Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem, 9 januari 1998

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem

Samenvatting


Verkrachting is op zichzelf niet aan te merken als een uiting van vervolging
van een sociale groep en kan in beginsel niet tot vluchtelingenschap leiden.
In casu is er tevens sprake van detentie, marteling en een systeem dat
verkrachting toelaat en er geen bescherming tegen biedt. Dit gezamenlijk
kan vervolging in vluchtelingrechtelijke zin opleveren – niet vanwege het
behoren tot een sociale groep maar op grond van politieke redenen – namelijk
voor mannen en vrouwen die opkomen voor de rechten van vrouwen in de Iraanse
samenleving.

Volledige tekst

Uitspraak

I. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Eiseres geboren op (…) heeft de Iraanse nationaliteit. Zij verblijft
sedert 12 april 1995 in Nederland. Op eveneens 12 april 1995 heeft zij
aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een
vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard.
Bij beschikking van 6 juli 1995, aan eiseres uitgereikt op 17 juli 1995,
heeft verweerder de desbetreffende aanvragen niet ingewilligd. De aanvraag
om toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid.
Eiseres heeft op 1 augustus 1995 tegen deze beschikking een bezwaarschrift
ingediend.

1.2. Verweerder heeft bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het
bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal blijven. Bij verzoekschrift van
4 september 1995 heeft eiseres de president van de rechtbank verzocht bij
wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing
van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het bezwaar
is beslist.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is op 11 maart 1996 ingetrokken,
nadat verweerder alsnog uitstel van vertrek aan eiseres heeft verleend.

1.3. Verweerder heeft bij beschikking van 14 februari 1997 het bezwaarschrift
ongegegrond verklaard. Bij beroepschrift van 10 maart 1997 heeft eiseres
tegen deze laatste beschikking beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij
hetzelfde beroepschrift is door de echtgenoot van eiseres beroep ingesteld
tegen de gelijkluidende beslissing op zijn asielverzoek. Op dat beroep
is heden uitspraak gedaan onder nummer AWB 97/2228 VRWET H (II).

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden
en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het
beroep.

1.5. De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 30
oktober 1997. Ter zitting hebben eiseres en verweerder bij monde van hun
gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Op verzoek van eiseres
is haar beroep ter zitting niet gelijk behandeld met het beroep van haar
man. In verband daarmee wordt op het beroep van eiseres beslist bij afzonderlijke
uitspraak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring
van het bezwaarschrift in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden
bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels
kan doorstaan.

De onderbouwing van de aanvragen

2.2 Eiseres is sinds oktober 1990 lid van de vereniging ter bescherming
van de rechten van de vrouw. Samen met een vriendin is eiseres op 7 november
1990 gearresteerd in het Mellatpark door de Sepah-Pasdaran. Eiseres nam
toen net pamfletten van de vereniging van haar vriendin in ontvangst. Eiseres
is naar Pole Roemie meegenomen, een gebouw waar de instantie van zeden,
sociale en drugsbestrijding is gehuisvest. Zij heeft daar twee dagen verbleven
en gedurende die tijd is zij mishandeld. Vervolgens is zij naar de Evin-gevangenis
gebracht en aldaar vastgehouden tot 30 april 1991. De eerste vijftien dagen
zat eiseres alleen in een isoleercel. Gedurende de gehele detentie is eiseres
mishandeld en gemarteld en eenmaal door een bewaker sexueel misbruikt.
Op 30 april 1991 heeft eiseres een verklaring ondertekend waarin zij verklaarde
dat zij zich niet meer in zou laten met de vrouwenbeweging. Daaropvolgend
is zij weer vrijgelaten. Na haar vrijlating heeft eiseres haar activiteiten
voor de beweging weer opgepakt. Elke donderdagmiddag vergaderde eiseres
met de leden van haar cel. Verder verzorgde de cel (teksten voor) pamfletten
en cassettebandjes die op de Damavandberg werden achtergelaten, op zodanige
wijze dat andere mensen ervan kennis zouden kunnen nemen. Op 7 maart kreeg
eiseres op haar werk een telefoontje van een celgenote dat een andere celgenote
was aangehouden door de Ordedienst. Eiseres heeft meteen verlof van haar
werk opgenomen en is bij een nicht in Teheran ondergedoken. Meteen heeft
zij haar echtgenoot via-via gewaarschuwd. Eiseres neemt aan dat een arrestatiebevel
tegen haar is uitgegaan, aangezien een inval in haar woning heeft plaatsgevonden
– volgens de buren van eiseres door de ordedienst – en dat is alleen mogelijk
met een arrestatiebevel. Bij terugkeer naar Iran staat eiseres executie
in de Evin-gevangenis te wachten. Dit is haar namelijk door de autoriteiten
te kennen gegeven nadat zij in 1991 door hen is vrijgelaten.
Ter onderbouwing van haar relaas heeft eiseres op 10 januari 1996 en 14
maart 1996 enkele documenten, waaronder een oproep d.d. 7 maart 1995 om
te verschijnen voor de Islamitische rechtbank, overgelegd.

De bestreden beschikking en de standpunten van partijen

2.3 Verweerder heeft de bestreden beslissing doen steunen op de volgende
overwegingen. Verweerder overweegt dat in de beschikking in primo gemotiveerd
op alle van belang zijnde aspecten van de zaak is ingegaan. In deze beschikking
is, voor zover hier van belang en samengevat, overwogen dat eiseres omtrent
het lidmaatschap van de vrouwenbeweging vage en onduidelijke verklaringen
heeft afgelegd. Voorts is niet aannemelijk dat eiseres op 7 november 1990
in het openbaar pamfletten in ontvangst heeft genomen, als zij daartoe
ook de gelegenheid had tijdens de vergaderingen. In ieder geval, wat er
verder van zij van het voorval in 1990, leidt dit niet tot vluchtelingenschap,
gelet op het tijdstip tussen de detentie en het vertrek van eiseres uit
Iran. Bovendien zag eiseres in dit voorval geen directe aanleiding om Iran
te verlaten. Dit duidt er dan ook niet op dat eiseres deswege te vrezen
heeft van de Iraanse autoriteiten.
Sinds de onvoorwaardelijke invrijheidstelling is gesteld noch gebleken
dat eiseres hiervan nadien problemen heeft ondervonden. De inval in de
woning van eiseres en de omstandigheid dat zij gezocht zou worden door
de autoriteiten zijn niet aannemelijk. Bovendien waren de gestelde verrichte
activiteiten van ondergeschikte aard. Verder berusten de verklaringen van
eiseres op vermoedens van haarzelf en informatie van derden. De twijfels
ten aanzien van geloofwaardigheid van het relaas van eiseres zijn terecht,
gelet op de inhoud van het individuele ambtsbericht van 9 januari 1997.
Uit dit ambtsbericht volgt dat het door eiseres ter onderbouwing van haar
asielrelaas overgelegde oproep van 7 maart 1995 van de Islamitische rechtbank
te Teheran niet authentiek is. Hetgeen in bezwaar is aangevoerd kan gelet
hierop geen ander licht werpen op de zaak. Eiseres staat bij terugkeer
naar Iran geen behandeling in strijd met artikel 3 van het Europese verdrag
voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te wachten.

2.4 Eiseres heeft hiertegen aangevoerd dat de overgelegde dagvaarding wel
authentiek is. Bovendien is niet controleerbaar of de Minister van Buitenlandse
Zaken zich terecht op het standpunt stelt dat het document niet authentiek
is. Voorts wordt in de bestreden beschikking niet ingegaan op hetgeen in
bezwaar gesteld is. De beschikking is dan ook in strijd met het motiveringsbeginsel
genomen. Dit klemt te meer nu het algemene ambtsbericht van de Minister
van Buitenlandse zaken ten aanzien van Iran aan zeer veel kritiek onderhevig
is.
Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat het sexueel geweld, dat
eiseres heeft ondergaan in de Evin-gevangenis, is terug te voeren tot één
van de Verdragsgronden. Immers, daar waar een vrouw enkel en alleen omdat
zij tot een bepaalde bevolkingsgroep behoort, wordt bedreigd met verkrachting
of het risico loopt om verkracht te worden door overheidsfunctionarissen,
voldoet zij aan de omschrijving van vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag,
nu zij de bescherming van de autoriteiten hiertegen niet kan inroepen.

2.5 verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals weergegeven in
het zich bij de stukken bevindende verweerschrift en ter zitting zijn ingenomen
standpunt gehandhaafd.

Wettelijk kader

2.6. Eiseres legt aan de aanvragen en het onderhavige beroep ten grondslag
dat zij in aanmerking komt voor toelating in Nederland als vluchteling
dan wel wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

2.7. Ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw wordt een
aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de kennelijke
ongegrondheid ervan, onder meer indien zij is gegrond op omstandigheden
ten tijde van de bestreden beschikking die, hetzij op zichzelf of in verband
met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat
rechtsgrond voor toelating kon bestaan.

2.8. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning
tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op grond aan het algemeen
belang ontleend.

2.9. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie
hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen
in het algemeen -behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale
overeenkomsten- slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf
in aanmerking komen, indien met hun verblijf hier te lande een wezenlijk
Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen
van humanitaire aard.

Beoordeling van het beroep

2.10 Ten aanzien van het beroep overweegt de rechtbank het volgende.
Bij de beoordeling van het beroep dient voorop te worden gesteld dat de
algehele situatie in Iran ten tijde van de bestreden beschikking en ook
thans, hoewel die niet rooskleurig te noemen is, niet zodanig is dat asielzoekers
uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden
aangemerkt. Eiseres zal dan ook aannemelijk moeten maken dat met betrekking
tot haar persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die haar vrees voor
vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

2.11 De rechtbank is van oordeel dat eiseres een zeer consistent en gedetailleerd
beeld heeft geschetst met betrekking tot de langdurige detentie vanaf 7
november 1990 tot en met haar voorwaardelijke vrijlating op 30 april 1991.
De rechtbank acht de arrestatie, de detentie en de gedurende die detentie
ondergane verhoren en martelingen en het gepleegde sexuele geweld dan ook
aannemelijk. De rechtbank acht het, uitgaande van het vorenstaande, dan
ook geenszins onaannemelijk dat eiseres – die na haar vrijlating in april
1991 haar activiteiten voor de beweging heeft voortgezet – besluit onder
te duiken, nadat zij heeft vernomen dat een celgenote is opgepakt door
de Ordedienst, omdat zij opnieuw voor een dergelijk behandeling vreest.

2.12 Het standpunt van eiseres dat zij als vluchteling dient te worden
aangemerkt omdat zij vrouw is en in die hoedanigheid in Iran wordt bedreigd
met verkrachting of het risico loopt om te worden verkracht door een overheidsfunctionaris,
waartegen de overheid geen bescherming biedt, onderschrijft de rechtbank
niet. Verkrachting op zichzelf is niet aan te merken als een uiting van
vervolging van een sociale groep en kan derhalve in beginsel niet tot vluchtelingenschap
leiden. In het onderhavige geval is echter naast verkrachting ook nog sprake
van detentie, marteling en een systeem dat verkrachting toelaat en er geen
bescherming tegen biedt. Dit gezamenlijk kan vervolging in vluchtelingrechtelijke
zin opleveren – niet vanwege het behoren tot een sociale groep, maar op
grond van politieke redenen – namelijk voor hen (zowel mannen als vrouwen)
die opkomen voor de rechten van vrouwen in de Iraanse samenleving.

2.13 De rechtbank is van oordeel, gezien het asielrelaas, de inhoud van
de primaire beschikking, al hetgeen door eiseres in bezwaar is aangevoerd
en het vorenstaande, dat niet gesteld kan worden dat – zelfs indien ervan
moet worden uitgegaan dat de door eiseres overgelegde oproep niet authentiek
is – het bezwaar kennelijk ongegrond is in de strikte zin die aan artikel
7:3 Awb toegekend moet worden. Verweerder had eiseres dan ook in de gelegenheid
moeten stellen op het bezwaar te worden gehoord. In het onderhavige geval
kan artikel 8:72, derde lid, Awb geen toepassing vinden, nu de rechtbank
er niet van is overtuigd dat een gehoor niet kan bijdragen aan een verdere
beoordeling.

2.14 Het beroep is mitsdien gegrond. De bestreden beschikking zal worden
vernietigd en verweerder zal worden opgedragen met inachtneming van deze
uitspraak een nieuw besluit te nemen. Hetgeen overigens door partijen is
aangevoerd behoeft gelet op het voorgaande thans geen bespreking.

2.15. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel
8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten,
zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten
zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld
op ƒ 1.420,= (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen
ter zitting, wegingsfactor 1).

2.16. De rechtbank ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel
8:74, eerste lid, Awb te bepalen dat verweerder aan eiseres het voor de
hoofdzaak betaalde griffierecht ad ƒ 50,= zal vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1. verklaart het beroep gegrond;
3.2. vernietigt het besluit van verweerder van 14 februari 1997;
3.3. draagt verweerder op binnen tien weken na datum van verzending van
deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, met inachtneming
van deze uitspraak;
3.4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,= onder aanwijzing
van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier
van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;
3.5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding
van het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ 50,=.

Rechters

Mr Korte

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 8 januari 1998

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Partijen hebben samengewoond vanaf 1986 tot augustus 1992. Uit deze relatie
is een kind geboren. Het kind verblijft bij de moeder. Bij vonnis van januari
1997 is de man veroordeeld wegens bedreiging en mishandeling van (één van de)
ouders van de vrouw tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier
maanden voorwaardelijk. De man is op 28 januari 1997 in vrijheid gesteld. De
vrouw vordert in eerste instantie een verbod aan de man om zich op te houden
in de buurt van de woning van de vrouw. De president wijst de vordering toe
voor een periode van één jaar op straffe van een dwangsom van
ƒ 250. De man gaat in beroep tegen het vonnis. Zijn eerste grief richt zich
tegen de overweging van de president dat onweersproken is gesteld dat de man
de vrouw herhaaldelijk zou hebben bedreigd dan wel lastig gevallen. De man
stelt dat hij de vrouw nimmer heeft bedreigd. Oogmerk van de grief is in
ieder geval het terugbrengen van het straatverbod van één jaar naar de
“gebruikelijke termijn van zes maanden”.
Het hof overweegt op voorhand niet bekend te zijn met een dergelijke
“gebruikelijke termijn”. Het hof vindt dat de grief geen hout snijdt. De
vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij door de man op een
dusdanige manier zowel is bedreigd als (meer in het algemeen) is lastig
gevallen dat er voldoende reden was (en is) voor het opleggen aan hem van een
straat- en contactverbod voor de in het vonnis bepaalde duur. Het feit dat
hij enige tijd in detentie heeft gezeten en “dus al een aanzienlijke straf
heeft gehad voor zijn onrechtmatig handelen” vormt in geen enkel opzicht een
argument om thans de duur van het straatverbod te verkorten. Het feit dat het
concrete slachtoffer van de bedreiging en mishandeling de vader van de vrouw
was en niet de vrouw zelf, doet niet af aan het feit dat zij zich bedreigd
voelde. De dreiging die van zulk een handelen uitgaat, raakt in de
omstandigheden van het geval evenzo en in sterke mate de vrouw.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant, S, is bij exploot van 17 maart 1997 in hoger beroep gekomen
van een op 6 maart 1997 uitgesproken vonnis in kort geding van de president
van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar, onder KG nummer 44/1997 JJ
gewezen tussen geïntimeerde M, als eiseres in conventie/verweerster in
reconventie en S. als gedaagde in conventie/eiser in reconventie.

1.2. Bij memorie heeft S. -naar het hof begrijpt- twee grieven tegen het
vonnis waarvan beroep, voorzover in conventie gewezen, aangevoerd en
geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voorzover in conventie
gewezen, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij arrest, de vordering van
M. in conventie in eerste aanleg thans zal toewijzen voor de duur van slechts
zes maanden, kosten rechtens.

1.3. Bij memorie van antwoord heeft M. de grieven weersproken, producties in
het geding gebracht en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan
beroep met veroordeling van S. in de kosten van het geding.

1.4. Tenslotte hebben partijen de stukken van beide instanties aan het hof
overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud van al deze stukken geldt
als hier ingelast.

2. De grieven
de grieven houden het volgende in:

GRIEF 1
De president overweegt in rechtsoverweging 5 ten onrechte dat onweersproken
is gesteld dat S. M. herhaaldelijk zou hebben bedreigd dan wel lastig
gevallen.

GRIEF 2
De president heeft S. te onrechte in de kosten van de procedure in de eerste
aanleg veroordeeld.

3. De feiten
In rechtsoverweging 1 heeft de president overwogen ten aanzien van de
uitgangspunten in conventie en in reconventie. Tegen deze overweging zijn
geen (expliciete) grieven gericht. Het hof zal derhalve eveneens van het
aldaar overwogene uitgaan, doch, gelet op de strekking van grief 1, op na te
melden wijze.

4. De beoordeling van het hoger beroep
4.1. Partijen hebben samengewoond van 1986 tot augustus 1992. Uit de relatie
is een kind geboren, de thans nog minderjarige R. Het kind verblijft bij M.

4.2. Bij vonnis van 21 januari 1997 is S. veroordeeld wegens bedreiging en
mishandeling van (een van de ) ouders van M. tot een gevangenisstraf van acht
maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. S. is op 28 januari 1997 in
vrijheid gesteld.

4.3. In de eerste instantie heeft M. gevorderd, zakelijk weergegeven, een
verbod aan S. om zich op te houden in de buurt van de woning van M.

4.4. De president heeft deze vordering toegewezen in de volgende
bewoordingen:
“verbiedt de man (S; hof) zich op te houden in de wijk Risdam-Zuid, en wel
het gebied begrensd door de Berkmergouw, Zwaagmergouw, provinciale weg en het
Keern, in de gemeente Hoorn, met ingang van de datum van betekening van dit
vonnis, gedurende een periode van een jaar, en verbiedt de man de vrouw (sc.
M.; hof) telefonisch dan wel op andere wijze te benaderen, met machtiging van
de vrouw om naleving van de gevraagde verboden zo nodig te bewerkstellingen
met behulp van de sterke arm, een en ander op verbeurte van een dwangsom van
ƒ 250 voor iedere overtreding”.

