Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 februari 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een vrouw is van 1 april 1975 tot 16 mei 1990 werkzaam geweest. Zij heeft
niet deelgenomen aan de geldende pensioenregeling, omdat vrouwen, deeltijdwerkers
en huishoudelijk personeel tot 1 december 19984 waren uitgesloten. Na 1
december 1984 bleven huishoudelijk personeel en deeltijders uitgesloten.
De vrouw is van mening dat het bedrijf hiermee in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling heeft gehandeld.
De Commissie stelt vast dat het uitsluiten van huishoudelijk personeel
van een pensioenregeling in zeer grote meerderheid vrouwen treft. De cijfers
worden bevestigd door de situatie bij het bedrijf. De betreffende pensioenregeling
benadeelt vrouwen daardoor onevenredig. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 1 augustus 1997 verzocht mevrouw (….) te Waddinxveen (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel te geven over de vraag of (….) te Waddinxveen (hierna: de wederpartij)
jegens haar onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster is van 1 april 1975 tot 16 mei 1990, het tijdstip waarop
verzoekster in de WAO terecht kwam, werkzaam geweest bij de wederpartij.
Zij heeft niet deelgenomen aan de geldende pensioenregeling, omdat vrouwen,
deeltijdwerkers en huishoudelijk personeel tot 1 december 1984 waren uitgesloten.
Na 1 december 1984 bleven huishoudelijk personeel en deeltijders uitgesloten.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Vervolgens zijn partijen uitgenodigd voor een zitting op 13 januari 1998.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

Van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)
– dhr. (….)

Van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (hoofd administratie)

Van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. G.H. Felix (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een technische groothandel met een assemblage-afdeling.
Verzoekster heeft van 1 april 1975 tot 16 mei 1990, het tijdstip dat ze
arbeidsongeschikt raakte, bij de wederpartij in de huishoudelijke dienst
gewerkt. Vanaf 17 mei 1990 tot op heden ontvangt zij een WAO-uitkering.
Voor het bedrijf van de wederpartij gold tenminste vanaf 1 december 1974
een pensioenregeling. Van deze pensioenregeling waren tot 1 december 1984
vrouwen, deeltijders en huishoudelijk personeel uitgesloten. Na 1 december
1984 is de pensioenregeling in die zin verruimd, dat vrouwelijke personeelsleden
als deelnemer toegelaten konden worden tot de pensioenregeling, maar deeltijders
en huishoudelijk personeel bleven uitgesloten. Deze regeling gold tot 1
december 1994. Vanaf dat moment zijn alle vrouwelijke werknemers tot de
pensioenregeling toegelaten.
De pensioenregeling ken(t)de een (voor de werknemers) premievrij pensioen.
In het kader van een WAO-situatie wordt de opbouw van het pensioen premievrij
voortgezet op basis van het laatstgenoten salaris als grondslag.

Op 3 augustus 1995 heeft verzoekster de wederpartij schriftelijk verzocht
haar met terugwerkende kracht deel te laten nemen aan de pensioenregeling.
Bij brief van 10 april 1996 heeft de wederpartij aan verzoekster medegedeeld
dat zij op grond van de aard van haar werkzaamheden geen recht heeft op
deelname.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

Een paar jaar na haar indiensttreding bij de wederpartij werden haar mannelijke
collega’s opgenomen in een pensioenregeling. Toen verzoekster vroeg of
ze ook een pensioen kon opbouwen, antwoordde haar baas “je bent toch getrouwd,
waarom zou je dat doen?”.
Vanaf 1 december 1984 zijn de overige vrouwelijke medewerkers die allen
voltijds, als administratief medewerkster voor onbepaalde tijd, in dienst
waren van de wederpartij, opgenomen in de pensioenregeling. Verzoekster
werd niet toegelaten, omdat zij huishoudelijke arbeid verrichtte.
In 1988 toen verzoekster weduwe werd, bleek dat haar man ook geen pensioen
had opgebouwd. Verzoekster heeft in 1995 een verzoek gericht aan de wederpartij
om alsnog voor een pensioenuitkering in aanmerking te worden gebracht.
De wederpartij heeft dit geweigerd.
Verzoekster voert tenslotte aan dat zij altijd met veel inzet bij de wederpartij
heeft gewerkt. Aangezien bij het huishoudelijk personeel relatief veel
vrouwen werken, is er sprake van ongelijke behandeling.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

Het uitsluiten van het huishoudelijk personeel van deelname aan de oude
pensioenregeling was niet ingegeven door de wens direct of indirect onderscheid
tussen mannen en vrouwen te maken. In de jaren ’70 stelde de wederpartij
de pensioenregeling open voor een zo klein mogelijke groep werknemers,
om:
– de onderneming voort te laten bestaan en in het verlengde daarvan;
– de concurrentie-positie te verbeteren.
Daartoe werd besloten om bepaalde categorieën personeelsleden uit te sluiten
van deelname aan de pensioenregeling. Het ging om werknemers met een dienstverband
voor bepaalde tijd en huishoudelijk personeel (met een dienstverband voor
onbepaalde tijd). Werknemers uit beide categorieën droegen niet direct
of (nog) in onvoldoende mate bij tot de “business” van de wederpartij,
de handel in hydraulische, mechanische, elektrische en elektronische componenten
en van complete systemen bestemd voor de aandrijving van machines en installaties.
De wederpartij was wel bereid voor het vaste personeel dat een wezenlijke
bijdrage leverde aan haar “business”, een pensioenregeling te treffen.
Het treffen van een dergelijke pensioenregeling was een essentiële voorwaarde
om deze personeelsleden te behouden. Ter zitting heeft de wederpartij hieraan
nog toegevoegd dat de uitsluiting van vrouwelijke werknemers waarschijnlijk
ook te maken had met de kortere duur van de dienstbetrekkingen van vrouwen
vergeleken met mannen.
De uitsluiting van huishoudelijk personeel kan te maken hebben gehad met
het kleine aantal uren dat per dag werd gewerkt of ook de kortere duur
van het dienstverband ten opzichte van andere dienstverbanden. De visie
van de toenmalige directeur kan zijn geweest dat er in die gevallen minder
binding bestond met het bedrijf.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling, door haar
geen toegang te verlenen tot de (geldende) pensioenregeling(en).

Verzoekster is op 1 april 1975 in dienst getreden bij de wederpartij. Op
16 mei 1990 werd zij arbeidsongeschikt en kwam zij in aanmerking voor een
AAW/WAO-uitkering. Verzoekster is nooit opgenomen in de pensioenregelingen
die golden vanaf 1 december 1974-1 december 1984 en vervolgens tot 1 december
1994, omdat
– tot 1 december 1984 waren uitgesloten; vrouwen, deeltijders en huishoudelijk
personeel;
– na 1 december 1984 waren uitgesloten; deeltijders en huishoudelijk personeel.

4.2. De eerste vraag die rijst, is aan welke artikelen uit de wetgeving
gelijke behandeling moet worden getoetst.
Daarover overweegt de Commissie als volgt.

Op 1 maart 1975 trad de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (WGL) in
werking. Deze voorzag in een Commissie die bevoegd was te oordelen over
klachten inzake de WGL. Vanaf 1980 gold de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB), waarbij artikel 1637ij BW(oud) werd ingevoerd.
Ook in deze wet werd voorzien in een Commissie die bevoegd was te oordelen
over geschillen over deze wetgeving. Op 1 juli 1989 trad op grond van de
zogenaamde Reparatiewet zowel in artikel 1637ij BW als in de WGB een aantal
wijzigingen in werking. De Reparatiewet voorzag in een nieuwe Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid. Deze had ook de
bevoegdheid om te oordelen over klachten die beoordeeld moesten worden
op grond van de gelijke behandelingswetgeving die gold vóór 1 juli 1989.
De huidige Commissie gelijke behandeling heeft deze bevoegdheid van haar
voorgangsters eveneens.

De WGL bepaalde dat een werkgever geen onderscheid mocht maken op het punt
van de beloning. Een uitdrukkelijke uitzondering ten aanzien van uitkeringen
of aanspraken ingevolge pensioen-
regelingen was opgenomen. Evenals het huidige artikel 7:646 BW (Dit artikel
heeft onmiddellijke werking krachtens artikel 68a OW.) bepaalde het artikel
(7A:)1637ij BW dat een werkgever direct (onmiddellijk) noch indirect (middellijk)
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in ondermeer de arbeidsvoorwaarden,
waaronder begrepen de beloning. Op grond van artikel 7:646 lid 1 BW zijn
onder arbeidsvoorwaarden niet begrepen uitkeringen of aanspraken ingevolge
pensioenregelingen. Derhalve zal nagegaan moeten worden of de Commissie
bevoegd is een oordeel over dit verzoek uit te spreken.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat de wetgever met de eerdere WGL, de
WGB en voorts met artikel (7A:)1637ij, thans artikel 7:646 BW mede een
volledige uitwerking heeft willen geven aan artikel 119 EG-Verdrag en de
daarop gebaseerde EG-Richtlijnen. Het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (HvJEG) is blijkens zijn overwegingen in de zaak van Von
Colson en Kamann (HvJEG, Von Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein-Westfalen,
C-14/83, 10 april 1984, JUR 1984-1891.) van oordeel dat nationale rechters
en anderen die met overheidsgezag zijn bekleed, gehouden zijn om binnen
hun bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe
te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling van
het EG-Verdrag, in dit geval artikel 119.

Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de uitdrukkelijke
uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen,
zoals deze is opgenomen in de opeenvolgende wetsartikelen en thans is vervat
in artikel 7:646 BW, moet interpreteren in het licht van de jurisprudentie
van het HvJEG over het loonbegrip van artikel 119 EG-Verdrag.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie de uitzondering genoemd in artikel
7:646 BW zo op, dat slechts die pensioenkwesties terzake waarvan volgens
het HvJEG geen beroep kan worden gedaan op de rechtstreekse werking van
artikel
119 EG-Verdrag van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval bevoegd
om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden pensioenregeling
valt binnen het loonbegrip van artikel 119 EG-Verdrag, en derhalve binnen
de werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling.

4.3. Ten aanzien van de vraag, of de onderhavige pensioenregeling valt
binnen het loonbegrip van artikel 119 EG-Verdrag, overweegt de Commissie
als volgt.

Uit het arrest van het HvJEG in de zaak Beune (HvJEG, 28 september 1994,
Beune versus ABP, C-7/93, Jur. 1994, 4471.) volgt dat “(…) enkel het
criterium dat is ontleend aan de vaststelling, dat het pensioen aan de
werknemer wordt uitgekeerd op grond van de arbeidsverhouding tussen betrokkene
en zijn voormalige werkgever, dat wil zeggen het aan de bewoordingen van
artikel 119 ontleende criterium van de dienstbetrekking, beslissend kan
zijn.” ( (Beune, overweging 43.) Aangezien de toelating tot de pensioenregeling
in het onderhavige geval gebaseerd is op de arbeidsovereenkomst tussen
een werknemer met de wederpartij, moet worden geconcludeerd dat de onderhavige
regeling een pensioenregeling is, die binnen het loonbegrip van artikel
119 EG-Verdrag valt. (Dit wordt bevestigd in het arrest Fisscher, Dit artikel
heeft onmiddellijke werking krachtens artikel 68a OW).

De Commissie stelt op grond hiervan vast dat de onderhavige pensioenregeling
binnen de werkingssfeer van artikel 7:646 BW valt.

4.4. Over de vraag vanaf welk moment de aansluiting bij een pensioenregeling
onder de norm van gelijke behandeling van de WGL en de daaropvolgende wetgeving
valt, overweegt de Commissie als volgt.

Het HvJEG heeft in de zaken Vroege en Fisscher (HvJEG, 28 september 1994,
C-57/93 en C128/93, RN 1994/424 en NJ 1995/385) bevestigd dat niet alleen
het recht op uitkering uit hoofde van een (bedrijfs)pensioenregeling, maar
ook het recht op aansluiting binnen de werkingssfeer van artikel 119 EG-Verdrag
valt en dus wordt bestreken door het in dat artikel geformuleerde discriminatieverbod.

In genoemde uitspraken heeft het HvJEG voorts aangegeven dat er voor het
recht op aansluiting geen bijzondere beperking in de tijd geldt, en dat
dit recht derhalve vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne II-arrest
(HvJEG, Defrenne versus Belgische luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II),
C-43/75, 8 april 1976, NJ 1976-510.) waarin het hof voor het eerst de rechtstreekse
werking van artikel 119 EG-Verdrag heeft erkend, kan worden ingeroepen.
Het hof wijst er echter uitdrukkelijk op, dat recht op aansluiting bij
de pensioenregeling mede betekent dat ook over de betrokken periode (alsnog)
premies moeten worden betaald, ook door de werknemer, indien het pensioenreglement
een werknemersbijdrage voorschrijft.

Het bovenstaande betekent dat onderscheid op grond van geslacht met betrekking
tot aansluiting bij een (bedrijfs)pensioenregeling in strijd is met de
wetgeving gelijke behandeling/WGL vanaf 8 april 1976.

4.5. De wederpartij heeft verzoekster uitgesloten van deelname aan de pensioenregeling,
die gold van 1974 tot 1984, vanwege haar vrouw-zijn. Voor wat betreft deze
periode moet dus worden geoordeeld dat er vanaf 8 april 1976 sprake is
van direct onderscheid op grond van geslacht met betrekking tot aansluiting
bij de pensioenregeling.

4.6. De wederpartij heeft verzoekster uitgesloten van deelname aan de pensioenregeling,
die gold van 1984 tot 1994, vanwege het feit dat zij behoorde tot het huishoudelijk
personeel.
Deze pensioenregeling sloot huishoudelijk personeel uit van deelname, vrouwen
met een andere functie konden inmiddels wel voor de pensioenregeling in
aanmerking komen. De Commissie constateert evenwel dat deze regeling reeds
door haar opzet onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen. Blijkens artikel
2 van deze regeling komen mannen zonder meer in aanmerking, terwijl vrouwen
apart moeten worden toegelaten.
Omdat in de uitvoering van deze pensioenregeling het vrouw-zijn geen criterium
(meer) was, is van direct onderscheid geen sprake. Verzoekster heeft aangevoerd
dat de uitsluiting van huishoudelijk personeel leidt tot indirect onderscheid,
omdat huishoudelijk personeel voornamelijk uit vrouwen bestaat.
De Commissie overweegt hieromtrent dat uit landelijke cijfers blijkt dat
huishoudelijk en verzorgend personeel voor meer dan 95% uit vrouwen bestaat.
(Hooghiemstra en M. Niphuis-Nell, Sociale Atlas van de Vrouw, Rijswijk,
januari 1993.) Uitsluiting van huishoudelijk personeel van een pensioenregeling
treft dus in zeer grote meerderheid vrouwen. Deze cijfers worden bevestigd
door de situatie bij de wederpartij, waar verzoekster als enige vrouw vanwege
haar functie was uitgesloten van de pensioenregeling. Op grond hiervan
stelt de Commissie vast dat de wederpartij jegens verzoekster indirect
onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen.

Ingevolge artikel 7:646 lid 5 BW is indirect onderscheid niet verboden,
indien hiervoor een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. De Commissie
toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond
aan de volgende criteria (HvJEG, Bilka Kaufhaus GmBH versus Weber von Hartz,
13 mei 1986, zaak 170/84, JUR 1986, 1620; Rinner-Kühn versus FWW Spezial
Gebäudereinigung GmBH, 13 juli 1989, zaak 171/88, JUR 1989, 2757.):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn en
– de middelen die zijn gekozen om het doel te bereiken dienen te beantwoorden
aan een werkelijke behoefte en
– deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.

Ter rechtvaardiging voert de wederpartij aan dat de pensioenregeling open
stond voor een beperkte groep medewerkers teneinde de onderneming voort
te laten bestaan en de concurrentiepositie te verbeteren. Alleen personeel
dat een wezenlijke bijdrage leverde aan haar “business” kwam in aanmerking.
Ter zitting heeft de wederpartij daaraan nog toegevoegd dat de toenmalige
directeur van de wederpartij er waarschijnlijk vanuit ging dat huishoudelijk
personeel kortdurend bij de wederpartij zou werken en daarom minder binding
met het bedrijf zou hebben. Verzoekster heeft -eveneens ter zitting- dit
argument met kracht bestreden en daarbij onder andere gewezen op haar grote
inzet voor het bedrijf.

