Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem, 19 december 1997

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Haarlem

Samenvatting


Eiseres heeft een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning
met als doel het verrichten van arbeid als zelfstandige. Eiseres is werkzaam
als zelfstandig gevestigd prostituée. De verblijfsvergunning wordt geweigerd
omdat met het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige als prostituée
geen wezenlijk economisch belang wordt gediend.
Nu prostitutie niet meer strafbaar is, is zonder nadere motivering niet
in te zien hoe het niet in het Nederlands belang is te achten dat werkzaamheden
als prostituée door vreemdelingen worden verricht. Dit klemt temeer nu
dit standpunt niet meer wordt ingenomen ten aanzien van vrouwen met een
EU-achtergrond. Bovendien heeft verweerder zich met het enkel inwinnen
van advies bij het ministerie van Economische Zaken niet voldoende gekweten
van zijn onderzoeksplicht. Zeker omdat in dit advies niet wordt uitgelegd
waarom prostitutie tegen betaling geen economische activiteit zou zijn.
Verweerder dient de vraag te beantwoorden of de kennelijk bestaande wens
tot regulering van het maatschappelijk verschijnsel prostitutie ertoe noopt
te erkennen dat er een zekere vraag naar deze vorm van dienstverlening
bestaat, waarin op legale basis moet worden voorzien.

Volledige tekst


De rechtbank sluit af met een dringend advies aan het ministerie van Justitie
de vraag te beantwoorden of er een zekere behoefte is aan prostitutie –
gezien de context van de uitspraak vermoed ik dat zij hier bedoelt: prostitutie
door vreemdelingen -, waarin op legale basis moet worden voorzien, en zo
ja, hoe deze voorziening dan gestalte moet krijgen. Precies dit is de vraag
die de politiek stelselmatig vermijdt. Opnieuw wordt zij daarvoor door
de rechter op de vingers getikt.
En opnieuw omzeilt het ministerie van Justitie in zijn reactie op deze
rechterlijke uitspraak een antwoord op deze vraag. Alvorens nader advies
te vragen aan EZ en VWS dient voldoende vast te staan dat de betrokken
vrouwen door de prostitutie over voldoende middelen van bestaan kunnen
beschikken, zoals de vreemdelingencirculaire eveneens eist om voor toelating
in aanmerking te komen (Vc A4/4.2 en B12/2.3). Tegen de achtergrond van
de verschillende manieren die de afgelopen jaren door het ministerie van
Justitie zijn bedacht – en door de rechter onderuit gehaald -, lijkt dit
slechts een zoveelste flauwe poging om arbeid in de prostitutie door vreemdelingen
te frustreren. Het laatste woord over zelfstandige arbeid in de prostitutie
is duidelijk nog niet gesproken.
Wat arbeid door vreemdelingen ‘voor anderen’ betreft (de hierboven besproken
‘eerste categorie’) heeft de minister van Justitie in de Memorie van Antwoord
bij het wetsvoorstel tot afschaffing van het absolute bordeelverbod (Kamerstukken
II 1997/98, 25 437, nr. 5, p. 28) inmiddels laten weten dat prostitutie
van de werking van de Wet arbeid vreemdelingen zal worden uitgesloten.
Daarmee is het monstrum van de vergunning die wel wordt vereist maar nooit
wordt verleend in ieder geval uit de wereld. Wel zal er dan wat anders
verzonnen moeten worden om aanvragen voor een verblijfsvergunning ten behoeve
van het uitoefenen van prostitutie ‘voor een ander’ te kunnen beoordelen.
En daarmee dienen nieuwe moeilijkheden zich al weer aan. De minister van
Justitie verwacht dat een verblijfsvergunning met als doel het kunnen werken
in de prostitutie in de regel niet zal worden verleend, ‘omdat met de komst
van buitenlandse prostituées in ieder geval geen wezenlijk Nederlands arbeidsmarktbelang
is gediend’, waaraan zij tussen haakjes toevoegt: ‘het verrichten van seksuele
handelingen met of voor derden betreft immers geen werkzaamheden die tot
de reguliere arbeidsmarkt kunnen worden gerekend’ (kamerstukken t.a.p.).
Het is de vraag hoe lang dit na de opheffing van het absolute bordeelverbod
kan worden volgehouden.
Ook overigens is het de vraag of dit beleid van het ministerie van Justitie
– als al zijn inspanningen de naam ‘beleid’ verdienen – verstandig is.
In het kader van de Wet arbeid vreemdelingen zou nog enige controle mogelijk
zijn op vreemdelingen die in Nederland in de prostitutie werken en, belangrijker,
op de omstandigheden waaronder en de plek waar zij werken. Bij arbeid door
zelfstandigen is dat vrijwel onmogelijk.
Maar in ieder geval is prostitutie arbeid – of zo men wil: een economische
activiteit -, zo veel wordt zo langzamerhand duidelijk. Wel lijkt vooralsnog
elke consequentie daarvan steeds weer op de overheid bevochten te moeten
worden. De rechter vervult daarbij een belangrijke rol: inconsequenties
worden genadeloos onderuit gehaald.

Roelof Haveman

Rechters

Mrs Schotman, Van der Meer, Greeuw

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 december 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een vrouw draagt de zorg voor haar achtjarige kleinzoon. Zij en haar kleinzoon
zijn van Surinaamse afkomst. Een burenruzie, waarbij de kleinzoon van de
vrouw betrokken was, leidde ertoe dat de kleinzoon op school direct geschorst
werd. De Commissie oordeelt dat van meet af aan duidelijk was dat ras een
rol speelde bij dit conflict. Het verantwoordelijk bestuur had dit aspect
bij de behandeling van de zaak moeten betrekken, wat echter niet gebeurd
is. Door geen grondig onderzoek in te stellen, heeft het verantwoordelijk
bestuur de vrouw en haar kleinzoon niet de bescherming geboden waartoe
zij op grond van de wet gehouden is. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 14 november 1996 verzocht mevrouw (….) te Capelle aan den IJssel
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit
te spreken over de vraag of het College van Burgemeester en Wethouders
van de gemeente Capelle aan den IJssel (hierna: de wederpartij) onderscheid
heeft gemaakt op grond van ras zoals bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster draagt de zorg voor haar achtjarige kleinzoon. Verzoekster
en haar kleinzoon zijn van Surinaamse afkomst. Een burenruzie, waarbij
haar kleinzoon betrokken was, leidde ertoe dat de kleinzoon van -de openbare-
school geschorst werd. Verzoekster is van mening dat de wederpartij door
het schorsen van haar kleinzoon jegens haar onderscheid heeft gemaakt op
grond van ras.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen en hebben hun standpunten nader
toegelicht op een zitting van 2 september 1997.
Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mevrouw (….) (verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– de heer (….) (ambtelijk medewerker)
– de heer (….) (schooldirecteur)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

2.3. Verzoekster heeft ter zitting aangeboden om verklaringen van ouders
over te leggen die verband houden met mogelijk onderscheid op grond van
ras van hun kinderen op de betreffende school. Deze verklaringen zijn door
verzoekster aan de Commissie overgelegd en deze heeft ze aan de wederpartij
voorgelegd.
De Commissie heeft besloten deze verklaringen niet in de onderhavige zaak
te betrekken en heeft vervolgens het onderzoek in deze zaak afgesloten.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is het College van Burgemeester en Wethouders van de
gemeente onder wiens verantwoordelijkheid de betreffende openbare school
valt. Het betreft een school die op afstand gefuseerd is met een andere
school. De totale school telt ongeveer 470 leerlingen. Op de locatie waar
de kleinzoon van verzoekster les heeft, zitten 150 leerlingen. Ongeveer
35 tot 40 % van deze leerlingen is van allochtone afkomst. Het onderwijzend
personeel van deze locatie bestaat, inclusief de directeur, uit tien personen;
allen zijn van autochtone afkomst.

3.2. Op 31 augustus 1996 werd de achtjarige kleinzoon, die in de buurt
met twee vriendjes op een oude aanhangwagen aan het spelen was, door een
man geslagen. Verzoekster deed op 2 september 1996 aangifte van mishandeling
van haar kleinzoon bij de politie. De kleinzoon wist de naam van de dader
niet, maar wel diens adres. Naderhand werd vastgesteld dat deze man een
buurman van verzoekster is. De dochter(s) van de betreffende buurman en
de dochters van verzoekster hebben bij elkaar op school gezeten. Beide
families kennen elkaar al jaren. De kleinzoon van verzoekster zit thans
op dezelfde school, terwijl de vrouw van de buurman daar als vrijwilligster
werkzaam is. Er hebben zich voor dit incident geen ernstige problemen tussen
hen voorgedaan.

3.3. De ruzie tussen verzoekster en de buurman escaleerde toen de kinderen
van betrokkenen zich er mee in lieten en op vrijdag
27 september 1996 ontstond een handgemeen tussen beide families.
De vrouw van het schoolhoofd hoorde van de ruzie op een verjaardagsfeest
op vrijdagavond 27 september 1997 en vertelde dit aan haar man. Het schoolhoofd
heeft vervolgens diezelfde avond omstreeks 23.00 uur eerst met de buurman
en vervolgens met verzoekster getelefoneerd, waarbij verzoekster werd meegedeeld
dat haar kleinzoon was geschorst. Op zondag 29 september 1997 werd de schorsing
nogmaals telefonisch aan verzoekster bevestigd. De schorsing is niet schriftelijk
aan verzoekster meegedeeld. Evenmin is aangegeven hoe lang de schorsing
zou duren.

3.4. Verzoekster heeft bij brief van 1 oktober 1996 bezwaar gemaakt tegen
de schorsing en tegen de volgens verzoekster onheuse bejegening van haar
kleinzoon door de schoolleiding bij de Bestuurscommissie Openbaar Primair
Onderwijs. Tevens verzocht verzoekster de Bestuurscommissie de zaak te
onderzoeken.

3.5. De Bestuurscommissie reageerde op het bezwaar bij brief van 28 oktober
1996. In deze brief deelt de Bestuurscommissie mee dat het schoolhoofd
telefonisch contact had opgenomen met beide partijen en dat hij op grond
van de in die gesprekken verstrekte informatie mocht aannemen dat de zaak
verder zou kunnen escaleren en dat de school erin zou kunnen worden betrokken.
In de brief is de zin opgenomen: “Verder kon hij [het schoolhoofd] redelijker-wijs
van de kant van uw familie meer handtastelijkheden duchten”. Dit laatste
argument wordt in de brief als motivering van de schorsing gegeven.

3.6. Op 31 oktober 1996 heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend
bij de wederpartij waarin zij protest aantekent tegen de inhoud van de
brief van de wederpartij van 28 oktober 1996 en de gang van zaken op de
school van haar kleinzoon. Verzoekster geeft daarin aan dat haar kleinzoon
rancuneus werd behandeld door sommige leerkrachten van de school, zodat
verzoekster genoodzaakt werd het kind op een andere school te plaatsen.
Voorts dat ouders van leerlingen van deze school ook met uit de hand gelopen
burenruzies te maken hebben gehad, maar het schoolhoofd niet eerder dergelijke
maatregelen tegen leerlingen heeft genomen.
Als bijlage bij het bezwaarschrift zijn aangehecht het proces-verbaal van
mishandeling van de kleinzoon alsmede een chronologisch overzicht van de
relevante gebeurtenissen. Voor wat betreft de burenruzie op 27 september
1997 geeft verzoekster aan dat door de vrouw en de dochter van de buurman
racistische opmerkingen zijn gemaakt aan het adres van verzoekster en haar
familie.

3.7. Verzoekster werd vervolgens op 18 december 1996 gehoord door de directeur
Openbaar Primair Onderwijs, waarna op 8 januari 1997 een beslissing op
het bezwaarschrift werd genomen door de Bestuurscommissie. In de beslissing
op het bezwaarschrift oordeelt de Bestuurscommissie dat de schorsing niet
terecht was. Dit wordt als volgt gemotiveerd: “Tussen twee families is
sprake geweest van lichamelijk geweld, maar dat was buiten de school. Ons
zijn geen omstandigheden bekend geworden die aanleiding konden zijn voor
de vrees van [het schoolhoofd] dat het geweld zich naar de school zou verplaatsen.
Daarnaast kunnen wij ons uw gevoel voorstellen dat, met schorsen van uw
kleinzoon, van de kant van de school een antwoord is gegeven op een schuldvraag.
Het is niet aan de directie van de school, noch aan ons als Bestuurscommissie,
daarover in deze zaak een oordeel uit te spreken. De schorsing was dus
niet terecht.”
Tevens oordeelt de Bestuurscommissie dat de schorsing schriftelijk meegedeeld
had moeten worden en dat ook op dat punt niet juist gehandeld is. Op voormelde
gronden wordt het bezwaarschrift van verzoekster gegrond verklaard.

3.8. De Bestuurscommissie is echter van oordeel dat aan het beginsel van
hoor en wederhoor voorafgaand aan de beslissing te schorsen, wel is voldaan.
Verzoekster is het met deze laatste conclusie van de Bestuurscommissie
niet eens. De desbetreffende correspondentie is door partijen overgelegd.

De standpunten van partijen

Verzoekster stelt het volgende.

3.9. Er is onderscheid gemaakt doordat het belang van haar kleinzoon ondergeschikt
gemaakt is aan het belang van een vrijwilligster op school (de vrouw van
de buurman). Haar kleinzoon is geschorst vanwege een burenruzie. Een ouder
met een witte huidskleur heeft het schoolhoofd herhaaldelijk met lichamelijk
geweld bedreigd. Zijn kinderen zijn echter nooit van school weggestuurd.
Het schoolhoofd bemoeit zich niet met ruzies van ouders met een witte huidskleur.
Ouders van allochtone afkomst en hun kinderen worden door de wederpartij
stelselmatig anders behandeld dan autochtone ouders en hun kinderen.

3.10. Verzoekster heeft zich over de schorsing beklaagd bij de Bestuurscommissie.
De Bestuurscommissie heeft de klacht van verzoekster over de schorsing
onzorgvuldig behandeld. Zij trekt conclusies op verkeerde gronden en legt
partijdigheid aan de dag en gaat zover haar familie te beschuldigen van
handtastelijkheden. De Bestuurscommissie heeft artikel 2 van de Verordening
commissie openbaar primair onderwijs schromelijk overschreden. Zij heeft
onderscheid gemaakt als hiervoor omschreven en werkt mee aan het weigeren
van diensten aan een leerplichtig kind zonder opgave van redenen.

3.11. Verzoekster stelt voorts dat het schoolhoofd en de Bestuurscommissie
in gebreke zijn gebleven de zaak zorgvuldig te onderzoeken. Zij weigeren
in te gaan op de informatie die van haar zijde wordt verstrekt over de
gang van zaken op de school, terwijl informatie die door anderen wordt
verstrekt, zonder nader onderzoek, wel tegen haar wordt gebruikt. Daarbij
wordt met name verwezen naar de brief van 28 oktober 1996. Deze brief is
volgens verzoekster beledigend.

3.12. Voor wat de beslissing van de Bestuurscommissie van 8 januari 1997
betreft, is verzoekster van mening dat de Bestuurscommissie ten onrechte
heeft geoordeeld dat het schoolhoofd voorafgaande aan de beslissing tot
schorsing hoor en wederhoor heeft toegepast. Het schoolhoofd heeft haar
gebeld en terstond meegedeeld dat haar kleinzoon niet welkom was op maandag,
dus was geschorst. Daarna pas is er gediscussieerd over de gebeurtenissen.

Door de schorsing en al hetgeen daaromheen is gebeurd is haar kleinzoon
geschaad. Hij heeft nog steeds last van nachtmerries en oorsuizingen en
durft ook niet meer alleen buiten te spelen. Er is voor haar en voor haar
familie een onhoudbare situatie ontstaan. De kleinzoon is door de bejegening
door de school vernederd en werd op school door kinderen en volwassenen
gepest en gemolesteerd. Hierdoor was verzoekster genoodzaakt het kind op
een andere school te plaatsen.

De wederpartij stelt het volgende.

3.13. Elke concrete situatie die met de school te maken heeft is uniek.
Vergelijking van een concreet voorval met andere voorvallen kan bezwaarlijk
tot de conclusie leiden dat een ontoelaatbaar onderscheid is gemaakt. Die
conclusie dient basis te vinden in de feiten van het betreffende voorval.

3.14. Het schoolhoofd was bang voor het ontstane geweld op vrijdag 27 september
1996. Hij heeft om die reden en vanwege het feit dat de vrouw van de buurman
van verzoekster de maandag daarop als hulpmoeder op de school zou werken,
besloten de kleinzoon van verzoekster niet te laten komen. Dat heeft niets
met discriminatie te maken. Het schoolhoofd heeft verzoekster telefonisch
meegedeeld dat hij eerst rustig uit wilde zoeken wat er gebeurd was. Ter
zitting erkent het schoolhoofd dat hij in eerste instantie heeft gereageerd
zoals door verzoekster weergegeven. Daarna is er een discussie tussen hen
ontstaan over de gang van zaken. Pas in de loop van het weekend werd het
hem duidelijk dat er een ander incident aan de vechtpartij vooraf was gegaan,
waarbij de kleinzoon van verzoekster was betrokken.

3.15. Ter zitting verklaart het schoolhoofd dat hij reeds 25 jaar werkzaam
is op de betreffende school. De kleinzoon van verzoekster is de tweede
die in de afgelopen 25 jaar is geschorst. De wederpartij geeft aan dat
meestal wordt geschorst bij wijze van strafmaatregel, maar dat een ordemaatregel
ook mogelijk is. Aan schoolhoofden is thans als richtlijn gegeven dat zij
in het vervolg schorsing slechts als strafmaatregel mogen hanteren.

3.16. De wederpartij heeft -ook formeel in haar beslissing op het bezwaarschrift-
erkend dat van de kant van de school fouten zijn gemaakt: een inschattingsfout
en een procedurele fout. Het schoolhoofd heeft in een brief zijn persoonlijke
verontschul-digingen aangeboden aan verzoekster. Het feit dat fouten zijn
gemaakt geeft geen aanleiding aan te nemen dat een ontoelaatbaar onderscheid
is gemaakt.