4.5.Met (de toelichting op ) grief 1 stelt S. dat hij M. nimmer heeft
bedreigd. Met betrekking tot het “lastig vallen” is de stelling van S. minder
duidelijk: : lastig vallen is een begrip dat door geïntimeerde (M; hof) wordt
ingekleurd zoals het haar belieft. Zij liet zich immers gedurende lange tijd
het “lastig vallen” door appellant (sc.S; hof) graag welgevallen (memorie van
grieven, alinea 11).

4.6. De oogmerk van de grief is in ieder geval het terugbrengen van het
straatverbod van een jaar naar de “gebruikelijke termijnen van zes maanden”
(memorie van grieven, alinea 12). Op voorhand zij overwogen dat het hof niet
bekend is met een dergelijke “gebruikelijke termijn”.

4.7. De grief snijdt geen hout. In de eerste instantie zowel in dit hoger
beroep heeft M. voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in de periode ,
voorgaand aan dit kort geding, door S. op een dusdanige manier zowel is
bedreigd als-meer in het algemeen- is lastig gevallen dat er voldoende reden
was (en is) voor het opleggen aan hem van een straat – en contactverbod voor
de in het vonnis bepaalde duur.

4.8. S. heeft het straatverbod op zichzelf ook niet ter discussie gesteld
doch alleen de lengte daarvan. De redenen die hij voor verkorting van de in
de eerste aanleg bepaalde duur aanvoert, voldoen echter niet.

4.9. Meer in het bijzonder zij ten dien aanzien overwogen dat de
omstandigheden dat S. enkele maanden in detentie heeft doorgebracht en “dus
al een aanzienlijke straf heeft gehad voor zijn onrechtmatig handelen”
(memorie van grieven, alinea 10) in geen enkele opzicht een argument vormt
thans de duur van het straatverbod te verkorten.

4.10. De ontkenning van de kant van S. M. te hebben bedreigd, is niet
overtuigend, mede gezien het hiervoor onder 4.2. overwogene. Daaraan doet
niet af dat het concrete slachtoffer van de bedreiging en mishandeling de
vader van M. was en niet M zelf. De dreiging die zulk een handelen uitgaat,
raakt in de omstandigheden van het geval evenzo en in sterke mate M.

4.11. Grief 2, gericht op compensatie van proceskosten snijdt evenmin hout.
S., wiens gedrag aanleiding heeft gegeven voor de oplegging van een straat-en
contactverbod, is terecht in de kosten van de eerste instantie veroordeeld.
Het gegeven dat partijen (eens) een relatie hebben gehad, doet daaraan niet
af.

5. Conclusie
5.1. De grieven falen. Het vonnis, voorzover aan het oordeel van het hof
onderworpen, (dat wil in dit geval zeggen: het vonnis voorzover in conventie
gewezen) dient te worden bekrachtigd.

5.2. S. dient te worden verwezen in de kosten van dit hoger beroep.

6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis , waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het
hof onderworpen;
veroordeelt S. in de kosten van het hoger beroep, tot op het moment van deze
uitspraak aan de zijde van M. begroot op ƒ 1.840 en ingevolge artikel 57b RV.
Te voldoen aan de griffier van dit hof.
Verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij
voorraad.

Rechters

Mrs Kop, Visser, De Boer

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 8 januari 1998

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn gehuwd in 1988. Uit dit huwelijk is in 1989 een dochter geboren.
Het huwelijk wordt ontbonden en op 8 april 1992 wordt het echtscheidingsvonnis
ingeschreven. Bij dit vonnis is bepaald dat de ouderlijke macht over de
dochter in stand blijft.
De vader gaat in beroep tegen een beschikking van 17 november 1994 waarbij
is bepaald dat de moeder is belast met de uitoefening van het ouderlijk
gezag over de dochter. Het hof is met de moeder van oordeel dat, nu de
beschikking waarvan beroep expliciet een wijziging van de uitspraak van
13 mei 1992 betreft en ook de moeder zelf in haar tegenverzoek in eerste
aanleg wijziging heeft verzocht van dit vonnis, er geen sprake is van een
situatie als bedoeld in Art. 161 lid 3 (oud) BW. De termijn voor hoger
beroep tegen beschikking als onderhavige is, zoals blijkt uit Art. 932
lid 2 RV (oud) in verbinding met Art. 910 lid 4 Rv (oud) drie weken. Nu
deze termijn op de dag van indiening van het appelrekest, 22 juli 1997,
reeds was verstreken, is de vader niet ontvankelijk in zijn beroep.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De vader is in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 mei
1997 van de Rechtbank te Amsterdam, met rekestnummers 94.5693F en 94.6677F.
1.2. De moeder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is behandeld op 22 december 1997.

2. Feiten en omstandigheden

2.1. Partijen zijn op 30 december 1988 gehuwd. Op 2 juni 1989 is R.geboren.
Hun huwelijk is ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis
van 8 april 1992 in de registers van de burgerlijke stand. Bij dit vonnis
is bepaald dat niet ambtshalve in de voogdij wordt voorzien en dat de ouderlijke
macht over R. in stand blijft.

2.2. Bij inleidend verzoek van de vader van 3 oktober heeft hij de rechtbank
verzocht hem te benoemen tot voogd over R. en de moeder tot toeziend voogdes
over R. De moeder heeft op 17 november 1994 een tegenverzoek ingediend
en – onder meer -verzocht het vonnis van 13 mei 1992 te wijzigen en haar
te benoemen tot voogdes en de vader tot toeziend voogd.

2.3. Bij beschikking waarvan beroep is de beschikking van de rechtbank
Amsterdam van 13 mei 1992 gewijzigd in zoverre dat de moeder is belast
met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige R.

3. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1. De moeder heeft betoogd dat de vader niet ontvankelijk dient te worden
verklaard in zijn hoger beroep. Zij stelt dat het inleidende verzoek van
de vader geen verzoek ex artikel 161 lid 3 (oud) BW is en dat derhalve
niet de appeltermijn van twee maanden ingevolge artikel 931 Rv (oud) van
toepassing is, maar de drie weken termijn als bedoeld in artikel 932 jo
910 Rv (oud). De vader heeft dit gemotiveerd betwist en stelt zich op het
standpunt dat op het door hem ingediende beroepschrift de termijn van twee
maanden van artikel 931 lid 4 Rv (oud) van toepassing is en hij derhalve
ontvankelijk dient te worden verklaard in het door hem ingediende beroepschrift.

3.2. Vaststaat dat ingevolge een overgangsbepaling van het op 1 april 1995
in werking getreden herziene procesrecht in zaken van personen- en familierecht
op de onderhavige procedure het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing
is.

3.3. Het hof is met de moeder van oordeel dat, nu de beschikking waarvan
beroep expliciet een wijziging van de uitspraak van 13 mei 1992 betreft
en ook de moeder zelf in haar tegenverzoek in eerste aanleg wijziging heeft
verzocht van dit vonnis, er geen sprake is van een situatie als bedoeld
in artikel 161 lid 3 (oud) BW. Derhalve volgt uit artikel 932 lid 2 Rv
(oud), gelezen in verbinding met artikel 910 lid 4 Rv (oud), dat de termijn
van hoger beroep tegen beschikkingen als de onderhavige, loopt gedurende
drie weken na de dag van de uitspraak van de beschikking in het openbaar.
Nu deze termijn op de dag van indiening van het appelrekest, 22 juli 1997,
reeds was verstreken, is de vader niet ontvankelijk in zijn hoger beroep.

3.4. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

Rechters

Mrs Den Ottolander, Rodenburg en Lukács

Instantie: Rechtbank Haarlem, 31 december 1997

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Verdachten I en A hebben zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een
vrouwelijke patiënte van een psychiatrisch centrum.
Verdachten hebben deze vrouw, van wie zij wisten dat zij psychiatrisch
patiënte was, in de psychiatrische inrichting waarin zij was opgenomen
en waar zij zich veilig moest kunnen voelen, gedwongen tot geslachtsgemeenschap.
Zij hebben met hun handelwijze een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke
en geestelijke integriteit van deze vrouw. Zij worden veroordeeld tot gevangenisstraffen
van respectievelijk twee (I) en anderhalf jaar (A).

Volledige tekst

1. Telastelegging

Aan de verdachte is telastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven.
Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I bij dit vonnis gevoegd en
maakt daarvan deel uit.

Voor zover in de bewezenverklaarde taal- en/of schrijffouten voorkomen,
zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter
terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding van verdachte geldig
is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar
ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn
voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijsbeslissing

3.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen
wat aan de verdachte primair is telastegelegd. De verdachte moet daarvan
worden vrijgesproken.

3.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de subsidiair
telastegelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage
II van dit vonnis die daarvan deel uitmaakt.

Hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders is telastegelegd dan
hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan
worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten leveren op:
– Met iemand van wie hij weet dat hij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling
of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet of onvolkomen
in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daaraan
weerstand te bieden, handelingen plegen die bestaan of mede bestaan uit
het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van
de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van sancties en overige beslissingen

6.1 De hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd,
heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten
en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan alsmede de persoon van
de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting
is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen gemeenschap hebben
met een wilsonbekwame vrouw van wie hij wist dat zij psychiatrisch patiënte
was en die ook daardoor een makkelijke prooi voor hem vormde.
Hij heeft met zijn handelwijze ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke
en geestelijke integriteit van deze vrouw.
De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven hiervan nog
geruime tijd nadelige gevolgen ondervinden.
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat
de verdachte in het verleden niet eerder met de Nederlandse politie en
justitie in aanraking is gekomen.
Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende
straf van na te melden duur dient te worden opgelegd, zij het dat een na
te melden gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer behoeft te worden
gelegd. Met dit voorwaardelijke gedeelte beoogt de rechtbank verdachte
ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan soortgelijke
misdrijven.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikel 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57 en 243 van het
Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.
Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair telastegelegde
feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Zij verklaart bewezen dat de verdachte de subsidiair telastegelegde feiten,
zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis heeft begaan.
Zij verklaart niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders
is telastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de
verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert de hierboven in rubriek 4. vermelde strafbare
feiten op.
Zij verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Zij veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf
voor de tijd van vierentwintig maanden.
Zij beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden,
niet ten uitvoer zal worden gelegd. Zij stelt daarbij een proeftijd van
twee jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de verdachte zich voor het
einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Zij bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van
deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht,
bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de thans
opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd
niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Rechters

Mrs van der Pijl-van Andel, Cox, Malsch

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 31 december 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is aangesteld als ambtenaar. Hij heeft zich tijdens een door
de
gemeente georganiseerde outdooractiviteiten met andere collega’s misdragen.
Verzoeker en zijn collega’s zijn naar aanleiding daarvan geschorst. Verzoeker
heeft vervolgens strafontslag gekregen. Zijn collega’s hebben voorwaardelijk
ontslag gekregen. Volgens verzoeker heeft dit te maken met zijn politieke
gezindheid. De Commissie overweegt dat het feit dat verzoeker in
tegenstelling tot zijn collega’s onvoorwaardelijk is ontslagen, gebaseerd
is
op gebeurtenissen die tijdens verzoekers schorsing hebben plaatsgevonden.
De
Commissie is van oordeel dat de beslissing van de gemeente is gegrond op
de
wederrechtelijke en agressieve handelwijze van verzoeker die hem meerdere
malen in aanraking bracht met politie en justitie en niet gebaseerd is
op
verzoekers politieke overtuiging. De Commissie concludeert dat er aldus
geen
onderscheid naar politieke gezindheid is gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 30 januari 1997 verzocht de heer J. van P. te Utrecht (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over
de vraag of het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
Utrecht (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid heeft gemaakt als
bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)

1.2. Verzoeker is lid van de politieke partij Centrum Democraten (hierna:
CD). Hij was bij de wederpartij aangesteld als ambtenaar. Tijdens door
de
wederpartij in het kader van de werkzaamheden georganiseerde zogenaamde
‘outdooractiviteiten’ heeft verzoeker zich tezamen met andere collega’s
misdragen. Verzoeker heeft strafontslag gekregen. Zijn collega’s hebben
voorwaardelijk ontslag gekregen. Verzoeker is van mening dat hij vanwege
zijn
politieke overtuiging anders is behandeld dan zijn collega’s en dat de
wederpartij daarmee onderscheid heeft gemaakt naar politieke gezindheid.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld.
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

Ter bescherming van de belangen van derden zijn aan verzoeker slechts
geanonimiseerde afschriften ter beschikking gesteld van de door de
wederpartij in het geding gebrachte processen-verbaal met betrekking tot
gebeurtenissen waar verzoeker bij betrokken was. De gemachtigde van verzoeker
heeft de gelegenheid gehad kopieën van de niet-geanonimiseerde stukken
in te
zien.

De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te lichten
tijdens een zitting op 4 november 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. mr. R. Plieger (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– mw. mr. J.B.D. Janssen (afdeling Rechtspositie en Arbeidsvoorwaarden)
– dhr. A. van Scherpenzeel (afdeling Personeel en Organisatie)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is van 1 december 1992 tot 24 december 1996 in een ambtelijke
aanstelling bij de wederpartij werkzaam geweest als medewerker
Reinigingsdienst. Het Algemeen Ambtenarenreglement (AAR) was op hem van
toepassing.

3.2. Op 27 en 28 september 1995 hebben in het kader van de werkzaamheden
georganiseerde outdooractiviteiten plaatsgevonden. Tijdens deze activiteiten
heeft verzoeker zich tezamen met een aantal collega’s misdragen.

Verzoeker is met ingang van 2 oktober 1995 tezamen met vijf andere collega’s
geschorst. Ten aanzien van twee collega’s is de schorsing vrij snel opgeheven
vanwege hun geringe aandeel in de misdragingen. Verzoeker en drie collega’s
zijn geschorst gebleven. De wederpartij heeft een nader onderzoek verricht,
waarbij een aantal hoorzittingen is gehouden met collega’s van verzoeker,
zowel met degenen die meededen aan de misdragingen als met degenen die
daarvan getuige waren. De wederpartij heeft in de loop van het onderzoek
getuigenverklaringen doen opstellen die deels anoniem zijn.

Uit de op verzoek van de wederpartij opgestelde anonieme getuigenverklaringen
blijkt dat deze getuigen hebben verklaard dat verzoeker racistische en
discriminerende opmerkingen heeft gemaakt (zoals “alles wat niet Nederlands
is, is dood”). Ook heeft hij opmerkingen over Marokkaanse en Turkse collega’s
gemaakt, de Hitler-groet gebracht, Nazi-liederen gezongen, anti-semitische
opmerkingen gemaakt en zich ook overigens misdragen waarbij vernielingen
zijn
aangericht. Een deel van deze getuigen heeft uitdrukkelijk verklaard anoniem
te willen blijven uit angst voor represailles van de zijde van verzoeker.
Uit de niet anonieme verklaringen van de begeleiders van de
outdooractiviteiten blijkt dat verzoeker ervan wordt beschuldigd verscheidene
keren racistische en discriminerende opmerkingen te hebben gemaakt over
Marokkaanse en Turkse collega’s, de Hitler-groet te hebben gebracht en
eveneens verscheidene keren anti-semitische opmerkingen te hebben gemaakt.
Vergelijkbare verklaringen zijn afgelegd over het gedrag van de andere
drie
collega’s die zich tijdens de outdooractiviteiten hebben misdragen.

Op een hoorzitting op 2 oktober 1995 heeft verzoeker erkend dat hij in
de bus
diverse blikjes bier heeft gedronken, in de bus met bier heeft gegooid,
één
van de twee in zijn bezit zijnde strijkers heeft ontstoken in het huisje
waar
zij bivakkeerden en meegewerkt heeft aan het brengen en drinken van bier
in
de bus. Op een hoorzitting op 4 december 1995 heeft verzoeker verklaard
dat
hij geen racistische ideeën heeft uitgedragen, maar wel over zijn opvattingen
ten aanzien van allochtonen gesproken heeft, hetgeen naar zijn mening
toelaatbaar is.
Overige beschuldigingen met betrekking tot zijn gedrag heeft verzoeker
ontkend.

Op 2 december 1995 was verzoeker betrokken bij een incident in een café.
Er
is jegens hem aangifte gedaan van lokaalvredebreuk en belediging. Ook is
bij
die gelegenheid proces-verbaal opgemaakt vanwege het uitbrengen van de
Hitler-groet door verzoeker.

Op 3 maart 1996 was verzoeker met enkele anderen betrokken bij een
vechtpartij, waarbij een slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep en
in
een ziekenhuis behandeld moest worden. Jegens verzoeker is proces-verbaal
van
aangifte opgemaakt terzake van (gezamenlijke) openlijke geweldpleging alsmede
poging tot doodslag danwel poging tot (zware) mishandeling.

Bij vonnis van de politierechter te Utrecht d.d. 15 maart 1996 is verzoeker
strafrechtelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van
twee maanden wegens openlijke geweldpleging jegens personen. Het rechterlijk
vonnis van 15 maart 1996 had betrekking op gebeurtenissen die buiten werktijd
hebben plaatsgevonden. Ad informandum bij deze zaak was vermeld het
uitbrengen van de Hitler-groet, welk feit niet is meegenomen in het
rechterlijk vonnis. De Officier van Justitie heeft de wederpartij bij brief
van 13 november 1996 laten weten dat verzoeker – ook al achtte de Officier
van Justitie het feit bewijsbaar – niet opnieuw gedagvaard zou worden voor
het uitbrengen van de Hitler-groet, aangezien verzoeker reeds gestraft
was
met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.

Op 29 juli 1996 is verzoeker aanwezig geweest bij een vechtpartij in de
straat waar hij woont.

De wederpartij heeft op 25 juli 1996 de geschorste collega’s van verzoeker
te
kennen gegeven van mening te zijn dat zij zich schuldig hadden gemaakt
aan
ernstig plichtsverzuim en dat de wederpartij voornemens was hen te straffen
met een voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar. Betrokkenen
zijn hierover wederom gehoord. Zij hebben op 1 augustus 1996 hun
werkzaamheden weer hervat.
Ten aanzien van deze collega’s is op 1 oktober 1996 de formele beslissing
betreffende het voorwaardelijk strafontslag genomen. In deze beslissing
is
opgenomen dat, wanneer betrokkenen zich gedurende een proefperiode van
twee
jaar wederom schuldig maken aan plichtsverzuim dan wel ander verwerpelijk
gedrag, onmiddellijk het dienstverband zal worden beëindigd.

