, die thans ƒ 542,21 bruto per maand bedraagt, exclusief een
vakantietoeslag van ƒ 85,63 per maand. De vrouw woont in een woning die
haar
eigendom is en waar geen hypotheek op rust. De rechtbank neemt een
huurwaardeforfait van ƒ 1.875,= in aanmerking, alsmede een bedrag van ƒ
175,=
per maand in verband met de eigenaarslasten. De vrouw heeft in januari
1996
de hiervoor vermelde lening aan de zoon terugbetaald. Daartoe heeft zij
een
flexibel krediet afgesloten, waarop zij maandelijks ƒ 980,= voldoet (het
rentebestanddeel bedraagt ƒ 240,88). Blijkens het overgelegde maandoverzicht
van 21 oktober 1996 bedroeg het saldo op die datum ƒ 33.693,19 (40 resterende
termijnen).

4.6. Op grond van voormelde financiële omstandigheden van de vrouw en
uitgaande van het Abw-normbedrag voor een zelfstandig wonende alleenstaande,
inclusief de maximale toeslagen en exclusief de woonkostencomponent, oordeelt
de rechtbank dat de vrouw ook vanaf 1 januari 1995 behoefte heeft aan een
bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De hoogte van die bijdrage
wordt bepaald door een vergelijking van de financiële situatie van partijen.

Draagkracht

4.7. Met betrekking tot de man gaat de rechtbank uit van de volgende
financiële feiten en omstandigheden.

Inkomen

– AOW-uitkering van ƒ 1.069,79 per maand, exclusief een vakantietoeslag
van ƒ
61,17 per maand. Met de toeslag die de man ontvangt omdat hij is gehuwd
met
een jongere partner wordt geen rekening gehouden daar die toeslag aan de
partner moet worden toegerekend.
– ƒ 25.701,82 bruto pensioen per jaar. De rechtbank gaat uit van de situatie
dat de man zijn pensioen niet heeft afgekocht. Dit betekent dat geen rekening
wordt gehouden met de rente-inkomsten uit een deel van het door de man
uit de
afkoopsom belegde vermogen.

Lasten en uitgaven

– Abw-normbedrag voor een zelfstandig wonende alleenstaande inclusief de
maximale toeslagen, exclusief de woonkostencomponent. De rechtbank houdt
met
deze norm rekening nu de huidige echtgenote van de man blijkens het gegeven
dat zij haar pensioen heeft afgekocht voor een bedrag van ƒ 280.000,= geacht
kan worden in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

– Woonlasten: ƒ 350,=. De woning te Frankrijk is eigendom van de huidige
echtgenote van de man (met wie hij op huwelijkse voorwaarden is gehuwd),
reden waarom de door de man opgevoerde last van ƒ 100.000,= in verband
met de
restauratie van die woning buiten beschouwing blijft. Wel zal de rechtbank
in
redelijkheid uitgaan van een woonlast gelijk aan de woonkostencomponent,
te
weten ƒ 350,= per maand. Aldus kan de man zijn deel van de woonlasten
(belastingen etc.) bijdragen.

– Ziektekosten: ƒ 131,50 per maand. De man betaalt met ingang van 1 januari
1997 ƒ 206,75 per maand, exclusief wettelijke bijdragen. Het eigen risico
van
ƒ 500,= per jaar wordt gelet op de leeftijd van de man in aanmerking genomen.
Op voormeld premiebedrag strekt in mindering de tegemoetkoming van de
ex-werkgever van ƒ 116,85 per maand. Dit laatste blijkt uit de door de
man
aan de kantonrechter gerichte brief van 7 augustus 1995.
De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een aanvullende
verzekering in Frankrijk heeft (moeten) afsluiten, zodat de dienaangaande
gestelde last buiten beschouwing wordt gelaten.

– Met de door de man gestelde aflossing van een schuldenlast wegens speel-
en
speculatieschulden van ƒ 150.000,= wordt geen rekening gehouden nu deze
schuldenlast voor rekening en risico van de man komt en niet bij de bepaling
van zijn draagkracht in aanmerking genomen kunnen worden.

4.8. Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, de financiële posities
van partijen vergelijkend en -nu de man heeft gesteld geen belasting te
betalen- geen rekening houdend aan de zijde van de man met de fiscale
aspecten is de man in staat met ƒ 1.050,= per maand bij te dragen in de
kosten van het levensonderhoud van de vrouw, aan welke bijdrage de vrouw
behoefte heeft. De grens van de draagkracht van de man is daarmee bereikt.

Ingangsdatum

4.9. Nu de vrouw met ingang van 1 januari 1995 een uitkering krachtens
de AOW
ontvangt zal de rechtbank de wijziging van de alimentatieverplichting van
de
man vanaf voormelde datum doen ingaan.

Kwijtschelding

4.10. Het verzoek van de man de per wijzigingsdatum bestaande
alimentatie-achterstand kwijt te schelden wordt afgewezen nu niet is gebleken
dat de man de draagkracht miste de alimentatie te voldoen. De man heeft
immers in 1990 een bedrag van ƒ 352.256,30 (netto) ontvangen ter zake de
afkoop van zijn pensioen. De man had voormeld bedrag zodanig kunnen beleggen
en daarmee een zodanig rendement kunnen behalen dat hij aan zijn
onderhoudsverplichting jegens de vrouw kon blijven voldoen. Zoals hiervoor
onder 4.7. overwogen gaat de rechtbank voorbij aan het gegeven dat de man
(naast belegging van een bedrag van ƒ 105.000,=) de afkoopsom deels heeft
aangewend ter voldoening van speel- en speculatieschulden en deels heeft
uitgegeven aan restauratie van de woning in Frankrijk.

Limitering

4.11. De man stelt dat de alimentatie behoort te eindigen per 1 januari
1993,
althans per 1 januari 1995 omdat de man dan een even lange periode
alimentatie heeft voldaan als het huwelijk heeft geduurd.

4.12. Ingevolge het overgangsrecht behorende bij Wet van 28 april 1994,
Stb.
324, zoals gewijzigd bij de Wet van 28 april 1994, Stb. 325 eindigt de
alimentatieplicht van de man in beginsel op 1 juli 1997.

4.13. Gelet op het hierna onder 4.14. overwogene zijn er geen termen de
wettelijke onderhoudstermijn in duur te beperken.

Verlenging van de onderhoudsplicht

4.14. De rechtbank verlengt de onderhoudsplicht van de man voor de duur
van
twaalf jaar. Zij overweegt daartoe het volgende.
Het huwelijk van partijen, dat 22 jaar heeft geduurd, kende een traditionele
rolverdeling, waarbij de man hoofdzakelijk voor het inkomen en de vrouw
hoofdzakelijk voor de kinderen en het huishouden heeft gezorgd. De vrouw
(thans 67 jaar) was 47 jaar ten tijde van de echtscheiding en had toen
nog de
zorg voor de twee kinderen van partijen, toen 14 en 11 jaar oud. Gebleken
is
dat de vouw na de echtscheiding niet (geheel) in haar eigen levensonderhoud
heeft kunnen voorzien.
Met ingang van 1 januari 1995 ontvangt de vrouw weliswaar een uitkering
krachtens de AOW, maar zij heeft in verband met het stopzetten van de
alimentatiebetalingen in de periode mei 1991 – mei 1995 een schuld opgebouwd,
waarop nog tot en met februari 2000 ƒ 980,- per maand moet worden afgelost.
Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw recht heeft op
uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van de man, maar dit
recht
mogelijk niet te gelde kan maken als gevolg van de afkoop van het pensioen
door de man.

Verdere verlenging van de onderhoudsplicht

4.15. De rechtbank bepaalt dat na ommekomst van de verlengingstermijn een
nadere verlenging mogelijk is nu onzeker is of de aanspraak van de vrouw
op
een deel van het ouderdomspensioen van de man geëffectueerd kan worden.
Bovendien neemt de rechtbank de hiervoor onder 4.14. genoemde omstandigheden
in aanmerking.

Proceskosten

4.16. Omdat partijen gewezen echtelieden zijn worden de proceskosten tussen
hen gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

Wijzigt het vonnis van de rechtbank van 6 mei 1977 uitsluitend ter zake
de
bijdrage voor de vrouw en bepaalt het bedrag dat de man met ingang van
1
januari 1995 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud
dient te voldoen op ƒ 1.050,- (duizendvijftig gulden) per maand, voor zover
het de niet verschenen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verlengt de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw tot 1 juli 2009;
bepaalt dat verder verlenging van de onderhoudsplicht na 1 juli 2009 mogelijk
is;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de
eigen
kosten draagt.

