Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 5 december 1997

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vader wil graag een omgangsregeling met zijn kinderen. De kinderen (twaalf,
dertien en zestien jaar) zijn door de rechter gehoord. Zij hebben tegen
de omgang ernstige bezwaren. De rechter concludeert dat het door de man
verzochte onderzoek door de raad van de kinderbescherming niet zal worden
gelast nu de noodzaak daartoe niet is gebleken en het in casu om kinderen
gaat van een leeftijd waarop zij in staat moeten worden geacht hun eigen
mening te vormen en te uiten.

Volledige tekst

Het geding

De man en de vrouw zijn in 1980 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

Bij beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 27 juni 1997, kenmerk
62528-FA 96/6114, is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken.
Daarbij is aan de vrouw ten laste van de man een alimentatie toegekend
van ƒ 2.100,= per maand. Voorts is bij die beschikking bepaald dat aan
de vrouw voortaan alleen het gezag toekomt over de minderjarigen:
1. L J, geboren op (….) 1981,
2. J V, geboren op (….) 1984,
3. V E, geboren op (….) 1985.
en is door de vader te betalen kinderalimentatie bepaald op ƒ 300,= per
maand per kind.
De beschikking is op 24 september 1997 ingeschreven in de registers van
de burgerlijke stand.

De man is tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de beschikking
te vernietigen voor zover daarbij is afgewezen het verzoek van de man tot
vaststelling van een omgangsregeling met voornoemde minderjarige kinderen
en een alimentatie ten behoeve van de vrouw aan de man is opgelegd, en
opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man recht zal hebben op omgang met
zijn kinderen, in te vullen op een wijze door het hof in goede justitie
te bepalen en te bepalen dat de man geen bijdrage verschuldigd zal zijn
aan zijn vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud.

De vrouw heeft tijdig een verweerschrift ingediend.

Op 5 november 1997 is de zaak mondeling behandeld.
De minderjarigen zijn gehoord in raadkamer.

Na de zitting zijn de volgende stukken ingekomen ter griffie van het hof:

– Op 14 november 1997 een brief van de advocaat van de man inhoudende een
draagkrachtberekening, een kopie van de jaaropgave 1996 en drie recente
loonstroken van de werkgever van de man;

– Op 24 november 1997 een brief van de advocaat van de vrouw inhoudende
een draagkrachtberekening.

Beoordeling van de zaak in hoger beroep

De alimentatie

Het hof gaat van de volgende gegevens uit
(bedragen op hele guldens afgerond):

1. De vrouw is 39 jaar oud. De minderjarigen wonen bij haar. Zij ontvangt
een bijstandsuitkering volgens het normbedrag voor een één-oudergezin aangevuld
met een woonkostentoeslag. Per maand bedraagt de huur ƒ 1.042,= de premie
ziektekostenverzekering ruim ƒ 200,=.

2. Gebleken is dat de vrouw in een periode van eind 1993 tot juli 1995
heeft gewerkt als oproepkracht tolk-vertaalster voor het Maritiem Trainigscentrum
B.V. en voor Heeremac Offshore. In februari 1996 heeft zij incidenteel
werk gehad en sindsdien heeft zij niet meer gewerkt buitenshuis. Vóór het
huwelijk was de vrouw begonnen met een studie MO-Engels maar zij heeft
deze studie niet afgerond. Wel is zij in het bezit van een HAVO diploma.
De vrouw is gemotiveerd om (deeltijd) te gaan werken maar gezien haar leeftijd
en haar vooropleiding heeft zij weinig hoop dat zij op korte termijn werk
zal vinden. Zij staat thans ingeschreven bij diverse uitzendbureaus en
bij het Arbeidsbureau maar tot op heden is zij er niet in geslaagd werk
te vinden. Gezien dit alles en gelet op de financiële lasten van de vrouw
is het hof van oordeel dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man.

3. De man 47 jaar oud, verdient volgens recente loonstroken als ambtenaar
ƒ 6.408,=netto per maand en volgens de jaaropgave 1996 ƒ 111.387,=. Zijn
bruto-jaarinkomen voor 1997 berekend aan de hand van de loonstrook van
oktober 1997 bedraagt ruim ƒ 114.000,=. Voor rekening van de man komt onbestreden
per maand ƒ 893 aan huur en aan premie ziektekostenverzekering ƒ 181,=.
Het eigen risico bedraagt volgens hem ƒ 25,= per maand, doch volgens de
overgelegde polis ƒ 250,= per jaar.
Voorts betaalt hij per maand ƒ 24,= particuliere AO- en oudedagsvoorziening,
ƒ 24,= premies levens- en begrafenisverzekering. De man stelt ƒ 208,= werkelijke
verwervingskosten en ƒ 375,= aan woon-/werkverkeer uit te geven. De vrouw
heeft zich gerefereerd ten aanzien van een bedrag van ƒ 534,= aan aflossing
en rente van schulden (ƒ 284,= + herinrichtingskosten). Voor kosten huishoudelijke
hulp voert hij ƒ 202,= per maand op.

Het hof zal bij het bepalen van de draagkracht van de man uitgaan van zijn
bruto-jaarinkomen over 1997 berekend als hiervoor aangegeven.

4. Voor wat betreft de door de man gestelde lasten wordt slechts rekening
gehouden met:

– kosten voor woon-werkverkeer en verwervingskosten tot een gezamenlijk
bedrag van ƒ 150,= per maand gelet op het voor de man van toepassing zijnde
reiskostenforfait en de door de werkgever verleende vergoedingen voor reiskosten
enerzijds en gelet op de door de man overgelegde verklaring van de heer
Annink, directeur-generaal management en personeelsbeleid, anderzijds.
– met de kosten voor huishoudelijke hulp wordt slechts rekening gehouden
tot een bedrag van ƒ 120,= per maand.

Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man een alimentatie voor
de vrouw, waaraan zij behoeft heeft, toelaat van ƒ 2.000,= per maand, welke
alimentatie in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

De omgangsregeling

5. De kinderen zijn in raadkamer gehoord. Zij geven allen aan thans geen
omgang met hun vader te willen. De man heeft ter zitting medegedeeld dat
hij zich zal neerleggen bij de keuze van zijn kinderen. Hij is desondanks
van mening dat de kinderen door een maatschappelijk werker gehoord moeten
worden en dat een onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming geboden
is.

6. Het hof is van oordeel dat, nu de kinderen duidelijk naar voren hebben
gebracht thans ernstige bezwaren te hebben tegen omgang met hun vader,
het in strijd met hun zwaarwegende belangen is om op dit moment een omgangsregeling
vast te stellen. De rechtbank heeft overwogen dat het door de man verzochte
onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming niet gelast zal worden
nu de noodzaak daarvan niet is gebleken en het in casu gaat om kinderen
van een leeftijd waarop zij in staat moeten worden geacht hun eigen mening
te vormen en te uiten. Het hof neemt die overweging over en maakt die tot
de zijne.
Het bovenstaande brengt mee dat het verzoek van de man tot het vaststellen
van een omgangsregeling moet worden afgewezen.

7. Het hof wijst er ten overvloede op dat de vrouw op grond van artikel
1:377b BW een wettelijke verplichting heeft om de man te informeren over
de minderjarige kinderen zoals nader genoemd artikel bepaald.

Beslissing van de zaak in hoger beroep

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 27 juni 1997,
voor zover deze door de man aan de vrouw te betalen alimentatie betreft,
en in zoverre opnieuw beschikkende:

kent aan de vrouw, ten laste van de man, met ingang van de datum van inschrijving
van de echtscheidingsbeschikking een alimentatie toe van 2.000,= per maand,
wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te
voldoen;

wijst het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling
af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders verzocht is;

bepaalt dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt van het geding
in hoger beroep.

Rechters

Mrs Hehemann, Van den Wildenberg, Wortmann

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 4 december 1997

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


De man en de vrouw hebben een relatie gehad en
tot half januari 1997 samengewoond. Zij hebben een zoon die nu dertien jaar
oud is. Kort na de bevindingen van de samenwoning heeft de man de vrouw
veelvuldig lastiggevallen en daarom zijn de vrouw en haar zoon naar een
geheim adres vertrokken.
Op 5 juni 1997 is tegen de man, op verzoek van de zuster, zwager en moeder
van de vrouw, een contactverbod uitgesproken.
Uit onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming is gebleken dat het kind
geen contact wil met zijn vader en dat heeft hij in een brief aan zijn vader
uitgelegd. De man daarentegen wil graag contact met zijn zoon en stelt daarom
alles in het werk om zijn zoon op te sporen. Hij verspreidt posters, zet
advertenties in de krant, werkt mee aan televisieprogramma’s, verspreidt
berichten op Internet. De man weigert, ondanks herhaaldelijk verzoek van de
vrouw, zijn zoektocht te staken. Daarom vordert de vrouw in kort geding dat
het de man wordt verboden zijn zoon op te sporen en zij vordert een
contactverbod.
De rechter komt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat de man door zal
gaan met het zoeken van zijn zoon. Het handelen van de man is onrechtmatig
tegenover de vrouw en haar zoon. Daarom legt de rechter de man een
opspoorverbod op dat geldt voor het aanplakken van posters, het inschakelen
van de media, inclusief internet en een contactverbod voor de duur van zes
maanden.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 26 november 1997 hebben eisers, hierna tezamen B. en
M., gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis
gehechte dagvaarding.
Gedaagde, hierna H., heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de
gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van
weerszijden producties, overgelegd voor vonniswijzing.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten:
a. B. en H. hebben een relatie gehad en tot half januari 1997 samengewoond.
Zij hebben een zoon, M., geboren 26 mei 1985.

b. Kort na het beëindigen van de samenwoning heeft H. B. veelvuldig
lastiggevallen.

c. Eind maart 1997 zijn B. en M. op een geheim adres gaan wonen. Nadien zijn
zij nog twee maal verhuisd naar een ander geheim adres.

d. Bij kort geding vonnis van 5 juni 1997 (rolnummer KG 97/1455 OA) is op
vordering van de zuster, zwager en moeder van B., hierna Van de L.-B.c.s.,
tegen H. een contactverbod uitgesproken, alsmede een straatverbod voor twee
gebieden te Amsterdam en een gebied te Zandvoort, op straffe van een
dwangsom. Bij vonnis van 11 september 1997 (rolnummer KG 97/2319JRB) is
verlof verleend de bij vonnis van 5 juni 1997 uitgesproken straat- en
contactverboden bij lijfsdwang ten uitvoer te leggen.

e. Op 12 augustus 1997 heeft bij de kinderrechter te Utrecht een zitting
plaatsgevonden naar aanleiding van het verzoek van H. om een omgangsregeling
met M. Hierbij is de Raad voor de Kinderbescherming hierna de Raad, verzocht
een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden voor een omgangsregeling en
zo mogelijk een aantal proefcontacten te realiseren.

f. De Raad, in de persoon van P. Van den Burg, vestiging Utrecht, heeft
onlangs afzonderlijk gesproken met B., H. en M. M. heeft aan de Raad te
kennen gegeven geen contact met H. te willen hebben. Op verzoek van de Raad
heeft M. aan zijn vader een brief van die strekking geschreven. De Raad zal
aan de kinderrechter te Utrecht rapport uitbrengen. Die zaak is tot 16
januari 1998 pro forma aangehouden.

g. H. wenst geen contact meer met B., maar hij wil zijn zoon spreken. Hiertoe
heeft hij -onder meer- omstreeks week 42 (13-19 oktober 1997)
postersverspreid/doen verspreiden in een gebied te Amsterdam, waarvoor
voornoemd straatverbod geldt. Op deze posters staat de foto van M. en een
oproep van H., aan degene die M. kent, hem te bellen.

h. In de Amersfoortse Courant van 17 oktober 1997 heeft een interview gestaan
met H., waarbij de hiervoor onder 1.g. genoemde poster is afgedrukt.

i. Op 21 oktober 1997 zijn op de internetpagina VERMIST, onder redactie van
de televisieomroep de Tros, de gegevens van M., inclusief een foto van hem,
opgenomen.

j. Op 22 oktober 1997 heeft H. zijn (toenmalige) advocaat, mr P.M. de V., de
volgende brief geschreven, waarvan hij tevens een kopie heeft gestuurd naar
de raadsvrouw van B. en M.:
‘U schrijft mij dat ik mij rustig moet houden. Wat agressie betreft, zeker,
maar niet wat het zoeken naar mijn zoon betreft. (…) Maar het gaat lukken
mevrouw de V. Ik kan u garanderen dat ik mijn zoon met een groot deel van het
Nederlandse volk zal vinden. Tros vermist, De Telegraaf, Peter R. de Vries,
zij zijn allemaal ingelicht. De Amersfoortse Courant, waarvan bijgaand een
fotokopie, zij zullen mij helpen mijn zoon terug te vinden. Ik peins er niet
over de posters weg te halen, er zullen er nog duizenden geplakt gaan
worden.(…)’

k. Bij brief van 22 oktober 1997 heeft de raadsvrouw van B. H. gesommeerd
zijn zoektocht naar B. en M. te staken.

l. H. heeft bij brief van 23 oktober 1997 aan de raadsvrouw van B. meegedeeld
dat hij door zal gaan met het zoeken naar M.

2. In dit geding vorderen B. en M. – kort weergegeven – dat het H. wordt
verboden M. op te sporen, zelf dan wel met behulp van derden, door middel van
het aanplakken van posters en het inschakelen van de media of anderszins.
Tevens vorderen zij een contactverbod voor H., een en ander op verbeurte van
een dwangsom of van lijfsdwang, naar keuze van B. Zij stellen hiertoe dat
door de opsporingsactiviteiten van H. zij geen rust krijgen en zich opgejaagd
voelen. H. heeft B. meerdere malen bedreigd dat hij haar iets aan zou doen.
M. wil met rust worden gelaten en wil zeker niet nogmaals moeten verhuizen,
hetgeen ook wederom een wisseling van school zou kunnen inhouden. Het
handelen van H. is jegens hen onrechtmatig, aldus B. en M.

3. Ter afwering van de vordering voert H. aan dat hij niet meer
geïnteresseerd is in B. Het enige dat hij nog wil is zijn zoon spreken, zodat
hij hem zijn kant van de zaak kan vertellen. M. heeft er recht op dit te
horen. Bovendien weet H. dat M. zijn vader graag wil zien, maar zolang M.
alleen door B. wordt beïnvloed, zal M. niet gauw tegen zijn moeder ingaan. H.
snapt niet dat hij zijn zoon niet meer mag spreken. De posters die hij door
een vriend heeft laten opplakken zijn reeds weggeregend en nadien zijn er
geen posters meer opgeplakt. De vordering is dan ook niet meer dringend.
Voorts voert H. aan dat een dwangsom een afdoende dwangmiddel is: B. heeft
eerdere dwangsommen nooit geëxecuteerd. De gevorderde gijzeling dient, als
deze al zou kunnen worden toegewezen, in tijd te worden beperkt, aldus H.

4. Uit hetgeen H. ter zitting heeft verklaard, alsmede de brieven die hij aan
de raadsvrouw van B. heeft verstuurd, is voorshands voldoende aannemelijk dat
hij door zal gaan met het zoeken naar M. Voorts is aannemelijk dat B. en M.,
terwijl zij reeds op een voor H. geheim -en geheim te houden- adres wonen,
zich door de zoekacties van H. opgejaagd voelen. Aangezien zij door H. met
rust gelaten willen worden en zij hierop recht hebben, is het handelen van H.
jegens hen onrechtmatig. Hoewel het begrijpelijk is dat H. zijn zoon wil
zien, kunnen de door hem tot nu toe gehanteerde methoden niet worden
aanvaard. In het stadium waarin zich de behandeling van het verzoek tot een
omgangsregeling bevindt, dienen partijen het oordeel van de kinderrechter te
Utrecht af te wachten. Toewijzing van een voorziening die aan het
onrechtmatige gedrag van H. een einde kan maken, komt gelet op het voorgaande
redelijk voor. Het opspoorverbod geldt voor posters en media, inclusief
internet, waarbij na te melden termijn redelijk voorkomt. De vordering tot
het verbod gebruik te maken van andere opsporingsmethodes wordt als te vaag
omschreven afgewezen. Het contactverbod is eveneens als na te melden
toewijsbaar, met dien verstande dat dit verbod niet in de weg staat aan de
uitvoering van een eventuele omgangsregeling tussen H. en M. Voor toewijzing
van de gevorderde lijfsdwang bestaat vooralsnog onvoldoende aanleiding.

5. H. wordt als de in het ongelijk gestelde partij belast met de
proceskosten.

BESLISSING

1. Verbiedt H. om gedurende zes maanden na de betekening van dit vonnis:
a. M. op te sporen door middel van het aanplakken van posters en het
inschakelen van de media, waaronder begrepen Internet;
b. op enigerlei wijze rechtstreeks contact te zoeken met B. en M., anders dan
in het kader van de eventueel tussen H. en M. uit te voeren omgangsregeling,
een en ander op verbeurte van een dwangsom van ƒ 500 voor iedere overtreding
van een van deze verboden.

2. Veroordeelt H. in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van B.
en M. begroot op ƒ 461,30 aan verschotten, waaronder ƒ 370 wegens vastrecht
en op ƒ 1.500 aan salaris procureur.