De wederpartij heeft ten aanzien van verzoeker niet, zoals bij de andere
drie
collega’s, besloten een voorwaardelijk ontslag op te leggen, maar verzoeker
naar aanleiding van vermoedens van herhaald plichtverzuim uitgenodigd voor
hoorzitting op 28 augustus 1996. Tijdens deze zitting is onder meer
eerdergenoemde strafrechtelijke veroordeling van verzoeker alsmede zijn
mogelijke betrokkenheid bij de vechtpartij in juli 1996 onderwerp van
bespreking geweest.
Op 22 oktober heeft de wederpartij ook ten aanzien van verzoeker het
vermoeden van ernstig plichtsverzuim geuit en haar voornemen tot een
strafontslag kenbaar gemaakt. Verzoeker is uitgenodigd voor een hoorzitting
op 29 oktober 1996.
Bij beschikking van 24 december 1996 heeft verzoeker strafontslag gekregen
met ingang van 1 januari 1997 ingevolge artikel 96, eerste lid, aanhef
en
onder g, AAR, zulks in verband met zeer ernstig plichtsverzuim als bedoeld
in
artikel 93 AAR. De beschikking vermeldt dat aan dit besluit zowel de
gebeurtenissen tijdens de outdooractiviteiten als het daarna herhaald
voorkomen van plichtsverzuim, in de vorm van een strafrechtelijke
veroordeling en betrokkenheid bij een aantal incidenten, ten grondslag
liggen. Tevens is verwezen naar een reeks krantenberichten met betrekking
tot
gedragingen van verzoeker buiten werktijd en naar de schade die daarmee
aan
het aanzien van de wederpartij wordt toegebracht. De beschikking vermeldt
tevens dat verzoeker niet is ontslagen vanwege het aanhangen van extreme
ideeën, hetgeen niet verboden is. De beschikking vermeldt dat het uitdragen
van deze ideeën op een wijze, die zowel voor personeelsleden van autochtone
als allochtone afkomst beledigend en bedreigend is, niet kan worden
getolereerd. Tenslotte heeft de wederpartij in het ontslagbesluit verwezen
naar haar streven om binnen de gemeente een evenredige deelname van
allochtonen te bewerkstelligen. Onderdeel van dat beleid is ervoor te zorgen
dat de werkomstandigheden voor elke werknemer van dien aard zijn dat zij
bij
de wederpartij kunnen gedijen. Werknemers die dit belang niet onderschrijven
en daar niet naar handelen, kunnen naar het inzicht van de wederpartij
niet
worden gehandhaafd.

Verzoeker heeft tegen deze beschikking van de wederpartij bezwaar gemaakt.
Bij beschikking van 2 juni 1997 is het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker
heeft tegen de beschikking van 2 juni 1997 beroep aangetekend.

3.3. De Commissie heeft het verkiezingsprogramma van de CD voor de Tweede
Kamerverkiezingen van 3 mei 1994, getiteld ‘Oost West Thuis Best’ opgevraagd.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoeker stelt het volgende.

De wederpartij heeft onderscheid gemaakt naar politieke gezindheid, door
verzoeker anders te behandelen dan zijn eveneens geschorste collega’s.
Zijn
collega’s hebben voor dezelfde misdragingen slechts een voorwaardelijk
ontslag gekregen, terwijl verzoeker strafontslag heeft gekregen. Verzoeker
meent dat zijn politieke overtuiging bij deze beslissing een rol heeft
gespeeld.

Verzoeker heeft altijd goed gefunctioneerd. Er zijn nimmer aanmerkingen
gemaakt op zijn gedrag. Verzoeker heeft zijn politieke ideeën nooit op
de
werkvloer uitgedragen. Er is voorts nooit sprake geweest van een situatie
waarin allochtone collega’s zich beledigd of bedreigd zouden kunnen voelen,
althans daar is verzoeker nooit mededeling van gedaan. Verzoeker werkte
regelmatig met allochtone collega’s samen, zonder dat dit problemen
opleverde.

Het standpunt van de wederpartij is gevormd door hetgeen de wederpartij
heeft
vernomen uit berichten in de media. In deze berichten is niet altijd sprake
van een objectieve weergave van de feiten. In deze berichten wordt verzoekers
partijlidmaatschap van de CD voortdurend vermeld. Dat komt ook doordat
journalisten verzoeker kennen. Voor zover door deze persberichten bij derden
de associatie tussen de wederpartij en verzoeker ontstaat, dient dat niet
voor rekening van verzoeker te komen.

Aangezien er geen aanleiding was verzoeker zwaarder te straffen dan zijn
collega’s, veronderstelt hij dat de wederpartij bij de beslissing verzoeker
strafontslag te verlenen zijn lidmaatschap van een de wederpartij
onwelgevallige organisatie heeft laten meewegen. Verzoeker presenteert
zich
immers als CD lid.
Niet alle gedragingen waarvan verzoeker wordt beschuldigd, horen bij de
politieke gezindheid van de CD. Het brengen van de Hitler-groet valt daar
bijvoorbeeld niet onder. Bepaalde elementen in verzoekers gedrag, met name
de
negatieve wijze waarop over allochtonen wordt gesproken, horen daar wel
bij.
Verzoeker onderschrijft de ideeën die andere CD’ers ook hebben, maar gaat
wat
verder in het uiten ervan. Voor verzoeker vormen zijn gedragingen een uiting
van zijn lidmaatschap van de CD.
De wederpartij heeft derhalve een verboden onderscheid gemaakt.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.

Verzoeker is niet ontslagen vanwege zijn politieke overtuiging of
partijlidmaatschap van de CD, maar vanwege het feit dat hij zich schuldig
heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim waaronder begrepen het doen van
racistische uitlatingen in het kader van het werk, alsmede door misdragingen
waarvoor hij strafrechtelijk veroordeeld is.
De wederpartij wist vanaf de aanvang van het dienstverband van het
lidmaatschap van verzoeker van de CD. Verzoeker heeft daarvan melding
gemaakt, nadat de zogenaamde verklaring omtrent gedrag lang op zich liet
wachten. Dit lidmaatschap was geen reden om verzoeker niet in dienst te
nemen. Verzoeker heeft tot de gewraakte incidenten zijn werkzaamheden als
oplader naar tevredenheid verricht.

De gebeurtenissen op 27 en 28 september vormden bij verzoeker -in
tegenstelling tot zijn collega’s- geen incident. Er is sprake van structureel
gedrag.
De drie collega’s die zich samen met verzoeker hadden misdragen tijdens
de
outdooractiviteiten hebben voorwaardelijk ontslag gekregen, omdat zij zich
-anders dan verzoeker- tijdens hun schorsing niet opnieuw schuldig hebben
gemaakt aan plichtsverzuim. De wederpartij beschouwt hun gedrag als een
incident. Zodra deze anderen zich opnieuw schuldig maken aan plichtsverzuim,
wordt de voorwaardelijk opgelegde straf uitgevoerd. Wanneer verzoeker zich
tijdens de schorsing net zo had gedragen als zijn collega’s, had hij dezelfde
voorwaardelijke straf gekregen. Wanneer deze andere collega’s zich op
vergelijkbare wijze zouden hebben gedragen als verzoeker, waren zij eveneens
met ontslag gestraft. Daarom is verzoeker anders behandeld dan de drie
collega’s die zich tijdens de outdooractiviteiten schuldig hebben gemaakt
aan
plichtsverzuim van vergelijkbare ernst.
De wederpartij is er niet van op de hoogte of deze andere collega’s eveneens
lid zijn van de CD.
De twee andere collega’s van wie de schorsing het eerst is opgeheven, vanwege
hun geringe aandeel in de misdragingen, zijn gestraft met inhouding van
verlofdagen.

De wederpartij heeft veel allochtonen in dienst. Door verzoekers uitingen
is
het onmogelijk hem nog langer te werk te stellen. Veel mensen zijn bang
voor
verzoeker door zijn agressieve uitstraling en dreigende houding. Verzoeker
heeft bovendien gedreigd de collega’s die een getuigenverklaring hebben
afgelegd in elkaar te laten slaan door zijn vrienden.
Werknemers die allochtone collega’s herhaaldelijk discrimineren, bedreigen
en
intimideren kunnen niet worden gehandhaafd binnen de organisatie. De
wederpartij verwacht een positieve grondhouding van iedere werknemer ten
aanzien van het beleid dat zij voert om evenredige deelname van allochtonen
binnen de organisatie te bewerkstelligen en ervoor te zorgen dat deze
werknemers goed kunnen gedijen.

Van belang is dat verzoeker zich tijdens de schorsingsperiode opnieuw
schuldig heeft gemaakt aan agressief en discriminerend gedrag. In de pers
is
herhaaldelijk melding gemaakt van incidenten waarbij verzoeker was betrokken.
Daarbij is eveneens vermeld dat verzoeker bij de wederpartij werkzaam is.
Als
gevolg daarvan wordt de wederpartij met het gedrag van verzoeker geassocieerd
en in diskrediet gebracht. Het aanzien van de wederpartij lijdt hierdoor
schade. Wanneer mensen in de krant lezen dat iemand die dit soort dingen
doet
in dienst van de gemeente is, dan schaadt dat de gemeente. De wederpartij
stelt dat de negatieve berichten in de pers rechtstreeks te wijten zijn
aan
verzoeker zelf. Het gaat daarbij om de associatie met verzoeker als
geweldpleger en niet met verzoeker als CD lid.

Aangezien het ontslag niet het gevolg is van verzoekers lidmaatschap van
de
CD maar van zijn gedragingen tijdens de schorsing is van onderscheid in
de
zin van de AWGB geen sprake.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar politieke gezindheid heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene wet
gelijke behandeling door hem, in tegenstelling tot zijn collega’s,
strafontslag te verlenen.

4.2. Artikel 5, eerste lid, onderdeel c, AWGB verbiedt het maken van
onderscheid bij het beëindigen van het dienstverband van een ambtenaar.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid zowel direct als indirect
onderscheid wordt verstaan. Van direct onderscheid op grond van politieke
gezindheid is sprake wanneer hier rechtstreeks naar wordt verwezen. Indirect
onderscheid op grond van politieke gezindheid is onderscheid op grond van
andere hoedanigheden of gedragingen dan politieke gezindheid dat direct
onderscheid op deze grond tot gevolg heeft.

Artikel 2, eerste lid, AWGB bepaalt dat het in de wet neergelegde verbod
van
onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.

4.3. Het is niet de taak van de Commissie om te oordelen over de vraag
of het
strafontslag rechtmatig is. De Commissie geeft derhalve geen oordeel over
de
vraag of de gedragingen die verzoeker worden verweten strafwaardig alsmede
of
de getroffen maatregel verdedigbaar is in de zin van het ambtenarenrecht.
De
Commissie oordeelt slechts of bij de beslissing strafontslag te verlenen
onderscheid is gemaakt naar politieke gezindheid. (Zie Commissie gelijke
behandeling: 20 november 1996, oordeel 96-94; 19 november 1996, oordeel
96-102; 20 november 1996, oordeel 96-103; 22 november 1996, oordeel 96-108).

Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie is niet alleen sprake van
onderscheid als een van de in de wetgeving gelijke behandeling genoemde
gronden van onderscheid de enige of doorslaggevende reden vormt voor het
bestreden handelen, maar ook als deze daarbij (mede) een rol speelt (Zie
onder meer Commissie gelijke behandeling: 19 maart 1996, oordeel 96-16;
15 juli 1996, oordeel 96-59; 2 april 1997, oordeel 97-30.).

4.4. Ten aanzien van de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt, overweegt de Commissie
als
volgt.

Verzoeker meent dat hij een andere behandeling heeft gekregen dan zijn
collega’s die zich schuldig hebben gemaakt aan vergelijkbare gedragingen,
omdat hij lid is van een de wederpartij onwelgevallige politieke partij.
De
Commissie stelt vast dat onder politieke gezindheid in ieder geval begrepen
moet worden het lidmaatschap van een politieke partij.

De Commissie stelt vast dat het aanhangen van verzoekers politieke ideeën
niet in de weg heeft gestaan aan het aangaan van een dienstverband met
verzoeker door de wederpartij alsmede het naar tevredenheid functioneren
in
dienst van de wederpartij. De wederpartij was immers bij de aanvang van
de
aanstelling op de hoogte van verzoekers CD lidmaatschap en verzoeker heeft
gedurende een aantal jaren naar tevredenheid gefunctioneerd. Een en ander
wijst niet op voorhand op een vermoeden dat de wederpartij verzoekers
partij-lidmaatschap of zijn politieke overtuiging ten grondslag legt aan
beslissingen inzake het aangaan dan wel beëindigen van de ambtelijke
aanstelling van verzoeker.

De Commissie stelt vast dat bij de collega’s van verzoeker -evenals bij
verzoeker – sprake was van misdragingen tijdens de outdooractiviteiten,
maar
dat bij verzoeker daarnaast nog sprake was van andere gedragingen gedurende
de schorsingsperiode, die leidden tot de bestreden beslissing van de
wederpartij. De Commissie acht de stelling van de wederpartij aannemelijk
dat, indien bij verzoeker louter sprake was geweest van de misdragingen
tijdens de outdooractiviteiten, hij evenals zijn collega’s voorwaardelijk
zou
zijn ontslagen. Wat dit betreft stelt de Commissie vast dat geen sprake
is
van een verschil in behandeling. Dit betekent dat de gedragingen en uitingen
van verzoeker tijdens de outdooractiviteiten door de Commissie buiten
beschouwing worden gelaten.
Het feit dat verzoeker in tegenstelling tot zijn collega’s onvoorwaardelijk
is ontslagen, is gebaseerd op de gebeurtenissen die tijdens verzoekers
schorsing hebben plaatsgevonden. Deze gebeurtenissen, waarbij verzoeker
en
niet zijn collega’s aanwezig waren, vormen derhalve de grond voor het
verschil in behandeling. De vraag is dus aan de orde of daarmee onderscheid
naar politieke gezindheid jegens verzoeker is gemaakt.

De Commissie stelt vast dat het bij laatstbedoelde gebeurtenissen ging
om
verzoekers betrokkenheid bij het incident op 2 december 1995, zijn
betrokkenheid bij openlijke geweldpleging op 3 maart 1996 alsmede de
strafrechtelijke veroordeling wegens openlijke geweldpleging. Ten aanzien
van
het uitbrengen van de Hitler-groet op 2 december 1995 is geen
strafrechtelijke veroordeling uitgesproken. Dit feit is door de wederpartij
in het kader van de ambtenarenrechtelijke beslissing wel meegewogen.
De Commissie overweegt ten aanzien van de gedragingen waarvoor verzoeker
strafrechtelijk is veroordeeld, dat de bescherming van de AWGB zich niet
uitstrekt tot deze uitlatingen en gedragingen, daargelaten nog de vraag
of
daarbij ook sprake was van een uiting van een politieke overtuiging. Ten
aanzien van het uitbrengen van de hitler-groet is van de kant van verzoeker
ter zitting naar voren gebracht dat dit niet beschouwd kan worden als een
uiting van zijn politieke gezindheid als CD-er. De Commissie acht deze
opvatting van verzoeker dat het uitbrengen van de Hitler-groet niet kan
worden beschouwd als een gangbare uiting van het lidmaatschap van de CD,
mede
gelet op het hiervoor in 3.3. genoemde verkiezingsprogramma van de CD,
aannemelijk.
De Commissie is op grond van het bovenstaande en gelet op het geheel van
gebeurtenissen van oordeel dat de beslissing van de wederpartij is gegrond
op
de wederrechtelijke en agressieve handelwijze van verzoeker die hem meerdere
malen in aanraking bracht met politie en justitie en niet gebaseerd is
op
verzoekers politieke overtuiging.

Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn stelling tot slot naar voren
gebracht dat de wederpartij zich mede heeft laten leiden door perspublicaties
waarin verzoeker als CD’er fungeert. Vastgesteld moet worden dat de aandacht
in de overgelegde perspublicaties uitging naar vechtpartijen waarbij
verzoeker betrokken is. Daarbij werd steevast vermeld dat verzoeker een
CD-er
is. De wederpartij heeft aangegeven niet geassocieerd te willen worden
met
iemand die strafbare feiten pleegt. Uit het feit dat de wederpartij de
publiciteit met betrekking tot verzoeker in haar beslissing heeft genoemd,
vloeit naar het oordeel van de Commissie niet vanzelfsprekend voort dat
het
CD lidmaatschap van verzoeker mede een rol heeft gespeeld bij de beslissing
tot strafontslag. Het enkele feit dat in de pers melding wordt gemaakt
van
verzoekers lidmaatschap van de CD is, in de omstandigheden van dit geval,
niet voldoende om te kunnen concluderen dat de wederpartij door te verwijzen
naar die berichten, waarin onder meer ook van dit feit gewag is gemaakt,
haar
besluit mede op laatstgenoemd feit heeft gebaseerd.

Aangezien verzoeker geen andere feiten of omstandigheden heeft aangedragen
komt de Commissie tot het oordeel dat verzoeker er niet in is geslaagd
aannemelijk te maken dat de handelwijze van de wederpartij is terug te
voeren
op de politieke gezindheid van verzoeker.

Derhalve komt de Commissie tot het oordeel dat de wederpartij geen
onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt jegens verzoeker.