Rechters

Mrs Bod, Van Teeffelen, Aarts

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 27 februari 1998

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Seksueel geweld tegen jeugdigen, aansprakelijkheid
De zuster vordert in deze procedure, voorzover in cassatie nog van belang,
een bedrag van ƒ 50.000 als vergoeding van geleden en te lijden immateriële
schade als gevolg van psychische schade die zij heeft opgelopen tengevolge
van seksuele handelingen die de broer in hun jeugd met haar heeft gepleegd.
De rechtbank wijst de vordering af. Het hof heeft haar toegewezen tot een
bedrag van ƒ 12.500. Het hof heeft vooropgesteld dat de vragen van
aansprakelijkheid en schade op grond van art 173 Overgangswet NBW moeten
worden beoordeeld naar het recht van voor 1 januari 1992. Anders dan in het
huidige BW gold in het oud BW geen leeftijdsgrens, maar werd de
aansprakelijkheid van jeugdige daders beoordeeld aan de hand van het
schuldvereiste.
Het hof heeft geoordeeld dat de broer, toen hij tenminste veertien jaar oud
was, seksueel misbruik heeft gemaakt van zijn zuster en dat hem dat wordt
toegerekend en dat hij daarmee schade heeft toegebracht.
Het cassatiemiddel van de broer richt zich tegen het oordeel van het hof dat
het onrechtmatig handelen van de broer aan hem kan worden toegerekend.
De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van het hof niet getuigt van een
onjuiste rechtsopvatting.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie -verder te noemen: de zuster- heeft bij exploot van
22 december 1992 eiser tot cassatie- verder te noemen: de broer- gedagvaard
voor de rechtbank te Groningen en gevorderd de broer te veroordelen om aan
haar te betalen een bedrag van ƒ 50.000, vermeerder met de wettelijke rente
over dit bedrag vanaf de dag van deze dagvaarding.
De broer heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 21 januari 1994 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft de zuster hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof
te Leewarden.
Bij tussenarrest van 9 augustus 1995 heeft het hof de zuster bewijslevering
opgedragen. Na enquête heeft het hof bij eindarrest van 9 oktober 1996 het
bestreden vonnis vernietigd en , opnieuw rechtdoende, de broer veroordeeld om
aan de zuster te betalen een bedrag van ƒ 12.500, vermeerderd met de
wettelijke rente daarover vanaf 22 december 1992, en het meer of anders
gevorderde afgewezen.
Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft de broer in cassatie ingesteld. De
cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De zuster heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van
het beroep.

3. Beoordeling van het middel
3.1 De zuster vordert in deze procedure, voorzover in cassatie nog van
belang, een bedrag van ƒ 50.000 als vergoeding van geleden en te lijden
immateriële schade als gevolg van psychische beschadiging die zij heeft
opgelopen tengevolge van sexuele handelingen die de broer in hun jeugd met
haar heeft gepleegd.
De Rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het Hof heeft haar toegewezen tot
een bedrag van ƒ 12.500.

3.2 Het Hof heeft – in cassatie terecht niet bestreden – beslist dat op de
vordering de regels met betrekking tot aansprakelijkheid en schadevergoeding
van het voor 1 januari 1992 geldende recht van toepassing zijn (rov. 14 van
het eindarrest) .
Het Hof heeft geoordeeld dat de broer, toen hij tenminste 14 jaar oud was,
sexueel misbruik heeft gemaakt van zijn zuster, die toen zes of zeven jaar
oud was, en dat dit handelen onrechtmatig jegens haar was. Dit oordeel is in
cassatie niet bestreden.
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat dit onrechtmatig handelen aan de broer
moet worden toegerekend en dat de door de zuster geleden schade, bestaande
uit gederfde levensvreugd, angst en verdriet, een gevolg is van het
onrechtmatige handelen van de broer.

3.3 Het middel richt zich in de eerste plaats tegen ’s Hofs oordeel dat het
onrechtmatige handelen van de broer aan hem kan worden toegerekend.
Voorzover in onderdeel 1 van het middel wordt gesteld dat het Hof geheel
voorbij is gegaan aan een aantal, in de `Inleiding’ van het middel vermelde,
stellingen die de broer
tot zijn verweer heeft aangevoerd, mist het feitelijke grondslag .
Aan de leeftijd van de broer ten tijde van het misbruik heeft het Hof
uitdrukkelijk aandacht besteed in rov. 4, 13 en 16, aan de door de broer
gestelde omstandigheid dat hij zich als puber geen raad wist met zijn
ontluikende sexuele gevoelens in rov. 4 en 8. Blijkens de weergave in rov. 4
van de verklaring die de broer als getuige heeft afgelegd, heeft het Hof ook
in zijn overwegingen betrokken de manier waarop in het gezin tegen
sexualiteit werd aangekeken.
Ook het verwijt in onderdeel 1 dat het Hof geen aandacht heeft besteed aan de
stelling van de broer dat men indertijd in het algemeen geen inzicht had in
de gevolgen die misbruik als het onderhavige voor het slachtoffer kan hebben,
faalt. Het Hof heeft onderzocht of bij de broer ten tijde van het litigieuze
handelen in voldoende mate inzicht in het ongeoorloofde karakter daarvan
heeft bestaan om dit handelen aan hem te kunnen toerekenen. Het heeft deze
vraag bevestigend beantwoord, oordelend dat de broer “heel goed wist” dat wat
hij met zijn zusje deed, “niet goed was”. Daarin ligt- besloten een meewegen
van de toen heersende opvattingen en inzichten, alsmede het oordeel dat deze
opvattingen, al moge men toen minder scherp dan thans hebben onderkend hoe
traumatisch misbruik als het onderhavige kan zijn, zulk misbruik
veroordeelden.
Het Hof heeft voorts – anders dan in onderdeel 2 wordt aangevoerd – in zijn
overwegingen betreffende de overmachtssituatie die het handelen van de broer
voor de acht jaar jongere zuster heeft gevormd (rov. 10-12) , mede aandacht
besteed aan het besef dat de broer te dien aanzien heeft gehad.
Hierin ligt tevens een verwerping besloten van de stelling dat de broer
indertijd oprecht meende dat zijn zuster zijn handelingen ook wel leuk vond,
althans niet vervelend.
’s Hofs in rov. 13 besloten liggende oordeel dat het handelen aan de broer
kan worden toegerekend omdat het aan zijn schuld te wijten is, geeft niet
blijk van een onjuiste
rechtsopvatting. Dat oordeel is te zeer verweven met ’s Hofs waardering van
de omstandigheden van het onderhavige geval om voor het overige op zijn
juistheid te kunnen worden onderzocht. Onbegrijpelijk of onvoldoende
gemotiveerd is het niet .
Het Hof was niet gehouden om in zijn motivering tot uitdrukking te brengen
dat de omstandigheid dat de aard van de feiten niet zó ernstig was als de
zuster had aangevoerd, het Hof niet tot een ander oordeel heeft gebracht.

3.4 Het middel keert zich in de tweede plaats tegen ’s Hofs overweging met
betrekking tot het oorzakelijk verband tussen het onrechtmatige handelen en
de 5chade (rov. 15) .
Voorzover het middel ervan uitgaat dat aan het schuldvereiste van art. 1401
(oud) BW eerst voldaan is wanneer niet slechts schuld aan het onrechtmatige
handelen kan worden aangenomen maar tevens schuld aan de ontstane schade,
berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft de aanwezigheid van
voldoende oorzakelijk verband aangenomen op de grond, dat, nu door het
onrechtmatige handelen een risico ter zake van het ontstaan van schade in het
leven is geroepen en dit risico zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, die
schade in beginsel aan de broer als gevolg van dat handelen moet worden
toegerekend. Hierin ligt besloten dat aan het Hof van bijzondere
omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven om tot een ander oordeel te
komen, niet is gebleken. Deze overweging geeft niet blijk van een onjuiste
rechtsopvatting en kan voor het overige, verweven als zij is met een
waardering van feitelijke aard, niet op haar juistheid worden getoetst. Zij
is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.5 Uit het voorgaande volgt, dat geen van de klachten van het middel kan
slagen.

4. Beslissing
De hoge raad: verwerpt het beroep; veroordeelt eiser tot cassatie in de
kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van
verweerster begroot op ƒ 717,20 aan verschotten en ƒ 3.000 voor salaris.

Rechters

Mrs Martens, Mijnssen, Korthals Altes, Neleman, Savornin Lohman

Instantie: Hof Amsterdam, 26 februari 1998

Instantie

Hof Amsterdam

Samenvatting


Vrouw is van haar veertiende tot haar zestiende jaar regelmatig door haar
huisarts verkracht. Deze huisarts had een speciale band met het gezin omdat
haar vader alcoholist was. De vrouw is tengevolge van haar trauma’s onder
psychiatrische behandeling gekomen. De huisarts is na een klacht door het
Medisch Tuchtcollege berispt. De vrouw vordert ƒ 150.000 immateriële
schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van gedaagde. Zij stelt
subsidiair dat gedaagde onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door ten
opzichte van haar volstrekt buiten zijn rol van huisarts te treden door in
haar jeugd een zeer exclusieve relatie met haar aan te gaan. De Rechtbank
Amsterdam wijst de materiële schadevergoeding af op grond van onvoldoende
bewijs. De immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van ƒ 5.000.
Van dit vonnis is de vrouw in hoger beroep gegaan. Het hof heeft diverse
getuigen gehoord en eiseres heeft een aantal verklaringen overgelegd. Het hof
acht bewezen dat gedaagde, door seksueel contact met eiseres te hebben, zich
onrechtmatig heeft gedragen, gelet op de relatie huisarts-patiënte en de
daaruit voortvloeiende afhankelijkheid, alsmede gelet op het feit dat het
misbruik is begonnen toen eiseres nog maar vijftien jaar oud was en gedaagde
achtendertig. Alvorens de materiële en immateriële schade vast te stellen wil
het hof meer informatie. Het hof stelt nog dat het thans bewezen verklaarde
handelen van gedaagde in ernst verre het door de rechtbank bewezen verklaarde
handelen overtreft.
Er is een schikking overeengekomen en de huisarts betaalt de vrouw een
totaalbedrag aan schadevergoeding van ƒ 120.000.

