Instantie: Commissie gelijke behandeling, 16 februari 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een vrouw solliciteerde op een interne vacature. Zij werd afgewezen voor
de functie omdat haar partner reeds bij het bederijf werkzaam is. De vrouw
is van mening dat het bedrijf hiermee onderscheid naar burgerlijke staat
maakt.
De Commissie oordeelt dat van indirect onderscheid naar burgerlijke staat
sprake zou zijn, indien vast komt te staan dat ongehuwden onevenredig meer
door het beleid van het bedrijf getroffen zouden worden dan gehuwden. De
vrouw was echter de enige sollicitant voor de functie zodat dit niet kon
worden vastgesteld. Ook zijn er geen landelijke gegevens hierover beschikbaar.
Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 juli 1997 verzocht mevrouw (….) te Leiden (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of het (….) te Leiden (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid
heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie
van assistent conservator reptielen en amfibieën. Verzoekster werd voor
deze functie afgewezen omdat haar partner reeds bij de wederpartij werkzaam
is. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee onderscheid heeft
gemaakt naar burgerlijke staat.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURECGB

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk
toegelicht.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader
toe te lichten tijdens een zitting op 11 november 1997.

In verband met het plotselinge vertrek van verzoekster naar het buitenland
en haar langdurig verblijf aldaar heeft de Commissie na afstemming met
partijen besloten de zitting buiten haar aanwezigheid te laten plaatsvinden.
Verzoekster heeft haar partner gemachtigd om ter zitting namens haar het
woord te voeren.
Naar aanleiding van een verzoek van de wederpartij heeft de Commissie vervolgens
besloten partijen apart te horen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig

van de kant van verzoekster
– dhr. dr. (….) (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. drs. (….) (algemeen directeur)
– mw. drs. (….) (afdelingshoofd Personeelszaken en Organisatie)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster heeft naar aanleiding van een interne vacaturemelding
op het mededelingenbord van de wederpartij gesolliciteerd naar de functie
van assistent conservator reptielen en amfibieën. Het betrof een functie
voor 16 uur per week.
Verzoekster was de enige sollicitant. Bij brief van 17 juni 1997 is verzoekster
meegedeeld, dat zij uitstekend voldeed aan de inhoudelijke eisen voor de
functie. Zij kwam volgens genoemd schrijven echter niet voor de functie
in aanmerking aangezien haar partner werkzaam is bij de wederpartij. Tevens
werd in de afwijzingsbrief gesteld dat -indien verzoekster daar prijs op
zou stellen- de directeur in een gesprek een en ander nader zou willen
toelichten.

Verzoekster woont ongehuwd samen met haar partner die als afdelingshoofd
bij de wederpartij werkzaam is. Als verzoekster zou worden aangenomen,
zou haar partner haar direct leidinggevende zijn.

3.2. De algemeen directeur van de wederpartij voert als beleid, dat familie
en partners van haar personeelsleden worden uitgesloten van vervulling
van vacatures teneinde ongewenste vermenging op privé en zakelijk gebied
te voorkomen. De wederpartij maakt een uitzondering op haar beleid ten
aanzien van tijdelijke aanstellingen, vakantiewerk en gastmedewerkerschap
vanwege het minder formele karakter hiervan.
Toen verzoekster solliciteerde was dit beleid niet schriftelijk vastgelegd
en niet algemeen bekend. Inmiddels is dit beleid op schrift gesteld en
goedgekeurd door het managementteam en de Ondernemingsraad.

Na de sollicitatie van verzoekster is het nog één keer voorgekomen dat
een partner, de echtgenote, van een werknemer solliciteerde. Ook deze sollicitatie
heeft niet geleid tot indienstneming.

3.3. Verzoekster is sinds 1987 bij de wederpartij werkzaam, aanvankelijk
in het kader van haar promotie en sinds 1 juni 1996 als gastmedewerkster.
Een gastmedewerker is aangesteld op vrijwillige basis en ontvangt hiervoor
slechts een reële onkostenvergoeding. Een gastmedewerker maakt gebruik
van de faciliteiten van de wederpartij, zoals apparatuur, de bibliotheek
en publicatiemogelijkheden. De gastmedewerkers worden aangesteld voor één
jaar. Na ieder jaar vindt een evaluatiegesprek plaats, waarin de voortgang
van het onderzoek wordt besproken.

3.4. De wederpartij heeft 150 werknemers in vaste dienst. Daarnaast zijn
bij de wederpartij ongeveer 30 gastmedewerkers werkzaam. Als verzoekster
zou zijn aangenomen, zou zij te werk gesteld worden op de afdeling waarover
haar partner de leiding heeft. Op deze afdeling zijn twaalf mensen werkzaam.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt het volgende.

Zij betwist het standpunt van de wederpartij dat geen sprake is van een
vacature voor een bestaande functie en dat sprake zou zijn van een poging
van het afdelingshoofd eigenmachtig een nieuwe functie te creëren. Het
afdelingshoofd, verzoeksters partner, heeft in nauw overleg met zijn directe
chef, het sectorhoofd, vastgesteld welke taken er vanwege andere door hem
verrichte werkzaamheden bleven liggen en heeft naar aanleiding daarvan
een profielschets gemaakt van de kandidaat die deze taken tijdelijk zou
kunnen waarnemen. Na overeenstemming hierover tussen het afdelingshoofd
en het sectorhoofd is dit voorgelegd aan het hoofd van de afdeling Personeelszaken
en Organisatie. In overleg met deze is de tekst voor de werving van een
kandidaat voor een tijdelijke aanstelling openbaar gemaakt. Het is steeds
duidelijk geweest dat het openstellen van deze functie een compensatie
betrof van niet verrichte taken, op een tijdelijke basis.

3.6. De wederpartij maakt, door verzoekster niet te beoordelen op haar
kwaliteiten maar haar af te wijzen louter op grond van het gegeven dat
haar partner reeds bij de wederpartij werkzaam is, onderscheid naar burgerlijke
staat. Verzoekster gaat er daarbij vanuit dat gehuwden en ongehuwd samenwonenden
gelijk worden gesteld.

In het wetenschappelijke circuit komt het regelmatig voor dat partners
hetzelfde beroep uitoefenen en bij dezelfde werkgever werkzaam zijn. In
de Verenigde Staten worden partners in deze branche soms zelfs gezamenlijk
aangesteld, omdat zij elkaar vaak aanvullen. Gelet op het niveau waarop
wetenschappers werkzaam zijn, mag worden verwacht dat zij in staat zijn
om privé- en zakelijke belangen van elkaar te scheiden.

Als verzoekster zou zijn aangenomen, zou haar partner haar leidinggevende
zijn. Het was de bedoeling dat zij een deel van zijn werkzaamheden zou
overnemen. Functioneringsgesprekken vinden normaliter plaats met het afdelingshoofd.
Aangezien het afdelingshoofd de partner van verzoekster is, zou in haar
geval een oplossing gevonden kunnen worden door de functioneringsgesprekken
van verzoekster met het sectorhoofd te houden. Het sectorhoofd zou zijn
informatie dan weliswaar verkrijgen van verzoeksters partner, maar het
sectorhoofd zou aan de hand van objectieve wetenschappelijke criteria kunnen
beoordelen of het functioneren voldoende is.
Met gastmedewerkers worden ook evaluatiegesprekken gevoerd. Deze vinden
plaats met het hoofd van de betreffende afdeling. Daarbij is het sectorhoofd
niet aanwezig. Met verzoekster heeft één evaluatiegesprek plaatsgevonden.
Dit is met haar gevoerd door het afdelingshoofd. Verzoekster zou -ook als
zij in de functie van assistent conservator was aangesteld- haar huidige
werkzaamheden hebben voortgezet, aangezien de functie van assistent conservator
tijdelijk was en slechts 16 uur betrof.

Het beleid van de wederpartij, op grond waarvan partners van werknemers
niet kunnen worden aangesteld, is pas bij de sollicitatie van verzoekster
ingevoerd. In de CAO en het reglement van het museum is hier niets over
geregeld. Voor zover een dergelijk beleid bestond, is er in ieder geval
nooit ruchtbaarheid aan gegeven. Kort na de afwijzing van verzoekster is
de partner van een ander personeelslid om dezelfde reden afgewezen.

3.7. De wederpartij stelt het volgende.

Er is ten onrechte aankondiging gedaan van het bestaan van een vacature
met betrekking tot de functie van assistent conservator reptielen en amfibieën.
Deze functie bestaat niet. Door een interne procedurefout is de betreffende
functie nooit aan de directeur van de wederpartij voorgelegd. De aankondiging
berust op een misverstand, dat is ontstaan doordat het afdelingshoofd meende
deze functie in het leven te kunnen roepen als compensatie voor andere,
door hem verrichte, extern gefinancierde arbeid.

3.8. De wederpartij voert een personeelsbeleid waarbij partners van medewerkers
niet voor vacatures in aanmerking kunnen komen. Als partners beiden in
hetzelfde bedrijf werkzaam zijn, is dit een belasting voor de organisatie
als geheel. Het leidt tot grote consternatie, tot geruchtencircuits, verdachtmakingen
en het kan tot voorkeursbehandeling leiden. Ook in het onderhavige geval
heeft de tekst van de advertentie, die toegespitst is op de werkervaring
van verzoekster, tot geruchten aanleiding gegeven. Partnerschap kan er
bovendien toe leiden dat de partner van een bepaalde werknemer kennis heeft
van bepaalde feiten waarvan zijn directe collega’s geen kennis kunnen nemen.
Dit kan eveneens aanleiding geven tot geruchten. Hetzelfde probleem ontstaat
wanneer een werknemer probeert op goede voet te komen met de leidinggevende
door hem regelmatig aan te spreken. Ook dit kan leiden tot een geruchtenstroom
onder het personeel. Partnerschap binnen dezelfde organisatie creëert een
bepaald soort ongelijkheid, althans in de beleving van anderen. Doordat
de organisatie van de wederpartij een van de meest gesloten instellingen
binnen het wetenschappelijk circuit is, ontstaat deze beleving van ongelijkheid
al vrij snel bij werknemers. Die schijn wenst de wederpartij te vermijden.
De organisatie van de wederpartij wordt wel eens een dorp genoemd. Dit
geeft enigszins aan waarom het aanstellen van partners van werknemers niet
wenselijk is en tot problemen kan leiden.
In het kader van het laatste wijst de wederpartij op de situatie die ontstaan
was nadat twee reeds bij de wederpartij werkzame werknemers een relatie
kregen. Deze relatie is inmiddels beëindigd. Eén van hen wil de ander niet
meer zien en zit nu thuis. Problemen als deze zijn niet te voorkomen maar
kunnen volgens de wederpartij wel worden verkleind door geen partners van
werknemers aan te nemen.
Tevens wijst de wederpartij op het feit dat er veel discussie is geweest
bij het personeel toen -ongeveer tien jaar geleden- een werkneemster haar
vader, die met pensioen ging, opvolgde.

Ingeval van een kortlopend contract zou de wederpartij geen problemen hebben
met het aanstellen van een partner van een reeds bij haar werkzame werknemer.
Bij de functie waarop verzoekster solliciteerde, was het echter geen sprake
van een kortlopend project aangezien het de vervanging betrof van werkzaamheden
voor een langdurige periode op basis van een afspraak met een ministerie.
Aanstelling geschiedt steeds eerst voor de duur van één jaar waarna een
vast contract wordt aangeboden. Daar zou in dit geval ook sprake van zijn
geweest.

De wederpartij betwist dat zij met haar beleid onderscheid maakt als bedoeld
in de wetgeving gelijke behandeling. De wederpartij tracht gelijkheid in
haar organisatie juist zo veel mogelijk te bevorderen. Van de redelijkheid
van het beleid heeft de algemeen directeur ook de echtgenote van een werknemer
die solliciteerde kunnen overtuigen. Deze sollicitatie heeft evenmin als
die van verzoekster geleid tot indienstneming

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij, door verzoekster af te wijzen
voor de functie van assistent conservator reptielen en amfibieën vanwege
het feit dat haar partner reeds bij de wederpartij werkzaam is, onderscheid
heeft gemaakt naar burgerlijke staat als bedoeld in de AWGB.

4.2. Artikel 5, eerste lid, onderdeel a, AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid
verboden is bij de aanbieding van een betrekking en bij de behandeling
bij de vervulling van een openstaande betrekking.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet onder meer ziet op onderscheid tussen
personen op grond van burgerlijke staat. Onder burgerlijke staat wordt
onder andere de huwelijkse staat begrepen.

Laatstgenoemd artikel stelt tevens dat onder onderscheid zowel direct als
indirect onderscheid begrepen wordt. Onder direct onderscheid wordt verstaan
onderscheid dat verwijst naar een van de in de AWGB genoemde discriminatiegronden.
Indirect onderscheid op grond van burgerlijke staat is onderscheid, dat
op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan burgerlijke staat
direct onderscheid op die grond tot gevolg heeft.

In artikel 2, eerste lid, AWGB wordt bepaald dat het in de wet neergelegde
verbod van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid
dat objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Ten aanzien van de vraag of sprake is van de aanbieding van een betrekking
en de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking als
in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, AWGB bedoeld, overweegt de Commissie
als volgt.

De wederpartij betwist dat sprake is van een vacature voor een reeds bestaande
functie. Tevens is volgens de wederpartij een functie gecreëerd zonder
dat deze aan de directeur ter goedkeuring is voorgelegd.
De Commissie stelt vast dat een interne vacaturemelding heeft plaatsgevonden
voor de onderhavige functie, welke vacaturemelding niet ongedaan is gemaakt.
Tevens moet worden geconstateerd dat in de afwijzingsbrief van de wederpartij
aan verzoekster de motivering voor de afwijzing niet is gelegen in het
niet (meer) bestaan van de vacature, maar in het feit dat verzoeksters
partner werkzaam is bij de wederpartij.
Op grond van het voorgaande concludeert de Commissie dat sprake is van
de aanbieding van een betrekking en de behandeling bij de vervulling van
een openstaande betrekking als in voorgaand wetsartikel bedoeld.

4.4. Ten aanzien van de vraag of de wederpartij direct onderscheid heeft
gemaakt op grond van burgerlijke staat overweegt de Commissie als volgt.

Van direct onderscheid is sprake als de wederpartij bij haar handelen rechtstreeks
verwijst naar de burgerlijke staat van verzoekster. De grond van afwijzing
van verzoekster is echter niet gelegen in het feit dat zij ongehuwd is,
maar in het feit dat zij een partner heeft die werkzaam is bij de wederpartij.
Op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat van direct onderscheid op
grond van burgerlijke staat geen sprake is.

4.5. Ten aanzien van de vraag of de wederpartij indirect onderscheid op
grond van burgerlijke staat heeft gemaakt, overweegt de Commissie als volgt.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij partners van werknemers weigert
als nieuwe werknemers. Tevens staat vast dat de wederpartij zowel kandidaten
afwijst die -zoals verzoekster- ongehuwde partner van een werknemer zijn
als kandidaten die gehuwde partner van een werknemer zijn. De Commissie
dient derhalve na te gaan of deze handelwijze indirect onderscheid op grond
van burgerlijke staat (in dit geval: de huwelijkse staat) inhoudt. Daarbij
kan overigens in het midden blijven of ten tijde van de afwijzing van verzoekster
al sprake was van een vastgesteld en algemeen beleid, dan wel of daarover
voldoende duidelijkheid bestond.

In de onderhavige zaak worden geschikte sollicitanten met een partner zonder
meer aangenomen, mits hun partner niet reeds werkzaam is bij de wederpartij.
Aangezien het verschil in behandeling is gelegen in deze specifieke voorwaarde,
moet het onderzoek in deze zaak zich richten op de vraag hoeveel van de
gehuwden worden benadeeld omdat zij een reeds bij de wederpartij werkzame
partner hebben en hoeveel van de ongehuwden door diezelfde specifieke voorwaarde
worden getroffen.

Vaststaat dat verzoekster de enige sollicitant was voor de onderhavige
functie. Een dergelijk gering aantal kan niet leiden tot een verantwoorde
conclusie ten aanzien van de vraag of sprake is van een overwegende benadeling
van gehuwden of ongehuwden door de voorwaarde van de wederpartij dat de
sollicitant geen bij de wederpartij werkzame partner mag hebben.
Als gegevens over aantallen gehuwde en ongehuwde personen in de concrete
situatie niet aanwezig zijn of de aantallen te klein zijn om -zoals in
casu- tot een conclusie kunnen komen, betrekt de Commissie als regel landelijke
gegevens bij haar onderzoek. Vastgesteld moet echter worden dat geen gegevens
beschikbaar zijn ten aanzien van de vraag hoeveel gehuwde personen in het
algemeen werkzaam zijn of willen zijn bij de werkgever van hun partner
en hoeveel ongehuwde partners door de bestreden voorwaarde zouden worden
getroffen. Evenmin zijn er aanwijzingen op grond waarvan anderszins aannemelijk
kan worden geacht dat gehuwden dan wel ongehuwden door een vergelijkbaar
vereiste onevenredig zouden worden benadeeld.

Dit leidt tot de conclusie dat geen sprake is van indirect onderscheid
op grond van burgerlijke staat als bedoeld in de AWGB en dat de wederpartij
mitsdien niet heeft gehandeld in strijd met genoemde wet.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het (….) te Leiden jegens
mevrouw (….) te Leiden geen onderscheid op grond van burgerlijke staat
heeft gemaakt als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de
Algemene wet gelijke behandeling en derhalve niet in strijd met deze wet
heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M. den Boer(lid Kamer), mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Raad voor de Rechtsbijstand Amsterdam, 16 februari 1998

Instantie

Raad voor de Rechtsbijstand Amsterdam

Samenvatting


Voor haar cliënte vraagt de advocaat een toevoeging aan bij de Raad voor de
Rechtsbijstand in verband met een ernstig zedendelict. De cliënte is
slachtoffer van verkrachting, meermalen gepleegd door een ex-partner. Ten
tijde van de juridische procedure woont zij al weer geruime tijd samen met
een nieuwe partner, die niet bereid is de kosten van rechtsbijstand te
financieren. De advocate vraagt om het inkomen van de nieuwe partner buiten
beschouwing te laten. De Raad voor de Rechtsbijstand acht – na advies van de
Commissie Bezwaar en Beroep – het administratief beroep ongegrond. Op grond
van artikel 34 WRB is er alleen plaats voor individualisering – derhalve
buiten beschouwing laten van de nieuwe partner – bij onderling tegenstijdige
belangen. Tevens geldt als beleidsregel dat het inkomen van de partner soms
buiten beschouwing wordt gelaten bij een gemotiveerd beroep op grondrechten
of diepgewortelde rechtsbeginselen, aldus de Raad.
In casu is er geen sprake van een zo uitzonderlijke situatie dat van de
nieuwe partner niet mag worden gevergd dat hij meebetaalt aan de kosten van
de procedure.