4.5. De wederpartij heeft er in haar beslissing d.d. 24 december 1994 op
gewezen dat zij van haar werknemers een positieve grondhouding verwacht
ten
aanzien van allochtone collega’s en ten aanzien van het beleid dat erop
gericht is een werkklimaat te scheppen waarin iedere werknemer goed kan
gedijen. De Commissie wijst er in dit verband op dat niet gesteld kan worden
dat de wettelijke bescherming tegen onderscheid op grond van politieke
gezindheid in de zin van de AWGB aan werknemers ruimte biedt om zich
discriminerend te gedragen. De Commissie heeft reeds eerder geoordeeld
dat
onder het verbod van onderscheid op grond van ras bij de arbeidsvoorwaarden
als genoemd in artikel 5, eerste lid, AWGB mede begrepen moet worden een
omstandigheid als een discriminerende bejegening op de werkvloer (Zie
Commissie gelijke behandeling, 9 juli 1996, oordeel 96-62, 20 februari
1997,
oordeel 97-18 en 17 juni 1997, 97-82.). De verplichting van de werkgever
zich
te onthouden van discriminatie op het terrein van de arbeid brengt mee,
dat
de werkgever erop moet toezien dat ook degenen waarover hij het gezag
uitoefent zich van discriminatie onthouden.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat het College van Burgemeesters en Wethouders
van de gemeente Utrecht jegens de heer J. van P. te Utrecht geen onderscheid
naar politieke gezindheid heeft gemaakt als bedoeld in artikel 5, eerste
lid,
onder c van de Algemene wet gelijke behandeling door hem onvoorwaardelijk
strafontslag te verlenen en derhalve niet in strijd met deze wet heeft
gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M. den Boer(lid Kamer), mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 30 december 1997

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Verzoeksters aanvragen zijn als kennelijk ongegrond afgedaan in de
AC-procedure. Verzoekster heeft eerst ter zitting verklaard dat zij tijdens
haar detentie wegens samenwerken met de LTTE door een aantal militairen is
verkracht.
De rechter overweegt als volgt: Ten aanzien van een essentiële latere
mededeling zal een verklaring voorhanden moeten zijn waarom de betreffende
mededeling niet in een eerder stadium is gedaan. Een dergelijke omstandigheid
is in casu voorhanden. Verzoekster heeft naar voren gebracht dat het in haar
cultuur moeilijk is over seksueel geweld te spreken. Dit feit dient eerst
nader te worden onderzocht.
Uit het verslag van het nader gehoor blijkt niet of de vrouw door een
mannelijke of een vrouwelijke contactambtenaar is gehoord, terwijl verweerder
daarover ter zitting ook geen duidelijkheid kon verschaffen. De voorlopige
voorziening wordt toegewezen.

Volledige tekst

1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Verzoekster , geboren op 2 juli 1977, heeft de Sri Lankaanse
nationaliteit. Zij verblijft sedert 16 December 1997 in Nederland. Op
dezelfde datum heeft zij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en
om verlenging van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van
humanitaire aard. Bij beschikking van 17 December 1997, aan verzoekster in
het aanmeldcentrum te Schiphol uitgereikt op gelijke datum, heeft verweerder
de desbetreffende aanvragen niet ingewilligd. De aanvraag om toelating als
vluchteling is niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid daarvan.
Tevens is ten aanzien van verzoekster de vrijheidsontnemende maatregel van
artikel 18b Vw toegepast. Verzoekster heeft op 18 December 1997 tegen de
niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling beroep bij deze
rechtbank ingesteld en tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om een
vergunning tot verblijf een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft
bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het beroep en/of bezwaar
aanhangig zijn/is, niet achterwege zal blijven. Verzoekster dreigt op korte
termijn uit Nederland te worden verwijderd.

1.2. Bij verzoekschrift van 18 December 1997 heeft verzoekster de president
van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan
tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege
te laten, totdat in beroep, respectievelijk op het bezwaarschrift, is
beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken
ingezonden en in zijn verweer geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek met
toepassing van artikel 8:86 Awb en 33b Vw.

1.3. Bij beroepschrift d.d. 18 December 1997, ter griffe van deze rechtbank
ontvangen op gelijke datum, heeft verzoekster beroep ingesteld teen de
opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt tevens tot
ontkenning van schadevergoeding.

1.4. De openbare behandeling van deze geschillen heeft gezamenlijk
plaatsgevonden op 24 December 1997. Ter zitting hebben verzoekster en
verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.
Verzoekster is ter zitting gehoord.

2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan. Indien teen een besluit bij de
rechtbank beroep is ingesteld, dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep
bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de
president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op
verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op
de betrokken belangen, dat vereist.

2.2. verzoekster legt aan de aanvragen en het onderhavige verzoek ten
grondslag dat zij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling dan wel
voor verlening van een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van
humanitaire aard en beoogt met het onderhavige verzoek haar uitzetting
hangende het verdere onderzoek in de bodemprocedure te voorkomen.

2.3. Voor zover het de niet-inwilliging van verzoekster aanvraag om toelating
als vluchteling betreft, blijft uitzetting hangende beroep achterwege, tenzij
er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor
vervolging als omschreven in artikel 15, erste lid, Vw. Met betrekking tot
verzoeksters aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf blijft
ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, Vw uitzetting
achterwege, indien verzoeksters bezwaar tegen de weigering daarvan een
redelijke kans van slagen heft. Tenslotte dient uitzetting achterwege te
blijven ingeval deze anderszins in strijd is met het recht.

2.4 Ter ondersteuning van haar asielverzoek heeft verzoekster tijdens het
nader gehoor – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Verzoekster
vreest voor vervolging door de Sri Lankaanse autoriteiten vanwege haar
aanhang aan en activiteiten voor de LTTE, vanaf 1994 tot februari/maart 1997.
Verzoekster kreeg minimaal drie keer per week een oproep om zich te melden op
het kantoor van één van de Tamilkampen in Jaffna. Zij verrichtte er
verschillende soorten werkzaamheden. Onder meer maakte zij propaganda voor de
TTE op scholen en huis aan huis. Ook woonde zij bijeenkomsten bij van de
LTTE. De laatste keer dat verzoekster een dergelijke bijeenkomst bijwoonde
was in december 1996. Iedereen moest toen vluchten en verzoekster heeft van
december 1996 tot februari 1997 in een vluchtelingenkamp in Kilinochchi
verbleven. In februari 1997 ging zij weer naar haar huis in Jaffna. In maart
en in juni 1997 werd zij door de autoriteiten opgepakt en beschuldigd van het
verrichten van bepaald werk bij de LTTE. De eerste keer heeft zij twee dagen
vastgezeten en werd zij mishandeld. Zij werd vrijgelaten zonder dat haar een
meldingsplicht werd opgelegd. De tweede keer, in juni 1997, is verzoekster
drie dagen vastgehouden en werd zij er onder meer van beschuldigd dat zij
informatie van militairen doorgaf aan de
TTE. Ook toen werd zij mishandeld. Zij werd niet verkracht of misbruikt. Haar
moeder heeft geld betaald om verzoekster vrij te laten. Verzoekster behoefde
zich slechts één keer te melden. In juli 1997 heeft verzoekster toestemming
gevraagd aan de militairen om naar Colombo te reizen. Zij verkreeg die
toestemming, waarop zij naar Colombo reisde. Zij kwam daar op 18 oktober 1997
aan en heeft zich bij de politie heeft laten inschrijven. Zij verbleef daar
bij haar tante totdat zij op 5 december 1997 het land verliet. Ter zitting
heeft verzoekster verklaard, dat zij tijdens de detentie van juni 1997 door
een aantal militairen is verkracht.

2.5. de in het aanmeldcentrum aanwezige rechtshulpverlener van verzoekster
heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot correcties en aanvullingen
op het nader gehoor en heeft geen zwaarwegend advies uitgebracht.

2.6. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

In de voorlopige voorziening

De president oordeelt als volgt.

2.7 Gelet op de uiterst korte termijn die verweerder zich in het zogenaamde
AC-model gesteld heeft om met de vereiste zorgvuldigheid van voorbereiding op
een asielverzoek een beslissing te nemen, zal slechts een beperkt aantal
zaken zich lenen voor afdoening volgens dat model. Volgens verweerder komen
daarvoor slechts in aanmerking de aanvragen van asielzoekers met ’t een
flinterdun verhaal” en gevallen waarin sprake is van “asieltoerisme” of
waarin zonder tijdrovend onderzoek het verzoek als kennelijk ongegrond of
niet-ontvankelijk kan worden afgedaan. De president verwijst in dit verband
naar de uitspraken van 2 februari l 996 onder registratienummers AWB 96/556
en 961571 VRWET H en AWB 9616 l 0 en 96/664 VRWET H, gepubliceerd in
Nieuwsbrief Asiel- en Vluchtelingenrecht (NAV) 1996, nr. .) -pp. 190-195.De
vraag of van een dergelijk verzoek sprake is en of het met inachtneming van
de zorgvuldigheidseisen die aan de AC-procedure gesteld worden kon worden
afgehandeld, wordt in het onderstaande beantwoord.

2.8. In casu is niet gebleken dat de beslissing op verzoekster asielverzoek
niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en genomen, dan wel dat de
in de AC-procedure geldende regels niet correct zijn nageleefd. Derhalve zal
de zaak thans inhoudelijk worden beoordeeld.

2.9. Vooropgesteld moet worden dat de rechtseenheidskamer (REK) bij uitspraak
van 13 maart 1997 met registratienummer AB 96/11364 heeft geoordeeld dat de
situatie in Sri Lanka niet zodanig is dat asielzoekers uit dat land die
behoren tot de bevolkingsgroep der Tamils in het algemeen zonder meer als
vluchteling kunnen worden aangemerkt. De REK heeft bij het oordeel velerlei
stukken van diverse organisaties met betrekking tot de gehele situatie van
Tamils in Sri Lanka betrokken. De president is van oordeel dat er bij
beoordeling van alle stukken die hem na deze uitspraak van de REK over de
algemene situatie van Tamils in Sri
anka bekend zijn geworden, geen aanleiding is om tot een ander oordeel te
komen. Verzoekster zal derhalve tot op zekere hoogte aannemelijk moeten
maken, dat met betrekking tot haar persoonlijk feiten en omstandigheden
bestaan die haar vrees voor vervolging in de zin van artikel 15 Vw
rechtvaardigen.

2.10 Verzoekster is hierin niet geslaagd. Verweerder heeft op goede gronden
geoordeeld dat de door verzoekster aangevoerde vluchtmotieven volstrekt
ontoereikend zijn voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. De vrees van
verzoekster dat zij in de negatieve belangstelling staat van de Sri Lankaanse
autoriteiten vanwege de door haar verrichte activiteiten voor de LTTE – die
overigens op zichzelf niet anders dan als marginaal kunnen worden beschouwd –
is geheel op vermoedens gebaseerd. Ook de aanhoudingen en detenties in
respectievelijk maart 1997 en juni 1997 bevatten geen aanknopingspunten voor
deze conclusie. Verzoekster, die stelt dat zij de genoemde activiteiten voor
de
TTE tot maart 1997 heeft verricht, is in maart 1997 na een detentie van twee
dagen onvoorwaardelijk vrijgelaten zonder dat haar een meldingsplicht was
opgelegd. In juni 1997 is verzoekster na een detentie van drie dagen
vrijgelaten. Zij heeft zich hierna slechts éénmaal behoeven te melden. Het
feit, dat deze vrijlating tot stand kwam met omkoping door de moeder van
verzoekster doet aan bovenstaande conclusie niet af Verzoekster heeft in juli
1997 aan de autoriteiten toestemming gevraagd om naar Colombo te reizen,
welke toestemming zij enige maanden later heeft verkregen. Zij is toen via
Vavuniya – waar zij opnieuw toestemming heeft gevraagd en gekregen – naar
Colombo gereisd. Daar heeft zij zich bij de politie laten inschrijven. Van 18
oktober tot 5 december 1997 heeft verzoekster bij haar tante in Colombo
verbleven, zonder dat zij er problemen heeft ondervonden. Verzoekster is – in
ieder geval tot aan haar vertrek uit Colombo – in het bezit geweest van een
op haar naam gesteld officieel Sri
ankaans paspoort, dat tot tien jaar na de verkrijgingsdatum – eind 1996 –
geldig was.

2.11 .Bij de hiervoor geschetste stand van zaken kan verzoekster niet in haar
mening worden gevolgd dat zij tot een van de in het ambtsbericht van 24 juli
1997 van de Minister van Buitenlandse Zaken genoemde risicogroepen behoort.
Het beroep op overweging sub. 4.5. van de uitspraak van deze rechtbank,
nevenzittingsplaats Zwolle, van 28 november 1997, registratienummer AB
96/9153 kan reeds niet slagen omdat het asielrelaas in die zaak feitelijk
reeds op een essentieel punt verschilt van dat van de verzoekster. Uit de
samenvatting van het vluchtverhaal in de genoemde uitspraak blijkt immers,
dat de betrokken vreemdeling in Colombo is aangehouden en
gedetineerd geweest, terwijl hiervan in het geval van verzoekster geen sprake
is geweest.

2.12 uit al het voorgaande vloeit voort dat aan het onder 2.3. eerst vermelde
criterium- te weten betreffende de aanvraag om toelating als vluchteling-
voor het achterwege laten van de uitzetting hangende het beroep bij de
rechtbank niet is voldaan.

2.13. De fungerend president acht het zonder meer aannemelijk dat het tegen
de niet inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling ingestelde
beroep niet tot een ander oordeel leidt. Nu voorts niet is gebleken dat een
nader onderzoek kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak op dit punt,
bestaat in dit geval aanleiding om met gebruikmaking van de bevoegdheid ex
artikel 8:86 Ab het beroep ongegrond te verklaren.

2.14 Voor wat de redelijke kans van slagen van het bezwaar betreft, is
relevant de – eerst ter zitting gedane – mededeling van verzoekster, dat zij
bij gelegenheid van een van de arrestaties is verkracht. Als deze mededeling
juist is, kan dat gevolgen hebben voor verzoeksters aanspraken op een
vergunning tot verblijf Voorop moet staan, dat hetgeen bij het nader gehoor –
en eventueel bij de correcties en aanvullingen – is verklaard, uitgangspunt
moet vormen bij de beoordeling van de aanvragen. Ten aanzien van een
essentiële latere mededeling zal een verklaring voorhanden moeten zijn waarom
de desbetreffende mededeling niet in een eerder stadium is gedaan. De aard
van de gebeurtenis waarop verzoekster zich beroept, laat open dat een
dergelijke omstandigheid hier aanwezig is. Verzoekster heeft daarover naar
voren gebracht dat het in haar cultuur moeilijk is hierover te spreken. Een
en ander leidt ertoe dat – in het kader van de behandeling van het bezwaar –
de mededeling omtrent de verkrachting nader dient te worden onderzocht. De
aard van de mededeling verzet zich tegen een verder onderzoek ter zitting. In
dit verband verdient vermelding dat uit het verslag van het nader gehoor niet
blijkt of verzoekster is gehoord door een mannelijke of een vrouwelijke
contactambtenaar, terwijl verweerder daarover ter zitting ook geen
duidelijkheid kon verschaffen. Bij deze stand van zaken kan aan het bezwaar
een redelijke kans van zaken niet worden ontzegd, zodat op deze basis het
verzoek tot opschorting van de uitzetting hangende de bezwaarfase toegewezen
dient te worden.

In het beroep ex artikel 34a Vw

2.16 Omtrent het beroep tegen de opgelegde maatregel op grond van artikel 18b
Vw verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Rechtseenheidskamer (REK)
van deze rechtbank van 4 juli 1996, registratienummer AB 96/3614. In die
uitspraak is -samengevat- overwogen dat de maatregel van artikel 18b Vw in
het kader van de AC-procedure te Schiphol kan worden toegepast, mits
oplegging van de 18b-maatregel voor de veiligstelling van de uitvoerbaarheid
van de last tot uitzetting noodzakelijk is.

2.17 De REK oordeelt dat steeds op basis van individuele feiten en
omstandigheden beoordeeld dient te worden, of er indicaties zijn die erop
wijzen dat de afgewezen asielzoeker zich aan toezicht en verwijdering zal
onttrekken, en die toepassing van de maatregel van artikel 18b Vw
noodzakelijk maken. Van dergelijke indicaties kan bijvoorbeeld sprake zijn,
indien de asielzoeker onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn reis of
identiteit, het asielrelaas ongeloofwaardig is, de asielzoeker zich van zijn
al dan niet valse of vervalste reisdocumenten heeft ontdaan of de asielzoeker
zijn retourticket heeft verscheurd.

2.18 Indien op basis van individuele feiten en omstandigheden de conclusie is
gerechtvaardigd dat toepassing van de maatregel van artikel 18b Vw
noodzakelijk is voor de veiligstelling van de uitvoerbaarheid van de last tot
uitzetting dient verweerder vervolgens na te gaan, of toepassing van de
maatregel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid
gerechtvaardigd is te achten. Toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel
van artikel 18b Vw dient in ieder geval achterwege te blijven indien de
vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en daartoe ook de
gelegenheid bestaat. Voorts bestaat de mogelijkheid dat, vanwege de
gezondheidstoestand of gezinssituatie van de afgewezen asielzoeker,
toepassing van de maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te
achten.

2.19 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de beslissing van 17
december 1997 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom toepassing van de
maatregel van artikel 18b Vw noodzakelijk was. In de beschikking heeft
verweerder de toepassing van de maatregel gemotiveerd met een algemene
verwijzing naar de uitspraken van de REK van 4 juli 1996. Voorts heeft
verweerder in dit kader overwogen dat de asielaanvraag op volstrekt
ontoereikende gronden is ingediend. Tenslotte heeft verweerder overwogen dat
is gebleken dat verzoekster zich heeft ontdaan van documenten waaruit haar
identiteit dan wel nationaliteit zou kunnen blijken en dat zij niet meer in
het bezit is van haar retourticket.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van hetgeen verzoekster
omtrent dit laatste tijdens het eerste en het nader gehoor heeft verklaard,
namelijk dat zij haar paspoort in Colombo heeft achtergelaten en zij de
reisdocumenten nimmer in handen heeft gehad, niet zonder nader onderzoek
heeft kunnen concluderen dat zij zich van deze stukken heeft
ontdaan. Voorts merkt de rechtbank op dat de overweging van
verweerder, dat het asielverzoek van verzoekster op volstrekt ontoereikende
gronden is ingediend, gelet op de genoemde uitspraken van de REK in dit kader
niet relevant is. Verweerder heeft niet overwogen dat het asielrelaas van
verzoekster ongeloofwaardig is.
2.20 gelet op het voorgaande is de toepassing van de vrijheidsbenemende
maatregel ex artikel 18b Vw onrechtmatig wegens een onvoldoende
draagkrachtige motivering. Het beroep ex artikel 34 Vw tegen de toepassing
van deze maatregel is derhalve gegrond. Het feit dat de toepassing van deze ,
maatregel van toezicht wordt opgeheven, laat onverlet verweerders bevoegdheid
een (andere) maatregel van toezicht op verzoekster toe te passen.

2.21 Omtrent de toekenning van de schadevergoeding wordt als volgt overwogen.
Nu de toepassing van de maatregel van artikel 18b Vw van het begin af
onrechtmatig is geweest wordt, gelet op het in het Grenshospitium geldende
regime, een schadevergoeding toegekend van ƒ 100 per dag over 14 dagen.