3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mr J.R. Branbergen

Instantie: Hof van Justitie EG, 4 december 1997

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Het Hof van Justitie (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1. Door in strijd met artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van
9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces,
de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden,
in haar interne rechtsorde een verbod op nachtarbeid door vrouwen te handhaven,
is de Italiaanse Republiek de krachtens het gemeenschapsrecht op haar rustende
verplichtingen niet nagekomen.
2. Het beroep is voor het overige niet-ontvankelijk.
3. De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.

Volledige tekst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

1. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 juni 1996,
heeft de
Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169
EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet
binnen
de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast
te stellen
die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van
9 februari
1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling
van
mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden
(PB 1976, L 39, blz. 40; hierna: “richtlijn”), en door nationale voorschriften
te
handhaven die, in strijd met artikel 5 van die richtlijn, een verbod stellen
op
nachtarbeid door vrouwen, niet heeft voldaan aan de krachtens het
gemeenschapsrecht op haar rustende verplichtingen.

2. Volgens artikel 5 van de richtlijn houdt de toepassing van het beginsel
van gelijke
voorwaarden met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden in, dat voor mannen
en
vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van
geslacht
(lid 1). Te dien einde nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te
bereiken
dat bepalingen die in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling,
worden
ingetrokken (lid 2, sub a) of worden herzien wanneer de eraan ten grondslag
liggende beschermende bedoeling niet meer gefundeerd is (lid 2, sub c).
Volgens
artikel 2, lid 3, van de richtlijn doet deze echter geen afbreuk aan de
bepalingen
betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap
en
moederschap betreft.

3. Op grond van artikel 9, lid 1, van de richtlijn dienden de Lid-Staten
binnen een
termijn van 30 maanden volgende op de kennisgeving van de richtlijn en,
wat
artikel 5, lid 2, sub c, betreft, binnen een termijn van vier jaar, dat
wil zeggen vóór
14 februari 1980, de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
in werking
te doen treden om aan de richtlijn te voldoen.

4. In zijn arrest van 25 juli 1991 (zaak C-345/89, Stoeckel, Jurispr. 1991,
blz. I-4047) heeft het Hof voor recht verklaard, dat artikel 5 van de richtlijn
voldoende
nauwkeurig is om voor de Lid-Staten de verplichting te scheppen, het verbod
op
nachtarbeid door vrouwen, ook indien in afwijkingen van dat verbod is voorzien,
niet als wettelijk beginsel vast te leggen, wanneer er geen verbod staat
op
nachtarbeid door mannen. Het Hof heeft voorts herhaaldelijk verklaard,
dat die
bepaling voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om door particulieren
voor
de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen, teneinde de toepassing
te
verhinderen van nationale bepalingen die niet stroken met artikel 5, lid
1, waarin
het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden
is
neergelegd (arrest Stoeckel, reeds aangehaald, r.o. 12, en arrest van 26
februari
1986, zaak 152/84, Marshall, Jurispr. 1986, blz. 723, r.o. 55).

5. Artikel 5, lid 1, van de Italiaanse wet nr. 903 van 9 december 1977
betreffende de gelijke behandeling van mannen in vrouwen bij het werk (hierna:
“Italiaanse wet”,
luidt als volgt:

“Het is verboden, vrouwen in fabrieken en ambachtelijke bedrijven arbeid
te doen
verrichten tussen 0.00 uur en 6.00 uur. Dit verbod geldt niet voor vrouwen
in
leidinggevende functies, noch voor vrouwen die bij de gezondheidsdienst
van de
onderneming werkzaam zijn.”

6. Krachtens artikel 5, leden 2 en 3, van die wet kan dit verbod in bepaalde
gevallen
door een collectieve overeenkomst of bedrijfsovereenkomst worden aangepast
of
ter zijde gesteld, maar zijn geen afwijkingen toegestaan tijdens de zwangerschap
en
de eerste tijd na de bevalling.

7. De Italiaanse wet handhaaft aldus het verbod op nachtarbeid door vrouwen,
dat
was neergelegd in wet nr. 1305 van 22 oktober 1952 houdende ratificatie
van
verdrag nr. 89 van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna: “verdrag
nr. 89″)
van 9 juli 1948 betreffende de nachtarbeid van vrouwen in de nijverheid
werkzaam.

8. Artikel 3 van dat verdrag bepaalt, dat men vrouwen, onverschillig van
welke
leeftijd, gedurende de nacht geen arbeid mag laten verrichten in enige
nijverheidsonderneming, hetzij het betreft een overheidsonderneming of
een
onderneming van een bijzonder persoon, of in een toebehoor daarvan, met
uitzondering alleen van ondernemingen, waarin uitsluitend door de leden
van
eenzelfde gezin wordt gewerkt.

9. Gelet op het bestaan van verdrag nr. 89 overwoog het Hof in zijn arrest
van
2 augustus 1993 (zaak C-158/91, Levy, Jurispr. 1993, blz. I-4287), dat
de nationale
rechter gehouden is de volledige eerbiediging te verzekeren van artikel
5 van de
richtlijn door elke ermee strijdige bepaling van zijn nationale wetgeving
buiten
toepassing te laten, tenzij toepassing van een dergelijke bepaling noodzakelijk
is om
te verzekeren dat de betrokken Lid-Staat voldoet aan verplichtingen die
voortvloeien uit een vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag met derde
landen gesloten overeenkomst.

10. Na het arrest Stoeckel (reeds aangehaald) heeft de Italiaanse Republiek
in februari 1992 verdrag nr. 89 met ingang van februari 1993 opgezegd.

11. Gelet op de arresten Stoeckel en Levy (reeds aangehaald) en de opzegging
door
de Italiaanse Republiek van verdrag nr. 89, stelde de Commissie zich op
het
standpunt, dat de Italiaanse Republiek de nodige maatregelen moest treffen
om de
onverenigbaarheid van de Italiaanse wet met artikel 5 van de richtlijn
op te heffen.
Bij brief van 2 maart 1994 maande zij derhalve de Italiaanse regering
overeenkomstig artikel 169, eerste alinea, van het Verdrag aan, binnen
een termijn
van twee maanden haar opmerkingen te maken.

12. Toen deze brief onbeantwoord bleef, bracht de Commissie op 19 juni
1995 een met redenen omkleed advies uit, waarin zij de Italiaanse Republiek
verzocht, de nodige maatregelen te treffen om binnen een termijn van twee
maanden na de
kennisgeving dit advies op te volgen.

13. Daar zij geen antwoord ontving, heeft de Commissie het onderhavige
beroep
ingesteld.

14. Het beroep van de Commissie, zoals geformuleerd in de conclusie van
haar
verzoekschrift, is gebaseerd op twee grieven tegen de Italiaanse Republiek:
de
eerste betreft de niet-vaststelling binnen de gestelde termijn van de wettelijke
en
bestuursrechtelijke maatregelen om aan de richtlijn te voldoen, de tweede
betreft
de schending van artikel 5 van de richtlijn doordat de Italiaanse wet na
de
opzegging van verdrag nr. 89 is gehandhaafd.

De eerste grief

15. Zonder een formele exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen,
wijst de
Italiaanse Republiek erop, dat de eerste grief eerst in het verzoekschrift
is
geformuleerd.

16. Opgemerkt zij, dat deze grief impliceert, dat de Italiaanse Republiek
reeds voor de
opzegging van verdrag nr. 89 gehouden was, met betrekking tot nachtarbeid
door
vrouwen te voldoen aan de bepalingen van de richtlijn.

17. In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat de precontentieuze
procedure
volgens vaste rechtspraak tot doel heeft, de betrokken Lid-Staat in de
gelegenheid
te stellen de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen
na
te komen en verweer te voeren tegen de door de Commissie geformuleerde
grieven. Het voorwerp van een beroep krachtens artikel 169 van het Verdrag
wordt
derhalve afgebakend door de in dit artikel bedoelde precontentieuze procedure.
Mitsdien kan het beroep niet op andere grieven worden gebaseerd dan die
welke
in het met redenen omkleed advies zijn genoemd (arrest van 20 maart 1997,
zaak
C-96/95, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1997, blz. I-1653, r.o. 22 en 23).

18. Het Hof heeft voorts beslist, dat het met redenen omkleed advies een
duidelijke
en gedetailleerde uiteenzetting moet bevatten van de gronden die de Commissie
tot de overtuiging hebben gebracht, dat de betrokken Lid-Staat een van
de
krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen
(arrest
Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, r.o. 24).

19. Ofschoon in de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies eraan
werd
herinnerd, dat de Italiaanse Republiek de nodige maatregelen moest treffen
om
haar wettelijke regeling in overeenstemming te brengen met het
gemeenschapsrecht, wees de Commissie erop, dat die verplichting slechts
was
ontstaan toen de Italiaanse Republiek niet langer gebonden was door verdrag
nr. 89.

20. In haar verzoekschrift stelde de Commissie evenwel, dat de Italiaanse
Republiek,
door niet binnen de door de richtlijn gestelde termijn de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan de richtlijn te voldoen,
de
krachtens de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen.

21. Doordat in de precontentieuze procedure noch in het verzoekschrift
duidelijk en
gedetailleerd is uiteengezet, op welke gronden de Commissie meent, dat
de
Italiaanse Republiek ook vóór de opzegging van verdrag nr. 89 met betrekking
tot
nachtarbeid door vrouwen aan de bepalingen van de richtlijn moest voldoen,
kon
de Italiaanse Republiek geen verweer voeren tegen deze grief.

22. Derhalve moet de eerste grief niet-ontvankelijk worden verklaard.

De tweede grief

23. De Commissie stelt, dat de Italiaanse Republiek sinds februari 1993,
toen zij niet
langer gebonden was door verdrag nr. 89, de krachtens artikel 5 van de
richtlijn op
haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door het verbod van nachtarbeid
door vrouwen in haar interne rechtsorde te handhaven.

24. In haar verweer stelt de Italiaanse Republiek enerzijds, dat het in
de Italiaanse wet gestelde verbod van nachtarbeid door vrouwen, dat in
bepaalde gevallen kan
worden aangepast of ter zijde gesteld, is gehandhaafd om de eerbiediging
te
verzekeren van de persoonlijke en de gezinssituatie, waarvan het fundamentele
belang wordt beklemtoond door artikel 2, lid 3, van de richtlijn en door
de
Italiaanse grondwet, en anderzijds, dat particulieren zich voor de Italiaans
rechter
rechtstreeks op artikel 5 van de richtlijn kunnen beroepen om de Italiaanse
wet
buiten toepassing te laten.

25. Allereerst moet worden vastgesteld, dat ofschoon het in artikel 5 van
de Italiaanse wet gestelde verbod van nachtarbeid in bepaalde gevallen
kan worden aangepast of ter zijde gesteld, de Italiaanse Republiek niet
betwist, dat het gemeenschapsrecht na de opzegging van verdrag nr. 89 in
de weg stond aan de handhaving van dat verbod in de Italiaanse rechtsorde.
Zij zegt overigens, dat deze onverenigbaarheid zo snel mogelijk zal worden
opgeheven.

26. Vervolgens zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de onverenigbaarheid
van een nationale wettelijke regeling met de gemeenschapsbepalingen, ook
al zijn deze rechtstreeks toepasselijk, enkel definitief kan worden opgeheven
door middel van dwingende nationale voorschriften die dezelfde rechtskracht
hebben als de te wijzigen bepalingen, en dat de bepalingen van een richtlijn
moeten worden
uitgevoerd met een onbetwistbare dwingende kracht en met de specificiteit,
nauwkeurigheid en duidelijkheid die nodig zijn om te voldoen aan het vereiste
van
rechtszekerheid, dat, in het geval dat een richtlijn voor particulieren
rechten in het
leven roept, verlangt dat de begunstigden hun rechten in volle omvang kunnen
kennen (arrest van 13 maart 1997, zaak C-197/96, Commissie/Frankrijk, Jurispr.
1997, blz. I-1489, r.o. 14 en 15).

27. In casu betekent de handhaving van de Italiaanse wet, dat de rechtssubjecten
in
onzekerheid verkeren over hun rechtspositie en blootstaan aan ongerechtvaardigde
strafvervolgingen. De verplichting van de nationale rechter om de volle
werking van
artikel 5 van de richtlijn te verzekeren door elke ermee strijdige nationale
bepaling
buiten toepassing te laten, kan immers geen wijziging brengen in een wettekst.

28. Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek, door
in strijd met
artikel 5 van de richtlijn in haar interne rechtsorde een verbod op nachtarbeid
door
vrouwen te handhaven, de krachtens het gemeenschapsrecht op haar rustende
verplichtingen niet is nagekomen.

Kosten

29. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering
wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien
de Italiaanse Republiek
op het wezenlijke punt in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten
worden
verwezen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

rechtdoende, verstaat:

1) Door in strijd met artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van
9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het
arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien
van de arbeidsvoorwaarden, in haar interne rechtsorde een verbod op
nachtarbeid door vrouwen te handhaven, is de Italiaanse Republiek de
krachtens het gemeenschapsrecht op haar rustende verplichtingen niet
nagekomen.

2) Het beroep is voor het overige niet-ontvankelijk.

3) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten

Rechters

Mrs Wathelet, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de presidentvan de Vijfde kamer, Moitinho de Almeida, Edward (rapporteur), Jann enSevón

Instantie: Hof ‘s-Hertogenbosch, 3 december 1997

Instantie

Hof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Vrouw wordt stelselmatig mishandeld door haar vriend. Hij dwingt haar door de
mishandelingen de relatie voort te zetten. De vrouw schiet haar vriend neer
nadat hij haar probeert te wurgen. Daarna lost zij een tweede schot. De
rechtbank veroordeelt de vrouw wegens doodslag tot vier jaar (Rechtbank
Maastricht 28 mei 1997, RN 1998, 861). De officier van justitie gaat in hoger
beroep om een veroordeling wegens moord te krijgen. De advocaat voert wederom
noodweer-exces aan. Het hof accepteert dit. Het hof oordeelt dat de vrouw
geen kant op kon tijdens de wurgingspoging. Dit veroorzaakte bij haar een
hevige gemoedstoestand. Hierdoor overschreed zij de grenzen van de
gerechtvaardigde verdediging, nl. het tweede schot. Deze overschrijding kan
haar echter, vanwege haar hevige emotionele toestand, juridisch niet worden
aangerekend. Het hof heeft hierbij de voorgeschiedenis in beschouwing genomen
de voorgeschiedenis. De vriend had zich tegenover de verdachte al meerdere
malen gemanifesteerd als krachtige agressor. De wurgpoging heeft bij de vrouw
tot bijzonder grote angst en woede geleid.

Volledige tekst

De telastlegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging
over.
In deze weergave van de telastlegging zijn de in eerste aanleg toegelaten
wijzigingen begrepen.

De bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en
3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij;
1. Op 25 augustus 1996 te Munstergeleen, in de gemeente Sittard, opzettelijk
J.H. van De B. Heeft doodgeschoten door die B. Met een pistool een kogel door
zijn hoofd te schieten.
2. In de periode van 17 tot en met 26 augustus 1996 te Munstergeleen een
schietwapen van categorie III onder 1e, in de vorm van een pistool, te weten
een pistool, merk Ceska Zbrojovka, model 75, voorhanden heeft gehad.
3. Op 26 augustus 1996 in de gemeente Sittard, tezamen en in vereniging met
een ander, een lijk, te weten het lijk van J.H. van de B, heeft weggevoerd,
met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen,
hebbende zij, verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededader bedoeld
lijk met voormeld oogmerk in een auto weggevoerd van haar woning te
Munstergeleen naar elders in de gemeente Sittard.
Het Hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte
onder 1,2 en 3 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen
is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het Hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het Hof gebruikte bewijsmiddelen staan vermeld in de aanvulling als
bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvorderingen,
welke artikelen in artikel 415 van genoemd wetboek op het rechtsgeding bij
het gerechtshof van overeenkomstige toepassing worden verklaard; deze
aanvulling is aan dit arrest gehecht. PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust
op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde
bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde
feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het
bewezen verklaarde uitsluit.
Het bewezen verklaarde onder 1 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld
bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht. Het bewezen verklaarde onder
2 is als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en
munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, tweede lid, van de Wet wapens en
munitie. Het bewezen verklaarde onder 3 is als misdrijf voorzien en strafbaar
gesteld bij artikel 151, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 een beroep gedaan op
noodweer-exces en heeft daartoe aangevoerd, zakelijk weergegeven:
Cliënte werd al langere tijd door B. op een ernstige wijze lastiggevallen en
deze drong op de bewuste avond plotseling haar woning binnen. Na enkele
woorden gesproken te hebben probeerde B. cliënte met beide handen te wurgen.
Hier is sprake van een wederrechtelijke aanranding gericht tegen eigen lijf
waartegen verdediging noodzakelijk was en het gehanteerde middel was, gegeven
de omstandigheden en de voorafgaande gebeurtenissen, geboden om de aanval van
B. te stoppen.
Cliënte kon op het moment dat B. zijn beide handen om haar keel had niet meer
vluchten of anders handelen dan zij heeft gedaan.
Tengevolge van de wurgingspoging door B. raakte cliente in een hevige
gemoedstoestand.
De hevige gemoedsbeweging opgewekt door de aanval van B. heeft ervoor gezorgd
dat cliënte de grenzen van de gerechtvaardigde verdediging (door het tweede
schot) heeft overschreden, doch die overschrijding kan haar in juridische
zin, gezien haar hevige emotionele toestand, niet worden aangerekend.
Cliënte dient derhalve voor dit feit te worden ontslagen van alle
rechtsvervolging.
Het hof overweegt daaromtrent het volgende:
Het hof acht aannemelijk geworden dat het eerste schot door verdachte is
gelost ter noodzakelijke verdediging van haar eigen lijf tegen een
ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, namelijk de wurgpoging door het
latere slachtoffer B. Het hof acht eveneens aannemelijk geworden dat
verdachte het ten laste gelegde tweede en fatale schot heeft gelost als
gevolg van een hevige gemoedsbeweging. Deze hevige gemoedsbeweging was
veroorzaakt door de aanranding, de wurgpoging, zeer kort daarvoor.
Het hof heeft daarbij acht geslagen op de voorgeschiedenis van dit
dramatische gebeuren, waaruit blijkt dat het slachtoffer B. zich jegens
verdachte meermalen als krachtige agressor heeft gemanifesteerd en op hetgeen
door de getuige-deskundige Van Leeuwen ter terechtzitting nog naar voren is
gebracht en wel met name diens door argumenten onderbouwde mening dat ten
tijde van het tweede schot bij verdachte sprake moet zijn geweest van een
hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de zeer kort daarvoor plaatsgevonden
hebbende wurgpoging welke – mede gelet op de voorgeschiedenis en de persoon
van verdachte – tot bijzonder grote angst, eventueel in combinatie met woede,
moet hebben geleid.
Nu het verweer doel treft dient verdachte ten aanzien van het onder 1
bewezenverklaarde feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de
verdachte uitsluit voor wat betreft de bewezen verklaarde feiten 2 en 3.
De verdachte is derhalve strafbaar voor deze feiten.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van
hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen
verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander
uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Naar het oordeel van het Hof kan niet worden volstaan met een andere of
lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor
de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij heeft het Hof met name
rekening gehouden met de bijzondere ernst van het onder 3 bewezen verklaarde
feit. Verdachte heeft door haar handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de
openbare orde.