Volledige tekst

Besluit op beroepschrift toevoeging

RAAD VOOR RECHTSBIJSTAND AMSTERDAM

Gezien uw beroepschrift d.d. 24 juni 1997, zaaknummer 972374, tegen het
besluit van het Bureau Rechtsbijstandvoorziening kenmerk 4BQ9860, d.d. 9 juli
1997, waarbij de toevoegingsaanvraag is afgewezen;

Gezien het advies dat de Commissie Bezwaar en Beroep op 4 december 1997 aan
de Raad voor Rechtsbijstand heeft uitgebracht, welk advies hierbij is
gevoegd;

BESLUIT:

Het beroep ongegrond te verklaren onder overneming van de gronden die de
Commissie Bezwaar en Beroep tot haar advies hebben gebracht en de bestreden
beslissing te bevestigen.

ADVIES VAN DE COMMISSIE BEZWAAR EN BEROEP AAN DE RAAD VOOR
RECHTSBIJSTAND

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van het Bureau Rechtsbijstandvoorziening (verder te noemen: het
bureau) d.d. 9 juli 1997, kenmerk 4BQ9860.

2. Ontstaan en verloop van de beroepsprocedure

Op 24 juni 1997 is door mr van Dijk, verder te noemen: gemachtigde, een
toevoegingsaanvraag ingediend voor mevrouw v. d. P., verder te noemen:
appellante, terzake van schadevergoeding na seksueel misbruik.

Het bureau heeft de aanvraag op 9 juli 1997 afgewezen met als
motivering: “De draagkracht van verzoeker overschrijdt de bij de wet
vastgestelde financiële grenzen. De aanvraag is op inhoudelijke gronden niet
getoetst.

Nu gebleken is dat het hier geen tegenstrijdige belangen betreft, zal
geen individualisering plaatsvinden. Het inkomen van de partner is van de VIV
overgenomen omdat bijgevoegde loonspecificatie inclusief vakantiegeld is.
Niet gecontroleerd of er een tegemoetkoming in de ziektekosten wordt
ontvangen. De gegevens omtrent het huis zijn niet geverifieerd. De aanvraag
is inhoudelijk niet getoetst”.

Tegen dit besluit heeft gemachtigde d.d. 19 augustus 1997 op grond van
artikel 45 eerste lid, Wet op de Rechtsbijstand (WRB) administratief beroep
ingesteld bij de Raad.

Dit beroep is overeenkomstig artikel 45, tweede lid, WRB op 24 november 1997
behandeld ter zitting van de Commissie Bezwaar en Beroep van de Raad,
bestaande uit de heer mr E.C. Brommet, fungerend voorzitter, de heer mr R.
Hulkenberg, lid en de heer mr W. van Zanen, secretaris.

Appellante werd voor de hoorzitting uitgenodigd en is niet verschenen.

Het Bureau heeft voorafgaande aan de hoorzitting schriftelijk zijn standpunt
ten aanzien van het door appellante ingestelde beroep kenbaar gemaakt. Het
Bureau werd ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw mr Y.E. Buwalda.

3. Bewijsmiddelen

De gedingstukken.

4. Beoordeling

In dit geding is in geschil of het bureau de toevoegingsaanvraag op goede
gronden heeft afgewezen.

Gemachtigde heeft terzake in administratief beroep schriftelijk -kort
samengevat- aangevoerd dat:
– appellante slachtoffer is van ernstige (zeden)misdrijven gepleegd door haar
ex-partner die inmiddels strafrechtelijk wordt vervolgd wegens verkrachting
en mishandeling;
– de strafzaak zich te Curaçao heeft afgespeeld;
– gelet op de complexiteit van de strafzaak alsmede het feit dat de zaak zich
niet in Nederland afspeelde advocatenbijstand onontbeerlijk bleek;
– er volstrekt geen communicatie tussen justitie aldaar en het slachtoffer
was, terwijl dat voor de afloop van de zaak van groot belang was, naar later
ook bleek;
– de Raad de aanvraag heeft afgewezen gelet op het gezamenlijk inkomen van
appellante en haar huidige partner ondanks het feit dat de huidige partner
gemotiveerd heeft aangegeven op grond waarvan hij niet bereid is kosten
rechtsbijstand te voldoen voor/namens haar;
– de geestelijke schade die slachtoffers van zedenmisdrijven oplopen (vaak
levenslang) van algemene bekendheid is;
– die schade veel problemen oplevert in nieuwe relaties en deze vaak sterk
onder druk zet;
– de nieuwe partner geen informatie over de strafzaak wil, of hetgeen zich
heeft voorgedaan, hetgeen op zichzelf al voldoende zegt, en dat financiering
van de zaak voor de huidige partner van appellante al helemaal niet aan de
orde is;
– het gevolg van de afwijzing van de toevoeging is dat zij de rechtsbijstand
niet kan financieren en zal moeten afzien van rechtshulp;
– appellante ernstig is geschonden in haar lichamelijke integriteit en dat
zij voor de verwerking daarvan alsmede ter verkrijging van financiële
genoegdoening advocatenbijstand nodig heeft;
– gelet op artikel 34 WRB geïndividualiseerd moet worden.

De commissie overweegt terzake van de naar voren gebrachte bezwaren het
volgende:

– de wetgever heeft blijkens de tekst en de geschiedenis van de tot
standkoming van de wet overduidelijk als uitgangspunt genomen dat bij
samenwonenden de draagkracht van beiden tezamen in aanmerking genomen moet
worden;

– de Wet op Rechtsbijstand (WRB) bepaalt in artikel 34 dat bij de
vaststelling van het inkomen en vermogen van de rechtzoekende mede in
aanmerking wordt genomen het inkomen van de partner van verzoeker, behoudens
in het geval er sprake is van onderling tegenstrijdige belangen;

– de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens heeft uitgemaakt dat de
partnertoets in beginsel niet strijdig is met artikel 6 lid jo. art. 14 EVRM
(ECRM, d.d. 12-10-1993, Rechtshulp 1993-1);

– onderling tegenstrijdige belangen worden ondermeer aangenomen indien sprake
is van:
* echtscheiding, opheffing van de huwelijksgoederengemeenschap en verbreking
van de samenwoning;
* onrechtmatige daad/strafbaar feit van de ene partner tegenover de andere
partner;
* idem tegenover de kinderen waarbij moeder/vader optreedt als wettelijk
vertegenwoordiger van het kind;

– als beleidsregel wordt voorts gehanteerd dat in een enkel zich voordoend
geval, met een gemotiveerd beroep op grondrechten of diepgewortelde
rechtsbeginselen, het inkomen en vermogen van de partner buiten beschouwing
kan worden gelaten;

– uit de door de gemachtigde overgelegde stukken blijkt dat de aanvraag
betrekking heeft op een civiele procedure te voeren tegen de ex-partner van
appellante zodat van onderling tegenstrijdige belangen in de zin van artikel
34 WRB geen sprake is. Dat de huidige partner van appellante, zoals hij in
zijn uitvoerige brief van 13 juni 1997 aangeeft, de financiële consequenties
van de procedure niet wil dragen, gelet op hetgeen hij reeds aan kosten voor
v. d. P. heeft gehad, is in dit verband niet van betekenis. Evenmin dat hij
geen informatie over de strafzaak zou willen;

– het beroep van appellante op de hierboven vermelde grondrechten of
diepgewortelde rechtsbeginselen om – met terzijdestelling van de wet – haar
aanvraag toch te honoreren kan evenmin slagen. Hoewel het standpunt van de
huidige partner van appellante niet geheel onbegrijpelijk is, kan toch niet
gezegd worden dat hier van een zodanige uitzonderlijke situatie sprake is dat
van hem die zijn leven kennelijk wenst te delen met v. d. P., redelijkerwijs
niet gevergd mag worden dat hij (mee) betaalt aan de kosten van de procedure.
Tegen deze achtergrond dient de gezamenlijke draagkracht van appellante en
haar huidige partner uitgangspunt te zijn voor de beoordeling van de
aanvraag;

– op grond van vorenstaande is de commissie van oordeel dat in casu op goede
gronden geen individualisering heeft plaatsgevonden en dat bij de berekening
van de draagkracht terecht is uitgegaan van het gezamenlijk inkomen;

– aangezien het gezamenlijk inkomen de maximale wettelijke grens om voor
gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking te komen overschrijdt, behoeft de
inhoudelijke toetsing van de toevoegingsaanvraag naar het oordeel van de
commissie geen nadere bespreking.

5. Conclusies en advies

Gelet op het vorenoverwogene adviseert de Commissie Bezwaar en Beroep aan de
Raad voor Rechtsbijstand om het administratief beroep ongegrond te verklaren.

Rechters

onbekend

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 12 februari 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een organisatie op geestelijke grondslag exploiteert een tehuis met als
doel de verzorging van oudere leden van de organisatie en hun partners.
Een man is lid van de organisatie en heeft een mannelijke partner die geen
lid is. De organisatie staat alleen open voor mannen. Zij weigert de inschrijving
van de man en zijn partner omdat de partner geen lid is. Vrouwelijke partners
van leden worden wel toegelaten, omdat zij sowieso geen lid mogen worden
van de organisatie. De Commissie overweegt dat in de parlementaire geschiedenis
van de AWGB vermeld is, dat instellingen als de betrokken organisatie in
hun toelatingsbeleid wel respect voor de grondslag en het doel van de organisatie
mogen vragen. Maar dit mag niet neerkomen op het maken van een door de
AWGB verboden onderscheid. Aangezien vrouwelijke partners wel worden toegelaten
en mannelijke partners niet, concludeert de Commissie dat de organisatie
jegens de man onderscheid maakt naar geslacht in strijd met de wet.

Volledige tekst

De Commissie constateert derhalve dat de wederpartij geen instelling is
van één van de beide genootschappen waarvan zij de leden herbergt. Daarbij
zij nogmaals benadrukt dat, zoals hierboven reeds aangehaald is, ook als
daarvan sprake geweest zou zijn, een instelling als de onderhavige niet
licht beschouwd kan worden als (behorend tot) een genootschap op geestelijke
grondslag.

De Commissie concludeert op grond van het bovenstaande dat de wederpartij
geen genootschap op geestelijke grondslag is alsmede dat daarom bij de
toepassing van de toelatingsvoorwaarden geen sprake is van een rechtsverhouding
binnen het genootschap zoals bedoeld in artikel 3 AWGB.

4.4. De wederpartij heeft zich ten aanzien van de toepasselijkheid van
de AWGB beroepen op het interne verenigingsrecht.
De Commissie moet vaststellen dat de wederpartij niet een vereniging is,
maar een stichting die dienstverlening in de vorm van zorg en huisvesting
aanbiedt en zich daarbij richt op de leden van een tweetal verenigingen
en een deel van de partners van de leden van dit tweetal verenigingen.
De voorwaarden voor het lidmaatschap van verenigingen zoals de Orde van
Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden en de Orde Vitae Femina
Textura als zodanig moet ingevolge de AWGB tot het interne verenigingsrecht
worden gerekend, hetgeen door de wetgever uitdrukkelijk buiten het bereik
van de AWGB is gebracht (Zie onder meer Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991,
22 014, nr. 5, p. 18-19; nr 10, p. 10-11 en Eerste Kamer, vergaderjaar
1992-1993, 22 014, nr. 212c, p. 5-6.).
In casu zijn echter niet de voorwaarden voor het lidmaatschap van het tweetal
verenigingen aan de orde, maar de voorwaarden die de wederpartij ten aanzien
van toelating tot haar instelling stelt. Deze voorwaarden zijn afgeleid
van de voorwaarden die het tweetal verenigingen stelt, en strekken zich
bovendien uit tot de partners van de leden van deze verenigingen. Nu de
wederpartij zelf geen vereniging is, en ook niet aannemelijk is geworden
dat de wederpartij onder verantwoordelijkheid van de beide levensbeschouwelijke
verenigingen wordt beheerd, kan de Commissie niet anders dan oordelen dat
het van de AWGB uitgezonderde terrein van het strikt interne verenigingsrecht
niet aan de orde is.

4.5. Vervolgens komt de vraag aan de orde of het handelen van de wederpartij
valt onder artikel 7, eerste lid, onderdeel c, AWGB.
Het verbod op het maken van onderscheid richt zich op grond van artikel
7, eerste lid, onderdeel c, AWGB op instellingen die werkzaam zijn op het
gebied van volkshuisvesting, welzijn (daaronder begrepen ouderenzorg) (Tweede
Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014, nr. 3, p. 21.), gezondheidszorg of
cultuur.
Met het begrip ‘instellingen’ is gedoeld op organisatorische verbanden
die in de samenleving als eenheid optreden en die niet kunnen worden geacht
een beroep of bedrijf als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
AWGB uit te oefenen (Idem.). De wederpartij is, gelet op haar statutaire
doelstelling, een instelling die werkzaam is op het gebied van volkshuisvesting,
welzijn en gezondheidszorg. De Commissie stelt derhalve vast dat de wederpartij
een instelling is als bedoeld in onderdeel c van het eerste lid van artikel
7 AWGB. Daarmee staat tevens vast dat het toelaten tot de huisvesting en
de zorg van een woon-zorg-instelling beschouwd dient te worden als het
aanbieden van goederen en diensten zoals in artikel 7 AWGB bedoeld.

4.6. De wederpartij heeft zich ten aanzien van de toepasselijkheid van
artikel 7 AWGB eveneens beroepen op de beslotenheid van het aanbod. Ten
aanzien daarvan overweegt de Commissie als volgt.

De Commissie constateert dat de werkingssfeer van de AWGB is beperkt tot
de volgens de wetgever belangrijkste, uitdrukkelijk genoemde, terreinen
van het maatschappelijk leven, welke in beginsel voor een ieder, zonder
enig onderscheid, open dienen te staan. Daarbij vallen de privésfeer en
de besloten sfeer in beginsel buiten de reikwijdte van de wet (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1991-1992, 22014, nr. 3, p. 21; nr. 5, p. 25-27 alsmede nr.
10, p. 10-11.). De Commissie overweegt dat in zijn algemeenheid niet kan
worden gesteld dat een woon-zorg-instelling op levensbeschouwelijke grondslag
als de onderhavige kan worden aangeduid als een besloten organisatie, wier
aanbod buiten het openbare en maatschappelijke leven valt. De wetgever
heeft het aanbod van deze instellingen uitdrukkelijk onder het bereik van
de AWGB willen brengen. De wetgever heeft een afweging gemaakt tussen enerzijds
de vrijheid van organisaties op (godsdienstige of) levensbeschouwelijke
grondslag om op basis van groepsopvattingen en -normen te leven en anderzijds
het recht op bescherming tegen discriminatie in het persoonlijk en maatschappelijk
functioneren van het individu. De wetgever heeft het op grond van die afweging
noodzakelijk geacht een verbod op onderscheid op de in artikel 7 AWGB genoemde
terreinen op te nemen. (Zie met name Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992,
22014, nr. 5, p. 25.)
In de totstandkomingsgeschiedenis van de AWGB is hierover opgemerkt dat
het verbod op het maken van onderscheid zich ook richt tot instellingen
die actief zijn op een aantal uitdrukkelijk genoemde, zeer belangrijke
terreinen van het maatschappelijk leven. (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991,
22014, nr. 3, p. 21.) Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze voorzieningen
moeten worden beschouwd als van algemeen belang en dat zij in beginsel
voor een ieder zonder enig onderscheid dienen open te staan. De wetgever
heeft daarbij overwogen dat het hierbij veelal gaat om schaarse goederen
of diensten. “Wanneer men daarvan door een bepaalde instelling op een van
de gronden genoemd in het wetsvoorstel zou worden uitgesloten, zou de kans
bestaan dat men verstoken zou blijven van deze goederen of diensten. Anders
dan bij het onderwijs bestaan er immers niet overal voldoende ‘openbare’
voorzieningen op deze terreinen, terwijl evenmin de toegang tot alle voorzieningen
voor een ieder is gewaarborgd”. (Idem.)
Ten aanzien van het opnamebeleid van de instellingen als bedoeld in artikel
7, eerste lid, onder c AWGB is in de parlementaire totstandkomingsgeschiedenis
van de AWGB vervolgens eveneens vermeld dat zij zich niet uitsluitend tot
bijvoorbeeld de “huisgenoten des geloofs” mogen beperken (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1991-1992, 22014, nr. 5, p. 25.). “Instellingen zullen naast
de eigen geloofsgenoten desgevraagd gastvrijheid moeten bieden aan anderen,
van wie (bijvoorbeeld op grond van de huisregels) uiteraard wel respect
voor grondslag en doel van de instelling mag worden gevraagd” (Idem; zie
ook Handelingen Eerste Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 22014, 22 februari
1994, 21-1085/6.). Deze huisregels mogen evenwel nooit zover gaan dat zij
neerkomen op het door de AWGB verboden onderscheid. (Tweede Kamer, vergaderjaar
1991-1992, 22014, nr. 5, p. 89.)
Daarbij wijst de Commissie er nog op dat voor de toepasselijkheid van artikel
7 AWGB niet degene die op het aanbod kan ingaan van belang is, maar degene
die de goederen of diensten aanbiedt. (Zie onder andere Tweede Kamer, vergaderjaar
1991-1992, 22014, nr. 5, p. 88-89 en nr. 10, p. 37.) De AWGB verhindert
niet dat de grondslag en het doel van de instelling bij de dienstverlening
tot uitdrukking komen. De verplichting om diensten zonder onderscheid aan
een ieder aan te bieden, doet niet af aan de vrijheid van instellingen
om zelf te bepalen op welke wijze zij hun diensten aanbieden. Het is ook
niet ongebruikelijk dat de aanbieder van goederen en diensten zijn aanbod
richt op de doelgroep van hetgeen hij aanbiedt, juist met het oogmerk dat
hoofdzakelijk of uitsluitend personen die tot die doelgroep kunnen worden
gerekend zich aangesproken voelen. Uit de wetsgeschiedenis van de AWGB
blijkt dat daarmee nog geen onderscheid in de zin van de AWGB wordt gemaakt.
Daarvan is slechts sprake wanneer bijvoorbeeld personen met een bepaald
geslacht worden geweigerd. (Zie Eerste Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22014,
nr. 212c, p. 7-8 alsmede Handelingen Eerste Kamer, vergaderjaar 1993-1994,
22 februari 1994, p. 21-1085.)