Ten aanzien van de vraag of sprake is van een doel waaraan iedere discriminatie
vreemd is, overweegt de Commissie dat het HvJEG in de arresten Jenkins
en Bilka heeft geoordeeld dat het doel van een regeling, waardoor indirect
onderscheid optreedt, getoetst moet worden aan het criterium of sprake
is van “objectief gerechtvaardige economische redenen”. (HvJEG, Bilka Kaufhaus
GmBH versus Weber von Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84, JUR 1986, 1620;
Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebäudereinigung GmBH, 13 juli 1989, zaak
171/88, JUR 1989, 2757.) )en HvJEG, Jenkins vs Kinsgate, 31 maart 1985,
JUR 1981, 911.) De wederpartij heeft het door haarzelf geformuleerde doel
van de regeling -het treffen van een pensioenregeling voor degenen die
een wezenlijke bijdrage leveren aan de ‘business’-in de periode 1984-1994
zodanig toegepast dat al het personeel behalve het huishoudelijk personeel
(en deeltijders) in de pensioenregeling was opgenomen. Het is een feit
van algemene bekendheid dat zowel huishoudelijk personeel als deeltijders
in meerderheid vrouwen zijn. (Hooghiemstra en M. Niphuis-Nell, Sociale
Atlas van de Vrouw, Rijswijk, januari 1993.) en de reeds vermelde arresten
van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.) Onder die omstandigheden
komt de Commissie tot het oordeel dat het doel van de regeling door het
uitsluiten van huishoudelijk personeel en deeltijders van deelname aan
de pensioenregeling, niet vreemd is van iedere discriminatie.
De Commissie komt daarom tot de conclusie dat geen sprake is van objectieve
rechtvaardiging van het reeds geconstateerde indirecte onderscheid.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (….) jegens mevrouw
(….) tot 1984 direct en na 1984, niet gerechtvaardigd, indirect onderscheid
heeft gemaakt als bedoeld in artikel 7:646 Burgerlijk Wetboek.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. G.H. Felix (secretarisKamer)

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 23 februari 1998

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Verzoekster ontvangt een ABW-uitkering, die wordt gekort wegens ontvangen
kinderalimentatie. Zij vordert bij wijze van voorlopige voorziening
stopzetting van deze korting, omdat tot op heden geen kinderalimentatie is
betaald. De president van de rechtbank oordeelt dat de beslissing om
desalniettemin de uitkering te korten onvoldoende is gemotiveerd. Tevens
ontbreekt een wettelijke basis. Verzoekster kan niet gedwongen worden de
alimentatie te incasseren via het LBIO, nu zij inmiddels zelf een deurwaarder
heeft ingeschakeld hiervoor.

Volledige tekst

I. Procesverloop

Verzoekster ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet naar de
norm voor een alleenstaande ouder. Bij beschikking van 14 januari 1998 is
verzoekster kenbaar gemaakt dat met ingang van 1 januari 1998 een korting van
ƒ 511,50 per maand op deze uitkering plaatsvindt in verband met
kinderalimentatie.
Tegen dit besluit is namens verzoekster op 28 januari 1998 bezwaar gemaakt.
Bij schrijven van gelijke datum is namens verzoekster aan de president
verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek strekt ertoe dat
bovenvermelde korting met onmiddellijke ingang ongedaan wordt gemaakt.

Het verzoek is op 17 februari 1998 behandeld ter zitting, waartoe partijen
zijn opgeroepen. Verzoekster is verschenen in persoon, bijgestaan door haar
gemachtigde. Verweerder heeft zich door zijn gemachtigde laten
vertegenwoordigen.

II. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, onder meer indien tegen een besluit
bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in
de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voorzover
deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt
beoordeeld, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dat niet bindend
voor de beslissing in die procedure.

Aangezien tegen verweerders besluit van 14 januari 1998 tijdig bezwaar is
gemaakt, deze rechtbank in een eventuele bodemprocedure bevoegd is en ook
overigens geen belemmeringen bestaan, kan verzoekster in haar verzoek worden
ontvangen.

Ten aanzien van de vraag of in dit geval een voorlopige voorziening moet
worden getroffen, overweegt de president het volgende.

In artikel 7, eerste lid, van de Abw is bepaald dat iedere Nederlander die
hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat
hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het
bestaan te voorzien het recht heeft op bijstand van overheidswege. Ingevolge
het eerste lid van artikel 13 van de Abw stemmen burgemeester en wethouders
de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon. Artikel 42 van de Abw
bepaalt voorts dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en
inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of
redelijkerwijs kan beschikken.

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan het volgende worden
ontleend.

Verzoekster is met ingang van 30 mei 1995 een bijstandsuitkering toegekend in
verband met een lopende echtscheidingsprocedure. Het echtscheidingsvonnis is
op 11 december 1995 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Een verzoek om kinderalimentatie is afgewezen omdat de gewezen echtgenoot de
hypotheeklasten van de echtelijke woning betaalde. Omdat de
hypotheekverplichtingen inmiddels zouden zijn vervallen is namens verzoekster
op 5 augustus 1997 bij de rechtbank een verzoekschrift tot vaststelling van
kinderalimentatie ingediend. Bij beschikking van 4 november 1997 heeft de
rechtbank bepaald dat de ex-echtgenoot van verzoekster met ingang van 7
augustus 1997 met een bedrag van ƒ 250 per maand per kind dient bij te
dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de bij verzoekster
verblijvende kinderen. Op 10 november 1997 is P.J. van Gompel,
gerechtsdeurwaarder te Eindhoven verzocht om de alimentatiebeschikking te
betekenen en voor incasso zorg te dragen. Voornoemde gerechtsdeurwaarder
heeft, blijkens het schrijven van 6 respectievelijk 12 januari 1998 aan de
gemachtigde van verzoekster, inlichtingen ingewonnen bij het GAK, de Sociale
Dienst van de gemeente Eindhoven en het arbeidsbureau te Eindhoven teneinde
te achterhalen of de ex-echtgenoot arbeid in loondienst verricht en welke
inkomsten hij hieruit ontvangt. Het onderzoek van de deurwaarder heeft echter
tot op heden niets opgeleverd. De gemachtigde van verzoekster heeft bij
schrijven van 23 januari 1998 inlichtingen aan de deurwaarder verstrekt
omtrent de mogelijke werkgever van de ex-echtgenoot. Zij heeft daarbij
aangegeven dat indien ook een onderzoek naar deze werkgever geen resultaten
oplevert, verzoekster akkoord gaat met het opvragen van een verhaalsrapport.

De president stelt voorop dat het bestreden besluit noch de onderliggende
stukken ook maar enige duidelijkheid verschaffen op welke grond met ingang
van 1 januari 1998 een bedrag van ƒ 511,50 per maand op de lopende
bijstandsuitkering van verzoekster in mindering wordt gebracht. De enkele
toevoeging ‘in verband met kinderalimentatie” biedt die duidelijkheid evenmin
nu verzoekster weliswaar via tussenkomst van de deurwaarder pogingen heeft
gedaan bovenvermelde alimentatiebeschikking te executeren maar dit tot op
heden zonder resultaat is gebleven. Vast staat dat verzoekster thans nog
steeds geen kinderalimentatie van haar gewezen echtgenoot heeft ontvangen.
Aan het primaire besluit van 14 januari 1998 kleeft derhalve een ernstig
motiveringsgebrek, zodat het reeds om die reden voor herziening in aanmerking
komt.

De president stelt voorts vast dat, nu verzoekster de facto niet beschikt
over middelen in de vorm van kinderalimentatie en daarover voorlopig evenmin
redelijkerwijs kan beschikken, voor een korting van een bedrag ad ƒ 511,50
per maand een wettelijke basis ontbreekt.

Ter zitting is namens verweerder weliswaar gesteld dat verweerders Dienst
SZ&W als uitgangspunt hanteert dat iedere bijstandsgerechtigde ter inning van
toegewezen kinderalimentatie het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
te Gouda (hierna: LBIO) dient in te schakelen. Met het LBIO zijn afspraken
gemaakt dat via hen geïnde alimentatie rechtstreeks aan de Dienst SZ&W wordt
overgemaakt. Aldus wordt tevens bereikt dat deze Dienst een beter overzicht
heeft van de betaalde alimentatie. Zodra het LBIO is ingeschakeld wordt een
ingevoerde alimentatiekorting stopgezet. Naar het oordeel van de president
kan deze werkwijze, welke volgens verweerders gemachtigde overigens niet in
een beleidsregel is neergelegd, de toegepaste korting echter evenmin
rechtvaardigen. Nog afgezien van het feit dat verzoekster c.q. haar
gemachtigde kennelijk eerst tijdens de bezwarenprocedure van de betreffende
werkwijze en de daaruit voor verzoekster voortvloeiende verplichtingen in
kennis is gesteld, kan verzoekster thans niet meer in redelijkheid verplicht
worden de door verweerder voorgestane procedure via het
BIO alsnog te volgen. De president neemt daarbij in overweging dat
verzoekster op 5 augustus 1997 op eigen initiatief, en derhalve niet op
aandringen van verweerder, een kinderalimentatie-procedure heeft aangespannen
en na verkrijging van de alimentatiebeschikking getracht heeft deze via de
deurwaarder te effectueren. Niet gezegd kan worden dat verzoekster niet
datgene heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen haar vermogen lag om de
kinderalimentatie te verkrijgen. Nu verzoekster voor deze – in het kader van
een dergelijke procedure geenszins ongebruikelijke – weg heeft gekozen, dient
verweerder dit te respecteren en gaat het bepaald te ver van verzoekster, op
straffe van korting van de toegewezen kinderalimentatie, te vergen alsnog een
andere weg te volgen welke verweerder om voornamelijk administratieve redenen
verkieslijker acht. Dit klemt temeer waar verweerder er zelf kennelijk tot op
heden van heeft afgezien verhaal te nemen
op de alimentatieplichtige man. Overigens is niet zonder meer duidelijk dat
een landelijk opererend bureau dat in Gouda is gevestigd beter is toegerust
c.q. betere resultaten boekt dan een lokale deurwaarder die als regel beter
op de hoogte zal zijn van de plaatselijke/regionale situatie van de
alimentatieplichtige.

Gelet op een en ander bestaat er een zeer gerede kans dat het bestreden
besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden. Aangezien voorts
voldoende aannemelijk is geworden dat verzoekster door de betreffende
alimentatiekorting in een financiële noodsituatie is komen te verkeren, komt
het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening voor toewijzing in
aanmerking als na te melden.

De president acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75
van de Awb en het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht te
veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten, begroot op fl.
1.420, wegens kosten van door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand.

Tevens bestaat aanleiding te bepalen dat het door verzoekster gestorte
griffierecht wordt vergoed.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. Beslissing

De president,

I. Schorst het bestreden besluit van 14 januari 1998, met dien verstande dat
het verweerder wordt verboden met ingang van de maand februari 1998 een
korting uit hoofde van kinderalimentatie op de lopende bijstandsuitkering toe
te passen zonder dat verzoekster daadwerkelijk inkomsten uit
kinderalimentatie heeft ontvangen;
II. Bepaalt dat verweerder binnen vier weken na dagtekening van deze
uitspraak een beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in
deze uitspraak is overwogen;
III. Veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten,
vastgesteld op een bedrag van ƒ 1.420, te betalen door de gemeente
Eindhoven en te voldoen aan de griffier;
IV. Gelast de gemeente Eindhoven het door verzoekster betaalde griffierecht
ad ƒ 55 aan haar te vergoeden.

Rechters

Mr. Roelofs

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 20 februari 1998

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vrouw heeft een straatverbod gevraagd voor een zeer beperkt gebied tegen
haar ex-partner die in een andere buurt woont. Partijen zijn al geruime tijd
uit elkaar. In september 1996 heeft de man getracht de vrouw met een mes te
verwonden; de vader van de vrouw wilde haar beschermen en werd toen het
slachtoffer. De man is veroordeeld tot 24 maanden wegens poging tot doodslag,
waarvan zestien maanden onvoorwaardelijk. De man was inmiddels op proefverlof
en op 27 juli 1997 is hij definitief vrijgelaten. De president van de
rechtbank heeft de zaak acht maanden aangehouden en wanneer er intussen iets
gebeurt kan de zaak worden voortgezet. In hoger beroep bekrachtigt het hof
het vonnis van de president en wordt de zaak terugverwezen naar de president
van de rechtbank te Rotterdam. Het hof stelt dat de president het belang van
de man, gelegen in zijn bewegingsvrijheid, tegen het belang van de vrouw bij
een gevoel van veiligheid, wel degelijk zorgvuldig heeft afgewogen. De
president heeft volgens het hof ook rekening gehouden met het door de man
jegens de vrouw gepleegde delict. Het hof acht de aanhouding van de zaak voor
een termijn van acht maanden een voldoende waarborg voor de vrouw.

Volledige tekst

HET GEDING

Bij exploot van 25 juli 1997 is appellante, O, (hierna te noemen: de vrouw),
in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 15 juli 1997, door de
president van de rechtbank te Rotterdam in kort geding tussen partijen
gewezen. In het dagvaardingsexploot van 25 juli 1997 heeft O. vier grieven
tegen dit vonnis aangevoerd, die door geïntimeerde, P, (hierna te noemen: de
man), zijn bestreden.

Ten slotte hebben partijen hun procesdossiers aan het het hof overgelegd voor
arrest.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Aangezien geen grief is aangevoerd tegen de vaststelling van de feiten,
zoals onder 2. in het aangevallen vonnis opgenomen, neemt het hof deze feiten
als uitgangspunt voor zijn beslissing.

2. De vier grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling, omdat al
deze grieven zich richten tegen de afweging van de feiten en belangen door de
president in eerste aanleg. De vrouw is van mening dat het belang van de man,
gelegen in zijn bewegingsvrijheid, niet opweegt tegen haar belang bij een
gevoel van veiligheid. Hiertoe voert zij aan dat het door de man gepleegde
delict jegens haar onvoldoende door de president van de rechtbank is
meegenomen in zijn afweging. De man heeft haar niet op de hoogte gesteld van
de datum van zijn invrijheidstelling, ondanks herhaalde verzoeken van de
vrouw hiertoe. Ook zou de man geen verantwoordelijkheid voor de escala tie
wensen te nemen; dit blijkt met name uit een brief van hem van 25 december
1995, welke brief de vrouw toezegt over te zullen leggen aan het hof. Voorts
wijst de vrouw erop dat zij zich voor hulp wil aanmelden bij het
‘Aware-project’ in Rotterdam, een samenwerkingsverband van
vrouwenhulpverlening, het openbaar ministerie, de reclassering en de politie.
Dit project biedt bescherming aan vrouwen die bedreigd worden door een
ex-partner. Eén van de criteria voor toelating tot het project is het bestaan
van een geldig straatverbod.

3. De president heeft het delict wel degelijk in zijn afweging meegenomen,
maar geoordeeld dat het delict op zich onvoldoende grond vormt voor
toewijzing van de vordering van de vrouw. Er hebben zich sinds het delict en
ook sinds de instelling van het hoger beroep door de vrouw, geen feiten en/of
omstandigheden voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat de man wederom
inbreuk zal maken op de in het bestreden vonnis genoemde rechten van de
vrouw. Het feit dat de man de vrouw niet op de hoogte heeft gesteld van de
datum van zijn invrijheidstelling kan voor de vrouw weliswaar een reden tot
ongerustheid zijn, het is echter geen feit zoals hierboven bedoeld. Aangezien
de door de vrouw genoemde brief van 25 december 1995 niet aan het hof is
overgelegd, kan het hof zich geen oordeel over de inhoud daarvan vormen. De
brief is echter niet van een recente datum en derhalve ook niet als feit of
omstandigheid zoals eerder genoemd te kwalificeren. Het belang dat de vrouw
heeft bij aanmelding bij het ‘Aware-project’ is niet voldoende daar de vrees
van de vrouw voor de man, gezien het voorgaande, onvoldoende gegrond is. De
gelegenheid die de president van de rechtbank de vrouw heeft gegeven, door de
zaak aan te houden voor een termijn van acht maanden, om zodra de man zich
niet aan zijn toezeggingen houdt om haar met rust te laten, op korte termijn
voorzieningen af te dwingen die haar een ongestoord leven kunnen garanderen,
acht het hof een voldoende waarborg voor de vrouw.

4. Aangezien de grieven van de vrouw niet kunnen slagen, concludeert het hof
tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak
naar de president van de rechtbank te Rotterdam voor verdere beslissing. De
vrouw zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten in het hoger
beroep gevallen aan de zijde van de man worden veroordeeld.

BESLISSING

Het hof:

– bekrachtigt het vonnis van de president van de rechtbank te Rotterdam van
15 juli 1997;

– wijst de zaak voor verdere beslissing terug naar de president van de
rechtbank te Rotterdam;

– veroordeelt de vrouw in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze
uitspraak aan de zijde van de man bepaald op ƒ 440 aan griffierecht en op f
1.400 aan salaris procureur.

Rechters

Mrs. Hehemann, Van den Wildenberg en Thomassen

Instantie: Rechtbank Utrecht, 20 februari 1998

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Verdachte wordt veroordeeld wegens mishandeling en oplichting. De rechter
wijst de civiele vordering van ƒ 30.840 terzake de oplichting toe. Het
gevorderde voorschot voor vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen,
nu deze niet van eenvoudige aard is.