3.17. Het gesprek met verzoekster op 18 december 1996 is van beide zijden
met respect gevoerd. Na dit gesprek heeft de directeur het bezwaarschrift
naar tevredenheid van de klager afgehandeld. Nu die procedure is afgerond
is het de wederpartij niet duidelijk welke rol deze kwestie kan spelen
in een oordeel van de Commissie. De etnische achtergrond van verzoekster
is tussen het schoolhoofd en de directeur van de Bestuurscommissie nooit
aan de orde geweest. De wederpartij concludeert dat uit de feiten niet
blijkt dat een ontoelaatbaar onderscheid is gemaakt.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
heeft gemaakt op grond van ras als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling.

Artikel 7 lid 1 onder b AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1 AWGB,
het maken van onderscheid naar ras onder meer bij het aanbieden van goederen
of diensten door de openbare dienst.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie
van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens: huidskleur, afkomst,
of nationale of etnische afstamming. (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991,
nr. 3, pag. 13.)

4.2. Ter beantwoording van de in het geding zijnde vraag overweegt de Commissie
het volgende.

De verplichting van de openbare dienst zich te onthouden van discriminatie
bij het aanbieden van goederen en diensten brengt mee, dat de betreffende
dienst erop moet toezien dat ook de instanties over wie zij het gezag uitoefent
zich van discriminatie onthouden. In het onderhavige geval houdt dat in
dat de wederpartij klachten over ongelijke behandeling door de betreffende
openbare school zorgvuldig behandelt en passende maatregelen treft ter
voorkoming of bestrijding daarvan. Indien de wederpartij daarin te kort
schiet kan er sprake zijn van verboden onderscheid in de zin van de AWGB.

4.3. De Commissie stelt op grond van de beslissing van de Bestuurscommissie
van 8 januari 1997 vast, dat het bezwaar van verzoekster tegen de schorsing
van haar kleinzoon door het schoolhoofd gegrond is verklaard.

Het bezwaar van verzoekster dat het beginsel van hoor en wederhoor niet
in acht is genomen voorafgaand aan de beslissing tot schorsing is door
de Bestuurscommissie ongegrond verklaard. De Bestuurscommissie geeft in
de beslissing tevens aan dat het haar spijt dat de kwestie van de schorsing
verzoekster zo lang heeft bezig gehouden. Zij stelt er lering uit getrokken
te hebben als het gaat om de zorgvuldigheid die bij dergelijke zwaarwegende
beslissingen moet worden betracht. De vraag is of de wederpartij zich zodoende
voldoende heeft gekweten van haar onder 4.2. vermelde verplichtingen.

4.4. Uit de verklaringen ter zitting is gebleken dat het schoolhoofd, nadat
hij van de burenruzie had vernomen, eerst de buurman gebeld heeft. Vervolgens
heeft hij verzoekster opgebeld met de mededeling dat haar kleinzoon maandag
niet welkom was, dus was geschorst. Zodoende heeft het schoolhoofd eerst
de beslissing over de schorsing genomen en vervolgens pas verzoekster gehoord
over de gebeurtenissen. Anders dan de Bestuurscommissie is de Commissie
van oordeel dat het schoolhoofd het beginsel van wederhoor ten opzichte
van verzoekster niet op deugdelijke wijze in acht heeft genomen.
Niet duidelijk is waarom het noodzakelijk was reeds vrijdagnacht een beslissing
tot zodanig zware maatregel als schorsing van een kind te nemen, terwijl
partijen hieromtrent nog het hele weekeinde zorgvuldig gehoord hadden kunnen
horen.

4.5. Het vorenstaande klemt te meer omdat het schoolhoofd na vrijdagnacht,
dus nog tijdens het weekend, had begrepen dat de mishandeling van de kleinzoon
van verzoekster door de buurman de oorzaak is geweest van de escalatie
tussen de families. Dit betekent dat er niet zomaar sprake was van een
burenruzie, maar van mishandeling van een leerling van de school door de
echtgenoot van een hulpmoeder op de school. Het schoolhoofd heeft nagelaten
terstond een onderzoek in te stellen, en het besluit tot schorsing van
de leerling te heroverwegen.

4.6. Verzoekster heeft zich er bij de Bestuurscommissie met name over beklaagd
dat in door haar met name genoemde gevallen van geweld en burenruzies door
ouders met een witte huidskleur, door de directie geen maatregelen zijn
genomen en er van schorsing geen sprake is geweest. De wederpartij is aan
deze klacht die duidt op onderscheid naar ras geheel voorbijgegaan, en
heeft terzake geen onderzoek ingesteld. Daarbij komt dat ook uit de overgelegde
correspondentie tussen partijen blijkt dat verzoekster aangeeft dat bij
de betreffende burenruzie van de zijde van de familie van de buurman racistische
opmerkingen aan het adres van de familie van verzoekster zijn gemaakt.

4.7. De Commissie is dan ook van oordeel dat de wederpartij, gelet op de
ernst van het aan de klacht van verzoekster ten grondslag liggende incident,
te weten mishandeling van een leerling door de echtgenoot van een hulpmoeder
op de school, alsmede de indicaties van de zijde van verzoekster van onderscheid
naar ras, de klacht onzorgvuldig heeft afgewikkeld. Onder de gegeven omstandigheden
lag het op de weg van de wederpartij een grondig onderzoek in te stellen
naar genoemd incident dat rechtstreeks verband hield met de mogelijk racistische
bejegening van een leerling van de school. De wederpartij heeft door dit
na te laten de leerling en verzoekster niet de bescherming geboden waartoe
zij ingevolge artikel 7 lid 1 sub b AWGB is gehouden en daardoor bij het
aanbieden van diensten verboden onderscheid op grond van ras gemaakt.

4.8. Aanbeveling van de Commissie

Het is de Commissie gebleken dat hoewel op de betreffende school het percentage
allochtone leerlingen varieert van ongeveer 35 tot 40 %, het personeelsbestand
geheel autochtoon is. De Commissie beveelt de wederpartij aan een zodanig
personeelsbeleid te voeren dat het personeelsbestand een afspiegeling wordt
van de samenstelling van de bevolking in de regio. Voorts beveelt de Commissie
aan een gedragscode in te voeren voor de behandeling van klachten van leerlingen
en ouders met betrekking tot discriminatie, alsmede toezicht te houden
op de naleving daarvan, zulks om te voorkomen dat verboden onderscheid
in de zin van de AWGB wordt gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Burgemeester
en Wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel jegens mevrouw (….)
te Capelle aan den IJssel direct onderscheid naar ras heeft gemaakt zoals
verboden in artikel 7 lid 1 sub b van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G.Nicolai (lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. I.M. Hidding(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 december 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een bedrijf was aangesloten bij een pensioeninstelling. Deze instelling
regelde alleen pensioenen voor technische functies in de zeefdruksector.
Een vrouw die van van 1973 tot 1981 bij het bedrijf werkzaam was, kon vanwege
het feit dat zij een administratieve functie vervulde niet deelnemen aan
deze pensioenregeling. De Commissie constateert dat de technische functies
bij de werkgever van de vrouw met name door mannen werden vervuld. De administratieve
functies werden met name door vrouwen vervuld. Op grond daarvan concludeert
de Commissie dat er sprake is van indirect onderscheid op grond van geslacht.
Strijd met de wet.

Volledige tekst


Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de wederpartij,
ingeval verzoekster vanaf 8 april 1976 als werknemer in de zin van de statuten
van de wederpartij kan worden beschouwd, vanafgenoemde datum een verboden
indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt jegens verzoekster door
haar op grond van haar administratieve functie uit te sluiten van deelname
aan de pensioenregeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het (….) te Amsterdam jegens
mevrouw (….) te Amsterdam, ingeval verzoekster vanaf 8 april 1976 als
werknemer in de zin van de statuten van de wederparij kan worden beschouwd,
vanaf genoemde datum niet objectief gerechtvaardigd indirect onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de Wet gelijk loon en artikel
(7A:)1637ij van het Burgerlijk Wetboek (oud) en derhalve heeft gehandeld
in strijd met deze wetgeving.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 december 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een man solliciteerde bij een internaat voor thuisloze mannen naar de functie
van invalkracht sociaal pedagogisch werker. De man werd afgewezen omdat
hij geen christelijke levensovertuiging had. De Commissie is van oordeel
dat het internaat hierdoor onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt.
Gelet op de christelijke grondslag van het internaat en de functie van
de sociaal pedagogisch werker bij het verwezenlijken van deze grondslag
is het stellen van deze functie-eis echter toegestaan.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 18 juni 1997 verzocht de heer (….) te Amsterdam (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of de (….) te Amsterdam (hierna: de wederpartij) in strijd heeft gehandeld
met de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: AWGB).

1.2. De wederpartij beheert onder meer een internaat voor thuisloze mannen.
Verzoeker heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van invalkracht
Sociaal Pedagogisch Werker. Verzoeker is afgewezen voor deze functie omdat
de wederpartij vond dat verzoeker onvoldoende invulling zou kunnen geven
aan de christelijke identiteit van de instelling. Verzoeker is van mening
dat de wederpartij daarmee onderscheid naar godsdienst heeft gemaakt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld.
Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader
toe te lichten tijdens de zitting van 25 november 1997. Verzoeker heeft
een getuige meegebracht. Deze is door de Commissie gehoord.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….)
– mw. R.A. Masselman (gemachtigde)
– dhr. (….) (getuige)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (directeur)
– dhr. (….) (hoofd P&O)
– mw. mr. A.R.C. van Ramshorst-Cnossen (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. A.W. Heringa (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker staat als werkzoekende ingeschreven bij het Arbeidsbureau
te Amsterdam-Oost. Door het Arbeidsbureau is hij geattendeerd op een vacature
bij een van de door de wederpartij beheerde instellingen voor de functie
van invalkracht Sociaal Pedagogisch Werker. In de vacaturemelding was onder
meer als functie-eis opgenomen ‘dat men actief gestalte diende te geven
aan de protestant-christelijke grondslag van de instelling’.

Verzoeker heeft naar aanleiding daarvan contact opgenomen met het Arbeidsbureau
en geïnformeerd naar de betekenis van laatstgenoemde functie-eis. Meegedeeld
werd dat men de christelijke grondslag van de wederpartij diende te respecteren.
Het feit, dat verzoeker zelf niet de christelijke levensovertuiging had,
was volgens het Arbeidsbureau geen bezwaar.

Verzoeker heeft vervolgens schriftelijk bij de wederpartij gesolliciteerd.
Naar aanleiding daarvan werd hij uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek
op 23 mei 1997. Tijdens dit gesprek werd gevraagd naar zijn godsdienstige
overtuiging. Verzoeker heeft hierop geantwoord geen belijdend christen
te zijn, maar de christelijke grondslag van de wederpartij te respecteren
en bewoners in de gelegenheid te zullen stellen uiting te geven aan hun
geloof.

Naar aanleiding daarvan werd het gesprek beëindigd met de mededeling dat
verzoeker als niet-christen niet in aanmerking zou kunnen komen voor de
functie. Dit werd bij brief van 3 juni 1997 bevestigd.

3.2. De betreffende instelling is een internaat/opvangtehuis voor 67 thuisloze
mannen. Deze instelling is onderdeel van de wederpartij, waarvan de doelstelling
nauw aansluit bij de doelstelling van het kerkgenootschap het Leger des
Heils (hierna: het kerkgenootschap).

Artikel 3 van de statuten van het kerkgenootschap luidt:
“Het (….) heeft ten doel: het beoefenen van den Christelijken Godsdienst
in den ruimsten zin en, in het bijzonder, het bevorderen en doen genieten
van godsdienstig broederlijk verkeer, ’t brengen onder de prediking en
de zegeningen des Evangelies van zoodanige personen als gewoonlijk niet
onder den invloed van godsdienstige leering zijn, dan wel door ondeugd
of ongeluk in groote armoede verkeeren.
Het (….) omvat daarom zoowel die afdeelingen, korpsen, groepen, brigades
en bonden, wier arbeid in de allereerste plaats van geestelijken aard is,
als die afdeelingen, instellingen, inrichtingen en tehuizen, wier werkzaamheid
op zedelijk, maatschappelijk en materieel gebied toch bovenal het geestelijk
en eeuwig welzijn van alle menschen beoogt.”

De structuur en de grondslag van de wederpartij zijn omschreven in artikel
4 van haar statuten. Lid 2 van dit artikel stelt onder meer dat de stichting
haar grondslag vindt in de godsdienstige beginselen en leerstellingen van
het kerkgenootschap, waaraan zij zich te allen tijde heeft te houden en
die door haar uitgedragen moeten worden.
Het doel van de wederpartij is omschreven in artikel 3 van haar statuten.
Dit artikel luidt:

“1. De Stichting stelt zich ten doel daadwerkelijk uitdrukking te geven
aan de doelstelling en werkwijze zoals omschreven in de statuten van het
(….) en beoogt in dit kader directe materiële en immateriële hulp te
verlenen aan mensen die deze hulp willen aanvaarden zonder onderscheid
naar godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht
of welke andere in het kader van haar doelstelling niet relevante grond
ook.

2. Het (….) heeft tot doel om op elke daartoe geschikte plaats, tijd
en wijze het evangelie – met name de daarin vervatte oproep tot bekering
– in woord en daad uit te dragen, in ontmoeting met de medemens ook aandacht
geven aan diens maatschappelijke noden en behoeften en daarin trachten
te voorzien, hetzij vanuit de eigen organisatie hetzij door anderen, er
vanuit gaande dat voor het waarlijk samenleving zijn naar Gods bedoeling
nodig is: ieders bekering tot en gehoorzaamheid aan Jezus Christus.”

3.3. De wederpartij heeft met betrekking tot de wijze, waarop zij haar
doel meent te verwezenlijken onder andere een nota Identiteitsbeleid, gedateerd
maart 1993, vastgesteld. Voor zover in deze relevant wordt hierin het volgende
gesteld.

Met betrekking tot de cliënten worden aan de werkwijze en houding van medewerkers
hoge eisen gesteld. Eén element daarvan is dat een cliënt recht heeft om
te weten dat hij met een organisatie te maken heeft, die vanuit een christelijke
mensvisie hulp verleent. Tegen deze achtergrond wordt voor of tijdens de
opname van een cliënt of bij het intakegesprek/kennismakingsbezoek duidelijk
gemaakt wat dat voor de cliënt concreet betekent. Bij de residentiële hulpverlening
kan informatie worden gegeven over de gang van zaken binnen de instelling
en de mate waarin zaken een verplicht karakter dragen. Te denken valt daarbij
aan informatie over de grondslag van de hulpverlening en de (aard van de)
huisregels. Voorbeelden daarvan zijn dat er aan tafel gebeden wordt, dat
er een weekopening is en ’s zondags een dienst, dat er geen alcoholhoudende
dranken worden gedronken en drugs worden gebruikt, dat de christelijke
feestdagen worden gevierd en er bijbelgroepen en een zondagsschool zijn.

De wederpartij wil in het kader van de doelstelling en de werkwijze van
het kerkgenootschap een combinatie van materiële en immateriële hulp bieden.
De nota stelt dat dit concreet betekent, dat als bijvoorbeeld een subsidiënt
als eis zou stellen dat medewerkers van de wederpartij hun werkzaamheden
niet meer mogen verrichten vanuit hun geloof in Jezus Christus, deze werkzaamheden
niet meer zullen worden uitgevoerd. Tevens is bij samenwerking van de wederpartij
met anderen voorwaarde, dat medewerkers binnen dit samenwerkingsverband
de oproep om tot de bijbelse bestemming te komen, kunnen blijven uitdragen.
Daarvoor is het onder meer noodzakelijk dat de wederpartij verantwoordelijk
blijft voor de werving en selectie van het eigen personeel, ook al werkt
dit met anderen in één organisatie samen.
De werving- en selectieprocedure, zoals beschreven in de nota’s Werving-
en Selectie- en Benoemingsbeleid alsmede de Kadernota voor Interne Communicatie,
beoogt volgens de nota Identiteitsbeleid dat uitsluitend mensen in dienst
worden genomen, die de grondslag van de wederpartij onderschrijven en die
hieraan actief gestalte kunnen geven. Van de medewerkers mag immers worden
verwacht dat zij in hun handelen mede verantwoordelijk zijn voor de vormgeving
van de identiteit. Zij dienen een houding te hebben of te verwerven waardoor
zij kunnen omgaan met de manier waarop het kerkgenootschap aan de grondslag
uiting geeft. Gedacht wordt daarbij aan bijvoorbeeld het voeren van een
persoonlijk gesprek over geloofszaken, het voorlezen uit de Bijbel en het
hardop bidden. In het inwerkschema wordt vastgelegd op welke wijze de medewerker
in de gelegenheid wordt gesteld zich dit eigen te maken. Aangezien -volgens
de nota- identiteit niet zozeer een vaardigheid is die wordt aangeleerd,
maar vooral een houding die innerlijke verwerking van de opvattingen vraagt,
worden geregeld thema-dagen terzake georganiseerd. In het toekomstige personeelsblad
zal aandacht worden besteed aan de wijze waarop de werkeenheden met het
onderwerp ‘identiteit’ bezig zijn, aan materiaal dat is ontwikkeld en aan
werkwijzen waarin de identiteit vorm heeft gekregen. Op de informatiedag
van de nieuwe medewerkers zal het onderwerp ‘identiteit’ meer in het algemeen
aan de orde komen.
Van de directeuren van de werkeenheden wordt gevraagd ruimte en vertrouwen
te creëren, waardoor het gemeenschappelijke, de persoonlijke geloofsbeleving
van iedere medewerker, kan worden gedeeld, medewerkers elkaar hierop kunnen
bevragen en via bepaalde werkvormen, zoals werkgroepen, de geloofsbeleving
kan worden verdiept. Dit kan het vertrekpunt vormen van de geleidelijke
realisering van de stichtingsdoelstelling ‘de oproep tot bekering’. Binnen
het opleidingsbudget dient ook specifiek aandacht gegeven te worden aan
toerusting ten aanzien van vormgeving van de identiteit van de werkeenheid.
De voortgang van de invoering van het in de nota weergegeven identiteitsbeleid
wordt jaarlijks gestuurd door middel van de werkplannen van de werkeenheden
en bewaakt aan de hand van de jaarverslagen.