De Commissie kan derhalve in het licht van de hierboven weergegeven overwegingen
van de wetgever niet anders concluderen dan dat het toelatingsbeleid van
de wederpartij ook in dit opzicht valt onder de werkingssfeer artikel 7,
eerste lid, onderdeel c AWGB.
Aangezien voorts de uitzondering met betrekking tot de openbaarheid van
het aanbod slechts van toepassing is op de in artikel 7, eerste lid, onderdeel
d AWGB genoemde natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening
van een beroep of bedrijf, kan de wederpartij niet met succes een beroep
doen op de beslotenheid van het aanbod. De wetgever heeft er in dit verband
eveneens nadrukkelijk voor gekozen slechts een wettelijke uitzondering
in het leven te roepen voor -onder meer de toelating tot- instellingen
voor bijzonder onderwijs (Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr.
3, p. 21.).
De Commissie oordeelt derhalve dat het beroep van de wederpartij op de
beslotenheid van het aanbod faalt.

4.7. Nu de Commissie tot het oordeel is gekomen dat artikel 7, eerste lid,
onderdeel c AWGB in casu van toepassing is, komt de vraag aan de orde of
de wederpartij, zoals gesteld door verzoeker, onderscheid naar geslacht
maakt.

De Commissie stelt vast dat de toelatingsvoorwaarden van de wederpartij
zijn afgeleid van de toelatingsvoorwaarden van de Orde van Vrijmetselaren
onder het Grootoosten der Nederlanden alsmede de Orde Vitae Femina Textura,
welke beide afhankelijk zijn van het geslacht. Daarbij komt dat de toelatingsvoorwaarden
van de wederpartij ten aanzien van de eventuele partners van belanghebbenden
onderscheid maken tussen mannen en vrouwen. Mannelijke partners kunnen
niet worden toegelaten wanneer zij geen lid zijn van de Orde van Vrijmetselaren
onder het Grootoosten der Nederlanden. Vrouwelijke partners kunnen wel
worden toegelaten wanneer zij geen lid zijn van de Orde Vitae Femina Textura.
Daarmee staat vast dat bij de toelatingsvoorwaarden direct onderscheid
op grond van geslacht wordt gemaakt.

Zoals de Commissie hiervoor heeft overwogen, kent artikel 7, tweede lid,
AWGB ten aanzien van de toelatingsvoorwaarden slechts een uitzondering
op het verbod van onderscheid voor instellingen van bijzonder onderwijs.
Aangezien ook de uitzondering van artikel 7, derde lid, AWGB niet van toepassing
is op instellingen als de onderhavige en er vervolgens voor instellingen
als de onderhavige -anders dan in artikel 5, tweede lid, AWGB- geen andere
wettelijke uitzondering aanwezig is, kan de Commissie, gelet op het gesloten
systeem van de AWGB, tot geen andere conclusie komen dan dat het gemaakte
onderscheid tot strijd met de AWGB leidt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting tot Exploitatie
van Serviceflats Huize Het Oosten te Bilthoven jegens de heer dr. (….)
te Heerlen direct onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld
in artikel 7, eerste lid, onderdeel c AWGB door inschrijving van verzoeker
en zijn mannelijke partner te weigeren en daarmee handelt in strijd met
genoemde wet.

Rechters

Mw. Prof. mr J.E. Goldschmidt (waarnemend Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M.den Boer (lid Kamer), mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 12 februari 1998

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Appellant heeft geïntimeerde, zijn ex-echtgenote mishandeld. De vrouw vordert
verhuisplicht en een straat- en contactverbod. De President van de Rechtbank
heeft dit toegewezen. De man gaat hiertegen in beroep en hij eist nu voor de vrouw een
verhuisplicht. In hoger beroep wint de man. De oorspronkelijke vorderingen
van de vrouw worden afgewezen omdat bewijs is gebaseerd op anonieme
getuigenverklaringen.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant, de man, is bij exploit van 20 juni 1997 in hoger beroep
gekomen van een op 12 juni 1997 uitgesproken vonnis in kort geding van de
president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, onder kort geding
nummer 04.21.397/97 gewezen tussen geïntimeerde, de vrouw, als eiseres in
conventie/verweerster in reconventie en de man als gedaagde in
conventie/eiser in reconventie.

1.2. Bij memorie heeft de man vier grieven tegen het vonnis waarvan beroep
aangevoerd en geconcludeerd dat het hof voornoemd vonnis zowel in conventie
als in reconventie gewezen zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de
vorderingen van de vrouw, in conventie gedaan, alsnog zal afwijzen en de
vordering, zoals gedaan in reconventie, alsnog zal toewijzen, kosten
rechtens.

1.3. Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden, een
produktie overgelegd, bewijs van haar stellingen aangeboden en geconcludeerd
tot bekrachtiging van het beroepen vonnis, met de veroordeling van de man in
de kosten van, zo begrijpt het hof, het hoger beroep.

1.4. Tenslotte hebben partijen de stukken van beide instanties aan het hof
overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud van al deze stukken geldt
als hier ingelast.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

3. De feiten

De president heeft in rechtsoverweging 2 onder 2.1 tot en met 2.5 overwogen
ten aanzien van de vaststaande feiten. Nu tegen deze overwegingen geen
grieven zijn gericht, gaat ook het hof uit van deze feiten.

4. De beoordeling van het hoger beroep

4.1. Partijen zijn gewezen echtelieden. Zij zijn van elkander gescheiden op 5
april 1995.

4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen geboren. De oudste zoon
verblijft in Turkije. G., de dochter van 20 jaar, en de jongste zoon, die 15
jaar oud is, wonen bij de vrouw op het adres aan de B-straat 32 te U.

4.3. De man huurde sinds mei/juni 1996 een kamer aan de A-straat, ongeveer
drie straten van de B-straat verwijderd. Eind april, begin mei 1997 is hij
dichter in de buurt van (de woning van) de vrouw komen wonen: hij heeft een
kamer gehuurd aan de IJ-straat 14 te U.

4.4. De man is op 19 maart 1997 in Turkije opnieuw getrouwd.

4.5. De vrouw heeft op 5 april 1997 aangifte gedaan van mishandeling en
bedreiging door de man.

4.6. De vrouw ontvangt op dit moment een ziektewet-uitkering omdat zij ten
gevolge van psychische spanningen niet in staat is om te werken.

4.7. De vrouw heeft in de eerste aanleg in de conventie gesteld dat de man
haar lastig valt en bedreigt en met opzet steeds dichter bij haar komt wonen.
Tegen deze achtergrond bezien heeft zij een aantal maatregelen gevraagd die
neerkomen op, kort samengevat, een uitgebreid straat- en contactverbod en een
verhuisplicht.

4.8. In de conventie heeft de president – met een enkele uitzondering – de
gevraagde maatregelen getroffen, met termijnstelling van een jaar en met
bepaling van een dwangsom.

4.9. In de reconventie heeft de man gevraagd de vrouw te gebieden te
verhuizen naar een woning gelegen buiten het door de vrouw beschreven gebied
(zie voor dat gebied het beroepen vonnis, rechtsoverweging 3.1).

4.10. In de reconventie heeft de president geweigerd de door de man gevraagde
maatregel te treffen.

4.11. Met grief I betoogt de man, zakelijk weergegeven, dat de vrouw haar
stellingen inzake het hinderen, lastig vallen en bedreigen niet aannemelijk
heeft gemaakt.

4.12. Met betrekking hiertoe zij in de eerste plaats verwezen naar hetgeen de
president onder 3.3 van het vonnis, waarvan beroep, heeft overwogen en dat in
dezen eveneens het hof tot uitgangspunt strekt:
“Vooropgesteld moet worden dat een zogenoemd straat- en contactverbod, zoals
de vrouw vordert, een inbreuk vormt op het in beginsel aan eenieder toekomend
recht om zich vrijelijk te verplaatsen. Voor toewijzing van een dergelijk
ingrijpende maatregel moet in ieder geval in hoge mate aannemelijk zijn dat
er feiten en omstandigheden zijn die zo’n inbreuk op de aan de man toekomende
rechten kunnen rechtvaardigen”.

4.13. Uitgaande van deze normstelling heeft de president vervolgens onder 3.4
van het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de feiten overwogen:
“De vrouw heeft, mede aan de hand van de overgelegde schriftelijke
verklaringen van derden, voldoende aannemelijk gemaakt dat zij door de
voortdurende nabijheid van de man ernstig wordt gehinderd in haar dagelijkse
leven; ook indien de man niet fysiek in haar omgeving is, is zijn invloed
merkbaar”.

4.14. Met deze laatste overweging is het hof het echter niet eens. De vrouw
heeft inderdaad feiten en omstandigheden gesteld, die, indien in de vereiste
mate aannemelijk, de door de president getroffen maatregelen zouden
rechtvaardigen. De man echter heeft de gestelde feiten en omstandigheden
gemotiveerd ontkend. De vraag is derhalve of deze feiten en omstandigheden in
voldoende mate, namelijk in hoge mate, aannemelijk zijn. Het hof acht dit
niet het geval.

4.15. Ter adstructie van haar stellingen heeft de vrouw in de eerste plaats
een proces-verbaal van aangifte (mutatie nummer PL0913/97-020292; opgemaakt
te U. op 5 april 1997) overgelegd doch dit proces-verbaal bevat slechts haar
eigen verklaring. Daarnaast heeft de vrouw twee geanonimiseerde verklaringen
overgelegd, die echter elk voor zich en in combinatie met elkaar onvoldoende
overtuigingskracht bezitten en wel mede omdat zij zijn geanonimiseerd en dus
oncontroleerbaar. Tenslotte heeft de vrouw een verklaring van 30 mei 1997,
afkomstig van een bedrijfsarts van Arboned, overgelegd, die echter slechts de
mededeling bevat dat de vrouw “ten gevolge van psychische spanningen
veroorzaakt door de huidige privé-omstandigheden” volledig arbeidsongeschikt
voor haar WSW-arbeid is. Deze verklaring vormt geen (voldoende) adstructie
van de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden.

4.16. In dit hoger beroep heeft de vrouw daaraan nog toegevoegd een
verklaring van haar huisarts (van 21 mei 1997) doch deze verklaring houdt
slechts in dat de huisarts zich niet wil uitspreken, en kan derhalve evenmin
ter adstructie van de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden dienen.

4.17. De conclusie van het vorenoverwogene dient te zijn dat de eerste grief
slaagt. Daarmee is de bodem ontvallen aan de door de president in het vonnis,
waarvan beroep, getroffen maatregelen. De overige grieven behoeven derhalve
geen bespreking meer.

4.18. In dit hoger beroep heeft de man nog gevraagd de door hem in de eerste
instantie in reconventie gevraagde maatregelen te treffen en het vonnis ook
in zoverre te vernietigen.

4.19. Hij heeft hiertoe echter geen grieven geformuleerd en zijn korte betoog
ter ondersteuning van deze vordering, voorzover als grief te begrijpen, bevat
geen argumenten die het door de president aan de afwijzing van de reconventie
ten grondslag gelegde invalideren.

5. Conclusies

5.1. Grief I slaagt. De overige grieven behoeven geen bespreking.

5.2. Het vonnis waarvan beroep dient, voorzover in conventie gewezen, te
worden vernietigd en er dient in zoverre opnieuw recht te worden gedaan en
wel als na te melden.

5.3. Het vonnis waarvan beroep dient voor het overige te worden bekrachtigd.

5.4. Aangezien partijen gewezen echtelieden zijn, dienen de kosten van de
eerste aanleg in de conventie en die van het hoger beroep te worden
gecompenseerd als na te melden.

6. De beslissingen

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover in conventie gewezen.

en inzoverre opnieuw rechtdoende:

weigert de gevraagde voorzieningen;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voorzover in reconventie gewezen;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie en van dit
hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Kop, de Brauw-Huydecoper en Smit

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Zwolle, 9 februari 1998

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Zwolle

Samenvatting


De vrouw is meermalen verkracht door Turkse militairen. Zij stelt dat zij is
getraumatiseerd vanwege haar ervaringen in Turkije. De verkrachtingen worden
door de staatssecretaris niet betwist en onder omstandigheden kan dit leiden
tot een verlening van een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid
(werkinstructie 31). Eiseres kan, volgens de staatssecretaris, geen beroep
doen op dit beleid omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zodanig
is getraumatiseerd dat van haar niet gevergd kan worden dat zij terugkeert
naar Turkije.
De rechter is van oordeel dat lijdt aan een motiveringsgebrek en dat “gelet
op de verklaringen die de vrouw tijdens de gehele procedure heeft afgelegd
omtrent haar gemoedstoestand, aannemelijk heeft gemaakt dat zij
getraumatiseerd is. De omstandigheid dat zij zich daarvoor niet onder
psychische behandeling heeft willen stellen, doet daaraan niet af.
Daarnaast stelt de staatssecretaris dat het geen verkrachting van
overheidswege betreft, nu zij zijn begaan door militairen.
De rechter is van oordeel dat ook een verkrachting door een vertegenwoordiger
van de overheid, waartegen niet de bescherming kan worden ingeroepen van
hogere autoriteiten, onder “verkrachting van overheidswege” moet worden
verstaan.

Volledige tekst

1. Feiten en procesverloop

1.1. eisers zijn vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw).

1.2. Eisers hebben op 21 december 1995 verzocht om toelating als vluchteling
verlening van een vergunning tot verblijf.

1.3. Bij afzonderlijke beschikkingen van 29 maart 1996, uitgereikt op 12
april 1995, heeft verweerder deze aanvragen om toelating niet ingewilligd.

1.4. op 6 mei 1996 hebben eisers tegen deze beschikking een bezwaarschrift
ingediend.

1.5 Eisers zijn op 27 september 1996 gehoord door een ambtelijke commissie.

1.6. Bij afzonderlijke beschikking van 22 november 1996 zijn eisers
bezwaarschriften ongegrond verklaard.

1.7 Op 19 december 1996 hebben eisers tegen deze beschikking beroep
ingesteld, waarmee onderhavige procedure is ingeleid.

1.8. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers
gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

1.9. verweerder heeft een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot
ongegrondverklaring van het beroep.

1.10 Het beroep is behandeld ter zitting van 26 januari 1998. Eisers zijn
aldaar verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, mr. Pondaag. Verweerder
heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. Hoffmans.

2 Samenvatting vluchtverhaal

2.1 Eisers zijn op 6 januari 1996 gehoord door een contact-ambtenaar van het
Ministerie van Justitie. Zoals blijkt uit het daarvan opgemaakt rapport van
gehoor, heeft eiser onder meer – zakelijk weergegeven – het navolgende
verklaard: Eisers zijn Koerden. Zij hebben deswege problemen ondervonden. De
Koerden worden onderdrukt. Militairen kwamen bij hen thuis en vielen hen
lastig. Uit voorzorg hebben zij Turkije verlaten. Eiser is nimmer politiek
actief geweest. Hij is wel drie keer gearresteerd. De eerste keer, eind 1993,
is hij samen met een vriend in Ankara aangehouden omdat zij Koerdische
cassettes en sigaretten verkochten. Zij werden 24 uur vastgehouden en
vervolgens zonder voorwaarden vrijgelaten. Hoewel dit niet was gezegd, weet,
eiser dat hij was aangehouden omdat hij Koerd was. In november 1994 is hij,
toen hij in een koffiehuis was, voor de tweede keer gearresteerd. De
aanleiding voor deze arrestatie was dat één van de aanwezigen in het
koffiehuis aan een militair vroeg waarom hij hen uitschold voor “vieze
Koerden”. Eiser werd met vijf anderen meegenomen, verhoord en vervolgens
zonder voorwaarden vrijgelaten. Tijdens het verhoor is hij bespuugd en
uitgescholden. Eisers derde arrestatie vond plaats in maart 1995. Hij was
toen bij zijn buurman om hem te condoleren met de dood van zijn dochter. Zij
was in 1994 verdwenen en in maart 1995 gedood door onbekende militairen. Het
huis werd omsingeld door militairen. Eiser en de andere vijf aanwezige mannen
werden meegenomen. Nadat hij de volgende ochtend was verhoord over de reden
van zijn aanwezigheid in het huis van zijn buurman, is hij zonder voorwaarden
vrijgelaten. Eiser heeft Turkije op 2 juni 1996 verlaten. Hij is via
Nederland naar Duitsland gegaan, alwaar hij asielverzoek heeft ingediend. Hij
is door de Duitse autoriteiten overgedragen aan Nederland.
Eiseres heeft het volgende verklaard: Eiseres weet dat haar man een aantal
keren is aangehouden maar zij is alleen op de hoogte van zijn arrestatie in
Ankara en die bij de buren. De PKK heeft bij eisers om voedsel gevraagd.
Eisers hebben aan dit verzoek voldaan. De militairen zijn nadien twee of drie
keer bij eiseres aan de deur geweest om te vragen waarom zij dat hadden
gedaan. Zij sloegen de kinderen, namen haar mee en verkrachtten haar. Dit was
in 1995. Eiser was bij die gelegenheden niet thuis. Eiseres heeft geen
aangifte gedaan van de verkrachtingen omdat dat zinloos zou zijn.

2.2 Eisers hebben het verslag van hun nader gehoor bij brief van 15 januari
1995 aangevuld en gecorrigeerd. Zij hebben daarin – onder meer – aangegeven
dat zij niet politiek actief waren maar dat zij wel steun verleenden aan de
PKK, onder meer door voedsel te geven. Dit was ook bekend. Het leger oefende
een steeds grotere druk uit op de Koerdische bevolking. De Koerden en ook
eisers werden nauwlettend in de gaten gehouden en wel zodanig dat zij wisten
wanneer eiser niet thuis was en eiseres dus een makkelijk slachtoffer was.
Eiseres heeft haar man niet precies verteld wat er met haar is gebeurd maar
denkt dat hij waarschijnlijk wel een vermoeden heeft. Nadat het Koerdische
buurmeisje vermoord was teruggevonden, eiser diverse keren was gearresteerd
en eiseres was verkracht en vernederd, hebben zij besloten Turkije te
verlaten.

3 standpunt van eisers

3.1. Eisers hebben aan de inleidende aanvragen en de hoofdzaak ten grondslag
gelegd, dat zij in aanmerking komen voor de vluchtelingenstatus danwel voor
een vergunning tot verblijf.