Volledige tekst

;1 Het verdere procesverloop in hoger beroep

In deze zaak is een tussenarrest uitgesproken op 10 oktober 1996. Daarbij is
een comparitie van partijen gelast, welke is gehouden op 18 december 1996.
Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan zich een authentiek
afschrift bij de gedingstukken bevindt.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken wederom aan het hof overgelegd
voor het wijzen van arrest.

2 Waarvan het hof uitgaat

Naar in voormeld tussenarrest is overwogen, gaat het hof uit van de door de
rechtbank in het bestreden vonnis onder la tot en met 1c vermelde feiten.
Daarnaast gaat het hof uit van het door E. gestelde en door K. niet
gemotiveerd weersproken feit dat zij in de periode waarin de schadebrengende
gedragingen van K. zouden hebben plaatsgehad (31 januari 1972 tot en met
augustus 1974), gemiddeld ongeveer twee maal per week diens praktijk heeft
bezocht (met uitzondering van de vakantieperiodes), veelal als laatste
patiënt van K’s avond- spreekuur.

3. Verdere beoordeling van het hoger beroep

3.1 In haar eerste grief betoogt E dat de rechtbank ten onrechte de door haar
in het geding gebrachte verklaringen onvoldoende heeft geacht ten bewijze van
het door haar gestelde medicijngebruik. Ter toelichting op de grief stelt E
dat K’s verweer de erkenning omvat dat zij grote hoeveelheden – door K aan
haar meegegeven – medicijnen heeft gebruikt. Zij acht bewezen dat K haar
medicijnverslaafd heeft gemaakt.

3.2 K stelt niet méér (met name in zijn door E aangehaalde verklaring ten
overstaan van het Medisch Tuchtcollege) dan dat hij aanneemt dat E een
hoeveelheid medicijnen heeft gebruikt en dat de door haar genoemde medicijnen
grotendeels betrekking hebben op ten behoeve van haar vader uitgeschreven,
door E bij K opgehaalde recepten. K erkent derhalve niets omtrent de
hoeveelheid van de door E beweerdelijk gebruikte medicijnen. De eerste grief
gaat in zoverre van een onjuist uitgangspunt uit.

3.3 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 5 en 6 – na correcte
weergave van het door E terzake bijgebrachte bewijs – op juiste grond
geoordeeld dat E’s stellingen rond haar medicijngebruik en K’s onrechtmatig
handelen daaromtrent, niet zijn bewezen. Dat er – naar tussen partijen
vaststaat – niet de beschikking is over op schrift vastgelegde gegevens rond
de aan E voorgeschreven medicijnen komt, mede gelet op het lange tijdsverloop
in het kader van voornoemde bewijsbeoordeling, voor risico van E als eiseres.
Daarbij is van belang dat in die tijd – begin zeventiger jaren – niet die
eisen van zorgvuldige verslaglegging aan een arts werden gesteld zoals dat
thans het geval is. Zulks is met genoemd rechtbankoordeel in overeenstemming.
Het hof neemt dat oordeel en de daaraan ten grondslag liggende (als voormeld
aangevulde) motivering over en maakt die tot de zijne, mede gelet op het feit
dat E in appèl geen nieuwe feiten of omstandigheden aan haar stellingen rond
het medicijngebruik ten grondslag heeft gelegd, noch te bewijzen heeft
aangeboden. De juistheid van het rechtbankoordeel volgt temeer uit het
(hierna door het hof vast te stellen) feit dat E in de jaren 1972, 1973 en
1974 door K sexueel is misbruikt. Voor zover sprake was van de door E
omschreven gedragskenmerken, zijn deze immers zeer waarschijnlijk (mede) een
gevolg van dat misbruik. Dit maakt het verband tussen die gedragskenmerken en
het gestelde medicijngebruik te minder aannemelijk.

3.4 Het voorgaande betekent dat de eerste grief faalt, evenals de derde
grief, voor zover op het gestelde medicijngebruik betrekking hebbend.

3.5 In haar tweede grief betoogt E dat de rechtbank ten onrechte niet bewezen
heeft geoordeeld dat zij door K sexueel is misbruikt.

3.6 Blijkens de stellingen van E in beide instanties, bezien in het licht van
de overgelegde producties, bestond het beweerde sexuele misbruik er uit dat K
E zich liet uitkleden, haar borsten betastte en gemeenschap met haar had,
hetgeen plaatsvond in de periode van 31 januari 1972 tot en met augustus
1974, gemiddeld ongeveer twee maal per week (met uitzondering van de
vakantieperiodes), waarbij E veelal als laatste patiënt op K’s
avondspreekuur verscheen.

3.7 Rond de beantwoording van de vraag of van dat misbruik sprake was,
overweegt het hof als volgt.

3.7.1 De door K in de betrokken periode (op 6 juli 1973) aan E geschreven
brief is zeer intiem en persoonlijk van inhoud en heeft in belangrijke mate
een seksuele strekking welke jegens de geadresseerde claimend van aard is.

‘…. hoe je verlangt naar diegene waar je van houdt, je wilt hem laten zien
en meegenieten hoe jij geniet. Die gevoelens ken ik heel goed, liefste, en
ook, hoe je, op vakantie, ver van me weg, naar me verlangt. Ik mis je hier
enorm ……’

“Ik heb je gezegd …… van de jongens af te blijven ……. In het begin
gaat dat wel, maar hoe, als je daar al weer een tijdje zit ……. en gaat
dan misschien toch iemand wel erg aardig vinden. Dan komt het erop aan hoe
sterk je bent, en hoeveel je van me houdt”

“Ik zie erg uit naar je volgende brief. Maar meer nog naar jezelf.’

“Hoop ……. dat je net zo naar me verlangt als ik naar jou”

“Hele lieve Verenique ….. Heel veel kusjes ……. in gedachten met z’n
tweëen ….. Jouw He Hans. Je krijgt iedere avond een kusje op hoofd en je
blauwe ogen. Kom je gauw”.

3.7.2 K’s verweer dat de brief een vaderlijk karakter heeft en dat hij deze
heeft geschreven in een poging E te beschermen, gelet op haar toenmalige
problematische gezinsomstandigheden, moet als onaannemelijk worden verworpen.
De expliciteit en de kracht van de vorenomschreven inhoud van de brief staan
aan dat verweer in de weg, temeer daar de gestelde bedoeling zich geenszins
verdraagt met de grote nadruk die K in de brief op zijn eigen gevoelens en
verlangens heeft gelegd. Dit klemt temeer daar K 38 jaar oud was toen hij de
brief schreef en E 16 jaar oud. Ook het verweer van K dat de brief niet
sexueel van karakter is wanneer deze wordt bezien in het licht van de toen
heersende tijdgeest, moet reeds op grond van het voorgaande als onjuist
worden verworpen

3.7.3 Naar tussen partijen vast staat heeft E in de periode van 31 januari
1972 tot en met augustus 1974 gemiddeld ongeveer twee maal per week de
praktijk van K bezocht, veelal als laatste patiënt van diens avondspreekuur.
Naar tevens tussen partijen vaststaat vond een deel van die bezoeken plaats
in verband met (al dan niet psychosomatische) klachten van E, doch de
frequentie, het tijdstip en het feit dat E veelal de laatste patiënte van het
avondspreekuur was, laten zich daaruit volstrekt onvoldoende verklaren. Het
had op K’s weg gelegen terzake een aannemelijke verklaring te geven, hetgeen
hij heeft nagelaten. Dit vormt een sterke aanwijzing voor het gelijk van E.

3.7.4 S is door de rechtbank als getuige gehoord en heeft daarbij onder meer
als volgt verklaard:
– hij was tot 1975 conrector van de HAVO-afdeling van het Pius X-college;
– E was van 1972 tot in 1975 leerlinge van het HAVO aldaar; voorheen was zij
leerlinge van het VWO;
– toen E van het VWO naar het HAVO is gegaan, is zij getest en via de
deskundige hoorde S dat er niet alleen gezinsproblemen waren maar tevens dat
E een relatie met haar huisarts zou hebben; naar aanleiding hiervan heeft E
gesprekken gevoerd met de vertrouwensarts A.J. Koers;
– S heeft in de tijd dat E HAVO-leerlinge was met haar daarover gesproken;
zij heeft hem meermalen verteld dat zij gedwongen was met haar huisarts
sexuele gemeenschap te hebben.