Het standpunt van verzoeker:

3.4. Hoewel verzoeker geen belijdend christen is, is hij wel bekend met
het protestant-christelijk geloof. Hij respecteert de protestant-christelijke
grondslag van de wederpartij en ziet geen enkele belemmering om binnen
de instelling van de wederpartij te functioneren. Het cliëntenbestand van
de wederpartij bestaat voornamelijk uit daklozen en drugsgebruikers met
verschillende herkomst en met diverse levensovertuigingen.

De wederpartij kan onder de gegeven omstandigheden geen beroep doen op
artikel 5, lid 2, onder a. AWGB en heeft derhalve onderscheid gemaakt als
bedoeld in lid 1 van genoemd artikel.

Het standpunt van de wederpartij:

3.5. De wederpartij is een instelling op godsdienstige grondslag en kan
daarom een beroep doen op de in artikel 5, lid 2 onder a. AWGB vervatte
uitzondering op het verbod op het maken van onderscheid. Het verbod op
het maken van onderscheid laat volgens dit wetsartikel onverlet de vrijheid
van een instelling op godsdienstige grondslag om bepaalde eisen te stellen,
die gelet op het doel van de instelling nodig zijn voor de vervulling van
een functie.

Om de doelstelling van de wederpartij te realiseren is het noodzakelijk
functie-eisen te stellen met betrekking tot het onderschrijven van de doelstelling.
Om deze doelstelling te kunnen onderschrijven is het niet voldoende indien
de christelijke levensovertuiging wordt gerespecteerd. Om de identiteit
van de wederpartij vorm te kunnen geven is het noodzakelijk dat alle medewerkers
een gemeenschappelijke christelijke geloofsovertuiging hebben. Indien de
wederpartij niet meer in staat is haar identiteit gestalte te geven doordat
er onvoldoende aanbod is van personeelsleden met de vereiste christelijke
levensovertuiging, zal zij zichzelf opheffen. De wederpartij wil haar identiteit
niet slechts gestalte geven door middel van een bord met een naamsaanduiding
die verwijst naar haar identiteit.

De eis van een christelijke levensovertuiging wordt aan alle medewerkers
gesteld, ongeacht hun functie en ongeacht de vraag of het een vaste aanstelling
betreft of een functie als invalkracht. In het werving- en selectiebeleid
vormt deze voorwaarde een vast onderwerp van gesprek met sollicitanten.
Tijdens het dienstverband komt in de functioneringsgesprekken de manier
waarop groepsleiders deelnemen aan de geestelijke activiteiten van de wederpartij
aan de orde.

Binnen de werkeenheid krijgt de identiteit van de wederpartij onder meer
gestalte door de volgende activiteiten:
– de maaltijden worden met gebed begonnen en beëindigd; de groepsleider
gaat daarin voor;
– wekelijks vindt bijbelstudie plaats, die geleid wordt door een personeelslid;
– iedere week wordt op zondagmorgen een huissamenkomst gehouden; de dienstdoende
groepsleiding neemt zelf deel aan deze samenkomst en heeft tot taak om
de bewoners te stimuleren tot het bijwonen daarvan;
– met enige regelmaat bezoeken de bewoners van de werkeenheid landelijke
activiteiten van de wederpartij, zoals de trefdag en het muzikantencongres;
– de groepsleidersvergadering wordt begonnen met een opening door een van
de deelnemers, meestal aan de hand van een Bijbel-tekst, maar in ieder
geval over een onderwerp dat verband houdt met de christelijke identiteit
van de wederpartij;
– de cliënten van de wederpartij worden aangesproken vanuit de christelijke
normen en waarden;
– iedere groepsleider is mentor voor een aantal bewoners en treedt ten
aanzien van ‘zijn’ bewoners op als een soort vertrouwenspersoon binnen
de instelling; de bewoner moet bij hem met name ook terecht kunnen met
levensvraagstukken; van de groepsleider wordt daarbij verwacht dat hij
een antwoord geeft dat past binnen de christelijke levensvisie van de instelling.

Hieruit blijkt dat de wederpartij in de dagelijkse praktijk haar identiteit
en met name ook haar uiteindelijke doelstelling, de oproep tot bekering,
centraal stelt. De Sociaal Pedagogisch Werker vervult in de realisering
van deze doelstelling een belangrijke rol.

Uit het gesprek met verzoeker is gebleken dat hij geen affiniteit met de
christelijke doelstelling van de wederpartij had. De wederpartij heeft
op grond daarvan geconcludeerd dat hij niet in staat zou zijn de functie
van Sociaal Pedagogisch Werker te vervullen op de wijze die de wederpartij
verwacht. Bij het Arbeidsbureau is van meet af aan bekend geweest dat de
eis met betrekking tot ‘het actief gestalte geven aan de protestant-christelijke
grondslag’ door de wederpartij serieus wordt genomen en dat respect voor
de christelijke identiteit niet voldoende is.

Bij het sollicitatiegesprek met de getuige is een fout gemaakt. In beginsel
wordt bij alle sollicitatiegesprekken, niet alleen met eventuele vaste
medewerkers maar ook met tijdelijke krachten en stagiaires gevraagd naar
de betekenis voor de sollicitant van het christelijke geloof. De bewoners
van het tehuis bevinden zich in een moeilijke situatie, zij zijn het stuur
in hun leven kwijt. De wederpartij wil de bewoners tonen dat het christelijk
geloof een manier kan zijn om inhoud te geven aan het leven. Het initiatief
voor gesprekken daarover ligt dikwijls bij de medewerkers. Bewoners kunnen
hierover ook vragen stellen. Alle medewerkers moeten daarom voldoende toegerust
zijn om die vragen te beantwoorden. Het is niet van belang bij welke kerk
de sollicitant is aangesloten. In 1996 zijn ongeveer 300 nieuwe medewerkers
aangenomen. Het kan voorkomen dat de functie-eis in een enkel geval niet
streng genoeg wordt bewaakt.

3.6. Verklaring getuige

De getuige loopt stage bij het Meldpunt discriminatie te Amsterdam in het
kader van zijn opleiding aan de Hogeschool Amsterdam, sociaal-juridische
dienstverlening. In het kader van dezelfde opleiding heeft hij ook, van
18 november 1996 tot 26 mei 1997, gedurende één dag per week (maandag)
stage gelopen als groepsleider bij de wederpartij. Tijdens zijn sollicitatiegesprek
is met de getuige niet gesproken over de voorwaarde van een christelijke
levensovertuiging. Tijdens zijn werk heeft de getuige er niets van gemerkt
dat een oproep tot bekering bij het werk centraal zou staan. Wel heeft
de getuige bevestigd dat de maaltijden geopend en gesloten werden met gebed.
Aan de wekelijkse bijbelstudie en de zondagsdienst heeft de getuige niet
meegedaan, omdat hij dan niet aanwezig was. De getuige heeft alleen controlerende,
verzorgende taken uitgevoerd. Hij heeft voor de bewoners niet als mentor
gefunctioneerd. Tijdens zijn stage heeft de getuige aan andere groepsleiders
gevraagd om van hem het gebed voor en na de maaltijd over te nemen, omdat
hij geen christen is. De getuige is slechts eenmaal door een andere groepsleider
aangesproken op het hebben van een geloof. In zijn stageverslag heeft de
getuige vermeld dat voor vaste medewerkers een christelijke levensovertuiging
nodig was.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij het aanbieden van een
betrekking en bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking een verboden onderscheid op grond van godsdienst als bedoeld
in de AWGB heeft gemaakt door als functie-eis voor de functie van invalkracht
Sociaal Pedagogisch Werker te stellen dat men actief gestalte moet kunnen
geven aan de christelijke grondslag van de wederpartij door het hebben
van een christelijke levensovertuiging.

4.2. Artikel 5 lid 1 onder a. AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid verboden
is bij het aanbieden van een betrekking.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet onder meer betrekking heeft op onderscheid
tussen personen op grond van godsdienst.

Laatstgenoemd artikel bepaalt in onder onderscheid zowel direct als indirect
onderscheid begrepen wordt. Onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid
dat verwijst naar een van de in de AWGB genoemde discriminatiegronden.
Indirect onderscheid is onderscheid, dat op grond van andere hoedanigheden
of gedragingen dan godsdienst direct onderscheid op die grond tot gevolg
heeft.

In artikel 5 lid 2 onder a. AWGB is bepaald dat het in lid 1 neergelegde
verbod van onderscheid onverlet laat de vrijheid van een instelling op
godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag om eisen te stellen, die
-gelet op het doel van de instelling- nodig zijn voor de vervulling van
een functie, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond
van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit,
hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.

4.3. De wederpartij heeft in de vacaturemelding alsmede tijdens het sollicitatiegesprek
onder meer als functie-eis gesteld dat actief gestalte wordt gegeven aan
de protestant-christelijke grondslag. De Commissie stelt vast dat de wederpartij
daarmee onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt bij de aanbieding
van een betrekking en bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking, zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 onder a. AWGB.

Het verbod op het maken van dit onderscheid laat op grond van het tweede
lid van dit artikel onverlet de vrijheid van een instelling op godsdienstige
of levensbeschouwelijke grondslag om bepaalde functie-eisen te stellen.
De Commissie stelt op grond van de statuten van de wederpartij vast, dat
de wederpartij een instelling is op godsdienstige grondslag en als zodanig
een beroep kan doen op de wettelijke uitzondering.
Vervolgens is de vraag aan de orde of de eis van een christelijke levensovertuiging,
gelet op het doel van de wederpartij, nodig is voor de vervulling van de
functie van Sociaal Pedagogisch Werker.

4.4. De wederpartij is van mening dat zij vanwege haar grondslag de in
geding zijnde functie-eis mag stellen ten aanzien van alle functies en
mitsdien ook ten aanzien van die van de Sociaal Pedagogisch Werker.
Anders dan de wederpartij veronderstelt brengt de uitzondering van artikel
5 lid 2 onder a. AWGB niet zonder meer met zich dat zij de functie-eis
met betrekking tot de christelijke levensovertuiging mag stellen ten aanzien
van alle functies. Bij de beantwoording van de vraag of terecht een beroep
gedaan kan worden op de vrijheid van de door de wetgever bedoelde instellingen
om bepaalde functie-eisen te stellen zijn de concrete omstandigheden van
belang (Zie onder meer Tweede Kamer, 1991-1992, 22014, nr. 10, pag. 21.).
Dit houdt in dat de Commissie niet alleen nagaat wat de formele regels
zijn ten aanzien van de grondslag en het doel van de desbetreffende instelling
en ten aanzien van de functie, maar ook welke betekenis door de wederpartij
aan grondslag en doelstelling in de praktijk wordt gehecht, zoals de concrete
context waarbinnen de feitelijke werkzaamheden van de Sociaal Pedagogisch
Werker worden verricht.

De Commissie heeft daarbij niet de taak de grondslag en het doel van de
instelling te beoordelen. Wel dient nagegaan te worden of de functie-eis
nodig is voor het doel van de instelling. Daarbij zal de Commissie acht
slaan op de vraag of de betekenis van de grondslag voor de rechtsverhouding
zodanig is dat de instelling de functie-eis kan stellen (Zie onder meer
Tweede Kamer, 1991-1192, 22014, nr. 5, pag. 44.). De functie-eis zal gegrond
moeten zijn op een vast en op het doel van de instelling berustend beleid
(Zie onder meer Tweede Kamer 1991-1992, 22014, nr. 10, pag. 22.). De instelling
dient derhalve aan te tonen dat haar beleid consequent gericht is op het
handhaven van de identiteit. De Commissie gaat allereerst na of van dit
laatste sprake is bij de wederpartij.

4.5. Ten aanzien van het werving- en selectiebeleid stelt de Commissie
vast dat de eis van een christelijke levensovertuiging wordt gesteld bij
alle functies. In de praktijk vormt dit apart onderdeel van het sollicitatiegesprek,
waarbij wordt nagegaan wat deze voorwaarde voor de desbetreffende functie
voor de wederpartij inhoudt en of de sollicitant bereid is aan de functie
de in dit opzicht gewenste invulling te geven. Ook bij verzoeker is deze
vraag onderdeel geweest van het sollicitatiegesprek. Het antwoord van verzoeker
is de reden geweest om geen arbeidsovereenkomst aan te gaan.
Voorts constateert de Commissie dat de wederpartij de gestelde functie-eis
ook in het opvangtehuis concreet gestalte geeft, door de activiteiten die
voortvloeien uit deze eis te bespreken tijdens de functioneringsgesprekken.

De getuige heeft verklaard dat met hem niet over de functie-eis is gesproken.
De Commissie overweegt dat de stelling van de wederpartij dat in dat geval
sprake is geweest van een incidentele omissie, aannemelijk is. De getuige
heeft bovendien verklaard dat ook naar zijn weten voor vaste medewerkers
de functie-eis gesteld werd. De getuige heeft tevens bevestigd dat het
uitdragen van het christelijk geloof door gebed, bijbelstudie en zondagsdienst
een onderdeel vormt van de opvang van de bewoners van het tehuis.

Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat de wederpartij haar identiteit
op zodanige wijze gestalte geeft dat sprake is van een vast en op het doel
van de instelling berustend beleid.

4.6. Ten aanzien van de vraag of een christelijke levensovertuiging, gelet
op het doel van de wederpartij, een noodzakelijke eis voor de vervulling
van de functie van Sociaal Pedagogisch Werker is, overweegt de Commissie
het volgende.

In de wetsgeschiedenis is meermalen ingegaan op de reikwijdte van het noodzakelijkheidsvereiste
van de functie-eis alsmede de beoordeling daarvan. Van belang is in dit
verband het volgende.
De vaststelling van grondslag en doel alsmede de betekenis ervan voor het
stellen van bepaalde eisen aan een specifieke functie ligt primair bij
de wederpartij zelf (Zie onder meer Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nr.
3, pag. 18.).

De Commissie doet de beslissing van de wederpartij niet “nog eens ten gronde
over”, maar beoordeelt of de wederpartij in redelijkheid heeft kunnen beslissen
zoals zij heeft gedaan (Zie onder meer Tweede Kamer, 1991-1992, 22014,
nr. 5, pag. 51.).

De beoordeling van de Commissie richt zich uitsluitend op de vraag of er
een objectiveerbare band is tussen de overtuiging die het doel draagt en
de daaraan ontleende functie-eis (Zie onder meer Tweede Kamer, 1991-1992,
22014, nr. 5, pag. 44 en 51.).

In dat verband acht de Commissie van belang vast te stellen wat de functie
van Sociaal Pedagogisch Werker bij de wederpartij in de praktijk inhoudt.

Een Sociaal Pedagogisch Werker wordt tewerkgesteld als groepsleider. Bij
een groep van ongeveer 10 mannen is de groepsleider belast met de individuele
begeleiding. Deze begeleiding strekt zich uit van heel praktische zaken
als hulp bij het douchen en het klaarmaken van het ontbijt tot de activiteiten
die beschreven zijn in het standpunt van de wederpartij onder 3.5. Ter
zitting heeft de wederpartij hieraan nog, onweersproken, toegevoegd dat
het doel van de hulpverlening aan deze groep thuisloze mannen (mede) is
het aanschouwelijk maken van een andere manier van leven door middel van
het christelijk geloof. Vragen en/of andere vormen van communicatie vanuit
de bewoners moeten in het bijzonder door de groepsleider opgepakt kunnen
worden, waarbij vanuit de identiteit van de instelling gereageerd moet
kunnen worden.

Naar het oordeel van de Commissie heeft de wederpartij hiermee voldoende
aannemelijk gemaakt dat een groepsleider een belangrijke rol speelt bij
de handhaving van de identiteit, zodat sprake is van een objectiveerbare
relatie tussen het doel van de wederpartij en de functie-eis.

5.7. De Commissie overweegt tot slot dat in het algemeen het feit, dat
de omvang van een functie circa 15 uur per week betreft als invalkracht
en derhalve beperkt is, een omstandigheid is die kan nopen tot een andere
afweging bij de vraag of een eis die onderscheid op grond van godsdienst
met zich brengt, nodig is voor de vervulling van een functie. In de onderhavige
zaak is, gelet op de mate waarin en de wijze waarop de wederpartij haar
doelstelling tracht te realiseren, aannemelijk dat de beperktheid van de
omvang van de dienstbetrekking niet afdoet aan het belang van de in geding
zijnde functie-eis gedurende de tijd dat de medewerker zijn werkzaamheden
verricht. Daarbij overweegt de Commissie tevens dat in het personeelsbeleid
van de wederpartij interne sollicitanten ongeacht de omvang van hun dienstbetrekking
voorrang hebben ten opzichte van externe gegadigden bij het vervullen van
een vacature. Dit leidt tot de conclusie dat de omvang van de dienstbetrekking
in deze zaak niet afdoet aan het eerder weergegeven oordeel, dat de wederpartij
in redelijkheid heeft kunnen beslissen de in geding zijnde functie-eis
te stellen.

Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de wederpartij
onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt bij het aanbieden van
een betrekking, welk onderscheid niet verboden is omdat een christelijke
overtuiging een eis is die in deze, gelet op het doel van de wederpartij,
nodig is voor de vervulling van de functie van Sociaal Pedagogisch Werker
bij de instelling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (….) te Amsterdam
– onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst zoals bedoeld in artikel
5 lid 1 onder a. van de Algemene wet gelijke behandeling,
– welk onderscheid evenwel op grond van artikel 5 lid 2 onder a. is toegelaten,
– en mitsdien niet in strijd met genoemde wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. A.W.Heringa (lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 december 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een vrouw stelt dat zij tijdens het lopen van co-assistentschappen, in
het kader van haar opleiding Geneeskunde, onheus is bejegend door collega’s
en leidinggevenden. De Commissie heeft geen concrete feiten kunnen vaststellen
over de gestelde onheuse bejegening. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 februari 1997 verzocht mevrouw (….) te Nijmegen (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit
te spreken over de vraag of het (….) (hierna: de wederpartij) jegens
haar onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft in het kader van haar opleiding Geneeskunde co-assistentschappen
gelopen bij de wederpartij. Verzoekster stelt dat zij tijdens deze co-assistentschappen
onheus is bejegend, waaronder sexueel geïntimideerd, door collega’s en
leidinggevenden. Tevens heeft de wederpartij verzoekster de toegang geweigerd
tot patiënten-behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Partijen
zijn opgeroepen voor een zitting op 6 oktober 1997.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw (….) (verzoekster)
– dhr (….) (echtgenoot van verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– niet verschenen

van de kant van de Commissie
– mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw mr E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster heeft in 1985 het doctoraal-examen geneeskunde afgelegd
aan de (….).
De verdere studie van verzoekster is vervolgens door oorzaken buiten haar
wil onderbroken. In 1990 heeft verzoekster haar studie hervat door middel
van het lopen van een cyclus van co-assistentschappen bij de wederpartij.
Deze co-assistentschappen worden door de wederpartij “stage” genoemd. Door
omstandigheden buiten haar wil is verzoekster er niet in geslaagd deze
cyclus te voltooien. Vanaf december 1994 heeft verzoekster haar studie
wederom hervat door middel van het lopen van een cyclus van zes co-assistentschappen.
Tenminste één co-assistentschap van deze cyclus is door de wederpartij
in de loop van 1995 afgebroken. Voltooide co-assistentschappen blijven
drie jaar geldig.

Op 13 november 1995 is verzoekster gestart met het co-assistentschap op
de afdeling Psychiatrie. Vanwege de problemen in voorgaande co-assistentschappen
is binnen deze afdeling voor verzoekster een zodanige stageroute ontworpen,
dat haar kansen op voltooiing van de stage zo groot mogelijk werden. Noch
aan de staf noch aan de patiënten zijn mededelingen gedaan over de voorafgaande
problemen van en met verzoekster.

Vanwege klachten van patiënten over haar optreden en nadat deze klachten
met verzoekster waren besproken, is aan verzoekster op 27 november 1995
door het Hoofd van de afdeling een voorlopig verbod opgelegd om contact
te hebben met patiënten. Aan verzoekster bleef wel toegestaan om de onderwijsactiviteiten
te volgen. Nog diezelfde dag heeft verzoekster zich niet aan het contactverbod
gehouden.

De Artsexamen-commissie heeft bij beschikking van 20 december 1995 verzoekster
de toegang tot de patiënten-behandeling ontzegd. Verzoekster heeft beroep
ingesteld van deze beslissing bij het College van beroep voor de Examens.
Naar aanleiding hiervan heeft dit College op 24 mei 1996 het besluit van
20 december 1996 herzien in de zin dat weliswaar de ontzegging voor onbepaalde
tijd wordt voortgezet, maar de mogelijkheid wordt opgenomen dat dit besluit
tot ontzegging zou worden herzien, indien verzoekster binnen een termijn
van zes maanden een verklaring van een bevoegd arts toont dat zij lichamelijk
en geestelijk is hersteld van haar aandoening.

Uit diverse, door verzoekster overgelegde stukken blijkt dat zij zowel
in haar studie als privé met problemen te kampen heeft gehad.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt in het algemeen het volgende.

Ten gevolge van de behandeling door superieuren en mannelijke collega’s
is zij overspannen geraakt. Verzoekster is weggepest en (sexueel) geïntimideerd
door collega’s. Terzake hiervan heeft verzoekster de Commissie een deel
van haar dagboek toegezonden. De intolerantie van mannelijke collega’s
en superieuren kan zij aantonen evenals het wegwerken van vrouwelijke concurrenten.
Verder kon verzoekster door lange wachttijden tussen haar co-assistentschappen
niet voldoende punten behalen om in aanmerking te komen voor een studiebeurs.

Verzoekster legt een verband tussen haar functioneren als co-assistent
en haar privé problemen, onder meer ruzie met de buren en een verkeerd
gestelde diagnose door het RIAGG.

Verzoekster voelt zich door de wederpartij als een klein kind behandeld.
Slechts tijdens haar stage op de afdeling Neurologie ondervond zij geen
problemen. Verzoekster concludeert dat de artsenstudie vrouwonvriendelijk
is. Zij heeft een zwangerschaps-delier gehad. Vrouwen hebben hiervan voor
een groot gedeelte (85%) last. Na haar (zware) bevalling heeft verzoekster
medicijnen gekregen, die evenwichtsverstorend werkten. De wederpartij houdt
er geen rekening mee dat een vrouw zich kan voortplanten.

Meer in het bijzonder richt de klacht van verzoekster zich op het verbod
op patiëntencontact, dat haar op de afdeling Psychiatrie is opgelegd. Ter
zitting heeft verzoekster hieraan toegevoegd dat de ontzegging van de toegang
tot de patiëntenbehandeling geen direct verband hield met haar geslacht.

Naar aanleiding van het verweer van de wederpartij stelt verzoekster nog
dat zij ongelijk behandeld is op grond van haar ‘mens-zijn’. De speciale
stageroute op de afdeling Psychiatrie was onprettig en ongewenst, omdat
verzoekster niet serieus werd genomen. De klachten van patiënten waren
in werkelijkheid de klachten van de buren van verzoekster, die liepen via
de RIAGG en/of de voormalige huisarts van verzoekster.

3.3. De wederpartij stelt -voorzover van belang- het volgende.

Omdat de wederpartij geen arbeidsverhouding met verzoekster heeft kan er
geen sprake zijn van ongelijke behandeling van verzoekster. Het verboden
onderscheid als bedoeld in artikel 5 lid 1 sub e. AWGB ziet op scholing
tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding. Dat is in casu niet van
toepassing. De aanwezigheid van verzoekster bij de wederpartij had louter
betrekking op haar praktische vorming in het kader van haar artsenopleiding.
Zij stond als student geneeskunde ingeschreven bij de Katholieke Universiteit
Nijmegen, die als opleidings-instituut verantwoordelijk is voor de kwaliteit
van de opleiding. Het personeel dat de opleiding aan medische studenten
verzorgt is ook in dienst van de universiteit. Indien de universitaire
opleiding onder de werking van de wet valt, dienen klachten van studenten
te worden gericht aan het bestuur van de opleiding. De klacht gericht aan
de wederpartij moet dan ook niet ontvankelijk worden verklaard.

De klacht van verzoekster blijkt betrekking te hebben op onheuse bejegening
van verzoekster door mannelijk collega’s en superieuren tijdens haar opleiding
tot arts. Door verzoekster wordt niet aangegeven waaruit dat precies heeft
bestaan. De stelling dat er sprake was van het “wegwerken van vrouwelijke
concurrenten”, zoals verzoekster stelt, wordt niet onderbouwd.

Uit de door het Hoofd van de afdeling Psychiatrie verstrekte gegevens met
betrekking tot verzoekster, blijkt dat de afdeling geen onderscheid heeft
gemaakt op grond van geslacht. Verzoekster heeft wel speciale aandacht
van deze afdeling gekregen met als doel haar op een positieve wijze het
co-assistentschap psychiatrie te laten volgen. Deze aanpak heeft echter
geen resultaat gehad.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen
van belang.

In artikel 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) is bepaald
dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen wordt verstaan direct en
indirect onderscheid. Onder direct onderscheid wordt mede verstaan onderscheid
op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap. De wet maakt het niet
mogelijk rechtvaardigingsgronden aan te voeren voor direct onderscheid
anders dan de in de wet (artikel 1a lid 3 en artikel 5 WGB) opgenomen uitzonderingen.
Deze uitzonderingen zijn hier niet van toepassing.

Artikel 4 lid 1 WGB bepaalt dat de natuurlijke persoon of de rechtspersoon,
die een beroepsopleiding, voortgezette beroepsopleiding, of cursus voor
bijscholing of omscholing onder welke benaming ook in stand houdt dan wel
de natuurlijke of rechtspersoon die een examen verband houdend met de hiervoor
bedoelde opleidingen of cursussen afneemt, bij de toelating tot en de behandeling
binnen de opleiding dan wel bij het afnemen van het examen geen onderscheid
mag maken tussen mannen en vrouwen, noch ten aanzien van de criteria noch
ten aanzien van de niveaus.

In het kader van haar studie geneeskunde aan de Katholieke Universiteit
Nijmegen (KUN) moet verzoekster stage lopen bij de wederpartij. Deze is
dus naast de KUN de rechtspersoon die de beroepsopleiding in stand houdt.
Verzoekster klaagt over haar behandeling tijdens die opleiding. Het verweer
dat verzoekster niet-ontvankelijk is moet derhalve worden verworpen.

4.3. Met betrekking tot de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
heeft gemaakt naar geslacht overweegt de Commissie het volgende.

De klacht van verzoekster jegens de wederpartij bevat de volgende onderdelen:
a. De onheuse bejegening door collega’s en superieuren;
b. De ontzegging van de toegang van verzoekster tot de patiëntenbehandeling.
c. De lange tussentijdse wachttijden waardoor verzoekster niet aan voldoende
punten kon komen voor een beurs.

4.4. Met betrekking tot de onheuse bejegening door collega’s en superieuren
overweegt de Commissie het volgende.

Verzoekster is van mening dat zij is weggepest en (sexueel) geïntimideerd
is door collega’s. Ook noemt zij de intolerantie van mannelijke collega’s
en superieuren en het wegwerken van vrouwelijke concurrenten. Ter zitting
heeft verzoekster daaraan nog toegevoegd dat de studie Geneeskunde in het
algemeen vrouw-onvriendelijk is.
De Commissie overweegt ten aanzien van dit laatste punt dat de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (nog) niet in alle sectoren van de maatschappij
geheel vanzelf spreekt. De Commissie kan echter in reactie op een klacht
van een individuele verzoekster slechts onderzoek doen naar en oordelen
over de vraag of onderscheid is en/of wordt gemaakt jegens die individuele
verzoekster.
Verzoekster heeft de klacht over het wegwerken van vrouwelijke concurrenten
door mannelijke collega’s niet concreet onderbouwd, ondanks een verzoek
daartoe van de Commissie.
De Commissie overweegt dat sexuele intimidatie op zich verboden onderscheid
oplevert. (Commissie gelijke behandeling, 12 november 1996, oordeel 97-07).
Met betrekking tot de gestelde (sexuele) discriminatie heeft verzoekster
als documentatie een gedeelte uit haar dagboek aan de Commissie toegezonden.
De Commissie overweegt dat de beschreven gebeurtenissen geen (sexuele)
intimidatie opleveren, maar eerder getuigen van een voor verzoekster hinderlijke
communicatie-storing.
Ten aanzien van de intolerantie van mannelijke collega’s en superieuren
heeft verzoekster aan de Commissie geen concrete, voor de wederpartij noch
de Commissie natrekbare, gebeurtenissen meegedeeld.

De Commissie heeft derhalve in het onderzoek op dit punt geen concrete
feiten kunnen vaststellen met betrekking tot de gestelde onheuse bejegening.
Van onderscheid dat verboden is in de WGB is niet gebleken.

4.5. Ten aanzien van het verbod tot patiëntencontact overweegt de Commissie
het volgende.
De Commissie heeft vastgesteld dat het Hoofd van de afdeling Psychiatrie,
voordat verzoekster haar co-assistentschap op deze afdeling aanving, maatregelen
heeft getroffen om te voorkomen dat de aan dit co-assistentschap voorafgaande
onaangename gebeurtenissen op andere afdelingen, door zouden werken binnen
de afdeling Psychiatrie. Niettemin hebben patiënten die onwetend waren
met betrekking tot de voorgeschiedenis van verzoekster, spontaan over haar
optreden geklaagd. Deze klachten waren niet gebaseerd op het geslacht van
verzoekster, maar op haar optreden als arts. Deze klachten waren voor het
Hoofd van de afdeling de reden voor de voorlopige schorsing van verzoekster.
Het College van beroep heeft dit besluit bevestigd. Ter zitting heeft verzoekster
aangegeven dat het contactverbod geen direct verband hield met haar geslacht.
Op grond hiervan komt de Commissie tot de conclusie dat bij de tegen verzoekster
genomen maatregelen geen sprake is van onderscheid.

Ten aanzien van de tussentijdse wachttijden waardoor verzoekster niet voldoende
punten kon behalen voor een studiebeurs, overweegt de Commissie het volgende.
Uit de stukken blijkt dat verzoekster na haar artsexamen in 1985 pas in
1990 een aantal co-assistentschappen heeft gelopen, deze onderwijsactiviteit
heeft gestaakt en vervolgens pas eind 1994 opnieuw is begonnen. Vaststaat
dat de voltooide co-assistent-schappen hun geldigheid maar drie jaar behouden.
Verzoekster heeft niet gesteld noch is anderszins gebleken, dat de wederpartij
de oorzaak is van de vertraging bij het lopen van de co-assistentschappen
tussen het artsexamen in 1985 en de stages van 1990 en eind 1994. Uit de
door verzoekster overgelegde documentatie blijkt dat binnen de cycli van
co-assistentschappen van 1990 en 1994/95 geen lange tussentijdse wachttijden
voorkwamen.
Op grond van het bovenstaande komt de Commissie tot het oordeel dat op
dit punt geen sprake is van onderscheid.

4.6. Verzoekster heeft naast de hierboven beoordeelde punten aan de Commissie
een groot aantal, soms zeer gedocumenteerde, gegevens verstrekt met betrekking
tot haar overkomen gebeurtenissen. Deze gebeurtenissen kunnen door de Commissie
niet beoordeeld worden, omdat of de gebeurtenissen zich niet hebben afgespeeld
in de relatie tussen verzoekster en de wederpartij en/of deze gebeurtenissen
geduid zouden kunnen worden als ‘onrechtmatig’, zonder dat van onderscheid
in de zin van de wetgeving gelijke behandeling sprake is. Verzoekster heeft
dit zelf in haar laatste brief aan de Commissie het meest pregnant uitgedrukt
door te stellen dat jegens haar onderscheid is gemaakt “op grond van haar
‘mens-zijn’ en heel toevallig is een vrouw ook een mens.”

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het (….) jegens mevrouw
drs (….) te Nijmegen geen onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in artikel
4 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw mr E.F. Lagerwerf-Vergunst(lid Kamer), dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer), mw A.C. van Doornen (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 december 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De Katholieke Theologische Universiteit Utrecht (KTU) gaf deelnemers van
homo-disputen geen en deelnemers van andere disputen wel studiepunten voor
deelname aan een dispuut. Later is deze regeling vervangen door een nieuwe
regeling. Deze houdt in dat ieder individueel een studieprogramma ter
toetsing moet voorleggen voor het verkrijgen van deze studiepunten. De
Commissie oordeelt dat de eerste regeling een door de wet verboden
onderscheid op grond van homoseksualiteit maakt. De nieuwe regeling is
niet
in strijd met de wet. De KTU moet hierbij wel waken dat deze regeling in
de
praktijk niet discriminatoir uitwerkt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 28 mei 1997 verzocht de Stichting Landelijk Koördinatiepunt Groepen
Kerk en Homoseksualiteit, statutair gevestigd te Den Haag (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna:
de Commissie haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Katholieke
Theologische Universiteit Utrecht (hierna: de
wederpartij) jegens de personen wier belangen zij behartigt
onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling
(AWGB).

1.2. Verzoekster is een stichting, die de positie van homoseksuelen binnen
de
kerken tracht te verbeteren, en treedt op namens twee homodisputen. Door
deelname aan disputen zoals deze konden studenten studiepunten verkrijgen.
In
februari 1997 heeft de wederpartij deze regeling aangepast. Door deelname
aan
andere disputen konden wel studiepunten worden verkregen, maar door deelname
aan de homodisputen niet. Voor het studiejaar 1997/1998 is een nieuwe
regeling vastgesteld die niet meer aanknoopt bij de deelname aan een dispuut.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee onderscheid maakt
naar
homoseksuele gerichtheid.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader
toe
te lichten tijdens een zitting op 25 november 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig

van de kant van verzoekster
– mw. G. Zijlstra (vice-voorzitter verzoekster)
– mw. M. Menting (student KTU. lid Sappho)
– dhr. drs. L.C. Palm (voorzitter verzoekster)
– dhr. R. Bunnik (voorzitter Commissie mensenrechten in de kerk van de
Acht
Mei Beweging)

van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. E. Trietsch (secretaris)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. mr M.M. den Boer (lid Kamer)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de
Commissie. In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is in 1987 opgericht en heeft blijkens artikel 2 van haar
statuten onder meer als doel:
“het bevorderen van een open instelling binnen de kerken met betrekking
tot
homoseksualiteit en het verbeteren van de positie van homoseksuele mannen
en
lesbische vrouwen binnen de kerken, meer in het bijzonder het coördineren
en
stimuleren van de werkzaamheden van groepen bezig met kerk en
homoseksualiteit”.

Er zijn ongeveer 30 groepen bij verzoekster aangesloten,
waaronder het Werkgezelschap theologie en homoseksualiteit
Sint Sebastiaan en het Lesbisch theologisch werkgezelschap
Sappho. Verzoekster behartigt blijkens haar statuten de belangen van deze
groepen.