3.2. Net als in de primaire beschikking, is de betreden beschikking geen
aandacht besteed aan de reactie van eisers op het kernoverwegingsformulier.
Evenmin wordt in de beschikking ingegaan op hetgeen hieromtrent in bezwaar is
aangevoerd. Tijdens de hoorzitting bij de ambtelijke commissie waren er
ernstige problemen met de tolk. Hij beheerste het Nederlands zo slecht dat
hij nauwelijks te begrijpen was. Er kan getwijfeld worden of hij de vragen
van de leden van de hoorcommissie goed heeft overgebracht aan eisers. In
ieder geval blijkt uit het verslag dat eisers vaak niet echt antwoord hebben
gegeven op de gestelde vragen. Ten aanzien van de beschikking van eiser
hebben eisers aangevoerd dat de constatering, dat eiser geen problemen heeft
ondervonden na zijn laatste arrestatie, juist is, maar dat deze constatering
niet de conclusie rechtvaardigt dat eiser niet voor vervolging te vrezen had.
Niet de feitelijke vervolging maar de vrees voor vervolging is het criterium
voor vluchtelingschap. Deze vrees was er en was bovendien gerechtvaardigd
gelet op zijn drie arrestaties. Verweerder heeft gesteld dat eiser zich niet
zodanig voor de Koerdische zaak heeft ingezet dat hij zich naar het oordeel
van de Turkse autoriteiten heeft schuldig gemaakt aan separatistische
activiteiten. Nergens blijkt waar deze bewering op is gestoeld. Bovendien is
niet de mate waarin iemand zich heeft ingezet van belang, maar juist de
betekenis die aan die activiteiten in het land van herkomst wordt toegekend.
Verweerder heeft (weer) ten onrechte gesteld dat de correcties en
aanvullingen niet van hetzelfde belang zijn als hetgeen hij hierover eerder
in de procedure heeft aangevoerd. Tot slot heeft verweerder, met verwijzing
naar het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken d.d. 2 juli
1996, ten onrechte gesteld dat ervoor eiser een binnenlandse
vluchtalternatief bestaat. Echter, reeds uit dit ambtsbericht blijkt dat dit
vestigingsalternatief er niet is voor mensen die, zoals eiser, worden
verdacht van banden met de PKK. Onafhankelijke
organisaties zoals Amnesty International en de UNHCR, delen de mening van
voornoemd Ministerie niet, dat er alleen geen binnenlands vluchtalternatief
bestaat als er sprake is van een strafrechtelijk vervolging wegens
separatistische activiteiten.
Ten aanzien van de beschikking van eiseres is aangevoerd dat uit de
telefonische notitie d.d. 22 maart 1996 blijkt dat de verklaringen van
eiseres ten aanzien van haar verkrachtingen en mishandelingen consistent (en
dus geloofwaardig} worden bevonden. Daarmee staat vast dat deze sexuele
mishandelingen hebben plaatsgevonden. Aan dit feit is in de gehele procedure
ook veel aandacht besteed. In de bestreden beschikking wordt hier evenwel met
geen woord aan gerefereerd. De bestreden beschikking kan derhalve niet in
stand blijven wegens een motiveringsgebrek en wegens het feit dat niet met
alle feiten en omstandigheden rekening is gehouden.

4 standpunt van verweerder
4.1. Verweerder heeft terzake gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd
als bovenvermeld.

5.Overwegingen
5.1. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking
van 22 November 1996 toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels
kunnen doorstaan.

5.2. Op grond van artikel 15 Vw in samenhang met artikel 1(a) van het Verdrag
van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die
afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor
vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun
nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde
sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

5.3. Voorop gesteld moet worden dat de algemene en mensenrechtensituatie in
Turkije, hoewel niet rooskleurig, niet is dat vreemdelingen afkomstig uit dat
land in het algemeen, en personen afkomstig uit de Koerdische bevolkingsgroep
in het bijzonder, zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt.
Eisers zullen derhalve, om voor toelating als vluchteling in aanmerking te
kunnen komen, aannemelijk moeten maken, dat met betrekking tot hen
persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan vrees voor
vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin gerechtvaardigd is.

5.4. Ten aanzien van eisers asielrelaas overweegt de rechtbank het volgende.
Eiser is drie keer gearresteerd. Twee keer is hij dezelfde dag vrijgelaten en
de derde keer meteen de volgende dag. Er zijn door de Turkse autoriteiten
geen voorwaarden verbonden aan zijn vrijlating. Bovendien is eiser de tweede
en derde keer niet gearresteerd vanwege zijn eigen activiteiten maar omdat
hij toen toevallig ergens aanwezig was. Op geen enkele wijze is gebleken dat
de Turkse autoriteiten op de hoogte waren van zijn steun aan of sympathie
voor de PKK of dat zij hem daarvan verdachten. Tijdens zijn verhoren is
nimmer gevraagd naar zijn banden met de PKK. Voorts heft eiser in de periode
tussen zijn laatste arrest in maart 1995 en zijn vertrek uit Turkije in juni
1995, geen problemen ondervonden van de zijde van de Turkse autoriteiten.
Naat het oordeel van de rechtbank duiden al deze feiten en omstandigheden er
niet op dat eiser persoonlijk, vanwege (vermeende) banden met PKK of om enige
andere reden, in de bijzondere negatieve belangstelling stond van de Turkse
autoriteiten. Eiser kan derhalve niet worden aangemerkt als vluchteling. De
omstandigheid dat eiser drie keer is gearresteerd is hiertoe onvoldoende,
mede gelet op het feit dat- zoals hierboven is overwogen- deze arrestaties
geen verband hielden met zijn politieke activiteiten of zijn afkomst. Tot
slot wordt overwogen dat, nu op geen enkele wijze is gebleken dat eiser wordt
verdacht van banden met de PKK, op basis van het ambachtsbericht van het
Ministerie van Buitenlandse Zaken d.d. 2 juli 1995 en op basis van informatie
van onafhankelijk mensenrechtenorganisaties- moet worden aangenomen dat er
voor hem een binnenlands vluchtalternatief bestond.
Ten aanzien van het asielrelaas van eiseres overweegt de rechtbank het
volgende.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij problemen heeft ondervonden van de zijde van
Turkse autoriteiten omdat bekend was geworden dat zij hulp had geboden aan de
PKK. Zij heeft gesteld dat militairen naar aanleiding hiervan haar inboedel
hebben vernield, haar kinderen hebben geslagen en haar hebben verkracht. De
rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de verklaringen van
eiseres omtrent deze gebeurtenissen zodanige discrepanties vertonen dat daar
geen geloof aan kan worden gehecht. Ook is niet gebleken van andere redenen
om aan het waarheidsgehalte van haar asielrelaas te twijfelen. Desgevraagd
heeft verweerder ter zitting aangegeven dat niet wordt betwijfeld dat de
verkrachtingen van eiseres hebben plaatsgevonden. Gelet op hetgeen bekend is
over de houding die Turkse autoriteiten in het algemeen aannemen ten opzichte
van Koerden, valt bepaald niet uit te sluiten dat eiseres tegen de
misdragingen van de Turkse militairen niet de bescherming had kunnen inroepen
van andere, hogere, Turkse autoriteiten. Dit geldt met name nu, zoals eiseres
heeft verklaard, vele andere Koerdische vrouwen in haar dorp door militairen
sexueel werden misbruikt. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de
verkrachtingen van eiseres niet aangemerkt kunnen worden als een op haar
persoon gerichte daad van vervolging. Gelet op het feit dat zij niet de enige
vrouw in het dorp was die werd verkracht, is het niet aannemelijk dat de
verkrachting niet verband hield met haar steun aan de PKK. Eiseres kan
derhalve geen geslaagd beroep doen op vluchtelingschap.

5.5. Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat niet
aannemelijk is geworden dat eisers gegronde reden hebben te vrezen voor
vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

5.6 Op grond van het voorgaande is het eveneens niet aannemelijk geworden dat
eisers een reëel risico lopen om bij gedwongen verwijdering naar Turkije te
worden blootgesteld aan een behandeling waartegen artikel 3 EVRM bescherming
beoogt te bieden.

5.7 Eisers hebben aangevoerd dat eiseres is getraumatiseerd vanwege haar
ervaringen in Turkije. Ter zitting is komen vast te staan dat niet wordt
betwist dat de verkrachting hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft ter
zitting desgevraagd dat verkrachtingen onder omstandigheden kan leiden tot
verlening een tot verblijf op grond van het traumata-beleid, zoals neergelegd
in de werkinstructie nr. 31, doch dat eiseres geen geslaagd beroep ken doen
op dit beleid aannemelijk heeft gemaakt dat zij zodanig is getraumatiseerd,
dat niet van haar gevergd dat zij naar Turkije terugkeert.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres reeds vanaf haar binnenkomst in
Nederland heeft aangegeven dat zij is verkracht, dat zij zich daarvoor
schaamt, dat dit een schande is en dat zij zich sindsdien weinig meer kan
herinneren. In de bestreden beschikking is geen enkele overweging gewijd aan
eiseresses verkrachtingen en niet is gebleken dat verweerder ten tijde van
het slaan van de beschikking heeft getoetst aan het traumatabeleid. De
bestreden beschikking lijdt derhalve aan een motiveringsgebrek en dient
vernietigd te worden. In dit verband wordt nog overwogen dat eiseres, gelet
de verklaringen die zij tijdens de gehele procedure heeft afgelegd omtrent
haar gemoedstoestand, aannemelijk heeft gemaakt dat zij ernstig is
getraumatiseerd. De omstandigheid dat zij zich daarvoor niet onder psychische
behandeling heeft willen stellen doet daar niet aan af.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres op grond van het
traumatabeleid voor toelating in aanmerking zou kunnen komen. Hiertoe wordt
het volgende overwogen. In werkinstructie nr. 31 wordt opgemerkt dat de
traumatische ervaring in beginsel aanleiding moet zijn voor het vertrek.
Eisers hebben aangevoerd dat de mishandelingen en verkrachtingen mede
aanleiding waren om het land te verlaten. Eiser heeft gesteld dat zijn vrouw
grote druk op hem heeft uitgeoefend om Turkije te verlaten. Voorts staat in
de werkinstructie “verkrachting van overheidswege” vermeld als één van de
traumatische ervaringen die aanleiding kunnen zijn om iemand in het bezit te
stellen van een vergunning tot verblijf. Nu eiseres is verkracht door
militairen heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, ter zitting
ten onrechte gesteld dat het in casu niet ging om verkrachting van
overheidswege. Het is niet aannemelijk dat onder ‘verkrachting van
overheidswege’ alleen moet worden verstaan dat deze plaatsvinden op
instigatie van de Turkse autoriteiten. doch dat daar ook verkrachting door
een vertegenwoordiger van de overheid. waartegen niet de bescherming kan
worden ingeroepen van hogere autoriteiten. onder moet worden verstaan. Dit is
in casu aannemelijk. Tot slot is er geen sprake van één of meerdere van de in
de werkinstructie genoemde contradicties.
Niet is gebleken van overige klemmende redenen van humanitaire aard of andere
gronden die voor eiser een redelijke kans op verlening van een vergunning tot
verblijf bieden. Indien eiseres in het bezit wordt gesteld van een
verblijfsvergunning, kan hij een aanvraag indienen voor een vergunning tot
verblijf bij echtgenote.

5.8. Gelet op het voorgaande, is het beroep van eiser ongegrond. Het beroep
van eiseres is evenwel gegrond, zodat de door haar bestreden beschikking
vernietigd dient te worden.

5.9. Nu het beroep van eiseres gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank
aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres.

6. Beslissing
De rechtbank:
– verklaart het beroep van eiseres ongegrond;
– verklaart het beroep van eiseres gegrond; – vernietigt de beschikking d.d.
22 November 1996 die betrekking heft op eiseres;
– verstaat dat verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen, opnieuw op eiseresses bezwaarschrift beslist;
– veroordeelt de Staat der Nederlanden om aan eiseres het door haar betaalde
griffierecht van ƒ 50 te vergoeden;
– veroordeelt de Staat der Nederlanden om de proceskosten van eiseres ad ƒ
11.420 te vergoeden, welk bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb
jo artikel 57b Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering moet worden voldaan
aan de griffier van deze rechtbank.

Rechters

Mr Blomsma

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 9 februari 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een Marokaanse vrouw heeft op basis van een tijdelijk contract drie jaar
voor een bedrijf gewerkt. Haar contract is niet verlengd. Volgens de vrouw
hangt dit samen met haar Marokkaanse afkomst. De Commissie oordeelt dat
voldoende aannemelijk is gemaakt dat aan besluit tot niet verlening een
zakelijke afweging ten grondslag lag. Het bedrijf is echter niet zorgvuldig
geweest in haar communicatie met de vrouw, waardoor zij wel deze indruk
kon krijgen. De Commissie beveelt aan dat het bedrijf aan de vrouw desgewenst
ondersteunt in een loopbaanontwikkeling die perspectief biedt op een aanstelling.
Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 18 maart 1997 verzocht mevrouw (….) te Weert (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling
haar oordeel uit te spreken over de vraag of het College van Burgemeester
en Wethouders van de Gemeente Tegelen te Tegelen (hierna: de wederpartij)
onderscheid op grond van ras heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster heeft op basis van een tijdelijk contract drie jaar bij
de wederpartij gewerkt. Haar contract is niet verlengd. Volgens verzoekster
hangt dit samen met haar Marokkaanse afkomst en heeft de wederpartij hiermee
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en heeft een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen. Deze hebben hun
standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op
4 november 1997. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de verzoeker
– mw. (….) (verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (hoofd Personeel en Organisatie)
– dhr. (….) (chef afdeling Welzijn, Sport en Recreatie)
– mw. (….) (personeelsfunctionaris)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Na de zitting heeft de wederpartij nog een aantal stukken overgelegd
die in het onderzoek van de Commissie zijn betrokken. Het oordeel is vastgesteld
door Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een gemeente met circa 20.000 inwoners.
De wederpartij voert een voorkeursbeleid voor personen van allochtone afkomst.
Van het personeelsbestand van de wederpartij is een gering percentage van
allochtone afkomst.

3.2. Verzoekster is op 1 januari 1993 bij de wederpartij in dienst getreden
voor 20 uur per week. Verzoekster had een tijdelijk contract voor de duur
van drie jaar dat afliep op 31 december 1995. Zij vervulde de functie van
integratiemedewerker bij de afdeling Welzijn, Sport en Recreatie (hierna:
de afdeling WSR) van de dienst Burgerzaken. Deze functie was een nieuw
gecreëerde, bovenformatieve functie met als doel meer aandacht te besteden
aan de integratie van mensen van allochtone afkomst in de gemeente. De
wederpartij had namelijk het integratiebeleid als politieke prioriteit
gesteld. Verzoekster, van Marokkaanse afkomst, is aangenomen na een intensieve
sollicitatieprocedure.

3.3. De functieomschrijving van verzoekster bestond zowel uit uitvoerende
als beleidsvoorbereidende werkzaamheden.
Gedurende de eerste twee jaren van haar aanstelling heeft het accent gelegen
op de uitvoerende werkzaamheden, zoals voorlichting, contacten leggen met
allochtone organisaties en met autochtonen en het activeren van projecten.
In de loop van 1995, het derde jaar van haar aanstelling, kwamen de beleidsmatige
aspecten van de functie naar voren, omdat het evaluatierapport van het
integratiebeleid ten behoeve van de gemeenteraad opgesteld diende te worden.
Hiertoe diende allereerst een inventarisatie van de diverse programma’s
en projecten gemaakt te worden die werden uitgevoerd of gesteund door de
wederpartij. Hiermee heeft verzoekster voorjaar/zomer 1995 een aanvang
gemaakt.

3.4. Destijds is besloten dat na drie jaar, in december 1995, een evaluatie
van het integratiebeleid plaats zou vinden door de gemeenteraad. Voortzetting
van de halve formatieplaats van de integratiemedewerker zou worden gekoppeld
aan deze evaluatie. Deze evaluatie heeft in december 1995 niet plaatsgevonden
omdat het evaluatierapport nog niet volledig gereed was, maar is uiteindelijk
verschoven naar juni 1996. Ten behoeve van de continuïteit van een aantal
werkzaamheden is de halve formatieplaats tijdelijk voortgezet tot -in ieder
geval- april 1996. Op grond van het raadsbesluit in juni 1996 is de functie
van integratiemedewerker gewijzigd in de functie ‘beleidsmedewerker Welzijn,
Sport en Recreatie’. Ten opzichte van de functie van integratiemedewerker,
die verzoekster uitoefende, is sprake van een verschuiving van uitvoerende
werkzaamheden naar een meer beleidsmatig en breder takenpakket.
Voor deze functie is een vrouw van Nederlandse afkomst aangesteld voor
32 uur per week.

3.5. Met verzoekster zijn twee functioneringsgesprekken gevoerd, namelijk
op 6 oktober 1993 en op 13 november 1995. Van deze gesprekken zijn verslagen
gemaakt. Daarnaast is met verzoekster regelmatig werkoverleg gevoerd. In
1995 zijn op 10 mei, 31 oktober en 1 november werkbesprekingen gevoerd.
Hiervan zijn geen verslagen gemaakt.
Bij het functioneringsgesprek van 6 oktober 1993 was behalve verzoekster
de chef afdeling WSR aanwezig. Het functioneren van verzoekster is in dit
verslag, met uitzondering van enkele aandachtspunten zoals de schriftelijke
taalvaardigheid en de ordening van haar werkzaamheden, overwegend positief.
In het verslag van dit gesprek zijn geen opmerkingen gemaakt over beleidstaken.
Het verslag van dit gesprek is door verzoekster en de chef afdeling WSR
ondertekend. De directeur heeft het verslag voor gezien ondertekend.
In 1994 is geen functioneringsgesprek met verzoekster gehouden.
Bij het functioneringsgesprek van 13 november 1995 waren behalve verzoekster
aanwezig de chef van de afdeling WSR en een functionaris van de Stichting
Symbiose. Laatstgenoemde nam deel aan het gesprek, omdat hij als lid van
de stuurgroep integratiebeleid betrokken was bij de definiëring en personele
invulling van de functie medewerker integratiebeleid.
Het verslag van dit gesprek is niet door verzoekster ondertekend.