3.7.5 A.J. Koers voornoemd is op 19 april 1988 onder ede gehoord door het
Medisch Tuchtcollege en heeft toen onder meer als volgt verklaard:
– hij is als vertrouwensarts in december 1972 benaderd over E en heeft ook
met haar persoonlijk gesproken;
– tijdens een gesprek met zijn collega Baan over E heeft Baan onder meer
gezegd dat sexueel misbruik niet te definiëren viel;
– Koers heeft E doorverwezen naar zijn collega Leopold, omdat het in het
geval van E om extrafamiliair geweld ging, hetgeen niet onder Koers’ opdracht
viel.

3.7.6 Blijkens overgelegd schrijven van de toenmalige huisarts van E, P. K
d.d. 8 april 1988, heeft E hem in oktober 1987 verteld jarenlang een sexuele
relatie tegen haar zin te hebben gehad met haar vorige huisarts.

3.7.7 Op grond van de uitspraak van het Medisch Tuchtcollege d.d. 18 juni
1998, de van de daaraan voorafgegane zittingen opgemaakte processen-verbaal
en de door W. Bezemer opgemaakte schriftelijke verklaringen van 12 april
1988, 9 oktober 1992 en 18 december 1995, staat – als door K onvoldoende
gemotiveerd weersproken – het navolgende vast:
– W. Bezemer is psychologe en heeft als zodanig deskundigheid verworven ten
aanzien van de behandeling van slachtoffers van sexueel misbruik;
– van 1984 tot heden onderhoudt Bezemer beroepsmatig kontakt met E, die haar
een jaar na aanvang van de behandeling heeft verteld over sexueel misbruik
door K;
– hetgeen E aan Bezemer heeft verklaard, was steeds congruent en nooit met
elkaar in tegenspraak;
– daarbij was sprake van gelaagde onthullingen, waarbij emoties eerder niet
dan wel werden toegelaten, hetgeen overeenkomstig met de wijze waarop in het
algemeen slachtoffers van seksueel misbruik, veelal pas veel later, van hun
ervaringen melding maken.

3.7.8 K heeft – in strijd met zijn rechtsplicht – geweigerd om in deze zaak
als getuige te worden gehoord. Hij heeft zijn weigering ten overstaan van de
rechtbank gemotiveerd met de stelling dat hij – door te verklaren – zijn
beroepsgeheim als arts jegens de overige leden van E’s ouderlijke gezin zou
schenden. Nadat de rechtbank had beschikt dat dit beroepsgeheim er niet aan
in de weg stond dat hij als getuige vragen zou beantwoorden met betrekking
tot het beweerde seksuele misbruik van E (welke beschikking in hoger beroep
door dit hof is bekrachtigd) heeft hij zijn weigering herhaald. Tijdens de
comparitie van partijen heeft K ten overstaan van de raadsheer-commissaris
verklaard die weigering te hebben gebaseerd op de angst van meineed
beschuldigd te zullen worden, omdat hij bang was onder ede op een vraag ‘ja’
te zullen zeggen, terwijl het ‘nee’ moet zijn of andersom, omdat ‘het
allemaal zo lang geleden is’. Gelet op de ernst en de frequentie van het door
E gestelde sexuele misbruik door K, is geenszins aannemelijk dat deze, indien
daaromtrent onder ede gehoord, abusievelijk onjuiste antwoorden zou geven. De
reden waarom K weigert als getuige te worden gehoord kan die weigering
derhalve niet dragen, nog daargelaten dat K aanvankelijk een andere
weigeringsgrond aanvoerde. Ook hierin is een sterke aanwijzing gelegen ten
gunste van de stellingen van E.
3.7.9 E heeft, als getuige door de rechtbank gehoord, het door haar gestelde
sexuele misbruik – zoals vorenomschreven – bevestigd. Haar verklaring terzake
stemt overeen met hetgeen zij daaromtrent heeft verklaard ten overstaan van
het Medisch Tuchtcollege, blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal .

3.7.10 Voorts zijn nog andere getuigen gehoord (P en B) en hebben partijen
nog andere verklaringen overgelegd van derden (B, E, L en de echtgenote van
K). Aan geen van deze verklaringen kan echter een relevante aanwijzing
worden ontleend omtrent de vraag of het gestelde seksuele misbruik van E
heeft plaatsgevonden.

3.8 Al hetgeen onder 3.7 is overwogen en weergegeven, in onderling verband
bezien, leidt tot het oordeel dat met ruimschoots voldoende mate van
zekerheid vast staat dat E seksueel is misbruikt door K. Zij heeft derhalve –
tegenover het verweer van K – haar stellingen aangaande dat misbruik bewezen.
Dat E in haar stellingen niet steeds consequent is geweest omtrent het aantal
malen dat zij – na verwijzing door Koers voornoemd – bij de arts Leopold in
consult is geweest (K heeft zich op die omstandigheid beroepen), doet aan het
voorgaande onvoldoende af.

3.9 K heeft in appèl gesteld nog vier getuigen te willen doen horen: de
moeder van E (P, E zelf, K (voormalig rector van het Pius X-college) en E
(E’s broer). De moeder van E is reeds in het kader van het voorlopig
getuigenverhoor voor de rechtbank verschenen en heeft toen medegedeeld zich
op haar verschoningsrecht te beroepen. K heeft niet gesteld dat verwacht mag
worden dat zij dat beroep niet wenst te handhaven, noch heeft hij aangegeven
op welke punten hij haar vragen zou willen doen stellen. E zelf is reeds als
getuige gehoord. K heeft ook niet aangegeven op welke (nieuwe) punten zij nog
ondervraagd zou moeten worden. Bovendien is reeds door de rechtbank en het
hof vastgesteld dat K’s verzoek tot haar herhaalde verhoor strijdt met de
vereisten van een goede procesorde, gelet op K’s weigering zelf een
getuigenverklaring af te leggen. Ten aanzien van het verhoor van E’s broer
heeft K aangeknoopt bij diens overgelegde verklaring. Blijkens de inhoud
daarvan heeft deze verklaring slechts betrekking op de kwestie rond E’s
medicijngebruik. Nu de vordering, voor zover daarop gebaseerd, wordt
afgewezen, bestaat er geen reden voor het verhoor van genoemde broer. Ten
aanzien van het verhoor van Koster voornoemd, heeft K aangeknoopt bij het
overgelegde schrijven van zijn raadsvrouwe, waarin deze verslag doet van een
telefoongesprek met die Koster. Deze zou in dat gesprek een en ander hebben
verklaard over de verhouding die E (op 19-jarige leeftijd) met S gehad heeft.
Tevens zou hij gezegd hebben de indruk te hebben dat E als leerlinge
contacten op sexueel gebied entameerde. Ook indien wordt uitgegaan van de
juistheid van Kosters mededelingen, doet dat aan het voorgaande bewijs
geenszins af. K heeft niet gesteld op welke andere punten hij Koster
ondervraagd wenst te zien. Gelet op de voornoemde redenen moet K’s verzoek om
getuigenverhoor als onvoldoende onderbouwd dan wel niet ter zake doend worden
verworpen.

3.10 Het voorgaande brengt mee dat de tweede grief E slaagt, evenals de
daarop voortbouwende vierde en vijfde grief. Ook de derde grief slaagt, doch
slechts voor zover betrekking hebbend op
het bewijs van het seksueel misbruik.

3.11 Door seksueel kontakt te hebben met E als bewezen, heeft K zich
onrechtmatig jegens haar gedragen, gelet op de relatie huisarts-patiënte en
de daaruit voortvloeiende afhankelijkheid van E jegens K (nog eens versterkt
door het feit dat zij – naar K zelf heeft gesteld – toendertijd niet stabiel
was en in problematische gezinsomstandigheden verkeerde), alsmede gelet op
het feit dat het misbruik is begonnen toen E nog maar 15 jaar oud was en K
38.

3.12 K is aansprakelijk voor de door E tengevolge van het seksuele misbruik
geleden materiële en immateriële schade. Bij gelegenheid van de comparitie
van partijen heeft E gespecificeerde opgave gedaan van haar materiële
kostenposten. Uit het door E bijgebrachte bewijs volgt
dat die posten hun oorsprong vinden in K’s onrechtmatig handelen. Hij is
daarom gehouden die posten te vergoeden. Wat de hoogte van de voor vergoeding
in aanmerking komende bedragen betreft, ziet het hof aanleiding opnieuw een
comparitie van partijen te gelasten, teneinde daaromtrent inlichtingen te
verkrijgen.

3.13 Omtrent de hoogte van de door E geleden immateriële schade heeft het hof
eveneens behoefte aan nadere voorlichting, onder meer op het punt van de
wederzijdse financiële positie van partijen. Het thans bewezen verklaarde
handelen van K overtreft in ernst verre het door de rechtbank bewezen
verklaarde handelen. Het te vergoeden bedrag aan immateriële schade zal
daarom in beginsel wezenlijk hoger zijn dan het door de rechtbank terzake
toegekend bedrag.