3.2. De wederpartij is een Rooms-Katholieke instelling voor
wetenschappelijk onderwijs en onderzoek in de theologie, mede ten dienste
van
de ambtsopleiding in de Rooms-Katholieke kerk.
De wederpartij stelt zich blijkens haar statuten ten doel het bevorderen
van
wetenschappelijk onderwijs en onderzoek in de katholieke theologie ((….))
mede in het kader van opleiding en vorming voor het pastorale werk in en
vanwege de Rooms-Katholieke kerk (…) een en ander met inachtneming van
de
richtlijnen welke zijn geformuleerd door de Heilige Stoel en de Nederlandse
Bisschoppenconferentie.
Het College van Toezicht ziet toe op zowel de kwaliteit als de doelstellingen
van de instelling. Het College van Toezicht is samengesteld uit
vertegenwoordigers van de Rooms-Katholieke kerk in Nederland.

Aan het onderwijsprogramma van de wederpartij nemen naast
Rooms-Katholieke studenten ook studenten uit andere geloofs-
richtingen deel. Een deel van de Rooms-Katholieke studenten kiest
uiteindelijk voor een functie binnen de Rooms-Katholieke kerk, zoals
pastoraal werker, diaken of priester. De studenten die binnen de
Rooms-Katholieke kerk willen gaan werken krijgen vanuit hun bisdom nog
een
apart vormingsprogramma.

De voorzieningen van de wederpartij worden gefinancierd door het Ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. De (aparte) kerkelijke vorming
wordt
door de Rooms-Katholieke kerk
gefinancierd.

De wederpartij streeft naar het behoud van de bisschoppelijke erkenning
voor
haar instelling. De bisschoppen verlangen
daarnaast dat de wederpartij zich inspant voor het verkrijgen van pauselijke
erkenning.

3.3. Sinds 1977 bestaat er een samenwerkingsverband tussen de
wederpartij en de Faculteit der Godgeleerdheid van de
Rijksuniversiteit Utrecht. De samenwerking heeft onder meer
geleid tot een gemeenschappelijke organisatie van studenten, de Theologische
Studievereniging Utrecht (T.S.U.).

De T.S.U. fungeert als overkoepelend orgaan van een aantal
theologische studentengezelschappen (disputen). Er zijn in totaal zes
disputen: Excelsior, Voetius, Themelios, Uterque, Sappho en Sint Sebastiaan.
De disputen Excelsior en Voetius bestaan al sinds eind vorige eeuw en hebben
een orthodox gereformeerde signatuur. Themelios is Evangelisch en de andere
drie disputen zijn oecumenisch van karakter.

Het dispuut Sint Sebastiaan is opgericht in 1983 aan de
Amsterdamse voorloper van de wederpartij. De doelstellingen van Sint
Sebastiaan zijn:
– de onderdrukking van homoseksualiteit in de samenleving en de godsdienst
aan het licht te brengen en te bestrijden;
– de vervreemding aan de kaak te stellen welke de gangbare
theologie teweegbrengt bij homoseksuelen en mensen die in
niet-huwelijkse relatievormen leven.

Sappho is in 1988 opgericht door studentes van de Faculteit der
Godgeleerdheid en de Utrechtse voorloper van de wederpartij. Sappho is
een
leesgroep van lesbische vrouwen. Zij legt zich toe op het lezen en bespreken
van literatuur waarin expliciet de relatie wordt gelegd tussen ervaringen
van
lesbische vrouwen en theologie.

De disputen beogen het sociaal contact tussen de studenten te bevorderen.
Daarnaast bieden ze mogelijkheden voor de integratie van wetenschappelijk
bezig zijn en het eigen persoonlijk
geloofsleven. Van de disputen gaat veelal een studievernieuwende werking
uit,
terwijl ook de onderlinge samenhang tussen de verschillende studie-onderdelen
duidelijker wordt. Om de deelname aan de disputen te bevorderen werden
tot
februari 1997 aan deelnemende studenten hiervoor gedurende vijf jaar 80
werkuren ter beschikking gesteld, hetgeen overeenkomt met twee
studiepunten per jaar.

De vorm, de inhoud en de frequentie van de bijeenkomsten werden door de
disputen zelf bepaald. Alle disputen werden genoemd in de studiegids
1996-1997.

3.4. Blijkens de (niet door allen ondertekende) notulen van een
overleg d.d. 20 december 1996 tussen vertegenwoordigers van
Sint Sebastiaan en Sappho enerzijds en de rector van de
wederpartij anderzijds is het bestaan van homodisputen bij de wederpartij
in
Rome bekend geworden. Dit heeft ertoe geleid dat kardinaal Pio Laghi, de
prefect van alle katholieke theologische faculteiten, bericht aan de
wederpartij heeft gezonden waarin het schrappen van de homodisputen als
voorwaarde voor pauselijke erkenning wordt genoemd.

Bij brief van 4 februari 1997, gericht aan alle docenten,
studenten en bureaumedewerkers van de wederpartij, heeft het College van
Bestuur van de wederpartij het volgende meegedeeld:

(…)
“In het voorjaar van 1996 deelde het College van Toezicht van de KTU
schriftelijk aan het College van Bestuur mede bezwaar te hebben tegen de
vermelding van de disputen Sappho en Sint Sebastiaan in de studiegids van
de
KTU, evenals tegen het feit dat aan de deelname aan de genoemde disputen
2
studiepunten werden toegekend. Een en ander zou de kerkelijke erkenning
van
KTU in gevaar brengen. Nadat een compromispoging van de kant van de KTU
op
niets was uitgelopen, is deze kwestie tijdens de
reguliere gezamenlijke vergadering van CvT en CvB in het najaar van 1996
doorgesproken. Op grond van dit gesprek heeft het CvB van de KTU het volgende
besluit genomen.

Geen van de bestaande disputen van de KTU en Faculteit wordt nog opgenomen
in
de studiegids van de KTU. Samen met de studiegids komt er een aparte brochure
uit, waarin alle disputen op de gebruikelijke wijze vermeld staan. Net
zoals
tot op heden
gebruikelijk was, krijgen de studenten twee studiepunten voor het deelnemen
aan een dispuut. Dit geldt echter alleen voor de goedgekeurde disputen,
d.w.z. niet voor de disputen Sappho en Sint Sebastiaan. Studenten die dit
wensen kunnen dus lid blijven van de genoemde twee disputen, maar zonder
dat
hieraan
studiepunten worden toegekend door KTU. Omdat de disputen een initiatief
zijn
van de Theologische Studentenvereniging Utrecht, dat wil zeggen van de
studenten van de KTU en Faculteit
gezamenlijk, zoals tot op heden het geval is, staat het de
Faculteit der godgeleerdheid uiteraard vrij om deze disputen wel te (blijven)
erkennen.”
(…)

Het College van Bestuur heeft voorts op 24 maart 1997 een brief geschreven
aan de Universiteitsraad waarin onder meer de volgende passage is opgenomen:

(…)
“Het College is tot de conclusie gekomen dat bij continuering van de huidige
regeling van toekennen van studiepunten aan disputen weldra ernstige
conflicten kunnen en zullen ontstaan tussen het Nederlands recht enerzijds
en
de eisen in verband met de kerkelijke erkenning anderzijds.”
(…)

De bovenstaande regeling is met terugwerkende kracht ingevoerd voor het
studiejaar 1996-1997 en heeft alleen in dat studiejaar gegolden.

3.5. Sinds 1 september 1997 is met betrekking tot de studiepunten in verband
met deelname aan disputen weer een nieuwe regeling van kracht. Er worden
geen
studiepunten meer toegekend op grond van het louter actief deelnemen in
een
dispuut. Wel worden studiepunten toegekend aan individuele studenten op
grond
van een door hen jaarlijks in te dienen schriftelijk programmatisch voorstel
dat goedgekeurd is door de Vaste Commissie van de Toelating en de Examens
(VCTE).

De VCTE toetst het ingediende programma op de volgende punten:
a. Het ingediende programma dient uitstekende mogelijkheden te bieden voor
de integratie van wetenschappelijk bezig zijn en eigen persoonlijk
geloofsleven.
b. Van het ingediende programma dient een studievernieuwende werking uit
te
gaan.
c. Het ingediende programma dient duidelijk bij te dragen aan de onderlinge
samenhang van de verschillende studie-onderdelen van de theologiestudie.
d. Het ingediende programma dient de theologie in breed perspectief te
benaderen en erop gericht te zijn de persoonlijke blik te verruimen.
e. Het ingediende programma dient een omvang te vertegenwoordigen van twee
studiepunten (80 uur).

Na afloop van het studiejaar legt de student een schriftelijk produkt van
hetgeen hij/zij heeft gedaan over. Wanneer dit verslag naar het oordeel
van
de VCTE als voldoende wordt beoordeeld, wordt een tentamenbriefje getekend.
Daarbij wordt niet langer gelet op participatie in disputen, maar op de
inhoud van het programma, dat moet voldoen aan bepaalde inhoudelijke eisen,
waarbij het individuele aandeel van de betreffende student duidelijk moet
zijn.
Het feit dat een bepaalde activiteit geschiedt vanuit een
specifieke benadering van homoseksualiteit, hoeft geen
belemmering te vormen om het programma-onderdeel te erkennen.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster stelt het volgende.

De wederpartij maakt in de regeling zoals die voor 1996-1997 heeft gegolden
onderscheid naar homoseksuele gerichtheid als bedoeld in de AWGB, door
de
disputen Sint Sebastiaan en Sappho niet langer te erkennen en geen
studiepunten meer voor deelname aan de activiteiten van deze disputen te
verlenen.
De stelling, dat de beide homodisputen in tegenstelling tot de andere
disputen nooit erkend zijn geweest, is onjuist. Geen van de disputen heeft
ooit officieel om erkenning gevraagd. Aangezien de wederpartij niet betwist
dat de andere disputen worden erkend, betekent dit dat Sint Sebastiaan
en
Sappho ook erkend zijn.
Erkenning van een dispuut door de Faculteit der Godgeleerdheid betekent
bovendien automatisch erkenning door de wederpartij.
De stelling dat de homodisputen niet erkend zouden zijn is
overigens pas naar voren gebracht nadat er ophef was ontstaan over het
niet
langer toekennen van studiepunten voor deelname hieraan.

Het is niet duidelijk wat de sinds 1 september 1997 geldende regeling in
praktijk inhoudt, temeer niet daar de regeling zoals aangekondigd in de
brief
van 4 februari 1997 nooit expliciet is ingetrokken. Het verzoek richt zich
daarom tegen de regeling zoals aangekondigd is in de brief van 4 februari
1997.
Verzoekster zet tevens een aantal vraagtekens bij de nieuwe
regeling. Onduidelijk is of alle dispuutsleden nu afzonderlijk een
programmatisch voorstel moeten indienen of dat het dispuut een voorstel
kan
maken dat zij aan haar leden uitdeelt waarna alle leden het afzonderlijk
aan
de VCTE voorleggen. Derhalve is niet duidelijk of de leden van Sappho en
Sint
Sebastiaan ook programmatische voorstellen kunnen indienen. In de brief
van
de Universiteitsraad aan het College van Bestuur van 1 mei 1996 staat
hieromtrent het volgende: “Als bijvoorbeeld een docent het participeren
in
een homo-dispuut even positief waardeert als participatie in een ander
dispuut, en daar wordt vervolgens over gecorrespondeerd met kerkelijke
autoriteiten, kan dat mogelijk gevolgen hebben”. Gelet op het feit dat
de
wederpartij blijft volhouden dat Sappho en Sint Sebastiaan niet erkend
zijn,
is het twijfelachtig of zij programmatische voorstellen kunnen indienen.

3.7. De wederpartij stelt het volgende.

De wederpartij is geen zelfstandig onderdeel van een
kerkgenootschap.
Van onderscheid als bedoeld in de AWGB is geen sprake. De brief van 4
februari 1997 bevatte niet de definitieve besluitvorming. De regeling zoals
verwoord in deze brief geldt thans niet meer. Ingevolge de nieuwe regeling
kunnen studiepunten worden behaald op basis van een van tevoren door de
VCTE
goedgekeurd individueel programmatisch voorstel.
Door praktische belemmeringen (de kopij voor de studiegids moest al zijn
ingeleverd voordat de nieuwe regeling was vastgesteld, en het niet meer
functioneren van de Theologische
Studentenvereniging (TSU, waar alle disputen onder vallen) is er geen
publicatie geweest van de nieuwe regeling, zoals die vanaf het studiejaar
1997-1998 geldt. Deze nieuwe regeling is tot stand gekomen naar aanleiding
van de kerkelijke eisen: hierdoor werd de aandacht gevestigd op de toekenning
van studiepunten voor activiteiten in het kader van disputen. Het College
van
Bestuur vond het te ver gaan om louter op basis van het deelnemen aan
activiteiten van disputen studiepunten toe te kennen en besloot daarom
tot de
nieuwe regeling waarin de activiteiten zelf getoetst worden. Het is wel
mogelijk dat die activiteiten in een gezamenlijk verband (bijvoorbeeld
een
dispuut) plaatsvinden, maar dan zal steeds gekeken worden wat het individuele
aandeel is. Daarbij kunnen ook activiteiten, die in het kader van een
programma van Sappho of Sint Sebastiaan (of een ander dispuut) worden
verricht, studiepunten opleveren. Mogelijk kunnen ook studiepunten worden
verleend voor activiteiten die zijn verricht in het studiejaar 1996-1997.
Bij
het beoordelen van de programma’s wordt niet getoetst aan de kerkelijke
opvattingen. De wederpartij heeft de disputen Sint Sebastiaan en Sappho
nimmer erkend, hoewel de studiegids 1996/1997 de indruk wekt dat daarvan
sprake zou zijn. Sappho heeft nooit om erkenning verzocht; Sint Sebastiaan
heeft hier wel om verzocht, maar dit verzoek is afgewezen. De andere disputen
zijn wel officieel erkend.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door de regeling met betrekking
tot het verkrijgen van studiepunten voor
dispuutsactiviteiten onderscheid maakt naar homoseksuele
gerichtheid.

4.2. Artikel 7, eerste lid, onder c, AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid
verboden is bij het aanbieden van goederen of
diensten indien dit geschiedt door instellingen die werkzaam zijn op het
gebied van onderwijs.

Artikel 7 lid 2 bepaalde onder meer dat het eerste lid onder c. onverlet
laat
de vrijheid van een instelling van bijzonder
onderwijs om bij de toelating en ten aanzien van de deelname aan het
onderwijs eisen te stellen, die gelet op het doel van de instelling nodig
zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag, waarbij deze eisen niet
mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van onder andere
hetero- of homoseksuele gerichtheid. De wederpartij is een instelling van
bijzonder onderwijs.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet onder meer ziet op onderscheid tussen
personen op grond van homoseksuele gerichtheid.

Laatstgenoemd artikel stelt tevens dat onder onderscheid zowel direct als
indirect onderscheid begrepen wordt. Onder direct onderscheid wordt verstaan
onderscheid dat verwijst naar een van de in de AWGB genoemde
discriminatiegronden. Indirect onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid is onderscheid, dat op grond van andere hoedanigheden of
gedragingen dan homoseksuele gerichtheid direct onderscheid op die grond
tot
gevolg heeft.

In artikel 2, eerste lid, AWGB wordt bepaald dat het in de wet neergelegde
verbod van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid
dat
objectief gerechtvaardigd is.

Ingevolge artikel 3 AWGB is deze wet niet van toepassing op:
a. rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige
onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd;
b. het geestelijk ambt.

Dit artikel vloeit voort uit de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst
en levensovertuiging en het beginsel van scheiding van kerk en staat. Het
betreft de vrijheid van kerkgenootschappen om zich naar de eigen overtuiging
in te richten en de verhoudingen binnen het genootschap dienovereenkomstig
te
regelen.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, onderdeel a, AWGB kan een
verzoek om een oordeel worden ingediend door degene die meent dat te zijnen
nadelen een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet.

Ingevolge onderdeel e van bovengenoemd artikel kan een verzoek om een oordeel
worden ingediend door een vereniging of stichting die in overeenstemming
met
haar statuten de belangen behartigt van diegenen in wier bescherming deze
wet
beoogt te voorzien.

4.3. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van verzoekster overweegt de
Commissie het volgende.
Verzoekster stelt zich blijkens artikel 2 van haar statuten ten doel ‘het
bevorderen van een open instelling binnen de kerken met betrekking tot
homoseksualiteit en het verbeteren van de positie van homoseksuele mannen
en
lesbische vrouwen binnen de kerken, meer in het bijzonder het coördineren
en
stimuleren van de werkzaamheden van groepen bezig met kerk en
homoseksualiteit’.
Zij sluit zich daarbij aan bij de doelstellingen van de groepen die zij
ondersteunt. De doelstellingen van de disputen Sappho en Sint Sebastiaan
zijn
gericht op het bestrijden van de
onderdrukking van homoseksualiteit door een bijdrage te leveren aan een
homoseksuele theologie.
Verzoekster behartigt in deze de belangen van de bij deze
disputen aangesloten studenten en kan derhalve worden aangemerkt als een
belangenvereniging als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel e,
AWGB.

4.4. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de in artikel 3 AWGB vervatte
uitzondering met betrekking tot rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen
van toepassing is.
De wederpartij heeft aangevoerd dat in deze van een zelfstandig onderdeel
van
een kerkgenootschap geen sprake is. Daarbij is benadrukt dat de wederpartij
niet onder het gezag van de
Rooms-Katholieke Kerk staat; zij wordt door deze ook niet als een zelfstandig
onderdeel van de kerk gezien. Hoewel het College van Toezicht is samengesteld
uit vertegenwoordigers van het
kerkgenootschap, heeft de Rooms-Katholieke Kerk geen invloed op het dagelijks
bestuur van de wederpartij. De instelling wordt voorts volledig gefinancierd
door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Daar komt bij dat de opleiding van de wederpartij slechts ten dele bedoeld
is
voor studenten die een ambt binnen de
Rooms-Katholieke kerk willen bekleden en dat voor deze laatste groep een
aparte opleiding wordt verzorgd door het bisdom. De opleiding wordt daarnaast
ook gevolgd door andere dan katholieke studenten.
De Commissie acht op grond van het bovenstaande artikel 3 AWGB in casu
niet
van toepassing.