In de voorlopige voorziening en het beroep ex artikel 34a Vw

2.22 De president ziet aanleiding verweerder in de voorlopige voorziening met
toepassing van artikel 8:84, vierde lid, 8:75, eerste lid, Ab te veroordelen
in de door verzoekster gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het
bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn met
inachtneming van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ
1.420 (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter
zitting, wegingsfactor 1).

2.23 De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82,
vierde lid, Ab, te bepalen dat verweerder aan verzoekerster het voor het
verzoek om een voorlopige voorziening betaalde griffierecht ad ƒ 50 zal
vergoeden.

2.24 In het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel zal verweerder
worden veroordeeld in de proceskosten, gesteld op ƒ 710 (1 punt voor het
beroepschrift).

3 Beslissing
De fungerend president:

3.1 verklaart het beroep, gericht tegen de nietínwilliging van de aanvraag om
toelating als vluchteling ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe.

3.3. veroordeelt verweerder in de in het kader van het onderzoek om een
voorlopige voorziening gemaakte proceskosten ad ƒ 1.240 onder aanwijzing van
de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier
van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.4. wijst de staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door verzoekster betaalde griffierrecht ad ƒ 50.

De rechtbank:

3.5. verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel gegrond en
beveelt de opheffing van de maatregel van de vreemdelinge met ingang van 30
december 1997;

3.6. wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding toe;

3.7. kent aan de vreemdelinge ten laste van de Staat (Ministerie van
Justitie) een vergoeding toe van ƒ 1.400 (zegge veertienhonderd gulden), uit
te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem,
moet voldoen.

Rechters

Mr De Groot

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 30 december 1997

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Vrouw heeft bij de rechtbank kinderbijdrage gevorderd van de biologische
vader. Het kind heeft een wettige vader (vrouw was gehuwd met een Turkse man,
waarmee zij geen gemeenschap heeft gehad en die geen bekende woon- of
verblijfplaats heeft). De rechtbank wijst het verzoek af omdat de biologische
vader geen gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM met het kind heeft gehad.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure.

De rechtbank heeft kennis vernomen van de volgende stukken:
– het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen ter
griffie op 6 mei 1997;
– het verweerschrift van de man.

De zaak is behandeld ter terechtzetting van 30 september 1997. Verschenen
zijn partijen en hun raadslieden (mr. L. Broekhoven namen mr. F.W.H. Weelen).
Het van de zitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

2. De inleiding.

De vrouw is ruim 6 jaar, te weten van 10 juli 1989 tot 1 augustus 1995 gehuwd
geweest met K, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten
Nederland. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden. Uit het huwelijk van
de vrouw en K is op 28 juli 1993 Sharona geboren.

Bij (echtscheidings)beschikking van 31 maart 1995 is de vrouw benoemd tot
voogdes en mevrouw S tot toeziend voogdes over Sharona voornoemd.

3. Het verzoek, de grondslag daarvan en het verweer.

De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man met ingang van de datum
van indiening van het verzoekschrift met een bedrag van ƒ 250 per maand dient
bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van Sharona. De vrouw
legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij in het conceptietijdvak met de
man geslachtsgemeenschap heeft gehad, de man de biologische vader is van
Sharona en hij de draagkracht heeft voornoemde kinderalimentatie te voldoen.
Ter terechtzitting heeft de vrouw haar verzoek aangevuld en verzocht te
bepalen dat de man dient mee te werken aan een DNA-onderzoek ter vaststelling
van het biologisch vaderschap van Sharona.

De man voert verweer. Hij betwist de verwekker van Sharona te zijn. Weliswaar
heeft hij in het conceptietijdvak een relatie gehad met de vrouw, maar de
vrouw heeft in dat tijdvak ook andere sexuele relaties gehad, zodat niet vast
staat dat hij de biologische vader is. Aangezien hij door de vrouw nimmer op
de hoogte is gesteld van het feit dat uit hun relatie een kind is geboren,
acht hij dat vaderschap ook niet aannemelijk
Voor zover komt vast te staan dat hij de verwekker van Sharona is, betwist de
man dat Sharona behoefte heeft aan een bijdrage van meer dan ƒ 170 per maand.
Voor de bepaling van de omvang van de behoefte van Sharona aan een bijdrage
is uitsluitend het bijstandsinkomen van de vrouw bepalend, omdat hij en de
vrouw nimmer een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

De vrouw heeft daartegenover nog aangevoerd dat zij slechts een
schijnhuwelijk met K had en met hem nimmer sexuele gemeendschap heeft gehad,
zodat K niet de biologische vader van Sharona kan zijn.

4. De beoordeling.

Sharona is staande het huwelijk van de vrouw en K geboren. Niet gesteld noch
gebleken is dat K het vaderschap van Sharona rechtens heeft ontkend. Derhalve
staat vast dat K de wettige vader is van Sharona.

Beoordeeld dient te worden of het verzoek van de vrouw tot vaststelling van
kinderalimentatie toewijsbaar is indien zou komen te staan dat de man de
biologische vader van Sharona is.

Ingevolge het wettelijk stelsel (afdeling 1 titel 17 van Boek 1 BW) heeft een
wettig kind – afgezien van mogelijke aanspraken jegens een stiefouder –
slechts jegens zijn wettige ouders aanspraak op voorziening in de kosten van
zijn verzorging en opvoeding. Derhalve bestaat geen aanspraak jegens de man
als biologische vader zolang het kind een ander tot wettige vader heeft.
Weliswaar kan deze regel onder omstandigheden op grond van artikel 8 van het
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) worden doorbroken, doch
voorwaarde daarvoor is dat sprake is van een als famlie- en gezinsleven in de
zin van artikel 8 EVRM aan te merken betrekking tussen de man en Sharona. Dit
laatste is niet gesteld en evenmin gebleken.

Voorts is naar huidig én toekomstig recht een gerechtelijke vaststelling van
het vaderschap niet mogelijk indien het kind al een vader heeft.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de vrouw dient te worden
afgewezen.
De vrouw zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de
proceskosten.

BESLISSING

De rechtbank:
– wijst het verzoek af;
– verwijst de vrouw in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de man
begroot op ƒ 1.713, bestaande uit ƒ 1.1420 salaris procureur, ƒ 73,25 door de
man betaald vast recht en ƒ 221,75 in debet gesteld vast recht, te voldoen
aan de griffier van deze rechtbank, bij voorkeur door gebruik te maken van de
vanwege de griffier toe te zenden acceptgirokaart.

Rechters

Mr Waaijers

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 december 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een moslimmeisje draagt vanwege haar godsdienstige overtuiging een hoofddoek.
Op twee scholen, waar het meisje ingeschreven was, mocht zij haar hoofddoek
tijdens de gymlessen niet dragen vanwege de veiligheidsrisico’s. Haar ouders
dienden daarop een klacht in bij de Commissie. Zij stellen dat de scholen
onderscheid hebben gemaakt op grond van godsdienst. De Commissie bepaalt
dat geen sprake is van direct onderscheid op grond van godsdienst. De grond
voor het onderscheid is gelegen in een vanwege veiligheidsredenen gehanteerde
kledingeis. Er is wel sprake van een indirect onderscheid omdat de kledingeis
onevenredig meer personen treft die vanwege hun moslim-geloofsovertuiging
een hoofddoek dragen dan anderen. De Commissie oordeelt echter dat gezien
de veiligheid van het kind in dit geval voor het gemaakte onderscheid een
objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst


4.5. Ten aanzien van de vraag of dit middel geschikt en noodzakelijk is,
overweegt de Commissie als volgt.

Vaststaat dat, hoewel beide wederpartijen eenzelfde beleid voeren ten aanzien
van het dragen van een hoofddoek tijdens de gymlessen en daartoe dezelfde
argumenten aandragen, de feitelijke situaties verschillend zijn. Met name
is daarbij van belang dat bij school 1 het dragen van de traditionele hoofddoek
in geding was, terwijl bij school 2 het betwiste handelen van wederpartij
2 tevens de gymhoofddoek betrof die door verzoekster vanwege de gerezen
problemen speciaal voor de gymlessen was gemaakt.
De Commissie overweegt dat niet in zijn algemeenheid geoordeeld kan worden
over een verbod op het dragen van een hoofddoek tijdens gymlessen of bewegingslessen.
Daartoe zijn de precieze situatie en de concrete omstandigheden van belang.
Het feit dat de wederpartijen de hoofddoek tijdens de bewegingslessen wel
toestaan in de onderbouw maar niet in de midden- en bovenbouw, geeft reeds
aan dat de risico’s van het dragen van een hoofddoek samenhangen met onder
andere de aard van de bewegingssituaties en -oefeningen. Het feit dat de
dochter van verzoekers wel mocht gymmen met het korte, in de nek vastgeknoopte
hoofddoekje en dat ook een mutsje was toegestaan, geeft tevens aan dat
de veiligheidsrisico’s niet gelegen zijn in de hoofdbedekking op zichzelf
maar in de wijze waarop het hoofd wordt bedekt. Ook het door de wederpartijen
gestelde met betrekking tot de didaktische methode -de circuitvorm- noopt
tot een beoordeling van de klacht van verzoekers in de context van de concrete
feiten en omstandigheden. Daarom toetst de Commissie het handelen van beide
wederpartijen afzonderlijk. De Commissie toetst daarbij allereerst het
handelen van wederpartij 2.

4.6. De Commissie stelt vast dat de gymhoofddoek niet -evenmin als de traditionele
hoofddoek- bij de dochter van verzoeker onder de kin is vastgeknoopt zoals
de wederpartijen stellen, maar onder de kin is vastgenaaid. Daarbij zijn
de stofdelen niet op elkaar gestikt, maar zodanig genaaid dat deze elkaar
niet overlappen maar op elkaar aansluiten. De Commissie heeft uit eigen
waarneming ter zitting vastgesteld, dat de gymhoofddoek bij de oefeningen
van de jongste dochter van verzoekers op geen enkele wijze verschoof en
haar zicht in het geheel niet werd belemmerd door het dragen van de hoofddoek.

Tevens moet echter worden geconstateerd dat, toen verzoekster demonstreerde
hoe de doek zou scheuren als deze zou blijven haken, de doek hooguit een
steekje losliet terwijl het hoofd van verzoeksters dochter zijdelings met
een ruk naar haar schouder werd getrokken. Het is mogelijk dat de stof
van de gymhoofddoek gemakkelijk scheurt indien deze van twee kanten uit
elkaar wordt getrokken. Bij het nabootsen van een situatie zoals die zich
tijdens de gymles kan voordoen, namelijk het aan één kant blijven haken,
moet worden geconstateerd dat de doek niet scheurt. Op grond van deze waarneming
acht de Commissie het zeker niet uitgesloten dat, indien de dochter van
verzoekers met haar gymhoofddoek daadwerkelijk zou blijven haken, dit een
veiligheidsrisico voor haarzelf vormt en mogelijk -afhankelijk van de situatie-
ook voor medeleerlingen.
Doordat de gymhoofddoek niet scheurde, heeft de Commissie niet kunnen nagaan
of door en na het scheuren een situatie zou kunnen ontstaan die een veiligheidsrisico
met zich brengt, bijvoorbeeld doordat de hoofddoek door het wegglijden
het zicht zou kunnen belemmeren.
De Commissie voegt hieraan toe dat de didaktische werkwijze van de wederpartijen
het belang van een optimale veiligheid onderstreept. Immers, in lijn met
het door de wederpartijen en in de verklaringen van de door hen aangevoerde
deskundigen gestelde, kan worden gesteld dat door het niet klassikaal lesgeven
maar het hanteren van de ‘circuitvorm’, extra alertheid nodig is op de
veiligheidsrisico’s.
Op grond van het voorgaande acht de Commissie het handelen van wederpartij
2 vanwege het niet scheuren van de gymhoofddoek, mede gelet op de specifieke
leswijze, objectief gerechtvaardigd.

Met betrekking tot het door verzoekers gestelde over het dragen van een
hoofddoek in speeltuinen tijdens schoolreisjes, overweegt de Commissie
als volgt. Hoewel kinderen in de basisschoolleeftijd ook in speeltuinen
kunnen experimenteren met de daar aanwezige toestellen, is de stelling
van de wederpartijen dat het bij gymmen in ieder geval om nieuwe bewegingsvormen
gaat, juist. De Commissie voegt hieraan toe, dat dit verplicht is. Daar
komt bij dat -anders dan in de gymles waar één leerkracht met een gehele
klas in circuitvorm werkt- bij de wederpartijen op schoolreis sprake is
van een volwassene die een klein en te overzien aantal kinderen begeleidt.
Gelet op het voorgaande gaat naar het oordeel van de Commissie de vergelijking
van het bezoek aan speeltuinen tijdens schoolreisjes met de gymlessen niet
geheel op.

Ten aanzien van de verwijzing door verzoekers naar de verklaring van twee
scholen waar het dragen van een hoofddoek tijdens de gymles wel is toegestaan,
overweegt de Commissie als volgt. Zoals hiervoor reeds aangeduid acht de
Commissie het van belang de onderhavige problematiek te beoordelen met
in achtneming van de concrete feiten en omstandigheden.

Om die reden acht de Commissie bedoelde verklaringen onvoldoende om tot
een ander oordeel in deze zaak te komen.

4.7. Ten aanzien van het handelen van wederpartij 1 overweegt de Commissie
als volgt.
Bij school 1 is het dragen van de traditionele hoofddoek tijdens de gymles
geweigerd vanwege de veiligheidsrisico’s. Verzoekster heeft ter zitting
verklaard dat de door haar gemaakte gymhoofddoek bij het gedeelte onder
de kin losser was genaaid dan bij de traditionele hoofddoek, opdat de gymhoofddoek
gemakkelijker zou kunnen scheuren. Nu, zoals hierboven aangegeven, de gymhoofddoek
ook bij een ruk met enige kracht niet scheurde, leidt dit tot de conclusie
dat dit zeker niet zal geschieden bij de traditionele hoofddoek.
De Commissie is derhalve van oordeel dat ook het handelen van wederpartij
1 objectief gerechtvaardigd is.

4.8. Wellicht ten overvloede merkt de Commissie tot slot het volgende op.
Hoewel in deze zaak het handelen van de wederpartijen objectief gerechtvaardigd
is, sluit de Commissie niet uit dat een hoofddoek gemaakt kan worden, die
enerzijds voldoet aan minimalisering van veiligheidsrisico’s tijdens de
gymles en anderzijds niet strijdt met de godsdienstige overtuiging van
verzoekers.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Dagelijks Bestuur van
het Stadsdeel Osdorp te Amsterdam alsmede het Dagelijks Bestuur van het
Stadsdeel Zeeburg te Amsterdam jegens de heer (….) en mevrouw (….)
te Amsterdam
– indirect onderscheid op grond van godsdienst hebben gemaakt als bedoeld
in artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Algemene wet gelijke behandeling
– welk onderscheid objectief gerechtvaardigd is
– en derhalve niet in strijd hebben gehandeld met genoemde wet.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst(lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 december 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Het Ministerie van Binnenlandse Zaken past een reiskosten-regeling toe
op basis waarvan politieambtenaren een vergoeding in de reiskosten kunnen
krijgen. Van deze vergoeding wordt een eigen bijdrage afgetrokken. De eigen
bijdrage is voor voltijd- en deeltijdwerkers gelijk. Het Ministerie verzocht
de Commissie te onderzoeken of deze regeling in strijd is met de Wet Onderscheid
Arbeidsduur (WOA) en zo ja, om een aanbeveling te doen hoe deze regeling
aangepast moet worden.
De Commissie oordeelt dat uit de WOA volgt dat de verhouding tussen de
werkelijke kosten en wat een ambtenaar zelf moet betalen gelijk moet zijn
ongeacht de arbeidsduur. De voorgelegde regeling voldoet niet aan deze
eis en maakt derhalve onderscheid naar arbeidsduur, aldus de Commissie.
Indien de eigen bijdrage zou worden vastgesteld aan de hand van het aantal
werkdagen per week van de ambtenaar of als percentage van de werkelijke
kosten, is geen sprake van onderscheid naar arbeidsduur.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 24 juli 1997 verzocht de Minister van Binnenlandse Zaken te Den
Haag (hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie)
haar oordeel uit te spreken over de vraag hoe de Regeling verplaatsingskosten
politie moet voorzien in een tegemoetkoming voor reiskosten woon- werkverkeer
die in overeenstemming is met het wettelijke verbod tot onderscheid op
grond van arbeidsduur.

1.2. Verzoeker hanteert een vergoedingsregeling voor woon- werkverkeer
waarbij voor alle werknemers een vaste eigen bijdrage geldt.
Zij is van mening dat deze regeling in strijd is met het verbod op onderscheid
naar arbeidsduur en wenst te vernemen op welke wijze de eigen bijdrage
kan worden vastgesteld zodanig dat niet in strijd met dat verbod wordt
gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Verzoeker heeft de Commissie aanvullende informatie verstrekt.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie verzoeker opgeroepen voor een zitting
op 25 november 1997.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– mw. (….) (vertegenwoordiger Minister van
Binnenlandse Zaken)
– dhr. (….) (Nederlandse Politiebond, deskundige)
– dhr. (….) (Algemene Christelijke Politiebond, deskundige)
– dhr. (….) Van Veen (Ministerie van Binnenlandse Zaken,
deskundige).

van de kant van de Commissie
– mw. Prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. Prof. mr A.W. Heringa (lid Kamer)
– mw. mr drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Op politieambtenaren is het Besluit vergoeding verplaatsingskosten
politie van toepassing (hierna: het Besluit) (Besluit van 16 maart 1994,
tot regeling van de vergoeding van verplaatsingskosten ten behoeve van
de Politie, Staatsblad 1994, 218.). Artikel 11 van het Besluit bepaalt
in het eerste lid onder andere dat een betrokkene in de zin van het Besluit
aanspraak heeft op een tegemoetkoming in de kosten voor het dagelijks reizen
tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, indien de te reizen afstand
meer dan 10 kilometer bedraagt. De tegemoetkomingen worden vastgesteld
volgens door de verzoeker vast te stellen regels (artikel 7 Besluit).