3.14 De te gelasten comparitie van partijen zal worden benut om ten aanzien
van de hoogte van het te vergoeden bedrag, tussen partijen een schikking te
beproeven.

3.15 Ieder verdere beslissing zal, in afwachting van de compa ritie van
partijen, worden aangehouden. Tussentijds cassatie- beroep tegen dit arrest
zal worden uitgesloten.

Beslissing
Het hof:

gelast dat partijen, in persoon en vergezeld door hun advocaten, zullen
verschijnen ter comparitie van partijen, teneinde inlichtingen te verstrekken
als onder 3.12 en 3.13 vorenomschreven en ter beproeving van een schikking;

bepaalt dat deze comparitie zal plaatsvinden ten overstaan van mr. T.A.C.
van Hartingsveldt, in deze zaak tot raadsheer-commissaris benoemd, die
daartoe zal overgaan in het gebouw van het gerechtshof aan de Prinsengracht
436 te Amsterdam, op woensdag 1 april 1998 te 14.00 uur;
bepaalt dat van dit arrest slechts cassatieberoep kan worden ingesteld
tegelijkertijd met het cassatieberoep tegen het eindarrest;

houdt iedere verdere beslissing aan

Rechters

Mrs Van Hartingsveld, Steenbergen en Veger

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 25 februari 1998

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


In het najaar van 1987 wordt K. seksueel misbruikt door C., terwijl hij aan
het klussen is in het huis van de ouders van K. Zij doet in 1994 aangifte bij
de politie. Er volgt vrijspraak in de strafzaak. Er volgt een civiele zaak
waarin materiële en immateriële schadevergoeding wordt gevorderd. In een
tussenvonnis wordt K. opgedragen bewijs te leveren. Naar het oordeel van de
rechtbank is K. daar in geslaagd. De rechtbank vindt de in de loop van drie
jaren afgelegde verklaringen voor het grootste deel innerlijk en onderling
consistent. Een aanwijzing voor de juistheid van het door K. gestelde
misbruik ligt in het feit dat een nichtje van de man inmiddels aangifte heeft
gedaan van vergelijkbaar seksueel misbruik. Het in de verklaring van K.
gelegen – onvolledige – bewijs van haar stellingen vindt aanvulling in de
getuigenverklaring van haar therapeute. De rechtbank vindt ook aanvullend
bewijs voor de juistheid van de stellingen van K. in het uitgebrachte
deskundigenrapport. De rechtbank acht het rapport van de deskundige en de
beantwoording van de gestelde vragen overtuigend. Met name hecht de rechtbank
waarde aan de waarneming van de deskundige dat K., reeds in haar eerste
verklaring bij de politie en dus voordat van incest-therapie sprake was, een
aantal malen blijk heeft gegeven van niet-algemeen bekende kennis omtrent de
handelwijze van daders van seksueel misbruik.
De rechtbank acht bewezen dat C. het meisje K. meermalen seksueel heeft
misbruikt. Het enkele feit dat C. hiervan strafrechtelijk is vrijgesproken
kan hieraan niet afdoen.

Volledige tekst

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

In conventie en in reconventie:
Ter uitvoering van de haar bij tussenvonnis van 23 april 1997 gegeven
bewijsopdracht heeft K. twee getuigen doen horen, onder wie zichzelf als
partij-getuige. C. Heeft in contra-enquête zichzelf als partij-getuige doen
horen. Ingevolge hetzelfde tussenvonnis heeft daarbij benoemde deskundige een
rapport uitgebracht dat ter griffie van de rechtbank is neergelegd.
Vervolgens hebben partijen het resultaat van de bewijslevering en van de
rapportage in daartoe strekkende conclussies besproken, waarna zij opnieuw
stukken hebben overgelegd voor vonnis.
Gronden van de beslissing.
in conventie :

1. Naar het oordeel van de rechtbank is K geslaagd in het haar in het
tussenvonnis van 2 oktober 1996 opgedragen bewijs. Hiertoe wordt als volgt
overwogen.

2. K heeft sinds 16 maart 1994, de datum van haar eerste aangifte bij de
politie, verscheidene verklaringen afgelegd over het door haar gestelde
misbruik en haar verhaal gedaan aan haar therapeute, mevrouw S en aan de door
de rechtbank benoemde deskundige R. B. Deze in de loop van drie jaren
afgelegde verklaringen zijn voor het grootste gedeelte innerlijk en ook
onderling consistent. De rechtbank acht de verklaringen ook geloofwaardig,
waar zij een onopgesmukte indruk maken en ook overtuigende details bevatten.
De verklaringen worden verder op onderdelen ondersteund door hetgeen de
moeder van K tegenover de politie en tegenover de deskundige heeft verklaard
omtrent de omstandigheden ten tijde van het gestelde misbruik en K’s
gedragingen in het algemeen en in het bijzonder tegenover C in de periode
daarna.

3. Aan hetgeen hiervoor werd overwogen wordt niet afgedaan door de
omstandigheid dat de verklaringen van K een, aantal inconsistenties bevatten
die met name betrekking hebben op de perioden waarin of de lengte van
perioden gedurende welke gebeurtenissen hebben plaatsvonden. Bij de
beoordeling van die inconsistenties moet echter in aanmerking worden genomen
dat het voor een getuige als K moeilijk is een verklaring af te leggen over
gebeurtenissen die meer dan zeven jaar geleden hebben plaatsgevonden, toen
zij nog zeer jong was. Dat probleem manifesteert zich in het bijzonder bij
details als datering en tijdsduur. Voor de rechtbank biedt het tijdsverloop
sinds de gebeurtenissen en de leeftijd van K, toen die gebeurtenissen
plaatsvonden, dan ook voldoende verklaring voor bovengenoemde
inconsistenties.

4. Voorts blijkt uit de overgelegde brief van mevrouw S dat deze van K heeft
vernomen dat C ook op haar zou zijn gaan liggen en dat sexuele gemeenschap
slechts was voorkomen doordat zij was gaan huilen. Deze gebeurtenis komt in
geen van de andere verklaringen voor en wijkt ook naar haar aard nogal af van
de inhoud van die andere verklaringen. Omdat het hier echter gaat om een
verklaring van mevrouw S over hetgeen zij in therapie-verband van K zou
hebben vernomen, kunnen aan deze bevinding geen al te verstrekkende
conclusies worden verbonden.

5. Voor het eerst in haar getuigenverklaring in deze procedure heeft K
verklaard dat C, om te voorkomen dat K’s broer ƒ iets van het misbruik zou
zien, de toegangsdeur van de woning op slot deed. In geen van haar eerdere
verklaringen had K van deze omstandigheid melding gemaakt, hoewel dat, met
name in het tweede verhoor bij de politie naar aanleiding van de vragen van
de advocaat, voor de hand had gelegen. Dit doet afbreuk aan de
geloofwaardigheid van dit deel van de verklaring van K. De verwerping van dit
gedeelte van K’s verklaring leidt er echter niet toe dat de rechtbank haar
gehele verklaring in twijfel trekt; daarvoor betreft het een te klein detail.

6. Tegenover de getuigenverklaring van K, op onderdelen ondersteund door de
verklaringen van haar moeder, staan de getuigenverklaringen van C, die er in
de kern op neer komen dat hij in de periode van zijn
doe-het-zelf-werkzaamheden nimmer alleen met K in huis is geweest. C maakt in
zijn beschrijving van de voorwaarden waaronder hij in het huis van de moeder
van K wilde, klussen, een ongeloofwaardig starre indruk. Wat zou er immers
voor bezwaar tegen zijn geweest als K tijdens zijn. werkzaamheden wat zou
hebben zitten spelen op haar slaapkamer?
Ook afbreuk aan die geloofwaardigheid doet de omstandigheid dat C in zijn
getuigenverklaring pas bij het voorlezen van het dictaat op de vraag over de
regeling in de paasvakantie, na eerst te hebben gezegd dat hij het niet wist,
antwoordde dat hij er “in ieder geval” niet is geweest, omdat hij “geen
kinderoppas” was. Dat in haar algemeenheid de verklaring van C, dat hij
altijd zorgde dat hij weg was als K thuis kwam, niet juist kan zijn, blijkt
bovendien al uit het feit dat hij heeft erkend dat het incident met de
rolmaat heeft plaatsgevonden op een moment dat hij alleen met K in huis was,
nadat deze van school was gekomen.

7. De rechtbank slaat bij de waardering van de verklaring van C ook acht op
het volgende. Tijdens een onderdeel van zijn getuigenverhoor, waarin C
uiteenzette, waarom het in verband met het gevaar van betrapping
onwaarschijnlijk was, dat de gestelde sexuele handelingen daadwerkelijk
hadden plaatsgevonden, heeft C verklaard: “We zijn ook wel eens gestoord”.
Gelet op de rest van zijn verklaring, inhoudende dat hij tijdens zijn
werkzaamheden altijd alleen was, was dit een uitermate vreemde uitlating,
waarvoor C bij doorvragen geen bevredigende verklaring heeft kunnen geven.
Dit heeft de rechtbank gesterkt in haar overtuiging, dat wat C heeft
verklaard als belangrijkste onderbouwing van zijn ontkenning, niet juist is.