Volledige tekst

Tegenspraak

Kwalificatie:

T.a.v. feit 1:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:
mishandeling, meermalen gepleegd

Gepleegd:
T.a.v. feit 1:
in de periode van 1 januari 1997 tot en met 22 mei 1997

T.a.v. feit 2:
in de periode van 1 maart 1997 tot en met 21 mei 1997

Toegepaste artikelen:
Wetboek van Strafrecht art. 24c, 36f, 47, 57, 300, 326

Beslissing:
T.a.v. feit 1, feit 2:
Gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek overeenkomstig art. 27
Wetboek van Strafrecht

T.a.v. feit 1:
Toewijzing van de civiele vordering van ƒ 30940,00
Veroordeelt de verdachte – samen met zijn mededader M.M.J. t. H. of, wanneer
die mededader niet betaalt, alleen – tegen kwijting aan M.W.J. G., wonende te
Utrecht, te betalen ƒ 30.840 (zegge dertigduizendachthonderdveertig gulden).
Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij
gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de
tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu de
vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent
voor behandeling in het strafgeding. Bepaalt dat de vordering – voorzover die
niet is toegewezen – slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke
rechter.

T.a.v. feit 1:
Maatregel van schadevergoeding van ƒ 15.420,00 subsidiair 110 dagen
hechtenis. Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van
het slachtoffer H.W.J. G. te betalen ƒ 15.420 (zegge
vijftienduizendvierhonderdtwintig gulden) bij gebreke van volledige betaling
en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 110 dagen,
met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor
opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting
tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 15.420 ten behoeve van het
slachtoffer M.W.J. G., daarmee de verplichting van verdachte om aan de
benadeelde partij een bedrag van ƒ 15.420 te betalen komt te vervallen (zulks
vice versa, dat wil zeggen: indien verdachte aan de benadeelde partij een
bedrag van ƒ 15.420 heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan
de Staat van een bedrag van ƒ 15.420 ten behoeve van het slachtoffer komt te
vervallen).

Rechters

Mr. Janse de Jonge

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 19 februari 1998

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Het gerechtshof heeft de draagmoeder en haar echtgenoot ontheven van het
ouderlijk gezag over een kind dat zij afstonden aan een bevriend, ongewild
kinderloos, echtpaar (waarvan de man de biologische vader van het kind
is). De rechtbank had het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming
afgewezen omdat niet voldaan was aan de wettelijke eisen van art. 1:266
BW (‘ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging
en opvoeding te vervullen’). Het Hof beslist, in het belang van het kind,
dat de juridische gezagssituatie in overeenstemming gebracht moet worden
met de feitelijke situatie. De ongeschiktheid of onmacht van de draagmoeder
en haar man kan in bijzondere omstandigheden ook gelegen kan zijn in –
onder meer – het uitdrukkelijk ontbreken van de wil bij een ouder om voor
een bepaald kind te zorgen. Daarom wordt -zoals verzocht- de pleegmoeder
belast met de voogdij over het kind.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN HOGER BEROEP
1.1. De raad en de belanghebbenden zijn in hoger beroep gekomen van een
beschikking van 18 juni 1997 van de rechtbank te Utrecht, rekestnummer
65015/FA RK 96-5799.
1.2. De zaak is behandeld op 12 januari 1998.

2. HET GESCHIL IN HOGER BEROEP EN DE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN

2.1. De raad heeft op 25 oktober 1996 ter griffie van de rechtbank te Utrecht
een verzoekschrift ingediend dat strekt tot ontheffing van het ouderlijk
gezag van de draagmoeder en haar echtgenoot over de minderjarige X, geboren
in 1995 uit de draagmoeder, en tot benoeming van de pleegmoeder, gehuwd
met de biologische vader, tot voogdes over genoemde minderjarige. De draagmoeder
en haar echtgenoot hebben van rechtswege het ouderlijk gezag over X.
2.2. In geschil is de afwijzing bij de beschikking waarvan beroep van het
verzoek van de raad tot ontheffing van de draagmoeder en haar echtgenoot
uit het ouderlijk gezag over X alsmede de afwijzing van het verzoek tot
benoeming van de pleegmoeder tot voogdes over X.
De rechtbank heeft dienaangaande onderzocht (A) of de draagmoeder en haar
echtgenoot onmachtig of ongeschikt zijn om X op te voeden, (B) of een kinderbeschermingsmaatregel
als ontheffing gebruikt mag worden voor een ander doel dan waarvoor de
wetgever deze in het leven heeft geroepen, en (C) -mochten deze vragen
positief worden beantwoord- of het belang van het kind zich tegen ontheffing
verzet.
De raad verzoekt zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen en de beschikking
waarvan beroep te vernietigen.
De belanghebbenden verzoeken -uitvoerbaar bij voorraad- de beschikking
waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende de draagmoeder en
haar echtgenoot te ontheffen van het ouderlijk gezag over X, en voorts
de pleegmoeder te benoemen tot voogdes over X.

2.3. Het volgende is gebleken.
Op 21 februari 1995 hebben de pleegouders aan de raad verzocht het destijds
ongeboren kind van de draagmoeder en haar echtgenoot te mogen opnemen in
hun gezin en het op te voeden en te verzorgen als hun eigen kind.
De pleegouders zijn ongewild kinderloos en jarenlang bevriend met de draagmoeder
en haar echtgenoot, die een (voltooid) gezin hebben met twee dochters van
thans 11 en 10 jaar. Na het voorstel van de draagmoeder een kind voor de
pleegmoeder te baren hebben de biologische vader en de draagmoeder in overleg
met hun beider echtgenoten besloten tot bevruchting van de draagmoeder
met semen van de pleegvader. De pleegouders zijn nauw betrokken gebleven
bij de zwangerschap van de draagmoeder. X is uiteindelijk in het huis van
de pleegouders geboren en wordt sedertdien als hun eigen kind opgevoed.
De draagmoeder en haar echtgenoot hebben verklaard na de geboorte van hun
tweede kind te hebben besloten dat hun gezin voltooid was. Zij zijn van
mening een gezin met twee kinderen de nodige aandacht en zorg te kunnen
bieden. Het besluit om een kind voor de pleegouders te dragen is weloverwogen
genomen. Die beslissing was gebaseerd op een jaren lange vriendschap met
de pleegouders. De draagmoeder was zich er gedurende haar gehele zwangerschap
van bewust dat ze een kind droeg voor een ander en heeft zich daarom niet
aan het kind gehecht c.q. bewust afstand van een kind gehouden. De draagmoeder
stelt dan ook dat de zwangerschap van X een andere was dan die van haar
twee dochters waar zij direct een moeder-kind relatie voelde en toeliet.
De draagmoeder en haar echtgenoot zijn van mening dat er met X geen emotionele
ouder-kind relatie bestaat, dat zij beslist niet zelf voor X willen en
kunnen zorgen en dat zij zich daardoor niet geschikt achten om voor X te
zorgen. Het is vanaf het begin -zelfs vóór de geboorte van X- de uitdrukkelijke
wens geweest dat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding
van X voor rekening van de pleegouders zou komen, zoals thans feitelijk
ook het geval is.
De pleegouders hebben verklaard dat het voor hen vanaf het begin duidelijk
is geweest dat de draagmoeder en haar echtgenoot niet voor het kind willen
zorgen en dat zij zelf zich vanaf de geboorte van X als de direct verantwoordelijke
personen voor haar voelen en dit ook juridisch bevestigd willen zien. Zij
willen X kunnen adopteren en haar hun naam laten dragen.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben de draagmoeder
en haar echtgenoot en de pleegouders hun respectievelijke standpunten herhaald
en eensluidend verklaard dat, nu de draagmoeder en haar echtgenoot het
kind nooit voor zichzelf hebben gewild en zij X ook niet wensen te verzorgen
en op te voeden, het belang van X het meest is gediend met ontheffing van
de draagmoeder en haar echtgenoot van het ouderlijk gezag en met de benoeming
van de pleegmoeder tot voogdes. Beide echtparen benadrukken dat zij van
het begin af aan volledige openheid hebben betracht. Het gaat goed met
X en zij groeit voorspoedig op.
De raad heeft op 16 oktober 1996 een rapport uitgebracht met het advies
de draagmoeder en haar echtgenoot te ontheffen van het ouderlijk gezag
over X en de pleegmoeder te benoemen tot voogdes. Dit rapport vermeldt
als samenvatting en conclusie:

De draagmoeder en haar echtgenoot hebben uit overwegingen van hechte vriendschap,
middels donorschap van de echtgenoot van de pleegmoeder, een kind verwekt
bij de draagmoeder. De draagmoeder en haar echtgenoot hadden duidelijk
gekozen voor een gezin met twee kinderen, aangezien zij daarvoor voldoende
draagkracht bezitten. Zij hebben, met name de draagmoeder, vanaf de conceptie
van het kind het niet als hun toekomstige kind ervaren en een zekere afstand
bewaard. Zij meenden dat de hechting van het kind in het gezin van de pleegouders
moest plaatsvinden. Ook thans blijven zij bij hun beslissing dat zij de
zorg en opvoeding van X niet op zich willen en kunnen nemen en dat er geen
ouder-kind relatie tussen hen bestaat.
Vanaf haar geboorte verblijft X in het gezin van de pleegouders. X ontwikkelt
zich heel voorspoedig. Zij zijn open over haar status en zullen haar te
zijner tijd volledig inlichten in overeenstemming met haar ontwikkelingsniveau.
Het kind heeft zich zichtbaar gehecht in het gezin van de pleegouders.
Hierdoor lijkt er een duidelijke ouder-kind relatie te zijn ontstaan.
De draagmoeder en haar echtgenoot geeft (geven, red.) aan zich niet geschikt
te achten tot het uitoefenen van het ouderlijk gezag over de minderjarige
X. Doordat het kind direct na de geboorte in het gezin van de pleegouders
is geplaatst heeft er geen emotionele ouder-kindrelatie kunnen ontstaan
[het hof begrijpt: tussen het kind en de draagmoeder en haar echtgenoot]
en heeft de hechting volledig plaatsgevonden bij de pleegouders. De draagmoeder
en haar echtgenoot voelt (voelen, red.) zich dan ook ongeschikt om voor
X te zorgen en wensen de verantwoordelijkheid en de opvoeding van X over
te laten aan de pleegouders.
Door de houding van de oorspronkelijke ouders zijn zij ons inziens ongeschikt
om voor X te kunnen zorgen. Van een terugkeer van dit kind naar het gezin
van de oorspronkelijke ouders kan ernstig nadeel worden verwacht. Dit zou
schadelijk voor het kind zijn.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de raad zijn standpunt
herhaald en verklaard dat het belang van X thans te meer is gediend met
ontheffing van de draagmoeder en haar echtgenoot van het ouderlijk gezag,
nu X reeds meer dan twee en een half jaar sinds haar geboorte bij de pleegouders
verblijft en in die tijd is gebleken dat de draagmoeder en haar echtgenoot
het kind echt niet willen. Zij zijn daarom ongeschikt of onmachtig in de
zin van artikel 1:266 BW om hun plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.
Tenslotte heeft de raad herhaald dat van een terugkeer van X naar het gezin
van de draagmoeder en haar echtgenoot ernstig nadeel kan worden verwacht
en dat dit schadelijk voor X zou zijn.
De belanghebbenden en de raad verzoeken -kort gezegd- dat de juridische
status van X wordt aangepast aan de feitelijke situatie.

3. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

3.1. De rechtbank heeft betoogd dat het enkele feit dat een derde kind
niet gepland is en dat bij de draagmoeder en haar echtgenoot de wil ontbreekt
dit kind op te voeden, de ouders niet onmachtig of ongeschikt maakt in
de zin van het bepaalde in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek. Het
hof deelt dit oordeel in zijn algemeenheid niet. Het hof is, in aansluiting
op de uitspraak van de Hoge Raad als gepubliceerd in NJ 1984,767, van oordeel
dat met ‘ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging
en opvoeding te vervullen’ niet alleen een algemene ongeschiktheid is bedoeld
gelegen in de persoon van de ouder, maar ook een ongeschiktheid of onmacht
tot verzorgen en opvoeden van een bepaald kind, welke onmacht of ongeschiktheid
kan zijn veroorzaakt door of kan samenhangen met de bijzondere eigenschappen
van dat kind of met de bijzondere omstandigheden waarin het zich bevindt
ten tijde van het nemen van een beslissing tot ontheffing.
3.2. Het hof is van oordeel dat gelet op voormelde feiten en omstandigheden
in de onderhavige zaak voldoende aannemelijk geworden is dat er sprake
is van bijzondere omstandigheden die de draagmoeder en haar echtgenoot
ongeschikt dan wel onmachtig maken tot het opvoeden en verzorgen van X
in de zin van genoemd wetsartikel. Het hof merkt als dergelijke omstandigheden
in het bijzonder aan dat de draagmoeder en haar echtgenoot herhaaldelijk
te kennen hebben gegeven geen gezinsuitbreiding te willen, dat de draagmoeder
en haar echtgenoot toch besloten hebben voor een derde kind uitsluitend
om een jarenlang bevriend kinderloos paar te helpen, dat de draagmoeder
en haar echtgenoot uit dat oogpunt geen ouder-relatie met het kind hebben
opgebouwd, dat zij het kind als zodanig ook niet wensen op te voeden, alsmede
dat thans in de gegeven omstandigheden van een terugkeer van X naar de
draagmoeder en haar echtgenoot ernstig nadeel voor X kan worden verwacht.
3.3. In tegenstelling tot hetgeen door de rechtbank is betoogd is het hof
van oordeel dat in casu geen sprake is van oneigenlijk gebruik van de maatregel
tot ontheffing van het ouderlijk gezag over een kind zoals bedoeld in artikel
1:266 BW, nu al vóór de verwekking van het kind is afgesproken dat ontheffing
van de draagmoeder en haar echtgenoot zal worden gevraagd. Naar ’s Hofs
oordeel dient dit artikel niet zodanig beperkt te worden uitgelegd dat
een ouder in bepaalde situaties, in het belang van het kind, niet de mogelijkheid
heeft de indiening van een verzoek tot ontheffing van het ouderlijk gezag
over een bepaald kind te bevorderen. Indien een dergelijk verzoek wordt
onderbouwd door een gedegen gemotiveerd rapport en advies van de raad,
ingesteld naar aanleiding van voornoemd verzoek, behoeft naar het oordeel
van het hof, niets de toewijzing van het verzoek in de weg te staan, temeer
indien uit het rapport voldoende aannemelijk is geworden dat de ouder ongeschikt
dan wel onmachtig is om het kind op te voeden en de ontheffing van het
ouderlijk gezag in het belang is van het kind. Op grond van de bevindingen
van de raad als neergelegd in het rapport van 16 oktober 1996 heeft de
raad op de voet van het bepaalde in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek
het inleidend verzoek ingediend.
3.4. Nu voldoende aannemelijk is geworden dat de draagmoeder en haar echtgenoot
ongeschikt dan wel onmachtig zijn om X op te voeden, het kind sinds de
geboorte tot het gezin van de pleegouders behoort, de pleegvader de biologische
vader van het kind is, en het hechtingsproces van X aan de pleegouders
volledig heeft plaatsgevonden, is het hof -in navolging van de raad- van
mening dat een ongestoorde voortzetting van de huidige verzorgings- en
opvoedingssituatie in het belang is van X kan worden geacht. De voortdurende
dreiging dat X bij de draagmoeder en haar echtgenoot c.q. wettige ouders
kan worden geplaatst en de daaruit voortvloeiende onzekerheid bij alle
belanghebbenden kan een zodanige ongewenste negatieve invloed hebben op
de ontwikkeling van X, dat het hof het in het belang van X acht dat de
juridische gezagssituatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke
opvoedingssituatie. Daarom wordt -zoals verzocht- de pleegmoeder belast
met de voogdij over X.
3.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. BESLISSING

Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
bepaalt dat de draagmoeder en haar echtgenoot worden ontheven van het ouderlijk
gezag over X, geboren in 1995 te Maarssen;

benoemt de pleegmoeder, gehuwd met de biologische vader, tot voogd over
voormeld kind;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beschikking is gegeven door mrs. Torrenga, Den Ottolander en Rodenburg,
in tegenwoordigheid van drs. Venetiaan als griffier, en in het openbaar
uitgesproken op 19 februari 1998.