4.5. Thans komt de vraag aan de orde of de wederpartij onderscheid maakt
op
één van de door de AWGB bestreken terreinen. De wederpartij is een
onderwijsinstelling. In het geding is de wijze waarop zij bij het aanbieden
van het onderwijs studiepunten toekent. Dit is een onderdeel van de door
haar
aangeboden
diensten, namelijk onderwijs, en valt onder de werkingssfeer van artikel
7
lid 1 AWGB.

4.6. De volgende vraag is, of er sprake is van een in de AWGB verboden
onderscheid.
Omdat verzoekster haar klacht in de eerste plaats richt op het bij de brief
van 4 februari 1997 afgekondigde beleid, hetgeen in belangrijke mate afwijkt
van de uiteindelijke regeling, zal deze vraag in twee delen worden
beantwoord.

Eerst komt aan de orde het beleid zoals dat heeft gegolden voor het
studiejaar 1996-1997.
Blijkens het beleid, zoals de wederpartij dit in haar brief van 4 februari
1997 uiteengezet heeft, is in de overgangsperiode deelname aan homodisputen
niet met studiepunten beloond en
deelname aan de andere disputen wel. De wederpartij verdedigde dit
onderscheid met de stelling dat de andere disputen wel
officieel erkend zijn en de homodisputen niet. Verzoekster heeft gemotiveerd
betwist dat de andere disputen wel officieel erkend zouden zijn. De
wederpartij heeft, ondanks het verzoek daartoe van de Commissie, geen nadere
informatie overgelegd waaruit officiële erkenning blijkt. De stelling van
de
wederpartij dat een verschil in behandeling tussen leden van wel en van
niet
erkende disputen om die reden geoorloofd zou zijn, is derhalve niet
aannemelijk geworden. Daar komt bij dat de homodisputen -ondanks het
ontbreken van erkenning- voordien wel in de studiegids waren opgenomen
en dat
ook studiepunten werden toegekend voor activiteiten in het kader van deze
disputen. De nieuwe eis van erkenning werd ingevoerd naar aanleiding van
mogelijke bezwaren tegen het erkennen van homo-disputen en trof ook
uitsluitend de beide homo-disputen.
Aangezien de leden van de homodisputen op grond van dit beleid geen
studiepunten konden krijgen en de anderen wel, heeft de wederpartij bij
toepassing van de overgangsregeling, zoals vervat in de brief van 4 februari
1997, direct onderscheid gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid.
De wederpartij heeft voorts te kennen gegeven dat de voorwaarde met
betrekking tot de erkenning van de disputen geen verband houdt met eisen
die
noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van de grondslag van de
wederpartij. De Commissie stelt derhalve vast dat reeds om die reden de
uitzondering van artikel 7, tweede lid, AWGB niet van toepassing is.

Aanleiding voor de wijziging van de regeling voor het toekennen van
studiepunten voor dispuutsaktiviteiten waren de signalen van de kant van
de
kerkelijke autoriteiten en de vrees dat een en ander consequenties zou
kunnen
hebben voor de pauselijke
erkenning. Dit zou reden kunnen zijn om te constateren dat de betreffende
regeling voortvloeit uit factoren die verband houden met de grondslag van
de
instelling. Indien men die redenering zou volgen rijst de vraag of de
wederpartij een beroep zou kunnen doen op de in het tweede lid van artikel
7
AWGB vervatte uitzondering. Deze uitzondering is echter beperkt in die
zin
dat ten behoeve van de verwezenlijking van de grondslag gestelde eisen
niet
mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van
homoseksuele gerichtheid. Door voor het studiejaar 1996-1997 geen
studiepunten toe te kennen aan activiteiten van homo-disputen is sprake
van
een ongelijke behandeling die leidt tot onderscheid op grond van het enkele
feit van hetero- of homoseksuele gerichtheid, waardoor een eventueel beroep
op de uitzondering van artikel 7, lid 2, AWGB niet zou kunnen slagen.

4.7. Wat betreft de nieuwe regeling zoals die vanaf het studiejaar 1997-1998
geldt, stelt de Commissie het volgende vast.
De wederpartij heeft aannemelijk gemaakt dat het doel van de regeling is,
dat
studiepunten worden verkregen op basis van een programmatisch voorstel
met
betrekking tot activiteiten die al dan niet binnen een dispuut worden
verricht en waarbij erkenning van het betreffende dispuut geen rol speelt.
Hierbij is het mogelijk dat de betreffende activiteit samenhangt met of
ingaat op onderwerpen die te maken hebben met homoseksualiteit en theologie.
Er was ten tijde van de zitting in de praktijk nog geen ervaring opgedaan
met
deze nieuwe regeling.
Op grond van de regeling zelf en op grond van hetgeen door de wederpartij
ter
zitting is aangevoerd, acht de Commissie het thans niet aannemelijk dat
bij
toepassing van de criteria op basis waarvan de voorgelegde programma’s
getoetst worden andere maatstaven zullen worden gehanteerd met betrekking
tot
de
individuele leden van andere disputen en van de disputen Sappho en Sint
Sebastiaan.
De regeling is naar het oordeel van de Commissie derhalve
neutraal en maakt geen onderscheid op grond van homo- of
heteroseksuele gerichtheid.

4.8. Aangezien de wijze waarop de criteria in de geldende regeling worden
ingevuld aanleiding geeft tot onduidelijkheid, beveelt de Commissie aan
om
deze criteria duidelijker uit te werken dan thans het geval is, om zo te
voorkomen dat in de toepassing van de criteria bij erkenning van
studieprogramma’s gehandeld wordt in strijd met de gelijke
behandelingswetgeving.
Tevens beveelt de Commissie aan om te bezien of op basis van de nieuwe
regeling alsnog activiteiten gehonoreerd kunnen worden die voldoen aan
de
criteria die deze regeling stelt, maar niet
voldeden aan de overgangsregeling zoals die in het studiejaar 1996-1997
heeft
gegolden.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat de Katholieke Theologische
Universiteit Utrecht te Utrecht
– direct onderscheid heeft gemaakt op grond van homoseksuele
gerichtheid zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 onder c van de Algemene wet
gelijke behandeling in de regeling met betrekking tot de verlening van
studiepunten voor deelname aan disputen, zoals die gold voor het studiejaar
1996-1997 en derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld;
– geen onderscheid maakt op grond van homoseksuele gerichtheid in de regeling
met betrekking tot het verlenen van
studiepunten zoals die geldt vanaf het studiejaar 1997-1998
en derhalve niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. mr M.M. den Boer(lidKamer), mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 18 december 1997

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Partijen hebben enige tijd een relatie gehad. Daarna hebben ze nog regelmatig
contact gehad omdat de vrouw V., regelmatig op het dochtertje van B., de
man, paste. Medio maart deelt de vrouw aan de man mee dat zij niet meer
kan oppassen omdat zij ernstig ziek is. Op 1 april 1997 doet zij aangifte
bij de politie wegens vernieling van haar auto. Zij vermoedt dat de man
de dader is. Eind april 1997 doet zij aangifte bij de politie vanwege bedreiging
door de man. De vrouw vordert in kort geding een veroordeling tot een straatverbod
en een contactverbod voor een jaar. De president wijst beide verboden toe
voor een half jaar. In het appèlexploit heeft de man vier grieven geformuleerd,
en gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en,
opnieuw rechtdoende, de vrouw niet ontvankelijk zal verklaren, althans
de door haar gevraagde voorzieningen alsnog zal weigeren. Het hof bekrachtigt
het vonnis.

Volledige tekst

1. Verloop van het geding in hoger beroep

1.1. Appelant (B.) is bij exploit van 18 juni 1997 in hoger beroep gekomen
van een op 5 juni 1997 onder rolnummer KG 97/1341 OdC uitgesproken vonnis,
in kort geding gewezen door de president van de arrondissementsrechtbank
te Amsterdam tussen geïntimeerde (V.) als eiseres en B. als gedaagde.

1.2 In het appelexploit heeft B. vier grieven geformuleerd, en gevorderd
dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende,
V. niet- ontvankelijk zal verklaren, althans de door haar gevraagde voorzieningen
alsnog zal weigeren, met veroordeling van laatstgenoemde in de proceskosten
en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en op de minuut van dit arrest.

1.3 Bij memorie van antwoorde de grieven bestreden, en – zakelijk- geconcludeerd
dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van
B. in de kosten van het geding.

1.4 V. heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden, en -zakelijk-
geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling
van B. in de kosten van het geding.

1.5 Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties,
waarvan de inhoud hier als ingevoegd geldt, aan het hof overgelegd voor
het wijzen van arrest.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar het appelexploit.

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten.

a) Partijen hebben gedurende enige tijd een affectieve relatie gehad. Nadien
hebben zij nog regelmatig contact met elkaar gehad, onder meer omdat V.
tot voor kort met een zekere regelmaat op het dochtertje van B. paste.
b) In verband met het zich medio maart 1997 openbaren van een ernstige
ziekte bij haar, heeft V. aan B. meegedeeld dat zij voorlopig niet in staat
was om op zijn dochter te passen, danwel hem anderszins met raad en daad
bij te staan.
c) Op 1 april 1997 heeft V. bij de politie aangifte gedaan van vernieling
van haar auto, waarbij zij het vermoeden heeft geuit dat B. hiervan de
dader was. Op 29 april 1997 heeft zij vervolgens aangifte gedaan van bedreiging
door B.

3.2 V. vorderde in eerste aanleg -zakelijk- B. te veroordelen tot een straatverbod
voor de duur van een jaar en een contactverbod, met veroordeling van B.
in de kosten van het geding. B. heeft zich hiertegen verweerd.

3.3 De president heeft de door V. gevraagde voorzieningen beide voor een
periode van zes maanden toegewezen en de kosten tussen partijen gecompenseerd
in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt. Tegen dit oordeel
richten zich de grieven.

3.4 Grief I komt op tegen het oordeel van de president dat, gelet op het
recente plaatsvinden van een aantal door hem aangegeven gedragingen, niet
valt uit te sluiten dat B. in de nabije toekomst wederom pogingen zal ondernemen
om met V. op haar hinderlijke wijze in contact te komen. B. voert hiertoe
aan dat hij al sinds eind april 1997 (nadat hij een brief van de raadsvrouw
van V. had ontvangen) er alles aan doet om te voorkomen dat hij V. tegenkomt.
De verboden zijn daarom volstrekt ten onrechte opgelegd, aldus B.

3.5 V. heeft zulks gemotiveerd betwist, daartoe onder meer stellende dat
B. zich juist daar ophoudt waar de kans dat hij haar tegenkomt het grootst
is en dat B. ook na de zitting van 27 mei 1997 diverse van haar kennissen
heeft benaderd in verband met het feit dat V. binnen afzienbare termijn
met vakantie naar het buitenland zou gaan. Bij die kennissen heeft B. navraag
gedaan of zij wisten wanneer V. met vakantie zou gaan. Gezien de omstandigheid
dat B. in prima heeft erkend een aantal malen te hebben postgevat voor
de woning van V. en/of haar moeder en van V. een keer zijn gevolgd, acht
het hof de voormelde stellingen van V. voorshands aannemelijk. In ieder
geval valt niet uit te sluiten dat B. in de nabije toekomst wederom pogingen
zal doen om met V. op voor haar hinderlijke wijze in contact te komen,
zodat de president terecht in deze zin heeft overwogen. De grief faalt.

3.6 Met grief II betoogt B. dat de president ten onrechte heeft overwogen
dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgegaan van het
door of namens hem versturen van dreigbrieven en/of het aanrichten van
vernielingen aan eigendommen van V. De president had, aldus B., moeten
overwegen dat hiervan absoluut niet met zekerheid kan worden uitgegaan
(onderstrepingen hof).

3.7 Nu -blijkens zijn vonnis- de president bij zijn oordeelsvorming er
niet van uit is gegaan dat B. dreigbrieven aan V. verstuurd zou hebben
en/of vernielingen aan eigendommen van V. zou hebben aangericht, heeft
B. bij deze grief geen belang.

3.8 Grief III houdt in dat de president ten onrechte heeft overwogen dat
het belang van V. bij de gevraagde voorziening zwaarder weegt dan het belang
van B. bij een onbeperkte bewegingsvrijheid in het ‘verboden gebied’. B.
heeft daartoe aangevoerd dat zijn vrienden in dit gebied wonen. Hij heeft
die vrienden, omdat hij niet werkt, hard nodig en hij kan ze, zo het verbod
wordt ‘bekrachtigd’ niet meer bezoeken. Bovendien komt hij zeer regelmatig
in het buurthuis “Het Molenhuis” dat in dit gebied ligt.

3.9 V. heeft gemotiveerd bestreden dat B’s vrienden in dit gebied wonen.
Voorts heeft zij opgemerkt dat ook zij regelmatig juist dit buurthuis bezoekt
terwijl er ook een buurthuis in B’s directe woonomgeving aanwezig is.

3.10 De president heeft op goede grond beslist dat B’s belang bij een onbeperkte
bewegingsvrijheid vooralsnog niet opweegt tegen het belang van de ernstig
zieke V. voorlopig door B. met rust te worden gelaten. Het hof neemt hierbij
in aanmerking dat, nadat B. in eerste aanleg had gesteld dat hij de hele
dag bij zijn vrienden in de modelmakersstraat verbleef, hij na de overweging
van de president dat genoemde straat niet in het litigieuze gebied ligt,
geheel in het algemeen spreekt over vrienden in de Molenwijk. Ook het door
hem gestelde “zeer regelmatig bezoek” in het buurthuis “Het Molenhuis”
wordt niet nader toegelicht, hetgeen -gelet op de kennelijke betwisting
door V. in eerste aanleg (vgl. overweging 6 van het bestreden vonnis)-
voor de hand had gelegen. Overigens zijn de verboden voor een betrekkelijk
korte periode (zes maanden) opgelegd. Ook grief III treft derhalve geen
doel.

3.11 Grief IV heeft blijkens de toelichting geen zelfstandige betekenis
en behoeft derhalve geen behandeling.

4. Slotsom

4.1 De grieven falen, zodat het beroepen vonnis moet worden bekrachtigd.

4.2 B. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het
appel worden verwezen.

5. Beslissing

Het hof:

– bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

– veroordeelt B. in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de
zijde van V. begroot op ƒ 1840,=, op de voet van het bepaalde in artikel
57b Rv te betalen aan de griffier van dit hof.

Rechters

Mrs Coeterier, Smit, Van den Blink

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 16 december 1997

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Een 68-jarige pastoor heeft zich sinds 1993 meermalen schuldig gemaakt
aan verkrachting van de thans veertienjarige dochter van vrienden. Dit
gebeurde als het meisje bij hem kwam logeren. In augustus 1997 vertelt
het meisje haar verhaal aan de politie. De rechtbank oordeelt dat de pastoor
haar lichamelijke integriteit op ernstige wijze heeft geschonden. De rechtbank
rekent het de verdachte in hoge mate aan dat hij ernstig misbruik heeft
gemaakt van het overwicht dat hij uit hoofde van zijn ambt als pastoor
en zijn rol als een soort grootvader binnen het gezin had. Ook bezigde
hij dreigende taal tegenover het meisje en dwong haar op die wijze bij
hem te komen. Verdachtes handelwijze kan voor het meisje ernstige psychische
schade tot gevolg hebben. Bij de verdachte blijkt weinig inzicht te bestaan
in het laakbare van zijn handelingen. Hij beroept zich erop dat hij – vanuit
zijn achtergrond en celibataire leefwijze – nauwelijks weet heeft van –
of woorden voor seksueel getinte handelingen. Uit een verklaring van een
oud- leerling van verdachte, waarvan de inhoud door de verdachte als juist
is erkend en uit verdachtes eigen verklaringen blijkt evenwel dat verdachte
wel degelijk kennis draagt van seksuele processen bij zichzelf en anderen.
De rechtbank heeft acht geslagen op een door een psychiater opgemaakt rapport,
dat als conclusie inhoudt dat de feiten aan de verdachte volledig kunnen
worden toegerekend en dat het met het oog op voorkomen van herhaling wenselijk
lijkt verdachte onder actief toezicht van reclassering te stellen. De rechtbank
neemt voormelde conclusie over. De rechtbank heeft de pastoor veroordeeld
tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk,
wegens verkrachting. Het wordt de verdachte verboden, in het kader van
een bijzondere voorwaarde, contact met het slachtoffer op te nemen.

Volledige tekst

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 2 december 1997.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr J.W. Landman, advocaat te
Leiden, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Horstman heeft gevorderd dat verdachte terzake
van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair telastegelegde
wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden,
met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht,
waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere
voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen
naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Reclassering
Nederland, alsook dat hij zich gedurende de proeftijd zal onthouden van
enig contact met het slachtoffer D.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de lijst
van Inbeslaggenomen voorwerpen, verder te noemen Beslaglijst, waarvan een
fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht, onder verdachte inbeslaggenomen
voorwerpen aan hem zullen worden teruggegeven.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen is vermeld in de hierna weergegeven
fotokopieën van de dagvaarding en van de vordering wijziging telastelegging,
gemerkt A, A1 en A2.

Vrijspraak

De rechtbank acht door het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en
overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 1 primair,
subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair is telastegelegd, zodat
hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Dagvaarding van verdachte
Sector: 73
Parketnr: 09/030402-97
Volgnr:

Aan:
Naam: S
Voornamen: RC
geboren op: 14 september 1929 te Hoorn
wonende te: Leiden
verblijvende: (…)
adres: Noordsingel 115

Hierbij dagvaard ik u om als verdachte te verschijnen op dinsdag 02 december
1997, te 11.15 uur, ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer in
de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage, Prins Clauslaan 60, teneinde
terecht te staan terzake van hetgeen hieronder is omschreven.