8. Een aanwijzing voor de juistheid van het door K gestelde sexuele misbruik
is gelegen in de omstandigheid dat G, een nichtje van C, eveneens aangifte
tegen hem geeft gedaan van vergelijkbaar sexueel misbruik van haar.

9. Het in de verklaring van K gelegen – onvolledige – bewijs van haar
stellingen vindt aanvulling in de getuigenverklaring van mevrouw S, haar
therapeute.
Mevrouw S heeft verklaard dat zij heeft waargenomen dat K klachten had die
voor haar als ervaren therapeute van sexueel misbruikte meisjes in
overeenstemming waren met het door K gestelde sexueel misbruik en dat K onder
die klachten leed. Mevrouw S gaf er in haar verklaring blijk van de
mogelijkheid dat het verhaal van K niet waar was (inclusief de mogelijkheid
dat het sexueel misbruik wel had plaatsgevonden, maar niet door C) onder ogen
te hebben gezien en te hebben verworpen.

10. Ten slotte vindt de rechtbank aanvullend bewijs voor de juistheid van de
stellingen van K in het uitgebrachte deskundigenrapport.
Bij het tussenvonnis van 23 april 1997 werden aan de deskundige een aantal
vragen voorgelegd die hij als volgt heeft beantwoord:
1. Wat zijn uw bevindingen ten aanzien van betrokkene?
Mevrouw K imponeert als een gemiddeld intelligente
jonge vrouw, die een hoge mate van neuroticisme en neurotische labiliteit in
de vorm van somatische klachten ten toon spreidt. Ze toont zich serieus en
plichtsgetrouw (op het rigide af), hetgeen mede bedoeld lijkt om controle te
kunnen behouden op haar leven. Het zelfwaardegevoel is laag te noemen. De
obsessief-compulsieve stoornis die zij in het
verleden heeft gehad (dwangmatig handwassen) duidt op een zich vies (gemaakt)
voelen in combinatie met een geschonden lichaamsbesef (damaged goods
syndrome).

2. Zijn bij betrokkene psychische beschadigingen en/of trauma’s te
constateren?
Betrokkene vertoont diverse symptomen die passen bij een posttraumatische
stress-stoornis (PTSS). Haar verklaring is contextueel ingebed en maakt een
geloofwaardige indruk.

3. Zo ja: welke en in welke mate? Is er sprake van blijvende schade?
De ernst van het trauma wordt als groot tot zeer groot ingeschat.

4. Kunt u een oorzaak of oorzaken aanwijzen? Zo ja: welke?
Als oorzaak noemt betrokkene het seksueel misbruik, haar aangedaan door haar
oom (echtgenoot van de oudste zus van moeder). Zij omkleedt dat met een
aantal plausibele
argumenten (zie tekst). In de beschrijving van haar jeugd komen verder geen
belangrijke/specifieke ‘life-events’ naar voren. (behoudens de scheiding van
haar ouders en de suïcide van haar halfbroer), die als oorzaak zouden kunnen
worden gezien van de verschijnselen die betrokkene toont en die passen bij
een posttraumatische stress-stoornis. Betrokkene geeft expliciet aan dat zij
geen bovenmatige last heeft gehad van genoemde echtscheiding van de ouders
dan wel van suïcide van haar halfbroer. Met name vanuit de therapeute van
betrokkene komt naar voren dat onduidelijk blijft in hoeverre de faalangst
van betrokkene gerelateerd zou zijn aan het vermeende sexueel misbruik.
Aangaande deze faalangst kan over een eventuele relatie met misbruik
nadrukkelijk geen uitsluitsel worden gegeven.

5. Ondervindt betrokkene beperkingen door de geconstateerde beschadigingen
en/of trauma’s? Zo ja: welke en in welke mate?
Betrokkene ervaart nog steeds beperkingen. Haar psychische conditie is van
dien aard dat ondersteunende/stuttende behandeling noodzakelijk blijft. De
therapie die betrokkene vanuit de RIAGG krijgt aangeboden, lijkt aan te
slaan.

6. Hebt u overigens nog opmerkingen die voor de onderhavige zaak van belang
kunnen zijn? Zo ja: welke?
Betrokkene geeft in haar verklaring een aantal malen blijk van niet-algemeen
bekende kennis omtrent de handelwijze van daders van seksueel misbruik. Ze
geeft gedragingen weer, die kunnen worden gezien als behorend tot het
zogenoemde “grooming”-proces (het voorbereiden c.q. plannen van het
feitelijke misbruik).
Een ander belangrijk punt betreft de wijze waarop de ‘disclosure’ (het aan
het licht komen van het vermeende misbruik) tot stand is gekomen: ze heeft
zich lange tijd verplicht gevoeld hierover te zwijgen (N.B. óók tante F.P
heeft zich – om haar moverende redenen – lange tijd
verplicht gevoeld om te zwijgen over het (op het moment van aangifte reeds
verjaarde) misbruik van haar dochter T, nadat dit aan haar (= tante F) door
haar dochter was meegedeeld; een en ander zegt mogelijk iets over de
machtspositie van de verdachte binnen het familiesysteem). Geleidelijk aan,
met name op basis van een populaire hitsong (“ome J”) tijdens dansles, heeft
betrokkene eerst op 17- jarige leeftijd het aangedurfd om over het door haar
ervaren misbruik te verklaren.
Vanuit het onderzoek zijn, tot slot, geen motieven bij betrokkene gebleken
voor het afleggen van een eventuele valse verklaring.

11. De rechtbank acht het rapport van de deskundige en de beantwoording van
de gestelde vragen overtuigend. Met name hecht de rechtbank waarde aan de
waarneming van de deskundige dat K, reeds in haar eerste verklaring bij de
politie en dus voordat van incest-therapie sprake was, een aantal malen heeft
blijk gegeven van niet -algemeen bekende kennis omtrent de handelwijze van
daders van sexueel misbruik, zoals die met betrekking tot het
“grooming-proces”.
Dat de deskundige dit grooming-proces in verband brengt met het eerder
genoemde en door C deels erkende incident met de rolmaat, vormt voor de
rechtbank een aanwijzing dat ook het deel van de verklaring van K, waarin zij
C als de dader van het sexueel misbruik aanwijst, juist is.
De deskundige heeft de mogelijkheid onder ogen gezien, dat de verklaring van
K vals is, ook op het punt van de aangewezen dader, maar heeft geen
aanwijzingen gevonden dat die mogelijkheid zich hier zou voordoen. Een
verdergaande bevestiging van de juistheid van K’s verklaring kon van een
psycholoog niet worden verwacht.

12. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank bewezen
dat C K in het jaar 1987 meermalen sexueel heeft misbruikt. Het enkele feit
dat strafrechtelijk is vrijgesproken kan hieraan niet afdoen.
Dat K als gevolg van het misbruik schade heeft opgelopen acht de rechtbank
evenzeer bewezen; zij verwijst daartoe naar het antwoord van de deskundige op
de vragen 2, 3 en 4. De
rechtbank heeft geen aanwijzingen kunnen vinden dat de bij K waargenomen
trauma’ s in feite in overwegende mate door een andere gebeurtenis dan het
misbruik door C
zouden zijn veroorzaakt.
De gevorderde verklaring voor recht is mitsdien toewijsbaar.

13. Nadat K bij repliek het door haar gevorderde bedrag aan vergoeding van
materiële schade had gespecificeerd tot een bedrag van ƒ 137 (kosten eigen
bijdrage, reiskosten binnen
Amsterdam) is C op dit punt niet verder ingegaan. Het bedrag van ƒ 137 is
derhalve als onvoldoende weersproken toewijsbaar.
Het gevorderde smartengeld acht de rechtbank in overeenstemming met de ernst
van het bewezenverklaarde en de ernst van de door K als gevolg daarvan
geleden psychische schade. Dit bedrag zal derhalve worden toegewezen. Als de
in het ongelijk gestelde partij zal C worden
veroordeeld in de kosten van het geding, waaronder de kosten van het
deskundigenbericht.