Rechters

Mrs. Torrenga, Den Ottolander, Rodenburg

Instantie: Kantonrechter Lelystad, 18 februari 1998

Instantie

Kantonrechter Lelystad

Samenvatting


Binnen het bedrijf is een onwerkbare situatie ontstaan omdat een mannelijke
collega zich in toenemende mate handtastelijk jegens eiseres en andere
collega’s gedraagt. Eiseres wordt door de leiding niet als slachtoffer maar
als veroorzaker van de conflictsituatie gezien. De leiding heeft geen enkel
initiatief genomen de seksuele intimidatie tegen te gaan. Op verzoek van
eiseres is een rapport uitgebracht door Commit-Arbo die concludeert dat het
gebrek aan beleid ten aanzien van seksuele intimidatie heeft geleid tot het
gedogen van seksuele intimidatie op de werkvloer.
Werkgever weigert dit rapport te aanvaarden en mee te werken aan reïntegratie
van eiseres. Eisers vordert ontbinding van de arbeidsovereenkomst en ƒ
30.190,50 bruto schadevergoeding en ƒ 10.000 smartengeld. Dit laatste wordt
niet toegewezen.

Volledige tekst

Procesgang

Het geding is aanhangig gemaakt met een op 22 december 1997 ingediend
verzoekschrift. Verweerster heeft hiertegen een verweerschrift ingediend.

De zaak is mondeling behandeld op 5 februari 1998, waarbij partijen,
bijgestaan door hun machtigden, aanwezig zijn geweest.

De uitspraak is vervolgens bepaald op 20 februari 1998.

Partijen worden hierna aangeduid als W. en De Meerpaal.

Motivering

Tussen partijen kan als vaststaand worden aangenomen:
W., thans 42 jaar oud, is vanaf 1 september 1989 bij De Meerpaal voor
onbepaalde tijd in dienst getreden in de functie van
receptioniste/telefoniste.
Het bruto maandsalaris van W. bedraagt laatstelijk ƒ 3.085, exclusief
emolumenten.
Sedert 19 december 1996 is W. (situationeel) arbeidsongeschikt.

Zakelijk weergegeven is het volgende door partijen
verklaard:

Standpunt van W.:
W. verzoekt ontbinding van de tussen partijen bestaande
arbeidsovereenkomst per 19 december 1997. Het verzoek is gegrond op
gewichtige redenen, bestaande uit een verandering van omstandigheden, welke
van zodanige aard zijn dat het dienstverband tussen partijen niet langer kan
voortduren.

De verandering van omstandigheden is gelegen in het feit, dat er binnen het
bedrijf van De Meerpaal voor W. een onwerkbare situatie is ontstaan, doordat
een (mannelijke) collega zich in toenemende mate handtastelijk jegens W. en
andere vrouwelijke collega’s heeft gedragen. Hoewel W. dergelijk gedrag niet
op prijs heeft gesteld kwam hierin geen verandering. W. heeft in het najaar
van 1996 de situatie kenbaar gemaakt bij haar chef, de heer S., en zij heeft
er bij hem op aangedrongen er zorg voor te dragen dat er weer een werkbare
situatie zou ontstaan.

W. heeft echter moeten ervaren, dat haar chef en uiteindelijk ook het
management-team, haar niet als slachtoffer van de gebeurtenissen heeft
gezien, maar als veroorzaker van de conflictsituatie. W. heeft zich daarop op
19 december 1996 ziek gemeld. In de managementvergaderingen van 18, 19 en 20
december 1996 is uiteindelijk besloten W. te ontslaan zodra zij zich beter
zou melden. De aanleiding tot het ontslag heeft De Meerpaal gevonden in de
problemen welke zich tussen W. en een andere (vrouwelijke) collega voordeden.
Hoewel de door W. gemelde ongewenste intimiteiten bij De Meerpaal bekend
werden verondersteld is op dit punt (wederom) geen enkel initiatief genomen.

W. heeft daarop middelen in het werk gesteld welke uiteindelijk hebben geleid
tot een bedrijfsmaatschappelijk onderzoek. Dit onderzoek is uitgevoerd onder
auspiciën van de Commit-Arbo. Deze heeft in juli 1997 rapport uitgebracht en
geconcludeerd, dat het gebrek aan beleid ten aanzien van ongewenste
intimiteiten heeft geleid tot het gedogen van seksuele intimiteiten op de
werkvloer.

W. betreurt het dat De Meerpaal gedurende de gehele periode van het onderzoek
nimmer naar haar welzijn heeft geïnformeerd, voorts heeft De Meerpaal geen
enkele poging in het werk gesteld om te komen tot reïntegratie.

Hoewel het vertrouwen in De Meerpaal inmiddels ernstig was geschaad heeft W.
besloten haar werkzaamheden weer te (willen) hervatten, echter onder de
voorwaarde dat het rapport voor De Meerpaal aanleiding zou zijn de houding en
het beleid te wijzigen en dat De Meerpaal mee zou werken aan een geleidelijke
reïntegratie. Het rapport van de Commit-Arbo werd echter door De Meerpaal
afgekeurd en De Meerpaal weigerde mee te werken aan een reïntegratie van W.

W. heeft naar aanleiding van de handelwijze van De Meerpaal een klacht
ingediend bij de Commissie Gelijke Behandeling. Tijdens de behandeling bij
deze commissie, op 18 november 1997, is namens De Meerpaal aangegeven dat men
erkent dat W. het slachtoffer is geworden van ongewenste intimiteiten en dat
men mee wilde werken aan reïntegratie. Echter voor W. was dat geen optie
meer.

De arbeidsverhouding tussen partijen is onherstelbaar verstoord, veroorzaakt
door het niet corrigerend optreden en de afwachtende houding van De Meerpaal.
W. kan thans niet anders dan de ontbinding van de tussen partijen bestaande
arbeidsovereenkomst, op grond van gewichtige redenen, te verzoeken. Gelet op
het aantal dienstjaren, haar leeftijd en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
meent zij dat een vergoeding van ƒ 30.190,50 bruto alsmede een vergoeding
voor de door haar immateriële schade van ƒ 10.000 redelijk is, met
veroordeling van De Meerpaal in de kosten van het geding.

Standpunt van De Meerpaal:
De door W. gestelde kennelijke Handtastelijkheden waren binnen het bedrijf
niet van algemene bekendheid. Een en ander is in ieder geval bij de leiding
van De Meerpaal eerst bekend geworden in januari 1997. Derhalve was de
aanleiding van het voornemen van het ontslag van W. doch haar betrokkenheid
bij een conflict tussen W. en haar vrouwelijke collega.

Het is juist, dat het rapport van Commit-Arbo niet volledig door De Meerpaal
wordt onderschreven. Met een aantal conclusies is zij het pertinent oneens.
Het is onjuist te veronderstellen, dat De Meerpaal geen enkel initiatief
heeft genomen ten aanzien van de problemen welke bij W. speelden en dat De
Meerpaal nooit gedurende haar ziekte naar haar welzijn heeft geïnformeerd.

De Meerpaal heeft zich aanvankelijk positief opgesteld ten aanzien van een
eventuele reïntegratie van W., echter de door W. gestelde voorwaarden waren
voor De Meerpaal onacceptabel. Nadien heeft W. zich niet bereid getoond mee
te werken aan een reïntegratie. De Meerpaal is van oordeel, dat zij zich als
een goed werkgever heeft opgesteld en dat zij naar omstandigheden heeft
gedaan wat van haar (als werkgever) verwacht mocht worden.

De Meerpaal ziet ook thans geen mogelijkheden meer voor herstel van de
samenwerking en verzoekt de partijen bestaande arbeidsovereenkomst te
ontbinden, zonder toekenning van een vergoeding aan W. en met veroordeling
van W. in de kosten van het geding.

Beoordeling van het geschil:
Uit de standpunten van partijen moet worden afgeleid, dat er thans sprake is
van een zodanige verstoorde arbeidsrelatie, welke op zichzelf een zodanige
wijziging in de omstandigheden oplevert, waardoor een continuering van het
dienstverband tussen partijen niet langer tot de mogelijkheden behoort. Dit
levert een voldoende reden op voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De
over en weer gedane verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zijn
dan ook toewijsbaar.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of aan deze ontbinding een vergoeding
moet worden verbonden. In verband daarmee zullen de gebeurtenissen welke tot
deze verandering van omstandigheden hebben geleid, nader worden bezien en
beoordeeld.

Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter gelegenheid van de
mondelinge behandeling is gebleken, dat, hoewel W de door haar ervaren
problematiek met betrekking tot de sexuele intimidatie van een (mannelijke)
collega jegens haar reeds in het najaar van 1996 heeft neergelegd bij het
management-team, i.c. haar directe chef, De Meerpaal daar niet, althans
onvoldoende adequaat op heeft gereageerd.

De heer L (directeur) heeft namens De Meerpaal ter gelegenheid van de
mondelinge behandeling gesteld dat hij bekend was met de vermeende
intimidatie, doch dat De Meerpaal (toentertijd) terzake geen beleid had
ontwikkeld en dat zij niet wist om te gaan met een dergelijke problematiek.

Voorts is op geen enkele wijze voldoende aannemelijk geworden dat De Meerpaal
zich voldoende heeft ingezet om reïntegratie van W mogelijk te maken, ook
niet vanaf het moment dat W aangaf dat zij haar werkzaamheden weer wilde
hervatten. De door W gestelde voorwaarden, welke tot een mogelijke
werkhervatting zouden hebben kunnen leiden waren toch, gelet op het in dit
kader door W ervaren problematiek, alleszins redelijk.

Resumerend is de kantonrechter van oordeel, dat de noodzaak om tot ontbinding
te geraken niet in het minst aan W is toe te rekenen of te wijten. Immers op
de werkgever rust primair de verplichting voorwaarden te scheppen voor een
gezond werkklimaat en te zorgen voor het welzijn van haar werknemers.
Daaronder valt ook de verplichting welke door de Arbo-wet is voorgeschreven
ten aanzien van het ontwikkelen en het hanteren van beleid met betrekking tot
sexuele intimidatie op de werkplek.
Dat een dergelijk beleid binnen het bedrijf van De Meerpaal niet aanwezig was
komt geheel voor rekening en risico van de werkgever i.c. De Meerpaal.
Er is derhalve voldoende aanleiding W ten laste van De Meerpaal een
vergoeding toe te kennen.

Rekening houdend met de duur van het dienstverband, de leeftijd en de
geschatte mogelijkheden van W op de arbeidsmarkt, is een vergoeding van ƒ
30.190,50 bruto, als door W verzocht, als aanvulling op minder te verdienen
salaris c.q. uitkering, billijk.

W heeft tevens een vergoeding voor immateriële schade gevraagd.
Voor toewijsbaarheid daarvan zou er sprake moeten zijn van (zeer) bijzondere
omstandigheden, gelegen in zeer verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde
van De Meerpaal. Hoewel wel aannemelijk is geworden, dat van de zijde van De
Meerpaal niet steeds duidelijk en open naar W is opgetreden, is niet
voldoende aannemelijk geworden dat dit van zodanig gewicht is geweest, dat
toewijzing van een vergoeding dan door W gewenst in de rede is komen te
liggen.

Gelet op het vorenoverwogene zijn er derhalve geen termen om, in het kader
van deze procedure, een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen.

In de omstandigheden van het geval wordt aanleiding gevonden de Meerpaal te
veroordelen in de kosten van het geding.

BESLISSING

De tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang
van 1 maart 1998.

Aan W. wordt ten laste van De Meerpaal een vergoeding toegekend van ƒ
30.190,50 (dertigduizendhonderdnegentig gulden en vijftig cent) bruto. De
Meerpaal wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding aan W.

Veroordeelt De Meerpaal in de kosten van dit geding aan de zijde van W.
gevallen en tot heden bepaald op ƒ 1.160 waaronder begrepen ƒ 1.000 aan
salaris van de gemachtigde.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Rechters

Mr Y. Telenga

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 februari 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een man werkt in deeltijd. Deeltijdwerkers betalen op grond van de eigen
bijdrage regeling voor het privé-gebruik van dienstauto’s, voor elke 5%
dat men minder dan 100% werkt, 12,5% meer eigen bijdrage. De man is van
mening dat hiermee onderscheid naar arbeidsduur wordt gemaakt, omdat van
deeltijdwerkers in verhouding een hogere eigen bijdrage wordt verlangd.
Het bedrijf waar de man werkt stelt dat de eigen bijdrage naar rato van
de omvang van de arbeidsduur wordt vastgesteld en dat dit in overeenstemming
met de WOA is.
Hoewel in dit geval moeilijk een exacte maatstaf kan worden vastgesteld,
is de Commissie van oordeel dat de betreffende arbeidsvoorwaarde naar rato
is vastgesteld. De dienstauto moet worden gezien als een vorm van beloning
onder andere vanwege de koppeling van de toekenning van een dienstauto
(als beloning) aan een bepaald functieniveau. Bij beloningsaspecten geldt
als uitgangspunt dat deze tenminste naar rato van het dienstverband dienen
te worden toegekend. De eigen bijdrage-regeling is in overeenstemming met
de WOA. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 februari 1997 verzocht de heer (….) te Delft (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit
te spreken over de vraag of
(….) te Amsterdam (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid maakt
als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Op grond van de regeling betreffende de eigen bijdrage voor het privé-gebruik
van dienstauto’s betaalt een werknemer voor iedere 5% dat deze minder dan
100% werkt, 12,5% meer eigen bijdrage. Verzoeker werkt 80% van het voltijddienstverband
en betaalt daarom 50% meer dan een voltijdwerker voor het privé-gebruik
van een dienstauto.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Vervolgens
hebben partijen hun standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op
14 oktober 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (verzoeker)

van de kant van de wederpartij
– mw. mr. (….) (contactpersoon hoofdkantoor)
– dhr. mr. (….) (hoofd juridische afdeling)

van de kant van de Commissie
– mw. Prof.mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr.drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Na de zitting heeft de Commissie het onderzoek voortgezet en hebben
partijen hun standpunten schriftelijk nader onderbouwd. Het oordeel is
vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer hebben zitting
de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is als arbeidsdeskundige werkzaam bij de wederpartij op
basis van een dienstverband van 80%. Vanwege zijn functie heeft verzoeker
de beschikking over een dienstauto.

Bij de wederpartij is een dienstautoregeling van toepassing.
Op grond van deze regeling zijn werknemers voor het privé-gebruik van de
dienstauto een vaste eigen bijdrage per maand verschuldigd, ongeacht het
aantal privé-kilometers dat wordt gereden (extremen daargelaten). De eigen
bijdrage is aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Deze regeling bepaalt
voorts dat deeltijdwerkers voor het privé-gebruik een verhoogde eigen bijdrage
betalen. Deze verhoging bedraagt 12,5% voor elke 5% die minder dan 100%
wordt gewerkt. Onder privé-gebruik van de dienstauto wordt door de wederpartij
verstaan woon-werkverkeer en overig privé-verkeer.
Wanneer een werknemer kan aantonen dat de dienstauto niet privé wordt gebruikt,
zal geen eigen bijdrage worden gevraagd. De auto dient dan te worden gestald
bij het kantoor.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker stelt het volgende.

Hij is van mening dat de eigen bijdrage regeling, waarin aan deeltijdwerkers
een hogere eigen bijdrage wordt gevraagd, in strijd is met het verbod op
onderscheid op grond van het verschil in arbeidsduur tussen voltijdwerkers
en deeltijdwerkers. Omdat hij 80% werkt, moet hij 50% meer eigen bijdrage
betalen dan zijn voltijd werkende collega (100%+4×12,5%).

Zowel de belastingdienst als de bedrijfsverenigingen zien het privé-voordeel
van de dienstauto als een onderdeel van het inkomen. Bij het bruto salaris
moet 20% of 24% van de cataloguswaarde van de auto worden opgeteld. Bij
de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid wordt het privégebruik op een
zelfde wijze meegenomen bij de vaststelling van het maatgevende salaris
(maatmanloon) door de bedrijfsvereniging.

De hogere eigen bijdrage voor deeltijdwerkers suggereert dat een deeltijdwerker
de auto vaker zal aanwenden voor privé-gebruik.
In verzoekers geval zou dat dan 50% meer zijn. In het algemeen is het zeer
de vraag of dit klopt, maar in verzoekers geval klopt het in elk geval
niet.