Ik verwijs naar de mededelingen onder 1, 3, 5, 6, 8, 9 en 10 op de achterzijde
van dit blad.

De officier van Justitie,

Aan de bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.
hij op meerdere tijdstippen, althans op enig tijdstip, in de periode van
1 januari 1993 tot 5 oktober 1995 te Rijpwetering, gemeente Alkemade, en/of
elders in Nederland door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of
bedreiging met geweld of (een) ander feitelijkhe(i)d(en) een meisje, genaamd
D heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en)
uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam
van die D hebbende verdachte (telkens) haar borsten en/of haar vagina gelikt
en/of zijn tong en/of zijn penis in de mond van die D geduwd/gebracht en/of
(een of meer van) zijn vingers en/of zijn penis in haar vagina geduwd en
bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging
met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte
die D de volgende woorden heeft toegevoegd: “Als ik je opbel kom je” en/of
“Je doet wat ik je zeg, anders vermoord ik je”, althans woorden van gelijke
(dreigende) aard en/of strekking, en/of die D met lichamelijke en/of geestelijke
overmacht, voortvloeide uit de feitelijke verhouding volwassene-kind, heeft
overrompeld en/of die D naar een slaapkamer en/of op een bed heeft geduwd
en/of die D op dat bed heeft vastgebonden en/of een doek voor haar ogen
heeft gebonden, en (aldus) voor die D een bedreigende situatie heeft doen
ontstaan;
art 242 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair indien, het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:

hij op meerdere tijdstippen, althans op enig tijdstip, in de periode van
1 januari 1993 tot 5 oktober 1995, te Rijpwetering, gemeente Alkemade,
en/of elders in Nederland met een meisje, genaamd D, die toen de leeftijd
van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft
gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen
van het lichaam van die D hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes,
penis en/of (een of meer van) zijn vingers in de vagina van die D geduwd/gebracht
en/of zijn tong en/of penis in de mond van die D geduwd/gebracht;
art. 244 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:

hij op meerdere tijdstippen, althans op enig tijdstip, in de periode van
1 januari 1993 tot 5 oktober 1995, te Rijpwetering, gemeente Alkemade,
en/of elders in Nederland
door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld
of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) een meisje, genaamd D, heeft gedwongen
tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande
uit het betasten uit het betasten en/of strelen, althans aanraken, van
haar borsten en/of haar vagina en/of het zoenen en/of likken van haar borsten
en/of haar vagina en/of het zich -door die D- laten aftrekken en/of tongzoenen
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging
met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte
die D de volgende woorden heeft toegevoegd: “Als ik je opbel kom je” en/of
“Je doet wat ik je zeg, anders vermoord ik je”, althans woorden van gelijke
(dreigende) aard en/of strekking, en/of die D met lichamelijk en/of geestelijke
overmacht, voortvloeide uit de feitelijke verhouding volwassene-kind, heeft
overrompeld en/of die D naar een slaapkamer en/of op een bed heeft geduwd
en/of die D op dat/een bed heeft vastgebonden en/of een doek voor haar
ogen heeft gebonden;
art. 246 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair, indien, het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:

hij op meerdere tijdstippen, althans op enig tijdstip, in de periode van
1 januari 1993 tot 5 oktober 1995, te Rijpwetering, gemeente Alkemade,
en/of elders in Nederland
met een meisje, genaamd D, geboren op 5 oktober 1983, dat toen de leeftijd
van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige
handeling(en) heeft gepleegd, bestaande (telkens) uit het betasten en/of
strelen, althans aanraken, van haar borsten en/of haar vagina en/of het
zich -door die D- laten aftrekken en/of tongzoenen;
art. 247 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.
hij op meerdere tijdstippen, althans op enig tijdstip, in de periode van
5 oktober 1995 tot en met 20 augustus 1997, te Rijpwetering, gemeente Alkemade,
en/of elders in Nederland door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)
en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) een meisje,
genaamd D, heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en), die
bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die D hebbende
verdachte (telkens) haar borsten en/of haar vagina gelikt en/of zijn tong
en/of penis in de mond van die D geduwd/gebracht en/of (een of meer van)
zijn vingers en/of zijn penis in haar vagina geduwd en bestaande dat geweld
of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die
andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte die D de volgende
woorden heeft toegevoegd: “Als ik je opbel kom je” en/of “Je doet wat ik
je zeg, anders vermoord ik je”, althans woorden van gelijke (dreigende)
aard en/of strekking, en/of die D met lichamelijk en/of geestelijke overmacht,
voortvloeide uit de feitelijke verhouding volwassene-kind, heeft overrompeld
en/of die D naar een slaapkamer en/of op een bed heeft geduwd en/of die
D op dat/een bed heeft vastgebonden en/of een doek voor haar ogen heeft
gebonden, en (aldus) voor die D een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
art. 242 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien, het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:

hij op meerdere tijdstippen, althans op enig tijdstip, in de periode van
5 oktober 1995 tot en met 20 augustus 1997, te Rijpwetering, gemeente Alkemade,
en/of elders in Nederland met een meisje, genaamd D, die de leeftijd van
twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,
een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit
of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van
die D hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of (een of meer van)
zijn vingers in de vagina van die D geduwd/gebracht en/of zijn tong en/of
zijn penis in de mond van die D gebracht;
art. 245 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair, indien, het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:

hij op meerdere tijdstippen, althans op enig tijdstip, in de periode van
5 oktober 1995 tot en met 20 augustus 1997, te Rijpwetering, gemeente Alkemade,
en/of elders in Nederland door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)
en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) een
meisje, genaamd D, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een
of meer ontuchtige handeling(en) bestaande uit het betastenen/of strelen,
althans aanraken, van haar borsten en/of haar vagina en/of het zich -door
die D- laten aftrekken en/of tongzoenen en bestaande dat geweld of die
andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte die D de volgende
woorden heeft toegevoegd: “Als ik je opbel kom je” en/of “Je doet wat ik
je zeg, anders vermoord ik je”, althans woorden van gelijke (dreigende)
aard en/of strekking, en/of die D met lichamelijk en/of geestelijke overmacht,
voortvloeide uit de feitelijke verhouding volwassene-kind, heeft overrompeld
en/of die D naar een slaapkamer en/of op een bed heeft geduwd en/of die
D op dat/een bed heeft vastgebonden en/of een doek voor haar ogen heeft
gebonden;
art. 246 Wetboek van Strafrecht

Meest subsidiair, indien, het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:

hij op meerdere tijdstippen, althans op enig tijdstip, in de periode van
5 oktober 1995 tot en met 20 augustus 1997, te Rijpwetering, gemeente Alkemade,
en/of elders in Nederland met een meisje, genaamd D, geboren op 5 oktober
1983, dat toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten
echt, een of meer ontuchtige heeft gepleegd, bestaande uit het betasten
en/of strelen, althans aanraken, van haar borsten en/of haar vagina en/of
het zich -door die D- laten aftrekken en/of tongzoenen;
art 247 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Vordering tot wijziging telastelegging

De officier van justitie in het arrondissement Den Haag gezien de dagvaarding
in de zaak tegen
Parketnummer: 030402-97
Naam: (…)
Voornamen: (…) (…)
Geboren op: (…) te Hoorn
Wonende te: (…)
Adres: (…)

van oordeel, dat de telastelegging als volgt behoort te worden gewijzigd

Zie bijlage

gezien art. 313 Wetboek van Strafvordering;
vordert, dat deze wijziging zal worden toegelaten.
Gedaan ter terechtzitting van het kantongerecht – de economische politierechter
de arromdissementsrechtbank te Den Haag.
Plaats: Den Haag
Op: 2-12-97
Datum: 2-12-97
De officier van Justitie,
Handtekening,

Vordering wijziging telastelegging, parketnummer 030402-97

feit 1

primair: regel 18 na “gebonden” toevoegen: “en/of die D heeft beetgepakt
en/of tegen zich aan heeft geduwd”.

meer subsidiair: regel 7, na “vagina” toevoegen: “en/of haar schaamstreek/haar”
regel 17, na “gebonden” toevoegen “en/of die D heeft beetgepakt en/of tegen
zich aan heeft geduwd”.

meest subsidiair: regel 7, na “vagina” toevoegen: “en/of haar schaamstreek/haar”

feit 2

primair: regel 18 na “gebonden” toevoegen en/of die D heeft beetgepakt
en/of tegen zich aan heeft geduwd.”

meer subsidiair: regel 7, na “vagina” toevoegen: “en/of haar schaamstreek/haar”
regel 17, na “gebonden” toevoegen “en/of die D heeft beetgepakt en/of tegen
zich aan heeft geduwd”.

meest subsidiair: regel 7, na “vagina” toevoegen: “en/of haar schaamstreek/haar”

2.
hij op tijdstippen, in de periode van 5 oktober 1995 tot en met 20 augustus
1997, te Rijpwetering, gemeente Alkemade, door feitelijkhed(en) en/of bedreiging
met geweld een meisje, genaamd D, heeft gedwongen tot het ondergaan van
handeling(en), die mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van
het lichaam van die D hebbende verdachte (telkens) zijn tong in de mond
van die D gebracht en/of vingers in haar vagina geduwd en bestaande die
andere feitelijkhed(en) en/of die bedreiging met geweld hierin dat verdachte
die D de volgende woorden heeft toegevoegd: “Als ik je opbel kom je” en
“Je doet wat ik je zeg, anders vermoord ik je”, althans woorden van gelijke
(dreigende) aard en/of strekking, en die D met lichamelijk en geestelijke
overmacht, voortvloeide uit de feitelijke verhouding volwassene-kind, heeft
overrompeld en die D heeft beetgepakt en tegen zich aan heeft geduwd, en
(aldus) voor die D een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
art. 242 Wetboek van Strafrecht

De bewijsmiddelen

P.M.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan,
ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het
blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten
en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging
gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder
2 primair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank
bewezen acht -als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel
in de telastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven
in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging
is geschaad- de inhoud van de telastelegging, zoals deze is vermeld in
de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden
misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk
zijn geworden.

Strafmotivering

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde
feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de
persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens
het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen deels onvoorwaardelijke
gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan verkrachting van D,
de thans 14-jarige dochter van vrienden, door haar te tongzoenen en door
een vinger in haar vagina te duwen. Dit gebeurde wanneer verdachte, als
D bij hem kwam logeren, bij haar in bed kroop en haar beetpakte en tegen
zich aanduwde. Ook heeft verdachte over D’s blote borsten gewreven.
Hij heeft haar lichamelijke integriteit op ernstige wijze geschonden.
Bovendien rekent de rechtbank het verdachte in hoge mate aan dat hij misbruik
heeft gemaakt van het overwicht dat hij uit hoofde van zijn ambt als pastoor
en zijn rol als een soort grootvader binnen het gezin van D had. Ook bezigde
hij dreigende taal tegenover D en dwong haar op die wijze bij hem te komen.
Verdachtes handelwijze kan voor het slachtoffer ernstige psychische schade
tot gevolg hebben. Bij verdachte lijkt, blijkens zijn deels vergoedelijkende
verklaringen en uitspraken weinig inzicht te bestaan in het laakbare van
zijn handelingen. Hij beroept zich erop dat hij -vanuit zijn achtergrond
en celibataire leefwijze- nauwelijks weet heeft van- of woorden van sexueel
getinte handelingen. Uit een verklaring van een oud leerling van verdachte,
waarvan de inhoud door verdachte als juist is erkend en uit verdachtes
eigen verklaringen blijkt evenwel dat verdachte wel degelijk kennis draagt
van sexuele processen bij zichzelf en anderen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het omtrent verdachte door psychiater
De Man opgemaakte rapport, dat als conclusie inhoudt dat de feiten aan
verdachte volledig kunnen worden toegerekend en dat het met het oog op
het voorkomen van herhaling wenselijk lijkt verdachte onder actief toezicht
van de reclassering te stellen. Ook de reclassering geeft in haar rapportage
aan behandeling van verdachte, in nader overleg te bepalen, noodzakelijk
te achten.

De rechtbank neemt voormelde conclusie over en maakt die tot de hare. Aan
het voorwaardelijk strafdeel zal dan ook als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht
worden verbonden.
Ook acht de rechtbank het aangewezen verdachte te verbieden, in het kader
van een bijzondere voorwaarde, contact met het slachtoffer op te nemen.

Gelet op het vorenstaande, op verdachtes leeftijd, de omstandigheden dat
hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat
hij van de hem telastegelegde feiten deels wordt vrijgesproken, acht de
rechtbank een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden
duur passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de
Kennisgeving van Inbeslagneming inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1
tot en met 12.

De toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank,
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding
onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair telastegelegde
feiten heeft begaan;
spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
de bij de dagvaarding onder 2 primair telastegelegde feiten heeft begaan
en dat het bewezene uitmaakt:

verkrachting, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden niet
zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de
veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde
proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden:

-dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften
hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, Unit Hollands-Midden,
zolang die instelling zulks nodig acht;

– dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van enig
contact met D;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens
het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze
uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering
van de hem onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering
zal worden gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte
Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1 tot en met 12;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders
is telastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard;
spreekst verdachte daarvan vrij.

Rechters

Mrs Le Clercq-Meijer, Kloosterhuis, Van den Berg

Instantie: Rechtbank Haarlem, 16 december 1997

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Er wordt geen omgangsregeling vastgesteld tussen vader en dochter. De Stichting
Ambulante Zorg (SAZ) geeft in haar rapport een aantal contra-indicaties
daarvoor aan. Het afdwingen van de omgangsregeling wordt niet in het belang
van het kind geacht.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende
stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:
– de beschikking van deze rechtbank d.d. 28 januari 1997 en de daarin vermelde
stukken;
– de beschikkingen dagbepaling d.d. 3 juni 1997, 29 juli 1997, 19 augustus
1997 en 2 september 1997;
– het op 6 augustus 1997 ter griffie van de rechtbank ontvangen rapport
van de Raad voor de Kinderbescherming met bijlagen;
– het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting d.d. 10 november
1997.

2 De verdere beoordeling

2.1 In het rapport van het SAZ wordt geconcludeerd dat het niet aan te
bevelen is om een omgangsregeling tussen de vader en J te realiseren. Het
SAZ geeft de volgende contra-indicaties aan:
– De beperkte betekenis van de biologische vader in de beleving van J.
– De moeizame wijze waarop vader omgaat met affectieve relaties en daarin
de grenzen van afstand en nabijheid niet voldoende kan bewaken.
– Omdat een omgangsregeling nu alleen gerealiseerd kan worden als deze
wordt afgedwongen, aangezien zowel moeder als J nadrukkelijk aangeven geen
enkele wens in deze richting te hebben, zal de dwang die nodig is aversie
bij het kind kunnen oproepen; dit kan een toekomstige contactwens juist
belemmeren.
– Het risico dat de relatieve rust van de huidige opvoedingssituatie verregaand
wordt verstoord, wat momenteel niet opweegt tegen de voordelen van het
opleggen van een omgangsregeling.

2.2 De vader is het niet eens met het advies van het SAZ en heeft bezwaren
gemaakt tegen de totstandkoming van dit rapport. Hij heeft ter zitting
om een contra-expertise verzocht.

2.3 De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van het SAZ gebaseerd
zijn op eigen onderzoek en niet, zoals de vader meent, zijn gebaseerd op
het door de moeder ingebrachte rapport van mevr. Hulscher. Het verzoek
van de vader tot contra-expertise zal worden afgewezen, omdat er geen onduidelijkheid
bestaat omtrent de voor onderhavige beslissing relevante feiten.

2.4 Het rapport van het SAZ, is ter terechtzitting besproken. De Raad voor
de Kinderbescherming heeft daarbij de conclusie van het SAZ dat de belangen
van J zich verzetten tegen een omgangsregeling, onderschreven.

2.5 Op grond van voormelde rapportages en hetgeen ter terechtzitting is
gebleken, maakt de rechtbank de conclusies van het SAZ tot de hare en zal
mitsdien het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling afwijzen
op grond van artikel 1:377f BW.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1. Wijst het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling
met de minderjarige J af.

3.2. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.3. Wijst af het meer of anders verzochte.

Rechters

Mr Evers-Ederveen

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 december 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker, van Marokkaanse afkomst, is op basis van een inleenovereenkomst
werkzaam geweest als assistent-helpdeskmedewerker. Verzoeker meent dat
bij de
ontheffing uit zijn functie onderscheid is gemaakt naar ras, geslacht en
politieke gezindheid.
Het komt de Commissie niet aannemelijk voor dat de kanttekeningen bij
verzoekers functioneren samenhangen met de mogelijk verstoorde arbeidsrelatie
tussen verzoeker en zijn werkbegeleidster. De Commissie is van oordeel
dat de
reden voor de beëindiging van de inleenovereenkomst niet gelegen is in
een
verboden onderscheid.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 5 februari 1997 verzocht de heer A. O. te Amsterdam (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over
de vraag of door het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam te Amsterdam
(hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid is gemaakt in strijd met
de
Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker is van Marokkaanse afkomst. Verzoeker is op grond van een
banenpoolplaats werkzaam geweest bij de wederpartij als
assistent-helpdeskmedewerker. Verzoeker meent dat de wederpartij door het
beëindigen van de inleenovereenkomst en het niet aangaan van een
arbeidsovereenkomst onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, geslacht
en
politieke gezindheid.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoekschrift in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.

2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader toegelicht tijdens een zitting op 27 oktober 1997. Tevens is voor
deze
zitting de heer H. Bosch, die door de Commissie als getuige was opgeroepen,
als gemachtigde van de wederpartij verschenen.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. A. O. (verzoeker)
– dhr. mr. G.J. van den Boogaert (advocaat)

van de kant van de wederpartij
– dhr. H. Bosch (gemachtigde)

getuige
– dhr. H. Bosch (personeelsconsulent Bureau Maatwerk)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. A.W. Heringa (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. G.H. Felix (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is met ingang van 1 augustus 1995 in dienst getreden bij
Bureau Maatwerk te Amsterdam (hierna: de bemiddelende organisatie). Het
gaat
om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarin is bepaald dat
de
werknemer de werkzaamheden zal verrichten in opdracht en onder toezicht
van
een inlener, die is vermeld in een afzonderlijke inleenovereenkomst.