3.6. Ten tijde van haar aanstelling was verzoekster bezig met haar HBO-opleiding
Sociale Academie. Deze opleiding heeft zij medio 1995 met succes afgerond.
Zij heeft aan de chef WSR in de loop van het najaar 1995 enkele malen te
kennen gegeven graag de opleiding ‘ambtenaar welzijnsbeleid’ aan de Bestuursacademie
te willen gaan volgen om zich zodoende te bekwamen voor de functie van
beleidsmedewerker. De chef WSR heeft hierop negatief beslist door deze
aanvraag niet in het opleidingsplan op te nemen.
Bij brief van 21 december 1995 is aan verzoekster formeel medegedeeld dat
haar aanstelling niet verlengd werd, nadat dit op 6 december 1995 reeds
mondeling aan haar was medegedeeld. Verzoekster heeft zich na 6 december
ziek gemeld. De wederpartij heeft schriftelijk aangeboden verzoekster ondersteuning
te bieden bij haar verdere loopbaanontwikkeling. Ook heeft de wederpartij
aan haar meegedeeld dat als er een passende functie vacant zou komen, zij
verzoekster hiervan op de hoogte zou stellen en haar zou uitnodigen om
te solliciteren. In november 1996 heeft verzoekster de wederpartij verzocht
de beslissing om haar aanstelling niet te verlengen te heroverwegen en
haar in aanmerking te laten komen voor de functie van beleidsmedewerker
Welzijn, Sport en Recreatie. Deze vacature was toen echter al vervuld.

De standpunten van partijen

3.7. Verzoekster stelt het volgende.

Zij is van mening dat haar Marokkaanse afkomst een rol heeft gespeeld bij
het besluit om haar aanstelling niet te verlengen.
Dit blijkt volgens haar uit het feit dat een Nederlandse mannelijke collega
al na een jaar een vaste aanstelling kreeg voor de functie van medewerker
Welzijn, Sport en Recreatie, terwijl hij geen HBO-diploma bezat en ook
geen beleidservaring had. Deze collega kwam binnen als banenpooler en heeft
alle ondersteuning gekregen, waardoor het voor hem mogelijk was een vaste
aanstelling bij de wederpartij te verkrijgen. Ook is een tijdelijke kracht
een project toegewezen in het najaar van 1995, waarvoor verzoekster graag
in aanmerking zou zijn gekomen, mede omdat dit project nog zou doorlopen
na 1 januari 1996.

Door de chef van de afdeling WSR zijn verwachtingen gewekt over de voortzetting
van verzoeksters dienstverband. Pas in november 1995, vlak voor het verstrijken
van de aanstellingstermijn, heeft de chef van de afdeling WSR hieromtrent
twijfels geuit. Hierbij heeft hij aangegeven dat het onzeker was of de
functie van verzoekster in 1996 zou worden voortgezet.
Het raadsbesluit met betrekking tot de voortzetting van de functie van
integratiemedewerker is bewust door de wederpartij vertraagd om haar eruit
te werken.

Toen verzoekster medio 1995 de opdracht kreeg om een inventarisatie te
maken voor de evaluatienota van het integratiebeleid heeft de chef van
de afdeling WSR niet aangegeven dat dit belangrijk was. Ook is haar niet
gezegd dat aan deze opdracht prioriteit moest worden geven ten opzichte
van haar andere werkzaamheden. Er is niet afgesproken op welke termijn
het gereed zou moeten zijn. Zij heeft dan ook haar andere werkzaamheden
in gelijke mate voortgezet.

3.8. De wederpartij brengt het volgende naar voren.

De gemeente streeft er in zijn algemeenheid naar om meer allochtonen in
dienst te nemen. In alle personeelsadvertenties worden etnische minderheden
nadrukkelijk uitgenodigd om te solliciteren. De aanstelling van verzoekster
is hier een voorbeeld van.

Aan medewerkers van de gemeente, of zij nu in tijdelijke of vaste dienst
zijn, worden kansen geboden om zich in hun functie waar te maken en als
de gelegenheid zich voordoet naar andere functies door te stromen. Ook
via werkbegeleiding en scholing wordt dit nagestreefd. Dit heeft ook gegolden
voor verzoekster. De werkbegeleiding ten aanzien van haar was zelfs intensiever
dan bij andere medewerkers het geval was.

Verzoekster was al voordat het schriftelijk kenbaar was gemaakt, ervan
op de hoogte dat haar aanstelling niet verlengd zou worden. In de gesprekken
die in oktober en november 1995 met haar zijn gevoerd, is door de chef
afdeling WSR aangegeven dat hij verzoekster niet voldoende toegerust achtte
om de beleidsmatige taken uit te voeren. De concrete aanleiding voor die
vaststelling was het feit dat in de loop van 1995 verzoekster -ondanks
de ondersteuning en werkbegeleiding die haar was geboden- niet in staat
was gebleken een belangrijke beleidsmatige opdracht in redelijke mate van
zelfstandigheid te kunnen uitvoeren. Het ging hierbij om de inventarisatie
van het gemeentelijk integratiebeleid en het formuleren van toekomstige
beleidslijnen. Uit de wijze van vervulling van deze taak, was gebleken
dat niet verwacht kon worden dat verzoekster naar het beleidswerk kon toegroeien.
Bovendien was er op de betreffende afdeling weinig ruimte voor een langdurig
groeitraject. De wederpartij zocht iemand die voldoende gekwalificeerd
was om de functie binnen overzienbare tijd op het gewenste niveau en in
voldoende mate van zelfstandigheid kon uitvoeren.

De wederpartij verwijst hierbij naar het verslag van het functioneringsgesprek
van 13 november 1995. Dit verslag vermeldt overigens dat van een duidelijke
sturing en coördinatie van de adviesgroep integratiebeleid te beperkt sprake
was geweest.
De chef van de afdeling WSR had de ervaring dat verzoekster sterk was in
de presentatie naar buiten toe en in meer praktische werkzaamheden, maar
minder sterk in beleidsmatige werkzaamheden.
Bij de beoordeling van verzoekster speelde mee dat de vervolgfunctie anders
van inhoud zou worden dan tot dan toe het geval was. Nieuwe ontwikkelingen
en regelingen zouden vragen om sterke kwaliteiten op het gebied van de
beleidsvoorbereiding en
-uitvoering. Door de chef afdeling WSR en de directeur van de dienst Burgerzaken
is na een periode van wikken en wegen geoordeeld dat het niet verantwoord
zou zijn verzoekster op die nieuwe functie te plaatsen.

De wederpartij spreekt tegen dat het raadsvoorstel, waarin toestemming
werd gevraagd de nieuwe functie te vervullen, zou zijn vertraagd. Het voorstel
daaromtrent is behandeld in een raadscommissie van de wederpartij van 6
december 1995. Deze commissie stemde echter niet in met het voorstel, omdat
een brede evaluatie van het integratiebeleid ontbrak. In juni 1996 kwam
deze nota wel beschikbaar. Op basis hiervan heeft de gemeenteraad besloten
een formatie “beleidsmedewerker Welzijn, Sport en Recreatie” te creëren,
met als hoofdaccent het integratiebeleid. Ongeveer de helft van de uitvoerende
en voorlichtende taken van de functie die verzoekster uitoefende, zijn
opgenomen in de nieuwe functie. Daarnaast is er een aantal nieuwe werkzaamheden
bijgekomen, naast meer beleidsvoorbereidende taken. Vervolgens is een sollicitatieprocedure
gestart die heeft geleid tot een benoeming.

Door de sollicitatiecommissie is nog eens expliciet de eventuele kandidatuur
van verzoekster overwogen, maar op grond van de ervaringen met verzoekster
is besloten dat zij hiervoor niet in aanmerking kwam.

Verzoekster maakt ten onrechte een vergelijking tussen haarzelf en de mannelijke
collega van Nederlandse afkomst op de afdeling WSR. In de eerste plaats
vervult die medewerker geen beleidsfunctie, maar de functie uitvoerend
medewerker afdeling WSR. In deze functie zijn met name administratieve
taken opgenomen. Deze functie is gewaardeerd op niveau zes, waarvoor een
opleiding op MBO-niveau wordt gevraagd. De functie van beleidsmedewerker
Welzijn, Sport en Recreatie is op niveau acht gewaardeerd. Voor deze functie
is een HBO-opleiding vereist. Aangezien de wederpartij tevreden was over
het werk van de collega, is hij in vaste dienst aangenomen. De tijdelijke
kracht die belast is voor het project waar verzoekster naar verwijst, was
aangenomen ter vervanging van een zieke collega. Deze tijdelijke kracht
had nog wel ruimte voor dit project, terwijl verzoekster geen ruimte meer
had om extra werkzaamheden op zich te nemen. Daarnaast viel het project
onder een functie die een schaal hoger lag dan die van verzoekster.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1 In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
op grond van ras heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
door haar dienstverband niet te verlengen.

4.2. Artikel 5 lid 1 sub b Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) juncto
artikel 1 AWGB verbiedt onder meer het maken van onderscheid op grond van
ras bij het aangaan en het beëindigen van een arbeidsverhouding. Het besluit
om een tijdelijke aanstelling niet te verlengen is aan te merken als een
besluit betreffende het aangaan van een arbeidsverhouding (Zie onder meer
Commissie gelijke behandeling,22 november 1996, oordeel 96-106. Zie ook
Kamerstukken II, 1991/92, 22014, nr. 5 blz. 80.).

Het begrip ras in de AWGB moet ruim worden uitgelegd, overeenkomstig de
definitie in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm
van rassendiscriminatie en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad. Ras omvat tevens: huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming.
(Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.)

Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie is niet alleen sprake van
een door de wet verboden onderscheid wegens ras als deze grond de enige
aanleiding vormt voor een ongelijke behandeling, maar tevens als deze grond
mede aanleiding vormt tot een ongelijke behandeling. (Zie onder meer Commissie
gelijke behandeling, 19 augustus 1997, oordeel 97-91.)

4.3. Ten aanzien van de in het geding zijnde vraag overweegt de Commissie
het volgende.

Verzoekster stelt dat haar afkomst een rol heeft gespeeld bij het besluit
van de wederpartij om haar tijdelijke aanstelling niet te verlengen. De
wederpartij voert twee redenen aan voor dit besluit. Enerzijds is het arbeidscontract
niet verlengd omdat het contract van rechtswege afliep en er geen financiële
zekerheid bestond of de functie voortgezet kon worden vanwege het ontbreken
van een raadsbesluit daartoe. Anderzijds zou aan de functie, indien deze
zou worden voortgezet, een nieuwe invulling worden gegeven met meer beleidsmatige
taken en was gebleken dat verzoekster hiervoor niet voldoende geschikt
was.

4.4. Voor wat betreft het standpunt van de wederpartij dat het contract
van rechtswege afliep vanwege het ontbreken van financiële zekerheid, overweegt
de Commissie het volgende.
De Commissie stelt vast dat de functie van integratiemedewerker na 31 december
1995 tijdelijk is voortgezet in afwachting van het raadsbesluit over de
voortzetting en invulling van de nieuwe functie in juni 1996. In juni 1996
is hiertoe door de wederpartij positief besloten. Op grond hiervan concludeert
de Commissie dat er wel financiële middelen waren om de aanstelling van
verzoekster (tijdelijk) te verlengen. Nu de verlenging niet feitelijk onmogelijk
was, dient derhalve onderzocht te worden of de wederpartij deugdelijke
redenen had om de aanstelling niet te verlengen.

4.5. De Commissie stelt vast dat de wederpartij als reden voor het niet
verlengen van verzoeksters aanstelling heeft gegeven dat zij niet voldoende
geschikt zou zijn voor de (nieuwe) functie.Het is niet de taak van de Commissie
om te beoordelen of een werknemer geschikt is voor een functie. De taak
van de Commissie is om na te gaan of er bij de beoordeling van de (mate)
van geschiktheid onderscheid is gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling (Zie onder meer Commissie gelijke behandeling, 16 juni 1997,
oordeel 97-70.).

Daarbij wordt de beoordeling van de geschiktheid slechts in zoverre betrokken,
dat aannemelijk moet zijn dat de aanstelling van verzoekster niet is verlengd
vanwege zakelijke gronden, die uitsluitend met haar (onvoldoende) functioneren
samenhangen.

4.6. De wederpartij heeft aangegeven dat de functie van integratiemedewerker
inhoudelijk gewijzigd zou worden en dat verzoekster niet geschikt werd
geacht de beleidsmatige taken uit te voeren. De functie van integratiemedewerker
omvatte in de functieomschrijving zowel praktische, uitvoerende als beleidsmatige
werkzaamheden. Naar aanleiding van de gestelde prioriteiten door de wederpartij,
heeft verzoekster de eerste twee jaren besteed aan de praktische, meer
uitvoerende aspecten van haar taken. Uit de verklaring van de afdelingschef
blijkt dat verzoekster sterk was in de presentatie naar buiten toe en genoemde
praktische werkzaamheden. De Commissie stelt vast dat eerst in de loop
van het voorjaar (rond mei) 1995 een aanvang is gemaakt met de beleidsmatige
aspecten van de functie ten behoeve van de evaluatie-nota van het integratiebeleid.
Onomstreden is dat verzoekster weinig of geen ervaring had op het terrein
van beleidsmatige werkzaamheden. In september 1995 is de inventarisatie
door verzoekster afgerond en omstreeks oktober, november 1995 heeft de
chef van verzoekster met haar besproken dat zij niet voldoende gekwalificeerd
was voor beleidstaken.

4.7. In het functioneringsgesprek in november 1995 is dit aan de orde geweest.
Uit het verslag van dit gesprek blijkt dat de wederpartij op dit punt niet
tevreden was over het functioneren van verzoekster. In dit verslag wordt
ook verwezen naar eerdere gesprekken hieromtrent met verzoekster. Hoewel
verzoekster niet akkoord is gegaan met het verslag van dit gesprek, acht
de Commissie voldoende aannemelijk geworden dat de beoordeling van verzoekster
was gebaseerd op de wijze waarop zij de beleidstaken had uitgevoerd. Ook
is aannemelijk geworden dat de nieuwe functie van beleidsmedewerker met
name meer beleidsmatige werkzaamheden zou gaan omvatten. Dit blijkt uit
het raadsbesluit van 1996. Vaststaat dat in de eerste jaren weinig ruimte
was voor beleidstaken. Hierdoor acht de Commissie het aannemelijk dat pas
in het laatste kwartaal van 1995 geconstateerd kon worden dat verzoekster
niet geschikt werd geacht voor beleidswerkzaamheden. Zodoende is voldoende
aannemelijk dat het besluit omtrent de niet-verlenging gebaseerd was op
de geschiktheid van verzoekster voor beleidstaken.

4.8. Verzoekster heeft aangevoerd dat het negatieve oordeel over haar geschiktheid
voor de (nieuwe) functie verband hield met haar etnische afkomst. De vraag
die voorligt is of het besluit van de wederpartij om de aanstelling van
verzoekster niet te verlengen uitsluitend verband hield met de hiervoor
genoemde zakelijke gronden of dat de etnische afkomst van verzoekster daarbij
(mede) een rol heeft gespeeld.

Ter ondersteuning van haar standpunt dat zij op grond van haar afkomst
ongelijk is behandeld, voert verzoekster aan dat een Nederlandse mannelijke
collega al na een jaar een vaste aanstelling kreeg voor de functie van
medewerker Welzijn, Sport en Recreatie, terwijl hij geen beleidservaring
en geen HBO-diploma had. De wederpartij heeft hier tegen in gebracht dat
deze collega een administratieve functie op MBO-niveau uitoefende, waar
geen beleidservaring voor nodig was. Aangezien de wederpartij tevreden
was over zijn werk is hij in vaste dienst aangenomen. De Commissie acht
aannemelijk op grond van de verstrekte gegevens dat de functies van verzoekster
en de betreffende collega niet vergelijkbaar waren qua niveau en inhoud.
Dit standpunt is derhalve niet steekhoudend.

Verzoekster voert ook aan dat aan een tijdelijke kracht een project is
toegewezen waarvoor zij graag in aanmerking zou zijn gekomen. De wederpartij
heeft aangevoerd dat de tijdelijke kracht aangenomen was ter vervanging
van een zieke werknemer en nog ruimte had voor deze werkzaamheden, in tegenstelling
tot verzoekster. Daarnaast zou het project vallen onder een functie die
een schaal hoger lag dan die van verzoekster. De Commissie stelt vast op
grond van het verweer van de wederpartij dat hiermee voldoende aannemelijk
is gemaakt dat aan dit besluit een zakelijke afweging ten grondslag heeft
gelegen.

Verzoekster voert verder aan dat het raadsbesluit omtrent haar functie
bewust is vertraagd om haar eruit te werken.
De wederpartij ontkent dit en geeft als verklaring voor de vertraging dat
het ontbreken van een brede evaluatie op het gebied van het integratiebeleid
de reden was dat het raadsvoorstel omtrent de nieuwe functie niet in december
1995, maar pas een half jaar later is aangenomen. De Commissie stelt vast
dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de raadscommissie van de wederpartij
inderdaad een bredere evaluatie van het integratiebeleid wenste, die vervolgens
in juni 1996 heeft plaatsgevonden. Ook uit het feit dat de functie van
verzoekster tijdelijk is voortgezet, komt naar voren dat niet aannemelijk
is dat het besluit omtrent de functie bewust zou zijn vertraagd.

4.9. De Commissie stelt op grond van de verklaringen van partijen vast
dat de communicatie tussen de chef van verzoekster en verzoekster niet
goed is verlopen, hetgeen ook tijdens de zitting door de wederpartij is
onderkend. Ook wordt vastgesteld dat de begeleiding van verzoekster niet
optimaal is geweest. Verzoekster moest een nieuwe functie uitoefenen met
een veelomvattend takenpakket, waarbij pas in een zeer laat stadium van
haar aanstelling beleidswerkzaamheden verricht moesten worden.

De geuite opleidingswens van verzoekster om zich te scholen in beleidswerk
door het volgen van een opleiding aan de Bestuursacademie is -ongemotiveerd-
geweigerd door de chef van verzoekster. Verzoekster is pas in een laat
stadium geïnformeerd dat in de nieuwe functie het accent zou liggen op
beleidswerkzaamheden. Verder is de wederpartij niet duidelijk geweest naar
verzoekster dat de functie na 31 december 1995 tijdelijk gecontinueerd
zou worden, in afwachting van het definitieve raadsbesluit.

4.10. De Commissie concludeert op grond van de hierboven onder 4.9. geschetste
feiten en omstandigheden dat de wederpartij in de communicatie met verzoekster,
de begeleiding en beoordeling (met name door het ontbreken van een functioneringsgesprek
in 1994) niet zorgvuldig is geweest. De Commissie acht het begrijpelijk
dat deze onzorgvuldigheden verzoekster aanleiding gaven tot het standpunt
dat haar etnische afkomst een rol heeft gespeeld bij de niet-verlenging
van haar aanstelling. De Commissie is echter van oordeel dat uit het onderzoek
geen feiten naar voren zijn gekomen die daarop duiden. De Commissie acht
dan ook niet aannemelijk geworden dat bij het niet verlengen van de aanstelling
de etnische afkomst van verzoekster mede een rol heeft gespeeld.