Verzoeker vindt het overigens ook niet terecht dat bij de berekeningen
van het privé-voordeel uitgegaan wordt van gemiddelden ten aanzien van
woon-werkverkeer en privé-kilometers. Het gemiddeld aantal kilometers woon-werkverkeer
zou voor een deeltijdwerker ook naar rato moeten worden toegepast om het
privé-voordeel te berekenen. De huidige regeling waarbij voor elke 5% dat
minder wordt gewerkt, 12,5% meer eigen bijdrage wordt gevraagd, voldoet
niet aan de naar rato benadering die de wederpartij nastreeft. Er zijn
ook andere mogelijkheden die voor deeltijdwerkers gunstiger uitpakken.
De wederpartij gaat uit van een bedrag voor het privé-voordeel van ƒ 10.800,-
per jaar minus de eigen bijdrage (die voor voltijdwerkers op jaarbasis
thans ƒ 1884,- bedraagt). Verzoeker vraagt zich af waarom niet uitgegaan
wordt van een naar rato benadering van het bedrag dat een voltijdwerknemer
als privé-voordeel geniet of van een eigen bijdrage die gebaseerd is op
5% meer eigen bijdrage voor elke 5% dat minder wordt gewerkt. Beide mogelijkheden
zouden gunstiger uitpakken voor deeltijdwerkers dan de huidige regeling.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

In gevallen als het onderhavige is de auto een arbeidsvoorwaarde die men
in bepaalde functies toegekend krijgt. In het verleden was dit functioneel.
Nu is het vooral als toegevoegde beloning te beschouwen. Aan het gebruik
van een dienstauto is een privé-voordeel verbonden, doordat de auto ook
privé mag worden gebruikt. Het zakelijk verkeer is in het algemeen de afgelopen
jaren minder geworden. Deeltijdwerkers hebben ‘naar rato’ aanspraak op
het privé-voordeel van de dienstauto. Het gaat hier immers om een arbeidsvoorwaarde,
derhalve op een aanspraak jegens de werkgever, die aan de deeltijdwerker
naar rato wordt toegekend. Aangezien het praktisch niet mogelijk is om
een deel van een auto, of een deel van het gebruik van een auto toe te
kennen, is besloten om wel de volledige auto toe te kennen, maar tegen
een verhoogde eigen bijdrage ter financiële compensatie van de volledig
beschikbare auto. Bij werknemers met een 50% dienstverband wordt in een
aantal gevallen wel een dienstauto gedeeld. Voor elke 5% dat de werknemer
minder dan 100% werkt, wordt de eigen bijdrage met 12,5% verhoogd. Bij
een dienstverband van 50% geldt derhalve een eigen bijdrage van 225%
(100% + 10 x 12,5%) van de voltijdbijdrage. Deze regeling pakt voor deeltijdwerkers
iets gunstiger uit dan een strikte pro rata regel, waarbij het deeltijdpercentage
wordt toegepast op het privé-voordeel van de voltijdwerker. Dit licht de
wederpartij toe aan de hand van het volgende.

De dienstautoregeling kent een eigen bijdrage voor privé-gebruik, ongeacht
het aantal verreden privé-kilometers (extremen daargelaten). De reden hiervoor
is de grote diversiteit. Om deze reden wordt gewerkt met gemiddelden. Het
is namelijk niet mogelijk om met de individuele omstandigheden van alle
werknemers afzonderlijk rekening te houden. Dit geldt zowel voor woon-
werkverkeer als ook voor het aantal privé-kilometers. Immers, de woon-werk
afstand en het privé-gebruik zijn voor ieder verschillend. Dit blijkt ook
in de praktijk. Zo kan er sprake zijn van een tweede werkkring van de deeltijdwerker
waardoor er geen sprake is van minder woon-werkverkeer dan bij een voltijdwerker,
of er kan worden gewerkt op vijf dagen per week. De veronderstelling dat
deeltijdwerkers meer privé-kilometers rijden dan voltijdwerkers, ligt dus
niet aan de hogere eigen bijdrage ten grondslag. Het feit dat een verhoogde
eigen bijdrage geldt, is gebaseerd op de gelijke behandeling van werknemers
door het privé-voordeel naar rato toe te kennen.
Uitgaande van een km-tarief van ƒ 0,60 (ANWB;voor auto van
ƒ 37.000,-) en een (landelijk) gemiddeld privé-km-aantal van 18.000 per
jaar is het privé-voordeel berekend op een bedrag van ƒ 10.800,- (18.000
x ƒ 0,60). Het privé-voordeel voor de werknemer is ƒ 10.800,- minus de
eigen bijdrage, die voor een voltijdwerker ƒ 1.884,- per jaar bedraagt.
Voor een arbeidsdeskundige met een voltijd-dienstverband bedraagt het privé-voordeel
dan ƒ 8.916,- per jaar. Eenzelfde functionaris met een dienstverband van
50% betaalt als eigen bijdrage ƒ 4.239,- per jaar; het privé-voordeel is
dan ƒ 6.561,- op jaarbasis.
Bij een dienstverband van 80%, zoals verzoeker, is de eigen bijdrage ƒ
2.826,- ; het privé-voordeel is dan ƒ 7.974,-.
Bij een strikte toepassing van de pro rata regel zou door uit te gaan van
het privé-voordeel, bij een dienstverband van bijvoorbeeld 80%, het privé-voordeel
(80% van ƒ 8.916) ƒ 7.133,- zijn. In vergelijking met de huidige regeling
zou dan de eigen bijdrage ƒ 841,- hoger zijn (ƒ 7974,- minus ƒ 7133,-).
Feitelijk wordt een deeltijdwerker in forse mate bevoordeeld omdat deze,
tegen een nog steeds bescheiden eigen bijdrage
(in vergelijking met de werkelijke kosten van het privé-gebruik), wel volledig
kan beschikken over een dienstauto voor privé-gebruik en woon-werk verkeer.
De kosten voor de werkgever van een dienstauto bedragen jaarlijks circa
ƒ 15.000,-. Het overgrote deel van deze kosten wordt veroorzaakt door woon-werkverkeer
en privé-gebruik van de auto.
Deze kosten wijzigen niet als een deeltijdwerker de dienstauto gebruikt.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid maakt op grond
van een verschil in arbeidsduur dat niet objectief gerechtvaardigd is,
door van deeltijdwerkers een hogere eigen bijdrage te vragen dan van voltijdwerkers
voor het privé-gebruik van de dienstauto, door toepassing van de regeling
dat voor elke 5% die minder dan volledig wordt gewerkt, 12,5% meer eigen
bijdrage wordt betaald.

4.2. In dat verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.
Artikel 7:648 eerste lid Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt onder andere dat
de werkgever geen onderscheid mag maken tussen werknemers op grond van
een verschil in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een arbeidsovereenkomst
wordt aangegaan, voortgezet dan wel opgezegd, tenzij een dergelijk onderscheid
objectief gerechtvaardigd is. (Dit verbod was tot 1 april 1997 vervat in
artikel 7A:1637ija BW.) Dit artikel is vervat in de Wet van 3 juli 1996,
houdende wijziging van het BW en de Ambtenarenwet in verband met het verbod
tot het maken van onderscheid tussen werknemers naar arbeidsduur. Deze
wet is op
1 november 1996 in werking getreden.

4.3. De systematiek die volgens de Memorie van Toelichting (MvT) bij toetsing
of een regeling in strijd is met de wet arbeidsduur is als volgt. (Tweede
Kamer, 1995-1996, 24498, nr. 3, p. 9. Zie ook Commissie gelijke behandeling,
18 juni 1997, oordeel 97-72.) Eerst moet worden gekeken of sprake is van
bevoordeling of benadeling op grond van arbeidsduur. Indien deze vraag
bevestigend wordt beantwoord, moet bekeken worden of het onderscheid gerechtvaardigd
is.

Volgens de MvT is van onderscheid sprake indien een handelwijze benadeling
van werknemers op grond van hun arbeidsduur impliceert. Voorts wordt in
de MvT opgemerkt dat het van de aard en de strekking van de betrokken arbeidsvoorwaarde
afhangt of toekenning naar rato van het aantal arbeidsuren, dan wel een
identieke behandeling, dan wel een nog andere handelwijze in overeenstemming
is met het beginsel van gelijke behandeling. Per arbeidsvoorwaardelijke
regeling zal derhalve in het licht van de aard en strekking van de betreffende
arbeidsvoorwaarde, bezien moeten worden welke gedragslijn uitgangspunt
behoort te zijn. (Tweede Kamer, 1995-1996, 24489, nr. 3, p. 8-9.)
De wetsgeschiedenis geeft geen uitsluitsel over de voorliggende casus.

4.4. Ten aanzien van de aard en strekking van de onderhavige arbeidsvoorwaarde
overweegt de Commissie als volgt.
De dienstauto wordt aan werknemers met een vast dienstverband toegekend
op grond van hun functie(niveau), ongeacht de omvang van hun arbeidsduur.
De dienstauto wordt gebruikt voor zakelijk verkeer (voor zover vereist)
en verder voor privé-verkeer (inclusief woon- werkverkeer). Door de wederpartij
is -onbetwist- aangegeven dat het zakelijke verkeer in de loop van de afgelopen
jaren minder is geworden. Uit de verstrekte informatie blijkt verder dat
het zakelijke gebruik van de auto in casu geen twistpunt van partijen is.
De Commissie stelt voorts vast dat onbetwist is dat het privé-gebruik van
de dienstauto wordt beschouwd als een secundaire arbeidsvoorwaarde, die
op geld waardeerbaar is. Het privé-gebruik van de dienstauto kan derhalve
worden beschouwd als een vorm van beloning, zoals onder meer ook blijkt
uit het feit dat voor de fiscus een bepaald percentage van de cataloguswaarde
van de dienstauto opgeteld dient te worden bij het belastbaar inkomen.
Bij een dienstauto is uit der aard sprake van een goed dat ondeelbaar is.
Er kan immers geen driekwart of halve auto verstrekt worden door de wederpartij.
De Commissie stelt derhalve vast dat de dienstauto niet kan worden beschouwd
als een in de tijd op te bouwen beloningsaspect, zoals bijvoorbeeld het
salaris of een overwerktoeslag. Op grond hiervan is de Commissie van oordeel
dat er sprake is van een arbeidsvoorwaarde, waarvan niet zonder meer vanzelfsprekend
is welke vorm van eigen bijdrage-regeling in overeenstemming is met de
WOA.

4.5. De wederpartij stelt dat de eigen bijdrage-regeling naar rato van
de omvang van de arbeidsduur is. Verzoeker betwist dit.
De Commissie dient derhalve eerst de vraag te beantwoorden of er in casu
sprake is van een eigen bijdrage-regeling naar rato van de omvang van de
arbeidsduur. Indien dit het geval is, zal zij vervolgens toetsen of de
pro rata regeling in overeenstemming is met het beginsel van gelijke behandeling
volgens de WOA.

De wederpartij vraagt voor elke 5% dat minder gewerkt wordt dan 100%, 12,5%
meer eigen bijdrage. De wederpartij heeft niet onderbouwd hoe zij aan deze
formule is gekomen. Wel heeft zij aangegeven dat naar haar oordeel deze
formule gunstiger is voor de deeltijdwerkers dan een “strikte” pro rata
benadering, waarbij het deeltijd-percentage wordt toegepast op het privé-voordeel
van de voltijdwerker.
De Commissie stelt vast dat de eigen bijdrage van de werknemer niet gerelateerd
is aan het salaris van de betreffende werknemer. De Commissie stelt ook
vast dat vaste lasten van circa ƒ 15.000,- per jaar per dienstauto voor
de wederpartij niet wijzigen indien een werknemer in deeltijd werkt. Ook
heeft de wederpartij aangegeven dat de eigen bijdrage los staat van het
privé-gebruik van de dienstauto. De wederpartij koppelt de hoogte van de
eigen bijdrage derhalve alleen aan de omvang van het dienstverband.

De wederpartij heeft de waarde van het privé-gebruik van de dienstauto
uitgedrukt in een bedrag van ƒ 10.800.- per jaar door uit te gaan van algemeen
bekende gegevens, gebaseerd op een gemiddeld jaarlijks privé-gebruik (inclusief
woon-werkverkeer). Het uitgangspunt dat de wederpartij de dienstauto “kapitaliseert”,
wordt uiteindelijk niet betwist door verzoeker. Het gaat hem om de wijze
waarop de eigen bijdrage wordt vastgesteld.
Verzoeker is van mening dat de huidige regeling nadelig is voor deeltijdwerkers
en niet aan het doel van de pro rata benadering beantwoordt. Beide partijen
hebben hun standpunten onderbouwd met cijfervoorbeelden.

De Commissie is van oordeel dat in de onderhavige casus moeilijk een exacte
naar rato maatstaf kan worden vastgesteld, nu door de wederpartij geabstraheerd
wordt van feitelijke gegevens en omstandigheden, zoals het werkelijk aantal
gereden privé-kilometers per jaar en het feitelijke woon-werkverkeer.
De Commissie heeft hier ook begrip voor vanwege de diversiteit in gebruik
van de dienstauto’s. Daarnaast stelt de Commissie vast dat er verschillende
wijzen mogelijk zijn waarop een eigen bijdrage regeling kan worden vastgesteld
en dat het bij dergelijke regelingen veelal ook niet mogelijk zal zijn
een
“op de cent na” nauwkeurige pro rata regeling te treffen.
Om deze redenen beperkt de Commissie zich tot een toetsing of de huidige
regeling van de wederpartij redelijkerwijze kan worden beschouwd als pro
rata beloning.
De Commissie gaat daarbij uit van het door de wederpartij gehanteerde voordeel
van ƒ 10.800,- per jaar voor privé-gebruik (inclusief woon-werk verkeer).
De Commissie stelt vast dat immers niet in het algemeen gezegd kan worden
dat deeltijdwerkers een beperkter gebruik maken van de auto voor woon-werk
verkeer, omdat dit afhangt van de omstandigheden van elk individueel geval
(zoals de afstand tot het werk, het aantal dagen waarop gewerkt wordt en
dergelijke).
Een naar rato beloning houdt in dit geval in dat het voordeel (zoals dat
op basis van algemene gemiddelden is berekend) dat deeltijdwerkers genieten,
evenredig is aan de omvang van het dienstverband. Uit het onderstaand overzicht
van de berekening van de wederpartij blijkt dat het privé-voordeel van
deeltijdwerkers in dit geval niet minder dan evenredig is. Immers, op grond
van de huidige regeling is voor verzoeker sprake van een privé-voordeel
(beloning) van ƒ 7.974,- en bij de “strikte” pro rata benadering van de
wederpartij van een privé-voordeel van ƒ 7.133,- (80% van ƒ 8.916,-). De
Commissie stelt vast dat daarmee sprake is van beloning naar rato.

Huidige regeling

omvang arbeidsd. eigen bijdrage p/j privé-voordeel

100% ƒ 1.884,- ƒ 8.916,-

80% ƒ 2.826,- ƒ 7.974,-

50% ƒ 4.239,- ƒ 6.561,-

Alternatieve pro rata regeling wederpartij (deeltijdpercentage toepassen op privé-voordeel)

100% ƒ 1.884,- ƒ 8916,-

80% ƒ 3.667,- ƒ 7133,-

50% ƒ 6.342,- ƒ 4458,-

4.6. Nu vastgesteld is dat er bij de in geding zijnde eigen bijdrage regeling
sprake is van beloning naar rato van de omvang van het dienstverband, onderzoekt
de Commissie of dit in overeenstemming is met het voorschrift van gelijke
behandeling als bedoeld in de WOA.
De vraag is namelijk of hier sprake is van een arbeidsvoorwaarde waarvan
uit de aard en strekking voortvloeit dat toekenning naar rato van de omvang
van het dienstverband niet leidt tot gelijke behandeling.

Het doel van de eigen bijdrage-regeling voor de dienstauto is om de werknemer
te laten bijdragen aan de kosten van de dienstauto vanwege het privé-voordeel
dat deze heeft. De wederpartij wenst het privé-voordeel van de dienstauto
naar rato van het dienstverband toe te kennen door van de deeltijdwerkers
een hogere eigen bijdrage te vragen dan van voltijdwerkers teneinde te
voorkomen dat de deeltijdwerker in verhouding tot de gewerkte uren een
groter voordeel wordt toegekend dan de voltijd werker.

De dienstauto wordt toegekend aan werknemers op grond van hun functie(niveau)
en staat los van individuele prestaties. Zoals reeds eerder is geconstateerd,
wordt de dienstauto ook toegekend wanneer niet of nauwelijks (meer) sprake
is van zakelijk gebruik. De ratio van de dienstauto ligt derhalve niet
(overwegend) in functionele vereisten. Hiermee stelt de Commissie vast
dat er onder deze omstandigheden geen sprake is van een, aan bepaalde onkosten
of werkzaamheden gerelateerde, vergoeding.

Nu de dienstauto moet worden gezien als een vorm van beloning, kan de Commissie
in haar beoordeling aansluiten bij andere beloningsaspecten waarbij als
uitgangspunt geldt dat deze tenminste naar rato van het dienstverband dienen
te worden toegekend.
Gelet op het voorgaande, is de Commissie van oordeel dat, vanwege de koppeling
van de dienstauto (als beloning) aan een bepaald functie(niveau), in casu
de toekenning van het prive-voordeel van de dienstauto naar rato van de
omvang van het dienstverband, geen benadeling als bedoeld in de WOA oplevert.
Er is derhalve geen sprake van onderscheid naar arbeidsduur.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Amsterdam jegens
de heer (….) te Delft geen verboden onderscheid naar arbeidsduur in de
arbeidsvoorwaarden maakt als bedoeld in artikel 7:648 Burgerlijk Wetboek
door de eigen bijdrage regeling voor het privé-gebruik van dienstauto’s
toe te passen.