In de Regeling vergoeding verplaatsingskosten politie (hierna: de Regeling)
zijn de regels met betrekking tot de vaststelling van de tegemoetkomingen
vastgelegd (Beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 mei
1994, nr. EA94/U1082, houdende de Regeling vergoeding verplaatsingskosten,
Staatscourant 1994, 103.). Artikel 10, eerste lid, van de Regeling luidt:
” De tegemoetkoming in de reiskosten, bedoeld in artikel 11, eerste lid,
van het Besluit, is gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer naar
de hoogste klasse met een maximum van ƒ 188,00 per maand.”
Indien een werkplek niet met het openbaar vervoer te bereiken is, is een
andere vergoeding van toepassing die is gedifferentieerd naar het aantal
dagen per week (artikel 10, tweede en derde lid, Regeling).
Het vierde lid van artikel 10 Regeling bepaalt:
” De tegemoetkoming in de reiskosten wordt verminderd met een bedrag van
ƒ 84,50 met dien verstande dat een tegemoetkoming van ƒ 5,00 of minder
niet wordt uitbetaald.”

Artikel 11 Regeling bepaalt onder andere de hoogte van de vergoeding voor
reiskosten die worden gemaakt door verhuisplichtige ambtenaren die er niet
in zijn geslaagd te verhuizen. In het tweede en derde lid van dit artikel
wordt de vergoeding vastgesteld ingeval de werkplek voor de betrokken ambtenaar
niet per openbaar vervoer te bereiken is. (De tegemoetkoming wordt eveneens
verminderd met een bedrag van ƒ 84,50 (artikel 11, vierde lid, Regeling).)

Artikel 12 van de Regeling bepaalt dat de in artikel 10, derde lid, en
in artikel 11, derde lid, genoemde bedragen, naar evenredigheid worden
verminderd, indien een betrokkene in de zin van de werktijdregeling niet
dagelijks naar de plaats van tewerkstelling reist.

De regeling voor de aftrek van reiskosten voor woon- werkverkeer in de
Wet op de Loonbelasting houdt onder andere in dat de aftrekbaarheid van
reiskosten afhankelijk is van diverse factoren, zoals de afstand tussen
woonplaats en werk en het aantal dagen waarop gereisd wordt. De vergoedingen
die van de werkgever zijn ontvangen ter tegemoetkoming in de reiskosten
moeten daarop in mindering worden gebracht.

De standpunten van verzoeker

3.2. Verzoeker stelt het volgende.

De Regeling kent aan de daarvoor in aanmerking komende ambtenaren een reiskostenvergoeding
toe die rekening houdt met het aantal werkdagen van de ambtenaar (Indirect:
namelijk via de werkelijke kosten, die hoger zullen zijn indien men meer
dagen werkt.). Verzoeker is van mening dat deeltijdwerkers benadeeld worden
door de Regeling omdat deze een vaste eigen bijdrage kent, ongeacht de
omvang van de dienstbetrekking.

Ten behoeve van de voorbereiding van een regeling die voldoet aan de normstelling
van de wetgeving inzake het verbod tot het maken van onderscheid op grond
van arbeidsduur, wenst verzoeker van de Commissie te vernemen aan de hand
van welke criteria de genoemde eigen bijdrage dient te worden vastgesteld.
Verzoeker denkt hierbij aan de volgende mogelijkheden:
– op basis van de gecontracteerde arbeidsduur;
– op basis van het aantal werkdagen per week;
– op basis van de te maken kosten.

Verzoeker geeft aan dat de huidige regeling al lang bestaat, zij het dat
in de loop der jaren kleine technische aanpassingen hebben plaats gevonden.
Wat precies de bestaansreden van de eigen bijdrage is, valt niet goed te
traceren. Naast overwegingen die betrekking hebben op de ‘eigen keuze’
van de werknemer om niet in de standplaats te wonen, hebben fiscale aspecten
een rol gespeeld. Vergoedingen voor reiskosten worden namelijk in het kader
van de loonbelastingheffing bij het inkomen opgeteld, met dien verstande
dat er een vrijstelling geldt tot een bepaald maximumbedrag: het reiskostenforfait.
Door middel van de eigen bijdrage wilde men voorkomen dat de vergoeding
boven de vrijstelling uitkomt.
Hoe deze bedragen precies tot stand komen en hoe deze zich verhouden tot
de eigen bijdrage is verzoekster niet bekend.

Er zijn verschillende redenen om de regeling te heroverwegen. Naast de
gelijke behandeling van deeltijdwerkers en voltijdwerkers speelt een rol
dat bij een toekomstige 36-urige werkweek het mogelijk wordt om vier dagen
per week (a negen uur per dag) te werken. Voor de kosten van het openbaar
vervoer maakt dit niet altijd verschil: een abonnement is voor vijf dagen
net zo duur als voor vier dagen.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag op welke wijze een eigen bijdrage in de reiskosten
kan worden vastgesteld, zodanig dat niet in strijd wordt gehandeld met
het verbod op onderscheid naar arbeidsduur.

4.2. Allereerst onderzoekt de Commissie of artikel 125g Ambtenarenwet hier
van toepassing is.
Artikel 125g, eerste lid, Amtenarenwet (AW) bepaalt dat het bevoegd gezag
geen onderscheid mag maken tussen ambtenaren op grond van een verschil
in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een aanstelling wordt verleend,
verlengd of wordt beëindigd, tenzij een dergelijk onderscheid objectief
gerechtvaardigd is (Dit artikel is in de Ambtenarenwet opgenomen bij Wet
van 3 juli 1996, houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de Ambtenarenwet
in verband met het verbod tot het maken van onderscheid tussen werknemers
naar arbeidsduur (WOA).).

Tussen verzoeker en ambtenaren op wie de voorliggende reiskostenvergoedingsregeling
betrekking heeft, bestaat geen arbeidsverhouding in de zin van artikel
125g Ambtenarenwet (hierna: AW). Dit artikel is ingevoegd in de AW op basis
van artikel II van de WOA en richt zich tot het bevoegd gezag. Verzoeker
is niet aan te merken als het bevoegd gezag ten aanzien van de ambtenaren
op wie de regeling en het Besluit van toepassing zijn.

Artikel III eerste lid van de WOA bepaalt onder andere dat het maken van
onderscheid op grond van een verschil in arbeidsduur is verboden bij de
voorwaarden waaronder een aanstelling wordt verleend, verlengd dan wel
beëindigd, tenzij een dergelijk onderscheid objectief is gerechtvaardigd.
Genoemd artikel is naar aanleiding van een amendement in de WOA opgenomen.
In de toelichting op dit amendement is onder andere opgemerkt dat dit amendement
ertoe strekt het verschil in werkingssfeer tussen de WOA, dat oorspronkelijk
uitsluitend zag op de relatie werknemer-werkgever, c.q. ambtenaar-bevoegd
gezag, en artikel 5 Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) op te heffen.
Beoogd werd om door toevoeging van het amendement, zoals omschreven in
artikel III, lid 1, WOA te voorkomen dat er sprake zou kunnen zijn van
een dubbele rechtsgang en van het toepassen van de uit twee verschillende
wetten (de WOA en de AWGB) voortvloeiende toetsingskaders op dezelfde handeling
of bepaling (Tweede Kamer, 1995-1996, 24498, nr. 10.).

De norm van artikel 5 AWGB richt zich ook tot anderen dan de werkgever
in arbeidsrechtelijke/ambtenaarrechtelijke zin, met inbegrip van degenen
die betrokken zijn bij de (totstandkoming van) de arbeidsvoorwaarden. Reeds
eerder heeft de Commissie geconstateerd dat de norm van artikel 5 AWGB
zich derhalve richt tot de Minister indien deze betrokken is geweest bij
de totstandkoming van het bestreden besluit (Commissie gelijke behandeling,
28 april 1997, oordeel 97-54.).

Nu artikel III WOA de uitdrukkelijke strekking heeft het toetsingskader
van die wet af te stemmen op dat van artikel 5 AWGB, komt de Commissie
tot de conclusie dat artikel III WOA op het handelen van verzoekster van
toepassing is.

4.3. In de Memorie van Toelichting (MvT) bij de WOA wordt opgemerkt dat
het verbod op onderscheid naar arbeidsduur onder andere betrekking heeft
op arbeidsvoorwaarden in ruime zin, zoals deze in de desbetreffende rechtspositieregelingen
en in andere algemeen verbindende voorschriften in verschillende overheidssectoren
zijn opgenomen (Tweede Kamer, 1995-1996, 24498, nr. 3, p. 23.). Nu het
hier gaat om een tegemoetkoming die voortvloeit uit de dienstbetrekking
van een ambtenaar met het bevoegd gezag en waar de ambtenaar uit hoofde
van zijn betrekking recht op heeft, kan worden gesproken van een arbeidsvoorwaardelijke
regeling, zoals bedoeld in de WOA.

Het voorgaande betekent in concreto dat artikel III WOA van toepassing
moet worden geacht op de onderhavige rechtspositieregeling (Zie in overeenkomstige
zin: Handelingen Tweede Kamer, 13 maart 1996, 61-4316.).

4.4. Het verzoek spitst zich toe op de regeling voor de eigen bijdrage
voor reiskosten. De Commissie stelt echter vast, dat de eigen bijdrage
regeling bezien moet worden in samenhang met de totale regeling voor de
vergoeding van de reiskosten woon-werkverkeer, omdat het antwoord op de
vraag of er sprake is van een ongeoorloofd onderscheid bij de bepaling
van de eigen bijdrage nauw samenhangt met de totale tegemoetkoming, die
(mede) afhangt van de feitelijke kosten.

Verzoekster legt niet een concrete regeling voor maar vraagt de Commissie
criteria te geven aan de hand waarvan de eigen bijdrage in de reiskosten
kan worden vastgesteld. Zij noemt daarvoor zelf drie mogelijkheden, naast
de thans vigerende regeling.

In feite liggen dus vier verschillende mogelijkheden voor ten aanzien van
de eigen bijdrage regeling, in het kader van een reiskosten regeling die
een vergoeding afhankelijk stelt van de werkelijke kosten.
1) Eigen bijdrage is gelijk ongeacht de omvang van de
dienstbetrekking (de huidige regeling);
2) Eigen bijdrage wordt vastgesteld aan de hand van de
gecontracteerde arbeidsduur;
3) Eigen bijdrage wordt vastgesteld aan de hand van het
aantal werkdagen per week;
4) Eigen bijdrage wordt vastgesteld aan de hand van de te maken kosten.

4.5. De systematiek die volgens de MvT bij toetsing of een regeling in
strijd is met de WOA, in casu artikel III WOA, moet worden toegepast, is
als volgt. Eerst moet worden onderzocht of sprake is van een benadeling
op grond van arbeidsduur. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord,
moet bekeken worden of het onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
In de MvT wordt opgemerkt dat het van de aard en de strekking van de betrokken
arbeidsvoorwaarde afhangt of toekenning naar rato van het aantal arbeidsuren,
dan wel een identieke behandeling, dan wel een nog andere handelwijze in
overeenstemming is met het beginsel van gelijke behandeling. Per arbeidsvoorwaardelijke
regeling zal derhalve in het licht van aard en strekking van de betreffende
arbeidsvoorwaarde, bezien moeten worden welke gedragslijn uitgangspunt
behoort te zijn. (Tweede Kamer, 1995-1996, 24489, nr. 3, p. 8-9.)

De ratio van de reiskostenvergoedingsregeling, inclusief de eigen bijdrageregeling,
is de werknemer een vergoeding te verstrekken voor de kosten die door hem
worden gemaakt in het kader van de uitoefening van de functie. Door een
eigen bijdrage van de werknemers te vragen wordt ernaar gestreefd, dat
over de vergoeding geen belasting hoeft te worden geheven.
Als de werkgever geen tegemoetkoming verstrekt, betaalt een werknemer zelf
de kosten voor het woon- werkverkeer. De hoogte van die kosten is (onder
andere) afhankelijk van het aantal werkdagen van de werknemer.

In de MvT wordt ten aanzien van regelingen ter vergoeding van onkosten
die samenhangen met de uitoefening van de functie opgemerkt, dat deze beogen
de werknemer van die onkosten te vrijwaren. Daaruit vloeit voort dat de
feitelijk gemaakte kosten uitgangspunt dienen te zijn. De arbeidsduur van
een werknemer mag slechts van invloed zijn op de te verlenen vergoeding,
voorzover de feitelijke hoogte van de onkosten mede door diens arbeidsduur
wordt bepaald. Een werknemer die 20 uur werkt, gespreid over vijf dagen,
zal dus eenzelfde reiskostenvergoeding moeten ontvangen als een collega
die een volle werkweek maakt, maar een lagere indien hij maar drie dagen
per week werkt, aldus de MvT (Tweede Kamer, 1995-1996, 24498, nr. 3, p.
11.).
In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt voorts nog opgemerkt dat
het voor de hand ligt dat de werknemer die in deeltijd verspreid over vijf
dagen per week werkt, benadeeld zou worden als hij niet dezelfde reiskostenvergoeding
zou ontvangen als zijn collega die voltijd werkt. Bij de vergoeding van
de reiskosten betekent voldoen aan de norm daarom dat uitgegaan moet worden
van de feitelijk gemaakte kosten (Tweede Kamer, 1995-1996, 24498, nr. 5,
p. 11-12.).

De Commissie stelt vast dat het, mede gelet op het voorgaande, gelet op
de ratio van de reiskostenvergoeding, in de rede ligt dat een vergoeding
wordt toegekend op basis van de werkelijke gemaakte kosten van de werknemer
samenhangend met het woon- werkverkeer. Indien een werknemer in deeltijd
werkt, maar verspreid over vijf dagen, heeft deze werknemer vijf dagen
reiskosten en zal deze een gelijke vergoeding moeten worden toegekend als
de voltijdwerker die verspreid over vijf dagen werkzaam is (als zij dezelfde
kosten hebben).
De verhouding tussen wat zelf betaald wordt en de werkelijke kosten moet
ongeacht de omvang van de arbeidsduur gelijk zijn, om geen onderscheid
in de zin van de WOA te maken.
Een reiskostenvergoedingsregeling die aan die ratio voldoet, levert geen
benadeling op van deeltijdwerkers en derhalve geen onderscheid in de zin
van artikel III WOA.

4.6. Wanneer er wel sprake is van een regeling die deeltijdwerkers benadeelt,
is de vraag of een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
Voor de objectieve rechtvaardigingstoets geldt dat moet worden aangetoond
dat een handelwijze verklaard kan worden door factoren die niets van doen
hebben met een ongerechtvaardigd onderscheid. De wetgever heeft hiermee
beoogd aan te sluiten bij de criteria die met betrekking tot de objectieve
rechtvaardiging bij indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen door
het Europese Hof van Justitie (HvJEG) zijn ontwikkeld. (HvJ EG, 13 mei
1986, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, zaak 170/84, Jur. 1986, p.
1620; 13 juli 1989, Rinner Kühn versus FWW Spezial Gebäudereinigung GmbH
& Co.KG, zaak 171/88, Jur. 1989, p. 2757.)
De Commissie legt de door het HvJEG in het kader van indirect onderscheid
ontwikkelde toets ter beoordeling van een objectieve rechtvaardiging zodanig
uit, dat getoetst moet worden aan de volgende criteria:
– het nagestreefde doel moet berusten op een werkelijke behoefte (van de
onderneming) en zwaarwegend en legitiem zijn;
– de middelen die gehanteerd worden moeten geschikt zijn om dat doel te
bereiken (doelmatigheid);
– en daarvoor ook noodzakelijk zijn (proportionaliteit) (Tweede Kamer,
1995-1996, 24498, nr. 3, p. 13. Zie ook Commissie gelijke behandeling,
18 juni 1997, oordeel 97-72.).

De Commissie zal nu ten aanzien van de huidige Regeling en de door verzoekster
aangegeven alternatieve mogelijkheden achtereenvolgens bezien of de betreffende
regeling nadeel voor deeltijdwerkers oplevert dan wel op zou leveren en,
indien zulks het geval is, of een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd
is.

4.7. Ten aanzien van de huidige Regeling (optie 1) overweegt de
Commissie als volgt.
De reiskostenvergoeding wordt in de Regeling (ruwweg) afhankelijk gesteld
van de feitelijke kosten (artikel 10, eerste lid, Regeling). Indien deze
kosten lager zijn omdat men maar op drie dagen (in totaal 20 uur) in de
week werkt, betekent dit derhalve dat men ook minder vergoeding krijgt.
Werkt deze werknemer echter hetzelfde aantal uren verspreid over vijf dagen,
heeft de werknemer hogere feitelijke reiskosten en derhalve recht op een
hogere vergoeding. Van de feitelijke kosten van de werknemer die voor vergoeding
in aanmerking komen, moet echter een vaste eigen bijdrage worden afgetrokken.
Dit leidt mogelijkerwijs tot een benadeling van deeltijdwerkers omdat een
vaste eigen bijdrage relatief een hoger beslag legt op lagere reiskosten.
Dit geldt alleen in die gevallen waarin de reiskosten voor deeltijdwerkers
daadwerkelijk lager zijn. Dit hoeft echter niet het geval te zijn, zoals
volgt uit het hiernavolgende voorbeeld.
* A en B wonen beiden op 30 km van hun werk. Zij zijn niet
verhuisplichtig. A werkt voltijd op vijf dagen per week.
B werkt 20 uur verspreid over drie dagen per week. Met het openbaar vervoer
kost het reizen beiden ƒ 20,- per dag.
A betaalt derhalve op maandbasis (maand= vier weken) ƒ 400,- (5*20*4).
B betaalt op maandbasis ƒ 240,- (3*20*4). Van deze bedragen moet voor beiden
hetzelfde bedrag aan eigen bijdrage worden afgetrokken, stel: ƒ 80,-. A
komt derhalve in aanmerking voor een vergoeding van 400-80 = ƒ 320,- (=80%
van de kosten). B voor een vergoeding van 240-80 = ƒ 160, (=66,6% van de
kosten). Gaat B vervolgens over vijf dagen verspreid 20 uur per week werken,
dan krijgt hij net als A ƒ 320,- vergoeding.

Het bedrag van de vaste eigen bijdrage heeft derhalve als resultaat dat
iemand die bijvoorbeeld drie dagen per week werkt, in verhouding een kleiner
deel van zijn reiskosten vergoed krijgt dan iemand die over vijf dagen
per week verspreid werkt, bij gelijke woon- werkafstand.

Uit het voorgaande leidt de Commissie af dat bij een gelijke eigen bijdrage
geen sprake is van een benadeling die alle deeltijdwerkers treft. De eigen
bijdrage regeling heeft echter wel als effect dat mensen die over minder
dan vijf dagen per week verspreid werken, in verhouding een lagere reiskostenvergoeding
krijgen dan mensen die wel vijf dagen per week werken. Mensen die minder
dan vijf dagen per week werken, zullen voor het overgrote deel deeltijdwerkers
zijn. Een vaste eigen bijdrage benadeelt met name deeltijdwerkers en levert
daarmee een voor deeltijdwerkers nadelig onderscheid op grond van arbeidsduur
op.