4.11. Aanbeveling van de Commissie

De wederpartij heeft aangeboden verzoekster ondersteuning te bieden bij
haar verdere loopbaanontwikkeling. Voorts is zij voornemens verzoekster
uit te nodigen te solliciteren indien een passende functie vacant zou komen.
Tijdens de zitting is gebleken dat daar nog geen uitvoering aan is gegeven.
In het licht van het door de wederpartij gevoerde voorkeurs- en integratiebeleid
en de geringe diversiteit van het personeelsbestand bij de wederpartij,
beveelt de Commissie de wederpartij aan verzoekster desgewenst daadwerkelijk
te ondersteunen in een loopbaanontwikkeling die perspectief biedt op een
aanstelling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Burgemeester
en Wethouders van de gemeente Tegelen te Tegelen jegens mevrouw (….)
te Weert geen onderscheid naar ras heeft gemaakt, zoals verboden in artikel
5 lid 1 onder b van de Algemene wet gelijke behandeling, door haar aanstelling
niet te verlengen.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G.Nicolai (lid Kamer), dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer), mw. mr. A.K. deJongh (secretaris Kamer)

Instantie: Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 7 februari 1998

Instantie

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

Samenvatting


De niet-toekenning van reisfaciliteiten ten gunste van de persoon, van
hetzelfde geslacht, waarmee een werknemer een duurzame relatie onderhoudt,
terwijl eenn dergelijke faciliteit wel wordt toegekend ten behoeve van
de
echtgenoot van de werknemer of de persoon, van het andere geslacht, waarmee
deze een duurzame relatie onderhoudt, levert geen verboden discriminatie
op
op grond van art. 119 EG-verdrag en EG-richtlijn 75/117.
Zie ook: Conclusie AG Elmer 30 september 1997, RN 1998, 821 en Het
homoseksuele paar, hun treinkaartjes en het recht, Albertine Veldman, Nemesis
1998, p. 1 – 4.

Volledige tekst

; Arrest

1. Bij vonnis van 19 juli 1996, ingekomen bij het Hof op 22 juli
daaraanvolgend, heeft het Industrial Tribunal, Southampton, krachtens artikel
177 EG-Verdrag zes prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel
119 van dit Verdrag, richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975
betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten
inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke
en
vrouwelijke werknemers (PB L 45, blz. 19), en richtlijn 76/207/EEG van
de
Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang
tot
het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien
van de arbeidsvoorwaarden (PB
39, blz. 70).

2. Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Grant en haar werkgever,
South-West Trains Ltd (hierna: SWT), ter zake van de niet-toekenning door
laatstgenoemde van reisfaciliteiten aan de vrouwelijke partner van Grant.

3. Grant is in dienst van SWT, spoorwegonderneming van de regio Southampton.

4. Artikel 18 van haar arbeidsovereenkomst, getiteld Reisfaciliteiten,
luidt
als volgt: U heeft recht op reisfaciliteiten in de vorm van gratis reizen
en reizen tegen verlaagd tarief, zoals die op een personeelslid van uw
graad
van toepassing zijn. Uw echtgenoot en de personen te uwen laste komen
eveneens voor reisfaciliteiten in aanmerking. In geval van misbruik zullen
deze reisfaciliteiten, waarvan de toekenning ter discretie van (de werkgever)
staat, worden ingetrokken.

5. Ten tijde van de litigieuze feiten bepaalde het door de werkgever ter
uitvoering van deze clausules vastgestelde reglement (Staff Travel Facilities
Privilege Ticket Regulations) in artikel 8 (echtgenoot): Reisfaciliteiten
worden toegekend aan het gehuwde personeelslid (…) voor zijn wettige
echtgenoot, behalve indien deze van de werknemer van echt gescheiden is.
(…) Reisfaciliteiten worden toegekend voor de .common law opposite sex
spouse (de gebruikelijke uitdrukking ter aanduiding van de concubant van
het
andere geslacht) van het personeelslid (…) na overlegging van een plechtige
verklaring dat er sinds twee jaar of langer een serieuze relatie bestaat
(…).

6. Dit reglement bepaalde voorts, onder welke voorwaarden reisfaciliteiten
konden worden toegekend aan de werknemer in actieve dienst (artikelen 1-4),
de werknemer die de dienst voorlopig of definitief had beëindigd (artikelen
5-7), de overlevende echtgenoot van de werknemer (artikel 9), de kinderen
van
de werknemer (artikelen 10 en 11), alsmede de gezinsleden te zijnen
laste (artikel 12).

7. Op basis van deze bepalingen verzocht Grant op 9 januari 1995 om
toekenning van reisfaciliteiten voor de partner van het vrouwelijk geslacht
met wie zij volgens haar verklaring sinds meer dan twee jaar een serieuze
relatie had.

8. SWT weigerde de faciliteiten toe te kennen met de stelling, dat in geval
van ongehuwde personen slechts reisfaciliteiten konden worden toegekend
voor
een partner van het andere geslacht.

9. Daarop stelde Grant tegen SWT beroep in bij het Industrial Tribunal,
Southampton, met het betoog dat die weigering een met de Equal Pay Act
1970
(wet op de gelijke beloning), artikel 119 van het Verdrag en/of richtlijn
76/207 strijdige discriminatie op grond van geslacht vormde. Zij voerde
inzonderheid aan, dat de voorganger in haar ambt, een man die had verklaard
sinds meer dan twee jaar een serieuze relatie met een vrouw te hebben,
de
haar geweigerde faciliteiten wel had gekregen.

10. Het Industrial Tribunal, Southampton, was van oordeel dat het probleem
waarvoor het zich gesteld zag neerkwam op de vraag, of de niet-toekenning
van
de litigieuze faciliteiten, die gebaseerd was op de seksuele geaardheid
van
de werknemer, een discriminatie op grond van geslacht vormde in de zin
van
artikel 119 van het Verdrag en de richtlijnen op het gebied van de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen. Het wees erop, dat sommige rechterlijke
instanties in het Verenigd Koninkrijk weliswaar beslissingen hadden gegeven
waarin deze vraag ontkennend werd beantwoord, maar dat daarentegen het
arrest
van het Hof van 30 april 1996, P./S. (C-13/94, Jurispr. blz. I-2143) een
overtuigend antecedent vormde om te stellen, dat discriminatie op grond
van
seksuele geaardheid onwettig [was].

11. Daarop heeft de verwijzende rechter het Hof de volgende prejudiciële
vragen gesteld:

1) Is het (behoudens vraag 6) in strijd met het in artikel 119 EG-Verdrag
en
artikel 1 van richtlijn 75/177 van de Raad neergelegde beginsel van gelijke
beloning voor mannen en vrouwen, dat een werknemer geen reisfaciliteiten
verkrijgt voor zijn partner van hetzelfde geslacht met wie hij ongehuwd
samenleeft, wanneer dergelijke faciliteiten wel worden toegekend aan de
echtgenoot of ongehuwd samenwonende partner van het andere geslacht van
een
dergelijke werknemer?

2) Omvat discriminatie op grond van geslacht in de zin van artikel 119
ook
discriminatie op grond van de seksuele geaardheid van de werknemer?

3) Omvat discriminatie op grond van geslacht in de zin van artikel 119
ook
discriminatie op grond van het geslacht van de partner van de werknemer?

4) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, heeft de werknemer
aan wie dergelijke faciliteiten worden geweigerd dan een rechtstreeks
afdwingbare vordering krachtens gemeenschapsrecht jegens zijn werkgever?

5) Is een dergelijke weigering in strijd met de bepalingen van richtlijn
76/207 van de Raad?

6) Heeft de werkgever de mogelijkheid om een dergelijke weigering te
rechtvaardigen indien hij kan aantonen (a) dat de betrokken faciliteiten
ertoe strekken voordelen toe te kennen aan gehuwde partners of partners
die
zich in een gelijkwaardige positie als gehuwde partners bevinden, en (b)
dat
relaties tussen samenlevende partners van hetzelfde geslacht door de
maatschappij van oudsher niet werden en in de regel niet worden beschouwd
als
gelijkwaardig met het huwelijk, in plaats van zich te beroepen op een
economische of organisatorische reden in verband met het betrokken werk?

12. Gelet op het nauwe onderlinge verband tussen deze zes vragen, moeten
zij
gezamenlijk worden onderzocht.

13. In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat, naar het Hof reeds heeft
geoordeeld, reisfaciliteiten die een werkgever aan zijn voormalige
werknemers, hun echtgenoot of de personen te hunnen laste toekent uit hoofde
van de dienstbetrekking van die werknemers, beloning vormen in de zin van
artikel 119 van het Verdrag (zie, in die zin, arrest van 9 februari 1982,
Garland, 12/81, Jurispr. blz. 359, punt 9).

14. In casu staat vast, dat reisfaciliteiten die door een werkgever op
basis
van de arbeidsovereenkomst worden toegekend ten gunste van de echtgenoot
of
van de persoon, van het andere geslacht, met wie de werknemer een
buitenechtelijke duurzame relatie onderhoudt, onder artikel 119 van het
Verdrag vallen. Dergelijke voordelen vallen dus niet onder richtlijn 76/207,
vermeld in de vijfde vraag van de verwijzende rechter (zie arrest van 13
februari 1996, Gillespie e.a., C-342/93, Jurispr. blz. I-475, punt 24).

15. Uit de bewoordingen van de overige vragen alsook uit de motivering
van
het verwijzingsvonnis blijkt, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen,
of de weigering door een werkgever om reisfaciliteiten toe te kennen ten
gunste van de persoon, van hetzelfde geslacht, met wie de werknemer een
duurzame relatie onderhoudt, een door artikel 119 van het Verdrag en
richtlijn 75/117 verboden discriminatie vormt, wanneer die faciliteiten
wel
worden toegekend ten gunste van de echtgenoot van de werknemer of de persoon,
van het andere geslacht, met wie de werknemer een buitenechtelijke duurzame
relatie onderhoudt.

16. Grant is in de eerste plaats van oordeel, dat die weigering een
rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht vormt. Zij betoogt dat
haar
werkgever een andere beslissing zou hebben genomen, indien de in het
hoofdgeding aan de orde zijnde faciliteiten waren opgeëist door een met
een
vrouw samenwonende man en niet door een met een vrouw samenwonende vrouw.

17. Dienaangaande betoogt Grant, dat de enkele omstandigheid dat de
mannelijke werknemer die voorheen haar ambt bekleedde, reisfaciliteiten
had
verkregen voor zijn partner van het vrouwelijk geslacht, met wie hij niet
gehuwd was, volstaat om te kunnen spreken van rechtstreekse discriminatie
op
grond van geslacht. Zij is van oordeel dat indien, bij voor het overige
gelijke omstandigheden, een vrouwelijke werknemer niet dezelfde voordelen
geniet als een mannelijke werknemer, de vrouwelijke werknemer wordt
gediscrimineerd op grond van geslacht (de zogenoemde but for test
benadering).

18. Grant betoogt vervolgens, dat de betrokken weigering een discriminatie
op
grond van seksuele geaardheid vormt, die valt onder het in artikel 119
van
het Verdrag bedoelde begrip discriminatie op grond van geslacht. Haars
inziens berusten de verschillen in behandeling op grond van seksuele
geaardheid op vooroordelen betreffende het seksuele of affectieve gedrag
van
personen van een bepaald geslacht en zijn zij in werkelijkheid gebaseerd
op
het geslacht van die personen. Zij voegt hieraan toe, dat deze uitlegging
voortvloeit uit het arrest P./S., reeds aangehaald, en beantwoordt aan
zowel
de door de communautaire instellingen vastgestelde resoluties en
aanbevelingen als de ontwikkeling van de internationale regelgeving op
het
gebied van de mensenrechten en de nationale wetgeving op het gebied van
gelijke behandeling.

19. Ten slotte betoogt Grant, dat de weigering waarvan zij het slachtoffer
is, niet objectief gerechtvaardigd is.

20. SWT, de Franse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk
zijn
van oordeel, dat de weigering van een voordeel als het thans in geding
zijnde, niet in strijd is met artikel 119 van het Verdrag. Zij betogen
in de
eerste plaats, dat het arrest P./S., reeds aangehaald, dat enkel betrekking
heeft op geslachtsveranderingen, alleen discriminaties op grond van
verandering van geslacht van een persoon gelijkstelt met discriminaties
gebaseerd op het feit dat een persoon tot een bepaald geslacht behoort.

21. Zij betogen voorts, dat het verschil in behandeling waarover Grant
klaagt, niet berust op haar seksuele geaardheid of gerichtheid, maar op
het
feit dat zij niet voldoet aan de in het reglement van de onderneming gestelde
voorwaarden.

22. Ten slotte betogen zij, dat discriminaties op grond van de seksuele
geaardheid geen discriminaties op grond van geslacht zijn in de zin van
artikel 119 van het Verdrag of richtlijn 75/117. Dienaangaande beroepen
zij
zich onder meer op de bewoordingen en de doelstellingen van dit artikel,
het
ontbreken van een consensus tussen de lidstaten over de gelijkstelling
van
duurzame relaties tussen personen van hetzelfde geslacht met duurzame
relaties tussen personen van verschillend geslacht, het ontbreken van
bescherming van die relaties uit hoofde van artikel 8 of 12 van het Verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
van
4 november 1950 (hierna: EVRM), alsmede het ontbreken van discriminatie
in de
zin van artikel 14 EVRM.

23. De Commissie is eveneens van oordeel, dat de weigering waarover Grant
klaagt, niet in strijd is met artikel 119 van het Verdrag, noch met richtlijn
75/117. Zij betoogt, dat discriminaties op grond van de seksuele geaardheid
van werknemers kunnen worden beschouwd als discriminaties op grond van
geslacht in de zin van dit artikel, maar merkt op, dat de discriminatie
waarover Grant klaagt, niet berust op haar seksuele geaardheid, maar op
de
omstandigheid dat zij niet ongehuwd of gehuwd samenleeft met een man, in
de
betekenis die het recht van de meeste lidstaten, het gemeenschapsrecht
en het
uit het EVRM voortvloeiende recht aan die begrippen geven. Zij is van
oordeel, dat onder die omstandigheden het verschil in behandeling dat
besloten ligt in het door de werkgever van Grant toegepaste reglement,
niet
in strijd is met artikel 119 van het Verdrag.

24. Gelet op de gegevens in het dossier moet allereerst worden geantwoord
op
de vraag, of een voorwaarde die geldt krachtens een door een
ondernemingvastgesteld reglement, zoals die in het hoofdgeding aan de orde
is, een rechtstreeks op het geslacht van de werknemer gebaseerde
discriminatie vormt. Bij een ontkennend antwoord op deze vraag zal vervolgens
moeten worden onderzocht, of ingevolge het gemeenschapsrecht duurzame
relaties tussen twee personen van hetzelfde geslacht door iedere werkgever
moeten worden gelijkgesteld met relaties tussen gehuwde personen of
buitenhuwelijkse duurzame relaties tussen twee personen van verschillend
geslacht. Ten slotte zal de vraag moeten worden beantwoord, of discriminatie
op basis van de seksuele geaardheid discriminatie op grond van het geslacht
van de werknemer oplevert.

25. In de eerste plaats zij erop gewezen, dat het reglement van de
onderneming waar Grant werkt, reisfaciliteiten toekent aan de werknemer,
aan
zijn “echtgenoot”, dat wil zeggen de persoon met wie hij gehuwd is en niet
van echt gescheiden is, of aan de persoon van het andere geslacht waarmee
de
werknemer sinds twee jaar of langer een “serieuze” relatie onderhoudt,
aan
zijn kinderen, aan de gezinsleden te zijnen laste en aan de langstlevende
echtgenoot.

26. De weigering aan Grant berust op de omstandigheid, dat zij niet voldoet
aan de in dat reglement gestelde voorwaarden, meer in het bijzonder, dat
zij
niet samenleeft met een “echtgenoot” of met een persoon van het andere
geslacht met wie zij sinds twee jaar of langer een “serieuze” relatie
onderhoudt.

27. Deze laatste voorwaarde, waaruit volgt dat de werknemer duurzaam met
een
persoon van het andere geslacht moet samenleven om voor de reisfaciliteiten
in aanmerking te kunnen komen, wordt, evenals overigens de andere
alternatieve voorwaarden die in het reglement van de onderneming worden
gesteld, toegepast ongeacht het geslacht van de betrokken werknemer. Zo
worden aan een mannelijke werknemer die samenleeft met een persoon van
hetzelfde geslacht, evenmin reisfaciliteiten toegekend als aan een
vrouwelijke werknemer die met een persoon van hetzelfde geslacht samenleeft.

28. Nu de in het reglement van de onderneming gestelde voorwaarde gelijkelijk
geldt voor vrouwelijke en voor mannelijke werknemers, kan zij niet worden
geacht een rechtstreeks op het geslacht gebaseerde discriminatie op te
leveren.

29. In de tweede plaats moet worden onderzocht of, wat de toepassing van
een
voorwaarde als de thans in geding zijnde betreft, personen die een duurzame
relatie onderhouden met een partner van hetzelfde geslacht, in dezelfde
situatie verkeren als gehuwden of personen die een buitenhuwelijkse duurzame
relatie hebben met een partner van het andere geslacht.

30. Grant betoogt onder meer, dat het recht van de lidstaten en dat van
de
Gemeenschap en van andere internationale organisaties de twee situaties
steeds vaker gelijkstellen.

31. Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat zo het Europees Parlement,
gelijk Grant opmerkt, inderdaad heeft verklaard iedere discriminatie op
grond
van de seksuele gerichtheid van een persoon te betreuren, zulks niet wegneemt
dat de Gemeenschap tot op heden geen regels heeft vastgesteld waarmee die
gelijkstelling tot stand wordt gebracht.

32. Wat het recht van de lidstaten betreft, in sommige lidstaten wordt
het
samenleven van twee personen van hetzelfde geslacht weliswaar, zij het
niet
volledig, gelijkgesteld met het huwelijk, maar in de meeste lidstaten wordt
het slechts voor een beperkt aantal rechten met buitenhuwelijkse duurzame
heteroseksuele relaties gelijkgesteld of geniet het generlei bijzondere
erkenning.