Rechters

Mw. Prof.mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), mw. mr.drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 februari 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een vrouw solliciteerde via een uitzendbureau bij een bedrijf naar de functie
van leidinggevend timmerman. Volgens de vrouw heeft het uitzendbureau haar
afgewezen omdat het bedrijf waar de vacature was, geen vrouw wilde aannemen.
Het uitzendbureau stelt dat de reden voor afwijzing afkomstig is van een
van haar medewerkers, maar ontkent dat de mededeling namens haar is gedaan.
Zij neemt afstand van de inhoud van de brief van de medewerker, waarin
staat vermeld dat de vrouw wordt afgewezen vanwege haar vrouwzijn. De Commissie
concludeert dat het uitzendbureau in strijd met de wet heeft gehandeld.
Het timmerbedrijf en de medewerker van het uitzendbureau bestrijden dat
het bedrijf de vrouw vanwege haar geslacht heeft afgewezen. De vacature
is intern vervuld. Dit acht de Commissie aannemelijk en oordeelt dat het
timmerbedrijf niet in strijd met de wet heeft gehandeld.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 8 juli 1997 verzocht mevrouw (….) te Doetinchem (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel te
geven over de vraag of (….) te Doetinchem (hierna: wederpartij I) en
(….) te Etten (hierna: wederpartij II) jegens haar onderscheid op grond
van geslacht hebben gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster heeft bij wederpartij I, een uitzendbureau, gesolliciteerd
naar de functie van leidinggevend timmerman. Verzoekster is door deze wederpartij
afgewezen vanwege het feit dat zij een vrouw is. Volgens verzoekster heeft
wederpartij I haar afgewezen omdat wederpartij II, het bedrijf waar de
vacature was, geen vrouw wilde aannemen. Verzoekster is van mening dat
beide wederpartijen in strijd met de wetgeving gelijke behandeling hebben
gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURECGB

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 9 december 1997.
Wederpartij II is niet op deze zitting verschenen. Vervolgens zijn verzoekster
en wederpartij II opgeroepen voor een zitting op 14 januari 1998.

2.3. Bij de zitting van 9 december 1997 waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)

van de kant van wederpartij I
– mw. mr. (….) (Juridische Zaken)
– dhr. (….) (vestigingsmanager)
– dhr. (….) (medewerker)

Bij de zitting van 14 januari 1998 waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)
– mw. drs. (….) (deskundige, Servicepunt Vrouwen in de Bouw)

van de kant van wederpartij II
– mw. (….) (echtgenote bedrijfseigenaar)
– mw. (….) (dochter bedrijfseigenaar)

Bij beide zittingen waren aanwezig van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Wederpartij I is een uitzendbureau, verbonden aan het Arbeidsbureau
Doetinchem. Verzoekster solliciteerde eind maart/begin april 1997 via deze
wederpartij naar de functie van leidinggevend timmerman bij wederpartij
II. Wederpartij II is een timmerbedrijf met twaalf (mannelijke) werknemers.
Na de sollicitatie van verzoekster heeft een medewerker van het uitzendbureau
(de contactpersoon van verzoekster) haar bij het timmerbedrijf via een
telefoontje voorgedragen. Op 18 april 1997 heeft hij haar curriculum vitae
aan dit bedrijf toegestuurd.
Toen een reactie uitbleef heeft hij telefonisch contact met het timmerbedrijf
opgenomen. Op 14 mei 1997 heeft deze medewerker verzoekster schriftelijk
meegedeeld dat zij werd afgewezen. In de betreffende brief is als reden
vermeld: “dat men vindt dat deze functie niet door een vrouw ingevuld kan
worden”. Naar aanleiding hiervan deelde verzoekster aan wederpartij I mee
dat zij het niet eens was met de grond van afwijzing. Vervolgens heeft
de medewerker van het uitzendbureau middels een brief van 20 mei 1997 verzoekster
verzocht contact met hem op te nemen. Op 21 mei 1997 heeft deze medewerker
verzoekster thuis bezocht. Daar heeft een gesprek plaatsgevonden over voornoemde
reden voor afwijzing van verzoekster.
Later is nog een kandidaat (een man) door het uitzendbureau naar het timmerbedrijf
verwezen. Deze is eveneens door dit bedrijf en vervolgens door het uitzendbureau
afgewezen.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt ten aanzien van wederpartij I het volgende.

Op 19 mei 1997 heeft verzoekster bij het uitzendbureau bekend gemaakt dat
zij stappen zou ondernemen tegen de afwijzing. Tijdens het gesprek, bij
haar thuis op 21 mei 1997, heeft de medewerker van het uitzendbureau geprobeerd
haar hiervan te weerhouden. De medewerker zei in dit gesprek onder meer
dat hij wel eens bij een bouwput kwam en daar een vrouw aantrof die projectleider
was en dat hij daar een raar gevoel van in de maag kreeg. Hij vond het
vreemd dat een vrouw leiding geeft over mannen.
Vervolgens heeft verzoekster op 23 mei 1997 bij het uitzendbureau herhaald
dat zij werk van de afwijzing zou maken. De medewerker probeerde haar hier
opnieuw van te weerhouden.

3.3. Ten aanzien van wederpartij II stelt verzoekster het volgende.

Het uitzendbureau functioneert als doorgeefluik voor de wensen van de opdrachtgever,
in dit geval het timmerbedrijf. Met de in de afwijzingsbrief vermelde zin
“men vindt dat deze functie niet door een vrouw ingevuld kan worden” doelde
de medewerker op het timmerbedrijf.
Verzoekster is van mening dat het timmerbedrijf de medewerker van het uitzendbureau
heeft aangezet om deze reden van afwijzing in de brief van 14 mei 1997
op papier te zetten. Tijdens het gesprek bij haar thuis zei de medewerker
dat hij de eigenaar van het timmerbedrijf persoonlijk kende en dat hij
voelde dat wederpartij II vond dat betreffende functie niet door een vrouw
ingevuld kon worden.
Nu de afwijzing door verzoekster is aangevochten, distantieert het timmerbedrijf
zich van de medewerker en maakt van hem een zondebok omdat zij de verantwoording
voor de afwijzingsreden niet wil dragen.

Het feit dat verzoekster is afgewezen vanwege haar geslacht beschouwt zij
als een vorm van discriminatie. Het komt vaak voor dat vrouwen door werkgevers
en door het mannelijke personeel uit de bouw worden geweerd. Campagnes
ter stimulering van vrouwen in de bouw zorgen niet voor een werkelijke
verandering. Er is een tekort aan bouwvakkers en toch komen vrouwen, ook
al beschikken zij over de benodigde diploma’s, niet aan het werk. Voor
oudere vrouwen zoals verzoekster is deze situatie extra moeilijk, onder
meer omdat het voor deze groep minder eenvoudig is om, indien geen werk
in de bouw gevonden wordt, zich te laten omscholen.

3.4. De deskundige stelt ten aanzien van wederpartij II het volgende.

Zij kent meerdere situaties waarin vrouwen moeilijk in de bouw aan het
werk komen. Alhoewel een kentering gaande is, is toegang tot de bouw voor
vrouwen nog lang niet eenvoudig. Niet alleen bedrijven hebben vooroordelen
maar ook de ouders van meisjes die in de bouw willen werken. Het wordt
nooit openlijk gezegd dat de reden voor afwijzing voor een baan in de bouw
met het vrouw-zijn te maken heeft. Er dient een omslag te komen ten aanzien
van de mentaliteit en de cultuur in de bouwwereld.

3.5. Wederpartij I stelt het volgende.

Wederpartij I benadrukt haar functie als doorgeefluik ten behoeve van haar
opdrachtgevers. De opdrachtgever besluit uiteindelijk welke kandidaat zij
geschikt acht voor de functie. Wederpartij I stelt derhalve nimmer zelfstandig
functie-eisen op voor haar aspirant-uitzendkrachten.

De indruk die in de brief van haar medewerker is gewekt, dat de opdrachtgever
aan wederpartij I zou hebben meegedeeld dat zij geen vrouw voor de functie
wilde aannemen, is niet juist. Het timmerbedrijf heeft slechts aan wederpartij
I doorgegeven, dat zij wilde dat wederpartij I zou doorzoeken. Enige tijd
later deelde het bedrijf mee dat zij de betreffende functie intern wenste
in te vullen en dat men afzag van een verdere voortzetting van de procedure.

Uit het verzoek van het timmerbedrijf om verder te zoeken, trok de medewerker
de conclusie dat verzoekster was afgewezen. Hij heeft niet doorgevraagd
naar de reden voor dit verzoek. Vervolgens heeft hij de afwijzingsbrief
aan verzoekster geschreven. Hierin heeft hij zijn persoonlijke gevoel,
zonder goed na te denken, vanuit een opwelling op schrift gesteld.
De medewerker kende de eigenaar van het timmerbedrijf niet goed. Hij heeft
éénmaal anderhalf uur met hem gesproken en had niet de indruk dat deze
bezwaar zou hebben tegen het in dienst nemen van een vrouw.
Van een collega had de medewerker begrepen dat verzoekster teleurgesteld
was over de afwijzing. Hij voelde zich daar niet prettig bij. Omdat de
medewerker niet had nagedacht wat de afwijzingsbrief bij verzoekster teweeg
zou brengen, wilde hij de brief alsnog toelichten. Daarom is hij naar verzoeksters
huis gegaan om een brief te bezorgen met het verzoek hem terug te bellen.
In het gesprek bij verzoekster thuis heeft hij aangegeven dat het zijn
fout was. Hij staat nu niet meer achter de inhoud van de afwijzingsbrief
en vindt dat vrouwen best in de bouw kunnen werken.

Het is wederpartij I niet bekend hoe haar medewerker aan de afwijzingsgrond,
zoals in de afwijzingsbrief is vermeld, is gekomen. Wél betreurt de wederpartij
het dat deze mededeling namens haar is gedaan. Zij neemt dan ook afstand
van de inhoud van de brief van de medewerker. Deze is op zijn handelwijze
nadrukkelijk door zijn leidinggevende aangesproken. De bestreden brief
is een ongelukkige uitlating van een individuele medewerker welke niet
had mogen worden gedaan.

3.6. Wederpartij II stelt het volgende.

Enige tijd na de aanmelding van de vacature bij het uitzendbureau heeft
zij de vacature intern vervuld door herschikking van personeel. Dit is
het uitzendbureau meegedeeld en vervolgens heeft zij de vacature ingetrokken.
Naast verzoekster waren er nog andere kandidaten die eveneens afgezegd
zijn. Er is geen nieuw personeel aangetrokken.

De wederpartij staat niet negatief tegenover vrouwen in de bouw. De ter
zitting aanwezige echtgenote van de bedrijfseigenaar heeft zelf enige tijd
in het bedrijf van wederpartij II meegewerkt. Daarnaast bestaat geen ervaring
met vrouwelijke werknemers.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of wederpartij I en wederpartij II onderscheid
naar geslacht hebben gemaakt zoals bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen door verzoekster af te wijzen voor de functie van
leidinggevend timmerman.

4.2. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen
van belang.

Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB) is het niet toegelaten bij de aanbieding van een betrekking
of bij de behandeling van de vervulling van een openstaande betrekking
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

Van het verbod in artikel 3 lid 1 WGB mag slechts worden afgeweken als
er sprake is van een van de wettelijke uitzonderingen genoemd in artikel
5 lid 1 en lid 2 WGB. Deze uitzonderingen zijn in deze zaak niet van toepassing.

4.3. Ten aanzien van het handelen van wederpartij I, het uitzendbureau,
overweegt de Commissie als volgt.

Wederpartij I stelt slechts een doorgeeffunctie ten opzichte van haar opdrachtgevers
te hebben. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 3 WGB richt
dit artikel zich zowel tot de werkgever als tot een derde die door deze
werkgever wordt betrokken bij de wervings- en selectieprocedure (Tweede
Kamer, vergaderjaar 12986-1987, 19.908, nr 3, blz. 18. Zie ook Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 juni 1991,
oordelen 91-35 en 91-36.). Zoals de Commissie reeds eerder heeft vastgesteld,
is naast de werkgever een door de werkgever ingeschakelde derde verantwoordelijk
voor de naleving van de WGB voor dat deel van de procedure waar deze bij
betrokken is (Commissie gelijke behandeling, 3 oktober 1995, oordeel 95-37;
27 november 1995, oordeel 95-53; 27 juni 1996, oordeel 96-48.). Derhalve
heeft wederpartij I een eigen verantwoordelijkheid en is zij gehouden de
WGB na te leven.

De Commissie constateert dat de medewerker van wederpartij I in de afwijzingsbrief
aan verzoekster als reden voor afwijzing heeft vermeld: “De reden hiervoor
is dat men vindt dat deze functie niet door een vrouw ingevuld kan worden.”
Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat het geslacht van verzoekster
de reden was van haar afwijzing.
Wederpartij I bevestigt dat de reden voor afwijzing afkomstig is van haar
medewerker, maar ontkent dat de mededeling namens haar is gedaan en neemt
afstand van de inhoud van de brief van de medewerker. Zoals de Commissie
reeds eerder heeft uitgesproken dient het handelen van personeel in dienst
van wederpartij I, in casu het handelen van de medewerker, aan wederpartij
I te worden toegerekend (Zie Commissie gelijke behandeling, 10 februari
1997, oordeel 97-16.).

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat wederpartij I bij de behandeling
van de vervulling van een openstaande betrekking onderscheid op grond van
geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de WGB.
4.4. Ten aanzien van het handelen van wederpartij II, het timmerbedrijf,
overweegt de Commissie het volgende.

Verzoekster stelt dat het uitzendbureau een doorgeefluik is. Deze doelde
volgens haar met de onder 4.3. opgenomen zinsnede in de afwijzingsbrief
op wederpartij II. Volgens verzoekster wilde wederpartij haar derhalve
niet aannemen omdat zij een vrouw is.
De medewerker van het uitzendbureau heeft verklaard dat de reden voor de
afwijzing zoals vermeld in de afwijzingsbrief eigen initiatief was. Zowel
deze medewerker als wederpartij II hebben bestreden dat laatstgenoemde
de reden voor de afwijzing heeft aangegeven zoals deze in de afwijzingsbrief
is vermeld. Beiden hebben eveneens gesteld dat door wederpartij II is aangegeven
dat de vacature door wederpartij II intern was vervuld.
Een andere, door het uitzendbureau voor de onderhavige functie aan wederpartij
II voorgedragen, mannelijke kandidaat is door wederpartij II afgewezen,
hetgeen bevestigd is door het uitzendbureau. Bovendien heeft wederpartij
II ter zitting verklaard dat geen externe kandidaten door haar zijn aangenomen.
Op grond van het voorgaande acht de Commissie het aannemelijk dat de functie
door het timmerbedrijf intern vervuld is.

Naar aanleiding van de stelling van verzoekster dat het timmerbedrijf een
vrouw-onvriendelijke opstelling zou hebben overweegt de Commissie het volgende.
Wederpartij II heeft bestreden dat zij negatief staat tegenover vrouwen
in de bouw. Ook de medewerker van het uitzendbureau ontkent op enigerlei
wijze te hebben gemerkt dat wederpartij II bezwaar zou hebben tegen een
vrouwelijke werknemer.
De Commissie acht gelet op het voorgaande onvoldoende aanwijzingen aanwezig
om te kunnen vaststellen dat wederpartij II gekenmerkt wordt door een vrouw-onvriendelijk
opstelling.

Verzoekster stelt dat discriminatie van vrouwen in de bouw vaak voor komt.
Indien verzoekster hiermee zou willen aangeven dat dit eveneens geldt voor
onderhavig bedrijf overweegt de Commissie hieromtrent als volgt.
Het is een feit van algemene bekendheid dat voor vrouwen die in de bouw
willen werken belemmeringen bestaan om in deze sector op gelijke wijze
als mannen te kunnen werken. In het onderhavige geval heeft de Commissie
echter niet kunnen vaststellen dat daarvan sprake was in het betreffend
timmerbedrijf.

Nu de Commissie het aannemelijk acht dat de onderhavige functie door wederpartij
II intern vervuld was, de door verzoekster veronderstelde vrouw-onvriendelijkheid
van wederpartij II niet is komen vast te staan en de Commissie niet gebleken
is dat er anderszins concrete aanwijzingen zijn voor de gegrondheid van
verzoeksters klacht jegens wederpartij II, acht de Commissie het aannemelijk
dat de interne invulling van de functie de enige reden was dat verzoekster
door wederpartij II is afgewezen.
Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat het geslacht van verzoekster
niet de reden was voor haar afwijzing
en dat wederpartij II bij de behandeling van de vervulling van een openstaande
betrekking geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in
artikel 3 lid 1 van de WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit

– dat (….) te Doetinchem jegens mevrouw (….) te Doetinchem direct onderscheid
op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 3 lid 1 van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en derhalve in strijd
met deze wet heeft gehandeld.