De vordering van de benadeelde partij

J.W. B. Te Elsloo heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van
Strafvordering in eerste aanleg in de Strafzaak gevoegd als benadeelde partij
en een vordering ingediend.
Gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, in verband met artikel 415
van het Wetboek van Strafvordering, kan de benadeelde partij niet in deze
vordering worden ontvangen omdat voor wat betreft het onder 1 ten laste
gelegde feit noch aan de verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd noch
een schuldig verklaring zonder toepassing van straf wordt uitgesproken.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10,27,47,57,91 en 151 van het
Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26,55 en 56 van de Wet wapens en
munitie.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.
Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de
verdachte het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, en 3 primair meer of
anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de
verdachte daarvan vrij.
Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
1: `Doodslag’, sub 2: `Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de
Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een schietwapen
in de vorm van een pistool’, sub 3 primair: `Medeplegen van: een lijk
wegvoeren met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te
verhelen’.
Ten aanzien van feit 1:
Verklaart de verdachte deswege niet strafbaar.
Ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3;
Verklaart de verdachte deswege strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van negen
maanden.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging in
verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de
opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de benadeelde partij J.W. B. Niet ontvankelijk in haar vordering.

Rechters

Mrs Hendriks, Lo-Sin-Sjoe, Bergkotte

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 3 december 1997

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Een schoonmaker van trams en tramhuisjes is op 8 juli 1994 op staande voet
ontslagen. Hij heeft geruime tijd vrouwelijke medewerkers van het
vervoerbedrijf lastiggevallen door ongewenste opmerkingen te maken, door
hen op straat te volgen en aan te houden, door ongewenste aanrakingen en door
het doen van seksuele voorstellen. Het vervoerbedrijf heeft een klacht bij
de werkgever ingediend. De werkgever heeft zijn werknemer voor wangedrag
gewaarschuwd.
Rechtbank: De werknemer heeft geen tegenbewijs van seksuele intimidatie
geleverd. De rechter acht de dringende reden voor het ontslag aanwezig
en bekrachtigt de uitspraak van de Kantonrechter.

Volledige tekst

Verloop van de procedure
Voor de procesgang in eerste instantie, hetgeen daarover en weer is gesteld
en voor de overwegingen en beslissingen van de eerste rechter, wordt verwezen
naar de in deze zaak door de kantonrechter te Amsterdam op 10 november
1995
en 31 januari 1997 onder rolnummer 15031/94 tussen partijen gewezen
vonnissen, waarvan kopieën aan dit vonnis zijn gehecht.

Bij exploit van dagvaarding is B van het laatstgenoemde vonnis van de
kantonrechter in hoger beroep gekomen. Bij daarop volgende memorie heeft
hij
vier grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft F de grieven
bestreden. Partijen hebben vervolgens stukken overgelegd ter verkrijging
van
vonnis in hoger beroep.

Gronden van de beslissing

1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

2. De grieven luiden:

I Ten onrechte heeft de Kantonrechter te Amsterdam in zijn vonnis overwogen:

‘Dat gedaagde is geslaagd in haar bewijsopdracht.’

II Ten onrechte overweegt de Kantonrechter in zijn vonnis dat uit de
verklaring van de getuige V-C voldoende blijkt dat zij is lastiggevallen
op
een wijze en in mate als bedoeld in de brief van het Vervoersbedrijf van
8
juli 1994.

III Ten onrechte heeft de Kantonrechter in zijn vonnis overwogen dat de
verklaring van de getuige W voldoende is om aan te nemen dat het appellant
was die zich aan voormeld wangedrag heeft schuldig gemaakt.

IV Ten onrechte heeft de Kantonrechter in zijn vonnis overwogen dat het
achterwege blijven van een confrontatie tussen de getuige V-C en appellant
ten overstaan van de Kantonrechter dient te worden toegerekend aan appellant.

3. In hoger beroep zijn geen bezwaren aangevoerd tegen de vaststelling
van de
feiten in het vonnis van de kantonrechter van 10 november 1995 in de beide
eerste alinea’s, zodat ook de rechtbank van die feiten uitgaat.

4. In hoger beroep vordert B het beroepen eindvonnis te vernietigen en
alsnog
zijn vorderingen toe te wijzen, met veroordeling van F in de kosten van
beide
instanties.

5. De grieven stellen alle waardering van het voorgebrachte bewijs aan
de
orde en lenen zich derhalve voor gezamenlijke behandeling

6. Vooropgesteld wordt dat het gestelde in de brief van het vervoerbedrijf
van 8 juli 1994 omtrent de gedragingen van B ten opzichte van de
desbetreffende trambestuurster en de door het vervoersbedrijf getroffen
maatregel tot ontzegging van de toegang aan B, mede gelet op de eerdere
waarschuwing aan het adres van B, ook naar het oordeel van de rechtbank
–
indien juist – voor F voldoende mocht zijn om B wegens dringende reden
op
staande voet te ontslaan. Dat de verwijten in de ontslagbrief zich ook
uitstrekten tot seksuele opmerkingen terwijl dit, zoals B terecht stelt,
niet
stoelde op genoemde brief van het vervoerbedrijf, kan daaraan niet afdoen.

7. De overwegingen van de kantonrechter met betrekking tot de afgelegde
getuigenverklaringen rechtvaardigen in het licht van de overige gedingstukken
in elk geval de conclusie dat voorshands – behoudens tegenbewijs – als
vaststaand kon worden aangenomen dat B een trambestuurdster in dienst van
het
vervoerbedrijf, had lastiggevallen op een wijze en in een mate als bedoeld
in
genoemde brief van het vervoerbedrijf.

8. Bij die stand van zaken was het aan B om hiertegenover tegenbewijs te
leveren, bijvoorbeeld door V-C onder ede te (doen) vragen of zij hem in
persoon herkent als degene over wie zij in haar getuigenverklaring spreekt.
Kennelijk doelt ook de kantonrechter hierop, waar hij overweegt dat een
confrontatie tussen B en V-C ten overstaan van hem om aan B toe te rekenen
redenen achterwege is gebleven.

9. Nu B het leveren van tegenbewijs noch in eerste aanleg, noch in hoger
beroep heeft aangeboden, kan ervan worden uitgegaan dat het bewijs terzake
van de dringende reden is geleverd. Er is geen aanleiding hem ambtshalve
met
tegenbewijs te belasten.

10. Het vonnis waarvan beroep moet dus worden bekrachtigd met veroordeling
van B in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing in hoger beroep

De rechtbank:

– bekrachtigt het op 31 januari 1997 tussen partijen onder rolnummer 15031/94
gewezen vonnis van de kantonrechter te Amsterdam;

– veroordeelt B in de gedingkosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak
aan de zijde van F begroot op ƒ 1.415,=;

– verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Noot

In oktober 1994 is de Arbeidsomstandighedenwet aangevuld met enige bepalingen
over seksuele intimidatie (art. 3 ARBO-wet). De werkgever is verplicht
beleid
te maken en uit te voeren tegen seksuele intimidatie en agressie op het
werk.
Het beleid inzake seksuele intimidatie moet gericht zijn op structurele
verbetering, om de werknemer te vrijwaren van seksuele intimidatie en
agressie op het werk en om een prettiger werkklimaat te scheppen. De ARBO-wet
zegt niet precies welk beleid vereist is, maar gedacht kan worden aan
(preventieve) maatregelen zoals het geven van voorlichting over seksuele
intimidatie en omgangsvormen binnen de onderneming; het werken aan cultuur
en
werkomgeving; het aanstellen van een vertrouwenspersoon; het instellen
van
een klachtenprocedure; bekendheid geven aan het sanctiebeleid en in geval
van
seksuele intimidatie adequaat optreden. De rechter rekent het de werkgever
aan wanneer hij geen beleid inzake seksuele intimidatie maakt. (Vergelijk
Ktg
Gouda 7 december 1995, RN 1996, nr. 613)

Conform de verplichtingen uit de ARBO-wet overweegt de Utrechtse
kantonrechter (RN 1998, nr. 874) dat op de werkgever de verplichting rust
‘een zodanige werkomgeving te bieden (en te waarborgen) dat haar werknemers
gevrijwaard zijn van (ondermeer) ongewenst gedrag van seksuele aard’. De
werkgeefster die deze verplichting niet nakomt schiet tekort.
Deze werkgever had een voorbeeld moeten nemen aan de werkgever die
‘onweersproken zorgvuldig gehandeld’ had. Die werkgever, de ING-bank, had
middels een nota zijn beleid inzake seksuele intimidatie aan de werknemers
kenbaar gemaakt, hij had een voorlichtingsvideo getoond, klachten werden
serieus genomen en er was een speciale Commissie seksuele intimidatie
ingesteld. (Ktg Amsterdam 13 september 1996, JAR 1996, nr. 211)

De werkgever is ook aansprakelijk voor het gedrag van zijn werknemer die
zich
schuldig maakt aan seksuele intimidatie (Ktg Hoorn 26 juli 1993, RN 1994,
nr
370). Opmerkelijk in RN 1998, nr. 874 is dat de werkgever de verkoopleider
onder druk heeft gezet de vrouw ƒ 10.000,- te geven als vorm van
genoegdoening en hem daartoe een lening heeft verstrekt. Dit ontslaat de
werkgever echter niet van zijn eigen verantwoordelijkheid.
Daarnaast heeft de verkoopleider nog een andere vrouw ernstig lastig gevallen
die hij, eveneens op instigatie van zijn werkgever, een bedrag van ƒ
10.000,- heeft gegeven. Voor ƒ 20.000,- koopt hij zo zijn wangedrag af
en
mag hij van de werkgever, in het belang van zijn gezin met kinderen, blijven
werken.

Een werkgever heeft verschillende sanctiemogelijkheden tegen werknemers
die
zich schuldig maken aan seksuele intimidatie. De werkgever kan de werknemer
onder andere schorsen, overplaatsen of ontslaan. Ontslag op staande voet
vond
de Amsterdamse Rechtbank een passende sanctie. Een schoonmaker van trams
en
tramhuisjes had geruime tijd vrouwelijke medewerkers van het gemeentelijk
vervoerbedrijf van Amsterdam lastiggevallen door ongewenste opmerkingen
te
maken, door hen op straat te volgen en aan te houden, door ongewenste
aanrakingen en door het doen van seksuele voorstellen. (Rb Amsterdam 3
december 1997, RN-kort 1998, nr. 875)
Medewerksters ‘in de kont knijpen’, ‘hun borsten aanraken of benen strelen’,
‘over hen heenhangen bij het verrichten van hun werkzaamheden en een
overeenkomstig deze gedragingen aangepast taalgebruik’ leveren eveneens
een
dringende reden voor ontslag op staande voet op.

Zoals in RN 1998, nr. 874 en 873 en in veel vergelijkbare gevallen, trekt
de
vrouw aan het kortste eind. Een vrouw wordt seksueel geïntimideerd. De
werkgever doet onvoldoende om een veilige werkplek te creëren en neemt
onvoldoende maatregelen tegen de intimideerder (i.c. blijven de verkoopleider
en de salesmanager op hun plek). De vrouw moet zich ziek melden omdat het
voor haar onmogelijk is te werken zolang de verkoopleider nog in hetzelfde
filiaal werkt. Het enige wat haar rest is een verzoek tot ontbinding van
de
arbeidsovereenkomst met vergoeding voor de geleden materiële en immateriële
schade. (Vergelijk Ktg Utrecht 2 april 1997, RN 1998, nr. 763)

De Utrechtse kantonrechter ziet aanleiding om een materiële schadevergoeding
toe te kennen die hoger is dan de landelijke kantonrechtersformule (c=1).
De
vergoeding komt uit op ƒ 10.000,- bruto. De vrouw verliest haar
(zaterdag)baan. Factoren die de schadevergoeding rechtvaardigen zijn de
leeftijd van de vrouw (zestien jaar toen de seksuele intimidatie begon),
de
betrekkelijk lange duur dat zij last ondervond van de verkoopleider (circa
twee jaar), en de ernst van de gedragingen.
In een vergelijkbare zaak werd de factor C van de kantonrechtersformule
gesteld op 5, hetgeen tot een schadevergoeding van ƒ 20.000,- leidde.
Een
26-jarige advocaat-stagiaire had gedurende 1,5 jaar onberekenbaar en
tiranniek gedrag van de werkgever moeten verduren. De kantonrechter vond
dit
ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever. (Ktr Utrecht 2 april 1997,
Prg
1997, nr. 4766 en RN-kort 1997, nr. 763).

De gevraagde ƒ 10.000,- immateriële schadevergoeding wordt door de Utrechtse
kantonrechter (RN 1998, nr. 874) zonder nadere motivering afgewezen. Dit
is
vreemd omdat in een vergelijkbare zaak, waarin een vrouw ernstig te leiden
heeft gehad onder de seksuele intimidatie van haar directe chef, immateriële
schadevergoeding voor een bedrag van ƒ 1.500,- wordt toegekend.
(Kantongerecht Rotterdam 19 augustus 1997, RN 1998, nr. 873). In die zaak
is
de vrouw als gevolg van de seksuele intimidatie ziek geworden en heeft
ze
zich onder psychiatrische behandeling moeten stellen.
In eerdere rechtspraak is aan werkneemsters die vanwege ondervonden seksuele
intimidatie ontbinding van de arbeidsovereenkomst vroegen ook immateriële
schadevergoeding toegekend. Zo kende het kantongerecht te Hoorn een
vergoeding van ƒ 5.000,- toe als ’tegemoetkoming wegens ondervonden smart
en
gederfde vreugde’. De vrouw was als gevolg van de seksuele bejegening ziek
geworden. (26 juli 1993, RN 1994, nr. 370)
De Rechtbank Assen vond de gevorderde immateriële schade toewijsbaar tot
een
bedrag van ƒ 7.500,-. ‘Gelet op de niet gewenste sexueel getinte handelingen
en opmerkingen die hebben plaatsgevonden en de als gevolg van de daaruit
voortkomende lichamelijke en psychische klachten tijdelijk door eiseres
ondervonden arbeidsongeschiktheid’ (Rechtbank Assen, 13 juli 1993 CWI nr
97010929).
De lijn in de rechtspraak ten aanzien van de verantwoordelijkheid van de
werkgever om consequent en consistent op te treden tegen seksuele intimidatie
is inmiddels helder. Dit kan nog niet gezegd worden over het toekennen
van
immateriële schadevergoeding.