33. De Europese Commissie voor de rechten van de mens gaat ervan uit dat,
ondanks de hedendaagse mentaliteitsverandering ten opzichte van
homoseksualiteit, duurzame homoseksuele relaties niet vallen onder het
door
artikel 8 EVRM beschermde recht op respect van het familie- en gezinsleven
(zie, onder meer, beslissingen van 3 mei 1983, X. en Y./Verenigd Koninkrijk,
nr. 9369/81, D R 32, blz. 220; van 14 mei 1986, S./Verenigd Koninkrijk,
nr.
11716, D R 47, blz. 274, paragraaf 2, en van 19 mei 1992, Kerkhoven en
Hinke/Nederland, nr. 15666/89, niet gepubliceerd, paragraaf 1) en dat
nationale bepalingen die, met het oog op de bescherming van het gezin,
gehuwden en als man en vrouw samenlevende personen van verschillend geslacht
gunstiger behandelen dan personen van hetzelfde geslacht die een duurzame
relatie hebben, niet in strijd zijn met artikel 14 EVRM, dat onder meer
discriminaties op grond van geslacht verbiedt (zie beslissingen S./Verenigd
Koninkrijk, reeds aangehaald, paragraaf 7; van 9 oktober 1989, C. en
. M./Verenigd Koninkrijk, nr. 14753/89, niet gepubliceerd, paragraaf 2,
en
van 10 februari 1990, B./Verenigd Koninkrijk, nr. 16106/90, D R 64, blz.
278,
paragraaf 2).

34. In een ander verband legt het Europees Hof voor de rechten van de mens
artikel 12 EVRM overigens aldus uit, dat dit slechts ziet op het traditionele
huwelijk tussen twee personen van verschillend biologisch geslacht (zie
arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 17 oktober
1986, Rees, Serie A nr. 106, blz. 19, paragraaf 49, en van 27 september
1990,
Cossey, Serie A nr. 184, blz. 17, paragraaf 43).

35. Uit het voorgaande volgt dat, bij de huidige stand van het recht binnen
de Gemeenschap, duurzame relaties tussen twee personen van hetzelfde geslacht
niet worden gelijkgesteld met relaties tussen gehuwden of buitenechtelijke
duurzame relaties tussen personen van verschillend geslacht. Bijgevolg
is een
werkgever ingevolge het gemeenschapsrecht niet gehouden, de situatie van
een
persoon die een duurzame relatie heeft met een partner van hetzelfde
geslacht, gelijk te stellen met die van een persoon die gehuwd is of een
buitenechtelijke duurzame relatie heeft met een partner van het andere
geslacht.

36. In die omstandigheden kan het slechts aan de wetgever staan om, in
voorkomend geval, een op die situatie toepasselijke regelgeving vast te
stellen.

37. Ten slotte betoogt Grant, dat blijkens het arrest P./S., reeds
aangehaald, verschillen in behandeling op grond van de seksuele geaardheid
tot de ingevolge artikel 119 van het Verdrag verboden discriminaties op
grond
van geslacht behoren.

38. In voornoemde zaak moest het Hof zich uitspreken over de vraag, of
een op
geslachtsverandering van de betrokken werknemer gebaseerde ontslagmaatregel
moest worden beschouwd als discriminatie op grond van geslacht in de zin
van
richtlijn 76/207.

39. De verwijzende rechter vroeg zich namelijk af, of deze richtlijn niet
een
ruimere werkingssfeer had dan de door hem toe te passen Sex Discrimination
Act 1975 (wet betreffende discriminaties op grond van geslacht), welke
wet
zijns inziens enkel toepasselijk was op discriminaties gebaseerd op het
feit
dat de werknemer tot een bepaald geslacht behoorde.

40. In hun bij het Hof ingediende opmerkingen hadden de regering van het
Verenigd Koninkrijk en de Commissie betoogd, dat de richtlijn enkel
discriminaties verbood gebaseerd op het feit dat de betrokken werknemer
tot
een bepaald geslacht behoorde, maar niet discriminaties op grond van
geslachtsverandering van de werknemer.

41. In antwoord op dit argument overwoog het Hof, dat de bepalingen van
de
richtlijn die discriminaties tussen mannen en vrouwen verbieden, slechts
uitdrukking geven, op het beperkte gebied waarop zij van toepassing zijn,
aan
het gelijkheidsbeginsel, dat een van de grondbeginselen van gemeenschapsrecht
is. Het was van oordeel, dat deze omstandigheid tegen een restrictieve
uitlegging van het toepassingsgebied van deze bepalingen pleitte en dat
deze
ook toepassing dienden te vinden op discriminaties die op de
geslachtsverandering van de werknemer berusten.

42. Volgens het Hof waren dergelijke discriminaties in werkelijkheid
voornamelijk, zo niet uitsluitend, gebaseerd op het geslacht van de betrokken
persoon. Deze redenering, op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat
die
discriminaties evenzeer verboden dienen te zijn als discriminaties die
berusten op het feit dat een persoon tot een bepaald geslacht behoort,
met
welke discriminaties zij zeer nauw verband houden, heeft enkel betrekking
op
het geval van geslachtsverandering van een werknemer en is dus niet van
toepassing op verschillen in behandeling op grond van de seksuele geaardheid
van een persoon.

43. Grant betoogt evenwel, dat, in navolging van sommige bepalingen van
nationaal recht of van internationale verdragen, de communautaire
voorschriften op het gebied van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen
aldus moeten worden uitgelegd, dat zij ook discriminaties op grond van
seksuele geaardheid omvatten. Dienaangaande beroept verzoekster in het
hoofdgeding zich onder meer op het Internationaal verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966 (United Nations
Treaty Series, vol. 999, blz. 171), waarin, volgens de opvatting van het
krachtens artikel 28 van dit verdrag ingestelde Comité voor de rechten
van de
mens, het begrip “geslacht” zich eveneens uitstrekt tot de seksuele voorkeur
(kennisgeving nr. 488/1992, Toonen/Australië, vaststellingen gedaan op
31
maart 1994, 50e zitting, punt 8.7).

44. Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat voornoemd verdrag behoort
tot de internationale instrumenten ter bescherming van de rechten van de
mens, waarmee het Hof rekening houdt bij de toepassing van de algemene
beginselen van gemeenschapsrecht (zie, onder meer, arresten van 18 oktober
1989, Orkem/Commissie, 374/84, Jurispr. blz. 3283, punt 31, en van 18 oktober
1990, Dzodzi, C-297/88 en C-197/89, Jurispr. blz. I-3763, punt 68).

45. Evenwel zij eraan herinnerd, dat ofschoon de eerbiediging van de
fundamentele rechten die tot die algemene beginselen behoren, een voorwaarde
voor de wettigheid van gemeenschapshandelingen vormt, die rechten op zich
niet ten gevolge kunnen hebben, dat de werkingssfeer van de bepalingen
van
het Verdrag wordt uitgebreid en de grenzen van de bevoegdheden van de
Gemeenschap worden overschreden (zie, onder meer, met betrekking tot de
draagwijdte van artikel 235 van het Verdrag in verband met de eerbiediging
van de rechten van de mens, advies 2/94 van 28 maart 1996, Jurispr. blz.
I-1759, punten 34 en 35).

46. In de kennisgeving van het Comité voor de mensenrechten waarnaar Grant
verwijst, verklaart dit orgaan, dat overigens geen rechterlijke instantie
is
en waarvan de vaststellingen geen bindende juridische waarde hebben,
bovendien alleen, in zijn eigen bewoordingen en zonder bijzondere
redengeving, dat “naar zijn oordeel de verwijzing naar ‘geslacht’ in artikel
2, lid 1, en in artikel 26 moet worden geacht tevens betrekking te hebben
op
de seksuele voorkeur”.

47. Deze zienswijze, die overigens niet de uitlegging lijkt weer te geven
die
thans in
het algemeen wordt gegeven aan het begrip discriminatie op grond van
geslacht, neergelegd in diverse internationale instrumenten betreffende
de
bescherming van de fundamentele rechten, kan dus hoe dan ook voor het Hof
geen grond vormen om de draagwijdte van artikel 119 van het Verdrag te
verruimen. In die omstandigheden kan de draagwijdte van dit artikel, evenals
die van iedere andere bepaling van gemeenschapsrecht, slechts worden bepaald
aan de hand van de bewoordingen en het doel ervan alsmede de plaats in
het
systeem van het Verdrag en de juridische context van deze bepaling. Uit
de
voorgaande overwegingen blijkt, dat het gemeenschapsrecht bij zijn huidige
stand niet toepasselijk is op discriminatie op grond van seksuele geaardheid,
zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is.

48. Evenwel zij erop gewezen, dat het Verdrag van Amsterdam houdende
wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot
oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten,
getekend op 2 oktober 1997, voorziet in de invoeging in het EG-Verdrag
van
een artikel 6 A, op grond waarvan de Raad, na de inwerkingtreding van
eerstgenoemd verdrag, onder bepaalde voorwaarden (met eenparigheid van
stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees
Parlement) passende maatregelen kan nemen om diverse vormen van
discriminatie, waaronder die op grond van seksuele geaardheid, te bestrijden.

49. Ten slotte hoeft, gezien het voorgaande, niet te worden ingegaan op
het
argument van Grant, dat een weigering als die waarover zij klaagt, niet
objectief gerechtvaardigd is.

50. Bijgevolg moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat de
niet-toekenning door een werkgever van reisfaciliteiten ten gunste van
de
persoon, van hetzelfde geslacht, waarmee een werknemer een duurzame relatie
onderhoudt, terwijl een dergelijke faciliteit wel wordt toegekend ten gunste
van de echtgenoot van de werknemer of de persoon, van het andere geslacht,
waarmee deze een buitenhuwelijkse duurzame relatie onderhoudt, geen ingevolge
artikel 119 van het Verdrag of richtlijn 75/117 verboden discriminatie
oplevert.

Kosten

51. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Franse
regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening
van
hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in
aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de
procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale
rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Industrial Tribunal, Southampton, bij vonnis
van 19 juli 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De niet-toekenning door een werkgever van reisfaciliteiten ten gunste van
de
persoon, van hetzelfde geslacht, waarmee een werknemer een duurzame relatie
onderhoudt, terwijl een dergelijke faciliteit wel wordt toegekend ten behoeve
van de echtgenoot van de werknemer of de persoon, van het andere geslacht,
waarmee deze een buitenhuwelijkse duurzame relatie onderhoudt, levert geen
ingevolge artikel 119 van het Verdrag of richtlijn 75/117/EEG van de Raad
van
10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de
wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke
beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers verboden discriminatie
op.

Rechters

Mrs Rodríguez Iglesias, Gulmann Ragnemalm, Wathelet, Mancini, MoitinhodeAlmeida, Kapteyn, Murray Edward, Puissochet, Hirsch, Jann, Sevón

Instantie: Rechtbank Arnhem, 5 februari 1998

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


De rechtbank Arnhem heeft de vader veroordeeld wegens het plegen van ontucht
met zijn minderjarige dochter. Tevens is de tweede gedaagde veroordeeld voor
het plegen van ontucht met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige. De
dochter wil schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid voor
de schade die de mannen hebben veroorzaakt. De tweede gedaagde moet aan de
dochter ƒ 8.000 betalen en de rechtbank laat onderzoeken of de vader en de
dochter het eens kunnen worden.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure
De navolgende processtukken zijn achtereenvolgens uitgewisseld:
conclusie van eis overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding met acht
producties genummerd 1 tot en met 7 en 10;
conclusies van antwoord namens de vader;
conclusie van antwoord namens (…)
conclusie van repliek tevens wijziging van eis met overlegging van zes
producties;
conclusie van dupliek namens de vader;
akte tevens wijziging van eis;
akte namens (…)
De inhoud van voormelde processtukken dient als hier herhaald en ingelast te
worden beschouwd.
Partijen hebben vervolgens de stukken in handen van de rechtbank gesteld voor
het wijzen van vonnis.

2. De vaststaande feiten
De navolgende feiten zijn als enerzijds gesteld, anderzijds erkend dan wel
niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en voor zoveel nodig blijkend uit
overgelegde, door de wederpartij niet betwist bescheiden, komen vast te
staan:

2.1. Bij tegen de vader op tegenspraak gewezen vonnis van de strafkamer van
deze rechtbank van 10 november 1993 is onder andere bewezen verklaard dat hij
op tijdstippen in de periode van 12 augustus 1981 tot en met 13 mei 1989 te
Nijmegen ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter X, geboren op
14 mei 1971, hierin bestaande dat hij opzettelijk ontuchtig de borsten van
die dochter heeft betast en die dochter heeft gevingerd, zijn penis in de
vagina van die dochter heeft gebracht en zich door haar heeft laten
aftrekken. Bij datzelfde vonnis is de vader onder andere als schuldig aan het
misdrijf ‘ontucht plegen met zijn minderjarige kind’ veroordeeld tot een
gevangenisstraf van zesendertig maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk
met een proeftijd van twee jaar.
Tegen het vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.2. Bij tegen Y op tegenspraak gewezen vonnis van de strafkamer van deze
rechtbank van 27 december 1994 is bewezen verklaard dat hij in de periode van
15 september 1982 tot en met maart 1983 te Nijmegen ontucht heeft gepleegd
met de aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige X, geboren op 14 mei 1971,
hierin bestaande dat hij telkens opzettelijk ontuchtig het ontblote lichaam
van die X heeft gestreeld en de hand van die X op zijn ontblote penis heeft
gelegd en haar vervolgens trekkende bewegingen liet maken.
Bij datzelfde vonnis is Y als schuldig aan het misdrijf ‘ontucht plegen met
een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd’ veroordeeld
tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van
twee jaar, alsmede tot het verrichten van 240 uur onbetaalde arbeid ter
vervanging van zes maanden gevangenisstraf. Tegen dit vonnis is geen hoger
beroep ingesteld.

3. Het geschil
3.1 X vordert in haar inleidende dagvaarding dat de rechtbank bij vonnis
uitvoerbaar bij voorraad,
primair:
1.de vader en Y hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van de materiële en
immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de
dag der stuiting tot aan de dag der algehele voldoening, nader op te maken
bij staat;
2. de vader en Y hoofdelijk zal veroordelen in de buitengerechtelijke kosten;
3. de vader en Y hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van dit geding;

subsidiair:
1. de vader en Y ieder afzonderlijk zal veroordelen tot betaling van
materiële en immateriële schadevergoeding, nader op te maken bij staat,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der stuiting tot aan de dag
der algehele voldoening;
2. de vader en Y zal veroordelen in de buitengerechtelijke kosten
3. de vader en Y zal veroordelen in kosten van dit geding;

3.2. Bij conclusie van repliek heeft X haar eis als volgt gewijzigd:
– tot intrekking van de vordering tot schade nader op te maken bij staat;
– X vordert aan materiële schade:
– verlies aan inkomenscapaciteit ƒ 30.712,74
– buitengerechtelijke kosten ƒ 5.305,13
– immateriële schade ƒ 30.000
Totaal ƒ 66.017,87

3.3 X baseert haar vordering(en) op de stelling dat de vader jegens haar
onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij van omstreeks 1981 tot en met 1989
met haar, terwijl zij nog minderjarig was, ontucht heeft gepleegd en dat Y
jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij van omstreeks september
1982 tot maart 1983 ontucht met haar heeft gepleegd, terwijl zij aan zijn
zorgen was toevertrouwd. Als gevolg daarvan heeft zij materiële en
immateriële schade geleden.

3.4. De vader en Y hebben de vordering (en) gemotiveerd weersproken. Daarbij
heeft de vader met betrekking tot de gewijzigde eis van X gesteld dat het hem
niet duidelijk is in hoeverre de gewijzigde eis uitsluitend een primaire
vordering inhoudt of tevens een subsidiaire vordering en in hoeverre de
gewijzigde eis een hoofdelijke veroordeling bevat.

4. De beoordeling van het geschil.
Ten aanzien van de vader en Y.
4.1. Bij de beoordeling van het geschil stelt de rechtbank voorop dat
bovengenoemde strafvonnissen van 10 van 10 november 1993 en 27 december 1994
bij gebreke van hoger beroep in kracht van gewijsde zijn gegaan.
Ten aanzien van de door X gestelde onrechtmatige gedragingen van de vader en
Y levert dat vonnis thans dwingend bewijs op van de bij dat vonnis bewezen
verklaarde feiten; zulks behoudens tegenbewijs hetgeen noch door de vader
noch door Y is aangeboden.

Ten aanzien van
4.2 Aansprakelijkheid.
4.2.1. Y heeft erkend door het plegen van ontuchtige handelingen onrechtmatig
jegens X te hebben gehandeld. Hij heeft echter de aard en omvang van de door
X gestelde schade betwist.

4.3. Regeling in der minne
4.3.1. In de loop van deze procedure is tussen X en Y een regeling in der
minne tot stand gekomen en wel als volgt:
1. Y zal met ingang van 1 augustus 1997 aan X een bedrag betalen ter hoogte
van ƒ 8.000 af te lossen in maandelijkse bedragen van ƒ 100 per maand,
telkens te voldoen vóór het eerste van de maand.
2. X zal afzien van de wettelijke rente op voorwaarde dat er iedere maand
tijdig betaald wordt. Op het moment dat de betaling achterstallig wordt is de
wettelijke rente over het nog niet betaalde bedrag opeisbaar.
3. X vermindert haar eis ten opzichte van Y tot ƒ 8.000. Zij houdt hem niet
langer hoofdelijk aansprakelijk ten opzichte van de vader voor de totale
schade.
4. De proceskosten zullen worden gecompenseerd.
X en Y verzoeken de inhoud van deze regeling in een executoriale titel vast
te leggen. De rechtbank zal om die reden thans in deze zin beslissen.

Ten aanzien van de vader.

4.4. De gewijzigde eis
4.4.1. In haar conclusie van repliek heeft X uitdrukkelijk de hoofdelijke
veroordeling van de vader en Y gehandhaafd. Hieruit leidt de rechtbank af dat
de gewijzigde eis een hoofdelijke veroordeling inhoudt. Daarvan zal in het
hiernavolgende worden uitgegaan.
Met de vader is de rechtbank van oordeel dat niet duidelijk is in hoeverre de
gewijzigde eis van X zowel een primaire alsook een subsidiaire vordering
omvat.

4.5 Aansprakelijkheid.
4.5.1. Ook de vader heeft erkend dat hij door het plegen van ontuchtige
handelingen jegens X onrechtmatig heeft gehandeld.