4.8. Dit vastgesteld hebbende, komt de vraag van de objectieve rechtvaardiging
aan de orde.
Het doel van de regeling voor de eigen bijdrage is gelegen in het opheffen
van eventuele consequenties voor de belastingheffing voortvloeiend uit
de tegemoetkoming in de reiskosten.
De Commissie acht het niet aannemelijk, en verzoekster heeft dit ook niet
duidelijk kunnen maken, dat een vaste, gelijke eigen bijdrage een geschikt
middel is om dit doel te bereiken. Onder de huidige belastingwetgeving
zal de in de belastingsfeer vrijgestelde compensatie voor reiskosten immers
afhankelijk zijn van meerdere, individuele factoren, zoals het aantal dagen
waarop wordt gereisd. Dit zal voor verschillende werknemers verschillend
uitvallen, mede afhankelijk van hun arbeidsduur. Het berekenen van een
gelijke eigen bijdrage ongeacht arbeidsduur kan daarom geen geschikt middel
zijn om het doel te bereiken.
De Commissie concludeert hiermee dat de huidige regeling voor de eigen
bijdrage in de reiskosten woon-werkverkeer (optie 1) in strijd is met de
WOA.

4.9. De Commissie toetst vervolgens de volgende door verzoekster
genoemde mogelijkheid volgens de hierboven onder 4.6. beschreven systematiek.
De door verzoekster gesuggereerde optie 2, namelijk dat de eigen bijdrage
aan de hand van gecontracteerde arbeidsduur wordt vastgesteld, kan eveneens
leiden tot nadeel op grond van arbeidsduur. Deze optie houdt er immers
geen rekening mee dat de gecontracteerde arbeidsduur niet altijd van invloed
is op de werkelijke kosten in verband met het aantal werkdagen.
Optie 2 kan sommige deeltijdwerkers bevoordelen ten opzichte van andere
deeltijdwerkers, maar impliceert in ieder geval een mogelijke benadeling
van voltijdwerkers, bijvoorbeeld wanneer een deeltijdwerker die 50% van
de volledige werktijd werkt, dat doet op vijf dagen per week, en dus dezelfde
reiskosten heeft als een voltijdwerker, maar minder eigen bijdrage hoeft
te betalen.
Zij voldoet niet aan de ratio dat de hoogte van de vergoeding slechts mag
worden beïnvloed door de arbeidsduur, voorzover de feitelijke hoogte van
de onkosten mede door de arbeidsduur wordt bepaald. Gevallen waarin niet
aan die ratio wordt voldaan, leiden tot benadeling op grond van arbeidsduur
die een door de WOA verboden onderscheid naar arbeidsduur oplevert. Voor
dit onderscheid is geen objectieve rechtvaardiging aangevoerd.

4.10. Dan resteren de mogelijkheid om de eigen bijdrage op basis van het
aantal werkdagen vast te stellen (optie 3) en de mogelijkheid om deze aan
de hand van de te maken kosten vast te stellen (optie 4).

In de derde optie wordt rekening gehouden met de arbeidsduur voorzover
deze relevant is voor de feitelijke hoogte van de onkosten. De Commissie
stelt vast dat optie 3 geen benadeling van deeltijdwerkers oplevert.
De deeltijdwerker die verspreid over vijf dagen per week werkt en de voltijdwerker
krijgen immers nog steeds een gelijke reiskostenvergoeding bij gelijke
woonwerkafstand. Een deeltijdwerker die drie dagen per week werkt, krijgt
bij gelijke reisafstanden, in verhouding een even groot deel vergoed als
een voltijdwerker of degene die de afstand woon/werk vaker dan 3 keer per
week aflegt.

Wellicht ten overvloede merkt de Commissie hierbij op, dat het rekening
houden met de arbeidsduur voorzover relevant voor de feitelijke hoogte
van de onkosten er toe kan leiden, dat géén verschil in eigen bijdrage
gemaakt mag worden in de situatie dat de kosten bijvoorbeeld gelijk zijn
ongeacht of er door de werknemer verspreid over vier of over vijf dagen
wordt gewerkt (in verband met de kosten van openbaar vervoers-abonnementen).
De verhouding tussen wat zelf betaald moet worden en de feitelijke kosten
moet immers, zoals gesteld in 4.6. gelijk zijn voor degenen die verspreid
over vier dan wel vijf dagen werken.

Ook in de vierde optie wordt rekening gehouden met de arbeidsduur voorzover
deze relevant is voor de feitelijke hoogte van de onkosten. Dit is echter
minder duidelijk dan bij optie 3 omdat de feitelijke hoogte van de kosten
en daarmee indirect het aantal werkdagen bepalend is voor de hoogte van
de eigen bijdrage.
Deze mogelijkheid heeft alleen dan geen nadelig effect voor deeltijdwerkers
als een vast percentage van de kosten die voor vergoeding in aanmerking
komen (en niet een vast bedrag) aan eigen bijdrage afgetrokken moet worden.
Immers, zoals gesteld in 4.6. moet de verhouding tussen de werkelijke kosten
en wat zelf betaald wordt gelijk blijven ongeacht de arbeidsduur van de
werknemers.
Ter illustratie een voorbeeld (Bij dit voorbeeld wordt uitgegaan van de
situatie zoals geschetst in het voorbeeld onder 4.7.): het percentage eigen
bijdrage is 30% van de werkelijke kosten. Dit levert voor A (30% van ƒ
400,-= ƒ 120,-) het volgende op: ƒ 400,- -/- ƒ120,- eigen bijdrage = ƒ
280,-. Derhalve wordt 70% van de kosten vergoed.
Voor B (30% van ƒ 240,- = ƒ 72,-) resulteert dit in: ƒ 240,-
-/- ƒ 72,- eigen bijdrage = ƒ 168,-. Derhalve wordt ook voor hem 70% van
de kosten vergoed.
Uit het voorgaande kan derhalve worden geconcludeerd dat indien de eigen
bijdrage wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de te maken
reiskosten van de werknemer, optie 4 geen benadeling van deeltijdwerkers
oplevert.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Binnenlandse
Zaken te Den Haag
– een verboden onderscheid naar arbeidsduur in de arbeidsvoorwaarden als
bedoeld in artikel III WOA maakt door deeltijdwerkers een gelijke eigen
bijdrage in de reiskosten te berekenen als voltijdwerkers ;
– eveneens een verboden onderscheid maakt naar arbeidsduur wanneer hij
de eigen bijdrage zou vaststellen op basis van de gecontracteerde arbeidsduur;
– geen onderscheid naar arbeidsduur maakt wanneer hij de eigen bijdrage
zou vaststellen aan de hand van het aantal werkdagen per week;
– geen onderscheid maakt naar arbeidsduur wanneer hij de eigen bijdrage
zou vaststellen als percentage van de te maken kosten.

Rechters

Mw. Prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. Prof. mr A.W. Heringa(lid Kamer), mw. mr drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 december 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een man is bij een ziekenhuis in dienst als fysiotherapeut. Hij is christen
en uit zijn geloofsovertuiging op het werk, onder meer door hierover te
spreken met patiënten. Nadat een aantal patiënten hierover geklaagd had,
heeft het ziekenhuis de man verboden nog langer over zijn geloof te praten
met patiënten. Aangezien de man hieraan geen gehoor wenst te geven, wenst
het ziekenhuis de arbeidsrelatie te beëindigen.
De Commissie stelt vast dat geen sprake is van direct onderscheid op grond
van godsdienst. De grond voor beëindiging is niet gelegen in de geloofsuitingen
van de man als zodanig maar in zijn gedragingen die het welzijn van de
patiënten schaden. De Commissie constateert wel dat er sprake is van indirect
onderscheid op grond van godsdienst omdat een verbod op dergelijke uitingen
personen treft met een geloofsovertuiging. Maar gelet op de omstandigheden
acht de Commissie het gemaakte onderscheid objectief gerechtvaardigd. Geen
strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 2 december 1997 verzocht de heer (….) te Enkhuizen (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of (….) te Hoorn (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid naar
godsdienst maakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker is bij de wederpartij in dienst als fysiotherapeut. Verzoeker
is christen en uit zijn geloofsovertuiging op het werk, onder meer door
hierover te spreken met patiënten. Nadat een aantal patiënten hierover
geklaagd had, heeft de wederpartij verzoeker verboden nog langer over zijn
geloof te praten met patiënten. Aangezien verzoeker hieraan geen gehoor
wenst te geven, heeft de wederpartij een verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter. Verzoeker is van mening
dat de wederpartij hiermee onderscheid maakt naar godsdienst.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen. Verzoeker heeft de Commissie verzocht de spoedprocedure toe te
passen. Dit verzoek is toegewezen.

Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 17 december
1997.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (verzoeker)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (hoofd afdeling fysiotherapie)
– mw. (….) (hoofd Dienst revalidatie/fysiotherapie)
– mw. (….) (personeelsfunctionaris)
– mw. mr. H. Uhlenbroek (gemachtigde)
– mw. (….) (voormalig receptioniste/administratief medewerkster, getuige
1)
– mw. (….) (receptioniste/administratief medewerkster, getuige 2)
– mw. (….) (voormalig fysiotherapeute, getuige 3)
– mw. (….) (fysiotherapeute, getuige 4)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. E.F Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is sinds 1 december 1976 bij de wederpartij, een ziekenhuis,
werkzaam als fysiotherapeut in de polikliniek.

3.2. Verzoeker heeft zich in 1979 bekeerd tot het christelijk geloof en
geeft sindsdien op zijn werk uiting aan zijn geloofs-overtuiging.

Hij vertelt zijn patiënten dat hij in zijn diepe nood gered en verlost
is door Jezus Christus alsmede over de wijze waarop dit is geschied. Verzoeker
beschouwt het als een bijbelse opdracht om te getuigen van Jezus Christus.
Hij wijst de mensen de weg die voor hen open ligt. Hij doet dit niet als
predikant of evangelist maar als gelovige getuige.

Wanneer verzoeker ter ore komt dat patiënten tevens behandelingen als yoga
en acupunctuur ondergaan, waarschuwt hij hen en vertelt hen dat dergelijke
behandelingen in strijd met het Woord van God zijn.

Tijdens de behandelingen zingt verzoeker regelmatig geestelijke liederen,
hetgeen ook in aangrenzende behandelkamers duidelijk hoorbaar is.

Daarnaast heeft verzoeker zijn patiënten gedurende een aantal jaren na
de behandeling een brochure gegeven, getiteld ‘De Wegwijzer – een leidraad
voor het christelijk leven’. Ook heeft hij een aantal collega’s brochures
of boekjes gegeven of toegestuurd. In 1989 is dit bij de wederpartij bekend
geworden en heeft de wederpartij hem verboden zijn geloofsovertuiging ongevraagd
tijdens behandelingen of in de ruimten van het ziekenhuis over te dragen
en foldermateriaal uit te delen.

Gedurende een groot aantal jaren hing op verzoekers behandelkamer een plaat
met daaronder een religieuze tekst en nog een religieus kaartje. Naar aanleiding
van opmerkingen daarover in de wandelgangen heeft het afdelingshoofd verzoeker
gevraagd deze te verwijderen. Verzoeker heeft daaraan voldaan.

3.3. Verzoekers geloofsuitingen hebben gedurende al die jaren irritatie
opgewekt bij een aantal collega’s. Deze collega’s hebben dit echter niet
tegen verzoeker gezegd en dit ook niet anderszins laten blijken. Afgezien
van het verbod in 1989 om foldermateriaal uit te delen heeft ook de wederpartij
verzoeker niet op voor hem duidelijk kenbare wijze te kennen gegeven dat
de wijze waarop hij uitdrukking gaf aan zijn geloofsovertuiging niet op
prijs werd gesteld. Tijdens een in november 1995 gehouden functioneringsgesprek
zijn deze gedragingen geen onderwerp van bespreking geweest.

3.4. In de loop van 1997 is het aantal klachten van patiënten over de wijze
waarop verzoeker zijn geloof uitte toegenomen. Naar aanleiding daarvan
heeft een gesprek tussen verzoeker en het afdelingshoofd plaatsgevonden,
waarin hij is aangesproken op zijn gedragingen. Verzoeker is hiervan hevig
overstuur geraakt. Kort daarna heeft het afdelingshoofd verzoeker opnieuw
verzocht enige terughoudendheid te betrachten in zijn contacten met patiënten.
Verzoeker heeft echter meegedeeld zich daar vanuit zijn geloofsopvatting
niet aan te kunnen houden.

Het afdelingshoofd heeft naar aanleiding daarvan zijn leidinggevende, het
hoofd dienst revalidatie en fysiotherapie, op de hoogte gesteld. Laatstgenoemde
heeft vervolgens een afspraak met verzoeker gemaakt voor een gesprek. Kort
na het maken van deze afspraak ontving de wederpartij een klacht van de
echtgenoot van een door verzoeker behandelde patiënte. Deze patiënte, die
aan een depressie leed, verklaarde op het geestelijk vlak veel hinder ondervonden
te hebben en in de war geraakt te zijn van de wijze waarop verzoeker haar
met zijn geloofsopvattingen had lastig gevallen. Naar aanleiding van deze
klacht is het reeds geplande gesprek vervroegd naar 7 november 1997. Tijdens
dit gesprek, waarbij ook het afdelingshoofd en de personeelsfunctionaris
aanwezig waren, is verzoeker te kennen gegeven dat er klachten waren over
zijn werkwijze. Verzoeker heeft toen meegedeeld zijn gesprekken met patiënten
over het geloof niet te zullen staken, aangezien hij niet anders kan handelen.

In verband daarmee heeft de wederpartij verzoeker met onmiddellijke ingang
geschorst. Bij brief van 9 november 1997 heeft verzoeker nogmaals benadrukt
niet bereid te zijn zijn handelwijze aan te passen. De wederpartij heeft
na een onderzoek naar de werkwijze van verzoeker een verzoek tot ontbinding
van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter.

Het standpunt van verzoeker

3.5. Het uiten van zijn geloofsovertuiging vormt voor verzoeker een wezenlijk
onderdeel van zijn geloof. Alle christenen hebben de opdracht het evangelie
uit te dragen: niet als predikanten maar als getuigen. Het is voor verzoeker
niet mogelijk om zich te onthouden van gesprekken met patiënten over het
geloof. Verzoeker spreekt tegen de mensen als christen vanuit de persoon
die hij is in Christus. Wanneer verzoeker niet over God zou mogen spreken,
zou hij helemaal niet meer kunnen spreken. Zijn denken en spreken is volledig
gekleurd door het Woord van God. Als christen komt het Woord van God automatisch
bij hem naar boven. Zijn mening over alle zaken wordt bepaald door het
Woord van God. Verzoeker zoekt niet naar een aanleiding om hierover te
kunnen spreken; dit gebeurt gewoon. Op deze wijze raakt verzoeker met de
mensen in gesprek. Dergelijke gesprekken vinden overigens pas plaats nadat
daarvoor een vertrouwensbasis is ontstaan en niet met iedereen. Soms is
de behandeling te intensief voor een goed gesprek. Wanneer patiënten zouden
laten blijken dat zij van dergelijke gesprekken niet gediend zijn, zou
verzoeker hier niet mee doorgaan. Verzoeker heeft -hoewel hij wel degelijk
openstaat voor signalen op dat punt- nooit gemerkt dat patiënten of collega’s
daar moeite mee hadden. De klacht van de echtgenoot van een patiënte kwam
voor hem dan ook als een complete verrassing.

3.6. Anders dan de wederpartij stelt heeft verzoeker nooit de waarschuwing
gekregen, dat hij op het werk niet over zijn geloof mocht praten. Verzoeker
heeft gedurende 21 jaar -waarvan 18 jaar als christen- goed gefunctioneerd,
zoals ook blijkt uit het door hem overgelegde verslag van een functioneringsgesprek.

Verzoeker heeft vanaf het begin van zijn bekering totdat hij daar in 1989
op werd aangesproken brochures en boekjes aan patiënten en collega’s gegeven.
Hem is nooit gebleken dat patiënten of collega’s daar problemen mee hadden.
Kennelijk is er in al die jaren eenmaal een patiënt geweest die geklaagd
heeft over het uitdelen van boekjes. Daarna heeft verzoeker geen boekjes
meer uitgedeeld in het ziekenhuis. Wel heeft hij buiten het ziekenhuis
boekjes aan patiënten en collega’s gegeven.

Verzoeker heeft tijdens de behandeling altijd gezongen, ook in de periode
voor zijn bekering. Verzoeker zingt niet alleen geestelijke maar ook gewone
liederen. Hij heeft niet de bedoeling de patiënten hiermee te prikkelen.

De stelling van de wederpartij dat verzoeker tegen een patiënte opmerkingen
zou hebben gemaakt over haar ‘geloof, hoop en liefde-kettinkje’ is onjuist.
Verzoeker draagt zelf sinds jaren een ‘geloof, hoop en liefde-kettinkje,
zodat niet valt in te zien waarom hij daar commentaar op zou hebben.

De wederpartij maakt door verzoeker de mogelijkheid te ontzeggen om zijn
geloof te uiten onderscheid op grond van godsdienst.

Het standpunt van de wederpartij

3.7. De wens van de wederpartij om de arbeidsrelatie te beëindigen is niet
ingegeven door het feit dat verzoeker christen is. De wederpartij is geen
ziekenhuis op bijzondere grondslag en stelt bij haar aannamebeleid geen
bijzondere voorwaarden met betrekking tot de levensovertuiging of godsdienstige
opvatting van een medewerker. De wederpartij verlangt slechts, vanwege
reacties van patiënten die zich in hun welzijn geschaad voelen, dat verzoeker
patiënten niet ongevraagd confronteert met zijn eigen geloofsovertuiging
en in het bijzonder dat hij zijn contacten met patiënten niet op die wijze
benut voor het uitdragen van zijn geloofsovertuiging.