Astrid A.M. Mattijssen

Rechters

Mrs Smit, Lind, Lang

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 december 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeksters, van Iraanse afkomst, volgden een opleiding. Zij beklagen
zich
over ongelijke behandeling bij de uitvoering van de overeenkomst tot het
geven van onderwijs. Om die reden hebben zij ook de opleiding gestaakt.
De
Commissie constateert dat er reeds in een vroeg stadium over en weer
communicatieproblemen zijn ontstaan, terwijl ook niet alle procedures bij
de
opleiding eenduidig zijn vastgesteld of worden nageleefd. Het is begrijpelijk
dat door deze communicatieproblemen en onzorgvuldigheden bij verzoeksters
het
vermoeden is ontstaan dat zij op grond van hun afkomst ongelijk behandeld
werden. Er zijn echter uit het onderzoek van de Commissie geen feiten of
omstandigheden naar voren gekomen die het vermoeden bevestigen dat dit
verband zou houden met de afkomst van verzoeksters. De Commissie is van
oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de opleiding een verboden
onderscheid naar ras of nationaliteit heeft gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 11 maart 1997 verzochten mevrouw F. te Amstelveen (hierna:
verzoekster sub 1) en mevrouw Fe. te Almere (hierna: verzoekster sub 2)
de
Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of de
Hogeschool Holland te Diemen (hierna: de wederpartij) onderscheid op grond
van ras en/of nationaliteit heeft gemaakt zoals bedoeld in de Algemene
wet
gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeksters volgden bij de wederpartij de opleiding mondhygiëne.
Verzoeksters, beiden van Iraanse afkomst, stellen dat zij ongelijk werden
behandeld. Zij hebben om die reden de opleiding gestaakt. Verzoeksters
zijn
van mening dat de wederpartij jegens hen in strijd heeft gehandeld met
de
AWGB.

2 DE LOOP VAN DE PROCEDURECGB

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen. Verzoeksters
hebben de Commissie verzocht de versnelde procedure toe te passen. Dit
verzoek is toegewezen.
De Commissie heeft op 1 april 1997 en op 13 mei 1997 een zitting gehouden.
Voor de eerste zitting zijn partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht.

2.2. Bij de eerste zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeksters
– mw. F. G. (verzoekster sub 1)
– mw. Fe. G. (verzoekster sub 2)
– dhr. O. Delpeche (gemachtigde Anti Discriminatie Bureau Flevoland)

van de kant van de wederpartij
– dhr. J.M. van Gaal (directeur faculteit Zorg & Welzijn Hogeschool Holland)
– mw. M. Hovius (directeur Studierichting Opleiding Mondhygiëne)
– mw. M. Mook (groepsdocente aan de Studierichting Opleiding Mondhygiëne)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– dhr. mr. drs. V. Everhardt (secretaris Kamer).

2.3. Naar aanleiding van het onderzoek op de zitting heeft de Commissie
partijen in de gelegenheid gesteld de mogelijkheid te onderzoeken tot het
vervolgen van de opleiding. De gemachtigde van verzoeksters heeft bij brief
van 16 april 1997 bericht dat het niet is gelukt een schikking te bereiken.
De Commissie heeft vervolgens het onderzoek voortgezet en partijen en twee
getuigen opgeroepen voor een zitting op 13 mei 1997.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeksters
– mw. F. G. (verzoekster sub 1)
– mw. Fe. G. (verzoekster sub 2)
– dhr. O. Delpeche (gemachtigde Anti Discriminatie Bureau Flevoland)

van de kant van de wederpartij
– dhr. J.M. van Gaal (directeur faculteit Zorg & Welzijn Hogeschool Holland)

als getuigen
– mw. I. van den Elsen (studiebegeleidster bij de Stichting voor
Vluchteling-Studenten U AF)
– mw. M.H.F. van Nimwegen (hoofd secretariaat bij de Studierichting Opleiding
Mondhygiëne)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– dhr. mr. drs. V. Everhardt (secretaris Kamer).

2.4. De Commissie heeft na de zitting op verzoek van de gemachtigde van
verzoeksters het oordeel aangehouden teneinde verzoeksters in de gelegenheid
te stellen aanvullend bewijsmateriaal te overleggen. Hierdoor is het
spoedkarakter aan de behandeling komen te ontvallen en is de behandeling
van
de zaak volgens de normale procedure voortgezet. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld op de door de gemachtigde van verzoeksters overgelegde
stukken te reageren. Hierna is het onderzoek afgesloten.

2.5. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeksters, beiden van Iraanse afkomst, volgden de Studierichting
Opleiding Mondhygiëne (SOM). Deze studierichting valt vanaf september 1996
onder de wederpartij. De opleiding is zo opgezet dat zij een combinatie
biedt
tussen praktijk en theorie. Bij de instelling van de wederpartij studeren
een
groot aantal buitenlandse studenten (ongeveer 10% van de in totaal 9000
leerlingen).

3.2. Een belangrijk onderdeel van de studie zijn de practicumlessen. Er
wordt
lesgegeven in 7 parallel-groepen. De practicumlessen bestaan uit vier halve
dagen les per week. Elke groep heeft een vaste docent. De groepsdocent
geeft
de helft van het aantal dagen les. De overige dagen worden de studenten
door
andere docenten begeleid. De praktijklessen zien er gedurende het studiejaar
als volgt uit: eerst werken de studenten op een pop (de fantoombehandeling),
dan behandelen zij elkaar en in het laatste stadium worden patiënten
behandeld. Als studenten de fantoombehandeling niet afmaken kunnen zij
niet
verder met het praktische gedeelte van hun studie.

3.3. Op 7 oktober 1996 vond een gesprek plaats tussen verzoeksters en de
groepsdocente vanwege het feit dat verzoeksters niet tevreden waren over
de
begeleiding die zij hen bij de practicumlessen gaf. Op 21 oktober volgde
een
tweede gesprek over hetzelfde onderwerp. Vervolgens hebben verzoeksters
zich
op 7 november 1996 bij de decaan over het gebrek aan begeleiding door de
groepsdocente beklaagd. De decaan verwees verzoeksters naar de directeur
van
de faculteit. Verzoeksters hebben hun studie op 7 november 1996 onderbroken.
Zij hebben de directie van de faculteit daarvan niet in kennis gesteld.

3.4. Verzoeksters hebben op 19 november 1996 een interne klacht ingediend
bij
de directeur van de faculteit. De klacht betrof enerzijds de bejegening
door
de groepsdocente bij de practicumlessen. Anderzijds betrof het ongelijke
behandeling van verzoeksters met betrekking tot de voorbereiding en afwerking
van de tentamens. Verzoeksters mochten de originele schrapkaarten van de
gemaakte tentamens niet inzien. Daarnaast werd hen niet de mogelijkheid
geboden om een proeftentamen te maken.

3.5. Op 19 december 1996 volgde naar aanleiding van de klacht een bespreking
tussen de directeur van de faculteit en verzoeksters. Uit het verslag van
dit
gesprek blijkt dat er drie opties zijn besproken. Deze bestonden
respectievelijk uit (a) het voortzetten van de studie aan een gelijksoortige
opleiding in Utrecht,
(b) het volgen van een andere studie en (c) het voortzetten van de studie
aan
de SOM.

3.6. Op 10 januari 1997 volgde een tweede gesprek. Hierin werd de voortgang
van de hiervoor onder 3.5. genoemde opties besproken. Verzoeksters stelden
dat zij twijfels hadden over het terugkeren naar de SOM. Zij wensten voordat
zij hierover een uitspraak zouden doen, eerst ruggespraak te houden met
hun
begeleidster van de UAF.

3.7. Op 7 februari 1997 volgde een derde gesprek. Dit keer tussen
verzoeksters, de vertegenwoordigster van de UAF, de directeur van de
opleiding en de directeur van de faculteit. Uitgangspunt bij dit gesprek
was
het vinden van oplossingen voor de gerezen problemen, zodat verzoeksters
hun
studie bij de wederpartij zouden kunnen vervolgen. De wederpartij gaf aan
dat
verzoeksters weer konden starten met de opleiding door de theorievakken
te
volgen. Er was echter geen docent beschikbaar die verzoeksters zou kunnen
helpen om de achterstand in de praktijklessen in te lopen. De practicumlessen
zouden dan ook vanaf september 1997 moeten worden ingehaald. Verzoeksters
zouden vanaf het nieuwe studiejaar in een andere groep geplaatst worden.

3.8. Verzoeksters zijn vervolgens opgehouden met hun studie.
De studiefinanciering die verzoeksters ontvingen liep via de UAF.
Verzoeksters hebben geen beroep gedaan op persoonlijke omstandigheden en
op
basis van de behaalde studiepunten beiden een negatief bindend studieadvies
gekregen. Dit houdt onder meer in dat het niet meer mogelijk zal zijn de
studie te vervolgen bij de SOM.

De standpunten van partijen

Verzoeksters stellen het volgende.

3.9. Verzoeksters zijn van mening dat ze ongelijk behandeld zijn bij (a)
de
practicumlessen die zijn gegeven door de groepsdocente, (b) bij inzage
tentamens en de toelating tot een proeftentamen en (c) door de directie
van
de wederpartij.

3.10. Voor wat de ongelijke behandeling bij de practicumlessen betreft
stellen verzoeksters het volgende.
De groepsdocente heeft gezegd dat er in het studiejaar 1996-1997 te veel
buitenlanders de opleiding volgen. Vervolgens heeft de docente op grond
hiervan minder aandacht gegeven aan verzoeksters tijdens haar
practicumlessen. Het is voorgekomen dat de groepsdocente het lesmateriaal
gooide naar verzoeksters in plaats van het fatsoenlijk aan te reiken. De
rol
van een groepsdocente bij de begeleiding tijdens de practicumlessen is
zeer
groot. Tijdens de practicumles sprak de groepsdocente veel met de Nederlandse
studenten en stimuleerde hen. Andere studenten, die haar ook niet altijd
goed
begrepen, kregen wel positieve opmerkingen.

Met verzoeksters sprak zij echter nooit. In plaats van mondelinge toelichting
kregen verzoeksters wel schriftelijke toelichting van de betreffende
groepsdocente. Daar kwamen ze echter niet verder mee omdat zij thuis niet
konden oefenen en de groepsdocente een onleesbaar handschrift heeft.
Verzoeksters hebben diverse malen kenbaar gemaakt dat zij over wilden stappen
naar een andere groep. Dit hebben zij in ieder geval één maand voor het
tentamen al aangegeven. Verzoeksters kregen te horen dat dit pas in januari
1997 zou kunnen geschieden. Dat zou te laat zijn omdat de practicumlessen
dan
al voorbij zouden zijn.

3.11. Voor wat betreft de ongelijke behandeling terzake van de tentamens
stellen verzoeksters het volgende.
De administratie heeft verzoeksters laten weten dat zij hun naam niet hoefden
te vermelden op het opgaveformulier van een tentamen. Later werd verzoeksters
door de administratie verweten dat zij hun naam niet hadden vermeld en
dat
daarom niet aan verzoeksters verzoek kon worden voldaan om de ingevulde
formulieren terug te krijgen.
Verzoeksters kregen daarnaast van de administratie te horen dat het niet
mogelijk was om de originele schrapkaarten van de gemaakte tentamens in
te
zien. De schrapkaarten worden met potlood ingevuld. Nu zij de schrapkaarten
niet in mochten zien, vertrouwen zij de uitslag niet. Verzoeksters wijzen
erop dat zij bij een tentamen dezelfde antwoorden hebben ingevuld als een
(derde) medestudent. Deze student behaalde voor het tentamen het cijfer
8,
terwijl verzoeksters respectievelijk de cijfers 2 en 3 hadden behaald.
Andere
(tweedejaars) studenten mochten de originele schrapkaarten wel inzien.
Er is door een docent van de wederpartij medegedeeld dat volgens instructie
van de directie Iraniërs geen proeftentamen mochten doen.

3.12. Voor wat de ongelijke behandeling door de directie van de wederpartij
betreft stellen verzoeksters het volgende.
De reactie op de klacht die verzoeksters op 19 november 1996 bij de directie
had ingediend, volgde pas in januari 1997. Dit was voor verzoeksters veel
te
laat.
Verzoeksters stellen verder dat zij de brief die de directeur van de SOM
op
18 november 1996 naar beide verzoeksters heeft gestuurd nooit hebben
ontvangen. De wederpartij wijdt dit aan het feit dat zij over onjuiste
adresgegevens beschikte, dit terwijl verzoeksters in dezelfde periode wel
een
acceptgirokaart, met een juiste adressering, van de wederpartij hebben
ontvangen.

3.13. Tijdens de behandelingsprocedure van de klacht stonden verzoeksters
maar één oplossing voor ogen: het kunnen afmaken van het eerste jaar. Zij
wilden daarom twee weken extra praktijklessen kunnen volgen. Echter voordat
verzoeksters het laatste gesprek van 7 februari 1997 ingingen, had de
wederpartij zonder toestemming al de kast van verzoeksters leeggehaald.
Voor
verzoeksters leek het net alsof zij al gestopt waren. Verzoeksters zijn
van
mening dat zij in het eerste blok van hun studie slachtoffer zijn geworden
van een politiek spelletje. Hierdoor zijn verzoeksters van mening dat zij
eigenlijk niet meer terug kunnen komen.

De wederpartij stelt het volgende.

3.14. Er zijn ook andere studenten uit Iran die bij de wederpartij een
studie
volgen. Daar zijn geen problemen bij opgetreden zoals die naar voren zijn
gebracht door verzoeksters. De wederpartij erkent dat er verschillen kunnen
optreden in de begeleiding van studenten, maar dit is niet gekoppeld aan
de
afkomst van studenten.

3.15. De wederpartij voert een allochtonenbeleid. Dit houdt onder meer
in:
– Specifieke aandacht voor de taalproblemen;
– Dat er met deze taalproblemen rekening wordt gehouden in verband met
het
maken van tentamens;
– Er speciaal mensen in dienst zijn die zich bezig houden met deze
problematiek.

3.16. De directeur van de faculteit verklaart ter zitting dat taalproblemen
een belangrijke rol spelen in deze zaak. Tijdens de klachtbehandeling kostte
het verzoeksters en hem vaak moeite om elkaar te begrijpen. Dit probleem
heeft zich ook voorgedaan in de begeleiding bij de practicumlessen. De
groepsdocente verklaart ter zitting dat zij vanwege dit taalprobleem een
stappenplan in de begeleiding van verzoeksters heeft ontwikkeld. In de
praktijk hield dit in dat zij vaker bij verzoeksters kwam kijken, maar
wel
korter dan bij de andere studenten. Daarnaast gaf zij hen meer schriftelijke
toelichting. Desgevraagd verklaart de groepsdocente dat zij dit stappenplan
niet met verzoeksters heeft besproken.

3.17. De wederpartij stelt dat iedere student een proeftentamen mag doen
en
de gemaakte tentamens mag inzien. De procedure rond het inzien van tentamens
heeft de wederpartij, mede naar aanleiding van de klacht van verzoeksters
al
in zijn geheel aangepast. Naast het mogen inzien van het tentamen krijgen
de
studenten nu direct na het maken van het tentamen een kopie van de
schrapkaart mee naar huis.

Het standpunt van verzoeksters, dat zij dezelfde antwoorden als een
medestudent zouden hebben ingevuld bij een tentamen en daarvoor een lager
cijfer kregen, is niet juist. De tentamens waren namelijk anders ingevuld
en
daarom kregen zij een ander cijfer.

3.18. De directeur van de opleiding geeft ter zitting aan dat studenten
die
het eerste deel van de practicumlessen, de fantoom- behandeling, niet afmaken
niet verder kunnen met het praktische gedeelte van de studie. Het is niet
mogelijk de fantoom behandeling in te halen omdat andere studenten daar
de
dupe van zouden worden. Dit is terug te voeren op een praktisch probleem
dat
de opleiding maar over 55 units beschikt voor 170 studenten. Als verzoeksters
in november met een verzoek bij de directie van de SOM waren gekomen had
er
nog wel iets geregeld kunnen worden. Vanaf januari 1997 was dit echter
niet
meer mogelijk. De wederpartij heeft verzoeksters hiervan per brief van
18
november 1997 op de hoogte gesteld. Deze brief heeft verzoeksters vanwege
een
adreswijziging niet bereikt.

De verklaringen van de getuigen

3.19 De studiebegeleidster van de UAF verklaart dat verzoeksters zich reeds
in november 1996 tot haar hebben gewend met klachten over de begeleiding.
Zij
heeft toen contact opgenomen met de decaan en deze heeft de zaak verder
opgepakt. Zij was aanwezig bij het laatste gesprek in februari 1997. Het
is
toen echter niet gelukt om een oplossing te bereiken, omdat verzoekster
geen
vertrouwen meer hadden in de opleiding. Voor wat betreft de vraag of er
sprake was van ongelijke behandeling van verzoeksters vanwege hun Iraanse
afkomst bevestigt de studiebegeleidster dat verzoeksters zich daarover
ook
bij haar hebben beklaagd. Dat is het enige dat zij daarover weet. Zij heeft
het probleem bij de opleiding neergelegd en is daarbij pas in februari
1997
weer rechtstreeks betrokken.

3.20 Het hoofd secretariaat geeft een uiteenzetting over de wijze waarop
door
haar inzage van tentamens aan studenten werd gegeven. De originele
schrapkaart van het tentamen wordt in een kluis bewaard evenals de originele
schrapkaarten van de studenten. Geen enkele student krijgt inzage van de
eigen originele schrapkaart. Deze regeling heeft zij ten opzichte van alle
studenten gehanteerd. Zij kan zich niet herinneren dat zij verzoeksters
geweigerd heeft het tentamen in te zien. Correctie van de tentamens gebeurt
per computer, waarbij de uitslag gekoppeld is aan het nummer van de student.
Aangezien de schrapkaarten met potlood ingevuld worden is fraude in de
uitslag mogelijk indien de uitkomsten op de schrapkaarten (moedwillig)
worden
gewijzigd voordat de kaarten de computer ingaan.