– dat (….) te Etten jegens mevrouw (….) te Doetinchem geen onderscheid
op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 3 lid 1 van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en derhalve niet in strijd
met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. drs. B. van Schijndel(lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 februari 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een vrouw werkt als telefonisch informatrice. In 1981 is zij van geslacht
veranderd. In 1994 heeft de vrouw dit op haar werk bekend gemaakt. Dit
leidde tot problemen met een aantal van haar collega’s. Haar werkgever
heeft daarna een procedure in het werk gesteld om de vrouw te herplaatsen.
De Commissie overweegt dat onderscheid op grond van geslachtsverandering
een vorm van onderscheid op grond van geslacht is. De geslachtsverandering
heeft mede een rol heeft gespeeld bij het voornemen van het bedrijf om
de vrouw te herplaatsen. Hierdoor heeft het bedrijf de discriminerende
houding van een aantal collega’s van de vrouw laten voortbestaan in plaats
van bestreden. Het bedrijf heeft daardoor een verboden onderscheid op grond
van geslacht gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 augustus 1997 verzocht mevrouw (….) te Rotterdam (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit
te spreken over de vraag of (….) te Rotterdam (hierna: de wederpartij)
heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is werkzaam bij de wederpartij als telefonisch informatrice.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij haar wil herplaatsen vanwege
verzoeksters geslachtsverandering. Daarmee handelt deze volgens haar in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen. Verzoekster heeft de Commissie verzocht de spoedprocedure toe
te passen. De wederpartij heeft de Commissie op 8 september 1997 schriftelijk
bericht begin oktober tot een oordeel te willen komen over de reële haalbaarheid
van een herplaatsing. Op grond daarvan heeft de Commissie het verzoek om
een spoedprocedure toegewezen. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk
toegelicht.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 1 oktober
1997.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)
– mw. prof. mr. H.F.P. Ietswaart (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– mw. (….) (chef)
– dhr. (….) (groepsleider)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– dhr. mr. S.A. van Zeeland (secretaris Kamer).

2.3. Op grond van de ter zitting gebleken bereidheid van partijen om gezamenlijk
tot een oplossing te komen, heeft de Commissie de zaak aangehouden en partijen
verzocht haar uiterlijk medio december 1997 hierover te rapporteren. Het
schrijven van verzoekster ontving de Commissie op 18 december 1997, dat
van de wederpartij op 5 januari 1998.
De Commissie heeft op grond van het feit dat verzoekster haar verzoek om
een oordeel heeft gehandhaafd, op 9 januari 1998 partijen medegedeeld dat
zij een oordeel zal uitspreken.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is sinds april 1992 werkzaam bij het (….) als telefonisch
informatrice. Op de afdeling werken 52 mensen.

In 1981 is zij van geslacht veranderd. In 1994 heeft verzoekster dit op
haar werk bekend gemaakt. Dit heeft geleid tot problemen met een aantal
van haar collega’s.
De wederpartij is een herplaatsingsprocedure gestart. Aanvankelijk heeft
verzoekster hiermee ingestemd, later echter heeft zij bekend gemaakt hiertegen
bezwaar te hebben.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

Binnen haar familie waren afspraken gemaakt dat zij een nieuw anoniem leven
zou beginnen als vrouw. In 1994 echter heeft zij openheid van zaken gegeven
ten aanzien van haar geslachtsverandering bij de wederpartij. Dit kwam
doordat zij op het werk was aangesproken door een collega, die via een
familielid kennis had genomen van haar geslachtsverandering. Verzoekster
heeft een verslag van haar geslachtsverandering ter beschikking gesteld
aan haar collega’s in de hoop begrip te kweken voor haar nieuwe status.
Vanaf die tijd is een slechte werksfeer ontstaan.

In 1995 is verzoekster overspannen geworden en heeft zich onder behandeling
gesteld van de Riagg. Daarna is zij weer gesterkt teruggekomen op haar
afdeling bij de wederpartij.
Haar chef stelde voor om herplaatsing aan te vragen als verzoekster daarmee
in zou stemmen. Dit heeft verzoekster gedaan vanwege de spanningen op het
werk die zodanig waren, dat sommige collega’s niet meer met haar praatten.
Dit laatste is met name problematisch omdat bij calamiteiten overleg noodzakelijk
is. Op de afdeling van verzoekster wordt namelijk in wisseldiensten gewerkt,
waarbij soms maar twee personen laat in de avond aanwezig zijn.

In 1997 verslechterde de situatie nadat een collega demonstratief opstond
van zijn werkplek toen verzoekster naast hem ging zitten. Noch de groepsleider
noch de chef hebben hier iets aan gedaan. Verzoekster heeft er nog met
haar chef over gesproken en gevraagd om een gesprek met de betreffende
collega. Deze collega weigerde dit echter.
Verzoekster heeft nooit namen van andere collega’s met wie problemen waren,
doorgegeven aan de wederpartij. Zij wilde zich op de vlakte houden om verdere
problemen te voorkomen. Het betreft ongeveer tien mensen.

3.3. Voordat haar transseksualiteit in haar werkomgeving bekend was, werkte
verzoekster tot tevredenheid van de wederpartij en in goede samenwerking
met haar collega’s. De wederpartij heeft het discriminerende gedrag van
collega’s jegens verzoekster getolereerd in plaats van daartegen krachtig
op te treden. Zodoende heeft de wederpartij dat gedrag gelegitimeerd en
daarvoor (mede-)verantwoordelijkheid genomen.

Verzoekster stelt dat de reden van haar overplaatsing gelegen is in haar
geslachtsverandering. De wederpartij handelt daarmee in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling. Transseksualiteit valt volgens verzoekster onder de
beschermende werking van de wetgeving gelijke behandeling. Zij verwijst
daarbij naar arrest C-13/94 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
(hierna: HvJEG) van 30 april 1996. Zij wijst tevens op de Resolutie van
het Europees Parlement van 9 oktober 1989, waarin het de Commissie en de
Raad oproept duidelijk te maken dat alle Richtlijnen die betrekking hebben
op gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de werkomgeving, ook transsexuelen
moeten vrijwaren van discriminatie. Daarnaast heeft het HvJEG ook uitspraken
gedaan ter verbetering van de rechtspositie van transsexuelen.

3.4. Verzoekster stelt in haar, door de Commissie op 18 december 1997 ontvangen,
schrijven dat na de zitting bij de Commissie in een gesprek met de chef
van verzoeksters afdeling en de personeelsconsulent afspraken waren gemaakt
over de werkroosters van verzoekster, zodat zij samen zou kunnen werken
met mensen die geen problemen hebben met haar transseksualiteit. Tevens
zou de wederpartij advies inwinnen over de beste manier waarop over transseksualiteit
gecommuniceerd kan worden. Voorts zou de wederpartij zoeken naar een externe
deskundige om het communicatieproces te begeleiden. Met collega’s van verzoekster,
die een probleem hebben met haar transseksualiteit, zal op korte termijn
gesproken worden.
In dit gehele proces is ernstige vertraging opgetreden doordat de personeelsconsulent
die op 28 oktober 1997 wegging, pas op 17 november werd opgevolgd terwijl
deze opvolger zich niet meteen met de onderhavige kwestie bezig kon houden.
Daar komt het volgende bij. Op 1 december 1997 is op de afdeling van verzoekster
de echtgenote in dienst getreden van de persoon die, tegen de afspraken
in familiekring in, de informatie over verzoeksters transseksualiteit naar
buiten heeft gebracht en de huidige problemen heeft veroorzaakt. Verzoekster
heeft zich na deze confrontatie op 8 december ziek gemeld. De bedrijfsarts
heeft haar aangeraden voorlopig niet te werken.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.

Toen verzoekster in 1994 besloot om haar collega’s via een brief openheid
van zaken te geven aangaande haar transseksualiteit, was zij ziek thuis
en was de angst voor de reacties van haar collega’s een te hoge drempel.
Daarom heeft de wederpartij verzoeksters brief vergezeld doen gaan van
een, aan de Commissie overgelegde, begeleidende brief. Daarin wordt onder
andere benadrukt zorgvuldig en begripvol om te gaan met de inhoud van de
brief van verzoekster. De chef heeft verzoekster er voor gewaarschuwd dat
niet iedereen zal reageren zoals zij dat het liefst zou zien.
Bij terugkomst op de afdeling heeft verzoekster een scriptie over de operatie
opgehangen ter inzage voor geïnteresseerden. Uitspraken over ‘miskramen’
en overgangssymptomen gaan sommigen echter iets te ver. Hierdoor heeft
verzoekster haar eigen geloofwaardigheid enigszins ondermijnd.

In augustus 1996 heeft de wederpartij met verzoekster besproken dat het
voor beide ‘partijen’ beter zal zijn om te bezien of verzoekster kan worden
herplaatst. De enigszins verstoorde relatie met in ieder geval een aantal
van haar collega’s en het veelvuldig verzuim waren daarvoor de argumenten.
De bedoeling was om verzoekster door overplaatsing de kans te geven ‘opnieuw’
te beginnen op een afdeling waar zich niet reeds allerlei perikelen hebben
voorgedaan.

Op het voorval in 1997 met de mannelijke collega, die opstond toen verzoekster
naast hem wilde zitten, heeft de groepsleider gereageerd door met verzoekster
te spreken, haar duidelijk te maken dat ze boven zulke dingen moest staan
en dat ze even wat moest gaan drinken om te kalmeren. Later heeft de chef
bij verzoekster geïnformeerd wat was voorgevallen. Daarnaast heeft de chef
met de betreffende collega gesproken om zijn versie te horen en met hem
de afspraak gemaakt dat zulk gedrag ten overstaan van welke collega dan
ook niet gewenst is. Betrokkene heeft toegezegd tenminste normaal te groeten
als verzoekster zou binnenkomen en dit type ongewenst gedrag niet meer
te zullen vertonen. Hij wilde echter geen gesprek met verzoekster. Vervolgens
heeft de chef dit onderhoud met verzoekster besproken en met haar afgesproken
dat, als deze collega zich niet aan de afspraak zou houden, zij dit aan
de chef zou melden zodat er sancties zouden kunnen volgen. Na dit voorval
is het de chef noch de groepsleider gebleken dat iets dergelijks zich nogmaals
heeft voorgedaan.

De herplaatsingsprocedure is gestart met instemming van verzoekster. Er
was een wederzijds belang bij de wederpartij en bij verzoekster om tot
herplaatsing te komen, aangezien de werkrelatie problematisch is door zich
regelmatig voordoende spanningen. De wederpartij bestrijdt zich schuldig
te hebben gemaakt aan discriminatie.

3.6. De wederpartij stelt in het door de Commissie op 5 januari 1998 ontvangen
schrijven -kort weergegeven- dat de roosters zijn aangepast en met de door
verzoekster genoemde medewerkers gesprekken zijn gevoerd. Daarnaast is
contact gezocht met een stichting teneinde de bedrijfsarts, de bedrijfsmaatschappelijk
werker en de personeel- & organisatieadviseur nader te informeren over
transseksualiteit en de mogelijke implicaties voor het werk. Op 15 december
1997 heeft een deskundige op dat gebied daarover voorlichting gegeven.
Ten aanzien van de op 1 december 1997 in dienst getreden persoon, stelt
de wederpartij dat de betrokkene nimmer zelf discriminerende dan wel pestende
opmerkingen jegens verzoekster heeft gemaakt. Bij de sollicitatie is wel
degelijk rekening gehouden met de mogelijke gevoeligheid van verzoekster
met betrekking tot deze kwestie. Het voert echter te ver om verzoekster
een veto voor de aanname van personeel te geven. Daar komt bij, dat het
afwijzen van een sollicitant puur op basis van de omstandigheid dat deze
een partner is van een werknemer bij de wederpartij, discriminerend is.
Er is de wederpartij veel aan gelegen ongewenst gedrag te voorkomen en
bespreekbaar te houden. Daarbij is het soms noodzakelijk inzicht en voorlichting
te krijgen over de uitwerking van ongewenst gedrag op een individuele medewerker.
Het is niet altijd goed in te schatten hoe medewerkers op elkaar reageren,
gelet op de verschillende normen die mensen hanteren. De wederpartij stelt
bereid te blijven de ingezette lijn, die tijd nodig heeft te beklijven,
voort te zetten.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1 In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid maakt tussen mannen
en vrouwen als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling door het voornemen
verzoekster te herplaatsen naar een andere functie binnen de organisatie
van de wederpartij.

4.2 Artikel 1a lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB) bepaalt onder andere dat in de openbare dienst het bevoegd gezag
geen onderscheid tussen mannen en vrouwen mag maken in de arbeidsvoorwaarden
(De Commissie heeft reeds eerder geoordeeld dat het besluit om iemand binnen
dezelfde arbeidsorganisatie over te plaatsen een besluit betreffende de
arbeidsvoorwaarden is. Zie hiervoor- Commissie gelijke behandeling, 30
oktober 1995, oordeel 95-43;- Commissie gelijke behandeling, 3 juli 1997,
oordeel 97-79.).

Artikel 1 WGB geeft aan dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen
moet worden verstaan direct en indirect onderscheid. Onder direct onderscheid
wordt verstaan onderscheid dat rechtstreeks verwijst naar geslacht. Onder
indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden
dan het geslacht dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft,
tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

De wet biedt geen ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid.
De enige uitzonderingen op het verbod van direct onderscheid zijn de in
de wet genoemde uitzonderingen, vervat in artikel 1 lid 3 WGB en artikel
5 WGB. Deze uitzonderingen zijn hier niet van toepassing.

4.3 Alvorens de vraag aan de orde komt of de wederpartij door de voorgenomen
overplaatsing van verzoekster in strijd handelt met de WGB, moet de vraag
worden beantwoord of een mogelijk onderscheid op grond van de geslachtsverandering
van verzoekster valt onder de reikwijdte van genoemde wet.

De Commissie overweegt dat onderscheid op grond van geslachtsverandering
zo nauw samenhangt met onderscheid op grond van geslacht dat dit getoetst
kan worden aan de WGB, mede in het licht van het hiernavolgende.

Volgens artikel 1 lid 1 van EG-richtlijn 76/207 beoogt deze tenuitvoerlegging
in de lid-staten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip
van de promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien
van de arbeidsvoorwaarden.
Artikel 5 lid 1 van genoemde richtlijn bepaalt dat de toepassing van het
beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden,
met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, inhoudt dat voor mannen en vrouwen
dezelfde voorwaarden gelden zonder discriminatie op grond van geslacht.
Het HvJEG (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, P. tegen S.
en Cornwall County Council, 30 april 1996, C-13/9, nr. 182.) heeft ten
aanzien van de vraag of transseksualiteit valt onder de werking van genoemde
richtlijn, het volgende overwogen:

“(…)
20. Het toepassingsgebied van de richtlijn kan dan ook niet worden beperkt
tot discriminaties verband houdend met het behoren tot het ene dan wel
het andere geslacht. Gelet op haar doelstelling en op de aard van de rechten
die zij beoogt te beschermen, dient de richtlijn ook toepassing te vinden
bij discriminaties die, zoals in casu, berusten op de geslachtsverandering
van de betrokkene.

21. Dergelijke discriminaties zijn immers voornamelijk zo niet uitsluitend
gebaseerd op het geslacht van de belanghebbende. Wanneer iemand dus wordt
ontslagen op grond dat hij/zij een geslachtsverandering wenst te ondergaan
of heeft ondergaan, wordt hij/zij slechter behandeld dan degenen die behoren
tot het geslacht waartoe hij/zij voor die operatie werd geacht te behoren.

22. Door een dergelijke discriminatie te gedogen, zou afbreuk worden gedaan
aan het respect voor de waardigheid en de vrijheid, waarop de betrokkene
recht heeft en dat het Hof dient te beschermen”.

Het HvJEG is blijkens zijn overwegingen in de zaak van Von Colson en Kamann
(Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 10 april 1984, Von Colson
en Kamann versus Deelstaat Nordrhein-Westfalen, C-14/83, Jur. 1984, 1891.)
van oordeel dat nationale rechters en anderen die met overheidsgezag zijn
bekleed, gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke
behandeling uit te leggen en toe te passen in het licht van de bewoordingen
en objectieve doelstelling van het EG-Verdrag. De wetgever heeft met de
WGB blijkens de wetsgeschiedenis mede een volledige uitwerking willen geven
aan het EG-Verdrag en de daarop gebaseerde Richtlijnen.

Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat onder onderscheid
op grond van geslacht zoals bedoeld in de WGB ook onderscheid op grond
van transseksualiteit moet worden begrepen.