Het recht van verzoeker op verkondiging van zijn geloofsovertuiging is
geen absoluut recht. Dit recht eindigt waar de belangen van (patiënten
van) de wederpartij in het gedrang komen. In het onderhavige geval is daarvan
sprake. Gebleken is dat verzoeker patiënten ongevraagd confronteert met
zijn geloof. Als gevolg daarvan komen veel patiënten, na één of twee keer
door verzoeker te zijn behandeld, niet meer terug. Sommige patiënten hebben
expliciet aangegeven niet meer door verzoeker behandeld te willen worden.
Eén patiënte meldde zich na behandeling door verzoeker huilend aan de balie,
omdat verzoeker opmerkingen had gemaakt over het ‘geloof, hoop en liefde-kettinkje’
dat zij droeg. Patiënten die ook elders een andere vorm van behandeling
zochten, zoals yoga en acupunctuur, kregen van verzoeker te horen dat dit
‘van den boze was’ of dat zij ‘bij de duivel op de stoep hadden gestaan’.
Dergelijke opmerkingen maakte verzoeker ook tegen patiënten met een tatoeage
op hun lichaam. Bovendien zong verzoeker tijdens de behandeling regelmatig
psalmen. Tenslotte is gebleken dat verzoeker, ondanks een verbod daartoe
van de wederpartij, niet gestopt is met het uitdelen van bijbelteksten.

De wederpartij heeft er geen enkel bezwaar tegen wanneer verzoeker zijn
geloofsovertuiging in zijn vrije tijd uitdraagt, maar wel wanneer hij daarvoor
patiëntencontacten gebruikt.
Verzoeker is herhaaldelijk mondeling op zijn evangeliserend gedrag aangesproken,
maar daaraan zijn nooit rechtspositionele consequenties verbonden. Verzoekers
gedrag is door de collega’s en het afdelingshoofd lange tijd getolereerd
uit mededogen met verzoeker. In de loop van dit jaar zijn de klachten van
patiënten echter toegenomen. De wederpartij heeft de indruk dat dit een
gevolg is van het feit dat een collega van verzoeker dezelfde geloofsovertuiging
heeft en dat zij elkaar in hun gedrag hebben versterkt. Sinds de schorsing
van verzoeker komt aan het licht in welke mate verzoeker patiënten en collega’s
benaderde. Veel collega’s en patiënten hebben aangegeven dat zij door verzoeker
zijn lastig gevallen met de manier waarop hij zijn geloofsopvattingen uitte.

Verzoeker is een goede fysiotherapeut. Nu hij echter niet in staat is zijn
werk als fysiotherapeut te scheiden van zijn bijbelse opdracht, kan van
de wederpartij niet gevergd worden het dienstverband voort te zetten. Wanneer
verzoeker de hele dag over auto’s zou praten en daarover zouden klachten
komen van patiënten, zou de wederpartij hem hier ook op aanspreken. Van
een verboden onderscheid als bedoeld in de AWGB is dan ook geen sprake.

De getuigen hebben het volgende verklaard

3.8. Getuige 1:
Ik ben van 1975 tot 1993 als receptioniste/administratief medewerkster
bij de wederpartij werkzaam geweest en maakte verzoeker dagelijks mee.
Verzoeker werkte erg zelfstandig en plaatste zich nogal buiten de groep.
Hij was moeilijk te benaderen. Ook tijdens werkbesprekingen zonderde hij
zich nogal af. Ik kreeg wel eens klachten van patiënten, dat hij met hen
over zijn geloof sprak. Deze patiënten vroegen dan om in het vervolg bij
een andere fysiotherapeut ingedeeld te worden. Ik vroeg hen niet of dat
was vanwege de geloofsuitingen, omdat dat voor mij volstrekt duidelijk
was. Ik heb gezien dat hij papieren en boekjes aan patiënten meegaf. Zelf
heb ik ook een boekje ontvangen bij mijn afscheid. Ik heb dit boekje thuis
in de kast gezet zonder er verder naar te kijken. Vanwege deze procedure
heb ik er naar gekeken; het is een religieus boekje. De inhoud ervan is
een rechtstreekse aanval op mijn katholieke basis. Aan de patiënten gaf
verzoeker kleinere boekjes. Aan de reacties van patiënten merkte ik dat
ze over het geloof gingen. Verzoeker gaf ook na 1990 boekjes aan patiënten.
Zijn gedrag is in de loop van de tijd steeds erger geworden. Dit gedrag
was schadelijk voor de afdeling. Het had een negatieve invloed op de sfeer
maar ook op de omzet. Op een gegeven moment waren er bijna geen patiënten
meer voor verzoeker. Dit weet ik doordat ik de inschrijving van de patiënten
verzorgde. Hoeveel patiënten niet meer door verzoeker behandeld wilden
worden weet ik niet precies; ik denk dat het er in al die jaren misschien
15 geweest zijn. Ik heb hier wel eens met het afdelingshoofd over gesproken,
maar het afdelingshoofd stelde zich altijd heel loyaal op. Ik heb verzoeker
ook regelmatig horen zingen in de behandelkamer. Of hij psalmen zong, weet
ik niet. Verzoeker probeerde je ongevraagd bij zijn geloof te betrekken.
Toen mijn dochter in 1985 een ernstig ongeluk kreeg en toen mijn man drie
jaar geleden ziek werd, zei verzoeker ‘dat wil de Heer, dat moet je aanvaarden’.
Dat heeft me erg gestoord, maar dat heb ik niet laten blij

ken.

3.9. Getuige 2:
Ik werk sinds 14 december 1992 bij de wederpartij als receptioniste/administratief
medewerkster. Ik ben de opvolgster van getuige 1. Sinds augustus 1997 krijg
ik regelmatig klachten van patiënten over verzoeker. Zo kwam er een patiënt
aan de balie waaraan verzoeker had gevraagd waarom ze een ‘geloof, hoop
en liefde-kettinkje’ droeg. Ze wilde daar echter niet met hem over praten.
Toen ze aan de balie kwam was ze erg overstuur en huilde ze bijna. Ook
belde een echtgenoot van een patiënt; hij zei dat zijn vrouw volledig overstuur
thuisgekomen was en vroeg of zijn vrouw bij ons godsdienstles kreeg in
plaats van fysiotherapie. Sommige patiënten zeiden heel duidelijk dat zij
niet door verzoeker behandeld wilden worden en dat zij door verzoeker met
het geloof lastig gevallen waren. Sinds verzoeker weg is beginnen patiënten
hier steeds vaker over. Ik heb nooit gezien dat verzoeker boekjes aan patiënten
uitdeelde. Hij heeft me wel een boekje thuisgestuurd toen mijn man ziek
was. Hij zei dat voor ons werd gebeden en dat het dan wel goed zou komen.
Ik voelde me daar onprettig bij. Ik heb dit niet aan hem laten blijken,
omdat ik het gevoel had dat ik hem moest sparen.

3.10. Getuige 3:
Ik heb van 1974 tot 1994 bij de wederpartij gewerkt als fysiotherapeut.
Ik heb wel eens patiënten van verzoeker overgenomen. Zij voelden zich niet
prettig bij verzoeker, ook vanwege zijn gezang (hij zong psalmen, maar
ook stukken van Bach en Händel), maar dat werd gedoogd. Ik heb nooit gehoord
dat verzoeker hen ook benaderde met het evangelie. We wisten hoe verzoeker
was en dat accepteerden we uit mededogen. Verzoekers geloofsuitingen waren
geen onderwerp van gesprek op de afdeling. Ik denk wel dat zijn geloofsuitingen
schade toebrachten aan de praktijk, doordat daardoor een gespannen sfeer
ontstond op de afdeling. Ik heb verzoeker ook in behandeling gehad. Toen
vroeg hij mij of ik geloofde en zo ja, hoe. Hij wist echter dat ik lid
ben van de gereformeerde kerk. Hij ging door op dit onderwerp op een voor
mij onplezierige manier. Ik was daar flink nijdig over maar heb dat niet
laten blijken. Bij mijn afscheid heb ik een boekje van verzoeker gehad.
Ik weet niet of hij deze boekjes ook aan patiënten gaf.

3.11. Getuige 4:
Ik ben sinds 1993 als fysiotherapeut bij de wederpartij werkzaam. Ik ken
verzoeker niet zo goed. Ik heb een beetje weerstand tegen hem, doordat
hij alles vanuit het geloof interpreteert. Toen mijn zoon ziek was en ik
daar ongerust over was, gaf hij mij een boekje. Dat heb ik hem de volgende
dag teruggegeven en heb gezegd dat ik daar niet van gediend was. Ik werk
niet vaak in de behandelkamer naast verzoeker, maar heb hem wel eens horen
zingen. Ik weet niet wat voor liederen het waren, het klonk gregoriaans.
Ik heb van patiënten van verzoeker gehoord dat zij het storend vonden dat
hij zong. Een patiënte zei ‘God’ omdat de behandeling pijn deed. Verzoeker
vroeg haar dat niet meer te zeggen. Toen zei ze dat ze dat niet meer zou
zeggen als hij niet meer zou zingen. Vervolgens ging hij fluiten. Zij voelde
zich daar erg ongemakkelijk bij. Ik hoorde ook van een patiënte dat haar
man vijf jaar geleden bij verzoeker in behandeling was geweest, maar dat
hij nadat hij boekjes had gekregen niet meer terug is gekomen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid heeft gemaakt
op grond van godsdienst door een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst
bij de kantonrechter in te dienen vanwege het feit dat verzoeker ten opzichte
van patiënten uiting geeft aan zijn christelijke geloofsovertuiging.

4.2. Artikel 5, eerste lid, onderdeel b, AWGB bepaalt onder meer dat het
maken van onderscheid op grond van godsdienst verboden is bij het beëindigen
van een arbeidsverhouding.

4.3. Het belijden van een godsdienst omvat niet alleen het huldigen van
een godsdienstige overtuiging, maar omvat ook het zich daarnaar gedragen
(Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014, nr. 5, pag. 39/40. Vgl. tweede
Kamer, vergaderjaar 1975/76, 13872, nr. 3, pag.29.). Gedragingen die, mede
gelet op hun karakter en op de betekenis van godsdienstige voorschriften
en leefregels, een rechtstreekse uitdrukking geven aan de godsdienstige
overtuiging, kunnen eveneens worden beschermd door het verbod van onderscheid
op grond van godsdienst.

Het spreken over het geloof, het uitdelen van relieuze boekjes of folders
en het zingen van geestelijke liederen kunnen worden beschouwd als een
rechtstreekse uiting van verzoekers godsdienstige overtuiging. Deze gedragingen
kunnen derhalve voor bescherming door de AWGB in aanmerking komen.

4.4. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid zowel direct als indirect
onderscheid begrepen wordt. Onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid
dat verwijst naar een van de in de AWGB genoemde discriminatiegronden.
Indirect onderscheid op grond van godsdienst is onderscheid, dat op grond
van andere hoedanigheden of gedragingen dan godsdienst direct onderscheid
op die grond tot gevolg heeft.

Artikel 2, eerste lid, AWGB bepaalt dat het in de wet neergelegde verbod
van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.

De vraag die allereerst moet worden beantwoord is of de wederpartij door
haar voornemen de arbeidsrelatie met verzoeker te beëindigen direct of
indirect onderscheid heeft gemaakt. De beantwoording van deze vraag is
afhankelijk van het geheel van de feiten.
Indien de godsdienstige overtuiging van verzoeker als zodanig
een grond is voor het maken van onderscheid, wordt rechtstreeks verwezen
naar de discriminatiegrond godsdienst. In dat geval is er sprake van direct
onderscheid.

Indien de godsdienstige overtuiging van verzoeker evenwel níet als zodanig
een grond is voor het maken van onderscheid, kan sprake zijn van indirect
onderscheid. In dat geval heeft de wederpartij een handeling verricht die
neutraal genoemd kan worden, omdat niet direct wordt verwezen naar een
discriminatiegrond; (Een voorbeeld daarvan is: een werkgever die het dragen
van een hoofddoek door een moslimvrouw verbiedt vanwege veiligheidseisen.
De reden van het verbod is in dat geval niet gelegen in het dragen van
de hoofddoek als uiting van een geloofsovertuiging, maar in een neutraal
criterium, te weten veiligheid.Zie in dat verband: Commissie gelijke behandeling
25 november 1996, oordeel 96-109.) als een dergelijk handelen tot gevolg
heeft dat direct onderscheid op grond van godsdienst wordt gemaakt, kan
sprake zijn van indirect onderscheid.

Op grond van de feiten zoals hierboven weergegeven, constateert de Commissie
dat van direct onderscheid geen sprake is. De grond voor het voornemen
de arbeidsrelatie te beëindigen is, gelet op deze feiten, niet gelegen
in verzoekers geloofsovertuiging als zodanig, maar in gedragingen/uitingen
waardoor het welzijn van patiënten werd geschaad. De wederpartij heeft
naar het oordeel van de Commissie op overtuigende wijze aangegeven op zich
zelf geen bezwaar te hebben tegen verzoekers geloofsovertuiging als zodanig.
De Commissie acht daarbij van belang dat de wederpartij gedurende een groot
aantal jaren bekend is geweest met verzoekers geloofsopvattingen en zijn
uitingen daarvan. De wederpartij heeft in de gedragingen van verzoeker
pas aanleiding gezien om in te grijpen nadat hier klachten over kwamen,
en patiënten zich onprettig en onheus bejegend voelden, soms zodanig zij
dat daarom niet meer terugkeerden. Dat de geloofsovertuiging van verzoeker
als zodanig niet de reden is van het handelen van de wederpartij wordt
tevens aangeduid door de wederpartij met haar stelling, dat deze de arbeidsrelatie
met verzoeker ook zou willen beëindigen als sprake zou zijn van gedragingen
die niets met zijn geloofsovertuiging van doen zouden hebben, zoals het
continu spreken over auto’s, maar die dezelfde reacties en klachten van
patiënten ten gevolge zouden hebben.

Van degenen die een geloofsovertuiging hebben, worden door het handelen
van de wederpartij in ieder geval diegenen getroffen, die hun geloof uiten
zoals verzoeker. Van degenen die geen geloofsovertuiging hebben, kan in
zijn algemeenheid worden gesteld dat niemand door het handelen van de wederpartij
wordt benadeeld.
Derhalve is sprake van indirect onderscheid op grond van godsdienst.

4.5. Het maken van indirect onderscheid is verboden, tenzij daarvoor een
objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is. De Commissie toetst bij de
vraag of daarvan sprake is aan de volgende criteria (Jenkins versus Kingsgate,
HvEG, 31 maart 1985, zaak 96/80, Jur. 1981, pg. 911; Bilka Kaufhaus versus
Weber von Hartz, 13 mei 1986, zaak C-170-84, pg 1607; Zie ook: Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 14.):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn;
– de gekozen middelen om het doel te bereiken moeten beantwoorden aan een
werkelijke behoefte van de wederpartij;
– deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.

Het doel, dat de wederpartij nastreeft met haar verbod op de wijze waarop
verzoeker zijn geloofsopvattingen uit, is het in stand houden van een fysiotherapiepraktijk
waar de patiënten zich op hun gemak voelen. Het middel om dat doel te bereiken
is te bewerkstelligen dat de patiënten door de persoonsleden van de wederpartij
zodanig worden bejegend dat zij zich prettig en op hun gemak voelen. Niet
betwist is en de Commissie acht ook aannemelijk dat dit middel voorziet
in een werkelijke behoefte van de wederpartij.

Vervolgens ligt de vraag voor of dit middel geschikt en noodzakelijk is
om het gestelde doel te bereiken. De Commissie overweegt ten aanzien hiervan
het volgende. Uit de getuigenverklaringen en hetgeen de wederpartij heeft
gesteld is voldoende aannemelijk geworden dat een aantal patiënten zich
heeft gestoord aan de wijze waarop verzoeker uitdrukking gaf aan zijn geloofsovertuiging,
dat sommigen zich gekwetst gevoeld hebben en dat een enkele stelt psychische
schade ervan te hebben ondervonden. Eveneens is aannemelijk geworden dat
hierover bij de wederpartij is geklaagd door een aantal patiënten en dat
sommigen in de bejegening van verzoeker aanleiding hebben gezien zich niet
meer door verzoeker en soms in het geheel niet meer in het ziekenhuis van
de wederpartij te laten behandelen. De Commissie is van oordeel dat van
de wederpartij, gelet op het feit dat het in deze zaak niet een enkele
incidentele klacht betreft alsmede het feit dat de klachten zodanig zijn
dat patiënten zich niet meer door verzoeker willen laten behandelen of
naar een andere praktijk gaan, onder deze omstandigheden niet gevergd kan
worden dat zij verzoekers gedragingen accepteert. De Commissie wijst er
daarbij met nadruk op dat het uiten van een geloofsovertuiging op het werk
in zijn algemeenheid niet verboden is, maar dat daaraan door de werkgever
in redelijkheid grenzen kunnen worden gesteld.
Op grond van het voorgaande acht de Commissie het handelen van de wederpartij
in het onderhavige geval objectief gerechtvaardigd.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de wederpartij jegens verzoeker
indirect onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt, waarvoor een
objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is en dat de wederpartij derhalve
niet in strijd met de AWGB heeft gehandeld.

4.7. De Commissie merkt tenslotte het volgende op. Het is aannemelijk dat
noch de wederpartij noch de patiënten jegens verzoeker in duidelijke bewoordingen
over zijn geloofsuitingen hebben geklaagd. De wederpartij stelt weliswaar
verzoeker in de wandelgangen te hebben laten blijken dat zijn gedrag niet
op prijs werd gesteld, maar dit onderwerp is tijdens het functioneringsgesprek
niet aan de orde geweest. Evenmin is hierover ooit iets op schrift gesteld.
Pas in september 1997 heeft de wederpartij duidelijk aan verzoeker laten
blijken dat hij zijn gedrag moest aanpassen. De Commissie is naar aanleiding
van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht door de wederpartij en de
getuigen overtuigd van hun goede bedoelingen die ten grondslag liggen aan
het omzichtig omgaan met hun bemerkingen op verzoekers gedrag. Dit neemt
echter niet weg dat het op de weg van de wederpartij had gelegen om verzoeker
tijdig helderheid te bieden, ook al zou zijn bereidheid om zijn gedrag
bij te stellen -zoals thans- ontbreken.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Hoorn jegens de
heer (….) te Enkhuizen door een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst
in te dienen bij de kantonrechter vanwege zijn geloofsuitingen indirect
onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst als bedoeld in artikel
5, eerste lid, onderdeel b, Algemene wet gelijke behandeling, waarvoor
een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is en derhalve niet in strijd
met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. E.F Lagerwerf-Vergunst(lid Kamer), dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)