3.21 De docent Vakgroep orale functieleer heeft een schriftelijke verklaring
overgelegd. Hierin wordt vermeld dat verzoekster hem in week 46 van 1996
hebben gevraagd een proeftentamen af te leggen. Hij stelt dat proeftentamens
geen geïnstitutionaliseerd en gereglementeerd onderdeel zijn van het
onderwijs. Teneinde ongelijkheid in het onderwijs te voorkomen en op verzoek
van de directie moet daarvoor toestemming van de directie worden verkregen.
Dit geldt voor iedere daarvoor in aanmerking komende student ongeacht diens
landsaard. Verzoeksters hebben om voor hem onbekende redenen niet deelgenomen
aan de voorbespreking van de vragen voor het hertentamen d.d. 15 november
1996 en evenmin aan het hertentamen op 20 november 1996.

4. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeksters onderscheid
naar ras en/of nationaliteit heeft gemaakt zoals bedoeld in de AWGB.

4.2. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onderscheid naar ras en nationaliteit is
verboden.
Het begrip ras moet in de AWGB overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassen- discriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag.13. ). Voorts dient het begrip
nationaliteit in de AWGB te worden begrepen als nationaliteit in staatkundige
zin, onafhankelijk van de feitelijke woon- of verblijfplaats (Handelingen
Eerste Kamer, 22 januari 1994, pag. 1086).
Volgens artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan zowel direct als
indirect onderscheid. Indirect onderscheid houdt in: onderscheid op grond
van
andere hoedanigheden of gedragingen dan naar ras of nationaliteit, dat
direct
onderscheid op deze gronden tot gevolg heeft.

In artikel 2 lid 3 tot en met lid 5 AWGB is een aantal uitzonderingen
geformuleerd op het wettelijk verbod van onderscheid naar ras of
nationaliteit. Deze wettelijke uitzonderingen zijn hier niet van toepassing.

Artikel 7 lid sub c AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB onder
meer
het maken van onderscheid naar ras of nationaliteit bij het aanbieden van
goederen en diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van
overeenkomsten terzake, indien dit geschiedt door instellingen die werkzaam
zijn op het gebied van volkshuisvesting, welzijn, gezondheidszorg, cultuur
of
onderwijs.

4.3. De Commissie stelt vast dat de wederpartij een instelling is die
werkzaam is op het gebied van onderwijs. Voorts biedt de wederpartij diensten
aan in de vorm van onderwijs en gaat daartoe overeenkomsten met studenten
aan. Derhalve valt de wederpartij onder het bereik van artikel 7 lid sub
c
AWGB.

4.4. In geding is derhalve de vraag of de wederpartij jegens verzoeksters
onderscheid naar ras of ook nationaliteit heeft gemaakt als bedoeld in
artikel 7 lid sub c AWGB bij de uitvoering van de overeenkomst tot het
geven
onderwijs.
De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.
Verzoeksters hebben zich beklaagd over ongelijke behandeling (a) door de
groepsdocente bij de practicumlessen, (b) door de administratie van de
opleiding, (c) door de directie van de opleiding.
Het is niet de taak van de Commissie te oordelen of de begeleiding door
de
wederpartij bij de practicumlessen al dan niet voldoende was. Evenmin rekent
de Commissie het tot haar taak te oordelen of de desbetreffende
onderwijsovereenkomst door de wederpartij goed is uitgevoerd. De taak van
de
Commissie is te oordelen of de wederpartij bij de uitvoering van de
betreffende onderwijsovereenkomst jegens verzoeksters onderscheid naar
ras of
nationaliteit heeft gemaakt. Daarbij kan, indien niet of onzorgvuldig wordt
ingegaan op een hulpvraag ten aanzien van de begeleiding, de
(administratieve) procedures onduidelijk of onzorgvuldig zijn, of de
klachtbehandeling ondeugdelijk is een vermoeden ontstaan dat er sprake
is van
een door de wet verboden onderscheid.

4.5. Voor wat de practicumlessen betreft stelt de Commissie vast dat
verzoeksters reeds enkele weken na de aanvang van de opleiding zich bij
de
groepsdocente hebben beklaagd over haar ontoereikende begeleiding. Zij
hebben
daarover ook bij de directeur van de opleiding een klacht ingediend. De
directeur is van mening dat taalproblemen een rol spelen in deze kwestie.
Dit
standpunt wordt door de groepsdocente bevestigd. Zij geeft aan dat zij
in
verband met communicatieproblemen met verzoeksters een stappenplan voor
hun
begeleiding had opgesteld. Dit plan hield in dat vanwege de taalproblemen
expres meer schriftelijk dan mondeling werd gecommuniceerd vergeleken met
de
andere studenten.

De Commissie is eveneens van oordeel dat communicatieproblemen in deze
een
rol spelen. Deze zijn echter deels door de wederpartij veroorzaakt. De
groepsdocente heeft immers verzoeksters niet duidelijk gemaakt dat zij
middels een stappenplan de begeleiding wilde optimaliseren. Aangezien
verzoeksters terecht constateerden dat zij op een andere wijze werden
begeleid, is kennelijk de indruk ontstaan dat zij door de docente werden
gediscrimineerd. Deze indruk werd versterkt toen de begeleiding door de
groepsdocente, nadat met haar diverse gesprekken waren gevoerd, volgens
verzoeksters niet verbeterde.
Niet aannemelijk is echter geworden dat de groepsdocente zich op negatieve
wijze over buitenlandse studenten heeft uitgelaten. Evenmin is komen vast
te
staan dat zij verzoekster onfatsoenlijk heeft bejegend.

4.6. Voor wat de gang van zaken bij de inzage van de tentamens betreft
heeft
de wederpartij erkend dat de procedure onvolkomenheden vertoonde. De
wederpartij heeft naar aanleiding van de klacht van verzoeksters de procedure
rond de inzage van tentamens aangepast. Het hoofd secretariaat kan zich
niet
herinneren aan verzoekster(s) geweigerd te hebben de originele schrapkaarten
in te zien. Uit de verklaring van het hoofd van het secretariaat blijkt
dat
de originele schrapkaarten van alle studenten in een kluis worden bewaard
en
aan geen enkele student ter inzage worden verstrekt.

De Commissie constateert dat in deze onbetwist is dat de procedure rond
het
inzien van tentamens verbetering behoefde.
De wederpartij heeft deze verbeteringen inmiddels ook doorgevoerd. Echter
is
niet aannemelijk geworden dat uitsluitend aan verzoeksters geweigerd is
dat
zij hun eigen originele schrapkaarten van hun tentamens mochten inzien
of dat
zij daarbij anders behandeld zijn dan de overige studenten.

Voor wat de regeling terzake van proeftentamens betreft zijn de verklaringen
van de directie en de betreffende docent niet eenduidig. Daargelaten de
vraag
of al dan niet toestemming is vereist van de directie, is in deze niet
komen
vast te staan dat de betreffende docent uitsluitend aan verzoeksters deze
eis
(ten onrechte) heeft gesteld.

4.7. Voor wat betreft de klacht van verzoeksters terzake van ongelijke
behandeling door de directie van de wederpartij overweegt de Commissie
het
volgende.

De Commissie constateert dat verzoeksters zich reeds vroegtijdig hebben
beklaagd over de onvoldoende begeleiding bij het practicum. Zij hebben
zich
eerst bij de desbetreffende groepsdocente, vervolgens bij de decaan beklaagt.

Toen er geen reactie volgde van de zijde van de directie van de opleiding
hebben zij zich tot de directie van de faculteit gewend. Laatstgenoemde
heeft
verslagen overgelegd van de klachtbehandeling.

Uit de verklaringen van partijen en de verslagen van de interne
klachtbehandeling blijkt dat de directeur van de faculteit gesprekken heeft
gevoerd met de betrokkenen van beide zijden. Hij heeft daarbij diverse
opties
voor een oplossing aan verzoeksters voorgelegd. Bij dit overleg werd ook
de
studiebegeleidster van het UAF op verzoek van verzoeksters betrokken. De
Commissie constateert dat naar de mening van verzoeksters slechts één optie
aangewezen was namelijk de overplaatsing naar een andere practicumgroep
en
het inhalen van practicumlessen, zodat zij niet een vol studiejaar zouden
verliezen. De directeur was van mening dat deze optie niet haalbaar was
met
name omdat verzoeksters reeds begin november 1996 hun studie geheel hadden
gestaakt, zonder de directie daarvan in kennis te stellen. Er zijn echter
wel
andere opties aan verzoeksters geboden.

4.8. Op grond van het bovenstaande heeft de Commissie geen aanwijzingen
dat
de directie niet of onvoldoende aandacht heeft besteed aan de hulpvraag
van
verzoeksters. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de klachtbehandeling
onzorgvuldig is geschied. De Commissie constateert wel dat er reeds in
een
vroeg stadium over en weer communicatieproblemen zijn ontstaan, terwijl
ook
geconstateerd moet worden dat niet alle procedures bij de wederpartij
eenduidig zijn vastgesteld of worden nageleefd.
Het is begrijpelijk dat door deze communicatieproblemen en onzorgvuldigheden
bij verzoeksters het vermoeden is ontstaan dat zij op grond van hun afkomst
ongelijk behandeld werden.
Er zijn uit het onderzoek van de Commissie echter geen feiten of
omstandigheden naar voren zijn gekomen die het vermoeden dat zulks verband
zou houden met de afkomst van verzoeksters hebben bevestigd.

4.9. Het geheel overziende is de Commissie van oordeel dat niet aannemelijk
is geworden dat de wederpartij jegens verzoeksters verboden onderscheid
naar
ras dan wel nationaliteit heeft gemaakt bij de uitvoering van de
onderwijsovereenkomst.

4.10. Aanbeveling van de Commissie

De wederpartij voert een allochtonenbeleid waarbij specifiek aandacht wordt
besteed aan taalproblemen. Voorts heeft zij speciaal mensen in dienst die
zich met deze problematiek bezig houden. Het is opmerkelijk dat door de
wederpartij reeds in een vroeg stadium is geconstateerd dat er in deze
sprake
was van taalproblemen. Voorts dat eveneens kort na de aanvang van de
opleiding verzoeksters klachten uitten over discriminatie.

De Commissie constateert dat op geen enkele wijze specifieke aandacht is
besteed aan de taalproblemen of terzake in begeleiding van verzoeksters
is
voorzien. Dit klemt te meer omdat de incidenten voor verzoeksters een
betreurenswaardige afloop hebben gehad. De Commissie beveelt de wederpartij
dan ook aan maatregelen te treffen teneinde het door haar verwoorde
allochtonenbeleid daadwerkelijk te effectueren.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Hoge School Holland te
Diemen jegens mevrouw F. te Amstelveen en mevrouw Fe. te Almere bij de
uitvoering van de onderwijsovereenkomst geen onderscheid naar ras of
nationaliteit heeft gemaakt, zoals bedoeld in artikel 7 lid sub c van de
Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You, (Kamervoorzitter), dhr. A. Kruyt (lidKamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), dhr. mr. drs. V. Everhardt(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 december 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is slachtoffer geworden van seksuele intimidatie door een
mannelijke collega, en stelt het bedrijf wij beide werken, door de wijze
waarop het bedrijf is omgegaan met haar klacht onderscheid heeft gemaakt
op
grond van geslacht.
De Commissie stelt vast dat er geen sprake is van zodanige nalatigheid
van
het bedrijf bij het omgaan met de seksuele intimidatie dat dit leidt tot
ongelijke behandeling. Voor zover sprake is geweest van enige nalatigheid,
dan lag die in het feit dat er in het verleden een onduidelijk beleid bestond
met betrekking tot seksuele intimidatie. Hier staat tegenover dat het ook
tot
de verantwoordelijkheid van verzoekster behoorde haar klachten aan het
bedrijf kenbaar te maken. De Commissie stelt vast dat het bedrijf zodra
zij
hiervan kennis had genomen de nalatigheid heeft hersteld. Het louter
ontbreken van structuur voor het behandelen van dit soort klachten acht
de
Commissie in dit geval niet voldoende om tot onderscheid op grond van
geslacht te concluderen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 oktober 1997 verzocht mevrouw L.E. W. te Dronten (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel te geven over de vraag of door het Congres- en Evenementencentrum,
Cultureel Centrum
De Meerpaal B.V. te Dronten (hierna: de wederpartij) onderscheid naar
geslacht is gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft zich na seksuele intimidatie door een collega ziek
gemeld. Zij is van mening dat haar werkgever geen adequaat beleid heeft
op
het gebied van seksuele intimidatie en haar op onbehoorlijke wijze heeft
behandeld in reactie op de intimidatie. Verzoekster stelt dat hiermee in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling is gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld.
Verzoekster heeft de Commissie verzocht de spoedprocedure toe te passen.
Dit
verzoek is toegewezen. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk
toegelicht.
Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op 18 november 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster:
– mw. L.E. W. (verzoekster)
– mw. mr. M. de Boer (gemachtigde)
– mw. B. van de Kemp (bedrijfsmaatschappelijk werker)

van de kant van de wederpartij:
– dhr. M.J. Lindenbergh (algemeen directeur)
– dhr. J.H. Stoffelen (adjunct directeur)
– dhr. mr. A.G.P. van der Baan (gemachtigde)
– mw. H. Mutters-Zwerts (bioscoopmedewerkster, getuige)
– mw. H. Vos-Van de Wiel (receptioniste, getuige)

van de kant van de Commissie:
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– dhr. prof. mr. A.W. Heringa (lid Kamer)
– mw. mr. G.H. Felix (secretaris Kamer).

2.3. Tijdens de zitting bleek er sprake te zijn van een misverstand tussen
partijen over de mogelijke reïntegratie van verzoekster. Anders dan de
wederpartij meende, ging het verzoekster daarbij om reïntegratie in deeltijd
op de eigen werkplek. Wederpartij had begrepen dat reïntegratie op een
andere
werkplek zou moeten geschieden, hetgeen in haar organisatie niet mogelijk
is.
Nu de direct bij het conflict betrokkenen niet meer bij de wederpartij
werkzaam zijn, ziet de laatste wel mogelijkheden voor reïntegratie, mits
bij
verzoekster voldoende vertrouwen bestaat. De wederpartij sprak daarbij
ter
zitting de intentie uit, de aanbevelingen van het onder 3.2. genoemde rapport
uit te voeren, en voelt zich verantwoordelijk voor de gang van zaken.
Verzoekster heeft in eerste instantie te kennen gegeven dat zij slechts
in
staat is tot reïntegratie als de wederpartij toegeeft fout gehandeld te
hebben jegens haar en bij het afhandelen van de klachten. De wederpartij
erkent echter de ernst van het probleem en haar verantwoordelijkheid als
werkgever, en toont zich bereid de ontvangen adviezen over een structurele
preventieve aanpak ter harte te nemen. Wel acht de wederpartij het van
belang
dat verzoekster voldoende vertrouwen heeft in haar.
De Commissie heeft daarom tijdens de zitting aanleiding gezien na te gaan
of
een reïntegratie tot de mogelijkheden behoort. Daartoe is de zitting
geschorst teneinde partijen de gelegenheid te geven ieder afzonderlijk
te
overleggen over de vraag of zij mogelijkheden zien voor hervatting van
het
overleg over reïntegratie van verzoekster op haar eigen werkplek (op basis
van deeltijd).
Na de schorsing deelde de wederpartij mee haar standpunt te handhaven dat
reïntegratie mogelijk is.
Verzoekster heeft echter te kennen gegeven dat bij haar geen vertrouwen
in de
wederpartij meer aanwezig is. Met name het feit dat men van plan was haar
te
ontslaan (zie hierna onder 3.1), terwijl de seksuele intimidatie een probleem
van de organisatie was, speelt voor haar daarbij een rol.
Op basis van het gebleken gebrek aan vertrouwen bij verzoekster is daarop
de
zitting voortgezet.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een congres- en evenementencentrum en tevens cultureel
centrum. Verzoekster is vanaf 1989 werkzaam bij de wederpartij als
receptioniste.
Omstreeks november 1996 is een conflict tussen verzoekster en een vrouwelijke
collega geëscaleerd. Deze collega is van medio november tot eind december
1996 tengevolge van het conflict ziek geweest en heeft vervolgens ontslag
genomen.

In de managementteam-vergaderingen van 18 en 19 december 1996 zijn de
ontstane problemen op de receptie-afdeling aan de orde geweest. Uit het
verslag van de vergadering van 18 december 1996 blijkt dat op deze
vergadering een mogelijk ontslag van verzoekster aan de orde is geweest.
Aangezien volgens de adjunct directeur het probleem ontstaan was, doordat
verzoekster aangegeven had niet meer met deze vrouwelijke collega te kunnen
samenwerken en gezien de eerdere problemen die er tussen beide dames waren
geweest, heeft de adjunct directeur tijdens de vergadering gesteld dat
niet
één de dupe mocht worden van een probleem dat door beider toedoen was
ontstaan.

Op 19 december 1996 heeft verzoekster zich ziek gemeld.
Uit het verslag van de vergadering van het management-team van 20 december
1996 blijkt dat met een stemming van vier voor en een tegen is besloten
om
tot ontslag van verzoekster over te gaan zodra verzoekster beter zou zijn.
Dit is overigens, bij voortdurende ziekte van verzoekster, niet gebeurd.