4.4. Ten aanzien van de vraag of de geslachtsverandering van verzoekster
(mede) een rol heeft gespeeld bij het voornemen van de wederpartij haar
over te plaatsen, overweegt de Commissie als volgt.

De wederpartij heeft gesteld dat de verstoorde relatie met in ieder geval
een aantal van verzoeksters collega’s de reden was haar over te plaatsen.
Vastgesteld moet worden dat de verstoorde relatie is ontstaan door de reacties
van een aantal collega’s op de bekendmaking door verzoekster van haar geslachtsverandering.
Hoewel de Commissie de overtuiging is toegedaan dat de wederpartij meende
(tevens) in het belang van verzoekster te handelen door haar te willen
overplaatsen, kan niet anders worden
geconstateerd dan dat zij daarmee een discriminerende houding heeft laten
bestaan in plaats van blijvend bestreden. Hieruit moet worden geconcludeerd
dat de wederpartij direct onderscheid op grond van geslacht jegens verzoekster
heeft gemaakt.

De Commissie hecht eraan op te merken dat de wederpartij wel pogingen heeft
ondernomen om een einde te maken aan bedoelde discriminerende houding van
collega’s. Naar de indruk van de Commissie heeft de wederpartij ter zitting
en -blijkens het onder 3.4. en 3.6. gestelde- ook daarna blijk gegeven
van een constructieve houding en -binnen haar mogelijkheden- overtuigende
inzet om tot een oplossing te komen. Dit kan evenwel niet afdoen aan de
conclusie dat sprake is van onderscheid door het voornemen verzoekster
te herplaatsen. Derhalve is de Commissie van oordeel dat de wederpartij
in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat (….) te Rotterdam jegens mevrouw (….)
te Rotterdam direct onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als
bedoeld in artikel 1a van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
en derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. L.M. Moerings(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), dhr. mr. S.A. van Zeeland(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 februari 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een vrouw werkt in deeltijd en haar collega werkt voltijd. De vrouw draagt
maandelijks een hoger bedrag aan pensioenpremie af dan een collega die
bruto maandelijks ongeveer hetzelfde salaris ontvangt zij. De vrouw is
van mening dat het pensioenfonds, door de wijze waarop de hoogte van de
premie wordt vastgesteld onderscheid maakt naar arbeidsduur.
De Commissie stelt vast dat de Wet verbod onderscheid Arbeidsduur (WOA)
ook geldt voor het pensioenfonds. Het fonds is namelijk direct betrokken
bij de totstandkoming en de uitvoering van arbeidsvoorwaarden op pensioengebied.
De pensioenpremie wordt naar rato van de omvang van het dienstverband van
de vrouw berekend. Dit is in overeenstemming met de WOA. Er kan alleen
vergeleken worden met collega’s die in overigens dezelfde omstandigheden
in voltijd werken. De vergelijking met een collega met een lager bruto
uurloon gaat derhalve niet op. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 juni 1997 verzocht mevrouw (….) te Utrecht (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit
te spreken over de vraag of door de (….) te Rijswijk (hierna: de wederpartij)
onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft een deeltijddienstverband. Zij draagt maandelijks
een hoger bedrag aan pensioenpremie af, vergeleken met een collega, die
bruto maandelijks ongeveer hetzelfde salaris ontvangt als verzoekster maar
die een voltijddienstverband heeft. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
door de wijze waarop de hoogte van de premie wordt vastgesteld onderscheid
maakt op grond van arbeidsduur.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Vervolgens
zijn partijen uitgenodigd voor een zitting op 13 januari 1998.
De wederpartij heeft van deze uitnodiging gebruik gemaakt.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. (….) (beleidsmedewerker)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster bouwt via haar werkgever een pensioen op bij de wederpartij,
een pensioenfonds. Verzoekster werkt in deeltijd, op 60% van de krachtens
de CAO geldende normale arbeidstijd.
Van toepassing is het pensioenreglement voor de Metaalnijverheid (hierna:
het pensioenreglement). Op grond van het pensioenreglement wordt voor de
berekening van de pensioenpremie die de werknemer bijdraagt het jaarsalaris
van een deelnemer minus een franchise als uitgangspunt genomen.
De pensioengrondslag is volgens de definitiebepalingen van het pensioenreglement
het pensioengevend jaarsalaris minus de franchise. De franchise is in casu
de op hele guldens naar beneden afgeronde som ter hoogte van 10/7 van het
op 1 november van het voorgaande kalenderjaar geldende bedrag van de
AOW-uitkering.
Artikel 24, eerste lid, onder a van het pensioenreglement bepaalt dat iedere
deelnemer een jaarlijkse premie bijdraagt van 25,8% over de pensioengrondslag.
Artikel 24, eerste lid, onder b van het pensioenreglement bepaalt dat wanneer
het dienstverband van een deelnemer minder uren per week bedraagt dan het
normale aantal uren volgens de geldende CAO, de jaarlijkse werknemerspremie
wordt berekend door het pensioengevend salaris te stellen op het jaarsalaris
dat bij een volledige arbeidsduur zou hebben gegolden. Vervolgens wordt
de berekende jaarpremie naar rato van de overeengekomen arbeidsduur verlaagd.
Ten aanzien van de aanspraak op een pensioenuitkering bepaalt artikel 11
van het pensioenreglement dat in geval van deeltijdarbeid het pensioengevend
jaarsalaris eerst wordt gesteld op het jaarsalaris dat bij een volledige
arbeidsduur zou hebben gegolden en dat vervolgens de deelnemersjaren naar
rato van de overeengekomen arbeidsduur worden meegerekend.

Artikel 2a, derde lid Pensioen- en Spaarfondsenwet bepaalt dat bij de vaststelling
van aanspraken op ouderdomspensioen aan personen die minder dan de volledige
arbeidstijd werkzaam zijn ten minste pensioenaanspraken worden verleend
naar evenredigheid van de aanspraken die ingeval van een volledige arbeidstijd
zouden zijn verkregen.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

De pensioenpremie die zij maandelijks af moet dragen, is veel hoger dan
die van een collega die ongeveer hetzelfde bruto salaris heeft als verzoekster.
Het bruto salaris van deze collega is gebaseerd op een voltijddienstverband,
dat van verzoekster op een deeltijddienstverband. Bij nagenoeg hetzelfde
jaarsalaris betaalt verzoekster bijna drie keer zoveel pensioenpremie,
terwijl zij wel ongeveer net zoveel belasting en sociale premies moet afdragen.

De wederpartij past de deeltijdfactor in een te laat stadium van de berekening
van de pensioenpremie toe. Naar verzoeksters mening zou de deeltijdfactor
eerder in de berekening moeten worden toegepast. Bovendien wordt er met
inachtneming van haar uurloon premie ingehouden, terwijl het pensioen te
zijner tijd niet in uurlonen zal worden uitbetaald.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

De door haar toegepaste berekeningswijze is in overeenstemming met artikel
2a, derde lid Pensioen- en Spaarfondsenwet.
Dit artikel bepaalt immers dat pensioenaanspraken van deeltijdwerkers tenminste
moeten worden vastgesteld naar evenredigheid van de aanspraken welke zij
bij een volledige arbeidstijd zouden hebben. De door verzoekster voorgestane
berekeningswijze gaat uit van een pensioenopbouw en een premie die afhankelijk
zijn van het nominale salaris, zonder rekening te houden met de deeltijdfactor.
Deze berekeningswijze is niet in overeenstemming met artikel 2a, derde
lid Pensioen- en Spaarfondsenwet en leidt niet tot een gelijke behandeling
van voltijdwerkers en deeltijdwerkers.

Het verschil in opbouw en in premie tussen een deeltijdwerker en een voltijdwerker
met hetzelfde uurloon ontstaat dus door het deeltijdpercentage.
Aan de hand van het volgende voorbeeld kan de berekeningswijze van de wederpartij
worden toegelicht: het jaarsalaris bedraagt
ƒ 40.000,- bij een 50% dienstverband. De franchise is ƒ 30.000,-. De opbouw
van het ouderdomspensioen is 1,75% van de pensioengrondslag. De pensioenpremie
is 10% van de grondslag.
De opbouw zou dan zijn:
1,75% * (ƒ 40.000,- * 100/50 = ƒ 80.000,- -/- ƒ 30.000,- =
ƒ 50.000,) * 50/100 = 1,75% * ƒ 25.000,-.
De premie zou ƒ 2.500,- bedragen.
Wanneer dezelfde persoon voltijds zou werken, dan zou de opbouw zijn:
1,75% * (ƒ 80.000,- -/- ƒ 30.000,-) * 100/100 = 1,75% *
ƒ 50.000,-.
De premie zou ƒ 5.000,- bedragen.
Een collega die bij een voltijddienstverband ƒ 40.000,- verdient, zou opbouwen:
1,75% * (ƒ 40.000,- -/- ƒ 30.000,-) * 100/100 = 1,75% *
ƒ 10.000,-. De premie zou ƒ 1.000,- bedragen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij een verboden onderscheid maakt
naar arbeidsduur door de wijze waarop bij de berekening van het pensioen
alsmede de pensioenpremie rekening wordt gehouden met het feit dat verzoekster
in deeltijd werkt.

4.2. In dat verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.
Artikel 7:648, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de werkgever
geen onderscheid mag maken tussen werknemers op grond van een verschil
in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een arbeidsovereenkomst wordt
aangegaan, voortgezet dan wel opgezegd, tenzij een dergelijk onderscheid
objectief gerechtvaardigd is (Dit artikel is in het BW opgenomen bij Wet
van 3 juli 1996, houdende wijziging van het BW en de Ambtenarenwet in verband
met het verbod tot het maken van onderscheid tussen werknemers naar arbeidsduur,
Staatsblad 1996, 391 (datum inwerkingtreding 1 november 1996).).
Tussen verzoekster en de wederpartij is geen sprake van een arbeidsovereenkomst
in de zin van artikel 7:648 BW. Dit artikel richt zich tot de werkgever.
De wederpartij is niet aan te merken als verzoeksters werkgever.

Artikel III, eerste lid, van de hierboven bedoelde en in voetnoot 1 aangehaalde
Wet onderscheid op grond van arbeidsduur (hierna: WOA) bepaalt dat het
maken van onderscheid op grond van een verschil in arbeidsduur is verboden
bij de voorwaarden waaronder een aanstelling wordt verleend, verlengd dan
wel beëindigd, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd
is.
Genoemd artikel is krachtens amendement in de WOA opgenomen.
In de toelichting op dit amendement is onder andere gesteld dat dit artikel
ertoe strekt het verschil in werkingssfeer tussen (thans) artikel 7:648
BW respectievelijk artikel 125g Ambtenarenwet, die uitsluitend zien op
de relatie werknemer-werkgever, c. q. op de relatie ambtenaar-bevoegd gezag,
en artikel 5 Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) op te heffen. Beoogd
werd om door toevoeging van het artikel III, eerste lid, WOA te bereiken
dat al degenen die betrokken zijn bij (de totstandkoming van) de betreffende
arbeidsverhouding onder de werkingssfeer van de wet vallen (Tweede Kamer,
1995-1996, 24498, nr. 10.). Tevens werd beoogd te voorkomen dat er sprake
zou kunnen zijn van een dubbele rechtsgang en van het toepassen van verschillende
uit de WOA en de (A)WGB voortvloeiende toetsingskaders op dezelfde handeling
of bepaling in het kader van een arbeidsverhouding.

De norm van artikel 5 AWGB richt zich zowel tot de werkgever in arbeidsrechtelijke
respectievelijk ambtenaarrechtelijke zin als tot degenen die betrokken
zijn bij de (totstandkoming en uitvoering van) arbeidsvoorwaarden. Reeds
eerder heeft de Commissie geconstateerd dat de norm van artikel 5 AWGB
zich derhalve mede richt tot een pensioenfonds, indien sprake is van een
directe betrokkenheid bij de totstandkoming en de uitvoering van de arbeidsvoorwaarden
op pensioengebied (Commissie gelijke behandeling, 23 november 1995, oordeel
95-41; 26 maart 1996, oordeel 96-27 en 23 april 1997, oordeel 97-48.).
Nu artikel III WOA de uitdrukkelijke strekking heeft het toetsingskader
van die wet af te stemmen op dat van artikel 5 AWGB, komt de Commissie
tot de conclusie dat artikel III WOA in casu op het handelen van de wederpartij
van toepassing is.

4.3. De systematiek die volgens de totstandkomingsgeschiedenis van de WOA
moet worden gevolgd bij toetsing of een regeling in strijd is met de wet,
in casu artikel III WOA, is als volgt. Eerst moet worden onderzocht of
sprake is van een benadeling op grond van arbeidsduur. Indien deze vraag
bevestigend wordt beantwoord, moet bekeken worden of het onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.
In de parlementaire toelichting bij deze wet is opgemerkt dat het van de
aard en de strekking van de betrokken arbeidsvoorwaarde afhangt of toekenning
naar rato van het aantal arbeidsuren, dan wel een identieke behandeling,
dan wel een nog andere handelwijze in overeenstemming is met het beginsel
van gelijke behandeling. Per arbeidsvoorwaardelijke regeling zal derhalve
in het licht van aard en strekking van de betreffende arbeidsvoorwaarde,
bezien moeten worden welke gedragslijn uitgangspunt behoort te zijn. (Tweede
Kamer, 1995-1996, 24489, nr. 3, p. 8-9.)

De vraag die derhalve als eerste moet worden beantwoord, is of de onderhavige
pensioenregeling een benadeling op grond van arbeidsduur veroorzaakt.

De Commissie heeft omtrent pensioenpremie ten behoeve van pensioenopbouw
reeds eerder vastgesteld dat deze in evenredigheid met de omvang van de
arbeidsduur moeten worden toegepast teneinde in overeenstemming te zijn
met de toepasselijke wetgeving (Commissie gelijke behandeling, 3 november
1997, oordeel 97-111.). Datzelfde principe geldt overigens ten aanzien
van de berekening van de aanspraken op pensioenuitkering.

Verzoekster klaagt in casu over de wijze van premiebereking door de wederpartij.
De Commissie stelt vast dat bij de berekening van de pensioenpremie naar
evenredigheid rekening wordt gehouden met de omvang van de arbeidsduur
van verzoekster. Door verzoeksters salaris eerst om te rekenen naar dat
wat zij verdiend zou hebben indien zij dezelfde functie in voltijds zou
hebben uitgeoefend en van dat bedrag de (voltijdse) franchise af te trekken,
wordt de pensioengrondslag bij voltijdse arbeidsduur berekend.
De pensioengrondslag wordt vervolgens bij deeltijdwerkers aangepast naar
rato van de omvang van het dienstverband. Zowel de premieberekening ten
behoeve van pensioenopbouw als overigens ook de berekening van de pensioenaanspraken
wordt zodoende naar rato van de overeengekomen arbeidsduur vastgesteld.
Zoals de wederpartij door middel van een voorbeeld heeft aangegeven, zou
verzoekster indien zij haar functie voltijds zou uitoefenen, evenredig
meer pensioen opbouwen en evenredig meer premie afdragen.
Op grond hiervan moet geconcludeerd worden dat er geen sprake is van benadeling
van verzoekster op grond van arbeidsduur.

Verzoekster heeft gewezen op een collega die ongeveer evenveel verdient
als zij en die voltijds werkt, maar die in verhouding minder pensioenpremie
hoeft af te dragen. De Commissie merkt hieromtrent nog het volgende op.
De WOA verplicht in principe tot het naar evenredigheid van de arbeidsduur
opbouwen van pensioen en afdragen van premie. Deze verplichting is van
toepassing ten opzichte van de situatie waarin verzoekster of een collega
in overigens dezelfde omstandigheden voltijds zou werken. In de vergelijking
met een collega die bij een voltijddienstverband een gelijk salaris verdient
als verzoekster bij een deeltijd-dienstverband is geen sprake van gelijke
gevallen, maar van twee werknemers die geen recht hebben op hetzelfde salaris.
Het bruto uurloon van verzoekster bedraagt blijkens de door haar overgelegde
salarisopgave ƒ 52,39 en dat van de collega met wie zij zich vergelijkt
bedraagt ƒ 19,10. Aangezien gesteld noch gebleken is dat er factoren in
het geding zouden zijn die geleid hebben tot ongelijke beloning voor wat
betreft de hoogte van het uurloon, is geen sprake van ongelijke behandeling.

De Commissie stelt dientengevolge vast dat er geen sprake is van benadeling
van verzoekster op grond van arbeidsduur en oordeelt derhalve dat door
de wederpartij geen onderscheid naar arbeidsduur wordt gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt uit als haar oordeel dat de (….) te Rijswijk jegens
mevrouw (….) te Utrecht geen onderscheid op grond van arbeidsduur heeft
gemaakt zoals bedoeld in artikel III Wet onderscheid op grond van arbeidsduur.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)