In conventie:
14. Nog daargelaten de vraag, onder welke omstandigheden het voeren van een
civiele procedure als de onderhavige jegens de wederpartij onrechtmatig
geoordeeld zou kunnen worden, indien de aanlegger in het ongelijk gesteld
wordt, zal bij toewijzing van de vordering, zoals hiervoor is geschied, geen
sprake kunnen zijn van onrechtmatigheid. De vordering van Cornelissen moet
dan ook worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal C.
Worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissing
in conventie:
– verklaart voor recht dat C. Jegens K. een onrechtmatige daad heeft begaan
door in het jaar 1987 meermalen sexuele handelingen met haar te plegen;
– veroordeelt C. Tot betaling aan K. van ƒ 25.137 te vermeerderen met de
wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 maart 1995 tot de voldoening;

in reconventie;
– wijst het gevorderde af;
in conventie en in reconventie:
– veroordeelt C. In de kosten van het geding, aan de zijde van K. tot aan
deze uitspraak begroot op ƒ 7.489,27, waarvan te betalen aan K. ƒ 120 voor
bij haar gevallen kosten aan vastrecht;
aan de griffier van deze rechtbank:
ƒ 4.750 aan salaris procureur;
ƒ 300 aan overig vastrecht;
ƒ 2.319,27 aan exploitkosten en kosten deskundige;
– verklaart de betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs Beukenhorst, Smit, Rang

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 25 februari 1998

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


In het najaar van 1987 wordt K. seksueel misbruikt door C., terwijl hij
aan het klussen is in het huis van de ouders van K. Zij doet in 1994 aangifte
bij de politie. Er volgt vrijspraak in de strafzaak. Er volgt een civiele
zaak waarin materiële en immateriële schadevergoeding wordt gevorderd.
In een tussenvonnis wordt K. opgedragen bewijs te leveren. Naar het oordeel
van de rechtbank is K. daar in geslaagd. De rechtbank vindt de in de loop
van drie jaren afgelegde verklaringen voor het grootste deel innerlijk
en onderling consistent. Een aanwijzing voor de juistheid van het door
K. gestelde misbruik ligt in het feit dat een nichtje van de man inmiddels
aangifte heeft gedaan van vergelijkbaar seksueel misbruik. Het in de verklaring
van K. gelegen – onvolledige – bewijs van haar stellingen vindt aanvulling
in de getuigenverklaring van haar therapeute. De rechtbank vindt ook aanvullend
bewijs voor de juistheid van de stellingen van K. in het uitgebrachte deskundigenrapport.
De rechtbank acht het rapport van de deskundige en de beantwoording van
de gestelde vragen overtuigend. Met name hecht de rechtbank waarde aan
de waarneming van de deskundige dat K., reeds in haar eerste verklaring
bij de politie en dus voordat van incest-therapie sprake was, een aantal
malen blijk heeft gegeven van niet-algemeen bekende kennis omtrent de handelwijze
van daders van seksueel misbruik.
De rechtbank acht bewezen dat C. het meisje K. meermalen seksueel heeft
misbruikt. Het enkele feit dat C. hiervan strafrechtelijk is vrijgesproken
kan hieraan niet afdoen.

Volledige tekst

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

In conventie en in reconventie:

Ter uitvoering van de haar bij tussenvonnis van 23 april 1997 gegeven bewijsopdracht
heeft K. twee getuigen doen horen, onder wie zichzelf als partij-getuige.
C. heeft in contra-enquête zichzelf als partij-getuige doen horen. Ingevolge
hetzelfde tussenvonnis heeft daarbij benoemde deskundige een rapport uitgebracht
dat ter griffie van de rechtbank is neergelegd.
Vervolgens hebben partijen het resultaat van de bewijslevering en van de
rapportage in daartoe strekkende conclusies besproken, waarna zij opnieuw
stukken hebben overgelegd voor vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING.

in conventie:

1. Naar het oordeel van de rechtbank is K. geslaagd in het haar in het
tussenvonnis van 2 oktober 1996 opgedragen bewijs. Hiertoe wordt als volgt
overwogen.

2. K. heeft sinds 16 maart 1994, de datum van haar eerste aangifte bij
de politie, verscheidene verklaringen afgelegd over het door haar gestelde
misbruik en haar verhaal gedaan aan haar therapeute, mevrouw S. en aan
de door de rechtbank benoemde deskundige R. B. Deze in de loop van drie
jaren afgelegde verklaringen zijn voor het grootste gedeelte innerlijk
en ook onderling consistent. De rechtbank acht de verklaringen ook geloofwaardig,
waar zij een onopgesmukte indruk maken en ook overtuigende details bevatten.
De verklaringen worden verder op onderdelen ondersteund door hetgeen de
moeder van K. tegenover de politie en tegenover de deskundige heeft verklaard
omtrent de omstandigheden ten tijde van het gestelde misbruik en K.’s gedragingen
in het algemeen en in het bijzonder tegenover C. in de periode daarna.

3. Aan hetgeen hiervoor werd overwogen wordt niet afgedaan door de omstandigheid
dat de verklaringen van K. een, aantal inconsistenties bevatten die met
name betrekking hebben op de perioden waarin of de lengte van perioden
gedurende welke gebeurtenissen hebben plaatsvonden. Bij de beoordeling
van die inconsistenties moet echter in aanmerking worden genomen dat het
voor een getuige als K. moeilijk is een verklaring af te leggen over gebeurtenissen
die meer dan zeven jaar geleden hebben plaatsgevonden, toen zij nog zeer
jong was. Dat probleem manifesteert zich in het bijzonder bij details als
datering en tijdsduur. Voor de rechtbank biedt het tijdsverloop sinds de
gebeurtenissen en de leeftijd van K., toen die gebeurtenissen plaatsvonden,
dan ook voldoende verklaring voor bovengenoemde inconsistenties.

4. Voorts blijkt uit de overgelegde brief van mevrouw S. dat deze van K.
heeft vernomen dat C. ook op haar zou zijn gaan liggen en dat seksuele
gemeenschap slechts was voorkomen doordat zij was gaan huilen. Deze gebeurtenis
komt in geen van de andere verklaringen voor en wijkt ook naar haar aard
nogal af van de inhoud van die andere verklaringen. Omdat het hier echter
gaat om een verklaring van mevrouw S. over hetgeen zij in therapie-verband
van K. zou hebben vernomen, kunnen aan deze bevinding geen al te verstrekkende
conclusies worden verbonden.

5. Voor het eerst in haar getuigenverklaring in deze procedure heeft K.
verklaard dat C., om te voorkomen dat K.’s broer F. iets van het misbruik
zou zien, de toegangsdeur van de woning op slot deed. In geen van haar
eerdere verklaringen had K. van deze omstandigheid melding gemaakt, hoewel
dat, met name in het tweede verhoor bij de politie naar aanleiding van
de vragen van de advocaat, voor de hand had gelegen. Dit doet afbreuk aan
de geloofwaardigheid van dit deel van de verklaring van K. De verwerping
van dit gedeelte van K.’s verklaring leidt er echter niet toe dat de rechtbank
haar gehele verklaring in twijfel trekt; daarvoor betreft het een te klein
detail.

6. Tegenover de getuigenverklaring van K., op onderdelen ondersteund door
de verklaringen van haar moeder, staan de getuigenverklaringen van C.,
die er in de kern op neer komen dat hij in de periode van zijn doe-het-zelf-werkzaamheden
nimmer alleen met K. in huis is geweest. C. maakt in zijn beschrijving
van de voorwaarden waaronder hij in het huis van de moeder van K. wilde,
klussen, een ongeloofwaardig starre indruk. Wat zou er immers voor bezwaar
tegen zijn geweest als K. tijdens zijn. werkzaamheden wat zou hebben zitten
spelen op haar slaapkamer?
Ook afbreuk aan die geloofwaardigheid doet de omstandigheid dat C. in zijn
getuigenverklaring pas bij het voorlezen van het dictaat op de vraag over
de regeling in de paasvakantie, na eerst te hebben gezegd dat hij het niet
wist, antwoordde dat hij er ‘in ieder geval’ niet is geweest, omdat hij
‘geen kinderoppas’ was. Dat in haar algemeenheid de verklaring van C.,
dat hij altijd zorgde dat hij weg was als K. thuis kwam, niet juist kan
zijn, blijkt bovendien al uit het feit dat hij heeft erkend dat het incident
met de rolmaat heeft plaatsgevonden op een moment dat hij alleen met K.
in huis was, nadat deze van school was gekomen.

7. De rechtbank slaat bij de waardering van de verklaring van C. ook acht
op het volgende. Tijdens een onderdeel van zijn getuigenverhoor, waarin
C. uiteenzette, waarom het in verband met het gevaar van betrapping onwaarschijnlijk
was, dat de gestelde seksuele handelingen daadwerkelijk hadden plaatsgevonden,
heeft C. verklaard: ‘We zijn ook wel eens gestoord’. Gelet op de rest van
zijn verklaring, inhoudende dat hij tijdens zijn werkzaamheden altijd alleen
was, was dit een uitermate vreemde uitlating, waarvoor C. bij doorvragen
geen bevredigende verklaring heeft kunnen geven. Dit heeft de rechtbank
gesterkt in haar overtuiging, dat wat C. heeft verklaard als belangrijkste
onderbouwing van zijn ontkenning, niet juist is.

8. Een aanwijzing voor de juistheid van het door K. gestelde seksuele misbruik
is gelegen in de omstandigheid dat G., een nichtje van C., eveneens aangifte
tegen hem geeft gedaan van vergelijkbaar seksueel misbruik van haar.