3.2. In januari 1997 heeft verzoekster gemeld dat seksuele intimidatie
die in
het verleden door een collega jegens haar had plaats gevonden, de oorzaak
van
haar ziekte was.
Op 11 februari 1997 is een bespreking geweest over de gebeurtenissen. Hierbij
waren aanwezig: een lid van de Raad van Commissarissen, verzoekster, de
directeur van de wederpartij alsmede twee politieambtenaren. Afgesproken
is
om een bedrijfsmaatschappelijk onderzoek te laten verrichten.

Op 14 juli 1997 is het rapport ‘Ongewenste intimiteiten’ verschenen. Het
rapport is het resultaat van een onderzoek dat op verzoek van de wederpartij
is verricht door Commit Arbo BV onder verantwoordelijkheid van de
bedrijfsarts, naar het voorkomen van ongewenste intimiteiten binnen het
bedrijf.

De inhoud van het rapport luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Er is binnen het bedrijf geen eenduidig beleid op dit gebied gevoerd.
Beleid
ten aanzien van ongewenste intimiteiten is noodzakelijk om medewerkers
die
worden lastig gevallen op een adequate manier te helpen. Daarnaast is het
in
het belang van de hele organisatie, omdat het zowel de productiviteit als
de
kwaliteit van het werk beïnvloedt. Ongewenste intimiteiten bederft de
werksfeer en kan de gezondheid, het zelfvertrouwen en de prestaties van
werknemers nadelig beïnvloeden.

Conclusies

Uit het onderzoek blijkt dat er binnen de Meerpaal amicaal met elkaar wordt
omgegaan. Dit schept ons inziens onduidelijkheden. Er is sprake van een
verminderde daadkracht ten aanzien van de rol van de directie. Het
functioneren van het Management Team is niet doorzichtig, hetgeen
onduidelijkheid en frustratie ten gevolge heeft bij arbeidsongeschikte
werknemers.
Het management dient de mensen in de lijn het vertrouwen te geven de zaken
die van belang zijn op hun afdeling goed te behartigen. Zij dient de
verantwoordelijkheid niet over te nemen en zaken niet in persoonlijk detail
te bekijken, maar de lijn te ondersteunen.
Uit het onderzoek blijkt, dat het gebrek aan beleid ten aanzien van
ongewenste intimiteiten heeft geleid tot het gedogen van het voorkomen
van
ongewenste seksuele intimiteiten op de werkvloer. Het is voor de werknemers
niet duidelijk welke ondersteuning en begeleiding geboden wordt bij het
voorkomen van conflicten op het werk. Dit heeft geleid tot de situatie
dat
vrouwen het gevoel hebben niet serieus te worden genomen in hun functioneren
noch in hun persoon. Het bedrijf heeft een vrouw-onvriendelijk image
verworven.

Advies

– Het opzetten van een beleid en het ontwikkelen van een protocol en
klachtenprocedure ten aanzien van ongewenste intimiteiten.
– Een vertrouwenspersoon aanstellen, die objectief en toegankelijk is voor
werknemers, bij voorkeur een externe vertrouwenspersoon. Commit Arbo BV
kan u
hierbij ondersteuning bieden.
– Een vertrouwenscommissie instellen voor het afhandelen van klachten ten
aanzien van ongewenste intimiteiten, bestaande uit de directeur, Lid van
Raad
van Toezicht, en een medewerker van Commit Arbo BV.
– Verzoekster heeft het advies gekregen om een adequate behandeling te
ondergaan ten aanzien van haar gezondheidsklachten.
– Ondersteuning van directie en management over taken en
verantwoordelijkheden binnen het Management Team door een Arbeid en
Organisatie deskundige van Commit Arbo BV.
– Een constructieve bijdrage leveren aan het reïntegratie proces van de
arbeidsongeschikte werkneemsters zoals voorgesteld door de bedrijfsarts”.

3.4. Naar aanleiding van dit rapport is overleg geweest tussen de
controlerend arts en de algemeen directeur waarbij ook de mogelijkheid
voor
parttime terugkeer van verzoekster aan de orde is geweest.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt het volgende.

Verzoekster is een paar jaar geleden slachtoffer geweest van ongewenste
intimiteiten (ongewenste aanrakingen en opmerkingen) van een administratief
medewerker. Het bewuste gedrag van deze laatste strekte zich uit tot meerdere
vrouwelijke collega’s. Dit was algemeen bekend. Van de zijde van de werkgever
is dit getolereerd. Mede de vriendschap tussen de bewuste collega en de
adjunct directeur weerhield verzoekster ervan om bij de laatste een klacht
in
te dienen. Door het intimiderend gedrag is de sfeer tussen verzoekster
en een
vrouwelijke collega (die minder bezwaar leek te hebben tegen de
’toenaderingspogingen’ van de mannelijke collega) verslechterd, hetgeen
uiteindelijk heeft geleid tot escalatie van het conflict in november 1996.
De seksuele intimidatie is daarom de oorzaak van het feit dat verzoekster
zich in december 1996 ziek heeft gemeld.
Verzoekster kreeg naar aanleiding van haar klacht omtrent seksuele
intimidatie geen enkele steun van de directie in het bedrijf. Integendeel,
de
ontstane problematische situatie werd haar verweten. Het is verzoekster
bekend dat de werkgever in eerste instantie heeft geprobeerd om haar te
ontslaan. Dit ontslag is uiteindelijk niet doorgegaan.

In het voorjaar van 1997 is besloten een onafhankelijk onderzoek te laten
verrichten naar de seksuele intimidatie en de manier waarop daar door de
wederpartij op is gereageerd. Verzoekster heeft geen afschrift van de
rapportage ontvangen. Wel heeft zij vernomen dat het rapport haar verhaal
bevestigt, zowel wat betreft de seksuele intimidatie als de
(vrouw)onvriendelijke wijze waarop de directie haar vervolgens heeft
behandeld.

Tijdens het reïntegratiegesprek dat tussen de controlerend arts en de
wederpartij heeft plaatsgevonden, weigerde de wederpartij om verzoekster
parttime te laten werken en te reïntegreren. De controlerend arts heeft
daarop geconcludeerd dat -door de houding van de wederpartij- reïntegratie
niet mogelijk is, en dat verzoekster ‘situationeel’ arbeidsongeschikt bleef.

Door geen adequaat beleid te hebben op het gebied van seksuele intimidatie,
en door de onbehoorlijke wijze waarop verzoekster als gevolg van seksuele
intimidatie is behandeld, heeft de wederpartij zich schuldig gemaakt aan
ongeoorloofd onderscheid op grond van sekse. Primair stelt verzoekster
dat er
sprake is van direct onderscheid, nu de rapportage zou concluderen dat
de
wederpartij vrouw-onvriendelijk optreedt. Subsidiair is er in ieder geval
sprake van indirecte discriminatie.

Om haar rechten en inkomen veilig te stellen zal verzoekster op korte termijn
(in ieder geval voor half december 1997, wanneer zij in de WAO terecht
komt)
ontbinding van de arbeidsovereenkomst vorderen. Teneinde duidelijk te kunnen
maken dat de verstoorde arbeidsrelatie geheel aan de wederpartij is te
wijten, en met het oog op de vast te stellen vergoeding, wil verzoekster
een
oordeel van de Commissie.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.

In november 1996 is tussen verzoekster en een vrouwelijke collega (beiden
werkzaam op de receptie) een conflict geëscaleerd. Dit conflict is besproken
met de adjunct directeur. De vrouwelijke collega is naar aanleiding van
de
problemen ziek geworden en heeft uiteindelijk ontslag genomen. Pas later
is
de wederpartij gebleken dat er nog een conflict speelde tussen verzoekster
en
een mannelijke collega vanwege seksuele intimidatie. De wederpartij stelt
dat
zij niet naar aanleiding van laatstgenoemde conflict heeft gesproken over
een
eventueel ontslag, dit conflict was immers nog niet bekend, maar naar
aanleiding van het eerste conflict. In het eerste conflict werd slechts
verzoeksters rol in het conflict haar verweten, onder het argument: “waar
er
twee vechten hebben er twee schuld”.

De stelling dat eerst na seksuele intimidatie door een collega verzoekster
zich heeft ziek gemeld, is op grond van het bovenstaande en gelet op de
inhoud van het verslag van 18 december incorrect.

De wederpartij bestrijdt uitdrukkelijk de stelling van verzoekster dat
eerstgenoemde onjuist zou hebben gereageerd op de vermeende seksuele
intimidatie.
Nadat verzoekster zich ziek heeft gemeld is de algemeen directeur benaderd
door een lid van de Raad van Commissarissen, bij welke gelegenheid voor
het
eerst is gesproken over de vermeende seksuele intimidatie. De algemeen
directeur heeft zich persoonlijk intensief met de problematiek bezig
gehouden. Er is afgesproken een bedrijfsmaatschappelijk onderzoek te laten
verrichten. De directie heeft zich met de middelen die zij daarvoor
beschikbaar had, alle moeite getroost om zich als goed werkgever in een
dergelijke situatie te gedragen en heeft de daarvoor noodzakelijke
inspanningen geleverd.

De wederpartij stelt dat zij geen ervaring had met dergelijke zaken en
het is
de vraag wat voor “preventief beleid” in dat kader voor een kleine
onderneming geïndiceerd zou zijn (geweest).
Het was bekend dat het gedrag van de bewuste mannelijke collega soms te
ver
ging. Daarover zijn met hem in de afgelopen jaren meerdere gesprekken
gevoerd, waarbij hem te kennen is gegeven dat dergelijk gedrag niet
acceptabel was. Dat er sprake was van seksuele intimidatie is haar evenwel
pas in januari 1997 duidelijk geworden. Verzoekster heeft dat in eerste
instantie niet aangegeven. Na de melding hieromtrent van verzoekster heeft
de
wederpartij de betrokken medewerker aangesproken op zijn gedrag. Deze laatste
heeft zich een en ander dusdanig aangetrokken, dat hij ontslag heeft genomen.
Ook is de mogelijkheid van een strafrechtelijke vervolging door de
wederpartij bezien.

De wederpartij is in ieder geval van mening dat de onderhavige kwestie
ertoe
heeft geleid dat getracht wordt passend (preventief) beleid te formuleren,
teneinde zo mogelijk herhalingen in de toekomst te voorkomen. De adviezen
uit
het rapport zullen ter harte worden genomen.
Daarbij erkent de wederpartij de problemen waar verzoekster mee is
geconfronteerd.
De conclusies die in het rapport worden getrokken worden niet (volledig)
door
de wederpartij onderschreven. Los van het feit dat het rapport met geen
woord
rept over de inhoud van het onderzoek, is voor de wederpartij niet na te
gaan
of de getrokken conclusies gerechtvaardigd zijn. Met name de slotconclusie:
“Het bedrijf heeft een vrouw-onvriendelijk image verworven” is bij de
wederpartij in het verkeerde keelgat geschoten.

Met betrekking tot de mogelijkheid van parttime werken heeft de directeur
duidelijk gemaakt, dat er in een kleine organisatie als die van de
wederpartij helaas geen mogelijkheden zijn voor aangepaste werkzaamheden.
Verzoekster zou -nadat zij hersteld verklaard is- haar contractueel
overeengekomen werkzaamheden kunnen hervatten, waarbij zoveel mogelijk
rekening wordt gehouden met de situatie en persoonlijke omstandigheden.
De
wederpartij heeft begrepen, dat verzoekster alleen op een alternatieve
werkplek terug wilde keren. Het is wel bespreekbaar om te zoeken naar
mogelijkheden voor een parttime reïntegratie op de eigen werkplek.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In het geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid heeft gemaakt naar geslacht als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.

4.2. Ingevolge artikel 7:646 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW), is het verboden
bij de arbeidsvoorwaarden onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

Artikel 7:646 lid 5 BW bepaalt dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen
moet worden verstaan direct en indirect onderscheid.

De Commissie hanteert een ruime opvatting van het begrip arbeidsvoorwaarden,
namelijk de mogelijkheid voor een persoon om zich binnen zijn/haar werk
te
kunnen ontplooien en daar ervaring op te doen (Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid, 30 september 1993, oordeel 466-93-34;
Commissie gelijke behandeling 21 januari 1997, oordeel 97-07.). Dit sluit
aan
bij het feit dat het verbod om onderscheid te maken zich richt op alle
aspecten van de arbeidsverhouding, met inbegrip van de werksfeer, die mede
bepalend is voor de ontplooiing en het functioneren van personen (Tweede
Kamer, 1991-1992, 22 014, nr. 5, p. 79.). Een vrouwen intimiderende,
discriminerende werksfeer brengt met zich dat de gediscrimineerde
werkneemster niet in staat is op dezelfde wijze als collega’s haar werk
te
verrichten hetgeen de arbeidsprestaties nadelig kan beïnvloeden (Commissie
gelijke behandeling, 11 april 1996, oordeel 96-23.).

Onder het verbod op onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden als genoemd in
artikel 7:646 lid 1 BW worden mede begrepen omstandigheden als een
discriminerende bejegening op de werkvloer van de wederpartij. (Commissie
gelijke behandeling, 9 juli 1996, oordeel 96-62, Commissie gelijke
behandeling, 20 februari 1997, oordeel 97-18, Commissie gelijke behandeling,
17 juni 1997, oordeel 97-82).
De verplichting van de werkgever zich te onthouden van discriminatie op
het
terrein van de arbeid brengt mee, dat de werkgever er op moet toezien dat
ook
degenen waarover hij het gezag uitoefent zich van discriminatie onthouden.

De vraag die gesteld moet worden is derhalve, of de wederpartij zich
voldoende gekweten heeft van deze verplichting, dus of zij adequaat heeft
gereageerd op de klachten van verzoekster en deze klachten met voldoende
zorgvuldigheid heeft behandeld.

4.3. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De wederpartij was op de hoogte van het vrijmoedig gedrag in het verleden
van
de later door verzoekster van seksuele intimidatie beschuldigde werknemer.
Zij heeft hier wel aandacht aan besteed. De vraag rijst, of destijds de
signalen dat er mogelijk sprake was van seksuele intimidatie voldoende
zijn
opgevangen. Vast staat dat bij de wederpartij geen adequate structuur
bestond, die het mogelijk maakte op deze signalen te reageren. Uit de
rapportage ongewenste intimiteiten blijkt immers, dat een gebrek aan beleid
in deze heeft geleid tot het gedogen van ongewenste intimiteiten.
Eveneens staat vast dat verzoekster destijds haar klachten met betrekking
tot
de seksuele intimidatie niet duidelijk naar voren heeft gebracht. Waar
zij
twijfels had om dit bij de adjunct directeur aan te kaarten, was het wel
mogelijk geweest om eem ander lid van het management team te benaderen.
Verzoekster heeft pas enige tijd na de escalatie van het conflict met haar
vrouwelijke collega expliciet aangegeven dat dit conflict (mede) veroorzaakt
was door de seksuele intimidatie van een mannelijke collega.
De wederpartij heeft, toen zij door verzoekster werd geconfronteerd met
het
vóórkomen van seksuele intimidatie, een onafhankelijk bureau ingeschakeld
om
een onafhankelijk onderzoek op te stellen. Zij heeft zich tevens bereid
verklaard de uit dit onderzoek voortvloeiende adviezen ten aanzien van
het
opzetten van een dergelijk beleid met de daarbij behorende structuur te
implementeren. Op deze wijze wil de wederpartij de nalatigheid in deze
uit
het verleden rechtzetten. Zij erkent daarbij jegens verzoekster een
verantwoordelijkheid te hebben.

De voornemens die, vóór het bekend worden van de seksuele intimidatie,
bestonden om verzoekster te ontslaan vanwege haar betrokkenheid bij het
conflict met de vrouwelijke collega, zijn nooit uitgevoerd. Wederpartij
heeft
zich ter zitting wel bereid getoond om mee te werken aan reïntegratie van
verzoekster op de eigen werkplek.

Gelet op het voorstaande stelt de Commissie vast, dat er geen sprake is
van
zodanige nalatigheid van de wederpartij bij het omgaan met seksuele
intimidatie, dat dit leidt tot ongelijke behandeling. Voor zover er sprake
is
geweest van enige nalatigheid, lag die in het feit dat in het verleden
een
onduidelijk beleid bestond met betrekking tot seksuele intimidatie. Hier
staat tegenover dat het ook tot de verantwoordelijkheid van verzoekster
behoorde om haar klachten aan de wederpartij kenbaar te maken. De Commissie
stelt vast dat de wederpartij zodra zij hiervan kennis had genomen,
initiatieven heeft genomen om die nalatigheid te herstellen. De eerdere
nalatigheid om een adequate structuur in het leven te roepen voor het
behandelen van dit soort klachten acht de Commissie in dit licht niet zo
zwaarwegend, dat het louter ontbreken van een dergelijke structuur voldoende
is om tot onderscheid op grond van geslacht te concluderen.