Verzoeker is vervolgens op basis van een inleenovereenkomst tewerkgesteld
bij
de wederpartij, een Academisch Centrum Tandheelkunde als
assistent-helpdeskmedewerker voor 32 uur per week.
Uit deze overeenkomst blijkt dat de wederpartij met ingang van 1 augustus
1995 voor onbepaalde tijd, voor 38 uur per week, een inleenplaats beschikbaar
heeft waar de bemiddelende organisatie een werknemer die bij hem in dienst
is
kan tewerkstellen. De werknemer ontvangt van de wederpartij de opdrachten
voorzover deze vallen binnen het kader van deze overeenkomst.
Bij brief van 29 juli 1996 heeft verzoeker bericht gekregen dat zijn
banenpoolplaats bij de wederpartij per 1 augustus 1996 beëindigd is.

3.2. De wederpartij heeft op 15 september 1995 met verzoeker en in
aanwezigheid van de personeelsconsulent van de bemiddelende organisatie
een
beoordelingsgesprek gevoerd. Uit het overgelegde beoordelingsverslag van
18
september 1995 blijkt dat wat betreft de mondelinge en schriftelijke
uitdrukkingsvaardigheid verzoeker nog niet aan de eisen voldeed. Met name
bij
telefonisch contact met klanten werd het spreken van Nederlands nog
onvoldoende geacht. Vermeld werd dat verzoeker een uitstekende inzet en
goed
(meer dan voldoende) kennisniveau en initiatief had.
Vervolgens heeft op 22 februari 1996 de halfjaarlijkse beoordeling
functievervulling plaatsgevonden. In het formulier staat vermeld dat de
helpdesk-taken door verzoeker niet voldoende worden begrepen. Met name
dat
dienstverlening is, het afstemmen op de klant en niet andersom. Met
betrekking tot de kennis, contact collega’s en mentor, en werkwijze voldeed
verzoeker aan de eisen.

Naar aanleiding van de beëindiging van de inleenovereenkomst volgde er
op 19
augustus een gesprek tussen verzoeker en een medewerkster van de wederpartij
(de werkbegeleidster van verzoeker). Bij het gesprek waren tevens de
personeelsconsulent van de bemiddelende organisatie en een
bedrijfsmaatschappelijk medewerkster aanwezig. Uit het gespreksverslag
blijkt
dat dit onderhoud bedoeld was om voor verzoeker duidelijkheid te verschaffen
waarom de wederpartij niet met hem verder wilde en te bezien wat de
mogelijkheden tot verdere bemiddeling waren. De volgende redenen voor
beëindiging worden genoemd:
– verzoeker sprak gebrekkig Nederlands en Engels waardoor er
communicatieproblemen waren, met name in het telefonische klantcontact.
Deze
problemen werden teruggebracht door verzoeker andere taken te geven;
– de computervragen werden door verzoeker niet naar tevredenheid
afgehandeld;
– het kennisniveau van verzoeker bleek lager dan het gedrag deed vermoeden;
– er waren klachten op het vlak van de samenwerking (onder andere de
collegiale samenwerking) en met betrekking tot sociaal communicatieve
aspecten in het algemeen;
– ondanks het volgen van cursussen en de functie-aanpassing werden de
klachten niet minder en het functioneren niet beter.

In het gespreksverslag wordt geconcludeerd dat het functioneren wordt
belemmerd doordat verzoeker zich gepasseerd en achtergesteld voelt. Tot
slot
wordt er gesteld dat het arbeidsgedrag van verzoeker van invloed zal zijn
op
zijn bemiddelbaarheid en soort functies die hij zou kunnen vervullen.

3.3. Op 7 oktober 1996 geeft de bedrijfsmaatschappelijk werkster een
schriftelijk advies, met betrekking tot de begeleiding en herbemiddeling
van
verzoeker. Dit advies is bestemd voor de personeelsconsulent van de
bemiddelende organisatie. In het advies wordt gesteld dat er geen sprake
is
van discriminatie op grond van culturele achtergrond en afkomst. Aangegeven
is dat getracht is de houding van verzoeker met hem bespreekbaar te maken.
Volgens de bedrijfsmaatschappelijk werkster is de inhoudelijke kant van
zijn
gedrag niet bespreekbaar. Het uiteindelijke advies is om verzoeker op een
werkplek te plaatsen met administratieve en communicatieve aspecten zodat
hij
aan de beheersing van zijn Nederlandse taal kan werken.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoeker stelt het volgende.

Verzoeker is het niet eens met de beslissing van de wederpartij om hem
te
ontheffen uit zijn functie. Volgens verzoeker zijn ook de gronden geslacht
en
politieke gezindheid in het geding. Hij heeft met veel inzet gewerkt bij
de
wederpartij, dat blijkt ook uit het beoordelingsformulier van 15 september
1995. Voorts is hij het oneens met de inhoud van het gespreksverslag van
19
augustus 1996 en het advies van de bedrijfsmaatschappelijk werkster van
7
oktober 1996. Verzoeker voert daartoe aan dat zijn kennis van de Nederlandse
taal voldoende is. Hij heeft een aantal opleidingen gevolgd en ook een
cursus
communicatieve vaardigheden. Na het eerste beoordelingsgesprek is hij
doorgegaan met het volgen van cursussen.

Hij vond een nieuwe cursus communicatieve vaardigheden zonde van het geld
omdat hij die cursus al had gedaan. Ook zijn er geen communicatieproblemen
geweest met klanten en meent hij dat hij goed heeft gefunctioneerd op zijn
werkplek.
Verzoeker heeft geen problemen ervaren in de samenwerking met collega’s,
behalve met zijn werkbegeleidster. Er ontstond in februari 1996 een
verwijdering tussen hen die niet veroorzaakt werd door de kwaliteit van
het
werk, maar door een verschil in sociale en politiek maatschappelijke visie.
Pas toen duidelijk werd dat het verschil bestond, kreeg verzoeker te horen
dat hij tekort zou schieten in zijn werk.

Verzoeker geeft aan dat tijdens zijn afwezigheid (wegens ziekte) de
wederpartij bij brief van 15 juli 1996 aan de bemiddelende organisatie
heeft
laten weten de inleenovereenkomst te beëindigen. Bij zijn werkhervatting
vond
verzoeker een kopie van deze brief op zijn bureau. Verzoeker vindt dit
geen
zorgvuldige gang van zaken. Hij had tenminste verwacht dat dit met hem
van te
voren zou zijn besproken. Verzoeker ging er vanuit dat hij na 1 jaar kon
doorstromen. Als voorbeeld van ongelijke behandeling noemt hij nog dat
hij
als enige op zijn verjaardag geen attentie kreeg. Hij is de enige allochtoon
op een afdeling van vijf personen.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.

In formele zin is de wederpartij geen werkgever van verzoeker geweest.
Derhalve kan zij niet worden aangesproken als werkgever. De formele werkgever
is de bemiddelende organisatie.

De wederpartij heeft verzoeker intensief begeleid gedurende de periode
dat
hij daar werkzaam was. Meermalen zijn met hem begeleidingsgesprekken gevoerd
en is zijn functioneren onderwerp van bespreking geweest. Daaruit bleek
dat
het functioneren van verzoeker op meerdere gebieden tekort schoot. De
specifieke vakkennis van verzoeker alsmede zijn communicatieve vaardigheden
waren van onvoldoende niveau. In de diverse evaluaties is ook nimmer gebleken
dat verzoeker probeerde zijn functioneren op genoemde punten te versterken.
De wederpartij ontkent dat er een ‘cultuurprobleem’ zou spelen en zij geeft
aan dit probleem, ook in relatie met andere Marokkaanse medewerkers, niet
te
kennen binnen de organisatie. De problemen passen bij het onzekere gevoel
van
verzoeker over zichzelf en daarmee het zich gepasseerd voelen. De klacht
over
ongelijke behandeling is door verzoeker pas in het evaluatiegesprek van
19
augustus 1996 aan de orde gesteld.

Het lijkt de wederpartij voor de hand liggen dat een werkgever enkel met
medewerkers verder wil die bereid zijn in dialoog te treden met de werkgever
over hun werkhouding en hoe die te verbeteren.

3.6. De getuige verklaart het volgende

Verzoeker heeft een arbeidsovereenkomst met de bemiddelende organisatie.
De
bemiddelende organisatie plaatst langdurige werklozen bij inleners met
als
uiteindelijk doel doorstroming naar structureel werk. Dit einddoel hoeft
niet
noodzakelijkerwijs bereikt te worden bij de werkgever waar de arbeidskracht
als eerste is geplaatst. Verzoeker is inmiddels herplaatst en bij een nieuwe
inlener aan het werk.
De inleenovereenkomst met verzoeker is door de wederpartij opgezegd met
inachtneming van de daarbij geldende bepalingen. De getuige onderschrijft
de
stellingname van de wederpartij dat daarbij geen onderscheid op grond van
ras, geslacht of ook politieke overtuiging is gemaakt. De beëindiging vond
plaats op grond van het functioneren van verzoeker. Verzoeker had noch
jegens
de wederpartij, noch de bemiddelende organisatie een aanspraak in de vorm
van
een baangarantie.
De getuige heeft op verzoek van de Commissie afschriften van de
inleenovereenkomst en de arbeidsovereenkomst verstrekt. Tevens zijn de
verslagen van de beoordelingsgesprekken overgelegd, die mede illustreren
dat
verzoekers communicatieve vaardigheden voor de onderhavige functie van
helpdesk-medewerker te kort schoten.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij het beëindigen of het
aangaan van de arbeidsverhouding onderscheid heeft gemaakt op grond van
ras,
geslacht of ook politieke gezindheid zoals verboden in de AWGB.

4.2. Artikel 5 lid 1 sub b AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1 AWGB,
het maken van onderscheid naar ras, geslacht of ook politieke gezindheid
onder meer bij het aangaan of beëindigen van een arbeidsverhouding.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.).

Volgens artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan direct en indirect
onderscheid. Van direct onderscheid op grond van ras, geslacht of ook
politieke gezindheid is sprake wanneer hier rechtstreeks naar wordt verwezen.

Onder indirect onderscheid op grond van ras, geslacht of ook politieke
gezindheid wordt verstaan onderscheid op andere hoedanigheden of gedragingen
dan ras, geslacht of politieke gezindheid, dat direct onderscheid op die
gronden tot gevolg heeft.

4.3. De Commissie beoordeelt allereerst het verweer van de wederpartij
dat de
bemiddelende organisatie de formele werkgever van verzoeker is en dat zij
derhalve niet kan worden aangesproken.
Dit verweer begrijpt de Commissie aldus, dat de wederpartij stelt dat zij
niet aangesproken kan worden op grond van artikel 5 AWGB. Dit artikel
verbiedt onderscheid op het gebied van arbeidsverhoudingen. In de Memorie
van
Toelichting wordt hierover het volgende opgemerkt.
“Onder het begrip arbeidsverhouding valt in de eerste plaats de
arbeidsovereenkomst. Het begrip arbeidsverhouding is echter ruimer: hieronder
vallen al die vormen waarin onder gezag van anderen arbeid wordt verricht.”
(Memorie van Toelichting pag. 16 en 17.)

Uit de overgelegde arbeidsovereenkomst blijkt dat de formele werkgever
de uit
het werkgeverschap voortvloeiende instructie-, aanwijzings- en
beoordelingsbevoegdheden heeft gedelegeerd aan de wederpartij. De Commissie
concludeert derhalve dat er sprake is van het verrichten van arbeid binnen
een gezagsverhouding met de wederpartij. Daarmee valt de relatie tussen
de
wederpartij en verzoeker onder het begrip arbeidsverhouding en kan de
wederpartij worden aangesproken op grond van artikel 5 lid 1 AWGB. (Zie
ook
CGB 2 april 1997, oordeel 97-28. )

4.4. Vervolgens is de vraag aan de orde of de wederpartij bij het beëindigen
van de arbeidsverhouding onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, geslacht
of ook politieke gezindheid.
De Commissie constateert ter voorkoming van misverstanden dat de
arbeidsovereenkomst tussen de bemiddelende instantie en verzoeker niet
beëindigd is. Deze arbeidsovereenkomst loopt door en heeft voor verzoeker
tot
een nieuwe arbeidsplaats geleid bij een andere inlenende organisatie. De
beëindiging die ter beoordeling aan de Commissie voorligt, betreft die
van de
arbeidsverhouding tussen verzoeker en de wederpartij als inlenende
organisatie. Het is derhalve de vraag of bij de beëindiging van deze
arbeidsverhouding een door de AWGB verboden onderscheid is gemaakt.

4.5. Naar vaste rechtspraak van de Commissie rekent zij het niet tot haar
taak te onderzoeken of verzoeker al dan niet geschikt is voor de betreffende
functie. Het is de taak van de Commissie om na te gaan of er bij de
beoordeling van de geschiktheid van verzoeker onderscheid gemaakt is in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling (Zie onder meer Commissie gelijke
behandeling, 2 april 1997, oordeel 97-28.). De Commissie overweegt
hieromtrent het volgende.

4.6. De wederpartij heeft op 15 september 1995 met verzoeker en in
aanwezigheid van de personeelsconsulent van de bemiddelende organisatie
een
beoordelingsgesprek gevoerd.
Uit de verslaglegging van dit gesprek blijkt dat verzoeker met name ten
aanzien van zijn communicatieve vaardigheden nog tekort schoot in zijn
functie als assistent-helpdeskmedewerker. Deze conclusie is ook terug te
vinden in de verslaglegging van het tweede beoordelingsgesprek dat op 22
februari 1996 met verzoeker is gehouden. Op 15 juli 1996 heeft de wederpartij
aan de bemiddelende organisatie laten weten de inleenovereenkomst ten aanzien
van verzoeker per 1 augustus 1996 te beëindigen.

4.7. Onbetwist is dat de wederpartij haar kanttekeningen met betrekking
tot
het functioneren van verzoeker meerdere malen, en ook buiten voornoemde
beoordelingsgesprekken, met hem heeft doorgesproken. Ook na de beëindiging
heeft de wederpartij getracht aan verzoeker duidelijkheid te verschaffen
over
de redenen om tot beëindiging over te gaan.

4.8. Verzoeker stelt dat de negatieve beoordeling het gevolg is van een
verwijdering tussen hem en zijn werkbegeleidster. Deze verwijdering zou
zich
in februari 1996 hebben voorgedaan en veroorzaakt worden door de zeer sterke
politiek ideologische maatschappij opvattingen van de werkbegeleidster,
in
het bijzonder met betrekking tot de man/vrouw verhoudingen.
Voorts stelt verzoeker dat hij tegen de gangbare gewoonte in geen attentie
op
zijn verjaardag van de wederpartij heeft ontvangen, dat er een
cultuurprobleem was en dat hij de enige allochtone man was op de afdeling.

4.9. De Commissie stelt vast dat de kanttekeningen bij verzoekers
functioneren – zoals blijkt uit het beoordelingsgesprek van 15 september
1995
– reeds dateren van vóór het door hem genoemde tijdstip van februari 1996.
Het komt de Commissie derhalve niet aannemelijk voor dat deze kanttekeningen
samenhangen met de mogelijk verstoorde arbeidsrelatie tussen verzoeker
en
zijn werkbegeleidster.

Evenmin heeft verzoeker aannemelijk kunnen maken dat de verwijdering tussen
hem en zijn werkbegeleidster in februari 1996 veroorzaakt werd door
onderscheid naar ras, geslacht of politieke gezindheid of dat anderszins
door
de wederpartij op deze gronden onderscheid jegens hem is gemaakt. De
Commissie kan zich voorstellen dat de omstandigheid dat verzoeker als enige
geen attentie ter ere van zijn verjaardag heeft gehad hem onaangenaam heeft
getroffen. Op zichzelf leidt dit echter niet tot een andere conclusie.

4.10. De Commissie is derhalve van oordeel dat niet aannemelijk is geworden
dat de reden voor beëindiging van de inleenovereenkomst is gelegen in
onderscheid naar ras, geslacht of ook politieke gezindheid. Derhalve heeft
de
wederpartij bij de beëindiging van de inleenovereenkomst niet in strijd
met
de wetgeving gelijke behandeling gehandeld.

4.11. Voor wat betreft het standpunt van verzoeker dat de wederpartij door
de
arbeidsverhouding te beëindigen tevens onderscheid maakt door de weigering
een voortgezette arbeidsverhouding met hem aan te gaan. De Commissie heeft
in
eerdere uitspraken (Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer
95-15 en 24 juli 1995, oordeelnummer 95-29.) geoordeeld dat het besluit
om
een tijdelijke arbeidsovereenkomst niet te verlengen, een besluit betreffende
het aangaan van een arbeidsovereenkomst is. In de onderhavige zaak viel
de
beëindiging evenwel niet samen met het verlopen van de bepaalde tijd waarvoor
de arbeidsverhouding was aangegaan. Dit leidt er naar het oordeel van de
Commissie toe dat de redenen voor beëindiging dezelfde zijn als die voor
het
niet voortzetten van de arbeidsverhouding. Een afzonderlijke toetsing van
de
redenen voor het niet aangaan van een arbeidsverhouding kan derhalve
achterwege blijven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIECGB

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Academisch Centrum
Tandheelkunde Amsterdam te Amsterdam jegens de heer A. O. te Amsterdam
geen
onderscheid naar ras, geslacht of ook politieke gezindheid heeft gemaakt
zoals bedoeld in art. 5 lid 1, sub b Algemene wet gelijke behandeling en
derhalve niet heeft gehandeld in strijd met deze wet.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. A.W.Heringa (lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. G.H.Felix(secretaris Kamer)