9. Het in de verklaring van K. gelegen – onvolledige – bewijs van haar
stellingen vindt aanvulling in de getuigenverklaring van mevrouw S., haar
therapeute.
Mevrouw S. heeft verklaard dat zij heeft waargenomen dat K. klachten had
die voor haar als ervaren therapeute van seksueel misbruikte meisjes in
overeenstemming waren met het door K. gestelde seksueel misbruik en dat
K. onder die klachten leed. Mevrouw S. gaf er in haar verklaring blijk
van de mogelijkheid dat het verhaal van K. niet waar was (inclusief de
mogelijkheid dat het seksueel misbruik wel had plaatsgevonden, maar niet
door C.) onder ogen te hebben gezien en te hebben verworpen.

10. Ten slotte vindt de rechtbank aanvullend bewijs voor de juistheid van
de stellingen van K. in het uitgebrachte deskundigenrapport.
Bij het tussenvonnis van 23 april 1997 werden aan de deskundige een aantal
vragen voorgelegd die hij als volgt heeft beantwoord:
1. Wat zijn uw bevindingen ten aanzien van betrokkene?
Mevrouw K. imponeert als een gemiddeld intelligente
jonge vrouw, die een hoge mate van neuroticisme en neurotische labiliteit
in de vorm van somatische klachten ten toon spreidt. Ze toont zich serieus
en plichtsgetrouw (op het rigide af), hetgeen mede bedoeld lijkt om controle
te kunnen behouden op haar leven. Het zelfwaardegevoel is laag te noemen.
De obsessief-compulsieve stoornis die zij in het
verleden heeft gehad (dwangmatig handwassen) duidt op een zich vies (gemaakt)
voelen in combinatie met een geschonden lichaamsbesef (damaged goods syndrome).

2. Zijn bij betrokkene psychische beschadigingen en/of trauma’s te constateren?
Betrokkene vertoont diverse symptomen die passen bij een posttraumatische
stress-stoornis (PTSS). Haar verklaring is contextueel ingebed en maakt
een geloofwaardige indruk.

3. Zo ja: welke en in welke mate? Is er sprake van blijvende schade?
De ernst van het trauma wordt als groot tot zeer groot ingeschat.

4. Kunt u een oorzaak of oorzaken aanwijzen? Zo ja: welke?
Als oorzaak noemt betrokkene het seksueel misbruik, haar aangedaan door
haar oom (echtgenoot van de oudste zus van moeder). Zij omkleedt dat met
een aantal plausibele
argumenten (zie tekst). In de beschrijving van haar jeugd komen verder
geen belangrijke/specifieke ‘life-events’ naar voren. (behoudens de scheiding
van haar ouders en de suïcide van haar halfbroer), die als oorzaak zouden
kunnen worden gezien van de verschijnselen die betrokkene toont en die
passen bij een posttraumatische stress-stoornis. Betrokkene geeft expliciet
aan dat zij geen bovenmatige last heeft gehad van genoemde echtscheiding
van de ouders dan wel van suïcide van haar halfbroer. Met name vanuit de
therapeute van betrokkene komt naar voren dat onduidelijk blijft in hoeverre
de faalangst van betrokkene gerelateerd zou zijn aan het vermeende seksueel
misbruik. Aangaande deze faalangst kan over een eventuele relatie met misbruik
nadrukkelijk geen uitsluitsel worden gegeven.

5. Ondervindt betrokkene beperkingen door de geconstateerde beschadigingen
en/of trauma’s? Zo ja: welke en in welke mate?
Betrokkene ervaart nog steeds beperkingen. Haar psychische conditie is
van dien aard dat ondersteunende/stuttende behandeling noodzakelijk blijft.
De therapie die betrokkene vanuit de RIAGG krijgt aangeboden, lijkt aan
te slaan.

6. Hebt u overigens nog opmerkingen die voor de onderhavige zaak van belang
kunnen zijn? Zo ja: welke?
Betrokkene geeft in haar verklaring een aantal malen blijk van niet-algemeen
bekende kennis omtrent de handelwijze van daders van seksueel misbruik.
Ze geeft gedragingen weer, die kunnen worden gezien als behorend tot het
zogenoemde ‘grooming’-proces (het voorbereiden c.q. plannen van het feitelijke
misbruik).
Een ander belangrijk punt betreft de wijze waarop de ‘disclosure’ (het
aan het licht komen van het vermeende misbruik) tot stand is gekomen: ze
heeft zich lange tijd verplicht gevoeld hierover te zwijgen (NB. óók tante
F. heeft zich – om haar moverende redenen – lange tijd
verplicht gevoeld om te zwijgen over het (op het moment van aangifte reeds
verjaarde) misbruik van haar dochter G., nadat dit aan haar (= tante F.)
door haar dochter was meegedeeld; een en ander zegt mogelijk iets over
de machtspositie van de verdachte binnen het familiesysteem). Geleidelijk
aan, met name op basis van een populaire hitsong (‘ome J’) tijdens dansles,
heeft betrokkene eerst op 17- jarige leeftijd het aangedurfd om over het
door haar ervaren misbruik te verklaren.
Vanuit het onderzoek zijn, tot slot, geen motieven bij betrokkene gebleken
voor het afleggen van een eventuele valse verklaring.

11. De rechtbank acht het rapport van de deskundige en de beantwoording
van de gestelde vragen overtuigend. Met name hecht de rechtbank waarde
aan de waarneming van de deskundige dat K, reeds in haar eerste verklaring
bij de politie en dus voordat van incest-therapie sprake was, een aantal
malen heeft blijk gegeven van niet -algemeen bekende kennis omtrent de
handelwijze van daders van seksueel misbruik, zoals die met betrekking
tot het ‘grooming-proces’.
Dat de deskundige dit grooming-proces in verband brengt met het eerder
genoemde en door C. deels erkende incident met de rolmaat, vormt voor de
rechtbank een aanwijzing dat ook het deel van de verklaring van K, waarin
zij C. als de dader van het seksueel misbruik aanwijst, juist is.
De deskundige heeft de mogelijkheid onder ogen gezien, dat de verklaring
van K. vals is, ook op het punt van de aangewezen dader, maar heeft geen
aanwijzingen gevonden dat die mogelijkheid zich hier zou voordoen. Een
verdergaande bevestiging van de juistheid van K.’s verklaring kon van een
psycholoog niet worden verwacht.

12. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank bewezen
dat C. K. in het jaar 1987 meermalen seksueel heeft misbruikt. Het enkele
feit dat strafrechtelijk is vrijgesproken kan hieraan niet afdoen.
Dat K. als gevolg van het misbruik schade heeft opgelopen acht de rechtbank
evenzeer bewezen; zij verwijst daartoe naar het antwoord van de deskundige
op de vragen 2, 3 en 4. De
rechtbank heeft geen aanwijzingen kunnen vinden dat de bij K. waargenomen
trauma’ s in feite in overwegende mate door een andere gebeurtenis dan
het misbruik door C.
zouden zijn veroorzaakt.
De gevorderde verklaring voor recht is mitsdien toewijsbaar.

13. Nadat K. bij repliek het door haar gevorderde bedrag aan vergoeding
van materiële schade had gespecificeerd tot een bedrag van ƒ 137 (kosten
eigen bijdrage, reiskosten binnen
Amsterdam) is C. op dit punt niet verder ingegaan. Het bedrag van ƒ 137
is derhalve als onvoldoende weersproken toewijsbaar.
Het gevorderde smartengeld acht de rechtbank in overeenstemming met de
ernst van het bewezenverklaarde en de ernst van de door K. als gevolg daarvan
geleden psychische schade. Dit bedrag zal derhalve worden toegewezen. Als
de in het ongelijk gestelde partij zal C. worden veroordeeld in de kosten
van het geding, waaronder de kosten van het deskundigenbericht.

In conventie:

14. Nog daargelaten de vraag, onder welke omstandigheden het voeren van
een civiele procedure als de onderhavige jegens de wederpartij onrechtmatig
geoordeeld zou kunnen worden, indien de aanlegger in het ongelijk gesteld
wordt, zal bij toewijzing van de vordering, zoals hiervoor is geschied,
geen sprake kunnen zijn van onrechtmatigheid. De vordering van C. moet
dan ook worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal C.
worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

in conventie:

– verklaart voor recht dat C. jegens K. een onrechtmatige daad heeft begaan
door in het jaar 1987 meermalen seksuele handelingen met haar te plegen;
– veroordeelt C. tot betaling aan K. van ƒ 25.137 te vermeerderen met de
wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 maart 1995 tot de voldoening;

in reconventie:

– wijst het gevorderde af;
in conventie en in reconventie:
– veroordeelt C. in de kosten van het geding, aan de zijde van K. tot aan
deze uitspraak begroot op ƒ 7.489,27, waarvan te betalen aan K. ƒ 120 voor
bij haar gevallen kosten aan vastrecht;
aan de griffier van deze rechtbank:
ƒ 4.750 aan salaris procureur;
ƒ 300 aan overig vastrecht;
ƒ 2.319,27 aan exploitkosten en kosten deskundige;

– verklaart de betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs. Beukenhorst, Smit, Rang