Op basis hiervan concludeert de Commissie dat er geen sprake is van ongelijke
behandeling van vrouwelijke werknemers, in die zin dat de wederpartij zich
onvoldoende heeft ingespannen om seksuele intimidatie te bestrijden en
voorkomen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Congres- en
Evenementencentrum, Cultureel Centrum De Meerpaal B.V. te Dronten jegens
mevrouw L.E. W. te Dronten bij de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid heeft
gemaakt op grond van geslacht als bedoeld in artikel 7:646 lid 1 Burgerlijk
Wetboek.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. prof. mr. A.W. Heringa (lid Kamer), mw. mr. G.H. Felix(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 28 november 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker stond ingeschreven voor de opleiding van beveiligingsmedewerker.
Verzoeker, van autochtone afkomst, is niet geselecteerd voor de opleiding
omdat bij de selectie de voorkeur is gegeven aan allochtone mannen.
De Commissie stelt vast dat het bedrijf voldoende aannemelijk heeft gemaakt
dat er sprake is van een feitelijke achterstand van allochtone werkzoekenden.
Ook is niet gebleken dat dat anders ligt voor de regio waarin het bedrijf
werkzaam is. De Commissie is van oordeel dat het voorrangsbeleid een bijdrage
kan leveren aan het gestelde doel en voldoet aan het wettelijk vereiste
van
proportionaliteit. Ook ten behoeve van andere doelgroepen worden immers
diverse begeleidingsinstrumenten en trajecten gehanteerd, waarbij zoveel
mogelijk wordt aangesloten bij de specifieke behoeften van de werkzoekende.
Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 29 oktober 1996 verzocht de heer C.M.M. van den B. te
‘s-Gravenpolder (hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna:
de Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of het Regionaal
Bestuur voor de Arbeidsvoorziening Zeeland te Middelburg (hierna: de
wederpartij) onderscheid op grond van ras heeft gemaakt zoals bedoeld in
de
Algemene wet gelijke behandeling (hierna: AWGB).

1.2. Verzoeker heeft zich bij de wederpartij ingeschreven voor de opleiding
van beveiligingsmedewerker. Verzoeker is van autochtone afkomst en niet
geselecteerd voor de opleiding omdat allochtone mannen voorrang hadden
bij
toelating tot de opleiding. Verzoeker stelt dat de wederpartij hiermee
in
strijd heeft gehandeld met de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.

2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen voor een zitting op 16 september
1997. Verzoeker heeft aan de oproep geen gehoor gegeven. De wederpartij
heeft
op de zitting zijn standpunt nader toegelicht. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij
– dhr. P. Holtring (directeur Praktijkcentrum Zeeland)
– dhr. J.D. ten Voorde (hoofd juridische zaken)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– mw. mr. G.H. Felix (secretaris Kamer).

2.3. Na de zitting is verzoeker in de gelegenheid gesteld schriftelijk
te
reageren op de ter zitting door de wederpartij overgelegde stukken.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij heeft via een advertentie in de Opleidingskrant van
het
Arbeidsbureau een opleiding voor beveiligingsmedewerker aangeboden. In
de
advertentie was vermeld dat de opleiding bedoeld was voor allochtone mannen
vanaf 25 jaar die wilden herintreden op de arbeidsmarkt. In het vakkenpakket
waren ondermeer opgenomen Nederlands en omgangskunde. Voor de toelating
tot
de opleiding was LBO/MAVO-niveau gewenst.
Tevens moesten de kandidaten ingeschreven staan bij het arbeidsbureau en
bereid zijn na de opleiding een baan in de beveiligingsbranche te aanvaarden.
De opleiding is gestart in september 1996 en duurde tot half juli 1997.
Er
was plaats voor een zestal cursisten. Na de opleiding volgden de cursisten
nog een stage van minimaal 240 uur.

3.2. In totaal hebben 25 personen zich aangemeld voor de betreffende
opleiding. Daarvan waren 20 kandidaten van allochtone afkomst en vijf
personen van autochtone afkomst. Alle vijfentwintig kandidaten zijn voor
een
gesprek uitgenodigd in willekeurige volgorde. Volgens de advertentie zou
er
een mondelinge toetsing van de motivatie en geschiktheid voor de opleiding
plaatsvinden. Een capaciteitentest maakte ook onderdeel uit van de
toelatingsprocedure.
In augustus 1996 werd verzoeker uitgenodigd voor een gesprek waarbij van
de
kant van de wederpartij een medewerker van het praktijkcentrum en de
consulent van het arbeidsbureau aanwezig waren. Tijdens dit gesprek is
verzoeker medegedeeld dat hij slechts in aanmerking zou kunnen komen voor
een
plaats bij deze opleiding als er te weinig geschikte allochtone kandidaten
zouden zijn. Verzoeker is op 19 september 1996 schriftelijk medegedeeld
dat
hij niet geplaatst was in de opleiding. Er waren acht allochtone mannen
geselecteerd, waarbij rekening werd gehouden met uitvallers.

3.3. De wederpartij voert een voorkeursbeleid voor etnische minderheden.
Dit
is gebaseerd op algemene gegevens over de achterstandspositie van allochtonen
op de arbeidsmarkt en de eigen gegevens van de wederpartij over de uitstroom
van allochtone werkzoekenden bij de wederpartij. Daaruit blijkt dat de
plaatsingskans via arbeidsbureaus van allochtonen op de arbeidsmarkt 57%
bedraagt ten opzichte van autochtonen (100%).
In overeenstemming met het landelijke beleid van de Arbeidsvoorziening
heeft
de wederpartij in 1996 vastgesteld dat langdurig werklozen, minderheden
en
vrouwen als doelgroepen zijn aangemerkt. Voor deze groepen zijn speciale
trajecten en projecten ontwikkeld om de toegang tot de arbeidsmarkt te
vergemakkelijken.

3.4. De opleiding voor beveiligingsmedewerker is in het leven geroepen
met
het oog op de CAO-Beveiligingsbedrijven waarin afspraken zijn gemaakt over
voorkeursbeleid voor het in dienst nemen van allochtone werknemers. Het
project voor beveiligingsmedewerker ten behoeve van allochtone werkzoekende
mannen maakte onderdeel uit van een zestal pilot-projecten, waarbij de
methodiek van de vrouwenvakschool is getest als mogelijk
begeleidingsinstrument van de wederpartij. Er is in dit project met name
onderzocht of de methodiek toepasbaar was op andere doelgroepen dan vrouwen.
De methodiek van de vrouwenvakschool kenmerkt zich door een groepsgewijze
opleiding aan een homogeen samengestelde groep. De overige vijf
pilot-projecten waren gericht op vrouwen als doelgroep.
Na afronding van de opleiding voor beveiligingsmedewerker hebben twee
cursisten inmiddels werk gevonden in de beveiligingsbranche, een tweetal
volgde nog een stage en twee cursisten moesten een herexamen doen.

De standpunten van partijen

Verzoeker stelt het volgende.

3.5. De wederpartij heeft met het selecteren op basis van afkomst in strijd
gehandeld met artikel 1 en artikel 5 lid 1 sub e van de AWGB. Verzoeker
is
ervan op de hoogte dat artikel 2 lid 3 AWGB bepaalt dat er in speciale
gevallen een voorkeursbeleid mag worden gevoerd voor, onder andere, een
culturele minderheidsgroep. Verzoeker beschouwt zichzelf als lid van een
culturele minderheidsgroep, namelijk die van langdurig werklozen. Door
het
gevoerde voorkeursbeleid maakt de wederpartij indirect onderscheid omdat
dit
voorkeursbeleid niet wordt gevoerd voor de culturele minderheidsgroep van
langdurig werklozen.

3.6. Tijdens het selectiegesprek in augustus 1996 is de wederpartij niet
of
nauwelijks ingegaan op de geschiktheid van verzoeker, dan wel de haalbaarheid
voor verzoeker om de opleiding met goed gevolg te kunnen afronden. Daarnaast
is er geen capaciteitentest uitgevoerd. De motivatie van verzoeker om aan
de
opleiding te beginnen werd volgens hem door de wederpartij te mager geacht
omdat hij aangaf voor de opleiding gekozen te hebben “om aan de slag te
komen”. Voorts werd door de wederpartij aangegeven dat de vooropleiding
van
verzoeker, te weten een atheneum-diploma, te hoog zou zijn om gemotiveerd
de
opleiding te kunnen voltooien.
Verzoeker begrijpt niet dat hij voor het gesprek is uitgenodigd terwijl,
uit
het door hem opgestuurde aanmeldingsformulier, zijn vooropleiding bekend
was.

3.7. Verzoeker is van mening dat taalvaardigheid en kennis van de Nederlandse
cultuur, belangrijke onderdelen van de opleiding, beter ontwikkeld kunnen
worden bij allochtonen als zij samen met autochtonen de opleiding zouden
volgen. Verzoeker geeft aan dat deze essentiële onderdelen van de opleiding
niet in de advertentie stonden vermeld.

De wederpartij stelt het volgende.

3.8. Als testcase voor de toepasbaarheid van de methodiek vrouwenvakschool
buiten de doelgroep vrouwen is ervoor gekozen de opleiding uitsluitend
voor
allochtone mannen open te stellen. Om de zuiverheid van de testcase te
garanderen is er welbewust van afgezien om ook vrouwen tot de opleiding
toe
te laten. Ter zitting heeft de wederpartij aangegeven dat het praktijkcentrum
zich nog beraadt over de vraag of de cursus in de huidige vorm voortgezet
zal
worden.

3.9. In de opleiding tot beveiligingsmedewerker vormen taalvaardigheid
en
cultuurkennis essentiële onderdelen. Het zal duidelijk zijn dat een
dergelijke opleiding om die reden niet geschikt was voor verzoeker die,
gezien zijn relatief hoge vooropleiding, aan die onderdelen geen behoefte
had. Verzoeker is niet geselecteerd omdat allochtone mannen voorrang hadden
bij deze opleiding.
Ook voor langdurig werklozen zijn instrumenten ontwikkeld die voor deze
groep
de toegang tot de arbeidsmarkt vereenvoudigen. Daarbij wordt veel aandacht
besteed aan motivatieversterkende activiteiten en sollicitatiebegeleiding.
Het gesprek dat met verzoeker in augustus 1996 is gevoerd, waarbij de
consulente van het arbeidsbureau aanwezig was, had dan ook tot doel mede
de
mogelijkheid te bezien of door verzoeker een speciaal traject, dat op zijn
situatie was toegesneden, zou kunnen gaan volgen.
Dit is inmiddels ook gebeurd.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de selectie voor de
opleiding tot beveiligingsmedewerker onderscheid heeft gemaakt in strijd
met
de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. De wederpartij heeft bij de selectie voor de opleiding tot
beveiligingsmedewerker de voorkeur gegeven aan allochtone mannen. De klacht
van verzoeker heeft derhalve betrekking op onderscheid op grond van ras.
De
Commissie heeft het onderzoek beperkt tot genoemde grond en niet ambtshalve
onderzocht of door de wederpartij onderscheid op grond van geslacht is
gemaakt. Immers, ook al zou daarvan sprake zijn, kan verzoeker als man
daar
geen aanspraken aan ontlenen. Bij een ambtshalve uitbreiding van het
onderzoek naar mogelijk onderscheid op grond van geslacht heeft verzoeker
derhalve geen belang.

4.3. Artikel 5 AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1 AWGB, het maken
van
onderscheid naar ras onder meer bij het laten volgen van onderwijs, scholing
en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.).

Van het verbod op onderscheid naar ras mag slechts worden afgeweken als
er
sprake is van één van de wettelijke uitzonderingsgronden genoemd in artikel
2
lid 3 en lid 4 AWGB, namelijk in geval van respectievelijk voorkeursbeleid
of
van rasbepaaldheid van de functie.
In dit geval is de uitzondering genoemd in artikel 2 lid 3 AWGB relevant.
De
tekst van dit artikel luidt als volgt:
“Het in deze Wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet, indien
het
onderscheid tot doel heeft vrouwen of personen behorende tot een bepaalde
etnische of culturele minderheidsgroep een bevoorrechte positie toe te
kennen
ten einde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te verminderen en het
onderscheid in een redelijke verhouding staat tot dat doel”.

4.4. Ingevolge artikel 5 lid 1 sub e AWGB is onderscheid verboden bij het
laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand
aan
een arbeidsverhouding.
De Commissie stelt vast dat de onderhavige opleiding tot
beveiligingsmedewerker van de wederpartij tot doel heeft werkzoekende
allochtone mannen te laten herintreden op de arbeidsmarkt. In de brochure
staat dat de cursisten na de opleiding bereid dienen te zijn een baan te
aanvaarden. De klacht van verzoeker heeft betrekking op de selectie voor
genoemde opleiding, waarvan hij uitgesloten is. De Commissie stelt vast
dat
de klacht van verzoeker valt onder het bereik van artikel 5 lid 1 sub e
AWGB.

4.5. Ter beantwoording van de vraag of het voorkeursbeleid voor allochtonen
van de wederpartij voldoet aan de wettelijke criteria overweegt de Commissie
als volgt.

De wederpartij voert een voorkeursbeleid voor allochtone werkzoekenden,
gebaseerd op algemene statistische gegevens over de zwakkere
arbeidsmarktpositie van deze groep.

Daarnaast heeft zij gegevens verstrekt over de uitstroom van allochtone
werkzoekenden naar de arbeidsmarkt, via plaatsing door het arbeidsbureau.
Uit
deze gegevens blijkt dat er weliswaar verschillen zijn in de uitstroom
naar
de arbeidsmarkt tussen de verschillende etnische of culturele
minderheidsgroepen, maar dat voor de groep allochtone werkzoekenden als
geheel de plaatsingskans op de arbeidsmarkt 57% is ten opzichte van
autochtone werkzoekenden (100%). De wederpartij heeft geen gegevens verstrekt
over de uitsplitsing van deze plaatsingskansen naar opleidingsniveaus.
Het
pilot-project voor beveiligings-medewerker was bedoeld voor allochtone
werkloze mannen op
BO/MAVO-niveau. Uit statistische gegevens blijkt dat bij een gelijk
opleidingsniveau de werkloosheidskans van mannen uit de minderheden veel
groter is dan de werkloosheidskans van autochtone mannen. (Rapportage
minderheden 1997 (bijlage 4 bij Jaaroverzicht Integratie Etnische Groepen
1997), pag. 95.)
Op grond van het bovenstaande stelt de Commissie vast dat de wederpartij
voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een feitelijke
achterstand van allochtone werkzoekenden op de arbeidsmarkt en dat niet
gebleken is dat dit anders ligt voor de regio Zeeland waarin de wederpartij
haar werkzaamheden verricht.
Vervolgens is de vraag of het onderscheid in een redelijke verhouding staat
tot het doel.
Het doel van het voorkeursbeleid is het verminderen van de
achterstandssituatie van allochtone werkzoekenden. De Commissie constateert
dat het onderhavige pilot-project voor allochtonen een zestal
opleidingsplaatsen betrof waarvan vier personen inmiddels werkzaam zijn
en/of
een stageplaats hebben in de beveiligingsbranche. De Commissie is op grond
hiervan van oordeel dat het geven van voorrang aan allochtone kandidaten
bij
de opleiding een bijdrage kan leveren aan het gestelde doel, te weten het
verminderen van de achterstandspositie van allochtone werkzoekenden.

Tevens is de Commissie van oordeel dat de wijze waarop de wederpartij het
middel van voorkeursbeleid hanteert, voldoet aan het wettelijk vereiste
van
redelijke verhouding tussen middel en doel (proportionaliteit). De
wederpartij heeft aangegeven dat dit pilot-project slechts één van de
instrumenten was die ter beschikking staan om werkzoekenden te begeleiden
en
aan een baan te helpen. Ook ten behoeve van andere doelgroepen, zoals
langdurig werklozen en vrouwen, worden diverse begeleidings-instrumenten
en
-trajecten gehanteerd, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de
specifieke behoefte van de werkzoekende. In het geval van verzoeker is
een
individueel traject gestart.

Op grond van het bovenstaande komt de Commissie tot de conclusie dat voldaan
is aan de criteria die worden gesteld aan voorkeursbeleid op grond van
ras.
Derhalve heeft de wederpartij bij de selectie voor de onderhavige opleiding
geen direct onderscheid op grond van ras jegens verzoeker gemaakt.

4.6. Wellicht ten overvloede overweegt de Commissie voor wat het standpunt
van verzoeker betreft, dat er onderscheid jegens hem is gemaakt vanwege
het
feit dat er geen voorkeursbeleid is gevoerd voor de culturele
minderheidsgroep van langdurig werklozen, het volgende. Langdurig werklozen
vallen als groep niet onder het begrip culturele minderheid als bedoeld
in de
gelijke behandelings-wetgeving.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Regionaal Bestuur voor
de
Arbeidsvoorziening Zeeland te Middelburg jegens de heer C.M.M. van den
B. te
‘s-Gravenpolder bij het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming
tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding geen onderscheid naar
ras
heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 sub e van de Algemene wet
gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G.Nicolai (lid Kamer), dhr. A. Kruyt (lid Kamer), mw. mr. G.H. Felix(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 november 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is werkzaam bij een rijksuniversiteit. Als ambtenaar is zij
particulier verzekerd tegen ziektekosten. Van de wederpartij ontvangt zij
daarvoor een tegemoetkoming. Voor haar partner, met wie zij samenwoont,
ontvangt zij deze tegemoetkoming niet omdat verzoekster en haar partner
geen
notarieel samenlevingscontract hebben. Volgens verzoekster handelt de
universiteit, door een samenlevingscontract als voorwaarde voor toekenning
van de vergoeding te stellen, in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
De Commissie oordeelt dat deze voorwaarde overeenkomt met de eisen die
worden
gesteld aan het samenlevingsverband van gehuwde werknemers, gelet op de
in
het BW gestelde rechten en plichten ten aanzien van huwelijkse partners.
Van
onderscheid naar burgerlijke staat is daarom geen sprake.