4.6. Hoofdelijkheid.
4.6.1. X stelt dat de vader en Y hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door
haar geleden schade. Zij beroept zich daarbij op artikel 6:99 BW en verwijst
voorts naar het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 1992, NJ 1994, 535.

4.6.2. De vader ontkent dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid
omdat de feiten en omstandigheden welke ten grondslag liggen aan het hiervoor
genoemde arrest van de Hoge Raad niet op dit geval van toepassing zijn.
Voorts is hij van oordeel dat het oude recht en dus niet artikel 6: 99 BW van
toepassing is. De vader is van oordeel dat artikel 6: 98 BW in deze zaak van
toepassing is.

4.6.3. Ten aanzien van de vraag of er sprake is van hoofdelijke
aansprakelijkheid kan in het midden blijven of het ‘oude recht’ van voor 1
januari 1992 van toepassing is danwel het recht zoals dat geldt sedert 1
januari 1992 nu in beide gevallen een soortgelijke regeling hetzij op grond
van jurisprudentie en literatuur hetzij op grond van wettelijke bepalingen
gold/geldt .

4.6.4. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vader en Y in beginsel
hoofdelijk aansprakelijk aangezien: a. de vader aansprakelijk is voor een
gebeurtenis – te weten ontucht – die de gehele schade van X kan hebben
veroorzaakt;
b. ook een ander – te weten Y- aansprakelijk is voor een gebeurtenis – te
weten ontucht – die de gehele schade van X kan hebben veroorzaakt;
c. de schade van X het gevolg is van tenminste één van deze gebeurtenissen:
zowel de vader als Y erkennen dat X schade heeft geleden in verband met de
door hen gepleegde ontucht (zij het dat zij de aard en omvang daarvan
betwisten).

4.6.5. Dat de vader en Y jegens elkaar regres kunnen nemen, staat geheel los
van deze hoofdelijke verbondenheid.

4.6.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat een eventuele subsidiaire
vordering van X – voor zover deze al in de gewijzigde eis zou zijn begrepen –
niet meer door de rechtbank behoeft te worden beoordeeld.

4.7. Schade en causaal verband.
4.7.1. Zoals hiervoor onder 3.2. overwogen heeft X gesteld materiële en
immateriële schade te hebben geleden tot een totaalbedrag van ƒ 66.017,87.

4.7.2. Voor het causaal verband tussen de ontucht en de door haar geleden
materiële en immateriële schade verwijst X naar een verklaring d.d. 6 juli
1995 van B. Frenay-van Maasdam (verzekeringsgeneeskundige van het GAK) en een
verklaring d.d. 4 september 1995 van mevrouw A. Klaver van het Riagg te
Nijmegen.

4.7.3. De vader is van oordeel dat uit de door X overgelegde rapportages het
causaal verband tussen de gepleegde ontucht en de door X geleden materiële
schade onvoldoende blijkt.
Volgens de vader is de door X geleden schade hoofdzakelijk een gevolg van
fysieke klachten van X en niet van de gepleegde ontucht. Voorzover de schade
een gevolg is van psychische factoren is dit naar zijn oordeel onvoldoende
onderbouwd door medische bescheiden. Daarnaast spelen volgens de vader ook
andere factoren een rol zoals de opleiding van X en vraag en aanbod op de
arbeidsmarkt.

4.7.4. De vader erkent wel aansprakelijk te zijn voor de door X geleden
immateriële schade als gevolg van de gepleegde ontucht. Hij heeft niet
gesteld dat deze schade niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hij
zelf aansprakelijk is.
Hij acht echter het door X gevorderde bedrag arbitrair. Voorts stelt hij dat
X haar schade terzake had kunnen beperken indien zij niet voortijdig haar
therapie bij het Riagg had beëindigd. Ook is hij van oordeel dat er redelijke
gronden zijn voor matiging van de door X gevorderde schade.

4.7.5. Voor zover de rechtbank mocht oordelen dat de door X overgelegde
rapportages onvoldoende zijn voor het aannemen van het causaal verband tussen
de gepleegde en de door X geleden schade, verzoekt X de rechtbank – in het
uiterste geval en met grote terughoudendheid – een deskundige terzake te
benoemen.

4.7.6. De rechtbank is vooralsnog van oordeel dat uit de door X overgelegde
rapportages niet zonder meer het causaal verband tussen de ontucht en de door
X geleden materiële schade blijkt:
met name de – summiere – rapportage van de verzekeringsdeskundige van het GAK
geeft onvoldoende inzicht in genoemd causaal verband.
De rechtbank sluit dan ook niet uit dat terzake een deskundigenonderzoek zal
moeten plaats vinden.

4.8. Alvorens over te gaan tot een deskundigenonderzoek acht de rechtbank het
zinvol – mede gelet op het feit dat er inmiddels een regeling in der minne
tussen X en Y tot stand is gekomen – om na te gaan of ook een regeling in der
minne tussen X en de vader tot de mogelijkheden behoort.
Daartoe zal een comparitie van partijen worden bepaald. Partijen dienen
tijdens deze comparitie nadere inlichtingen te verstrekken in het bijzonder
met betrekking tot de omvang van de door X geleden schade en hetgeen
daartegen als verweer is aangevoerd.

4.9. Aan X en de vader wordt verzocht om uiterlijk twee weken tevoren in
fotocopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden stukken
waarop zij tijdens de comparitie nog een beroep willen doen. De vader dient
in ieder geval gegevens omtrent zijn inkomsten en lasten over te leggen.

4.10. Hoger beroep zal worden beperkt zoals hierna weer te geven. Iedere
verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing.
De rechtbank rechtdoende,
Ten aanzien van Y
5.1.
– Veroordeelt Y, om met ingang van 1 augustus 1997 aan X tegen behoorlijk
bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van ƒ 8.000 (achtduizend gulden) af
te lossen in 80 maandelijkse termijnen van ƒ 100, te voldoen voor de eerste
van iedere maand, voor het eerst ingaande 1 augustus 1997.
– Bepaalt dat X zal afzien van de wettelijke rente op voorwaarde dat er
iedere maand door Y tijdig betaald wordt.
– Bepaalt dat ingeval van niet tijdige betaling Y de wettelijke rente
verschuldigd is over het nog niet betaalde bedrag.
– Bepaalt dat Y niet langer jegens X hoofdelijk aansprakelijk is voor de
voldoening van de totale schade.
– Compenseert de proceskosten tussen X en Y in die zin dat iedere partij zijn
of haar eigen kosten draagt.

Ten aanzien van de vader.
5.2. Bepaalt dat X en de vader, vergezeld van hun advocaten in het gebouw van
deze rechtbank te Arnhem, Walburgstraat 2-4 zullen verschijnen om aan de
rechter mevrouw mr. E. B. Knottnerus inlichtingen over de zaak te geven en
om haar te laten onderzoeken of deze partijen het op een of meer punten met
elkaar eens kunnen worden.

5.3. Verwijst de zaak naar de derde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is
uitgesproken voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun
advocaten in de maanden februari en maart 1998 ambtshalve peremptoir, waarna
dag en uur van de comparitie zal worden bepaald.

5.4. Bepaalt dat het aan de hand van de gedane opgaven en bij gebreke daarvan
ambtshalve, vastgestelde tijdstip behoudens dringende redenen niet zal worden
gewijzigd.
5.5. Verzoekt de tijdige toezending van de stukken zoals hiervóór onder 4.9.
weergegeven.

5.6. Bepaalt dat van dit vonnis geen hoger beroep mogelijk is dan tegelijk
met dat van het eindvonnis.

5.7. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Instantie: Rechtbank Maastricht, 5 februari 1998

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


Uit de moeder worden tussen 1984 en 1988 vier foetussen geboren. De moeder
wil aangifte doen bij het bevolkingsregister. De gemeente weigert opname
van
drie foetussen in het bevolkingsregister omdat zij ter wereld kwamen bij
een
zwangerschapsduur van rond de 18 weken. Het vierde kind wordt wel officieel
aangegeven en bijgeschreven. Door met 33 weken te zijn geboren wordt zijn
bestaansrecht wel erkend. De gemeente weigert echter de foetus onder zijn
naam in te schrijven.
De moeder dient een verzoekschrift in bij de rechtbank om de ambtenaar
van de
burgerlijke stand te gelasten vier akten op te maken, inhoudende de aangiften
van de uit de moeder (levenloos) geboren kinderen. De rechter wijst dit
verzoek toe.
Zie ook Nemesis 1998, nr. 3 onder Recht uit het hart.

Volledige tekst

Gezien het verzoekschrift van L-P wonende te Schaesberg, gemeente Landgraaf,
op 22 januari 1998 ter griffie van deze Rechtbank ingediend door de procureur
mr S.A. van Haarlem, daartoe strekkende dat, naar de Rechtbank begrijpt,
de
Rechtbank de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Heerlen
zal
gelasten vier akten op te maken, inhoudende de aangiften van de uit
verzoekster (levenloos) geboren kinderen Paul, Arlette, Ferry en Giovanni.

Gezien de bij het verzoekschrift gevoegde stukken, waaronder verklaringen
van
overlijden, opgemaakt te Heerlen op 16 december 1997 door de arts Dr.
F.J.M.E. Roumen alsmede een schrijven van de ambtenaar van de burgerlijke
stand van de gemeente Heerlen van 6 januari 1998 aan de procureur van
verzoekster.

De Rechtbank is van oordeel dat, in aanmerking genomen artikel 1:19 i,
lid 1
BW, gelet op het belang van de verzoekster bij toewijzing van haar verzoek
en
tevens in aanmerking genomen het standpunt van de genoemde ambtenaar van
de
burgerlijke stand zoals verwoord in zijn eerdergenoemde brief van 6 januari
1998, het verzoek kan worden toegewezen en Zij zal dienovereenkomstig
beslissen.

Beslissing:
Gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Heerlen het
register van overlijden van die gemeente aan te vullen met vier akten,
inhoudende de aangifte van de navolgende uit verzoekster (levenloos) geboren
kinderen:
– Paul, geboren te Heerlen op 2 januari 1984;
– Arlette, geboren te Heerlen op 27 juni 1986;
– Ferry, geboren te Heerlen op 9 oktober 1987;
– Giovanni, geboren te Heerlen op 19 april 1988.

Rechters

Mr Casparie

Instantie: Hof Amsterdam, 4 februari 1998

Instantie

Hof Amsterdam

Samenvatting


De vrouw heeft een klaagschrift ingediend dat gericht is tegen de weigering
van de officier van justitie om H, K, M, en O te vervolgen wegens
verkrachting. Na een bezoek aan een discotheek in de nacht van 10 op 11 mei
1997 zag de vrouw betrokkenen toen zij buiten een luchtje aan het scheppen
was, in een taxi stappen. Zij werd door een van hen de taxi ingetrokken.
Onderweg is zij door betrokkenen betast. Zij voelde zich overdonderd door de
situatie. Toen de taxi bij de woning van K. aankwam is zij mee naar
binnengaan. Aldaar heeft zich een reeks van seksuele handelingen
plaatsgevonden. Klaagster betoogt dat dit alles tegen haar wil is geschied en
dat zij wederrechtelijk van haar vrijheid is beroofd in de zin van artikel
282 Sr.
Volgens het hof is er voldoende onderzoek geweest om aan te tonen dat er niet
voldoende feiten en omstandigheden zijn waaruit blijkt dat klaagster zich aan
het gebeuren desgewenst heeft willen, maar niet kunnen onttrekken. Voor
verder onderzoek door politie en/of een gerechtelijk vooronderzoek ziet het
hof geen aanleiding. Het hof wijst het beklag af.

Volledige tekst

1. Het beklag

Het klaagschrift is op 11 juli 1997 ter griffie van het hof ontvangen. Het
beklag is gericht tegen de weigering van de officier van justitie te
Amsterdam om H, geboren te Amsterdam op 8 maart 1964, K, geboren te Amsterdam
op 1 juli 1976, M, geboren te Amsterdam op 2 juli 1975, en O, geboren te
Amsterdam op 25 oktober 1965, te zamen verder te noemen: “betrokkenen”, te
vervolgen wegens verkrachting.

2. Het verslag van de procureur-generaal

In zijn verslag, ingekomen ter griffie van het hof op 15 oktober 1997, heeft
de procureur-generaal het hof in overweging gegeven te bevelen dat door de
officier van justitie een gerechtelijk vooronderzoek zal worden gevorderd.

3. De behandeling in raadkamer

Het hof heeft op 22 december 1997 klaagster gehoord. Zij heeft het beklag
toegelicht en daarbij volhard. Haar raadsman mr A. Moskowicz heeft het woord
gevoerd overeenkomstig pleitnotities die zijn overgelegd.
De procureur-generaal was bij de behandeling aanwezig. Hij heeft voorshands
geconcludeerd dat het hof het gevraagde bevel tot vervolging zal geven. Van
het verhoor is proces-verbaal opgemaakt dat zij bij de stukken bevindt.

Op 26 januari 1998 heeft het hof vervolgens betrokkenen gehoord. Zij werden
bijgestaan door hun respectieve raadslieden mrs. G. Meyers, advocaat te
Amsterdam, G. Spong en J. Goudswaard, advocaten te ‘s-Gravenhage, en A.M.C.J.
Baayens, advocaat te Amsterdam, die hebben verzocht het beklag af te wijzen.
De pleitnotities van de mrs. Spong en Goudswaard bevinden zich in het
dossier.
De raadsman van klaagster heeft de griffie telefonisch laten weten het
verhoor niet te kunnen bijwonen.
De procureur-generaal heeft nader geconcludeerd dat het hof het gevraagde
bevel zal verlenen en tevens de last zal geven dat de officier de vordering
zal doen als bedoeld in artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering.

4. De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft derhalve van de reeds genoemde stukken onder meer kennis
genomen van het te dezer zake door de politie Amsterdam-Amstelland opgemaakte
proces-verbaal met nummer 0260-296-97 d.d. 10 juni 1997 met bijlagen, alsmede
van het ambtsbericht van de officier van justitie d.d. 27 augustus 1997.

5. Waarop het beklag betrekking heeft

Klaagster voert kort weergegeven het volgende aan. Na een bezoek aan een
discotheek in de nacht van 10 op 11 mei 1997 zag zij betrokkenen toen zij
buiten een luchtje aan het scheppen was in een taxi stappen. Zij werd door
één van hen de taxi ingetrokken. Onderweg is zij door betrokkenen betast. Zij
voelde zich door de situatie overdonderd. Toen de taxi bij de woning van K
was aangekomen, is zij uitgestapt en het huis ingegaan. Daar heeft een reeks
van sexuele handelingen plaatsgevonden. Klaagster betoogt dat dit alles tegen
haar wil is geschied en dat zij wederrechtelijk van haar vrijheid is beroofd
in de zin van artikel 282 Sr.

6. De beoordeling van het beklag

Met de officier van justitie is het hof van oordeel dat er onvoldoende
aanwijzingen bestaan dat klaagster tot het ondergaan van sexuele handelingen
is gedwongen door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld
of een andere feitelijkheid in de zin van artikel 242 Sr.

Het hof overweegt dienaangaande nog het volgende.

Uit het onderzoek zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen,
waaruit met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat klaagster op voor
betrokkenen kenbare wijze heeft duidelijk gemaakt dat ze niet wenste mee te
werken aan de sexuele handelingen die met en door haar zijn verricht, dan wel
dat een en ander tegen haar zin gebeurde of dat betrokkenen dit
desalniettemin hadden kunnen en behoren te begrijpen. Klaagster heeft zelf
verklaard dat het mogelijk is dat betrokkenen niet hebben gemerkt dat zij
eigenlijk geen sex wilde en dat zij dat ook niet heeft gezegd of anderszins
aan betrokkenen kenbaar heeft gemaakt.

Er bestaan aanwijzingen dat klaagster heeft geaarzeld met de taxi mee te gaan
die zich naar de woning van K. zou begeven, maar ook dat zij die aarzeling
heeft overwonnen, waarbij mogelijk een zekere mate van overreding door
betrokkenen een rol heeft gespeeld. Er zijn echter onvoldoende gegevens die
erop zouden wijzen dat bij deze overreding, indien daarvan al zou worden
uitgegaan, de door de strafwet gestelde grenzen zijn overschreden.

Wat betreft hetgeen is geschied in de taxi en in het huis van K. heeft voorts
te gelden dat er niet voldoende feiten en omstandigheden zijn waaruit blijkt
dat klaagster zich daaraan desgewenst heeft willen, maar niet kunnen
onttrekken. Dit brengt met zich mee dat er tevens onvoldoende grond is om aan
te nemen dat betrokkenen zich, zoals in het klaagschrift nog wordt betoogd –
in de aangifte zelf heeft klaagster daarvan niet uitdrukkelijk gewag gemaakt
– aan wederrechtelijke vrijheidsbeneming in de zin van artikel 282 Sr. hebben
schuldig gemaakt.
Voor verder onderzoek door de politie en/of een gerechtelijk vooronderzoek
ziet het hof geen aanleiding.

De politie heeft de zaak na eerst geweigerd te hebben de aangifte op te
nemen, uiteindelijk diepgaand en naar behoren onderzocht. Daaraan kan niet
afdoen dat de ‘zedenset’ is vernietigd, reeds omdat op zichzelf voldoende is
komen vast te staan dat sexuele gemeenschap en andere sexuele handelingen
tussen klaagster en betrokkenen hebben plaatsgehad.

Met de officier van justitie is het hof voorts van oordeel dat er geen
aanwijzingen zijn dat betrokkenen hun op essentiële punten overeenstemmende
verklaringen op elkaar hebben afgestemd om de waarheid te bemantelen.

De verklaringen van de taxichauffeurs zijn op zichzelf voldoende duidelijk.
Daaraan kan, ook dit is het hof met de officier van justitie eens, niet
voldoende steunbewijs worden ontleend. Er zijn onvoldoende concrete feiten en
omstandigheden om aan te nemen dat een nader verhoor van de beide chauffeurs
daarin verandering zou kunnen brengen.

De procureur-generaal heeft er in raadkamer op gewezen dat deze zaak reeds in
de openbaarheid is gebracht en daarna veel belangstelling in de media heeft
gehad. Zijn standpunt is dat de zaak mede om die redenen ter openbare
terechtzitting zou moeten worden aangebracht. Dit standpunt vindt echter geen
steun in het recht.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de beslissing van de officier van
justitie de toets van het hof kan doorstaan en dat het beklag als ongegrond
moet worden afgewezen.

7 De beslissing

Het hof:
wijst het beklag af.

Rechters

Mrs Hermans, Koopman, Heuveling van Beek