Volledige tekst

TEKST2

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 november 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is werkzaam bij een rijksuniversiteit. Als ambtenaar is zij
particulier verzekerd tegen ziektekosten. Van haar werkgever ontvangt zij
daarvoor een tegemoetkoming. Voor haar partner, met wie zij samenwoont,
ontvangt zij deze tegemoetkoming niet omdat verzoekster en haar partner
geen
notarieel samenlevingscontract hebben. De tegemoetkoming in de ziektekosten
is gebaseerd op een besluit dat door het ministerie van Onderwijs,
Wetenschappen en Cultuur is opgesteld. Volgens verzoekster handelt het
ministerie door een samenlevingscontract als voorwaarde voor toekenning
van
de vergoeding te stellen in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
De Commissie oordeelt dat deze voorwaarde overeenkomt met de eisen die
worden
gesteld aan het samenlevingsverband van gehuwde werknemers, gelet op de
in
het BW gestelde rechten en plichten ten aanzien van huwelijkse partners.
Van
onderscheid naar burgerlijke staat is daarom geen sprake.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 17 juni 1997 verzocht mevrouw F.D. H. te Enschede (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of het Ministerie van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschappen te Zoetermeer (hierna: de wederpartij) heeft gehandeld
in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is werkzaam bij een rijksuniversiteit (hierna: de
werkgever). Als ambtenaar is zij verplicht particulier verzekerd tegen
ziektekosten. Van de werkgever ontvangt zij een tegemoetkoming in de
ziektekosten. Voor haar partner, met wie zij samenwoont, ontvangt zij deze
tegemoetkoming niet omdat verzoekster en haar partner geen notarieel
samenlevingscontract hebben. De tegemoetkoming is gebaseerd op het Besluit
tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en
onderzoekpersoneel (hierna: de ZKOO-regeling), opgesteld door de wederpartij.
Volgens verzoekster handelt de wederpartij door te bepalen dat geen
tegemoetkoming wordt toegekend voor haar partner in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Het verzoek is in behandeling genomen en de Commissie heeft een
onderzoek ingesteld.

Verzoekster heeft tevens een verzoek om een oordeel ingediend omtrent het
handelen van haar werkgever. Dit verzoek is door de Commissie afzonderlijk
in
behandeling genomen onder nummer 97/367. In die zaak heeft de Commissie
een
oordeel uitgesproken onder nummer 97-124. Beide zaken zijn gevoegd behandeld.

Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 7 oktober
1997.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de verzoekster
– mw. F.D. H. (verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– mw. mr. E.S.M. van Zadelhoff (hoofd afdeling Pensioenen, Sociale
Zekerheid en Wachtgelden)

van de kant van de wederpartij in de gevoegde zaak
– mw. mr. I. de Jong (juridisch medewerker)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster woont sinds september 1992 ongehuwd samen met haar
mannelijke partner. Haar partner heeft sinds december 1995 geen eigen
inkomsten meer. Hij komt niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering
omdat
hij en verzoekster als samenlevenden een te hoog inkomen hebben. Daar geen
bijstandsuitkering wordt verstrekt, is hij niet via het ziekenfonds
verzekerd. Verzoekster is evenmin via het ziekenfonds verzekerd. Omdat
haar
partner derhalve niet via het ziekenfonds kan worden meeverzekerd met haar,
is hij genoodzaakt zich particulier tegen ziektekosten te verzekeren.

3.2. Verzoekster is als ambtenaar verplicht particulier verzekerd tegen
ziektekosten en krijgt daarvoor een tegemoetkoming op basis van de
ZKOO-regeling. Deze regeling, die op 1 oktober 1995 in werking is getreden
ter vervanging van de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982, is
opgesteld door de wederpartij.

Op grond van de ZKOO-regeling kunnen werknemers zoals verzoekster aanspraak
maken op een tegemoetkoming in de ziektekosten voor zogenaamde
medebetrokkenen, waartoe onder meer behoren partners. Artikel 3.4.1 van
de
ZKOO-regeling bepaalt onder andere dat als partner wordt beschouwd:
” a. de echtgeno(o)t(e) van de betrokkene die behoort tot het huishouden
van
de betrokkene dan wel;
b. degene met wie de niet-gehuwde betrokkene samenwoont en
-met het oogmerk duurzaam samen te leven- een gezamenlijke huishouding
voert
op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de
wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en
gezamenlijke huishouding. De betrokkene dient een kopie van een schriftelijke
verklaring van een notaris te overleggen, waaruit blijkt dat een
samenlevingscontract met bedoelde inhoud is afgesloten”.

Verzoekster krijgt geen vergoeding voor de gemaakte premiekosten van haar
partner op basis van de ZKOO-regeling, omdat zij en haar partner geen
notarieel samenlevingscontract hebben. Er is evenmin sprake van een
onderhands samenlevingscontract tussen verzoekster en haar partner.

3.3. Op 10 juli 1996 heeft verzoekster bezwaar aangetekend tegen de wijze
waarop de werkgever uitvoering geeft aan de ZKOO-regeling. De werkgever
heeft
bij brief van 12 september 1996 verklaard, dat het bezwaar kennelijk
ongegrond is aangezien de klacht zich richt tegen de ZKOO-regeling als
algemeen verbindend voorschrift en de werkgever slechts de uitvoerende
instantie is.

Op 2 april 1997 heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend bij de
wederpartij. Op 15 mei 1997 heeft deze verzoekster schriftelijk medegedeeld,
dat aan haar verzoek om haar schrijven in behandeling te nemen als een
bezwaarschrift tegen de ZKOO-regeling niet kan worden voldaan, omdat op
grond
van artikel 8:2 onder a van de Algemene wet bestuursrecht geen beroep kan
worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend
voorschrift of beleidsregel.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt het volgende.

Zij wil geen notarieel contract en wenst evenmin daarvoor kosten te maken.
De
aanwezigheid van een samenlevingscontract is ook niet relevant voor de
vaststelling van het begrip partner voor de tegemoetkoming in diens
ziektekosten. Het is een kwestie van vertrouwen tussen de werknemer en
de
werkgever. Volgens verzoekster mag geen notarieel contract worden geëist.
Zij
en haar partner willen juist samenwonen zonder de verplichtingen die aan
een
huwelijk zijn verbonden. Door een samenlevingscontract zijn partners aan
elkaar gebonden zoals in een huwelijk.

Verzoekster betwist de stelling van de werkgever dat, indien het notarieel
contract als controlemiddel zou vervallen en de feitelijke leefsituatie
zou
moeten worden getoetst aan de in de ZKOO-regeling gestelde criteria
betreffende de samenwoonrelatie, dit een inbreuk in de privésfeer zal
betekenen. Zij stelt dat van een dergelijke inbreuk in de privésfeer ook
sprake is door het stellen van de eis van een notarieel contract.

Uitkerende instanties vereisen, in tegenstelling tot de wederpartij, geen
samenlevingscontract bij het vaststellen van het recht op bijstand. Ook
andere instanties zoals de belastingdienst en de gemeente beschouwen
verzoekster en haar partner als een economische eenheid. Omdat geen bijstand
wordt verleend aan haar partner, bestaat er geen mogelijkheid via het
ziekenfonds verzekerd te zijn tegen ziektekosten. Door de
ziektekostenverzekeraars kunnen verzoekster en haar partner wel als partners
worden aangemerkt, ondanks het ontbreken van een samenlevingscontract.

Verzoekster en haar partner worden ongelijk behandeld op grond van
burgerlijke staat. Zij betaalt wel de premiekosten. Het gemaakte onderscheid
is willekeurig: omdat verzoekster samenwoont moet haar partner zich
particulier verzekeren en heeft verzoekster naar haar mening ook recht
op de
vergoeding voor partners op grond van de ZKOO-regeling.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.

Er is geen sprake van een verschil in behandeling tussen gehuwden en
ongehuwden. Weliswaar ontvangt niet iedereen de tegemoetkoming in de
ziektekosten voor de partner. Deze tegemoetkoming wordt echter wel toegekend
aan alle partners die -ongeacht de burgerlijke staat- aantoonbaar bepaalde
rechten en plichten ten opzichte van elkaar hebben.

Voor de uitvoering van de ZKOO-regeling en andere rechtspositionele
regelingen die van toepassing zijn op overheids- en onderwijspersoneel
is bij
besluit van 9 april 1992 (Staatsblad 1992, 220) een uniform criterium
ingevoerd voor de erkenning van andere samenlevingsvormen dan het huwelijk,
te weten een door een notaris opgemaakt samenlevingscontract. De criteria
daarbij zijn zodanig opgesteld dat deze contracten zoveel mogelijk
samenvallen met de wettelijke rechten en plichten die zijn verbonden aan
het
huwelijk. Hiermee is voor de uitvoering van de ambtelijke rechtspositionele
regelingen de gelijkstelling en gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd
samenwonenden gerealiseerd. De wederpartij voegt hieraan toe dat het gaat
om
de controleerbaarheid, in het bijzonder om de vraag hoe vastgesteld dient
te
worden dat iemand een samenlevingsrelatie heeft. Indien controle van de
feiten in de praktijk onwenselijk wordt geacht, zal men de voorwaarde van
een
notarieel contract moeten stellen. Bij aanvullende pensioenen wordt dezelfde
eis gesteld.

De omstandigheid, dat verzoekster en haar partner ondanks het ontbreken
van
een samenlevingscontract door andere instanties wel als partners of als
economische eenheid worden beschouwd, doet niet af aan het standpunt van
de
wederpartij dat van ongelijke behandeling op grond van burgerlijke staat
geen
sprake is. Verzoekster vergelijkt verschillende regelingen met elkaar en
bestempelt het feit, dat voor de uitvoering daarvan verschillende groepen
belanghebbenden worden gedefinieerd, als ongelijke behandeling. De
ZKOO-regeling enerzijds en de bijstands- en de belastingregeling anderzijds
verschillen echter van elkaar. Binnen de ZKOO-regeling wordt geen onderscheid
gemaakt naar burgerlijke staat. Voor de ongehuwd samenwonenden is een
notarieel contract vereist, terwijl bij een huwelijk dezelfde rechten en
plichten gelden als die welke bij ongehuwd samenwonenden in het notarieel
contract dienen te zijn vervat.

De wederpartij verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep
d.d. 9 februari 1995. Daarin is geoordeeld dat het niet gelijk stellen
van
gehuwden en niet-gehuwd samenwonende ambtenaren met een samenlevingscontract
enerzijds met niet-gehuwd samenwonenden zonder notarieel samenlevingscontract
anderzijds niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Dat er andere
regelingen bestaan met andere gelijkstellingen, doet volgens de wederpartij
daaraan niet af.
Tevens wijst de wederpartij op een nog ongepubliceerd vonnis van de rechtbank
te Den Haag van 18 juli 1997, waarbij sprake was van een samenlevingscontract
terwijl de partners niet op hetzelfde adres woonden. De rechtbank oordeelde
dat de werkgever kon volstaan met het toetsen van het formele criterium
en
geen nader onderzoek naar de feiten hoefde te doen. Ook in deze casus hoeft
de werkgever volgens de wederpartij geen onderzoek te verrichten naar de
feitelijke situatie met betrekking tot het samenwonen van de werknemer
en
diens partner. Het gegeven dat verzoekster geen notarieel
samenlevingscontract heeft, komt voor haar risico.

Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat een en ander ook een kwestie
van goed vertrouwen is tussen de werkgever en de werknemer stelt de
wederpartij, dat het gaat om grote bedragen die niet op basis van goed
vertrouwen ter beschikking kunnen worden gesteld. Zij voegt daaraan toe
dat
de Rekenkamer en de accountant ook hun eisen stellen aan de wederpartij.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij, door te bepalen dat voor
verzoekster geen tegemoetkoming wordt toegekend in de ziektekosten van
haar
partner vanwege het ontbreken van een notarieel samenlevingscontract,
onderscheid maakt op grond van burgerlijke staat zoals bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling.

4.2. Ter beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen van
belang.

Artikel 5, eerste lid, onderdeel d, AWGB bepaalt onder meer dat het verboden
is onderscheid te maken bij de arbeidsvoorwaarden.
Het toekennen van een tegemoetkoming in de ziektekosten zoals in de
ZKOO-regeling bedoeld, valt onder het begrip arbeidsvoorwaarden.

Artikel 1 bepaalt dat onder onderscheid zowel direct als indirect onderscheid
begrepen wordt. Van direct onderscheid op grond van burgerlijke staat is
sprake wanneer hier rechtstreeks naar wordt verwezen. Onder indirect
onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden
of
gedragingen dan burgerlijke staat dat direct onderscheid op die grond tot
gevolg heeft.

4.3. Ten aanzien van de vraag of de wederpartij valt onder de reikwijdte
van
artikel 5 AWGB overweegt de Commissie als volgt.

Genoemd wetsartikel omvat een zogenaamde open norm. Dat betekent dat het
in
het artikel gestelde zich ook richt tot anderen dan de werkgever in
arbeidsrechtelijke zin, met inbegrip van diegenen die betrokken zijn bij
de
(totstandkoming van) de arbeidsvoorwaarden (Zie ook Commissie gelijke
behandeling, 28 april 1997, oordeel 97-54). Gelet op de betrokkenheid van
de
wederpartij bij de onderhavige regeling richt zich het verbod tot het maken
van onderscheid op grond van burgerlijke staat in deze zaak ook tot haar.
De
Commissie zal derhalve onderzoeken of het handelen van de wederpartij in
strijd is met hetgeen in genoemd wetsartikel is gesteld.

4.4. Ten aanzien van de vraag of sprake is van onderscheid op grond van
burgerlijke staat als bedoeld in de AWGB overweegt de Commissie als volgt.

De ZKOO-regeling biedt aan zowel gehuwde werknemers als aan ongehuwd
samenwonende werknemers de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor
een
tegemoetkoming in de ziektekosten van de partner. Teneinde recht te kunnen
doen gelden op bedoelde tegemoetkoming dient sprake te zijn van een
samenlevingsverband waarbij sprake is van bepaalde wederzijdse rechten
en
plichten van de partners jegens elkaar. Deze rechten en plichten zijn voor
wat betreft de gehuwde werknemer en zijn of haar partner neergelegd in
het
Burgerlijk Wetboek. Bij ongehuwd samenwonenden wordt in de ZKOO-regeling
gesteld dat aanspraak kan worden gemaakt op een tegemoetkoming voor de
partner indien deze laatste met de betrokkene samenwoont en -met het oogmerk
duurzaam samen te leven- een gezamenlijke huishouding voert op basis van
een
notarieel samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en plichten
ter zake van die samenwoning en gezamenlijke huishouding.
De Commissie overweegt dat de voorwaarden die gesteld worden aan het
samenlevingsverband van ongehuwd samenwonende werknemers overeenkomen met
die
welke gesteld zijn aan het samenlevings-verband van gehuwde werknemers,
gelet op het terzake gestelde in het Burgerlijk Wetboek met betrekking
tot de
rechten en plichten van huwelijkse partners. Wat dit betreft is derhalve
geen
sprake van onderscheid op grond van burgerlijke staat zoals bedoeld in
de
AWGB en heeft de wederpartij niet in strijd met deze wet gehandeld.

Verzoeksters klacht richt zich niet alleen tegen de gebondenheid van partners
ten opzichte van elkaar zoals die ligt besloten in de criteria die de
ZKOO-regeling stelt aan het samenlevings-verband, maar tevens tegen de
eis
van een notarieel samenlevingscontract als zodanig. De Commissie stelt
vast
dat de wederpartij op deze wijze nagaat of het samenlevingsverband van
de
ongehuwde werknemer die in aanmerking wil komen voor de tegemoetkoming
in de
ziektekosten van diens partner, voldoet aan de criteria met betrekking
tot de
wijze van samenleven zoals in het voorgaande weergegeven. De Commissie
stelt
vast dat noch bij gehuwden noch bij ongehuwd samenwonenden de feitelijke
wijze van samenleven wordt getoetst aan de gestelde criteria. Bij gehuwden
is
er in juridische zin zicht op het samenlevingsverband in het kader van
de
gestelde criteria, gelet op hetgeen daarover in het Burgerlijk Wetboek
is
bepaald. Het vereiste notarieel contract bij ongehuwden biedt naar het
oordeel van de Commissie eenzelfde zicht op het samenlevingsverband in
het
kader van de tegemoetkoming in de ziektekosten zoals neergelegd in de
ZKOO-regeling (Zie ook
– Centrale Raad van Beroep, 25 februari 1988, nr. MAW 1986/44;
– Ambtenarengerecht te Utrecht, 9 februari 1990, nr. AW 89/482;
– Centrale Raad van Beroep, 5 september 1991, nr. AW 1989/716;
– Centrale Raad van Beroep, 9 februari 1995, nr. AW 1994/154.). Ook wat
dit
betreft is derhalve geen sprake van onderscheid op grond van burgerlijke
staat zoals bedoeld in de AWGB en heeft de wederpartij niet in strijd met
deze wet gehandeld.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen te Zoetermeer jegens mevrouw F.D. H. te Enschede
geen onderscheid op grond van burgerlijke staat heeft gemaakt als bedoeld
in
artikel 5, eerste lid, onderdeel d van de Algemene wet gelijke behandeling
en
derhalve niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)